-ocr page 1-

/?

!A N DiUiKK

llti

{ ^ f

h .i ;v. W 1.! \ N K

',: vF,.\i»r. UFir/TF.xr dkuic

G1?ÖNJN(iEN BIJ J. Igt;. VVOIiTEUS. 1805.

-ocr page 2-

S. oct.

3520

-ocr page 3-

ALGEMEBNE GESCHIEDENIS.

-ocr page 4-

. ■

-ocr page 5-

•J1 ,r si

HANDBOEK

DER

lüscmyms

DOOK

DR. J. A. WIJ ME.

ZEVENDE HERZIENE DRUK.

TE GRONINGEN BfJ J. li. WOLTEHS, 1895.

-ocr page 6-

Stoomdrukkerij v:ui J. B. Wolters.

-ocr page 7-

INHOUD.

OUDE GESCHIEDENIS.

Blz.

§ 1. Sina ..............5.

§ 2. indië.................5.

§ 3. Assyrië..............9.

§ 4. Babylonië .... . ......11.

§ 5. Aegypte.............13.

§ 6. Geschiedenis van Aegypte . .........16.

§ 7. De Isrnëlieteh tot de verovering van Kanaan......18.

§ 8. De Israëlieten tot den ondergang hunner rijken . . . . .19.

§ 9. Plioenicië.............22.

§10. Medië..............23.

§11. Perzië ..............25.

§ 12. Griekenland.............28.

§ 13. Griekenlands oudste bewoners. — De vestiging der Heracllden en der

Doriërs in de Peloponnesus. — De volkplantingen der Grieken . 28.

§ 14. De Grieken in 't algemeen..........30.

§ 15. Sparta..............33.

§ 16. Athene.................35.

§ 17. De Perzische oorlogen, 493—387, tot hot begin der burgeroorlogen in

Griekenland . . . _..........37.

§ 18. Vervolg.............39.

§ 19. De Peloponnesiscbe oorlog. — Van 431 tot 404 ..........42.

§ 20. Toestand van Athene. — Sparta's ove-rmacht ...... 44.

§ 21. De Thebaansche oorlog — De onderwerping van Griekenland aan

Macedonië .............46.

§ 22. Macedonië tot den dood van Philips II. — Van 813 tot 336 . . .47.

§ 23. Alexander de groote en het Perzisch-Macedonisch rijk. — Van336 tot823. 49.

§ 24. De uit het Perzisch-Macedonisch rijk voortgesproten staten . . . 51.

§ 25. Italië......... .... 53.

-ocr page 8-

INHOUD.

Blz.

§ 26. Stichting en oudste inwoners van Rome ....... 54

§ '27. Rome onder de koningen. — Van omstreeks 753 tot ongeveer 509 . 56.

§ 28. De oorlogen van Rome tegen de verdreven Tarquiniussen, — Instelling

van het volkstribunaat, — Van 50!) tot 491......58.

§ 29. Do plebejers erlangen allengs volkomen gelijkstelling in staak burgerlijke

rechten met de patriciërs. — Van 462 tot 287...... 60.

§ .'?0. De oorlogen tegen Veji, van 405 tot 396, en die tegen de Galliërs in 390 61.

§ 31. De oorlogen met de Latijnen en met de Samnieten, — De onderwerping van Beneden-ltalië aan Rome in den oorlog met Tarente en met koning Pyrrhus. — Van 343 tot 272 ....... 63.

8 32. De eerste Punische oorlog. — Van 264 tot 241.....64.

§ 33. De tweede Punische oorlog. — Van 218 tot 201 . . . . .66.

8 34. Uitbreiding van Rome's heerschappij in Italié, in het Oosten en in

Spanje. — De derde Punische oorlog, van 140 tot 146 .... 68.

S 35. De Gracchussen. — A'an 133 tot 121 ....... 69.

S 36. De .lugurthijnsche oorlog. — De Cimbren en de Teutonen. — De Marsische oorlog. — De eerste Mithradatische oorlog. — De eerste burgeroorlog. — Van 112 tot 81........70.

§ 37. De slavenoorlog. — De oorlog tegen de zeeroovers. — De derde Mithradatische oorlog. — Het eerste driemanschap. — De tweede burgeroorlog.— Van 74 tot 44 ............ 73.

§ 38. Het tweede driemanschap. — Van 43 tot 31......76.

S 39. Augustus. — Van 31 v. C. tot 14 n. C. — Het Christendom . . .78.

8 40. De keizers uit het geslacht van Augustus, de Flaviussen en hun eerste

opvolgers. — Van 14 tot 180 n. C.........80.

§ 41. Tijd der ontbinding van het Romeinsche rijk door de heerschappij der

soldaten. — Van 80 tot 305 ......... 82.

§ 42. Constantinus de groote, van 323 tot 337, en het Christendom in zijn tijd. 83.

§ 43. De Germanen. — De volksverhuizing sedert 375. — De verdeeling van

het Romeinsche rijk in 395 ......... 86,

^ 44. Het West-Romeinsche rijk in oorlog met do West-Gothen en met de

Hunnen tot zijn ondergang. — Van 395 tot 476 ..... 88.

MIDDELEEUWEN.

S 45. Het Oost-Gothische rijk. — Het Oost-Romeinsche rijk tot 842. — De val van het Vandaalsche on van het Oost-Gothische rijk. — De Longo-barden in Italië...............90.

S 46. De Arabieren. — Mohammed. — Van 571 tot 632 ..... 92.

§ 47. De Arabieren onder de eerste khalifen en onder die uit het geslacht der Ommyaden. — De ondergang van het rijk der West-Gothen. — Van 632 tot 711..............94.

VI

-ocr page 9-

INHOUD.

Blz.

§ 48. De Arabieren onder de khalifen uit het geslacht der Abbassïder'. —

De letterkunde der Arabieren. — Van 750 tot 800 .... 96.

§ 49. Het Frankische rijk onder de Merovingiërs en onder de Karolingische

huismeiers tot het koningschap der Karolingiërs. — Van 481 tot 75'2. 97.

§ 50. Het leenstelsel............100.

S M. Het Christendom onder de Duitsche volkeren. — Het pausdom en de

scheuring der katholieke kerk. — Het monnikendom .... 105.

§ 52. Het Frankische rijk onder de Karolingische koningen Pepijn en Karei

den groote. — Van 752 tot 8-14 . .......107.

S 53. Kareis binnenlandsch beheer ......... 409.

§ 54. De Karolingische koningen van het rijk der Franken tot het afzetten van Karei den dikke, van 814 tot 887 en 888. — Het verdrag van Verdun, in 843............111.

§ 55. De laatste Karolingiërs in Duitschland, in Italië en in Frankrijk, van 887 tot 911, 923 en 987. — Duitschland onder den Frankischen Koen-raad I en onder de eerste vorsten uit het Saksische huis, van 911 tot 973 ............. 114.

§ 56. Duitschland onder het Frankische huis, sedert 1024. — Twist van keizer Hendrik IV, van 1056 tot 1106, met paus Gregorius VH, van 1073 tot 1085 ............ 116.

§ 57. Frankrijk onder de koningen uit het huis Capet. — Van 987 tot 1270 118.

§ 58. De Angelsaksen in Britannië, van 449 tot 827. — Engeland onder het bestuur der Angelsaksische koningen, van 827 tot 1017; onder het Deensche huis, van 1017 tot 1042; onder de regeering van denAngel-saksischen Eduard 111; onder het Normandische huis, van 1066 tot 1154, en onder de eerste beheerschers uit het huis Plantagenet of Anjou , van 1154 tot 1272 ......... 121.

Éj 59. De eerste kruistocht, van 1096 tot 1099. — liet koninkrijk Jeruzalem. — De geestelijke ridderorden.......125.

§ 60. De tweede kruistocht, van 1147 tot 1149. — De derde kruistocht, van 1189 tot 1192. — Duitschland onder Frederik 1 Barbarossa uit het huis der Hohenstaufen, van 1152 tot 1190 ...... 128.

S 61. Innocentius III, van 1198 tot 1216. — Gregorius IX. — De kruistocht tegen de Albigenzen en de bedelorden. — De vierde kruistocht, van 1202 tot 1204 ............ 131.

S 62. Duitschland onder Frederik II uit het huis der Hohenstaufen, van 1215 tot 1250. — De vijfde, de zesde en de zevende kruistocht, van 1228 tot 1229, van 1248 tot 1254 en in 1270. — Gevolgen der kruistochten............133.

^ 63. De val der Hohenstaufen in 12(18. — De Siciliaansche vesper in 1282. —

De keurvorsten. — De veem gerechten. — De hanse .... 134.

S 64. Duitschland onder de koningen uit het Habsburgsche en het Luxem-

VII

-ocr page 10-

INHOUD.

Blz.

bnrgsche huis. —* Het concilie van Constants en Johannes IIus. Van ■1273 tot 1436............137.

§ (15. Frankrijk onder de laatste koningen uit de rechte linie van het huis

Capet. — Van 1285 tot 1328 ......... 141.

§ 66. Frankrijk onder de eerste koningen uit het linis Valeis. — Do hervatting van den langdurigen oorlog tusschen Frankrijk en Engeland. ;— Van 1328 tot 1422 ........ . .143.

8 67. Frankrijk onder de verdere koningen uit het huis Valois. — De maagd

van Orleans. — Van 1422 tot 1408 ........ 146.

S 68. Engeland onder de laatste koningen uit het huis Plantagenet, alsmede onder de huizen Lancaster en York. — De oorlog der witte en der roode roos. — Van 1274 tot 1485 ........ 148.

§ 69. Geschiedenis van Spanje gedurende de Middeleeuwen. — De opkomst en de ondergang der Ommyaden. — Het ontstaan en de bloei van nieuwe Christenstaten aldaar.........151.

S 70. De Italiaanschc staten gedurende de dertiende, de veertiende en de

vijftiende eeuw ............154.

§ 71. Geschiedenis der Nederlanden gedurende de Middeleeuwen . . . 156.

S 72. Geschiedenis van Polen en van Hongarije gedurende do Middeleeuwen. 161.

§ 73. Dc Scandinavische rijken gedurende de Middeleeuwen. — Oorsprong

van Rusland............163.

§ 74. De opkomst en de hernieuwing der Mongoolsch-Tartaarsche macht, —

De verovering van Constantinopel door de Turken in 1453 . . . 165.

§ 75. Overzicht van de geschiedenis der letteren en der beschaving van de

Christenheid gedurende de Middeleeuwen . . . . . . 167.

NIEUWE GESCHIEDENIS.

S 76. Inleidende opmerkingen. — Do ontdekking van Amerika in 1402 en van den weg ter zee naar Oost-Indië in 1408. — Vestiging der Portugeesche heerschappij in Oost-Indië.........170.

§ 77. De eerste reis rondom de wereld door F. Magelhan, van 1510 tot 1521. — Vestiging der Spaansche heerschappij in Amerika. — F. Cortez verovert Mexiko, van 1510 tot 1521. — Verovering van Peru, van 1521 tot 1535. — Toestand der provinciën van Spaansch Amerika. — Voordeden en gevolgen der ontdekkingen......173.

S 78. Oorlogen in Italië om Napels en om Milaan, van 1494 tot 1515. — Duitschland onder Maximiliaan I, keizer uit het Habsburgsche huis, van 1493 tot 1510. — Karei V, van 1506 tot 1556 .... 177.

S 79. Dc oorlogen van Karei V tegen Frans I, van 1521 tot 1544. — Kareis tochten tegen de Afrikaansche zeeroovers. — Soleiman II, sultan der

VIII

-ocr page 11-

INHOUD.

Blz.

Ottomanische Tnrken, van 1520 tot 1566 ......180.

§ 80. Het begin tier kerkhervorming in Duitschland en in Zwitserland in

1517. — Maarten Luther, Philips Melanchthon en Ulrich Zwingli . 18'2.

S 81. De vorderingen dor kerkhervorming tot den godsdienstvrede te Augsburg in 1555. — De Smalkaldische oorlog in 1546. — De stichting van de orde der Jezuïten ..........186.

§ 82. Spanje onder de koningen uit het Habsburgsche huis Philips 11 en Philips III. — De Kerkelijke Staat onder Gregorius XIII en Sixtus V. — Portugal wonlt een gewest van Spanje. — Van 1556 tot 1621 . . 180.

§ 83. Duitschland onder de koningen uit het Habsburgsche huis na Karei V. —

Van 1556 tot 1618...........102.

§ 84. De Nederlanden onder Karei V en onder Philips II tot de unie van

Utrecht. — Van 1515 tot 1570 ........ 105.

§ 85. De Nederlanden, van de unie van Utrecht tot het einde van het twaalfjarig bestand. — De Oost-Indische compagnie en haar vestiging in de Indiën. — Van 1570 tot 1621 ........ . 108.

§ 86. De regeeringsvorm der Nederlanden ten tijde van de Republiek . . 202.

§ 87. Frankrijk onder de laatste koningen uit het huis Valois en onder den eersten vorst van het huis Bourbon. — Johan Calvijn. — De godsdienstoorlogen. — Van 1547 tot 1610 ........ 206.

§ 88. Engeland onder het huis Tudor en onder Jakob I uit het geslacht Stuart. — De hervorming volledig in Schotland ingevoerd. — Maria Stuart van Schotland. — Van 1500 tot 1625 ...... 210.

S 80. Duitschland onder de koningen uit het Habsburgsche huis, Ferdinand 11

en Ferdinand 111, en de dertigjarige oorlog. — Van 1610 tot 1648 . 215.

§ 00. De Nederlanden sedert het einde van het twaalfjarig bestand tot den vrede van Westminster. — De West-Indische compagnie. — De eerste zeeoorlog met Engeland. — Van 1621 tot 1654 ..... 221.

§ 91. Frankrijk onder de koningen uit het huis Bourbon Lodewijk XIII en Lodewijk XIV gedurende het beheer van Richelieu en van Mazarin. — De fronde. — Van 1610 tot 1660. — Spanje onder Philips IV, koning uit het Habsburgsche huis, van 1021 tot 1665. — Portugal onder de regeering van het huis Braganza, sedert 1640 ..... 223

S 02. Engeland onder Karei I, koning uit hot huis Stuart, tot liet einde

der omwenteling en tot zijn dood. — Van 1625 tot 1640 . . . 226.

§ 03. Engeland als Republiek en onderden protector Cromwell tot de restauratie. — Van 1640 tot l(i60 ......... 230.

§ 04. Het Noorden en het Oosten van Europa. — Gustaaf Wasa en zijn nakomelingen in Zweden tst 1654. — Do oorlog van Karei X Gustaaf, koning van Zweden uit het huis Palts-ïweebruggen, togen Polen, Denemarken en hun bondgenooten tot den vrede van Oliva en dien van Kopenhagen. — Van 1520 tot 1660 ...... 232.

IX

-ocr page 12-

INHOUD.

Bh.

bnrgsche huis. — Het concilie van Constants en Johannes Uns. Van •1273 tot 1436 ............ 137.

§ 65. Frankrijk onder de laatste koningen uit de rechte linie van het huis

Capet. — Van 1285 tot 1328 ......... 141.

tj 66. Frankrijk onder de eerste koningen uit het huis Valois. — De hervatting van den langdurigen oorlog tusschcn Frankrijk en Kngeland. — Van 1328 tot 1422 ........ . . .143.

ji 67. Frankrijk onder de verdere koningen uit het huis Valois. — De maagd

van Orleans. — Van 1422 tot 1498 ........ 146.

8 68. Engeland onder de laatste koningen uit het huis Plantagenet, alsmede onder de huizen Lancaster en York. — De oorlog der witte en der roode roos. — Van 1274 tot 1485 ........ 148.

§ 60. Geschiedenis van Spanje gedurende de Middeleeuwen. — De opkomst en de ondergang der Ommyaden. — Het ontstaan en de bloei van nieuwe Christenstaten aldaar.........151.

S 70. De Italiaansche staten gedurende de dertiende, de veertiende en de

vijftiende eeuw................154.

§ 7i. Geschiedenis der Nederlanden gedurende de Middeleeuwen . . . 156.

§ 72. Geschiedenis van Polen en van Hongarije gedurende do Middeleeuwen. 161.

§ 73. De. Scandinavische rijken gedurende de Middeleeuwen. — Oorsprong

van Rusland............163.

S5 74. De opkomst en de hernieuwing der Mongoolsch-Tartaarsche macht. —

De verovering van Constantinopel door de Turken in 1453 . . . 165.

8 75. Overzicht van de geschiedenis der letteren en der beschaving van de

Christenheid gedurende de Middeleeuwen . . . . . . 167.

NIEUWE GESCHIEDENIS.

j5 76. Inleidende opmerkingen. — De ontdekking van Amerika in 1402 en van den weg ter zee naar Oost-Indië in 1408. — Vestiging dei' Portugeesche heerschappij in Oost-Indië.........170.

8 77. De eerste reis rondom de wereld door F. Magelhan, van 1510 tot 1521. — Vestiging der Spaansche heerschappij in Amerika. — F. Cortez verovert Mexiko, van 1510 tot 1521. — Verovering van Peru, van 1521 tot 1535. — Toestand der provinciën van Spaansch Amerika. — Voordeden en gevolgen der ontdekkingen......173.

^ 78. Oorlogen in Italië om Napels en om Milaan, van 1404 tot 1515. — Duitschland onder Maximiliaan I, keizer uit het Habsburgsche huis, van 1403 tot 1519, — Karei V, van 1506 tot 1556 .... 177.

S 70. De oorlogen van Karei V tegen Frans 1, van 1521 tot 1544. — Kareis tochten tegen de Afrikaansche zeeroovers. — Soleiman II, sultan der

vm

-ocr page 13-

INHOUD.

Bh.

Ottomanische Tnrken, van 1520 tot 1566 ...... 180.

§ 80. Het begin der kerkhervorming in Duitschland en in Zwitserlamt in

1517. — Maarten Luther, Philips Melanchthon en Ulrich Zwingii . 182.

S 81. De vorderingen der kerkhervorming tot deji godsdienstvrede te Augsburg in 1555. — Do Smalkaldische oorlog in 1546. — De stichting van de orde der Jezuïten..........186.

§ 82. Spanje onder de koningen uit het Habsburgsche huis Philips 11 en Philips III. — De Kerkelijke Staat onder Gregorius XIII en Sixtus V. — Portugal wordt een gewest van Spanje. — Van 1556 tot 1621 . . 189.

§ 83. Duitschland onder de koningen uit het Habsburgsche huis na Karei V. —

Van 1556 tot 1618...........192.

§ 84. De Nederlanden onder Karei V en onder Philips II tot de unie van

Utrecht. — Van 1515 tot 1579 ........ 195.

§ 85. De Nederlanden, van de unie van Utrecht tot het einde van het twaalfjarig bestand. — De Oost-Indische compagnie en haar vestiging in do Indien. — Van 1579 tot 1621 ......... 198.

§ 86. De regeeringsvorm der Nederlanden ten tijde van de Republiek . . 202.

S 87. Frankrijk onder de laatste koningen uit het huis Vatois en onder den eersten vorst van het huis Bourbon. — .lohan Calvijn. — De godsdienstoorlogen. — Van 1547 tot 1610 ........ 206.

S 88. Engeland onder het huis Tudor en onder Jakob I uit liet geslacht Stuart. — De hervorming volledig in Schotland ingevoerd. — Maria Stuart van Schotland. — Van 1509 tot 1625 ...... 210.

S 89. Duitschland onder de koningen uit het Habsburgsche huis, Ferdinand II

en Ferdinand III, en do dertigjarige oorlog. — Van 1619 tot 1648 . 215.

§ 90. De Nederlanden sedert het einde van het twaalfjarig bestand tot den vrede van Westminster. — De West-Indische compagnie. — De eerste zeeoorlog met Engeland. — Van 1621 tot 1654 ..... 221.

§ 91. Frankrijk onder de koningen uit het huis Bourbon Lodewijk XIII en Lodewijk XIV gedurende het beheer van Richelieu en van Mazarin. — De fronde. — Van 1610 tot 1660. — Spanje onder Philips IV, koning uit het Habsburgsche huis, van 1621 tot 1665. — Portugal onder de regeering van het huis Braganza, sedert 1640 ..... 223

S 92. Engeland onder Karei f, koning uit het huis Stuart, tot liet einde

der omwenteling en tot zijn dood. — Van 1625 tot 1649 . . . 226.

S 93. Engeland als Republiek en onder den protector Cromwell tot de restauratie. — Van 1649 tot 1660 . ........ 230.

§ 94. Het Noorden en het Oosten van Europa. — Gustaaf Wasa en zijn nakomelingen in Zweden tst 1654. — De oorlog van Karei X Gustaaf, koning van Zweden uit het huis Palts-Tweebruggen, tegen Polen, Denemarken en hun bondgenooten tot den vrede van Oliva en dien van Kopenhagen. — Van 1520 tot 1660 ...... 232.

I*

-ocr page 14-

INHOUD.

Blz.

§ 05. Overzicht van do geschiedenis der letteren on der beschaving in

Europa gedurende de zestiende en de zeventiende eeuw . . . 235.

§ 06. Klankrijk onder I,odewijk XIV, koning uit het huis Bourbon. — Van

ItitiO tot 1715 . . . . . . . . . . . . 237.

8 07. De oorlog van Lodewijk XIV tegen Karei II van Spanje tot den vrede van Aken in 16ti8. — Die van Lodewijk, verbonden met Karei II van Kngeland en mot Zweden, tegen de Nederlanden en hun bondge-nooten tot den vrede van Nijmegen. — Van 1672 tot 1678 . . 240.

§ OS. Do negenjarige ooilog van Lodewijk XIV tegen het verbond van Weenen tot den vrede van Rijswijk, van 1688 tot 1607. — De Spaansche erfopvolgingsooilog tot don vrede van Utrecht, dien van Rastadt en van Baden. — Van 1700 tot 1714.....242.

§ 00. Engeland onder de koningen uit het huis Stuart Karei II en Jakob II,

alsmede onder Willem III van Oranje-Nassau. — Van 1660 tot 1702. 247.

g 100. Duitschland onder den Habsburgschen keizer Leopold 1, van 1658 tot 1705. — De oorlogen tegen de Turken, van 1663 tot 1664, en van 1683 tot den vrede van Karlöwitz in 1600. — De Nederlanden en de verheffing van Willem III, van 1660 tot 1702 .... 251.

S 101. Noordelijk en Oostelijk Europa, Zweden, Polen, Pruisen. — Rusland

onder het huis Rurik en het huis Romanow. — Van 1533 tot 1762. 253.

§102. Zweden onder Karei XII, koning uit het huis Palts-Tweebruggen,

en de Noordsche oorlog tot den vrede van Nystadt. — Van 1607 tot 1721 ............. 258

S 103. Frankrijk gedurende het regentschap van Philips van Orleans en onder Lodewijk XV, koning uit het huis Bourbon, van 1715 tot 1774. — Spanje onder Philips V, uit het geslacht Bourbon, en onder Alberöni, van 1701 tot 1746. — Engeland onder Anna, uit het stamhuis Stuart, en onder de koningen uit het Ilannoversche of Brunswijk-Luneburgsche huis George I en George II, van 1702 tot 1760 ............. 260.

§ 104. Duitschland onder Karei VI, uit het Habsbnrgsche huis. — Zijn oorlogen tegen Turkije. geëindigd met den vrede van Passaröwitz en met dien van Belgrado, van 1716 tot 1718 en van 1735 tot 1730. — Spanning in Europa en oorzaken hiervan. — De oorlog van Frankrijk, Spanje en Sardinië tegen Karei VI, geëindigd in 1735. — Pruisen onder de koningen uit het huis Hohenzollern, l'Vederik Willem I en Frederik II, van 1713 tot 1786. — De eerste Silezische oorlog, van 1740 tot 1742. — Do oorzaken en het begin van den Oostenrijkschen erfopvolgingsoorlog, van 1741 tot 1748 . 263.

§ 105. Met vervolg van den Oostenrijkschen erfopvolgingsoorlog, van 1741 tot den vrede van Aken in 1748. — De tweede Silezische oorlog tot den vrede van Dresden, van 1744 tot 1745. — De zeeoorlog tusschen

X

-ocr page 15-

INHOUD. XI

Blz.

Engeland en Spanje, van 1730 tot 1748. — De zevenjarige oorlog tot tien vrede van Hubertsburg, van 1750 tot 1703 ..... 207.

§ 100. De zeeoorlog tusschen Frankrijk en JCngelaml, geëindigd met den vrede van Parijs, van 1750 tot 1703. — Portugal onder de verdere koningen uit liet huis Braganza en onder liet bestuur van Pombal, van 1750 tot 1777. — Spanje onder de verdere koningen uit het huis Bourbon, van iTU) tot 1788 ......... 271.

§ 107. De oorlog voor de onafhankelijkheid dei' Vereenigde Staten van Noord-Amenka, geëindigd met den vrede van Versailles, van 1775 tot 1783. — George Washington en Benjamin Franklin. — De Republiek der dertien Vereenigde Staten. — Vestiging en uitbreiding der Britsche heerschappij in Oost-Indië . ...... 274.

S 108. Rusland onder Peter III, den eersten keizer uit het huis Holstein-Gottorp of Holstein-Romanow, en onder zijn gemalin Katharina II. — Stanislaus Poniatowski wordt koning van Polen. — De Russisch-Turksche oorlog van 1761). — De eerste deeling van Polen. — De hervormingen van Katharina in Rusland. — Zweden onder de eerste koningen uit het huis Holstein-Gottorp. —- Denemarken onder Chris-tiaan VU, koning uit liet huis Sleeswijk-Holstein, en onder den minister Struensee. — Van 1751 tot 1808 ...... 279.

S 109. .lozef 11, koning van Duitschland uit het huis Lotharingen of Ilabs-burg-Lotharingen, en zijn hervormingen, van 1780 tot 1790. — Frederik II van Pruisen, uit het huis Hohenzollern, wordt opgevolgd door Frederik Willem II, deze koning door Frederik Willem lil, van 1780 tot 1840. — De Russisch-Turksche oorlog, geëindigd mot den vrede van Jassy, van 1787 tot 1792. — De Russisch-Zweedsche oorlog, van 1788 tot 1790. — De dood van Gustaaf III van Zweden, uit het huis Holstein-Gottorp, en zijn opvolger Gustaaf IV Adolf, van 1792 tot 1809. — De tweede en de derde deeling van Polen in 1793 en in 1795. — Paul l in Rusland, uit het huis Holstein-Romanow, van 1790 tot 1801 ........... 283.

§ 110. De Nederlanden sedert den dood van Willem III tot de komst dei-Pruisen. — Willem IV, de gouvernante en Willem V. — Van 1702 tot 1787 . . . '.......... 286.

§ 111. Overzicht van de geschiedenis der letteren en der beschaving in

Duitschland gedurende de achttiende eeuw ...... 288.

§ 112. Overzicht van de geschiedenis der letteren en dei beschaving in

Engeland en in Frankrijk gedurende de achttiende eeuw . . . 290.

§ 113. De voorboden der eerste Fransche omwenteling tot de opening der

constitueerende nationale vergadering in 1789 ..... 291.

S 114. Frankrijk sedert de uitbarsting der omwenteling tot de opening der

wetgevende vergadering. — Van 1789 tot 1791 , 1 October . . . 294.

A

-ocr page 16-

208.

xn

8 115. Frankrijk sinds de, opening der wetgevende vergadering. — Do nationale conventie. — De oorlog van Oostenrijk en van Pruisen togen de Fiansche Republiek in 17fl'2. — Voortgang der omwenteling, terdoodbrenging vim Lodewijk XVI en het schrikbewind. — Van

den quot;Isten October 1701 tot in 1704 .......

§ 116. De oorlog van de eerste coalitie tegen de Fransche Republiek gedurende de jaren 1703 tot 1705. — Do burgeroorlog in de Ven-dóe en die in de zuidelijke departementen van Frankrijk, van 1703 tot 1705. — De derde constitutie of die van het directoire, den

'28sten Oct, 1705 ...........

S 117. De oorlog tegen de Fransche Republiek in Zuid-Duitschland en in Italië gedurende de jaren 1700 en 1707 tot den vrede van Campo Formio, den 17deii October 1707. — De door Frankrijk opgerichte

Republieken............

S 118. De tocht van Napoleon naar Egypte in 1708. — De oorlog der tweede coalitie tegen de Fransche Republiek, van 1708 tot den vrede van Luneville in 1801 en dien van Amiëns in 1802. — Het bewind der consuls in Frankrijk. — Napoleon wordt keizer der Fianschen en

koning van Italië. — Van 1708 tot 1805 ...... 306.

S 110. De derde coalitie-oorlog. — De vrede van Presburg. — Napoleon sticht rijken voor zijn bloedverwanten. — Het Rijnverbond. — Hernieuwde oorlog van Pruisen tegen Frankrijk tot den vrede van Tilsit. —

Het continentaalstelsel. — Van 1805 tot 1807 ..... 311.

S 120. Wederrechtelijke handelwijze van Engeland togen Denemarken. — Oorlog van Gustaaf IV Adolf van Zweden, uit het huis Holstein-Gottorp, tegen Rusland, Denemarken en Frankrijk. — Karei XIU wordt koning van Zweden. — De afzetting van het huis Braganza in Portugal en der Bourbons in Spanje — Jozef wordt koning van Spanje, Murat koning van Napels. — De oorlog tegen Napoleon in Spanje. — Pius Vil afgezet. — Vernieuwde oorlog van Oostenrijk tegen Frankrijk tot den vrede van Weenen of van Schön-brunn. — Napoleons oorlog met Alexander 1 en zijn tocht naar Rusland. — Van 1807 tot 1813........ . 314.

§ 121. De oorlog der bondgenooten tegen Napoleon en hun veldtocht in Frankrijk gedurende den winter. — Napoleons val en zijn vertrek naar Elba. — Lodewijk XVIII (Bourbon) koning van Frankrijk. — De eerste vrede van Parijs. — Van 1813 tot 1814 .... 317. § 122. Het congres van Weenen. — De terugkomst van Napoleon en zijn laatste oorlog tegen de bondgenooten. — Ondergang van Murat. — Napoleons val en de tweede Parijsche vrede. — Het heilig verbond. —

Van 1814 tot 1815...........819.

§ 123. De Nederlanden onder Willem V. — De Bataafsche Republiek met

301.

-ocr page 17-

XIII

Blz.

INHOUD.

tal van elkander afwisselende constitutiën — Rutger Jan Scnim-melpenninck. — Lodewijk Napoleon koning van Holland. — De Nederlanden als deel van Frankrijk. — De Nederlanden en België als koninkrijk onder Willem I. — Van 1787 tot 18'15 .... 322.

NIEUWSTE GESCHIEDENIS.

Van 1*15 tot IS»».

§ 124. Spanje onder Ferdinand VII, Isabella II, Amadêus I, als Republiek en onder Alphonsus XII. — Portugal onder Johan VI, onder Maria da gloria en onder Peter V en Lodewijk 1, koningen uit het huis Braganza-Koburg. — Brazilië onder Peter 1 en Peter II . . . 32(i.

§ 125. Italië. — Koningen van 't rijk der beide Siciliën: Ferdinand I,

Frans I, Ferdinand II, Frans II. — Koningen van Sardinië, later Italië: Karei Felix; Karei Albert, uit het huis Savoye-Carignan;

Victor Emanüel II; Humbert I. — Pausen: Pius VII, Leo XII,

Pius VIII, Pius IX, Leo XIII. — Het koninkrijk Italië . . . 332.

§ 120. Duitschland. — Troonsveranderingen in de verschillende staten. —

Onlusten in sommige staten in 1830. — Bewegingen in 1848 . . 340.

§ 127. Duitschland. — Het Duitsche parlement in de St. Pauluskerk te Frankfort aan de Main. — Johan rijksbestuurder. — Zwitserland — Denemarken onder de koningen: Frederik VI, Christiaan VIII, Frederik VII, Christiaan IX.........3.r)4.

§ 128. Zweden onder de koningen uit het huis Bernadotte: Karei XIV Jan, Oskar I, Karei XV, Oskar H. — Groot-Britanuië onder George III, George IV, Willem IV en Victoria. — Rusland onder Nikolaas I............ 308.

§ 129. Turkije onder Mahmoud II, Abdul Medschid, Abdul Azis, Moerad V,

Abdul Hamid. — Mehemed Ali, Ismaël, Tewllk pascha's van Egypte.— De opstand van Griekenland......... 374.

§ 130. Bevrijding van Griekenland. — Otto van Beieren, uit het huis Wittelsbach, koning van Griekenland. — Willem, als George I, koning van Griekenland..........379.

§ 131. Het Oostersche vraagstuk. — De Krim-oorlog..... 384.

SS 132. Einde van dien oorlog. — Hervormingen van Alexander II, keizer van Rusland. — De Russisch-Turksehe oorlog van 1877—1878. — Uitbreiding van 't grondgebied van dit rijk. — Alexander HL — Nikolaas 11 ............ 388.

§ 133. Frankrijk. — Lodewijk XVIII en Karei X, koningen uit het huis Bourbon. — De restauratie. — De omwenteling van 1830. — Lodewijk Philips, koning uit het huis Orleans..... 392.

-ocr page 18-

INHOUD.

XIV

Biz.

§ 134. Frankrijk. — Vervolg. — Vestiging in Algerië.....398.

§ 135. Frankrijk. — De omwenteling van 1S48. — De Republiek en het voorloopig bewind. — De Lamartine. — De nationule vergadering en het uitvoerend bewind. — Lodewijk Bonaparte president der

402.

Republiek

§ 130. Frankrijk. — De wetgevende vergadering. — De aanslag op den

staat. — Napoleon 111 erfelijk keizer der Franschen .... 407. tj 137. Frankrijk. — Vervolg. — De oorlog in Mexiko. — Luxemburg. — Wijzigingen in 't binnenlandsch bewind, die allengs leiden tot een volksvertegenwoordigende regeering. — Oorlogsverklaring van Frankrijk aan Pruisen...........414.

S 138. Frankrijk. — Vervolg. — Heeks van nederlagen, door de Duitschers aan de Franschen toegebracht. — Omkeering van den 4den Sep-

418.

tember 1870

§ 139. Frankrijk. — Vervolg. — Het voorloopig bewind. — De nationale vergadering. — Thiers hoofd van 't uitvoerend bewind. — Vredes-praeliminairen van Versailles. — Willem I keizer van Duitsch-land. — De encyclica van Pi us IX en de syllabus. — Het oecumenisch of Vaticaansch concilie in de St. Pieterskerk te Rome. — Vergadering te Brussel. — De vrede, gesloten te Frankfort aan de Main. — Het oproer te Parijs van Maart 1871. — Het wordt gedempt. — Mac Mahon president der Republiek. — Veroordeeling van Bazaine. — Hij ontvlucht. — Grévy president der republiek. — Grévy treedt af. —

Sadi Gamot. — Hij wordt gedood. — Casimir Périer. — Félix Faure. 422.

§ 140. Nederland. — Willem I koning van Noord- en van Zuid-Nederland. — De grieven der Belgen........ 428.

§ 141. Nederland. — Opstand te Brussel. — Voorloopig bestuur in België. — De conferentie te Londen. — Het nationaal congres te Brussel. —

Surlet de Chokier regent van België. — Leopold van Saksen-Koburg-Gotha koning der Belgen . ........ 438.

§ 142. Nederland. — Vervolg. — De tiendaagsche veldtocht. — Het eind-

verdrag. — Willem I doet afstand van den troon .... 443.

§ 143. Nederland. — Vervolg. — Willem II. — De Afgescheidenen. — De

grondwet van 1848. — Willem HL — Wilhelmina .... 448.

§ 144. België onder Leopold I en Leopold 11. — Oproer der Polen in 1830. —

Herhaalde opstand in 1863 ......... 454.

§ 145. Wisselingen van bestuur op Haïti. — Opstand en vrijwording van de Spaansche koloniën in Zuid- en in Midden-Amerika. — Reeks van wendingen in 't bewind van Mexiko. — Juarez eerste president, dan dictator van Mexiko. — Begin van inmenging van Frankrijk, Spanje en Kngelaml. — Alleen Frankrijk houdt vol . . . . 458.

§ 140. Mexiko. — Verovering van het land door Bazaine. — Maximiliaan

-ocr page 19-

INlIOUt).

Blz.

keizer van Mexiko. — Vertrek der Franschen. — Maximiliaan wordt dood geschoten. — Dood van Juarez. — Lerdo de Tejada . . . 463, § i47. De Vereenigde Staten van Noord-Amerika. — Presidenten: Thomas Jefferson, James Monroe, James Buchanan. — Liberia. — Trapsgewijze uitbreiding van 't grondgebied der Vereenigde Staten. — De slavernij. — Verband tusschen de slavernij en de staatkunde. — Onderscheid tusschen tiet Noorden en het Zuiden. — Breuk in 1860. — Het vraagstuk omtrent den aard der vereeniging . . 467.

§ 148. De Vereenigde Staten van Noord-Amerika. — Vervolg. — Abraham Lincoln president. — De afscheiding. — Jefferson Davis president der geconfedereerden. — Gang van den oorlog ..... 474. § 149. De Vereenigde Staten van Noord-Amerika. — Vervolg. — Herbenoeming van Lincoln. — Onderwerping van 't Zuiden. — Dood van Lincoln. — (ievangenneming van Davis. — Ulysses Sidney Grant president. — Zijn herkiezing. — Grootte der Unie. — Beslissing van het vraagstuk der Alabama. — Hayes president. — Na tiem: Garfield, Arthur, Cleveland, Harrison, wederom Cleveland. — De ontdekking der mijnen in Opper-Californië. — Oorlogen tegen Sina. —

Openstelling van Japan...............479.

§ 150. Overzicht van de geschiedenis der letteren en der beschaving in

Europa en in Noord-Amerika gedurende de negentiende eeuw . . 484.

XV

-ocr page 20-
-ocr page 21-

INLEIDING.

De, Alcjcmcmc, Qcschiedenis is, voor zooverre hiervan berichten zijn, oen samenhangend verhaal van do merkwaardigste gobcurtonisson, waaronder liet monscholijk geslacht tot op onzen tijd is gevormd en ontwikkeld. Broeder opgevat, is de wetenschap der geschiedenis diegene, welke de kennis verschaft van do hoogte, waarop do beschaving heeft gestaan in do verschillende tijdperken van do ontwikkeling dor menschheid.

De Algomoono Geschiedenis, ons bokond, is zeer beperkt, en dit te meer, naarmate wij hooger in do oudheid opklimmen. Zoo bepaalt zicli de bekende oude geschiedenis bijna uitsluitend tot het Westen van Middel-Azic en tot do kustlanden langs de Middellandsche Zee, tot de volkeren en do gebeurtenissen, waarvan zij de woonplaats en het tooneel waren. Ook dus omschreven, is zij nog zeer onvolledig: van de eerste duizenden jaren valt weinig of niets met zekerheid te vermelden; van de duizend of twee duizend jaren, die aan 500 v. 0. het naast zijn voorafgegaan, bestaan alleen fragmenten.

Velerlei zijn de bronnen der Historie. In do oudste tijdon waren hot alleen mondelinge overleveringen, veelal mythen, d. i. in verdichtselen gehulde geschiedenissen. In lateren tijd, dus ook thans, zijn hot o. a. opschriften op gedenkteekenen en munten, oorkonden, kronieken en jaar-boekon, gedenkschriften, historische werken. Het bijeenbrengen der feiten uit de bronnen hoot historisch onderzoek, het toetsen on schiften dor bronnen en 't beoordeelcn der geloofwaardigheid van 't geen zij behelzen is de taak der kritiek.'

Gelijk elke wetenschap de geschiedenis in meerdere of mindere mate behoeft, zoo maakt de historische op haar beurt gebruik van de slotsommen van schier alle wetenschappen. Rij voorkeur worden echter diegene hulp-wetenschappon dor geschiedenis •genoemd, welke onontbeerlijk zijn tot het verkrijgen ecner heldere en volledige kennis van 't gebeurde. De voornaamste dier hulpwetenschappen zijn dc aardrijkskunde on de tijdrekenkunde, in zooverre zij bijdragen tot het vaststellen dor gebeurtenissen naar plaats en tijd. Do aardrijkskunde of geographie leert het tooneel kennen, waarop do gebeurtenissen hebben plaats gegrepen, en den invloed, dien de gesteldheid dor woonplaatsen op den aard en op de lotgevallen dor volkoren hoeft geoefend. De tijdrekenkunde of chronologie geeft ons een vasten maatstaf aan de hand, om den duur en do opvolging van hetgeen

Wijnne, Handhoek der Ahj. Geschiedenis, 7il(! druk. 1

I

I i t

-ocr page 22-

is goscliiod to bepalen. Zij stelt ons in kennis van do verschillende tijdrekeningen of neren, bij onderscheiden volkoren in gebruik, ■waarvan do voornaamste zijn:

De tijdrekening naar jaren der wereld, volgens 't aangenomen gevoelen ongeveer 4000 Jaren vóór de geboorte van J. 0., bij de Israëlieten.

De tijdrekening naar Olympiaden, beginnende met 770 v. C., bij de Grieken, hoewel ver van algemeen, sedert 300 v. C. in gebruik. — Iedere Olympiade bevat vier jaren.

De tijdrekening naar de stichting van Rome, begimiende, volgens Varro, met 753 v. C., bij de Romeinen.

De tijdrekening naar de Hedsehrah of vlucht van Mohammed, die met 022 n. C. aanvangt, bij de Mohammedanen.

De jaartelling naar dc jaren vóór en na de geboorte van Christus, waarvan hot begin op zijn minst vier jaren to laat is gesteld.

Wat do berekening van liet jaar aangaat, komt bovenal in aanmerking liet onderscheid tusschen het maanjaar en hel zonnejaar. Hot eerste, dat bij de meeste volkeren der oudheid in gebruik was, telde ongeveer 355 dagen. Ton opzichte van liet tweede valt te letten op liet verschil tusschen het Juliaansche en het Gregoriaansche jaar. De Juliaanscho tijdrekening, naar Julius Caesar genoemd, stelde liet zonnejaar, sedert 45 v. O., op 3G5 dagen en G uren en is tot 1582 n. C. algemeen in gebruik go-bleven {oude stijl). Dc Gregoriaansche, volgens nauwkeuriger waarnemingen door Gregorius XIII in 1582 ingevoerd (nieuwe stijl), bepaalde den duur van 't jaar op 305 dagen, 5 uren, 40 minuten en 12 seconden, wat nog een weinig te lang is. Zij is thans bij alle Christenvolkeren, behalve bij dc Russen en de overige Griekscho Christenen, aangenomen.

In den zoogenoemdon voorhistorischon tijd, vóór de schepping en de vermenigvuldiging van het geslacht der menschen, heeft de oppervlakte der aarde door water en vuur menige verandering ondergaan, ton gevolge waarvan zij haar tegenwoordige gedaante hooft verkregen. — De wetenschap, die de voortgaande vorming der aardkorst naspoort en verklaart, is de geologie (aardkonnis).

Of alle menschen, zooals hot Oude Testament loert, van één paar afstammen, is een vraag, die voor alsnog niet is uit te maken. Daarentegen is tot dusver niets gevonden, hetwelk in strijd is met deleer, dat do geheolo mensohheid slechts één soort uitmaakt. Nogtans is hot niet te ontkennen, dat zich bij do menschen eigenaardige verscheidenheden naar lichaam en ziel voordoen, uit verschil van klimaat, voedsel, ontwik-koling van don geest en andere oorzaken voortspruitende, die zich van geslacht tot geslacht voortplanten. Doze verscheidenheden rechtvaardigen oen verdeeling van hot menschdom in rassen en stammen, hoe onmogelijk het ook bijna moge zijn, vaste grenslijnen to trekken. Hot eenvoudigste is een getal van drie rassen aan te nemen: het Kaukasische, hot Mon-goolscheon hot Aothiopische. Tusschen hot Kaukasische en het Mongoolsche ras maakt do Amorikaanscho stam den overgang uit, gelijk do Maloischo

-ocr page 23-

3

tusschen het Kaukasische on hot Acthiopisoho ras. Elk ras laat zich wederom in stammen, als onderdeelon, sjjlitsen, welke splitsiiig godoelto-lijk, maar niet geheel, in overeenstemming is met de indeeling der talon. Zoo brengt men tot hot Kaukasische ras o. a. den Indo-Germaanschen of Arischen, don Semietischen on andere stammen. De familiën 01 takken van volkoren, die wederom tot den Arischen stam worden gerekend, zijn do Indische, de Medo-Porzischo, do Grieksch-Latijnsche, de Celtischo, de Gormaansche, do Romanische (do tegenwoordige Italianen en Spanjaarden), do Slavonische, enz.

De voorstelling, die men zich gewoonlijk maakt van don gang der ontwikkeling van de menschheid, is deze. Do eerste bewoners dezer aarde ontvingen voedsel, kleoding, kortom alles onmiddellijk uit de hand der natuur. Weldra begon do strijd van don mensch tegen de dieren, on hiermede jacht en vischvangst. Behalve mot deze bedrijven, hielden zich gansche volkoren met do veeteelt bezig. Van hot zwervend herdersloven gingen zij later tot den akkerbouw over. Hij werd de aanleiding tot vasto woonplaatsen en de oorzaak van hot ontstaan van staten. — Men verliezo intusschen niet uit het oog, dat deze meening niets is dan een veronderstelling. Zeker is hot, dat in de vroegste ecuwen, waarvan overblijfselen zijn bewaard gebleven, de menschen geen andere dan steenen werktuigen bezigden, weshalve dat tijdperk het steencu heet. Op dien tijd volgde het bronzen, hierop het ijzeren tijdperk. Dat in al die tijdperken menschen hebben geleefd, die woningen bouwden, werktuigen bezigden, wilde en tamme zoogdieren hadden, zoo niet alle, dan toch vole van die dieren als voedsel nuttigden, maar ook planton bij hun maaltijden gebruikten, staat vast, sedert men in 1853 en later in het meer van Zurich, in dat van Constants en in andere moren overblijfselen dier voormalige woningen heeft gevonden. Dit zijn de zoogenoemde meer- oi paalwoningen, wolken laatsten naam zij dhigen naar de palen of steigers, in liet water staande, waarop die woningen werden opgetrokken. Zoo groot is hier en daar het getal dier regelmatig naast elkander staande palon, op rijen, evenwijdig loopondo met den oever van hot meer, 40,000 en moer, dat men recht heeft, niet alleen van paal- of meerwoningen, maar zelfs van paal- of meerdorpen te spreken.

De verschillende regeeringsvormen der staten, die bijna altijd gemengd zijn, doch naar 't overwegeml bestanddeel worden onderscheiden, zijn: De monarchale of eenhoofdige, waar één persoon hoeft, en deze vorm is: onbeperkt, wanneer de heerscher alleen wetten geeft en ze uitvoert, zonder de onderdanen te raadplegen (of absolute, d. i. volstrekte, monarchie, als de vorst naar vasto wetten regeert, of despotische, willekeurige, wanneer de heerscher alleen de wet geeft en ze laat uitvoeren, zonder dat de staatsinstellingen de medewerking eoner andere macht voorschrijven, of wel, wanneer de heerscher die, welke voorgeschreven zijn, niet erkent);

beperkt, wanneer de vorst hot wetgevend gezag met andere staatsmachten deelt.

1*

-ocr page 24-

4

De republikeinsche (vrije staten), waar meer clan 6én persoon de hoogste macht in handen heeft, en deze vorm is:

aristocratisch (regeering der aanzienlijken), wanneer de aanzienlijken de wetten geven en doen uitvoeren, of wel een bepaalde stand of klasse van hen, altijd zonder het andere gedeelte van 'tvolk; oligarchisch, wanneer slechts weinigen van hen het bewind in handen hebben;

democratisch (volksregeering), wanneer hot geheele volk aandeel aan het staatsbestuur heeft: volstrekt, wanneer de besluiten en de wetten bij stemming van alle burgers worden opgemaakt, aangenomen of verworpen; middellijk of vertegenwoordigend, zoo de macht der staatsburgers zich bepaalt tot hot verkiezen hunner vertegenwoordigers, als deelgenootcn der wetgevende macht; eindelijk ochlocratisch, wanneer de grooto massa heerscht.

In bijna alle beschaafde staten van don tegenwoordigen tijd is de rogeeringsvorm een samenstel uit de twee zoo even genoemde hoofdvormen: hier heeft meer de alleenheersching, elders 't aristocratisch of democratisch beginsel 't overwicht.

De behandeling der geschiedenis is tweeledig: ethnographisch, volks-gewijze, d. i. die van het eene volk na die van het andere; synchronistisch, gelijktijdig, d. i. wanneer alle gebeurtenissen van't zelfde tijdvak en van do onderscheiden volken gelijktijdig worden behandeld.

-ocr page 25-

OUDE GESCHIEDENIS.

§ i.

Si na.

Hoewel do geschriften dor ouden niet van Sina sproken, wordt er liior met een woord gewag van gemaakt, omdat hot mode tot de oudste der bekende staten behoort. Sina werd door een Mongoolschen stam bevolkt, die zeer vroeg tot een maatschappelijk leven overging, maar weldra op den eenmaal beklommen trap van ontwikkeling bleef staan. Sina was den ouden maar eenigormate bekend door de zijde, die zij uit dit land, door hen Serïca genoemd, kregen. De regeeringsvorm was despotisch. Alles, zoowel het bestuur als de inrichtingen en de bedrijven des burgerlijken levens, was aan onveranderlijke regelen gebonden. Tot den eersten stand behoorden de bloedverwanten des keizers; tot den tweeden de kundigste geleerden, wier wetenschap in bloot geheugenwerk bestond. De grondlegger van den Sineoschen godsdienst, der staat- en letterkunde van dit volk was Confucius (Kongfu-tse), ongeveer 500 v. C., die de oude leerstellingen en overleveringen verzamelde en in orde bracht. Hem wordt ook de vervaardiging der heilige boeken, kings genoemd, toegeschreven. Behalve deze godsdienst, die der hoogere standen, is er het boeddhisme (zie blz. 7), dat, waarschijnlijk sinds de 3de eeuw n. C., in Sina, inzonderheid onder de lagere volksklassen, vele belijders telt. Is do dienst van Confucius de godsdienst van den staat, die van Boeddha, hier F oh geheeten, is die van 't volk in 't algemeen.

De taal der Sineezen onderscheidt zich van andere talen door een zoo goed als volstrekt gemis van vervoeging en verbuiging. De onderlinge betrekking der woorden wordt slechts aangeduid en door do plaats, die zij innemen, èn door kleinere rededeolen. De taal telt in 't geheel maar 450 woorden, alle van één lettergreep. De toon, waarmede zij worden uitgesproken, geeft hot verschil van beteekenis te kennen. Het schrift der Sineezen is ten deole een teekenschrift.

Indi ë.

Ver van den Euphraat en don Tigris verheft zich in 't o. de Himalaya, d. i. hot sneeuwpaleis, het hoogste gebergte der aarde, dat do ruwe uit

-ocr page 26-

(j

hot n. waaionclo wimlon afwoort on do rogon aanbrongondo wolkon togcn-houdt. Ton z. broidt zich Indiö uit, oen land zóó gohoeton naar do rivior don Indus. Mot den naam „Indiöquot; duidden de oudon, in uitgebreidon zin, Voor- on Aehter-Indië, bonovens do eilanden van den Indischen archipel aan, voor zooverre hij hun bekend was. In engeren zin werd zóó het land geheoten, ton n. door den Himalaya, ton z. door de zee begrensd. Van don Himalaya stroomt de Indus, alsmede de Ganges, welke laatste rivier, evenals do Brahmapootra (zoon van Brahma), die ter zelfder plaats ontspringt, in de golf van Bengalen uitloopt. Hot noord westelijkste gedeelte van Indiö, dat in do oude geschiedenis 't moest bekend is, heet Pendsjab of hot land dor vijf rivieren, allo bijstroomen van den Indus. Hot beste godeolte van 't land is het dal, dat door don Ganges, die geregeld allo jaren buiten zijn oevers treedt en do omliggende stroken vruchtbaar maakt, wordt doorstroomd. Hier is hot vaderland van de rijst, liet katoen, hot suikerriet en van den reusachtigen vijgoboom. Wegens deze on andere voortbrengselen, als parelen, edelgestoenlon, ivoor, was Indiö oudtijds, gelijk nog heden, een middelpunt van levendig verkeer.

Oorspronkelijk door negerstammen bevolkt, werd Indiö reeds vroeg door den Indo-Gcrmaanschon stam dor Hindoes onderworpen. Don naam „Hin loequot; hebben zo van de Perzen gekregen^ van welke do Grieken hem hebben overgenomen. Zelvon noemden zij zich Arja's, d. i. de degelijke, eerwaardige mannen. Eeeds in de dertiende eeuw v. C. bestonden er rijken der Arja's in 't stroomgebied van den Indus en den Ganges, die natuurlijk niet zijn gesticht dan ten koste van zware oorlogen, welke eeuwen zullen hebben geduurd. Eerst door den tocht van Alexander den grooto werden do Grieken conigszins nauwkeuriger met dit land bekend. Gering is evenwel die kennis in vergelijking mot hetgeen sinds de laatste helft dor vorige eeuw aan don dag is gebracht en dat nog voortdurend aanmerkelijk wordt uitgebreid. Sedert toch de Engelschon de oevers van den Ganges aan hun heerschappij hebben onderworpen, zijn de letterkunde, de tempels en andere voortbrengselen der bouwkunst een voorwerp van ijverige studie voor de Europocsche geleerden geworden.

Toen de Grieken Indiö leerden kennen, was het in vele staten verbrokkeld, waarvan do oen den ander of schatplichtig, of vijandig was. Het volk was verdeeld in vier kasten, die werden aangemerkt als vier onderscheiden soorten van wezens bevattende, tusschen welke geen vermenging, geen overgang van de eene tot de andere was veroorloofd.

Zij waren: 1) dr, brahmanen, priesters, wijzen, artsen en raden des ko-nings; 2) da kshatrija's, vorsten en krijgslieden; 3) dc vaifja's, herders, kooplieden en landbouwers; 4) dc soedra's, dienstbaren on werklieden. In tegenstelling met de drie eerste kasten, die uit dc nakomelingen dier Arja's bestonden, welke de oorspronkelijke bewoners onder het juk hadden gebracht, bevatte de vierde kaste do afstammelingen van hen, die onderworpen waren. Niemand werd meer geöerbiedigd dan de brahmanen. De landerijen, die zij bezaten, waren vrij van belasting. Een brahmaan, al

-ocr page 27-

7

ware hij van allo mogelijke misdaden overtuigd, mocht do koning niet ter dood laten brengen, want er was op aarde geen grooter misdaad denkbaar dan hot dooden van een priester. Tlit do verbintenis van mannen en vrouwen uit verschillende kasten ontstonden de onreine kasten, die zeer talrijk waren. De geringste soort van lieden waren de tshandala's (gelijk de hedendaagsche paria's hier en daar op het schiereiland Dekan), die zich de meest vernederende werkzaamheden moesten getroosten, in geen steden, dorpen of vlekken mochten wonen en die niemand, zonder zich te bezoedelen, ontmoeten of ook maar aanzien kon. Met één woord, zij waren ware verschovelingen in de schepping.

Do oudste godsdienst der Hindoes is een waar veelgodendom, dat allengs in een zeker stelsel, het hrakmaïsme, overging, welke leer in de geschriften van lateren tijd drie hoofdgodheden aanneemt: Brahma, den schepper, Giva, den verdelger, Vishnoe, den onderhouder. Onder do leerstukken is een der merkwaardigste dat van de onsterflijkheid dor ziel, waarmede de leer der zielsverhuizing nauw samenhangt. De zielsverhuizing echter is slechts een toestand, waarin de dwaze en booze monschon na hun dood tijdelijk verkeeren. Zij wordt niet het deel van hen, die deugdzaam en wijs waren. Do zaligheid, volgens het brahmaïsme, is het goheelenal opgaan van den mensch in Brahma. Dit ineenvloeien, deze vernietiging aller persoonlijkheid, is het hoogste heil, het einddoel aller wijsheid. De heilige taal van 't brahmaïsme is het sanskriet (schoon), dat in de vroegere tijden ook gesproken, doch later alleen in geschrifte gebruikt werd. Het sanskriet is niet alleen de sleutel der overige talen van Indië, maar wordt ook hoogst gewichtig geacht voor do studie en de kennis der vroegere en der tegenwoordige talen van Europa. Hot oudste geschrift iu 't sanskriet zijn de veda's (weten), zoo genoemd omdat zij de wetenschap der brahmanen bevatten. Zij behelzen do heiligste oorkonden, geboden, lofzangen, leerstukken, voorschriften en mythen.

Tusschen 600 en 480 v. C. trad in Indië een hervormer op, die dikwijls onder den naam Oautamas voorkomt en een tweeden godsdienst grondvestte, welken men boeddhisme noemt. Dozen naam ontleent hij aan den stichter, die den bijnaam boeddha, d. i. de verlichte, de opgewekte, kreeg. Hij was de zoon van den koning van een klein rijk, Kapilavastu geheeten, dat in de omstreken van het tegenwoordige Delhi lag, en heette eigenlijk Sarvarthasidda. Twintig jaren achtereen trok do Boeddha als bodelaar de landen van Midden-Indië door, om 't volk met de waarheden bekend to maken, die zich aan zijn poinzendon geest hadden geopenbaard. Weldra kroeg hij oen groot aantal leerlingen en aanhangers.

Diep was de Boeddha doordrongen van 't gevoelen, dat deze aarde een tranendal is. Het rampzaligste was, volgens hem, dat do mensch — wat een der voornaamste leerstukken van hot brahmaïsme is — ouder een andere gedaante werd herboren. Kust, oindolooze rust was het alzoo, waarnaar de mensch, deze nimmer ophoudende verwisselingen moede, had te streven. Daarom opende hij don vromen het uitzicht op een toe-

-ocr page 28-

8

stand, Nirvana gcheeton, het naast overeonkomendo mot dion, welken de Franschcn apathie (gevoelloosheid), of liever met dien, welken do Nederlanders „stillo verrukkingquot; noemen. De zaligheid der nirvana kon de mensch alleen deelachtig worden door 't bezit der zes deugden of volkomenheden, als door do zedelijkheid, de wetensehap, enz. Ofschoon de Boeddha het onderscheid der kasten niet ontkende, sloot hij niemand van hot hooren zijner leer, van do mogelijkheid om zalig te worden uit. Zóó wischt het boeddhisme metterdaad de grenslijn uit, die de kasten vaneen scheidt, en verklaart ze alleen voor verschillende standen en beroepsklassen. Uit hoofde hiervan staat hot boeddhisme niet naast, maar tegenover liet brahmaïsme. Vanhier do haat der brahmanen tegen Sarvarthasidda; vanhier do vervolging, waaronder vele zijner aanhangers hadden te lijden. Desniettemin heeft hot boeddhisme jaren lang in Indiö gebloeid, totdat de verbitterde brahmanen er in slaagden, hun aanhangers tot een be-slisscnden kamp tegen de boeddhisten op te wekken. Van dat oogenblik af hebben bloedige oorlogen dit door de natuur zoo rijk gezegende land geteisterd. Het einde dier oorlogen, welke, naar alle waarschijnlijkheid, van de derde tot de zevende eeuw n. C. het hevigst gevoerd, maar ook toen niet voor goed geëindigd zijn, was, dat do boeddhisten Indiö, met uitzondering van een klein gedeelte, moesten verlaten. Doch in dien tusschen-tijd had hun leer in Sina, Japan, Mongolië en andere landen tallooze aanhangers gevonden en breidde zicli steeds verder uit, zoodat het getal haror belijders heden ten dage tot vijf honderd millioenen is geklommen.

Merkwaardige historische gebeurtenissen uit Indië's vroegsten tijd kennen wij niet. Maar uit die lang vervlogen eeuwen bestaan nog overblijfsels der letterkunde, waaruit wij eenige gevolgtrekkingen omtrent het leven der menschen kunnen maken en van welke inzonderheid een paar heldendichten zeer de aandacht hebben getrokken. Ook pleegt men op do voortbrengselen der bouwkunst, als op een bewijs van een zekere beschaving der aloude Indiërs, te wijzen. Zoo vindt men op twee kleine eilanden in do nabijheid van Bombay, Salsette en Elejihante, groote tempels , uit de rotsen uitgehouwen, die uit vele vertrekken bestaan en met trappen, zuilen en beeldhouwwerk zijn versierd. Andere tempels, in de rotsen ingehouwen, zijn boven den grond, zooals die van Mavalipocram (op de oostkust van Voor-Indiö, ton z. van Madras). Vele dezer gedenkteekenen zijn reeds verwoest; doch do daarvan overgebleven bouwvallen kunnen nog getuigenis geven van hetgeen zij zijn geweest. Of die gebouwen intusschen, zooals men lang heeft gemeend, uit de grijze oudheid afkomstig zijn, wordt meer en meer betwijfeld. Niet alleen beweert men, dat de rotstempels sporen van Griekschen invloed vertoonen, maar gaat zoo ver van te stellen, dat vele dier Indische gewrochten nabootsingen zijn van do Eomeinscho bouwkunst uit den tijd van haar verval, d. i. uit de eerste eeuw n. C. Onder de voor 't leven gewichtigste uitvindingen is die der cijfers van de Indiërs afkomstig en van hen, door tusschenkorast der Arabieren, naar het Westen overgebracht.

-ocr page 29-

9

§ 3.

As s yr i ë.

Aan do rivieren Euphraat en Tigris, die beide in 't gebergte van Armenië ontspringen en zich in de Perzische golf uitstorten, bevond zich liet middelpunt van twee staten, die in de onde geschiedenis onder do namen Bahylonisch en Assyrisch rijk een grooto rol spelen. Babyloniö was de aanzienlijke vlakte ton z. van Mesopotamië (het land tusschen de rivieren) en van Assyrië, ten n. van de woestijnen van Arabië tot aan de Perzische golf, die door den Euphraat eerst in 't n. begrensd, vervolgens doorsneden, in 't o. daarentegen, voor een klein gedeelte, door den Tigris doorloopen en meer naar 't z. door dezelfde rivier begrensd werd. Ter beveiliging van 't land tegen invallen van roofzuchtige naburen bevond zich in 't n. dc Medische muur, dio Babylonië van Mesopotamië scheidde.

In engeren zin, als landschap, is Assyrië het land, gelegen tusschen Armenië in 't n., Medië in 't o., Susiana in 't z.o., Babyloniö en Mesopotamië in 't z.w. en z. Als rijk daarentegen, zooals hot in de historie voorkomt, bevatte Assyrië of het Assyrische rijk, behalve het landschap van dien naam, ook Mesopotamië, Babylonië, Chaldaea en Medië, in 't kort, naar 't verschil der tijden, nog verschillende andere landen. Het vlakke land van Babylonië had rijken korenbouw; de gerst, de tarwe gaf twee-, somtijds driehonderdvoud; ook dadels en palmen tierden er welig en gaven overvloed van palmwijn en honig. Er waren steengroeven, noch timmerhout; maar de kleibodem onderhield talrijke tichelwerken, en alles werd gebouwd van gebakken steen; asphalt, aardharst, verving de plaats van cement en kalk. Door talrijke rivieren besproeid, was Assyrië eveneens zeer vruchtbaar on leverde ongeveer dezelfde voortbrengselen op. Wanneer de sneeuw op de Armenische borgen smolt, trad de Euphraat buiten zijn oevers. Van deze overstroomingen hing, daar het in Babylonië bijna nooit regende, de opbrengst der akkers af, weshalve er grachten, waterleidingen, meren en kolken, grootendeels 't werk van menschonhan-den, in menigte worden gevonden, die het water moesten bewaren of loidon, b. v. naar den Tigris, die met dieper bedding door een lagere streek vloeide.

liet oudste dezer rijken, welker bevolking tot don Semiotischen stam behoorde, is Babylonië, hoofdstad Babylon, uit welk rijk Assyrië, volgons hot Oude Testament, zijn eerste bewoners kreeg. De oudste geschiedenis der beide rijken is duister en fabelachtig. Als een van Babyloniö's koningen in die vroegere eeuwen komt nimrod voor, die een geweldig jager moet zijn geweest. Maar mettertijd bezweek dit rijk voor de macht van Assyrië en bleef eeuwen lang een Assyrisch wingewest.

De hoofdstad van Assyrië heette Ninivé. Omdat dit de naam der hoofdstad was, had de eerste koning van dit rijk, zooals Grieksche overleveringen melden, den naam Ninus gedragen. Van een werkelijk bestaan van

-ocr page 30-

10

dion Ninus blijkt echter evenmin, als het zeker is, dat hij een gemalin zal hebben gehad, die Scmiramis heette en die na hem do kroon droeg. Stolt men, gelijk aannemelijk is, het begin van het Assyrische rijk omtrent 1250 v. C., dan komt hetgeen men van do eerste eeuwen met zekerheid kan berichten slechts hierop neer, dat dit rijk in dien tijd zijn heerschappij uitbreidde over nagenoeg gohool West- en Midden-Azië, alsmede over Bactriana, in vroegere dagon oen aanzienlijken handelsstaat, waarvan de hoofdstad Bactra heette.

Met het begin dor achtste eeuw v. C. kwam Assyrië in vijandolijko aanraking mot do Israëlieten. Woldra word zoowel Israël, als Juda schatplichtig. Toen nu Ilosëa, Israels laatste koning, afvallig werd on zicli mot Aegypte verbond, veroverde salmanassau of sa ito on zijn rijk (729—omstreeks 721 v. C.) en voerde hot voornaamste gedeelte der tien stammen naar Assyrië. Phoenicië huldigde eveneens den koning van Assyrië.

SANHëiuB, omstreeks 713 v. C., beoorloogde Aegypte cn Hiskïa, koning van Juda. Een plotselinge ramp, die zijn leger trof en hot grootste aantal zijner krijgers verslond, bevrijdde Juda en tevens Aegypte. In Assyrië teruggekomen, werd Sanhêrib door twee zijner zonen gedood. Deze ongelukken doden bij de onderworpen volkeren de begeerte opkomen om het juk af te schudden. Medio gaf hot voorbeeld en slaagde naar wonsch, waardoor ook Bactriana en andere landen voor Assyrië verloren gingen.

Assyrië's laatste koning, saudanapSi.us, sakak of hoe dan ook goheeten, stelde tot stedehouder in Babylonië een ondernemend man, Napopolassar, aan, die zich echter weldra in zijn gewest onafhankelijk maakte. Ook geraakte hij in oorlog met Medië, welks koning Cyaxares zelfs Ninivé belegerde. Van Ninivó verdreven (ongeveer G30) door den inval dor Scythen, hervatte Cyaxares eerst omstreeks G09 de belegering dier stad, toen hij zich te dien einde met Nabopolassars zoon en modo-regont Nebukadnëzar had verbonden, die met hem tegen Ninivó optrok. Nadat een doel der muren van de stad door ovorstrooming van den Tigris was ingestort, verbrandde Sardanapalus zich met zijn vrouwen en schatten. Nu word zij ongeveer üOG ingenomen en verwoest en Assyrië onder do veroveraars verdoold.

Zoo was dan de stad, die oen uitgestrektheid had van drie dagreizen, gohool van don aardbodem verdwenen. Voor do negentiende eeuw was zij eon onzeker gerucht geworden uit verre landen on tijden; doch wat ongeveer vijfentwintig eeuwen dood was is oen vijftigtal jaren geleden herleefd. In 1S42 begon de Fransche consul botta zijn opdolvingen in de heuvelen van hot dorp Khorsabad (ton n.o. van Mosoel) en werd weldra door don Engelschon reiziger La yard mot ijver oir kracht ondersteund. Straks drukten de Engelscho majoor Raw li n son en anderen hot voetspoor van het moedige tweetal. Veel is reeds opgedolven: geen gewone huizen, maar louter vorstelijke praalgobouwon; van eigenlijk gezegde straten is tot nog toe geen enkel spoor ontdekt. Eoeds zijn do weidsche zalen van liet Britsch Museum te Londen en van de Louvre to

-ocr page 31-

11

Parijs met Assyrischo monumenten gevuld, ton koste van schier bovon-menscholijke inspanning naar Europa ovorgobracht. Talrijke opscliriftou in pijl- of spijkerschrift, geheel of ton deelo ontcijferd, beginnen oenig licht over punten, tot dusver duister, to verspreiden. Welke belangrijke bijdragen tot de kennis der staatsgeschiedenis van Assyrio van do ontcijfering van deze en andere opschriften ook wordt verwacht, tot heden is do oogst op dit veld nog slechts schraal te nooinon. Doch hiermede vervalt in geencn deele hot grooto gewicht der in onze eeuw gedane ontdekkingen, want voor de navorsching van Assyriö's kunst, godsdienst en zoden^ alsmede van 't leven dor inwoners van dit rijk, bieden zij een geheel nieuw veld tor ontginning aan.

§ 4.

B a by Ion i 'é.

In Babylonio, dat na zijn vroegtijdigen bloei een Assyrisch wingewest was geworden, hadden zich in een ons onbekenden tijd oen of moer volkplantingen van Chaldaccn gevestigd. Weldra werd dit volk do heerschendo stam in Babyloniö. Die Chaldaeën kunnen geen ruwe stam zijn geweest, maar schijnen veeleer boven de Babyloniörs zoozeer in kennis te hebben uitgemunt, dat zij roods in de vroegste tijden hot land niet alleen zijn koningen, maar ook zijn priesters schonken. Zoo wordt het duidelijk, waarom èn de hoerschondo stam én de priesterkaste der wijzen hier een en denzelfden naam droeg.

Nadopolassa.k, ongeveer G25 v. C. (zie blz. 10), met wien de meer bekende geschiedenis van Babyloniö als hoorschendon staat begint, werd door zijn zoon nebukadnêzaii opgevolgd. Hij, eerst mederegent zijns vaders, maakte, verbonden mot Cyaxaros, koning van Medië, een einde aan het Assyrische rijk. Hierop sloeg hij don koning van Aegypte, Necho, die mot Nabopolassar in oorlog was geraakt, bij Circësium (aan den Euphraat) in een beslissend gevocht, omtrent 605 v. C. Kort daarna volgde hij zijn vader, bij zijn dood, in de koninklijke waardigheid op. Nog veroverde hij Syrië en hot rijk Juda, welke landen Nocho had onderworpen. Desniettegenstaande stonden de inwoners van 't rijk Juda verscheidene malen tegen Nelbukadnëzar oji, zoodat hij ton laatste in ó8ö v. C. de stad Jeruzalem verwoestte en do stammen Juda en Benjamin naar Babyloniö voorde. Tegelijk onderwierpen zich do Phooniciërs vrijwillig; alleen Nieuw-Tyrus verzotte zich lang tegen hom. Dozen veroveraar wordt, mot meer recht dan aan Somiramis, de bewonderenswaardige verfraaiing dor stad Babyion toegeschreven. Hoewol zij reeds vroeger als oen dor oudste steden van de wereld werd genoemd, dagteèkent de roem van Babyion, als de prachtigste aller steden, gelijk Herodotus, oen Urieksch geschiedschrijvor uit de vijfdo oouw v. C., haar hoot, eerst van den tijd van Nebukadnczar. Babylon had don omvang van een

-ocr page 32-

12

landstreek, niet van een stad. Zij lag in eon groote vlakte en vormde een volkomen vierkant. Do Euphraat verdeelde haar in twee deelen; zij was met zeer hooge en breede muren omgeven. In sterkte overtrof haar geon andere stad. Op don muur, waarop twee honderd vijftig torens waren opgetrokken, konden twee vierspannen elkander gemakkelijk voorbijrijden. Honderd koperen poorten met posten en bovendrempels van 't zelfde metaal openden den toegang tot de stad. Aan de oostzijde van den Euphraat liet Nebukadnëzar, vlak aan don oever, een burgt voor zichzelf bouwen, die zeer ruim en prachtig was. Het ver-maardste gedeelte van 't paleis waren de hangende tuinen, die wel den naam van Somiramis droegen, maar een aanleg van Nebukadnëzar waren. Hij had ze laten aanleggen ter wille van zijn gemalin Amytis, een dochter van Cyaxaros, die de berggezichten, den rijzonden en dalendon grond uit do dagen harer kindsheid terugwcnschte. Do tuinen waren steenen terrassen van oen aanmerkelijke hoogte en van grooten omvang, waarop zooveel grond was aangebracht, dat de krachtigste boomen er wortel in konden schieten.

Na den dood van Nebukadnëzar verviel het rijk allengs. Zijn kleinzoon, BELsazAB, verloor in 't zelfde jaar, waarin hij het bewind had aanvaard, in 556, de kroon met het leven, want hij werd om zijn zede-lossheid, die zelfs te Babyion ergerlijk werd gevonden, in don nacht van het bekende nachtmaal gedood. Do samengezworenen, die zijn voorganger uit don weg hadden geruimd, droegen de koninklijke waardigheid op aan nabonïtus. Hij verbond zich met Croesus, koning van Lydië, tegen Cyrus, koning van Perziö. Daarom trok deze vorst tegen Babylonië op en nam de hoofdstad in 538 in, waarop het rijk bij Perzië werd ingelijfd. Geheel onverwachts (zie blz. 20) drongen de vijanden de stad binnen. Naar men verhaalt, vierden de inwoners juist op dat tijdstip een feest en waren zij, die in het midden van Babyion woonden, nog met dans en spel bezig, toen de plaats reeds in handen des vijands was, daar zij, bij den grooteu omvang der stad, niet hadden bemerkt, dat zij was ingenomen.

Helder en onbewolkt spande zich de hemel over Babylonië's vlakte. Dit voorde do priesters, de Chaldaeön, tot hot gadeslaan van den loop der hemellichamen. Deze studie brachten zij in verband mot den gods-dienst, welke veel overeenkomst had mot dien der Assyriërs. In de krachtig werkende zon. zagen zij hun hoogsten god. Bol, den heer des hemels en van 't licht. Mylitta (bij de Assyriërs Astarte), hun hoogste godin, wordt voor do godin dor aarde gehouden. Dezelfde oorzaak, waardoor do godsdienst natuurdienst werd, maakte de priesters reeds vroeg tot ster-rekundigen en sterrewichelaars. Hun komt de eer der uitvinding van den dierenriem toe; zij kenden de indeoling der week in zeven dagen en die van den dag in twaalf uren. Bij de Babyloniërs was een vast stelsel van maten en gewichten in gebruik.

De regeeringsvorm der Babyloniërs was, evenals die der Assyriërs, do despotische. Geen stad was zoo berucht als Babyion wegens haar

-ocr page 33-

13

losbandigheid van zoden, die de godsdienst zelf in do hand werkte. Die ■weelderigheid van zeden werd niet liet minst gevoed en bevorderd dooiden rijkdom des lands, die zoo groot was, dat het, als wingewest van Perziö, het dorde dool van do inkomsten van 't rijk opleverde. Behalve do overgroote vruchtbaarheid van don bodem was een bron van dien rijkdom de handel, waarvoor de ligging der hoofdstad aan den Euphraat Babylonië bij uitnemendheid geschikt maakte, daar die grooto waterweg ♦ zuidwaarts naar de Perzische golf voorde on de stad noordwaarts met

andere handelswegen in verbinding bracht. Op die wijze werd Babyion oen stapelplaats voor West-Azië, hoofdzakelijk voor de kostbare waren van Indiö, met welk land het over zee in rechtstreeksche gemeenschap stond.

Acgypte.

Iletgeon ton opzichte van het oude Indiö is gezegd geldt eveneens ten aanzien van Aegyptc. Eerst iu deze eeuw begint mon al hetgeen op den voormaligen toestand en op de oude geschiedenis van dit land betrekking heeft goed te verstaan. Do tocht, op 't einde dor vorige eeuw door do Franschon onder bevel van generaal Buonaparte naar Aogypte gedaan, baande den weg voor een reeks van nasporingen, die nog steeds worden voortgezet. Tal van reizigers en geleerden wijdt zich aan deze taak.

Aegypte is een geschenk van den Nijl, want het eigenlijke, het door menschen bewoonde Aegypte is slechts het dal, hetwelk de Nijl van 't zuiden naar 't noorden in een bijna rechto lijn doorstroomt en dat ten w. door zandwoestijnen, ten o. door bergen van graniet is ingesloten. De geschiedenis vermeldt geen land, dat zich vroeger tot een beschaafden staat heeft ontwikkeld. De Nijl, waarvan de bronnen sedert 1860 door een paar Engelsche reizigers gevonden of zoo goed als gevonden zijn, doorliep het oudtijds in een richting tot op de hoogte van Cercasorus of Cercasüra, waar hij zich in twee hoofdarmen splitste, van welke de oos-| telijke bij Pelusium, de westelijke bij Canöpus in de Middellandsche Zee

viel. Even boven Cercasüra scheidde zich een derde hoof darm af en vervolgens meerdere, zoodat men ten tijde van Herodotus doorgaans zeven monden van den Nijl telde,quot; waarvan twee door menschenhanden waren gegraven. Het land tusschen de beide uiterste armen van den NijL heeft naar zijn driehoekige gedaante den naam Delta, naar den vorm der Grieksche A (D), gekregen en was uitnemend bebouwd en bevolkt. De vruchtbaarheid van het land hangt, bij schier volkomen gebrek aanregen, van de overstroomingen des Nijls af, die ieder jaar in meerdere of mindere mate plaats hebben en van 't einde van Juli tot het laatst van October duren. Deze overstroomingen bevochtigen en bemesten den grond.

ïen tijde der Romeinen, wellicht ook vroeger, verdeelde men Aegypte in: Opper-Aegypte, Thebais, van het eiland riiilae (ten z. van Syene)

ik

-ocr page 34-

14

tot Phylace Homopolitana (ton •/.. van Hermopölis Magna), waarvan Thebe do voornaamste stad was; Midden-Aegypte, Heptanömis, van Phylace Hermopolitana tot Babylon (ten n.o. van Memphis) met Memphis; Beneden-Aeg/jpte, go deel tol ijk xiit liet Dolta bestaande, met Holiopölis.

•Do inwoners van Aegypte, deels tot don Semietischon stam, deels tot hat Aethiopische ras behoorende, waren over 't geheel matig en vlijtig, doch tevens afkeerig van vreemdelingen en den priesters blindelings gehoorzaam. Zij waren verdeeld in een zeker aantal kasten,; van wolke de twee eerste don grooten hoop der lagere kasten beheerschton: 1) do priesters, die tevens de geleerden, de rechters, de geneeskundigen, de sterre-wichelaars en de bouwmeesters van hot gansche volk waren en den grootsten invloed op het staatsbestuur hadden; 2) de krijgslieden, die zich uitsluitend met den wapenhandel bezig hielden en, evenals do priosteikasto, een stuk grond bezaten, dat vrij was van belasting. De overige kasten bo-vatteden kooplieden, laudbouwers, schippers, herders, enz.

Aan. het hoofd van den staat stond een koning {1'harao in hot O. T. genoemd), wiens kroon erfelijk was. Alleen wanneer het rcgeerende stamhuis was uitgestorven of bij omwentelingen had er een verkiezing plaats. Alsdan word de koning uit een der beide heerschende kasten gekozen. Viel do keuze op oen krijgsman, zoo werd hij bij de troonbeklimming terstond in de priesterkaste opgenomen. Gelijk overal in het Oosten, behoorde de staat uitsluitend den pharao, die voor een god gehouden en als een god vereerd werd. De koningen waren tevens opperpriesters, opperrechters en wetgevers. Over 't geheel was hun gezag onbeperkt. Bleven ook de priesters, die den koning als raadgevers terzijde stonden, niet van allen invloed op zijn regeering verstoken, deze invloed strekte zich in allen gevalle niet zoo ver uit, dat zij, in tegenstelling met de overige onderdanen, ophielden aan den vorst ondergeschikt te zijn. Moer clan do macht, werd hot leven der koningen beperkt door een ceremoniëel, dat, door do priesterschap ontworpen, alles, wat hen betrof, aan vasto voorschriften bond en do bezigheden, verrichtingen en uitspanningen voor elk uur van den dag bepaalde.

Do godsdienst der Aegyptenaren was eon ware natuurdienst. Do vele goden, die men vereerde, waren zinnebeelden van de verschillende in do natuur werkende krachten en van hare verschijnselen, die men zich als personen of als dieren voor,stelde. Zelfs zijn sommige diersoorten, naaide begrippen van dit volk, zoozeer met hot wezen der goden, aan welko zij gewijd zijn, vereenzelvigd, dat deze en gene godheid meermalen mot den kop van een dier, haar geheiligd, dan met oen menschelijk gelaat word afgebeeld. Niet overal had men dezelfde goden. Een van de oudste goden was ongetwijfeld Ha of l'/irn, de god der zon. Naast Ra word J'lah, de god van 't licht te Memphis, wien de Grieken Hephaestus (Vulcanus) noemden, 't moest veroord. Zoowel aan Ka, als aan Ptah was de stier geheiligd. Té Thebe had men den god Amman of Amoen, dien de Grieken voor denzelfden als hun Zous hielden. Do cenige goden, die,

-ocr page 35-

behalve eeriigè dieren, door 't geheele land hoon worden aangebeden, waren Osiris en Isis. In Typhon waren allo nadoelige werkingen der natuur samengevat, in Osiris allo weldadige eigenschappen der natuur veroenigd. Isis is do verpersoonlijking dor aarde, wolkor groeikraoht tolken jare door Osiris wordt gowokt. Tot de godheden van minderen rang behoorden de ajns, oen mot bijzondere teokonon geboren stior, dio inzonderheid te Memphis werd veroord; verder do krokodil, do ibis, de katten en andere.

Goon volk heeft meer voor do dooden gedaan dan hot Aegyptiseho. Do Aogyptenarcn waren de eersten, die de leer verkondigden, dat 's monsohon ziel onsterfelijk is. Zij dachten, dat de ziel na den dood in do onderwereld nederdaalde. Dan werd er gericht over de dooden gehouden. Osiris, door tweeënveertig rechters bijgestaan, besliste, of de zielen der gestorvenen een zalig leven in de woonplaats der goden zouden leiden, dan wol, of zij in het rijk der duisternis allerlei pijnigingen moesten verduren. Moeielijk is hot te zeggen, hoe die vonnissen zijn to rijmen mot do leer der zielsverhuizing, dio oen belangrijk punt was van de geloofsleer der oude Aogyptenarcn. Waarschijnlijk meende men, dat dit verband hierop neerkwam, dat de pijnigingen der onderwereld alleen ■werden verduurd door hen, die gedurende den tijd der zielsverhuizing onverbeterlijk waren gebleven. Veel zorg wijdden do Aegyptenaren aan hot balsemen der lijken {mummiën, d. i. gebalsemde lijken), hetwelk 's lands gebruik geworden en tot hoogo volkomenheid gebracht was.

Het schrift der Aegyptenaren, een boeld- en letterschrift, dat van de rechter- naar de linkerhand liep, was drievoudig. Hethiërogljiphcnschrift, wederom drieledig, was óf zinnebeeldig, als men b.v. den dag door de zon aanduidde, of slechts een afbeelding, wanneer do bedoelde zaak zelve word voorgesteld, óf hot behelst voorworpen, welker naam met die letter begint, welke men wil aanwijzen (b.v. een B door do figuur oener bijl). Deze soort van schrift stro);te hoofdzakelijk tot opschriften op gedenk-teekenon. Het hiëratische, oen overgang van het teekonen tot hot schrijven, waarvan zich do priesters bedienden, komt voor op handschriften en papyrusrollen, In het demotisohe of volksschrift zijn do letters of teekonen zoowel vluchtiger als ook minder in getal. Ook in de beide laatste soorten treft men dezelfde onderdooien aan als in hot oorspronkelijke hiëroglyphen-schrift. Met den tocht van Napoleon (zie blz. 13) begint het tijdperk van de verklaring van 't raadselachtige schrift der oude Aegyptenaren. In 1799 vonden de Franschon in do nabijheid van Rosette (aan een van do middelste armen van den Nijl) in 't zand een zwarten steen mot een opschrift, dat in drieërlei schrift denzelfden inhoud had: in hiëroglyphen, in demotisch schrift on in 't Griekseh. Door het bestudeeren van dit opschrift, als-mode van die van andore gedenkteekenon kwam oen der Fransche navorschers, Champollion lo jeune, tot de stelling, dat do wortelen en de vormen van het oude Aegyptisch zijn bewaard gebleven in hot Koptisch, hetwelk do heilige taal is van do tegenwoordige inwoners des lands. Verder gelukte hot hem, do grondtrekken van hot schrift der Aegyptenaren vast te stollen.

-ocr page 36-

16

De wetenschappen, die de Aegyptenaren tot zekere hoogte beoefenden, waren de sterrekunde, de genees- en de meetkunde. Voor hun aanmerkelijke vorderingen fn de sterrekunde pleit meer dan één bewijs. Beeds in de vroegste eeuwen berekenden zij den tijd naar het zonnejaar. Terwijl zij verder in vele handwerken, het weven, het bewerken van metaal en klei, enz. uitmuntten, hadden zij ook vorderingen gemaakt in do beeldhouw-, de schilder- en de bouwkunst. Vooral het kolossale, het grootsche treft ons bij de beschouwing van de overblijfselen dier kunsten, welke alle dienstbaar waren aan den eeredienst. De beroemdste werken dor Aegyptische bouwkunst, waarvan nog vele zijn bewaard gebleven, bestaan in pyrami-den, tempels, obelisken en grafspelonken of cataeomhen. l'yramiden zijn groote, vierzijdige gebouwen, die, meestal uit witten kalksteen opgetrokken, van buiten met andere steenen zijn bekleed en van een breed vierkant voetstuk in een zeer schuinsche richting allengs spits toeloopen. Men vindt ze nabij Memphis. Haar bestemming was, naar alle waarschijnlijkheid, tot begraafplaats voor de koningen van Memphis te dienen. Dc tempels treft men inzonderheid in de omstreken van het oude ïhebe aan. Obelisken, die men veel bij don ingang der tempels vindt, zijn vierzijdige, spits toe-loopende zuilen, uit één stuk gepolijst graniet gehouwen. Het grootste gebouw der wereld eindelijk was de labyrinthus in Middel-Aegypte, een paleis, dat uit liOOO kamers, 1500 boven en evenveel onder den grond, bestond.

Geen geringe aanwinst is het voor de geschiedenis, dat die gedenk-teokenen ten deele zijn bewaard gebleven. Zij geven ons een beeld van den g.anschen toestand van het volk, aanschouwelijker dan de uitvoerigste berichten der oude schrijvers zouden vermogen dit te doen. Veel loeren ons de afbeeldingen in de graven omtrent de bezigheden en het huiselijk loven der Aegyptenaren.

§ 6.

Geschiedenis van Aegypte.

Reeds lang eer er een groot Aogyptisch rijk ontstond, schijnen zich in het vruchtbare Nijldal verschillende kleine staten te hebben gevormd, waaronder zich reeds vroeg Memphis en Thebe boven andere verhieven. Als de grondvester en eerste koning van den staat Memphis komt hknes, omstreeks 3000 v. C., voor. Onder de eerstvolgende beheerschers van dien staat worden drie genoemd als de stichters der grootste pyra-mi den. Dit zijn cheops, cheimikkn en myceuïnus, gelijk zij bij Herodotus hoeten, of, zooals hun eigenlijke naam luidt, cuufu, sciiafha eu

menkeka.

Ongeveer 2100 v. C. overstroomde een herdersvolk van Semietische afkomst, hylcsos, d. i. herderskoningen, geheeten, het goed bebouwde land en overheerschte hot eeuwen lang. Men meent, dat Thebe niet aan hen onderworpen is geweest. In allen gevalle gelukte het de koningen

-ocr page 37-

1?

Van Öpper-Aegypte, na omstreeks vier eenwen het geheele land van diö plaag te bevrijden. Hot is waarschijnlijk, dat, kort na do Hyksos, de Israëlieten ongeveer 1500 v. C. Aegypte zijn binnengetrokken on hot omtrent twee eeuwen hebben bewoond.

In de veertiende eeuw v. C. bereikte Aegypte, onder de regeering van Ramses ii, dien de Grieken sesostbis noemden, het toppunt zijnor grootheid. Hij drong tot diep in Azië door, onderwierp Aethiopië on bedwong de Scythen en do Thraciërs. Doch mettertijd gingen de veroveringen, door Kamses gemaakt, weer verloren. Tegen het midden der achtste eeuw v. C. deden de Aethiopiërs een inval in Aegypte. Naar het schijnt strekte zioh evenwol hun heerschappij niet over Beneden-Aegypte uit. Na de verdrijving dor Aethiopiërs kwam er een gomoonsohappolijko regeering van twaalf vorston, dodccarchic, totdat één van hen, tsamme-tÏchus (670—016), mot behulp van Ionische en Carische zeeroovers, over zijn tegenstanders zegevierde en zich do oppermacht verschafte. Sedert werd de toegang tot hot vroeger bijna afgesloten Aegypte voor vreemdelingen opengezet en de handel met de Grieken begunstigd.

Neciio, zijn zoon, schiep een Aegyptischo zeemacht en beproefde do Roede Zoo met de Middollandsche te vereenigen door oen kanaal, dat uit den Nijl, in do nabijheid van Bubastis, in een oostelijke richting naar do omstreken van het Bittere Meer liep. Het werk werd later door don Per-zischen koning Darius I weder opgevat. Hij leidde het kanaal van 't Bittere Meer naar de Roode Zee en was alzoo de schepper van den geheelen waterweg. Latere verzanding schijnt het noodzakelijk to hebben gemaakt, dat Ptolemaeus Philadelphus in de derde eeuw v. C. de hand op nieuw aan 't werk sloeg. Een van Necho's merkwaardigste ondernemingen is, dat hij door middel van Phoonicische zeelieden Afrika liet omvaren. Desniettegenstaande gold hot omvaren der Kaap de goede hoop later voor een onmogelijkheid, totdat de Portugeezen hot tegendeel metterdaad aantoonden. In den oorlog tegen de Babyloniërs (zie blz. 11) sloeg Necho onderweogs den koning van Juda, Josïa, die hem zocht tegen te houden, bij Megiddo (in 't n. van Samarïa) in 608. Daarna leverde hij den slag bij Circesium en verloor al zijn veroveringen.

Vermoedelijk verwekten do bloei en de rijkdom, waartoe Aegypte allengs was geraakt, de ijverzucht van Perzië, welk rijk bovendien, door den loop van Cyrus' veroveringen, Aegypte's grenzen was genaderd. Ternauwernood had althans Aegypte's laatste koning, psammenïtus, don troon bestegen, of hij word bij Pelusium door Cambysos, den tweeden koning van Perzië, geslagen en gevangen genomen. Zóó word Aegypte in 525 v. C. een Perzisch wingewest en bleef dit den moesten tijd door tot Alexander don groote, ofschoon hot vele malen, en niet altijd zonder vrucht, langdurige opstanden waagde.

-2

VVijnne, Handhoek der Alij. Geschiedenis, 7clo druk.

-ocr page 38-

V

#•

18

§ 7.

De Israëlieten tot de verovering van Kanaün.

Do naam „Palaestinaquot; werd in do vroegste tijdon aan de kuststreek gegeven, tusschon Aegypto en Plioonicië gelogen, welke zoo heette naaide Pliilistijnen, door wie zij oorspronkelijk werd bewoond. Eerst latei-werd die naam in ruimer beteekenis gebruikt, om het goheelo Joodscho (

land aan te duiden. Do Israëlieten zelf konden dien niet als benaming van hun land, weshalve liij ook geenszins in het 0. T. voorkomt; maar zij noemden het Kanailn, 't land der Hebrcërs, enz. Bij de Romeinen heet liet land, door dit volk bewoond, veelal Judaea, met welken naam oorspronkelijk het koninkrijk Juda, of wel, na do Babylonische gevangen-schap, 't geheele land werd aangeduid. Ton tijde van Christus noemde men de deolen aan deze zijde van den Jordaan Judaea, Samaria en Galilaea,

aan gene zijdo dier rivier Peraea. Ten n. van Palaestina lag de Libanon. Dit gebergte is vooral beroemd door den ceder. De hoofdrivier is de Jordaan, die in haren zuidwaarts kronkelenden loop het meer Tiberias vormde en in de Doode of Zoutzee uitloopt. Overal in den omtrek van dit meer, dat in de vroege oudheid het dal Siddim was, hetwelk met de steden Sodom en Gomorra door vuur en zwavel werd verwoest, ziet do grond er als verbrand uit en heerscht de huiveringwekkende stilte des doods. Kanaiins groote vruchtbaarheid wordt in den Bijbel zeer geroemd;

het land had uitmuntend weiland, welige akkers, olijfboomen, wijngaarden en vruchtboomen van allerlei soort.

De oudste naam van dit volk, dat tot den Semietischen stam behoort,

is Hebrcërs, een naam, ontleend aan don bijnaam van Abraham. Hiervoor kwam later die van Israëlieten in de plaats, naar Jakob, sinds zijn worsteling met een engel, waarin hij, naar de overlevering zegt, moet hebben overwonnen, ook Israël, d. i. bestrijder van God, geheeten. Eindelijk heeten zij ook in ;t algemeen Joden, met welken naam oorspronkelijk alleen de bewoners van 't latere koninkrijk Juda werden aangeduid.

Volgens hun eigen overleveringen begint de geschiedenis der Israëlieten met Abraham, die vóór 2000 loofde. Aan 't hoofd van een zwervenden herdersstam trok hij uit Mesopotamië (het land tusschen de rivieren) naar Kanaan, weshalve de bewoners van dit land hem den Hehreër noemden, i

d. i. den van den overkant gekomene, er op doelende dat hij over den Euphraat was getrokken. Hier zetteden de Israëlieten onder zijn zoon Izaiik en onder Izailks zoon Jakob him herdersleven voort. Jakob had twaalf zonen, die de stamvaders werden der twaalf stammen, waarin het volk werd verdeeld. Een der zonen. Jozef, als slaaf naar Aegypte gevoerd, steeg aldaar tot hooge waardigheden en riep zijn stamgenooten tot zich, aan welke het landschap Gosen in Benedon-Aogypto (het grensgewest van Aegypte naast de woestijn Sinaï) werd ingeruimd. In dit land groeide Jakobs stam binnen een betrekkelijk korten tijd tot een volk van eonigo honderdduizenden aan.

BB

*

-ocr page 39-

V

19

Als herders waren zij echter den Aegyptenaren een gruwel, en toon zij ook gevaarlijk schenen te worden, begon men hen hard te verdrukken Toen eindelijk de mate vol was, stond onder hen een redder op, Mozes ge-heeten, die zijn volk uit het land Aegypte uitleidde. Na de Roode Zee te zijn doorgetrokken, kwamen de Israëlieten in de woestijn van 't schiereiland Sinaï, een deel dor streek, die door de Grieken Arabia Petraea werd geheoten, waar Mozes veertig jaren mot hou rondtrok.

Bij den hoogsten top van het gebergte, dat zich in dit schiereiland uitstrekt, welken top de bewoners dezer streek voor heilig hielden en dien do Israëlieten oudtijds insgelijks Sinaï, later ook Ilureb noemden, gaf Mozes het volk wetten. Do grondslag der gehoelo wetgeving is hel monothcisme,, het geloof aan den bij zonderen Grod Israëls, ver verheven boven de andere goden, bovendien door dat volk vereerd. Dit geloof, dat van oudsher niet het deel van allen was geweest, had de aartsvaders steeds bezield en werd thans door Mozes eerst recht ontwikkeld. Ook na hom streefden ten allen tijde Israëls edelste mannen er naar, dit denkbeeld meer en meer tot aller overtuiging te maken. Diep drong dit geloof in de openbare en in de bijzondere instellingen van het volk, alsmede in zijn letterkunde, door. Van nu aan heette het Opperwezen bij de Israëlieten Jehova of eigenlijk Jahve. Behalsre dit zijn de hoofdpunten der wetgeving, dat de Israëlieten zich van andere natiën moeten afgescheiden houden en van het herdersleven tet den akkerbouw overgaan. De kern der wetgeving zijn de tien geboden, geschreven op twee steenen tafelen. Hieraan knoopen zich een menigte voorschriften, die door de oudsten des volks en de priesters werden bewaard en gezamenlijk datgene uitmaken, wat men „de wetgeving van Mozesquot; noemt, die ecliter voor een goed deel van latere dagteekening moet zijn.

De regeering was bij de Israëlieten in handen van de oudsten der stammen. Tot het priesterambt werd de stam Levie bestemd, en deze stam in twee klassen gesplitst, waarvan de een alleen de nakomelingen van Aiiron, den eersten hoogepriester en broeder van Mozes, bevatte en de eigenlijke priesters {levieten) opleverde, terwijl de andere uit helpers der priesters, wetgeleerden, rechters en artsen bestond. Inmiddels werd het getal dei-twaalf stammen met één vermeerderd, doordien in plaats van Jozef zijn beide zonen, Manas se en Ephraïm, met hun nakomelingen, voor twee bijzondere stammen golden.

§ 8.

De Israëlieten tot den ondergang hunner rijken.

Mozes zal ongeveer 1300 op den berg Nebo (ten z. o. van Jericho, ten ft. van de Doodo Zee) zijn gestorven. Onder aanvoering van Jo sua namen de Israëlieten, na een vijftigjarigen oorlog mot de Philistijnen, de Moabieten en andere heidensclie volkeren, bezit van Kanaün. Het land werd onder twaalf van de dertien stammen verdeeld, daar de stam Levi, als die der

O*

A

-ocr page 40-

'M)

priesters on wijzen, geen afgoschoidon erfdeel had, maar onder de ovërigè stammen verspreid woonde en de tienden der voortbrengselen kreeg. Intusschen vervielen do Israëlieten, door 't onderhonden van betrekkingen met do overige bewoners van Kanailn, dikwerf weder tot de gelijkstelling van andere goden met Jahve. Niet zelden ook ontstond er tweedracht onder de stammen. In zulke bange tijden traden van tijd tot tijd koene helden op, richteren of rechters genoemd, die hun landgenooten van de heerschappij hunner vijanden bevrijdden on van welke een enkele den vaak verwaarloosden Jehovadienst herstelde. Gewoonlijk bleven deze rechters, na hot eindigen van don krijg, aan 't hoofd van 't gansche volk of van enkele stammen. De beroemste van hen waren: Gideon, Jephta en Sim-son. De laatste van allen was Samuel, die, om een nationaal gevoel te doen ontkiemen, profetenscholen oprichtte, waaruit later vele van die mannen, met eon hoogoren geest bezield, te voorschijn kwamen, welke onder den naam profeten krachtig ijverden voor do vereering van Jahve, ook togen do macht dor koningen, on in hun toespraken liet volk waarschuwden, vermaanden en vertroostten.

Over 't geheel beleefde Israël in Samuels tijd droevige dagen: een groot deel dos volks was aan de Philistijnen onderworpen. Hierom wenschte liet volk een koning to hebben. Na, eenig dralen zalfde Samuel een man uit den stam Benjamin, saul (omstr. 1080—omstr. 1050), tot koning. Saul streed al de dagen zijns levens tegen do Philistijnen en de overige naburen van Israël, en overal, waarheen hij zich'wendde, zegevierde hij. Nadat lüj zich in een slag tegen de Philistijnen, waarin hij de eerste nederlaag zijns levens onderging, in zijn zwaard had gestort, besteeg David (omstr. 1050—1025), uit den stam Juda, den troon. Eerst omstreeks 1040 door alle stammen erkend zijnde, breidde hij zijn rijk tot den Euphraat uit en verhief het den Jebusieten ontrukte Jeruzalem tot hoofdstad. Hij onderwierp de Moabieten, de Edomioten en de Ammonieten. Maar niet alleen als veroveraar schitterde hij: lüj opende ook handelswegen voor zijn volk en regelde do geldmiddelen, alsmede 't ge-heele staatswezen. Nog meer is hij als dichter beroemd, en zijn naam door de psalmen, voor een gedeelte zijn werk, hoewel, naar men meent, voor zoo ver zij door hem zijn opgesteld, thans allo of grootendoels verloren gegaan, door de geheele beschaafde wereld verspreid.

Davids zoon salomo (omstr. 1025—980), een man van schranderheid en groote geleerdheid, liet don prachtigen tempel van Jeruzalem houwen. Zoor werd 's konings wijsheid geprezen. Do wijsheid, die in hem werd geroemd, uitte zich vooral in 't vellen van vonnissen als rechter, zooals blijkt uit hot bekende verhaal der twee vrouwen, en in 't uiten van spreuken, van levenswijsheid getuigende. quot;Wat 's konings geschriften betreft , het meerendeel hiervan is verloren gegaan, zoodat liet er ver af is, dat alles, wat heden nog op zijn naam doorgaat, »do Spreuken, de Prediker, hot Hooglied,quot; van hemzelven afkomstig is.

Maar tegenover al den luister van Salomo's rogeering ontbrak ook de

-ocr page 41-

21

schaduwzijde niet. De groote pracht, die hij tentoonspreidde, ontaardde ten laatste in oen weelde, die liet volk zeer drukte, vooral toen hij een menigte gemalinnen nam, welke uit allerlei volken stamden. De toegevendheid voor deze vrouwen bevorderde het vereeren van buitenland-scho goden aan zijn hof. Vreemd is het dus niet, dat er alom misnoegen ontstond. Daarom vorderde het volk, onmiddellijk na Salcmo's dood, dat zijn zoon Eehabëam de lasten, die het onder zijn vader mot tegenzin had gedragen, zou verlichten. Doch Rehabëam weigerde dezen eisch in te willigen. De meerderheid verkoos hierop Jeroboam tot koning. Zoo werd dan het rijk in 980 in twee doelen gesplitst: Israël, hot rijk der tien stammen, mot de hoofdstad Sichem, daarna Samarïa, onder Jerobëam, en .hala, het rijk dor twee stammen Juda on Benjamin, mot de hoofdstad Jeruzalem, onder Rehabëam.

Zoowol in Israël als in Juda kwam het weldra tot een strijd tusschen de voorstanders der vercoring van Jahve on die van den dienst der andere goden. Hoezeer profeten, b.v. Elïa, Jezaia en Jeremïa, zich inspanden, om den godsdienstzin der natie in kracht te doen toenemen en het geloof aan Jahvo te versterken, dien zij voorstelden niot als den bij zonderen God Israels, maar als den eenigen waren God, bij menigeen stuitten hun pogingen af op zinnelijkheid cn gebrek aan ernst. En bij het meeren-deel van hot volk overwogen het volksgevoel en de zucht naar onafhankelijkheid de neiging om don dienst van Jahve in eer te houden, die hen in onmin bracht met het buitenland. Bovendien hadden de beide rijken hot ongeluk, tusschen twee machtige staten, aan de eene zijde hot Aegyptischo rijk, aan de andere het Assyrische of Babylonische, te liggen.

Israël werd omstreeks 721 door Salmanassar vernietigd (zie blz. 10). De laatste koning, Ho sea, en het meerondeel van 't volk worden naar afgelegen streken van Assyriö vervoerd. Daarentegen werden andere onderdanen van Salmanassar gedwongen, de ontvolkte streken van Palaestina, d. i. de steden van de landstreek Samarïa (gelegen tusschen Judaea en Galilaea), te bewonen. Door Levieten bekoord, namen deze volkplanters den Mozaïsehen godsdienst aan, zonder daarom hun afgodendienst geheel vaarwel te zeggen, smolten met de achtergebleven Israëlieten samen en werden zóó de stamvaders der Samaritanen. In 't vervolg bleef er evenwel tusschen hen on de eigenlijke Joden een onoverkomelijke klove bestaan, want de nationaliteit lag niet in den godsdienst alleen.

Eveneens nam Juda allengs af. Ten laatste bezweek de hoofdstad in 586 voor Nebukadnëzar en word koning Zedekïa, mot de moeste bc-woners des lands, naar Babylonië verplaatst (zie blz. 11). De tijd, dien de Joden in den vreemde sleten, wordt de zeventigjarige Bahylonischc ballingschap genoemd. Dit zeggende, behoeft men intusschen niet angstvallig aan de volle zeventig jaren te hechten, maar behoort men veeleer aan een lang tijdsverloop in 't algemeen te denkon.

-ocr page 42-

§ 0.

Phoenicië,

Do Phooniciörs, een volk van den Semietischen stam, bewoonden de smalle strook langs de westkust der Middellandsoho Zee, die ten o. door don Libanon wordt begrensd. Hier stichtten zij achtereenvolgens een aantal steden, waaronder Sidon on Tyrns de voornaamste waren. De meeste dezer steden hadden haar eigen opperhoofd of koning. Dit volk legde zich reeds vroeg op handel, scheepvaart en nijverheid toe. Van zijn steden is Sidon de oudste, Tyrus de vermaardste. Tegenover de landtong, waarop de stad was gebouwd, lag oen eiland. Daarheen togen, waarschijnlijk in 't midden dor dertiende eeuw v. C., een aantal familicn uit Sidon en grondvestten er Nieuw-Tyrus, dat met Oud-Tyrus als één stad werd aangemerkt. Don hoogsten bloei bereikte die stad van 1000 tot 500 v. C. Van haar koningen bohooren te worden vermeld 11 iram, volgens 't O. T. de bondgenoot van David en Salomo, en Pygmalion, wiens zuster Dido of Elissa Karthago stichtte, (irooten room verwierf Nieuw-Tyrus, want terwijl do overige steden van Phoenicië, zonder eenige poging tot tegenweer aan te wonden, eerst Salmanassar en later Nobukadnëzar huldigden, verdedigde het zich vijf jaren lang tegen den eerste, dertien jaren lang togen den laatste dier veroveraars, 't Is echter waarschijnlijk, dat, na die vijf on die dertien jaren, ook Nieuw-Tyrus zich telkens zal hebben onderworpen. Omstreeks 550 werd Phoenicië, dus ook Nieuw-Tyrus, door Perziö onderworpen. Maar oen laatste voorbeeld van vaderlandsliefde en volharding gaf deze stad ton tijde van Alexander den grooto, die hot echter, hoewel eerst na zware inspanning, in 332 v. C. innam on verwoestte.

Al in de vroegste tijden hadden de Phoeniciërs volkplantingen op Cyprus, Sicilië en meer andere eilanden der Middellandsche Zee, alsmede in Spanje en op de noordkust van Afrika, b.v. Gades (Cadix) en Karthago, welke laatste stad van allo Phoenicische koloniën de belangrijkste is. In 814 v. C. gesticht door Dido of Elissa, werd hot in 't vervolg een zelfstandige, machtige handelsstaat, die op zijn beurt een reeks van koloniën grondvestte. In Mago, die in de zesde eeuw loefde, had Karthago een ervaren regent, en het bestuur van den staat werd door de ouden om zijn wijsheid geroemd.

De handel der Phoeniciërs bestond in zee- en landhandol. Don zeehandel dreven zij voornamelijk met hun volkplantingen; maar ook bevoeren zij de Perzische en de Arabische golf. Hot is vrij zeker, dat zij het tin over zee haalden van de zoogenoemde Kassiterïdes (tineilan-den), n.1. de Scilly-eilanden, vroeger Shorlings geheeten (ten z.w. van Engeland), doch niet waarschijnlijk, dat zijzelf don barnsteen uit de Oostzee aanvoerden, dien zij zich of op de Kassiterïdes, of op een andere plaats, waarheen die stof mag zijn gebracht, kunnen hebben verschaft.

-ocr page 43-

23

Do lanclhandel richtte zich zuidwaarts naar Arabic en Aegypte, oostwaarts naar Palaostina, Syrië, Perzië en Babylonië, en noordwaarts naar Annoniö en aangrenzende landen. Het karakter van den handel der Phoe-niciërs was ruilhandel. Het waren niet alleen vreemde waren, welke te land en te water werden vervoerd. Men had bij de Phoeniciërs fabrieken, die de waarde van vele ruw aangevoerde grondstoffen verdubbelden of nieuwe artikels tot uitvoer van eigen bodem leverden, als purperververijen, weefstoelen, fabrieken van sieraden on barnsteen, ivoor en metalen, glasfabrieken. Overweegt men, dat hot glas in de vroegste eeuwen in Aegypte reeds in veelvuldig gebruik was, dan wordt het twijfelachtig, of het bekende verhaal, hetwelk de uitvinding dezer stof aan de Phoeniciërs toeschrijft, waarheid bevat. Anders staat het met do uitvinding van de purperverf, waarbij hot toeval een groote rol moet hebben gespoeld: de eer hiervan wordt Phoenicië geenszins betwist. Dat ook het letterschrift den Phoeniciërs zijn oorsprong verschuldigd is schijnt niet meer te kunnen worden aangenomen; maar dat de Grieken het aan hen ontleenden staat vast.

Gelijk van bijna alle Semieten was de godsdienst der Phoeniciërs een natuurdienst: hun goden waren de krachten der natuur, als mythische personen vereerd. Hun hoofdgod is Baal, de Bel der Babyloniërs, de heer des hemels, wiens kracht in de werking dor zon werd erkend. De hoogste godin is Baaltis, bij de Babyloniërs Mylitta geheeton. Tegenover Baal staat Moloch, de god des vuurs, die zich in 't doodon verlustigt. De godin van 't vuur is Astarte. Zooals aan Moloch knapen en jongelingen, zoo werden aan Astarto maagdon ton offer gebracht.

§ 10.

Mad i ë.

In de uitgestrekte landstreek tusschen den Perzischen Zeeboezem, de Kaspische Zee, den Tigris en den Indus woonden, sedert overoude tijden, volkeren, die, in nauwe verwantschap tot elkander staande, den Medo-Perzischen tak van den Indo-Germaanschen of Arischen volksstam vormden en alle dezelfde taal spraken. Tot dezen tak behoorden onder anderen dc Mediërs, de Perzen en de Bactriers. In den noordoostelijken hoek dier groote landstreek bestonden zeer vroeg Sogdiana en Bactriana; den noordwestelijken hoek nam Medië in, en het eigenlijke Perxië lag zuidelijk van Medië. Parthië, dat eerst later een rol speelde, lag ten o. van Medio. Onder de voortbrengselen van Medië worden oranjeappels, citroenen , vijgen en druiven genoemd. Bovendien was het rijk in vee, paarden, schapen en muilezels.

In al deze landen heerschte oudtijds een godsdienst en beschaving, die zijn oorsprong had in Bactriana en aangrenzende landen. Toon Assyriö en Babylonië zich uitbreidden, worden de Mcdo-Pcrzische volleen door

-ocr page 44-

24

deze staten onderworpen, totdat zij bij liet zinken'dier staten zich wederom verhieven, ze hielpen vernietigen en in hun plaats de heerschappij over quot;West-Aziö erlangden. Op een tijd nu, die niet meer zeker is te bepalen, maar waarschijnlijk in de dertiende eeuw v. C. trad onder hen een hervormer op, Zoroaster (Zarathuztra), die do oude, doch in Verval geraakte geloofsleer herstelde en wien men deswege later die leer zelf toeschreef. Het was geen nieuwe godsdienst, dien Zoroaster prédikte: in tegendeel, slechts als hervormer der oude leer moet hij worden genoemd. Ook na hem werden de oude godheden, de zon en andere, over 't geheel dezelfde als die, welke de Indiërs aanbaden, in Iran vereerd. Zoroasters leer is vervat in een boek, Avesta genoemd, welk woord „tekstquot; beteekent. Ook wordt het wel Zend-Avesta geheeten, van welke beide woorden liet eerste, Zend, waarschijnlijk „verklaringquot; beduidt. De eerste, die dit gedenkstuk der oudheid aan Europa bekend maakte, was do Fransohe geleerde Anquetil du Perron, in 1754 naar Azië vertrokken, om nasporingen in 't werk te stellen aangaande den godsdienst der niet-Mohammedaansche volkeren. In 17C1 keerde hij met een groot aantal handschriften naar zijn vaderland terug. Thans, één eeuw na de vondst van Anquetil, is men met de verklaring dier geschriften zoo ver gevorderd, dat men den zin der Avesta nagenoeg even goed verstaat, als dien van het Oude en het Nieuwe Testament.

Volgens de leer van Zoroaster is er een hoogste god, do scheppor der wereld, de bron van alle leven, Ahocramazda (d. i. de veelwetende of vecl-gevende geest) of Ormuxd geheeten, onder wien een groot aantal goede geesten staan. Gelijk hij wordt ook het vuur vereerd. Naast Ormuzd staat, als persoonlijk wezen, Angra-Mainynus (d. i. de slaande geest) of Ahriman, de vorst der duisternis en van 't kwade. Onder hem zijn oen aantal booze geesten gesteld. Ten aanzien van het leven na het verblijf op aarde is het eenige, dat de Zend-Avesta mededeelt, dat de zielen, wan-nenr het lichaam haar had verlaten, in den derden nacht na don dood op de brug der vergelding kwamen; dat hier gerecht werd gehouden en vanhier de reine zielen, welker reuk de booze geesten duchtten, naar den hemel gingen, terwijl do overige gebonden naar de oorden der duisternis worden vervoerd. Alleen in Modië en Perzië heetten de priesters, naaide berichten dor Grieken, magi.

Do ons bekende geschiedenis der Modo-Porzen begint eerst in de zevende eeuw vóór onze jaartelling. Eenigen tijd vóór den aanvang dier eeuw, waarschijnlijk in 714, maakten zicli de verschillende stammen, waaruit liet volk der Mediërs bestond, van het juk der Assyriërs vrij. Kort daarna regeerde in Medio dejoces als eerste koning. Ter zijnor eer stichtten de Mediërs de hoofdstad Ecbatdna. Weldra onderwierpen zij de stamverwante Perzen.

De vormaardste hunner vorsten is cvAxaiiEs (633—593), die do Assyriërs aangreep en Ninivé belegerde. Middelerwijl was een grooto horde Scythen, die tusschen de Tanais of Don en den Ister of Donau

-ocr page 45-

te huis behoorden, in Mediö gevallen, hetwelk zij plunderende en roovende doortrokken. Nadat zij gedurende achtentwintig jaren deels in Medië, deels in andere naburige landen op die wijze hadden huis gehouden, gelukte het Cyaxares, door oen list Medio van hen te zuiveren. Hij en andere Mediërs onthaalden het grootste gedeelte der vijanden aan eeiï gastmaal, maakten ze dronken en doodden hen. Ongeveer G06 v. C. eindigde hij den Assyrisehen krijg door de verwoesting van Ninivó (zie blz. 10). Cyaxares is de grondvester der Medische opperheerschappij in Azië, die ir. plaats kwam van de Assyrische. Tegen zijn zoon astySoes (593—558) stonden do onderworpen Perzen op, die er niet alleen in slaagden hun onafhankelijkheid te verwerven, maar ook do Mediërs te onderwerpen.

§ U.

Per % i ë.

li ij dozen opstand tegen do Mediërs werden do Perzen geleid door Cyrus, eon man, die van de zijde zijns vaders, Cambyses, tot het geslacht der Achaomenidon, het edelste der Perzische huizen, behoorde. Zijn moeder was Mandane, een dochter van Astyages. Zoodra Cyrus was geboren, beval Astyages, door booze droomen verontrust, zijn ge-trouwsten staatsdienaar Harpagus, het kind te dooden. Op een wonderlijke wijze in 't leven gespaard, speelde Cyrus, oen knaap geworden, eens met andere kinderen. Hij was in 't spel tot koning gekozen, en toen hij een anderen jongen, den zoon van een aanzienlijk Mediër, die hem niet wilde gehoorzamen, had gestraft, on de vader van den jongen zich bij den koning beklaagde, liet Astyages den jongen Cyrus voor zich komen. Het vrijmoedig sproken van Cyrus beviel den koning, die zeer spoedig ontdekte, dat Cyrus zijn kleinzoon was. Nu nam Astyages hom tot zich; maar op Harpagus wreekte hij zich onmonschelijk door Harpagus' eigen zoon te dooden en hom den vader als spijs voor te doen zetten. Diep gegriefd en verbitterd, hitste Harpagus den thans volwassen jongeling tegen zijn grootvader op. Cyrus won de genegenheid der Perzen, stelde zich aan hun hoofd, en daar Harpagus met het Medische leger tot hem overliep, nam hij zijn grootvader gevangen en besteeg zelf don troon. Zóó luidt een door Herodotus, een Grrieksch geschiedschrijver uit de vijfde eeuw v. C. medegedeelde overlevering, om te verklaren, hoe de oppermacht in West-Azië aan de Peizon kwam.

Weldra vond cvkus (558—529) gelegenheid tot vergrooting van zijn rijk. Over Lydië hoerschte de rijke koning Croesus. Groote schatten had hij in zijn hoofdstad opgehoopt, waardoor hij tot een spreekwoord is geworden. Doch omdat hij steeds moor wilde hebben, liet hij het orakel to Delphi vragen, of hij hot rijk van Cyrus wol zou kunnen veroveren. Het orakel antwoordde: wanneer Croesus de Perzen aangrijpt, zal hij een groot rijk verwoesten. Terstond trok hij tegen Cyrus op; doch na don

-ocr page 46-

20

eersten onbeslisten veldslag nam do koning dor Perzen Sardes, do hoofdstad van Lydië, in en tolde den koning zelf onder zijn gevangenen (omstreeks 549), mot wien hij desniettemin van dat oogonblik af als vriend verkeerde. Met Lydië kwamen ook de volkoren en de Griekscho koloniën in Kloin-Azië ondor Perzië.

In het lot van Lydië moest ook Babylonië doelen. Babylon nam Cyrus, na een langdurig beleg, in 538 door de bedding van den Enphraat, die de stad doorstroomde, zóó af te leiden, dat zijn soldaten ze doorwaden en dus do stad binnendringen konden. Kort daarna gaf hij aan de in ballingschap levende Joden verlof, naar hun land terug te koeren. Omtrent den laatsten krijgstocht van Cyrus en zijn dood in 529 zijn de berichten tegenstrijdig. Het waarschijnlijkste is, dat hij op een onderneming tegen de Derbiciërs (een volk, dat ten o. van de Kaspische Zee woonde) in een voor 't overige voorspoedigen oorlog werd gewond en kort daarna stierf. Naar een andere opgave sneuvelde hij in een oorlog tegen de Massageten (een volk, waarschijnlijk met de Scythen verwant, aan de Jaxartes), dat toon door koningin Tomyris word beheerscht.

Zijn oudsten zoon cAiinysES (529—521), argwanend en hardvochtig van aard, benoemde Cyrus, nog vóór zijn dood, tot troonopvolger, don jongsten tot landvoogd van Bactrië, Carmanië en het land der Parthen. De naam van dien tweedon zoon is Bartja, bij Herodotus Sin er dis, bij anderen anders. Hem liet Cambyses, nog voor do verovering van Aegypte, uit achterdocht vermoorden; doch de daad bleef in de landstreken zelf, waarover Bartja landvoogd was geweest, een geheim. Alzoo slaagde oen priester, Gumata, alleen doordien hij zich voor den vermoorden vorst uitgaf, er licht in, zich van de regeering meester te maken. Zooals gezegd is (zie blz. 17), nam Cambyses met geringe moeite Aegypte in bezit. Op do terugreis naar Perzië stierf hij aan de gevolgen eener wonde, die hij zichzelf bij ongeluk had toegebracht. Vóór zijn dood had Cambyses do ware toedracht der zaak, betrekkelijk zijn broeder en den magus Gumata, aan zijn hof geopenbaard. Negen maanden lang wist deze priester zich nog staande te houden door ondersteuning zijner kaste en door de vrijstelling van alle schattingen. Eindelijk vereenigden zich zeven dor aanzienlijkste Perzen, om aan deze tusschenregeering een einde te maken. Nadat zij zich van de waarheid der laatste woorden van Cambyses hadden overtuigd, drongen zij gewapend het paleis binnen en doodden niet alleen den overweldiger, doch ook vele andore magiërs.

Thans werd een der samengezworenen, dauius i, een zoon van Hystaspes, uit het huis der Achaemëniden, koning (521—485). Hij is vermaard, zoowel uit hoofde zijner krijgsdaden, als wegens de nieuwe inrichting van het Perzische rijk, waardoor hij den despotischen regee-ringsvorm grondvestte. Hij verdeelde liet geheele rijk in twintig satra-piën, zóó geheeten naar de satrapen of landvoogden, en bepaalde voor elke satrapie geregelde belastingen, die meestal in voortbrengselen van 't land bestonden.

-ocr page 47-

27

Darius zette de veroveringen voort, waardoor zijn beide voorgangers de Perzen tot het heerschend volk in Azië hadden verheven. Niet alleen maakte hij het 'Westen van Indië cijnsbaar; maar hij trok ook, als de eerste Aziaat, die ons werelddeel beoorloogde, over den Bosporus (do straat van Constantinopel) naar Europa, waar de toelit over don Ister of Donau tegen de Seythen wel mislukte, doeh waardoor do Perzen vasten voot in Thraciö en in Macedonië kregen. Tegen hem ontstond een oproer van de Klein-Aziatische Grieken, dat, hoewel weder gedempt, de oorzaak werd van een der belangrijkste oorlogen in de wereldgeschiedenis. AVant Darïus besloot toen het Europeesehe Griekenland te onderwerpen.

De geschiedenis van Perzië na den dood van Darïus kan niets anders bevatten dan 't verhaal van 't langzame, maar zekere verval van dit rijk. Xerxes, Darïus' eerste opvolger, zotte den oorlog tegen Griekenland met de grootste inspanning van krachten voort. Maar, gelijk beneden zal blijken, zijn legers en vloten keerden, bij herhaling met smaad overladen, naar Azië terug. Zóu werd de oorlog togen Griekenland de hoofdoorzaak van Perzië's ondergang. Andere oorzaken kwamen er bij: het zedenbederf aan 't hof, de groote zoo goed als wettige invloed van 't serail, de toenemende verwijfdheid van 't volk en do zucht der satrapen naar onafhankelijkheid. Hoe ontaard de Perzen, in vergelijking met den tijd van Darïus, in de vierde eeuw waren, ziet men hieruit, dat zij, niet moor kunnende steunen op de troepen, door do wingewesten geleverd, noch op hun eigen weerbaarheid, er onder hun laatste koningen toe moesten komen, eenige duizenden Grioksche huurtroepen in dienst te nemen, die weldra de kern van 't leger vormden en, mits bezoldigd wordende, voor elk tegen elk, dus ook voor den koning van Perzië tegen de Grieken, streden. Hoofdzakelijk hadden Perzië's koningen het aan de staatkunde, tegenover Griekenland gevolgd, te danken, dat zij hun val nog meer dan honderd jaren na Darïus tegenhielden. Die staatkunde kwam hierop neer, dat zij, ziende dat hun vloten en legers, de gewone middelen van verdediging, niet tegen den vijand opwogen, de Grieken tegen elkander in 't harnas joegen. En hierin slaagden zij bij uitnemendheid. Toen evenwol de krachten van Griekenland eindelijk met die van Macedonië ineensmolten, was de laatste ure van Perzië geslagen.

Onder de opstanden, die de kracht van liet rijk zeer verzwakten, be-hooren die van Aegypte te worden vermeld, hetwelk bij herhaling afviel en dikwijls jaren achtereen zijn onafhankelijkheid wist te handhaven. Aan 't hof zelf werd do kroon een twistappel na den dood van daiiïtjs u notuus, d. i. den onechte. Deze koning liet die kroon na aan zijn oudsten zoon autaxeexes ii, die den bijnaam mncmon, d. i. die een sterk geheugen heeft, kreeg (405—362) en geboren was, toen zijn vader den troon nog niet had bestegen. Tegen hem stond zijn broeder Cyrus op. Hij trok met zijn leger, waarvan 13,000 in den krijg ervaren Grieken de kern uitmaakten, uit Sardes door Lydië, Phrygië, Lycaonië, Cappadocië en Cilioië naar den Euphraat. Deze rivier stak hij over en

-ocr page 48-

28

zetto don marsch langs don linkoroever tot de grenzen van Babyloniö voort. Maar Artaxerxes had eveneons zijn troepen bijeengetrokken. Bij Cunaxa (ten n. van Babylon) word in 401 de veldslag geleverd, waarin de koning do overwinning behaalde, inzonderheid door het vroegtijdig sneuvelen van Cyrus. Do overgebleven Grieken, d. i. de zoogenoemde 10,000, volvoerden hierop onder Xenöphon hun terugtocht langs don linkeroever van don Tigris, door Armenië, Paphlagonië en Bithynio naar don Hollespont. Do onnoemelijke zwarigheden, die zich schier togen elke hunner schreden aankantten, kwam hun heldenmoed te boven.

Do laatste koning van het rijk was dakïus iii codoma.nnus (336—• 330). Roods in het tweede jaar zijner regeering werd hij aangegrepen door Alexander don groote, koning van Macedonië, en in 330 ging hot Perzische rijk te gronde.

§ 12.

Griekenland.

Een algomoono naam voor geheel Griekenland wordt bij don oudsten schrijver van dit volk. Homorus, niet gevonden. Do Grieken lieeton bij hom nu eens Achajon, dan weer Danaërs of Argiven. Voor do veeteelt was hun land uitermate geschikt, minder voor den landbouw uit hoofde van de vele bergen, waarmede het was doorsneden, welker hollingen echter den wijnbouw, die in geheel Hellas nijvere handen vond, zeer bevorderden. Gelijk de bergen, stond ook hot steenachtige van den grond den landbouw in den weg. Onder de graansoorten was alleen gerst, onder de houtsoorten de eik en de olijfboom de hoofdvoortbrongselen van den grond.

Griekenland bevatte de volgende doelen;

l)c l'clupoimësus, met acht landschappen: Arcadië, Corinthië, Argölis, Laconië, Messenië, Elis, Achaje en Sicyonië met Phliasiö.

Midden-Griekenland of Hellas, ook met acht landschappon: Attïca, Me-garis, Boootië, Phocis, Locris, Doris, Aotolië en Acarnanië.

Noord-Griekenland of The*salie en Eplrus.

De voornaamste dor Griekscho eilanden zijn:

In de Ionische Zee: Corcyra en Ithaca.

In de Aegeïsche Zeo: Euboea, Thasus, Lemnos, Tenddos, Satnos, Lesbos. Verder do beide groepen dor Cycladen en der Sporadcn.

In den Saronischen Zeeboezem: Aegïna en Salamis.

In de Middellandsche Zee: Rhodus, Cyprus, Creta.

Griekenlands oudste bewoners. — in de Peloponnesus. —

§ 13.

De vestiging der Heraellden en der Doriërs De volkplantingen der Grieken.


In haar begin is de geschiedenis der Grieken duister en, gelijk die

-ocr page 49-

20

van bijna allo volken, vol fabelachtigo overlevering. Grlokonland werd hot eerst bovollvt door de Felasgcn, dlo uit Azië moeten zijn gekomen en zich voornamelijk in Thessalië en in do Peloponnesus vestigden. Alzoo behoort do bevolking tot don Indo-Gormaanschen stam. Oude overleveringen spreken van volkplantingen, in zeer vroegen tijd in Griekenland aangelegd. Do Phoeniciör Cadmus kwam in Eoeotië en bouwde den burg Cadmëa, aan welks voet later Thobe ontstond. Danaus uit Aegypte landde in Argos en maakte zich meester van de heerschappij over dit landschap. Do naam 1'eloponnêsus wordt afgeleid van Pelops, afkomstig uit Mysië, Lydiö of Phrygiö, die in Elis verscheen en het spoedig aan zich onderwierp. Als vierde volkplanter wordt Cecrops genoemd, die uit Aegypte naar Attica zal zijn getrokken en er door het bouwen van den burg Cecropia den grond gelegd hebben tot de stad Athene. Maar dat hij een vreemdeling was en uit Aogypte kwam is een vinding van latoren tijd. Veelal neemt men heden ten dage aan, dat die overleveringen niet letterlijk zijn op te vatten, alsof er inderdaad zulke groepen volkplanters in Griekenland zijn gekomen. Daarmede is echter niet geloochend, dat het Oosten eonigen invloed op Griekenlands aloude beschaving heeft geoefend.

Op den Pelasgischen tijd volgt die, waarin da Hellenen het hcerschendo volk van. dit land waren. Hun naam, afgeleid van Hellen, den zoon van Deucalion, werd allengs de algomeene naam voor het Grieksche volk, terwijl de naam Grieken hun eerst later door de Romeinen werd gegeven. De overlevering geeft Hellen drie zonen: Aeölus, Dorus en Xuthus en kent de laatste twee zonen. Ion en Achaeus, toe. Daar nu het Grieksche volk, volgens zijn tongvallen, welke ook schrijftaal waren, zich, althans na 1UÜ0 v. O., in drie hoofdstammen splitste, kregen zij naaide zoo even genoemde personen de namen loniërs, Doriërs en Aeoliërs, onder welke laatsten ook de Achaeërs, vroeger een hoofdstam, werden gerekend.

Vele gebeurtenissen kenmerken, volgens de overlevering, do eeuwen, die men den heldentijd noemt, waarvan de voornaamste zijn: de tocht der Argonauten naar Uolchis (ten o. van de Zwarte Zee); die der zeven vorston tegen Thebo en do Trojaansche ooi-log, omstreeks 1194—1184'. Onder alle helden van dezen tijd zijn Heracles (llorcüles) en Thëseus tie boroemste, gene door zijn twaalf daden, op last van den koning van Mycënao (in Argölis), Eurystheus, verricht, deze door zijn tocht naar Creta en door vele andere blijken zijner dapperheid. Beiden echter behoo-ren eigenlijk in tie mythologie te huis.

Onmiddellijk na den ïrojaanschen oorlog vinden wij bijna overal in Griekenland verwarring en onlusten, regeeringsveranderingen en volksverhuizingen. De grootste omwenteling brachten de lleraclïden, nakomelingen van Heritcles, te weeg, die door Eurystheus uit de Peloponnesus verdreven waren en bij de Doriërs een toevluchtsoord hadden gevonden. Mot behulp van dozen stam en van don Aetoliër Oxylus gelukte het

-ocr page 50-

30

ongeveer 1000 aan de Heraclïden, Te men us, Cresphontes en Aristodêmns, de Achaoërs te verslaan en zich in 't bezit van eon groot deel der Peloponnesus te stellen. Vermits elk zijn aandeel van 't veroverde land verkreeg, kwam Laconiö aan Proclos en Eurysthënos, tweelingszonon van Aristodêmns, die in de Peloponnesus was gestorven. Van nu aan was dit schiereiland de hoofdzetel dor Doriërs, zooals Attica die van de loniërs.

Als een belangrijk gevolg dier verovering van 't schiereiland kan men de vele koloniën dor Grieken aanmerken. De algemoone oorzaken, waaraan de bijna ontelbare Grieksche volkplantingen haar ontstaan haddon te danken, waren oorlogen tusschen do onderscheiden stammen, overbevolking, handelsbelangen. De westkust van Klein-Azië kreeg naar deze volkplantingen de namen Ac'ulis, lonië, Doris. Andere lagen aan de Zwarte Zee, den Bosporus, de Propontis of Zee van Marmora, don Hellespont, op de zuidkust van Thracië en Macedonië, in Beneden-Italië, voor een deel Groot-Griekonland geheeten, op Sicilië, op de zuidkust van Gallië, de oostkust van Spanje en do noordkust van Afrika.

Verreweg een der belangrijkste aller koloniën was Syracuse op Sicilië. Deze stad, in 735 door Gorinthe gesticht, stond eerst onder het bestuur der aanzienlijken. Door 'tvolk verdreven, voerde Gelo hen in 484 terug, maar werd tevens zelf heer der stad. Na hem werd zijn broeder Hiëro tiran (zie blz. 31); doch de jongere broeder en opvolger van Hiëro, Thrasybülus, werd in 4CG wegens zijn geweldenarijen verdreven. Hierop volgde een volksregeering en was Syracuse aan vele woelingen ter prooi. De aanvallen der Atheners (415—413) ging het intusschen gelukkig te keer. Een vierde regeeringsverandering greep plaats in 40ó. In dit jaar wierp zich de opperbevelhebber Dionysius tot tiran op en verijdelde door vier oorlogen de veroveringsplannen dor Karthagers op Sicilië. Zijn zoon Dionysius II, die zijn vader opvolgde, word eerst verdreven, daarna hersteld, maar moest weldra zijn plaats inruimen aan den Corinthiër Timoleon, die voor korten tijd de volksregeering herstelde. Op Agathöcles, die zich in 317 meester maakte van 't gezag, volgden verschillende overweldigers, totdat in 209 de veldheer Hiëro tot koning werd verkozen. Zijn kleinzoon Hieronymus, die de koninklijke waardigheid in 210 erfde, verloor ze een jaar later met het leven. Niet lang daarna, in 212, nam Marcellus de stad Syracuse in, die dus aan Rome werd onderworpen.

§ 14.

Dc Orieken in 't algemeen.

Ton gevolgo van de volksverhuizingen werden de koninkrijken uit den heldentijd meestal vernietigd, en overal verrezen nieuwe staten. Zij ver-eenigden zich evenwel nimmer tot één geheel: integendeel, zij behielden

-ocr page 51-

31

veeleer steeds, elk op zichzelf, hun eigen onafhankelijkheid. In al die staten bestonden — iets wat do oudheid zoozeer van den nieuweren tijd onderscheidt — de burgers ten behoeve van den staat en leefden om zijn doeleinden te bevorderen. De staat was onbeperkt gebieder over 't leven en de bezittingen dor bijzondere personen. Daartegenover staat, dat do burger volledig aandeel had aan 't staatsleven en zijn dagen in de openbare of bijzondere staatsvergaderingen sleet. Een tweede punt, dat do oudheid geheel van den nieuweren tijd ondorscheidt, is dat in de oude staten de meerderheid der bevolking uit slaven bestond, een soort van wezens, die van alle menschen- en burgerrecht ten eenen male waren uitgesloten.

Voor zoover ons bekend is, worden bijna alle staten van Griekenland mettertijd gemeenobesten met een opperhoofd, hetwelk de uitvoerende macht bezat, een beraadslagenden senaat en een wetgevende volksvergadering. In de zevende en de zesde eeuw werden er ook eenige langer of korter beheerscht door tirannen, d. i. door mannen, die 't volstrekt gezag aan zich trokken in een staat, welke vroeger een gemeenebest was. Sedert dezen zelfden tijd ontwikkelde zich bij de Grieken meer en meer een veelzijdige geestbeschaving, zoodat zij weldra in kunsten en wetenschappen elk volk der oudheid verre voorbijstreefden. Do voornaamste oorzaken dezer ontwikkeling zijn voorzeker eensdeels de gelukkige aanleg des volks, zijn fijn kunstgevoel en zucht voor geestbeschaving; de milde luchtstreek, waaronder het leefde, benevens de vele en toegankelijke zeekusten, rijk in golven, baaien, zeeën en havens, veelvuldig verkeer, handel en scheepvaart begunstigende; de gemeenschappelijke taal, hoezeer in tongvallen onderscheiden. Anderdeels zijn hot diegene, welke tevens den band der nationale eenheid tusschen de verschillende stammen en stoten onderhielden. Van deze eenheid nu zijn, behalve de taal, als de hoofdoorzaken aan te merken:

1. De gemeenschappelijke godsdienst. Evenals bij de Aziatische volkeren en bij de Aegyptenaren was de godsdienst der Grieken oorspronkelijk natuurdienst. Zij vereerden en aanbaden in hun goden de krachten en do verschijnselen der natuur. Later stelde men zich de goden als wezens voor met een menscholijk voorkomen, maar in tegenstelling met do menschen, begaafd met een ziel, onafscheidbaar van 't lichaam. Het getal dier goden was eindeloos. Zij hadden in de eerste plaats natuurgoden, als Gea, de aarde, Helios, de zon. Verder komen die goden in aanmerking, welke als levende wezens, die gelijk menschen dachten eu handelden, werden voorgesteld. Dit zijn deels de onderaardsche goden, b. v. Hades (Pluto) en Persephone (Proserpina), deels de hemelsche of oppergoden. Onder de laatsten staat het twaalftal bovenaan, dat allen Grieken gemeen schijnt te zijn geweest en dat zij meenden bovenal te moeten vereeren. Hiertoe behoorden o.a. Zeus (Jupiter) en Hora (J uno), Hermes (Mercurius), de god der kooplieden, en Athene (Minerva), de godin der kunsten. Naar de meening der Grieken stond de godsdienst in nauwe betrekking tot den staat. Een eigenlijke priesterstand, die de kennis der goddelijke

-ocr page 52-

;i'2

dlngöh bij ultneniendheid bezat of voorwendde te bezitten en als middelaar tusschon de goden en de mensehen optrad, was den Grieken onbekend. Slechts stond in eiken tempel een priester aan 't hoofd van den eeredienst. Ten aanzien van de vraag over 't geloot dor Grieken omtrent don toestand der ziel na don dood is er geen voldoende grond om te verzekeren, dat de leer van do onsterfelijkheid der ziel een volksbegrip bij hen was. Met den dood werd de mensch een schim: dit dacht de meerderheid.

2. Ik nationale spelen, die onder de afzonderlijke stammen een edelen wedijver voor de ontwikkeling dor krachten van 't lichaam en later ook van den geest opwekten. De voornaamste dezer spelen waren de Olympische, die alle vier jaren te Olympia (in Elis) ter eere van Zeus werden gevierd. Met zonsopgang namen de spelen een begin. Hardloopen of wedrennen, worstelen, vuistvechten, 't werpen met de schijf of de werpspies, springen waren de voorgeschreven vijf oefeningen, waarin men met elkander wijdijverde cn die dagen achtereen duurden. Op den laatsten dag bekranste men de overwinnaars. Onder gejuich en gezang kregen zij een olijftak, en elk hunner tevens het recht, zichzelf tor eere een standbeeld te Olympia te doen zetten.

3. De orakels, waaronder de Grieken de vermeende uitspraken hunner goden verstonden, door den mond van priesters of priesteressen hun medegedeeld. Het eigenlijke doel dezer instellingen was als gewijde plaatsen open te staan voor hen, die omtrent moeiolijke aangelegenheden raai kwamen vragen. Het beroemdste was het Pythische orakel te Delphi, aa.i Apollo, den god der fraaie kunsten, geheiligd. De tempel was op de helling van den Parnassus gebouwd, waartegen de stad lag, en opgevuld met een menigte kostbare geschenken in goud en zilver, die van de dankbaarheid van vorsten en volkeren getuigden. Uier, te Delphi, begaf zich een priesteres, I'yihia genoemd, binnen in 't heiligdom en ging op een met lauriertakken omvlochten gouden drievoet zitten, boven een opening in den grond staande, waaruit bedwelmende dampen opstegen. Dan kroeg zij kramptrekkingen en liet onsamenhangende woorden hooren, welke de priesters zich haastten te verklaren. Een geruimen tijd werkten deze orakels zeer weldadig, daar zij in hachelijke omstandigheden goeden raad gaven en aan de wetten een hooger aanzien verleenden, zoolang n.1. mannen van doorzicht, in't belang dos vaderlands, antwoorden lieten geven, die 's lands heil bedoelden.

4. De mysteriën, d. i. geheime godsdienstplechtigheden, alleen voor ingewijden toegankelijk, welker hoofdgodheden Dionysus (Bacchus), de god van den wijn, Demëter (Ceres), de godin van 't graan, en Persephone waren. De beroemdste zetel der mysteriën was te Eleus is (in Attica).

5. De aniphiclioniiin of veroonigingen van rondomwonenden. De beroemdste aller amphictioniën was die van Delphi. Zij diende tot gemeenschappelijke viering van godsdienstige feesten, ter bescherming van den bondstempel en ter verhindering van te groote wreedheid bij binnenlandsche oorlogen. Naar allo waarschijnlijkheid bestond zij uit twaalf volksstammen.

-ocr page 53-

33 § 15.

Sp ar ta.

Boven alle Grieksche staten mnntton quot;weldra hot Dorische Sparta en het Ionische Athene uit, niet door omvang van grondgebied of door vruchtbaarheid van bodem, maar inzonderheid door do degelijkheid hunner burgers, eon heilzame werking hunner staatsregeling.

Sparta had na de Dorische volksverhuizing altijd twee koningen tegelijk, cén uit het geslacht der Kuri/poididen (zóó geheeton naar Procles' kleinzoon) en één uit de Agiden ot Ar/iaden (naar Agis, den zoon van Eurysthenes). De inwoners zeiven waren verschillend in oorsprong en toestand: 1. de eigenlijke Spartanen, voor verreweg 't grootste gedeelte nakomelingen der Doners on uitsluitend burgers der hoofdstad, als de heer-schendo klasse; 2. de Perioeken (rondomwonenden) — ook wel Laccdae-moniërs genoemd, welken naam zij niet do Spartanen gemeen hebben, — hoofdzakelijk afstammelingen van de vroegere bewoners der landstreek, de Achaeiirs; zij waren landbouwers, kooplieden of handwerkslieden, die persoonlijke vrijheid genoten, maar schatting betaalden; 3. de Heloten of lijfeigenen van den staat, meestal nakomelingen van de vroegere Achaeï-sche landbouwers, welke hot land bebouwden en den Spartanen dienstbaar waren. De naam wordt gewoonlijk afgeleid van de zeestad Helos (in 't z. van Laconiö), die, na den inval der Doriërs, 't laatst moot zijn onderworpen.

Eerst Lycurgus' wetgeving gaf aan Sparta dat eigenaardige kenmerk, waardoor hot zich in de geschiedenis van allo andere staten on volken onderscheidt. Evenals over lycukous' loven loopon de berichten over zijn tijd zeer uiteen. Dit moet intusschen worden vastgehouden, dat zijn leeftijd vermoedelijk in de laatste helft der negende eeuw v. C. valt. In de dagen van Lycurgus bestond te Sparta do grootste verwarring. Ton einde aan den verwarden toestand oen einde te maken, nam hij, hiertoe opgewekt door hot Dolphisch orakol, de taak op zich, zijn medeburgers wetten te geven.

Hot doel van Lycurgus' geheelo wetgeving, dio oorspronkelijk alleen op Sparta en zijn naasten omtrek betrekking had, was één: de onafhankelijkheid van den staat. Om dit te verwezenlijken moesten de burgers, ieder in 't bijzonder, het belang van don staat boven hun eigenbelang stellen; zij mochten door geen woelde bedorven, door geen vreemde zodon besmet worden. Vanhier oen strenge levenswijze en afgeslotenheid naar buiten. Onder Lycurgus' wetten neemt bij sommige schrijvers der oudheid de wet over de vordeoling van 't land oen eerste plaats in. Mogen ook do getallen niet vaststaan, er is geen grond genoog om te betwijfelen, dat Lycurgus al het land in oen zeker aantal gelijke stukken heeft verdeeld, die niet vervreemd, noch gesplitst mochten worden. Do mannen aten in openbare gebouwen aan gomeonschappolijke tafels, syssitia

Wijnne, Handboek der Alcj. Geschiedenis, 7ile ilnik. 3

-ocr page 54-

34

of phiditia, waartoe ieder zijn bijdrage moest leveren. Do spijs was voedzaam, maar eenvoudig, een zwarte soep de hoofdscliotel. Van hun zevende jaar af tot hun dertigste werden de knapen, later jongelingen, in openbare gebouwen opgevoed. Hot doel der opvoeding bepaalde zich tot doze hoofdpunten: versterking der lichaamskrachten; het gewennen aan pijn, aan stipte gehoorzaamheid, aan ontzag voor den ouderdom; hot streven naar kortheid van uitdrukking (Laconisch gezegde); opscherping van 't gezond vorstand. Oefening in den wapenhandel, muziek en zang, benevens het in 't geheugen prenten der krijgsliederen waren de middelen om do verwezenlijking van dit doel te bevorderen. Do wetten zolven waren niet beschreven: in korte rijmen gingen zij van mond tot mond, om zóó des te vaster in 't geheugen der burgers te worden geprent.

De onderscheidon machten in den staat waren wederkeerig door elkander beperkt. Do klem der regeering was bij den raad der ouden (geroesia), uit acht-en-twintig leden bestaande, die ten minste zestig jaar oud moesten zijn en door liet volk voor hun leven werden gekozen. Voorzitters van dien raad waren de heide koningen, die het hoogste gezag hadden als opperpriesters en als aanvoerders in don oorlog. De volksvergadering, waaraan ieder Spartaan, den ouderdom van dertig jaren hebbende bereikt, deel nam, had het recht, de besluiten van don raad, zijn voorstellen over wetten, over oorlog of vrede, enz. goed te keuren of to verwerpen. Niet waarschijnlijk is het, dat Lycurgus hot college der ophoren heeft ingesteld. Eerder schijnt het, dat dit later, ten tijde van den eersten Messenischen oorlog, ontstond. De ephoren waren vijf mannen, waarschijnlijk jaarlijks door het volk gekozen, die een tegenwicht tegen het koningschap en de geroesia vormden. In den historischen tijd strekte zich het gezag der ephoren zeer ver uit.

Door zijn instellingen vormde Lycurgus een eenvoudig, matig en krijgshaftig volk, welks diep ontzag voor eigen wetten Sparta gedurende vier eeuwen machtig maakte en welks heldenmoed en vaderlandsliefde den Spartanen niet zeer lang na 's wetgevers leeftijd do bewondering der overige Grieken, inzonderheid van die der Peloponnesus, zoozeer verwierven, dat zij bij gemeenschappelijke aangelegenheden hun gaarne do hoogste leiding, de hegemónie, overlieten. Niettegenstaande dezen voorrang valt hot in 't oog, dat de ontwikkeling van menige kracht des men schol ij ken geestes bij de Spartanen golieel werd verwaarloosd. Do monsch, zijn gehcele aanleg en ontwikkeling, ging onder in don dapperen cn gehardon staatsburger.

Twee oorlogen voordon do Spartanen achtereenvolgens tegen do Mes-seniörs. die, bij het einde van den tweeden, in G3Ü, voorzoovor zij niet uitweken, tot Heloten werden gemaakt.

-ocr page 55-

§ 16.

3S

Athene.

Athene, volgens de oveiie vering door Ce crops gesticht, werd in 't eerst door koningen geregeerd. Aan een dezer, ïhesens, schrijft men de vereeniging van alie kleine staten van Attica tot een gemeonschappelijk lichaam toe. Nadat de laatste, Codrus, zich omstreeks 1000, in den kamp tegen de Hellas binnendringende Doriërs, voor zijn vaderland had opgeofferd, word de koningstitel afgeschaft. Nu kwam er één archon (regeerder) voor zijn leven, later voor tien jaren; maar van GH3 af werden er negen tegelijk en slechts voor één jaar door hot volk gekozen.

Het volk bestond uit eupatriden, de aanzienlijken; geomoren, landbouwers, en demioergen, handwerkslieden. Do macht en spoedig ook allen rijkdom bezaten de eersten, uit welke men de archonten koos. De onderdrukking, welke deze bevoorrechte stand zich dien ten gevolge zoo licht veroorloofde, deed dikwerf gevaarlijke onlusten ontstaan. Opdat nu de gebreken van den staat mochten worden weggenomen, wendden eenige der verstandigste mannen zich tot solon, die dit vertrouwen uit hoofde van zijn wijsheid, deugd en ondervinding alleszins verdiende. In 594 werd hij tot archon gekozen en hem de taak opgedragen, eon middel te vinden om de drukkende ongelijkheid van vermogen tegen te gaan. De maatregel, dien hij nam, heet seisachthïa, verlichting der lasten. De schuldbrieven der armste schuldenaars werden vernietigd (d. i. hij liet de schuldzuilen of steenen pilaren wegnemen, waarop de naam van hem, die 't geld had voorgeschoten, en de grootte der som waren gegrift). Vorder verbood hij, van nu aan op persoonlijke borgstelling schulden te maken of een Athener als slaaf te verkoopen. Kort hierna werd Solon mot het ontwerpen eenor nieuwe wetgeving bolast. Hij ging van de billijke grondstelling uit, dat in den staat alle burgers over 't geheel aan elkander gelijk moeten zijn, doch dat ieders staatsburgerlijke rechten en plichten in verhouding behooren te staan niet tot de geboorte, maar tot den grondeigendom.

Van oudsher bevatte Attica drie soorten van bewoners: burgers, slaven en mdoeken, d. i. vreemdelingen, die zich metterwoon in Attica hadden neergezet, persoonlijk vrij wa/en, doch geon deel namen aan het staatsbestuur. Ook splitsten zich de Atheensche burgers reeds vóór Solon in vier stammen, phijlen geheeten. Thans opende Solen de reeks zijner hervormingen mot een verdeeling der burgers volgens hun vermogen in vier klassen: a) pcnlakosiomedimnen, burgers, die jaarlijks ton minste 500 maten drooge of natte waren van eigen grond inoogstton; b) iriakosiome-dimnen, burgers met een inkomen van 300 maten, ook hippeis, d. i. ruiters, genoemd; c) zeuyiten, voor wie 200 of 150 maten do geringste maatstaf was; d) iheteu, d. i. loontrekkende arbeiders, die minder bezittingen hadden. Geone andere dan de burgers der drie eerste klassen waren

3*

-ocr page 56-

06

tot geregelden krijgsdienst als ruiters of zwaargewapenden verplicht. Slechts uit dezelfde klassen werden de overheden, onder welke de leden van den raad mede waren begrepen, gekozen, welke keuze evenwel door de burgers van alle vier klassen geschiedde. De burgers der vierde klasse dienden alleen als lichtgewapenden; zij hadden het recht in de volksvergadering mede te stemmen en als rechters in de rechtbanken der gezworenen zitting to nemen.

Het oppergezag berustte, sedert Solons tijd, bij de volksvergadering, alwaar over wetten, oorlog en vrede, over de keus der ambtenaren beslist, van het geldelijk beheer rekenschap afgelegd en gevonnist werd over misdaden tegen den staat.

De raad van 400 (later 500) leden, telkens voor één jaar, waarschijnlijk door het volk gekozen, werd door Solon ingesteld. Hij had inzonderheid de zaken, welke aan het volk zouden worden voorgesteld, vooraf te overwegen.

De archonten waren voorzitters der gerechtshoven, wien door liet volk gezworenen werden toegevoegd.

De Areopagus (heuvel van Ares of Mars) was van oudsher een gerechtshof, waarin de jaarlijks aftredende archonten, hoewel eerst na een gestreng onderzoek naar hunnen wandel, werden opgenomen en voor hun leven zitting namen. Hij vonniste over moord met voorbedachten rade en over eenige andere zware misdaden. Hij hield zijn zittingen op den heuvel, ■waarnaar het hof den naam droeg, in do nabijheid van het heiligdom van den god des oorlogs. Solon breidde den werkkring van den areopagus aanmerkelijk uit door hem toezicht te geven over den godsdienst van den stoat, de zeden, de werkzaamheid, do bedrijven en de opvoeding dei-burgers, alsmede over de nauwkeurige handhaving dor wetten.

Nog bij het leven van Solon barstten er te Athene, gelijk vroeger meermalen was gebeurd, hevige twisten los, die daimnede eindigden, dat i'isisTitiiTüs, het hoofd der volkspartij, de oppermacht verkreeg. Ofschoon meermalen verdreven, keerde hij telkens terug en werd steeds op nieuw alleenheerscher, wat hij tot zijn dood in 527 bleef. Op gelijke wijze als zijn vader regeerde hipi'Ïas, de oudste zoon van Pisistratus, met zijn broeder Hipparchus. Doch in 514 namen Aristogïton en Harmodius, verbitterd over een persoonlijke beleediging, hun door Hipparchus aangedaan, en gesteund door eon klein aantal saiuengez»vo-renen, het besluit, de tirannen uit den weg te ruimen. Op den vast-gestelden dag doorstaken zij Hipparchus, doch werden, eer zij hun plan omtrent den broeder konden volvoeren, zeiven gedood. Van dit oogon-blik af veranderde het karakter van Hippias: hij werd argwanend en wreed. Nu werd het bewind van den tiran drukkend, weshalve de Athe-ners hem in 510 noodzaakten te vluchten. Hij begaf zich naar Darius I, koning van Perzië, en versterkte hem in zijn voornemen, den Atheners den oorlog aan te doen.

Niet lang daarna kreeg clisthenes een bijna onbeperkteu invloed.

-ocr page 57-

37

Hij veranderde de staatsregeling ten gunste des volks door in plaats van de vier bestaande phylen er tien in te stellen en te bepalen, dat jaarlijks uit elke dezer phylen vijftig burgers leden van den raad zouden worden. Ook voordo hij te Athene het ostracisme in, een volksbeslissing, zoo go-heeten naar de scherven, waarop men den naam van hom grifte, die behoorde te worden verbannen. Eens in liet jaar had de volksvergadering deze vraag te overwegen en te beslechten. Bleek het, bij de telling der stemmen, dat ten minste 6000 burgers aan do stemming hadden deel genomen, dan moest hij, op wien de meeste stemmen waren uitgebracht, voor tien jaren het land verlaten. Het doel dezer instelling was, in tijden, wanneer twee onder elkander oneenige partijen elkander de hoogste leiding in den staat betwistten, de binnenlandscho rust te herstellen door het volk de beslissing te laten, welke partij haar hoofd moest verliezen.

§ 17.

De l'erxischc oorlogen, 403—387, tot het begin der burgeroorlogen in

Griekenland.

De botsing, die tusschen de Aziatische alleenheersehing der 1'erzen en den vrijen staatsvorm dor Grieken op de kust van Klein-Azië ontstond (zie blz. 27), verwekte in het begin der vijfde eeuw tusschen de Perzen en de Grieken een reeks van oorlogen, die aan den eenen kant den ondergang van Perzië bewerkten, aan den anderen het Grieksche volk tot het hoogste toppunt van macht en ontwikkeling des geestes verhieven.

Na de onderwerping der Aziatische Grieken besloot Darïus I Griekenland onder het juk te brengen, 't Eerst afgezonden leger onder makdo-nitjs in 493 bereikte Griekenland niet: het landleger werd door de dappere aanvallen der Thraciërs tot terugkeer gedwongen, de vloot bij het voorgebergte Athos (in 't z.o. van Macedonië) door stormen vernield. Desniettemin zond Darïus reeds in het volgende jaar herauten naar de onderscheiden stoten, ten einde aarde en water te vragen, als teeken van onderwerping. Tlicbe en de meeste eilanden huldigden de oppermacht des konings: te Sparta en te Athene daarentegen wierp men do gezanten hier in een afgrond, diiar iigt; een put. In 490 ondernamen twee satrapen, Datis en Artaphornes, door Hippias (zie blz. 36) geleid, over zee een tweeden tocht. Eerst veroverden zij Eretria (op Euboea) en landden toen in Attica. Moedig togen de burgers van Athene, ten getale van 9 of 10,000, slechts door 1000 Plataeërs ondersteund, onder aanvoering van miltiaues, den veel sterkeren vijand te gomoet en versloegen hem bij Marathon. Het ongelooflijke gebeurde. De Grieken zegevierden en brachten den vijand zulk een nederlaag toe, dat hij zijn heil niet in do legerplaats, maar op de schepen zocht. Volmondig prezen de Spartanen, die

-ocr page 58-

38

oerst dos daags na den kamp op het slagveld aankwamen, de heldendaad der Atheners. AVel waren zij geneigd geweest om mede te kampen; maar een oude wet verbood hun vóór 't invallen der volle maan, die. toen juist op handen was, ten strijde uit te trekken. Te Athene werd do overwinnaar evenzeer met gejubel en eerbewijzen begroet; doch later stierf hij in de gevangenis, dewijl zijn aanval op het eiland Paros, dat zich, vóór één jaar, aan de Perzen had onderworpen, was mislukt. In den kerker kwam hij, omdat hij de boete, waartoe hij was veroordeeld, niet had kunnen opbrengen. Do boete was hom opgelegd, vermits hij don tocht togen Paros op eigen gezag had ondernomen en daaromtrent beloften aan liet volk had gedaan, die bij de uitkomst blokon te falen.

Na Miltiades tradon twee mannen op, die in zijn plaats de leiding van het volk op zich namen, auistïdes en themistöcles. Aristï-des, de hecutvaakdige, bleef zijn goheelo leven door, met opoffering van alle eigen voordeel, alleen voor het welzijn zijner vaderstad werkzaam; Themistöcles was een bovenmate eerzuchtig man, die Athene weldra uitstekende diensten bewees. Nadat Themistöcles de verwijdering van Aristïdes door het ostracisme had bewerkt, bewoog hij de Atheners, do rijke opbrengst der zilverbergwerken te besteden tot het uitrusten eener vloot.

Ondertusschen had xeuxes I, Darïus' opvolger, zich vier jaren lang tot don oorlog toegerust. Met een ontzaglijk leger, uit zes-en-veertig natiën samengesteld en stellig een paar millioenen bedragende, trok hij in 480 over den Hollespont naar Europa, terwijl zijn talrijke vloot langs de kusten zeilde. Thans kwamen de moeste Grieksche staten, vroegere oneenigheden vergetende, te Corinthe bijeen en beraamden onder do leiding van Sparta maatregelen ter verdediging. Na Thessalië te hebben onderworpen, naderde Xerxes de Thermopylae, don bergpas, die uit Thessalië naar Hellas leidde. Hierheen waren ruim 7000 Grieken ondor bevel van Sparta's koning leonïdas getrokken, terwijl de Grioksche vloot, die den Spartaan euhybiüdes tot bevelhebber had, naar de zeeëngte tusschen Euboea en Thessalië was gestevend. Moedig verijdelde de kleine bende een tijdlang allo pogingen der honderdduizendo Perzen om de bergengte te veroveren. Toon toonde hun een verrader, Ephialtes, bij nacht een aan velen onbekend voetpad. Hierlangs getrokken, vielen zij den Grieken in don rug. Nu liet Leonïdas, de onmogelijkheid eener verdere verdediging inziende, de meeste Grieken aftrokken: hijzelf, getrouw aan Sparta's wet „sterven of overwinnenquot;, bleef met zijn 300 Spartanen en eenige honderden andere Grieken stand houden. Allen vielen, op twee na, in den roem-rijkston strijd (480).

Door zijn onvermoeid streven had Themistöcles inmiddels zijn doel om Athene geheel tot een zeemogendheid te maken bereikt, waarvan men thans do vruchten ging plukken. Intusschen verschoon Xerxes in Attica, verwoestte hot en nam zelfs Athene in, dat vrouwen, grijsaards en kindoren hadden verlaten, om zich op Salamis, Acgïna en andere naburige plaatsen in veiligheid te stellen. Themistöcles, zoo schrander

-ocr page 59-

39

als eerzuchtig, had de weerbare mannen overreed, zich op de vloot te begeven, door de Delphischc orakelspreuk, dat de Atheners zich achter houten muren moesten verdedigen, zóó to vorklaren, dat mot die muren schepen werden bedoeld. Vermits er evenwel bij do aanvoerders der Oriek-sche vloot voel verdeeldheid bestond over de vraag, of men zou bijeon-blijven en slag leveren, dan wel zich verwijderen, bedacht Themistucles eon list, ton oinde tot een algemeenen zeeslag te komen. Hij liet n.1. den koning van Perziö zeggen, dat hij de Grieken dadelijk moest aangrijpen, zoo hij do gelegenheid om hen mot één slag te vernietigen, dewijl zij op 't punt stonden om uiteen to gaan, niet wilde verliezen. Bij Salamis nu tastte Xerxes bon in 480 aan, op een plaats, te eng voor de uitbreiding zijner vloot. In dezen slag behaalden de Grieken, uitmuntende in hot snol wenden hunner schepen, een volledige overwinning. Xerxes vlood naar Azië, den veldheer Mardonius met 300,000 man uitgelezen troepen in 't n. van Griekenland achterlatende.

In 479 trok de Spartaansche krijgsmacht onder i'ausanias, den voogd van den jongen koning Plistarchus, een zoon van Leonïdas, de Perzen te gomoct. Mot haar vereenigden zich de Atheners, aangevoerd door don eenigon tijd tevoren uit zijn ballingschap teruggeroepen Aris-tïdes. Bij Plataeao (in Boeotiö) geraakten de legers handgemeen: do Perzen, die grootondoels sneuvelden, gelijk ook Mardonius, werden verslagen. Op denzelfden dag werd ook een ander leger der Perzen bij het Ionische voorgebergte Mycalé door de Grieken overwonnen. Daar de meeste Perzen in don slag of op de vlucht waren gedood, verbrandden do Grieken de schepen, waarmode de vijand was gekomen, na zich eerst don buit, die daarin voorhanden was, te hebben toogoöigond.

§ 18.

Vervolg.

Na den slag bij Mycalé staakten de' Perzen hun aanvallen en was het gevaar voor Griekenlands onafhankelijkheid geweken. Do rollen werden verwisseld: van nu aan werd Perzië op zijn beurt bedreigd. Nog stond Themistocles aan het hoofd van Athene on maakte zich weder door nieuwe voorslagen verdienstelijk bij zijn vaderstad. Hij overreedde zijn medeburgers om, in weerwil van Sparta's tegenkanting, de muren van Athene te horstellen en do haven Piraeus te voltooien. Onderwijl was Pausanias ijverig bezig, de kuststeden en de eilanden van de heerschappij der Perzen te bevrijden en veroverde alzoo Byzantium. Sedert dien tijd veranderde hij goheel van gedrag: hij omgaf zich met Perzische pracht, zwelgde op Aziatische wijze, knoopte geheime onderhandelingen aan mot do vijanden zijns lands en behandelde de Griekscho bondgonooten als vijanden. Zelfs ging hij zoo ver, dat hij op schrift hot voorstel deed, Xerxes' dochter ten

-ocr page 60-

40

huwelijk to nomen en Sparta mot geheol Griekonland on dor 's konings macht to brengen. Toon boden de aanvoerders der schepen van Lesbos, Chios, Samos en andere bondgenooten den Atheners het opperbevel over de vloot aan, en ofschoon do Spartanen Pausanias weldra terugriepen, ging toch do hegemonie tor zee op deze wijze, waarschijnlijk in 47C, op de Atheners over. Desniettemin dood Pausanias nog geen afstand van zijn heersch-zuchtige plannen, maar hoopte ze mot behulp zijner schatten door te drijven. Toon evenwel do ophoren ten laatste afdoende bewijzen van zijn verraad hadden bekomen, maakten zij zich gereed, hem gevangen te nemen. Bij hun nadering vlood hij naar een klein gebouw, behoorende bij een tempel der godin Athéne (zie blz. 31). Daar de ophoren hem op die plaats, als zijnde een heilige plok, geen geweld konden aandoen, namen zij het dak or af en versperdon do deur. Zóó moest hij van honger omkomen. Nog tans stierf hij niet op go wij den grond, want zoodra zijn bewakers zagen, dat hij op 't punt was don laatsten adem uit te blazen, droegen zij, om den tempel niet te ontheiligen, hem er buiten, waarop hij terstond den geest gaf.

In liet lot van Pausanias moest ook Themistöclos doelen. Eerst werd hij ongeveer in 471 door het ostracisme uit Athene verwijderd. Naar 't schijnt zijn de gronden voor den aanstoot, dien hij had gegeven, te zoeken deels in zijn overdreven gouddorst, deols in don argwaan, dien zijn dubbelzinnige listen, b.v. bij Salamis, vroeger bij menigeen hadden doen opkomen. Intussehon was Pausanias in don tompol omgekomen, en onder de geschriften, door hem nagelaten, vond men bewijzen, die aantoonden, dat ïhomistöcles óf medeplichtig, óf althans met zijn plannen bekend was. Met deze stukken gewapend, kwam een gezantschap dor Spartanen to Athene, ten einde Themistocles van deelgenootschap aan de samenzwering van Pausanias te boschuldigon. Terstond werden eenige Atheners en Spartanen afgezonden, om Themistocles in hechtonis te nemen. Hij voor zich had zijn gronden, waarom hij op die beschuldiging niet terecht wilde staan. Na zich dus een tijdlang nu eens op een plaats in Griekenland, dan weer op eon andere te hebben opgehouden, vluchtte hij naar lonio. Inmiddels was Xerxes gestorven en door zijn zoon Artaxerxes I opgevolgd. Tot hem wondde zich de vluchteling en werd welwillend opgenomen. Drie steden in Kloin-Azië wees hem de koning aan, die in zijn onderhoud hadden te voorzien. Eindelijk stierf Themistocles óf aan een ziekte, óf aan vergif, dat hij, wanhopende te kunnen volbrengen wat hij ten aanzien van Griekenlands onderwerping don koning had beloofd, zichzelf zal hebben toegediend.

Naarmate Themistocles was gedaald, steeg Aristïdes, die zijn invloed hoofdzakelijk vestigde door 't voorslaan van een wetsontwerp, dat aan alle vier klassen des volks gelijke rechten toekende en Athene meer democratisch maakte. Het ontwerp word aangenomen: alzoo haddon de thoten van nu aan toegang tot alle overheidsambten. Daarom bleef Aristïdes tot zijn dood, omstreeks 4G8, de man des volks.

-ocr page 61-

41

Na Themistöcles verhief zich, naast Aristïdes, do aristocratischgezinde zoon van Militiades, cimon, aan wien de voortzetting van don oorlog werd opgedragen. Op raad van Aristïdes koos men Dolos tot vergaderplaats voor de staten van Griekenland, die gomeenschappolijk don Perzi-schen oorlog voerden. Aldaar werden nu dikwijls vergaderingen gehouden on in den tempel van Apollo de bijdragen bewaard, die jaarlijks reeds 460 talenten (ongeveer 1,214,400 gl.) beliepen. Later groeide die som tot 600 en eindelijk, ten tijde van don Peloponnesisehen oorlog, tot 1200 a 1300 talenten aan. Deze vermeerdering van macht strekte allengs meer, aan de éóne zijde, tot vergrooting van de kracht van Athene, aan de andere, tot verzwaring van het juk, waaronder do bondgenooten van den kant van dezen staat hadden te zuchten.

In 464 had te Sparta een vreeselijke aardbeving plaats, waardoor een groot aantal huizen werd verwoest en 20,000 menschen omkwamen. Deze gelegenheid grepen vele Heloten, alsmede eenige porioeken aan, om een poging te doen, hun onafhankelijkheid te herkrijgen. Zij vermeesterden de vesting Ithdme on begonnen een oorlog, dien men, naar hot meerendeel der opstandelingen, den derden Messenischen oorlof], 464—454, noemt. Na Ithöme een goruimen tijd vruchteloos te hebben belegerd riep Sparta den bijstand van Atliene in. De komst van de hulptroepen der Atheners, welker toezending op raad van Cimon geschiedde en die Idjzelf aanvoerde, had geenszins het overgeven van Ithöme ten gevolge, weshalve de Spartanen hen uit wantrouwen terugzonden. De Atheners, hierdoor verbitterd, koelden hun wrok aan Cimon: hij werd door liet ostracisme verbannen. De oorlog zelf eindigde met een verdrag, waarbij den Heloten vrije uittocht uit de Peloponnesus werd toegestaan. Dus moest ook Cimon, gelijk meer dan een zijner beroemde voorgangers, wijkon. Niet alleen de smaad, die Atliene ten gevolge van zijn raad van Sparta was wedervaren, was de oorzaak zijner ballingschap. Zij lag dieper. Hoe meer het getal van hen toenam, die hot democratisch karakter van Athene's staatsregeling ton volle wilden hebben ontwikkeld, des te meer moest Cimon, die er voor uitkwam, dat hij de partij der aristocratie was toegedaan, voor velen een steen des aanstoots zijn. Maar doordien hij met die gezindheid een buitengewone milddadigheid vercenigde, duurde het lang, eer men hem ten val kon brengen.

Het toppunt zijner grootheid bereikte Athene onder 't beheer van rEitïcLES, den grootsten staatsman der Grieksche oudheid. Hij was de eenige onder Athene's groote mannen, die tot zijn dood, zonder den naam, inderdaad volkomen als alleenheerscher regeerde. Onbaatzuchtig was hij als Aristïdes, zoo degelijk en ernstig, dat het somtijds aan het barsche grensde, werkzaam en volhardend in don volsten zin van 't woord. Als redenaar was hij zoo onweerstaanbaar, dat de godin der wel sprekendheid op zijn lippen scheen te zetelen. Als veldheer paarde hij wakkerheid aan beleid, als staatsman stond hij met vaste hand aan het roer en beheerschte kalm en gematigd de woelige volksmenigte. De inkomsten van den staat ge-

-ocr page 62-

42

bruikte hij op onbekrompen wijze ter bevordering van Athene's bloei en ter vermeerdering van de welvaart zijner medeburgers.

Het doel van Pericles was, Athene in 't bezit to stellen van do vol-strektste hegemonie over Griekenland, liet dit dool staan alle stappen, door hem gedaan, in verband, in de eerste plaats do verplaatsing der bondskas omstreeks 460 naar Athene. Eveneens is het gelogen mot do vermindering der macht van den areopagus. Al het gezag, waarmede Solon dit lichaam bekleed en waardoor hij het tot den opzichter van den staat en tot don wachter dor wetten gemaakt had, werd aan den areopagns onttrokken en hem niets dan de rechtspraak in halsmisdaden gelaten. Dan voerde Perïcles een bezoldiging in voor de burgers, die als rechters zitting namen; reikte geld uit aan hen, die de volksvergaderingen bijwoonden; stelde oen belooning vast voor de leden van den raad; verschafte aan de arme burgers hot toegangsgeld voor de tooneolvoorstellingen; bepaalde soldij voor de krijgslieden; liet vele en groote gebouwen oprichten en was de stichter van nieuwe volkplantingen. Hij inzonderheid maakte Athene tot hot middelpunt van alle kunst en wetenschap, versierde de stad met do meesterstukken der voortreffelijkste kunstenaars en mot heerlijke gewrochten dor bouwkunst. Van alle groote werken der bouwkunst was riinuAs de ziel. Onder zijn toezicht werkten do bouwmeesters en do overige kunstenaars.

Zoozeer bloeide Athene in den tijd van Perïcles, zooveel bracht hot op 't gebied van kunst en wetenschap voort, wat nimmer is wedergezien, dat men dien luisterrijken tijd de eeuw van Perïcles noemt. Tijdgenooten van hem waren zeer vele uitstekende mannen, b. v. de wijsgeer sooua-tes; de treurspeldichters sophöcles en eubipides; amstophiines, hot hoofd der blijspeldichters; de beeldhouwer Phidias, do geschiedschrijvers herodotus on thtjcydides. Socrates onderscheidde zich van de vorige wijsgeeren, doordien hij do wijsbegeerte, in plaats van ze bij de beschouwing van hot heelal te bepalen, op den mensch zelf, op zijn loven en zijn zeden toepaste. Geen zijner leerlingen is beroemder dan plato, de veolzijdigste aller wijsgeeren.

§ 19.

Dc Pclopomiesinche oorlog. — Van 43! lot 404.

Van den beginne aan ontbrak onder de Grieken nationale eenheid. Slechts het groote gevaar van den aanval dor Perzen, dat allen bedreigde, had het meerendeel van hen do noodzakelijkheid doen inzien van een band, die de op zich zolf staande loden der natie tot eendrachtig handelen drong. Maar sinds het gevaar meer en moer op den achtergrond week, begon de oude tweedracht te herleven. Inzonderheid had het overgaan van de hegemonie op Athene Sparta met een onverzoenlijken wrok vervuld, en

-ocr page 63-

43

alles, wat sedert dien tijd gebeurde, bracht geen verandering in die stemming tc weeg.

Na vele andere verdeeldheden sloeg, nog bij het leven van Perïeles, met den I'eloponnesischen oorlog, 431—404, de wederzijdsehe verbittering tot dadelijkheden over. Griekenland verdeelde zich in twee partijen: die van Athene bestond hoofdzakelijk in do bewoners der eilanden en kusten; Sparta daarentegen word door nagenoeg alle l'eloponnesiërs bijgestaan. Heeds in 't begin (429) sleepte een vreosolijke pest, die te Athene ontstond, duizenden, onder welke ook Perïeles, ten grave. Inmiddels werd de oorlog mot steeds grooter verbittering on tengelloozer wreedheid voortgezet. Wel werd er eens, in 421, vrede gesloten; doch do gezindheid der beide partijen was dezelfde gebleven. Kort daarop namen alzoo de vijandelijkheden weder een begin, vooral door toedoen van alcihihdes, een leerling van den beroemden Socrates, die uit een oud geslacht gesproten, rijk, schrander en schoon was, èn als jongeling èn als man, maar ook in de hoogste mate lichtzinnig. Als staatsman en veldheer bezat hij op zelden geëvenaarde wijze het talent om de gemoederen te leiden, doch miste, met de gave om zichzelf to beheersehen, nauwgezetheid en volharding.

Toen er te Athene gezanten uit Sicilië kwamen, om hulp tegen Syracuse te vragen, bewoog Alcibiades de Atheners dit verzoek in te willigen, daar hij zich met de hoop vleide, geheel dat eiland te zullen onderwerpen. Een trotsche vloot werd uitgerust: Alcibiades was één der drie opperbevelhebbers. De vloot lag zeilree en was op 't punt in zee te steken, toen in oen nacht bijna alle Horinosbeelden te Athene werden verminkt. Van die beelden vond men te Athene een groote menigte. Zij waren van marmer of van steen en stonden voor de woningen van bijzondere personen, voor de tempels, op de markten en bij kruiswegen. Dit was godsdienst-schennis, en velen beweerden, dat Alcibiades met zijn moedwillige vrienden deze euveldaad had bedreven. Toch liet men hem in 415 eerst met de beide andere bevelhebbers, Nicïas en Lamachus, uitzeilen. Doch weldra daagden de Atheners hem ter verantwoording en veroordeelden hem, toon hij niet verscheen, bij verstek ter dood. Hij nam de wijk tot de Spartanen en hitste hen zoozeer tegen de Atheners op, dat zij hen niet alleen in Griekenland beoorloogden, maar ook een vloot tot bijstand van Syracuse zonden. Zoowel hierdoor, als door het vroegtijdig sneuvelen van Lamachus en het dralen van Nicïas mislukte de geheele onderneming der Atheners in 413. Nicïas werd gevangen genomen en gedood, vloot en leger vernield. Hiermede waren Atliene's beste krachten verspild.

Terwijl dit voorviel beproefden de Perzen de Grieksche volksplantingen in Klein-Azië weder onder hun gezag te brongen, waartoe zij zich met Sparta verbonden. Alcibiades, dio zich te Sparta veler haat op den hals had gehaald, zag zich gedwongen, naar TissSphernes, den Perzischen landvoogd van lonië en Carië, to vluchten. Vanhier begaf hij zich naar een Atheensch leger, dat op hot eiland ïSamos lag en hem tot veldheer

-ocr page 64-

44

had gekozen. Weldra versterkte hij het vertrouwen dor krijgslieden door twee overwinningen ter zee bij Abydus (in 't n.w. van Klein-Azië, aan den Hellespont) of bij Cynossëma (op de Thracische Chersonësns of het schiereiland van Thraciö, tegenover Ilium of Troje) in 411 en bij Cyzïcus (in 't n. van Klein-Aziö, aan do Propontis) in 410, beide behaald op do Spartanen onder Min darns, die tevens door Perzisch geld werden bijgestaan. Mindarus zelf sneuvelde bij Cyzïcus, en ook het land-logor dor Perzen werd hier geslagen. Hierop keerde Alcibiades, van zijn ballingschap ontheven, in 408 naar Athene terug. Zijn intocht was een ware zegepraal. Hij stond op zijn met buit beladen schip, en 't volk ontving hem met uitbundig gejuich. Dan, kortstondig was de overdreven ingenomenheid dor Athoners met de daden van hun lieveling. Wegens oen gering verlies, dat hij door do schuld van zijn onderbevelhebber Antiöchus tegen den Spartaanschen vlootvoogd lysandek leed, werd hij nogmaals van zijn bevelhebberschap ontzet en keerde nimmer naar Athene terug. Met hem week Athene's geluk. Na schier alle zeesteden en eilanden te hebben onderworpen, sloot Lysander, in gemeenschap met de koningen van Sparta, Athene te water en te land in en dwong het in 404 tot de overgave. Do muren der stad werden onder muziek geslecht en een aristocratische regeering, die der dertig, ingevoerd. Wel werd een jaar daarna de macht dier dwingelanden vernietigd; maar Atliene steeg niet weder tot den bloei van vroegere dagen. Ook Alcibiades' einde was treurig. Door de Spartanen vervolgd, had hij een toevlucht gezocht bij een Perzisch landvoogd in Klein-Aziö, die hem, op verlangen der Spartanen, door gehuurde sluipmoordenaars liet om hals brengen.

§ 20.

Toestand van Athene. — Sparta's overmacht.

Thans werd te Athene een algemoene vergiffenis afgekondigd, en alle instellingen uit Solons tijd, hoewel eenigszins gewijzigd, herleefden er: de archonten, de volksvergadering, de raad der vijfhonderd, de rechtbanken, ook de areopagus, als wachter der wetten. Maar al hield de afhankelijkheid van Sparta nu op, al werden de muren met spoed herbouwd, Athene's aloude geest was voor immer gevloden. Vele van de verschijnselen, die den val van den staat hadden berokkend, waren blijven bestaan. Hiertoe behoorde b.v. de gewoonte, sinds Pericles' tijd onder de aanzienlijken in zwang gekomen, van tijd tot tijd geld onder do armere volksklassen uit te deelen en haar openbare maaltijden te verstrekken. In 't midden der vierde eeuw v. C. werd een wet uitgevaardigd, die bepaalde, dat al de gelden, welke van andere staatskassen overschoten, tot geen andere doeleinden mochten worden aangewend, dan om onder hot volk te worden uitgedeeld. Zeer nadeelig werkte ook de hand over

-ocr page 65-

45

hand toonomomle gewoonte der Atheners om don krijgsdienst hoe langer hoe meer aan bezoldigde huurlingen over te laten. Meer en moer week de vaderlandsliefde uit de gemoederen, om plaats te maken voor hebzucht, onrechtvaardigheid, omkoopbaarheid en andere ondeugden. De feesten ter eere der aloude goden werden niet verwaarloosd; doch aan de goden zeiven geloofde de meerderheid niet langer.

De gebeurtenis, die de eerste jaren der herkregen zelfstandigheid het meest ontluisterde, is ongetwijfeld het tor dood brengen van Socrates, den vader der ethica of natuurlijke zedekunde (zie blz. 42). Van 't oogon-blik af, dat hij zich de zending bewust werd, waartoe hij zich geroepen achtte, wijdde hij er zich geheel aan. Wars van alle ijdelheid, streefde hij er niet naar om kundigheden van buiten aan te brengen, maar beleed veeleer, zelf niets te weten. In 't opschrift van het Dolphisch orakel „ken uzelfquot; lag, meende hij, de sleutel aller wijsheid. Destijds waren er te Athene mannen, sophistnn, d. i. wijzen, geheeten, die de studie der wijsbegeerte b.v. met die der welsprekendheid en staatkunde vereenigden en op het werkelijke leven overbrachten. Zij gaven voor geld onderricht in deze vakken en trokken meestal van plaats tot plaats rond. Onder do handen dier leermeesters ontaardde langzamerhand de zucht naar wetenschap in oen bloot middel om rijkdom en aanzien te verworven. Hierdoor kwamen de sophisten in botsing met Socrates, die do menschen poogde te overreden, over hun doen en laten, over het goede en booze na te denken, zich van hun eigen levenstaak rekenschap te geven. Niet met lange redevoeringen trad hij tegen de sophisten op; docli met hen gesprekken aanknoopende, legde hij hun vragen voor en bracht hen, door hun het verkeerde hunner antwoorden aan te toonen, in verlegenheid. Op dezelfde wijze handelde Socrates, zoowel wanneer hij zich met zijn eigenlijke leerlingen, b.v. met Plato en Alcibiades, als met de burgers, waar hij ze ook aantrof, onderhield.

Op deze wijze leefde en werkte Socriites tot op zeventigjarigen ouderdom. Toon klaagde men hem openlijk aan, omdat hij, naar men zeide, de goden, die Athene vereerde, verwierp, er nieuwe invoerde en de jeugd bedierf. Socrates hield zelf zijn verdedigingsrede. Nadat hij had gesproken, veroordeelden de rechters hem tot het drinken van den giftbeker. Op zijn laatsten levensdag sprak hij met zijn vrienden over de onsterfelijkheid der ziol, en toen do avond viel, ledigde hij gelaten den kolk, die in 't jaar 400 v. C. een eind aan zijn loven maakte. Zóó viel hij als oen otter van de botsing der begrippen.

Gelijk Athene werd ook Sparta zwakker door de algemeene ontaarding der zeden, hier een gevolg van liet verwaarloozen der wetgeving van Lycurgus. De burgers, voorheen vermaard door hun gestrenge zeden, werden hoe langer hoe verwijfder en verslaafden zich aan allerlei ondeugden. Do wetten leefden zij niet meer na, bezochten de openbare maaltijden schier nimmer meer en schopten behagen in velerlei genietingen en weelderige praal. Do oppermacht over de bondgenooten kende

-ocr page 66-

46

Sparta onmogelijk lang handhaven, daar de oligarchische regeerlngsvortrt (zie blz. 4) en hot opleggen van zware schattingen in bijna alle Oriek-sche steden tot dwingelandij en onderdrukking voerden. Toen het nu, tor luilpo van do Grieksche steden in Klein-Azië, legers hierheen zond, ton einde de Perzen te beoorlogen, verwekten do Perzische gezanten in Griekenland zelf een oorlog van onderscheiden staten togen Sparta. Do Spartanen, ton volle inziende, dat zij de opperheerschappij over Griekenland niet konden handhaven zonder de medewerking van den koning van Perzië, zonden hierop don geslepen Antalcïdas naar dit rijk, ten einde Arta-xerxes II Mnemon (zie blz. 27) voor zich te winnen. Dit gelukte, zoodat de vrede van Antalcïdas in 387 zoowel een eind maakte aan den lang-durigen oorlog tegen Perzië, als aan dien der Grieksche staten onderling. De voornaamste voorwaarde van den vrede was de bepaling, welke de onderwerping vaststelde der Klein-Aziatische Grieken aan den koning van Perzië. Weldra misbruikte Sparta, op Perzië steunende, nogmaals zijn macht. Een Spartaansch veldheer, die met zijn leger langs ïhebe trok, bemachtigde wederrechtelijk Cadmëa, den burg van Thebe, door een aristocratische partij uit doze stad aangezet ^ welke alsnu een menigte van haar staatkundige tegenstanders dwong Thobe te verlaten. Maar in 379, vier jaren na het gewelddadig bezetten der stad, keerde Pelopïdas, een der ballingen, met andere ïhebaansche vluchtelingen in het geheim terug, bracht do hoofden der tegenpartij op een gastmaal om het leven en dwong de bezetting, den burg te ontruimen.

§ 21.

De Thcbaansche oorlog. — De onderwerping van Griekenland aan

Macedonië.

Met moed ondernam ïhebe den strijd tegen Sparta en werd eenige jaren lang Griekenlands eerste staat. Do hoogte, waartoe het zich in dezen tijd verhief, was gohoelenal het werk van twee uitstekende mannen onder hare burgers, epaminondas en pelopïdas, die do leiding van den staat en van den oorlog op zich namen. Bovendien bracht Epaminondas, door hot invoeren der schuinsche slagorde, het krijgswezen tot een hoogen trap van volmaaktheid. Het kenmerkende van de schuinsche slagorde oi phalanx kwam hierop neer, dat de kern van do zwaargowapenden van het Thebaansche leger in een langwerpig vierkant word geschaard, dat vijftig man diep was en van het front uit steeds breeder werd. Deze schrandere vinding, die aan dit leger het overwicht gaf van oen dicht ineengedrongen schaar over een zich in de breedte ver uitbreidende, maar niet diepe slagorde, verschafte Epaminondas meer dan één schitterende zege. De eerste beslissende slag tusschen de vijandelijke staten had plaats in de vlakte van Lcuctra (ten z.w. van Thobe) in 371, waar Epaminondas den Spartanen een gevoelige nederlaag toebracht.

-ocr page 67-

4:7

In het volgende jaar drong de groote Thebaan aan het hoofd zijns legers de Peloponnesus binnen, riep do verstrooide Messeniërs in hun land terug en begunstigde in 300 den bouw eener nieuwe hoofdstad Messêne, aan den voet van den berg Ithomo. Dit, gevoegd bij de nederlaag der Spartanen, gaf den Arcadiërs don moed om met den bouw eener vereenigingsstad, Megalopolis (groote stad), te beginnen, die in 3(58 werd voltooid. Gedurende de laatste jaren van den oorlog stond Epaminondas alleen, want Pelopidas, als middelaaar door de ïhessaliërs ingeroepen tegen Alexander van Pherae (in 't x.o. van Thessalië), sneuvelde in 3G4 in een gevocht tegen dezen tiran. Zelf word Epaminondas doode-lijk gewond in een tweeden slag tegen de Spartaansche krijgsmacht bij Mantinëa (in Arcadië), doch stierf niet, eer hij zich, van de zege bewust, don pijl uit do wonde liet trekken. Met hem nam niet alleen do grootheid van Thebe, maar die van geheel Griekenland een einde bij den vrede in 362, waarbij elke staat van Griekenland, ook Mossëne, onafhankelijk werd verklaard.

1 Van nu aan word Griekenland door een aantal kleine burgeroorlogen meer en meer verzwakt. Een der laatste was de Pkocischc of heilige oorlog. Hij werd veroorzaakt door de veroordoeling der Phocensen tot een overmatige geldboete wegens het bebouwen van landerijen, die den Delphi-schen tempel toebehoorden. Toen do kracht der Thebanen, wien het am-phictionenverbond de voltrekking van het vonnis had opgedragen, hiertoe niet toereikend was, riepen zij koning Philips van Macedonië te hulp, die, na de overweldiging der Phocensen, in hun plaats zitting kreeg in het amphictionenverbond. Kort daarna bezette hij Elatëa (in Phocis) en verried daardoor de Grieken zijn doel, aan hnn onafhankelijkheid den laatsten slag toe te brengen. De beroemdste aller Atheensche redenaars, Demosthenes, bracht mot veel moeite een verbond tusschen Thebe en Athene tot stand; doch de veldslag bij Chaeronëa (in Boeotië) in 338, waarin hot leger dezer bondgenooten door Philips word verslagen, maakte een einde aan do onafhankelijkheid van Griekenland. In hetzelfde jaar werd de hegemonie van Macedonië over Griekenland door alle Griek-sche staten erkend.

§ 22.

Macedonië lot den dood van Philip* II. — Van 813 lot 336.

De naam Macedonië kwam eerst in gebruik ten tijde van Herodotus. Welke do strook lands is, die in verschillende tijdperken Macedonië wordt gohoeton, dit verschilt, gelijk die tijdperken zei ven. Veelal bedoelt men, bij het noemen van dien naam, den omvang, dien het rijk bij den dood van Philips H had. Hot land zelf was een grooto vlakte, aan driekanten door bergketenen ingesloten en van borgen doorsneden. Onder de steden

-ocr page 68-

48

telde men Pydna en Polla, onder do rivieren de Axïus en de Strymon. Het schiereiland in 't z.o. heette Chalcidicé en had drie landtongen.

Zeker is hot, dat onder de verschillende groepen van volkoren, die oudtijds in Macedonië woonden, altiians eenige waren van Grieksche afkomst. Doch evenzeer staat het vast, dat dit Grieksche element reeds vroeg in ruime mate met bostanddeelen van barbaarsche volkeren was vermengd. De eerste dynastie van dit rijk is die der Temenidcn, nakomelingen van Temënus (zie biz. SO). Do tijd, waarin hun heerschappij begint, is do achtste of de zevende eeuw v. C. Yan 614 tot 479 bleef Macedonië min of moer afhankelijk van Perzië (zie blz. 27 en .'59). In 300 beklom philits ii, een zoon van Amyntas II, den troon.

Philips, vroeger door Pelopïdas, die als scheidsrechter een twist over de troonopvolging in Macedonië had beslist, als gijzelaar naar ïhebe gevoerd en in het huis van Epaminondas opgenomen, redde Macedonië van den dreigenden ondergang. Hoezeer hij zich dit verblijf te Thebe te nutte maakte, toont een der hervormingen, die hij, koning geworden bij het leger invoerde. Het is de instelling van de phalanx (zie blz. 4G). Oorspronkelijk beteekent dit woord elke slagorde. Doch sedert den tijd van Philips werd het gebruikt, om bij uitnemendheid die slagorde aan te duiden, welke deze koning met eenige wijzigingen van Epaminondas' leger overnam.

Van 't oogenblik af dat hij den troon had beklommen, was het doel dos konings, Macedonië onder de Grieksche staten te doen opnemen en de hegemonie over hen aan zijn rijk te verschaften. Na het land eerst van zijn buitenlandsche vijanden, n.1. van do Illyriërs en andere naburige volkeren, te hebben bevrijd, tastte hij achtereenvolgens do steden aan, op de kust van Macedonië gelegen, waarover Athene de hegemonie had. Eindelijk sloeg hij het beleg voor de machtigste van alle, Olynthus. Mochten ook de meeste zijner tijd- en landgenooten blind zijn voor liet gevaar, waarmede hen de plannen van den koning van Macedonië bedreigden, althans één man was er te Athene, die er het oog op hield gevestigd. Die man was Demosthenes, niet alleen de eerste redenaar van zijn tijd, maar ook voor volgende eeuwen een model van welsprekendheid. Do gaven, hom geworden, wendde hij voor een goed deel aan., om de pogingen van Philips te keer to gaan. ïo dien einde hield hij de beroemde redevoeringen, bekend onder den naam van Philippische en Ohjnthische. Doch die redevoeringen werkten niet alles uit, wat de redenaar had bedoeld. Zoo werden er, terwijl Olynthus werd belegerd, wel legers afgezonden ter hulpe van do in 't nauw gebrachte stad; maar liet waren slechts huurlegers. Ten laatste, in 348, opende Olynthus haar poorten voor den koning.

Hierna Phocis (zie blz. 47) hebbende veroverd, won Philips Messenië en andore staten uit de Peloponnesus voor zich, waardoor hij Sparta in bedwang hield. Inmiddels bleef Demosthenes rusteloos al zijn krachten wijden aan do schier bovenmenschelijko taak, die hij op zicli had gone-

-ocr page 69-

4o

mon, en liot niet af, hoewel hij alleen den ongunstigen uitslag te gemoet zag en begreep, dat het eenige, dat hij kon uitwerken, -was, dat Athene met eere viel. Dit geschiedde dan ook bij Chaoronea. Na dien slag werd Philips, in naam van alle Grieksoho staten, hot opperbevel opgedragen in den oorlog, dien men besloot Perziö aan te doen. Zoo was hij op het punt, zijn werk do kroon op te zetten. Maar reeds stond hij, zonder het to weten, aan den grenspaal zijns levens. In zijn huis heersehte verdeeldheid. Zijn gemalin Olympias, uit Epïrus afkomstig, was verbitterd over een tweede huwelijk, dat de koning met een Macedonische vrouw, Cleopatra heheeten, sloot. Niet onwaarschijnlijk is het, dat zij de hand had in den aanslag, op 't leven van Philips gedaan. Doch de daad zelf, het vermoorden van den koning in 336, werd gepleegd door een officier der lijfwacht, Pausanias, op de bruiloft van Philips' dochter, Cleopatra, die met koning Alexander van Epïrus huwde, te Aegae (in Macedonië, ten n.w. van Pella). In allen gevalle legde Olympias geen blijken van rouw aan den dag.

§ 23.

Alexander de groote m het Perxisch-Macedonisch rijk. ■— Van 336 tot 828.

Alexander, met den bijnaam ue groote, een zoon van Philips, geboren in 356 en door Aristoteles, met Plato den beroemdsten wijsgeer der oudheid, onderwezen, volgde zijn vader in 336 in de regeering op. Na te Corinthe van de Grieksche gezanten het opperbevelhebberschap, zijn vader vroeger opgedragen, te hebben verkregen, bedwong hij gemakkelijk de Thracische en de Illyrische volksstammen, die zicli togen zijn heerschappij verzetteden, en beteugelde den opstand der Thebanen dooide verwoesting hunner stad. Toen nam hij de taak op zich, die zijn vader zich had voorgeschreven, en trok in 334 met ruim 30,000 man uitgelezen troepen over den Hellespont. Do Perzen leverden hem slag bij de Grranïcus, waar zij een nederlaag onderginnen. Het loon dei-overwinning was het westelijk gedeelte van Klein-Azië tot hot Taurus-gebergte. De koning trok nu door lonië, Carië, Lycië, Pamphylië, Pisidië en Phrygiö naar Cilicië. In Phrygië, in de stad Gordium, legde men hem den door de faam wijd en zijd bekenden knoop van den dissel voor. Het was de dissel van een wagen van een vroegeren koning van Phrygië, aan Zeus gewijd, die op den burg van Gordium stond. De knoop zelf was gemaakt van boombast en zoo kunstig gelegd, dat men er noch begin, noch einde aan kon bespeuren. Ook Alexander zocht vruchteloos een begin of einde van den knoop. Toch maakte hij hem los en gaf zóó voet aan het geloof, dat hij was geroepen om over Azië te heerschen. Te Tarsus (in Cilicië) door zijn arts Philips van een gevaarlijke ziekte hersteld, sloeg hij bij Issus in 333 het leger der Perzen, dat op 600,000 man

Wunne, Handhoek der Alg. Geschiedenis, 7de druk. 4

-ocr page 70-

oO

•Wordt geschat, on nam do gomalin, do mooder on do dochters van Darius Go dom annus (zie biz. 28) gevangen.

Vooreerst liot Alexander nu don koning van Perziö aan zichzelf over, ton einde de kustlanden Syrië, Talaestina, Phoonicio en Aegypto te onderworpen. In Phoonicio bood alloon Nieuw-ïyrus hem zeven maanden lang -weerstand. In Aegypto grondvestte hij, op een landtong in 't n.w., in do nabijheid van hot eiland Pharus, Alexandriö, dat door haar gunstige ligging woldra het middelpunt van don wereldhandel en de hoofdzetel der wetenschap werd, waar voor 't eerst Oostorsche geleerdheid en (Mekscho lettoren in onderlinge aanraking kwamen. Uit Aogyite toog hij naar Azië en sloeg bij Arbëla of Gaugamëla (in Assyrië) in 331 do Perzische hoofdmacht, begroot op 1,000,000 manschappen. Kort daarna werd Darïus op de vlucht door don satraap van Bactriana, Bossus, vermoord en bozettedon do Macodoniërs do hoofdsteden van Perzië, Babyion, Susa, Porsopolis en Ecbatana. Zóó viol hot uitgestrekte rijk in handen van Alexander, dio ook do in 't n.o. van Perzië gelegen provinciën, Bactriana en Sogdiana, doortrok en Bossus mot den dood strafte.

Ofschoon thans overal als opperheer van Perzië erkend, streefde Alexander nog naar verdere uitzetting der perken zijner heerschappij. Deze zucht deed hem een tocht naar noordelijk Indië of Pondsjab ondernemen, waar hij eenige veroveringen maakte. Hom bekoorde hot denkbeeld, dat hij, Indië hebbende vermeosterd, naar waarheid de beheerscher van Azië kon worden genoemd. Maar bij de Hyphasis dwongen hom de Macodoniërs, die zich mot weerzin vorder van eigen land en volk verwijderden en liever in vrede op hun lauweren wenschten te rusten, in 326 tot den terugtocht. Terwijl zijn vlootvoogd Nearchus mot oen nieuwgebouwde vloot uit den Indus langs de kusten naar den mond van den Tigris stevende, voerde de koning zelf zijn leger langs den rechteroever van den Indus, door Godrosië on Carmanië, naar Susa en vervolgens naar Babyion. Hier trachtte hij zijn plan, do mecnsmelting van Macedonië en Perziö on de verbreiding dor Griokscho beschaving over Azië, to volvoeren. Hiertoe had ook hot aanloggen van vele steden, die hij mot Macodoniërs en Grieken bevolkte, tot den laxartos (in t n.o. \cin Sogdiana) too on zolfs in Indië moeten dienen. Hot weerstreven dier bedoelingen hadden roods oenigo zijner vrienden, als Philötas en zijn vader Parmenio, mot don dood geboet. Om oen andere roden, hot in drift en dronkenschap verkleinen zijner daden en 't uiten van beschimpingen, had do insgelijks niet nuchtoren koning zijn veldheer Glïtus, den redder zijns levens bij do Granïcus, eigenhandig gedood. Ter bereiking van 's konings oogmerk strekten verder huwelijken tussohen Macodoniërs on Aziatische vrouwen. Ook nam hij Perzen in zijn leger en zolfs in zijn lijfwacht op. Te midden van de overwoging zijner grootscho plannen verraste de dood Alexander in 323. In hem verloren de Macodoniërs een vorst, die hun steeds op hot pad van do zege en don room

-ocr page 71-

51

voorging, de overwonnen volkoren den reehtvaardigsten. en grootmoe-digsten lieer, dien zij immer hadden gehad. Boven allo bedenking vei hoven is het, dat Alexander een groot krijgsheld was. Zelden is liet zedelijk overwicht, waarmede hij zijn leger beheersehte, geëvenaard. Voor Grieksche kunst en letteren had hij een open oog; do laatste beoefende hij ook zelf gaarne. Intusschon staat liet, hoevele grootsche hoedanigheden hij moge hebben bezeten, tevens vast, dat de overmatige gaven der fortuin een verbasterenden invloed op hom hebben geoefend.

§ 24.

De uit hd Pcrziseh-Macedonisch rijk voortgesproten staten.

Met den dood van Alexander verviel zijn schepping vooral bij gemis aan een goschikten opvolger. Do eerstvolgende tijd bevat dan ook niets dan oen reeks van onderlinge twisten en oorlogen tusschen zijn veld-heeren, stedehouders (diadochen, d. i. opvolgers), in de verschillende landen, welke in 301 mot de nederlaag en den dood van An tig onus bij Ipsns (in Phrygië) eindigden, die door Seleucus werd verslagen. Gedurende en na deze oorlogen kwamen er uit do veroveringen van Alexander onderscheiden rijken voort. Seleucus stichtte in 312 het Seleucidisch-Si/nsch rijk, waarvan zich weldra Pergiimus, later de gcheele westkust van Klein-Aziö omvattende, en liet Parthische rijk losscheurden. Een van Seleucus' opvolgers is antiöchus iii de groote, die door een oorlog met Rome zich en zijn land groote rampen berokkende, een andere axtiociius iv ei'iriiaxEs, d. i. de vermaarde, die zich als een dwingeland gedroeg tegen de Joden. In plaats van don eeredienst van Jehova poogde hij dion van Zeus te stellen en roofde do schatten uit den tempel. Hierom stonden de Makkabaeën onder Mattathïas en zijn zonen in 107 oj) en brachten don afval van dit volk te weeg.

Sinds 580 aan verschillende veroveraars, Nebukadnczar, Cyrus, Alexander en anderen, onderworpen geweest zijnde, smaakten de Joden eindelijk in de tweede eeuw v. C. het geluk, hun onafhankelijkheid voor ruim honderd jaar te herwinnen. Uit hot geslacht der Makkabaeën kroeg dit volk thans achtereenvolgens vele bestuurders, die tegelijk koningen hoogopriester waren. In de laatste eeuw v. C. kwam er verdeeldheid , doordien de vorsten uit dit geslacht ontaardden cn hot volk zich in drie staatkundig-godsdienstige sekten splitste; da liet wettelijk Jodendom angstvallig voorstaande J'harisaeërs, de Sadducaeërs of vrijdenkers en de in afzondering levende Essaeërs. Doze oneenigheden brachten Pompejus in het land en deden liet afhankelijk worden van Pome. Na do Makkabaeën werden de Iduniaeërs, uit Idumaea (in 'tn. van Petraëisch Arable) afkomstig, door de gunst der Romeinen tot afhankelijke bestuurders der Joden verheven. Een van hen. Her odes do groote,

4*

-ocr page 72-

wist hot tweede driemanschap zóó voor zich to winnen, dat hij in 40 tot koning der Joden werd benoemd, ofschoon hij het rijk eerst in •!? in bezit kreeg. Na zijn dood werden de vorsten uit zijn geslacht van tijd tot tijd door Romeinsche bestuurders vervangen, welke door afpersingen en onderdrukking een goduchten haat verwekten. Deze haat voerde eindelijk tot een oorlog, die, zooals beneden zal blijken, op de vernietiging van den Joodschen staat uitliep.

In Aegypte stichtte ptolemaeus lacji, d. i. zoon van Lagus, die ook den bijnaam had söïf. u, d. i. redder, het rijk der Plolemaeën, 323—31. Onder hem en zijn naaste opvolgers bloeide de gouden eeuw van Aegypte. Toen werd Alexandrië de zetel van den wereldhandel en van wetenschappelijke beschaving. De nieuwe stad werd de wijkplaats, werwaarts Griek en .lood, mensehen van allen landaard, die de schokken der tijden van erf en vaderland hadden beroofd, heen stroomden. Bibliotheken, opgevuld met de schatten der toenmalige geleerdheid, ontvingen er 't aanzijn, en de geleerden vonden er liet oord, waar hun een rustige beoefening der wetenschappen werd vergund. Muséum heette het gebouw, waar allen, die zich in kunst of wetenschap onderscheidden, naar men meent, kosteloos verblijf en onderhoud werd aangeboden. Dit gebouw lag in een wijk, Bruchïmn geheeten, waar zich tevens de eene dor vermaarde bibliotheken, ten minste 4- of 500,000 rollen groot, gelijk de andere, 42,000 rollen tellende, in hel Serapèum, bevond. Men vermoedt, voorzeker terecht, dat onder die duizenden rollen hetzelfde geschrift in meer dan één exemplaar voorkwam, zoodat b. v. de 4-of 500,000 rollen der eerstgenoemde bibliotheek wellicht niet meer dan 90,000 geschriften zijn geweest. Op die wijze werd Alexandrië een nieuw Athene, maar een Athene, niet zoozeer blinkende door eigen scheppingen, als door geleerde konnis, inzonderheid van spraakkunde, door 't ziften en beoordeelen van de geschriften der Grieken. Intus-schen ontbrak het te Alexandrië niet geheel aan oorspronkelijke werken. Do dichtkunst, de wiskunde en de met haar verwante vakken vonden er ijverige beoefenaars.

Daarentegen werd de wijsbegeerte in den tijd der Ptolemaeën te Alexandrië weinig of niet bestudeerd. Nog was Griekenland, bovenal Athene, de hoofdzetel van dit vak. Daarom vestige men nog even den blik op do Grieksche wijsbegeerte. Onder de scholen of richtingen, uit don kring van Socrates' toehoorders voortgekomen, is die van Aristo-teles, den leerling van Plato on leermeester van Alexander, een der meest bekende. Zij heet de Peripatetische, dewijl Aristotëles de gewoonte had, mot zijn leerlingen in het Lyceum, te Athene onder het spieken heen en weer te wandelen. Geen der oude wijsgeeren was geleerder dan Aristoteles. Hij was de navorscher bij uitnemendheid, wiens geschriften alle vakken der toenmalige menschelijke kennis omvatten. Genoegzaam ter zelfder tijd, omstreeks 300 v. 0., begonnen Epicürus en Zeno hun stelsels te Athene te verkondigen, die, hoezeer onder elkander uit-

-ocr page 73-

53

oenloopend, meer ingang bij de menigte vonden dan de woorden van Plato of Aristotëles. Overeenkomstig do leer van Epicurus was liet hoogste goed, waarnaar de mensch heeft te streven, het levensgeluk. Maar dit geluk of, met andere woorden, hot vermaak was niet alleen het genot, doch vermaak, zoowel naar ziel als naar lichaam. Daar evenwel het vermaak niet zonder deugd kan worden gedacht, bekleedt de deugd in de leer van Epicurus een eervolle plaats. Volgens Zeno en zijn leerlingen, de Stoïcijnen, zóó geheeten naar de veelkleurige stoa of galerij, waarin hij zijn lessen gaf, was hot hoogste goed der menschheid de deugd, hot hoogste kwaad de ondeugd. Hij, die do deugd bezit, is een wijze; die ze niet heeft een dwaas.

Te AlexandriS kwam ook, om weder ter zake te komen, do beroemde vertolking van de heilige schriften der Joden, onder den naam van die der zeventigers bekend, tot stand. Volgens de overlevering namen tweeënzeventig Joodsche geleorden, op verzoek van den tweede der Ptolemaeën uit Jeruzalem overgekomen, deze taak op zich. In tweeënzeventig dagen vertaalden zij op het eiland Pharus (zie blz. 50) do boeken uit het Hebreeuwsch in 't Grieksch. Elk in een afzonderlijke cel gozoten, moeten de tweeënzeventig geheel gelijkluidende vertalingen hebben geleverd. Van de overlevering kan slechts dit als vaststaand worden aangemerkt, dat er te Alexandrië een vertaling van 't O. T. in 't Grieksch is tot stand gekomen, die in do dorde eeuw v. C. kan zijn begonnen, maar niet vóór het midden der tweede eeuw was voltooid.

Macedonië.! waaraan do Grieken zich weldra, althans ten dooie, onttrokken, bleef een rijk op zichzelf, dat, na eonige wisseling van heerschers, door de nakomelingen van een der diadochen, Demetrius Polior-cëtes, d. i. steden veroveraar, werd bestuurd. Do Grieken vereenigden zich, na hun zelfstandigheid ten deolo to hebben herkregen, grootendeels in hel Achaëisch en het Aetolisch verhoud. Onophoudelijk oorlogen tegen elkander voerde do boven genoemde staten langzamerhand tot hun ondergang : in de tweede en de eerste eeuw v. 0. werden zij, de oen na don ander, Komeinsche wingewesten.

§ 25.

Italië.

Het schiereiland Italië, door do bergketen der Apennijnen in zijn geheele lengte doorsneden, droeg oudtijds niet één algemeenen naam: hot werd door verschillende volksstammen bewoond, die aan de afzonderlijke deolen hun naam gaven. Do naam Italië, d. i., naar men zegt, land van 't rundvee, duidde oorspronkelijk slechts do zuidwestelijke spits aan en ging eerst door de Komeinsche heerschappij allengs op het geheele land over.

-ocr page 74-

54

De Alpen scheiden Italië, voorzooverre hot aan 't vasteland is verbondon, van 't overigo Europa. Aan drie zijden wordt het door de zee bespoold. Mild en vruchtbaar is de bodem, die tevens rijk is aan vlakten en valleien, het klimaat zacht. Graanbouw paarde zich sedert overoude tijden alom in Italië aan wijnbouw, veefokkerij aan olijventeelt en het aankweeken van lijne vruchten.

Onder de Romeinen bestond Italië uit de volgende doelen;

a. Oppcr-Italic, hoofdzakelijk Gallia ('inaljnna (aan deze zijde van de Alpen) en Liguriii. De hoofdstroom is tie Padus of Po.

b. Eigenlijk of Alidden-Italië, mot do volgende landschappen: Etruriö of ïusciö, Latium, Campanië, Umbrië, Picënum en Samnium. In Latium lag Pome aan den linkeroever van den Tiber op zeven heuvels, of eigenlijk op twee heuvels, Quirinalis en Viminalis, en op vijf bergen, Esquilïnus, Capitolïnus, Palatïnus, Aventïnus, Coelius. Zóó luiden do namen doorgaans, hoewel niet bij de oude schrijvers, en eerst sedert den tijd van Constantïnus den groote (zie blz. 83) sprak men van het op zeven heuvels gebouwde Rome. Bij de zeven kwamen, sedert Aurelianus (zie blz. 83), de collis hortorum (heuvel der tuinen) of Pincïus, hot Janicülum en de Vaticanus.

c. Bcneden-lialië, — ook, voorzoover de kusten met vele Griekscho volkplantingen bezet waren, Groot-Griekenland genoemd, — bevatte de volgende deelon: Lucanië, Bruttium, Apulië, Calabrië. Eilanden, tot Italië behoorende; Sicilië, Sardinië en Corsica.

§ 20.

Stichting en oudste inwoners van Rome.

Do oudste bewoners van Italië bestonden uit vele volksstammen, waarschijnlijk alle van den Indo-Germaanschen of Arischen stam, van welke do Etruscen, de Sabijnen, de Samnieten, de Volscen en de Latijnen da voornaamste zijn. Uit do Latijnen en de Sabijnen zijn do Romeinen voon-gekomen.

Do volksoverlevering der Romeinen bracht de voornaamste dor Griekscho overleveringen, die van den Trojaanschen oorlog, in verband met het ontstaan van Rome. Zooals zij n.l. luidt, landde na velo omzwervingen de Trojaan Aeneas in Latium, waar zijn zoon Ascanius later de stad Alba Longa grondvestte, die eenige eeuwen lang door zijn nakomelingen word geregeerd. Onder hen was Numïtor do laatste, die door zijn jongeren broeder van den troon werd gestooton. Tegen do verwachting van Amulius baarde de dochter van Numitor, Rhea Silvia, tevens priesteres van Vesta, do godin van den huiselijken haard, twee zonen, Romülus on Renins, welke door hun oudoom tot den dood in do wateren des Tibers werden veroordeeld. Doch Faustülus, 's konings

-ocr page 75-

55

herder, nam hen op van de plaats, waar zij waren nedergelegd, en voedde zo op. In oen twist met de herdersknapen van Nnmitor werd Remus door hen gogrepon en voor zijn grootvader geleid. Faustülus, ijlings toegesneld, openbaarde thans hot geheim dor geboorte van de beide broeders, die nu hun gezellen verzamelden, hun oudoom overvielen, hem doodden en hun grootvader Numitor in zijn waardigheid herstelden. Toen bouwden zij, mot vergunning van Numitor, op dm Palatijnschen heuvel de stad Rome, Jlorna quadrata, d. i. het vierkante Rome, bij welker stichting oneenigheden tussohen do broeders ontstonden, ten gevolge waarvan Remus door de aanhangers van Romülus werd gedood.

Volgens de gewone berekening, die van Varro, eon Romeinsch geloerde en schrijver uit do eerste eeuw v. C., valt do stichting van Rome in 't jaar 753 op den 21ston April. Het spreekt intusschen vanzelf, dat, evenmin als de omstandigheden, waaronder do stichting plaats had, do tijd dier stichting met zekerheid kan worden gemeld.

Het goheele Romeinsche volk bestond in do vroegste tijden uit drie standen; de patriciërs, do cliënten en de plebejers. De patriciërs, do aanzienlijken, waren zij, welke de stad gesticht en de toenmalige bewoners der landstreek onderworpen hadden, alsmede hun nakomelingen. Zij alleen werden geroepen tot hot bokleodon der hoogste ambten en van de priesterlijke waardigheden on vormden de oorspronkelijke volksvergadering (comitia enriata), waarin over een zeker aantal gewichtige aangelegenheden van den staat word beraadslaagd en beslist.

De cliënten waren een soort van ondorhoorigen der patriciërs en kwamen waarschijnlijk voort uit die lieden, welke zich tot gehoorzaamheid aan de stichters der stad hadden verbonden. In betrekking tot de cliënten, die later onder den derden stand verdwenen, heetten do patriciërs patronen.

De plebejers maakten een vrijen stand uit, welke opkwam door het groote aantal monschen, die zich allengs onder de latere koningen te Rome kwamen vestigen. Zij waren in de eerste eeuwen van alle overheidsambten, behalve van de krijgsambton, en van het stemrecht in de volksvergadering uitgesloten. Daarentegen rustte op hen do verplichting tot krijgsdienst en die om grondbelasting te betalen.

Aan hot hoofd van don staat stond oen koning, dio niet alleen do uitvoerende, maar ook de wetgevende macht bezat. Twaalf lictoren, die fasces, d. i. roedenbundels met een bijl, voor hom uitdroegen, zetteden zijn waardigheid aanzien bij. Een senaat, waarschijnlijk uit 300 patriciërs bestaande, alsmede een volksvergadering stonden hem ter zij tie.

-ocr page 76-

56 § 27.

Bomc onder de koningen. — Van omstreeks 753 tol ongeveer öOfl.

Gelijk de geschiedenis van don aanvang dor moeste steden, zoo is ook die van Rome en van haar eerste instellingen gedurende dit tijdperk en nog tot diep in don tijd der Republiek hoogst onzeker en mythisch. Evenmin als hot jaar van Rome's stichting vaststaat, is hot zeker dat er zeven koningen hebben geregeerd. Hoe lang elk dier koningen don scheptor heeft gezwaaid, wat hij heeft volvoerd of wat onder zijn be-Avind is gebeurd, dit alios is niet meer uit te maken. Hierom is het onmogelijk, een doorloopemie geschiedenis van Rome onder de koningen to verhalen en moet men zich beperken tot het optelion dor namen van hou, die den scheptor zullen hebben gevoerd, on tot het vermelden in 't algemeen en in ruwe omtrekken van hetgeen in don tijd dier koningen is tot stand gekomen.

Naar men wil, zullen de zoven in deze orde elkander zijn opgevolgd; Romülus, Numa Pompilïus, Tullus Hostilius, Ancus Martïus, Lucius Tarquinïus Priscus, Sorvius Tullius, Lucius Tarquinïus Superbus of de overmoedige. Van ouds had Rome met vele andere Latijnsche steden allerlei instellingen, tot den godsdienst in betrekking staande, en tal van priesterschappen gemeen. De godsdienst zelf der Romeinen, oorspronkelijk gelijk dio der Grieken on van alle volkeren natuurdienst (zie blz. 31), nam weldra, in overeenstemming met den aard des volks, een eigenaardig karakter aan. Hij was in de eerste eeuwen godsdienst van staat, do godsdienst dor patriciërs. Don plebejers was de openbare vereering, evenzeer als het raadplegen dor goden verboden. Do voornaamste van Rome's goden waren reeds in overouden tijd Jupiter of Jovis, Mars en Vesta (zie blz. 54). Do dienst van heroën of halfgoden was don Romeinen vreemd. Mettertijd kroeg de Grieksche godsdienst oen belangrijken invloed te Homo. Met het hoogste gezag in zaken van godsdienst waren de pontifices bekleed en hun opperpriester, pontifex maxïmus geheeten, die zijn ambt zijn leven lang behield. Mars had twaalf priesters, saliërs genoemd, Vesta oveneens een zeker aantal priesteressen. Dan waren er auguren of waarzeggende priesters.

De werken der bouwkunst, waardoor Rome gedurende dit tijdperk werd verfraaid of versterkt, waren het forum voor de volksvergaderingen; de circus maximus voor openbare spelen; het Capitolium, d. i. de burg met den drievoudigen tempel voor Jupiter, Juno, Jupiters zuster on gemalin, en Minerva, godin van de krijgskunst, maar ook van de kunsten des vredes, en de muur, welke rondom de stad liep, de zeven heuvels insloot en doorgaans aan Servius Tullius wordt toegeschreven. Op naam van denzelfden koning worden twee gewichtige veranderingen in de staatsregeling gesteld, de verdeeling van 't Romeinsche gebied en

-ocr page 77-

57

die der burgers naar hun vermogen. Het gebied der stad — en dus middellijk de bevolking tevens — werd verdeeld in een zeker aantal geographische deelen, vier stedelijke, tribus geheeten, en vele landelijke, die men somtijds eveneens tribus, doch doorgaans regiones noemde. Hoe groot het geheele getal was is onbekend, maar zeker, dat er in 't jaar 494 v. C. een-en-twintig in 't geheel waren. In deze tribus, welker getal later tot vijf-en-dertig aangroeide, werden natuurlijk zoowel de patriciërs als de plebejers opgenomen. Verder bezorgde Servïus den plebejers eenig aandeel aan de regeering, doordien hij het geheele volk, volgens ieders vermogen, naar den trant eens legers, in vijf klassen splitste, welker onderafdeelingen centuriën heetten. Hoe het met de oorspronkelijke inrichting der klassen en centuriën stond wordt niet bericht. quot;Wol kent men den aard der indeeling, zooals zij na den tijd der koningen was. Toen behoorden tot de eerste klasse do burgers, wier vermogen 100,000 as of pond koper, d. i. ongeveer f 4000, beliep. Voor de tweede waren 75,000, voor de dorde 50,000, voor de vierde 25,000, voor de vijfde 12,500 of 11,000 as de maatstaf. Eindelijk waren de armste lieden in één centurie vereenigd. Hot getal dor centuriën bedroeg in 't geheel 193, waarvan 80 tot de eerste klasse behoorden, terwijl de tweede, de derde en de vierde elk 20 centuriën bevatteden, de vijfde 30. Bij de eerste klasse voegde Servïus daarenboven nog 18 centuriën ridders en aan 't geheele getal nog 4 andere centuriën toe, die uit timmerlieden, brugmakers en wapensmeden, alsmede uit hoorn- en bazuinblazers bestonden.

Naar deze indeeling in klassen nu werd de mate van staatsburgerlijke rechten cn verplichtingen der Eomeinsche burgers vastgesteld. Do ruiter-dienst word door de ridders verricht. De jongere burgers uit do beide eerste klassen verrichtten te volde den dienst van zware troepen; die der derde en der vierde maakten den overgang; die der vijfde eindelijk dienden als lichte troepen. Door deze indeeling werd hot geheele volk later tot één vergadering vereenigd, comitia cenluriata, waar de stemming naar centuriën geschiedde. De comitia centuriata werden na de afschaffing der koninklijke regeering de zetel van hot hoogste gezag te Rome, want hier werden alle voornaamste overheidspersonen gekozen, wetten gegeven, over vredo en oorlog beslist en, althans sedert de wet der twaalf tafelen (zie blz. GO), uitsluitend gerecht gehouden over staatsmisdaden.

Toen de verdeeling in tri,bus tot stand kwam, moet Rome reeds een vrij aanmerkelijk gebied ten koste der Latijnen hebben verworven. Tot dit veroverde gebied behoort ook dat van Alba Longa, de voornaamste der steden van het Latijnsche verbond. In het verbond dier steden werd, gedurende den tijd der koningen, ook Rome opgenomen. En allengs geraakte Rome in 't bezit dor opperheerschappij of van een zeker overwicht over het verbond der Latijnen. Intussohen was het tijdperk der koninklijke regeering zijn einde nabij. Hij, die voor 't laatst den schepter voerde, Tarquinius Suberbus, regeerde wreed en willekeurig. Hij riep den senaat maar zelden bijeen en liet dien, op een gering

-ocr page 78-

58

aantal leden na, uitsterven; vole patriciërs werden van hun eigendom beroofd, verbannen of ter dood veroordeeld; de plebejers dwong hij tot drukkende heerendiensten. Hetzij de aanleiding tot het uitbarsten van oen oproer moot worden gezocht in eon euveldaad, door 's konings zoon, Soxtus Tarquinius, gepleegd aan Lucretia, gemalin van Tarquinius Collatïnus, of in iets anders, Tarquinius word mot zijn geslacht gewapenderhand verdreven. Aan het hoofd dor samenzwering stonden de patriciërs Lucius Junius Brütus, Tarquinius Collatïnus on Publius Valerius Publicöla. Vanhier dat do voordooien van de afschaffing der koninklijke regeering, met andore woorden vermeerdering van macht, aan dezen stand ten deel vielen.

§ 28.

De oorlogen van Rome tegen de verdreven Tarquiniussen. — Instelling van het volkstribunaal. — Van öO!J tot 4!)1.

In de plaats dor koningen kwamen twee consuls, die jaarlijks in do comitia conturlata uit do patriciërs worden gekozen. Hun macht was ongeveer gelijk aan die, welke de koningen tot hiertoe hadden; maar nu was zij onder twoo personen gedoeld. Do eerste consuls waren Lucius Junius Brutus en Tarquinius Collatïnus; doch de laatste, als den naam gemeen hebbende mot don verdreven koning, moest woldra zijn waardigheid nederleggen en Rome verlaten: hij werd vervangen door Valerius Publicöla. Do senaat werd weder tot hot getal van 300 leden aangevuld. Do verkiezing dier loden stond aan do consuls. De senaat deelde mot de comitiën de wetgevende macht en had hot uitsluitend beheer der geldmiddelen van den staat en van de buitonlandsche aangelegenheden.

Intusschen trachtte de verjaagde koning zich óf in zijn heerschappij to horstellen, óf althans zijn goederen terug te erlangen. Als middelen bezigde hij zoowol oen heimelijke samenzwering, na welker ontdekking Brütus, gelijk het romantisch opgesierde verhaal luidt, twee zijner eigen, daaraan medeplichtige, zonen liet ter dood brengen, als openbare oorlogen van do naburige volkeren tegen Rome. Zijn plan werd nogtans verijdeld, on hij stierf later in ballingschap. De door hem verwekte oorlog van Porsenna, koning van Clusïum (in Etrurië), bracht Rome zeer in 't nauw. De stad ware verloren geweest, zoo niet Horatius Cocles, d. i. de oenoogigo, met ongehoorde stoutmoedigheid, den toegang tot een brug over den Tiber zoo lang met zijn lichaam had afgesloten cn verdedigd, totdat zij was afgebroken. De geheele redding zijner vaderstad voltooide Mucins Scaevola (linkerhand), die door zijn koelbloedige vermetelheid Porsenna tot den aftocht bracht, hoewel onderzeer harde voorwaarden: afstand van oen gedeelte van 't Romeinsche gebied en afhankelijkheid van Clusïum. Do verdere gang dor geschiedenis toont

-ocr page 79-

59

evenwel, dat de ongelukkige toestand, waarin Rome aldus geraakte, spoedig een einde nam. In dezen tijd, omtrent 500 v. C., voerden de Romeinen hel dictatorschap in, een waardigheid, waardoor in liaciielijke omstandigheden aan één man voor niet langer dan een half jaar een onbeperkt gezag werd verleend. Do keuze geschiedde steeds, op last van den senaat, door een dor consuls.

Zoovaak de Romeinen een Italiaansch volk door de kracht hunner wapenen overwonnen, namon zij een deel, meestal een dorde, van het veroverde land in bezit. Van dit gebied werden sommige streken als woonplaats aan Romeinsche burgers, veelal plebejers, toegewezen, die hiervoor de verplichting op zich namen, dit land als bezetting voor den staat te bewaren. Dergelijke streken noemde men coloniae, volkplantingen. .Met verreweg hot grootste gedeelte echter sloeg men oen anderen weg in. De staat hield don eigendom aan zich, maar vergunde elk, die hiertoe was gerechtigd, tegen zeker betaling of storting, een stuk bij voorraad in bezit te nemen. Als gerechtigd worden aanvankelijk alleen de patriciërs aangemerkt. Indien de patriciër van zijn stuk bouwland maakte, moest hij '/io van de jaarlijksche opbrengst betalen. Maakte hij er een ander gebruik van, b.v. als weide, ook dan werd een zeker recht betaald. De naam, dien zoodanige gronden droegen, was cnjcr puhlicus, staat slander jen. Terwijl do onophoudelijke oorlogen de patriciërs dus verrijkten, maakten ze de plebejers steeds armer: de voortdurende logertochten verhinderden hen hun akkers te bebouwen, en toch moest do grondbelasting even goed als in vredestijd worden betaald. Zóó werden zij gedwongen, onder harde voorwaarden schuldenaars der rijke patriciërs to worden, die hen, wanneer zij niet op don gezetten termijn betaalden, volgens het bestaande recht, als lijfeigenen mochten medevoeren, in boeien sluiten, zwaren arbeid laten verrichten en zelfs mishandelen. Op die wijze werd het grootste deel der plebejers, vooral nadat de vrees voor de herstelling van het koningschap was geweken, al moor en meer door do patriciërs onderdrukt. Dus ontstond te Rome tusschen do beide standen een strijd, die omtrent twee eeuwen duurde en langzamerhand Rome's staatsregeling voltooide.

Nadat do plebejers bij herhaalde weigering van krijgsdienst, indien niet do schuldenlast werd verlicht, vele malen door ijdele beloften waren gewonnen, trokken zij eindelijk, wederom misleid, in 401 naar oen berg (ton n.o. van Rome), die van dezen tijd af aan Jupiter word geheiligd en den naam heilige berg moot hebben gekregen. En niet eerder kwamen zij in de stad weder, voordat hun verlichting van don druk der schulden en eigen, onschendbaro vertegenwoordigers waren toegestaan.

Deze verdedigers, volkstribunen geheeten, die do plebejers, elk in 't bijzonder, tegen gewelddadigheden der consuls moesten beschermen en onschendbaar waren, konden alzoo ook het oproepen dier lieden tot den krijgsdienst beletten. Hot getal dor volkstribunen was aanvankelijk twee, later vijf, nog later tien. Uit hot recht, hun bij do instelling toe-

-ocr page 80-

60

gestaan, sproot mettertijd als vanzelf een tweede bevoegdheid voort, om n.1. door hun veto, d. i. ik verbied het, elk besluit van den senaat krachteloos te maken. Reeds drie jaren na de instelling van hot tribunaat trokken de plebejers een doel der rechterlijke macht aan zich. Toen er n.1. een hongersnood te Rome ontstond en de senaat koren uit Sicilië ontbood, deed Gajus Marcius, een patriciër, den voorslag, het volk koren uit te deelen, mits hot de tribunen afschafte. In weerwil van de verdiensten van Marcius, die wegens het op de Volscen veroveren der stad Coriöli (ten z.w. van Alba Longa) den bijnaam Coriolanus droeg, daagden de plebejers hem voor de comitia tribüta. In deze comitiën, de vergadering der plebejers, thans waarschijnlijk voor 't eerst bijeengeroepen, verschenen geen patriciërs, omdat zij op den wenk der volkstribunen bijeenkwamen en door hen werden geleid. Veroordeeld zijnde, of misschien nog vóór de veroordeeling, begaf Coriolanus zich naar de Volscen, de vijanden der Romeinen, aan wier hoofd hij tegen Rome optrok en de stad zeer in 't nauw bracht (491). Slechts het verzoek zijner moedor Veturïa, die met zijn gemalin Volumnïa en andere eerwaardige vrouwen in de legerplaats der Volscen kwam, moot hein tot don aftocht hebben bewogen.

§ 29.

De plebejers erlangen allengs volkomen gelijkstelling in staatshur-gerljlce rechten met de patriciërs. — Van 462 tot 287.

In 462 tastte de volkstribuun Gajus Terentilïus Harsa de patriciërs aan. Dewijl er toenmaals te Rome geen geschreven wetten bestonden, alles op hot gewoonterecht berustte en de patriciërs tegelijk rechters en uitleggers der wetten waren, werden do plebejers, zoovaak zij in geschil kwamen met patriciërs, dikwerf zeer willekeurig behandeld. Terentilïus kwam hun wensch te gomoet, toen hij een geschroven wetgeving verlangde. Eerst na langen tegenstand gaven de patriciërs too. Gedurende dezen tijd vereeuwigde Quinctius Cincinnatus, naar de fraaie overlevering van achter den ploeg geroepen, om als dictator tegen de Aequiërs (iri 't n. van Latium) op te trekken, zijn naam. In 454 zond do senaat drie mannen naar Athene, ten einde de wetten der Grieken te loeren kennen. Nadat zij waren teruggekeerd, droeg men in 451 aan tien mannen, decern--vïri, de samenstelling van nieuwe wetten op en bekleedde hen tevens met de hoogste macht in don staat, zoodat èn consuls on volkstribunen aftraden.

Ofschoon nu in sommige opzichten èn aan patriciërs èn aan plebejers dezelfde rechten werden toegestaan, verviel toch de scheidsmuur tusschen de beide standen niet, want het bestuur van den staat bleef geheel in handen der patriciërs, en huwelijken tusschen patriciërs en plebejers waren, gelijk voorheen, zoo ook in de nieuwe wetten verboden. De wetten dier tienmannen, op twaalf koperen tafelen gegraveerd en door de

-ocr page 81-

01

volksvergadering, n.1. door de comitia centnriata, goedgekeurd, wordende grondslag van het staats-, het burgerlijk- en hot strafrecht der Komoinen. Ofschoon do taak der wetgeving was volbracht, behielden de tienmannen in 449 hun waardigheid eigenmachtig, weshalve er een opstand losbarstte. Een der gebeurtenissen, die inzonderheid den val van hun bewind veroorzaakte, was de dood van Virginia door do hand haars vaders, den plebejer Yirginius, welke geen ander middel zag om haar aan de lagen van Appins Claudius, do ziel der tienmannen, te onttrekken. Hierop legden do tienmannen hun ambt neor en gingen in ballingschap, terwijl Appius Claudius zich in de gevangenis doodde.

Overeenkomstig het ontwerp van wot van don volkstribuun Canulëjus werd in 445 beslist, dat huwelijken tusschen de boido standen rechtsgeldig zouden zijn. In hetzelfde jaar werd het ccnsorschap ingesteld, d. i. hot ambt, waarvan do gewichtigste taak was alle vijf jaar het Romeinsche volk te tellen en ieders vermogen to schatten. Met hun ambt was tevens het opzicht over de zeden en het gedrag dor burgers veibondon. De censoren, steeds ten getale van twee in de comitia centnriata gekozen, bezetteden de ledige plaatsen in den senaat en in don ridderstand en verwijderden daaruit allen, welke die eer onwaardig waren. Zelfs konden zij een burger geheelenal van het burgerrecht berooven. Nog haddon de censoren het toezicht op de openbare gebouwen. Hun ambt duurde eerst vijf, doch sinds 434 slechts anderhalf van de vijf jaren, welk tijdsbestek men telkens ten einde liet loopen, eer mon nieuwe censoren koos.

Eindelijk vatteden in 377 de volkstribunen Gajus Licinius Stolo en Lucius Scxtius alle vorderingen van den plebojischen stand samen, de drie volgende wetten voorslaande, dat één der consuls altijd een plebejer moest zijn; dat geen Romeinsch burger meer dan 500 jugera (één jugerum is ongeveer een vierde bunder of hectare Nederlandsche maat) aan staatslanderijen mocht bezitten en dat de bestaande schulden met de betaalde renten verminderd zouden worden. In 307 gingen de drie Licinische wetten door. Maar het opperste rechtsgezag werd van liet consulaat afgescheiden en aan een patriciër met don titel praetor opgedragen. Het getal der praetoren, aanvankelijk één, nam later toe. Intusschen verwierven de plebejers spoedig ook den toegang, zoowel tot dit ambt, als tot alle overige staatsambten. En in 287 word do volkomen gelijkstelling der standen voor de wet voltooid door 't aannemen van hot wetsontwerp van den dictator Hortensius, dat de besluiten der comitia tribüta (zie blz. 00) voor alle Romeinen verbindend moesten zijn.

§ 30.

De oorlog tegen Veji, van 405 tot 396, en die tegen de Galliërs in 300.

Gedurende den binnenlandschen strijd hadden de Romeinen bijna onafgebroken togen de naburige stammen of steden geoorloogd. Het herstel

-ocr page 82-

62

der rust vergunde hun, deze oorlogen mot moer kracht door te zetten. Onder die oorlogen is inzonderheid de laatste, dien Rome tegen het sterke Veji voerde, merkwaardig. Hij duurde tien jaren, 405—390, en was eigenlijk een lange insluiting, weshalve hij ook aanleiding gaf tot winterveldtochten en tot de betaling uit 's lands schatkist van de kosten der verpleging van het krijgsvolk, d. i. van de voetknechten en van hen, die als vrijwillige ruiters dienst dedon en niet tot de achttien centuriën (zie blz. 57) behoorden. Vroeger toch hadden de oorlogen der Romeinen slechts eenige weken in den zomertijd geduurd. Eindelijk veroverde de dictator maucus fukÏus ca.mi li. us do stad, tot welke de loopgraven, die in den tempel van Juno te Veji uitkwamen, hom don toegang verschaften. Door de volkstribunen beschuldigd, een gedeelte van den buit te hebben verduisterd, begaf Camillus zich vrijwillig in ballingschap naar Ardea (ten z. van Rome). De overige steden van Etruriö werden, dc ecno iets vroeger, de andere iets later, eveneens door Rome onderworpen.

Toen do Senonische Galliërs, die hun naam gaven aan Sena (ten n. van Ancona), in dc omstreken van welke stad zij zich nederzettedon, en die tegen liet eind der vijfde eeuw woonplaatsen in lioven-Italië zochten, iu 391 do stad Clusnun in 't nauw brachten, vroeg zij hulp bij de Romeinen. Zij zonden drie Fabiussen, om als middelaars den vrede te bewerken; doch tevorgoofs. Do Fabiussen, in de rijen der Clusiërs hebbende medegestreden, werden door de verbitterde Galliërs opgeëiseht. De weigering dezer vordering noopte hen tegen Rome op te trokken. Onder hun opperhoofd of Brennus — want hot is waarschijnlijk geen eigennaam, maar een titel — brachten zij de Romeinen in 390 bij de Allïa (die ten n. van Rome in don Tiber loopt) een nederlaag too, zoo beslissend en volledig, als do troepen der Republiek er nimmer oen hebben ondergaan, weshalve de 18do Juli, de verjaardag van dien slag, voor altijd onder do ongeluksdagen werd gerekend. Een paar dagen na do zege trokken de overwinnaars het verlaten Rome binnen en verbrandden een groot deel dor stad. Wat te Rome weerbaar was was met den senaat naar hot Capitool geweken, de overige bewoners naar de omstreken gevlucht. Do pogingen der Galliërs om hot Capitool te bestormen mislukten. Dus besloten zij het te belegeren en lagen ongeveer zeven maanden voor den burg.

Roods beklommen de Galliërs eens bij nacht, bij overrompeling, 't Capitool; maar do ganzen, die er Juno ter eore werden onderhouden en die do bezetting, bij allo gebrek aan levensmiddelen, uit vroomheid had gespaard, wekten door haar gekwaak nog tijdig Manlïus, die, omdat hij op het Capitool woonde, Capitolïnus werd gehooton en nu zijn post wakker verdedigde. Zóó vond, volgens de overlevering, de vroomheid haar loon, en 't Capitool werd behouden. Ten laatste had Romo zijn ontzet hieraan te danken, dat de Galliërs door verderfelijke ziekten worden geteisterd, weshalve zij voor duizend pond gouds (ongeveer /' 487,500), als losprijs, aftrokken. Uit moot voor historisch waar worden gehouden; maar als overlevering is hot bericht aan te merken, dat Camillus op dit oogonblik

-ocr page 83-

C3

plotseling met zijn legoi- kwam opdagen en zich door het afslaan van zoodanige voorwaarde en door het verdrijven van den vijand wederom verdienstelijk bij den staat maakte. Op raad van Camillas werd Rome mot overhaasting, zonder eenheid on naar bijzondere willekeur, herbouwd en dus door zijn toedoen de wenseh des volks om naar Voji te trekken verijdeld.

§ 31.

De oorlogen met de Latijnen en met de Samnieten. — De onderwerping van Beneden-Italië aan Rome in den oorlog met Tarente m met koning l\ijrrhus. — Van B-13 tot 272.

Van 343 tot 200 voerden de Romeinen hevige oorlogen mot de Samnieten, die, ovenals zijzolven, naar de opperheerschappij over Italië stonden; met de Latijnen, dio, tot dusver (zie blz. 57) als bondgenooton met do Romeinen vereenigd, thans toegang tot den senaat en hot consulschap vorderden, alsmede met de Etruscen. In 340 werden de Latijnen bij den Vesuvius geslagen door den consul Titus Manlius Torquatus, tot welke zege de zelfopoffering van den andoren consul, Publius Doei us Mus, die zich aan de goden dor onderwereld wijdde, veel toebracht, Een paar jaren daarna onderwierp zich geheel Latium. Door hot toestaan van ongelijke voorrechten aan do onderscheiden steden der Latijnen was het den Romeinen gelukt, dit volk te verzwakken. Dat het aloude verbond tusschen de Latijnen en Rome nu werd opgelost ligt in den aard der zaak. Gedurende een tweeden oorlog tegen de Samnieten werd een Romeinsch leger onder de consuls Spurius Postumïus en Titus Voturïus CaLvïnus in 321 in de bergengte bij Caudium (in 't z.w. van Samnium) ingesloten. Op de aanvraag der consuls vergunde do bevelhebber der Samnieten, Gravius Pontius, nadat do consuls den vrede hadden bezworen, aan hot Romeinscho leger een vrijen aftocht, waarbij do troepen zich evenwel het smadelijk doorgaan onder hot juk moesten getroosten. Doch do Romeinscho senaat verklaarde dat vredesverdrag voor nietig. Zoo word de kamp hervat en do tweede Samniotische oorlog nog door oen dorden gevolgd.

Hierin onderscheidde zich bij de Romeinen, in den slag bij Sontïnum (ten w. van Ancona, in Umbriö), in 295, de zoon van den zoo even genoemden Publius Decius Mus. Lang was hier de zege twijfelachtig, en zelfs begon de vleugel, waarover Decius het bevel voorde, eens te wijken. Toon liet deze consul zich en hot leger der Samnieten door oen priester plechtig aan de onderaardsche goden wijden, stortte zich vervolgens in den dichtston drom dor vijanden en vond er don dood. Maar voor dien vrij willigen dood kocht hij een beslissende overwinning. Want zijn krijgsbenden werden op het gezicht dier heldhaftige zelfopoffering onweerstaanbaar en versloegen de Samnieten nogmaals. Toen eindelijk do

-ocr page 84-

C4

wanhopige tegenstand dor Samnicten niet moer baatte, erkenden zij, gelijk de Etniscen en de Latijnen hadden gedaan, Koine's oppermacht.

Met de zege over de Samnieton was aanvankelijk een vaste grondslag gelegd voor Rome's heerschappij over Italië. Nog één gevaarlijke oorlog toefde evenwel den nu reeds krachtigen staat, n.1. die met Tarente, de rijkste en machtigste der Grioksche koloniën in Znid-ltalië, die Pyrrhus, koning von Epïrus, te hulp riep. Met zijn leger voerde Pyrrhus twintig olifanten over zee. Zij waren overgebleven van diegene, welke Alexander de groote uit Indië had medegenomen, of stamden er van af. Bij 't gebruiken dezer dieren ton behoeve van don oorlog bestond do kunst hierin, dat men zo africhtte om door de rijen van 't voetvolk heen te breken, ze in verwarring te brongen en de manschappon te vertreden. Tweemalen sloeg Pyrrhus, in 280 in Italië geland, hoewol met zware inspanning, de Romeinen; maar in 275 dwong Manius Curius Dentatus, oen man, die in edel zelfgevoel liever hoerschte over hen, dio rijkdommen bezaten, dat dat hij er zelf bezat, door een derden veldslag, dien bij Benöventum (in 't z.w. van Samnium), den koning naar zijn land terug te gaan. Drie jaren later word Tarente ten onder gebracht en daarmede welhaast gohool Boneden-Italië.

Na den oorlog mot Tarente vond men geen staat of stad in Italië, of hij was door een ruimer of enger band aan Rome gehecht. Er waren steden, die men municipia noemde, d. i. die dool hebben aan de lasten, n.1. van Rome's burgers. Zij haddon Romeinscho wetten en waren tot krijgsdienst en tot liet opbrengen van schatting verplicht en doolden, geheel of ten deelo, in het Romeinscho burgerrecht. Zij gingen dus geheel in den Romeinschon staat op, zonder dat de burgers van 't meerendeel der municipia hot stemrecht hadden of ambten mochten bokleeden. Ook sprak er een plaatsvervanger van den praetor te Rome, een proefeclus, recht. Toch was er dit verschil tusschen de municipia, dat sommige zich door hun eigen senaat en overheden mochten laten besturen, andere niet. In een van deze beide toestanden verkeerden de steden van Italië van 338 v. C. tot den oorlog der bondgonooton in 00 v. C.

§ 32.

Dn eerste Punische oorlog. — Van 2G4 tol 241.

Rome's vrees voor de uitbreiding van 't Karthaagsche gebied op Sicilië en wedorzijdscho ijverzucht dor beide staten gaven aanleiding tot den eerste der Punische oorlogen) zóó genoemd naar de Poeniërs, d. i. Karthagors. Terwijl de Romeinen het grootste gedeelte van 't gebied dor Karthagers op Sicilië veroverden, stroopten deze vijanden op de kusten van Italië. Ten einde op den duur togen de Karthagers opgewassen te zijn, rustten de Romeinen, wier kleine vaartuigen zich niet met de groote schepen hunner vijanden konden meten, in zestig dagen een vloot van honderd

-ocr page 85-

65

twintig schepen uit. Met bohnlp van entorbruggen, die den zeeslag als 't ware in een gevecht te land veranderden, behaalde Gajus Duillius in 260 bij Mylae (op de n.o. kust van Sicilië) de eerste overwinning tor zee. Nu vatteden de Romeinen het plan op, don oorlog naar Afrika te verplaatsen. Atilïus Kegülus baande zich den weg hierheen en drong zegevierend tot in de nabijheid van Karthago door. In deze netelige omstandigheden stelden de Karthagers, overtuigd van do onbekwaamheid hunner eigen bevelhebbers, don Spartaan Xanthippus, een aanvoerder van huurbenden, aan 't hoofd van 't loger, die do Romeinen in 265 bij Tunes (ten w. van Karthago) beslissend sloeg en Regülus gevangen nam. In dezen veldslag maakten de Karthagers voor 't eerst gebruik van olifanten, uit Afrika afkomstig. Van Regülus' verdere lotgevallen is niets mot zekerheid bekend dan dat hij later to Karthago stierf.

Door vele verliezen ter zee ontmoedigd, hield Rome's senaat de hand niet langer aan de vloot, welke welhaast niet meer was opgewassen tegen die der vijanden. Daarom waagden een aantal bijzondere personen to Rome, alle wakkere on vermogende mannen, nog een laatste kans. Een vloot, door hun bijdragen uitgerust, onder Gajus Lutatius Catülus dwong de Karthagers onder Hanno in 241 tot een zeeslag bij de Aega-tischo eilanden (ton n.w. van Sicilië). Hoewel Catülus wegens een wonde do leiding van den slag niet op zich kon nemen, bekroonde een schitterende overwinning deze uiterste krachtsinspanning der Romeinen, welke nog in 't zelfde jaar door den vrede werd gevolgd. Do Karthagers moesten Sicilië ontruimen, 3200 talenten (8,448,000 gl.) oorlogskosten betalen en do gevangenen zonder losgeld in vrijheid stellen. Zóó werd Sicilië de eerste der Romeinse,he provinciën of mngewesten, gelijk men die veroverde landen noemde, welke schatting opbrachten en in 't vervolg meestal door jaarlijks aftredende consuls en praetoren, in deze hoedanigheid proconmdft en propraetoren geheeten, werd bestuurd.

Terstond na dezen oorlog kwam Karthago in een zeer neteligen toestand door de overmatige vorderingen zijner huurbenden, die, vereonigd met eenigo onderworpen volksstammen, tot oproer oversloegen. Van dezen voor Karthago gevaarlijken krijg, dien slechts do krachtige hand van hamilcae barcas tot een gelukkig oinde kon brongen, maakten do Romeinen tot hun voordeel gebruik. Onder eon gezocht voorwendsel eischton en verkregen zij, behalve de som van 1200 talonten (3,168,000 gl.), het eiland Sardinië. Na dit verdrag zochten de beide staten, elk in eon bijzondere landstreek, nieuwe bezittingen te verwerven, Hamilcar Barcas en na hem zijn schoonzoon Hasdrübal onderwierpen het grootste deel van Spanje tot den Ibërus. Doch met den laatste sloten de Romeinen, om een dam op te werpen togen de steeds aangroeiende macht der Karthagers in Spanje, een verdrag, waarbij Karthago beloofde, geen leger over den Ibërus te doen trokken. Intusschen vermeesterden de Romeinen Corsica, bonevens oen doel van lllyrië, en onderwierpen Cisalpijnsch Gallic.

Wijnnk, Handboek der Ahj. Geschiedenis, 7«Io druk.

-ocr page 86-

§ 33.

GO

De lwende, Punische, oorlog. — Van 218 tol 201.

Inmiddels was in Spanje Hannïbal, eon zoon van Hamilcar, in plaats van zijn zwager Hasdrübal, door de Karthaagscho troepen tot bevelhebber benoemd en door den senaat te Karthago bevestigd. Was Hamilcar een nitnomond veldheer, llasdrubal een voortreffelijk staatsman geweest, Hannïbal was hot eon en liet ander. Hij was in don vollen zin des woords oen groot man, voortvarend en welberaden, omzichtig en steeds tot krachtig handelen geneigd. Gaarne wondde hij krijgslisten aan. In alle oefeningen van den krijgsman was hij zeer bedreven. Slaap, spijs en drank kon hij, indien hot werd vereischt, licht ontberen, hitte en koude zonder moeite verduren. Snel zette hij, door één gedachte bezield: „Karthago's verheffing, Rome's ondergang,quot; het werk voort, waartoe zijn vader en zijn zwager don grond hadden gelegd. Ten einde gelegenheid te vinden om Rome den oorlog aan te doen, ondersteunde hij die volksstammen in Spanje, die met Saguntum (een stad, in 't o van Spanje, aan zee gelegen en sinds lang met Rome verbondon) in vijandschap waren. Hij belegerde en veroverde deze stad, die zich meermalen tevergeefs tot het dralende Rome om hulp had gewend, in 21!). Zoodra het bericht hiervan tot do Romeinen was gekomen, zonden zij een gezantschap naar Karthago, om de uitlevering van Hannïbal te eischen en anders den oorlog te verklaren. De weigering van het eerste maakte den tweeden Punischen oorlog, den oorlog van Hannïbal, zooals do Romeinen hem noemden, onvermijdelijk.

Het plan der Romeinen om een leger naar Spanje en een ander naar Afrika te zonden voorkwam Hannïbal, althans gedeeltelijk, door zijn roemrijken tocht over de Alpen. Onder bestendige gevechten met woeste volkeren en in weerwil van de tallooze bezwaren eener onherbergzame natuur werd deze onderneming, die Hannïbal op meer dan de helft zijns legers kwam te staan, volbracht. Bij de eerste ontmoeting sloeg hij de Romeinen in 218 tweemaal in Opper-Italië bij de Ticïnus en bij de Trebia. In 217 drong hij tot het Trasimënisch meer (in Etrurië) door, waar hij een derde leger vernietigde. Toen benoemden de Romeinen Quintus Fabïus Maxïmus tot dictator, die, daar hij door een slag te ontwijken krijgskundig den vijand afmatte, don bijnaam cunctator, d. i. de draler, kreeg. Hij trachtte zijn vijand in ongelegenheid te brengen door hem het onderhoud zijner troepen moeiolijk te maken. Desniettemin brachten de dagelijksche strooptochten Hannïbal levensmiddelen genoeg op, en het was niet zoozeer het draion van Fabïus, als de trouw der bondgenooten, die Rome redde. In hot volgend jaar, in 210, werden de consuls Gajus Terentïus Varro en Lucius Aemilius Paullus aan het hoofd der legioenen gesteld, twee mannen, van welke de laatste

-ocr page 87-

I

G7

had besloten, Hannibal slechts op oen gunstig terrein slag te leveren, maar door do onbezonnenheid van den eerste van zijn voornenion werd afgebracht. Op den dag, toen Varro het opperbevel had, bood do mensch-kundige Karthager, die het karakter zijns vijands had doorgrond, do Romeinen bij Cannae (in 't o. van Apulië, ten z. van de Aufïdus) den slag aan. Do nederlaag der Romeinen was verschrikkelijk en werd gevolgd door den afval hunner moeste bondgenooten in Beneden-Italië.

In dien wanhopigen toestand gaf Rome echter den mood niet op. Marcus Claudius Marcellus stak naar Sicilië over, om Syracuse te beoorlogen, dat onder het bewind van Hieronymus (zie blz. 30) van Rome was afgevallen. In 212 veroverde hij de stad, die onder andoren met behulp van de werktuigen van den groeten wiskundige Archimedes, don vijand veel nadeel toegebracht en hot beleg lang en moedig doorgestaan had. Gedurende den oorlog in Italië was ook in Spanje met afwisselend geluk gestreden. Een voor do Romeinen zeer gunstigen keer namen er de gebeurtenissen, sedert de jonge Publïus Cornelius Soipïo, later Africanus major, d. i. do oude, hot opperbevel bekwam. Hij veroverde in 209 Meuw-Karthago, zegevierde over Hasdrübal, Hannibals broeder, en voltooide de verovering van Karthaagsch Spanje. Het laatste ging des te gemakkelijker, daar Hannibal, door zijn vaderland slechts karig ondersteund, zijn brooder uit Spanje tot zich had ontboden. Langs denzelfdon weg, dien Hannibal zich vroeger had gebaand, Italië binnengerukt , word Hasdrübal door de consuls L i v i u s (later wegens het voorstellen en invoeren eener belasting op het zout mot den bijnaam Sali-nator, d. i. zoutkramer, genoemd) en Claudius Nero, welke zich hiertoe met een deel zijner troepen bij zijn ambtgenoot had gevoegd, in 207 bij de Metaurus (niet ver van Sêna, in Umbrië) gedood en zijn leger vernietigd. Dit was hot einde van Karthago's zegepralen in Italië.

Van nu aan bepaalde zich Hannibal, in het land dor Bruttiërs gelegerd, tot zelfverdediging, totdat hij in 203 werd geroepen om Karthago zelf te beveiligen. Want Scipïo, uit Spanje teruggekeord en consul sedert 205, was naar Afrika overgestoken, van plan zijnde hier den oorlog te eindigen. Bijgestaan door den vorst van Oost-Numidië, Masinissa, sloeg hij in 202 do Karthagers onder Hannibal bij Zama (ten z.w. van Karthago). De vrede, in 201 gesloten, schroef voor, dat de Karthagers zich tot Afrika moesten beperken, hun oorlogschepen op tien na uitleveren, 10,000 talenten (26,400,000 gl.) betalen en zonder Rome's toestemming geen oorlog mochten beginnen. P. Corn. Scipïo verwierf nu den bovengonoomden bijnaam. Hannibal zelf moest later, om Rome's haat te ontgaan, zijn vaderstad verlaten. Hij begaf zich eerst naar Antïochus III of den grooto van Syrië (zie blz. 51), vervolgons naar Bithynië. Toon hij hier op het punt was in handen der Romeinen te geraken, nam hij in 183 vergif in en stierf.

-ocr page 88-

(38

§ 34.

Uitbreiding van Rome's heerschappij in Italië, in hei Oosten en in Spanje. — De derde Panische oorlog, van 149 tot 140.

Karthago was diop vernederd, on snel ging Rome voort op de baan, die tot do wereldheerschappij voerde. Hot streven der Romeinen naar dit dool word begunstigd zoowol door hun krijgskunst, als inzonderheid door hun staatkunde, welke de staten van den tweeden rang togon die van don oorsten beschermde on groote tegonvorbonden wist to verhinderen. Ook word dit dool van den machtigen staat in de hand gewerkt door de zwakheid der Oosterscho rijken, de bedorvenheid dor vorston, de karakterloosheid dor volken en het verval van hun krijgswezen. Hot eerst werd de oorlog verklaard aan Philips V, koning van Macedonië, dewijl hij, toon Hannibal nog in Italië stond, mot hem een verbond had aangegaan on 't stoute plan ontworpen Rome met vereende krachten aan te vallen. Do oorlog eindigde ton nadeele van Philips V. Hij werd hervat onder Philips' zoon on opvolger Per sous; maar do Romeinsche veldheer Lucius Aemilius Paullus, de zoon (zie blz. 00), versloeg in 108 bij Pydna (in 't z.o. van Macedonië aan zee) do tot dusver voor onoverwinnelijk gohoudon phalanx (zie blz. 40). Persous gaf zich op genade en ongenade over en stierf weldra in Italië; Macedonië werd in vier-doelen verdeeld. Twintig jaren later werden do vier doelen tot een wingewest bijeengevoegd.

De Syrische oorlog, dien Rome togen Antiochus III (zie blz. 51) voerde, dwong hem in 189, zijn land tot don Taurus on de Halys, d. i. nagenoeg geheel Klein-Azië, af te staan. Do onderwerping van hot Aotolisch verbond (zie blz. 53) volgde op dien van Syrië. In 140 bezweek ook het Achaoïsch verbond (zie blz. 53) en werd Griekenland, onder den naam Aehaje, in hot Romeinsche rijk ingelijfd. Ook de kleinere staten lllyrië en Epïrus werden doelen van liet wereldrijk. In Spanje oorloogde Rome schier do gansoho tweede eeuw door, totdat met den val van Numantia (in 't n. van Spanje aan de Durius of Duëro) in 133 zijn verovering was voltooid. Eindelijk kroeg Rome in 130 nog Pergamus (zie blz. 51).

Intuaschen beroofde Masinissa, door do Romeinen aangezet, sedert liet. vertrek van Hannibal uit Karthago, dit volk van de oone landstreek na do andere. Do naijver van Rome rustte niet: „Karthago moet verwoest wordenquot; waren do woorden, waarmede Cato de oude, wat iiij in den senaat ook voordroeg, altijd zijn rede sloot. Lang getergd, vat-toden de Karthagors eindelijk do wapens tegen Masinissa op. Deze vredebreuk had Rome lang gewonscht. Eerst vorderde de senaat van hot verschrikte volk drie honderd kinderen uit do aanzienlijkste familiën als gijzelaars. Toen oisohten de consuls, in Afrika geland, uitlevering van de wapens der Karthagors en van hun krijgsvoorraad, en, nadat dit alles

-ocr page 89-

GO

bereidwillig was gegeven, dat zij hnn stad oen eind weegs dieper landwaarts in zonden verleggen. Hot berioht van dezen laatston eisch verwekte een algemoene woede. Twee jaren lang bood de stad een wanhopigen tegenstand. Eerst in 14G veroverde haar do jonge puuljus corn. Scipïo AEMiLiaNUS, een zoon van Aomilins Paullns en aangenomen zoon van Scipio, een zoon van Afrieanus den onde. Bijna alle inwoners waren door 't zwaard of in de vlammen omgekomen; de stad zelve werd tot op den grond geslecht en haar gebied een Eomeinsoh wingewest, onder don naam Afrika. Scipio werd de eernaam Afrieanus minor of dc jonyc toegevoegd. Op geen vroegere of latere overwinning was Homo's volksgevoel trotscher dan op deze.

§ 35.

Dc Gracchussen. — Van 133 lol 121.

Zoo was dan Rome machtiger dan ooit. Over drie werelddeelen strekte zich zijn heerschappij nit. Een eenw van rnst en welvaart scheen te zullen beginnen. Doch die in de verte schitterende luister was bedriegolijk. Meer en meer bleek het, dat in Rome's raaatschappelijken toestand gebreken waren ingeslopen, die den staat met verval bedreigden. Mettertijd had zich, na de gelijkstelling der oude standen voor de wet te Rome, zoowel uit de patriciërs als uit de plebejers, een nieuwe klasse van aanzienlijken gevormd, de oplimaten of nolitles, d. i. edelen, in wier geslachten do hooge ambten zoo goed als erfelijk werden, die in 't uitsluitend bezit dor staatslanderijen waren en zich als stadhouders der wingewesten verrijkten. De tegenstelling vormden die burgers, welke geen vermogen bezaten en daarom hun stem in de volksvergadering dikwijls veil hadden. Bovendien kwam thans de stand der ridders op, welke uit hen bestond, die een vermogen bezaten, gelijkstaande met dat van tie zoodanigen, die vroeger als ruiters bij 't leger dienden (zie blz. 57). Van nu aan was de krijgsdienst zelf echter geen vereischte moer om hiertoe te behooron, maar traden de ridders doorgaans op als pachters der inkomsten van don staat in de wingewesten en wonnen hierbij veelal zware geldsommen.

Voorheen was hot grondbezit in Italië in handen van verscheiden kleine eigenaars. Doch hoe langer .hoe meer was do grond het eigendom go-worden van oonigo weinige aanzienlijke mannen. Do voormalige kleine landbouwers waren bijna overal verdrongen. En vermits de grooto hoeren hun landgoederen door slaven lieten bebouwen, kondon die kleine landbouwers zelfs als arbeiders geen bestaan vindon, 't Gevolg was, dat oen menigte behoeftige lieden voortdurend naar Rome trok, om or den hoop leegloopers te vorgrooten, die zich liet bodeolen en voor gold stemde, zooals hun werd gelast. Mot do grooto ongelijkheid van vermogen en de ophooping van allen rijkdom in de handen van weinigen ging de ontaarding der

-ocr page 90-

70

voorheen convoudigo zeden hand in hand. Hoe gelukkiger Rome was in de bnitenlandsche oorlogen, hoo meer schatten zijn zegevierende legers uit allo bekende landen do hoofdstad toevoerden, des te grooter word do weelde en do verslapping dor oude veerkracht. Burgermoord, omkoopbaarheid, misdaad en ondeugd heerschten meor en meer.

Tot do mannon, die in do verbastoring des volks en in do gebreken van den tijd liet naderend verderf van don staat te gomoet zagen en dit poogden togou to gaan, behoorden vooral tusehius en oajus c;uaccu us. Besloten hebbende liet volk door het geven van grondbezit op te beuren en het algemeen welzijn tot staatsbeginsel te maken, bracht Tiberius, in 133 volkstribuun geworden, het ontwerp dor akkerwet van Licinius (zie blz. 01), roods lang in vergetelheid geraakt, op nieuw op hot tapijt; al wat iemand meor dan 500 jugera (zie aldaar) aan staats-landorijon bezit zal van staatswege ingetrokken en bij kleine godoolton onder minvermogende burgers of onder Italiaansche bondgenooten worden verdeeld. Om do aanneming dezer wet te bevorderen, voegde hij er de beperking bij, dat de toenmalige bezitters voor eiken volwassen, van de vaderlijke macht ontslagen zoon, mits voor niet meer dan voor twee, nog 250 jugera konden behouden. De wet word aangenomen, doch Tiberius Gracchus kort daarna op een dag, toon er eon volksvergadering werd gehouden, bij oen aanval dor senatoren en hunner cliënten op het volk in het gedrang geveld.

Gajus Gracchus hernieuwde, in 123 tot volkstribuun benoemd, met gunstig gevolg het ontwerp van de akkerwet zijns broeders, mot weglating der beperking. Andere wetsontwerpen van Gajus, die werden aangenomen, vorderden, dat de ridderstand werd geroepen tot het be-kleeden van het ambt van rechter, dat don senatoren werd ontnomen, on dat het eindoordeel van leven en dood oens burgers in de volksvergadering werd geveld. Doch ook hij viel, als een slachtoffer van den haat zijner vijanden, de optimaten, bij een oploop in 121. Men begrijpt, dat nu alles, wat de Gracchussen hadden tot stand gebracht, woldra weder krachteloos werd gemaakt of opgeheven.

§ 30.

Dc Jugurthjnscho oorlog. — De Cimhren cn de Tcutonen. — De Marsische oorlog. — De eerste Mithradatische oorlog. — De eerste burgeroorlog. — Van 112 tol 81.

De verdorvenheid dor optimaten openbaarde zich vooral in den Juger-thjnschen oorlog, 112—106. Jugurtha, een der koningen van Numidië, vermoordde zijn modekoningen, kleinzonen van Masinissa en Rome's bondgenooten. Bij het bedrijven dezer wandaden rekende do sluwe man op do kracht van 't geld on op de veilheid der optimaten. Hierin bedroog

-ocr page 91-

71

hij zioli niet; onikooping verzekerde hem van de werkeloosheid van eenige der Romeinsehe veldheoren, die iiom moesten beoorlogen. Doch het rijk dor ongerechtigheid is niet bestendig. In 109 toog de omkoopbare consul quinïus mktkllus togou Jugurtlia to velde en behaalde een beslissende overwinning. Hoewel de bijnaam numidïcus, dien men hem gaf, bewijst, dat hot volk do diensten, door hom bewezen, niet vergat, moest iiij, als optimaat, toch welhaast voor de euveldaden van zijn stand boeten.

Immers hem werd do voot gelicht door zijn legaat of onderbevelhebber gajus MAiiïus, den zoon van een daglooner te Arpïnum (in 't o. van Latium), die ruw on onbeschaafd bleef, doch zich allengs door zijn dapperheid en orvarenis in don oorlog oen groeten naam als krijgsman verwierf. Later, een man van invloed, voerde hij allerlei hervormingen, afwijkende van de vroegere bepalingen (zio blz. 57), bij hot loger in. Zoo stelde hij vast, dat elk Romeinsch burger, ook al bezat hij geen vermogen, als soldaat bij dc legioenen of legers kon dienen. Thans, dooide gunst des volks tot consul verheven, sloeg hij in 107 Jugurtlia en zijn bondgenoot Bocchus van Maurotanië (do kuststreek ton w. van Numidiö) bij Cirta (in 't n. van Numidiö). Do oor der volledige zege viel nogtans niet hom alleen ten deel, want zijn quaestor (bestuurder dei-geldmiddelen van 't leger), Lucius Cornelius Sulla, was het, die den oorlog geheel eindigde door Bocchus tot de uitlevering van den tot hot uiterste gebrachten Jugurtlia te bewegen. Numidiö word nu verdeeld onder eenige vorston, die hierdoor tegelijk onderdanen van Rome werden. Jugurtlia woonde geboeid den triomf van Marïus bij on stierf daarna den hongerdood in den kerker.

Niet lang na dezen oorlog werd do overwinnaar van den Afrikaanschen vorst de redder van zijn vaderland. De Cimbren en dc Teutonen, Ger-maansche stammen van oen forsche, reusachtige gestalte on woeste dapperheid, bedreigden Italië en gaven als 't ware 't voorspol der latere volksverhuizingen van die talrijke en woeste stammen, die in de vierde eeuw n. C. 't Romeinsehe rijk overstroomden en eindelijk den rijkszetel omverwierpen. Maar nog was hun tijd niet gekomen. In 104 droeg men, in strijd met do wet, die een herkiezing binnen tien jaren verbood, aan marïtjs wederom het consulaat op, hetwelk hij nu vele malen ach toreen boklooddo. Marïus herstelde eerst do krijgstucht onder de Romeinsehe soldaten en gewonde hen aan het vreeslijk gezicht der barbaren en van hun strijdbijlen. Vervolgens vernielde hij in 102 do Teutonen bij Aquae Sextiae (in 't z. van Oallië, ten n. van Massilië) on sloeg de Cimbren in 101 in don beslissenden veldslag op do Campi Raudii (do Raudische volden) bij Vorcellae (ten w. van de Ticïnus). Zoo werd Rome gered, en Marïus kroeg in 100 hot zesde consulaat tot belooning en word „de derde Romulus,quot; „do tweede Camillusquot; genoemd. Van dit oogenblik aan word hij hot hoofd dor volkspartij.

Bijna nog grootere gevaren dan de pas doorgestane bedreigden Rome

-ocr page 92-

72

door den oorlog der bondgenooten, 90—88, ilie ook wol de Marsische wordt gehoeton. Do oorzaak was, dat de bewoners van eigenlijk Italië het Romeinscko burgerrecht verlangden en hiermede aandeel aan hot bestuur over het rijk, dat ook door him inspanning was veroverd. Toon Rome weigerde, besloten de moeste Italische bondgenooten, de Marsen, de Samnieten, de Lucaniörs, tot de oprichting van een bondstaat. Geheel Italië zoude óén republiek en Corfmium (in 't n. van Saranium) do hoofdstad worden. Alzoo ontstond een strijd, mot felle verbittering gevoerd, waarin Italië aan gruwelijke verwoesting werd prijs gegeven. Slechts door verstandige toegevendheid behaalde Rome de zege. Mon deelde n.1. in 90 v. C. eerst aan de trouw gebleven bondgenooten en vervolgens aan al diegenen, welke de wapens nederlegden, hot Romoinsche burgerrecht uit. De nieuwe burgers werden vooreerst slechts in acht van de bestaande tribus, maar kort daarna in alle vijfendertig ingedeeld. Zóó werd door dezen oorlog de betrekking van Rome tot Itnliö inderdaad gewijzigd: in plaats van heersehende stad te zijn bleef het van nu aan niet moor dan zotel der regeering.

In dezen oorlog onderscheidde zich, naast Marrus, inzonderheid lucius cojinelius sulla (zie blz. 71), die zich gaarne de gelukkige liet noemen, een man, uit een aanzienlijk geslacht gesproten, ervaren als veldheer en als staatsman, van een zeldzame geestbeschaving, doch zedeloos on, waar hot zijn oogmerken schenen mede te brengen, onmen-scholijk wreed. Hij ontwierp liet plan, de meer en meer veld winnende democratie te vernietigen en de voormalige aristocratie te herstellen: dus stond hij tegenover Marïus, het hoofd der volkspartij. De aanleiding tot de eerste vijandelijkheden tusschen hen leverde de eerste oorlog tegen Mithradates VI Eupator (d. i. van edele afkomst zijnde), koning van Ponlus, oen rijk, dat zich niet bepaalde tot hot landschap van dien naam (in 't o. van KIoin-Azië, ton z. van de Zwarte Zee), maar bovendien vele der aangrenzende gewesten bevatte. Nadat Mithradates zijn rijk naar liet Oosten een belangrijke uitbreiding had gegeven, wendde hij zicli mot hetzelfde oogmerk ook naar het Zuiden en het Westen.

Snel bijna geheel Klein-Azië in bezit hebbende genomen, geraakte hij alzoo in botsing met Rome, hetwelk vooral in bitteren haat ontstak, toen Mithradates in 88 op éón dag 80,000 of, volgens andere berichten, nog veel meer Romeinen in de verschillende steden van Klein-Azië liet vermoorden. Do senaat droog aan Sulla het opperbovolhe.bberschap op, maar, geheel in strijd met de oude gebruiken, ontnam oen besluit der volksvergadering het hom weder en bekleedde er Marïus mode. Zoodra evenwel Sulla mot zijn legioenen uit Campaniê naar Rome trok, om mot geweld zijn recht te handhaven, vlood Marïus naar Afrika. Op deze vlucht trachtte de oude man zich nabij Minturnae (in 't z.w. van Latium) in een moeras to verbergen. Opgespoord, werd hij naakt en mot modder overdekt naar de stad gesleept en ontkwam slechts door een gelukkig toeval. Don slaaf, oen Cimbriër, wion gelast word, hem te dooden, viol van

-ocr page 93-

73

schrik de bijl uit do handen, toen de geduchte overwinnaar der Tontonen en Cimbron hora mot tlonderendo stem toeriep: „wat, zoudt gij Marius durven dooden?quot; Hierop lieten de burgers van Mintumae Marius ongehinderd zijn vlucht naar de puinhoopen van Karthago voortzetten. Sullu, inmiddels naar Griekenland overgestoken, sloeg het leger van Mithradates en dwong den koning tot het sluiten van oen nadeeligen vrede.

Middelerwijl was Marius in 87 naar Rome teruggekeerd en deed dm eersten burgeroorlog ontvlammen tegen Sulla's aanhangers, die met woeste wreedheid werden vervolgd en gedood. Doch weldra stierf Marius, pas tot het zevende consulaat verheven. Sulla, hierop te Rome teruggekomen, roeide nu de gansche volkspartij uit en maakte hierdoor in 81 een einde aan den burgeroorlog. De lijsten van vogelvrijverklaring (proscriptio), die hij liet opmaken, kostten aan duizenden het leven, terwijl hun vermogen aan den staat verviel. Na het uitroeien zijner tegenpartij ging Sulla over tot de hervorming der staatsregeling en liet zicli voor een onbepaalden tijd tot dictator benoemen. Aan de volkstribunen ontnam hij het recht om wetten voor te slaan; den senaat gaf hij de rechtsmacht (zie blz. 70) terug en stelde tegen allerlei misdaden bijzondere gerechtshoven in. Twee jaren lang behield Sulla zijn overgroote macht. Toon legde hij in 78 de dictetuur neder en stierf reeds na oen jaar, gesleten in buitensporig zingenot. Als erfgenaam van zijn aanzien trad Gnaeus rompejus op, dien Sulla zelf boven al zijn aanhangers steeds met onderscheiding had gehandeld.

§ 37.

Dc slavenoorlog. — De oorlog tegen de xeeroovers. — De derde Mi-thradatische oorlog. — Het eerste driemanschap. — De tweede burgeroorlog. — Van 74 tot 44.

Te Capua waren gebouwen, waarin men een menigte slaven, groo-tendools krijgsgevangenen, bewaarde en oefende, die elkander bij do spelen, tot verlustiging van 't volk, als zwaardvechters op leven on dood moesten bestrijden. Een groot aantal van hen, wien 't was gelukt uit te breken, begon onder aanvoering van Spartacus, Italië af te stroo-pon. De eer, hen ten laatste te hebben overwonnen, kwam mahuus LiciNÏtrs ciiAssrs, mede een gewezen onderbevelhebber van Sulla, toe, die hun in 71 bij de Si Jar us (de grensscheiding van Lucanio cn Campanië) een beslissende nederlaag toebracht. Aan eon nog overgebleven bende, van zins naar Gallië te trokken, welke gnaeus pom pejus, dio weldra den bijnaam de geoote kreeg, in Noord-l'talië ontmoette, bracht hij den laatsten slag toe. Behalve door dozo daad verwierf Pom-pejus zijn grooton naam door hot uitroeien of althans moor onschadelijk maken dor zooroovers, die den toevoer van koren onderschepten, in 07,

-ocr page 94-

74

alsmede door hot roemrijk eindigen van den derden Mithradatischen oorlog. Nadat toch Lncnllus don koning reeds zeer had verzwakt, overwon Ponipëjns hem in (iö bij den Euphraat, waarop Mitliradates zich door oen /.ijnor dienaren liet dooden. Bij deze gelegenheid voegde J'ompejus Syrië mede aan Kome's gebied toe en maakte do Joden, die destijds door het huis dor Makkabaecn (zie blz. 51) werden geregeerd, afhankelijk van do Romeinen.

Hoe rijp de staat er voor was, de buit te worden van oen zijner voldhceren, vermits hot volk, tot wolk doeleinde ook, zijn stem voor geld veil had, is boven gebleken. Zoolang evenwel Pompêjus nog te Komo vertoefde, bleef het tamelijk rustig. Na zijn vertrok ontstonden er op nieuw allerlei gosehillen tussehen de optimaten en de volkspartij. Bij dergelijke gesteldheid van zaken kon het niet licht ontbreken aan eerzuchtige, niets ontziende mannen, die de orde der dingen zochten om fe koeren en ziehzelven aan 'troor van den staat te plaatsen. Vele der zoodanigen vcreenigden zich, ten einde liet schrikbewind van Sulla te horstellen, onder Lucius Sergïus Catilïna, oen aanzienlijk en talentvol man, maar mot ondeugden besmet en mot schulden overladen. Docli de waakzame consul ma ju; us tuli.ïus cicebo ontdekte en verijdelde de samenzwering. Catilïna zelf sneuvelde in G2 bij Pistorïa (in 't n. van Etrurië) togen Rome's krijgsbenden. Intusschen is het niet juist deze daad, die Cicero's naam heoft vereeuwigd. Zijn roem is inzonderheid, dat hij als redenaar en wijsgeer boven alle Romeinen uitmuntte, in één woord, dat hij het sieraad is der Latijnsche letterkunde. Menige rede over staats- en rechtszaken, zoowel als 's mans brieven en die geschriften zijner hand, waarin hij zijn landgenooten met de denkbeelden dor Grieksche wijsgeeren bekendmaakt, strekken hiervan ten bewijze.

Met het onderdrukken der samenzwering van Catilïna waren de vroegere volksgeest en de eerbied voor orde en wet niet tegelijk herboren. Deze gesteldheid van zaken deed gajus julius caesak, een eerzuchtig man, die zich later als veldheer, partijhoofd en redenaar uitstekend onderscheidde en, als geschiedschrijver, de historie der door hem gevoerde oorlogen te bock stelde, het denkbeeld opvatten, zich met Pompêjus, die op den senaat was gebeten, en met den overmatig rijken Crassus nauw te verbinden. Deze verbintenis, welke eerst geheim werd gehouden, maar waarvan de strekking spoedig voor ieder duidelijk werd, noemt men hrt eerste driemanxchap of triumviraat (CO). De invloed der driemannen op liet volk hielp hon aan de gewichtigste ambten en wingewesten. Zrtó werd Caesar consul en proconsul over Gallic, wolk wingewest Lij togen de gewoonte vijf jaren lang behield; Pompêjus kreeg Spanje, Crassus Syrië.

In ïransalpijnsch Gallië onderwierp Caesar door onophoudelijke gevechten do talrijke Gallische stammen, streed ook mot Germaansche volkeren on ging zelfs, ofschoon zonder verdere gevolgen, over don Rijn

-ocr page 95-

7ft

en naar Britanniö. Vermits do Galliërs telkens weder opstonden, werd Caesars proconsulaat in 55 voor vijf jaren verlengd en duurden de oorlogen in Gullië in 't geheol acht jaren. Deze oorlogen maakte Caesar dienstbaar aan zijn plannen: zij vormden hem tot een volkomen veldheer, terwijl hij ter zolfder tijd grooton krijgsroem verwierf en zich een eigen leger schiep, bereid om hem op al zijn wegen te volgen. Intussehen bleef Pompêjus, zijn proconsulaat door een paar zijner aanhangers latende waarnemen, te Rome, waar hij zich in 't jaar 52 v. C, het consulaat zonder ambtgenoot liot opdragen en alzoo, gedurende oonige maanden, metterdaad als dictator een onbeperkte opperheerschappij oefende. Crassusdaarentegen, naar Azië vertrokken, viel in 53 in den strijd tegen de Farthen (zie blz. 51), die in de landstreek, ten o. van hot Komeinsche gebied gelegen, woonden, kort na een geduchte nederlaag bij Carrae (in 't w. van Mesopotamiö) te hebben ondergaan.

Thans werd het driemanschap metterdaad ontbonden en sloot zich Pompêjus, uit ijverzucht tegen zijn mededingor, bij den senaat aan, die Caesar gelastte, het beheer over zijn gewesten neer te leggen en het leger af te danken. Toen de eisch van Caesar, die hetzelfde van Pompêjus verlangde, door dezen machthebber was afgeslagen, trok hij over de Rubieo, de zuidoostelijke grens van zijn gewest en do noordoostelijke van don eigenlijken Romeinschen staat. Alzoo de oude bepaling schendende, dat geen stadhouder aan 't hoofd van zijn leger de grenzen van zijn gewest mocht overschrijden, kwam hij feitelijk in opstand tegen den senaat. De teerling was geworpen, en dc tweede burgeroorlog (49—45) begon. Binnen twee maanden was de eerzuchtige, die eens had gezegd, liever de eerste in een dorp dan de tweede in Rome te zijn, meester van Italië en van de schatkist, terwijl Pompêjus, die had gemeend troepen uit don grond te kunnen stampen, nog onvoorbereid, met zijn partij over de Adriatische Zee vlood. Do hoofdslag greep in 48 plaats nabij Pharsalus (in Thessalië), waar Caesar een volkomen overwinning behaalde. De overwonnene, geheel radeloos, begaf zich overhaast naar Aegypte en werd er op last van het hof vermoord. Het spoor van Pompêjus volgende, kwam Caesar te Aloxandrië en geraakte hier in oorlog met Ptolemaeus XII, dien hij weldra overwon en die in den Nijl verdronk. Aegypte word nu door Caesar, onder Rome's oppergezag, aan Ptolemaeus' XII zuster Cleopatra geschonken, onder voorwaarde dat zij haren jongeren broeder, Ptolemaeus XIII, als moderegent aannam, die kort daarna stierf.

Daarop overwon Caesar achtereenvolgens al zijn tegenstanders in Azië, in Afrika on in Spanje. Toen Cato de jonge of van ütïca (ten n. van Karthago), een achterkleinzoon van Cato den oude (zie blz. 08) en een man van oud-Romeinsche deugd en gestrengheid, de nederlaag der zijnen had vernomen, doodde hij zichzelf in die stad, ten einde de vrijheid van zijn vaderland, d. i. den ouden staatsvorm, niet to overleven. In Spanje versloeg Caesar in 45 bij Munda (ton n. van het Oude Arunda, hot hedon-daagsche Ronda, in 't z. van Spanje) het leger, dat onder bevel stond

-ocr page 96-

7G

van Pompcjns' zonon, Soxtus on Gnaeus. Gnaeus werd op do vlucht vermoord; maar Soxtus ontkwam on trad later weer op. Naar Rome teruggekeerd, vierde Caesar talrijke zegepralen. De senaat schonk hom allerlei titels en eerbewijzen. Ilij werd dictator, eerst voor een of meer jaren, later levenslang, en consul voor een reeks van jaren, ook eens zonder ambtgenoot. Verder werd hem de bevoegdheid van het censorschap toegekend, alsmede die van het volkstribnnaat. Ook kreeg hij voor zijn leven den titol imperator, welke voorheen slechts voor do dagen van den triumf of de zegepraal werd toegekend aan den veldheer, die een luisterrijke overwinning had behaald.

Het spreekt evenwel vanzelf, dat al deze en andere onderscheidingen niets dan uiterlijke tooi of sieradiën waren eener macht, die hij zichzelf had verschaft, en van welker behoud hij verzekerd was, zoolang hij op de ondersteuning van zijn leger kon rekenen. Van zijn zijde schonk Caesar ruime giften aan het volk en aan de soldaten en verlustigde hen mot schitterende spelen. Dat senaat en volksvergadering thans niets meer beteekenden volgt uit het bovenstaande, en evenzeer, dat geen overheidspersoon langer eenig zelfstandig gezag kon oefenen. Als pontifex maxïmus (zie blz. r)6) verbeterde Caesar de tijdrekening met behulp van den Alexandrijnschen sterrekundige Sosigbnes. Nadat hij n.1., om de verwarring ten eenen male te doen ophouden, het jaar 4G op 445 dagen had bepaald, regelde hij dit voor do toekomst, gelijk boven (zie blz. 2) is gezegd. Doch al het goede, dat hij beoogde en tot stand bracht, was niet in staat den haat weg te nemen der overwonnen partij. Meer nog dan door de macht, die hij zich aanmatigde, gaf Caesar aan zijn vijanden hierdoor aanstoot, dat hij, gelijk men meende, ook naar de uiterlijke teekenon van 't gezag stond en, zelfs in de vormen, den senaat vernederde en geringschatting voor de Republiek aan den dag legde. Verbittering werd hieruit geboren, en moer dan zestig mannen verbonden zich, om 't gezag van den senaat, don ouden staatsvorm, te herstellen. Aan hun hoofd stonden Marcus lunius Brutus, een bijzonder gunsteling van Caesar, on Gajus Gassius Longïnus. Den laden Maart 44 werd Caesar, meer dan eens, maar tevergeefs, gewaarschuwd, door de samenge-zworenen iu den senaat geveld. Hij had den ouderdom van ruim vijftig jaren bereikt.

§ 38.

Hel tweede driemanschap. — Van 43 tot 31.

Volk en senaat waren niet zoo afkecrig van do alleenhcorschappij geweest als de eedgenooton hadden gemeend. In hun hoop op do toetreding van velen bedrogen, zagen zij zich tot wijken verplicht. To moor achtten zij dit noodig, toen ma ecus antonius, consul en gewezen veldheer van Caesar, beproefde Caesars plaats in te nemen. Ter ongelegener

-ocr page 97-

77

ure voor Antonius verscheen dus oajus .iitlius caesar octavius, een kleinzoon van Caesars zuster, daarenboven zijn aangenomen zoon en voornaamste erfgenaam, die zich, om den voet in den stijgbeugel te zetten, voorshands met den senaat vereenigde. Thans hield Cicero in den senaat achtereenvolgens — op een enkele na, welke hij niet voordroeg, maar toch bekend maakte, — zijn beroemde veertien Philippische redevoeringen tegen Antonius. Weldra wierp Octavius, van nu aan ook wel Octavianus geheeten, het masker af. Door een stouten marsch naar Rome verwierf hij het consulaat en verbond zicli hierop met de vijanden van den staat: zóó werd liet werktuig werker. Op die wijze ontstond in 43 het tweede driemanschap tusschen Octavius, Antonius en Lepidus, wier oogmerken op de vervolging der republikeinscho partij en op de verdeeling der wingewesten doelden. Wat zij onder elkander hadden besloten moest een volksvergadering, nadat zij hun intocht te Rome hadden gehouden, bekrachtigen. Op nieuw werd deze stad thans hot tooneel van tallooze vogelvrijverklaringen. Ook Cicero werd er door getroffen, die op zijn vlucht naar Macedonië bij Cajëta (in z.w. van Latium aan zee) door Popillius Laenas, eons door hem in een belangrijk rechtsgeding verdedigd, en door Herennius werd achterhaald en vermoord. Naar Macedonië getogen, versloegen Octavius en Antonius in twee veldslagen bij i'hilippi (in 't o. van dit land) in 42 Brutus en Cassius, de laatste verdedigers van den ouden staatsvorm. Zóó werd hot lot van Komo beslist. De vrijheid van dezen staat, die niet een Brutus was begonnen, eindigde met den zelfmoord van Brutus, nadat ook Cassius bij do eerste nederlaag zichzelf om het leven had gebracht.

Van dit tijdstip af beschikten de overwinnaars naar eigen goedvinden over liet gansche rijk. Antonius begaf zich naar Aloxandrië tot Cleopatra, Octavius naar Italië. In Aegypte doodde Antonius zijn tijd met zwelgerijen en wellustige vermaken. De tweedracht, die eerlang op het punt was tusschen hem en zijn mededinger los te breken, werd voor het oogenblik nog onderdrukt door oen samenkomst in 4ü, waarbij zij, na twee vroegere verdeelingen, nu voor do derde maal het. Romeinsche rijk op dien voet onder elkander verdeelden, dat Antonius het Oosten, Octavius bet Westen kreeg, terwijl Scodra (ton n. van Dyrrhachium in Tllyrië) do grens tusschen beider gebied zou zijn. Lepidus, die steeds een ondergeschikte rol speelde, bekwam Afrika. De verschijning van den ter zee machtigen Sextus Pompejus (zie blz. 70) had veel tot deze verzoening bijgedragen. Aanvankelijk stond men hom Sicilië, Sardinië on Corsica af; doch hij verloor deze eilanden weder, na in 30 bij Mylae (zie blz. 05) tor zee te zijn geslagen door Octavius' bevelhebber Marcus Vipsanius Agrippa. Pompejus werd kort daarna in Azië gedood, en Lepidus, oen poging wagende om die eilanden aan zich te trekken, werd van Afrika beroofd en moest zich mot de waardigheid van pontifex niaxïmus tevreden stellen.

Bij gebrek aan verdere afleiding kon de oorlog tusschen de beide

-ocr page 98-

78

hoofdpersonen niet langer uitblijven. Antonms, dio inmiddels een onge-Inkkigen krijg tegen de Parthen had gevoerd, maakte zich ten laatste door zijn gedrag in Aegypte den naam Romein geheel onwaardig. O. a. schonk hij landen van den Romeinsclien staat aan zijn kinderen, bij Cleopatra verwekt. De senaat, nog altijd met den schijn der oude oppermacht bekleed, verklaarde dus aan Cleopatra, alzoo ook aan Antonius, den oorlog. Do gedenkwaardige zeeslag bij het voorgebergte A otium (in 't n.w. van Acarnanië) in 31 besliste den strijd ton gunste van Octavius. Het eerst vluchtte Cleopatra naar Aogypte; haar volgde Antonius, en beiden doodden zicli hier. Aogypte werd een Romeinsch wingewest en Octavius alleenheerscher over het groote rijk, dat zoovele van de volkeren in zich bevatte, die de onde geschiedenis kont.

§ 39.

Augustus. — Van 31 v. C. tol 14 n. C. — Het Christendom.

Caesau ocTAViiiNiis, van nu aan augustus (de geheiligde) genoemd (151 v. C.—14 n. C.), werd thans inderdaad alleenheerscher, maar met behoud der oude vormen. Den senaat hield hij schijnbaar in eere, ofschoon hij dien slechts zelden raadpleegde. Voor de zekerheid van zijn persoon richtte hij een lijfwacht, eohortes praetorianae, op, welker bevelhebber, prcuifeclus practorio genoemd, weldra naast den keizer de gewicli-tigste man in den staat werd. De geringe volksklasse hield hij, behalve dooi' 't zorgvuldig bewaken van Rome, vooral hierdoor in bedwang, dat hij de hoofdbehoeften dier lieden, voeding zonder werk en ijdele nieuwsgierigheid, in ruime mate bevredigde. Alzoo konden zij niet meer tot werktuigen dienden van hen, die den staat poogden omver te wei-pen, daar zij weldra inzagen, dat zij, mits zij zich niet om staatszaken bekommerden, meer levensmiddelen en gelegenheid tot uitspanning bekwamen dan voorheen. Bij herhaling hadden er gevechten van zwaardvechters on allerlei wilde dieren plaats, en ook aan voorstellingen van veld- en zeeslagen ontbrak het niet. Do stad Rome werd in veertien regiones of wijken verdeeld. Evenals Caesar en de volgende keizers begon Augustus ook Germanen in de legioenen op te nemen. Over 't geheel regeerde hij mild en wijs: hij zorgde krachtig voor de rust en de veiligheid, ging door menige wet de toenemende zedeloosheid tegen en bevorderde vooral do beschaving van den geest. Namen, als die van den geschiedschrijver Titus Tiivius, van den heldendichter Publius Vergilius Maro, van don lierdichter Quintus Horatius Flaccus en vele andere getuigen van den bloei der Romeinsche letterkunde in zijn tijd.

Onder do oorlogen, gedurende de regoering van Augustus gevoerd, komen vooral die tegen de Germanen in aanmerking. Drusus, de jongste stiefzoon des keizers, drong 12—9 v. C. tot dc Elbe door en sloot een

-ocr page 99-

70

verbond met de Bataven, welke Augustus zelf ouder zijn lijfwacht opnam. Vorder liet Drusus oen gracht graven tusschen Arnhem en Doesburg, bekend onder den naam van Drususgracht. Later onderwierp hij dc Friezen, wion een jaarlijksche schatting van ossenhuiden werd opgelegd. Na zijn dood gingen andere veldheeren voort, do noordelijke Germaanscho stammen te onderwerpen. Maar do overmoed van den landvoogd Quinctilius Varus knakte do macht dor Romeinen in deze streken. Herman, dooide Romeinen Arminins geheeten, een vorst dor Cheruscen, vereonigdo vele zijner landslieden en sloeg in 0 n. C. den zorgoloozen Varus beslissend in een driedaagschen veldslag in liet Teutoburger woud (ten o. van Padorborn, ten w. van de Wezer). Sedert dezen tijd vergenoegden zich de Romeinen mot het behoud der landen, tusschen den Donau, den Rijn en de Main gelegen.

Do in vele opzichten zoo gelukkige Augustus bleef toch niet verschoond van rampspoeden: al zijn naaste betrekkingen overleden vóór hem. Tiberius, de lievelingszoon zijner derde, heerschzuchtige gemalin Li via, werd zijn opvolger.

Terwijl Augustus keizer van het Romeinsche rijk en Herödes de groote (zie blz. 51) koning der Joden was, werd jezus chhistus in liet Jood-sche land geboren, naar mon doorgaans opgeeft, in hot jaar TfiB na de stichting van Rome. Na zorgvuldige voorbereiding trad hij gedurende de regeering van Tiberius op en verkondigde drie jaren lang zijn godsdienst der liefde, die den menschen God als hun vader recht deed kennen on hen opwekte, om naar gelijkvormigheid mot liet Opperwezen te streven. Over 't geheel was de toestand dor menschheid destijds zeer ongelukkig. De oude godsdiensten, bloot aan uiterlijkheden hangende, konden den mensch geen troost meer verschaffen; zedeloosheid on ontaarding hadden don hoogston trap bereikt. Hot getal aanhangers van do wijsgeerige sekten, inzonderheid van de Stoïcijnsche en van die van Epicürus (zie blz. 52, 53), bleef, in vergelijking mot de menigte, steeds gering. Van een anderen kant was die tijd zoor geschikt ter uitbreiding van don Christelijkon godsdienst, want de Romeinsche heerschappij omvatte bijkans dó gohoclo toon bekende wereld: de grensscheiding tusschen hot Oosten on het Westen was weggenomen.

Naarmate nu do tijdon der keizerlijke heerschappij troosteloozer waren, des te sneller wies het getal 'belijders der nieuwe leer. Hetgeen het Christendom vooral kenmerkt is de geest van liefde jegens het mensch-dom in 't algemeen, dien hot in de maatschappij voor 't eerst wortel deed schieten. In de tweede plaats predikte het een edeler stelsel van zedelijkheid, dan de menschen tot dusver hadden gekend. Eindelijk .schonk het die bevrediging aan 's menschen gemoed, waarnaar hij zoo lang vruchteloos had uitgezien. Christus zelf leed den kruisdood. Deze dood werd do bevestiging en de bezegeling zijner leer, en zijn afgezondenen, apostelen genoemd, overtuigd van de waarheid zijner opstanding uit den dood, verbreidden ze vol ijver en geestdrift door alle doelen van het Romeinsche

-ocr page 100-

80

rijk. Zelfs tie verschrikkelijkste vervolgingen, welke de Christenen onder Nero en andere keizers vooral daarom loden, dat men hen voor een voor den staat gevaarlijke sekte hield, bezorgden de hemelsche leer meer en meer vurige aanhangers: het bloed der martelaars werd het zaad der kerke. Do gemeenten der Christenen hadden als leeraars en bestuurders episcöpi, d. i. opzieners, bisschoppen, enpresbi/ters of ouderlingen, terwijl diakenen, d. i. dienaars, met de verzorging der armen waren belast.

§ 40.

De keizers uit het geslacht van Augustus, de Flaviussen en hun eerste opvolgers. — Van 14 tot ISO n. G.

Wel verre van Augustus te evenaren stonden zijn naaste opvolgers, uit hetzelfde huis gesproten, diep boneden hem. Moge tiberius ci.aii-ditis nkno (14—37 n. C.), doorgaans tihekius genoemd, reeds een man van jaren, toen hij do kroon op zijn hoofd zette, somtijds lager zijn gesteld dan hij verdient, noch in zijn persoon, noch in zijn bestuur is veel te prijzen. Zelf was hij achterdochtig, wreed en een slaaf zijner zinnelijke begeerten. Wat zijn regeering betreft, hij handhaafde, vooral in de wingewesten, orde en gerechtigheid en bracht, het volk van do comitiën beroovende, de verkiezingen aan den senaat. Ieder, die hom verdacht; was, werd door de zoogenoemde gerechtshoven tegen majesteitsschennis veroordeeld, welke zelfs over woorden, gebaren en gedachten vonnis velden en vaak bezoldigde huurlingen als aanklagers voor zich lieten verschijnen.

Naar 't schijnt heeft men ten onrechte aan Tiberius den dood geweten van Germanïcus, den zoon zijn broeders Drusus, die, na met room tegen de Germanen te hebben gestreden en door den keizer te zijn teruggeroepen , naar het Oosten werd gezonden, waar hij plotseling stierf. Doch hij gunde aan zijn gunsteling, Aelius Sejanus, den praefectus praetorio, zooveel macht, dat deze dienaar don tijd van zijn behoor tot eon waar schrikbewind maakte. Zelf zondorde Tiberius zich, mede om aan zijn neiging naar zedeloosheid te voldoen, op het eilandje Caprëao (ten z.w. van Campaniö nabij do kust) af. Toen echter Sejanus door het vermoorden en hot verbannen der keizerlijke bloedverwanten naar de kroon scheen te stnan, werd hij overeenkomstig het verlangen van Tiberius ter dood gebracht. In zijn plaats kwam Sertorius Macro, die den keizer zelf doodde.

Tiberius' opvolger was gajus oaesan (ri7—41), mot den bijnaam caligüla, d. i. soldatenlaarsje, oen zoon van Germanïcus, iemand van een zwak vorstand, zeer spilziek en wreed als een tijger. Nu hem werd tiberius claudius neho, doorgaans Claudius geheeten, een broodei van Germanïcus, op den troon verheven. Hij was reeds oud en

-ocr page 101-

81

bleef al den tijd y.ijner regeering een zwak werktuig van zijn door euveldaden en ondeugden beruchte ochtgenooten, Messalïna en Agrip-pïna, Germanicus' dochter. De laatste, niets ontziende om haren zoon uit haar eerste huwelijk, Nero, de kroon te verschaffen, vergiftigde Claudius.

Evenals Caligula verwekte claudius nero (54—68), veelal nkro ge-hooten, in het eerst een goede verwachting, zoolang hij zich door don beroemden wijsgeer Seneca, zijn opvoeder. Hot leidon. Maar woldra werd de jonge keizer geheelenal de slaaf zijner lage driften en bedreef, als een waanzinnige, de onnatuurlijkste en verschrikkelijkste euveldaden. Zoo liet hij zijn eigen moeder, zijn gemalin Octavia, oen dochter van Claudius en Messalïna, en haar broeder, Britannïcus, uit dezelfde ouders gesproten, dien hij als oen mogelijken mededinger vreesde, om 't leven brengen. Een hoofdkaraktertrek van Nero was ijdelheid, die hem zoozeer beheerschte, dat hij openlijk als zanger, muzikant en wagenmenner optrad en voor hot volk zocht te schitteren, niet alleen in de hoofdstad, maar ook in Griekonland. Of men Nero heeft te houden voor den stichter van den vreeselijken brand te Rome, welke van de veertien wijken der stad tien geheel of ton deele verteerde, is niet geheel zeker. Is die vernieling der stad van hem uitgegaan, dan moot dit zijn geschied, opdat hij ze, met behulp van de ontzettendste afpersingen in de wingewesten, des te prachtiger kon laten herbouwen. Doch zeker is het, dat hij een ander misdrijf heeft gepleegd, dat uit den brand voortsproot, n.1. dat hij de schuld der ramp op do Christenen schoof en hen gruwelijk liet vervolgen en martelen. Na dit onheil , dat oen algemeenon haat tegen den dwingeland verwekte, worden volo samenzweringen gesmeed, waardoor Nero, van allen verlaten, zich genoodzaakt zag uit Rome te vlieden en zich door een zijner vrijgelatenen te laten dooden.

Na Nero bleef de geslachtsnaam Caesar (keizer) de gewone titel van den beheerscher dos Romeinsehon rijks, nu do naam der waardigheid geworden. Sinds denzolfden tijd kregen de legers metterdaad, de senaat daarentegen slechts in naam, het recht om over den troon te beschikken. Uit het huis der Flaviussm beklommen drie keizers den troon: titus flavitjs vEsi'AsiaNtrs en zijn zonen titus en homitiSnus. De beide eerstgenoemden muntten als vorsten uit, do vader door eon spaarzaam beheer, de zoon door zijn uitnemende goedheid. Onder Vespasianns werd Jeruzalem in 70 ingenomen en verwoest; do Joden verstrooiden zich over den geheelen aardbodem. Ook hernieuwde hij het bondgenootschap met de Bataven, die onder aanvoering van Claudius Civïlis waren opgestaan. Do menschlievendheid van Titus blonk vooral uit bij do zware rampen, die destijds Italië troffen. Zoo had in 70 de eerste bekende uitbarsting van den Vesuvius plaats, waardoor de steden Heroulaneum (ton z.o. van Neapölis aan do kust) en Pompêji (ton z.o. van Herculanëum) onder asch en lava werden bedolven. In latere dagen, sinds 171.'!, zijn de beide steden gedeeltelijk weder opgedolven. Domitianus was geheelenal

Wijnnf., Handhoek der Alcj. Geschiedenis, 7ile ilrnk. (i

-ocr page 102-

82

ongelijk aan zijn naaste voorgangers en werd, evenals de vroegere dwingelanden, door eonigo samengezworenen gedood.

Welhaast werd de herinnering aan Domitianus' wreedheid verzacht dooide volgende reeks van voortreffelijke vorsten: Nerva, Ulpius Trajanus, Aelius Hadrianus, Antoninus Pius en Marcus Aurelius of Antoninus den wijsgeer. Ulpius tkajanus (98—117) gat het volk de comitia ter verkiezing der hoogste ambtenaren weder en hief de gerechtshoven tegen majesteitsschennis op. Voor openbaar onderwijs en geleerdheid zorgde hij door 't aanleggen eener openbare bibliotheek, de VIpische genoemd. De zegepraal, door den keizer behaald op Decebillus, koning van Dacië (oen land ten w. van de Zwarte Zee), hetwelk hij tot een Romeinsch wingewest maakte, werd vereeuwigd door de xuil van Trajanus, uit wit marmer vervaardigd en staande in het midden van het naar hem genoemde forum. Oudtijds zag men er bovenop het standbeeld van Trajanus, nu dat van den apostel Petrus. Onder de tallooze gebouwen, die hadkianüs (117—138) overal oprichtte, is de Hadrianusburg te Eome, thans Enge-lenburq geheeten, het vermaardste. Den rechtsgeleerde Salvius Julianus droeg hij op, de oude edicten der praetoren in het zoogenoemde eeuwig edict te verzamelen, ten einde door dit nieuwe wetboek aan de willekeur in de rechtspleging een einde te maken. Marcus aurelius of, omdat hij als wijsgeer de leerstellingen der Stoïcijnen voorstond, ook antoniüs nr, wijsgeer geheeten (löl—180), was een der edelste onder de Home in sche keizers; doch zijn naam staat, daar hij een der hevigste vervolgers van de Christenen was, bij deze sekte slecht aangeschreven. Met hem eindigde de gouden eeuw van Rome's keizerschap.

§ 41.

Tijd der ontbinding van het Romeiusche rijk door de heerschappij der soldaten. — Van 180 tot 305.

Gelijk bij do Grieken de tijd van den Peloponnesischon oorlog, zóó leverde bij de Romeinen die dor keizers het schouwspel op, zoowel van 't grootste verval en de diepste ontaarding, als van de fijnste beschaving. Kunsten en wetenschappen werden niet alleen aan 't hof beoefend en bevorderd, maar ook door velen van het volk. Handel en nijverheid bloeiden; alom heerschte welvaart; fraaie huizen en volkrijke steden gaven den indruk van ruimen voorspoed. Een menigte wogen werden aangelegd. Tal van steden, in de provinciën gesticht, verbreidden allerwege beschaving. Doch bij de rijken heerschte overal groote weelde, bij het volk traagheid en een volstrekt gemis van gevoel van eer, van persoonlijke zelfstandigheid en eigenwaarde. De menigte van hen, die zich in de hoofdstad door den keizer lieten spijzigen, nam steeds toe. Zóó verspreidde zicli het vroeger reeds ingeslopen verderf steeds verder, en het

-ocr page 103-

8B

rijk neigde meer en meer ten ondergang. De legers bestonden grooten-deels uit barbaren, altijd gereed tot oproer, terwijl de grenzen van den staat onophoudelijk door vijandelijke volkeren worden overschreden.

De zoon van Marcus Aurolius, maecus commödus, opent in 180 een niet dan hoogst zelden afgebroken reeks van wreede en zwakke keizers. Waren zij niet ongebonden, grillig en bloeddorstig, dan waren zij weinig-beteekonend. Slechts zelden droeg een beschaafd, braaf of verstandig man de kroon. Een der wreedsten is caracali.a (211—217), die het Ro-meinsche burgerrecht aan allo vrije bewoners van den staat schonk, ten einde ook van hen belastingen te kunnen heffen. Geen van allen is beruchter dan heliogabSlus, die tot 222 regeerde. Niet lang daarna, in 226, maakte in het Oosten de heerschappij der Parthon plaats voor het Nieuw-Perzische rijk, waarvan Artaxerxes I, de eerste uit het huis der Sassaniden, de stichter was.

Omstreeks het midden der derde eeuw nam de verwarring toe: in de verschillende gewesten des rijks wierpen zich zoovele landvoogden als nevenkeizers op, dat men dezen tijd, met een onjuiste zinspeling op Athene (zie blz. 44), dien der dertig dwingelanden noemt. Eerst keizer atteeliënus (270—275) herstelde orde en eenheid door het overwinnen van die stadhouders, welke zich nog steeds als alleenheerschers go-droegen. Onder hen is vooral bekend Zenobïa, koningin van Palmyra, vroeger Tadmor geheeten, een stad, door Salomo in een oase der Syrische woestijn gesticht. Zij was de weduwe van Odenathus en beheerschte een uitgestrekt gebied in Azië, waaraan zij nog Aegypte toevoegde. Doch na de verovering van Palmyra door Aurclianus werd Zenobïa gevankelijk naar Rome gevoerd. Deze keizer is het ook, die de stad Rome met sterke muren liet omgeven.

De eerste, die inzag, dat do toestand van het rijk meer dan één bestuurder vereischte, zou men met kracht optreden zoowel tegen do barbaren, die het onophoudelijk bedreigden, als tegen de heerschzuch-tigen, die telkens naar de kroon grepen, was oa.itjs vai.kfuuh iuoclk-tiSnus (284—305). Het rijk in vier doelen verdeelende, benoemde hij drie mederegenten. Aan oen van hen, gelijk aan homzolven, werd do titel augustus, aan de beide anderen die van caesar gegeven. Weldra klom dit getal tot zes, die elkander zoo lang bestreden, totdat er ten laatste slechts één keizer overbleef.

§ 42.

C'onstnnlïnus de groote, van 323 lot 387, en het Christendom in zijn tijd.

Die alleenheerscher was constantinüs de groote (323—337), welke den zetel der regeering van Rome naar Byxanlium verplaatste, dat bij de inwijding Nieuw-Rome, maar weldra Conslanlinopel werd geheeten.

6*

-ocr page 104-

84

Do oude verdeeling, do vroegere namen dor waardigheden in den staat waren tot hiertoe in gobruik gebleven. Thans kwamen zij in onbruik. Constantïnns verdeelde hot rijk in vierpracfeclurm: hot Oosten, Illyrïeum, Italië on Gallic, aan welker hoofd praefecti praetorio als burgerlijke landvoogden stonden, en deze praefecturen weer in onderdeden.

In de laatste tijdon vóór Constantïnns waren de keizers, indien men Diocletianus uitzondert, eigenlijk niets anders geweest dan do eerste soldaten van hot rijk. Dit moesten zij wel zijn, vermits het rijk bovenal een krachtige verdediging tegen de Germanen behoefde. Met Diocletianus en Constantïnns werden do keizers in den vollen en waren zin des woords weder regenton in allo takken der rogeering. Thans was er een reeks ambten naar een vasten maatstaf, die van boneden naar boven in posten uitliepen, welke men mot de ministoriön dor togonwoordigo staten van Europa kan vergelijken. Hierdoor verviel hot overblijfsel dor republikoinsche inrichtingen goheelonal, met name do macht van den senaat, die tot dusver nog als deelhebber aan de oppermacht had gegolden. Van nu aan regeerde de keizer krachtens hot recht, hem door zijn voorganger overgedragen. Niot langer werd goddelijke eer bewezen aan den overleden keizer: de regeorendo vorst zelf ging, naar Oostersche begrippen, voor den vertegenwoordiger Oods door. Ook de vormen van hot hofleven werden Oostersch, en daarom was hot niet oneigenaardig, den zetel van 't bestuur naar het Oosten te verplaatsen.

De drie oenwen, die sedert den dood van den stichter des Christen-doms waren verloopen, zagen het getal van de belijders dezer leer bij duizenden toenemen. Dit had weldra de aandacht der Romoinsche keizers getrokken, die de nieuwe gemeenten met onrust gadesloegen. Veel was er in den Christelijken godsdienst, dat den afkeer der Romeinen moest wekken: de liefdadigheid jegens de behooftigen, aan geheime, voor den staat gevaarlijke beweegredenen toegeschreven; het beginsel van broederschap , dat zelfs tot slaven en barbaren afdaalde; het vormen van gesloten vereenigingen, dat schrikbeeld voor do onbeperkte macht van het hoofd des rijks, bovenal de verheven zedeleer van het Christendom, zoozeer in strijd zijnde met de onzedelijkheid, die in het Romoinsche rijk heerschte. Vanhier de scherpe verordeningen, bij herhaling tegen de Christenen afgekondigd, die met ballingschap, dood en allerlei pijniging dreigden. En dat het niet bij bedreigingen bleef toonden do velo vervolgingen, tegen hen ingesteld. Doch juist dat blijmoedig en heldhaftig sterven van die velen, die omkwamen, omdat zij hun God wildon aanbidden, en niet den keizer, wekte geestdrift voor hun geloof on boezemde achting in. Daardoor verduurde het Christendom den kwaden tijd en bleef tot do dagen van Constantïnns bestaan, toon er eon betere aanbrak.

Dat deze keizer de Christelijke leer aannam en zij langs dien weg de godsdienst van den staat werd is een dor merkwaardigste gebeurtenissen, niet alleen in de geschiedenis dor Christelijke kerk, maar evenzeer in dio dor beschaving en van do latere historie der volken on staten. Reeds

-ocr page 105-

in hot jaar 313 vaardigde hij hd edict van Milaan uit, waarbij den Christenen vrije godsdienstoefening in het gansche rijk werd vergund en hun gemeenten de bevoegdheid toegekend om eigendom te verwerven. Intusschen erkende hetzelfde edict tevens met onbekrompen verdraagzaamheid hot recht van bestaan der overige godsdiensten, want Constantïnus betuigde openlijk, dat, naar zijn gevoelen, een onbeperkte vrijheid van godsdienst moest heerschen. Het spreekt evenwel vanzelf, dat de kerk, hoe meer weldaden zij van den keizer ontving, des te afhankelijker van hem werd, al was hijzelf ook in den eigenlijken zin des woords geen Christen, dan kort vóór zijn dood, toen hij zich liet doopen.

Nadat het Christendom als godsdienst van den Romeinschen staat was erkend, onderging het vele veranderingen. Constantïnus versierde de hoofdstad met prachtige kerken. Maar liet ontstaan eener liooge geestelijkheid en het invoeren van schitterende praal in den uiterlijken eere-dienst, gevoegd bij de meerdere onafhankelijkheid der bedienaars van 't woord, nu zij niet langer door de giften der gemeente werden bezoldigd, deden den inwendigen godsdienst en zijn naleving te veel op den achtergrond komen, oversohaduwd door zooveel vertoon en pracht. De priesters, ook mensehen, waren niet vrij van menschelijke zwakheid. Zij waren begeerig om èn machtiger èn rijker te worden. Daaraan, alsmede aan don verdorven toestand eener ontzenuwde maatschappij is het toe te schrijven, dat het in de eerste eeuwen na Constantïnus aan 't Christendom niet mocht gelukken, het zout en de zuurdeesem der menschheid te worden. Hierbij bracht de omstandigheid, dat de bisschoppen of patriarchen in do metropolen (woordelijk: moedersteden) Antiochïë (in 't w. van Syrië, niet ver van zee), Jeruzalem, Alexandrië, Constantinopel en Rome onder Constantïnus hooge staatsbeambten werden, den godsdienst en 't staatsbestuur in een te nauw verband en onder wederkeerigen invloed, waarvan beide, nu eens deze dan gene, de nadoelen ondervonden.

Daarom is 't niet vreemd, dat de twisten der geestelijken over leerstukken der kerk toen staatsaangelegenheden werden, die de rust van het rijk dikwijls hevig schokten. Nog bij het leven van Constantïnus ontstond er een geschil over den aard der goddelijkheid van Christus, of hij, gelijk Arïus, ouderling te Alexandrië, beweerde, gelijkvormig was aan God, of wel, zooals Alexander, bisschop dier stad, stelde, geheel gelijk. Ter bijlegging van dezen quot;en van andere twisten riep Constantïnus in 325 de eerste algemeene kerkvergadering (concilie) te Nicaea (ten z.w. van Nicomedïa) bijeen. Ilier werd de leer van Arïus veroordeeld, hijzelf en zijn aanhangers verbannen. Doch vermits de keizer vóór zijn dood op dit punt van begrip veranderde en Arïus terugriep, herleefde de twist tusschen de beide sekten, de Ariatien en hun tegenstanders. De leer der laatsten word meer en meer als dc orthodoxe of rechtzinnige aangemerkt en alzoo geacht die der geheele kerk te moeten worden, welke daarom de katholieke, d. i. de geheele of algemeene, werd genoemd. Do veelzijdige aanraking, die er tusschen het Romoinsche rijk en de Oermaansche volkeren plaats

-ocr page 106-

86

greep, deed den Ohristelijken godsdienst een spoedigen ingang bij do laatsten vinden. Zij waren het, die, doortrokken van den geest des Christendoms, de menschheid deden herboren worden en haar oprichtten.

§ 43.

Dc Qcrmanm. — De volksverhuizing sedert 87'). — De verdeeling van het Romeinsche rijk in 395.

De naam Germanen, die vaak als gelijkbeduidend voorkomt met Duit-schers, heeft echter een uitgestrekter beteekenis. Germanen noemt men de gansche groep van volkeren, die reeds in de eerste eeuwen n. C. een groot doel van het vasteland van Europa bewoonden, alsmede het schiereiland aan de overzijde der Oostzee en de daarbij liggende eilanden. Reeds vroeg is deze groep in twee hoofdafdeelingen gescheiden. De eerste bevat do Duitschers, d. i. hen, die zich op het vasteland hebben gevestigd; de andere de bewoners van Noorwegen, Zweden, Denemarken on IJsland.

Do (jcrmancn waron in vele stammen verdoold, die dikwijls van woonplaats veranderden en bijzondere namen droegen, als: de Vandalen, de Gotlien, de Longobarden, de Bourgondiërs, do Allemannen (aan wier naam de Franschen hun benaming van Duitsohland, „Allemagne,quot; ontloenen), de Saksen, de Friezen, do Bataven en andere.

Het land was verdeeld in gouwen. De grond was of het eigendom van bijzondere personen, óf behoorde aan velen, die er tezamen op woonden. In 't laatste geval heetten de stukkon grond marken, do gemeenschappelijke bezitters markgenooten. Oorlog en jacht waron de meest geliefkoosde bezigheden van 't volk; den landbouw lieten de Germanen liefst aan hun lijfeigenen over. Van nature gastvrij en gezellig, vervielen zij niet zelden tot twee groote gebreken, spel en dronkenschap.

Het volk bestond uit vrijen en onwijen, van welke beide klassen evenwel verschillende trappen waren. Do afkomst maakte den edelman of edeling, die voor 't overige weinige voorrechten boven den gewonen of gemeenen wye had. In de vergaderingen, hetzij van 't geheele volk, hetzij van een deel des volks, gold de stom van een gemeenen vrije evenveel als die van den edelman. Onder de onvrijen stonden de zoogenoemde hoorigen het hoogst, die op de goederen hunner heeren woonden, ze voor hen bearbeidden of hun vee of veldvruchten moesten opbrengen; op den laagsten trap stonden de lijfeigenen of slaven. Sommige stammen werden bestuurd door koningen, die door de verkiezing der volksvergadering hun waardigheid bekwamen, met eerbiediging echter van den regel, dat de zoon den vader opvolgde. Bij andere stammen was eon volksbewind met vorsten of hoofden der gouwen, eveneens bij verkiezing aangesteld. In oorlogstijd werd een aanvoerder (hertog) gekozen. Tot den oorlog, in de volksvergadering besloten, trokken alle weerbare mannen uit; dit heette

-ocr page 107-

87

heirban. Over do gewichtigste aangelegenheden besliste men in volksvergaderingen, waarin alle vrije grondbezitters zitting hadden en gewapend verschenen.

Do godsdienst der oude Germanen was een natuurdienst. De goden worden vereerd niet in tompels, maar in wouden. Do voornaamste goden waren Wodan en Thor, de hoogste godinnen Herthn en FroAa. Na den dood geloofden zij in den hemel van Wodan, de Walhalla, to zullen komen, waar zij dagelijks zouden strijden, maar ook vroolijke maaltijden houden.

Het voortdringen vim vele, meest Grormaansche volkeren gedurende de vierde, de vijfde en de zesde eeuw in 't n. en o. naar het z. en w. der oude wereld noemt men de volksverhuizing. Deze groote beweging, welke men gewoon is meer bepaald van don inval der Hunnen in Europa, 375, te dagteekenon, bewerkte een groote omwenteling in de woonplaatsen der Europooscho volkeren. In dat jaar trokken dc Hunnen, een zwervend volk van hot Mongoolsche ras, uit het Oosten van Azië komende, over de Wolga Europa binnen. Bij die rivier stieten zij op de Alanen, die zij verdrongen. Toen kwamen zij bij de Oost-Gothen, die eensdeels ook werden verdrongen, anderdeels zich met de Hunnen vereenigden. De West-Gothen, nu ook in den rug bedreigd, verkregen van keizer valens, die de oostelijke gewesten bestuurde, de gevraagde woonplaatsen binnen de grenzen van het Romeinsche rijk, en wel aan den rechter Donau-oever. Door de verdrukking der 'Romeinsche stadhouders tot opstand gedreven, versloegen zij Valens in 378 bij Hadrianopel (aan de Hebrus in Thraciö), die kort daarna omkwam. Mot moeite slaagde theodosius de gkoote, die van 394 tot 395 voor het laatst het goheele rijk onder zijn schepter ver-eenigde, er in, de West-Gothen tot rust te brengen.

Bij zijn dood in 395 benoemde Theodosius zijn oudsten zoon auoadius tot erfgenaam van het Oosten, den jongsten, honouïus, tot keizer van het Weston. Daar beiden nog onmondig, met verstand schaars bedeeld en van kennis verstoken waren, hadden de jonge keizers elk eon rijksbestuurder, die alles in liet rijk beheerde. Aan hot hof van Honorius was dit Stilïco, oen Vandaal; Arcadïus stond onder do leiding van den Galliër Rufïnus. Deze verdeeling, tijdelijk in haren oorsprong, was duurzaam in gevolg, en van nu aan heette het eono het Orieksche of Oosl-Romeinsche, het andere het Latijnsche of West-Romeinsche rijk. Arcadius vestigde zijn zetel te Constantmopet; Honorius hield eerst zijn verblijf te Rome, later te Ravenna (in 't o. van Cisalpijnsch Gallië aan zee). Hot Oost-Romoinscho rijk word zoowel van binnen, vooral door godgeleerde twisten, als van buiten door aanvallen der barbaren zeer verzwakt. Veel had het te lijden van de Hunnen, te meer doordien tot het einde der oude geschiedenis geen enkel uitstekend vorst er der waggelenden troon beklom.

-ocr page 108-

88

§ 44

Hel West-lioineinsche rijk in oorlog md dc West- O at hen en mei de Hunnen lot zijn ondergang. — Van ■')!)■'gt; tot 476.

Nauwelijks was Theodosius gestorven, of ali'titik, dien do West-Gothen tot koning hadden verheven, drong alles plunderende en verwoestende tot de Peloponnesus door. Vanhier toog hij, hiertoe aangezet door liet Oost-Eomoinsche hof, ijverzuchtig op het Westen, naar Italië, waar hij bij herhaling schatting vorderde, en dewijl de gelden wel beloofd, doch niet betaald werden, Rome insloot. Tweemaal zelfs veroverde hij de stad, het laatst in 410, toen hij ze tevens liet plunderen. In 411 stierf hij in Zuid-Italië, en een zijner opvolgers, Wallïa, verwierf van het West-Romeinsche rijk een gebied in zuidelijk Gallic, waar hij liet Wesl-Oolhische rijk, met de hoofdstad Tolüsa (thans Toulouse, in 't z.w. van Frankrijk), grondvestte.

Bij den dood van Honorius in 423 verkeerde het West-Romeinsche rijk in een zeer bedcnkelijkon toestand. Onder hen, die thans beheerschers van het rijk werden, Honorius' zuster placidia en haar zoon valenti-NiaNUS in, ging het weinig beter. In 429 landden de Vandalen, die vroeger door Gallic naar Spanje waren getogen, onder Gensërik in Afrika en stichtten er een rijk in 't gebied van liet oude Karthago, vanwaar zij in 455 naar Italië overstaken en er veertien dagen lang het weeiiooze Rome uitplunderden. Benige jaren vroeger had een nog grooter gevaar het Latijnsche rijk bedreigd. Want toen de verschillende horden der Hunnen zich omstreeks 440 onder het bestuur van Attïla vereenig-den, geraakten zij met Valentinianus in oorlog. Met een ontzaglijke menschenmassa begon Attila zijn tocht, die veel had van een volksverhuizing. Op do Catalaunische velden (ten o. van Parijs bij de Marne) had in 451 de bloedige slag plaats, welke voor het lot van het Westen beslissend was en waarin de Romeinen de Hunnen tot terugkeer dwongen. In het volgende jaar deed Attila, wel verzwakt, maar niet overwonnen, oen inval in Italië. Doch spoedig openbaarden zich ziekten en gebrek bij de Hunnen, die daardoor werden genoopt naar Pannonië terug te trekken. Weldra nam met don dood van Attila in 453 de zoo gevaarlijke macht der Hunnen een einde.

Reeds toon was hot West-Romeinsche rijk in een toestand van volledige ontbinding, doordien een groot aantal krijgshaftige stammen bijna 'tgehcele gebied in bezit hadden genomen. In Afrika heerschton de Vandalen; zuidwestelijk Gallic en een deel van Spanje bezaten de West-Gothen; zuidoostelijk Gallië was de zetel der Bourgondiërs; de Alemannen huisvestten in Zwitserland en aan den rechter Rijn-oever; in 't n. van Gallië hielden zich ile Franken op; noordwestelijk Duitscldand werd door de Saksen bezet; aan don Donau woonden de Longobarden en de Oost-Gothen. In Britannië eindelijk hadden de bewoners, van Romeinschen bijstand verstoken en

-ocr page 109-

89

door de woeste Pieten en Scoton uit Caledonie (Schotland) overvallen, in 449 de Angelen en andere Duitsche stammen te hulp geroepen. Doze stammen, door Hengist en Hor sa aangevoerd, verleenden wel don verlangden bijstand, maar grondvestten vervolgens hier ook eigen rijken en verdrongen do Britten naar 't Westen, Wales, of noodzaakten hen, naar Armorïca, d. i. Brelagne, uit te wijken.

Hoe diep liet aanzien van Rome's naam was gezonken, laat zich hieruit zien, dat do opperbevelhebbers der Duitsche, in Rome's dienst staande legers naar willekeur over de kroon beschikten. Zóó deed Ricïmer; zóó ook anderen. Eindelijk kwam ouoacEH, aanvoerder der Herulen en der Rugiërs, in Italië en zette den laatsten, nog zeer jongen keizer, iiomülus auoustülus, in 47G af. Dit was het einde van het West-Romemselie rijk. Odoacer verbande den afgezetten keizer naar een landgoed in Campanië. Den keizerstitel nam hijzelf niet aan, maar liet zich slechts koning noemen.

-ocr page 110-

MIDDELEEUWEN.

§ 45.

Hei Oost- Golhiuchc rijk. Hel Oost-Bomcinsche rijk tol 842. De ral van het Vandaalsclie en van het Oost- Gothische rijk. Do Longoharden in Italië.

Tiet nieuwe rijk of de nieuwe heerschappij, door onoacER gegrondvest, was van geen langen duur. Zeventien jaren had hij met gematigdheid geregeerd, toon hij zijn gebied aan de Ood-Gothen moest afstaan, die, na, het Qriokscho rijk een tijdlang door herhaalde strooptochten en door het afpersen van een jaarlijksche schatting to hebben gekweld, liet Westen aantastten on 490—493 onder hun koning Theodërik Italië ou Sicilië veroverden. Deze streken, benevens de zuidelijke Donau-landen, beheerschte Theodërik, gelijk zijn voorganger slechts den titel koning voerende. Ravenna was doorgaans de zetel der nieuwe regeering. Tjieo-uëniK of, gelijk do Duitsche heldendichten hem noemen, diedebik van beun (d. i. Veröna) (493—52G), liet de Komeinsche wetten en staatsregeling in stand blijven en bij de rechtspraak beide volkeren naar eigen wetten vonnissen. Aan zijn Gothen, die uitsluitend de krijgsmacht vormden, gaf de vorst een derde der landerijen, zooals ook Odoacer met zijn volk had gedaan. De Italianen behandelde hij, hoezeer zelf Ariaan (zie blz. 85), met toegevendheid en achting. Intnsschen hoe gematigd hij voor 't overige ook handelde, in zijn ouderdom beging hij een daad, die niet van wreedheid is vrij to pleiten. Vernemende, dat de keizer van hot Grieksche rijk, .Tustïnus I, de Arianen wreedaardig vervolgde, ging hij elke verbintenis tusschen Romeinen en Grieken te keer en liet, op een, hoewel ongegrond, vermoeden, dat de wijsgeer Boëthius, lid van den senaat to Rome, en andere aanzienlijke mannen togen dit verbod handelden, hen allen in 525 ter dood brengen.

Na den dood van Theodërik ontstond er tweedracht in het rijk, hetgeen de Oost-Romeinen gelegenheid gaf om Italië te bemachtigen. In 't Oost-Romeinsche rijk zat destijds jusTiNiaNus (527—565) op den troon, een keizer, die zich door werkzaamheid, zucht voor grootsche ondernemingen en de keuze van uitstekende staatsdienaars onderscheidde. Gedurende zijn regeering ontbrak het niet aan oorlogen. Zoo stevende zijn veldheer Relisarins naar Afrika, om hot in verval geraakte Vandaalsche rijk (zie blz. 88) te veroveren. Binnen kort was do Vandaalsche macht

-ocr page 111-

91

vernietigd, en in 534 ging dit reeds vroeger niet talrijk volk te gronde. Hierop trok Beli'sarïus naar Sicilië, dat hij, gelijk mede Beneden-Italië, in korten tijd veroverde, vermits hij zich aan de inwoners als hun bevrijder van- het vreemde juk voordeed. Welhaast bezette hij Rome, verdedigde er zich gedurende een geheel jaar met uitstekende bekwaamheid tegen de Oost-Grothen en dwong toen Ravenna zich over te geven. Onverwachts werd de zegevierende veldheer teruggeroepen: Justinianus vertrouwde hom niet langer of werd naijverig op zijn room. Dit gaf den Gothen moed, en zij veroverden weldra een groot deel van Italië.

Op de mare hiervan zond de keizer op nieuw Belisarïus naar Italië; maar met zijn te weinig talrijke en slecht uitgeruste troepen kon hij niets van belang ondernemen, en hij leide 't bevel neder. Narses verving hom aan de spits van een sterk en beter uitgerust leger. Tevergeefs betoonden de Oost-Gothon bij herhaling hun oude dapperheid: zij dolven het onderspit, en met 555 werd Italië een wingewest, gewoonlijk hel exarehaat, de buitenprovincie, genoemd, van liet Oost-Romeinsehe rijk. De zetel van den stedehouder of exarch, mot welk ambt Nurses thans werd bekleed, was te Ravenna. Niet lang bleef evenwel de Grieksche keizer in 't gerust bezit van Italië. Reeds onder het bewind van Justinianus' opvolger werd het de buit der Longobarden, die vooral door de vruchtbaarheid van dit land werden gelokt en in 568 onder hun koning alboin hierheen togen. Spoedig waren zij meester van het binnenland van Boven- en Midden-Italiö; doch de zeesteden bleven in 't bezit van de Grieken, on nimmer verkregen de Longobarden de heerschappij over het geheele land.

Justinianus beloonde zijn groeten veldheer, den hoogbejaarden Belisarïus, met ondank, hoewel de geschiedenis dier ongenade later overdreven is. Zijn eigen naam verheerlijkte de keizer door ondernemingen van verschillende aard. Do nijverheid ontving door het overbrengen der zijdeteelt uit Sina nieuw voedsel. Do op zijn last bijeengebrachte verzameling der Romoinscho wetten werd hot begin eener nieuwe orde van zaken. Het Romeinsche recht, zooals hot onder Justinianus werd geordend, werd later door alle Christenrijken der Middeleeuwen, mot uitzondering van Engeland en van Denemarken, tot aanvulling hunner eigen wetten aangenomen, zoodat mon het Romeinsche recht in allo gevallen volgde, waarin 's lands wetten niet hadden voorzien.

Na den dood des keizers kwam de zwakheid van den staat steeds meer en meer aan 't licht. Een groot deel van Italië ging, gelijk wij zagen, verloren; Nieuw-Perzen, Avaren en Arabieren deden menigvuldige invallen in het rijk. Do eerstvolgende keizers tot 717 waren bijna allo onmen-schelijk wreed en weinigbeteekonend, en de Arabieren bedreigden niet zelden tot zelfs de hoofdstad Constantinopol. Wol lichtte er in 717 een betere tijd aan met leo ih den isaubiër (uit Isaurië, ton w. van Lycaonië, in Klein-Azië afkomstig, 717—741), die de Arabier.en dwong met schade en schande hot beleg der hoofdstad op te breken; maar ter kwader ure voor de rust van 't rijk vatte deze voor zijn tijd te verlichte

-ocr page 112-

92

keizer het denkbeeld op, de in afgoderij ontaarde vereering der heiligenbeelden uit te roeien. Dit verbitterde de groote menigte der bevolking, het meerendeel der geestelijken en bovenal de tallooze monniken, die in zijn rijk -woonden, en gaf in 72C aanleiding tot den langdurigen heelden-strijd, welke tusschen do partij des keizers, de bceldstormers, en die der meeste geestelijken, de beddendienaars, werd gevoerd. De verwarring, uit dezen onzaligen kamp voortgesproten, nam eerst een einde, toen de beeldendienst in 842 was hersteld. gt;

§ 40.

De Arabieren. — Mohammed. — Van 571 tot G82.

Do grootste schok, waarvan de geschiedenis dor zevende eeuw gewaagt,

ging uit van de Arabieren, een volk, dat in zijn uitgestrekt schier-eiland, door zeeën en zandwoestijnen afgesloten, nooit vreemde overhoer-schers had gekend. Het binnenland van Arabië wordt door talrijke horden Bedoeienen, d. i. zwervende herdersstammen, doorkruist, terwijl daarentegen de steden aan de Arabische en de Perzische golf reeds vroeg een bloeienden handel met Indië, Perzië en Egypte dreven. De Arabieren leiden grootendeels hun afkomst af van Ismaël, een zoon van Abraham,

en behooren dus tot den Somietischen stam. Een vierkant gebouw te Mekka (in 't w. van Arabië), mot oen zwarten steen in het midden, beide Kaaha geheeten, was het nationale heiligdom der onderscheiden stammen,

welker godsdienst meest in het Sebaeïsmo (sterrendienst) bestond, terwijl ook enkele de Joodsche of de Christelijke leer waren toegedaan. Roofzucht en wraakgierigheid kenmerken 't volkskarakter, doch evenzeer eenvoudigheid, dapperheid, gastvrijheid, gestrengheid en geestdrift voor 't stoute en 't ongewone. Wanneer de Arabieren van een rooftocht in hun tenten waren teruggekeerd, zongen zij liederen, die de daden van 't voorgeslacht verheerlijkten. Door Mohammed verkreeg dit volk een plaats onder de volkeren der wereldgeschiedenis.

Mohammed, d. i. de geprezene, werd in 571 te Mokka geboren,

behoorde tot het aanzienlijke geslacht der Haschemieten en tot den stam Koreisch en was de zoon van Abdallah, een onbemiddeld man. Reeds jong ♦

een wees, werd hij door zijn oom Aboc Taleb tot den handel opgeleid. Als koopman dood hij vclo reizen naar Syrië on Zuidelijk Arabië. Op zijn vijfentwintigste jaar trad hij in dienst bij een rijke weduwe, Kaditscha,

met wie hij weldra trouwde. Op den duur behaagde hem intusschen het bedrijvige leven niet: naar lichaam en ziel met zeldzame gaven toegerust,

peinsde hij over iets hoogors. Hierom onttrok hij zich meer en meer aan alle aardsche beslommeringen en gaf zich aan vrome bespiegelingen over.

Zijn overdenkingen brachten hem tot hot besluit, hot oude geloof aan één God te herstellen, dewijl do aanbidding der sterren en de verbasterde

-ocr page 113-

93

Joodsche eeredienst hem evenzeer mishaagden. Met zijn levendige verbeeldingskracht en de hein aangeboren dweepzucht zag hij hemelsche verschijningen en wonderen. Dus hield hij zich, naar het schijnt, overtuigd, dat God hem tot dat werk had bestemd. ^

Sedert C15 verkondigde Mohammed openlijk zijn godsdienst, die den naam islaani (eigenlijk de onbepaalde wijs van een werkwoord, beteekenendo „zich overgeven,quot; n.l. aan den wil Gods) draagt, terwijl zijn belijders modernen (eigenlijk her tegenwoordig deelwoord van hetzelfde werkwoord) lieoten. Do voornaamste leerstukken van den islaam zijn: er is maar één God, Allah, en Mohammed is zijn profeet; Mozes en Christus zijn insgelijks goddelijke gezanten; het lot van eiken mensch is in Gods eeuwig raadsbesluit onveranderlijk bepaald; op do opstanding dor dooden volgt een wereldgericht, waarna de goeden beloond, de boezen gestraft worden. Tot do hoofdplichten dor geloovigen behooren; weldadigheid en rechtvaardigheid; geboden, vijfmaal 's daags, met het gelaat naar Mekka gewend, te doen; vasten; ten minste één bedevaart naar Mekka; do heilige oorlog of gewelddadige uitbreiding van den islaam. In stoute beeldspraak wordt op het betrachten dezer plichten aandrongen: „Bidden voert halverwege tot Ood, vasten brengt tot don ingang des hemels, en aalmoezen openen de poort.quot; — „Het is beter, den heiligen krijg te voeren dan zeventig jaar te huis te bidden, en hij, wiens vooton in do oorlogen des Hoeren bestoven zijn, zal op den dag des gerichts verder wezen van de oorden der pijniging, dan de afstand bedraagt, welken de snelste ruiter in duizend jaren kan afleggen.quot; Ook voor 't burgerlijk leven bevat de Mohammedaansche godsdienst voorschriften. Diefstal wordt met het verlies dor eone hand, gelijk andere euveldaden met do straf der gelijke vergelding, Jus talionis, bedreigd, waardoor de misdadiger zelf ondergaat wat hij een ander heeft aangedaan. Al de leerstukken zijn door Aboe Bokr, don eersten opvolger van Mohammed, bijeengebracht in den koran (eigenlijk een Arabisch werkwoord, dat lezen beteokent, hier liet boek der openbaringen).

Reeds voordat hij mot zijn leer te voorschijn trad, hadden eonigo verwanten en vrienden van den profeet zo omhelsd, als Kaditscha, zijn neef All en Aboo Bokr, later zijn schoonvader. Zijn streven naar meer aanhangers vond echter veel tegenkanting, vooral onder zijn eigen stamge-nooten, de Koreischioten, wier -bespotting en haat hij zich op den hals haalde. Slechts mot mooito ontkwam hij aan hun veelvuldige aanslagen op zijn leven. Toon eindelijk de Koreischioten, saamgezworon om hem to vermoorden, op een nacht zijn woning omsingelden, vluchtte Mohammed uit Mekka naar Jathreb (ten n.o. van Mekka), sinds dezen tijd Medina al Nahi, stad van den profeet, of kortheidshalve Medina geheeten, met een zeker aantal der inwoners van welke stad hij kort tevoren een verbond had gesloten. Dit is de hedschrah of vlucht van den profeet, naar welke hot begin der Mohammedaansche tijdrekening op don IGden Juli G22 is gesteld, op den dag, die tevens voor het tijdstip der stichting

-ocr page 114-

94

van den islaam wordt gehouden. Al zoo begint die tijdrekening niet mot den datum der vlucht (19 Sept.), maar met den eersten dag van het maanjaar, waarin zij plaats greep, d. i. met den 16den Juli. Te Medina nam het getal der geloovigon aanmerkelijk toe; uit die stad begon men ook do eerste logertochten tor voortplanting van het geloof. Van nu aan ging hot bekeeringswork, hoofdzakelijk door middel van het zwaard, snel voort. Inzonderheid waren het eerst de talrijke Joden in Arabië, die gedwongen werden de leer van don profeet aan to nemen. Ten laatste viel ook Mekka in 0150 in handen der Mohammedanen, en bij den dood van den profeet in 032 was bijna geheel Arabië, vrijwillig of gedwongen, zijn loer toegedaan en aan zijn heerschappij onderworpen.

§ 47.

De Arabieren onder de eerste khalifen en onder die uit het geslacht der Ommyaden. — ]le ondergang van list rijk der West-Gothen. — Van 632 tot 711.

Reeds de eerste khalif, d. i. opvolger van den profeet, abok bekr, begon den islaam buiten zijn vaderland te verbreiden. Doch inzonderheid ging de tweede hunner, omak (C34—044), op de baan der veroveringen voort. Hij ontrukte Syrië aan de Grieken, onderwierp Phoenicië, benevens Palaestina, en na do Oost-Romeinen, die het beheerschten, eenige malen te hebben verslagen, maakte zijn veldheer Amroe zich van Aegypte met Alexandrië meester. De eigenlijke bewoners toch, de Kopten, beschouwden de Moslemen als hun bevrijders van de vreemde heerschappij. Overdreven, doch niet geheel uit de lucht gegrepen is het verhaal, dat Omar het verbranden der beroemde bibliotheken dier stad te laste legt. Zooals hot luidt, moet hij Amroe, die hem over dit onderwerp raadpleegde, hebben geantwoord: „Verbrand ze, want öf deze geschriften bevatten wat in den koran staat, en dan zijn ze overbodig; öf er staat iets anders in, en dan zijn ze goddeloos,quot; waarop Amroe de badstoven zes maanden lang mot do boekwerken had laten stoken. Zoo onwaarschijnlijk het nu is, dat de badstoven zes maanden lang met do boeken zijn verwarmd, zoo zeker schijnt het, dat een of meer bibliotheken toen zijn vernietigd. Vermits hot vast-staat, dat er van de bibliotheek in de wijk Bruchïum (zie blz. 52) na den strijd, door Caesar te Alexandrië gevoerd, en inzonderheid na de geheelo slooping dier wijk in 't laatst dor derde eeuw n. C. niets meer over was en dat de voorheen in de wijk Serapëum bestaan hebbende boekerij bij een aanval, tegen het einde der vierde eeuw door do Alexandrijnsche Christenen op den tempel van den heidenschen god Sorapis gedaan, geheel was vernietigd, blijft er niets anders over dan aan te nemen, dat Amroe een verzameling boeken, in plaats van de vroegere bibliotheken door de Christenen bijeengebracht, aan de vlammen zal hebben gewijd.

-ocr page 115-

quot;Behalve de genoemde landen en een. deel van Noord-AMka bezweek ook liet Nieuw-Perzische rijk, dat sinds 226 bestond (zie blz. 83), voor de macht der Arabieren. Na Omars dood werden de veroveringen op de noordkust van Afrika door het bezetten van Barbarije voortgezet. In 656 verkreeg ali, een zoon van Aboe Taleb en gemaal van Fatimé, Mo-hammeds dochter uit zijn eerste huwelijk, het lang verwachte khalifaat; maar het bracht hem geen heil. Vele stedehouders stonden tegen hem op onder aanvoering van Moeawïa, landvoogd van Syrië. Weldra viel hij door sluipmoord, en zijn zoon liet het khalifaat aan zijn tegenstander over.

Op die wijze kwam het khalifaat niet moeawïa i (661—680) aan liet geslacht der Ommyaden. Onder dezen khalif, die den zetel van 't bewind naar Damascus (in 't z. van het oude Coelesyrië) verplaatste, werden niet alleen de grenzen van 't gebied in Afrika en in hot Oosten uitgebreid, doch werd ook de hoofdstad van het Byzantijnsohe rijk meermalen aangetast. Zeven jaren achtereen zetteden do Arabieren in de nabijheid van Constan-tinopel troepen aan land, die deze stad aangrepen; maar gebrek, uitvallen der Grieken en het Grieksche vuur, een thans onbekend mengsel van licht ontvlambare stoften, dat door 't zeewater niet werd gebluscht en de vijandelijke schepen in brand stak, verhinderden telkens, dat zij werd ingenomen.

Moeawïa's opvolgers onderwierpen geheel noordwestelijk Afrika tot den Atlantischen Oceaan. Vanhier staken do Muzelmannen naar Spanje over. Dit land hadden de (zie blz. 88) in zuidelijk Frankrijk gevestigde West-Oothen op de Suëven veroverd, terwijl zij hun gebied in Frankrijk langzamerhand aan de Franken verloren en daarom den zetel der rogeering naar Toledo (in Spanje aan den Taag) verplaatsten. Een van de laatste koningen der West-Gothen was witïza. Zijn opvolger was rodSrik. Eodërik, ternauwernood koning, beleedigde jümSnus, den stedehouder van Ceiita (in 't n.w. van Afrika), een stad, die, ofschoon tot het Oost-Eomeinsche rijk behoorende, in nauwe betrekking tot Spanje stond. Dit noopte Julianus, Ceiita aan de Mohammedanen over te geven en hen tevens op Spanje, als op een gemakkelijk te verwerven buit, opmerkzaam te maken. Alzoo stak de veldheer Tarik in 711 mot een leger naar Spanje over en sloeg zijn legerplaats op den borg op, later naar hem Gebel al Tarik (Gibraltar) genoemd. Niet ver van kaap Trafalgar word eon slag geleverd, waarin beide volkoren in moed en volharding wedijverden, maar waarin de zege weldra voor de Christenen een onmogelijkheid word, toon de twee vleugels van hun leger, waarover Witïza's zonen het bevel voerden, don vijand den rug toekeerden en do zaak van 't vaderland ontrouw worden. Nadat eindelijk koning Roderik spoorloos was verdwenen, ontzonk den West-Gothen de moed geheel en moesten zij, die niot werden gedood, met groot verlies hot slagveld ruimen. Thans waren de Arabieren meester van het grootste deel van Spanje. Slechts in het gebergte van hot noordelijk gedeelte konden de Gothen hun onafhankelijkheid handhaven.

-ocr page 116-

§ 48.

oc

Dc Arabieren onder de khalifen uit liet geslacht der Ahbassïden. — De letterkunde der Arabieren. — Van 750 tot 80!).

Do zwakheid van do laatste khalifen uit het huis der Oramyaden en de groote uitgestrektheid van het rijk, dat in 't oosten aan den Indus paalde, maakten hot voor hun tegenstanders gemakkelijk, den troon te ondermijnen. In 750 braeht anoeii abbas, een achter-achterkleinzoon van Abbas, een oom van den profeet, het khalifaat in het geslacht der Abbasstden over. Do ongelukkige Ommyaden werden tot in hun laatste schuilhoeken vervolgd en gedood, zoodat men verzekert, dat er maar één van hen, Abd Errahman, in 't leven bleef. Naar Spanje ontkomen, ontrukte hij dit gewest aan de Abbassïden en grondvestte er in 75(1 voor zijn geslacht een onafhankelijk emiraat (later khalifaat) te Cordova (aan de Guadalquivir).

Onder de Abbassïden waren eenige uitstekende khalifen. Met hen vangt een luisterrijk tijdperk aan voor de Arabische heerschappij, niet alleen door veroveringen, maar overal door do zegeningen des vredes, door het liand-haven van gerechtigheid en door do bevordering van kunsten, als van bouwen dichtkunst, en van wetenschappen, als van wijsbegeerte, wis-, genees-, storre- en scheikunde. Tegen deze lichtzijde staken andere verschijnsels, aan de Oostersche rijken eigen, donker af: willekeur der beheerschers, schitterende glans der hoofdstad, opstanden van stadhouders en verslapping van menigen khalif. Bagdad (aan do Tigris) werd de hoofdzetel der Abbassïden. De eerste opvolger van Aboel Abbas was zijn broeder al mansoer (754—775). Onder de verdere Abbassïden is Haroen (78G— 809), die den bijnaam ai, iiAscnin, d. i. den rechtvaardige, draagt, bijna even beroemd als zijn tijdgenoot Karei do grooto in het Westen, en moge rechtvaardigheid ook niet al zijn daden hebl)en gekenmerkt, hij blijft een uitstekend man voor zijn eeuw.

Mot do rogoering van Haroen al Raschid begon de eigenlijke bloei der Arabische letterkunde. Hetgeen doorgaans bij do onbeschaafde herdersvolken van Azië plaats grijpt, dat zij, na als veroveraars te zijn opgetreden en grooto rijken te hebben gesticht, bij de verandering hunner levenswijze, smaak beginnen te krijgen, zoowel voor de letterkunde als voor do kunsten dos vredes, en dat zij de beschaving dor overwonnen volkeren aannemen, merkt men ook bij de Arabieren op. De grond hiertoe werd reeds gelogd gedurende hot verblijf van de khalifen te Damascus, doordien in dit land, geheel Grieksch geworden sedert de heerschappij der Seleuciden (zie blz. 51), de Grieksche beschaving en letterkunde zoo diep wortel hadden geschoten, dat zij er nooit geheel waren uitgeroeid. De hoofdoorzaak evenwel der wetenschappelijke beschaving van de Arabieren was de stichting van Bagdad in eon landstreek, die altijd het voorrecht had gehad, de

-ocr page 117-

97

bakermat dor geleerde kennis in het Oosten te zijn. Bagdad, de stad des vredes, zooals de khalifen ze noemden, werd nu hot middelpunt dor Arabische beschaving, gelijk zij, door haar gelukkige ligging, de stapelplaats werd der schatten van Azië en de hoofdzetel van 't rijk der Mohammedanen. Ten tijde van Al Mansoer baanden Syrische geneesheeren, die hun kunde o. a. hadden geput uit de werken van Hippocrates, den beroemdste der Grieksche geneesheeren, die in de vijfde en de vierde eeuw v. C. leefde, den weg voor de studie der wetenschappon, het eerst voor die dor geneeskunde.

Die Grieksche werken leerden de Mohammedanen aanvankelijk uit Syrische vertalingen kennen. Maar weldra volgde de studie van 't Grieksch zelf. Al Mansoer beloofde ruime belooningen aan' hen, die Grieksche boeken over genees- en sterrekunde of over wijsbegeerte vertaalden. Overeenkomstig de behoeften van het volk bepaalde men zich tot enkele vakken. Immers men bewijst de khalifen te veel eer door aan te nemen, dat zij de wetenschappen om haarzolven hoogachtten in plaats van om het nut, dat haar beoefening kon opleveren. De dichtkunst bleef van die vertalingen uitgesloten. De Arabier had van oudsher zijn eigen inheemsche dichters, en gewoon aan de schitterende kleuren, die de Oostersche dichter aan zijn tafereelen leent, kon hij geen gevoel hebben voor de flauwere, hoewel meer ware kleuren van Grieksche gedichten. Van alle Arabische geschriften zijn de vertellingen, bekend onder don titel „duizend en één nacht,quot; ongetwijfeld de meest bekende. Eigenlijke geschiedenis en welsprekendheid konden onder don druk der Aziatische dwingelandij niet bloeien. Ook heeft het eenvoudige, op waarheid gegronde verhaal den Oosterling geen glans genoeg: hij moet liet doorweefd hebben mot de gewrochten der verbeeldingskracht. Dus bepaalden zich de vertalingen der Grieksche werken hoofdzakelijk tot de vakken, tot welker beoefening Al Mansoer de geleerden opwekte. Een der beroemdste Mohammodaansche geneeskundigen en wijsgeeren is Avicenna, gelijk hij in Europa wordt genoemd, die in de tiende en de elfde eeuw leefde.

§ 49.

Hel Frankische rijk onder de Merovingiërs en onder de Karolingische huismeiers tol het koningschap der Karolingicrs. — Van 481 tot 752.

De Franken, oorspronkelijk een vereeniging van een zeker aantal Duitsche volksstammen, bestonden sedert de vierde eeuw, toen zij het Noorden van Gallic vermeesterdon, uit twee afdeelingon, de, Saliërs, die allengs de heerschers werden, en de liipuariërs, die onder vele aanvoerders stonden. Naar men meent, gaven die volksstammen zich den naam „Franken,quot; dien afleidende van den naam van het wapen, dat zij veelal Wijnne, Handboek der AUj. Geschiedenis, 7ile druk. 7

-ocr page 118-

98

gebruikten. „Saliërquot; is waarschijnlijk afgeleid van den Latijnsehon naam van den Ysel (Isala), omdat die rivier een tijdlang de noordelijke grens dezer volksafdooling was, terwijl het woord „Ripuarierquot; van het Latijnsche woord „ripaquot; (oever) komt. De Saliërs bezaten het tegenwoordige België en do Nederlanden tot den Ysel; de Ripuariërs woonden aan den Bonoden-Rijn, van do Lalm (een rivier nabij Coblents) af.

Eerst werden ze nu eens gezamenlijk, dan weer afzonderlijk door hei-denscho koningen geregeerd, o. a. door Merovaeus, naar wien hot Frankische koningsgeslacht van tien Salischen stam den naam Merovingiërs voort, en door Childërik. Met don zoon van Childërik, Clovis (Klodwig) I, begint eerst do zekere en samenhangende geschiedenis der Frankon.

Clovis i (481—511), koning van een deel dor Salische Frankon, oen krachtig man, veroenigde langzamerhand allo stammen onder zijn bewind en werd daardoor do stichter van het groote Frankische rijk. ïoon hij hot bestuur aanvaardde, was zijn gebied aan alle zijden door onafhankelijke volkeren omringd, van welke hij er vele onderwierp of afhankelijk maakte. De Alcmannon versloeg hij in 496 bij Zülpich (ten z.w. van Keulen), waarop zij hom als opperheer erkenden. Daar Clovis, tot dusverre heiden, in dezen slag de gelofte had afgelegd zich te laten doopen, indien do God dor Christenen hem de zege verleende, nam hij nog in 't zelfde jaar to Rhoims (ton n.o. van Parijs) met vele Franken liet katholiek geloof aan. Zoo men wil, bracht zijn Bourgondische gemalin Clotildo, dezelfde leer toegedaan, hot hare tot deze bekeering bij.

Ten gevolge hiervan ging allengs het gehoele volk tot hot Christendom over. Dewijl Clovis, ïn tegenstelling met de overige koningen in West-Europa, niet tot hot Arianisme, maar tot de rechtgoloovige kerk overging, begroette do paus hem met don titel „den allerchristelijksten koning.quot; Hierop worden ook de bewoners van Armorïca afhankelijk en de Bourgondiërs tot het opbrengen eonor jaarlij ksoho schatting genoodzaakt. Een reeks van jaren hoorschto er twist tusschen de Franken en do quot;Wost-Gothen, die eindelijk tot oen openbaren oorlog oversloeg., Do slag bij Vouglé (in de nabijheid van Poitiers, ten z.w. van Tours) in 507 liet den West-Gothen van hun gebied in Frankrijk niets over dan den kustonzoom tusschen de Pyrenaeën en de Rhone. Zóó liot Clovis bij zijn dood in 511 een rijk na, dat bijna geheel Frankrijk, een groot deel van Duitschland, België en de Nederlanden omvatte. Even vóór Clovis of in zijn tijd begon men waarschijnlijk de wetten, bekend onder den naam de salische, op te teekenen, waaronder or een is, die bepaalt, dat alleen do man, niet do vrouw, in hot gebied der Saliërs erfgenaam kan zijn van den grond.

Clovis' zonen en kleinzonen verdoolden telkens het rijk onder elkander, van welks beide hoofddoelen het eeno Austrasië of het oostelijke land, d. i. alles, wat aan den rechteroever van den Rijn lag, benevens do linkeroever tot aan de Maas, hot andere Neustriii, het westelijke land, lioetto. Onder de regeering dezer vorsten nam het groote gebied dor Franken

-ocr page 119-

90

nog in uitgestrektheid toe, doordien de Thnringen en do Bourgondiërs werden onderworpen en den Wost-Gothen hun gebied in Frankrijk ontrukt. Intusschen verzwakte de veerkracht der vorsten en waren zij aan groote ondeugden overgegeven. Hierdoor komt het, dat hun geschiedenis uit niets dan uit een bijna onafgebroken reeks van schandelijke misdaden, v;in burger- en broederoorlogen bestaat. Welhaast werden het aanzien en de macht van 't koningschap zoozeer ondermijnd, dat in hun plaats de hofmeiers (major domus, de eerste huisbediende), oorspronkelijk slechts opzichters over de koninklijke bedienden en goederen, regeerden en alles vermochten, inzonderheid toen hun waardigheid erfelijk werd in hot Karolingische geslacht, dat zijn naam ontleent aan den beroemdsten vorst uit dat huis. Karei den groote.

Zij, die den grond hebben gelegd tot die groote macht der Karolingische hofmeiers, waren Pepijn de oude of van Landen (toen in Brabant, thans in Luik) en de bisschop Arnulph van Metz. Op verzoek der Austrasiërs, die in menig opzicht verschilden van do meer Romeinscho Neustriërs en Bourgondiërs, gaf clotauius ii, een achterkleinzoon van Clevis, die het geheele rijk had hereenigd, hun zijn onmondigen zoon Dagobert I tot koning en voegde hom de beide genoemde mannen als leidslieden toe. Deze Dagöbert is het, die het land tot aan den Rijn aan do Friezen ontrukte en te Utrecht, toen Wiltenburg goheeten, de eerste Christenkerk of kapel onder hen stichtte. Do eerste der huismeiers, die in naam der koningen zoowel over Austrasië als over Neustrië het erfelijk bewind voerde, is peplin van heristal, alzoo genoemd naar zijn burgt, thans een vlek (ten n.o. van Luik), van moederszijde een kleinzoon van den eersten Pepijn en door zijn vader een kleinzoon van bisschop Arnulph. Op hein volgde zijn onechte zoon kakel, wegens zijn persoonlijke dapperheid mabtell, d. i. de strijdhamer, genoemd, die in 732 in den slag tusschen Tours (aan do Loire) en Poitiers (ten z.w. van Tours) op de uit Spanje in Frankrijk binnengedrongen Mohammedanen zulk een schitterende zege behaalde, dat het grootste gedeelte van't leger der vijanden op hot slagveld bleef. Al voerde Karei Martell geen stelselmatige secularisatie, d. i. weroldlijkverklaring, alzoo verandering van geestelijk goed in staats- of bijzonder eigendom, in, hij, maar vooral zijn opvolgers, te beginnen met Pepijn den korte, schonken, om hun soldaten te beloonen, aan die krijgsknechten vele kerkelijke goederen, of in eigendom, èf als beneficiën (zie beneden blz. 101 en 102).

Toen Karei Martell in 741 stierf, hoorde men bijna niet meer spreken van een Merovingisch koning. Zijn zonen, de erfgenamen zijner macht, Pepijn de korte en Kaï'löman, regeerden eenige jaren lang gezamenlijk. Maar weldra, in 747, legde Karloman, waarschijnlijk hiertoe gedwongen door Pepijn, mot wien hij in slechte verstandhouding was, het bewind noor en begaf zich in een klooster. Pepijn, thans alleenheerscher, geloofde eindelijk verdiensten genoog omtrent het rijk te hebben verworven, om den koningstitel te kunnen voeren. Daarom liet hij paus Z ach ar las vragen,

7*

-ocr page 120-

100

of het met Gods wil overeenkomstig was, dat hij, die werkeloos to huis zat, koning heette, dan of die titel niet veeleer hom toekwam, welke den last der regeering torsehte. Do paus, roods lang door de Longobarden in 't nauw gebracht en voor zich en de kerk voel goeds van oen verbintenis mot don machtigen Frankischen vorst hopende, antwoordde overeenkomstig Popijns wensch. Nu word hij in 752 te Soissons in een plechtige volksvergadering op een schild opgeheven, ten toeken dat men hem als koning had gekozen. Cuildehik iii, de laatste der Merovingiërs, werd daarentegen onttroond en, naar do wijze der monniken, met kaalgeschoren kruin in een klooster gezet.

§ 50.

Het leenstelsel.

Het was de gewoonte der Duitscho stammen, in do landen, die zij veroverden en waar zij zich vestigden, den inwoners een of twee derde doelen van hun eigendom, zoowel in land en woningen als in slaven, enz. te ontnemen en dit onder elkander te verdoelen. Een uitzondering op dit gebruik maakten de Franken. Overal, waar zij veroveringen maakten, lieten zij de overwonnenen in 'tbezit van den grond, dien zij hadden. Er bleef, dewijl in de veroverde landen do bevolking nergens zeer dicht was en liet voortdurend oorlogen ze bovendien zeer deed afnemen, land genoeg over voor de overwinnaars. Al het land nu, dat in de veroverde streken geen eigenaar had, viel don koning der Franken ten doel. Op tweeërlei wijze beschikte hij er over. Of hij behield hot voor zich en maakte het alzoo tot staatseigendom of domein (goed van den landsheer), öf hij stond hot in vollen eigendom aan zijn onderdanen af. liet laatste kon wederom op een van de beide volgende manieren geschieden. Zekere bepaalde aangeduide stukken werden aan dozen of genen van 's konings voornaamste dienaren toegewezen, of wel, een grooter of kleiner aantal Franken word veroorloofd zich hier of daar te vestigen en den grond in bezit te nemen.

Van de vroegste tijden af waren alle vrije onderdanen van den koning der Franken, zonder onderscheid, tot trouw aan hem verplicht en gehouden, op zijn bevel den heirban te volgen. Oorspronkelijk was er weinig verschil van rang en stand. De aanzienlijkste lieden waren de antrustionen, d. i. zij, welke den koning bijzondere trusiis of getrouwheid hadden beloofd, of, met andere woorden, in do trustis of bescherming des konings waren opgenomen. Hun verhouding tot don koning was geheel van persoonlijkon aard. In tijd van vrede woonden zij in of nabij zijn paleis, vormden zijn hof, bewezen hom verschillende diensten en waren zijn dischgenooten; in tijd van oorlog maakten zij zijn stoet of lijfwacht uit. AVie een van hen doodde betaalde ten zoen een driedubbel weergeld, d. i. een som, die de moordenaar, als boete voor zijn misdrijf, geven en de beleedigden, de verwanten des gedooden, aannemen moesten.

-ocr page 121-

101

Belmlvo in de genoemde punten waren cle antrnstionen in alle opzichten gelijk aan de vrijen in 't algemeen: mot hon hadden zij dezelfde rechten en plichten. Doch zooals vanzelf spreekt, stonden, evenals do antrnstionen, de dienaren of ambtenaren dos konings, d. i. de graven (rechters), de hertogen (aanvoerders van het logor), dc hofmeiers, enz. boven de gewone vrijen en doolden alzoo in 't voorrecht van het hoogste weergeld. Een op zichzelf staanden stand van edelen kenden de Franken niet. Alwie niet vrij was behoorde tot de liten of tot de lijfeigenen. De liten hadden persoonlijke vrijheid, maar waren, evenzeer als cle lijfeigenen, onafscheidelijk verbonden aan hot landgoed van den heer, weshalve zij ook hof-hoorigen of hoorigen werden genoemd. Ook op hen rustte, evenals op de lijfeigenen, de erfelijke verplichting tot zekere diensten, die echter minder verachtelijk waren dan de verrichtingen, waaraan de lijfeigenen onderworpen waren. Verder waren do liten verplicht, schot en lot, cl. i. een hoofdgeld, to betalen. Met do hoove zelve, waartoe zij behoorden, konden zij vervreemd of verkocht worden. Het onderscheid tusschen hon en de lijfeigenen kwam voornamelijk hierop neer, dat de laatsten allo persoonlijke vrijheid misten en geheelonal het eigendom van den heer waren. Zij dienden den heer of op zijn landerijen, óf in zijn huis. Een andore naam voor hoorigen of lijfeigenen was vassi of vazallen.

Hoe meer men in den tijd achternitgaat, onder des te meer personen is bij do Franken de grond verdeeld. Grooto grondeigenaars zijn in de eerste eeuwen een zeldzaamheid. Later nam hun getal toe, doordien vele vrijen, door verlies van hun vaderlijk erfgoed, door verdeeling van erfgoederen of anderszins, verstoken geraakten van eigen hoeve en zich gedwongen zagen, hofhoorigen of lijfeigenen te worden. Vooral de kork breidde in den loop der eeuwen haar grondbezit aanmerkelijk uit: na of met den koning was zij in dit opzicht hot rijkst. Tegen 't einde der zevende eeuw bezat zij, naar men meent, oen derde van den grond van 't oude Gallic. In tegenstelling met de gronden, die „beneficiënquot; worden genoemd (zie boneden op deze blz. en blz. 104), heette het land, dat men in vollen eigendom bezat, alodium.

Om het voor de gevers zeiven gemakkelijk te maken, do bezittingen der kerk van lieverlede te vergrooton, kwam langzamerhand een nieuwe wijze van schonken in gebruik. Wanneer, is niet juist te bepalen; doch moge zij onder do Merovingiërs' ook al nu en dan zijn voorgekomen, eerst onder de Karolingiërs werd zij zeer algemeen. Dio wijze van geven bestond hierin, dat men zijn bezittingen of gronden aan de kerk in eigendom afstond, onder voorwaarde dat men voor zichzelf en dikwijls ook voor zijn nakomelingen het vruchtgebruik behield. Dergelijk verleenen of afstaan door den eigenaar heette met oen Latijnsch woord beneficium (weldaad), hot afgestane land eveneens. Persoonlijke verplichtingen jegens den eigenaar sproten uit deze wijze van verleenen niet voort. Gelijk do kork, gaven ook andere, wereldlijke, grondeigenaars een deel van hun bodem in vruchtgebruik, als beneficium. Nu en dan waren het hoorigen

-ocr page 122-

102

of lijfcigonon, wien zoodanige gunst werd bewezen. Zóó kwam het, dat do vruchtgebruiker, zelfs al was hij een vrije, somtijds vassus of vazal werd genoemd. Zonder dat men kan ontkennen, dat hot vroeger is geschied, schijnt zooveel vast te staan, dat, evenals bij do kerk, zóó ook onder wereldlijke personen de gewoonte om beneficiën te geven eerst in de achtste eeuw is opgekomen. De regel was, dat de beneficiën niet erfelijk waren, ofschoon zij vaak van vader op zoon overgingen.

liet is licht te begrijpen, dat hot hoofd van 't volk, de koning, do grootste grondeigenaar, zich niet aan de aangeduide gewoonte onttrok. Hun, die hem trouw hadden gediend, moest hij wel gezind zijn dikwerf beneficiën te geven. Inzonderheid deelden de Karolingiërs menig beneficium uit, sedert zij, te beginnen met Pepijn den korte, op groote schaal bezittingen der kerk aan zich trokken of seculariseerden. Deze goederen verstrekten hun dan tot een krachtig middel om de getrouwheid hunner aanhangers to boloonon. Veelal gold do regel, dat zij, die op dergelijke manier werden begiftigd, als een geringe schadeloosstelling, tienden aan de kerk hadden te betalen. Hoe geringer allengs in het rijk der Franken het getal der vrije grondbezitters word, des te meer moest de koning de behoefte gevoelen, velen aan zich te verbinden door hun grond in eigendom of als boneficium te schenken. Op de trouw der zoodanigen kon hij, wanneer hom gevaren bedreigden, althans rekenen. Waren zij reeds als onderdanen tot getrouwheid verplicht, hoeveel te meer zullen zij die verplichting hebben gevoeld, nu hun bijzondere gunsten waren ten deel gevallen.

Met do toenemende gewoonte der koningen om op de eene of andere wijze goed uit te doelen word van lieverlede een van oudsher bestaand gebruik in verband gebracht. Dit was hel viundium of de bescherming, door een machtig man verleend aan geestelijken, vrijgelatenen of anderen, die van steun verstoken waren. Dat tot het verleenen van zulke bescherming de koning, meer dan anderen, werd aangezocht, ligt in den aard der zaak. Zij, die dezen steun zochten, gaven zich op plechtige wijze ter beschutting over, welke handeling commendatio (de aanbeveling, het overgeven van zichzelf) werd genoemd. Het geschiedde in manu of manibus, d. i. door do hand in do hand te leggen, en kwam hierop neer, dat hij, die de bescherming vroeg, zijn handen samengevouwen in die van hem legde, die zo toezeide.

Eenigermate gewijzigd, werd die gewoonte toegepast op de verhouding tus-schon de beide personen, van welke de een een beneficium gaf, de andere het kreeg. Do naam van hen, die dusdanige bescherming inriepen en verwierven , werd vazallen of homines (lieden). Men ziet hieruit, dat mot de zaken of de gewoonten de naam (zie blz. 101) allengs een andere botoe-kenis kreeg. Hij, die de bescherming verleende, werd dominus (heer) of senior (oudere) genoemd. Do verplichting van den vazal was, zijn heer alle door hem gevraagde diensten, mits een vrije niet onwaardig, te bewijzen. Inzonderheid behoorde hij, hoewel de betrekking van vazal dit niet in 't bijzonder medebracht, steeds gereed te zijn, zijn heer elk oogenblik

-ocr page 123-

103

gewapend ter zijde te staan. AVat den lieer betreft, hij had een zekere rechtsmacht over zijn vazallen, en tot zijn taak behoorde het, zoodra de heirban werd opgeroepen, zijn vazallen in den oorlog aan te voeren.

Het spreekt vanzelf, dat zoowel deze of gene, als de koning den een. goederen kon geven, een ander zijn bescherming beloven. Doch zeer dikwijls waren het dezelfde personen, die zich in 't genot der beide voorrechten hadden te verheugen, en allengs werd het een vast gebruik, aan geen ander een beneficium te geven, dan aan hom, die door do commendatie vazal werd. Vanhier, dat ofschoon het ontvangen van koninklijke of andere beneficiën oorspronkelijk geen verplichting tot hot doon van diensten oplegde, hot sinds Karei den grooto vaststond, dat zij, die ze hadden, omdat zij gewoonlijk tevens vazallen waren, den koning of den heer in den krijg hadden te vergezellen.

Hetgeen als beneficium werd gegeven was niet alleen land. Onder de Karolingiërs werd het hoe langer hoe meer gebruikelijk, ook tollen, 't recht van visscherij, kerken en kloosters als beneficiën te schenken. En na Karei don grooto gebeurde dit ook met ambten, zooals met dat van graaf. Daarvan was 't gevolg, dat het woord honor (ambt) in het dagelijksche leven gelijkbeteekenend werd mot beneficium. Evenals met de uitbreiding van het begrip van beneficium ging hot met dat van vazal. Reeds vóór Karei den groote ving men aan deze benamingen toe te passen op vreemde vorsten, wier land bij het Frankische rijk werd ingelijfd. Onmiddellijk na hun onderwerping liet men hen, als vazalion, aan den beheerscher van dat rijk hulde brengen. Op die wijze werd, voor oen goed deel der bevolking van 't Frankische rijk, de verhouding, waarin zij tot den koning stonden, ongevoelig meer die van den vazal tot den heer, dan die van den onderdaan tot den vorst.

Uit beneficium en commendatie ontstond wat men gewoon is het leenstelsel te noemen. Tot do ontwikkeling echter van dit stolsel op den grondslag dier oude gewoonten droeg nog een derde gebruik veel bij, hetwelk zich aan de beide andere aansloot. Dit gebruik was de immuniteit, d. i. vrijdom van belasting, van de verplichting om op do rechtsdagen ter zitting te verschijnen en van sommige diensten, maar niet van den krijgsdienst, en hierbij het recht, om schatting te innen en recht te spreken. Oorspronkelijk waren alleen 's konings gronden vrij van belasting. Mot die bezittingen ging tevens dit recht dikwijls op anderen over. Hieruit sproot mettertijd voor de bezitters van dergelijke goederen of beneficiën de bevoegdheid voort om zelf belastingen te innen van hen, die op zulke goederen woonden, en om over hen recht to spreken.

Gelijk zoo even werd opgemerkt, ontwikkelde zich allengs op de wijze, als boven beschreven is, bij de Franken het leenstelsel. Wel trof men vele der gebruiken, waaruit het voortkwam, ook bij de Longobarden en bij andere Germaansche stammen aan; doch bij de Franken kwam het tot vollen wasdom, en van hen ging het op vele der latere Buropeesche rijken over. Er is geen bezwaar tegen, den gebruikelijken term „leen-

-ocr page 124-

104

stelselquot; te bezigen, mits men goed inzie, dat, in don eigenlijken zin van 't woord, van geen stelsel of leenregeering kan worden gesproken. Uit zwakke kiemen zijn krachtige instellingen voortgekomen. Betrekkingen, oorspronkelijk uiteenloopende, zijn ineengegroeid en tot één geworden, liet ineengroeien dier betrekkingen riep een stand van aanzienlijke personen in 't leven, die in een bijzondere verhouding tot den koning kwam te staan. De staat der Franken berustte alzoo niet op het leenstelsel; maar dit stelsel oefende in velerlei opzicht een gewichtigen invloed op do staatsregeling. Het schiep mettertijd een menigte staten in den staat en gaf het aanzijn aan tal van vorsten of machthebbers, die zoo goed als onafhankelijk waren van den koning of keizer.

Do hoofdtrekken nu van het leenstelsel, tot volledige ontwikkeling gekomen, zijn de volgende. Wie het goed in leen gat heette leenheer; die het ontving leenman of vazal. In tegenstelling met het leen (henefoium, feudum) werd een vrij en erfelijk eigendom alodium genoemd. Groote uitbreiding kreeg het leenstelsel, doordien vrije grondeigenaars, deels om zich een machtig beschermer te verschaffen, deels door eerzucht verblind, hun alodium van den koning in leen namen, na hem eerst het eigendom daarvan te hebben afgestaan. Wat de vraag naar do erfelijkheid aangaat, de leenen konden slechts voor een bepaalden tijd, en dan meestal voor het leven, worden gegeven, of als erfgoed. Dit behoort vooral niet te worden voorbijgezien, dat de regel, dien men doorgaans aanneemt, of geen regel was, of althans geen regel zonder uitzondering, te weten, dat de leenen eerst voor een zekeren tijd, veelal voor hot leven, werden gegeven en later allengs erfelijk werden. Het is vermoedelijk, dat in ons land b.v., aireede in het tijdperk der gouwen, de graaflijke waardigheid doorgaans erfelijk was. In allen gevalle heeft de wet of bepaling van keizer Koenraad II (zie blz. 11(5) van 1037, waarin voor de aehterleonon in Noord-Italië de erfelijkheid wordt vastgesteld, voor dit vraagstuk niet dat gewicht, dat men er dikwijls aan ziet toekennen. Het is niet doenlijk, een tijdstip op te geven, van 't welk de erfelijkheid der leenen dagteekent. Zij werd hoe langer hoe meer een algemeene gewoonte, vooral sinds sommige koningen van Duitschland, als Hendrik II en Koenraad II, die erfelijkheid in beginsel erkenden. Yoor 't overige is de zoo even aangehaalde wet van Koenraad II de eerste op schrift gebrachte verzameling van bepalingen betrekkelijk het leenstelsel. Was een leen erfelijk, dan viel niet zelden te beslissen, of het alleen een mannelijk of xwaardlcen, of wel tegelijk een vrouwelijk of spilleleen was. Dezelfde betrekking, die er tusschen de leen-heeren en do leenmannen was, bestond tusschen de leenmannen en de achterleenmannen of vazallen, wanneer do leenmannen, waartoe de toestemming van den leenheer werd vereischt, een deel van hun leen in achterleen aan do achterleenmannen afstonden of hen er mode verleiden.

De leenverhouding was wederzijds persoonlijk en verplichtend. De leenheer was gehouden, den leenman in zijn rechten, eer en veiligheid te beschermen. Van zijn kant was de leenman verplicht, bij zekere gelegen-

-ocr page 125-

105

heden don leenheer hulde te bewijzen, hem tor zijde te staan, inzonderheid hom in don oorlog te volgon. Do mate van den krijgsdienst was niet ovoinl gelijk en hing van do grootte van hot leen af. Na do splitsing van het Frankische rijk waren de Duitsche vazallen gewoonlijk tot zes weken 's jaars, de Fransohe leenmannen meestal tot veertig dagen krijgsdienst op eigen kosten verplicht. Op de rechtsdagen moesten de vazallen voor don leenheer verschijnen.

Verlet of investituur hoot de daad, waardoor do leenman in 't bezit wordt gesteld van hot leen. Zóó noemt men n.1. de plechtigheid, wanneer oen leen voor do eerste maal wordt gegeven. Verheffing of relief daarentegen is de benaming, wanneer hot con vernieuwen of op nieuw verleenen is, indien er n.1. öf een andere leenheer, óf een andere leenman komt, hetgeen mot minder plechtigheden gepaard gaat. Dikwerf heetten de geschonken, die bij zulke gelegenheden den leenheer worden aangeboden, of de gelden, hom gegeven, ook reliefs.

Op die wijze omvatte het leenstelsel langzamerhand het gansche volk in verschillende trappen, als vazallen, hofhoorigen, lijfeigenen. Door leonen en achtorleenen was ieder van moor aanzien leenheer of leenman, dikwijls beide, terwijl de groote massa der bevolking, onder don naam hofhoorigen cn lijfeigenen, in meerdere of mindere mate of geheel van alle burgerlijke en persoonlijke rechten verstoken was en onderdo willekeurdor hoeren gebukt ging. Daardoor verdween de oude gelijkheid van allen, die in de eerste eeuwen onder de Duitschers in 't algemeen, al zoo ook onder do Franken, had bestaan. Slechts de aanzienlijken, de hooge ambtenaren en de vazallen, ■wereldlijke of geestelijke personen, raadpleegde de koning over do opon-bare aangelegenheden. M.a.w. de rjksstenden vervingen de vroegere volksvergadering dor vrije mannen. Hoewel de koning zelf alleen bij keuze zijn waardigheid bekwam, gold toch bij de Franken de oud-Grermaansche regel, dat de zoon don vader volgde.

§ 51.

Het Christendom onder de Duitsche volkeven. — Tiet pausdom en de scheuring der katholieke kerk. — Het monnikkendom.

De Duitschers leerden hot Christendom deels bij do door hen van hun macht on van hun gebied beroofde Romeinen, dcols door edele mannen kennen, die, hun vaderland verlatende, naar de wouden der barbaren togen, ten einde er onder allerlei ontberingen en vervolgingen de leer van Christus te verkondigen. Deze mannen kwamen sedert het begin der zeven-4iendc eeuw grootendeels uit Engeland en uit Ierland. Mot don moesten ijver prodikte de Angelsaks winfjued, met een Latijnschen naam honi-facius gehceton, de apostel dek duitschers. Hij bekeerde inzonderheid de Hessen en de Thuringen, stichtte vole kerken en bisdommen, o.a. to Fulda (in Keur-Hessen), en word zelf de eerste aartsbisschop van Maints (aan den Rijn). Later logde hij deze waardigheid neer, om onder

-ocr page 126-

106

de Friezen hot Evangelie te verkondigen. Nabij Dokknm (in 't n.o. van Friesland) vond hij den 5den Juni 755 don dood des martelaars. Vermits Bonifacius, door paus Gregorius II gemachtigd, getrouw aan zijn eed, alle bekeerde volken aan het geestelijk oppergezag van den paus onderwierp, werden deze volkoren tevens steunpilaren der pauselijke oppermacht, waartoe de grond reeds vroeger was gelegd. Vóór lang toch had de patriarch van Rome reeds beweerd, dat hij in rang stond boven zijn ambtgenooten in de overige metropolen (zie blz. 85). Het aanzien van het eeuwige Rome, de hooge ouderdom van de gemeente, te dier plaatse gesticht, en de rijkdommen der Romeinsche bisschoppen waren de voornaamste gronden, waarop hij, bij het streven naar het oppertoezicht over de kerk, steunde.

De titel paus, van pappas of papa, d. i. vader, was oorspronkelijk allen bisschoppen gemeen geweest. Doch sinds ghegokïus i den guoote (590—004), een zeer eerzuchtig man, ofschoon hij zichzelf „den knecht dor knechten Godsquot; noemde, werd het meer en meer gebruikelijk, dien alleen aan don bisschop van Rome toe te kennen. Tot dusverre was deze bisschop doorgaans wel als de eerste onder zijn gelijken erkend; maar van nu aan verbond men met dien titel het begrip van een oppermacht en een oppertoezicht over do kerk. In 't quot;Westen erkenden al de bisschoppen, die sedert Bonifacius aan 't hoofd der nieuwe gemeenten werden gesteld, het pauselijk oppergezag, doordat zij het hun uit Rome gezonden pallium of kort opperkleed, als teeken hunner waardigheid, aannamen. Eerst benoemde de paus zelf zijn opvolger; later werd hij door de voornaamste geestelijken en leeken te Rome verkozen en de keuze door den keizer bekrachtigd. Sedert 1059 kwam die verkiezing, door een wet van paus nikolaas ii, aan de kardinalen, d. i. aan de voornaamste geestelijken der stad Rome.

Vooral wies de macht der pausen sinds de negende eeuw, toen zij zich konden beroepen op de destijds te voorschijn gebrachte en waarschijnlijk te Rheims vervaardigde pseudo-Isidorische deeretalen, d. i. een onechte verzameling van besluiten der vroegste Romeinsche bisschoppen. De strekking dezer verzameling, die onder den naam van Isidorus in 't licht kwam, omdat er bovendien een echte verzameling bestond van dergelijke stukken uit de zevende eeuw, zóó genoemd naar Isidorus, te dier tijde bisschop te Sovilla (hot oude Hispalis, ten z.w. van Cordova, in Spanje), was, de bisschoppen aan de rechtsmacht van wereldlijke personen, van aartsbisschoppen en provinciale synoden te onttrekken. Hun wordt daarin het recht om zich op den paus te beroepen in bijna onbeperkte mate toegekend en dezen vorst der kerk alzoo, in overeenstemming met de hand over hand toenemende gewoonte, als opvolger van Petrus en als stedehouder van Christus op aarde, de hoogste macht toegekend. Door dit alles groeide de sinds de dagen van Constantïnus den groote zichtbare ijverzucht van den patriarch te Constantinopel aan. Daarenboven had zich gedurig verschil in de gebruiken geopenbaard, zoodat, na langdurige spanning, in 1054 de katholieke ofalge-meene kerk in de Latijnsche en de Grieksche werd gesplitst, de eerste met Rome, de tweede met Constantinopel als zetel. Het voornaamste ken-

-ocr page 127-

107

merk der Gricksche kork is, dat zij liet oppergezag van don paus verwerpt.

Roods vóór de verschijning van het Christendom hioldon vole vrome gemoederen de afzondering van de wereld voor het zekerste middel om innige gemeenschap mot hot Opperwezen te houden. Inzonderheid had dit plaats in Egypte sodort de vervolgingen, dio do Christonon daar te dulden haddon. Omstreeks 270 begaf Antonius zich naar de woestijn tusschon de Roodo Zee en don Nijl, ton einde er op die wijze te loven. Zijn voorbeeld vond velo navolgers, die men monniken (d. i. eenzaam levenden) noemde. Ongeveer 340 vereonigde Pachomius velen hunner op oen eiland in don Nijl, Tabenna (nabij Syone, in 't z. van Oppor-Egypte), om naar een gomoenschappelijken regel te loven. Zóó ontstonden de kloosters of gesloten plaatsen, die door abten worden bestuurd. Bij gebrek aan degelijke werkzaamheid vervielen de monniken in 't Oosten tot allerlei zonderlinge pijnigingen van hun eigen lichaam en waren, in tijden van twisten over leorstolsols, veelal een bandeloos leger in de handen van heftige bisschoppon. Van Egypte ging het monnikendom naar Palaestina, Syrië en andere Christenlanden over. In 't Westen schreef Benëdictus van Nursia (in don Kerkdijken Staat, ten o. van Spolêto), die in 529 op don borg Cassïno (in Napels, ten n.w. van Capüa) een klooster had gesticht) vaste rogels voor, welke spoedig algemeen worden aangenomen, en do monniken tot handenarbeid, beoefening der wetenschappen, verpleging van zieken, tot gehoorzaamheid en armoede verplichtten. Zoo nadeolig de kloosters dus in 't Oosten werkten, zulk een gunstigen invloed oefenden er vele in 't Westen. Thans word hier menige landstreek, waar oen klooster verrees, voor 't eerst ontgonnen; woestijnen verdwenen, wouden worden gevold, moerassen droog gemaakt, kerken en scholen gesticht. Eeuwen lang waren vele kloosters de kweekschool der wetenschappon, omdat zij een toevluchtsoord aan haar beoefenaars verschaften, die binnen hun muren de ruwheid der tijdon veilig konden trotsceren.

§ 52.

Het Frankische rijk onder de Karolingische koningen Pepijn en Kavel den groote. — Van 752 tot 814.

Kort na het afzetten van Childërik III wendden zich de Longobarden tegen Rome en tegen paus Stephanus III, die de hulp van peplin den korte (752—708) inriep. Door een verschrikkelijke verwoesting van het land der Longobarden en door do belegering hunner hoofdstad Pavïa (ton n.w. van Piacenza) dwong de koning der Franken in 755 don vijand tot hot opbrengen eoner schatting en tot het afstaan aan do kork, d. i. aan don paus, van het voormalige exarchaat, d. i. van de landen bij Bologna (ton n. van Florence) en bij Ancöna (in 't o. van Italië aan zee). Hierdoor logde hij don grond tot de aanspraak dor pausen op een onafhankelijk wereldlijk gebied, d. i. hij grondvestte den Kerkeljicen Staal, want het

-ocr page 128-

108

kleino gebied rondom Rome, dat de paus sinds kort bezat, verdiende geenszins den naam „staat.quot; Op zijn beurt benoemde de paus Pepijn tot patricius van Home. Dit was oen eorotitel, waaraan eon zeker gezag over die stad was verbonden, ongeveer overeenkomende met dat van een exarch, die ook wel patricius wordt genoemd. Do koning der Franken, golijk later Karol de groote en do koningen van Duitschland, Hot zich in deze hoedanigheid te Rome on in andere steden van don Kerkelijken Staat door een plaatsvervanger vertegenwoordigen.

Op Popijn volgde zijn zoon kauel de gkoote (7G8—814), oen dier buitengewone nienschen, din onze bewondering tot zich trekken en wier gebreken men bij de herdenking hunner veel grootero verdiensten gaarne vergeet. Uitmuntende als veldheer, als vorst enalsmensch, beraamde hij hot eerst hot grootsche plan, al de Duitsche volksstammen door den Christe-lijkon godsdienst en onder óón bestuur te veroenigen. Naast de Franken waren toen de Saksen de krachtigste Duitsche volksstam, die zich over eon groot doel van Noordwestelijk Duitschland uitstrekte. Zij waren nog streng gehecht aan de oud-Gormaansche gebruiken en met lijf en ziel verkleefd aan den heidenschen afgodendienst. Door de rooftochten, dio zij ouder gewoonte in het Frankische rijk ondernamen, gaven zij de koningen dor Franken veelvuldige aanleiding tot oorlog.

Karol begon in 772 de lange reeks der dikwerf afgebroken oorlogen togen de Saksen, die ruim dertig jaren duurden. Zoovaak andere oorlogen den koning bezig hielden, liepen de Saksen, hoewel telkens overwonnen, onder Wittokind, den aanzienlijkste der Saksische aanvoerders, weer te wapen. Nauwelijks was de eerste tocht afgeloopon, of paus Hadrianus I riep Kareis hulp in togen Desidorius, koning dor Longobarden. Karei liet zich niet lang wachten en sloeg hot beleg voor Pavïa, dat zich weldra overgaf. Hiermede was in 774 de onderwerping der Longobarden aan 'trijk der Franken voltooid; hun koning verwisselde do kroon met de monnikskap. Thans bevestigde Karei de groote den paus in 't bezit dor landen, door Pepijn aan zijn voorganger geschonkon, waaraan hijzelf nog andere toevoegde.

Op den rijksdag, dien Karei in 777 te Padcrhorn (in 't o. van AVost-phalon) hield, kwam een gezantschap Arabieren, tegenstanders der Spaansche Ommyaden, den bijstand van Karei tegen khalif Abd Errahman (zie blz. 90) inroepen. Gretig naar kamp tegen de ongeloovigen, voldeed hij aan dit verzoek en veroverde bijna al het land van do Pyraenaeën tot de Ebro, waaruit de Spaansche mark (grensgewest) van hot Frankische rijk werd gevormd. Maar op den terugtocht werd de achterhoede van 't leger dooide Basken in de passen der Pyronaeön overvallen, waarbij vele Franken sneuvelden, o. a. Roland, de gevierde held der dichterlijke overlevering.

Nog voordat Karei uit Spanje was teruggekeerd, waren de Saksen op nieuw opgestaan. In hevigon toom hierover ontstoken, liet Karol vier duizend vijf honderd hunner aanzienlijkste mannen, die voor hem verschonen, noderhouwon, een daad, die zich niet geheel door de woestheid dor eeuw laat verontschuldigen. Op do mare dezer wraakoefening stond

-ocr page 129-

109

liet geheele volk tegen clo gehate Franken op, en eerst nadat Wittekind zich in 785 had laten doopen, was do kracht van den opstand gebroken. In 804 volgde hun volledige onderwerping en beloofden zij bij het Christen-tendom te zullen volharden. De verplaatsing van tallooze scharen Saksen naar andere streken van het Frankische gebied was inzonderheid het krachtige middel, dat Karei tegen herhaling van opstand aanwendde. Behalve do oorlogen tegen de Saksen had Karei nog vele andere te voeren. Zoo hadden de Friezen menigmaal deel genomen aan de oorlogen der Saksen; maar met de onderwerping van Wittekind in 785 eindigden mede hun oproeren. Ook tegen de Avar en, in 't land ten o. van de Beieren (d. i. het tegenwoordige Oostenrijk en Hongarije), trok Karei te velde. Na vele krijgstochten ontnam hij hun het land tusschen de Ens en de Eaab (twee bijstroouien aan den rechteroever van den Donau). Dit werd de Oostenrijkse!te mark.

Zooveel heldendeugd en overwinningen, zoovele diensten, in den strijd tegen heidenen en Mohammedanen aan het Christendom bewezen, maakten Karei tot den roem en tot hot voorwerp der bewondering van de volkeren , tot de toevlucht der zwakken. Het was dus niet vreemd, dat, toen hij paus Leo III eens een persoonlijken dienst had bewezen, deze paus en het volk te Rome hem, om zijn aanzien te vergrooten, met een nieuwen titel vereerden. Bij een processie werd Leo III eens door een hem vijandige partij gruwelijk mishandeld. Karei snelde naar Rome en hield er een statige rechtszitting; zij, die zich aan den paus hadden vergrepen, werden verbannen. Nu zette do paus hem in 800 op kerstdag, juist toen hij voor het altaar in de St. Pieterskerk knielde, plechtig Rome's keizerskroon op hot hoofd. Het talrijk verzamelde volk riep den Frankischen vorst als keizer uit, en de sinds 47G in het Westen afgeschafte keizerlijke waardigheid werd hersteld. Hot plan der kroning, lang voorbereid, kan voor Karei geen geheim zijn geweest. Slechts is het waarschijnlijk, dat hij onbekend was met 's pausen voornemen om de plechtigheid juist op dien dag te voltrekken. Het spreekt vanzelf, dat de wederzijdsche rechten van paus en keizer van den beginne aan niet waren omschreven, omdat zij hiervoor niet vatbaar waren. Desniettemin werd er eeuwen lang een felle strijd gevoerd over de niet op te lossen vraag, of en in hoeverre de paus van den keizer, de keizer van den paus afhankelijk zou zijn. Gedurende zijn laatste levensjaren kampte de keizer nog met geluk tegen de Denen en do Slaven, zoodat zijn uitgestrekt rijk toon ton n. door do Eider (de grens tusschen Denemarken en Duitschland) en de Oostzee, ton z. door don Tiber en do Middollandsche Zee, ten o. door de Elbe en do Raab, ten w. door de Ebro en den Atlantischen Oceaan werd begrensd.

§ 53.

-Kareis hinnenlandseh beheer.

Hoe uitstekend Karei ook als krijgsman moge zijn geweest, hij is nog grooter als rogent. Onophoudelijk strevende naar zijn verheven doel, do

-ocr page 130-

110

uitbreiding van 't Christendom, dat in zijn tijd noodwendig gepaard ging met priesterheerschappij en kerkpraal, stichtte hij zeer vele bisdommen, o. a. te Paderborn, te Osnabrück (aan do Hase, een zijtak vandeEems), te Bremen, te Munster, enz., en richtte overal scholen op. Zóó word hij tevens de grondlegger van een menigte steden, want tot zijn tijd toe bestonden er in zijn rijk bijna geen andere steden dan de weinige, die de Romeinen aan den Rijn en aan den Donau hadden aangelegd. Over de Frankische kerk heorschte de keizer, ook toen hij nog slechts koning was, met even onbeperkte macht als over het Frankische rijk. Op de rijksdagen werd evenzeer over kerkelijke, als over wereldlijke aangelegenheden beraadslaagd. Do wetten, welke werden uitgevaardigd, behelsden voor een goed deel verordeningen, betrekking hebbende op de geestelijkheid, de kerken en de kloosters. Voortdurend waakte hij mot bijzondere zorg voor alles, dat in verband stond met het leven, met den wandel en met de kunde dor geestelijken. Hijzelf benoemde de bisschoppen, evenals de wereldlijke overheden, en beschikte over het goed der kerk, alsof het bezittingen van het rijk waren. Hij was metterdaad het hoofd der Frankische kerk.

Rondom zich verzamelde Karei een kring van uitmuntende geleerden, zoowel om zichzelf als om zijn volk te beschaven. Onder hen was de Angolsaks Alcuin, dien hij innig hoogachtte, en Eginhard, die het loven van zijn vorst beschreef. Zeer zorgde Karei voor de beschaving der Duitsche taal, waarin hij vele preeken der kerkvaders liet vertolken. Eveneens ijverde hij voor de beoefening der bouwkunst. Ook de landbouw, dien hij deels door nuttige voorschriften, deels door zijn eigen voorbeeld bij het bebouwen zijner landgoederen bevorderde, ontging evenmin het oog des keizers als de koophandel; Bremen, Augsburg en Keulen werden, als stapelplaatsen voor het ruilen der waren, bloeiende koopsteden.

In het staatsbestuur maakte de keizer menige verandering. Vaste hertogen over de afzonderlijke natiën (zie blz. 113) komen, behalve in oorlogstijd, onder Karei niet meer voor. Over dc gouwen, waaruit het rijk bestond, als zoodanig graafschappen geheeten, waren, gelijk vroeger, graven (rechters) gestold. Zij spraken, met de hun toegevoegde schepenen, wier naam is afgoloid van scheppen, inzoover het „oordeelenquot; of „vinden,quot; n.1. van het vonnis, beteekent, als bijzitters, recht en voerden in oorlog den heirban aan. Aan 't hoofd der grensgewesten of marken stonden markgraven. Recht en gerechtigheid handhaafde Karei gestreng: hij zond deswege jaarlijks afgevaardigden, {missi regii, dominïci, d. i. zendelingen van den koning, van den heer) of koningsboden rond, die toezicht op de graven hielden en de klachten van eiken onderdaan aanhoorden. Van huismeiers is, sinds de Karolingiërs zich in 't bezit der koninklijke waardigheid hebben gesteld, geen spoor meer. Onder de beambten aan hot hof waren thans de kanselier en de paltsgraaf (paleisgraaf, d. i. hoofd der rechtspraak van 't paleis) de gewichtigste, üo eerste stond aan 't hoofd der geestelijke zaken en was belast met liet uitvaardigen en onderteekenen van 's konings oorkonden, weshalve hij tevens grootzegelbewaarder was.

-ocr page 131-

Ill

Do paltsgraaf leidde de wereldlijke aangelegenheden en had inzonderheid het bestuur over alles, dat de koninklijke rechtspraak betrof. Daar Karei ieder volk, ten minste gedeeltelijk, naar zijn eigen wetten wilde laten leven, bekrachtigde hij do oude rechten en gewoonten der verschillende natiën, waarover hij 't bewind voerde. Op de rijksdagen, sedert Pepijn den korte Meivelden, meestal slechts door de groote leenmannen en dooide hooge geestelijkheid bijgewoond, beraadslaagde men over oorlog, vrede en wetten. Zoodra de wetten door don koning waren bekrachtigd, heetten zij, naar do hoofdstukken of kapittels, waaruit zij bestonden, capitulariën.

In zijn levenswijze was Karei eenvoudig, in hot drinken zeer matig, minder in het eten, ijverig in zijn studiën, hot Latijn, dat hij sprak als zijn moedertaal, hot Grioksch, de sterrc- en de rekenkunde. Met hot schrijven , d. i. het maken of terneerstellen van letters, was hij te laat begonnen, om er vorderingen in te maken. Hoe velerlei voor 't overige ook zijn werkzaamheden waren, uitermate nauwkeurig was hij, zelfs in de kleinigheden van hot dagelijksche leven. Nog bij zijn levon was de roem zijner voortreffelijke eigenschappen en daden tot in hot verre Oosten doorgedrongen. Khalif Haroen al Raschid vereerde hem kostbare geschenken, zooals oen olifant en een kunstig bewerkt slaguurwerk, waarvoor Karei hem uitmuntende jachthonden en fijn linnen terugzond. Karei stierf in Januari 814 en werd te Aken (in Rijn-Pruisen, ten z.w. van Keulen) in een stoenen kapel bijgezet.

§ 54.

De Karolingische koningen van het rijk der Franken tol het afzetten van Karei dm dikke, van 814 tot 887 en 888. —

Het verdrag van Verdun, in 843.

Met den dood van Karei den groote begon reeds de slooping van 't groote rijk, dat zijn moed, zijn vaste wil, zijn wijsheid en doorzicht hadden gesticht. Do hoofdoorzaak of een van de hoofdoorzaken der ontbinding van 's keizers rijk is te zoeken in don wrok der volkoren, die onder 't juk waren gebracht en die don last van dat juk met weerzin torschton. Karei, hoewel de rechten dor onderscheidon volkeren zooveel mogelijk eerbiedigende, had desniettemin met al zijn kracht er naar gestreefd, om meer eenheid in het rijk te krijgen. Maar juist dat eerbiedigen verhinderde een langzaam inoengroeien: na Karei ging die aanvankelijke oenheid, in plaats van te worden bevestigd, weder te niet. Veelvuldig waren over 't geheel de kiemen der ontbinding, in de gohoelo inrichting van het rijk aanwezig. Alles droeg een uitsluitend persoonlijk karakter: de persoon van don vorst was de band, die de verspreide doelen moest bijeenhouden. Do dienaren van don keizer, die alle mogelijke macht in hun persoon vereenigdon, n.1. het burgerlijk, het rechts- en hot krijgsgezag, vonden hierin een geroedo aanleiding, om er naar te streven, zelfstandige gezaghebbers te worden. Zóó trokken do graven de landshoogheid aan zich.

-ocr page 132-

112

Zeor werd inzonderheid de oplossing van 't rijk in do hand gewerkt door de immuniteiten (zie blz. 103), naar welke bovenal de geestelijken stonden, die zich ongaarne als burgers van don staat wilden laten aanmerken. Zij waren het vooral, aan wie, na den dood van Karei den groote, dergelijke voorrechtsbrieven werden verleend, die hun bezittingen en hun onderhoo-rigen aan hot rechtsgebied der graven onttrokken en het eerst do aloude verdeeling in gouwen of graafschappen verbraken. Immers, hetzij midden in do graafschappen, of over verscheiden graafschappen verspreid, lagen die goederen dor bisschoppen, kerken of kloosters, waarover de graaf nu geen macht meer had. Naijverig op dit voorrecht, stonden ook de graven er naar, zoodanige immuniteiten te verwerven, wat hun, bij het toenemend verval van den heirban, gemakkelijk viel. Hetgeen den hoirban meer en meer in onbruik deed komen waren do onophoudelijke oorlogen, die men togen do Noormannon, do Slaven, de Hongaren, de Mohammedanen had te voeren. Deze oorlogen maakten hot tot een dringende noodzakelijkheid, dat ieder oogenblik, nu hier dan daar, kleinere scharen krijgsvolk op do boen kwamen. Langs dien weg kroeg, naar mate de kracht van den heirban verminderde, de verhouding van den vazal tot don leenheer meer vastheid en innigheid. Aan hen, die, als vazallen dos keizers, dusdanige diensten aan het rijk bewezen, was het mooielijk, de immuniteit te weigeren, die aan do geestelijken was vergund, wat ook weder tot verzwakking voerde van de rechterlijke macht van het opperhoofd van 'trijk en zijner plaatsvervangers.

quot;Weldra brachten do zwakheid en de weifeling van Kareis zoon en opvolger, lode wijk, wegens het nauwgezet waarnemen der uiterlijke plichten van don godsdienst de vkome gehoeten (81-1—840); de eigenbaat dor groote vazallen, er alleen op bedacht, hun macht ten koste van do rechten des keizeis uit te breiden en hun bezittingen te vermeerderen, benevens de strooptochten van buitenlandsche vijanden het rijk geheel ten val.

Doordien Lodewijk do vrome, hoezeer uitmuntende door groote rechtschapenheid en beschaving, allo monschonkennis en zelfstandigheid miste, word hij geheel afhankelijk van hen, die hem dagelijks omringden, inzonderheid van de geestelijken, en durfde hij het niet beproeven, een vaste houding aan te nemen tegenover zijn zonen en tegenover zijn tweede gemalin. Reeds in het derde jaar zijner regeering verdeelde hij hot rijk onder zijn drie onmondige zonen, Lotharius, Pepijn en Lodewijk, doch zóó, dat zij hem, als vader en keizer, bij voortduring moesten gehoorzamen. Na den dood zijner eerste gemalin ging hij een tweede huwelijk aan met Judith, een dochter van den Beierschen graaf Welf I, een huis, dat reeds zeer in aanzien was onder Karei den groote en welks stamslot Alt orf was (nabij Ra vensburg, in 't z. van Wurtcmbcrg). Dit tweede huwelijk werd de bron van tallooze ongeneugten. Judith wist den keizer te overreden, ten behoeve van den uit dit huwelijk gesproten zoon. Karei don kale, bij herhaling het rijk op nieuw te verdoelen. Verbitterd, vatteden do oudere zonen dan telkens de wapens tegen Lodewijk op. In 83ü gaf

-ocr page 133-

113

de vader zich op het roodc of leugenveld (bij Colruar, in 't o. van Frankrijk) aan zijn drie zonen over, dewijl zijn leger door listige toespraak van Pans Gregorius IV, die met zijn zonen heulde, zeer was verioo-pen. Hierop noodzaakte Lotharins zijn ouden vader in een vergadering to Compiègne (ten n.o. van Parijs), knielend en in een boetgewaad gehuld, openlijk zijn zonden te belijden. Do monnikspij aan to nemen, hiertoe echter was Lodewijk, in weerwil van den sterken aandrang zijner zonen, niet te bewegen. Doch weldra ontwaakte een beter gevoel in Lodewijk en in Pepijn: aangemoedigd door de volksstem, gingen zij hun broeder te keer en herstelden hun vader op don troon.

Nadat Lodewijk do vrome en zijn zoon Pepijn waren overleden, zetleden de broeders don strijd om het erfdeel onder elkander voort. Tegen Lotharins vereenigden zicli Lodewijk en Karei en bestreden hom onafgebroken tot 848, toon hel wegens zijn gevolgen zoo gewichtige verdrag ■can Verdun (ten z.w. van Luxemburg aan do Maas) tot stand kwam, van welk tijdstip men hot staatsbestaan van Duitschland on van Frankrijk dagteekent. Hierbij verkreeg lotieabius Italië en de keizerskroon, benevens Midden-Frankenland, d. i. de smalle streaks lands, die. Oost-van West-Frankenland scheidende, van de Noordzee langs den Rijn, do Schelde en de .Maas tot de samenvloeiing van dc Rhone en de Saone loopt, waarvan de noordelijke streek later naar den zoon van Lotharins, Lotharins II, Lotharingen, de zuidelijke hot Hoog-Bourgondische rijk werd genoemd, gelijk modo de landstreek, welke zich vandaar langs de Rhone tot do Middollandschc Zee uitstrekt (het latere koninkrijk Provence, zio blz. 114). Lodewijk, die van nu aan den bijnaam de dititscheh draagt, bekwam Oost-Frankenland of liet eigenlijke Duitschhmd, waartoe op den linker-Rijnoever slechts de bisdommen Maints, Worms en Spiers met hun omstreken behoorden. Kabel den kale eindelijk werd West-Frankenland, 't latere Frankrijk, toegewezen. Hieruit blijkt tevens, dat de landen, die in volgende eeuwen de Nederlandscho gewesten uitmaakten, geheel aan Lotharins kwamen, met uitzondering van Vlaandoren, van Artois en van een gedeelte van Zeeland, die Karei verwierf. Later werden de Nederlanden in hun geheel, met uitzondering van Kareis aandeel, als bestanddeel van Lotharingen, bij Duitschland ingelijfd.

Do nieuw ontstane rijken worden van buiten onophoudelijk bestormd door do Arabieren uit Spanje, .door do Slaven en door de Noormannen of bewoners van Skandinavië. Binnen de grenzen zeiven veroorzaakte do stijgende macht der groote vazallen veelvuldige woelingen. Vooral waren het de Noormannen, voor wie de twisten van Lodewijk den vrome met zijn zonen den toegang tot het rijk hadden geopend. Van den beginne aan werden do staten der drie gebroeders, met name ook de Nederlanden, voortdurend door deze woeste horden overvallen, die hun weg door roof en doodslag kenmerkten. Do stroomen opvarende, drongen zij in het binnenland door en verwoestten telkens overal, waar ze verschonen, de steden on het platteland. Gelijk Frankrijk echter hot meost van hen had to lijden,

WlJNNE, Handboek der Alg. Geschiedenis, 7ile druk. 8

-ocr page 134-

114

dewijl hun daar het minst tegenstand werd geboden, had Duitschland bovendien nog een gelijke phuig te verduren, die der Slaven.

De Karolingiërs stierven spoedig na elkander in alle drie liniön uit, do nakomelingen van Lotharius reeds in 875, waarop in Italië langen tijd regeeringloosheid heersohte. In Frankrijk werd na het bewind van Karei den kale, van zijn zoon en van twee zijner kleinzonen een derde onmondige kleinzoon ter zijde geschoven. In zijn plaats toch koos men tot koning kabel den dikke (87G—887 en 888), een zoon van Lodewijk den Unitscher, die sedert 882, door den dood zijner broeders, achtereenvolgens geheel Duitschland, benevens de schatplichtige Slavonische rijken Bohemen en Moravië, in bezit kreeg. Hierbij was bovendien de keizerskroon gekomen, gelijk mede, door 't overlijden der gansche nakomelingschap van Lotharius I, de geheole erfenis van dezen koning, d. i. Midden-Frankenland met Noord-Italië, zoodat Karei de dikke nog eens voor korten tijd, o]) een klein gedeelte na, het geheele rijk zijns stamvaders Karei den groote onder zijn scheptor vereenigde. Het eenige toch, dat er aan ontbrak, was Frovmce, ook wol het Gisjuraansche of Neder-Bonrgondische rijk genoemd, hetwelk tot een onafhankelijk koninkrijk was verhoven, de landen bevattende tussehen de Jura, do Alpon, de Middellandsche Zee en de Rhone. Maar dewijl Karei de dikke de man niet was om een zoo zwaren last te torschen als hot bestuur van al die landen in zulk een ongunstigen tijd, werden de Duitschors het bewind van dén zwakken vorst ras moede: in 887 word hij afgezet en zijn neef Arhulph van Karinthië (ten o. van Tyrol) als koning verkozen. Ook de Franschen vielen in 888 van hem af en verkozen odo, graaf van Parijs, tot koning. Van denzelfden tijd dagteekent het Transjuraansche of Hoog-Bourgondische koninkrijk, gelegen tussehen het Jura-gebergte, de Alpen, do EhOne en de Sadne.

§ 55.

De laatste Karolingiërs in Duitschland, in Italië en in Frankrijk, van 887 tot Uil, 023 cn 1/87. — Duitschland onder den Frankische n Koenraad 1 en onder de eerste vorsten uit het Saksische huis, van 911 tol U73.

Aenulph (887—899) versloeg de stroopende Noormannon in 891 bij Leuven (in 't vroegere Zuid-Brabant); doch om de Slaven in Bohemen on in Moravië te kunnen bedwingen riep hij een anderen vijand der beschaving, de Magyaren of Hongaren, zooals do Duitschers hen weldra noemder, daar binnen, welke sedert dien tijd veelvuldige strooptochten in geheel Zuid-Duitschland deden. Met Arnulphs zoon, lodewijk het kind, stierf do Karolingische stam in 911 in Duitschland uit. Kort daarna, in 923, stierven de Karolingiërs in Italië uit met Berengarius van Friaul (ten n.o. van Venetië), een kleinzoon van Lodewijk den vrome, die do heerschappij over Opper- en Middel-Italiö tot zijn dood had weten te handhaven.

-ocr page 135-

115

In Frankrijk daarentegen scheen het Karolingische huis weer te verjongen; maar deze schijn was bedriegelijk. Na den dood toch van Odo erkenden alle grooten des rijks den kleinzoon (zie boven op blz. 114) van Karei den kale, kakel den eenvouüige (898—923 afgezet, 929 overleden), als koning. Vermits hij echter, bij gebrek aan wilskracht, niet genoeg schatten en goederen bezat om zich daarmede vrienden te verwerven, beschouwden de graven en de hertogen, die den koning in macht verre overtroffen, zicli als heeren en eigenaars van het land. Het getal dezer vazallen, onder welke Robert van Parijs, Odo's broeder, een der aanzienlijkste was, werd nog vermeerderd, doordien de koning in 912 aan Rollo, den meest geduchten aanvoerder der Noormannen, die Christen werd en den naam Robert aannam, het hertogdom Nor mandie, benevens het opperleengezag over Bretagne afstond. Do opvolgers van Karei den eenvoudige hadden zoo weinig gezag, dat zij als onder 't regentschap der groote leenmannen stonden. En na het overlijden van den laatsten Karolingischen koning, lodewijk v, den doeniet, werd, met uitsluiting van een ander afstammeling uit dat geslacht, de kleinzoon van Robert van Parijs, hugo c ape t , hertog van Fr an ei ë (een hertogdom, dat Parijs en omstreken bevatte), in 98T door de meeste Noord-Fransche heereu ais koning-verkozen.

In Duitschlaud was het, bij het uitsterven van don Karolingischen stam (911), niet onnatuurlijk, dat er van de allengs weder opgekomen hertogen (zie blz. 110) der vijf groote hertogdommen, waaruit liet rijk bestond, één als koning werd gekozen. Van deze hertogdommen, die, naar de door overoude verscheidenheid van stam en onderlinge ijverzucht verdeelde hoofdnatiën, Saksen, Frankenland, Beieren, Zwahen of het land der Alemannen en Lotharingen heetten, waren de beide eerstgenoemde de machtigste. Men koos koenbaad i, hertog der Franken, na wien de koningstitel in 919 met iiendiuic i, den stedenstichteh, op het huis der Saksen overging. Zóó bleef Duitschland thans nog één geheel; maar deze staatseenheid loste zich in den loop der eeuwen, ten gevolge van het leenstelsel, in een tallooze menigte staten op, terwijl in Frankrijk daarentegen de eenheid des rijks over de leenmannen zegevierde. Hendrik I bracht do Hongaren, na langdurige oorlogen met hen te hebben gevoerd, in 933 nabij Merseburg (ten w. van Leipzig) een bloedige nederlaag toe. Zijn bijnaam heeft deze koning hieraan te danken, dat hij, ter beveiliging tegen de Hongaren, de open vlekken in 't Oosten van zijn rijk met muren liet omgeven, uit welken geringen oorsprong later een groot aantal steden ontstond.

De eerste, die in vollen zin koning kon hoeten, was Hendriks zoon, otto i of de ghoote (93G—973), die do hertogen aan onvoorwaardelijke gehoorzaamheid gewende, de meeste hertogdommen aan zijn eigen huis bracht en in 955 op het Lechveld (bij Augsburg) een zoo schitterende zege op de Magyaren behaalde, dat de Duitschers in't vervolg voor immer rust van deze barbaren hadden. Ook trok hij, om het Romeinsch-

8*

-ocr page 136-

no

Duitsche keizerschap te herstellen, naar Italië,•waar verschillende inheemsche en buitenlandsche vorsten elkander tot dusver do heerschappij hadden betwist, en ontving te Milaan de ijzeren koningskroon der Longobarden, gelijk te Rome de keizerskroon.

§ 'JC.

Duilschland onder het Frankische huis, sedert 1024. — Twist van keizer Hendrik IV, van 1056 tot 1106, met paus Orego-rius Vil, van 1073 tot 10Hö.

In 1024 beklom, na liet uitsterven van het Saksische huis, met koex-ii a a n ti, dkn- saliku (1024—1039), een nieuwe dynastie, de Frankische of Salischc (zie blz. 115) den troon. Koenraad vereenigde de reeds vroeger tot één staat samengesmolten Bourgondische rijken (zie blz. 114) inet Duitschland. Alzoo werd allengs geheel Midden-Frankenland (zie blz. 113), evenals Italië, aan Duitschland toegevoegd. In 't vervolg werd Bour-gondië van lieverlede in vele kleine staten verbrokkeld, die, voor 'tgrootste o-edeelte, in de veertiende eeuw bij Frankrijk werden ingelijfd. Een deel cr van, later gewoonlijk vrij graafschap of Franehe- Conitó genoemd, kwam in dezelfde eeuw aan vorsten, die leenmannen waren van de Fransche kroon, hoewel het vooreerst nog een leon van Duitschland bleef heeten. Vanwaar liet den naam „vrijgraafschapquot; droeg is onzeker: of om de groote zelfstandigheid, die het had ten opzichte van Duitschland, als onmiddellijk onder het rijk staande, of naar de voorrechten, die het reeds vroeg van zijn graven verwierf. Andere staten, die uit het Bourgondische rijk voortsproten, waren Provence, Dauphiné, hot prinsdom Oranje, Savoye en Zwitserland. — Aan de Noormannen uit Normandië, die van nu aan de beheerschers van dit land als huurbenden dienden, schonk Koenraad vaste woonplaatsen in Beneden-Italiö.

Tot do merkwaardigste koningen uit dit geslacht behoorden Koenraads zoon, HENDnuc in, die krachtige pogingen aanwendde om de alleenheerschappij te handhaven, en, ten einde dit doel nader te komen, willekeurig over bisdommen on hertogdommen beschikte, alsmede zijn zoon hen-dbik iv (1056—UOG). Toen zijn vader stierf, was hij nog maar zes jaar oud en stond dus onder voogdij eerst van zijn moeder. Agnes, later van Hanno, aartsbisschop van Keulen, en van Adel bert, aartsbisschop van Bremen. Nadat Hendrik meerderjarig was verklaard, stond het Saksische volk, uitgeput door hot zeer gerekte verblijf van het keizerlijk hof in hun landstreek, bijgestaan door onderscheiden hertogen, togen den koning op, hetgeen oen langdurigon binnenlandschon oorlog verwekte.

Al deze vijanden sloten zich bij den paus aan. Dit was toen öbegobius vu (1073—1085), vroeger Hildebrand geheoten. Deze buitengewone man, uitmuntende door een voorbeeldig leven, door groote geleerdheid en

-ocr page 137-

117

oen onverzettelijke standvastigheid, had, door den toestand zijnor eemv verblind en den goeamp;t des Christendoms, van een rijk, dat niet van deze wereld is, miskennende, het stonto, maar verderfelijke pian opgevat, de kerk boven don staat, Rome boven Duitschland te verheffen. Als raadsman zijner onmiddellijke voorgangers had hij reeds ijverig voorgewerkt, om dit dool, dat hij voor hot heil der kerk noodig achtte, te bereiken. Zoo was vroeger door zijn toedoen de verkiezing der pansen aan keizer en volk onttrokken en aan dc kardinalen (zie blz. 1ÜG) opgedragen.

Na hot aanvaarden der pauselijke waardigheid liet Gregorius VII op conciliën bepalen: 1) dat do geestelijken ongehuwd moesten blijven {het coelibaal); 2) dat geen geestelijk ambt voor geld mocht worden verkocht, oen misbruik, bekend onder don naam simonie, een woord, afgeleid van Simon uit de Handelingen der Apostelen (VIII, 9—24), en ;i) dat geen geestelijke een kerkelijke ambt nit handen van een leek mocht ontvangen? d. i, dc investituur of beleening der bisschoppen en abten mot ring en staf door den wereldlijken leenheer werd verboden. Inzonderheid over deze investituur ontbrandde do strijd met den koning, d. i. met de wereldlijke macht, zoo hevig, dat hij eerst onder den opvolger van Hendrik IV , zijn zoon henduiic v, word bijgelegd. Deze koning toch kwam in 1122 bij het Wormser concordaat met paus Calixtus II overeen, dat de keizer de verkiezing van bisschoppen en abten zou overlaten aan dc kapittelen of kerkelijke collegiën; dat alleen bij geschillen de keizer zou beslissen; dat de beleening met ring en staf, als toeken der geestelijke macht, niet meer zou plaats hebben, maar dat de keizer don gekozene, door het toeken van den sehepter, met worehlsche goederen zou mogen beleonen. Zich 't kerkelijk en wereldlijk gezag verzinnelijkende door 't beeld, dat de paus als 't ware de zon, de keizer de maan is, en bij gevolg allo wereldlijke macht aan die der kerk ondergeschikt achtende, daagde Gregorius, op do klachten der Saksen en wegens het bezetten van kerkelijke ambten, don keizer ter verantwoording voor zijn rechterstoel. Hiermede begon de strijd tusschen paus en keizer, die zulk een groote rol speelt in do Middeleeuwen, mot andore woorden de strijd, welke later die der Welfen (zie blz. 128, 129), do partij van den paus, on dor Ghibellijnon, den aanhang des keizers, heet. Hendrik, over Gregorius' aanmatiging verontwaardigd, Hot te Worms door hem toegedane bisschoppen den paus van zijn waardigheid vervallen'verklaren. Toen sprak de paus den banvloek over hem uit, zoodat niemand hem moer gehoorzamen, niemand met hom in gemeenschap loven mocht.

's Keizers vijanden, hierin een geschikt voorwendsel vindende, verklaarden thans, dat, indien hij niet binnen één jaar van don ban werd ontslagen, hij zon worden gerekend alle recht op de kroon te hebben verloren. Van elkeen verlaten, trok hij in 1077, iu 't midden van den barren winter, over de Alpen naar Italië. Gregorius vertoefde juist op het slot Canossa (nabij Keggio. in Modena) bij de met hom bevriende gravin Mathildo van Toskane, do weduwe van Godfried met den bult, hertog van

-ocr page 138-

118

Lotharingen. Hier werd Hendrik, na een smadelijk wachten van drie lange dagen barrevoets en in boetgewaad, eindelijk van don ban ontslagen, onder voorwaarde dat hij zich, tot de beslissing zijner taak op eon rijksdag-te Augsburg, van het bewind zou onthouden.

Dewijl de Duitsche heeren inmiddels Rudolf van Zwaben als koning hadden verkozen, greep Hendrik naar het zwaard, want hij had do burgers der steden en den minderen adel op zijn zijde. Op die wijze ontstond een burgeroorlog, waarin Rudolf, de tegenkoning, weldra sneuvelde. Alsnu door 't grootste gedeelte van Duitschland weer erkend, besloot Hendrik naar Italië te trekken, nadat hij in 1079 Frederik van Buren (ton n.w. van Ulm), wiens familie men later die der Hohenstaufen (een burg nabij Buren) noemde, door hem Zwaben in loon te geven tot zijn partij overgehaald en hiermede den grond gelegd had tot de grootheid van dit beroemde geslacht. Op Hendriks nadering zocht Gregorius een schuilplaats in don Engelenburg (zie blz. 82), vlood vandaar naar Robert Q-uiscard, d. i. den listige, den eersten vorst der Noormannen, die den paus als zijn leenheer had erkend, en stierf in 1085 te Salerno (ten z. van Napels aan zee) onder 't uiten der woorden: „Ik heb de gerechtigheid bemind en de ongerechtigheid gehaat: daarom sterf ik in ballingschap.quot; Hendrik had intusschen Rome ingenomen en was hierop naar Duitschland teruggekeerd. Ook nu was rust nog geenszins zijn deel: tot zijn dood moest hij tegen de pausen, die Gregorius VII opvolgden, en zijn door hen opgestookte zonen kampen.

§ 57.

Frankrijk onder de koningen mt iid huis Capet. — Van 9ST tot 1270.

Zooals vroeger (zie blz. 115) is verhaald, werd in Frankrijk het Karolingische huis in 987 door dat van Hugo Capet vervangen, hetwelk naar hem het Gapetingische heet. Ook onder dit huis bleef het land nog lang in vele staten gesplitst, waaraan slechts sommige, en dan nog maar in naam, van den koning afhankelijk waren. De voornaamste dezer leenen waren de volgende hertogdommen Normandië; Bourgondiër het kleinste gedeelte van de voorheen door de Bourgondiërs bewoonde landstreek (ten w. van het Transjuraansche koninkrijk, zie blz. 114); Aquitanië of Guyenne (het land tusschon de Loire en de Pyrenaeën), Gascogne (in 't z.w. boven de l'yrcnaoën) en iets later Bretague, benevens de graafschappen Toulouse, Vlaanderen, Champagne en Anjou (ten z.o. van Bretagne).

Nog in do twaalfde eeuw strekte zich de eigenlijke macht des konings van Frankrijk slechts over dat gedeelte van dit land uit, hetwelk tusschon de Somme en de Loire ligt. Ton n. van de Somme betrad men het gebied van den graaf van Vlaanderen, een leenman van Duitschland en van Frankrijk. Provence, Guyenne en andere gewesten waren onafhankelijke staten, die óf geen leenheer erkenden, óf naar goedvinden van leenheer verwisselden. Bourgondië of Franche-Comtó stond onder de leen-

-ocr page 139-

119

hoogheid van Dnitschland. Bretagne was een onafhankelijke staat, en Normanclië werd sinds lÜCO (zio blz. 122) bestuurd door den koning van Engeland. Anjou, hoewel een leen van de Fransche kroon, erkende den koning slechts als leenheer, niet als koning.

Doolt sinds do regeering van den vijfden koning uit het huis Gapet, lodewijk vi of dex dikke (1108—1137), begon de verheffing van het aanzien des konings. Hiertoe werkte, behalve menige andere oorzaak, inzonderheid het begiftigen van onderscheiden steden met voorrechten krachtig mede. De verdrukking toch, die vele steden van haar geostelijko of wereldlijke heeren ondervonden, noopte haar, zich óf langs den weg des vredes, öf, wat veelal plaats greep, met gewold zoogenoemde keuren, willckcuren (van verkiezen, alzoo = verkiezing of verordening) of privilegiën van haar heeren of van den koning te verschaffen, waardoor zij in liet recht om gemeenten (communes) te zijn werden bekrachtigd. De oprichting van zulke gemeenten ging veelal van de koop- en de handwerkslieden zelvon uit, welke de bevolking dier steden uitmaakten. Ondertee-kening en zegel waren alleen van den koning of den heer; doch deze machthebber bevestigde dan wat reods was geschied. Ziehier, hoe het zich toedroeg. Wanneer een bevolking talrijk en moedig genoeg was, om den kamp met een heer aan te gaan, vereenigden zich de lieden, die verandering wilden, in de groote kerk of op de grooto markt en legden daar den eed af, elkander te zullen bijstaan on niet te willen dulden, dat iemand een van hen als lijfeigene behandelde. Wat zij dus wilden was de vrijheid om te komen en te gaan, te koopen en te verkoopen, meester in eigen huis te zijn, zijn goed aan zijn kinderen te mogen nalaten, in één woord, persoonlijke zekerheid van loven en eigendom.

Deze eed legde den grond tot een gemeente. Zij, die hem aflegden, heetten commnniers of jurés, gezworenen, en kozen dan oen bestuurder, in 't z. consul, in 'tn. schepen (óchevin) genoemd. Do taak dier hoofden was door 't luiden der groote klok hot volk te wapen te roepen en in den strijd aan te voeren. Waren er op deze of dergelijke wijze eens gemeenten gevestigd, dan worden haar vroeger of later privilegiën of keuren geschonken, krachtens welke zij eigen rechtspraak door zelfgekozen beambten erlangden, n.1. een maire (schepen of consul) of hoofd van 't gemeentebestuur en twaalf of moer gezworenen, verder gilden, hot recht om den derden stand of tiers-état te vormen en verlichting van krijgsdienst en van schatting. Over 't geheel waren de steden in 't z. 't gelukkigst in 't streven naar dergelijke voorrechten, bijna zoo veelsoortig als de steden zeiven, terwijl die in 't n. veelal minder uitgebreide privilegiën konden erlangen. In den strijd, dien de laatstgenoemden tegen haar heeren aanvingen, riepen zij nu en dan de tusschenkomst van den koning, als opperleenheer, in en kochten dan van hom, die hierdoor zoowel aan invloed als aan inkomsten won, privilegiën voor een aanzienlijke som golds. Ofschoon nu de steden, in do kroonlanden gelogen, mettertijd eveneens dergelijke voorrechten verwierven, geschiedde dit hier toch later, daar de

-ocr page 140-

120

koningen het eer te keer gingen dan bevorderden. Ook waren de rechten zclvcn hier altijd door een van wege den koning gezondenof provoost beperkt, die de financiën beheerde, hot hoofd was dor policie en voorzitter der rechtbanken.

Op Lodewijk VI volgde zijn zoon lodewijk vu, de jonge (1137— 1180), gehuwd met Eleonöro, erfgename van (jiiyenne en van l'oitou. Latei-van hem scheidende, huwde Eleonöro met Hendrik II van Engeland (zie blz. 124) en bracht alzoo de genoemde gewesten aan den koning van dit rijk.

Zijn zoon en opvolger philips ii (11S0—1223) wist door een vastberaden gebruik der omstandigheden de macht van het koningschap (zie de tegenstelling tusschen Duitschland en Frankrijk blz. 115) op zoo vasten grondslag te grondvesten, dat hij ook daarom den bijnaam auotjsttjs(vergrooter van 'trijk) heeft verworven. Na zijn spoedigen terugkeer van zijn kruistocht (zie blz. 130) zocht hij van de gevangenschap van Richard, koning van Engeland, moineedig partij te trokken, ten einde do bezittingen van dezen vorst in Frankrijk te beperken. Want terwijl Richard in Duitschland gevangen zat, beleende hij den broeder van don koning. Jan, mot de leengoederen aan deze zijde van 't Kanaal. De onverwachte terugkomst van Richard, die nu tot zijn dood met Philips oorlog voerde, verijdelde wel zijn voornemen; maar kort daarna bereikte hij dit doel op een andere wijze. Toen .Tan, Richards opvolger, den zoon zijns ouderen broeders Godfried, Arthur van Brotagne, naar 't schijnt eigenhandig van het leven had beroofd en weigerde ter verantwoording voor Philips II, zijn opperleenheer, te verschijnen, zeide deze koning hem eenige van zijn leenen op. In korten tijd bezette hij al het land, dat Jan in het Zuiden en in het Westen van Frankrijk bezat, en ontrukte hem ook Normandiö. Eindelijk dwong hij in 120C zijn vijand tot een verdrag, waarbij Jan van zijn groote bezittingen in Frankrijk slechts Cruyenne en een klein gedeelte van Poitou behield. — Bij het aangroeien van 't getal der zaken, waarin de koninklijke raad recht had te spreken, bleek liet hoe langer hoe meer, dat vele leden van den gewonen raad noch de noodige kennis, nooh den vereischten tijd hadden, om het werk naar behooren te verrichten. Daarom riep Philips Augustus bovendien eenige rechtsgeleerden in dien raad. Voorzoover men sinds do regeeringsjaren van dezen koning van een „hof der pairs'' mag sproken, is het het veiligst, hieronder te verstaan denzelfden raad of liet parlement (zie blz. 121), versterkt, zooals bij een enkele gelegenheid placht te gebeuren, door de toevoeging van oen of een paar „pair* (d. i. pares of gelijken) da Francequot;, m. a. w. van een of meer der grootste heoron van Frankrijk.

Zeer verdienstelijk maakte zich de kleinzoon van Philips II Augustus, lodewijk ix of de iieilige (122(3—1270), jegens zijn volk door hetgeen hij voor de rechtspleging deed. Hij begon de voeten en het vuistrecht in Frankrijk te beperken en verbood op zijn domeinen den gerechtelijken tweestrijd. Het aantal rechtsgeleerden in zijn raad (zie hierboven op deze blz.) breidde hij aanmerkelijk uit. Van dezen tijd af werd in dien

-ocr page 141-

121

raad eon splitsing ingevoerd tusschen de afdeeling voor de staatsaangelegen-heden, don eigenlijken „koninklijken raad,quot; en die voor de rechtszaken, van nu aan steeds mot den nwmiparhmml aangeduid. Aan het parlement werd, als vaste zetel, Parijs aangewezen, on mettertijd verrezen in andere aanzienlijke steden van Frankrijk eveneens parlementen; doch dat van Parijs bleef voortdurend verreweg het gewichtigste. Koe grootor mettertijd de invloed der rechtsgeleerden in hot parlement werd, des te meer wies 's konings gezag aan. Zoovaak de rechten der leenmannen in strijd kwamen met do koninklijke macht, neigde do uitspraak van 't parlement, overeenkomstig do stellingen van 't Romoinsche recht, ton gunste van den alleenheerscher.

§ 58.

De Angclsaksen in Britannië, can 44!) lot 827. — Engeland onder het bestuur der Angelsaksische koningen, ran 827 tot 1017; onder het Deensehe huis, van 1017 tot 1042; onder de regeering van den Angelsaksischen Eduard III; onder het Nonnandische luns, van 10(1(1 tot II04, en onder de eerste beheerschers uit het huis Plantagenet of Anjou, van 1104 tot 1271'.

Bij hot terugtrokken dor Romoinsche troepen uit Hritanniü ten tijde van de volksverhuizing (zie blz. 87 , 88, 8'J) werden de inwoners des lands. de Britten, belijders van den Christolijkon godsdienst, onder de Romoinsche heerschappij en bescherming den wapenhandel ontwend, zonder steun overgelaten aan de invallen dor woeste en heidensche Bieten en Scoten. De Britten, naar vreemde hulp uitziende, vonden ze bij de bewoners van üuitschlands noordelijke kusten, de Saksen, of dewijl zij met Angelen waren vermengd, de Angelsaksen genoemd. De zwakheid der Britten doorgrondende, veranderden zij echter spoedig van rol. Hen allengs uit hun land verdrijvende, dwongen zij hen, öf naar het sedert hun naam dragende Ilre-lagne uit te wijken, öf naar Wales en Cornwales terug te trekken. In 't begin dor zesde eeuw onderscheidden zich in den kamp tegen de Angel-sakson bovenal authüii, een koning dor Britten, on de ridders der ronde tafel, wier daden echter, ten deolo bestaande iu hot zooken naai' het heilige graal, d. i. naar den schotel, waarin Christus hot laatste avondmaal zal hebben gebruikt, meer op quot;t gebied van. 't heldendicht dan op dat der geschiedenis te huis behooren. Intusschen vormden de Angelsaksen in Britannië geenszins een onkel rijk; maar hun verschillende aanvoerders grondvestten afzonderlijke staten, naar hun getal gewoonlijk de heptarehie of do zoveu-rijken gehoeten. Dit waren: Kent, Sussex of Zuid-Saksen, ITessej' of West-Saksen, Essex of Oost-Saksen, Northumberland, Oost-Anglic Mereia.

Dikwijls was dit zevental in onderlingen oorlog om do opperheerschappij, totdat egbeuï in 827 al die staten tot één vereenigde, weshalve hij de eerste koning van Engeland wordt genoemd. Gedurende de onlusten werd het Christendom oj) dit eiland gepredikt en door zijn nieuwe bewoners

-ocr page 142-

122

omhelsd. Dit bewerkte do bisschop van Rome Grregori us I (zie blz. 10G), die oj) liet cimle der zesde eeuw, naar men zegt, getroffen door hot gunstige uiterlijk van eenige sehoone Angelsaksen, welke hij toevallig lt;j|) de slavenmarkt te Rome aantrof, zendelingen naar Britanniö zond, aan wier hoofd Augustïnus stond. Zelf werd Angustïnus bisschop to Canterhnri/ (ten z.o. van Londen) met York (in 't n.o. van Engeland, aan do Ouse) het oudste bisdom van Britannië.

Misschien ware Egberts regeering ook het begin van Engelands grootheid geworden, zoo niet dit land juist in dezen tijd 't meest ten dool had gestaan aau de invallen en aan de strooptochten der Noormannen of Denen. Elk jaar hernieuwden zij hun verwoestingen, totdat alfued dk orootk (S71—901), een man, die geleerdheid en vroomheid aan zeldzamen moed en volharding paarde, den troon beklom. Wel moest hij in den beginne voor hen onderdoen; doch eindelijk sloot hij een hunner legers in en vergunde hun slechts vrijen aftocht, onder voorwaarde dat zij hem als opperheei' erkenden en het Christendom aannamen, waardoor Afred hun Northumberland, Oost-Anglië en een gedeelte van Mercia afstond. Alfred liet het hier niet bij berusten: hij zorgde voor de toekomst door een geduchte vloot uit te rusten en bij de voornaamste landingsplaatsen sterkten op te richten. Ook naar hoogere beschaving voor zich en zijn volk strevende, verzamelde de koning, evenals Karei degroote, geleerden rondom zich en liet kerken, kloosters en scholen bouwen.

üe eeuw, die op den dood van Alfred volgde, werd nog door veelvuldige oorlogen met de Noormannen gekenmerkt , en eindelijk bracht hun aanvoerder kanut of knoet, met den bijnaam de gboote (1017— 103Ó), het met behulp eener goed bemande vloot zoo ver, dat hij in 1017 alleenheerscher over Engeland werd, waarbij hij vervolgens Denemarken en Noorwegen voegde, het eerste door het overlijden zijns broeders, het andere door verovering. Na zijn en zijner zonen dood besteeg het Angelsaksische huis met eduabd iii (1042—1066) weder voor korten tijd den troon; doch nauwelijks was hij overleden en Harald, de zoon van zijn voornaamsten gunsteling, als koning verkozen, of een nieuwe overweldiger ontrukte hem de pas verworven kroon.

Dit was willem, hertog van Normandië, die om het welslagen dezer onderneming den bijnaam de vehovehaar draagt. Zijn aanspraken grondden zich, om niet te gewagen van een verklaring van Eduard III te zijnen behoeve, waaraan wordt getwijfeld, hierop, dat Harold zelf, daartoe trouwens door hem gedwongen, eenigen tijd tevoren bij een schipbreuk op de kust van Normandië in zijn macht geraakt, de plechtige belofte iiad afgelegd, hem in zijn streven naar de kroon behulpzaam te zullen zijn. In 1060 naar Engeland overgestoken, behaalde hij in den slag bij Hastings (in 't z.o. van Engeland, aan 't Nauw van Galeis) de overwinning op Harald en werd aldus koning van dit rijk (1066—1087). Als een tweede Tyrtaeus, vuurde de hofzanger Taillefer door zijn lied, waarin hij Karei den groote en Roland herdacht, den moed der Norman-

-ocr page 143-

123

diörs in dien slag aan on vond or, zich in don dichtsten drom der vijanden stortende en strijdende als oen leeuw, don dood.

De herschepping-, dio Engeland door deze verovering onderging, was niot zoo groot als men wel eens heeft gemeend. Willem I — hot is waar — verhief cn verrijkte zijn Noormannon ton koste dor Engelschon, van welker adellijke familiën hij zoor velo uitroeide. Maar hij voerde noch in den eigenlijken zin des woords het leenstelsel in, noch bracht in de taal oen volledige omkoering te weeg door b.v. het Fransch in de plaats van het Engelsch te stollen. Over 't geheel bloef de oude staatsgesteldheid bestaan, al onderging zij oonigo wijzigingen. Van ouds was het leenstelsel in Engeland niet onbekend. Al/.oo bolioofde hot door Willem don veroveraar geenszins te worden ingevoerd, ofschoon ook na hem de gewoonte om in leen te geven in stand bleef en moor vastheid van vorm verkreeg. Wat de taal betreft, ook na de komst van Willem werden de wetten en verordeningen in 't Engelsch of in 't Latijn uitgevaardigd. Het spreekt echter vanzelf, dat het Normandisch-Fransch, mettertijd met het Engelsch samensmeltende, allengs zijn invloed op do taal deed gevoelen.

Even zwaar, als op de overige bewoners des lands, drukte de macht van den opperleenheer op de Normandische heeren, want 's konings wil was voor allen en in alles do hoogste wet. Twee maatregelen van Willem den veroveraar legden inzonderheid den grond tot zijn alleenheerschappij: hij trok allo bijzondere eigendommen, zoowel van hot verdrongen koningsgeslacht als van de aanhangers vau dat huis, aan zich on liet de achter-leenmannen evenzeer als de leenmannen den eed van trouw aan hem, den koning, afleggen. Van nu aan onderscheidde men de landgoederen in baronniën, met welken naam de grootere bezittingen werden aangeduid, en in riddergoederen. Hij, die den titel baron (d. i. eigenlijk: man) voerde, kon tevens, als belast met het bestuur over een graafschap, graaf hoeten. Bij zijn ruime inkomsten en bij de groote krijgsmacht, die Willem ten dienste stond, zag hij or geen gevaar in, aan het volk zijn oude wijze van bohecr en rechtspraak te laten behouden. Ten einde de kroongoederen geregeld te besturen en oen vasten grond te leggen voor het holï'en der belastingen liet Willem het domesdaybook, d. i. boek van den dag des laatston oordeels, een opsomming aller landerijen met de schatting van haar waarde en van de hoegrootheid harer bevolking, aanleggen. Dion naam draagt hot boek, hetwelk ui de vorige eeuw word gedrukt en nog heden to Londen zorgvuldig wordt bewaard, omdat hot de lijst van allo landerijen van het goheole rijk bevatte en zoo beslissend was als eens hot oordeel op den laatsten dag zal zijn. Gelijk Willem zicli in alle opzichten als een krachtig vorst deed kennen, betoonde hij zich ook als zoodanig tegenover de geestelijkheid in 't algemeen en tegen paus (xregorius VTI in 't bijzonder, wiens aanmatiging hij te keer ging, zelf de bisschoppen en abten in zijn rijk aanstellende.

Na Willem den veroveraar beklommen achtereenvolgens twee zijner zonen den troon, n.1. willem ii of he roode on hendrik i, wien,

-ocr page 144-

124

uit hoofde van zijn ingenomenheid mot do letterkunde en van zijn fraai voorkomen, de bijnaam de geleebde of de schoone geleekde werd gegeven. Na hem kwam uenduik 11 (1154 — 1189) uit hel huis Plantagénel of Anjou. Hij was de zoon van Mathilde, een dochter van Hendrik 1, die getrouwd was met Godfried Plantagenet, d. i. bremstruik, zóó geheeten, omdat hij dien op zijn helm placht te dragen, graaf van Anjou. Behalve Engeland, Normandië eu Anjou, beheerschte Hendrik II mede (zie blz. 120) Q-uyenne en l'oitou. Bovendien noodzaakte hij Willem, koning van Schotland, hem, wegens eenige streken van zijn gebied, in Engeland gelegen, als leenheer te erkennen, maakte de vorsten van Wales leenplichtig cn onderwierp mot geringe moeite hot door vijf opperhoofden bestuurde en historisch tot dezen tijd zoo goed als onbekende Ierland.

Van zijn zonen was de eerste, die hem opvolgde, kickaud (1189— 1199), wiens onversaagheid en woeste aard hem den bijnaam li;nuwex-hakt of eigenlijk den leeuw hebben doen geven. Om geld voor de kosten van don derden kruistocht (zie blz. 128 vlg.) te erlangen verkocht hij zijn leenrechten aan den koning van Schotland. Den tijd zijner regeering braciit hij op zijn kruistocht, in Duitsehe gevangenschap en in twisten met Frankrijk door. Richards broeder cn opvolger, eens door zijn vader jan zonder land genoemd (1199—1210), ofschoon hij, tot zekeren leeftijd gekomen, evenmin als zijn broeders, bij de begiftiging mot landstreken werd uitgesloten, verloor (zie blz. 120) zeer spoedig een deel zijner Fransche bezittingen. Ongeveer tor zelfder tijd ontbrandde tnsschen hem on paus Innocentïus III (zie blz. 131) een twist, die hemzelf een reeks van ongelukken op den hals haalde, doch aan zijn volk de grondslagen eener vaste staatsregeling verschafte.

De aanleiding tot het geschil was de benoeming van een aartsbisschop van Canterbury (zie blz. 122). De gewelddadigheden, die de koning zich gedurende den twist tegen de Engelsche geestelijken veroorloofde, hadden ten gevolge, dat de paus het koninkrijk met hd interdict, d. i. oen volledige staking van alle kerkelijke handelingen en plechtigheden door 't gehcele rijk, beleide. Vervolgens kwam Jan zonder land, die onderwijl door de ergste dwingelandij do harten zijner onderdanen van zich ver-vreenidde, in den ban. Eindelijk deed do paus, die zich als stedehouder van Christus boven alle wereldlijke macht gesteld waande, de laatste schrede. Hij verklaarde don koning voor afgezet en schonk zijn rijk aan Plulips Augustus. Hoezeer deze vorst, door 'taannemen van dit geschenk en 't opvolgen van het daaronder begrepen bevel om Jan zonder land zijn rijk to ontnemen, openlijk schoen te erkennen, dat het geen aanmatiging van het hof to Rome was, wanneer het koningen afzette en landen weggaf, zoo deed toch veroveringszucht den koning van Frankrijk deze en dergelijke bedenkingen over het hoofd zien. Do laatste stap van den paus werkte. Jan herstelde in 1213 de verdreven geestelijken, nam zijn rijk van den paus in leen en beloofde hem een jaarlijksche schatting.

-ocr page 145-

125

Al deze aanslagen op 's konings gezag vuurden de stoutmoedigheid aan van een hevig op .Tan verbitterde partij baronnen, die nu tot een openbaren oorlog tegen hein overgingen, om herstelling te bekomen van do rechten, vroeger door hen geoefend. Zóó werd de door bijna al zijn lieden verlaten koning in 1215 genoodzaakt tot het verleen on van een grooten vrijheidsbrief, de beroemde magna charta (groot papier). De hoofdinhoud dezer oorkonde, waarin de betrekking dor vrije standen, vooral van den adel en van de geestelijken, tot de regeering werd vastgesteld, komt hierop neer; do koning beloofde geen inbreuk op het bestaande recht te zullen maken; do belastingen werden nauwkeurig bepaald, het willekeurig uithuwelijken van weduwen en erfdochters door den leenheer afgeschaft; alle voorrechten, die de geestelijkheid tot dusverre had genoten, werden bekrachtigd; vrijheid van verkeer door 't gansche land heen werd aan elk en een iegelijk beloofd, zonder dat men zich voor geld van een vrijgeleide had te voorzien; Londen, alsmede de overige steden en vlekken behielden hun oude voorrechten en gewoonten; willekeurige gevangenzetting en verbeurdverklaring van goederen werden verboden. Zooals men ziet, wonnen de burger- en de boerenstand, destijds nog niet krachtig vertegenwoordigd en door de magna charta over 't geheel minder dan de overige standen bevoordeeld, 't meest door de drie laatstgenoemde bepalingen. Wat van een trouweloos man als Jan zonder land was te verwachten, hij schond do magna charta weldra.

Hetzelfde deed, na Jans dood, zijn zoon en opvolger iiexdrik m (1216—1272). Uit voerde in 1258 tot een krachtdadig verzet van de zijde der baronnen, die gewapend in het veld verschenen en een geheele omwenteling in don regeeringsvorm te weeg brachten. Zelfs namen zij onder de leiding van Simon de Montfort, graaf van Leicester, een zoon van don later te noemen bestrijder der Albigenzen (zie blz. 131), den koning gevangen en verstaken hom eonigo jaren lang van alle aandeel aan 't bewind. Simon de Montfort, thans de eigenlijke bestuurder van Engeland, won het volk voor zich, inzonderheid doordien hij aan afgevaardigden van den minderen adel en uit de steden, nevens den hoogen adel en de geestelijkheid, zitting toestond in het parlement.

§ 59.

De eerste kruistocht, van WH6 tot 10!)!). — Het koninkrijk Jeruzalem. — De geestelijke ridderorden.

Heeds sedert den tijd van Constantïnus den groote bestond onder de Christenen de gewoonte om bedevaarten te doen naar hot land, waar de stichter van hun godsdienst was geboren en gestorven. l)e Arabieren, in 't bezit dezer streken sinds 037, toen zij zo den Grieken hadden ontrukt, vergunden den Christenen ongestoorden toegang. Maar het aanzien der Abbassïden was na Haroen al Haschid (zie blz. 90) zoozeer gedaald, dat

-ocr page 146-

12G

de khalif, zich van 9:54 af vergenoegende niet zijn geestelijken rang, de wereldlijke heerschappij aan een ander, emir al omra (d. i. vorst der vorsten) geheeten, opdroeg. Ook werden allengs groote landstreken van 't gebied van den khalif afgerukt, die aan onderscheiden vorstengeslachten kwamen, meest uit erfelijk geworden stadhouderschappen ontstaan. Toen nu in 1055 de aanvoerder der Seldschukken, een volk van den Turkschen stam, zich mot do waardigheid van emir al omra had laten bekleeden, kreeg de heerschappij der Turken in West-Azië do overhand op die der Arabieren. En nadat de Seldschukken ook Palaestina hadden veroverd en Jeruzalem aan een woeste horde overgelaten, werden zoowel de inheomsche Christenen als do bedevaartgangers op allerlei wijze bemoeilijkt en gekweld.

Meermalen was die smadelijke behandeling der Christenen een onderwerp geweest, waarover aan 't hof te Rome hevige klachten waren ingekomen. Doch pans Urbanus II was de eerste, die het grootsche denkbeeld opvatte en verwezenlijkte, Europa's vorston en volkeren tot een krijgstocht naar Palaestina op te wekken. Zulk een tocht vervulde zijn goheele ziel, en op de sterk bezochte conciliën te Piaconza (in 't n. van Italië, aan de Po) en to Clermont (ten w. van Lyon), die hij in 1095 hield, deed de wegsleepende taal zijner overtuiging vele duizenden met geestvervoering tot deelneming besluiten. Onder liet geroep „God wil liet!quot; hechtten zij daar een rood kruis, als toeken van hun vroom voornemen, op don rechterschouder. Terwijl de vorsten en de hoeren nog met de toerusting tot hun groote ondernoming bezig waren, ijlden, reeds in de lente van 109G, verschillende ongeregelde scharen van het opgewonden volk hen vooruit. Zij werden ten dooie aangevoerd door Peter van Amiëns (ten z.w. van Atrecht, in 't n. van Frankrijk), een kluizenaar, dien men dikwijls ten onrechte voorstelt als den voornaamsten bewerker der groote beweging, doch die dooi' zijn vurige prediking inderdaad vele menschen van lageren stand tot deelneming noopte. Bijna al die lieden kwamen door het zwaard der-Hongaren en der Seldschukken om, eer zij het doel haddon bereikt van hun tocht, die door allerlei buitensporigheden en door wreede mishandeling der Joden werd gekenmerkt.

In het najaar van 1096 stelden zicli de verschillende afdeelingen van het hoofdleger, moerendoels afzonderlijk, naar Constantinopel in beweging. De voornaamste aanvoerders waren Godfried VI van Bouillon (in 't w. van Luxemburg), hertog van Neder-Lotharingen, benevens zijn broeder Houdowijn, bisschop Ademar van Puy (ten z.o. van Clermont), als legaat des pausen, en Bohemund van Tarente, een zoon van Robert Guiscard en vorst der Noormannen (zie blz. 110). Vrouwen en kinderen medegerekend, worden de legers der kruisvaarders op G of 700,000 menschen begroot. In Azië aangekomen, hadden zij, door gemis aan eenheid van plan, gebrek aan levensmiddelen, ongewone hitte, misleiding der wegwijzers en onophoudelijke aanvallen der lichtbereden Seldschukken, zooveel te lijden, dat er duizenden omkwamen. Zeer spoedig scheidde zich Bou-dewijn geheel van het leger af en veroverde Edessa met het omliggend

-ocr page 147-

land (in hot n.o. van Syrië), ■waar hij voor zich allofiii oen (jraafschnp oprichtte. Negen maanden lang lagen de kruisvaarders voor Antioehië (zie blz. 85), toen zij het eindelijk, in 1098, innamen door het verraad van een renegaat (d. i. iemand, die van den Christelijken godsdienst tot den islaam is overgegaan), geheeten Phirous of Pyrrhus, wien een toren ter verdediging was toevertrouwd, en Bohëmund er voor zicli oen vorstendom stichtte. Vervolgens bereikten zij in Juni 1099, ton getale van niet meer dan 30,000 weerbare mannen, het doelwit hunner wensehen, Jeruzalem. De stad was goed versterkt en door een talrijke bezetting verdedigd. Eerst na een zeer moeilijk beleg van vijf weken werd zij den lódon Juli stormenderhand ingenomen en er een afgrijselijk bloedbad aangericht. Do vrome Godfried word tot koning van Jeruzalem benoemd. Uit nederigheid voerde hij evenwel in staatszaken slechts den titel hertog, terwijl hij zichzelf beschermer van het heilige graf noemde. Maar reeds in het volgende jaar, 1100, stierf hij en werd door zijn broeder, boude wijn, opgevolgd.

Het nieuwe rijk dei Franken, zooals men de westersche Christenen gewoonlijk in het Oosten noemde, omdat het meorendeel van hen, die de kruisvaan volgden, Franschen waren, werd naar het voorbeeld van oen westerschen leenstaat ingericht. Opperleenheer was de koning van Jeruzalem. Onder hem stonden als leenmannen de bestuurders van Edessar Antioehië, enz. Het hoofd der geestelijkheid was de patriarch, van Jeruzalem. Slechts door nieuwe, telkens weder uit Europa komende scharen kon het rijk zich staande houden tegen do onophoudelijke aanvallen der Saradênen, d. i. Oosterschen, gelijk de Mohaminedanon door de inwoners-van Palaestina werden genoemd. Ziet men op den onmiddellijken invloed, dien de kruistochten oefenden, dan behoort hiertoe de aanwas der Italiaansche zeesteden, inzonderheid van Venetië, die dikwijls voor het overbrengen der kruisvaarders zorgden en overal in het Oosten veelvuldige handelsbetrekkingen aanknoopten. Voorat'ontwikkelde zich dooi- de kruistochten de ridderstand, een bij de Grermaansch-Christelijke volkeren geheel eigenaardige instelling. Zij ontsproot namelijk uit een nauwere vereeniging van hen, welke in oorlog of bij voeten tot den ruiterdienst verplicht waren, die sedert Hendrik I en de oorlogen togen do Hongaren (zie blz. 115) meer in zwang was geraakt. Zooals bij de gilden de gezel, alleen na 't geven van blijken zijner bekwaamheid, tot meester opklom, zoo kon de edel- of schildknaap slechts na .voorafgaand onderzool;; door middel van den plechtigen ridderslag in do orde der ridders worden opgenomen. Do geloften, die hij alsdan bezwoer, waren: strijd tegen alle onrecht, vereering der vrouwen en een onbesproken gedrag. Do luister der ridderschap vertoonde zich inzonderheid bij de tornooien of kampspelen, die mot groote pracht en naar bepaalde wetten en regels werden gehouden, maar dikwijls bloedig eindigden.

Uft de ridderschap doden de kruistochten de geestelijke ridderorden voortkomen door ze met den godsdienst in verband te brengen. Bij do-ridderplichten voogden deze ridderorden de drie monniksgeloften: gehoor-

-ocr page 148-

128

zaamheid, armoede en den ongeliuwden staat. Nog kwam hierbij de strijd tegen do ongeloovigen on de verplichting om pelgrims te beschermen en zieken te verplegen. De namen dezer geestelijke ridderorden waren die van St. Jan, de tempeliers en do Duitsche orde (zie blz. 130). De eerste, in 1113 door don paus bekrachtigd, welke zóó heette naar hem, die althans in 't vervolg voor haar beschermheer doorging, n.1. naar Johannes den dooper, veroverde in 1310 lihodus, vestigde op dit eiland haren hoofdzetel en behield liet tot 1522, toon zij hot aan de Turken moest afstaan. Do orde der tempeliers, in 1118 gesticht, voerde dezen naam, omdat haar huis te Jeruzalem stond nabij de plek, waar vroeger do tempel van Solomo had gestaan. Later werd de zetel der tempeliers naar Acre on in 1291 naar Cyprus verplaatst, hoewel van toen af het Westen, inzonderheid Parijs, het middelpunt der orde was. Nog getuigde van don strengen en dweepzieken ijver voor tien godsdienst in dio dagen een aantal nieuwe monniksorden, naar strengere voorschriften ingericht.

§ CO.

De tweede kruistocht, van 1147 tot 114!). ■— De derde kruistocht, van IIS!) tot 11!)-. — Duitschland onder Frederik I Barharossa uit het huis der Hohenstaufen, van H't'J tot 111)0.

Onder Boudewijn 1 werd hot rijk wel vergroot door de verovering van eenige kuststeden; maar na hem ging Edessa, de voormuur der hoofdstad, weder verloren. Dit noopte don koning van Frankrijk, Lode wijk VII (zie blz. 120), en dien van Duitschland, Koonraad III, om den tweeden kruistocht (1147—1149) te ondernemen: doch het verlies van 't grootste gedeelte hunner legers in Klein-Azië dwong hen onverrichter zake terug te keoren. De ongelukkige uitslag van dezen tocht veroorzaakte in Europa zulk een moedeloosheid, dat men daar niot meer aan het Oosten scheen to denken. Maar in 1187 wekte dc mare: „Jeruzalem is ingenomen!quot; de Christenheid uit den dommel dor onverschilligheid. En dit was eon ware tijding: do stad had haar poorten moeten openen voor sa lui)lik, don stichter van het huis der Ejubiden en sultan (oorspronkelijk eon Chaldeeuwsch woord, in het Arabisch overgegaan, dat heerschor betcekent), van Egypte en van Syrië. Op dit rampspoedige bericht rustten zich do koningen der drie hoofd volkoren van Europa, Frederik 1 Earbarossa, Philips II Augustus on Richard Leeuwenhart, tot den derden kruistocht, 1189—1192, toe.

Fiikdebik i barharossa, d. i. rosachtige baard (1162—1190), was koning van Duitschland en gesproten uit het beroemde geslacht der Hohenstaufen (zie blz. 118), dat, niot lang na het uitsterven van het Frankische huis, in 1138 niet den zoo oven genoemden koekraad ui den troon had beklommen. Eenige jaren vroeger was de lange en bloedige vijand-

-ocr page 149-

120

schap tusschen de beide machtige huizen, de Hohenstaufen en de Wol foil, begonnen, welke in Duitschland en in Italië langer dan een eeuw groote onrust heeft verwekt. De oorzaak dier langdurige veete is vooral te zoeken in den wrok van het oude geslacht der Welfen, dat zich eerst door het opkomen der Hohenstaufen min of meer op den achtergrond geschovei: achtte, hen vervolgens als mededingers moest erkennen en, toen de Hohenstaufen ten laatste met de keizerskroon prijkten, hen boven zicli verheven zag. De gewone namen der twee partijen waren WaiMingen, naar een burgt der Hohenstaufen (ten n.w. van Ulm), in Italië Ghi-hellijnen geheeten, en Welfen of Guelfen. Aan 't hoofd der laatstgenoemde partij stonden, ten tijde van Koenraad III en Frederik I Barbarossa, Hendrik de stoutmoedige, hertog van Beieren en van Saksen, en zijn zoon Hendrik de leeuw.

Door groote bekwaamheden, vastberadenheid en heldhaftigheid uitmuntende, vatte Frederik het grootsche plan op, zijn rijk weer even groot en machtig te maken, als het in de luistervolle dagen der Karolingiërs en der Otto's was geweest. Zijn hoofdstreven was, de Lombardische steden, bovenal Milaan, die, door bloeienden handel rijk geworden, naar repu-blikeinsche vrijheid trachtten, maar onderling in voortdurende vijandschap verkeerden, tot het erkennen der keizerlijke heerschappij te dwingen. Vijf malen trok hij er heen. Op den tweeden tocht, 1158—1162, riep hij een vergadering bijeen, ten einde de regalicn of keizerlijke rechten vast te stellen. Deze bijeenkomst van den keizer met de Lombardische consuls (door de burgers aangestelde bestuurders der steden) en met vele aanzienlijke rechtsgeleerden had plaats op de lioncalische velden (ten z.o. van Fiacenza). Op dezen rijksdag zegevierde de stelling, dat do keizerlijke wil de eenige bron is van alle recht. In overeenstemming hiermede kreeg de keizer het recht, de consuls en de podesta's, met goedvinden van 't volk, aan te stellen, het recht op groote wegen en bevaarbare stroomon, op het heffen van tol, op het slaan van munt, op boeten, op onbeheerde en verbeurd verklaarde goederen, enz. Do groote ontevredenheid van alle Noord-Italiaansche steden hierover deed te Milaan een nieuw oproer losbarsten, hetwelk Frederik zoozeer verbitterde, dat hij, hoewel eerst na een moeielijk beleg, de stad zoo goed als geheel verwoestte en haar inwoners in open vlekken verstrooide. Desniettegenstaande werd de strijd telkens hervat en zag dö keizer quot;zich eindelijk genoodzaakt, in 1183 bij den wede van Constants (in 't z.o. van Baden) aan de Lombardon vele rechten toe te staan, met name dat om hun consuls te kiezen en zichzelf binnen hun muren te regeeren.

Gelukkiger was de keizer in zijn oorlog tegen Hendrik den leeuw, over wien hij den rijksban uitsprak, omdat hij had geweigerd hem op zijn laatsten tocht naar Lombardije te vergezellen. Twee jaren lang verzette hij zich gewapenderhand; maar ten laatste moest hij zich onderwerpen. Nu ontnam de keizer hem bijna al zijn landen en schonk ze aan anderen, echter niet, dan na van de beide hertogdommen, Saksen en

Wijnne, Handboek der Alg. Geschiedenis, 7ile druk. 0

-ocr page 150-

13Ó

Beiel-on, aanmerkelijke deelcn te hebben afgerukt, die, als onmiddellijke rijksleenen, aan bisschoppen en aan graven werden toegewezen. Was reeds vroeger Branclenhurg, als markgraafschap, van Saksen gescheiden, thans geschiedde dit met Westphalen, dat aan den aartsbisschop van Keulen kwam. Verder stonden van nu aan de hertogen van Pommercn en Mecklen-burg, alsmede de graven van Tyrol, Gulilc (aan den Rijn, ten o. van België), Kleef (ten n. van Gulik), Berg (ten o. van Gulik) en andere onmiddellijk onder het rijk, en Lubeck werd een vrije rijksstad. Op deze wijze splitste de Hohenstaufsche keizer de groote hertogdommen in kleine leenen, hoewel hij zijn doel, de vermeerdering der keizerlijke macht, hiermede niet bereikte. Van al zijn bezittingen behield Hendrik alleen zijn familiegoederen, waaruit later het hertogdom Brunswijk ontstond) in welk land tot 1885 het geslacht der Welfen regeerde, gelijk het nog heden regeert in Groot-Britannië, waar het den koningstitel voert, evenals tot vóór kort in Hannover.

Nog gunde Frederik Barbarossa's werkzame geest hem geen rust. Met een welgeordend leger rukte hij tegen Jeruzalem op, en zijn verstandige maatregelen kwamen op dien tocht aanvankelijk elk bezwaar te boven. Doch weldra verkeerde de voorspoed in druk: de dappere, zeventigjarige keizer verdronk in 1190 bij 't baden in de Selef (een kleine rivier nabij Seleucïa, in 't z. van Cilicië. Van het schoone krijgsheir keerden velen aanstonds naar hun vaderland terug, en de overigen bereikten, onder aanvoering van Frederiks tweeden zoon, hertog Frederik van Zwaben, uitgeput het kruisleger, dat voor Acre (Acca of Ptolemaïs, ten z.w. van Damascus aan zee) lag. Het eenige gedenkteeken van den tocht was de Duitsche ridderorde (zie blz. 128), gesticht door den jongen Frederik, die de verpleging van Duitsche pelgrims als taak op zich nam en na de verovering van Acre in deze stad haar hoofdzetel opsloeg. Intusschen hadden Richard Leeuwenhart, koning van Engeland, en Philips II Augustus, koning van Frankrijk, de reis over zee gedaan en waren in Palaestina geland. Zij sloegen het beleg voor Acre en namen het, in vereeniging met de overige kruisvaarders, in 1191 bij verdrag in. Ijverzuchtig op den roem van den ridderlijken en in 't geheele Oosten vermaarden Richard, keerde Philips II Augustus weldra naar zijn staten terug. In 1192 volgde Richard Leeuwenhart, die, in weerwil van zijn ongemeen heldhaftige daden, Jeruzalem niet had kunnen herwinnen en een wapenstilstand met Saladijn had gesloten. Op zijn terugreis viel hij te Weenen in handen van hertog Leopold VI van Oostenrijk, dien hij öf te Acre öf elders op dezen krijgstocht zwaar had beleedigd door zijn vlag met voeten te treden en die hem aan den keizer van Duitsch-land, Hendrik vi, den oudsten zoon van Frederik Barbarossa, uitleverde. Nadat do koning lang had gevangen gezeten, kocht het Engelsche volk hem ten laatste voor een hoog losgeld vrij.

-ocr page 151-

131

§ ci.

Innocentius III, van 1198 tot 121(1. Oregorius IX. — De kruistocht tegen de Albigenxen en de bedelorden. — De vierde kruistocht, van 1202 tot 1204.

In 't begin der dertiende eemv streefde paus innocentius m (1198— 1210) naar het bereiken van liet vroeger door Gregorius VII beoogde doel: do verheffing der kerk boven de wereldlijke macht. Te dien einde deed hij onderscheiden stappen. Zoo dwong hij den stadsprefect van Rome (zie blz. 108), tot dusverre door den keizer met zijn waardigheid beleend, aan hemzelf een eed van trouw af te leggen. Hetzelfde geschiedde in de overige steden van den Kerkelijken Staat. Een uitvloeisel van 't zelfde streven waren de kruistochten tegen de Albigenzen. In de vruchtbare streken van Zuid-Frankrijk, waar kunsten en wetenschappen reeds vroeg in de Middeleeuwen beoefenaars vonden, openbaarde zich mede het eerst een algemeene tegenzin tegen de ontaarding van 't Christendom en tegen de bedorvenheid der geestelijken. Al in 't begin der twaalfde eeuw bevond zich daar een aanzienlijk getal lieden, die de heerschappij der geestelijkheid verwierpen, naar de zuivering der kerkleer van alle menschelijke instellingen streefden en den Bijbel als het eenige richtsnoer van hun geloof beschouwden. De sekten dezer ketters (een woord, dat letterlijk „zuiverenquot;' beteekent, maar veelal voorkomt in de beteekenis „afvalligen van de Roomsch-katholieke kerkquot;) werden of Waldenxen, d. i. bewoners der valleien, n.1. van de Alpen, óf meermalen, naar de stad Alby (in Albigeois, in 't z. van Frankrijk), Albigenxen geheeten. Toen noch banvloek, noch andere middelen baatten, schreef Innocentius in 1208 een kruistocht tegen de Albigenzen uit, waarin Simon de Montfort (een graafschap ten w. van Parijs) weldra hun voornaamste bestrijder werd. Met ijzingwekkende wreedheid gingen de pauselijke krijgslieden, die bijna alom de overhand hadden, te werk, en zoowel Raimund YII, graaf van Toulouse, als de andere landsheeren, die de bescherming der Albigenzen op zich hadden genomen, zagen hun landen aan de kroon van Frankrijk overgaan.

Vermits het getal van hen, die van de algemeene kerk afvielen, in weerwil van de gruwelen, door de katholieken gepleegd, eer toe- dan afnam, voerde paus Gregorius IX op een synode of vergadering over kerkelijke aangelegenheden, in 1229 te Toidouse gehouden, de geloofs-rechtbank of inquisitie tot het opsporen en het straffen van ketters in. In elk kerspel werd de pastoor met twee of drie leeken met de taak belast, naar dergelijke afvalligen onderzoek te doen. Had men een zeker aantal ketters samengebracht, dan kwam de rechtbank der inquisitie bijeen, die eerst uit bisschoppen en andere geestelijken bestond. Doch binnen weinige jaren werden tot vaste leden dier rechtbanken dc üominikanen

9*

-ocr page 152-

benoemd, een bedelorde, omstreeks 1215 door den Spanjaard Dominions Guzman gosticlit. Vooral in Frankrijk en in Spanje werd do inquisitie een blijvende instelling. In Italië, in Duitschland, in Nederland kon zij op den duur geen vasten bodem voor haar werkzaamheid vinden.

Ongehoord was do handelwijze dor inquisitiereehtbanken: misdadigers werden als getuigen, toegelaten; do aanklager bleef den beschuldigde meestal onbekend; dezen werd het veelal onmogelijk gemaakt, bewijzen zijnor onschuld te leveren, en doorgaans wachtte de brandstapel elk, die voor haar te recht stond. Want al week de Roomsch-katholieke kerk niet af van haar oude grondstelling, dat zij zelve geen bloed begeerde , in haar plaats nam de wereldlijke macht de verplichting op zich, over don ketter, haar door de inquisitie uitgeleverd, het vonnis dos doods te vollen on te doen voltrekkon. Had die wereldlijke arm geweifeld, hij ware als begunstiger der ketterij aangemerkt en zonder verwijl in den ban gedaan.

Met de Franciscanen, een bedelorde, door Frans van As si si (ten n. van Spolëto, in den Kerkdijken Staat) opgericht on in 1223 door den paus bekrachtigd, die zichzelve uit bescheidenheid minderbroeders noemde, werden do Dominikanen de voornaamste steun van 't pausdom. Beide orden onderhielden zich bij de strengste levenswijze van milde giften en stelden zich de bekeering en de vervolging dor ketters tot hoofddoel.

Nog voerde Gregorius IX in 1234 een gedeelte van dat recht in, dat, naar het Latijnsche woord canon, regel, den naaam canoniek draagt. De grondslag hiervan waren de besluiten der kerkvergaderingen en de antwoorden, van tijd tot tijd door de pausen gegeven op gewichtige vragen van kerkelijk bestuur. In dit canonieke recht, waarvan de boeken, door Grog'oi'ius uitgegeven, den hoofdzakelijkeh inhoud uitmaken, vindt men een regelmatig en volledig rechtsstelsel, grootendeels afgeleid van 'tburgerlijk recht, maar met aanmerkelijke wijzigingen. Later voogden Bonifa-cius VIII (zie blz. 141) en andere pausen er nieuwe boeken aan toe. Dit recht, dat elk geestelijk rechter natuurlijk bestudeerde, ging geheel uit van het denkbeeld, dat do paus do wetgevende macht had. Overal komt de voorrang uit, daarin aan de geestelijke boven de wereldlijke macht toegekend, , Omdat ook de dorde kruistocht zijn doel had gemist, werden de pausen niet moede, steeds weer hot kruis te prediken. Op aansporing van Inno-centïus III voroenigdon zich vele Franscho vorsten, markgraaf Bonifacius van Montferrat als aanvoerder en graaf Boudewijn VI van Vlaandoren (IX van Henegouwen), met don doge van Venetië, Hendrik Landolo, tot den vierden of Latijnschen kruistocht, 1202—1204. Den laatsten naam draagt deze tocht, dewijl de troepen, in plaats van naar het Heilige Land te trekken, hun wapens, uit hoofde van een oproer, binnen Constantinopel uitgebarsten, tcgon deze stad keerden en hot Griek-scho rijk voor een korten tijd tot een staat maakten, die door een Latijnsch, d. i. Westersch, keizer werd beheerscht. In den burgeroorlog, die daar woedde, kozon de kruisvaarders partij en maakten, door 't innemen dev

-ocr page 153-

133

hoofdstad, een einde aan liet Gneksche rijk. Zij verdeelden het onder elkander en noemden hun buit het Latijnsche leeixerrijk, dat evenwel slechts zeven-en-vijftig jaren bestond.

§ 62.

Duitschland onder Fredcrik I uit het huis der Hohenstaufen, van 121') tot 1250. — De vijfde, de xesde en de xevmde kruistocht, van 1228 tot 122!), van 1248 tot 1254 en in 1270. — Gevolgen der kruistochten.

De vijfde kruistocht werd 1228—1229 ondernomen door frederik ii, een zoon van Hendrik VI (zie blz. 130), koning van Duitschland endoor zijn moedor bezitter der Normandische staten in Beneden-Italië (1215—1250). Hij kreeg bij verdrag Jeruzalem voor tien jaren terug, maar kon evenmin als zijn voorganger tot oen duurzaam bezit dezer stad geraken. In Europa teruggekomen, wijdde hij zijn overige levensjaren aan de taak, waaraan zijn grootvader, Frederik Barbarossa (zie blz. 120), zijn krachten tevergeefs had besteed, den oorlog tegen de Lombarden. De eisch van onvoorwaardelijke onderwerping, dien do keizer deed, bracht deze steden tot een tegenstand op leven en dood. Ook de pausen werkten Frederik met alle kracht tegen, en bij zijn dood in 1250 was hij nog verder van zijn doel dan in den beginne.

Den zesden kruistocht, 1248—1254, ondernam Lodewijk IX of de heilige, koning van Frankrijk. In Egypte geland, vermeesterde hij Damiate (nabij één der monden van den Nijl gelegen); doch hij geraakte met zijn leger in gevangenschap en keerde, na in 1250 mot den sultan van Epypto een wapenstilstand te hebben gesloten, waarbij Damiate werd teruggegeven, in 1254 naar Frankrijk terug. Verdrietig over den afloop van den zesden kruistocht, ving Lodewijk in 1270 den zevenden of laat-sten aan en wendde zich eerst naar Afrika tegen den beheerscher van Tunis. Hier eindigde de onderneming tevens. Ziekten bezochten het leger; Lodewijk zelf en een groot deel zijner tijdgenooten bezweken, en de overigen keerden huiswaarts. Later, in 1291, ontrukten de Egyptenaren den Christenen Acre, en met den val dér andere steden, die zich uit vrees overgaven, nam hun heerschappij in Falaestina een einde.

Ofschoon dus de kruistochten hun eigenlijk doel misten, hadden zij toch voor Europa's beschaving allergewichtigste gevolgen. De volkeren kwamen met elkander in aanraking; de kring van menschelijke kennis en ervaring werd uitgebreid. De handel, thans beginnende wereldhandel te worden, steeg door het meer en meer toenemend verkeer tot een voorheen onge-kenden bloei, waardoor vooral Venetië en Genua een groote mate van rijkdom verkregen. Met de vermeerdering van allerlei behoeften vermenigvuldigden zich ook de takken van nijverheid. Onder de kunsten en do weten-

-ocr page 154-

134

schappen ontwikkelde zich vooral de dichtkunst, daar zij nieuwe onderwerpen kreeg en de verbeeldingskracht in hooge mate werd gewekt, waarin tot zekere hoogte aardrijks- en natuurkunde, bouw- en schilderkunst deelden, doordien met de tochten naar onbekendelanden de kennis der aarde en der natuur haar grenzen vanzelf uitzette.

De kruistochten verrijkten het pauselijk hof en de geestelijkheid en bevorderden de verheffing der geestelijke macht boven de wereldlijke, vermits honderdduizenden, op den wenk van het opperhoofd dor kerk, hun tijdelijke goederen verwaarloosden, om, alleen op zijn roepstem, in verre oorden allerlei gevaren te gaan trotseeren. Van een anderen kant kreeg het gezag der geestelijkheid, door 't verspreiden van eenige meerdere verlichting en beschaving, een gevooligen stoot, terwijl de macht der vorsten zich uitbreidde, doordien vele tot oproer geneigde leenmannen zich verwijderden, wier leenen nu aan de kroon vervielen. Gelijk ook do kruistochten verder het volk uit de diepe vernedering der lijfeigenschap ophieven en den grond legden tot de opkomst van den derden stand, d. i. dien der poorters of burgers en der boeren, het gebruik der moedertaal krachtig bevorderden, rechten en vrijheden in 't leven riepen en steden deden ontstaan , zoo verbonden zij ook de drie standen nauwer aan elkander en ontwikkelden ze meer en meer door 't wijzigen hunner zeden en gewoonten.

§ 63.

Dc val der Hohenstaufen in 1268. —■ De Sioiliaansche vesper in 1282. — De keurvorsten. — De veemgerechten. — Dc hanse.

Met den dood van Frederik II, in 1250, brak voor Duitschland een tijd van schromelijke verwarring aan, gewoonlijk het tusschenrijk geheeten. Door den invloed der pausen hiertoe genoopt, stelden eenige keurvorsten (zie blz. 135) tegenover den koning uit het huis der Hohenstaufen een of meer vorsten, wien zij de waardigheid van lioomsch koning (zie t. a. p.) opdroegen. Terwijl deze vorsten zich hier en daar de inkomsten en de rechten des konings aanmatigden, heerschten in het rijk overal veete en vuistrecht en kon Frederiks zoon, koenuaad iv (1250—1254), weinig of geen gezag oefenen.

De laatste der Hohenstaufen was de kleinzoon van Frederik II, KONiia-dun. In weerwil zijner prille jeugd trad weldra tegen hem een bestrijder op. quot;Want paus Clemens IV gaf Napels en Sicilië in leen aan Karei van An jou, een broeder van Lodewijk IX, koning van Frankrijk. Karei talmde niet lang, maar nam het hem toegewezen rijk spoedig met geweld in bezit. Onverwijld rustte zich daarom Konradijn, gehoor gevende aan de roepstem der verdrukte Italianen, toe, om het erfdeel zijner vaderen te heroveren. Hem vergezelde, als een getrouwe Pylüdes, Frederik van Baden. Bij Tagliacozzo of Scurcola (beiden ten o. van Rome

-ocr page 155-

135

gelegen) gemakte Konradijn in 1268 slaags met Kareis leger, en deze enkele dag besliste over het lot der Hohenstaufen. Konradijns leger werd geslagen en verstrooid; de beide aanvoerders vluchtten, doch ■werden achterhaald en gevangen genomen. Toen benoemde Karei van Anjou een rechtbank, waarvoor zijn ongelukkige tegenstander te recht moest staan, omdat hij het erfgoed zijner vaderen gewapenderhand had trachten te heroveren. Steunende op de stem van slechts één der rechters, die den jongeling ter dood verwees, liet Karei Konradijn en zijn vriend openlijk onthoofden. Op die wijze daalde het eens zoo machtige huis der Hohenstaufen in 1268 ten grave.

De roover bleef echter niet lang in 't gerust bezit van zijn buit. De knevelarijen en de overmoed der Franschen, die inzonderheid zwaar op Sicilië drukten, deden er er een geheime samenzwering ontstaan, welke steun vond bij Peter III, koning van Arragon, die, onder voorwendsel van een kruistocht tegen do Mohammedanen in Afrika, met een vloot naar de Middellandsche Zee stevende. Toen alles behoorlijk was voorbereid, bespoedigde een toeval de uitbarsting der samenzwering. Dit is de Sici-liaansclie vesper (d. i. avond, avonddienst in de kerk) in 1282. De onbeschaamde handelwijze van eenige Franschen jegens aanzienlijke inwoners van Palermo (in 't n.w. van Sicilië) verwekte in die stad oen algemeene verbittering, die zich weldra aan de overige bewoners van Sicilië mededeelde. En nu werden, op weinigen na, alle Franschen, die toen op dit eiland waren, omgebracht of verdreven, waartoe de vesperklokken op Paaschmaandag het sein gaven. Bij afwisseling kampten hierop Karei en Peter, benevens hun nakomelingen, om het bezit van dit eiland, totdat in 1302 een vrede tot stand kwam, volgens welken het huis Anjou zich met Napels moest vergenoegen en Sicilië in Peters geslacht erfelijk werd.

In de eerste eeuwen na het uitsterven van den stam der Karolingiërs geschiedde de keuze van een Duitsch of Roomsch koning (zóó heet do vermoedelijke opvolger des konings of de beheerscher van Duitschland, zoolang hij nog niet als keizer te Rome is gekroond) door een onbepaald getal Duitsche vorsten, terwijl het volk, wanneer do plechtige handeling was afgeloopen, door luide toejuiching zijn instemming te kennen gaf. Dikwijls evenwel wezen de aanwezige vorsten eenige uit hun midden aan, wien het werk dor verkiezing werd overgelaten. Dit waren steeds de aanzienlijkste der tegenwoordig zijnde vorsten, en deze vorsten sloten eindelijk, ten tijde van hot tusschenrijk, ten getale van zeven, de overigen geheel van de verkiezing uit, weshalve men van dïen tijd af van xeven keurvorsten gewag vindt gemaakt, wien de verkiezing van een koning bij uitsluiting toekwam. Do voorrang van dit zevental werd geacht te berusten op het bezit van het ambt van aartskanselier en van de vier hoogste posten ten hove. Alzoo verbleef, in spijt van alle tegenspraak van andere vorsten, de keurvorstelijke waardigheid aan de aartsbisschoppen van Maints, van Keulen en van Trier (aan de Moezel), die tevens aartskanseliers, d.i. eerste staatsdienaars, waren, en aan de vorston van de Palts, van Saksen,

-ocr page 156-

136

van Bohemen en van Brandenburg, als den voorsnijder,' den opperstalmeester, den schenker en den kamerheer des konings.

Doordien in Duitschland het vuistrecht gaandeweg meer do overhand kreeg en dit niet immer op genoegzame wijze kon worden tegengegaan door den godsvrede, die van de geestelijkheid uitging en, ter beperking der veeten, van Donderdag avond tot Maandag morgen en tevens op de meeste feestdagen allo gewelddadigheden verbood, kwamen allengs de veemgerechten of vry.stoclcn zeer in aanzien. Zij ontsproten sedert het midden of het eind der dertiende eeuw uit de voormalige gouwgerechten, die in Westphalen en in een gedeelte van Nederland, n.1. in Overijsel, in Drente en in het graafschap Zutfen, bleven stand houden, toen zij elders vervielen. De voorzitter heette vrij graaf, omdat hij, evenzeer als de rechters, gelijk reeds in de vroegere gouwgerechten, geen andere dan een vrije mocht zijn, de bijzitters wijschepenen of wetenden. Van alle gissingen over do betoekenis van het woord „veemquot; schijnt die de aan-nomelijkste, volgens welke het „vonnis, doodstrafquot; beduidt. Gewoonlijk waren de rechtszaken, op de veemgoreehten' behandeld, vergrijpen, tegen den godsdienst, tegen het leven en tegen de eer gepleegd, ofschoon ook andere misdaden niet waren uitgesloten en bovenal onrechtvaardige rechtspraak door hen werd vervolgd. De rechters hielden hun zittingen in de open lucht. Hunne namen waren geen geheim; doch niémand werd tot die vergaderingen toegelaten, behalve de gedaagden. Steeds bleef het verborgen, aan wien de voltrekking van een doodvonnis was opgedragen, hét eenige vonnis, dat de vrijschepenen velden. Verschoen de aangeklaagde niet, na te zijn gedaagd, zoo werd hij aan eenige vrijschepenen prijs gegeven, die verplicht waren hem te dooden en een dolk naast het doodè lichaam te leggen ten teeken dat het oordeel van 't veemgericht aan hem was voltrokken. Zeer groot was de macht dier alom gevreesde rechtbanken. Maar tegen 't einde der vijftiende eeuw verloren de veemgerechten, die destijds zeer ontaardden, hun gezag en staakten langzamerhand hun zittingen geheelenal.

Intusschen achtten in dezelfde dertiende eeuw vele steden, bij gebrek aan een wezenlijk opperhoofd des rijks en bij de bestaande wetteloosheid, zich verplicht door 't oprichten van vereenigingen in haar eigen zekerheid te voorzien. Zóó ontstond, naar men gewoonlijk aanneemt, in 1241 dehanse (of van Hans, gezel, makker, 6f van het Gothisehe en oud-Duitsehe hanse, menigte), een verbond van steden, die zich de bevordering en de beveiliging van den handel tegen de zee- en de landroovers ten döel stelden. Eeeds vroeger bestonden in verschillende steden van Europa, b. v. te Londen, te Brugge en elders, vereenigingen van Duitsche kooplieden, hansen, d. i. maatschappijen of handelsgilden genoemd. Deze vereenigingen moeten wel worden onderscheiden van de latere hanse, welke evenwel haar naam ontleende aan haar overeenkomst met die verbintenissen van kooplieden. Een bepaald jaar op te geven, waarin deze hanse ontstond, is onmogelijk, vermits zij niet dan langzamerhand verrees en zich uitbreidde. Neemt men 1241

-ocr page 157-

137

als punt van uitgang, dan is dat, dewijl in dit jaar het eerst een verbond tot wederkeerige bescherming tusschen Lubeck en Hamburg werd gesloten, waartoe later vele andere steden toetraden. Weldra bleek de kracht der lianse in menigen oorlog, tegen Denemarken gevoerd. Dit vooral noopte vele stéden, zich bij haar aan to sluiten, vele vorsten, haar privilegiën te geven. Vruchteloos poogden de adellijken, die zich dikwijls aan rooverijen schuldig maakten, den invloed der hanse tegen te gaan. Ih de veertiende eeuw beliep het getal harer steden omstreeks tachtig, waarvan Lubeck (in 't n. van Duitschland, ten n.o. van Hamburg) het hoofd was. Van de grenzen van Rusland strekte de hanse zich langs de zee tot in Vlaanderen, alzoo ook over Nederland, uit. In andere steden, b.v. te Londen en te Brugge, had zij factorijen. Sedert echter de ontdekking der beide Indiön andere wegen voor don wereldhandel opende, de staten in 't n. van Europa de privilegiën, vroeger geschonken, introkken en de Nederlanden en Engeland als geduchte mededingers optraden, ging de hanse tegen 't midden dor zeventiende eeuw allengs te niet. Haar laatste vergadering werd in 1609 gehouden.

§ 64.

Duitschland onder de koningen uit het Hahshurgsche cn het Lnxem-hurgscha huis. — Het concilie van Constants en Johannes Hits. — Van 1273 tot 143G.

Aan de verwarring (zie blz. 134), 'waarin Duitschland verkeerde, maakte ten laatste de verkiezing van rudolf van habsbukg, bezitter van vele landstreken in Zwaben, in Zwitserland, dat destijds voor een groot gedeelte tot Zwaben behoorde, en elders, tot beheerscher van dit rijk (1273—1291) een einde. Dan nauwelijks had hij hot bewind aanvaard, of hij vond oen machtig vijand te bestrijden, te weten Ottokar II, koning van Bohemen, die in den tijd van het tusschenrijk Oostenrijk en aangrenzende landen aan zich had' getrokken en zich tegen de verkiezing van Rudolf had verzet, In 1278 overwon Rudolf Ottökar, die in den strijd sneuvelde, op het M a relive 1 d (ten n.o. van Weencn). Nu,beschikte Rudolf, met de meeste dier landen zijn zonen beleenendé, zóó over de veroverde landen, dat hij hiermede den grond legde tot de macht van het Habsburgsehe huis. Als koning maakte Rudolf, zich noch om Palaostina, noch om Italië bekommerende, de herstelling van de zoo lang gestoorde orde en rust in Duitschland tot zijn levenstaak. De in groeten getale bestaande roofburgien slechtte hij, de veeten legde hij bij, do weerbarstige leenmannen bedwong hij.

Rudolfs tweede opvolger was zijn zoon albkecht i (1298—1308). Kort na de regeering van Albrecht verloor het Duitseho rijk oenige zijner bezittingen in Zwitserland, hetgeen het begin was van Zwitserlands onafhankelijkheid. Van'de drie woudstreken, ( ri, Schwgx en Unterwalden, was de eerste van oudsher een rijksleen, terwijl de beide andere, dit,

-ocr page 158-

138

hoewel sinds lateren tijd, eveneens zijnde, tevens heerlijkheden waren van het huis Habsburg. Ten onrechte heeft men beweerd, dat Albrecht ten aanzien van de bewoners der woudstreken iets anders heeft gedaan, dan de rechten van het rijk en van zijn huis handhaven. Desniettemin bekroop de vrees voor onderdrukking door het in macht toenemende Habsburgsche huis de landbouwers en de bergbewoners der woudstreken. Die vrees beving hen, sinds het meer en meer duidelijk werd, dat het huis Habsburg zijn macht ook over Uri trachtte uit te breiden en de drie streken geheelenal onder zijn gezag te brengen. Daartegen was het streven der woudstreken gericht: zij wildon alleen onder don keizer en het rijk staan. Grooter werd voor het drietal liet gevaar, dat zij duchtten, toen de kroon van Duitschland aan Rudolf van Habsburg werd opgedragen. Vandaar, dat zij in 1291 een verdrag van ouderlingen bijstond met elkander sloten. ïocli erkenden de twee woudstreken Albrecht nog als heer.

Eerst na den dood van dozen keizer gingen de drie woudstreken tot de verwezenlijking van haar voornemen over. Het verzet tegen het huis Habsburg ging niet uit van juist drie Zwitsers, nog minder van één ervaren boogschutter. Het was een daad van de gansche bevolking dier streken. Wat van een eedgenootschap van drie Zwitsers, van Willem Teil en Grossier wordt verhaald behoort tot het gebied der volksoverlevering en der poëzie. Voorzoover Willem Teil betreft, is 't verdichtsel een navolging eener Deensche legende. Daarentegen is het een werkelijkheid, dat de grondslag van Zwitserlands zelfstandigheid op de aangeduide wijze is gelegd, want de pogingen der drie woudstreken werden door een weldra ontstaanden strijd om de keizerskroon begunstigd. En het zegel werd er op gedrukt door de zege, die de Zwitsers in 1315 in den engen pas bij Morgarten (in Schwyz) op het Habsburgsche huis behaalden.

Een van Albrechts opvolgers was lode wijk, hertog van Opper-Beieren (1314—1347), een schoonzoon van Wi 11 em III of den goede, graaf van Holland. De macht van zijn huis, d. i. van het gedacht Wittelsbach, vergrootte hij door in 1324 zijn oudsten zoon Lodewijk met het openstaand leen Brandenburg te boleenen. Nadat hij vervolgens Rein oud II of den zwarte in 133'J tot hertog van Gelder had verheven, benoemde hij bij den dood van Willem IV in 1345, tegen de meening van velen, dio Holland en Zeeland als zwaardleenen wilden hebben aangemerkt, zijn eigen gemalin Margarêta, 's graven oudste zuster, tot gravin dezer beide gewesten, alsmede van Henegouwen, waardoor hij aanleiding gaf tot de uitbarsting van den strijd tusschen de Hoekschen en de Kabeljauwschen. Het laatste twintigtal jaren zijner regeering bracht Lodewijk in hevige twisten met de pausen door, die hem eindelijk den troon kostten.

Op 's pausen aansporing benoemden vijf van de zeven keurvorsten, in zijn plaats, kakel iv uit het Luxemhurgsche huis (1347—1378), die tevens koning van Bohemen was en in 1348, toen in geheel Duitschland nog niet één universiteit bestond, te Praag een hoogeschool oprichtte. Onder de tal-looze verordeningen, met gouden bullen (zegels) voorzien, die deze keizer

-ocr page 159-

189

uitvaardigde, blijft er een voor de historie bovenal merkwaardig. Dit is de gouden hid, in 1356 uitgevaardigd, een rijksgrondwet in dertig hoofdstukken , welker hoofddoel tweeledig was: eensdeels den paus te beletten, zich in 't vervolg de benoeming der koningen van Diütsohland aan te matigen, anderdeels al datgene, wat op do keurvorsten betrekking had, vast te stellen. De bul schreef voor, wat bij de keuzo eens konings moest worden in acht genomen, en bepaalde het getal der keurvorsten, wien zij tevens groote voorrechten verzekerde. Do vorsten waren zeven: de aartsbisschoppen van Maints, Keulen en Trier (aan de Moezel); de koning van Bohemen, als de eerste der wereldlijke keurvorsten, de paltsgraaf aan den Rijn, de hertog van Saksen-Wittonborg en de markgraaf van Brandenburg. Ook stelde de bul vast, dat de verkiezing eens keizers te Frankfort aan de Main en de kroning te Aken (zie blz. 111) zou geschieden. — Voor 't overige greep in 1378 met Brandenburg wederom (zie blz. 138) een verandering plaats, doordien Karei IV dit markgraafschap aan zijn zonen gaf en dus aan het Luxemburgsche geslacht bracht.

Tot hetzelfde huis behoorde siqismund, tevens koning van Hongarije (1410—1417). In 1417 beleende deze keizer Frederik van Hohen-zollern met het markgraafschap Brandenburg. Daarentegen was het niet met goedvinden van Sigismund, dat Jakoba van Beieren in 't zelfde jaar, na den dood haar vaders Willem VI, hem in 't bestuur zijner graafschappen opvolgde. Hij, integendeel, beleende hiermede Willems broeder, Jan van Beieren, bisschop van Luik, die bij zijn overlijden in 1425 zijn rechten aan Philips den goede van Tiourgondië overdroeg. Na langdurigen strijd tegen deze beide vijanden moest Jakoba in 1428, bij het verdrag van Delft, de graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen aan Philips afstaan. Evenmin nam de keizer genoegen in de beschikking der Geldersche edelen en steden, die in 1428 Arnold van Egmond als hertog hadden gehuldigd, hoewel hij zich eerlang verplicht zag dit te gedoogen.

In Sigismunds tijd was er een groote scheuring in de Latijnsche kerk ontstaan, en het gelijktijdig aanwezig zijn van drie pausen gaf de Christenheid ergernis. Hierom bracht hij een kerkvergadering {concilie) tot stand, die de eenheid der kerk zou herstellen en haar hervorming in hoofd en leden bewerken. Zij werd in 14.14 te Constants (zie blz. 129) bijeengeroepen en ook door vreemdelingen bijgewoond. lu plaats van tot do hervorming over te gaan benoemde de vergadering, na alle drie pausen te hebben afgezet, een nieuwen, die slechts beloofde het werk op een volgend concilie te zullen voltooien. Voordat dit plaats had, was een belangrijke zaak, die van johannks hus, door de kerkvergadering beslist. Hus was prediker en hoogleeraar aan de hoogeschool te Praag. Op het voetspoor van John Wicliffo, een tijdlang hoogleeraar te Oxford (ten n.w. van Londen), die sedert 1860 in Engeland tegen de misbruiken en de ontaarding dor geestelijkheid had gepredikt, en door de studio van den Bijbel geleid, kwam hij openlijk tegen de te groote macht des pausen en

-ocr page 160-

140

tégen sommige punten der kerkleer op. De aartsbisschop van Praag liet de geschriften van Wiclift'o verbranden. Over Hus sprak do paus den ban uit.

Inmiddels was er ook anderszins groote tweespalt ontstaan tusschen de Bohemen en de Duitschers, die te Praag studeerden. Van oudsher hadden, bij beslissingen over de aangelegenheden en over de belangen dezer hooge-school, do Bohemen één stem, de Duitschers daarentegen drie. Dus zagen zich de Bohemen van bijna alle voordeelen en voorrechten uitgesloten. Dit noopte een aantal van hen, tot welke ook Hus behoorde, koning AVenzel het verzoek te doen, hierin een verandering ten gunste van hen te maken. Toen Wenzel in 1409 aan dien wensch gehoor gaf en een verordening uitvaardigde, waarin hij aan de Bohemen drie stemmen, aan alle vreemdelingen daarentegen tezamengenomcn slechts één toekende, verlieten in 't zelfde jaar vijfduizend Duitschers, studenten en professoren met hun gevolg, Praag, welke stap de vestiging van een paar universiteiten in Duitschland ten gevolge had.

Wat Hus betreft, hij beriep zich in zijn eigen zaak op het oordeel van 't concilie en begaf zich met een keizerlijk vrijgeleide naar Constants. Zoodra hij verscheen, werd hij in de gevangenis geworpen, op verschillende beschuldigingen van ketterij gehoord en, daarbij zijn gevoelens niet wilde herroepen, voor een ketter verklaard en aan den wereldlijken arm overgeleverd. Moeielijk is het te zeggen, op welke gronden zijn veroordeeling rustte. De voornaamste leerstukken der katholieke kerk loochende hij geenszins. De leer, door de latere hervormers gepredikt, was op verre na niet de zijne. Maar dat hij ten deele met Wicliffe instemde en inzonderheid dat hij zeer hevig was te volde getrokken tegen de rijkdommen, de macht en den wandel der geestelijkheid in 't algemeen, dit heeft hem zijn vonnis berokkend. Onder de leden der kerkvergadering was al wat Duitscher was bp hem, den Boheem, hevig verbitterd. Een behoorlijke verdediging zijner gevoelens werd hom niet vergund. Aan den eisch, hem bij herhaling gedaan, die gevoelens te herroepen, kon hij, naar hij beweerde, niet voldoen, zoowel omdat men al zijn meoningen niet naar waarheid had voorgesteld, als omdat men hem geenszins van dwaling had overtuigd. Het vrijgeleide van keizer Sigismund kon Hus bij zijn veroordeeling niet baten. Het kon hem slechts vrijwaren voor gewelddadigheden in 't algemeen, doch had geen kracht tegenover een vonnis van de bevoegde macht. Zóó voerde men hem dan, in 1415, naar den brandstapel, waar hij den dood standvastig onderging. Hetzelfde lot trof zijn vriend en leerling Hieronymus van Praag.

Over de behandeling, dezen mannon aangedaan, waren de Bohemen •zóó verbitterd, dat zij, bij den dood van Wenzel, koning van Bohemen, zijn broeder Sigismund als zijn opvolger weigerden te erkennen en in dm Ilussietenooorlog, 1419—143C, een bloedige wraak aan hun tegenstonders oefenden. Zij waren verdeeld in verschillende sekten, waarvan de idmquiskn (van uterque, beide) of oalixtiners (van calix, beker), die hoofdzakelijk de bediening van 't avondmaal onder de beide vormen verlangden, de meest

-ocr page 161-

141

gematigde waron. Hoezeer deze partijen niet zelden onder elkander verdeeld waren, stonden zij in de ure des gevaars telkens als óón man tegenover den door allen gehaten vijand. Eindelijk verzoende Sigismund zich met de utraquisten, die hem als koning van Bohemon crkondon en aan wie hot genot van 't avondmaal onder beide vormen werd toegestaan. De overige opstandelingen, woeste geestdrijvers, worden uitgeroeid. Naast de utraquisten ontstond van lieverlede een andere sekte of vereeniging van volgelingen van Hus, die zich van de katholieke kerk afscheidden. Dit waren de Boheemscht broeders, die, ontstemd over de toenadering der utraquisten tot de katholieke kerk, waarvan zij schier alleen nog door 't gebruiken van den beker afweken, zich geheel van hen afscheidden, zich hoofdzakelijk aan 't Evangelie hielden en weldra door 't ganscho land heen zeer talrijk waren.

§ 65.

Frankrijk onder de laatste koningen uit de rechte linie van het huis Capet. — Van 1285 tot 132S.

Do kleinzoon van Lodewijk IX, philips iv of nu schoone (1285— 1314), geraakte in 1293 met Engeland in een oorlog, die voor 't oogen-blik wel zonder veel strijds afliep, maar in 't vervolg door zijn opvolgers meermalen werd hervat en langer dan een eeuw duurde. In dien oorlog koos de graaf van Vlaanderen, tegen zijn leenheer, partij voor Engeland, weshalve de F ranse hen in 1302 de Vlamingen in den sporenslag bij Kortrijk (aan de Lijs in West-Vlaanderen) aantastten, maar verslagen werden door Pieter de Coninck of Pierre le Roi, doken van het gilde dor wevers te Brugge, doch niet behoorende tot de meest gegoede ingezetenen dezer stad, toen rijk en machtig door de nijverheid harér burgers.

In 1296 barstte tusschen Philips en paus bonifacius viii (1294— 1303) in don vernieuwden kamp tusschen de pauselijke en de wereldlijke macht een^ strijd op leven en dood los. De aanleiding hiertoe werd door den paus gegeven, die in een geruchtmakende bul, welke men naar haar eerste woorden cleric is laicos (aan de geestelijken de leeken) heet, den geestelijken verbood, eenig geld aan een wereldlijke overheid op te brengen, Philips beantwoordde de bul met een verordening, waarbij hij den uitvoer van wapens, paarden en geld (naar Rome, dat bedoeld, maar niet genoemd werd) verbood. Ton einde in de burgers een tegenwicht tegen de geestelijkheid en, voor zooverre noodig, ook tegen den adel te erlangen en dus zijn zaak tot die der gansche natie te maken, riep de koning in 1302 voor 't eerst afgevaardigden uit den derden stand (zie blz. 119) bijoen, om met den adel en de geestelijkheid de algemeene stalen (ctats généraux) te vormen. Van dit oogenblik af werden deze rijksstenden, nevens welke de provinciale staten bleven bestaan, meermalen over do

-ocr page 162-

U'2

Openbare aangelegenheden geraadpleegd. In 1314 riep de koning ze weder bijeen, ten einde gelden van zijn onderdanen te erlangen, en sedert dien tijd werd meermalen door hen beweerd, dat zonder hun toestemming geen belastingen mochten worden geheven, iets, dat intusschen vanwege den vorst niet werd toegegeven.

Weldra bevrijdde de dood den koning van zijn tegenstander, Bonifacius VIII, wiens opvolger eveneens binnen kort overleed. Bij de hierop gehouden keuze wist Philips de verkiezing van Bertrand, aartsbisschop van Bordeaux (aan de Garonne), to bewerken, dien hij daardoor tot het aannemen van cenige hem gunstige voorwaarden verplichtte. Overeenkomstig één dezer voorwaarden trok de nieuwe paus, die den naam Clemens V aannam, alle tegen den koning gerichte besluiten zijner voorgangers weer in. Om de hein in Italië wachtende verbittering te ontwijken, verplaatste hij, mede door toedoen van Philips IV, zijn zetel in 1309 naar Avignon (in 't z. van Frankrijk aan de Rhöne). Gedurende de volgende zeventig jaren (tot 1377), welk tijdsverloop men de Babylonische gevangenschap der pausen noemt, bleef de paus, door zijn verblijf in die stad, in hooge mate afhankelijk van den koning van Frankrijk. Zoo gebruikte Philips hem als een werktuig ter vernietiging van de orde der tempeliers. Door haar onafhankelijkheid en onmetelijke rijkdommen had deze orde sinds lang 's konings hebzucht opgewekt, en dewijl de voornaamste misdaden, die men haar te laste leide, n.1. onmatigheid, godslasterlijke gebruiken en plechtigheden, verloochening van Christns en aanbidding van een afgodsbeeld, Baffomet geheeten, niet zonder allen grond aan enkele tempeliers werden verweten, steunde Philips hierop, toen hij, met verkrachting van alle recht en billijkheid, deze beschuldiging tegen de gansche orde inbracht. Met de grootste onrechtvaardigheid werd hun proces begonnen en voortgezet: de meest bezwarende getuigenissen werden door bedreigingen, beloften of de pijnbank afgeperst en later herroepen; sommige zijn zelfs aan zwaren argwaan onderhevig. Ten slotte hief de paus in Maart 1312 hun orde op door de bul vox in excelso (een stem uit de hoogte), welk besluit hij door een andere bul, van Mei 1312, getiteld ad providam (tot de vooruitziende), bekrachtigde, zoodat Philips een deel harer goederen aan zich kon trekken en de meeste tempeliers met hun grootmeester Joh an de Melot op den brandstapel omkwamen. In de overige staten volgde men in zoover het voorbeeld van Philips, dat men de goederen dor orde introk en er naar welgevallen over beschikte.

De oudste van Philips' zonen, Lodewijk X, de twistzoeker, regeerde maar kort. Vermits zijn nageboren zoon Jan reeds na weinige dagen stierf, wierp Lodewijks broeder philips v of de lange zich in 1317 als koning op en werd als zoodanig erkend door een vergadering van aanzienlijke heeren, geestelijken en burgers, door hem bijeengeroepen. Deze beslissing nam men, zonder dat er sprake was geweest van de door Lodewijk nagelaten dochter Johanna. Alzoo werd de bepaling van de uitsluiting der vrouwelijke nakomelingen van de troonopvolging, toen tot

-ocr page 163-

143

rijksgrondwet gemaakt. Naar mon moent, hebben latere rechtsgeleerden, om deze troonbeklimming te rechtvaardigen, zich op een artikel uit do oude salische wetten (zie blz. 98) beroepen. Met Philips' derden zoon. ka rel iv, zooals hij gewoonlijk wordt genoemd, doch die eigenlijk kakel v of in moest heeten, of den schoone, stierf in 1328 de eerste linie van het huis Capet uit.

§ 66.

Frankrijk onder de eerste koningen uit het huis Valois. — De hervatting van den langdurigen oorlog tusschen Frankrijk en Engeland. — Van 1328 tot 1422.

Met i'iiilips vi, een zoon van Karei van Valois, die een broeder was van Philips IV (1328—1350), besteeg de tweede linie van het Capetingische geslacht of het huis Valois den troon van Frankrijk. Onder hem brak in 1337 de oorlog met Engeland op nieuw uit. Aanleiding hiertoe gaven: bezwaren, die do koning van Engeland, Eduard III, betrekkelijk zijn Fransche bezittingen te berde bracht; de onderstand, door Philips VI aan de Schotten verleend (zie blz. 149); de ondersteuning, welke Eduard den Vlamingen schonk, die in opstand waren tegen hun graaf en tegen Philips VI, den leenheer van dien graaf; vooral de aanspraak van Eduard op de kroon van Frankrijk, die hij grondde op de rechten zijner moeder Isabella, een dochter van Philips den schoone. In 1346 had een beslissende slag plaats bij C r é c y (ten n. van de Somme), waarin Eduard III, door de meerdere ervarenheid der Engelsche boogschutters en door de onvoorzichtigheid zijner vijanden, de zege behaalde. Niet gelukkiger waren de Franschen in 't verdere beloop van den oorlog, weshalve zij een aanmerkelijk deel van hun grondgebied verloren. Eenige vergoeding voor die verliezen vond Philips hierin, dat hij zijn rijk in 'tZuiden afrondde door er alle overblijfselen van vreemde heerschappij te vernietigen. Hij voegde n.1. het gebied van Mont-pellier (in 'tz. van Frankrijk, ten w. van de Rhone), dat hij van den koning va^ Arriigon kocht, bij Frankrijk. Ook vergrootte hij dit rijk met Dauphim', d. i. met een deel van het tot dusverre nog voor een leen van Duitschland gehouden Arelatisch rijk, welks beheerders sedert overoude tijden den titel dauphin voerden. Mot den laatsten zelfstandigen vorst van dit land, Humbert II, ging hij een reeks verdragen aan, waarvan het laatste, in 1349 gesloten, den afstand dezer landstreek aan Philips' kleinzoon, den lateien koning Karei V, behelsde. Humbert zelf eindigde als monnik zijn leven in een klooster. Toen Karei naderhand den troon van Frankrijk beklom, voerde hij het gebruik in, steeds den oudsten zoon van den regeerenden koning dauphin te noemen.

De zoon van Philips VI, jan ii of de goede (1350—1364), zette den oorlog tegen Engeland voort. Bij Maupertuis (ten o. van Poitiers, in 't w. van Frankrijk) werd een slag geleverd tusschen Jan en Eduards

-ocr page 164-

144

Zoon, ovoneons Edaard geheeton en naar de klonr zijner wapenhisting de. zwarte prins genoemd. De -waarde der grootere bekwaamheid en der betere krijgstucht van de Engclscho troepen werd thans nog verhoogd door de dapperheid en door het beleid van hun aanvoerder. Dit een en ander berokkende den Franschen de nederlaag, terwijl hun koning zelf en zijn vierde of jongste zoon Philips, die thans zijn bijnaam de stoutmoedige verwierf, gevangen werden genomen. Gedurende de gevangenschap 'van Jan bestuurde 's konings oudste zoon Karei liet rijk onder den titel Uentenant-gméral dn royaume of algemeen stedehouder van het koninkrijk.

Het tijdperk van dit regentschap was uitermate woelig. Vooreerst kwamen de rijlcsstenden in 1350 bijeen, in welke vergadering de verschillende standen, geleid door Stephanus Marcel, préval des mare hands (d. i. den middelaar tusschen de burgerij en de regeering) te Parijs, en Robert Lecoq, bisschop van Laon (ten n.o. van Soissons), tegen den jongen Karei optraden en niet rustten, eer de verordeningen, hun door zijn vader beloofd, maar niet tot stand gekomen, waren uitgevaardigd en aan 'svolks vertegenwoordigers meer invloed werd gegund op den gang der zaken. Gelijktijdig met deze woelingen was de in 1358 ontstaande boerenoorlog, naar een scheldnaam, door den adel aan de boeren toegevoegd, Jacques hon-1 to mme, d. i. Jakob de sukkel, Jacquerie genoemd. Dit oproer, voortgekomen uit de vreeselijke verdrukking, zoowel van de lijfeigenen als van die boeren, welke, hoewel persoonlijk vrij, èn door tal van belastingen, èn door het stroopen der huurbenden werden gekweld, werd na verschrikkelijke wreedheden van weerszijden nog in hetzelfde jaar gestild. Had de Jacquerie een paar weken geduurd, het dempen van den opstand door den regent en de edelen, de eontre- of tegen-Jacquerie, waarbij het gepleegde kwaad met woeker werd vergolden, vereisehte een paar maanden.

Kort daarna, in 13G0, werd de oorlog met Engeland gestaakt door den vrede van Bretigny (ten n. van Orleans), waarbij Eduard III van de kroon van Frankrijk afzag en hiervoor de volle souvereiniteit over Calais, Guyenne en eenige andere landstreken erlangde. Jan werd tegen een zeer zwaar losgeld in vrijheid gesteld. Vermits dit niet zoo spoedig geheel werd afgelost en een zijner zonen, die als gijzelaars tot onderpand voor de betaling dienden, uit Calais was ontvloden, moest hijzelf in 13G4 naar Londen terugkeeren, waar hij overleed. In het vorige jaar had do koning zijn boven genoemden vierden zoon Philips don stoutmoedige met het hom als erfgoed ten deel gevallen hertogdom Bourgondië (zie blz. 118) beleend, waarbij deze zoon vervolgens door een huwelijk met Margarëta II, een dochter van Lede wijk II van Vlaanderen, zoowel dit gewest, als Franche-comtó. Artois, Mechelen en andere streken voegde. Zijn kleinzoon, Philips de goede, verwierf bovendien Brabant, Namen, Luxemburg, Limburg, Antwerpen en (zie blz. 139) Holland, Zeeland en Henegouwen. Langs dien weg grondvestten zij een zeer bloeienden staat of liever een samenvoeging van staten, waaraan hun nakomeling. Karei V, nog de overige Nederlandsche gewesten toevoegde.

-ocr page 165-

ütgt;

t)e oorlog mot Engeland werd horvat onder .Tans zoon en opvolger kakel v (1364—1380), wien, omdat hij zich in zijn jeugd, wegens zijn zwakke go-zondheid, alleen bezig hield met studiën, de ceronaam de wijze werd toegevoegd. Dat de aldus hernieuwde krijg voor Frankrijk vrij gunstige uitkomsten opleverde had Karei grootendeels te danken aan den dapperen Bortrand du Ghiesclin, connétable, d. i. opperbevelhebber, des rijks. Wederom keerden de kansen ten tijde van de minderjarigheid van don zoon van Karol V, kakel vi (1380—1422), en vervolgens bij lt;lo zich telkens herhalende zinsverbijstering van den koning. Geschillen over 't regentschap, hieruit ontstaande tusschon 's konings broeder, Lode wijk van Orleans (aan de Loire), en Lodewijks neef. Jan zonder vrees, een zoon van Philips don stoutmoedigo, hertog van Bourgondië, loverden het geheelo land als prooi aan woeste partijscliappon over. Van do stormen, door dezo verdeeldheden verwekt, wist hot parlement van Parijs ter uitbreiding van zijn gezag meesterlijk gebruik te maken. Het matigde zich allengs de bevoegdheid aan, de koninklijke verordeningen te beoordeelon door hot geven of weigeren zijner toestemming tot het opnemen in zijn registers. De gevolgen hiervan werden later zichtbaar, toen dit registreeren noodzakelijk werd geacht om aan dieverordeningenkracht van wet te geven. Niettemin gelukte het do koningen van Frankrijk, sinds do vijftiende eeuw ook tegen die groote uitbreiding van macht van 't parlement van tijd tot tijd een wapen aan te wenden, waartegen hot niet bestand bleek te zijn. Dit bestond hierin, dat zij, wanneer het parlement zich krachtig togen hen verzette, dit lichaam tot het houden eener zitting opriepen, waarin do koning zelf voorza,t. Alsdan beraadslaagde men niet, nocli was er sprake van registreeren, maar vroeg men slechts, hoedanig 's konings wil was. Een dergelijke zitting noemde men lil cle justice (troon- of kussenzitting), omdat de koning dan plaats nam op een troon, voorzien van kussens.

In 1407 ontaardde do twist der partijen in oen doodelijken haat, toon Jan zonder vrees zijn tegenstander binnen de muren van Parijs door gehuurde sluipmoordenaars liet ombrengen. Do man, die destijds tegen de Bourgondiërs optrad, was graaf Bomhard van Armagnac (in 't z. van Frankrijk, ton \v. van Toulouse), weshalve do partij van Orleans ook die van Armagnac werd gehooton. Voor de euveldaad, aan Lodewijk van Orleans geploegd, nam de partij van Armagnac weeorwraak door den hertog van Bourgondië in 1419 bij een samenkomst op de Yonnehrug te Monteroau (ten z.o. van Parijs) verraderlijk te vermoorden. De Engelschen, die middelerwijl niet hadden verzuimd van Frankrijks ongelukken partij te trekken, sloten in 1420 met de Bourgondische partij, thans geleid door Jans zoon én opvolger, Philips den goede, het verdrag van Troyes (ten o. van Monteroau aan de Seine), waarbij men overeenkwam, dat Hendrik V, koning van Engeland, do dochter van Karol VI huwen en hom na zijn dood opvolgen zoude.

•10

Wijnnk, Ilandhoe'i. der .1 /;/. Geschiedenis, 7ile druk.

-ocr page 166-

14«

§ «7.

Frankrijk onder de verdere koningen uit het huis Valois. — De maagd van Orleans. — Van 1422 tot 1498.

In 1422 stierven de beide koningen, Hendrik V en Karei VI, bijna gelijktijdig en nam de dauphin kakel vu (1422—1461) den koningstitel aan. Buitengemeen hachelijk was zijn toestand: zijn geldmiddelen waren uitgeput, zijn legermacht weinigbeteekenend, zijn heerschappij beperkt tot maar een gedeelte, niet eens het grootste, van 'trijk. Nergens vertoonde zich een schijn van uitkomst, toen plotseling redding opdaagde door de vaderlandsliefde en de vrome geestvervoering eener jonge maagd. In het dorp Dom Remy (ten z. van Vaucouleurs, in Lotharingen) woonde een stil en eenvoudig landmeisje, Jeanne Dare, of — zooals men haar gewoonlijk noemt — de maagd van Orleans. Bij haar vurige begeerte om koning en vaderland te redden meende zij gezichten te zien en stemmen te hoeren, die haar verkondigden, dat God zelf haar ter bevrijding van het benarde Frankrijk had uitverkoren. Daarom liet zij zich, buiten weten harer ouders, naar don bevelhebber van Vaucouleurs voeren, die haar eerst afwees, maar eindelijk, in manskleeren gedost, in'skonings tegenwoordigheid liet brengen. Daar deelde Jeanne aan Karei mede, dat zij door God was geroepen , om Orleans, dat door do Engelschen word belegerd, te ontzetten en hem, midden door den vijand heen, ter kroning naar Kheims (zie blz. 98) te geleiden.

Johanna werd aan een lange proef onderworpen. Ten laatste sloeg ook Karei aan de waarheid harer zending geloof, en zoo stelde zij zich in 1429, omgord met een met leliën versierd zwaard en met een wit vaandel in de hand, aan 't hoofd der legerbenden. Zij ontzette Orleans, en dwars dooide vijanden baande zij zich een weg naar de kroningsstad, waar de door haar zoo vurig gewenschte plechtigheid plaats greep. Ook nn zette Johanna met denzelfden moed, hoewel niet mot dezelfde overtuiging van de goddelijkheid harer zending, de taak voort, die zij op zich had genomen. Zoolang niet de laatste Engelsehman van Frank rijks bodem was geweken, meende zij niet te moeten rusten. Het verschilde echter veel, dat zij van nu aan bij den koning en bij het hof dien steun vond, die haar van die zijde vroeger ten deel viel. Karei haakte naar de rust van het hofleven, die hij reeds te lang had moeten derven, terwijl vele zijner hovelingen ijverzuchtig waren op den roem der maagd van Orleans. Toch streed Jeanne Dare, waar zij kon, steeds in de eerste rijen mede, totdat zij, bij het doen van een uitval uit Compiègne (ten n.o. van Parijs), in handen der Bourgondiërs viel, die haar aan de Engelschen verkochten. Do door haar geredde koning liet haar aan haar lot over. Aan een geestelijk gerecht overgegeven, werd zij wegens ketterij tot den brandstapel verwezen. Dus vond zij in 1431 het einde van haar leven te Rouaan (in 't n. van Frankrijk aan do Seine).

Ten einde intusschen aan het rooven en plunderei der compagniën of

-ocr page 167-

UI

kameraadschappen, zooals do huurbenclon ■werden genoemd, een eind te maken legde Karei omstreeks 1445 den grond tot dc staande legers. Zoo erg was dit rooven, dat de nieuwe maatregel, die 's konings macht zoozeer vergrootte, als een belangrijke weldaad voor 't volk werd aangemerkt. Do pas oprichte krijgsmacht was samengesteld uit vijftien compagniën gensd'amies, een koninklij k en bezoldigd staand leger ruiterij, benevens uit lichte infanterie of franc-archers, d. i. vrijschutters, één man voor elk kerspel, die eveneens soldij trokken en ten deele werden vrijgesteld van do verplichting om belasting te betalen. Ten einde in de kosten te voorzien werd vastgesteld, dat jaarlijks een grondbelasting zou worden geheven. De nieuwe inrichting der legers bracht aan de macht der ridders, uit welke tot dusver de heirscharen bestonden, een gevoeligen stoot toe, want hierdoor werden de leentrocpon overbodig. Daarenboven verstrekten de staande legers den koning steeds tot een krachtig middel, om elke poging tot verzet van den kant der edellieden snel te onderdrukken. In-tnsschon was één der nieuwe instellingen, die van de vrijschutters, slechts kort van duur. Eerlang schafte Lodewijk XI deze soort van voetvolk, wier hoofd wapen de boog was, af en nam daarvoor in plaats vaste huurbenden, uit vreemdelingen, hoofdzakelijk uit Zwitsers, samengesteld, gewapend met pieken en vuurroeren. Voor 't overige had Karei VII vooreerst goen gelegenheid om veel nut van zijn nieuwe krijgsmacht te trekken. Eoeds in 1435 had hij zich met Philips den goede verzoend, en in 1453 nam do meer dan honderdjarige kamp met Engeland een einde. Een vrede werd intusschen niet gesloten. Slechts hield, bij gebrek aan strijders, de oorlog op. Met uitzondering van Calais had Engelands koning al zijn bezittingen aan gene zijde van 't Kanaal verloren.

Aan Kareis zoon, lodewijk xi (1461—1483), schonk de paus den titel „zijn allerchristelijkste Majesteitquot; (zie blz. 98 bij Clovis), wolken al zijn opvolgers, behalve Lodewijk Philips, insgelijks hebben gevoerd. Terstond nadat hij den troon had beklommen, begon hij de koninklijke macht uit te breiden door de beperking van 't gezag zijner groote leenmannen. Lodewijks streven werd in de hand gewerkt door de onstuimigheid en de grenzelooze heerschzucht van zijn machtigen leenman Karei den stoute, den zoon en opvolger van Philips den goede. Toen Kareis plan om, in overleg met den keizer van Duitschland uit het Habsburgsche huis. Erode rik III, Lotharingen en den koningstitel over zijn gebied te verwerven geheel was mislukt, doordien do keizer, door de inblazingen van Lodewijk XI plotseling argwanend geworden, onverwachts uit Trier, waar men ter beraadslaging was bijeengekomen, vertrok, besloot hij met geweld te werk te gaan. Allereerst op de daartoe door hem noodig geachte vergrooting van gebied lettende, maakte hij zich de Zwitsers en hertog Rónó II van Lotharingen tot vijanden. Na 't verlies van een paar slagen sneuvelde hij bij oen derde nederlaag bij Nancy (aan do Moezel, ton z. van Motz) in 1477. Deze ongelukken maakte Lodewijk XI zich dadelijk te nutte door het hertogdom Bourgondië als opengevallen leen aan de kroon te hechten

40*

-ocr page 168-

148

On' Franche-Comtó, PiomliB on Artois tö bezetten. Voor Kareis dochter en de erfgename zijner landen, Maria, trad echter de zoon van Frederik 111, Maximiliaan, die met haar huwde, sedert 1477 op. Hij voerde met Lodewijk een oorlog, die hierop uitliep, dat de koning van Frankrijk bij den vrede van Scnlis (ten n. van Parijs) in 1493 Franche-Comtó en Artois, oj) eenige steden na, teruggaf.

Hoe goed Lodewijk voor 't overige in zijn plannen tegen de Fransche leenmannen was geslaagd, blijkt hieruit, dat bij zijn dood Bretagne het eenige groote kroonleen in Frankrijk was. En dat ook dit aan de kroon kwam, hiertoe baande eerlang, in 1491, het huwelijk van Lodewijks zoon en opvolger. Karei Vlll, met do erfdochter van Bretagne, Anna, den weg. Intusschen had Lodewijk XI, voor al zijn zwoegen, gelijk Dionysius I, gedurende zijn laatste jaren oen loven vol zielsangst, in gezelschap van bezoldigde spionnen in oen op een somberen kerker gelijkende woning doorgebracht. Eon zijner ge trouwste dienaars, welken hij zelfs voor gezantschappon gebruikte, was Olivier lo Daim, veelal le Diablo genoemd, zijn barbier en tevens heelmeester, dien hij in den adelstand verhief en die aan zijn hof oen hoofdrol speelde.

§ 08.

Engeland onder dc laatste koningen uit het huis Plantagenet, alsmede onder de huizen Lancaster en York. — De oorlog der witte en der roode roos. — Van 1274 tot 148').

Een der beroemdste koningen uit het huis Plantagenet (zie blz. 124) is EDUAiii) i (1274 — 1307), een kleinzoon van Jan zonder land. Hij maakte Wales tot een Engelsche provincie en gaf zijn in 1284 geboren zoon den titel prins van Wales, welke benaming nog stcods voor den erfgenaam der Engelsche kroon in zwang blijft. Ten opzichte van hot binnenlandsch beheer was de regeering van Eduard vooral daardoor merkwaardig, dat hij den door Simon do Montfort (zie blz. 125) ingevoerden vorm dor parlementen aannam. Hij noodigde n.1. in 1283, behalve de geestelijke en de wereldlijke heeren, ook afgevaardigden uit de steden en do ridders ter bijwoning van hot parlement. Dus legde hij den grond tot het huis der gemeenten of het lagerhuis, hetwelk in 't vervolg nevens dat der lords of het hoogerhuis vergaderde. Toen hij later zijn inkomsten door gewelddadige willekeur trachtte te vermeerderen, dwong de algeincene ontevredenheid hem in 1297 tot bekraohtiging der magna charta en tot de belofte, geen belasting zonder toestemming van het geheele parlement te zullen uitschrijven.

In 1290 bracht hot uitsterven van do eerste linie van het Schotscho koningsgeslacht Kenneth, langdurige onoenighedon tusschen Eduard I en Schotland te weeg. Dadelijk daagden een menigte pretendenten voor de

-ocr page 169-

It!)

Sohotsche kroon op, onder welke slechts twee waren, op welke mrm aoht sloeg, Jan Balliol on Robert li moe. Beiden stamden af van een broeder van Willem (zie blz. 124), David golioeton: Halliol was een kleinzoon van Davids oudste dochter, Bruce een zoon van Davids tweede dochter. Niet alleen deze twee, maar allo pretendenten erkenden op staande voet, overeenkomstig don oisch, door Eduard gedaan, den koning van Engeland als leenheer van Schotland en beloofden zich aan zijn beslissing te ziillen onderwerpen. Inderdaad was Eduard daarenboven leenheer van velen hunner, in 't bijzonder van Bruce en van Balliol, wegens leonen, die zij in Engeland bezaten. Daarop benoemden Balliol en Bruce, op verzoek van den koning, ieder veertig scheidsrechters en Eduard zelf vierentwintig. Aan deze honderd vier mannon werd, als aan een jury, de taak opgedragen, te overwegen , wien de kroon van Schotland toekwam. Inmiddels maakte de koning zirh meester van de Schotscho vestingen en liet do Schotten don eed van trouw aan hem afleggen. Na rijp beraad viel de eenparige beslissing der gezworenen ten gunste van Balliol uit. Nu benoemde Eduard in 1292 Balliol tot koning van Schotland, die ter zelfder tijd den loeneed aan hem aflegde.

Doch weldra ontstond tusschen Balliol en Eduard een oorlog, die den eerste noodzaakte, van do kroon af te zien. Hiermede hield echter de tegenstand der Schotten niet op, want onder hen trad een jongeling op, quot;William Wallace, van adellijke afkomst, doch niet bemiddeld, die een groot aantal zijner landgenooten rondom zich veroenigde. In grooto veldslagen was hij niet bestand tegon do Engelsche troepen; maar hij wist ze door een eigenaardige wijze van oorlogvoeren te verzwakken. Doch in 1304 viel hij, door hot verraad zijner landslieden, in handen der Engel-schen, die hem wreedaardig ter dood brachten. Deze euveldaad verwekte in 1306 een nieuwen aanvoerder, Bobert Bruce, oen zoon van Balliols mededinger, die zich te Scone (ton n. van Perth, in 't o. van Schotland) als koning liet kronen. Eindelijk baande Eduards dood in 1,307 aan Robert Bruce den weg tot het geruste bezit van den Schotschen troon.

Weldra verdreef Robert I de Engelsche bezettingen uit zijn land, hetgeen het sein gaf tot het hervatten dor vijandelijkheden, die eerst in 1357 een einde namen. Toon sloot de koning van Engeland, eduard iii, een kleinzoon van Eduard I (1327- 1377), een verdrag mot den koning van èchotland, David II Bru co, waarbij David do kroon terugkreeg, maar zulk een zware schatting moest betalen, dat hot arme land er onuitsprekelijk veel door leed. Bij den dood van David, in 1370, volgde hem de zoon zijner zuster, Robert II Stuart, op.

Hoe Eduard III in den oorlog togen Frankrijk don luister van zijn vool-jarigen roem ten laatste eenigermato zag tanen, is boven gebleken (zie blz. 145). Daar hij, uit hoofde zijner vele oorlogen, don steun van 't volk voortdurend behoefde, riep hij het parlement zoo dikwijls bijoen, dat het geregeld samenkomen van do afgevaardigden dos volks sedert tot vasto gewoonte werd en vele van do rechten dier vergadering van nu aan vast-

-ocr page 170-

150

stonden. De voornaamste dier rechten waren, dat geen belasting, tenzij door het parlement bewilligd, mocht worden uitgeschreven; dat voor elke wet de toestemming der beide huizen een vereischte was; dat het lagerhuis bevoegd was, bij misbruiken in 't bewind een onderzoek in te stellen en dienaren van den staat wegens wanbestuur aan te klagen.

Den bijnaam „vader van den Engelschen handelquot; heeft Eduard gekregen wegens do zorg, die hij voor de opkomst van handel en nijverheid aanwendde. Zoo zond hij oenige Engelschen naar Nederland, ten einde werklieden te zoeken, in staat om aan zijn onderdanen de kunst van 't spinnen, verven en weven dor wol te leeren. Vermits hij don uitvoer van wol verbood, toen de graaf van Vlaandoren zich mot Philips VI verbond, gingen vele Vlaamsche werklieden zich uit eigen beweging in Engeland vestigen en stichtten er fabrieken. Eenige van Eduards opvolgers volgden zijn voorbeeld, zoodat langzamerhand allerlei takken van nijverheid, door vreemdelingen ingevoerd, in Engeland opkwamen. Op die wijze werden de Engelschen van lieverlede van een landbouwend en de veeteelt oefend volk een natie, bij welke handel en nijverheid op den voorgrond stonden.

Gedurende het bewind van den kleinzoon van Eduard III, bichakd ir, een zoon van den in 1376 gestorven zwarten prins (zie blz. 144), trad John Wicliffo, hoogleeraar te Oxford (ten n.w. van Londen), eerst tegen de misbruiken en de ontaarding der geestelijkheid, later ook tegen sommige leerstukken der katkolieke kerk op. Hijzelf, Richard, werd in 1399 verdrongen door hendrik iv uit het huis Lancaster (in 't n.w. van Engeland aan zee), een zoon van Jan van Lancaster, Richards oom, een derden zoon van Eduard III. De laatste koning uit dit huis was hendkik vi, een zwak en onbekwaam man, aan aanvallen van zinsverbijstering lijdende. Tegen hem wierp zich Richard van York (in 't n.o. van Engeland, aan de Ouse) op, een kleinzoon van don vierden zoon van koning Eduard III, tevens van moederszijde van den tweeden zoon van Eduard III afstammende. De kroon, naar welke hij stond, kon Richard evenwel niet verkrijgen: hij moest zich vergenoegen mot het protectoraal of regentschap, dat hem eenige malen door het parlement werd opgedragen.

De binnenlandsche oorlog, uit deze verdeeldheid voortgekomen, heet die tusschen de huizen Lancaster en York of tusschen de roode on dc witte roos. Do lange duur der partijschappen veroorzaakte, dat ieder Engelsch-man voor een dor beide kleuren partij koos en dat bijna alle aanzienlijke familiön van dit land er door werden uitgerooid. Richard zelf kwam in den strijd om; maar zijn zoon eduabd iv (1461—1483) werd te Londen als koning uitgeroepen, nam Hendrik YI gevangen en versloeg Hendriks echtgenoote Margarëta in 1461 bij Tow ton (ten z. van York), die hierop naar Frankrijk vlood. Toen Margarëta vervolgens met haar jongen zoon Eduard in 1471 in Engeland landde en zich aan 't hoofd van 't overschot der aanhangers van Lancaster stelde, werd zij in een tweeden veldslag, bij Tewkesbury (ten n. van Glocester aan de Severn), overwonnen,

-ocr page 171-

151

die het lot der witte en der roode roos voor altijd besliste. Wreedaardig misbruikte Eduard IV zijn zege: de jonge Eduard werd omgebracht; de oude Hendrik quot;VI stierf jilotseling in den Tower; Margarêta werd gevangen gezet en herkreeg eerst later do vrijheid; vele hoeren eindelijk worden ter dood gebracht of verbannen.

Eduards twaalfjarige zoon, Eduard V, werd wel na zijns vaders dood als koning uitgeroepen; maar eer hij was gekroond, verwierf do broeder zijns vaders, Richard van CHocestor, van wege het parlement het protectoraat. Door middel van deze waardigheid, door het heimelijk laten ombrengen van Eduard V en van zijn nog jongeren broeder Richard, door talrijke veroordeelingen en andere schadelijke handelingen bereikte Glo-cester zijn doel en word als me ha rd iii (1483—1485) gekroond. Het jaar zijner kroning was evenwel ook dat, waarin wegens zijn overweldiging een machtige partij tegen hem optrad. Tweo jaren hield hij zich staande. Doch in den slag bij Bosworth (in 't midden van Engeland, ten w. van Leicester), in 1485, droog hij voor't laatst de kroon. Daar verloor hij tevens het leven tegen Hendrik ïudor, graaf van Richmond, van moederszijde een afstammeling dor Lancastriërs, die do tegenpartij aanvoerde en na zijn overwinning koning werd (1485—1509). Hendrik, gehuwd met Elizabeth, eon dochter van Eduard IV, en hierdoor de aanspraken der witte en dor roode roos in zekeren zin in zich vcreenigende, bevlekte de behaalde zege door geen gruwelen.

§ 09.

Geschiedenis van Spanje gedurende de Middeleeuwen. — De opkomst en de ondergang der Ommyaden. — Het ontstaan en de Moei van nieuwe Christenstaten aldaar.

De Arabische heerschappij, die zich onder de Ommyaden (zie blz. 95) over een deel van Zuid-Europa had uitgebreid, had er met vele moeielijk-heden te strijden. Niet lang duurde het, of de Mohammedanen hadden op nieuw do West-Go then te bekampen, die, zooals wij boven zagen, naar het Asturisch gebergte de wijk hadden genomen. Na den val der Ommyaden in 't Oosten (zie blz. 9G) heerschte abd kürhuman i, onder den titel emir of vorst, over Spanje. De grootste bloei van dit rijk valt in do negende en de tiende eeuw, inzonderheid in den tijd van ann eiuuuiman m (912—9G1), die zich, zoowel wegens den glans van zijn hof als om den bloei van Arabische nijverheid, kunsten en wetenschappen cn inzonderheid uit hoofde zijner zeemacht, een voorwerp van schrik voor alle kustbewoners der Middollandsche Zee, ten volle gerechtigd achtte, den titel khalif en opperhoofd der geloovigen aan te nemen. Verre overtrof de luister van zijn rijk dien van dat der Abbassïden in 't Oosten. Maar in de elfde eeuw begon oen tijdperk van snel toenemend verval. De stedehouders verklaarden zich erfelijk en vestigden onafhankelijke staten; om het bezit

-ocr page 172-

.van don troon streed men met woeste verbittering. De laatste khalif, ii is Cham in, werd in 1031 bij een opstand te Cordova verjaagd. Sinds dien tijd werd liet Mohamtnedaansche Spanje in vele kleine staten versnipperd, welker geschiedenis een aaneenschakeling is van oorlogen, zoowel onder elkander als tegen de Christenen gevoerd.

De laatsten, allengs weer in macht toegenomen, hadden gedurende het zoo even geschetste tijdperk onophoudelijk tegen de Mohammedaansche vorsten gestreden en langzamerhand een aantal staten gericht , Leon, Oallicië, Asturië, Navarre, Catalonië (het vroegere markgraafschap Barcelona, zie blz. 108), Arrdgon en Castilië. Voor al deze rijken was de splitsing dor Mohammedaansche macht uitermate gunstig. Ook zij waren op verre na niet altijd eendrachtig geweest; maar juist op hot tijdstip dor verbrokkeling van den Arabischen staat greep bij hen een tijdelijke vereeniging plaats. Do geschiedenis dezer staten, even bloedig als ridderlijk, is geheel in een dichterlijk gewaad gehuld. Want in dezen tijd vallen de romantische verhalen van den beroemden Hodrïgo Diaz, of, zooals hij gewoonlijk wordt genoemd, Cid, d. i. heer. Deze ridder, die tot 1099 leefde, is do Achilles der Spanjaarden, de held hunner epische dichtkunst, in meer dan honderd vijftig gedichten bezongen, bijna de eenige man van deze natie, die een Europeeschen roem hoeft verworven. In de menigte dickterlijke verhalen, waarin hij door de Spanjaarden werd verheerlijkt, is do waarheid niet van de verdichting te onderscheiden. Een zijner voor naamsto daden is do inneming van Valencia. Hij kampte öf als coiulot-ticro, d. i. aanvoerder van huurbenden, onder de banier van een Moorsch of Christenvorst, öf voorde op eigen gezag veroveringsoorlogen togen de ongeloovigen.

Tweemaal werden gedurende de elfde en de twaalfde eeuw aan de verzwakte heerschappij der Mohammedaansche vorsten uit Afrika versche krachten bijgezet door nieuwe Arabische stammen, die vandaar naar Spanje overstaken, er de Mohammedaansche vorsten onderwierpen en den kamp tegen de Christenstaten vernieuwden. Doch zij waren, evenmin als hun voorgangers, op den duur tegen den wakkeren moed der Christenen bestand.

Tot do koningen van Castilië, die zich in de worsteling tegen do Arabieren het moest onderscheidden, behooren alphonsus vi, alimionsus viii en febdinani) ui of he heilige (1230—1252). De eerste vermeerderde in 1094 het getal der Christenstaten nog met één. Ten einde n.1. den dapperen Hendrik, graaf van Bourgondië, die hem in den strijd togen do Arabieren had bijgestaan, voor Spanje te behouden, gaf Alphonsus VI hem het land, tusschen de Minho en do Duëro gelegen, in leen, hetwelk naaide stad Porto Cale (Oporto, aan do Duero) den naam Portugal kroeg. Hondriks opvolgers verklaarden zich weldra onafhankelijk en namen den koningstitel aan. Ferdinand III streed met gunstigen uitslag tegen de Mohammedanen, ontrukte hun Cordova en Sevilla (ten z.w. van Cordova, aan de Guadalquivir) en beperkte hen tot Granada.

-ocr page 173-

153

In geon van alio Christen staten werd do macht dos konings door de Cortex of do vergadering der stenden meer beperkt dan in Arrdgon. üo koning mocht geon ander dan eon inboorling tot onderkoning of plaatsvervanger benoemen. In do Cortez kon goon voorstel of ontwerp van wot doorgaan, zoodra één stom zich er togen verklaarde. Geen zitting der Cortez mocht worden gesloten, eer de regeoring had voldaan aan do bezwaren, door de leden ter harer kennis gebracht. Alle koninklijke rechtbanken en zelfs de inquisitie stonden onder een inlandsch boschennor der vrijheid of hoofd van 't gerecht, justicia goheeton, en onder zijn dienaars. Dozo dienaren waren gehouden, elk te hulp te komen, die meende, dat hom geweld in plaats van recht werd gedaan, en verplicht, do rechtspraak van dat hof, dat gevonnisd had, te onderzoeken. Geen vreemd soldaat was het geoorloofd, het grondgebied van Arragon te betreden. In 't kort, Arragon was als oen republiek, die een koning met zeer beperkte macht aan 't hoofd had.

Wat Castilië betreft, dit leed in do veertiende en do vijftiende eeuw voel door de zwakheid der vorsten en door don overmoed dor aanzienlijkon. Er volgde eon betere tijd, toen Isabella in 1474 den troon besteeg en met haar gemaal, febdinand ii (in Castilië Y), den katholieke, koning van Arragon, het bewind deelde, onder voorwaarde dat hij, zonder haar toestemming, niets zoude beslissen. Gewoonlijk noemt men Ferdinand en Isabella „de katholieke koningen.quot; Hun dool, don machtigen adel en de invloedrijke geestelijkheid voor 't koninklijk gezag te doen bukken, bereikten zij zoowel langs andore wegen, als hierdoor, dat Ferdinand zichzelf tot grootmeester benoemde van de drio inheemscho geestelijke ridderorden, in de twaalfde eeuw in dit land ingesteld, en de van hom afhankelijke inquisitie ook tegen edellieden aanwendde. Do geestelijkheid onderwierp Ferdinand geheel aan zijn gezag door van don paus do bevoegdheid te erlangen, de aartsbisschoppen, do bisschoppen en de abten in zijn rijk te benoemen. Zóó grondvestten deze vorsten, met behulp van don beroemden staatsdienaar Ximënez, do koninklijke macht, welke in de plaats kwam van do heerschappij der edelen. Dit dool werd ook hierdoor bevorderd, dat een van oudsher bestaande inrichting, de heilige hermandad of broederschap, die voor do openbare veiligheid waakte, in beide rijken onder toezicht des konings was.

Toch behielden de edelen nog steeds een zekere onafhankelijkheid. Zij hadden nog eigen troepen in dienst en konden over groote rijkdommen en over een aanmerkelijk getal hoerige lieden beschikken. Eerst onder Karei V moesten zij van elke poging om zich naast of tegenover don vorst te plaatsen afstand doen. Zeer woedde de inquisitie gedurende de rogeering van Ferdinand en Isabella, zoodat hot getal van hen, aan wie de auto da fe's {actus fidéi of geloofshandelingen), d. i. de vonnissen dier rechtbank, door middel van den dood op den brandstapel weiden voltrokken, buitengemeen groot was. Na een tienjarigen oorlog met de Mooren in Granada, die in 1402 eindigde, werd dit gewest bij het koninkrijk

-ocr page 174-

154

Castiliö ingelijfd. De katholieke koningen hadden het vooral aan den ervaren veldheer Gonsale de Cordova te danken, dat zij destijds hun intocht konden houden in de alhambra, een sterk bevestigd en afgesloten deel dor hoofdstad Granada, eens de residentie der Moorsche koningen mot een tiians vervallen paleis. Maar de Mooren, naar het gebergte geweken, hernieuwden later uit hun schier ontoegankelijke bergsloten vele malen den opstand. In 't zelfde jaar 1492 legden Ferdinand en Isabella hun afkoer van een andere niet-Christensekte aan don dag door 800,000 Joden, nuttig door hun nijverheid en hun kapitaal, uit Spanje te verdrijven.

In Portugal duurde de heerschappij van het echte Bourgondische huis tot 1383, waarop het onechte huis van denzolfden naam mot joh an i, een bastaard van den voorlaatsten koning Peter I, in 1385 don troon besteeg. Johan I veroverde Ceüta (zie blz. 95). Beroemd is zijn derde zoon, prins Hendrik de zeevaarder, die de zeetochten der Portugeezen, begonnen met de ontdekking van Madera (ten w. van Afrika), met raad en daad aanwakkerde. Geen zwarigheden of vooroordeelen schrikten hem af. Op de westkust van Afrika bereikte men eerst in 1439 kaap Bojador, vervolgens Kaap Verd, eindelijk in 1460, het sterfjaar van Hendrik den zeevaarder, kaap Siërra Leona. Verder ontdekte men de Azorische eilanden.

§ 70.

De Italiaamche staten gedurende de dertiende, de veertiende en de vijftiende eeuw.

Italië, dat door de natuur zoo rijk gezegende land, biedt, sedert het zich in do Middeleeuwen allengs aan de heerschappij van don Griekschen en den Duitschen keizer had onttrokken, een tooneel van schromelijke verwarring en van eindelooze twisten aan. In weerwil van de kennis en van de beschaving, waarin vele zijner bewoners sinds de dertiende eeuw uitmuntten, werden er meer en gruwelijker burgeroorlogen gevoerd dan elders. Hier volgt een kort overzicht der geschiedenis van Italië's voornaamste staten.

Venetië koos in 697 een doge tot hoofd, die mot een grooten ram. den staat bestuurde. Bovendien was er een raad van zes leden, signorii ge-heeten. Sedert dc sluiting in 1297 werden de loden van den grooten raad slechts uit zekere geslachten gekozen, wier namen men in een register, hel gouden bock, opteekende. De gerechtigheid werd door een staats-inquisiiie streng gehandhaafd. Door haar ligging tusschen West- en Oost-Europa werd Venetië spoedig een wereldmarkt. Togen 't einde der tiende eeuw onderwierp het de kust van Dalmatië. Do vermeerdering van haar grondbezit door den vierden kruistocht (zie blz. 132, 133), toen de kust van Epïrus, een groot deel van Morëa, Aegïna, een deel van Negropont, een vrije wijk in Constantinopel, benevens vele eilanden in de Archipel en in de Ionische Zee aan Venetië werden toegewezen, diende tevens

-ocr page 175-

ter uitbreiding van haar handel, die zich destijds tot do Zwarte Zee uitstrekte. Tussohen Venetië en Grenua deed handelsnaijver een reeks oorlogen ontstaan, die langer dan oen eeuw, tot 1381, duurden on welker einde voor Venetië hot begin van zijn grootston luister word. Ook Cyprus moest in li SO Venetië's oppermacht huldigen.

Milaan bloeide voornamelijk gedurende het bestuur van hot geslacht Visconti, dat sedert 1311 dozo stad bohoerschte, toen mattoo visconti door don keizer tot ziju vicaris of plaatsvervanger word benoemd. Eou zijner opvolgers, jou an galea z zo, verwierf later don titel hertog eu bohoerschte hot grootste gedeelte van Oppor-Italië. Na 't uitsterven van don mannelijken stam van hot huis Visconti kreeg in 1450 met fkans sfobza, den condoüiero of aanvoerder van huurbendon, een nieuwe dynastie het bestuur in handen.

Gelijk Venetië was Genua oen handelsstaal, welks rogoeringsvorm veel overeenkomst had mot dien van Venetië en die aanvankelijk een niet onbelangrijk grondgebied had. Doch later werd Genua's macht zoozoor ondermijnd, dat het tegen 't einde der Middeleeuwen geheel onder den invloed van Milaan kwam.

Do stad Florence, in Toskane, werd in de veertiende eeuw een machtige staat, waar do door handel en nijverheid zoor verrijkte burgerstand don adel geheel uit do rogeering verdrong. In hot begin der vijftiende eeuw wist jouan de medici, steunoudo op zijn rijkdom en op de gunst dei-lagere volksklasse, die hij tegen don adel beschermde, zicli het beheer van den staat te verschaffen en liet zijn nakomelingen dien invloed ten erfdeel na, waaarin zij zich door hun schatten langen tijd staande hielden. Zijn zoon cosmüs was een even wijs bestuurder van den staat als een mild beschermer en ijverig beoefenaar van kunsten en wetenschappen. Later werden de Medici genoodzaakt Florence een tijdlang te verlaten. Dit bewerkte hoofdzakelijk de vurige prediking van den Dominikaan ginolamo of uieeonymus savonaröla, die hier voor korten tijd de republiek weder iu 't leven riep. Ook kantte hij zich in zijn kansol-redenon tegen de weelderige levenswijze der geestelijkheid aan, weshalve hij in den ban werd gedaan en in 1498 verbrand. Na den dood van Savonaröla keerden de Medici wol terug; maar hun invloed ging eerlang geheel te niet, en Florence deelde in de lotgevallen van Toskano.

De omvang van den Kerkelijken Staat was in den loop dor tijden aanmerkelijk toegenomen. Vooreerst stond Robert Guiscard (zie blz. 118) Bene vent um aan de kerk af. Daarbij kwam sedert 1U5, het jaar, waarin Mathilde van ïoskane (zie blz. 117) overleed, de aanspraak op haar goederen, bij testament aan den paus vermaakt, d. i. op Toskane, op Mantua, op Ferrara, enz. Metterdaad verkreeg de Kerkelijke Staat echter slechts oen deel dier landen, en dit eerst later na langdurige geschillen met de keizers van Duitschland. quot;Wel verwierf hij in 1274 Venais sin (in 't z. van Frankrijk, nabij Avignon) van Philips 111 en in 1348 Avignon door het te koopon van hot in Napels rogeorende huis Anjou. Sedert de

-ocr page 176-

156

pauselijke zetel naar Avignon was verplaatst (zie blz. 142), splitste de Kerkelijke Staat zich in kleinere staten, en Eome zelf werd door vele veeten geteisterd. Hieraan scheen in 1347 Cola di Rienzi, die zich door het volk tot tribuun liet verheffen, een einde te zullen maken; maar grooten-deels zijn eigen daden bewerkten zijn vedrijving. Na den terugkeer des pausen binnen Rome's muren in 1377 en na hot herstel der kerkelijke eenheid begonnen de verstrooide leden van den Kerkelijken Staat zich tot één lichaam te vereenigen.

De laatste beheerscheres uit het huis Anjou over Napels, johanna ir, die in 1435 overleed, nam eerst Alphonsns V van Arragon, die ook Sicilië (zie blz. 135) bezat, later Lodewijk III van Anjou als opvolger aan. In den oorlog, die hierover ontstond, zegepraalde ai-imionsus v, die tot zijn dood in 1458 het bewind over Napels voerde, na welk jaar echter de vereeniging der beide staten onder één vorst vooreerst weder ophield.

§ 71.

Geschiedenis der Nederlanden gedurende de Middeleeuwen.

Er is een tijd geweest, waarin de volken 't bearbeiden van metalen niet kenden. Dien tijd, ouder dan de geschreven geschiedenis, noemt men 't steenen tijdperk. De weinige hunebedden, in ons land overig, zijn uit dat tijdperk, en de getuigenissen van de oudste bewoning ons door geen schrijver geboekt. Naar historische berichten waren de Friezen, de Bataven en andere Germaansche stammen, nog vóór Christus' geboorte, de eerste bewoners. Sinds het einde der eerste eeuw v. C. moesten deze stammen zich aan de Romeinen onderwerpen, en Drusus (zie blz. 78) bouwde hier verscheiden sloten, ten einde het volk in bedwang te houden. Tevergeefs deed Claudius Civïlis (zie blz. 81), een der voornaamste Bataven, een poging om zijn stam en de met hem verbonden volkeren hun oude onafhankelijkheid te doen herwinnen. Op nieuw werden zij onderworpen in 70 n. C. In de vijfde eeuw werd hot gebied der Romeinen door Germaansche stammen voor goed overheerd. Dit was ook hot lot der Nederlanden, en zelfs de naam der Bataven ging op in dien der Franken en dor Friezen. De eersten, n.1. de Saliörs (zie blz. 97, 98), breidden zich hoofdzakelijk tot den Rijn uit en hadden Doornik (in Henegouwen) tot hoofdplaats. Aan de andere zijde woonden de Friezen.

In de zevende en in de achtste eeuw kwamen hier vele Christen-zendelingen, om deze gewesten aan het heidendom te onttrekken. Vooral werd het Christendom met vrucht gepredikt door Willebrord, die in 739 stierf, en door Bonifacins (zie blz. 105), dien de heidensche Friezen in 755 nabij Dokkum vermoordden. Eerst karel de okoote, die de Friezen onderwierp (zie blz. 109), dwong hen ook het Christendom aan te nemen. Na zijn dood worden deze streken door gedurige invallen dor Noormannen geteisterd. Hun verschafte lodewijk de vuome oen zeer gewenschte

-ocr page 177-

aanleiding om hun rooftochten voort te zetten. Tot hem Uwnmen n.L drie hunner vorsten, wien hij, vermits zij den Christelijken godsdienst aannamen, leenen in de Nederlanden gaf. Dit bracht vele rampen over de Nederlandseho gewesten, want de vijanden dier vorsten vierden hiervan nu aan hun roofzucht ruimen teugel. Sinds de Nederlanden aan den invloed der Frankische vorston waren onderworpen, werd dit land, onder 't oppergezag der koningen, bestuurd door hcrtor/cn en (/raven, veelal aanzienlijke edelen (zie blz. 101 vlg.), met uitgestrekte grondbezittingen begiftigd. Kort na het verdrag van Verdun (zie blz. 113), toen het Frankische rijk ophield te bestaan, kwamen de Nederlanden te staan onder 't ge/ag der keizers van Duitschland, mot uitzondering van Vlaanderen, dat, gelijk Artois, in zijn geheel grootendeels aan Frankrijk behoorde, op dat gedeelte na, hetwelk Eijks-Vlaanderen heette en dat de graven van Vlaanderen als rijksleen bezaten. Sedert de Nederlanden tot Duitschland behoorden, maakten zij een bestanddeel uit, eerst van het hertogdom Lotharingen, later van Neder-Lotharingen. In de negende en de tiende eeuw worden de meeste Nederlanden erfelijke leenen, dewijl dat, wat oorspronkelijk een gunst der keizers was, allengs, in weerwil van hen, als een recht werd beschouwd. Het volk en de kleinere leenmannen, die zich natuurlijk meer aan de plaatselijke overheid dan aan den veeltijds afwezigen keizer hielden, namen met deze verandering licht genoegen. Meer dan eens ontstonden er evenwel groote moeilijkheden uit de vraag, of het eene of andere gewest alleen een mannelijk of zwaardleen, of wel tegelijk een vrouwelijk of spilleleen was.

In het z. waren de machtigste gewesten het graafschap Vlaanderen en het hertogdom Brabant, in het n. het hertogdom (aanvankelijk graafschap) O elder land, het graafschap Holland, Friesland en het bisdom of sticht Utrecht, waar do bisschop ook het wereldlijk bewind voerde. Die van het Over sticht of Overijsel erkenden ook den bisschop van Utrecht als heer, en Groningen mot de Ommelanden, alsmede Drente, ofschoon dikwerf wederspannig, worden eveneens gerekend aan den bischoppelijken stoel onderworpen te zijn. Mede ton gevolge van het leenstelsel waren hier dezelfde bestanddeelen dor bevolking als elders, vazallen, geestelijken, lijfeigenen, enz. Maar in de twaalfde en de dertiende eeuw werd het verleencn dor burger- of poorterrechten en de hiermede samenhangende opkomst dor steden, zoowel als der volkstaal, algemeen. De talrijke lijfeigenen, nu in de steden burgers geworden, zochten meer en meer een deel uit te maken van de stalen, die in ieder gewest uit geestelijken en edelen bestonden, hetgeen dikwijls onlusten verwekte.

Geen der overige gewesten kon in macht en welvaart met het rijke Vlaanderen worden vergeleken; doch uit dien voorspoed ontsproot ook wel eens overmoed. Zeer groot was bovenal do bloei van Gent en Brugge, die uit eigen bevolking en schatten groote legers op de been konden brengen. Niet zeer lang na den slag bij Kortrijk (zie blz. 141) sloot Gent met Engeland een verbond, ten tijde toen Jakob van Artevelde er den

-ocr page 178-

158

grootsten invloed had. Deze man, dis tot een der rijkste en aanzienlijkste familiün der stad behoorde, liet zich, in plaats van bij het gilde dor wevers, dat zijner familie, bij dat der bierbrouwers inschrijven en werd tevens deken dor kleine gildon. Welhaast echter nam zijn gezag een einde, toen hij in 1345 door het volk, dat hem vroeger had aangebeden, werd vermoord. Kort hierna ontstond er wederom verdeeldheid tusschen de Gentenaars en den graaf van Vlaandoren, die eerst een eind nam met den slag bij Roosenbeeke (in West-Vlaanderen, ten n.o, van Kortrijk), waarin de graaf, bijgestaan door zijn leenheer Karei VI (zie blz. 145). hen in 1382 versloeg. Toen een paar jaar later het graafschap aan hot huis van Bour-gondiö kwam, werd de overmoed der Vlamingen eenigszins gefnuikt.

Oelderland, dat nog in de veertiende eeuw uit de graafschappen O elder en Zutfen bestond, verhief zich onder de huizen Gelder, Gulik en Egmond (tusschen Alkmaar, Heilo, Castricum en de Noordzee) tot een aanzienlijken staat. Rei na ld of u e i n o u n i van ge ede r , nog graaf, voerde wegens Limburg oorlog tegen Jan I van Brabant, maar verloor in 1288 den slag bij Weeringen (een kasteel nabij Keulen). Na Reinalds dood werd Gelderland in 1339 een hertogdom (zie blz. 138). Doch tusschen zijn kleinzonen, keinald ui en eduahd, ontbrandde een burgeroorlog, waarin de Uekerens de zijde van den eerste, de Bronkhornten die van den laatste kozen. Eduard zegepraalde in 1361 bij Tiel; doch na zijn dood en na dien van Reinald, die hem voor een korten tijd opvolgde, kwam het bestuur in 1371 met willest, een zoon van Eduards zuster, aan het huis Gulik. Tegen de bedoeling van keizer Sigismund (zie blz. 139) ging het bewind in 1423 over op abnold, een zusterskleinzoon van keinald iv, Willems broeder en opvolger, uit het huis Egmond. Tegen Arnold stond zijn zoon adolf op, gesteund door zijn moeder Katha-rina van Kleef, door de edelen en door de steden. Hij voerde don ouden graaf in 146quot;) als gevangene naar Buren (ten n,w, van Tiel), en toen Arnold later door tusschenkomst van Karei den stoute in vrijheid was gesteld, verpandde hij hem Gelderland. In 1473, het sterfjaar van Arnold, barstte nu een oorlog los van Karei den stoute en zijn opvolgers tegen Adolf en zijn zoon kabel, doordien de edelen en de steden de vorsten uit het huis Egmond ala hun wettige hoeren bloven erkennen.

Friesland was zoowel ten opzichte van zijn buiten- als van zijn binnen-landsche betrekkingen in voortdurenden strijd gewikkeld. Van den beginne af toch trachtten de graven van Holland, veelal mot goedvinden des keizers, hun oppergezag over dit gewest te doen gelden. Hierdoor geraakten zij niet alleen in oorlog met de Friezen zeiven, inzondei hoid mot hun naburen, de Wost-Friezen, maar ook met de bisschoppen van Utrecht, die hun dikwijls hun recht op Friesland betwistten. Daarenboven was de bevolking zelve voortdurend verdeeld door geschillen tusschen de minvermogende Schieringers en de rijke Vetkoopers, van welke twisten de buitenlandscho vijanden zeer goed partij wisten te trekken. Ton einde eenheid in 't beheer te brengen en aan den langdurigen burgeroorlog een einde te maken

-ocr page 179-

1.19

stelde Maximiliaan in 1408 Albrecht van Saksen als erfpotestaat aan, van wiens zonen Friesland later op liet Oostcnrijksche huis overging.

Het graafschap Holland ontstond, zooals men gewoonlijk aanneemt, in 922, doordien Karei do eenvoudige (zie blz. 115) aan dirk i Egmond en omliggend land gaf. Zeker is hot, dat dit graafschap sedert 1018 bestond. Het werd achtereenvolgens door vijf stamhuizen geregeerd, 't Eerste was hel Hollandsche, 922—1200. De eerste graven waren dikwijls in oorlog met de West-Friezen (een naam, waarop Hoorn, Enkhuizen en Medein-blik met den omtrok een bijzondere aanspraak maakten; doch niet zelden werd geheel Noord-Holland West-Friesland genoemd), met wier land zij, togen den zin der inwoners, werden beleend. In 1256 viel willem ji op een veldtocht tegen hen, en eerst floms v, zijn zoon, onderwierp hen. Eveneens hadden de graven dikwijls geschillen met de bisschoppen van Utrecht, inzonderheid over de grensscheiding en dewijl de graaf het veelal met den paus, de bisschop met den keizer hield. Zoo werd Utrecht ongeveer 1145 belegerd door dirk vi, die evenwel, uit vrees voor den banvloek des bisschops, hot beleg opbrak. Aan de zuidelijke grenzen waren de graven van Holland, ruim drie honderd jaren lang, met die van Vlaanderen in kamp wegens Zeeland, voornamelijk bewesten de Schelde. Een jaar na den slag bij Kortrijk (zio blz. 141) violen de Vlamingen in Zeeland en in Holland en drongen tot Haarlem door, waar zij evenwel werden gestuit. Van Hollands graven namen floris ui, die in 1100 (zio blz. 130) stierf, en willem i persoonlijk deel aan kruistochten. Onder aanvoering van den laatste veroverde men in 1210 Damiato (in Egypte). Van dezen Willem I zijn de keuren of stedelijke rechten en vrijheden van Middelburg, 1217, die tot do alleroudste hier te lande be-hooren. Een van de merkwaardigste graven uit hot Hollandsche huis is de boven genoemde Floris V, „der keerlon God,quot; die met nog ruimer hand aan steden en vlekken voorrechten gaf, om, bij 't wassend vermogen hunner burgers, bij hen hulp te vinden, ten einde mot vereende kracht de macht van den leenadel te verminderen en 't vorstelijk oppergezag te vestigen. Uit deze rechten der steden is de latere burgerlijke vrijheid geboren. Die staatkunde kostte hom 't leven. In 129G werd hij door Gerard van Velzen, Gijsbreoht van Amstel, Herman van Woerden en andere misnoegde edelen verraderlijk vermoord, toon hot eigenlijke dool dor samengezworenen, hom in levenslange gevangenschap naar Engeland (zie blz. 148) te voeren, wegens de nadering dor Kon-nemers, der Gooilanders en anderen, die hem wilden ontzetten, niet kon worden bereikt.

Het Henegouwsche huis bezat 1200—1345 het graafschap en werd opgevolgd door het Beiersche, 1354—1428. De tweede graaf uit hot Henegouwsche huis was willem ui of de goede, die ten tijde van de regeering zijns vaders, jan ir, veel tot de verdrijving der Vlamingen had toegebracht (zie boven). In de plaats van den laatsten graaf uit dit huis, willem iv, stelde Lodewijk van Beieren (zie blz. 138) zijn eigen gemalin, mak-

-ocr page 180-

loo

tiAKCTA, Willetns zustor, tot gravin aan. Dozo verheffing, aan sommigen welgevallig, werd door anderen, die willem v, don tweedon zoon van Lodewijk van Beieren en Margarêta, voorstonden, als strijdig met 's lands wetten beschouwd. Vanhier de kamp tusschon do eersten, Hockschen, en de laatsten, Kabeljauwschen genoemd, welke Holland omstreeks honderd veertig jaren heeft geteisterd. Moeder en zoon verzoenden zich wel te ] 354; doch tusschon de landzaten zeiven bleef verdeeldheid bestaan.

Willem V, aldus do eerste graaf uit het Beiorsche huis, werd reeds in 1367 krankzinnig, weshalve zijn broeder albkeciit tot Willems dood in 1389 als ruwaard of regent, en van dit tijdstip af als graaf het beheer aanvaardde. Do laatste der Beierscho graven was willem vi, na wiens overlijden, in 1417, op nieuw geschil over de opvolging ontstond. Naar hot oordeel der Kabeljauwschen moest Willems broeder, Jan van Beieren, bisschop van Luik (zie blz. 139), hem opvolgen, terwijl de Hoekschen do aanspraak van Willems dochter jakoba. doden golden. Vruchteloos zocht Jakoba, na eerst met den dauphin Jan, een zoon van Karei VI (zie blz. 145), te zijn gehuwd geweest, steun bij haar latere echtgonooten, Jan IV, hertog van Brabant en Limburg, en Humphrey, hertog van Glocester (in 't w. van Engeland, aau do Severn), die beide haar belangen verwaarloosden, Na zicli een tijdlang te hebben staande gehouden, terwijl inmiddels haar partij met voorboeldolooze wreedheid Allaert Beilink liet tor dood brengen, moest Jakoba in 1428 bij het verdrag van Delft Henegouwen, Holland en Zeeland aan philips den goede (zie blz. 139 en 144) afstaan. De laatste jaren haars levens sleet zij in den echt met Frank van Borselen, vroeger stadhouder van Holland en Zeeland voor Philips, die haar op edelmoedige wijze met geldsommen had ondersteund, en stierf in 143G. Om de wisselende lotgevallen en ongelukken dezer gravin is haar leven door velen in een dichterlijk verhaal geschetst.

Met dien afstand begint de heerschappij van het Bourgondische huis 1428—1482, dat reeds Vlaanderen bezat en allengs de meeste Neder-landsche gewesten onder zijn bestuur vereenigde (zie blz. 144). Gelijk wij zagen, stonden do hertogen van Bourgondië in nauwe betrekking tot Frankrijk. Philips kocht Namen en Luxemburg en erfde Brabant en Limburg. Aan zijn hof steeg de weelde ten top; doch ook daarbuiten was de welvaart zoo groot, dat zelfs Holland, hetwelk nog bij Vlaanderen en bij Brabant achterstond, „het land van beloftequot; werd goheeten. Philips stolde de orde van hel gulden vlies in en riep o.a. in 140;') voor 't eerst de staten van alle provinciën, d. i. de algemeene staten, bijeen, die evenwel geen rechten hadden, maar slechts werden geraadpleegd. Zijn zoon kakel De stoute, die hem in 14G7 opvolgde, kocht Gelderland (zie blz. 158) en vatte het voornemen op, Bourgondië en Nederland, door verovering van hetgeen er tusschon lag, samen te voegen en tot een koninkrijk te verheffen (zie blz. 147). De listen echter van zijn leenheer, Lodewijk XI, stonden zijn plan in den weg. En toen hij later Eénó, hertog van Lotharingen, en de Zwitsers aantastte, sneuvelde hij in 1477. Kareis dochter

-ocr page 181-

IGl

Maria bleef nu weerloos iichter tegenover de vijandelijke gezindheid van den koning van Frankrijk en de grenzenloozen aanmatiging harer eigen onderdanen. Lodewijk XF verklaarde al wat leen was der Fransche kroon voor vervallen: Bourgondië werd vermeesterd, Artois bezet, Vlaanderen bedreigd. Holland, Zeeland, Vlaanderen, Brabant en andere gewesten moest zij in 't verleenen van het grootprivilegie, waardoor haar macht 7,eer werd beperkt, te wille zijn. Maxi mi li aan, die zich met haar in den echt verbond en de Franschen bij Guinegate overwon, bracht den oorlog met Lodewijk XI (zie blz. 148) ten einde.

Na Maria's dood in 1482 trad Maximiliaan als voogd op voor voor zijn minderjarigen zoon, philips ii of den schoone, met wien het bewind van H Oostmrijksclie htm-, 1482—1581, begint. Het tijdperk van dit regentschap werd gekenmerkt door hernieuwde binnenlandsche twisten. Zells durfde liet oproerige Brugge (in West-Vlaanderen) de hand aan Maximiliaan slaan en hem gevangen houden. Desniettegenstaande dempte hij, na door tusschcnkomst zijns vaders in vrijheid te zijn gesteld, zoowel dezen opstand, als dien der Hoekschen, die in 1482 te Barneveld (op de Veluwe) hun wreedheid hadden botgevierd, en van het kaan-en broodvolk in Noord-Holland, waarmede de langdurige burgeroorlog der Hoekschen en Kabeljauwschen in 1402 een einde nam. Philips II aanvaardde zelf het bestuur in 1404, vernietigde het grootprivilegie, huwde Johanna, een dochter van Ferdinand en Isabella (zie blz. 153), maar stierf reeds in I50G. Voor den uit dit huwelijk gesproten zoon. Karei II, later, als keizer en koning van Duitschland, den vijfde van dien naam en hierdoor in de geschiedenis onder den naam „Karei Vquot; bekend, nam zijn grootvader Maximiliaan, voor de tweede maal regent, de teugels van 'tbewind in handen en stelde in zijn plaats zijn dochter Margarëta van Oostenrijk als landvoogdes aan. Veel had hij te strijden met Friesland, dat door voortdurende tweespalt verdeeld en ongezind was zich geheel te onderwerpen, en met Gelderland, waar Karei (zie blz. 158) hem onophoudelijk beoorloogde.

§ 72.

Oesehiedenis van Polen en van Hongarije gedurende de Midddeeuweii.

De geschiedenis van Polen, een door Slaven bevolkt land, begint in de tiende eeuw, hoewel 'er vele overleveringen in omloop zijn, o. a. omtrent mast, een boer, die in 't midden der negende eeuw tot hertog werd aangesteld en wiens nakomelingen, de latere vorsten van Polen, de Piasten, omstreeks 850—1370, heeten. Sedert ongeveer 9G0, toen hertog MiESKo of miecislav i zich, op aanraden zijner Boheemsche gemalin Dob raw ka, als Christen liet doopen, nam ook het volk, grooten-deels gedwongen, langzamerhand het Christendom aan. Van denzelfden tijd af trachtten de koningen van Duitschland hun heerschappij over Polen

Wijn ne, Handboek der Aly, Geschiedenis, 7ile iliuk. li

-ocr page 182-

162

meer en meer uit te breiden. Maar uit hoofde van den verren afstand konden zij alleen door kracht van wapenen de hertogen van Polen tot liet erkennen hunner afhankelijkheid noodzaken. In 1163 werd Silexië, een van de deelen, waarin Polen was gesplitst, onafhankelijk. De overige, die een tijdlang veel van de Mongolen (zie blz. 165) hadden te lijden, waren; Orool-Polen, dat door de Warta wordt doorstroomd en Posen en Kalisch als steden telt; Klein-Polen aan de boven-Weichsel, dat o. a. do steden Krakau en Lublin bevat, en Masövië, dat door de Weiehsel, de Bug en de Narew wordt doorstroomd.

Het eigenlijke koninkrijk Polen ontstond in 1320, toen wladislav i loktiek, d. i. de slechts óén cl lange, zich in de hoofdstad Krakau als koning liet kronen. Na het uitsterven van de mannelijke nakomelingschap der Piasten in 1370 werd Polen een volledig keurrijk. In dit jaar verkozen de Polen lode wijk i of dkn oiioote, tevens koning van Hongarije, en na zijn dood hedwiö, zijn jongste dochter, die in 1386 huwde met jagello, grootvorst van Litthauwen. Dus werd Jagollo, die Christen werd en den naam wladislav ii aannam, de stichter van hel huis der Jagellonen. De Litthauwers moesten zich thans ook bekeeren en stonden van nu aan met Polen onder één opperheer, ofschoon zij door afzonderlijke grootvorsten werden geregeerd. Later, sedert het midden der zestiende eeuw, werd Litthauwen met Polen onder één hoofd vereenigd. Eerlang geraakte Wladislav H in oorlog met de Duitsche orde (zie blz. 130), die zich sedert 1226 onder do Slavonische volkoren had gevestigd, welke de kusten der Oostzee, oostwaarts van de Weiehsel, bewoonden. Hier onderwierp zij allengs de Pruisen en andere heidensche volkeren, rooide bosschen uit, stichtte steden, zooals Thorn (ten z. van Kulm, aan de Weiehsel), Königsberg (ten n. o. van Dantzig, aan de Pregel), enz. en verwierf een uitgebreid gebied. Doch door een aanval op Litthauwen geraakte zij nu in vijandschap met Wladislav II, die de ridders der orde in 1410 een nederlaag toebracht bij Tannenberg (ten z.o. van Dantzig). Toon de inboorlingen later, uit hoofde van de drukkende heerschappij der orde, de hulp van Wladislavs zoon on tweeden opvolger Kasïmir II tegen de ridders inriepen, dwong deze koning van Polen de orde, bij den wede van Thorn in 1466, geheel West-Pruisen af te staan en over Oost-Pruisen de leenhoogheid van Polen te erkennen, weshalve tevens de hoofdzetel der orde te Königsberg werd gevestigd. Ongeveer sinds denzelfden tijd liet de Poolsche adel, wien het in persoon opkomen lastig begon te worden, zich door landsboden op den rijksdag vertegenwoordigen, die zich zooveel macht aanmatigden, dat welhaast zonder hun toestemming geen aangelegenheid van eenig belang mocht worden beslist. Vermits in Polen eigenlijk geen derde stand bestond, hadden de burgers, die verreweg de minderheid uitmaakten, natuurlijk geen deel aan 't bestuur.

De talrijke horden Hongaren of Magyaren (zie blz. 114, 115) bemachtigden binnen een tiental jaren het tegenwoordige Hongarije en Zevenbergen en erkenden ahi'AD als gemeenschappelijk opperhoofd. In don beginne

-ocr page 183-

163

bleef dit volk getrouw aan zwervende levenswijze en maakte zich gedacht door vreeselijke strooptochten naar Duitschland en andere landen. Op den duur evenwel konden liet verblijf in Europa en de aanraking met Christenvolkeren niet zonder invloed blijven op deze Aziatische horden. Sedert den tijd van hertog geisa (972—997), die tot het Christendom overging, gewenden de Hongaren zich aan landbouw en vaste woonplaatsen en staakten hun rooftochten. Op Geisa volgde zijn zoon stk-piraNUS i of de heilige, die in 1000 koning werd, wolke waardigheid erfelijk werd verklaard in het huis der Ar paden. Echter erkende de koning van Hongarije doorgaans de leenhoogheid van het üuitsche rijk. Tot de latere koningen behoorden andiieas ii, die in 1222 in de gouden hul groote voorrechten aan adel en geestelijkheid verleende, en zijn zoon bel a iv, onder wiens regeering do Mongolen (zie blz. 165) Hongarije binnendrongen, en met hen allo gruwelen der verwoesting.

Nadat de mannelijke nakomelingschap der Arpaden in 1301 was uitgestorven, beklom het huis Anjon (zie blz. 134) in 1310 den troon van Hongarije. Do tweede koning uit dit huis was lodewijk de groote, later (zie blz. 162) ook koning van Polen. Na hem werd zijn oudste dochter marïa als koningin, of, naar Hongaarsch gebruik, als koning-erkend, die in 1387 aan haar gemaal sigismun» (zie blz. 139) al haar rechten opdroeg. Sigismund en zijn opvolgers hadden veel te kampen tegen de Turken, in wolkon strijd zich bovenal Johannes Hunyad, omstreeks 1450 gubernator (rijksbestuurder) van Hongarije, onderscheidde. Kort daarna verkoos men den zoon van Hunyad, matthïas gokvïnus (1458—1490), als koning. Hij was een ijverig beschermer der wetenschappen en stichtte in 1465 een hoogesehool te Of en. Ook bevorderde hij zeer landbouw en nijverheid.

De landen, ten z. van den Donau gelegen, met name Servië, Bosnië, Bulgarije, Kroatië, Moldavië en Wallachije, waren alle gedurende langer of korter tijd aan Hongarije onderworpen, maar werden tegen 't einde dei-Middeleeuwen door de Turken veroverd.

§ 73.

De Scandinavische rijken gedurende de Middeleeuwen. — Oorsprong van Rusland.

In de geschiedenis der Middeleeuwen zijn, voor de algemeene historie, dc Noordsche rijken van Europa nog van weinig belang. Echter moeten drie punten niet worden voorbijgezien. Het zijn: de invoering van 't Christendom in deze landen, de oorsprong van Rusland en de unie van Kalmar.

Eeuwen lang waren de bewoners dier landen ijverige belijders van 't heidendom en vereerden Odin als hoofdgod. Intusschen getuigde het bij hen reeds vroeg aanwezige runenschrift van een zekeren trap van beschaving, waarop zij moeten hebben gestaan. Het Christendom, dat zeer

11*

-ocr page 184-

104

langzame vorderingen onder hen maakte, werd voor 't eerst ten tijde van Lodewijk den vrome (zie blz. 112) in Denemarken gepredikt; maar het kon er het diep gewortelde heidendom nog geenszins verdringen. Sukn, do vader van Knoet (zie blz. 122), was nog oen hevig vijand van 't Christendom; doch met knort was de zege van dezen godsdienst in Denemarken beslist. Eveneens namen omstreeks 1000 vele bewoners van Zweden en van Noorwegen de Christelijke leer aan. Het duurde evenwel nog gernimen tijd, eer de sporen van 't heidendom ten volle waren verdwenen.

Voor den grondvester van 't Russische rijk houdt men Rurik, een opperhoofd van een stam Noormannen, Russen geheeten, uit Zweden. Door de bij de Oostzee wonende en onder elkander oneenige slaven ingeroepen, trok hij omstreeks 800 naar het hedendaagsche Rusland, onderwierp er eenige stammen der Slaven aan zijn macht en stichtte aldus in 864 een vorstendom te Nowgurod (ton z. van Petersburg). Dit vorstendom, het begin van 't Russische rijk, werd onder Ruriks opvolgers langzamerhand uitgebreid en kreeg vervolgens Kiew (aan de Dnieper) tot hoofdzetel. Evenwel was het lang tot het binnenland en tot het Noorden van het tegenwoordige Rusland beperkt. Een zijner beheerschers, wla-nÏMiu de cmooTE, nam in 988 bij zijn huwelijk met een Byzantijnsche prinses het Christendom aan volgens de beginselen dier kerk, welke zich weldra, als Grieksche kerk (zie blz. 106), geheel van de Roomsch-katholieke afscheidde. Hoewel Wladïmir nu de afgodsbeelden liet omverwerpen en zijn onderdanen noodzaakte zich in de Dnieper te laten doopen, zegepraalde het Christendom niet dan langzaam over de vreeselijke ruwheid des volks en der vorsten. Dit is licht te begrijpen, want de bekeerir.g dier onderdanen bestond slechts hierin, dat zij, als vee naar den drinkbak, ten doop werden geleid. — Omstreeks 1325 werd Moskou de hoofdzetel van het rijk, welks vorst in 1547 den titel ex,aar aannam.

De vermaarde unie van Kahnar (in 't z.o. van Zweden) werd in 1397 onder 't bewind van mabgarcta, koningin der drie Scandinavische rijken, gesloten. Op deze bijeenkomst van aanzienlijke geestelijke en wereldlijke personen uit de drie rijken werd bepaald, dat deze staten in geval van oorlog onderling vast zouden zijn verbondon en voor altijd door één gemeenschappelijk gekozen koning geregeerd worden, maar tevens, dat elk rijk zijn eigen staatsregeling en wetten zou behouden. Geen lange duur drukte 't zegel op deze overeenkomst: kort na den dood van Margarëta, in 1412, vielen de bepalingen der unie in duigen en werden weldra in 't geheel niet meer nageleefd. In 1448 beklom chuistiaan i, graaf van Oldenburg, den troon van Denemarken. Met hem begint het huis Oldenburg, of, omdat hij in 1459, doordien zijn vader met de erfdochter dier landschappen was getrouwd geweest, Sleeswijk en Holstein verkreeg, het huis Sleeswijk-Holstein of Holstein. Christiaans zoon joiian werd in 1483 als koning der drie staten erkend en herstelde de unie door het reces of verdrag van Kahnar. Desniettegenstaande werd de verbintenis tusschen de drie Scandinavische rijken nimmer zeer hecht.

-ocr page 185-

165

§ 74.

De opkomst en dr henmuwiny der Mongoolsch-Tartaarsche mnchl. — De verovering van Conslantinopel door de Turken in 1453.

Eemvon lang werden de ten n.w. van Sina gelegen hooglanden door zwervende horden Tartaren en Mongolen bewoond, die nu eenK aan Sina schatplichtig waren, dan weer een deel er van vermeesterden. Ondet deze stammen stond in 't begin der dertiende eeuw een veroveraar op, temcuu-sciiiN geheeten, die den titel tsciiinoiscuan (algemeen aanvoerder) verkreeg. Onder zijn leiding en die zijner opvolgers deden de Mongolen verbazende veroveringstochten, eerst in Azië, vervolgens naar Rusland, Hongarije en Polen. Zoo drongen in 1241 tallooze scharen van dit woeste volk tot in Silezic door, waar zij bij Liegnitz (ten n.w. van Breslau, aan do Katzbach) wel de overwinning behaalden, maar door de dapperheid van de ridders der Duitsehe orde toch zulk een groot verlies ondergingen, dat zij verplicht waren den terugtocht aan te nemen. Naar Azië teruggekeerd, maakten de Mongolen, door 't veroveren van Bagdad (zie blz. 96), een einde aan het khalifaat. De overwinnaars plunderden en verwoestten do stad, richtten er een gruwelijk bloedbad aan en gaven de meer dan 100,000 handschriften bevattende boekerij aan de vlammen over. Uit Bagdad breidden zij hun heerschappij over geheel Syrië uit. Niet lang daarna verviel hun ontzaglijk rijk, dat nu onder vier verschil-linde chans werd verdeeld. De onder de Mongolen heerschende godsdienst was hel Icmaisme, een wijziging van het boeddhisme (zie blz. 7), zóó geheeten naar den talé-lama (zee van wijsheid en macht) of opperpriester. Tevergeefs zochten de pausen en sommige koningen hen tot den Christe-lijken godsdienst te bekeeren. Beter slaagden de Mohammedanen in hun pogingen, ten gevolge waarvan vele Mongolen den islaam aannamen.

Ten tijde van het verval van 't rijk der Mongolen verrees in Klein-Azië eau ander rijk, hetwelk zijn macht zeer snel uitbreidde, liet was dat van den stam der Ollomanische Turken, welke belijders van liet Mohammedanisme, die dezen naam ontleenden aan hun aanvoerder otman of osman i, diiar in 1299, na den ondergang van het rijk der Seldschukken (zie blz. 126), een onafhankelijk gebied verwierven. Nevens hem grondvestten negen andere Tmiksohe stammen insgelijks afzonderlijke rijken, dio echter achtereenvolgens door de Ottomanen werden onderworpen. Otman begon een lange reeks van oorlogen en strooptochten tegen de Aziatische gewesten van het Oost-Romeinsohe rijk, welke zijn opvolgers voortzetteden. Zijn zoon en opvolger, oerchan, riep in 1329 de janit-scharen (jeni tsjeri, d. i. nieuwe soldaten), in 't leven, een afdeeling voetvolk, uit duizend geroofde en tot don islaam bekeerde Christenknapen samengesteld, welk getal later aanmerkelijk toenam. Deze janitscharen, die rijkelijk werden bezoldigd, vormden de kern van het leger der Turken.

-ocr page 186-

166

Van het begin der veertiende eeuw lt;if ondernamen de Ottomanen veelvuldige strooptochten naar liet Qrieksche rijk. Oerchans zoon moerad i, die zijn vader opvolgde en de inrichting der Janitscharen meer volmaakte, veroverde Hadrianopel (in Romanie, aan den Hebrus of de Maritza), waar hij in 1305 zijn porta, d. i. poort of zetel, opsloeg. Nog grootore veroveringen maakte zijn zoon en opvolger, uAjiizETit i, die wegens zijn snelle zegepralen den bijnaam jildeium, d. i. den bliksem, draagt. Hij maakte Bulgarije, Servië en AVallaehije schatplichtig, versloeg Sigis-mund van Hongarije bij Nicopölis (in 't n. van Bulgarije, aan den Donau), drong Hellas binnen en beperkte den keizer van 't Byzantijnsche rijk tot zijn hoofdstad, die hij zeven jaren lang insloot. Maar hier word Bajazeth, die 't eerst den titel sultan (zie blz. 128) aannam, door een anderen veroveraar gestuit.

Dit was timoek, doorgaans timoeklenk, d. i., omdat hij hinkte, de lamme Timoer, door do Europeanen tame hl an geheeten, die allengs het geheole voormalige gebied der Mongolen, behalve Sina, vermeesterde en Samarkand (in West-Turkestan, ten z.o. van het meer Anil) tot rijkszetel verhief. Ofschoon zijn heerschappij zich van Sina tot de Middel-landsche Zee uitstrekte, was dit overgroote rijk meer in schijn dan metterdaad het zijne, daar hij bijna geen zijner ondernemingen ten einde bracht en voortdurend met oproeren had te strijden. Van Temoedsohin onderscheidde hij zich door de achting, die hij voor Aziatische beschavingen geleerdheid koesterde. Ook verbeterde hij veel in 't binnenlandsch beheer; maar hij werd door dezelfde woeste heerschzucht en onverzade-lijke bloeddorstigheid geprikkeld. In 1402 sloeg hij Bajazeth bij Angora (in 't midden van Klein-Azië). Ue sultan der Ottomanen zelf viel in handen van zijn vijand cn stierf in 't volgende jaar in gevangenschap. Doch ook Timoer overleed kort hierna, in 1405, en na zijn dood ging het kortstondige wereldrijk der Mongolen even snel te niet als het was ontstaan. De onderworpen volkeren wierpen het juk af, en er verrezen onderscheidene zelfstandige staten, zooals die der Turkomannen in Perzië en die van den groot-mogol in Hindostan.

Sinds de Ottomanen vasten voet hadden gekregen in Europa, beperkten zij al meer en meer hot Byzantijnsche rijk, dat bovendien door de zwakheid van 't meerendeel zijner beheerschers, kerkelijke twisten, hofintrigues en andere oorzaken zijn ondergang hoe langer zoo sneller te gemoet ging. Ware Constantinopel niet zulk een sterke stad geweest, de staat zou eerder zijn bezweken. In 1451 besteeg mohammed ii den troon der Ottomanen met het vaste voornemen om Constantinopel tot de hoofdstad zijns rijks te maken. Weldra verklaarde hij keizer constantintjs ix, uit het huis PalaeolÓgus, den oorlog en omsingelde de stad met een leger van ten minste 158,000 man, gesteund door een groote vloot. Den 29sten Mei 1453 kwam het noodlottige oogenblik, dat Constantinopel, na een beleg van ongeveer zeven weken, stormenderhand werd veroverd. Con-stantïnus overleefde den val van zijn rijk niet, doch sneuvelde dapper

-ocr page 187-

167

strijdende. Op de Venetianen (zie biz. 132, 1.33) veroverde Mohammed Euboea of Negropont. Zelf overleed hij in 1481 ; maar nog langer dan een eeuw na zijn dood bleven de Turken, door hun dikwijls herhaalde stroop-en veroveringstochten naar Hongarije, Oostenrijk, Polen en 't gebied van Venetië, de schrik der Europeesche Christenen.

§ 75

Overzicht van de geschiedenis der letteren en der beschaving van de Christenheid gedurende dc Middeleeuwen.

Met uitzondering van enkele tijdperken, waarin gedurende eenige jaren het licht der hoogere beschaving begon te schijnen, b. v. van den lijd van Karei den groote, valt er in een kort bestek ten opzichte van beoefening der wetenschappen en letterkunde in het grootste gedeelte der Middeleeuwen weinig of niets te vermelden. Er waren, het is waar, aan vele kloosters scholen verbonden. Die kloosters waren bewaarplaatsen van boeken, en menig monnik hield zich in zijn afzondering bozig met het afschrijven van de werken der Grieken en Romeinen. Maar men kan niet met grond beweren, dat zich uit die kloosters veel kennis in de maatschappij verbreidde. Er mogen uit de Middeleeuwen eenige werken van geschiedschrijvers, grootendeels kronieken, schier alle in 't Latijn geschreven, over wezen, de oogst is te schraal, dan dat men uit die weinige geschriften kan besluiten tot het aanwezig zijn eener eenigszins algemeen verbreide beschaving. Tot de zoodanige behooren het geschrift van Jor-nandes of Jordanes, een Goth, uit de zesde eeuw n. C. „over den oorsprong en de daden der Gothenhet werk van Gregorius van Tours, uit dezelfde eeuw, getiteld „kerkgeschiedenis,quot; dat metterdaad een geschiedenis der Franken bevat tot het begin der zevende eeuw; liet boek van Paulus, een zoon van Warnefried, met den bijnaam Diakonus, een tijdgenoot van Karei den groote, „over de daden der Longobarden dat van den Angelsaks Beda, uit de achste eeuw, zijnde een kerkgeschiedenis van zijn volk. Van lateren tijd zijn de werken uit de eeuwen der kruistochten, dat van Willem van Tyrus, een Franschman, waarin de daden der kruisvaarders tot het einde der twaalfde eeuw worden beschreven; de „mémoires,quot; in 't Fransch, van Villehardouin, een ooggetuige van den vierden kruistocht, weiken hij beschrijft; die van Join vil le, in dezelfde tquot;al, die in de veertiende eeuw leefde en de geschiedenis van Lodow.jk den heilige tot onderwerp koos; eindelijk de geschriften, insgelijks in 't Fransch, van Froissart uit de veertiende eeuw, en van Philips de Comines, uit de vijftiende eeuw, van welke de eerste de geschiedenis zijner eeuw, de laatste „mémoiresquot; over zijn tijd in 't licht gaf.

Ook waren er gedurende de Middeleeuwen jaren, waarin dichtkunst en wijsbegeerte onder de Christenen sommige beoefenaars vonden; doch

-ocr page 188-

168

het waren slechts vluchtige lichtpunten, door een lange reeks van (luistere dagen achtervolgd. Voorbeelden van het eerste zijn het heldenlicht, de Nihelnngen, bij de Duitschors, dat, na verschillende omwerkingen, in de dertiende eeuw zijn tegenwoordigen vorm kreeg, en het hekeldicht Reinljc dc ros, uit denzelfdon tijd, wellicht van Franschen oorsprong, maar raedo in hot Nedeiiandsch en liet Duitsch voorkomende. Nog kan men wijzen op do menigvuldige voortbrengselen der Duitsche on der Noderlandsche minnezangers, de leerdichten der troubadours uit Provence on dor trouvcrcs uit Noordelijk Frankrijk, alsmede op den kring van gedichten, aan Karei don groote en zijn gevolg, aan Arthur en de ridders der rondo tafel gewijd.

Wal de wijsbegeerte betreft, ook zij telde in de eeuwen, waarin het grootste gedeelte der menschheid zich op den wapenhandel toelegde of onder harden druk zuchtte, weinige beoefenaars. En onder die weinigen ontstonden sedert de elfde eeuw hevige geschillen, die de gansciie Middeleeuwen door duurden. De beide richtingen, tusschen welke de strijd werd gevoerd, waren die dor rmlislen en dio der nominalisten. De eersten beweerden, in navolging van Plato, dat do begrippen, afgescheiden van de zaken, een zelfstandig bestaan hebben. Daarentegen leerden de nominalisten, in overeenstemming met Aristoteles, dat het menschelijk verstand slechts door de waarneming der dingen, die vooraf moet gaan, begrippen krijgt en dat die begrippen niets dan namen zijn. Beide richtingen, welker stelsel later nog nader werd bepaald en gewijzigd, tezamen vormen de wijsbegeerte dier dagen, de scholastiek, d. i. schoolsche wijsheid of spitsvondige leer der begrippen, geheeten, waarin do godgeleerdheid een gewichtige rol medespeelde. De meest bekende harer beoefenaars is de Fransche wijsgeer Abélard, uit de twaalfde eeuw, wien zijn liefde voor Héloïse, Fulberts nicht, zoo vermaard heeft gemaakt. De brieven, tusschen dit paar gewisseld, zijn wereldberoemd en in bijna alle Europeesche talen vertaald. Behalve Héloïse, welke hij in 't Grieksch en in 't Hebreeuwsch onderwees, had Abélard, die beurtelings als monnik, kluizenaar en openbaar leeraar leefde, duizenden leerlingen.

In tegenstelling met de overige landen van Europa, waar de wetenschappen gedurende het grootste deel der Middeleeuwen niet dan schaars werden beoefend, vonden zij steeds een toevluchtsoord in 'tOost-Eomeinsche lijk. Inzonderheid was dit na den beeldenstrijd meer en moer het geval. Constantinopel werd een hoofdzetel der geleerdheid, waar talrijke scholen voor wijsbegeerte, taal- en sterrekunde, enz. bestonden. De keizers en hun aanzienlijke dienaren wedijverden met elkander in 't begunstigen of beoefenen der verschillende vakken van kennis. In het Westen begon het getal van hen, die hun tijd aan de studie besteedden, grooter te worden, naarmate dat der geleerde- of hoogescholen toenam. Die van Oxford dagteekent reeds uit den tijd van Alfred den grooto, die van Bologna en Parijs uit de twaalfde eeuw, die van Weenen, Heidelberg, Keulen en Erfurt uit de veertiende eeuw, die van Leipzig uit het begin der vijftiende. Tegen het einde der Middeleeuwen werd Italië de wieg

-ocr page 189-

169

en bakermat der nieuwe beschaving. Hier leefde Dante Alighieri, in 1265 te Florence geboren, de dichter van de divina co media, een meesterstuk, ten allen tijde evenzeer liowondord als nog steeds door weinigen verstaan. Het bestaat nit drie doelen, hel, vagevuur en paradijs, en toont, dat do schrijver den geheelon schat der middeleeuwsche wijsheid ter zijner beschikking had. Ook Dante kende en waardeerde (ie oude schrijvers. Hij is het evenwel niet, maar Frans Petrarca, afkomstig uit Arezzo (ten z.o. van Florence), gestorven in 1374, wiens bewondering voor de Komeinsche lettoren, vooral voor Cicero, liet moest op de verlevendiging van den goeden smaak werkte. Een Europeeschen naam verwierf hij zoo door zijn Latijnschc brieven en andere werken in die taal, als door honderden Italiaansche gedichten op zijn liefde, vervaardigd ter eere van de fraaaie oogen van zijn beminde Laura, do echtgenoot van Hugo de Sado te Avignon. Even vermaard als Petrarca is zijn tijdgenoot Boccacio, de scheppor van hot nieuwe Italiaansche proza. Zijn hoofdwerk is dc decmnerone, d. i. tien dagen, een verzameling van honderd vertellingen, aan Spaansche en aan andere dichters ontleend en zóó ingedeeld, dat telkens in tien dagen tien novellen worden verhaald. In die verhalen vindt men menschen van allerlei stand, karakter en ouderdom naar het leven geschilderd.

-ocr page 190-

NIEUWE GESCHIEDENIS.

§ 76.

Inleidende opmerkingen. — De ontdekking van Amerika in 1492 en ran den ireg Ier xee naar Oost-Indië in 1408. — Ves-liging der Porlugecsche heerschappij in Oost-Indië.

Van de verovering van Constantinopel dagteekent als 't ware de wedergeboorte van 's menschen geest. Reeds vóór de inneming dier stad door de Tnrken ontstond in Italië een nieuw leven in do studie der Grieksohe letteren. Mannen als Petrarca, Boocacio en anderen (zie blz. 169) bewerkten do herleving dor klassieke letterkunde. In 't begin der vijftiende eeuw begon de beoefening dier letteren te Florence, en de geleerde Grieken, die uit Constantinopel naar Italië vloden, versterkten de liefde en de geestdrift voor do studie van de geschriften dor oudheid zoozeer, dat zij van nu aan meer en meer in het zuidelijk on westelijk Europa werden gelezen. Hierdoor ontstond eon algemeeno beoefening der letteren en ontwaakte een geest van onderzoek, wien niets vreemd bleef. Deze herleving van letteren en wetenschappen werd zeer bevorderd door do uitvinding der boekdrukkunst, met welke weldaad Laurens Janszoon Coster, naar men heeft gemeend, het menschdom zal hebben begiftigd, doch die mot meer recht schijnt te worden toegeschreven aan Johan Gutenberg, die omstreeks 1455 te Maints woonde. Zeker is het in allen gevalle, dat de algemeene verspreiding der boekdrukkunst door Duitschers plaats had.

Behalve deze belangrijke gebeurtenissen hadden er nog vele andere plaats, die zulk een krachtigen invloed oefenden op staat en kerk, op oorlog en handel, dat de goheele burgerlijke en kerkelijke maatschappij, handel en nijverheid, de onderlinge betrekking dor staten, mot één woord, 't goheele uitwendig en zedelijk leven zich in een geheel ander licht vertoonde en men den sinds verloopen tijd terecht als een nieuwe afdeeling der Algemeene Geschiedenis beschouwt. Als de kiemen der nieuwe orde van zaken moet men inzonderheid aanmerken, naast de verzwakking van het leenstelsel, 't gebruik van 't schietgeweer, waardoor de oorlog een kunst werd, waarvan het aanleeron geld en tijd kostte, weshalve van dit oogenblik af de opkomst dagteekent dor staande en der huurlegers,

-ocr page 191-

171

maar evenzeer die van liet burgerlijk leven en van de burgerlijke bedrijven; de kerkhervorming, waartoe Lnther het sein gaf, alsmede de ontdekking van Amerika en van den weg ter zee naar Oost-Indië, waarover in de eerste plaats valt te spreken. Ton aanzien van de onderlinge verhouding der Europeosche staten wordt, sedert het begin der zestiende eeuw, de grondslag hunner staatkunde, dat hel staatkundig evenwicht moet worden in stand gehouden, d. i. dat aller onafhankelijkheid behoort te worden beveiligd tegen de overmacht van een enkel rijk.

Op 't voorbeeld van Hendrik den zeevaarder (zie blz. 154) betrad menig Portugees de door hem aangewezen baan. In 1486 bereikte Bartholo-maeus Diaz de zuidelijke spits van Afrika, die eerst hel Voorgeheryte der stormeni doch welhaast door toedoen van koning jou an ii de Kaap de goede hoop werd genoemd. Vasco de gama ging verder, en 't gehikte hem in 1498 te Calicut (in 't z.w. van Voor-Indië, op de kust van Malabar) te landen. Zóó leerde men, dat Afrika van '1, n. naar 't z. steeds smaller werd en dat do vaart om de zuidelijke spits van dit werelddeel de zeeweg naar Oost-Indië is. Tot dusver toch had men de kostbare waren uit die streken grootendeels over land, langs zeer bezwaarlijke wegen, naar Europa gevoerd. Koning emanuel i of de oboote (1495— 1521), de opvolger van Johan II, benoemde een onderkoning over 't weldra in Indië verworven gebied, dat spoedig aanmerkelijk werd uitgebreid, en met de aangrenzende landen knoopte men handelsverbintenissen aan. Onder zijn regeering werd in 1500 nog door Cabral het land ontdekt, dat weldra, naar een zeker soort van hout, den naam Brazilië kroeg en later voor den koning van Portugal in bezit werd genomen.

In Azië omvatte het gebied der Portugeezen Goa (ten n. van Calicut), de hoofdplaats hunner heerschappij in Indië, Malakka (in 't z.w. van Achter-Indic), Ormuz (aan den zuidoostkant van den Perzisehen zeeboezem), Diu (een eiland ten n.w. van Bombay, aan de n.w. kust van Voor-Indië) en de Molukken. Op Ceylon, de Sunda-eilanden en de kust van Coromandel (de z.o. kust van Voor-Indië) legde men factorijen (kantoren en stapelplaatsen) aan. Zelfs met Sina en met Japan kwam men in handelsverkeer. De handel op Indië bleef middellijk oen alleenhandel van de kroon. Geen Portugees kon er deel aan nemen zonder vergunning der regeering, die zich bovendien enkele takken voorbehield. Slechts de regeering zond vloten af, en Lissabon was voor Europa de markt, waar vreemdelingen de specerijen en andere Indische waren konden koopen. Zooveel voorspoed en roem verhief 't volksgevoel onder alle standen. Camoëns' heldendicht, de Lusiade, werd een nationaal gedicht. Het heet zóó naar Portugals alouden naam, Lusitanië. Doch van langen duur was de bloei der Portugeesche heerschappij in Indië niet. Reeds in 't begin der zestiende eeuw nam hij een einde. De schuld hiervan droegen grootendeels de eigenbaat en de weelderigheid der Portugeezen zeiven.

Dat men, daar de aarde rond was, door een onafgebroken westelijken koers te houden, in Indië moest komen was een denkbeeld, reeds in de

-ocr page 192-

172

oudheid door Aristoteles en gedurende de Middeleeuwen door menigeen verkondigd. Maar tegenover hen, die dit als zeker aannamen, stond de grootero menigte van hen, die het donkbeeld verwierpen. Do verdienste van metterdaad te hebben volbracht hetgeen eeuwen lang slechts eon gedachte was geweest, een korteren weg over zee naar Indië te hebben gebaand, komt toe aan chiustopjiouits columbus, in 't Italiaansch Colombo, door do Spanjaarden colon geheeten. Hij werd, hoogst waarschijnlijk in 1450, te Genua geboren. Het plan koesterende om een korteren wog over zee naar Indië tc openen en aan zijn ondervinding als zeeman oen uitgebreide studie der zeevaartkunde parende, deed hij het Portugeesche hof den voorslag, hem de middelen te verschatten om zijn plan te ver-wezenlijkon. Maar dit hof versmaadde zijn diensten. Na in Spanje, waar toen Ferdinand en Isabella (zie blz. 153) regeerden, ook eerst vruchteloos hetzelfde aanzoek te hebben gedaan, vond hij or eindelijk gehoor.

Nadat Columbus bij een behoorlijk verdrag gewichtige voordoelen, alsmede do waardigheid van onderkoning over de te ontdekken landen, waren beloofd, ondernam hij in 1492 met drie ranke vaartuigen zijn eersten lochl. Na een vaart van ruim twee maanden ontdekte hij het eiland Guanahani, een der Bahama-eilanden, dat hij ter eere van Christus San Salvador noemde. Ook leerde hij de kust van Cuha kennen, benevens HispaniÖla, thans St. Domingo of Haiti geheeten, een der grooto Antillen. De tweede tocht, 1493—]49(), geschiedde met zeventien schepen en had do ontdekking van vole der Cardibischc eilanden of kleine Antillen, als Dominïea, die van Jam,ai ka en de stichting der stad Issabella op HispaniÖla ten gevolge. Ten einde de nieuwe ontdekkingen tegen de mededinging van andere volkeren te beveiligen vaardigde de paus een bul uit en sloot Ferdinand met Johan 11, koning van Portugal, in 1494 een verdrag, hetwelk de aarde in twee halfronden verdeelde. Als grens werd do meridiaan, 370 mijlen ton w. van de Kaap-Verdische eilanden, vastgesteld. Het westelijk halfrond werd Spanje, hot oostelijk Portugal toegewezen. Bij de algemeene onkunde in de zeevaart- en de aardrijkskunde en bij de gebrekkige kaarten, waarover men toen had te beschikken, valt het terstond in 't oog, dat noch dit verdrag, noch de bul, die iets dergelijks behelsde, eigenlijk kon worden nagekomen.

Intusschon was de droom van do duizenden gelukzoekers, die Columbus waren gevolgd, nog steeds onvervuld gebleven: het eigenlijke goudland moest nog altijd worden gevonden. Daarom kwam Columbus of den inval, do gelegenheid om mede te varen, bij wijze van vrijwillige verbanning, voor do misdadigers, die de gevangenissen vulden, open te stellen. De regeering gaf haai' toestemming, weshalve een groot aantal van zulke lieden hom op den derden tocht, 1498—1500, vergezelde. Hun werden in de nieuwe wereld stukken grond, als leenen, beloofd met de bevoegdheid, de inboorlingen als lijfeigenen te gebruiken. Men noemde dit later in Spanje hot stelsel der repartimiento's (verdeolingen). Gelijk Columbus dit stelsel in Amerika invoerde, zoo was hij het ook, die de

-ocr page 193-

173

Spanjaarden er aan gewende, honden te hebben, afgericht om op menschen jacht te maken, een barbaarsch gebruik, dat eerst in 1541 werd verboden.

Op dien derden tocht, waarop het eiland Trinidad (het zuidelijkste dei-kleine Antillen) en het vasteland van Amerika werden gevonden, dwongen ziekte en uitputting Columbus vooiioopig naar Hiapanidla terug te keeren. Intusschen was koning Ferdinand als bestormd met brieven uit Amerika van Columbus' benijders en vijanden, gelijk mede van dezulken, die hadden gehoopt in de nieuwe wereld schielijk en zonder veel moeite rijkdommen te zullen vergaderen, vooral van Roldan en zijn gezellen, die den groeten man van de ergste onderdrukking beschuldigden. Allen grond misten de beschuldigingen niet. Columbus had, terwijl hij steeds op vermeerdering van eigen goed bedacht was, zijn tochtgenooten geen billijk aandeel aan 't geen men vond gegund en verzuimd de kroon het haar toekomende te zenden. Op die klachten zond Ferdinand een scheidsrechter, Bovadilla, met de uitgestrekste volmacht af; maar hij was dit vertrouwen onwaardig en misbruikte liet om Colombus te vernederen. De koning herstelde hom wel in zijn eer, doch niet in zijn waardigheid van onderkoning. Nadat Columbus gedurende een vierden tocht, 1502— 1504, bij de landengte van Panama vruchteloos een doorvaart naar de Indische Zee had gezocht, keerde hij naar Spanje terug, waar hij in 1500 overleed, meenende dat hij Indië had bereikt, maar ver van te vermoeden, dat hij de ontdekker was van een nieuw werelddeel. Het mocht zijn nakomelingen niet gebeuren, den naam dos grooten mans in de benaming van hot door hem ontdekte werelddeel vereeuwigd te zien. Dit hootto eerst geruimen tijd de nieuwe wereld. Later kwam de naam Amerika algemeen in gebruik, ontleend aan den Florentijn Amerigo Vespucci, een tijdgenoot van Columbus, die verscheiden reizen naar dit werelddeel had gedaan en er 't eerst een beschrijving van gaf.

§ 77.

De eerste reis rondom de wereld door F. Magelhan, ran 151'.) tot 1521. — Vestiging der Spaansehe heerschappij in Amerika. — F. Cortex verovert Mexiko, van 151!) tot 1521. —■ Verovering van Peru, van 1521 tot 1535. — Toestand der provinciën va)i Spaansch Amerika. — Voor de. den en gevolgen der ontdekkingen:

Het werk, dat Columbus niet had mogen voltooien, werd door andoren voortgezet. Balboa, op een gezegde van een der Amerikaansche kaüken (inheemsche vorsten) afgaande, zag in 1513, na een reis van vijfentwintig dagen over de landengte van Panama, de Zuiderzee voor zijn verbaasde blikken liggen. Daarop stevende FEKniNANo magelhan, een Portugees, die zijn diensten aan het Spaansehe hof had aangeboden, 1519—1521, langs de Oostkust van Zuid-Amerika en bereikte ton laatste de straat,

-ocr page 194-

174

die zijn luiam clniagt on die hij in twintig dagen doorzeilde. Vervolgens zette hij zijn koers door don Oceaan bij zulk gunstig weder voort, dat hij op het denkbeeld kwam, hem ch stille Zuidzee te noemen. Na drie maanden on twintig dagen te hebben gevaren, bereikte men de i'hilip-pijnsche eilanden (ten n.o. van Borneo), waar Magelhan in een gevecht tegen de wilden omkwam (1521); maar zijn tochtgenooten, die om Afrika heen naar Spanje, vanwaar men was uitgegaan, terugzei 1 den, volbrachten de eerste reis rondom, de wereld.

Allengs bemachtigden intusschen do Spanjaarden het grootste en schoonste deel van Amerika. Ton einde het gebied der Spaansche kroon te ver-grooten ging feuuinand coutez in de richting, door Columbus aangeduid, voort. In 1519 landde hij met een kleine bende van eenige honderden in een der landstreken, behoorende tot hot rijk der Azteken of het Mexikaansche rijk, dat door Montozüina werd beheerscht. In weerwil der tallooze geschenken van den vorst en van zijn vele malen herhaald bevel om terug te keeren, trok Cortez, door Indische stammen, inzonderheid door de Tlascalanen, bijgestaan, hot land door, veroverde de hoofdstad Mexico en nam den koning als gijzelaar bij zich. Doch weldra word Montezuma bij een oploop door zijn eigen onderdanen, die wegens zijn vrijwillige onderwerping of zijn voorgewend bondgenootschap mot de vreemdelingen op hem verbitterd waren, zoo zwaar gewond, dat hij kort daarna stierf, waarop Cortez met do zijnen wederom werd verdreven. In 1521 veroverde Cortez voor de tweede maal de hoofdstad, waarop de overige gewesten des rijks zich weldra onderwierpen. In 1528 keerde hij naar Spanje terug en werd door zijn vorst. Karei V, met schitterende waardigheden en uitgestrekte landstreken in Mexiko beloond. Maar gelijk vroeger aan Columbus, werd hem het burgerlijk bestuur over het gebied, door hem aan de kroon van Spanje toegevoegd, onthouden.

Fiïans pizakko, die Balböa op zijn reizen had vergezeld, vereenigde zich in 1522 met tweo andere Spanjaarden, d'Almagro en den priester de Lu(|ue, om dat goudland aan de Zuiderzee op te zoeken, waarvan Balböa het eerst bericht had bekomen. Wel landde Pizarro, evenals d'Almagro, bij herhaling in Peru; doch gebrek aan manschappen dwong hen telkens tot terugkeer. Later, in 1531, nam Pizarro, thans door Karei V tot landvoogd van het te veroveren land benoemd, op nieuw die taak op zich met een bende van nog geen 200 man, waaraan d'Almagro zich met een ongeveer even talrijke schaar aansloot. Reeds diep in 't land doorgedrongen, vernamen zij, dat er tusschen de twee stiefbroeders Huascar, vorst of Ynka van Peru, en Atahuallpa, die Quito be-heerschte, verdeeldheid bestond. Deze geschillen maakten de landontdekkers zich te nutte. Nadat de poging, op last van Pizarro door een monnik, Valverde, aangewend om Atahuallpa te overreden, volgens den wil des pausen cijnsbaar te worden aan den koning van Spanje, was mislukt, namen de Spanjaarden Atahuallpa, die juist zijn broeder in zijn macht had bekomen, gevangen en persten den Peruanen vele schatten

-ocr page 195-

175

af. Vervolgens lieten /ij den ongelukkigen Ynka, eenigen tijd nadat hij zijn stiefbroeder had laten doodon, op een schandelijke wijze ombrengen. Alsnu was het een lichte taak, de hoofdstad Cnzco en het gansohe rijk-te onderwerpen en aan de kroon van Spanje te hechten. Licht was die taak, omdat, zoowel hier als in Mexiko, do ruiterij, waarmede de Spanjaarden de inboorlingen bestreden, de schepen, welke'hun als beweegbare vestingen schenen, het kraken van 't geschut en het ijzer, waarmede zij waren overdekt, hen met zulk een bijgeloovige vrees vervulden, dat zij de Europeanen voor goden hielden. Hierbij kwam de doodelijke schrik, die hen beving op 't gezicht der honden, welke de Spanjaarden op hen aanhitsten. Weldra ontstond er twist tusschen de ontdekkers zeiven. Pizarro liet d' Almagro uit den weg ruimen, maar verloor zelf in 1541 liet leven ten gevolge van een samenzwering der aanhangers van zijn mededinger. Middelerwijl breidden zich de ontdekkingen in Zuid-Amerika steeds verder uit. (Dok Quito en Chili werden veroverd.

Het waren geen barbaren, die do bevolking dor nieuw ontdekte landen uitmaakten. De Mexikanen stonden op een eigenaardig standpunt van beschaving. Hun land telde vele steden en was dicht bevolkt. Zeer bloeiden er de landbouw, de handel en eenige takken van nijverheid. Het schrift der Mexikanen bestond uit afbeeldingen van zichtbare voorwerpen. Vooral muntten zij uit in liet bearbeiden van metalen en van verschillende soorten van steen. Hoe ver zij het in de bouwkunst hadden gebracht, toonden de prachtige tempels, paleizen en pyramiden, die de Spanjaarden bij hen aantroffen. Ook de Peruanen verkeerden niet langer in den staat der kindsheid. Het is onzeker, of zij het schrift kenden; maar in alles, wat den akkerbouw, de bouwkunst en de nijverheid betreft, behoefden zij voor de Mexikanen niet onder te doen.

Al deze landen nu eu andere, door Spanje in Amerika veroverd, werden provinciën van het moederland en kregen onderkoningen, als plaatsvervangers des konings, tot bestuurders. De onderkoningen ontvingen hun bevelen van den raad van Indië, die alleen van den koning afhankelijk was en te Madrid zijn zetel had. Voor zaken van koophandel was een gereehlsliof van koophandel, te Sevilla (in 't z., aan de Q-uadalquivir) gevestigd, aan dien raad ondergeschikt. Aanstonds na do verovering dwong men de inboorlingen, den katholieken godsdienst aan te nemen. Door 't stichten van steden, kloosters , bisdommen en zelfs van hooge,scholen poogde men het land op Spaansche wijze te beschaven. Het grootste voordeel, dat Europa uit de nieuwe koloniën trok, bestónd eerst in edele motalen, later ook in de opbrengst der plantaadjes. Vreeselijk was de mishandeling der inboorlingen, de Indianen, aan welke men den zwaarsten arbeid in de bergwerken opleide. Deze mishandeling werd een duurzame kwelling en nam steeds toe, sedert Ferdinand het stelsel der repartimiento's (zie blz. 172) vrij algemeen invoerde. Het nieuw verworven gebied werd in een zeker aantal distrikten verdeeld, en elk Spanjaard kreeg er een. Vele aanzienlijke Spanjaarden behoefden niet eens de zee over te steken. Zij lieten

-ocr page 196-

176

hun bezittingen door plaatsvervangers besturen, die, omdat zij ook zeiven fortuin wilden maken, de inboorlingen nog onmenschelijker behandelden. Bij het toewijzen van repartimiento's bedong de kroon een zeker aandeel van de opbrengst der mijnen of van het land. Het naaste gevolg der invoering van dit stelsel was een geheele ontvolking van Amerika. Vele Indianen doodden zich uit wanhoop, anderen kwamen van vermoeienis en ellende om.

Hetgeen de Spanjaarden in de eerste plaats in Amerika zochten en vonden waren edele metalen. De rijkdom vooral van zilver ging aller verwachting te boven. Beroemd waren de mijnen van Potösi (in 't z. van het tegenwoordige Bolivia). Eerst later kreeg Spanje andere voortbrengselen uit de nieuwe wereld, als cochenielje, indigo, tabak, kina, enz. Onder datgene, dat de Spanjaarden hot eerst uit Amerika naar Europa overvoerden, behoorden ook dc, aardappelen. Zij groeiden er, inzonderheid in Chili, in 'twild. Tegen het einde der zestiende eeuw werden zij mede in Italië gekweekt, werwaarts Spaansche of Portugoesche monnikken ze overbrachten. Do Spaansche haven, waarheen de Amerikaansoho schatten werden vervoerd, was Sevilla, later Cadix. Een paarmalen in't jaar voer de vloot, met kostbaarheden beladen, deze haven binnen. Voorzeker waren de inkomsten, die de kroon van Spanje uit deze bron trok, niet gering. Intusschen zijn de sommen, waarop ze neerkwamen, veelal zeer vergroot. Ton tijde van Karei V waren de Nederlandscge gewesten voor de regeering van Spanje veel winstgevender dan de Amerikaansche bezittingen. Eerst onder Philips II bracht Amerika veel meer op dan gedurende het leven zijns vaders.

Tegen de mishandeling der Indianen verhief zoowel de geestelijkheid in 't algemeen, als inzonderheid één hunner. Las Casas, die in 1502 in Amerika aankwam en in 1566 is overleden, met nadruk zijn stem. Toen men daarom voorsloeg, de Indianen door negers uit Afin ka te laten vervangen, hechtte Las Casas, slechts op zijn hoofdoogmerk bedacht, hieraan zijn zegel. Niet dat de negers sterker waren dan de Indianen; doch zij voegden zich betrekkelijk gemakkelijker in hun lot dan deze, die zich door de slavernij zóó gedrukt gevoelden, dat zij niet langer geschikt waren tot arbeid. Op deze wijze ontstond alzoo de onmenschelijke, nu zelfs nog niet geheel onderdrukte slavenhandel, die door de Spaansche regeering volgens een pachtcontract, assiento geheeten, met de Portugeezen, de Engelschen en de inboorlingen van de kust van Guinea werd gedreven.

De bevolking van Spaansch-Amerika bestond sedert de zestiende eeuw uit velerlei bestanddeelen, die steeds van elkander gescheiden bleven. Het was, alsof zij in kasten was gesplitst. Slechts de geboren Europeanen, chajietonen geheeten, mochten ambten bekleeden. Hen, die uit Europeesche ouders gesproten, maar in Amerika geboren zijn, noemt men Kreolen. Mulatten zijn zij, die gesproten zijn uit een verbintenis van een Europeaan met iemand van het negerras. Meslixen (gemengden) heeten zij,

-ocr page 197-

die hun geboorte zijn verschuldigd aan do verooniging van eon Europeaan met een Indiaanscho.

Gewichtig waren do gevolgen der vele ontdekkingen. De kennis der natuur en van don aardbol maakte verbazende vorderingen en nam een geheel nieuwen vorm aan. De handel, die zich tot do meest afgelegen doelen der aarde uitbreidde, kroeg eon andore gedaante eu werd langs andere wegen gedreven. Voor den landhandel kwam de zeehandel in do plaats. Van dien zeehandel waren niet do landen, aan de Middellandscho Zee gelegen, gelijk weleer, maar die van Westelijk Europa, aan den Atlantischen Oceaan, de hoofdzetel. Deze handel gaf aanleiding tot de opkomst der zeemogendheden, Engeland en de Nederlanden. Van nu aan oefenden de volkplantingen eerst dor l'ortugeezen en der Spanjaarden , later ook van andere Europoosche volkeren, van do Engelschen on van de Nederlanders vooral, een belangrijken invloed op Europa. In die vreemde landen werden de in Europa heerschendo godsdiensten verbreid. Zoowel Europa in 't algemeen, als sommige Europeosche staten in 't bijzonder trokken allerlei voordeden uit die volkplantingen. Veel is ons werelddeel aan die streken verplicht ter zake van de vermeerdering der verscheidenheid zijner genietingen en wegens de uitbreiding en de vermenigvuldiging zijner takken van nijverheid. Behalve die algemeene voordeelen bobben de staten, die het moederland zijn of geweest zijn van de volkplantingen, haar allerlei rechtstreeksche inkomsten of baten te danken.

Van den anderen kant hebben de volkplantingen niet altijd ruime stof gehad om op de bejegening van het moederland te roemen. Zij hebben dikwijls den druk ervaren der ontdekkers en beheerschers. Menige bepaling, vastgesteld ten behoeve van den handel van het moederland, was nadeolig voor de volkplanting. Wat intusschen de koloniën over 't geheel aan die inmenging van vreemdelingen verschuldigd zijn is hot binnendringen van betore gebruiken, zeden en gewoonten, hot verspreiden van kiemen, die tot de vorming van groote mannen hebben bijgedragen, welke ten nutte dier landstreken hebben gewerkt.

§ 78.

Oorlogen in Italië om Napels en om Milaan, van 1494 tot 1515. — Duitse]dand onder Maxirniliaan I, keizer uit het Hahshurgsche huis, van 1493 tot 1519. — Karei V, van 150G tot 1556.

Tegen het oinde der vijftiende eeuw werd Italië het doel der veroveringen, het mikpunt, waarop Europa's staatkunde voornamelijk was gericht. Do machtigste vorston van dit'land, onderling door ijverzucht verdeeld, verschaften zeiven aan vreemde veroveraars meer dan één gewenschte gelegenheid, ton einde zich de hangende geschillen te nutte te maken. Zóó trok in 1494 de zoon en opvolger van Lodewijk XI in Frankrijk,

Wijnne, Handboek der Ahj. Geschiedenis, 7iie druk. 'I'2

-ocr page 198-

178

k a is k r. vin (zio biz. 148), als erfgenaam dor aanspraken van hot huis Anjon oj) Napels (zie biz. 134), met een loger naar Italië, om die to doen golden. Zonder slag of stoot viol hot rijk in handen der Fransohon; maar oven spoedig verkeerde de kans. Togen Karei word een verbond van onderscheiden vorston gesloten, dat do Franschon noodzaakte Italië to ontruimen. Nog grooter onrust veroorzaakte Kareis neef en opvolger, lodewlik xii, in Italië. Eerst wendde hij zich, als kleinzoon van Valen-tïna Visconti, een dochter van Johan Galeazzo (zio blz. 155), tegen Milaan, vervolgens togen Napels. Hot eerste veroverde hij in 149!) op Ij ode wijk Moro, d. i. den zwarte, den tweeden zoon van Frans Sforza (zie blz. 155). Tot het verkrijgen van Napels (zie blz. 156) sloot bij oen verbond met Ferdinand den katholieke (zio blz. 153); doch toon do verovering was voltooid, ontstond er geschil over de doeling, zoodat Lodewijk, nadat zijn troepen togen Ferdinands beroemden veldheer Gon-sale de Cordova ongelukkig hadden geoorloogd, in 1505 afstand van Napels moest doen.

Paus was destijds Alexander VI (Borgïa), iemand, dio op niets anders bedacht was dan op zinnelijk genot en op hot verschatten van waardigheden aan zijn zonen. In zijn hoofddoel om de goederen der kerk aan zijn familie te brengen slaagde hij niet. Slechts kort bezat zijn zoon Cesar Ferrara en Bologna. Even berucht als zijn vader was die zoon, alsmede zijn zuster Lucrotia, zoowel door een losbandig leven, als doordien zij in allerlei misdaden, bovenal in het giftmengen en moorden, uitgeleerd waren. Hevig ijverde tegen het bederf der zeden in kerk en staat de Dominikaner-monnik Savonarola (zie blz. 155), die eerst eenigon invloed op het volk te Florence verwierf, maar door toedoen van Alexander VI als kotter op don brandstapel omkwam.

Alexanders opvolger, Julius II, herstelde den Kerkolijken Staat in zijn voormalig gebied en sloot hierop in 1511 mot Venetië, Ferdinand den katholieke en Hendrik VIII, koning van Engeland, een verbond, de heilige ligne, om Lodewijk XII uit Milaan te verdringen. Dit doel werd bereikt, en Milaan kwam, als hertogdom, aan Maxi mi liaan Sforza, den oudsten zoon van Lodewijk Moro. Doch wat Lodewijk had verloren herwon zijn neef en opvolger, fkaxs i (1515—-1547). Hij, hot toonbeeld van een ridder van die dagen, sloot een verbond mot Venetië, terwijl keizer Maximiliaan I, Ferdinand de katholieke en de Zwitsers Maximiliaan Sforza ter zijde stonden. Na een tweedaagschen veldslag bij Marignano (ton z.o. van Milaan) in 1515, waarin Frans, bijgestaan door de Venetianen, de Zwitsers, tot dusver nimmer overwonnen, versloeg en zich door den echten ridder Bayard, dien zijn landgenooten den ridder zonder vrees en zonder blaam (le chevalier sans peur et sans reproche) noemden, tot ridder liet slaan, stond Sforza hem zijn hertogdom tegen een jaarwedde af. In 1516 kwam de vrede tusschen al de oorlogvoerende partijen tot stand. In 't zelfde jaar sloot Frans mot paus Leo X (zie blz. 180) een concordaat, waarbij don paus zekere in-

-ocr page 199-

179

komsten uit Frankrijk werden toegelegd, maar dat den koning het recht toekende de bisschoppen der Fransche kerk te benoemen.

Maximiliaakquot; i (1493—1519), een zoon en opvolger van Freclerik III in Duitschland, dio ijverig deel nam aan de buitenlandsche aangelegenheden, rustte evenmin met betrekking tot hot binnenlandsch beheer. Een groote weldaad bewees hij in 1495 aan Duitschland door het vaststellen va.i een eeuwigen binnenlandschon vrede en door het oprichten van een keixerlijk kamergerecht, dat, behalve uit adellijken, ook uit rechtsgeleerden bestond en allo veeten had na te gaan. Na de oprichting van het kamergerecht gingen de veemgerechten (i:io blz. 130), welker vonnissen, als door niet-rcehtsgeleerden geveld, nu weldra in minachting geraakten, allengs te niet. Vorder verdeelde Maximiliaan Duitschland in tien kreilsen. Krachtig bevorderde hij de verhef-ling van zijn geslacht door hot huwelijk van zijn zoon, phimps i (in Castilië, II in Holland en Zeeland, zie blz. 161) of den scuoone, mot Johanna, een dochter van Ferdinand en Isabella van Spanje.

Ofschoon Philips de schoone do vruchten van zijn huwelijk niet zelf plukte, word toch de toegenomen macht van het Habsburgsch-Oostenrijksch-Spaansche huis spoedig blijkbaar onder zijn zoon. Dit was kabel, v, zooals hij steeds wordt genoemd, die in Spanje, Utrecht, Friesland en Overijsel de eerste, in Limburg, Brabant, Namen, Henegouwen, Holland, Zeeland, Groningen on Drente de tweede, in Gelderland, Luxemburg en Vlaanderen de derde, in Duitschland de vijfde vorst van dien naam is. In 1500 te Gent geboren, werd hij in 150G, door den dood zijns vaders, hertog van Brabant, graaf van Vlaanderen, alsmede onder verschillende titels souverein der overige Zuidelijke Nederlanden, toen zoovele zelfstandige staten. Tegelijk volgde hij hem op als graaf van Holland en Zeeland on werd na het overlijden zijns grootvaders, Ferdinand den katholieke, in 1516, koning van Spanje.

Van 't oogenblik af dat hij den troon bestoog, was Karei er op bedacht, de vorstelijke macht in Spanje op vasten grondslag te vestigen. Do gewoonte der groote edelen of (jranden om eigen huurlingen in dienst te hebben verviel vanzelf, nu er in het land zelf geen oorlogen moer waren te voeren. Do koning zorgde er verder voor, hen noch voor don buitenland-schen krijg, noch in dienst van don staat te bezigen. Sedert 1538 riep hij nooit weder een algemeene vergadering der stenden van het gansoho rijk bijeen en sloot den hoogon adel van de cortez der bijzondere staten uit. Den eens zoo groeten invloed der cortez van Castilië, thans slechts uit afgevaardigden van achttien steden bestaande, verbrak hij door te bepalen, dat de steden aan haar afgevaardigden geen beperkte volmachten mochten medegeven en dat do beraadslaging over de toestemming of de weigering der gelden, door do kroon aangevraagd, in de cortez moest voorafgaan aan hot indienen van bezwaren tegen de rogeoring.

Karei V, eerst in 1517 in Spanje aangekomen, verliet het weder in 1520 op de tijding van den dood zijn grootvaders Maximiliaan en van zijn daarop gevolgde verkiezing als keizer van Duitschland. In weerwil

12*

-ocr page 200-

180

toch van do pogingen, dio Frans I (zio biz. 178) aanwendde, en van de groote geldsommen, ■waarmede hij de keurvorsten voor zich zocht te winnen, boden zij Karei de Duitsehe kroon aan, nadat een van hen, Fr e der ik de wijze van Saksen, haar had geweigerd. De ruime sommen, door Karei van zijn kant ter beschikking van de keurvorsten gesteld, en vooral de overweging, dat hij van Duitsehe afkomst en een spruit uit het Habsburgsche huis was, deden de sehaal tot zijn voordeel overslaan. Nadat karkr. v (1519—1556) een verlciexings-capitulatie had bezworen, die den keizer schier van alle macht tegenover do vorston van 't rijk beroofde, word hij in 1520 te Aken (in Rijn-Pruisen, ten z.w. van Keulen) gekroond. De wrok, dien Frans over Kareis verkiezing voedde, gevoegd bij zijn aanspraken op Napels (zie blz. 156), en aan den andoren kant hot beweren van Karei, dat hij rechten had op het bezit van Bourgondiö (zie blz. 147 vgl.) en van Milaan leverden stof genoog tot oen vijandschap, die zich door vier achtereenvolgende oorlogen lucht gaf.

§ 79.

De oorlogen van Kavel V tegen Frans I, van 1521 tot 1544. — Kavel tochten tegen de Afrikaansclie zeeroovers. — Soleiman 11, sultan der Ottomanische Turken, van 1520 tot 15GG.

De vior bedoelde oorlogen kunnen, in oen zekeren zin, als oen vervolg van de vroegere om het bezit van Italië worden aangemerkt. Nog steeds hechtte zich aan het denkbeeld van do heerschappij over dit land hot begrip van oez zeker overwicht in Europa. Op don eersten blik moest het schijnen, dat Frans op verre na niet bestand was tegon Karei, wien vier natiën, Spanjaarden, Italianen, Duitschers en Nederlanders, hun heer noemden. Doch hier stond tegenover, dat de koning van Frankrijk boter in staat was over al do krachten van zijn rijk te beschikken en dat Kareis stoten zoor uiteen lagen. Niet lang duurde hot, of de eerste oorlog (1521—152G) barstte los, waarin Karei koning Hendrik VIII, Venetië en paus Leo X, don tweedon zoon van Laurens de Medici, gelijk weldra zijn opvolger Adriaan VI, tot bondgonooton had. Koods spoedig verloor Frans Milaan on werd in zijn plannen tor herovering van dezo stad gestuit door don afval van den connciable (opperbevelhebber) Karei van Bourbon. Hem, den oorsten prins van don bloede on bezitter van groote loongoecleren, had do koning, waarschijnlijk uit wantrouwen , niet zulk oen gewichtig deel aan do krijgsondernomingen gegund, als waarop zijn geboorte, zijn hoogo rang en zijn bekwaamheden hom recht schonen te geven. Bovendien maakte Louise, 's konings moeder, hem waarschijnlijk op die wijze tot een tweede huwelijk met haarzelf zoekende te brengen, na den dood zijner echtgenoot aanspraak op een deel der nalatenschap van die overleden gemalin, tewijl de koning een ander gedeelte dezer nalatenschap aan do kroon wilde trekken. Dit alles

-ocr page 201-

verbitterde den eonnétable en bewoog hem, eon verbond tc sluiten met do vijanden van zijn vaderland, Karei en Hendrik. Met Kareis beroemden voldhoer Pescara rukte hij in 1525 aan tot ontzet van Pavïa, hetwelk Frans, na eerst Milaan te hebben heroverd, had ingesloten, en behaalde in den slag bij die stad een volkomen zege, waaraan hot gevangen nemen van don koning van Frankrijk do kroon opzette. Bij den vrede van Madrid in 1526 liet Frans, wien zijn gevangenschap te Madrid zeer verdroot, Bourgondië varen, zag van Milaan af, deed afstand van de souvereiniteit over Kroon-Vlaanderen en Artois, beloofde den hertog van Bourbon in zijn goederen to zullen herstellen en herkreeg hierdoor zijn vrijheid. Maar in zijn plaats moesten zijn beide oudste zonen als gijzelaars naar Spanje gaan.

Frans evenwel dacht er in de verte niet aan, zich aan do gestelde voorwaarden te houden. Weigerende den gesloten vrede to bekrachtigen en den hertog van Bourbon iets terug te geven, sloot hij nog in 1526 het heilige verhond met paus Clemens VTI, een neef van Leo X en gelijk hij uit liet huis der Medici gesproten, en met Venetië, waarbij de koning van Engeland zich weldra aansloot. De tweede oorlog (1527—1529) ving op nieuw bij Milaan aan, dat Bourbon innam. Intusschen begon het leger van Karei van Bourbon, dat voor een deel uit Duitschers, die de leer van Luther beleden, bestond on sedert maanden geen soldij had gekregen, zeer onhandelbaar te worden. Om do roofzuchtige soldaten tevreden te stollen nam Bourbon genoegen in een krijgstocht naar Rome, naar welks schatten de Duitschers sinds lang gretig uitzagen. Een van de eersten onder Rome's vijanden, die bij den aanval sneuvelden, was Bourbon, op liet punt staande een stormladder to beklimmen. Doch de stad, van geen genoegzame bezetting voorzien cn door de' bevolking slechts flauw verdedigd, werd in een oogenblik ingenomen. Vroeselijk was haar lot. Hot ■'■orwildordo krijgsvolk spaarde niets, geen kloosters of kerken, zelfs niet do St. Pieterskerk. Duizenden werden vermoord of zwaar mishandeld. De paus, een tijdlang in den Engelenburg ingesloten, kwam er ton laatste toe, een nadeelig verdrag aan te gaan, volgens hetwelk hij vooreerst als gevangene van hot leger bleef, totdat hij togen 't eind van 1527 wist te ontkomen. In 1529 bewerkten Margarëta van Savoye, 's keizers tante, on Louise, dat or te Kamerjk een vrede (de damesvrede) werd gesloten, waarbij Frans voor een zware geldsom zijn zonen en Bourgondië terug-kreeg. Ten bewijze van de goede verstandhouding, die kort daarop tus-schon Karei en don paus ontstond, dient, dat de paus, Clemens VII, hom in 1530 to Bologna (in 't n.o. van den Kerkelijken Staat) als koning van Italië en als keizer kroonde. Hij was do laatste koning van Duitsch-land, wien deze eer tc beurt viel.

In 't zelfde jaar schonk Karei V aan de ridders van St. Jan, door soLEiMaN ii, sultan der Ottomanische Turken (1520—1560), uit Rhodus verjaagd. Malta, dat destijds aan Napels behoorde, weshalve zij ook Malleserridders lieeten. Na de verovering van Rhodus versloeg Soleiman in 1526 lodewijk ii, koning van Bohomen en van Hongarije en echtgenoot

-ocr page 202-

182

van Maria, een zuster van Karei V, bij Mohacz (ten z. van Ofen, aan den Donau), in welken slag Lode wijk omkwam. Nu nam de sultan Ofen in en belegerde in 1529 mot een ontzaglijk leger quot;Wconcn, dat slecht versterkt was. Maar tot geluk voor Europa dwong de heldhaftige bezetting, bijgestaan door do wakkere burgerij dor stad, deze vijanden der Christenheid tot den terugtocht. Do kronen van Bohemon en Hongarije verwierf, hoewel in 't laatste rijk niet zonder langdurige tegenkanting, de broeder des keizers en aartshertog van Oostenrijk, Ferdinand, dio met Anna, een zuster van Lodowijk II, getrouwd was. Van dezen tijd af werd hot als onzeker aangemerkt, of de kroon van Hongarije erfelijk was, dan wel, of do stenden do bevoegdheid hadden, telkens, bij don dood van oen koning, een nieuwe keuze te doen. Daarentegen nam men vrij algemeen aan, dat de koninklijke waardigheid in Bohemen sinds 1526 erfelijk was in het Habsburgsohe huis.

Na de korte verpoozing, die Frans hom na den tweeden oorlog gunde, wachtten Karei V andere werkzaamheden. Begeerig om aan de zeeroove-rijen der Mooren in Noord-Afrika paal en perk te stellen, stevende hij tweemaal derwaarts. In 1535 moest de beheerscher van Tunis do oppermacht van Spanje erkennen, en ten minste 10,000 Christenslaven werden in vrijheid gesteld. De tweede tocht, tegen Algiers gericht, geschiedde in 1541, maar liep vruchteloos af. De derde oorlog (1536—1538) leverde geen ander merkwaardig feit op dan de verovering van Savoye door Frans op 's keizers zwager Karei III. Be vierde eindigde in 1544 mot den vrede van Orepij (ton n.o. van Soissons), waarbij word bepaald, dat Frans van Napels, Karei van Bourgondië zoude afzien en Savoye in handen der Franschen bleef. Het hertogdom Milaan gaf Karei aan zijn eigen zoon Philips in leen.

§ 80.

Het begin der kerkhervorming in Duitschland en in Zwitserland in 1517. — Maarten Lulher, Philips Melanehthon en Ulrich Zwingli.

Al in de vijftiende eeuw werd de behoefte aan een verbetering der kerk in hoofd en leden (zie blz. 139) levendig gevoeld en vurig begeerd. Gedurende den loop der tijden toch waren velerlei misbruiken de Chris-lijke kerk binnengedrongen. Vele pausen jaagden tijdelijke oogmerken na en bekommerden zich weinig om de geestelijke behoeften der Christenen. Zijzelven, de bisschoppen en de overige geestelijken leidden een leven, dat in menig opzicht met hun roeping in lijnrechte tegenspraak was. De kennis, die de meesten hunner van 't Evangelie hadden, was zeer gering. Do plichten, welke de dienaren der kerk haddon te vervullen, werden veelal verwaarloosd, daar zij die vervulling aan slecht bezoldigde plaatsvervangers opdroegen. Het ontbrak dan ook niet aan mannen, die tegen de hoerschonde gebreken optraden en ze dos te vrijmoediger bestreden.

-ocr page 203-

183

lioo moor hun geest door rle herleving of de op nieuw ontwaakte studio der oudheid aan onderzoek en nadenken gewoon was geworden. In dozen zin werkten do Nederlanders Wessel Gansfort, gestorven in 1489, Rudolf Agrioóla (Huisman), Desiderius Erasmus (Gerrit Gorritz), alsmede von Hutten, Reuchlin en andere Duitschers. Zij allen baanden voor de horvorming don weg. In tegenspraak hiermede bleek het, dat men van den kant dor kerk niets liever dood dan werkeloos bij liet oude volharden. Zóó kwam het ten laatste, in plaats van tot eon hervorming, tot oen scheuring in do kerk.

De naaste aanleiding hiertoe was deze. In 1517 besloot paus Leo X (zie blz. 180), die altijd ou inzonderheid thans geld noodig had, zoowel tor herstolling en ter verfraaiing der St. Pieterskerk, als om zijn zuster geschenken te kunnen geven, zich dit door verkoop van aflaten bij do Duitschors te verschatten. Deze aflaten, aanvankelijk slechts een afkoop dor boetedoeningen, door de kerk voorgeschreven, waren geheel ontaard, zoodat men, bij de onwetendheid dier tijden, tot de dwaling verviel, dat ieder voor geld vergiffenis der zondeschuld zelve kon koopen, een verwarring van begrippen, die voor godsdienstzin en zedelijkheid de schro-molijksto gevolgen had. De pausen grondden de kracht dezer aflaten op de goede werken, welke de heiligen, boven en behalve dio, waartoe zij verplicht waren, hadden verricht en waarover de paus, als opperhoofd der kerk, de vrije beschikking had. In Saksen kwam de Dominikaner Tot zei en dreef er den handel in aflaten op zeer groote schaal. Velen berispten deze handelwijze; maar maakten luïiieu verzette zich er tegen.

Hij beweerde, dat de aflaten, togen do bedoeling van don paus, zóó worden voorgesteld en aangeprezen. Nog was het doel: hervorming en geen afscheiding. Luther, in 1483 te Eisleben (in Pruisisch Saksen) uit niet zeer welgestelde, ofschoon geenszins behoeftige, ouders gesproton, begaf zich later naar de hoogeschool Ie Erfurt (ton z.w. van Eisleben), om or, gehoor gevende aan 't verlangen zijns vaders, do rechtsgeleerdheid to beoefenen. Doch hot lezen van een Latijnschen bijbel, dien hij op do bibliotheek dier hoogeschool vond, gevoegd bij een zware ziekte, waardoor hij werd aangetast, en bij den plotsolingen dood eens vriends, bracht een geheole omkcering in hem te weeg. ïen einde rust te zoeken voor den angst, die zijn ziel voortdurend kwelde, ging hij in een Augustijner klooster, waar hij ze echter niet vond. Vandaar werd hij als hoogleeraar in do godgeleerdheid naar Wittenberg (aan de Elbe) boroepon. In 1510 vertoefde hij, voor aangelegenheden zijner orde, eenigen tijd te Rome en leerde er de geestelijkheid niet van de gunstigste zijde kennen.

Naar akademisch gebruik sloeg hij nu, bij do komst van Tetzol, don Sisten October 1517, vijfennegentig stellingen over do kracht en de botee-kenis van den aflaat aan de hoofdkerk te quot;Wittenberg aan, in een van welke hij zich togen do aflaten op don paus beriep. Ras werden zij door den druk verbreid, en Luthor werd voor don paus gedaagd. Maar toen Frederik do wijzo (zie blz. 180), dien de paus meende te moeten ontzien, omdat

-ocr page 204-

hij wenschto, dat deze keurvorst Karei V bij do verkiezing tot keizer zijn stem zon onthouden, voor Luther in de bres sprong, droeg Leo achtereenvolgens aan verschillende mannen de taak op, den monnik tot zwijgen te biengen. Deze mannen, de kardinaal Cajetanus en de kamerheer des pausen vonMiltitz, redetwistten lang met Luther. Tevergeefs vorderde hij, dat men hem zijn dwalingen mocht aanwijzen, en beriep zicli steeds op de Heilige Schrift. Dankbaar voor de gunstige aanbiedingen, die vele Dnitsche ridders hem deden, gaf Luther in 1520 een geschrift uit: „Aan den Christen-adel der Duitsche natie over de verbetering van de geestelijkheid.quot; Welhaast volgde er een tweede: „Over do Babylonische gevangenschap der kerk,quot; waarin hij bijna al die stellingen der Eoomsch-katholieke kerk aanviel, in welke de protestantsche kerk latar van haar afweek. Inmiddels word Luther in den ban gedaan en begon men, op last des pausen, zijn geschriften te Keulen en elders te verbranden. Daarom wierp hij den lOden December 1520, in tegenwoordigheid van vele studenten, de pauselijke banbul en het canoniek (kerkelijk) redd voor de Elsterpoort van quot;Wittenberg openlijk in 't vuur, dools om weerwraak te nemen, deels om aan te duiden, dat hij zich voor immer van den paus losscheurde.

Kort daarna werd te Worms een rijksdag gehouden, waar Luther, van een vrijgeleide voorzien, verscheen. Don 18den April 1521 sloot hij hier zijn verdedigingsrede aldus: „Tenzij ik met bewijzen uit de lloiligo Schrift of met klaarblijkelijke en duidelijke gronden overwonnen en overtuigd worde, kan en wil ik niets herroepen, daar hot niet veilig en raadzaam is, iets tegen het geweten te doen. Hier sta ik, ik kan niet anders. God helpo mij, amen!quot; Dewijl hij zijn afval van de Roomsehe kerk aldus plechtig bekend maakte, werd de rijksban over hem en zijn aanhangers uitgesproken; doch op zijn terugreis liet zijn beschermer, Fredorik do wijze, hem op den Wartburg (nabij Eisenach, ten w. van Erfurt) in veiligheid brengen, waar hij een begin maakte met de vertaling van den Bijbel uit den grondtekst in het Hoogduitsrh, een taal, thans door hem te voorschijn gebracht cn voor 't eerst als voertuig dor gedachte gebezigd. In 't volgende jaar koerde hij naar Wittenberg terug, waar zijn aanhangers, verleid door de prediking van den hefigen Karlstad t, zóó genoemd naar zijn geboorteplaats (in 'tn.w. van Beieren, aan de Main), maar die eigenlijk Bodenstein heette, zich aan groote wanorde, als 't vernielen van beelden en altaren, overgaven. Door zich een week lang in zijn predikatiën tegen deze handelwijze te verklaren herstelde Luther de orde. Een krachtiger medehelper en vriend vond do groote hervormer in Philijis Melanchthon (Schwarzerd), insgelijks hoog-loeraar te AVittenberg, een man door zijn grondige kennis, aangename manieren en onvermoeide werkzaamheid beroemd, die een leerboek over het Christelijk geloof uitgaf.

Door het voorbeeld en door de leeringen dezer mannen vond de hervorming weldra ingang in Noord-Duitschland, vanwaar zij allengs tot de naburige

-ocr page 205-

186

ff

landen doordrong. Natuurlijk ging dit trapsgewijze. Men ving b.v. aan met het nemen van Augustijner-monniken als predikers of met hot gebruiken van den kelk bij 't avondmaal, of men verwijderde de beelden uit de kerk. Vermits de ban weldra zoo goed als vergeten was, kon Luther van nu aan, met Melanchthon vereenigd, het groote werk der kerkverbetering hervatten. Na 't afleggen der monnikskap trad hij met oei; gewezen non, Katharina van Bora, in den echt, welk voorbeeld ook andere geestelijken volgden. Ten behoeve van 't onderricht in den godsdienst schreef hij in de landstaal zijn beroemden catechismus, 't Latijn werd bij het houden dor godsdienstoefeningen door hot Duitsch vervangen, do mis on hot vasten afgeschaft. Vooral in de rijksstenden werd hot Evangelie 't oorst gepredikt. Onder de vorston waren Frederik de wijze, Philips de grootmoedige, landgraaf van Hossen, en Albert, uit een linie van hot huis Ilohonzollern (zio blz. 139), ook wel het Brandenburgsche huis geheeten, de eerste belijders der nieuwe loer. Do laatstgenoemde, gewoonlijk Albert van Brandenburg genoemd en tot dusver grootmeester der Duitsche orde, behield nu sedert 1525 Pruisen als een wereldlijk en erfelijk hertogdom, aanvankelijk nog onder de loenhoogheid van Polen.

Hier en daar gaven verkeerde opvatting en overdrijving van de beginselen der hervorming aanleiding tot geweldige beroeringen. Zoo trad to Zwickau (ten z. van Leipzig) eon sekte Wederdoopers op, die spoedig meer van zich liot hooren. In nauwe betrekking tot de woelingen der Wederdoopers stond de boerenopstand, bekend onder den naam boerenoorlog, die in 1525 in Zwaben uitbrak en zich langs den Rijn en tot do Elbe uitbreidde. Deels kwam hij voort uit de verkeerde opvatting dor boeren van 't begrip „Christelijke vrijheid;quot; deels werd hij veroorzaakt door den hardon druk, waaronder vele der landslieden gebukt gingen. Er verscheen oen geschrift, dat de twaalf artikelen werd genoemd en hun eischen bevatte, als afschaffing der lijfeigenschap, enz. Nadat door do boeren groote buitensporigheden waren geploegd, werden zij in eenigo gevechten door de vorsten bedwongen.

Bijna gelijktijdig met Luther zette ulriuh zwingli, pastoor te Zürich, in dit kanton een hervorming door. Hij loerde, dat men zich uitsluitend aan den Bijbel moest houden, dewijl dit bock alleen in zaken des geloofs besliste. Niet lang duurde het, of de hervorming behaalde ook in verscheiden andere Zwitsersche kantons, als in Zürich, in Bern en in Bazel, de zege over het Roomsch-katholiek geloof. Zwingli's leer stemde over 't geheel overeen met de gevoelens van Luther, uitgezonderd in de leer van 't heilige avondmaal, waar deze horvormer aan de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus in 't brood en in den wijn vasthield. Alzoo hoerschtc van den beginne aan onder hen, die de hervorming aannamen, niet geheel dezelfde opvatting van het Evangelie. Hierdoor ontstonden twee verschillende korkafdeelingen, de Lutherctnen en de gereformeerden, d. i. de Zwinglianen en de Calvinisten (zie blz. 206), welke in die dagen niet minder hevig tegen elkander over stonden dan

-ocr page 206-

186

togen Rome. Aanvankelijk werd dit onderscheid evonwol niot in acht genomen. Immers, in de eerste helft der zestiende eeuw was de naam Lutheranen een scheldnaam en noemden allon, die zich van de katholieke kerk afscheidden, zich eerst Evangelischen, later ook gereformeerden. Niet vóór omstreeks 1580 namen de aanhangers van Luther den naam Lutheranen aan, weshalve deze benaming van dien tijd af tegenover die van gereformeerden stond. Inmiddels bracht het verschil van godsdienst in Zwitserland een burgeroorlog teweeg. De katholieke kantons, Schwyz, Uri en andere, behaalden in 1531 bij Kappel (niot ver van Zürich) een zege op de troepen van Zürich, waarbij ook Zwingii sneuvelde.

Van alle hervormers is Luther de voornaamste. Zoodra hij optrad en den stoot gaf aan hetgeen velen met hom dachten, bleek hot, hoezeer hij do vertegenwoordiger was der denkbeelden van zijn tijd. Do orkaan, dion hij deed opstoken, was zoo algemeen en zoo aanhoudend, omdat do hervorming do aangelegenheden van de volkoren zelvon, niet die der vorsten alleen betrof. Zijn hoofddenkbeeld was, dat ieder mensch zich, zonder behulp van de kerk als middelaarster, ten behoeve zijner zaligheid in betrekking kan stollen tot Christus. Hieruit vloeiden zijn twee hoofdstollingon voort: do rechtvaardiging door 't geloof allcon en het alge-meono priesterschap aller Christenen.

Gewichtig waren do gevolgen der hervorming. De paus verloor de helft van 't gebied, waarover zijn geestelijke macht zich had uitgestrekt, en ook in katholieke landen veel van zijn invloed. Do sommen, voorheen naar Rome gezonden, werden thans besteed ter vermeerdering van do welvaart dor burgers van de protestantscho landen of ter vergrooting van do kracht der regeering. Vele van de tallooze bezittingen der geestelijkheid werden geseculariseerd, d. i. tot wereldlijke goederen gemaakt. De vrijheid van denken, niet langer door de censuur of het toezicht der geestolijkon aan banden gelegd, nam toe. De studie van vele vakken van wetenschap, vroegèr belemmerd, zooals van de Oostersche talen, hot Grieksch, do go-schiedenis, maakte belangrijke vorderingen. Op het loven dos volks oefende de hervorming, waar zij doordrong, een heilzamen invloed.

§ 81.

De vorderingen der kerkhervorming tot den godsdienstvrede ie Atuj*-burg in 7.-7.-75. — De Sniallcaldische oorlog in I54(J. — De stichting van de orde der Jezu'iten.

Karei V was afkeerig van de hervorming. Dit was zoowel godsdienstige overtuiging, als de berekening, hoe door een scheuring in do kerk de eenheid des rijks zou worden verbroken en do keizer van zijn macht verliezen. Maar dewijl hij den steun dor Evangelische vorsten on der rijks steden togen do Franschon en do Turken behoefde, trachtte hij vooreerst door rijksdagen en samenkomsten do kerkelijke geschillen bij to loggen.

-ocr page 207-

187

Do scheuring' werd cchtor hoe langer zoo grooter, naar mate do niouwo leer, door 't verworpen van hot goostolijk oppergezag, van don ongo-huwden staat der priesters, van do Roomsch-katliolieko opvatting dor leerstukken van avondmaal en goodo werken en andere, alsmede door 't streven naar onderrichting van 't volk, oen veelzijdiger karakter aannam. To Spiers werd in 152!) op den rijksdag verboden, verdere nieuwigheden in don godsdienst in to voeren, totdat eon algemeen concilie daarover zou hebben beslist. Togen dit besluit kwamen de evangelische vorston en stonden in verzet of leverden, zooals men zeide, protest in, weshalve zij den naam protestanten verkregen, welke benaming, uit hoofde van do overeenkomst in 't protostoeren, in weerwil van 't verschil over andere punten, van lieverlede ook op de gereformeerden of hervorming is overgegaan en thans, volgens 't gewoon gebruik, allo Christelijke belijdenissen omvat, mot uitzondering van do Roomsch-katholieke en van de Griekscho kerk. Eindelijk moesten de godsdiensttwisten op een plechtigon rijksdag tr Augsburg (25 Juni 1530) worden bijgelegd. L)e genoemde stonden gaven hier hun geloofsbelijdenis, door Melanchthon opgesteld, de Augsburgsche confessie, over, die in vele opzichten van do katholieke kerk afweek en waardoor zij zich voor oen afzonderlijk kerkgenootschap verklaarden. Zij werd door do katholieken met oen wederlegging beantwoord, en tot afscheid volgde het bevel, allo nieuwigheden af te schaffen. Vermits nu do vredebreuk was beslist, sloten do Luthorsche stendon in 1531 to Smalkalden (in 't vroegere Hessen-Kassei, ten n. van Moiningen) onderling oen verdedi-gingsverhond. De vele zorgen, die don keizer drukten, noopten hom nogmaals tot toegevendheid. Daardoor kwam in 1532 te Neurenberg (in 't n. van Beieren) een godsdienstvrede tot stand, houdende dat er voorloopig vrijheid van geloof en godsdienstoefening zoude bestaan.

Voor een korten tijd vereenigden zich do beide partijen, om oen einde te maken aan de buitensporigheden, welke de Woderdoopers (zie blz. 185) bedreven. Deze dweopors, aangevoerd door Jan Beukelsz. uit Leidon on Jan Matt hij sen uit Haarlem, gelukte hot in 1533 de overhand in de stad Munster te verkrijgen. Hun van do gewone orde dor dingen afwijkende stellingen, b. v. dat elk zijn vermogen voor hot heil van het algemeen moest opofferen, maakten opgang en werden stipt toegepast. Woldra koos men Jan van Leiden als koning. Maar in 1535 word, nadat Munster was ingenomen, dit kortstondige rijk vernietigd en de koning tor dood gebracht. — In weerwil van dozo kortstondige verbintenis groeide de spanning al moor en meer aan. Do Lutherscho vorsten uitten veelvuldige klachten over do rechtspraak van het kamergerecht. Zij weigerden het concilie van Trente (in Tyrol, aan do Etsch), in 1545 bijeengeroepen, to erkennen en den rijksdag ie Regensbnrg bij te wonen.

Vandaar dat in 15-10, Luthers sterfjaar, de Simlkaldische oorlog uitbrak. Do keizer doed Johan Frodorik don grootmoedige, tweedon opvolger van Fredorik den wijze (zie blz. 183, 184), en Philips van Hossen iu den rijksban. In het leger dozer bondgonooten ontbrak het ton oenen

-ocr page 208-

188

male aan eenheid on aan een vast plan. Karei, krachtig gesteund door Maurits, hertog van Saksen, een Lutheraan, zegevierde in 1547 in den slag bij Mühlberg (in Pruisisch Saksen, ten z.o. van Torgau) en nam den keurvorst gevangen. Hiermede liep de oorlog ten einde, want ook Philips zag zich genoodzaakt, zich op genade en ongenade aan den keizer over te geven. Zooals men beweert, had hij bedongen, niet in „eenigequot; gevangenschap te zullen geraken en hadden Kareis staatsdienaren in plaats hiervan in do oorkonde, rakende dit punt, gezet, dat de gevangenschap niet „eeuwigquot; zou zijn. Hoe dit zij, de keizer hield zich aan deze lezing on stelde den landgraaf vooreerst niet in vrijheid. Het grootste gedeelte van 't keurvorstendom Saksen mot de keurvorstolijke waardigheid kwam aan Maurits. Uit do provinciën van het keurvorstendom, welke Maurits aan do zonen van don gevangen keurvorst moest laten, ontstonden later do Saksische hertogdommen.

Maar Karei V had zich in den dubbelhartigen Maurits vergist. Want zoodra deze vorst zijn eerzucht zag bevredigd, trad hij als tegenstander des keizers en beschermer der protestanten op. Te dien einde sloot hij een verbond met Hendrik H, koning van Frankrijk (zie blz. 20(5), en rukte in 1552 eensklaps mot een leger naar Tyrol, tegen den van troepen verstoken Karei, op. Gelijktijdig veroverde Hendrik II Toni, Metz en Verdun (in 't n.o. van Frankrijk). Daarom opende de keizer aanstonds onderhandelingen, die tot het verdrag van Passau (in 't n.o. van Beieren, aan de samenvloeiing van Donau on Inn) in 1552, leidden, hetwelk den Lutheranen vrije godsdienstoefening en 't ongestoord bezit hunner goederen verzekerde. Tevens bepaalde hot, dat ook de belijders der Augsburgsche confessie in 't vervolg zitting in hot kamergorecht zouden hebben. Philips van Hessen werd in vrijheid gesteld, welk geluk zijn lotgenoot Johan Frederik reeds eenige maanden vroeger was wedervaren. Nadat Maurits, de bewerker dezer gunstige voorwaarden, zelf reeds was gestorven, werd het verdrag van Passau in 1555 door den godsdienstvrede tc Angshurg hc-vestigd. Het liet den rijksstenden in 't vervolg de vrijheid, óf den katholieken, of den Luthersehen eeredienst te omhelzen, en kende de onderdanen het recht toe, het land, welks vorst slechts één godsdienst wilde dulden, te verlaten. Zoo werd nu de regel „cuius est regio, illïus est religiequot; (wien het land behoort, hij beschikt over den godsdienst) algemeene wet. Eén artikel bevatte intusschen de vrede, waarmede do Lutheranen geenszins instemden. Dit was hel zoogenoemde geestelijk voorbehoud (reservatum ecclesiasticum), waardoor van nu aan de geestelijken, die tot de Luthersche leer mochten overgaan, onmiddellijk hun ambt en hun inkomen zouden verliezen, een bepaling, die in strijd was met het tot dusverre in acht genomen gebruik, volgens hetwelk met don geestelijke do kerk en haar goederen doorgaans overgingen. Aan den oorlog- met Frankrijk maakte oor) wapenstilstand voorloopig een einde.

Onder de vele pogingen, door de Roomsch-katholieke kerk ter bestrijding van 't protestantisme aangewend, waren er geoiic krachtiger dan die van de orde der

-ocr page 209-

180

Jezuïlen of het genootschap van Jezus, dat door don Spanjaard Ignatius van Loyola werd gesticht en in 1540 door paus Paulus III bekrachtigd. Loyola had in den eersten oorlog van Frans on Karei (zie 1)1/,. 180) tegen de Franschen gestreden; las, zwaar gewond geworden, gedurende zijn lange ongesteldheid vele levens van heiligen en kwam langs dien weg op de gedachte, de kerk te willen dienen. Hersteld zijnde, wijdde hij zich eenige jaren aan de studie der godgeleerdheid, richtto ver bolgens zijn voreoniging op en verbond zich mot zijn volgelingen tot bijzondere ondergeschiktheid, aan don paus. „Spiritus Dei est hic,quot; de geest Gods is in u, riep Paulus III op het liooren van Loyola's voorslag, na oenig weifelen, uit. Van de monniksorden onderscheidde het genootschap zich hierdoor, dat het zich niet van de wereld afzonderde, doch zich aan haar aansloot, zonder er geheel in op te gaan. Zijn hoofdstreven was heerschappij te voeren over de openbare meening. Als beginsel gold onvoorwaardelijke gehoorzaamheid, volstrekte verloochening van eigen oordeel en wil, blinde onderdanigheid. Aan 't hoofd van 't genootschap stond de generaal, dio alleen van den paus afhankelijk was en op wien de hoofden der gewesten, de provincialen, en de in rang na hen komende rectoren volgden. De voornaamste middelen, waardoor de Jezuïten alom invloed zochten te bekomen, bestonden in zendingen onder protestanten en heidenen , hot schoolonderricht, hot ambt van biechtvader, vooral bij vorsten, en hot schrijven van boeken. Door grooto verdiensten omtrent vakgeleerdheid, onderwijs en de uitbreiding van 't Christendom, bovenal in Zuid-Amerika on in Azië, erlangde deze orde, die bij den dood van haar stichter in 1556 reeds duizend loden telde, een gewichtigen invloed. Zij gebruikte dien echter meestal oin zichzelf te verheffen, en zwaar drukte op haar de blaam, dat zij ongeoorloofde doeleinden door nog ongooor-loofder middelen zocht te bereiken.

Een tweede middel, mede op raad van Loyöla togen de hervorming aangewend, was do oprichting van oen nieuwe opperste geloofsrechtbank of inquisitie. Bij oen bul van don 21sten Juli 1542 benoemde de paus, daar de voormalige inquisitie der Dominikanen (zie blz. 131, 13'2) reeds lang in verval was, tot leden der rechtbank zes kardinalen, wien hij de bevoegdheid toekende, overal, waar 't hun behaagde, geestelijken mot een dergelijke macht, als zijzei ven hadden, te bekleeden.

§ 82.

Spanje onder de koningen uit het Habshurgsche huis Philips II en l'hilips UI. ■—• De Kerkelijke Staat onder Gregorius XIII en Sixtus V. — I'orlugal wordt een gewest van Spanje. — Van 1551) tot 10'21.

Geheel ontstemd door het mislukken zijner grootsche ontwerpen, teleurgesteld in zijn voornomen om in al zijn landen oen onbeperkt vorstelijk

-ocr page 210-

male aan eenheid on aan eon vast plan. Karei, krachtig gesteund door Maurits, hertog van Saksen, een Lutheraan, zegevierde in 1547 in den slag bij Miihlberg (in Pruisisch Saksen, ten z.o. van Torgau) on nam don keurvorst gevangen. Hiermede liop de oorlog ten einde, want ook Philips zag zicli genoodzaakt, zich op genade en ongenade aan den keizer over te geven. Zooals men beweert, had hij bedongen, niet in „eonigequot; gevangenschap te zullen geraken en hadden Kareis staatsdienaren in plaats hiervan in do oorkonde, rakende dit punt, gezet, dat de gevangenschap niet „eeuwigquot; zou zijn. Hoe dit zij, de keizer hield zich aan deze lezing en stelde den landgraaf vooreerst niet in vrijheid. Het grootste gedeelte van 't keurvorstendom Saksen mot de keurvorstelijke waardigheid kwam aan Maurits. Uit de provinciën van liet keurvorstendom, welke Maurits aan de zonen van den gevangen keurvorst moest laten, ontstonden later tie Saksische hertogdommen.

Maar Karei V had zich in den dubbelhartigen Maurits vergist. Want zoodra deze vorst zijn eerzucht zag bevredigd, trad hij als tegenstander dos keizers en beschermer der protestanten op. Te dien einde sloot hij een verbond met Hendrik II, koning van Frankrijk (zie biz. 20G), en rukte in 1552 eensklaps met een leger naar Tyrol, tegon den van troepen verstoken Karei, op. Gelijktijdig veroverde Hendrik II Toul, Metz en Verdun (in 't n.o. van Frankrijk), Daarom opende do keizer aanstonds onderhandelingen, die tot het verdrag van I'assau (in 't n.o. van Beieren, aan de samenvloeiing van Donau en Inn) in 1552, leidden, hetwelk den Lutheranen vrije godsdienstoefening en 't ongestoord bezit hunner goederen verzekerde. Tevens bepaalde het, dat ook do belijders der Augsburgschc confessie in 't vervolg zitting in het kamergerecht zouden hebben. Philips van Hessen werd in vrijheid gesteld, welk geluk zijn lotgenoot Johan Frederik reeds oenige maanden vroeger was wedervaren. Nadat Maurits, de bewerker dezer gunstige voorwaarden, zelf reeds was gestorven, werd het verdrag van I'assau in 1555 door den godsdienstvrede le Augshurg bevestigd. Het liet den rijksstenden in 't vervolg de vrijheid, öf den katholieken, óf den Luthersehon eeredienst te omhelzen, en kende de onderdanen het recht toe, het land, welks vorst slechts één godsdienst wilde dulden, te verlaten. Zoo werd nu de regel „cuius est regio, iliïus est religioquot; (wien het land behoort, hij beschikt over den godsdienst) algomeene wet. Eén artikel bevatte intusschen de vrede, waarmode do Lutheranen geenszins instemden. Dit was het zoogenoemde geestelijk 'voorbehoud (reservatum ecclesiasticum), waardoor van nu aan do geestelijken, die tot de Luthersche leer mochten overgaan, onmiddellijk hun ambt en hun inkomen zouden verliezen, een bepaling, die in strijd was met het tot dusverre in achtgenomen gebruik, volgens hetwelk met den geestelijke de kerk en haar goederen doorgaans overgingen. Aan den oorlog mot Frankrijk maakte een wapenstilstand voorloopig een einde.

Onder de vele pogingen, door de Roomsch-katholioke kerk tor bestrijding van 't protestantisme aangewend, waren ergeene krachtiger dan die van do orde der

-ocr page 211-

189

Jexuïlm of hd genootschap van Jezus, dat door don Spanjaard Ignatius van Loyola word gesticht on in 1540 door Paulus III bekrachtigd. Loyola had in den eersten oorlog van Frans on Karei (zie blz. 180) tegen de Franschen gestreden; las, zwaar gewond geworden, gedurende zijn lange ongesteldheid vele levens van heiligen en kwam langs dien weg op de gedachte, de kerk te willen dienen. Hersteld zijnde, wijdde hij zich eenige jaren aan de studie der godgeleerdheid, richtte verbolgens zijn voroeniging op en verbond zich met zijn volgelingen tot bijzondere ondergeschiktheid aan den paus. „Spiritus Dei est hic,quot; de geest Gods is in u, riep Paulus III op het hoeren van Loyola's voorslag, na eenig weifelen, uit. Van de monniksorden onderscheidde het genootschap zich hierdoor, dat het zich niet van de wereld afzonderde, doch zich aan haar aansloot, zonder er geheel in op te gaan. Zijn hoofdstreven was heerschappij te voeren over de openbare meening. Als beginsel gold onvoorwaardelijke gehoorzaamheid, volstrekte verloochening van eigen oordeel en wil, blinde onderdanigheid. Aan 't hoofd van 't genootschap stond de generaal, die alleen van den paus afhankelijk was en op wion de hoofden der gewesten, de provincialen, en de in rang na hen komende rectoren volgden. Do voornaamste middelen, waardoor de Jezuïten alom invloed zochten te bekomen, bestonden in zendingen onder protestanten en heidenen , het schoolonderricht, het ambt van biechtvader, vooral bij vorsten, en het schrijven van boeken. Door groote verdiensten omtrent vakgeleerdheid, onderwijs en de uitbreiding van 't Christendom, bovenal in Zuid-Amerika en in Azië, erlangde deze orde, die bij don dood van haar stichter in 1556 reeds duizend leden telde, een gewichtigen invloed. Zij gebruikte dien echter meestal om zichzelf te verheffen, en zwaar drukte op haar de blaam, dat zij ongeoorloofde doeleinden door nog ongooor-loofder middelen zocht te bereiken.

Een tweede middel, mede op raad van Loyöla tegen de horvorming aangewend, was de oprichting van een nieuwe opperste geloofsrechtbank of inquisitie. Bij een bul van den 21 sten Juli 1542 benoemde de paus, daar de voormalige inquisitie der Dominikanen (zie blz. 131, 132) reeds lang in verval was, tot leden der rechtbank zes kardinalen, wien hij de bevoegdheid toekende, overal, waar 't hun behaagde, goestolijkon met oen dergelijke macht, als zijzelven hadden, to bekleeden.

§ 82.

Spanje onder de koningen uit het Ilabshurgsche huis Philips II en Philips UI. — De Kerkelijke Staat onder Gregorius XIII en Sixtus V. — Portugal wordt een gewest van Spanje. — Van lö5(gt; tot 1621.

Geheel ontstemd door hot mislukken zijner grootsche ontwerpen, teleurgesteld in zijn voornemen om in al zijn landen oen onbeperkt vorstelijk

-ocr page 212-

190

gezag to vestigen en de eenheid in do Christelijke kerk te herstellen, terneergebogen onder lichamelijk lijdon en wegens de uitputting zijner schatkist de toekomst met zorg te gemoet ziende, volvoerde Karei kort na den vrede te Augsburg een plan, reeds vóór lang door hom ontworpen. Den Suston October 1555 droeg hij, de regeering moede, met groote plechtigheid te Brussel aan zijn zoon Philips de Nederlanden, en in 1556 het Spaansche rijk over, terwijl hijzelf zich naar het klooster Yuste (in 't n.o. van Estremadüra) begaf, waar hij in 1558 overleed. Philips ii (155G—1598), een zoon van Karei V en Isabella, een dochter van Emanuel I van Portugal, een somber en streng katholiek, op kleingeestige wijze werkzame vorst, achtte, naast de handhaving van don katholieken godsdienst, de instandhouding en de uitbreiding van 't koninklijk gezag zijn hoofdplicht. Wat Karei in Castilië had gedaan volbracht hij ook in Arragon. Nergens werd van oudsher do macht des konings moer boporkt door de cortoz dan hier. Nergens was, zooals hier, de rechterlijke macht onafhankelijk van den vorst. In dit alios bracht Philips een gehoele omkeering te weeg. Van zijn tijd af had één tegenstrevende stem niet langer, gelijk weleer, de kracht, een besluit te verhinderen, maar gold in de meeste gevallen eenvoudig de regel der meerderheid in de cortoz. De benoeming dor hoofdrechters trok de koning, hoezeer aan de cortez een zekeren invloed op do voordracht toekennende, metterdaad aan zich. Op die wijze vernietigde hij de onafhankelijkheid der rechterlijke macht. Dan liet hij zicli door de cortez do bevoegdheid geven, ook een vreemdeling als onderkoning te mogen aanstellen. Gedurende de eerste helft van Philips' regeoring was Spanje de machtigste van Europa's mogendheden, zijn voetvolk , in Mexiko en in Peru gehard, het beste van dit gehoele werelddeel.

Terstond na zijn troonbeklimming werd Philips II tot het hervatten van den krijg met Frankrijk genoodzaakt, doordien Hendrik II don wapenstilstand , mot Philips gesloten, verbrak. Doch nadat de Spaansche en de Nederlandsche troepen in 1557 bij St. Quentin (in 't n. van Frankrijk, ten z.w. van Cateau-Cambresis) onder Emanuel Philibert, een zoon van Karei III, den van zijn land beroofden (zie blz. 182) hertog van Savoye, en in 1558 bij Grevolingon (ten o. van Calais gelegen en destijds tot de Zuidelijke Nederlanden behoorendo) onder den graaf van Egmond over de Franschen hadden gezegevierd, sloot men in 1559 den trede van Chateau- of Cateau-Cambresis (ten z.o. van Kamerijk). Bij dezen vrede gaven do beide koningen elkander do wederkeerig veroverde strokon terug, ofschoon Motz, Toni en Verdun aan Frankrijk bleven, en werd Emanuel, op oenigo steden na, in 't bezit zijner staten hersteld. Philips' rogeering werd gekenmerkt door een hevigen strijd togen de Morisco's, de nakomelingen dor sedert Ferdinand en Isabella mot gewold tot het Christendom bekoorde Mooren. Hun gelastte do koning afstand te doen van hun taal, kleeding en eigenaardige gebruiken. Toen tegenwerpingen niet baatten, grepen de Morisco's naar de wapens; maar na een tweejarigen kamp, 15C8—1570, dempte Don Jan van Oostenrijk, een

-ocr page 213-

191

natuurlijke zoon van Karei V, den opstand. Het overschot van dit on gelukkige volk werd naar andere streken van 't rijk verplaatst.

In den ook onder Philips' bestuur voortdurendon (zie 1)1 z. 182) kamp tegen do Turken en tegen do Noord-Afrikaansche zeeroovers behaalde Don .Tan, aan 't hoofd der Spaansche vloot, waarbij zich ook Vonetiaansche en pauselijke schepen bevonden, in 1571 op de Turken een schitterer.do zege bij Lepante (in de golf van dien naam, ten n. van Morea). Op onverwachte wijze werden Philips uitzichten geopend op 't bezit van Portugal. Toen koning sebastiaan, een achterkleinzoon van Emanuel I (zie blz. 171), in 1578 in den slag bij Alkassar (in 't n.w. van Afrika) tegen de Mooren van Marokko was verdwenen en in 1580 de oneohte Bourgondische linie (zie blz. 154) uitgestorven, nam Philips II, als zoon der oudste dochter van Emanuel, Portugal in bezit. Naar hen, die even wettige aanspraak op den troon meenden te hebben, luisterde hij iu 't geheel niet.

Viermalen is Philips II getrouwd geweest, de eerste maal met Maria, een kleindochter van Emanuel I van Portugal, de tweede maal met Maria, koningin van Engeland (zie blz. 212). Uit 's konings eerste huwelijk sproot zijn oudste zoon Don Carlos, die reeds in zijn prille jeugd zijns vaders genegenheid verloor, zoowel door gebrek aan ijver bij zijn studiën, als inzonderheid doordien hij, hoewel geen protestant, evenmin groote geestdrift voor de katholieke kerk aan den dag legde. Ofschoon zwak en gebrekkig van lichaam, leidde hij als jongeling een losbandig loven en verried noch aanleg, noch zin voor eenige ernstige werkzaamheid. Dit vervreemdde den vader hoe langer hoe meer van Don Carlos en noopte hom, zijn zoon niet zooveel aandeel aan 't bewind te geven als hij verlangde. Deswege voedde Don Carlos een onovonvinnelijken wrok togen Philips' gunstelingen Alva en Don Jan, dien hij niet schroomde door persoonlijken aanval en door bedreigingen te toonen. Bovendien moet hij meer belangstelling voor de zaken der Nederlandsche gewesten hebben laten blijken dan Philips aangenaam was. Ten laatste bereikte do spanning tusschen vader en zoon zulk een toppunt, dat Don Carlos tegen 't eind van 't jaar 1567 het besluit nam uit Spanje te vluchten. Dit vernam Philips van Don Jan. In Januari 1568 nam hij alsnu in persoon zijn zoon in hechtenis, vast besloten hem, als ongeschikt voor de regeering, van den troon uit te sluiten. Of de vader nog meer in 't schild heeft gevoerd is onzeker. Dit staat vast, dat Don Carlos in Juli 1568 in de gevangenis stierf, waarschijnlijk aan de gevolgen eener ziekte, die toomelooze drift en verregaande onmatigheid en ongeregeldheid in 't gebruik van spijs en drank hein op den hals hadden gehaald.

Hierom ging de kroon op den eenigen van 's konings zonen over, die nog in leven was, op philips m (1598—1621). In 't gevoel zijner zwakheid liet deze nietsbeteekenende koning het geheele bestuur over aan Frans de Roxas de Sandöval, hertog van Lerma (ten z. van Burgos, in 't n. van Spanje), onder wien 't verval des rijks steeds verergerde. Toen Philips III zijn vader opvolgde, was Spanje reeds overstelpt met

-ocr page 214-

192

schulden, gingen de inwoners gebukt onder zware belastingen en overtroffen de uitgaven de inkomsten des rijks verre. Desniettemin verspilde 's konings minister schatten met het bezoldigen van samenzweerders in Frankrijk, te Venetië en elders, die het rijk hoe langer hoe moor uit-putteden. Eindelijk overreedde de geestelijkheid, welke het onderhoud der zendelingen voor de Morisco's verdroot, in 1609 den koning, dit gansche volk uit Spanje te verdrijven, waardoor dit land zijn vlijtigste landbouwers, kooplieden, fabrikanten en handwerkslieden bij tien of honderd duizenden verloor en op vele plaatsen het voorkomen eoner woestijn kreeg. Men heeft berekend, dat do opstanden dor Mooren onder Philips II en hun verdrijving onder Philips III Spanje van ruim 2,000,000 zijner nijverste inwoners hebben beroofd.

Sedert den vrede van Cateau-Cambresis was de oppermacht van Spanje in Italië vast gegrondvest. Milaan, Napels, Sicilië en Sardinië waren onderworpen aan den koning van Spanje. In den Kerkelijken Staat heerschte paus qkegokius xiii (1572—1586), wiens naam, vooral door zijn verbetering van den kalender, bij de nakomelingschap in nadenken is gebleven. Dewijl men in zijn tijd begon to bespeuren, dat do nachtevening, die op den 21ston Maart moest invallen, reeds den IGden dier maand inviel, zag men, dat de aarde voor elke haror jaarlijksche omwentelingen minder tijd gebruikt dat men tot dusver had gedacht, en dat zij b. v. op den 5den October in haren omloop het punt, waar zij, naar men veronderstelde, was, roods tien dagen voorbij was. Na vorschillonde sterre-kundigen te hebben geraadpleegd, stelde de paus op raad van een van hen, Cilïus geheeten, vast, dat men, in plaats van den óden October 1582, den 15den schrijven en alle vier honderd jaar drie dagen uit den kalender weglaten zoude, zoodat do slotjaren van drie achtereenvolgende eeuwen geen schrikkeljaren, dat van het vierde wel een moest zijn. Zijn opvolger, sixTus v, vroeger Felix Peretti geheeten (1585—1590), zoowel door zijn opklimmen uit een lagen stand, als door menige, ofschoon niet altijd uit zuivere bronnen geputte, anekdote vermaard, verfraaide Rome, begunstigde den landbouw, alsmede de bouwkunst, en ondersteunde de zijdeweverijen en de wolmanufacturen.

§ 83.

Duitschland onder de koningen uit het Hahsburgsche huis na Karei V. —

Van 1556 tol 1(1 IH.

Eer Karei V zich in 1556 naar Spanje inscheepte, loido hij ook de Duitsche kroon neer en beval de keurvorsten zijn broeder Ferdinand, reeds sinds 1531 Roomsch koning, als opvolger, aan. In 1558, eenige maanden vóór den dood van Karei, werd zijn wensch vervuld en aanvaardde fekuinand i het bewind. Zoowel katholieken als protestanten roemden de gematigdheid van zijn bestuur, onder 't welk het concilie van Trente

-ocr page 215-

103

(zie biz. 187) in 1563 zijn zittingen sloot. Do besluiten van dit concilie, die de leer en het wezen der Roomsch-katholieke kerk op een vasten grondslag deden rusten, hadden nog scherper afscheiding tusschen de beide kerkgenootschappen ten gevolge. Kerkelijk gezag word toogekond aan de mlgdta, d. i. aan de algemeen verbreide, n.1. de Latijnsche overzetting der Heilige schrift, maar evenzeer aan de overlevering, zooals zij zich tot dien tijd had voortgeplant. De zaligheid werd verklaard af te hangen van 's menschen waarlijke wedergeboorte, die door (ie genade Gods en door hot offer van Christus mogelijk was geworden, doch die uit de goede werken moest blijken en waarvoor de sacramenten, of genademiddelen der kerk onmisbaar waren. Elk Christen werd verplicht tot liet geloof aan den paus, als stedehouder van Christus; aan den aflaat; aan de leer dér transsubstantiatie, d. i. van de verandering van 't brood en den wijn bij het avondmaal, door de inzegening des priesters, in het lichaam van Christus, en aan de overige stellingen der katholieke kerk. Op het nemen dezer besluiten hadden de Jezuïten veol invloed, die hierdoor al dadelijk den paus uitnemende diensten bewezen. Do besluiten van 't concilie werden in de meeste katholieke landen afgekondigd en hierdoor voor verbindend verklaard. In Frankrijk was dit evenwel niet liet geval. Zóó deed de regeering van dit rijk een nieuwen stap (zie biz. 17S, 170) om de vrijheid der landskerk te handhaven. Slechts die besluiten der kerkvergadering, welke op de leer betrekking hadden, nam Frankrijk, als het geloof der kerk uitdrukkende, aan. Intusschen klaagden de beide partijen aanhoudend over elkander. De katholieken ergerden er zich aan, dat de protestanten steeds kerkelijke goederen aan zich trokken; de protestanten waren verontwaardigd over de voortdurende vervolging hunner geloofsgenooten in katholieke landen.

Gedurende de regeering van den edelen en rijk begaafden maximi-liaan ii, Ferdinands zoon, tevens koning van Bohomen en Hongarije, kwam het nog tot geen openbare vijandelijkheden tusschen de belijders der beide eerediensten. Maar onder zijn zoon, den zwakken rudolf ii, namen de verbittering en het wantrouwen der partijen zeer toe. De Jezuïten, die zich sedert Ferdinand in Duitschland hadden uitgebreid, werkten hiertoe krachtig mede. Daarenboven bestond er groote verdeeldheid onder de protestanten zeiven, die in Lutheranen en in gereformeerden (zie blz. 185) verdeeld waren. Ten gevolge van eenige verongolijkingon, den protestanten aangedaan, als het afzetten van den tot het gereformeerd geloof overgeganen keurvorst van Keulen O eb ha rd in 1583, sloten de Evangelische vorsten in 1008 te Auhausen (ten n. van Donauwerth, in 't w. van Beieren) een verbond, de unie, geheeten. Tegen hen kwam evenwel in 't volgende jaar een weldra veel machtiger vereeniging, de lujue., tot stand, aan 't hoofd waarvan zich de hevig katholieke Maximiliaan, hertog van Beieren, stelde. De in 1G00 voorvallende dood van Johan Will em, hertog van Oulik en Kleef, vermeerderde nog de gisting, vermits de een van de twee vorsten, wier aanspraak op de nalatenschap

WlJNNE, llamlhoek der Alg. Geschiedenis, 7rlo druk. 13

-ocr page 216-

104

vooral in aanmerking kwam, bij de protostanton, de andere bij de katholieken bijstand zocht. Johan Sigismnnd, keurvorst van Brandenburg, die van Luthersch geformeerd werd, vond steun bij de Nederlanden en bij de unie; Wolfgang Willem, een zoon van den regeerenden graaf van Palts-Nieuwburg (ten n. van Regensburg, aan den Donan), kon uit hoofde van zijn overgang van den Lutherschen tot don katholieken eere-dienst op de hulp der ligue en van Spanje rekenen.

Onderwijl mocht hot de utraquisten in Bohemen gelukken, in 1609 van Rudolf den niajesleüsbrief te erlangen, waarbij hun volledige godsdienstvrijheid en aan den stand der edelen en ridders, alsmede aan de koninklijke steden, het recht om kerken en scholen te bouwen werd toegestaan. Zij, aan wie de keizer deze voorrechten verleende, werden in den brief utraquisten genoemd. Het waren echter geenszins diegenen, die zich slechts, voor zoover 't bezigen van den kelk bij 't avondmaal betreft, van de katholieke kerk afscheidden. Met dien term werden hier aangeduid zoowel de zeer talrijke Boheemsche broeders (zie blz. 141), als de groote menigte belijders van Luthers leer in Bohemen, die met de beginselen dor Augsburgsche confessie instemden. Op dienzelfden dag, waarop de majesteitsbrief werd uitgevaardigd, sloten de protestantsche leden van don landdag met de katholieke stenden een verdrag, waarbij de bevoegdheid om kerken te bouwen ook werd toegekend aan de bewoners van koninklijke goederen. Dewijl intusscheu de keizer de regeering steeds meer en meer verwaarloosde, verklaarden de leden van 't Habs-burgsche huis zijn broeder Matthias tot hoofd van 't geslacht, die nu aan Rudolf Hongarije, Oostenrijk en de kroon van Bohemen onttrok.

Na Rudolfs dood volgde matthïas (1612—1619) hem ook in zijn laatste waardigheid, het keizerschap, op. Onder zijn bewind barstte eindelijk de lang bedwongen verbittering in den dertigjarigen oorlog los. In Bohemen waren de protestanten sinds geruimen tijd bezig te Brannau (ten n.w. van Grlatz) en te Kloster-Grab (nabij Teplitz, in 't n. van Bohemen) kerken te bouwen, die thans voor den dienst zouden worden geopend. Niet zonder goedvinden des keizers sloot de abt van Brannau, op wiens gebied zij lag, de eerste dezer kerken, terwijl de laatste op last van den aartsbisschop van Praag, als heer van Kloster-Grab, werd verwoest. Op der protestanten klachten en 't beroep op den majesteitsbrief en op 't verdrag van 't jaar 1609 antwoordde men, dat die brief slechts voor de stenden gold en niet, zooals van de andere zijde werd beweerd, voor de Evangelische onderdanen van geestelijke stenden. Die bewering was niet ongegrond; maar de protestanten achtten zich vei-ongelijkt, omdat het te Brannau en te Kloster-Grab gebeurde, naar hun meening, in strijd was met het verdrag, daar zij onder „koninklijke goederenquot; ook de bezittingen der kerk verstonden, waarover de koning van Bohemen naar welgevallen placht te beschikken. En inzonderheid gevoelden zij zich gekrenkt, omdat Matthïas, van 't begin zijner regeering af, duidelijk had getoond, de vorderingen van het protestantisme zooveel mogelijk te willen tegengaan. Hoe het zij,

-ocr page 217-

195

in hun vebittering trokken de protestantsche stenden, door den graal' von Thnrn aangevoerd, in grooten getale naar hot slot te Praag en wierpen er do twee keizerlijke stadhouders, die liet meest gehaat waren, Slawata en von Martïnitz, met hun geheimschrijver, uit een bovenvenster in de slotgracht. De val had evenwel geen voor 't leven gevaarlijke gevolgen, want de drie mannen kwamen, volgens sommigen, opeen hoop zand en verscheurde papieren neder, iets, dat anderen tegenspreken.

§ 84.

Dp Nederlanden onder Karei V en Philips II lol de unie van Utrecht. — Van 1515 tot 1579.

Na in 1515 het bewind over een deel der Nederlanden te hebben aanvaard zag kaiiel v (zie blz. 161 en 179) zich, door 't verwerven der heerlijkheid Friesland en van andere gewesten, weldra in 't bezit van nl de zeventien kleine vorstendommen en heerlijkheden, waaruit toen de Nederlanden bestonden. Behalve Friesland, verwierf hij Utrecht, Overijsel, Groningen, Drente en Gelderland. Hoewel alle staten nu door één lieer werden geregeerd, stonden zij toch ieder op zichzelf, daar elk zijn bijzondere statenvergadering had. Daarom zocht Karei de zeventien tot één te brengen. In 1548 bedong hij bij hel vamp;rdrag van Augsburg, dat alle Nederlandsche gewesten, van nu aan gezamenlijk den tienden of Bourgon-dischen kreits uitmakende (zie blz. 179), geheel onafhankelijk van Duitsch-land zijn, maar onder de hoede van dit rijk staan zouden, mits zij een zeker aandeel in de rijkslasten droegen. Wel bleef de leenroerigheid voor die gewesten, welke leenen van het Duitsche rijk waren, in stand; doch bij de losheid van dien band waren de betrekkingen, tusschen het rijk en deze gewesten bestaande, in het wezen der zaak afgebroken. Kroon-Vlaanderon en Artois ontrukte Karei mede hierdoor (zie blz. 181) aan Frankrijk. Do rijkdommen dezer landen, waarover Maria, koninginweduwe van Hongarije (zie blz. 182), sedert 1530, na den dood van Margarëta van Oostenrijk (zie blz. 161), als landvoogdes het bewind voerde, kwamen den keizer bij zijn vele oorlogen uitnemend te stade. De liefde, die de ingezetenen Karei toedroegen, nam eenigermate af, toen hij hier door strenge plakkaten den voortgang der hervorming zocht te stuiten.

Kareis zoon, philips, in Holland en Zeeland III (H in Spanje, in Brabant on in eenige andere Nederlandsche gewesten) (1555—1581), vertrok in 1559 naar Spanje en benoemde zijn bastaardzuster mauoa kot a tot landvoogdes. Een van Margarëta's invloedrijkste raadslieden was de bisschop van Atrecht (in Artois) Antonius Perenot, later kardinaal Gr an veile, oen ijverig katholiek. Do voornaamste tegenstanders van Granvelle waren: wii.lem, prins van Oranje, graaf van Nassau, een schrander, standvastig en buitengewoon bekwaam staatsman, stadhouder van Holland, Zeeland

13*

-ocr page 218-

100

en Utrecht; Lamoraal, graaf van Egmond (zie blz. 190), stadhouder van Vlaanderen on Artois, en do Montmorency, graaf van Hoorne (tnsschon de grenzen van Noord-Brabant en de Maas, ten w. van Roermond). Philips, zonder op den geest des tijds te letten, schreef een gestrenge uitvoering der plakkaten voor en verscherpte ze. Bij deze grieve der Nederlandsche onderdanen tegen hun heer kwam nog het verlies van den hoogen rang, dien de Nederlandsche adel onder de beide vorige regeeringen had bekleed, terwijl de vermeerdering der bisdommen vrees voor het invoeren der inquisitie deed ontstaan. Ln 't geheel richtte Philips achttien bisschopszetels op, n.1. drie aartsbisdommen (elke aartsbisschop was tevens bisschop van die streek, waarin zijn metropolitaankerk lag) en vijftien bisschoppen. Do aartsbisdommen waren Kamer ijl;, Mechelen, Utrecht.

De drie bovengenoemde handhavers van 's lands vrijheden geraakten ten laatste in een zoo verregaande vijandschap met Granveile, dat hij in 1564, op bevel van Philips, naar Italië moest vertrokken. Desniettegenstaande verbonden zich in 1565 vele misnoegde edelen en burgers, bij het zoogenoemde compromissum (gemeenschappelijke belofte), om de invoering der inquisitie op elke wijze togen te gaan. Den 5don April 1566 kwamen zij, aangevoerd door Hendrik van Brederode en Willems broeder Lode-wijk van Nassau, ten gehoore bij de landvoogdes te Brussel en boden haar een verzoekschrift aan ter matiging van de plakkaten, bij welke gelegenheid zij den naam yeuzen (gueux, bedelaars) kregen. Intnsschen vernielde hot volk do beelden in do kerken, on toen Philips hierop tijding van den beeldenstorm (1566) had gekregen, zond hij in 1567 Alvarez de Toledo, hertog van Alva (d. i. Alva de Tormes, in 'tn.w. van Spfinjo, ton z.o. van Salamanca), weldra in plaats van Margareta zijn landvoogd, af, ten einde den opstand met geweld te bedwingen. Willem, zijn ontslag als stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht hebbende genomen, ging naar Duitschland en werd door velen gevolgd, o. a. door zijn vertrouwd vriend, Philips van Marnix, heer van St. Aldegonde (voorheen een kasteel nabij Middelburg), een vermaard godgeleerde en staatsman, waarop de graaf van Bonssu bij voorraad als stadhouder van [lolland werd aangesteld. De landvoogdes nam insgelijks haar ontslag en vertrok nog in 't zelfde jaar naar Italië.

Thans namen de wreedheden een begin. Een raad van beroerte werd opgericht. Al aanstonds werden Egmond en Hoorne, ofschoon ridder van 't gulden vlies (zie blz. 160), op een vonnis van dien bloedraad ter dood gebracht, in weerwil dat de ridders van 't vlies alleen voor het kapittel der orde mochten terecht staan. Gehoor gevende aan do stem zijner verdrukte landgenooten, wapende Willem zich ter verdediging van zijn eigen rechten en van die des lands. Do slagen bij Heiligerlee (ten w. van Winschoten, in Groningen), waar Lodewijk zegevierde, maar zijn broeder Adolf sneuvelde (23 Mei), en bij .lemmingen (Jemgum, nabij Leer in Oost-Priesland) (21 Juli 1568), dien Alva won, werden geleverd. Eenigen tijd daarna schreef Alva, om de grafelijke bede door vaste alge-

-ocr page 219-

197

meone belastingen te vervangen, drie belastingen uit; 1) een heffing voor eens van liet honderdste dor waarde of 1 pet. van alle roerende en onroerende goederen, en dan, bij verkoop, 2) een heffing van tien ten honderd van do roerende (den tienden penning), en 3) van vijf ten honderd (den twintigntcn penning) van de onroerende goederen. Doeh do volvoering van zijn voornemen werd hem weldra onmogelijk gemaakt.

Terwijl Alva bezig was middelen te beramen, ten eindo mot geweld de invordering der nieuwe belastingen tegen de weerstrevende burgerijen door to zetten, namen de Watergeuzen den Isten April 1572 Bridle (op 't eiland Voorne, in Zuid-Holland) in. Do verrassing dezer stad was niet de vrucht van een vooraf beraamd plan, maar 't gevolg van het omloopen van den wind, die verhinderd had, dat men te Texel binnenliep. Dit belette niet, dat de uitgewekenen ze in bezit hielden; dat de inneming van Brielle de grondslag werd van de vestiging der onafhankelijkheid van de Vereenigde Nederlanden en dat Hlois van Treslong, Lumey, graaf van der Marck, en de overige deelgenooten aan den tocht, als de medegrondleggers van den staat, in tie dankbare herinnering hunner landgenooten voortleven.

Zóó werd Brielle den Isten April ingenomen en do eerste steen gelegd van 's lands onafhankelijkheid. Uit eigen beweging stond vijf dagen later Vlissingen tegen de Spaansche benden op en sloot de versterking, in der ijl door Alva afgezonden, buiten haar wallen. Ook Veere werd voor de vrijheid gewonnen; Enkhuizen en andere plaatsen volgden. Nog in den zomer van 't zelfde jaar, den 19den Juli en volgende dagen, hielden de staten van Holland, met terzijdestelling van Alva's gezag, hun eerste vergadering, waarin Willem, prins van Oranje, als algemeen landvoogd en als 's konings wettige stadhouder van Holland, Zeeland, West-Friesland en Utrecht werd erkend. De teerling was geworpen, en do oorlog begon, waarvan de slag bij Heiligerlee het voorspel was geweest. Wel werden Zutfen, Naaiden on Haarlem door de Spanjaarden verschrikkelijk geteisterd; doch Alkmaar hield zich staande.

In 1573 verzocht Alva zijn ontslag en werd opgevolgd door Don Louis de Re que sens. Hij liet Leiden tevergeefs belegeren; maar zijn troepen wonnen in 1574 den slag bij Mook (ten z. van Nijmegen), waar Lodewijk en zijn broeder Hendrik omkwamen. Ook bracht hij de tegen Spanje opgestane gewesten zeer in 't nauw. Zijn in 1576 gevolgde dood en de Spaansche furie schonken voorloopig eenige verademing. De pacifi-catie of bevrediging van Gent, een kortstondige verbintenis der Zuidelijke en van de voornaamste Noordelijke gewesten, waarbij men zich vereenigde, om de Spaansche soldaten den lande uit te drijven on zich op het stuk van godsdienst onderling te verstaan, kwam in 1576 tot stand en werd door den nieuwen landvoogd. Don Jan van Oostenrijk (zie blz. 190, 191), bij oen in 1577 met de Algemeene Staten gesloten verdrag, het eeuwig edict, erkend.

Inmiddels droegen do Algemeene Staten dezer landen, wegens de ijver-

-ocr page 220-

198

zucht, der Zukl-Neclcrlanclsche edelen op Willem, in 1078 de algemeene landvoogdij dezer gewesten aan Matthias, aartshertog van Oostenrijk (zie blz. 194), op. In plaats van Don Jan, die weldra overleed, zond Philips 11 in 't zelfde jaar den hertog van Panna, Alexander Far-nëse, oen zoon van Margareta (zie blz. 195), als landvoogd, dio in 1579 met Henegouwen, Artois, Douai (ten n.o. van Atrecht) en een paar andere steden uit het Zuiden hel verdrag van Atrecht sloot, waarbij zij zich op nieuw aan de Spaansche heerschappij onderwierpen. Aldus herleefde dc scheuring tusschen de Noordelijke en de Zuidelijke gewesten, daar het overige gedeelte der laatstgenoemde provinciën grootendeels door Panna was heroverd. Daarentegen sloten de Noordelijke den 22sten en den 23sten Januari van dit jaar de beroemde unie van Utrecht, den grondslag van onzen staat, een vereeniging ten eeuwigen dage tot ouderlingen bijstand logen alle geweld van den genieenen vijand. Tot dit doel vereenigden zich de bondgenooten, alsof zij maar één provincie waren, ofschoon de onafhankelijkheid, de rechten en de vrijheden van iederen bondstaat on-geschonden bleven. Deze overeenkomst, met een tijdelijk doel gesloten, is vervolgens als de grondwet van het statonverbond dor Vereenigde Nederlanden gevolgd, hoewel niet zonder afwijking en onuitgevoerde bepalingen. In het onbepaalde en gebrekkige dier grondwet ligt do sleutel ter verklaring dor gewichtigste gebeurtenissen onzer binnenlandsche geschiedenis. Deze unie werd geteekend door Jan, graaf van Nassau-Dietz, Willems broeder, door Holland, Zeeland (met uitzondering van Middelburg), Utrecht, do Ommelanden on eon deel van Gelderland. In Mei teekende Willem, in 1579 en 1580 volgden de overige doelen van Oeldor-land. In April 1580 voegde Drente, hoezeer het er slechts kort bij bleef, zich bij de unie. Friesland sloot zich, van 1579 tot 1598, bij gedeelten bij de unie aan. Ovorijsoi is sedert 1591 een der vereenigde provinciën, en de stad Groningen, die nimmer is toegetreden, werd in 1594 door Maurits tot de unie gebracht. Eindelijk voegden zich ook eenige Zuid-Nederlandscho steden, als Antwerpen, Gent, Brugge, bij de unie.

§ 85.

Ik Nederlanden, van de unie van Utrecht lot het einde van hel twaalfjarig hc.sland. — De Oost-Indische, compagnie en haar vestiging in de Indien. — Van 157!) lot 1621.

Het begin der landvoogdij van den hertog van Panna was uitermate voorspoedig: Maastricht en Breda werden ingenomen: George van Lala ing, graaf van Eennenberg (een voormalig graafschap van Limburg, tusschon Sittard en Valkenburg), met een aanzienlijke som omgekocht, bracht Groningen in 1580, door verraad en met geweld, onder de Spaansche heerschappij terug. Tot hulp der gewesten, die van Spanje waren

-ocr page 221-

199

afgevallen, kwam hertog Frans van Anjon (oen liindschap ten z.o. van Bretagne), eon broeder van Hendrik III, koning van Frankrijk, opdagen, wien de Algotneono Staten, in 1581, onder groote beperkingen, de opper-maoht opdroegen. Hierna vertrok Matthias wederom naar Dnitschland.

iSteeds werd de strijd niet togen den koning van Spanje, maar togon tie Spaansche legerbenden on haar hoofden voortgezet. Doch Philips nam dit onderscheid niot aan, noch erkende in Willem zijn stedehouder. In tegendeel, hij kondigde in 1580 den ban togon hem af en verklaarde hom vogelvrij. De wodorwerking volgde. Don 26ston Juli 1581 verklaarden do Algomeono Staten der Vereenigdo Nederlanden Philips vervallen van het oppergezag en zwoeren hem af, dewijl hij zich als landsheer niet aan de bezworen voorwaarden had gehouden. Twee jaren daarna verliet Anjon, na zijn onberaden aanslag op Antwerpen en andere steden, ons land. Intusschen onderhandelde Holland voortdurend, om Willem 1 als grondwettig vorst aan te nomen onder den naam „graaf van Holland en Zeeland.quot; Nog toefden Gouda en Zeeland mot hun toestemming, toen „de vader dos vaderlandsquot; den lOden Juli 1584 door den sluipmoordenaar Balthazar Gerard met een pistool doodelijk werd gewond en den geest gaf, uitroepende: „Mon Dieu, mon Diou, ayez pitié de moi et do ton pauvre penplequot; (Mijn God, mijn God, erbarm u over mij on uw arm volk).

In do Zuidelijke Nederlanden streed Panna nog steeds met geluk en nam, na een beleg van veertien maanden, den 17den Aug. 1585 Antwerpen in, hoewel de stad krachtig werd verdedigd onderdo leiding van Mi irnix van St. Aldegonde (zie blz. 19ü), die er burgemeester was. Het verdrag van overgave verleende den hervormden geen vrijheid van godsdienst, maar nog oen ongestoord verblijf van vier jaren. Duizenden maakten in dat tijdsverloop hun vastigheden te gelde en weken naar ons land, vooral naar Amsterdam. Van nu aan verliet voor de twee volgende eeuwen de zeehandel de haven van Antwerpen on koerden de Zuidelijke gewesten onder de gehoorzaamheid van Spanje's koning terug. Friesland benoemde Willem Lodewijk, oen zoon van Jan van Nassau, tot stadhouder ; doch uit hoofde van den ongunstigen toestand der zaken en van de jeugd van Maurits, 's prinsen tweeden zoon, droegen de Staten-Goneraal de oppermacht over deze landen aan Hendrik III, koning van Frankrijk, op. Toen hij weigerde, deed men hetzelfde aanbod aan Elizabeth, koningin van Engeland, die hot niet aannam, maar hulptroepen zond togen zekere onderpanden, n.1. het bezetten van den Briel, Vlissin-gen on Rammekens (ten o. van Vlissingen). In 1585 verscheen aan 't hoofd harer troepen Robert Dudley, graaf van Leicester (in 't midden van Engeland), wien de Staten-Generaal terstond met de algemeene landvoogdij bekleedden. Terzelfder tijd was Manrits als stadhouder van Holland en Zeeland aangesteld, terwijl Johan van Oldenbarnevelt sinds 1586, in de betrokking van advocaat van den lande, van Holland, de ziel was van den opkomenden staat. Ternauwernood nog had Leicester het bewind

quot;Tquot;quot;

-ocr page 222-

200

aanvaard, of reeds waron do staten van Holland en Oldenbarnovelt er op bedacht, aan zijn gezag paal on perk te stellen, terwijl hij van zijn kunt zich aan alle afhankelijkheid zocht te onttrekken. Dus verliep zijn tweejarig verblijf hier te lande onder voortdurende geschillen over de oppermacht en keerde hij in 1587 naar Engeland terug. In 1588 zeilde de Spaanscho armada of onoverwinnelijke vloot onder 't opperbevel van den hertog Medïna-Sidonia uit, ten einde met één slag Engeland te veroveren en Nederland weder onder 't juk te brengen. Doch de nadoelen, haar toegebracht door de vloot der Engelschen, ondersteund door die der Nederlanders, en oen felle storm vernielden haar bijna geheel.

Thans helde do fortuin meer tot de zijde der unie over. Mauuits (1585—1 (gt;25), nu ook stadhouder van Gelderland, Utrecht en Overijsel, verwierf door schitterende wapenfeiten den naam van den oorsten veldheer zijner eeuw. Hij nam Breda in 1590 bij verrassing, in 1594 Groningen en sloeg in 1597 do Spanjaarden in een ruitergevecht bij Turn hout (ten o. van Antwerpen). Hierdoor waren de zaken in 't Zuiden verachterd. Dit deed bij Philips een nieuw denkbeeld opkomen, dat hij in 1598 verwezenlijkte. ITij schonk n.1. do Nederlanden als bruidschat aan zijn oudste dochter, Isabella, die met Albert, aartshertog van Oostenrijk, in don echt trad, onder deze beperking editor, dat die landen, in geval de beide echtgenooton kinderloos overleden, na hun dood weder atm Spanje zouden komen. Togen hen, doorgaans de aartshertogen geiicoten, leverde Maurits in 1C00 den vermaarden slag bij Nieuwpoort (in West-Vlaanderen aan zee), waarin hij een schitterende zege behaalde. Het evenwicht werd eenigszins hersteld door den dapperen Spanjaard Ambrosius Spi-nola, die in 1604, na een beleg van drie jaren, de puinhoopen van Ostende (in West-Vlaanderen aan zee) bij verdrag innam. Daar zicli intusschon, uit verschillende oorzaken, bij de beide partijen geneigdheid tot vrede begon te vertoonen, kwam men tot een wapenstilstand. Den 9den April 1G09 sloten Spanje en do aartshertogen te Antwerpen mot de Nederlanden hel twaalfjarig bestand, bij hetwelk de onafhankelijkheid dezer staten werd erkend en ieder in 't bezit van datgene gelaten, wat hij op 't oogenblik der sluiting bezat.

Deze laatste bepaling was van des te meer gewicht, omdat de Nederlanders zich sinds eenige jaren in de Oost-Indiën hadden gevestigd en er belangrijke vorderingen maakten. Nadat de pogingen van Harentsz en Heemskerk, 1594—1596, om een uitweg naar Indië door het Noorden te zoeken, waren mislukt, voeren eenige schepen, voor rekening-van een maatschappij van verre (landen), om de Kaap naar Oost-Indiö en landden in 1596 te Bantam (in 't n.w. van Java). Anderen volgden hun voorbeeld en knoopten eenige handelsbetrekkingen in don Indischen archipel aan, hoewel onder veelvuldige tegenwerking van de Portugeezen, die hier sedert het begin der zestiende eeuw waron gevestigd, cn van de Spanjaarden, die destijds Portugal beheerschton. Vermits echter do onderscheiden maatschappijen, in ons land opgericht, elkander in den

-ocr page 223-

201

weg stonden, vereenigde men zich in 1602, op 't voorbeeld van Engeland, tot de Oost-Indische compagnie, die van do Staten-Generaal't recht van alleenhandel voor eenentwintig jaren verwierf. Zij begon te handelen met een kapitaal van ongeveer zes en een half millioen en had zes kamers, hebbende Amsterdam '/,, Zeeland '/♦ gt; Delft, Rotterdam, Enkhuizen en Hoorn elk 'lts van den inleg. Do hoofdleiding en het dagelijkse,li bestuur tier zaken werden toevertrouwd aan de vergadering van zeventienen,, uit de bewindhebbers der kamers gekozen, wier getal niet lager mocht dalen dan tot zestig. Weldra zeilden nu de admiraals der compagi.ie naar de Oost-Indiën, om er factorijen en forten te stichten. Zóó vestigden onze voorouders zich op de kust van Coromandel (zie blz. 171), alsmede op Amboina (ten z.w. van Coram), en brachten ïidor, Ternate en de overige Ternataanscho eilanden, die tot do groep der Molukken behooren, eerst gedeeltelijk, later geheel onder 't gezag der compagnie.

In 1610 stelde do compagnie I'ieter Both als eersten gouverneur-generaal aan, die zijn verblijf doorgaans op Tornate had. Een zijnor opvolgers was de beroemde Jan 1'ietersz. Coon, onder wien l'iotor van don Broeke do factorij te Jakatra tegen de inboorlingen en de Engel-schon verdedigde, totdat de gouverneur-generaal het fort ontzette, de stad Jakatra veroverde en in 1619 do factorij, onder den naam Batavia, tot hoofdplaats van Nedeiiandsch Indië verhief. In 1621 veroverde Coeu do Banda-eilanden (ten z.o. van Amboina), en eenigc jaren later verwierf de compagnie hot oiland Formosa (ton n.o. van Kanton, in Sina), waar het fort Zelandia word gebouwd.

In plaats dat hot moederland nieuwe krachten opdeed gedurende den rusttijd werd bewaarheid wat Maurits had gevreesd, lievige kerkgeschillen ontstonden in de nauwelijks gevestigde Republiek en worden welhaast staatsgeschiilen. Zij liepen vooral over hot leerstuk der praedes-linatie of voorbeschikking, waarover verschil van opvatting was tusschon Oomarus en Arminius, hoogleeraren to Lolden. Gomarus beweerde een volstrekte voorbeschikking van 's menschen lot; zijn ambtgenoot ontkende zo. L)e staten van Holland verlangden, dat do oneenigheden door onderlinge toegevendheid uit den weg zouden worden geruimd. De Armi-nianen, ook remonstranten geheoten naar een remonstrantie of vertoog tor verklaring van hun gevoelen, door hen bij die staten Ingediend, waren 't gehoorzaamst aan 't gezag der staten ou werden zèó ongevoelig hun gunstelingen. Dezelfde staten van Holland, het rijkste ou 't meest betalende gewest van 't verbond, helden tot de algoheelo oppermacht van iedere provincie tegenover de unie over. Dus werd Remonstrant gelijkbeteekenend met Hollandsch of voorstander dor volle provinciale souvereiniteit en Contra-Remonstrant gelijk prinsgezind of voorstander van do overstemming in do unie (zie blz. 205) on van de stadhouderlijke partij. Toon het bleek, dat men langs minnelijken weg het niet eens zou worden over het houden of het achterwege laten eener algomeone synode, gingen de Staten-Generaal, door Maurits' vaste houding gesteund, tot geweldige maatregelen over.

-ocr page 224-

202

Oldenbarnevelt, do geloerde Hugo de Groot en twee andere hoofden der fttaatsgezindc partij werden in 1618 in hechtenis genomen en door een rechtbank van vierentwintig rechters, door de Staten-Generaal opzettelijk hiertoe benoemd, wegens hoogverraad veroordeeld. Oldenbarnevelt, die zich meer dan iemand jegens het vaderland verdienstelijk had gemaakt, ter dood zijnde verwezen, werd in 1019 onthoofd en Hugo de Groot in hot slot Loevestein (bij de samenvloeiing van Maas en Waal, in 't z.w. van Gelderland) gevangen gezet, vanwaar hij evenwel spoedig ontsnapte. On-dertusschen werd een algemeem synode te Dordrecht (Nov. 1018—Mei 101!)) gehouden. Do gevoelens dor Remonstranten werden veroordeeld en in den zin van Gomarus' stolsel een algemeene geloofsbelijdenis voor do Nedorlandsohe hervormde kerk vastgesteld.

§ 86.

De regeeringsvorm der Nederlanden ten tijde van dc Republiek.

Het spreekt vanzelf, dat eerst de onlusten, vervolgens de unie van Utrecht en dc afzwering van Philips een groote verandering in tien regeeringsvorm der Nederlanden aanbrachten. Vóór dien tijd toch was dc hertog, de graaf of do heer souverein, vermits hij alle gezag, dat van rechtswege den koning der Franken, later den koning van Duitschland, toekwam, allengs aan zicli had getrokken en dus zoowel do wetgevende als de uitvoerende en de rechterlijke macht bezat.

Aan geregelde staatsrechtelijke beperking van de heerschappij dier vorsten door 't volk of door eenig deel daarvan kan niet worden gedacht, vermits er oorspronkelijk wel sprake is van dagvaarten of vergaderingen van edelen en steden, die nu en dan, op 's vorsten verzoek, hem ter zijde stonden in het nemen van regeeringsmaatregelen, maar haar rechten zich beperkten tot liet al of niet inwilligen der vorstelijke heden, d. i. aanzoeken om geldelijke hulp van de onderzaten bij de uitputting der vorstelijke schatkist. De grond hiervan was gelegen in den ouden rechtsregel, dat niemand kon worden gedwongen, zonder eigen toestemming, iets van zijn eigendom af te staan.

Tot het aanhooren van en het beschikken op die beden, — die van buitengewone in gewone overgingen, omdat zij regelmatig op gezette tijden terugkeerden, — werden do steden en de edelen, die mede het platteland vertegenwoordigden, door of namens den vorst opgeroepen, wanneer behoefte aan geld zich deed gevoelen. Eerst in de vijftiende eeuw verkreeg die vergadering den naam „edelen en steden, representeerende de statenquot; d. i. standen des lands, bij verkorting alleen „de s/rtfew.quot; Niet vroeger dan onder de regeering van Karei V, toen de veelvuldige oorlogen tie beden hoe langer hoe talrijker deden worden, verkreeg de vergadering een meer regelmatige inrichting en werden de staten als een vast lichaam beschouwd.

-ocr page 225-

203

Moer en ineor begonnen ile staten, dikwerf door do vorsten geraadpleegd, do medewerking tot de regeering als oen recht te eischenvooral nadat, bij de vereeniging der verschillende Noderlandsohe gewesten onder één hoofd, uit de afgevaardigden der provinciale stuton zich had gevormd tie vergadering der Hiaten-Generaal of Algemeene Slalen, die vooral onder Philips II er naar streefden, als vertegenwoordigers der geheele natie mede te werken tot de vasttelling en de ontwikkeling van nieuwe regoe-ringsbeginselen. Hiertoe kwam het editor niet. De vorst regeerde door middel van een algemeenen landvoogd, ter zijde gestaan door verschillende raadscollegiën, en in de afzonderlijke gewesten werd hij vertegenwoordigd door een sladhotider of plaatsvervanger, gesteund door een provinciaal hof of raad.

Op deze wijze nu zijn de Noderlandsohe gewesten geregeerd tot 1572, sinds welk jaar de staten van Holland noch Al va, nochBoussu, 'skonings stadhouder, als zoodanig meer gehoorzaamden, maar Willem van Oranje, krachtens Philips' vroegere aanstelling, als stadhouder erkenden. Oranje beloofde hot bestuur niet te oefenen dan onder medewerking van tie staten, die van dat oogenblik af voortdurend doel hebben gehad aan de regeering. Wol werd door hen den prins de geheele oppermacht , de hooye overheid, eerst tijdelijk, daarna in 1581 zonder tijdsbeperking, opgedragen. Wel was hij in 1584 bijna tot graaf van Holland en Zeeland benoemd. Maar steeds breidden zich de macht en de invloed der staten op de regeering uit. De dood des prinsen belette, dat de constitutioneele grafelijkheid werd gevestigd. Nadat de prins was overleden, namen de staten de hooge overheid voorloopig in handen. Inmiddels leidden de gebeurtenissen tot deze uitkomst, dat Maurits in 1585 tot gouverneur of stadhouder , eerst van Holland en Zeeland , later ook van drie andere gewesten werd benoemd en Leicester tot algemeen landvoogd, 't Bewind van dezen Engelschman duurde slechts kort.

Wat Maurits en de overige stadhouders betreft, hun titel was gouverneur of stadhouder van de gewesten, welker stilten hen benoemden. Daarenboven waren zij veelal van Avege de Staton-Generaal kapitein-generaal en admiraal. De stadhouder was dus de eerste dienaar der stilten, het militaire en liet burgerlijke hoofd in elk gewest, belast met de uitvoerende macht. Evenwel werd de onderdanigheid van den stadhouder aan de staten getemperd, doordien hij kapitein-generaal van de unie was en tot meer dan één provincie in betrokking stond, door hot hooge aanzien van 't geslacht van Oranje-Nassau en doordat' die waardigheden in dit huis zoo goed als erfelijk werden. Friesland had tot 1748 steeds afzonderlijke stadhouders, welke doorgaans tevens stadhouder van Groningen en van Drente waren, terwijl do stadhouder van Holland steeds in Zeeland, in Utrecht, in Gelderland en in Overijsel tot die waardigheid werd benoemd. Do vijf laatstgenoemde gewesten echter hebben tweemaal een stadhouderloos tijdperk gehad, waaraan de regeeringsreglementen van 1672 en van 1747 voor 't meerendeel dier provinciën een einde hebben gemaakt. In 1747 werd tevens hot stad-

-ocr page 226-

204

houder- en hot kapitoin-gonoraalschap orfolijk verklaard in het luiis Oranje-Nassau, ook in de vrouwelijke linie.

Ten tijde van de Republiek berustte aldus de souvereinitoit bij elk gewest in 't bijzonder, d. i. bij 't lichaam van de steden en de vroedschappen (burgemeesters en raden) der steden, die do gedeputeerden ter statenvergadering benoemden. De inrichting van de stilten der afzonderlijke gewesten was in dezer voege. Gelderland bestond uit drie kwartieren: NijmGgon, Zutfon en Arnhem. In 'teersto kwartier waren Nijmegen, Tiel en Bommel; in hot tweede Zutfen, Doesburg, Doetichem, Lochem en Grol; in het derde Arnhem, Harderwijk, Wageningon, Hattem en Elburg stemmende steden. Men stemde kwartiersgewijze; de edelen en de steden van één kwartier luidden tezamen één stem. — De stStenvergadering van Holland bestond uit negentien stommen, waarvan de edelen één en de volgende steden de overige hadden: Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam, Gouda (dit zijn de grootste steden); Rotterdam, Gorinchem, Schiedam, Schoonhoven Brielle, Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen, Edam, Monnikendam, Medemblik en Purmerend. Doorgaans zonden die steden een burgermeester en twee of drie leden der vroedschap, terwijl de besciireven edelen er op oigoti gezag konden verschijnen. De advocaat van dm lande, na Oldenbarnevelts dood raadpensionaris, bracht de stukken ter tafel en liet er over stemmen. — In Zeeland zonden alleen de eerste edele, die de eenige representant was van den adel in die provincie, en de zes steden Middelburg, Zierikzee, Goes, ïholen, Vlissingen en Veere afgevaardigden naar do staten. Er waren dus zeven stommen. De hoedanigheid van eersten edele heeft Willem I, markies van Vocre en lieer van Vlissingen, van de staten van Zeeland gekregen, en na hem Maurits, Frederik Hendrik, Willem II, Willem III, Willem IV en Willem V. — De staten van Utrecht waron uit drie leden samengesteld: de geëligeerden, d. i. (zooals het vroeger was) de uit de vijf geestelijke kapittelen der stad Utrecht verkoxenen; de edeion; de stad Utrecht, benevens Amersfoort, Rhenen, Wijk bij Duurstede en Montfoort. Na de vestiging der Republiek waren de geëligeerden diegenen, die de Roomsch-katholieke geestelijken vervingen en gewoonlijk, ten getale van acht, op een voordracht van de vroedschap van Utrecht, dooide edelen en de kleino steden werden verkozen, hoewel zij ook nu en dan door den stadhouder werden benoemd. Van de edelen kwamen er doorgaans zes, uit do stad Utrecht twee burgemeesters en een aantal leden van de vroedschap, uit de vier andere steden gewoonlijk twee of drie afgevaardigden. — Friesland, waar de leden der staten door de eigenerfden, onder welke natuurlijk de adel was begrepen, en door de vroedschappen der steden werden gekozen, was in vieren verdeeld; Oostergoo, Westergoo, Zevenwolde en de steden. In 'teerste kwartier bevonden zich elf grietenijen, in het tweede negen, in het derde tien, en 't getal der stemmende steden was elf. Elke stad, zoowel als elke grietenij, zond twee afgevaardigden naar de staten, — De statenvergadering van Overijsel telde twee leden: de edeion uit de drie kwartieren Sallant, Twente en

-ocr page 227-

205

Vollenhoven on de overheidspersonen der drie steden Kampen, Deventer en Zwol. De ridderschap stemde hoofd voor hoofd, de steden hadden elk één stem. —• Oroningen bestond uit twee loden, de stad en de Ommelanden, die het oppergezag zóó met elkander deelden, dat de vier burgemeesters en de twaalf raadsheeren, die de stad zond, de ééne stom hadden en de drie kwartieren, waaruit de Ommelanden bestonden, n.l. Hunsingoo, Fivelingoo en 't Westerkwartier, de andere. — De staten van Drente waren samengesteld uit niet meer dan achttien ridders, die ieder een havezate of ridderhofstede moesten bezitten, en uit zevenendertig eigenerfden. De heeren van de ridderschap hadden één, de eigenerfden twee stemmen.

Behalve de staten, die op onkole tijden vergaderden, hadden de Neder-landsche gewesten gecommitteerde raden of gedeputeerde staten, een permanente commissie uit de provinciale staten, welke naast hen stond en hun bevelen uitvoerde. Alzoo hadden de gecommitteerde raden metterdaad 't hoogste gezag in handen. Voor de rechtspraak bestonden de provinciale hoven en de plaatselijke rechtbanken der schepenen. — Uit de staten der provinciën, uitgezonderd Drente, werd een onbepaald getal leden afgevaardigd, die een col lego vormden, dat men Staten-Generaal noemde, hetwelk den souverein vertegenwoordigde tegenover de buiten-landsche mogendheden en het bestuur had over de Oeneraliteitslanden, Staats-Vlaanderen, Staats-Brabant, waartoe ook de stad en liet land van Maastricht behoorden, de landen van Overmaas (Limburg) en later sinds 1713 Opper-Geldor. Eerst hield dit college zijn vergaderingen in verschillende steden, sinds 1585 steeds te 's Gravenhago. De leden dezer vergadering beslisten in gewone gevallen zeiven, mits blijvende binnen de perken, hun door de provinciën gesteld; doch in gewichtige aangelegenheden vermochten zij niets zonder den uitdrukkelijken en eenstem-migen wil der provinciën. Ofschoon dit volgens de beginselen der unie vaststond, waren de meeningen over dit punt toch dikwijls verdeeld, weshalve in dergelijke gevallen de vraag rees, of er overstemming plaats hebben en do meerderheid beslissen kon, ja dan neen, iets, waartoe de tijdon van Maurits en Willem II overhelden.

Er waren in de Staten-Generaal zooveel stemmen als er gewesten waren, zoodat het getal van hen, welke naar die vergadering worden gezonden, hiertoe niet afdeed. Ook was dit getal niet altijd hetzelfde. In 't begin van den tachtigjarigen oorlog vergaderden de Staten-Generaal slechts van tijil tot tijd en voor 't algemeene gouvernement. Ook berustte, na 't vertrek van Leicester, niet bij hen, maar bij den raad van .state de hoofdleiding dei aangelegenheden van tien staat. Langzamerhand echter hebben de Staten-Generaal sedert 1593, toen zij permanent werden, vele gewichtige belangen aan de bemoeiingen van den raad van state onttrokken en zijn werkkring beperkt tot het beheer der krijgszaken en van de financiën in 't algemeen. Het getal leden van den raad van state was twaalf, van welke die provincie de meeste zond, welke 't grootste aandeel in de

-ocr page 228-

206

algemeone lasten droeg. Bovendien waren de stadhouders der provinciën Jid van den raad van state. Mon stemde hoofdelijk. Over 't geheel oefende de prins van Oranje in alle colleges den meesten invloed.

Holland betaalde tot de lasten van den staat meer dan alle overige gewesten tezamen. Van een som van honderd gulden toch bracht elk gewest, de stuivers en penningen niet gerekend, het onderstaande op:

Gelderland..........ongeveer 5'/» gulden

Holland........... „ 58 „

Zeeland...............9 „

Utrecht........... ruim 5'/2

Friesland...........ongeveer ll'/j „

Overijsel...............S'/j »

Groningen en Ommelanden..... ruim B'/j „

Drente................1 „

De rekenkamer bestuurde de geldzaken onder toezicht van den raad van state, zag de rekeningen na en had het beheer der domeinen. Al wat het zeewezen betrof behoorde tot het gebied der admiraliteit, uit vijf colleges bestaande: dat van de Maas, hetwelk te Rotterdam zat; dat van Amsterdam; dat van Middelburg; dat van Noord-Holland; hetwelk bij afwisseling te Hoorn en te Enkhuizen zetelde; dat vanDokkuin, hetwelk in 1045 naar Harlingen werd verplaatst.

§ «7.

Frankrijk onder de laatste koningin uit hat huis Valois en onder den eersten vorst van hel huis Bourbon. — Johan Gahijn. — De godsdienstoorlogen. — Van 1547 tol 1610.

Reeds onder de regeering van Frans I maakte de hervormde eeredienst vorderingen in Frankrijk, nog meer onder die van zijn zoon en opvolger hennnik ii (1547—-1559). De leer, die men bovenal volgde, was die van jean chatjvin of .1 oh an CALvuN, die reeds in zijn jeugd werd bekleed met de bediening van pastoor, waarvan hij de inkomsten trok, zonder evenwel eenigen dienst te verrichten, daarna in de rechten studeerde, doch zich sedert omstreeks 1530 als hervormer deed kennen. Zich van dit tijdstip af bij uitsluiting aan die roeping wijdende, werd hij gedwongen, in 1534 zijn toenmalige woonplaats Parijs te ontvlieden, vanwaar hij zich naar Bazel (in 't n.w. van Zwitserland) begaf. Hier schreef hij zijn beroemd werk, de Institution de la religion Ghrétienne, eerst in 't Fransch uitgekomen, weldra in 't Latijn. Het overige van zijn leven sleet hij, als prediker en leeraar dor godgeleerdheid, grootendeels te Genève. Doorzijn toedoen kroeg Genève, dat zich eenigen tijd tevoren aan de heerschappij der hertogen van Savoye had onttrokken, een kerkelijk-democratisch bewind. Zóó bracht Calvijn, die onafgebroken voor de voogdij der kerk

-ocr page 229-

207

streed, in dit punt nog geheel doortrokken van den geest der Rooinsche hierarchie (priesterheerschappij), den staat zoo goed als geheel onder de kerk. Zonder aanzien des persoons handhaafde hij, tot zijn dood in 1564, onafgebroken zijn zeer strenge stellingen van zedelijkheid, naar welker maatstaf hij kerkelijke wetten had vervaardigd. Één daad is hem zwaar toegerekend en doet zien, hoe licht in geloofszaken vervolgers en vervolgden van rol verwisselen: het aandeel, dat hij had aan het ter dood brengen in 1553 van Serve de, een Spaanse h geneesheer, die, ofschoon een aanhanger der hervorming, in 't leerstuk der drieëenheid geheel en al afweek zoowel van de katholieke, als van de protestantsche kerk. Deze man, eens door Genève reizende, werd door toedoen van Calvijn gevangen genomen en door den raad dier stad tot den brandstapel verwezen.

Ook in Frankrijk verwekte de hervorming langdurige woelingen onder het bewind van Hendriks drie zonen, die achtereenvolgens den troon beklommen. Eerst kwam de dauphin fkans h (1559—1560), die met Maria Stuart gehuwd was. Reeds zag men aanvankelijk, dat staatkunde en godsdienst do twee bronnen waren, waaruit welhaast do gruwelijkste oorlogen zouden ontstaan, doordien twee aanzienlijke geslachten naar den hoofdinvloed op den gang der zaken streefden. Hot waren dat der katholieke en met do Stuarts verwante Guises, die van Réné van Lotharingen (zie blz. 160) afstemden en toen door Frans en Karei werden vertegenwoordigd, en dat dor Bourbons. Dit laatste huis, hetwelk van Robert , den vijfden zoon van Lodewijk don heilige afstamde, die door een huwelijk het graafschap (weldra hertogdom) Bourbon (in 't midden van Frankrijk, ten n.w. van Lyon) verwierf, was destijds het eenige met den koningin de mannelijke linie verwante geslacht. Leden van dat huis waren toen twee broeders, Antoine, een zwak man, die nu eens tot de sekte der protestanten, dan weer tot de katholieke kerk overhelde, door zijn echtgenoot, de protestantsche Johanne d' Albret, koning van Navarre, en Lodewijk', prins van Condé (vroeger in Henegouwen, thans in Frankrijk, ten n.o. van Douai) en protestant. Ten einde den grooten invloed der Cruises tegen te gaan stelden zij zich op voorslag van den beroemden protestentschen admiraal Kaspar de Coligny, aan't hoofd der hervormden, hier hugenooten geheeten. Naar men wil, staat het met den oorsprong dezer benaming aldus. De Zwitsersehe hervormden noemde men in Frankrijk ugnots, zijnde een verbastering van eidgenossen, d. i. eedgenooten. Van dit reeds verbasterde woord maakten sommige bewoners van Tours hot op nieuw verbasterde hugenooten. Immers, zij zeiden, dat die gereformeerden, «quot;mulat zij in de schaduwen des nachts geheime bijeenkomsten hielden, lieden waren als Hugo Capet, wiens schim, zooals 't gerucht liep, des nachts te Tours ronddoolde.

Sedert 1560 nam de heerschzuchtige en sluwe Katharïna de Medici het regentschap waar voor haar jeugdigen zoon ka hei, ix (1560— 1574). In 1562 barstte, na langdurige spanning, een wreede burgeroorlog (1562—1598) met de onmenschelijkste verwoedheid los. Van toen af nam

-ocr page 230-

208

Kathanna, die zich tot dusver tussohen de twee kampende partijen in 't midden had gehouden, een eerste plaats in onder de hevigste vijanden en vervolgers der protestanten. Eenigo jaren na den dood van Antoine, die reeds bij de eerste vijandelijkheden omkwam, stelde zich zijn zoon Hendrik van Béarn (in 't z.w, van Frankrijk), sinds 1572 koning van Navarre, aan 't hoofd der hngenooten. Dikwerf werd de strijd door een kortstondigen vrede afgebroken, waarbij men de hngenooten een beperkte godsdienstvrijheid en zekere voorrechten toestond; doch telkens schond do regeering de ingewilligde voorrechten weder. Reeds vóór 1572 liet het hof een zoo gunstige gezindheid jegens de hngenooten blijken, dat er in dit jaar een huwelijk tot stand kwam tusschen Margarëta, een dochter van Katharïna, en Hendrik van Béarn. Maar slechts zes dagen na de voltrekking van dat huwelijk greep de beruchte gebeurtenis plaats, be-bekend onder den naam Bartholomaeumacht of Parijsche bloedbruiloft (23—24 Aug.). Nadat een sluipmoordenaar, Maurevert, door Katharïna en Hendrik van Anjou, 's konings broeder, jaloersch op Coligny's invloed, gehuurd om den admiraal van kant te maken, hem, een paar dagen tevoren, slechts had gewond, besloten zij, in overleg met een paar andere hoofden der katholieken, alle aanzienlijke hngenooten te vermoorden. Van den koning werd de toestemming tot die euveldaad verworven, toen men hem door 't leugenachtig bericht eener samenzwering der hngenooten in erge mate had verontrust.

Zóó althans zal de toedracht der zaak zijn geweest volgens liet zeggen van een der hoofdbewerkers van de gruweldaad, Hendrik van Anjou. Het opzet zal dan vrij plotseling bij Katharïna en bij hem zijn opgekomen. De aanleiding daartoe zal de vrees zijn geweest, dat Coligny hen geheel-enal uit 's konings raad mocht verdringen. Het karakter van Karei IX, ongestadig en doortrapt, sluit althans de mogelijkheid eener zoo onverwachte omkeering in zijn verhouding tot den admiraal niet uit. Doch tegenover die opvatting staat een andere, volgens welke het plan der uitroeiing sinds lang, ten minste sedert don vrede van St, Germain-en-Laye, bij Katharina de Medici vaststond, voor welke opvatting meer schijnt te pleiten. Medeplichtig aan de ellendige daad, al is zij niet de hoofdschuldige, zijn de bui-gerij van Parijs en een goed deel der bevolking van Frankrijk. Wellicht bedrogen door de fabel der samenzwering, verblind door dweepzucht, verstoord over den achteruitgang der zaken, een gevolg van den burgeroorlog, lieten Franschen zicli gewillig vinden, om Fran-schen een valstrik te leggen, waarin duizenden omkwamen.

Het afschuwelijke tooneel begon in den vroegen morgen te Parijs, duurde er drie dagen en breidde zich vandaar over de meeste gewesten van Frankrijk uit, waar het moorden langer dan zes weken aanhield. Slechts in enkele gewesten weigerden 's konings stedehouders hun hand tot het plegen der euveldaad te verleenen. Behalve de hoofden der hngenooten, wien men den dood had gezworen, vielen er duizenden, want nu men eens den vrijen teugel liet vieren aan de woede der katholieken, bedaarde zij niet

-ocr page 231-

209

spoedig. Het doorluchtigste dor slachtoffers, welker aantal zeer uiteenloopend wordt opgegeven, 12,000, 30,000 of 70,000, was voorzeker Co-ligny, die door een bende mocrdenaars, onder aanvoering van Hendrik de O ui so j een zoon van Frans, in zijn eigen woning om 't leven werd gebracht. Gregorius XHI liet een plechtig U deum (onderverstaan lau-darmiK, alzoo: wij prijzen u, o God), d. i. een lofzang, zingen wegens deze uitroeiing der vijanden van Christus. Hendrik van Navarre nam gedwongen de katholieke geloofsbelijdenis aan, die hij echter een paar jaren later weer afzwoer.

Na den Bartholomeusnaeht ontstond onder de katholieken zelf erge tweedracht. Velen hunner stichtten onderling een verbond, de Ugue, ge-heeten, dat in 't geheim door Philips II werd ondersteund. Het hoofd, hoewel niet genoemd, was Hendrik do Guise, die bij do katholieken Keer gezien was. Het oogmerk was de handhaving van den katholieken eeredienst en het uitroeien der hugenooten. Tevens wenschte men den koning, Hendrik III (1574—1589), den broeder van Karei IX, to onttronen en Hendrik de Guise met de kroon te begiftigen. Om zijn wrok aan zijn mededinger te koelen liet de koning hom in 1588 ten tijde van de vergadering der rijksstenden te Blois (ten n.o. van Tours, aan de Loire) daar ter stede door sluipmoord nit den weg ruimen en wierp zich in de armen van Hendrik van Navarre. Maar reeds in 1589 werd Hendrik III, dien men nu als een van de kerk afvallige beschouwde, te St. Cloud (nabij Parijs, aan de Seine) door een Dominikanermonnik, Jakob Clément, om 't leven gebracht.

Even vóór zijn overlijden had hij Hendrik van Navarre, die bovendien de naaste aanspraak op den troon had (zie blz. 207), tot opvolger benoemd. Zóó kwam nu, met uenduik iv (1589—1010), in de plaats van het huis Valois de tweede zijtak der Capetingiërs, het gedacht Bourbon, cn word Navarre aan de kroon getrokken. De strijd begon op nieuw; maar Hendrik zag ras in, dat hij, om algemeen te worden erkend, óf hot gansche rijk voet voor voet op de katholieken moest veroveren, öf zelf tot dit geloof overgaan. Dit noopte hem tot het aannemen van den katholieken godsdienst, waarop hot gcheele land hem spoedig erkende. Aan zijn vroegere geloofsgenooten verzekerde, hij bij het beroemde edict van Xantes (niet ver van den mond dor Loire) in 1598 zoo goed als ge-heele vrijheid van godsdienstoefening en toegang tot alle ambten. Ook mochten de hugenooten' de veiligheidsplaatsen, hun vroeger toegestaan, voorioopig behouden.

Bijgestaan door zijn bekwamen minister en vriend, den gereformeerden Maximiliaan van Béthune, hertog de Sully, schiep Hendrik een geheel nieuwe orde van zaken voor het fel geteisterde land. Hij regelde 's rijks geldmiddelen en beurde landbouw on fabrieken in zijn staten op, verarmd door den langen burgeroorlog. Ten einde 's rijks inkomsten te verhoogen stelde hij de paillette in, zóó geheeten naar een zijner secretarissen, Paulet, die hom op dit denkbeeld bracht. Deze paillette was

Wijn NE, Uandhoeh der Alrj. Geschiedenis, Tde druk. -) 4

-ocr page 232-

210

een jaarlijkscho belasting, te betalen dooi' de leden der parlementen, dio hnn ambt op hun kinderen wilden doen overgaan. In 't vervolg werd het verkoopen zoowel van deze als van andere en telkens nieuwe ambten voor de regeering een rijke bron om gelden bijeen te brengen, doch tevens een schromelijk misbruik.

Hoog schatte Hendrik IV de Sully. Daarom ook sprak hij met dezen minister dikwijls over een plan, dat hij tot den grondslag zijner buiten-landsche staatkunde wenschte te maken. Dit plan had de verzwakking van het Habsburgsche huis, zoowel in Spanje als in Oostenrijk, benevens de verdeeling van Europa in een zeker aantal even machtige staten ten doel, dio, onder elkander verbonden, hun geschillen door een raad zouden laten beslissen. Ware het ontwerp werkelijkheid geworden, dan was dat verwezenlijkt, wat de staatsmannen onder „staatkundig evenwicht (zie blz. 171)quot; verstonden. Docli aleer de vorst tot het doen van beslissende stappen tor verwezenlijking zijner lievelingsgedachte kon overgaan, werd Frankrijk, dat zijn Hendrik nog zoozeer scheen te behoeven, den 14den Mei 1610 eensklaps in rouw gedompeld door de tijding: „Eavaillac, een dweepend katholiek, heeft den koning vermoord.quot; De misdaad werd gepleegd te Parijs, terwijl de koets, waarin de koning door de stad reed, wegens een paar karren, die haar in den weg stonden, eenige oogenblik-ken moest stil houden. Van deze belemmering maakte de misdadiger gebruik door achter op het rad der koets te springen en den koning met een dolk te doorboren.

§ 88.

Eni/eland onder het huis Tudor en onder Jakob I uit het gedacht Stuart. — Ik hervorming volledig in Schotland ingevoerd. —

Maria Stuart van Schotland. — Van 1509 tot 102').

Één punt van groot gewicht is er, waardoor Engeland zich, sedert het begin der nieuwe geschiedenis, van zoo goed als alle staten van 't vasteland onderscheidt. Het is dit, dat, terwijl bijna overal elders, in Spanje, in Frankrijk, enz. staande legers verrezen, die de koninklijke macht onbeperkt maakten, dit hier geenszins het geval was. Door de zee tegen aanvallen van buitenlandsche vijanden beschut, behoefde dit rijk er geen. Deze omstandigheid had, gelijk men zal zien, een belangrijken invloed op de ontwikkeling der binnenlandsche staatsaangelegenheden.

Onder de regeering van den zoon van Hendrik VII, hendiuk viii (1509—1547), ontkiemde in Engeland de hervorming der kerk, die eerst na hem tot volle ontwikkeling kwam. Zijn grootste gunsteling was do kardinaal en aartsbisschop van York, Wolsey, die, van trap tot trap gestegen en eindelijk kanselier geworden, alle zaken leidde en aan 't hoofd stond der rechtsbedeeling. Dat Hendrik gedurende do oorlogen van Frankrijk tegen het Habsburgsche huis geen geringen invloed op de buiten-

-ocr page 233-

211

landscho aangelegenheden oefende, al won Engeland er niet veel bij, is boven gebleken. Van de hervorming was do koning een quot;erklaard tegenstander en gaf, ten bewijze, een geschrift tegen Luthers Babylonische gevangenschap uit, waarvoor hom paus Leo X met den eeretitel beschermer van 't geloof beloonde. Eenigen tijd hierna evenwel verkeerde deze goede verstandhouding met den paus in een openlijken twist, want toon Hendrik in 1528 wilde scheiden van zijn gemalin Katharina, een dochter van Ferdinand van Arragon en weduwe van zijn oudsten broeder, Arthur, en Clemens VII hiertoe niet vaardig overging, besloot hij, zich ;net zijn rijk van Rome los te rukken.

Eerst viel Wolsey, wien de koning voor de oorzaak van 's pausen dralen hield, in ongenade en stierf kort na dit ongeval. Daarop zijn wil doordrijvende, scheidde Hendrik, hierin don raad van Cranmer (zie beneden op deze blz.) volgende, met goedvinden dor universiteiten en der aartsbisschoppen van 't rijk, van Katharina en voltrok in 1532 oen tweede huwelijk mot Anna 'Holeyn, een hofdame. Vervolgens wendde hij zich togen het pausdom door zich voor 't hoofd der Engelsche kerk te verklaren on alle geestelijken den eed van suprematie (oppermacht) te laten afleggen. Te gelijker tijd toonde de hevige vervolging, tegen de protestanten ingesteld, dat hiermede geen instemming met de leer der hervormers werd bedoeld. Gelijk de aanhangers dier sekte werden ook do katholieken, die den eed weigerden, zooals de voortreffelijke kanselier, Thomas Morus, ter dood gebracht. Nog duidelijker zag men, hoezeer de koning tegen de hervorming was, uit de ivet der xes artikels, die in 1539 werd gegeven on do hoofdpunten der katholieke leer bevatte, welke men in geen geval mocht loochenen. Ten einde zijn eigenaardige hervorming door te zotten hief Hendrik een zeer groot aantal kloosters en andere gestichten op en trok de goederen der kerk, aan zich. Een van de gevolgen der opheffing van de kloosters was, dat de abten thans geen zitting meer hadden in het parlement, d. i. in het hoogerhuis. Wegens dit alles werd de koning in den ban gedaan. Dat hij van de zes echtgcnooten, die hij achtereenvolgens nam, telkens de eene verstiet om oen andere te huwen, dit heeft zijn zedelijk karakter in een zeer ongunstig licht geplaatst. Ter dood gebracht werden do tweede, Anna Boleyn, en de vijfde, Katharina Howard; van hem gescheiden de vierde, Anna van Kleef. Slechts de derde, Johanna Seymour, stierf vroeg, en Katharina Parr overleefde hom.

Binnen een kort tijdsbestek volgden Hendriks kinderen hem de een na den ander op, allereerst eduakd vi (1547—1553), een zoon van Johanna Seymour, gedurende wiens zesjarig bewind de hervorming allengs in de katholieke kerk werd ingevoerd, die zich, bij overeenstemming in de leer, hoofdzakelijk met die van Calvijn, hierdoor van de protestantsche kerk van 't vasteland onderscheidt, dat de bisschoppen en een doel der kerkgebruiken bleven bestaan. Het was Cranmer, aartsbisschop te Canterbury (ten z.o. van Londen), die deze verandering met voorzichtigheid

14*

-ocr page 234-

212

tot stand bracht. Ook in Schotland drong do hervorming diep door, hoofdzakelijk onder de edelen. Al namen zij de nieuwe leer niet uit overtuiging aan, dan deden /.ij het, om de katholieke kerk te verzwakken, welker geestelijkheid sinds langer dan een eeuw zich nauw aan de koningen had aangesloten en de ergste vijandin van den adel was geweest. Toen de adel later, omstreeks 15G0, over de geestelijkheid zegevierde en haar een groot deel harer bezittingen ontnam, ontstemde hij de predikers dei-hervormde leer, die op deze goederen hadden gehoopt. Vanhier, dat deze ]

leeraars hun steun zochten bij de geringere volksklassen en een strijd aanvingen tegen do kroon en tegen de edelen, die ten tijde van Karei I (zie blz. 226) met de nederlaag der laatsten eindigde. Onder de eerste predikers der hervorming in Schotland is Knox een der vermaardste.

Koning Eduard, een aanhanger van de protestantscho leer, liet, opdat niet zijn ijverig katholieke zuster, Maria, hem zou opvolgen, de kroon na aan Johanna Gray, een kleindochter der jongste zuster van Hendrik VIII,

die den protestantschen godsdienst beleed. En toch geschiedde wat hij had gevreesd: de meerderheid van 't volk verklaarde zich voor mahïa (1553—1558), een dochter van Katharïna van Arragon. Zonder tegenzin zag Johanna Gray van de kroon af, doch moest desniettegenstaande het kortstondig bekleeden van den troon weldra met het leven boeten. Marïa's eerste werk was het herroepen van Eduards wetten over godsdienst en •

kerk, het herstellen van don katholieken eoredienst en der verbintenis mot den stool van St. Petrus. Do vervolging der hervormden was 't onmiddellijk gevolg. Ook Cranmer viel als een der talrijke slachtoffers. Tor wille van haar echtgenoot, Philips II, nam de koningin deol aan zijn oorlog tegen Hendrik II (zie blz. 190 en 200), hetgeen 't verlies van Calais ten gevolge had.

Op de grondslagen, door Eduard gelegd, begon het gebouw der hervorming to verrijzen, toon ELizaisETir (1558—1003), een dochter van Hendrik en Anna Boleyn, den troon had bestegen. Zelve in 't protestantsch geloof opgevoed, liet deze vorstin, mot een krachtig karakter begaafd,

door 't parlement alle hierop betrekkelijke wetten haars broeders bekrachtigen en de suprematie der kroon over de kerk erkennen. Een nieuwe geloofsbelijdenis, die der negenendertig artikels, werd opgesteld, en zóó onstond dt anglicuansclie of episcopale (bisschoppelijke) staatskerk. Het karakter dezer kerk is, dat zij het midden houdt tusschen Rome en Genève, lt;

in dien zin, dat haar leer overeenkomt mot die van Calvijn, terwijl zij ten aanzien van de gebruiken, de formuliergebeden, enz. zeer overeenstemt mot de katholieke kerk. Al geloofde de anglicaanscho kerk niet, gelijk do katholieke, dat de bisschoppen door 't opleggen der handen bovennatuurlijke gaven krijgen, toch behield zij do bisschoppelijke waardigheid. Eveneons bleef bij haar het wit linnen gewaad der geestelijkon in gebruik.

Gelijk do katholieke kerk feestdagen heeft ter herdenking harer heiligen,

hoeft de anglicaanscho plechtige dagen, gewijd aan de herinnering van hen, die veel voor het geloof hebben gedaan of geleden.

-ocr page 235-

213

Nevens de episcopale kerk had men de dissenters, d. i. hen, die niet zoozeer in de leer, als wel in 't kerkbestuur, van de heerschende sekte verschillen en tot welke de puriteinen en de presbyterianen behoorden. Do puriteinen drongen als streng hervormde lieden, in den geest van Calvijn, op de zuivering aan der kerk van alle pauselijke gebruiken, terwijl de presbyterianen het kerkbestuur aan de geestelijkheid ontnamen en het aan presbyters (oudsten) opdroegen. Ofschoon deze sekten der dissenters, evenals de katholieken, de woede der vervolging ondervonden, bleven zij bestaan en breidden zich inzonderheid in Schotland uit, terwijl bijna de geheele bevolking van Ierland katholiek bleef. Van de overige sekten der hervormden onderscheidden zich later de kwakers, wier opkomst van het midden der zeventiende eeuw dagteekent. Zij ontleenen hun namen aan het Engelscho werkwoord „to quake, bevenquot;, omdat de grondlegger hunner sekte, fox, eens een vrederechter moet hebben vermaand, voor'sHoeren woord te beven, daarbij zinspelende op Philippensen 11, 12: „werkt uw eigen zaligheid met vreeze en boven.quot; Bij hun godsdienstoefeningen hadden zij noch doop, noch eenige andere plechtigheid. Wie zich geroepen achtte trad als voorganger op.

quot;Wat het buitenland betreft, Elizabeth ondersteunde met omzichtigheid haar geloofsgenooten in Frankrijk (zie blz. 207 vlg). en in Schotland, zooals wij haar dit in Nederland hebben zien doen. De Jezuïton weerstreefde zij met al haar macht en verbood hun zelfs in 1585 den toegang tot haar land. In haar eigen land moedigde zij, door bekwame staatsdienaren, b. v. door William Cecil, later lord Burleigh, voorgelicht , de neiging harer onderdanen voor handel, scheepvaart en nijverheid aan en droeg hierdoor veel bij tot ontwikkeling der kiem van den lateren bloei van Engeland. ïot de opkomst der nijverheid brachten do vluchtelingen uit de Nederlandsche gewesten veel toe, die togen de gewelddadigheden der dienaren van Philips II een toevluchtsoord in Engeland zochten. Zeer werd de welvaart bevorderd door de verplaatsing van menige lakenfabriek uit Brugge en uit Antwerpen. Voormalige inwoners van Luik leerden de Engelschen het maken van staal en het bewerken van metalen. Andere bedrijven, door de Vlamingen overgebracht, waren de tuinbouw en de visscherij. Zoo groot was de omkeering, door deze scharen vluchtelingen veroorzaakt, dat Engelands schatkist, bij het begin van Elizabeths regeering slecht voorzien, weldra zonder moeite werd gevuld en tal van steden, reeds in verval• verkeerende, door deze aanwinst in nijvere bevolking geheel opkwamen en tot bloei geraakten.

Van 1577 tot 1580 deed Drake, een dier Engelschen, welke de aardappelen, voor 'teerst in 't midden der zestiende eeuw door de Spanjaarden in dit werelddeel bekend geworden (zie blz. 17G), uit Amerika naar hun vaderland medebrachten, de tweede reis om de wereld. Davis ontdekte de straat in Noord-Amerika, naar hem genoemd, en in 1G00 richtte men een Oost-Indische handelscompagnie op. Wat de oorlogsvloot vermocht ondervond zoowel de armada (zie blz. 200), als Cadix

-ocr page 236-

214

(in 't z.w. van Spanje, aan zee), dat de vlootvoogden Howard en de graaf van Essex (een graafschap ten n. van de Theems, ten w. van de Noordzee), door do Nederlanders onder Warmond ondersteund, in 151)6 veroverden. Do een dezer admiralen, Essex, was na Leieester de bijzondere gunsteling der vorstin, die hem zelfs tot stedehouder van Ierland bonoemde. Maar toen hij voor deze hooge waardigheid ongeschikt bleek te zijn en dus werd afgezet, smeedde hij een samenzwering tegen Elizabeth's minister en werd in 1601 ter dood gebracht.

Haar leven lang bleef Elizabeth ongehuwd. Na den dood zijner tweede gemalin, Maria, vroeg Philips II haar ten huwelijk: zij weigerde. Als vrouw verre van onberispelijk, als koningin meestal groot, staat zij in de geschiedenis 't ongunstigst geteekend om haar handelwijze tegen Schotlands koningin mauïa stua rt (zie blz. 149), weduwe van Frans II (zie blz. 207). Elizabeths haat tegen deze vorstin ontsproot hoofzakelijk hieruit, dat Maria, mot de Engelsche katholieken, de echtheid van't huwelijk van Elizabeths ouders ontkende en daarom ook zolf den titel „koningin van Engelandquot; aannam. Zoodra Frans II was overleden, keerde Maria uit Frankrijk naar Schotland terug, waar zij de regeering aanvaardde. Doch weldra geraakte de jonge en schoone, maar lichtzinnige en ijverig katholieke vorstin in geschil met haar ernstige, meestal presbyteriaansche onderdanen. quot;Weldra ging zij een tweede huwelijk aan met Hendrik Darnley, uit een zijtak van 't geslacht Stuart gesproten. Welhaast werd dit huwelijk ontbonden door den gewelddadigen dood van Darnley, toen het buitenverblijf, nabij Edinburg, waar hij zich ophield, nadat hij Maria's gunsteling, Kiccio, had omgebracht, plotseling in de lucht vloog en zijn lichaam, met kennelijke sporen van moord, niet ver vandaar werd gevonden. Kort daarna reikte Maria haar hand aan graaf Bothwell, een van de voornaamste bewerkers van dat gruwelstuk.

Dit bracht een aantal hervormde Schotsche edelen togen hun koningin in opstand. Zij namen haar gevangen en dwongen haar, afstand van 'tbestuur te doen ten behoeve vau haar nog minderjarigen zoon, jakob vi. Uit de gevangenis ontsnapt, vlood Maria, bij gebrek aan een ander toevluchtsoord, naar Elizabeth, die, in plaats van haar bloedverwant gastvrij te ontvangen, haar in hechtenis hield. Inmiddels smeedden de ijverige katholieken vole samenzweringen, waaraan zelfs de hoven van Rome, Madrid en Parijs deel namen, ten einde Elizabeth uit den weg te ruimen en Maria te bevrijden. Hierom benoemde Elizabeth een buitengewone rechtbank, bestaande uit baronnen, rechtsgeleerden en leden van 't parlement, om in de zaak van Maria vonnis te vellen. Na een negentienjarige gevangenschap werd eindelijk tie ongelukkige koningin der Schotten, als medeplichtig aan do laatste dier samenzweringen, ter dood veroordeeld en in 1587 in het kasteel Fotheringhay (ton z. van Leicester) onthoofd. Dat zij kennis droeg van deze samenspanning kan in allen gevalle geenszins worden geloochend, maar evenmin, dat Elizabeth haar nicht steeds vijandelijk had bejegend en altijd in overleg en in overeenstemming met

-ocr page 237-

215

Mana's tegenstanders gehandeld. Hoe lang ook Elizabeth had geaarzeld, ten laatste viel de nooclottige slag.

Volgens den wensch van 't parlement benoemde Elizuboth Jakob VI, koning van Schotland, een zoon van Darnley en Maria, tot haren opvolger. Hij beklom alzoo, na den dood van Elizabeth, als jaicob i (1()03—1G25), den ti'oon, waardoor het huis Stuart dat der Tudors verving. Engeland, met Schotland vereend, werd nu Qroot-Britannia. Weldra kwam het nieuwe koningsgeslacht, door zijn overhellen tot het catholicisme on door .lakobs vasthouden aan de stelling, dat de onbeperkte macht hem, die de koningskroon droeg, door God was verleend, in gevaarlijke tegenspraak niet don geest van 't Engelsche volk. In tegenstelling met de laatstverloopen tijden matigde het parlement zich grooter rechten aan, en röeds verbloemden de puriteinen hun republikeinsche gezindheid niet langer. Jakob was protestant en handhaafde dus de verordeningen, onder Elizabeth uitgevaardigd. Daarom werd hij, bij geen der sekten gezien, door vele katholieken bitter gehaat. Ternauwernood ontsnapte hij aan een groot levensgevaar, dat hem van den kant van eenige katholieken bedreigde, aan do buskruit-samenzwering, in 1G05 van hen uitgegaan en tegen hem on liet parlement gericht. Ue aanslag, dien men voor had, was, don koning en hot parlement den aden November 1605 in de lucht te doen vliegen. Te dien einde hadden de samengezworenen do kelders onder de vergaderzaal van 't parlement gehuurd en met een verbazende hoeveelheid buskruit gevuld. Van de misdadigers is Guy Fawkes het meest bekend geworden, doordien hij juist werd gegrepen, toen hij mot do laatste toebereidselen tot don aanslag bezig was.

§ 89.

Duitschland onder dc koningen uit het Hdbshnrgschc huis Ferdinand II en Ferdinand III en de dertigjarige oorlog. — Van 161!) tot 11)48.

Do blakende godsdienstijver, door de Jezuïten aangevoerd, van feu-dinand ii (1G19—1(537), hertog van Stiermarken, Karinthiö en Krain, Matthias' neef en opvolger, deed hem hot bestrijden der ketters als een heiligen plicht aanmerken. Vanhier dat het smeulend vuur van den oorlog niet anders kon dan terstond ontvlammen. Mot terzijdestelling van Ferdinand kroonde iiot grootendeels Luthersche Bohemen den hervormden FiiEDERiK v, keurvorst vim de Palts en oen schoonzoon van Jakob I (zie blz. 214, 215), als koning. Philips III van Spanje beloofde den keizer zijn bijstand. Zeer kort duurde het koningschap van den zorgeloozen F rede rik. Terwijl hijzelf te Praag aan tafel zat, sloegen hertog Maximiliaan van Beieren (zie blz. 193) en do ervaren Tilly, een Nederlander van afkomst, zijn onderbevelhebber, 'skonings leger in 1020 voor de poorten van Praag op den witten berg. Do zwakke keurvorst zocht spoedig een toevlucht bij zijn oom Maurits in de Nederlanden, de algemeene wijk-

-ocr page 238-

216

plaats voor ongelukkigen en verdrukten, waar men hem den „winterkoningquot; noemde, en werd met zijn bondgenooten in den rijksban gedaan. Een deel van de Palts, alsmede de keurvorstelijke waardigheid, kreeg Maximiliaan van Beieren. De opstand der Bohemen werd bloedig gestraft, do majesteitsbrief verscheurd. Ook in Duitschland zelf hadden verdere pogingen der protestanten geen beteren uitslag.

Toen het nu scheen, dat zich geen verdediger der hervorming meer zoude opdoen, stolden de vorsten van Nedor-Sakson in 1625 koning en RisTiaan iv van Denemarken aan hun hoofd. Maar aan den anderen kant vond de keizer een veel krachtiger steun in Albrecht van Waldstein, gewoonlijk Wallenstein geheeten. Deze buitengewone en in zichzelf gekeerde man, wiens plannen buiten de gewone orde der dingen lagen, wierf uit eigen middelen, ten dienste van Ferdinand, een groot leger en onderhield het op kosten van 't ongelukkige land, waar hij zijn legerplaats opsloeg. In 1626 bracht Tilly koning Christiaan bij Lutter (in Brunswijk, ten z.o. van Hildesheim) een nederlaag toe, en Wallenstein drong hem naar zijn land terug. Terwijl Mecklenburg, Pommeren en geheel Noord-Duitschland zich onderwierpen, weerstond alleen de stad Straalsond (in 't n.w. van Voor-Pommeren), en in weerwil van een langdurig beleg, in 1628, kon Wallenstein ze niet innemen. In 't volgende jaar sloot de keizer met Christiaan IV den wede van Luheek.

Intusschen werd Wallenstein met titels en waardigheden overladen. Reeds tot hertog van Friedland (in 't n. van Bohemen, nabij Reichenberg) verheven, werd hij vervolgens mot het hertogdom Mecklenburg beleend ten koste der beide hertogen, die zich met Denemarken hadden verbonden. In 1628 benoemde de keizer hem bovendien tot generaal en admiraal der Oostzee. Doch al deze titels en waardigheden beletten niet, dat met ij ver aan zijn val werd gearbeid. Van alle zijden gingen luide klachten op over de afpersingen, waaraan zijn leger zich schier overal schuldig maakte. Deswege noodzaakten Maximiliaan van Beieren en de overige vorsten, die van den trotschen Friedland een hevigen afkeer hadden, Ferdinand op den rijksdag te Regensburg (aan den Donau, in Beieren) in 1630, Wallenstein af te zetten. Bij dit alles hield de keizer zijn doel, de herstelling-van den katholieken godsdienst, onafgebroken in 't oog. In Maart 1629 was het restitutie-edict (herstellingsbesluit) afgekondigd, hetwelk het teruggeven van alle kerkelijke goederen gelastte, sinds het verdrag van Passau en tegen de bedoeling van het geestelijk voorbehoud (zie blz. 188) ingetrokken, en, zonder de minste verzachting, door krijgslieden werd ten uitvoer gelegd.

Onder deze hachelijke omstandigheden daagde eindelijk van verschillende kanten krachtige hulp voor de protestanten op. Vooreerst volgde Frankrijk, beducht voor de verbreking van Europa's evenwicht, wederom de richting, die Hendrik II en Hendrik IV tot bondgenooten der Duitsche protestanten had gemaakt. Ten einde toch de dreigende oppermacht van hot Habsburgscho huis tegen te werken ondersteunde dit rijk nu in Duitsch-

-ocr page 239-

217

land de protestanten, die liet in eigen boezem vervolgde. Kardinaal Richelieu (zie blz. 223) beloofde aanzienlijke geldsommen aan gustaaf ii adolf, koning van Zweden, die reeds in een gelukkigen oorlog tegen Polen uitstekende gaven als veldheer had aan den dag gelegd, indien hij het protestantisme in Duitsehland wilde slaande houden. Aan deze roepstem leende Gustaaf Adolf gewillig het oor, omdat hij het tegelijk voor plicht en met zijn belangen overeenkomstig achtte, \oor de zaak der Duitscho protestanten krachtig op te treden en de uitbreiding dei-keizerlijke macht aan de kusten der Oostzee tegen te gaan. Dit laatste punt, de vraag, welk rijk de heerschappij over de Oostzee zou voeren, schijnt niet het minst zwaar bij den koning van Zweden te hebben gewogen : bij al zijn vroegere oorlogen had hij het steeds voor oogen gehad. Dus landde hij den 4den Juli 1030 op Usedom (een eiland ten n.w. van het Pommersche of Stettiner-Haff), trok vandaar naar Pommeren en verdreef de keizerlijken binnen kort uit dit land en uit Mecklenburg-.

In plaats van zich met Gustaaf Adolf te vereenigen sloten de keurvorst van Saksen, Johan George, en die van Brandenburg, George Willem, uit afkeer tegen den vreemdeling, met eenige andere protes-tantsche vorsten een verbond tegen den keizer, 't Gevolg was, dat Gustaaf Adolf alleen het niet kon verhinderen, dat ïilly in 1631 de stad Maagdenburg (aan de Elbe, in Pruisen Saksen), tegen welke de keizer het restitutie-edict wilde ten uitvoer leggen, door een krijgslist overrompelde. Bij de inneming gaf Pappenhei in, een van Tilly's onderbevelhebbers, last, een enkel huis in brand te steken. Niet hieraan evenwel is de vernieling- van Maagdenburg te wijten, noch aan een of meer dier velerlei omstandigheden, die, zoovaak een stad stormenderhand werd veroverd, in vroegere eeuwen plachten voor te komen. Zoo goed als zeker is het, dat voor den brand verantwoordelijk zijn Palkenberg, een Hes cn krijgsoverste in dienst van Gustaaf Adolf, een van do leiders der verdediging in de stad, en met hem de protestantsche leeraars en een aantal inwoners, bovenal het gilde der schippers. Palkenberg, die den val dei-stad niet overleefde, was tot het eind tegen alle ondérhandeling. Toen men ten laatste daartoe toch overging, was zijn vast besluit, de overwinning voor de keizerlijken nutteloos, den buit onbruikbaar te maken. Do predikanten prikkelde het restitutie-edict. De schippers eindelijk waren, sinds lang door de versperring der Elbe van hun middel van bestaan verstoken, zeer verbolgen. Door hun aller toedoen waren op verschillende punten der stad brandstoffen opgehoopt, zoodat dan ook de brand op onderscheiden plaatsen tegelijk losbrak. Met één woord, de daad van Palkenberg is dezelfde als die der Kussen te Moskau in 1812. Geheel to onrechte heeft men in der tijd Tilly, die slechts met moeite den dom redde, of de veroveraars in 't algemeen er aansprakelijk voor willen stellen, die evenwel van het vreeselijk bloedbad, dat zij in de stad hebben aangericht, niet kunnen worden vrijgepleit.

Op de komst van Tilly, die Saksen kwam brandschatten, riep Johan

-ocr page 240-

218

Georgo den koning- van Zweden te hulp, en weldra volgden de meeste vorsten zijn voorbeeld. Den 17den September 1C31 behaalde Gustaaf Adolf bij Breitenfeld (ten n. van Leipzig) een zoo schitterendo zege op Tilly, dat hierdoor de zaken een geheel andere wending namen. Do Saksen waren reeds in 't begin van den slag meerendeels op de vlucht gegaan, de keurvorst zelf het eerst van allen. Terwijl de Saksen nu Bohemen bemachtigden, trok Gustaaf Adolf naar den Rijn en nam er een aantal steden in, o. a. Frankfort en Maints. Van Maints wondde zich de koning naar Beieren, ging, in weerwil van Tilly, die daarbij doodelijk werd gewond, in 1632 over de Lech en bezette Munchen, benevens een deel van 't land. Tilly stierf kort hierop. Dit drong don keizer, zich wederom tot Wallenstein te wenden, die sedert zijn ontslag als oen vorst op zijn goederen in Bohemen leefde en zich met den Italiaan Seni met grooten ijver aan de studie der sterrewichelarij wijdde. Doch eerst na herhaalde malen daartoe te zijn aangezocht en onder voorwaarden, die de rechten des keizers on van 't rijk zeer beperkten, aanvaardde de gekrenkte man het onbeperkt opperbevel over een door hem te werven leger. O. a. bedong hij, dat hij het recht van leven 'en dood over zijn krijgslieden met den keizer zou deelen, en dat hem, als gewone belooning, een der Oostenrijksche erflanden en, als buitengewone belooning, het opperleenheerschap over alle te veroveren landen zou worden afgestaan.

Op de tijding, dat do hertog van Friedland op nieuw 's keizers legerscharen zou aanvoeren, stroomden van alle kanten groote scharen toe, om onder zijn vanen eer en buit te verwerven. Wallenstein verdreef eerst de Saksen uit Bohemen en trok vervolgons langzaam en dralend naar Beieren. Vruchteloos bestormde Gustaaf Adolf bij Neurenberg de verschanste legerplaats van AVallenstein, die zijn leger toen naar Saksen voerde. Daarheen volgde hem Gustaaf Adolf, en bij Lutzen (ten z.w. van Leipzig) kwam het den ICden November 1032 tot een hevigen slag, waarin de protestanten het veld behielden. Desniettegenstaande leden zij verreweg het grootste verlies, want Gustaaf Adolf, door een vijandelijken kogel getroffen, eindigde hier zijn heldenloopbaan. Ook de dappere bevelhebber der keizerlijke ruiterij, Pappenheim, sneuvelde hier.

Na den val van den beroemden koning hield een rij groote mannen, die meestal in zijn tent de krijgskunst hadden geleerd, als Baner en Torstenson, de Zweedsch-protostantsche zaak in Duitschland staande. De rijkskanselier van Zweden, Axel Oxenstierna, bracht te Hnilbronn (een voormalige rijksstad, in 't n. van AVurtemberg) een nieuw verhoud van de protestantsche stonden uit vier kreitsen tot stand en verkreeg zelf de leiding van 't geheel. Inmiddels was Wallenstein naar Bohemen teruggetrokken. Daar bleef hij steeds werkeloos en onderhandelde met Frankrijk, mot Zweden en met Saksen, om tien keizer te misleiden en te verraden. Zijn voornemen was, met behulp dier staten Ferdinand tot hét sluiten van vrede te noodzaken en zichzelf de kroon van Bohemen te verschaffen. Door verschillende middelen maakte de argwanende keizer

-ocr page 241-

219

hierom Wallensteins troepen van hem afkeerig. Last om den veldheer, die eens onontbeerlijk was, te dooden gaf hij niet. Het voornemen om dit te doen kwam het eerst op bij den overste Walter Buttler, een katholiek Ier, die Wallenstein op zijn laatsten marsch naar Eger (in't n.w. van Bohemcn) vergezelde. Hier gekomen, deelde hij hot plan aan twee andere hoofdoflieieren mede, aan Gordon en Leslie, die beloofden hem ter zijde te zullen staan. Den 25sten Febr. 1634 gaf Gordon een gastraaal, waaraan hij Wallensteins grootste vertrouwelingen noodigde. De opperbevelhebber zelf bedankte. Aan dit gastmaal werden zij door dragonders, hiertoe omgekocht, vermoord. Hot waren Illo, Kinsky en Terzka. Een van de officieren, onder wier leiding dit was geschied, begaf zich vervolgens met twaalf dragonders naar het kwartier van Wallenstein, die zijn intrek had genomen bij den burgemeester Pachhillbel. Op het gerucht hunner voetstappen stond de opperbevelhebber, die zich reeds had te' ruste gelegd, op. Terstond ried hij wat er gaande was, strekte zijn armen zwijgend uit en ving den houw van tien hellebaard in zijn borst op, waarop hij neerzijgende stierf.

Kort daarna loste zich liet verbond van Heilbronn op, en de keurvorst van Saksen, die van Brandenburg en de moeste protestantsche stenden sloten in 1635 vrede met den keizer. Doch nu trad Frankrijk openlijk tot bijstand der Zweden en der Duitsohe protestanten op. Richelieu verklaarde Spanje en Oostenrijk don oorlog en zond geld en legers. Een rij overwinningen herstelde weldra de zaak van 't protestantendom. Nadat intusschen Ferdinand II was overleden en door zijn zoon, FEnniNAifD in (1637—1657), opgevolgd, sloeg Torstenson in 1642 den katholieken veldheer Piccolomini bij Leipzig. Hierop vernemende, dat Christiaan IV van Denemarken er ernstig aan dacht, zicli als derde partij in 't midden der krijg voerenden te werpen, rukte hij plotseling op en veroverde het vasteland van Denemarken. Bij den vrede ran. Brihnsebro (in 't z.o. van Zweden, aan zee, ten z.w. van Kalmar) in 1645 moest Denemarken aan Zweden vrijheid van tol in do Send schenken en de Noorweegsehe gewesten Herjedalen (thans oen van de zuidelijkste gewesten van het Noord-land, een der drie hoofddoelen van Zweden) en Jemtland (ten n. vandaar), alsmede de eilanden Gothland (in do Oostzee) cn Oesel (ten n. van de golf van Riga), afstaan.

Naar Duitschland teruggekeerd, veroverde Torstenson geheel Bohemen ten gevolge van de luisterrijke zege, in 1645 op de keizerlijke troepen behaald bij Jankow (ten n. van ïabor, in 't midden van Bohemen), en bedreigde zelfs Weenen. Middelerwijl veroverde de veldheer der Franschen, Lodewijk II, hertog van Enghien (in 't n.o. van Henegouwen), weldra prins van Condé, ook wel de groote Condé geheeten, na de Spanjaarden in 1643 bij Rocroi (ten n.o. van Vervins) een nederlaag te hebben toegebracht, gezamenlijk met Turenne do meeste steden in de Palts. Vreeselijk was, bij al die krijgsdaden, de ellende, die de oorlog over Duitschland bracht. Ook de legers der Zweden werden voor een

-ocr page 242-

220

good dool op kosten van dit land onderhouden, want Zweden was niet rijk. Van zijn kant moest de keizer, ten einde aan zijn bestrijders liet hoofd te kunnen bieden, aan zijn landen de zwaarste lasten opleggen. Zoowel de legers van vrienden, als die van vijanden trokken het gansehe land door. Hadden de inwoners eerst van het hunne geofferd ten behoeve der eersten, dan kwam de brandschatting van de laatsten. Plundering en mishandeling waren onafscheidelijk van dezen krijg. Landbouw en bedrijven stonden stil; honderden dorpen en steden werden afgebrand; pest en allerlei ziekten, hongersnood en gebrek heerschten allerwege. En aan het beginsel, waarvoor de oorlog, zooals het heette, werd gevoerd, aan den godsdienst, dacht niemand meer. Sinds lang was het eigenlijke doel de bevrediging van de hebzucht der vorsten.

De mede, word den 2-Isten October 1648 te Osnahrück en te Munster (in AVestphalen) onderteekend. De Augsburgsche godsdienstvrede (zie blz. 188) werd bekrachtigd en tot do gereformeerden uitgestrekt. Andersdenkenden behoefde geen landsheer op zijn gebied openbare godsdienstoefening te vergunnen; maar hij moest hun drie jaren tijd geven om het te verlaten. Wilden zij blijven, dan mochten zij hun godsdienst niet in 't openbaar oefenen, doch moesten voor 't overige worden geduld. Het kamergerecht zou voor de helft uit katholieke, voor de helft uit protes-tantsche leden bestaan. Met betrekking tot liet twistpunt van het geestelijk voorbehoud werd de toestand van zaken van den Isten Jan. 1624 als richtsnoer aangenomen. Aan de Duitsche rijksstanden of vorsten werd de zoogenoemde landshoogheid toegestaan, alsmede het recht om verbonden met vreemde staten te sluiten, mits niet tegen don keizer en tegen het rijk. Den keizer zelf verbleef, als opperhoofd van 't land, ternauwernood een schijn van macht, terwijl den rijksdag eigenlijk het hoogste gezag werd toegekend. Maar die rijksdag, op zeer onvolkomen wijze samengesteld, had noch kracht, noch aanzien, inzonderheid sedert hij in 1663 te liegensbury permanent, d. i. voortdurend aanwezig, werd verklaard. Do keurvorst van Beieren behield de hem geschonken Boven-Palts; doch do Beneden-Palts werd, als achtste keurvorstendom, aan den zoon van den ongel ukldgen Frederik, Karei Lode wijk, toegewezen. Brandenburg behield het grootste deel van Achter-Pommeren en verwierf Maagdenburg als hertogdom. Maagdenburg werd dus, gelijk vele andere bisdommen en abdijen, geseculariseerd, d. i. wereldlijk verklaard, en alzoo tot staats- en bijzonder eigendom gemaakt. Frankrijk verkreeg het grootste gedeelte van den Elzas; Zweden kwam onder de Duitsche rijksstenden en ontving, behalve /quot;9,000,000, Voor-Pommeren met Stettin en het eiland Eügen (ten o. van Straalsond), alsmede Bremen en Verden (ten z.o. van Bremen) als hertogdommen. Nog werd, wat geheel overbodig was, Zwitserland geheel onafhankelijk van Duitschland verklaard.

-ocr page 243-

221

§ 90.

De Nederlanden sedert het einde van het twaalfjarig bestand tot den vrede van Westminster. — De West-Indische compagnie. — De eerste zeeoorlog met Engeland. — Van 1621 tot 1634

Nog eer het twaalfjarig' bestand ton oindo liep, was de stadhouder van Friesland, Groningen en Drente, AVillem Lode wijk, in 1G20 overleden en voor 'teerste gewest door zijn broeder Ernst Kasïmir (1620—1032) opgevolgd, terwijl de beide andere Manrits hadden gekozen. Schier onmiddellijk na het einde van den wapenstilstand werd in 1021 de West-Indische compagnie opgericht. Do landstreek, die zij mettertijd onder .haar beheer kreeg, was niet zeer uitgestrekt, n.1. Berbice (ten w. van Suriname), Demerary (ten w. van Berbice) en Essequibo (ten w. van Demerary), benevens St. Eustatius (nabij St. Christolïel, een van de eilanden boven den wind in do Caraïbische Zee). Ook Brazilië kwam er voor een korten tijd bij. Inrichting en bestuur waren grootendeels gelijk aan die der Oost-Indische maatschappij (zie blz. 201). Aan aandeelon had Amsterdam 4/9, Zeeland ij^, de Maas, Noord-Holland en Friesland met Groningen elk '/„.

In plaats van Maurits werd zijn broeder fkedeiuk hendrik (1025— 1047) in de meeste provinciën als stadhouder verkozen, doch niet in Groningen en in Drente, waar men den stadhouder van Friesland nam. Na 't overlijden echter van Ernst Kasïmir en van zijn zoon en opvolger, Hendrik Kasïmir I (1032—1040), benoemden ook Groningen en Drente Frederik Hendrik tot stadhouder. Frederik Hendrik muntte inzonderheid in de belegeringskunst uit, getuige de verovering van 's Hertogenbosch in 1029 en van Maastricht in 1032. Ter zee begon onze staat zijn strijdkrachten eveneens ten toon te spreiden. Piet Hein, vlootvoogd van de West-Indische compagnie, vermeesterde in 1028 do Spaansche zilvervloot in de baai van Matanzas (op de noordkust van het eiland Cuba, in West-Indië), een rijken buit van ongeveer twaalf millioen, waardoor die maatschappij dat jaar een uitdeeling deed van fiG ton honderd. In 1030 hernamen de Nederlanders voor de quot;West-Indische compagnie Brazilië, reeds vroeger aan de Portugeezen ontwrongen, maar door deze natie heroverd. Doch doordien het op don duur niet krachtig genoeg werd verdedigd moesten de Nederlanders het in 1054 ontruimen en aan de Portugeezen afstaan. Evenmin als met goweld slaagde men er vervolgens langs den weg van onderhandelingen in, Brazilië terug te krijgen. Eindelijk werd het geschil, in 1001, in dier voege afgedaan, dat Nederland, tegen oen afkoop van 8,000,000 gl., ten behoeve van Portugal afstand deed van Brazilië.

Sedert 1035, toon Frankrijk (zie blz. 219) met de Nederlanden een aanvallend en verdedigend verhond togen Spanje sloot, smolt de tachtigjarige oorlog met den dertigjarigen ineen. Onder de schitterende overwinningen, zoo te land als tor zee op de Spanjaarden behaald, waarin onze geschiedenis van dit tijdperk zoo rijk is, bekleedt de zege in den

-ocr page 244-

222

zeeslag bij Diiins (een roede nabij Dover, in 't z.o. van Engeland), in 1G39 door den uitstekenden admiraal Maarten Harpertszoon Tromp bevochten, een eerste plaats.

Een jaar nadat willeji u (1047—1650) zijn vader Frederik Hendrik in zijn waardigheden, mede in het stadhondersehap van Groningen en van Drente, was opgevolgd, werd de oorlog hier te lande door den West-phaalschen vrede (zie blz. 220), met betrekking tot de Nederlanden doorgaans vrede van Munster geheeten, geëindigd. De koning van Spanje erkende de Vereenigde Nederlanden als vrije en onafhankelijke landen en moest zich het sluiten der Schelde laten welgevallen. Nogmaals werd het tijdperk van vrede naar buiten door binnenlandsche geschillen verontrust, die thans over het getal der af te danken troepen liepen. Holland, dat alleen meer dan de zes andere provinciën tezamen in de algemeeno lasten. droeg, wilde meer volk afdanken en stond pal tegenover do overige. De Sta ten-Generaal en de stadhouder, steunende op het recht der unie en van de meerderheid, hielden van hun zijde hunne streng vast. Zes afgevaardigden ter dagvaart van Holland, hoofden van de staatsgezinde partij, van nu aan ook de Loevesteinsche factie geheeten, o. a. Jakob de Witt, oud-burgemeester van Dordrecht, liet de stadhouder in 1650 op Loeve-stein gevangen zetten; hij zond troepen af, om Amsterdam te bezetten: alles, zooals het heette, op last der bondgenooten. Amsterdam, Holland, gaf toe; doch 't verschil tusschen de voorstanders van 't hooggezag der Staten-Generaal met den stadhouder on die van de onverkorte souverei-nitcit van elke provincie, door Holland vertegenwoordigd, had een wonde geslagen, die nooit is geheeld.

Na 's prinsen dood werd in 1651 een groote vergadering van afgevaardigden van alle gewesten gehouden en besloten, geen kapitein-generaal aan te stellen, zooals de meeste gewesten geen stadhouder benoemden. Nog bracht men aan de staten der gewesten het hooggezag in zaken van godsdienst. terwijl de oppermacht in 'tstuk der militie of krijgszaken wel aan do Staten-Generaal verbleef, maar te dien aanzien aan de provinciale staten meer invloed werd toegekend dan voorheen. Deze regeling omtrent het beschikken over de troepen van den staat toonde den diepen indruk, dien de aanslag op Amsterdam op allen had gemaakt. De twintig volgende jaren, waarin Holland en de meeste provinciën geen stadhouder hadden, zijn het eerste dadhonderlooxe tijdperk onzer geschiedenis. Gedurende dit tijdperk was .ionan de witt de eerste staatsdienaar of minister dei-provincie Holland, onder den naam raadpensionaris. Manrits had het Nederlandsche leger tot het eerste van Europa gemaakt; do Witt verhief den staat tot een zeemogendheid, die Engeland en Frankrijk met roem het hoofd bood. Slechts Groningen en Drente namen in 1650 den stadhouder van Friesland, Willem Frederik (1640—1GC4), den broeder en opvolger van Hendrik Kasïmir I, ook tot den hunnen.

Weldra had de Republiek weer een oorlog door te staan. Uit verschillende, later te vermelden oorzaken (zie blz. 230) ontsproot de eerste zee-

-ocr page 245-

223

oorlog mot Engeland, 1652—1054. Michiel Adriaans/., de Ruiter, de vermaard'ste onzer vlootvoogden, sloeg de Engelschen in 1652 bij Plymouth (in 't z.w. van Engeland). Niet minder krachtig handhaafde Tromp, toen op het toppunt van zijn roem, de oer onzer vlag, zoowel in den, onbeslisten driedaagschen zeeslag bij Portland (een schiereiland in 't z. van Engeland, ton w. van Dorchester), Febr. 1053, en bij ter He ij do (ten z. van Scheveningen), waar hijzelf sneuvelde en waar do zegeeven-eens twijfelachtig was, als in vele andere ontmoetingen. De kaapvaart der Engelschen ton koste van onze koopvaardijschepen neigde evenwel de gemoederen tot vrede. Hij kwam in April 16(54 in Westminster (eei? deel S van Londen) tot stand, onder voorwaarde dat Holland verklaarde, den jongen prins van Oranje, Wi 11 em Hendrik, den zoon van Willem II en Maria, een dochter van Karei I (zie blz. 226), nimmer tot stadhouder te zullen kiezen, noch, zooveel zijn stem aanging, te zullen toelaten, dal hij ooit tot kapitein-generaal der unie word aangesteld, hetgeen dit gewest bij een geheim artikel, de akte van seclusie, beloofde.

§ 91.

Frankrijk onder de koningen uit het huis Bourbon Lodewijk XIII en Lode-wijk XIV gedurende het beheer van Richelieu en van Mazarin. — üe fronde, ■— Van 1610 tot 1GG0. — Spanje onder Philips IV, koning uit het Habsburgsche huis, van 1021 tot 1665. — Portugal onder de regeering van het huis Braganxa, sedert 1640.

Voor den zoon van Hendrik IV, lodewijk xiii (1610—1643), aanvaardde wegens zijn jeugd zijn moeder, Hendriks tweede echtgenoot, Maria de Medici, als regentes het bewind. Later werd zij van het hof verwijderd en kwam Armand Joan du Plessis, heer van bichelieu (ten z.o. van Tours, bij de Vionno) en bisschop van Lui;on (ten n. van la Rochelle), kort tevoren tevens tot kardinaal verheven, aan de spits van 't bestuur. Deze kloeke en met een krachtigen geest begaafde minister was de stichter tier Académie fram;aise of Fransche akademie, die veel heeft gedaan voor de zuivering dor Fransche taal. Als staatsman bevestigde hij de eenheid van 't rijk en daardoor de onbeperkte macht van 't koningschap. Do koning had eigenlijk oen afkeer van den schranderen man, alsof hij er oen voorgevoel van had, dat Richelieu hem zou be-heerschen. Toch kon hij zijn leiding niet ontberen.

Hoe Richelieu in de buitenlandsche politiek de rol van Hendrik IV opnam is boven gebleken. In Frankrijk zelf verbrak hij goheelenal de macht der groeten en voleindigde wat Lodewijk XI had aangevangen. Eveneens ontwapende hij de hugenooton, wier bestaan als een staat in den staat met eigen legers en vestingen (zie blz. 209) hom in strijd scheen met do eenheid en mot de veiligheid van het rijk, door een oorlog, 1627—162!), waarin la Rochelle (ten n. van do Charente, aan zee) eerst

-ocr page 246-

224

na een zeer langdurig beleg haar poorten voor hem opende. Zij moest bukken, omdat Richelieu door 't opwerpen van een dam in zee haar, gelijk weleer Alexander aan Nieuw-Tyrus, allen toevoer had afgesneden. Zoowel hierdoor als doordien vele aanzienlijke mannen, om staatkundige redenen, van de hervormde kerk afvielen, verloor het protestantisme veel van zijn kracht en van zijn belijders. Voor 't overige bleef Richelieu, na zijn oogmerk te hebben bereikt, het edict van Nantcs handhaven. Nogtans was de toestand der hugenooten in 't vervolg steeds als die eener minderheid, die van een machtige meerderheid als gunst moest vragen wat haar als recht was toegekend. De Roomsch-katholieke geestelijkheid hoopte nog steeds de ketterij in Frankrijk te kunnen uitroeien. In 1G42 stierf de scherpzinnige staatsman, en weinig tijds later volgde hem de koning in het graf.

Tot regentes voor Lodewijks vijfjarigen zoon, lodewijk xiv (1043— 1715), werd 's konings weduwe, Anna van Oostenrijk, oen dochter van Philips III van Spanje, benoemd. Als plaatsvervanger voor zichzelf had Richelieu den Siciliaan Julius Mazarïni, doorgaans kardinaal mazauin geheeten, aanbevolen. Ofschoon niet don titel „eersten ministerquot; voerende, stond hij metterdaad aan 't hoofd van 't bewind en ging op don weg, door Richelieu ingeslagen, voort. Als middelen wendde hij intusschen veelal niet, gelijk zijn voorganger, krachtige maatregelen aan, maar bezigde list cn sluw overleg. Hevige klachten over telkens hernieuwde belastingen, welker druk in weerwil van don door Frankrijk gunstigen quot;Westphaalschen vrede niet afnam, verwekten woelingen, die het land sinds 1048 ruim tien jaren lang in onrust hielden. Tegenover de partij van 't hof of van Mazarin stond, behalve vele edelen, het parlement van Parijs, weigerende de nieuwe belastingen te rcgistreeren (zie blz. 145). De tegenstanders der regeering werden door de aanhangers van den minister, die dezen oorlog even onbeduidend achtten als het kinderspel van don slinger, frondeurs (slingeraars, vitters) genoemd. Zij werden bestuurd door Gondi, plaatsvervanger van den aartsbisschop van Parijs en later kardinaal de Retz geheeten, cn telden onder hun leiders ook Molé, president van 't parlement te Parijs.

Deze burgeroorlog was vol wisselingen. Condé, eerst een ijverige steun der regeering, bestreed haar vinnig sinds 1050. Immers sedert 1C51, het jaar, waarin Lodewijk XIV, oud veertien jaar, zichzelf meerderjarig verklaarde, werd de krijg uitsluitend tusschen Condé en het hof des konings gevoerd. Turenne, korten tijd een tegenstander van Mazarin, vocht doorgaans aan 't hoofd der koninklijke troepen voor de zaak dor regeering. Zelfs werd de oppermachtige minister door den voorspoed der tegenpartij gedwongen, tweemaal het hof en Parijs te verlaten, hoewel de koningin hem telkens spoedig terugriep. Wederom zag men gedurende dezen oorlog, gelijk vroeger in 1588 (zie blz. 209), de Parijzenaars barricaden (versporringen, van barrique, d. i. ton) opwerpen. Na onderhandelingen met Spanje te hebben aangeknoopt begaf Condé zich naar een Spaansch leger,

-ocr page 247-

225

hetwelk in do Zuidelijke Nederlanden stond. Deze stap gaf meer nadruk aan den oorlog tuaschen Spanje en Frankrijk, die in de laatste jaren slepend was geweest. Van zijn zijde verklaarde het parlement Condé wegens hoogverraad fles doods schuldig en ontzette hem van al zijn waardigheden en goederen. ïen laatste zegevierde Mazarin. De adel en het parlement werden bedwongen, en hijzelf regeerde in naam van den koning. Met het oog op het overwicht, dat Frankrijk en Spanje vereenigd in Europa konden oefenen, ontwierp Mazarin een huwelijk tusschen Lodewijk XIV en Maria Theresïa, een dochter van Philips IV van Spanje. Mitsdien werden er onderhandelingen aangeknoopt, die in 1659 tot dm vrede der Pyrenaeën voerden, waarbij Lodewijk Artois, op twee steden na, en vele gewichtige stroken en vestingen in Vlaanderen, in Henegouwen en in Luxemburg verwierf, alsmede een paar landschappen ten n. van de Pyrenaeën. De infante deed in TOGO bij voorraad bij akte plechtig afstand van de opvolging in de landen der Spaansche kroon, welke akte Lodewijk tevens bekrachtigde, terwijl hun huwelijk kort daarna werd voltrokken. Die afstand zou echter dan alleen van kracht zijn, wanneer de koning van Spanje vóór 't eind van het jaar 1GG1 den bruidschat zijner dochter, ten bedrage van 500,000 gouden kronen (elk ter waarde van omtrent drie gl.), aan den koning van Frankrijk had betaald. Condé, in 't bezit zijner goederen en waardigheden hersteld, keerde naar zijn vaderland terug. In 't zelfde jaar, 1660, stierf de minister, wiens werk deze vrede was, verbazende schatten nalatende.

Onder den zoon en opvolger van Philips III, philips iv (1621—1665), schreed het verval van Spanje (zie blz. 191, 192) steeds voort. Niet alleen had de schatkist geen geld; maar allo bronnen van bestaan, landbouw, veeteelt, nijverheid, handel, kwijnden. Geen plaats was er in het rijk, of het getal harer inwoners verminderde steeds. Een echte Spanjaard kon zich niet zoo ver vernederen, dat hij, gelijk vroeger de Mooren, den akker bebouwde, handel dreef of zich op do nijverheid toelegde. Liever ging hij naar Amerika of in een klooster. Vanhier dat het aantal monniken op schromelijke wijze vermeerderde. Intusschen kon men de monniken nog tellen, de bedelaars niet, terwijl liet cijfer der arbeidende bevolking trapsgewijze verminderde. Handel en nijverheid geraakten in handen van vreemdelingen, vooral van Genueozen, die zich in Spanje vestigden. Hoewel het getal der hoogescholen in 't rijk zeer groot was, waren de studiën eveneens in verval en h^erschte onder alle standen een verregaande onwetendheid. De oorzaken van Spanje's rampzaligen toestand waren altijd dezelfde: behalve de stremming van handel en nijverheid, de verkwisting van 't hof, een slecht beheer en zware kosten voor vloot en leger. Deze kosten toch waren aanzienlijk, zoowel uit iioofde van den dertig- en den tachtigjarigen oorlog, als om dien tegen Frankrijk (zie blz, 219 en 221), welke zelfs met den Westphaalsohen vrede niet werd gestaakt.

Nog veel meer groeiden de moeielijkhoden der regeering aan, toen verscheiden gewesten der Spaansche kroon, Catalonië, Portugal en Napels,

VVunnk, Handboek der Alg. Geschiedenis, 7(le druk. 15

-ocr page 248-

226

gTOotendeels wegens geweldige afpersingen van staatswege, tot openlijk verzet tegen den koning oversloegen. De opstand in Oatalonië werd in 1052, die in Napels, waar Masaniello (Tornaszo Aniello), een visscher, de oproermakers aanvoerde en eenige dagen do stad beheerschte, in 1(548 gedempt, een gebeurtenis, welker voorstelling, de opera La Muelte. de l'ort'ioi, in onze eeuw in meer dan één land de gemoederen in beweging bracht. Anders eindigde het oproer in Portugal. In dit land, dat dezelfde grieven had, bovendien het verlies zijner bronnen van welvaart betreurde en zich als een wingewest moest zien behandelen, greep in 1640 een volledige omwenteling plaats. Het onttrok zich geheel aan 't gezag van Spanje, en de hertog van Braganza (in Tras-os-montes, in 't n.o. van Portugal), een achter achterkleinzoon van Emanuel I (zie blz. 171), werd als jouan iv (1640—1666) tot koniny benoemd. Twee jaren vóór zijn dood bracht hij Brazilië (zie blz. 221) weder in 't bezit van Portugal. Nog jaren lang had Portugal evenwel de herkregen zelfstandigheid niet de wapens tegen Spanje te verdedigen, totdat dit rijk het in 1668 bij den vrede van Lissabon voor een onafhankelijken staat verklaarde.

8 92.

Enyelund onder Karei /, koniny uil hel huis Sluarl, lol hel etinde der oiuwenteliny en lol xijn dood. Van IfliT) lol

Het gewicht der moeielijkheden, reeds door Jakob T gevoeld (zie blz. 215), drukte eerst recht zwaar op zijn zoon en opvolger, karet, i (1625—1049). Zonder te bedenken, hoe afhankelijk een koning van Engeland ook destijds van het. parlement was, dewijl dit uitsluitend hot recht had belastingen uit te schrijven, deed de koning aanstonds twee onberaden stappen. Hij behield den gehaten minister zijns vaders, den hertog van Buckingham (ten n.o. van Oxford), en huwde de katholieke Henriet te Marie, oen dochter van Hendrik IV. Hierdoor maakte hij de presbyterianen van zich afkeerig en bewerkte een toenadering tusschen hen en do episcopalen. De hulpkreet der hugenooten uit la Rocholle (zie blz. 223) berokkende hem in 1627 een oorlog met Frankrijk en vermeerderde zijn behoefte aan geld. Tot dusver had zich de strijd tusschen koning en parlement tot schermutselingen bepaald. Karei had de vergadering een paar maal bijeengeroepen, niet kunnen verwerven wat hij vroeg en ze dan weer ontbonden. Doch nu de nood drong, moest de koning, naar den wensch van 't parlement, in 1628 de petition of right (bede om recht) tot rijkswet verheffen, volgens welke niemand zonder toestemming van 't parlement tot eenige belasting of gift gedwongen, noch willekeurig gevangen gezet of anders dan voor zijn gewonen rechter gedaagd kon worden.

Hiermede was echter de tegenpartij op verre na niet voldaan. Steeds voortschrijdende in het onderzoek der bezwaren, vorderde hot lagerhuis, dat Karei hel zoogenoemde tonne- en waaggeld niet zou invorderen, dat

-ocr page 249-

hem, tegen de sinds Eduard IV (zie blz. 150) heerschende gewoonte, bij 't begin zijner regeering niet voor den ganschen duur van zijn bewind, maar slechts voor één Jaar was toegestaan. Aan 't behoud van dit voorree lit hechtte de koning voel gewicht, omdat de gelden, voortkomende uit die belasting, op den invoer van wijnen en van alle andere koopwaren gelegd, hem, in gewone tijden, tot zekere hoogte onafhankelijk maakten van het parlement. Ben nieuwe ontbinding was het antwoord van Karei. Ondertusschen was Buckingham in 1()28 door een puritein, H'elton, vermoord en door Thomas Wentworth, vroeger een voorvechter der tegenpartij, als minister opgevolgd. Met behulp van hem regeerde de koning nu elf jaren lang (sedert 1629) zonder parlement. Ofschoon hij in 't zelfde jaar vrede sloot met Frankrijk, had hij toch nog steeds in vele uitgaven te voorzien. Do middelen hiertoe verschaften hem geldboeten en het verkoopen van monopoliën (bevoorrechte alleenhandel In verschillende waren). In 1030 stelde Karei oen jaarlijksoho belasting op do huizen in, hel scheepsgeld genoemd, dewijl zij, zooals werd beweerd , moest strekken tot uitrusting eener vloot. Elk, die zich tegen 's konings afpersingen verzette of zich anderszins aan hem vergreep, werd voor d»' ftlerrekamer gedaagd, een gerechtshof, van den tijd van Hendrik VII'dag-teekenende, dat, door de wijze waarop het was samengesteld en daar het zonder gezworenen recht sprak, grootondeels van den koning afhing, doorgaans zeer harde vonnissen velde en zijn naam ontleent, aan de sterren, waarmede de zolder der zaal, waarin het zijn zittingen hield, was versierd. Gelijk de sterrekamer do staatsmisdrijven, vervolgde de hooye commissie, een kerkelijke rechtbank, door Elizabeth ingesteld, hen, die den eerbied voor de suprematie uit het oog verloren.

Zooals Wentworth 's konings rechterarm was, zoo was Laud zijn linkerarm. Onverzoenlijk van karakter, haatte Laud de puriteinen en begon, eerst als bisschop van Londen, weldra als aartsbisschop run (km-lerbury, hen hevig aan te tasten. Vermits hem de eeredienst der episcopale kerk te eenvoudig toescheen, ontwierp hij een liturgie: (regeling van kerkgebruiken), krachtens welke een menigte plechtigheden, meestal met den katholieken eeredienst overeenstemmende, weder zouden worden ingevoerd. Eerst werd zij, hoewel niet zonder hevig en velerlei verzet, in Engeland doorgedreven. Vervolgens besloot Karei, zonder naar de volksstem te luisteren, deze liturgie met geweld in Schotland in te voeren, ten einde langzamerhand de daarvan afwijkende gewoonten der puriteinsche kerk in onbruik te doen geraken, waarin ook Jakob I met hetzelfde doel reeds eenige veranderingen had gemaakt. Ware dit gelukt, dan zou vervolgens een kerkelijk wetboek zijn ingevoerd, hetwelk de koninklijke suprematie en het stelsel der bisschoppen ook voor de Sehotsche kerk verplichtend maakte. Doch de Schotten, tot dusver niet gebonden door den eed van suprematie, sloten, gelijk reeds meermalen was geschied, onderling een nauw verbond, covenant, d. i. overeenkomst, geheeten. Den 28sten Februari 1038 onderteekenden allen, die te dien einde in een kerk

-15*

-ocr page 250-

228

te Edinburg waren bijeengekomen, een geschrift, waarbij zij zich verplichtten, het papisme te verworpen en zich eendrachtig tegen elke nieuwigheid te verzetten. Hierop liepen zij te wapen, en vermits Karei het nijpend geldgebrek thans meer dan ooit bespeurde, vond de raad van Went worth, een Engelsch parlement bijeen te roepen, ingang. Maar het ging weer den ouden gang: het parlement, hetwelk uien het korte heeft genoemd, verlangde opheffing van de bestaande bezwaren en weigerde inmiddels zijn inwilliging tot belastingen. Daarom ontbond de koning het weder; doch het binnenrukken der Schotten in Engeland noodzaakte hem nog in 't zelfde jaar (1640), op nieuw een parlement bijeen te roepen.

Dit was het zoogenoemde lange parlement, 1640—1649, dat den koning kroon en leven kostte. Reeds het begin der beraadslagingen rechtvaardigde de vrees van Karei I voor de gevolgen van dezen stap, waartoe Wentworth, thans graaf van Strafford (het westelijk gedeelte van Yorkshire), en Land hem hadden overgehaald. Zich niet meer tot de handhaving hunner rechten bepalende, maakten de beide huizen, vooral het lagerhuis, inbreuk op die des konings. De sterrekamer en de hooge commissie werden afgeschaft en Strafford en Laud, op een aanklacht van 't lagerhuis, door de lords (d. i. het hoogerhuis), die deze aanklacht niet aan de gewone rechtsgronden toetsten, maar als een buitengewone zaak aanmerkten, als schuldig aan hoogverraad gevonnist en ter dood gebracht, de eerste in 1641, de tweede in 1645. Do koning, die eens had beloofd, dat Straffoid geen haar op zijn hoofd zou worden gekrenkt, bezweek en gaf zijn inwilliging. Nu werd er een wet gemaakt, volgens welke om de drie jaren een parlement moest worden bijeengeroepen. De bisschoppen sloot men uit van 't recht om in 't parlement zitting te nemen, terwijl men 's konings bevoegdheid om het parlement, zonder de toestemming der beide huizen, te ontbinden tevens beperkte.

Ook na den dood van Strafford kwam er geen overeenstemming tusschen Karei en 't parlement. Daarom klaagde hij vijf leden van 't lagerhnis en een van 't hoogerhuis wegens hoogverraad aan en poogde hen in hechtenis te doen nemen. Tot die vijf eersten, die hij als de leiders van de partij, welke hem weerstreefde, aanmerkte, behoorden o. a. Pym en Hampden, niet Vane de meest bekende van Kareis tegenstanders. Het lagerhuis achtte 's konings poging in strijd mot de petition of right en met de rechten der volksvertegenwoordiging en kwam in verzet. Zóó leed Karei schipbreuk en verliet Londen in 1642. Ondersteund door den adel en door de katholieken, verzamelde hij in 't Noorden en in 't quot;Westen van Engeland een leger tegen het parlement, mot hetwelk hot vooral de steden en 't Zuiden hielden. De partij des konings heette cavaliers of ridders, haar tegenstanders, naar de sneè van hun hoofdhaar, rondhoofden. Op den duur kon de koning niet bestand zijn, eendeels tegon het parlement, hetwelk over 's rijks inkomsten en over de havenplaatsen beschikte, anderdeels tegen de Schotten. Aanvankelijk overwinnaar, werd hij in 1644 dooi' Fairfax en Cromwell bij Marstonmoor (ten n. van York) en in

-ocr page 251-

o-gt;g

1645 bij Naseby (ten n. van Northampton) geslagen en vlood naar Schotland. Maar do Schotten, roods lang in goodo verstandhouding met het parlement, gelijk de Ieren mot don koning, leverden dea ongelukkigen Karei in IG47 voor een zware geldsom, 400,000 pond sterling, aan zijn vijanden uit. Zij achtten zich gerechtigd dus te handeion in overeenstemming mot liet rechtsbeginsel, dat hij, die niot met zijn beurs kan betalen, met zijn lichaam moet betalen. Immers de kosten van den oorlog was Karei hun, naar hun oordeel, schuldig. Op deze wijze kroeg 'skoniugs lot een noodlottige overeenkomst met dat zijner grootmoeder, Maria Stuart, die nog verder zoude bestaan.

Het leger, dat deze zegepralen had bevochten, bestond grootendeels uit mdependenten, lieden, die niet alleen oen volstrekte onafhankelijkheid in zaken des geloofs voorstonden, doch ze ook tot het staatkundige uitstrekten. Ofschoon Fairfax opperbevelhebber was, stond omviek ckom-WELii, in 1599 te Kamsey (in de omstreken van Huntingdon, ten n.w. van Cambridge) uit een aanzienlijke familie gesproten, metterdaad aan 't hoofd, zoowel van deze sekte, als van de troepen. Van 1628 tot 1629 was hij lid geweest van 't lagerhuis als vertegenwoordiger van Huntingdon. Voor 't overige had hij tot 1640 in zijn geboorteplaats als grondbezitter geleefd op hot erf zijner vaderen. Toen was hij op,nieuw lid geworden van 't Lagerhuis en had zitting genomen voor Cambridge. Als veldheer en staatsman onderscheidde hij zich eensdeels door dapperheid en groote bekwaamheden, anderdeels door dweepzucht en gewelddadigheden. In't leger van Cromwell was de godsdienst wat de ridderlijke eer bij de koninklijke troepen was. Ook in 't parlement verkreeg de partij der independenten weldra een belangrijken invloed, dewijl het leger de presbyteriaansche leden dwong diegenen van hen, welke zij er uit hadden verwijderd, weder op te nemen.

Bij deze vaak drukkende oppermacht van 't leger liet zich van den anderen kant onder 't volk een veel gunstiger stemming voor den koning-bespeuren. Niet alleen in een deel van Engeland, maar ook in Schotland kwamen legers van koningsgezinden bijeen. Overal zegevierden echter in 1648 Fairfax en Cromwell over Kareis aanhangers. Weldra was de nederlaag der presbyteriaansche partij beslist. Vruchteloos had zij gedurende 's konings gevangenschap onderhandelingen met Karei aangeknoopt. Bij 's konings besluiteloosheid liepen zoowol deze onderhandelingen, als die van Karei met de Schotten, met de Ieren en met Cromwell op niets uit. Den 6den December 1648 werden alle puriteinsche leden door soldaten uit het parlement geweerd, dat thans alleen uit independenten was samengesteld en, daar zij het overschot uitmaakten, het romp-parlement heet. Op voorslag der officieren bracht het lagerhuis tegen den koning een aanklacht wegens hoogverraad in, die het hooggerhuis verwierp. Desniettegenstaande benoemde het lagerhuis een gerechtshof, waarin ook Cromwell zitting nam en dat den koning, dewijl hij tegen het parlement had geoorloogd, tor dood veroordeelde. Ofschoon Karei steeds volhield do geldig-

-ocr page 252-

230

heid (lezer rechtbank te loochenen, werd dit rampzalig vonnis don 30sten Jan. 1649 te Londen voltrokken.

§ 93.

Fmyrland al* Republiek en onder den protector Cromwell lol de restauratie. — Van 1649 tot 1660.

Om de omwenteling to voleindigen werd het koningschap , gelijk mode het hoogerhuis, afgeschaft en de republiek afgekondigd. Dadelijk moest y.ij intusschen, doordien Kareis zoon, Karei II, in Ierland en in Schotland als koning werd erkend, door de wapens worden beschermd. Met spoed trok Cromwell, als stedehouder van 't eerstgenoemde land aangesteld, de koningsgezinden te gemoet. Tweemaal versloeg hij den jongen Karei, bij Dumbar fin 't z.o. van Schotland) in 1650 en bij Worcester (ten w. van Northampton) in 1651. Inmiddels had Fairfax zich aan 't bewind onttrokken. Terwijl de ongelukkige aanhangers van Karei II, bovenal de katholieken in Ierland, nu verder aan do ergste willekeur werden prijs gegeven, zwierf hijzelf, steeds achtervolgd, nog zes weken in zijn vaderland rond. Hoezeer er een prijs van 12,000 gl. op zijn hoofd was gesteld en ruim veertig menschen hadden geweten, wie en waar hij was, slaagde hij er steeds in, een veilige wijkplaats te vinden en eindelijk naar 't vasteland over te steken. Alsnu vlood hij naar Frankrijk, dat hijquot;iets later een tijdlang met de Nederlanden verwisselde. Op die wijze herstelde Cromwell in de drie koninkrijken de rust en werd de ziel der nieuwe Republiek.

Naar buiten verschafte hij den staat door gelukkige oorlogen tegen de Nederlanden en tegen Spanje aanzien en kracht. Do eerstf dezer oorlogen ontsproot bovenal uit de weigering der Nederlanden zich tot een gemeenschappelijken staat te verbinden met de Engelsche Republiek, die door de akte van navigatie, in Oct. 1651 uitgevaardigd, aan de vrachtvaart en den tusschenhandel der Nederlanders een zwaren slag had toegebracht, wier koopvaardijvloot toen talrijker was dan tie schepen van alle volken van Europa tezamen. Deze akte toch bepaalde, dat de vaartuigen van vreemde natiën geen andere voortbrengsels dan die van hun eigen land in de Britsche havens mochten invoeren en dat bijgevolg de waren uit vreemde werelddeelen en uit Europa zelf grootendeels alleen oj) Engelsche bodems in Groot-Britannië konden worden binnengebracht. Bij den vrede (zie blz. 223, alwaar men leze; 1654) moesten do Nederlanden zich verbinden, in de Britsche wateren voor Engelsche oorlogschepen steeds de vlag te zullen strijken, hetgeen men in de laatste twintig jaren toch placht te doen, niet omdat het oen recht was, maar om onaangenaamheden te voorkomen. Den tweeden oorlog ondernam Cromwell later in 1655 als bondgenoot van Frankrijk (zie blz. 225) tegon Spanje. Deze oorlog, waarin de Engolschen Duinkerken (ten o. van Calais, toon tot do Spaansche Nederlanden behoorende) veroverden, dat zij in 1662 aan Frankrijk verkochten, nam in 1658 een einde.

-ocr page 253-

231

Toen de eerzuchtige man intussohen vernam, dat hei romp-parlement, zijn heerschappij moede, den invloed der puriteinen wilde versterken, verdreef hij het in 1653 gewapenderhand uit de vergaderzaal en benoemde een ander, overeenkomstig zijn maatstaf, uit do godvreezendste lieden bestaande. Dit parlement, naar oen der ijverigste sprekers het Barehone-parlement geheeten, was van korten duur. Zoodra het zijn insteller te veel weerstand begon te bieden, ontbond hij het nog in 't zelfde jaar op gelijke wijze als het vorige. Ten tweeden male was hot rijk geheel in Cromwells macht. Op voorstel van generaal Lambert droeg men in Dec. 1653 den buitengewonen man, mot den titel protector, de hoogste macht op, slechts door een hem toegevoegden staatsraad en dooi' een parlement getemperd. Doch deze nieuwe vergadering toonde wederom denzelfden geest van tegenstand als de vroegere en moest weldra uiteengaan. Ook beletteden Cromwells verdiensten niet, dat er onophoudelijk samenzweringen tegen hem, den machtigen heerscher, werden gesmeed, die hij steeds ten koste van vele menschenlevens onderdrukte. Deze samenzweringen werden tevens voor hem de aanleidende oorzaak om zich een onbeperkte macht te verschatten.

In 1655 verdeelde hij Engeland in dertien districten en stelde aan 't hoofd van elk dezer districten een generaal-majoor, die er met het hoogste krijgs- en rechterlijk gezag was bekleed. Deze generaals, die alleen van hem afhingen, hadden een zekere krijgsmacht ter hunner beschikking. Ten einde de kosten der nieuwe inrichting te dekken hieven zij van 't inkomen der koningsgezinden. Het was, alsof het gansche rijk in staat van beleg was verklaard. Nog meer gevaren bedreigden Cromwells veiligheid, nadat men de zekerheid had verkregen, dat hij voor zich en zijn nakomelingen de kroon verlangde. Niettemin moest hij, toen 't parlement ze hem aanbood, haar afslaan, omdat niet alleen de officieren, maar ook de ergste dweepers zich er bepaald tegen verklaarden. Den Bden Sept. 1658, den jaardag van de slagen bij Dunbar en bij Worcester, maakte tie dood een einde aan zijn woelig leven.

Cromwell had geen opvolger benoemd. Vrijwillig droeg men het pro-lectorschap op zijn zoon Richard over. Zich echter niet opgewassen voelende tegen de zware taak, welke hem wachtte bij do hevige gisting, die in 't leger en in 't parlement bestond, legde hij zijn waardigheid in 1659 neder. Daarop volgde oen tussehenregeering, gedurende welke Lambert en een veiligheidsraad het bewind in handen hadden. Maar eensklaps kwam generaal Monk, die reeds vroeger voor den koning had gestreden, met zijn leger uit Schotland opdagen. Fairfax sloot zich bij hom aan. Lamberts troepen liepen gedeeltelijk over, eu hijzelf werd gevangen genomen. Het doel van den uitermate voorzichtigen Monk heette het herstel der oude wetten te zijn. Doch aan zijn wezenlijk oogmerk beantwoordde het parlement, dat in 1660 word geopend, door Karei II tie kroon aan te bieden. Deze verandering, die bijna niemand het leven kostte, noemt men de restauratie, d. i. de herstelling.

-ocr page 254-

232

§ 94.

Het Noorden en het Oosten van Europa. — Gustaaf Wasa en zijn nakomelingen in Zweden tol 1654. — De oorlog van Karei X Gustaaf, koning van Zweden uit het huis Palts-Tweebruggen, tegen Polen, Denemarken, en hun hondgenooten tot den vrede van Otïva en dien van Koppenhagen. — Van 1520 lot IH60.

Al vroeger (zie blz. Iü4) zagen wij, hoe zwak de band was, die Denemarken, Noorwegen en Zweden moest samenhouden. Hoofdzakelijk was Zwedens afkoer van de opperheerschapjoij der Denen hiervan de oorzaak. De zoon en opvolger van den aldaar genoemden Johan, uit het huis Oldenburg, Sleeswijk-Holstein of Holstein, was ohkistiaan it (1513— 1523), koning der drie rijken. Hij dwong de Zweden, die reeds vroeger de wapens tegen hem hadden opgevat, in 1520 hem als koning te erkennen. Tegen zijn belofte liet hij in 't zelfde jaar, gedurende de plechtigheden der kroning, vierennegentig der Zweedsehe geestelijken, edelen en burgers te Stoekholm ter dood brengen. Deze gruweldaad heet het Slockholmsche bloedbad. Na den afloop word het moorden op 't platteland voortgezet. Doch gustaaf i ebichson, met den bijnaam wasa (in 'to. van Zweden, in Upland), uit een aanzienlijk geslacht gesproten en reeds' vroeger als gijzelaar uit Denemarken ontvloden, kwam, na langdurige omzwerving en te midden van vele gevaren, ten laatste in Dalekarlië of Dalarne (ongeveer in 't midden van Zweden). De moedige bewoners dier dalen riep hij tot den strijd voor de vrijheid op, en in korten tijd was de oorlog, dien Wasa, ondersteund door de hanse en door de stad Lubeek, tegen Denemarken begon, ten zijnen gunste beslist.

Dus was de unie van Kalmar ontbonden, en tot belooning verkoos de rijksdag te Strengnaes (in Södermannland, aan het Mftlarmeor, ten w. van Stockholm) in 1523 den bevrijder van 't vaderland als koning. Onder de regeering der Deonsche koningen waren do goederen der kroon zoo verminderd, dat de jaarlijksche inkomsten op verre na niet toereikend waren om de uitgaven te dokken. Do boeren- en de burgerstand konden niet hoogor worden belast. Ten einde nu de schatkist te kunnen vullen beroofde hij de geestelijkheid, die zeer rijk was en gedurende den strijd de partij van Denemarken had gekozen, van haren overvloed. Tevens fnuikte hij haar macht door 't invoeren der Luthersche leer, die hij te Lubock had loeren kennen, met behoud evenwol der bisschoppelijke inrichting. Opdat intusschon geen woelingen mochten ontstaan, ging hij bedachtzaam te werk. Hij liet door de gebroeders Peterson, die to Wittenberg haddon gestudeerd, het evangelie volgens Luthers opvatting aan het volk verklaren en door zijn kanselier, Laurens Anderson, do Heilige Schrift in 't Zweedsch vertalen. Een rijksdag stelde, volgens 's konings wensch, de goederen der kerk ter beschikking van do kroon. De edellieden won

-ocr page 255-

238

hij voor zijn plan door hun te vergunnen, alle bezittingen, flie hun vroeger hadden behoord en die sedert hot midden der vijftiende eeuw in handen der geestelijkheid waren gekomen, weder aan zich te trokken. Toch bleef er genoeg voor de schatkist over. Tegen het einde der zestiende eeuw bepaalde do rijksdag, dat de Luthersche leer niet slechts do heerschende godsdienst in Zweden zou zijn, maar ook uitsluitend zou worden geduld. De welvaart zijner onderdanen bevorderde Gustaaf Wasa krachtig en nam de hoeren onder de rijksstenden op. Hij stierf in 156U, nadat de kroon reeds ongeveer twintig jaren tevoren in zijn geslacht erfelijk was verklaard. Intusschen zetteden ook de Denen Christiaan IT in 1523 af on droegen de koninklijke waardigheid op aan zijn oom fiiedeuik i, hertog van Sleeswijk-Holstein, die insgelijks do invoering der hervorming in zijn staten toeliet. Onder Frederiks zoon en opvolger, christiaan ui, werd de regeling der Luthersche kerk geheel op dezelfde wijze ais in Zweden voltooid en eveneens, als daar, over de bezittingen der katholieke kerk beslist. Vermits de rijksstenden beducht waren voor een vernieuwing van 't stroven naar do onbepaalde macht, zooals ze dit bij Christiaan II hadden bespeurd, beperkten zij den omvang dor macht van het koningschap in Denemarken en in Noorwegen zeer.

In Zweden volgden op Gustaaf Wasa zijn nakomelingen, van welke zijn kleinzoon gustaaf ii adolf (1611—1632) do vermaardste is. Zijn gebied uit Esthland en Finland langs de kusten der Oostzee uitbreidende, verwierf hij van Eusland KareKë (ton o. van Finland) en Ingermannland (ten z. vandaar), van Polen schier geheel Lijfland. Zóó werd Zweden de eerste dor Noordsche mogendheden.

Na den vroegtijdigen dood van Gustaaf Adolf splitste zich zijn taak in tweeën: Oxenstierna bestuurde van wege de regeering met onbepaalde volmacht de belangen van den Duitschen oorlog tot 1639; zijn dochter cHiusTÏNA. (1632—1654), zes jaren oud, volgde haren vader als koningin van Zweden op en aanvaardde zelve de regeering in 1644. Haar leven lang bleef zij ongetrouwd. Het gebied van 't rijk nam onder haar bewind (zie blz. 220) nog in omvang toe. Wel behartigde deze wispelturige koningin de regeeringszaken; maar liever wijdde zij, een vrouw van geleerdheid en smaak, haar tijd aan gesprekken en bezigheden, die met de wetenschappen in verband stonden. En hiertoe had zij een voortreffelijke gelegenheid, daar zij een aantal in verschillende vakken uitmuntende mannen, als Salmasius, Descartes, Hugo de Groot, aan haar hot had geroepen. Tegen veler wensch brachten onderscheiden redenen Christina in 1654 tot het besluit, de kroon neer te leggen. Niet het minst had een geheime neiging voor den katholieken godsdienst haar tot dezen stap overgehaald. Dat bij dezen godsdienst de ongehuwde stand een verdienste was trok haar aan; evenzeer tie bewering van de onfeilbaarheid des pausen. Daarbij kwam een zekere tegenzin tegen de Lutheranen van haar rijk, die zich hadden verklaard tegen een harer meest geliefde ontwerpen, het Luthersche met het hervormde kerkgenootschap to vereenigen. Eindelijk

-ocr page 256-

234

boezemde haar het grootsohe beekl der katholieke kork in de Middeleeuwen veel eerbied in. Sedert haar neiging voor deze kerk was ontwaakt, lieten oen paar Tezuïten, die do generaal der orde had gezonden en niet welke zij in 't geheim vele gesprekken hield, niet na, haar in haar voornemen to versterken. Dus ging dan de dochter van Gustaaf Adolf, na haar land te hebben verlaten, tot do Roomsch-katholieke kerk over.

De kroon stond Christina af aan haar noot', kakkl x au staak van Palts- Tweelmiggan (het westelijk gedeelte van de Palts) (1654—1660), welk geslacht nn in plaats kwam voor het huis Wasa. Deze roemzuchtige koning oorloogde gedurende zijn ganscho bewind togen Polen en tegen den koning van Denemarken, fredeuik ui (1648—1670). die Polen to hulp kwam on die op zijn beurt zoowel door andere stilten als inzonderheid door do Nederlanders werd bijgestaan. Karei X Grustaaf sloeg het beleg voor Koppenhagen; docli de koning van Denemarken bood hem moedig tegenstand. Hij werd hierin gesteund door do Noderlandsche vloot, die onder Wassenaar van Obdam den Zweden ter zoo een nederlaag toebracht, terwijl do Ruiter op het eiland Funen landde en Nijborg veroverde. In 't kort, do voreenigde inspanning van Denemarken en van zijn bondgenooten dwong Karei X Ghistaaf van zijn veroveringsplannen af te zien. Nog vóór den vrede stierf de koning van Zweden, terwijl Frederiks onderdanen, zijn vastberadenheid erkennende, hrt koninklijk neKatj, ton koste van de rechten van den adel, in Donemarken erfelijk en onbeperkt verklaarden.

De vrede ran Otvra (nabij Dantzig), dien Zweden mot Polen sloot, bepaalde, dat Lijfland grootondeels aan Zweden bleef. Bij den vrede van Koppenhagen, in 'tzelfde jaar, verloor Denemarken aan Zweden de meeste der reeds in 1658 afgestane landen; de gewesten Bohus (in 't z.w. van Zweden, tusschen de grenzen van Noorwegen en do Bonoden-Gotha-Elf, aan het Schagerrak), Halland (ten z. vandaar, aan het Kattegat), Schonen (ten z. vandaar, aan de Sond) en Blokingen (ton n. van Schonen, aan zee).

Een eerste rol in dozen oorlog spoelde fukdi:kik wii,lem, keurvorst van Brandenburg en hertog van Pruisen, met den bijnaam dk ühoote keurvorst (1640—1688), do zoon en opvolger van George Willem (zie blz. 217). Behendig trok hij partij van do oneenighoid tusschen do beide hoofdpersonen van deu oorlog, om zich hot souverein bezit van Oost-Pruisen, dat tot dusver (zie blz. liS5) leenroerig was aan Polen, te verschaffen. Daarenboven was door den Westphaalschen vrede (zie blz. 220) do omvang van zijn land aanmerkelijk aangegroeid. Eindelijk verkreeg hij (zie blz. 1!)3, 1!)4) in 1666 van de Gulik-Kleefsche nalatenschap het hertogdom Kleef, alsmede de graafschappon Mark (ten w. van Westphalen en ton z. van Munster) en Kavensborg (ten z. van Minden en Osnabrück on ten o. van Munster gelegen). In aanzien geklommen door 's vorsten huwelijk met Louise Henriëtte, do oudste dochter van Frederik Hendrik, trad Pruisen eerst onder hem op onder de invloedrijke staten van Europa, evenwel met die voorzichtige on berekenende staatkunde, waaraan hot

-ocr page 257-

235

niet minder dan aan Fredoriks 11 geestkracht en veroveringen zijn rang onder de tegenwoordige groote mogendheden van Europa heeft te danken.

§ 95.

Overzicht van de yeschiedem* der letteren en beschaving in Europa gedurende de zestiende en de zeventiende eeuw.

Sedert de hervorming in een groot deel van Europa doordrong, nam de geestdrift voor de studie van de geschriften der klassieke oudheid alom toe. Zij werden weldra hot middelpunt van 't onderricht der jeugd. Voorgangers op de baan dier studiën waren Melanchthon en zij, wier namen boven als die van de voorloopers der kerkhervorming zijn genoemd. Doch ook voor andere studiën werd bij velen de zin gewekt. In de sterrenkunde maakten Copernicus, Kepler en Galilëi zich beroemd. Copernicus, domheer in zijn geboorteplaats Thoru, overleden in 1543, was de eerste, die aantoonde, dat niet de aarde, maar de zon het middelpunt was van 't planetenstelsel. Hij leerde, dat de zon zich slechts om haar as beweegt, doch dat do aarde, behalve om haar eigen as, ook, gelijk de overige planeten, om de zon draait en dat zij de maan tot trawant heeft. Door Copernicus voorgelicht, bepaalde Kepler, een Wurtemberger, die in 1631 overleed, de wetten van den looji der planeten. Zijn tijdgenoot Galilëi uit Pisa ontdekte de wetten der beweging van den slinger. Wegens een zijner werken, getiteld „Samenspraken over het stelsel van Copernicus,quot; waarin hij zijn instemming met het gevoelen van dezen geleerde liet doorstralen, werd (Talilëi in 1633 te Rome wel niet in den kerker der inquisitie geworpen, maar door deze rechtbank veroordeeld èn tot liet herroepen zijner gevoelens, als strijdende met de Heilige Schrift, èn om zijn verder leven in een soort van gevangenschap, nu eens elders, dan weer op zijn buitenverblijf nabij Florence, door te brengen.

Als geschiedschrijver onderscheidde zich do Franschman Augustus de Thou of Thuanus, gestorven in 1617. Hij stelde in 't Latijn een uitvoerige historie van zijn tijd , d. i. van de laatste helft der zestiende eeuw, te boek. In dezelfde taal schreef iets later Hugo de Groot, behalve vele andere werken, de „jaarboeken en geschiedenissen van de Nederlanden,quot; loopende van do oudste tijden tot 1608. Den grootsten naam verwierf Nikolaas Macchiavolli, een der scherpzinnigste mannen, die immer hebben geleefd. Hij was afkomstig uit Florence, bekleedde er verscheiden hooge staatsambten en was jaren lang gezant, o. a. bij Cesar Borgia (zie blz. 178). Hij overleed in 1527. Zijn hoofdwerken op hot gebied der historie getuigen tevens van de diepe staatkundige kennis des schrijvers. Zijn meesterstuk, waarin hij Thucydides en Tacitus schier evenaart, is zijn „Geschiedenis van Florence.quot; Andere geschriften zijner hand zijn de „Voorlezingen over (de tien eerste boeken van) Livius,quot; alsmede het boek „over den vorst.quot; Hierin schildert hij het beeld van een

-ocr page 258-

236

vorst, die, zonder zich om de voorschriften der deugd of van den godsdienst te bekreunen, door schrander overleg zijn alleenheerschappij weet te vestigen. Allo drie werken zijn in 't Italiaansch geschreven.

In de wijsbegeerlc opende Ha co, baron van Verulam (ten n.w. van Londen), overleden in 1626, een nieuwe baan. Onder .lakob 1 bekleedde 1'ij vele hooge ambten; doch in 't laatst zijns levens werd hij, daar hij zich, hoewel in overeenstemming met het gebruik dier tijden, in te ruime mate mot geschonken had laten begiftigen, van zijn bedieningen ontzet en sleet een paar jaar in den Tower. Zijn roem is in zijn geschriften, hoofdzakelijk in 't Latijn opgesteld, de wijsbegeerte op den bodem der ervaring to hebben laten rusten. Na hom leefde Hobbes, die in 1679 stierf en, als staatsrechtelijk schrijver, zich lijnrecht tegenover de repu-blikeinsche grondbeginselen stelde door do onbeperkte macht des vorston als onmisbaar voor het bestaan van den staat aan te merken. Een ander beginsel dan Baco had Descartes (Cartesius), een Franschman, die eerst in Nederland, later aan 't hof van Christina van Zweden zijn leven doorbracht. Van het zelfbewustzijn als denker („ik donk, dus besta ikquot;) uitgaande, komt hij tot do gevolgtrekking, dat de ziel bestaat. Eveneens leidt hij uit do aan do ziel ingeschapen voorstelling van een volkomen wezen het bestaan van God af. Van Descartes wijkt Baruch Spinoza, oen Jood uit Amsterdam, overleden in 1677, af, de verkondiger van hei panthëisme. De tegenstelling tussehon het „denkenquot; en hot „zijnquot; verwerpende, kent hij het bestaan alleen aan het Opperwezen toe. Alle eindige wezens zijn, volgons hem, slechts openbaringen van het hoogste wezen.

De grootste dichten treft men, gedurende dit tijdvak, in Italië, in Spanje, in Portugal en in Engeland aan. Italië had den onsterfolijken Tonjuato Tasso, in 1544 te Sorrento (nabij Napels) geboren. Hij leefde aan het hof van Fprrara. Zijn hoofdwerk, in quot;t Italiaansch geschreven, is het hevrijde Jeruzalem, een heldendicht. Do stof is ontleend aan den eersten kruistocht. Een paar jaren na Tasso word in Spanje Cervantes geboren, die zijn naam hooft vereeuwigd door den don Quixote, dien boertigon en satirieken roman. Het gedicht behelst de lotgevallen van don Quixote, het voorbeeld van een dolend ridder uit de Middeleeuwen, een man van zoor edelen aard, maar die in den tijd, welken hij beleeft, geheel misplaatst is. De volstrekte tegenstander van don Quixote is zijn dienaar Sancho Pansa, die in al zijn berekeningen het genot en het voordeel op 't oog heeft. Vroeger dan Cervantes leefde Camoëns (zie blz. 171), gestorven in 1569. In zijn heldendicht schildert hij niet alleen de zeetochten langs Afrika's kust en de ontdekking van den weg ter zee naar Afrika, maar vlecht ook de vroegere geschiedenis zijns volks in zijn verzen in.

Engolands vermaardste mannen op het gebied der letterkunde uit do zestiende en uit de oersto helft der zeventiende eeuw zijn, behalve Baco en anderen, bovenal William Shakespeare en John Milton. Shakespeare, in 1564 te Stratford aan do Avon (ten w. van Northampton) geboren, is de oorspronkelijkste aller dichters van don nieuweren tijd.

-ocr page 259-

237

Eenige jaren speelde hijzelf op het tooneel. Lator, var. 159(1 tot zijn dood in 1G1G, werkte hij voor het tooneel. Moer dan dertig stukken, hetzij treur-, hetzij blijspelen, schreef hij. In «1 die stukken wisselt het treurige of ernstige met het boertige af; naar mate het eene of hot andere de overhand heeft, noemt men ze treur- of blijspelen. In de eerste soort is het onderwerp doorgaans of een historische gebeurtenis, of de men-schelijke natuur en de lotgevallen der menschheid, van een algemeen standpunt bezien. Zeer roemt men de teekening der karakters en do natuurlijke ontwikkeling van de daden der handelende personen. Over de taal oefent hij een onbeperkte heerschappij. Onvergelijkelijk is de kracht zijner verbeelding. Onder zijn treurspelen zijn de beroemdste: Hamlet, de naam van een Deensch prins, die den dood zijns vaders op don koning, zijn moordenaar, wreekt, doch zelf daarbij omkomt, en Macheth, waarin de hoofdpersoon een Schot van dien naam is, die, door eerzucht gedreven, den koning doodt. Van de blijspelen is de vroolijl-e wouwen van Windsor een der voornaamste. Milton, overleden in 1()74, een streng-puriteinsch republikein, was een tijdlang secretaris van Grom wel Is staatsraad (zie blz. 231). Na de restauratie, toen hij blind was geworden en zijn ambt had verloren, vervaardigde hij zijn meesterstuk, het heldendicht het verloren Paradijs, waarvan de val der eerste menschen den inhoud uitmaakt.

Wat Shakespeare voor Engeland is is voor Nederland -loost van den Vondel (1587—1679). Moge hij niet op één lijn kunnen worden gesteld met den uitstekenden Brit, hij is do vorst der Nedorlandsche dichters. Onder de reien zijner treurspelen zijn uitnemend verheven lierzangen, als de lofzang der engelen in den Lucifer en die der Amsterdamsche maagden op de huwelijkstrouw in den Gjshrecht van Amstel. De vruchtbaarste stof voor zijn treurspelen, b.v. voor Jephlha, leverde hem de bijbel. Met schier evenveel geluk beoefende hij bijna alle dichtsoorten, ofschoon inzonderheid hot treurspel hem zijn groeten naam heeft verschaft.

§ 96.

Franh'ijk onder Lodewijk XIV, koning uit het huis Bourbon. — Van 1660 tot 1715.

Door den Westphaalschen vrede was Frankrijk in 't Zuiden, Zweden in 't Noorden de machtigste staat van Europa geworden. Aan beiden knoopen zich vooreerst de gewichtigste gebeurtenissen vast. Daarenboven was Frankrijk onder 't bestuur van Richelieu on van Mazarin, wat de binnenlandsche aangelegenheden betreft, zeer versterkt, en de verstrooide krachten van dit rijk waren sedert 1660 tot eenheid gebracht. Den aldus krachtig geworden staat wist lodewijk xiv (zie blz. 224 vlg.) tot een hoogen trap van luister en aanzien op te voeren. Want deze eergierige, heerschzuchtige en met niet gewone regeeringstalenten bedeelde vorst

-ocr page 260-

238

had hot geluk, ten minste gedurende do eerste helft van zijn langdurig bewind, in bijna alle takken van beheer de uitstekendste mannen rondom zich te hebben, (lolbert, eontroleur-generaal der financiën, 1(gt;8.'{,

regelde liet financiewezen en bevorderde handel en nijverheid met kracht. Met groote bekwaamheid wist hij de noodige geldon te vinden, om to voorzien in de talrijke sommen, die de koning voor het voeren zijner eindelooze oorlogen behoefde, en te verhoeden, dat er een aanzienlijk tekort kwam in 's rijks schatkist. De middelen, welke hij aanwendde, waren, hot is waar, drukkend voor do bevolking. Telkens moest hij nieuwe en zware belastingen uitvinden. Vermits hij evenwel steeds bedacht was oji het bevorderen van den bloei van handel en nijverheid, nam, zoolang hij leefde, de welvaart van Frankrijk althans niet af. Nog behoort, tot lof van Colbert, te worden vermeld, dat hij een aanzienlijke zeemacht schiejj en de stichter was dor Fransche koloniën in Oost- en in West-Tndië. liionne leidde do buitenlandsche aangelegenheden van Frankrijk. De minister van oorlog, Lonvois, die menige verbetering in 't kiijgswezen bracht, schiop talrijke en welgeoefende legers, die door do voortreffelijkste veldheeren, zooals door Turenne, Condé, Luxembourg, Oatinat, Vendome, Villars, werden aangevoerd. Vauban was naast zijn tijdgenoot, den Nederlander Menno van Coehoorn, do grootste vestingbouwkundige en een meester in 'I belegeren.

Ook ten aanzien van do kunsten on do wetenschappen wordt do eeuw van Ijodowijk XTV, evenals die van Pericles en die van Augustus, zoor geroemd. Die roem rust echter op zwakken grond. Do grootste mannen op dit veld hadden hun namen vereeuwigd, eer Lodewijk do regeering aanvaardde, b.v. do groote wiskundige Pascal, die in 1048 prooven nam over hot. gewicht der lucht, on Descartes (zie blz. 230), die in ICóO overleed. En moge het niet zijn te ontkennen, dat op het gebied der fraaie letteren on der kunst de tijd van Lodewijks bewind beroemde mannen opleverde, hot is eveneens onbetwistbaar, dat zij slechts als op 's konings wenk arbeidden en dat do laatste helft van dat bewind bijna op geen vermaarde namen kan wijzen. Tot hen, welke op deze wijze in dienst van Lodewijk waren on in voortdurende afwachting van 's konings gunstbewijzen werkten, behooron de treurspeldichters Corneille en Racine, de blijspeldichter Molière, do dichters la Fontaine on Boileau, de kanselredenaars Bossuet en Fénélon, de schilders Poussin en Lorrain, Lulli, de vader der Fransche muziek en de stichter der opera. Coi-nei lie's vermaardste treurspelen zijn Medïta, ■//)lt;quot;gt; geheeten naar de hoofdpersoon, de dochter van don koning van Colchis, die Jason, den aanvoerder dor Argonauten (zie blz. 29), huwde en zich later op hem wreekte; dr. Cinna, welk stuk zijn naam ontleent aan Lucius Cornelius Cinna, Marius' aanhanger ten tijde van den eersten burgerkrijg (zie blz. 73); de Cid (zie blz. 152); de Horatiërs, enz. liacine schreef o. a. Phaedra, dus genoemd naar de hoofdpersoon, de echtgenoot van Theseus, tlie zich doodt, omdat haar liefde jegens haar stiefzoon Hippolytus onbe-

-ocr page 261-

239

antwoord blijft; Andromachf, dat zijn naam draagt naar de wodmvo van Hecstor, on Athalia, welk stuk zijn titel ontleent aan de koningin van Juda, de grootmoeder van Joas. Van Molière's blijspelen zijn de meest bekende: Ie misanthrope (de menschonhater); /' avare (de vrek); Ie maladc imayinnire (de ingebeelde zieke), enz. La Fontaine schreef fabelen, Hoileau satiren, Bossiiet le discours sur l'hisioire universelle (de rede over de algemeene geschiedenis), Kénélon den Telemaehus (Ulysses' zoon).

Groot waren ten opzichte van den bloei dei' Fransehe letterkunde de Rijdiensten van Colbert, die Ie dien einde vole akademiën oprichtte, b. v. die der opschriften, der bouwkunst, der wetenschappen, d. i. van de wis- en natuurkunde, enz. Door dit alles verwierf Frankrijk een buitengewonen invloed op Europa. Zijn taal, tot dusverre reeds vrij algemeen in gebruik, verdrong de Latijnsche, die voorheen meestal voor het politiek verkeer der staten had gediend, geheel en werd de taal der staatkunde en der beschaafde wereld, waarover Parijs in zaken van smaak en van mode de heerschappij bekwam. Maar hoe schitterend ook Lodewijks bewind moge zijn geweest, toch legde hijzelf den grond tot de latere rampen en omwentelingen in zijn land. Togen de gewoonte der (lermaansch-staten verklaarde hij op den morgen na Mazarins dood, zelf te willen regeeren. En getrouw aan het woord, hem toegeschreven; „de staat ben ik,quot; volhardde iiij in dit beginsel, dat voor zijn eigen geslacht het meest verderfelijk werd. Van de parlementen duldde hij gedurende zijn gansehe bewind geen tegenspraak. Zij hielden zich slechts met do rechtspraak en mot het registreeren zijner verordeningen bezig.

liet is niet wel mogelijk, dieper besef van zijn hoog standpunt; te hebben dan Lodewijk XIV had. Ook in de kerkelijke zaken toonde hij dit. Hoofdzakelijk aan zijn gedachte, dat het aanwezig zijn der hervormden mettordaad in strijd was met de eenheid des rijks, een gedachte, die steun vond, zoowel bij de Fransehe geestelijken in 't algemeen, als bij de Main-tenon en bij 's konings biechtvader, La Chaise, in 't bijzonder, is de herroeping van hel edict van Nantes te wijten. Zoolang Colbert leefde, die de hugenooten als nuttige onderdanen beschermde, viel er niet te denken aan een groote poging om het protestantisme in Frankrijk uit te roeien. Doch ternauwernood was hij overleden, of men sloeg de handen aan 't werk. Nadat den protestanten eerst de meeste hunner rechten waren onthouden, vaardigde Lodewijk in 1685 dat beruchte bevelschrift uit, waarbij alle voorrechten, de hugenooten vroeger toegestaan, herroepen en de oefening van hun eeredienst volstrekt verboden werd. Daar beloften van gold en andere aanbiedingen niet krachtig genoeg schenen te werken voor do bekeering tot het catholicisme, liet Louvois het onder den naam drayonades, d. i. gedwongen inkwartiering van dragonders, bekende dwang-stelsel aanwenden. Do gruwelijkste wreedheden tegen de hervormden, eerst slechts hier en daar gepleegd, namen nu alom toe en noodzaakten velen hunner, naar de Nederlanden, Engeland, Brandenburg en elders te wijken. Wel werd menigeen de vlucht uit Frankrijk belet; maar toch

-ocr page 262-

240

beliep liet getal der uitgewokenon, grootendeels bemiddelde en ondernemende kooplieden en fabrikanten of ijverige handwerkslieden, volgens de geloofwaardigste der niteenlnopendo opgaven, nog 4 of 500,000. Niet aan Rome, aan Lodewijk zelf en aan de Fransehe geestelijkheid is de lange reeks der barbaarsche daden te wijten, die met de herroeping van 'tedict van Nantes gepaard ging. Door zijn levenswijze en door zijn erge verkwistingen dompelde de koning zijn land diep in schulden. Verbazende geldsommen kostte het bouwen van 't prachtige slot te Versailles met den aanlog zijner schitterende tuinen, versierd met standbeelden en fonteinen. Hier was do zetel van 't hof. Bekend zijn de namen van Lodewijks minnaressen de la Vallicre, do Montespan en Kr au ooi so de Main-ten on, do weduwe van den dichter Scarron en, na den dood dor koningin, in 't geheim zijn gemalin, door wier invloed de kerkelijke vroomheid aan 't hof in eer kwam. Nog het meest was de rampzalige toestand van Frankrijk toe te schrijven aan de hevige en langdurige oorlogen, die Lodewijk voerde en tot welker beschouwing wij thans overgaan.

§ 97.

De oorlof/ ran Lodewijk XIV legen Karei 11 van Spanje tot den vrede van Aken in 16(gt;H. — Die van Loden) jk, verhonden met Karet II van Kngeland en met Zweden, tegen de Nederlanden en hun bondgenooten tot den vrede van Nijmegen. — Van 1672 tot 1678.

Lodowijk XIV wilde Frankrijk den voorrang in Europa verschaffen en den Rijn tot de oostelijke grens van zijn rijk maken. In een bijna veertigjarigen strijd, dikwijls tegen half Europa, zocht hij dit glansrijke doel te bereiken. Reeds was hij nagenoeg aan den eindpaal van zijn streven, toen, nog in den avond zijns levens, do trotsche koning zich de leer der matiging moest eigen maken.

De eerste van Lodewijks oorlogen werd gevoerd tegen zijn zwager, den zwakken en jeugdigen koning van Spanje, kakel ii (1665—1700), een zoon van Philips IV (zie blz. 225). Hem wilde Lodewijk, dewijl men, van den kant van Spanje, zich geenszins had gehouden aan de voorwaarde, bij het huwelijk vastgesteld, de Spaansche Nederlanden, als een erfenis zijner gemalin (zie blz. 225), ontrukken. Binnen eenige weken veroverden zijn legers onder Turenne en Condé een groot deel der Spaansche Nederlanden. Maar plotseling werd, uit hoofde van de vrees van Jchan de Witt (zie blz. 222) en van zijn landgenooten voor de onmiddellijke nabuurschap van Frankrijk, gevoegd bij die van do beide overige mogendheden voor 't evenwicht van Europa, door de bemoeiingen van den Engelschen gezant, William Temple, en van den raadpensionaris in 1668 de triple alliantie (het drievoudig verbond) te 's Gravenhage

-ocr page 263-

tusschen Engeland en de Nederlanden gesloten. Tot dit verdrag trad Zwedens rijksraad, die destijds het bewind oefende voor den minderjarigen Karei XI (zie blz. 253) en hiertoe was omgekocht door Hollands geld, terstond toe. Nu dwong do alliantie Lodewijk XIV bij den vrede van Aken, den 2den Mei 1668 gesloten, met Rijssel, Doornik, Oudenaarde, Kortrijk, Charleroi en zeven andere steden tevreden te zijn, grootendeels in die streek van Zuid-Nederland gelegen, welke later Fransch-Vlaanderen is genoemd.

Niet lang rustten de wapens. Lodewijk wilde zich, wegens hef sluiten der alliantie, aanstonds op de Nederlanden wreken. Eerst wist hij Engeland aan 't verbond te onttrekken: Karei II, loszinnig van aard en door ruime beloften gewonnen, verbond zich met hem. Ook Zweden viel van 't verbond af. En weinig moeite kostte het, Maximiliaan Hendrik, keurvorst van Keulen, en den bisschop van Munster, Bomhard van Galen, te nopen zich bij Frankrijk aan te sluiten. Al wat de Vereenigdo Nederlanden aan Lodewijks ontzaglijke strijdkrachten konden tegenstellen was een leger van slechts 21,000 man, de garnizoenen der vestingen, een krachtige vloot en hun bondgenootschap met Prederik Willem van Brandenburg (zie blz. 234), hetwelk evenwel weldra bleek don Staten-Generaal metterdaad geen nut aan te brengen. Na onder nietige voorwendsels den oorlog te hebben verklaard trok Lodewijk zelf in 1672 met de door Condé en Turenne aangevoerde legermacht, omstreeks 120,000 man sterk, op de Nederlanden aan. Een aantal vestingen, op Nederlands grenzen gelegen, werd voetstoots ingenomen, Maastricht voorbij getrokken , en bij het tolhuis te Lobith (in 't z.o. van Gelderland, op de grenzen) stak de koning zoo goed als onverhinderd den Rijn over. Willem ui werd wel in Februari tot kapitein-generaal voor één veldtocht aangesteld; doch op 't einde van Juni waren Gelderland, Utrecht en eenige steden van Holland reeds in 's vijands macht. Tegelijk werden Overijsel en Drente dooiden bisschop van Munster overweldigd, Groningen door hem belegerd.

In weerwil van de drukkende overmacht bezweek de Republiek niet. Eerst doorstak men de dijken der rivieren en beveiligde daardoor Holland. Dan werd de moed door Rabenhaupts kloekmoedige verdediging van Groningen aangewakkerd, die in Aug. 1672 van Galen noodzaakte met de Keulsch-Munstersche legermacht af te trekken en in Doe. Koevorden bij verrassing liet hernemen. Hierbij kwam, dat de voorgenomen medewerking der Engelschen, die een landing op de kust van Holland zouden doen, achterwege bleef. De natuur zelvé belette dit in Juli 1672 door een zeer hevigen storm uit het z.w. In 't volgend jaar, 1673, behaalde de eenige de Ruiter, na andere overwinningen, bij Kijkduin (nabij de Helder) een beslissende zege op de Engelsche en de Fransche vloot onder de admiraals prins Robert en d' Estrées. Ook sloten in 1673 Leopold I (zie blz. 251) en Spanje, gelijk weldra het Dnitsche rijk, zich bij de Nederlanden aan, en dwong quot;Willem door een koene onderneming, de verovering vaii Bonn (aan den Rijn, ten z.o. van Keulen), Condé, ons land

Wunnk, Handhoek der Alg. Geschiedenis, 7ile drnk. 10

-ocr page 264-

242

te ontruimen. Alleen Maastricht, dat mede in 1673 voor de overmacht had moeten zwichten, bleef in handen der Franschen. In 1()74 moest de koning van Engeland, door de bedreigingen van 't parlement verschrikt, vrede sluiten. Uit voorbeeld volgden Munster en Keulen.

In de Spaansche Nederlanden, waarheen de Franschen aanstonds na de ontruiming van ons land weken, streed Willem III met het vereenigde leger der Nederlanders, der Spanjaarden en der Duitsehers in 1674 bij So net (in 't n.o. van het tegenwoordige Henegouwen) tegen Condé zonder beslissenden uitslag. Tevens verloren de Spanjaarden alle Zuid-Nederlandsche vestingen, op oen vijftal na. In de Rijnstreken deed Tlire nn e schitterende veldtochten, doch sneuvelde reeds in 1675bij Sasbaoh (in 't midden van Baden, ten z.w. van Rastadt) bij het begin van een veldslag, die toen niet verder werd voortgezet. Nog werd de oorlog naar de Middellandsche Zee overgebracht, want Messïna (in 't n.o. van Sicilië), tegen Spanje in opstand, werd door Lode wijk XIV krachtdadig bijgestaan. Hierom zeilde de Ruiter in 1676 met de Nederlandsch-Spaansche vloot naar die wateren. Driemaal leverde men slag tegen den Franschen admiraal du Quesne: in de tweede ontmoeting, bij den Etna, zegepraalden de onzen, maar verloren den eersten vlootvoogd zijner eeuw.

Den lOden Augustus 1678 sloten Frankrijk en de Nederlanden, zonder zich om hun bondgenooten te bekommeren, te Nijmegen den door de hoofdpartijen verlangden vrede. De Republiek, welker ondergang in 't begin van den oorlog onvermijdelijk scheen, trad uit den strijd, zonder één enkel dorp te verliezen. Alsof hij hiervan ten eenen male onkundig-was, leverde Willem, vier dagen na het sluiten des vredes, nog een slag aan Luxembourg bij St. Denys (in Henegouwen), waarin elke der beide partijen zich de overwinning toekende. Kort daarna moest Spanje, dat Franche-Comté en veertien steden in de Spaansche Nederlanden aan Lodewijk afstond, insgelijks vrede sluiten. Het kreeg echter van het twaalftal, dat het in 1668 had verloren, vijf terug, o. a. Oudenaarde, Kortrijk en Charleroi. Zóó deden ook de overige bondgenooten.

§ 08.

I)r negenjarige oorlog van Lodewijk XIV tegen het verhond van Weenen tot den vrede van Rijswijk, van 1688 tot 1697. — De Spaansche erfopvolgingsoorlog tot den vrede van Utrecht, dien van Jiastadt en van Baden. — Van 1700 tot 1714.

Nog was de vrede pas één jaar oud, of Lodewijk veroorloofde zich op nieuw een geweldige inbreuk op het volkenrecht. Hij richtte n.1. bij de parlementen van Besamjon (in Franche-Comté aan de Doubs, een bijstroom van de Saöne), van Metz en van Breisach of Oud-Breisach (welke stad sedert den Westphaalschen vrede aan Frankrijk behoorde, maar bij den vrede van

-ocr page 265-

Rijswijk weer aan Duitschlancl werd toegekend en in Baden aan den Rijn, ten '/..O. van Colmar, ligt) reimionskamers op, die hadden to onderzoeken, welke landen of steden ooit tot de te Munster en te Nijmegen aan Frankrijk afgestane stieken in eenige betrekking hadden gestaan. Een menigte steden in den Elzas en elders werden door deze kamers aan Lodewijk toegewezen , die ze dan, niet zelden met geweld, in bezit nam. Op die wijze vielen ook Luxemburg en Straatsburg in zijn macht. Hierom bracht de rustelooze tegenstander van den heersohzuchtigen vorst, de stadhouder Willem III, wien Lodewijk, door hem het prinsdom Oranje (in 't z.o. van Frankrijk, aan de Rhone, ten n. van Avignon) wederrechtelijk te ontnemen, een persoonlijke beleediging had aangedaan, zoowel andere verbonden tot stand, als in 1686 dat van Augsburg tusschen den keizei', het grootste gedeelte van het Duitsche rijk en Spanje. Hun en aan do Nederlanden verklaarde Lodewijk in 1688 en in 1689 den oorlog, doch tegen zijn verwachting-werd liet getal zijner vijanden nog met Engeland vermeerderd, waar Willem III koning werd (zie blz. 250). Na de herroeping van 't edict van Nantes (zie blz. 239) vreesde daarenboven al wat protestant was voor het overwicht van den vervolger hunner geloofsgenooten. Ook voegde Victor Amadëus II, hertog van Savoye (1675—1730, overleden 1732), zich in 1690 nog bij de bondgenooten, die hun vereeniging door het verbond van Weenen hadden bekrachtigd.

Middelerwijl was in Duitschland de negmjange oorlog reeds losgebroken. Louvois had besloten, ter beveiliging der Fransche grenzen aan die zijde, het Rijndal in oen woestijn te veranderen. Met afschuwelijke wreedheid verwoestten de Pranschen de Palts en de overige Rijnstreken. Worms, Spiers en vele andere bloeiende steden en dorpen werden plat gebrand. Ook Heidelberg mot zijn fraai slot, het verblijf der keurvorsten van de Palts, werd een prooi der vlammen. Van het kasteel bleven slechts bouwvallen staan, die nog heden worden bezichtigd; de stad zelve kwam later weder op. Maar de eigenlijke kamp greep hoofdzakelijk in Italië en in de Zuidelijke Nederlanden plaats. In 1690 verloren de bondgenooten den slag bij Fleurus (in 't n.o. van het tegenwoordige Henegouwen) tegen Luxembourg. Intusschen had Willem zijn door Frankrijk krachtig ondersteunden tegenstander, Jakob, bij de rivier de Boyne (in Ierland , die ten n. van Dublin in de lersche Zee valt) verslagen en nam nu liet opperbevel over de gezamenlijke troepen in de Spaansche Nederlanden over. Hier was de moeclige vorst, wien zijn vijand, zelfs als hij was geslagen, moest ontzien, minder gelukkig. Bij Steenkerken (in 't n. van Henegouwen, ten n.w. van Senef) werd hij in 1692 door Luxembourg overwonnen, en in weerwil van 'sprinsen talenten en beleid viel de slag tusschen Landen en Neerwinden (in 't n.w. van het tegenwoordige Luik) in 1693 geheel tot zijn nadeel uit. Tevens werden Mons (Bergen), Namen en andere vestingen door den vijand ingenomen. Niet beter ging het in Italië, waar Victor Amadëus verscheiden malen word verslagen en Lodewijk meer en meer het overwicht kreeg.

-IC.*

-ocr page 266-

242

te ontruimen. Alleen Maastricht, dat mede iu 1673 voor de overmacht had moeten zwichten, bleef in handen der Fransohen. In 1()74 moest de koning van Engeland, door de bedreigingen van 't parlement verschrikt, vrede sluiten. Uit voorbeeld volgden Munster en Keulen.

In de Spaansche Nederlanden, waarheen de Fransohen aanstonds na de ontruiming van ons land weken, streed Willem III met het vereenigde leger der Nederlanders, der Spanjaarden en der Duitschers in 1674 bij Senef (in 't n.o. van het tegenwoordige Henegouwen) tegen Condé zonder beslissenden uitslag. Tevens verloren de Spanjaarden alle Zuid-Nederlandsche vestingen, op een vijftal na. In do Rijnstreken deed Tu-renne schitterende veldtochten, doch sneuvelde reeds in 1676bij Sasbach (in 't midden van Baden, ten z.w. van Rastadt) bij het begin van een veldslag, die toen niet verder werd voortgezet. Nog werd de oorlog naaide Middellandscho Zee overgebracht, want Messïna (in 't n.o. van Sicilië), tegen Spanje in opstand, werd door Lodewijk XIV krachtdadig bijgestaan. Hierom zeilde de Ruiter in 1676 met de Nederlandsch-Spaansche vloot naar die wateren. Driemaal leverde men slag tegen den Fransohen admiraal du Quesne: in de tweede ontmoeting, bij den Etna, zegepraalden de onzen, maar verloren den eersten vlootvoogd zijner eeuw.

Den lOden Augustus 1678 sloten Frankrijk en de Nederlanden, zonder zich om hun bondgenooten te bekommeren, te Nijmegen den door de hoofdpartijen verlangden vrede. Do Republiek, welker ondergang in 't begin van den oorlog onvermijdelijk scheen, trad uit den strijd, zonder één enkel dorp te verliezen. Alsof hij hiervan ten eenen male onkundig-was, leverde Willem, vier dagen na het sluiten des vredes, nog een slag aan Luxembourg bij St. Denys (in Henegouwen), waarin elko dei-beide partijen zich de overwinning toekende. Kort daarna moest Spanje, dat Franche-Comté en veertien steden in do Spaansche Nederlanden aan Lodewijk afstond, insgelijks vrede sluiten. Het kreeg echter van het twaalftal, dat hot in 1668 had verloren, vijf terug, o. a. Oudenaarde, Kortrijk en Charleroi. Zóó deden ook de overige bondgenooten.

§ 98.

Dr myenjarige oorlog van Lodewijk XIV tegen het verhond van Weenen tot den wede van Rijswijk, van 1688 tot 1697. ■— De Spaansche erfopvolgingsoorlog tut den wede van Utrecht, dien van Rastadt en van Baden. — Van 1700 tot 1714.

Nog was de vrede pas één jaar oud, of Lodewijk veroorloofde zich op nieuw een geweldige inbreuk op het volkenrecht. Hij richtte n.1. bij de parlementen van Besan9on (in Franche-Comté aan de Doubs, een bij stroom van do Saóne), van Metz on van Breisach of Oud-Breisach (welke stad sedert den Westphaalschon vrede aan Frankrijk behoorde, maar bij den vrede van

-ocr page 267-

Rijswijk weer aan Duitschlancl werd toegekend en in Baden aan den Rijn, ten z.o. var Colmar, ligt) rennionskamers op, die hadden te onderzoekon, welke landen of steden ooit tot de te Munster en te Nijmegen aan Frankrijk afgestane streken in eenige betrekking hadden gestaan. Een menigte steden in den Elzas en elders werden door deze kamers aan Lodewijk toegewezen, die ze dan, niet zelden met geweld, in bezit nam. Op die wijze vielen ook Luxemburg en Straatsburg in zijn macht. Hierom bracht do rustelooze tegenstander van den heerschzuchtigen vorst, de stadhouder Willem III, wien Lodewijk, door hem het prinsdom Oranje (in 't z.o. van Frankrijk, aan de Rhone, ten n. van Avignon) wederrechtelijk te ontnemen, een persoonlijke beleediging had aangedaan, zoowel andere verbonden tot stand, als in 1G8G dat van Augsburg tusschen den keizer, liet grootste gedeelte van het Duitsche rijk en Spanje. Hun en aan de Nederlanden verklaarde Lodewijk in l(i88 en in 1080 den oorlog, docli tegen zijn verwachting werd liet getal zijner vijanden nog met Engeland vermeerderd, waar Willem III koning werd (zie blz. 250). Na tie herroeping van 't edict van Nantes (zie blz. 239) vreesde daarenboven al wat protestant was voor het overwicht van den vervolger hunner geloofsgenooten. Ook voegde Victor A made us II, hertog van Savoye (1675—1730, overleden 1732), zich in 1690 nog bij de bondgenooten, die hun vereeniging door het verbond van Weenen hadden bekrachtigd.

Middelerwijl was in Duitschland de negenjarige oorlog reeds losgebroken. Louvois had besloten, ter beveiliging der Fransche grenzen aan die zijde, liet Rijndal in een woestijn te veranderen. Met afschuwelijke wreedheid verwoestten de Franschen de Palts en de overige Rijnstreken. Worms, Spiers en vele andere bloeiende steden en dorpen worden plat gebrand. Ook Heidelberg met zijn fraai slot, het verblijf der keurvorsten van de Palts, werd een prooi der vlammen. Van het kasteel bleven slechts bouwvallen staan, die nog heden worden bezichtigd; de stad zelve kwam later weder op. Maar de eigenlijke kamp greep hoofdzakelijk in Italië en in de Zuidelijke Nederlanden plaats. In 1690 verloren de bondgenooten den slag bij Fleurus (in 't n.o. van het tegenwoordige Henegouwen) tegen Luxembourg. Intusschen had Willem zijn door Frankrijk krachtig ondersteunden tegenstander, Jakob, bij de rivier de Boyne (in Ierland, die ten n. van Dublin in de lersche Zee valt) verslagen en nam nu het opperbevel over de gezamenlijke troepen in de Spaansche Nederlanden over. Hier was de moedige vorst, wien zijn vijand, zelfs als hij was geslagen, moest ontzien, minder gelukkig. Bij Steenkerken (in 't n. van Henegouwen, ten n.w. van Senef) werd hij in 1692 door Luxembourg overwonnen, en in weerwil van 'sprinsen talenten en beleid viel de slag tusschen Landen en Neerwinden (in 't n.w. van het tegenwoordige Luik) in 1693 geheel tot zijn nadeel uit. Tevens werden Mons (Bergen), Namen en andere vestingen door den vijand ingenomen. Niet beter ging het in Italië, waar Victor Amadëus verscheiden malen werd verslagenen Lodewijk meer en meer het overwicht kreeg.

-ld*

-ocr page 268-

244

Al deze nadeden evenwol werden eenigermate vergoed door een schitterende zege, door do Nodorlandsch-Engelsche vloot onder Almonde en Rnssel in 1692 bij kaap la Hogue (in 't n.w. van Normandië, aan 't Kanaal) op Tourvi 11e behaald. Hoewol Lodewijk overal, behalve ter zee, met evenveel geluk streed, deden echter de uitputting zijns lands en nieuwe ontwerpen bij hem begeerte naar rust ontstaan. Daar ook de verbonden mogendheden niet veel kans hadden, den overmachtigen vorst te bedwingen, werd in 1G97 de vrede te Rijswijk (tusschon den Haag en Delft) gesloten. Lodewijk erkende Willem III als koning van Engeland en stond hem het prinsdom Oranje weer af. Den keizer gaf hij alles, buiden den Elzas, aan Spanje alle veroveringen, behalve tweeëntachtig plaatsen in de Zuidelijke Nederlanden, terug.

Lodewijk had zich gehaast, den negenjarigen oorlog ten einde te brengen, zoodra hij de kans gunstig begon te zien, door 't bezit van Spanje zijn invloed in Europa te vermeerderen. Karei II (zie blz. 240), de laatste dei-koningen van Spanje uit het huis Habsburg, afgeleefd vóór den tijd, scheen zijn einde nabij te zijn en was kinderloos. Behalve Lodewijk, die aan het grondwettig recht der dochters op de Spaansche kroon vasthield, ook omdat de koning van dit rijk de woorwaarden nopens de geldsom (zie blz. 225) niet had vervuld, maakte ook keizer Leopold aanspraak op den Spaanschen troon. Lodewijk was een zoon van de oudste dochter vari Philips III en gemaal van de oudste dochter van Philips IV, Leopold een zoon van de jongste dochter van Philips III en getrouwd met de jongste dochter van Philips IV. Bij deze gewichtige vraag had quot;Willem III, het hoofd der zeemogendheden, Engeland en de Nederlanden, de voorvechter van Europa's vrijheid, alleen het evenwicht der staten en 't behoud der rust van Europa op het oog. Daarom ging hij achtereenvolgens een paar deelingsverdragen met Frankrijk aan, die echter niet werden nagekomen. Immers Leopold sloot zicli niet bij dit verdrag aan, en nog veel minder Karei II zelf, bij wiens dood (den Iston Nov. 1700) men een testament vond, dat Philips van Anjou (een landschap ten z.o. van Bretagne), den tweeden zoon van den dauphin, tot eenigen erfgenaam van 't geheele Spaansche rijk verklaarde. Hiertoe was Karei, aangespoord door don Spaanschen adel en in overeenstemming met het gevoelen van paus Innocentius XII, overgegaan om de eenheid van 't rijk te redden.

Philips van Anjou, als koning van Spanje Philips V, begaf zich in 1701 naar zijn koninkrijk, en Lodewijk sloot een verbond met Maximiliaan Emanuel van Beieren, wien hij het bezit der Spaansche Nederlanden beloofde, en met zijn broeder, den keurvorst van Keulen, welke beide vorsten dus tegen de bepalingen van den Westphaalschen vrede handelden. Keizer Leopold, die den nieuwen koning niet wilde erkennen, greep dadelijk naar de wapens. Weldra vond hij steun bij het groote of Haagsche verbond van 1701, met Engeland en de Nederlanden gesloten, bij hetwelk zich ook Prederik I van Pruisen (zie blz. 254), het Duitsche rijk, Portugal en de hertog van Savoye (deze twee iets later) voegden. Tevens had Leopold

-ocr page 269-

245

hot goluk, den beroemden Eugenius van Savoye, een Franscliman van geboorte en uit een zijlinie van het hertogelijk huis van Savoye gesproten, wiens diensten Lodewijk voorheen had versmaad, aan 't hoofd zijner legers te kunnen stellen. Nauwelijks waren de vijandelijkheden nog aangevangen, of de bondgenooten leden een zwaar verlies door 't overlijden van Willem III, den 19den Maart 1702. Volgens de vroeger gemaakte bepalingen volgde hem in Engeland Anna op; maar Lodewijk ondersteunde Jakob III, een zoon van den in 1701 overleden Jakob II (zie blz. 249), die thans poogde zijn rechten te doen erkennen.

De oorlog, in Italië, in Duitschland, in de Zuidelijke Nederlanden en in Spanje gevoerd, stortte Lodewijk van zijn hoogte neder. Colbert was reeds overleden en het getal van 's konings uitstekende voldheeren afgenomen. Daarentegen stond aan den kant der bondgenooten een rij gvoote mannen: John Churchill, graaf en daarna hertog van Marlborough (in Devonshire, in z. van Engeland), de beroemde raadpensionaris van Holland, Antonie Heinsius, en Eugenius van Savoye. Deze mannen noemt men, wegens hun gemeenschappelijke leiding der zaken, het drismanschap in dezen oorlog. Van 't begin af leden de Franschen de eene nederlaag na de andere, o. a. in 1704 bij Höchstadt (aan den Donau, in 't w. van Beieren) of bij het in de nabijheid hiervan gelegen Blendheim, waar Marlborough en Eugenius Mar sin en Tallard beslissend sloegen. Geheel Beieren werd hierop door keizerlijke troepen bezet en de keurvorst, alsmede zijn broeder, welhaast in den rijksban gedaan. Spanjs zelf werd in 1704 ook het tooneel van den oorlog. Leopolds tweede zoon, aartshertog Karei, wien zijn vader Spanje toedacht, landde in Portugal, terwijl de Engelsch-Nederlandsch vloot zonder slag of stoot het onneembare, maar toen slecht bewaakte Gibraltar innam, welke gemeenschappelijke verovering Engeland zich, tegen de uitdrukkelijke belofte van koningin Anna, stilzwijgend toeeigende. In den beginne maakte Karei eveneens eenige vorderingen; doch Madrid, eerst doorhem vermeesterd, ging weldra weer verloren, en niet vóór IplO herkreeg hij het.

Weldra intusschen vergoedden de beroemde veldheeren der bondgenooten de nadeelen, die hun hoofdpersoon Karei niet zonder eigen schuld leed. Marlborough leverde in 1706 tegen den onervaren Villeroi een slag bij Ramillies (in z.o. van 't Belgische Brabant) en behaalde er een zoo volledige zegepraal, dat Brabant, Vlaanderen en een deel van Henegouwen hem toevielen. Eugenius vernietigde in 't zelfde jaar bij Turin een groot leger der vijanden, dat door la Fe ui 11a de en Mar sin werd aangevoerd. Hierom moesten de Franschen geheel Lombardije ontruimen, zoodat o. a. Milaan in handen der bondgenooten viel. In 't zelfde jaar ontrukte een Oostenrijksch leger het koninkrijk Napels aan de Spanjaarden. Eugenius, thans in Italië overbodig, sloot zich bij Marlborough aan. Gezamenlijk versloegen de beide groote- veldheeren Vendöme in 1708 bij Oudenaarde (in Oost-Vlaanderen, aan de Schelde) en Villars in 1709 bij Malplaquet (thans in Frankrijk, nabij de grenzen van Hene-

-ocr page 270-

246

gouwen). Diiarop werden de Spaansche Nederlanden allengs geheel veroverd.

Inmiddels had zich Lodewijk XIV, Marlborough en Eugenius terecht voor afkeerig van den vrede houdende, bij herhaling niet aandrang tot Heinsius gewend, ten einde, op hoe nadeelige voorwaarden ook, den vrede te verwerven. Verscheiden malen had de Torcy, Frankrijks minister van buitenlandsche zaken, die in persoon te 's Hage kwam, zich bereid verklaard, de voor zijn meester zeer nadeelige voorwaarden, door de bond-genooten gesteld, aan te nemen. Vermits intusschen de overwinnaars hun eischen al hooger hadden opgevoerd en, op hun beurt overmoedig, zoo ver waren gegaan, dat zij vorderden, dat de grijze koning zelf zijn kleinzoon, des noods niet geweld, uit Spanje zon verdrijven, waren de onder-handelingen afgebroken. Daarop was de slag bij Malplaquet gevolgd. De onderhandelingen, nogmaals in 1710 te Oeertruideriberg hervat, voerden wederom tot niets. Maar toen alzoo de gezichteinder voor Lodewijk met steeds dreigender wolken betrok, brachten twee onverwachte gebeurtenissen hem redding aan. De eene was de vroegtijdige dood van Leopolds opvolger en oudsten zoon jozef i (1705—1711), wien zijn eenige broeder kabel vi (1711—1740) als keizer opvolgde. Nu drongen de zeemogendheden , Engeland en de Nederlanden, er niet langer op aan, dat men den beheerscher van zoovele landen nog de Spaansche monarchie zou toevoegen. De andere was de terugroeping van Marlborough en de val van het whig-ministerie (zie blz. 249), waarvan hij de ziel was. Twisten van Anna met Marl boroughs trotsche gemalin gaven aanleiding tot dezen maatregel, waartoe de invloed der torys de koningin eindelijk deed besluiten. Marlborough werd teruggeroepen, door het parlement schuldig verklaard aan verduistering van 's lands gelden en verliet zijn vaderland, om een tijd lang in den vreemde rond te zwerven.

Dus nam de oorlog een einde en behield Philips V bij den wede te Utrecht (11 April 1713) Spanje en zijn bezittingen buiten Europa. De Nederlanden verwierven een voordeelig handelsverdrag en de barrière (deze sinds 1715), die hun het recht gaf, in Namen, Doornik en in vijf andere vestingen, alsmede voor de helft in een achtste, bezetting te leggen. Frankrijk stond aan Engeland eenige landstreken in Noord-Amerika, b. v. Akadië of Nieuw-Schotland (ten z.w. van :1e baai van St. Laurens), Spanje Gibraltar af. Victor amadeus ii van Savoye kreeg uit de Spaansche erfenis Sicilië als koninkrijk. Pruisen verwierf het grootste gedeelte van het toen Spaansche Opper-Gelder (in de tegenwoordige Rijnprovinciën), waarvoor koning Frederik Willem I (zie blz. 265) van zijn rechten op het prinsdom Oranje, dat uit de nalatenschap van Willem III aan het Brandenburgsche huis was gekomen, ten behoeve van Frankrijk afzag. Bovendien behield do koning van Pruisen met de erfenis van Willem III het vorstendom Neufchatel cn Valengin. Met Spanje sloot Engeland nog een assiento (zie blz. 176), waardoor dit land jaarlijks tegen een matige som 4800 negerslaven in Spaansch Amerika mocht invoeren.

-ocr page 271-

247

Do keizer en hot Duitsche rijk zettoden 'leu oorlog nog een korte wijl voort, maar moesten dien in 1714 insgelijks eindigen. Zóó kwam de vrede van Ra.stadt (in Baden, ten z.w. van Carlsmhe) met den keizer en die van Baden (in Aargau, in Zwitserland) met hot Duitsche rijk in dat jaar tot stand. Karei VI verkreeg, als zijn deel der nalatenschap, Napels, Milaan, liet eiland Sardinië en de Zuidelijke Nederlanden. Hieraan werd nog toegevoegd, Mantua, welks hertog, een leenman van het Duitsche rijk, zonder erfgenaam was overleden. De ban tegen den keurvorst van Beieren en tegen dien van Keulen werd opgeheven.

§ 99-

Engeland onder de koiniiyen uil hel huis Sluart Karei II en Jakoh 11, alsmede onder Willem III van Oranje-Nassau. — Van WHO tol 1702.

Do regeering van kabel ii (1660—1685) beantwoordde niet aan de verwachting, die men bij zijn herstelling op den troon had opgevat. Ternauwernood had hij de kroon van Engeland eenige jaren gedragen, of dr. tweede zeeoorlog tusschen dit rijk en de Nederlanden, 1665—1667, ontstond. Deze krijg is een dier merkwaardige zeeoorlogen, welke do zeventiende eeuw boven alle tijdperken der oude en dei1 nieuwe geschiedenis onderscheiden. Karei voedde een hevigen wrok tegen de staatsgezinde partij hier te lande, die, tegen 's konings begeerte, prins Willem van Oranje nog steeds uitgesloten hield van do waardigheden zijner voorouders. Naijver op den nog altijd grooteren handel en op de uitgebreider scheepvaart van Holland en Zeeland maakte dezen oorlog voor de Engelschen tot een nationalen strijd, en hun aanvallen en veroveringen in andere werelddeelen gingen de oorlogsverklaring reeds een jaar vooraf. In 1664 vermeesterden zij eenige Nederlandsche bezittingen op de westkust van Afrika , en mede Nieuw-Nederland (in 't n.o. van Noord-Amerika), hetwelk sinds New-York heet, en legden beslag op vele Nederlandsche koopvaardijschepen. Doch weldra nam de Ruiter op de kust van Guinea weerwraak door het meerendeel van Nederlands bezittingen te heroveren.

Ongelukkig was voor Nederland het begin; den IHden Juni 1665 leed de Nederlandsche vloot een zware nederlaag in den slag bij Lowesthoff (ten n.o. van Noord-Voorland, op de oostkust van Engeland, ten z. van Yarmouth), haar door den hertog van York toegebracht. Kortenaar sneuvelde; de opperbevelhebber, de luitenant-generaal Wassenaar van Obdam (zie blz. 234), vloog, hetzij door verzuim der zijnen, hetzij door het schieten des vijands, met zijn schip in do lucht; vele schepen werden genomen; lafhartigen namen de vlucht, en met moeite dekte men den terugtocht. In weinige weken — zoodanig was de veerkracht dier tijden — was ilo vloot hersteld on weder in zee. Eerst in 't volgende jaar echter herstelde een schitterende overwinning den gekrenkten roem onzer zeemacht. Een geduchte vloot van meer dan 100 zeilen, met over de 21,000

-ocr page 272-

248

koppen bemand, onder de Ruiters opperbevel, liep in 't begin van Juni uit. Den llden raakte zij tussohen Noord-Voorland en Duinkerken slaags met de Engelsehen onder prins Robert, een zoon van paltsgraaf Frederik (zie blz. 215), qii Monk (zie blz, 231), door Karei II tot hertog-van Albemarle (ook Aumale geheeten, in Normandië, ten z.w. van Amiëns) verheven; den 12den des morgens begon de strijd op nieuw; den 13den werd hij hervat en eerst op den 14deii Juni 1G66 beslist, toen de Engelsehen de wijk namen. Zwaar gehavend, doch met 3000 gevangenen, onder welke de vice-admiraal Ayscue, en met zes veroverde schepen, keerde de Nederlandsche vloot naar onze havens terug. Deze vier daagsche zeeslag is ook in de latere geschiedenis gebleven, gelijk hij het in de vroegere was.

Minder gelukkig liep een later zeegevecht af, in Aug. van 't zelfde jaar nabij Duinkerken (ten o, van Calais) geleverd. Hier moest de Ruiter door de onberadenheid van Cornelis Tromp, een zoon van Maarten Harperszoon, wijken, maar door vriend en vijand bewonderd. Ongelukkig voor ons land gaf dit wijken de Engelsehen gelegenheid, 100 a 150 koopvaardijschepen in het Vlie (tusschen Vlieland en Terschelling) in brand te steken en een gedeelte van Terschelling te verwoesten. Dan de wraak toefde niet. In J uni 1667, toen de onderhandelingen reeds waren begonnen, drong de Hollandsche vloot onder de Ruiter, vergezeld door Cornelis de Witt, Johans broeder, als gemachtigde der Staten-Generaal, de Theems, of eigenlijk de Medway, ook wel het kanaal van Rochester geheeten, binnen. De Engelsche vloot werd veroverd of verbrand, Enge-lands hoofdstad met schrik en angst vervuld. Deze vermaarde tocht naar Chattam bespoedigde den vrede, die den 31sten Juli 1667 te Breda werd gesloten, aan elk liet wat hij op 't oogenblik van het sluiten des vredes in bezit had — een bepaling, die men uti possidetis, gelijk gij bezit, noemt — en de akte van navigatie in zooverre beperkt, dat zij niet meer van toepassing zou zijn op de Duitsche waren, die den Rijn af of over land in Nederland waren ingevoerd. Zooals de Nederlanden dus, ten gevolge van de eerste bepaling, Nienw-Nederland verloren, zoc behielden zij Suriname (in 't n.o. van Zuid-Amerika), kort tevoren door hen veroverd.

In 1671 trad in Engeland het beruchte ministerie op, dat doorgaans, naar de eerste letters der namen van zijn vijf leden, Clifford, Ashley, Buckingham, een zoon van den minister van Karei I, Arlington en Lauderdale, cabaalministerie wordt genoemd. Met den koning streefde dit kabinet bovenal naar de vestiging der onbeperkte koninklijke macht en naar de vernietiging van 't wettig gezag van 't parlement. Om dit doel te bereiken had Karei in 1670 het geheim verdrag van Dover met Lodewijk XIV gesloten, waarbij deze vorst hem groote geldsommen en zijn hulp tegen mogelijke oproeren had beloofd, terwijl Karei zich had verbonden, de Roomsch-katholieke belijdenis in 't openbaar aan te nemen en Frankrijk tegen do Nederlanden (zie blz. 241) bij te staan.

Doch weldra testte liet parlement de politiek van 't cabaalministerie aan.

-ocr page 273-

240

In 1673 werd de tent-act (wet der proefneming) gegeven, die verordende, dat elk ambtenaar, burgerlijk of militair, den eed van suprematie aan den koning moest afleggen, plechtig beloven, het avondmaal naar de instellingen der anglicaansche kerk openlijk te zullen gebruiken, en zich tegen do leer der transsubstantiatie (zie blz. 103) verklaren. Kort daarna werd het cabaal-ministerie ontbonden. Gelijk deze wet de katholieken van alle bedieningen uitsloot, — zoo leide do hertog van York, die vóór een paar jaren tot hot oatholicisme was overgegaan, zijn ambt van admiraal onmiddellijk neer— zorgde een tweede er voor, dat niet een misbruik uit vorige dagen kon worden hersteld, waarvan de herinnering nog bij de natie leefde. De habeas-oorpus-akte ging in 1670 door, krachtens welke geen Engelschman, zonder een schriftelijk en met redenen omkleed bevel der rechters, in hechtenis mag worden genomen, binnen een bepaalden termijn moet worden verhoord en in geen kerker buiten zijn graafschap mag worden gebracht. Eenigen tijd tevoren was een wet doorgegaan, die alle katholieken van het parlement uitsloot, mot uitzondering slechts van den hertog van York, die zijn zetel in het hoogerhuis mocht behouden.

De oude verdeeldheid, op deze wijze op nieuw aangewakkerd, schiep nu de namen torys en ■whiga, waarvan de eerste (eigenlijk de benaming der voorstanders van 't oatholicisme in Ierland) de voorstanders der episcopale kerk en de aanhangers van 't hof, de tweede oorspronkelijk de voorstanders van 't covenant en in ruimeren zin de partij van 't parlement aanduidt. Do torys, met de leer van Jakob I omtrent den oorsprong der koninklijke macht (zie blz. 215) instemmende, wilden van geen oorspronkelijke rechten des volks weten en ijverden voor de uitbreiding van 't gezag der kroon. Het wachtwoord der whigs daarentegen was, dat 's konings macht slechts berustte op een verdrag, in den aanvang der tijden tusschen de kroon en het volk gesloten. Hun streven was, het overwicht van 'tparlement over het koningschap te verzekeren en te vergrooten. Het spreekt vanzelf, dat deze grondboteekenis der beide partijnamen mettertijd wijzigingen onderging. Allengs duidden de namen torys en whigs niets anders aan dan twee verschillende groepen van familiën, die elkander het bezit van ambten en plaatsen in 't parlement betwistten. Nadat Kareis laatste levensjaren door tegenstand van 'tparlement, dat bij herhaling word ontbonden, gelijk mede door samenzweringen en opstanden zeer waren verbiterd, stierf hij in 1685 als belijder van den Roomsch-katholieken godsdienst, dien hij gedurende zijn geheele regeering was toegedaan geweest, maar eerst in zijn laatste oogenblikken uitdrukkelijk beleed.

Niettegenstaande don afkeer, dien 't parlement reeds vroeger aan den dag had gelegd van Kareis broeder, don katholieken hertog van York, verzette het zich niet, toen hij onder den titel jakob ii (1685—1688) den troon besteeg. Kort nadat hij de regeering had aanvaard, landde de hertog van Monmouth (ten z.w. van Gloeester), een natuurlijke zoon van Karol 11, met een schaar uitgewekenen in Dorsetshire (in 't z. van Engeland), ten einde den koning do kroon te ontrukken. Doch hij werd

-ocr page 274-

246

gouwen). Daarop worden do Spaanscho Nederlanden allengs geheel veroverd.

Inmiddels had zich Lodewijk XIV, Marlborough en Eugenius terecht voor afkeerig van den vrede houdende, bij herhaling met aandrang tot Hoinsius gewend, ten einde, op hoe nadeelige voorwaarden ook, den vrede te verwerven. Verscheiden malen had de Torcy, Frank rijks minister van buitenlandsche zaken, die in persoon te 's Hage kwam, zich bereid verklaard , de voor zijn meester zeer nadeelige voorwaarden, door de bond-gonooten gesteld, aan te nemen. Vermits intusschen de overwinnaars hun oischeu al hooger haddon opgevoerd en, op hun beurt overmoedig, zoo ver waren gegaan, dat zij vorderden, dat de grijze koning zelf zijn kleinzoon, des noods met geweld , uit Spanje zou verdrijven, waren de onderhandelingen afgebroken. Daarop was de slag bij Malplaquet gevolgd. Dc onderhandelingeni nogmaals in 1710 te Geertruidenherg hervat, voerden wederom tot niets. Maar toen alzoo de gezichteinder voor Lodewijk met steeds dreigender wolken betrok, brachten twee onverwachte gebeurtenissen hem redding aan. De eene was de vroegtijdige dood van Leopolds opvolger en oudsten zoon jozef i (1705—1711), wien zijn eenige broeder ka rel vi (1711—1740) als keizer opvolgde. Nu drongen de zeemogendheden, Engeland en de Nederlanden, er niet langer op aan, dat men den beheerscher van zoovele landen nog de Spaansche monarchie zou toevoegen. De andere was de terugroeping van Marlborough en de val van het whig-ministerie (zie blz. 249), waarvan hij de ziel was. Twisten van Anna met Marlboroughs trotsche gemalin gaven aanleiding tot dezen maatregel, waartoe de invloed der torys de koningin eindelijk deed besluiten. Marlborough werd teruggeroepen, door het parlement schuldig verklaard aan verduistering van 's lands gelden en verliet zijn vaderland, om een tijd lang in den vreemde rond te zwerven.

Dus nam de oorlog een einde en behield Philips V bij den vrede te Utrecht (11 April 1713) Spanje en zijn bezittingen buiten Europa. De Nederlanden verwierven een voordeelig handelsverdrag en de barrière (deze sinds 1715), die hun het recht gaf, in Namen, Doornik en in vijf andere vestingen, alsmede voor de helft in een achtste, bezetting-te leggen. Frankrijk stond aan Engeland eenige landstreken in Noord-Amerika, b. v. Akadië of Nieuw-Schotland (ten z.w. van de baai van St. Laurens), Spanje Gibraltar af. Victor amadeus ii van Savoye kreeg uit de Spaansche erfenis Sicilië- als koninkrijk. Pruisen verwierf het grootste gedeelte van het toen Spaansche Opper-Gelder (in dc tegenwoordige Rijnprovinciën), waarvoor koning Frederik Willem I (zie blz. 265) van zijn rechten op het prinsdom Oranje, dat uit de nalatenschap van Willem III aan het Brandenburgsche huis was gekomen, ten behoeve van Frankrijk afzag. Bovendien behield de koning van Pruisen niet de erfenis van Willem III het vorstendom Neufchatel en Valengin. Met Spanje sloot Engeland nog een assiento (zie blz. 176), waardoor dit land jaarlijks tegen een matige som 4800 negerslaven in Spaansch Amerika mocht invoeren.

-ocr page 275-

247

De koisier om hot Uuitscho rijk zetteden don oorlog nog een korte wijl voort, maar moesten dien in 1714 insgelijks eindigen. 7M kwam de vtr.de van Hastadt (in Baden, ten z.w. van Carlsruhe) met den keizer en die ran Baden (in Aargan, in Zwitserland) met het Duitsche rijk in dat jaar tot stand. Karei VI verkreeg, als zijn doel der nalatenschap, Napels, Milaan, hot eiland Sardinië cn de Zuidelijke Nederlanden. Hieraan word nog toegevoegd, Mantua, welks hertog, eon leenman van hot Duitsche rijk, zonder erfgenaam was overleden. Do ban tegen den keurvorst van Beieren en togen dien van Keulen werd opgeheven.

§ 99-

Engeland under de koningen uit hei huis Stuart Karei II en Jakoh 11, als-

mede onder Willem HI van Oranje-Nassau. — Van WHO tot 17011.

De regeering van kabel n (lt)60—1685) beantwoordde niet aan de verwachting, die men bij zijn herstelling op den troon had opgevat. Ternauwernood had hij de kroon van Engeland eenige jaren gedragen, of de tweede zeeoorlog tusschen dit rijk on de Nederlanden, 1665—1667, ontstond. Deze krijg is een dier merkwaardige zeeoorlogen, welke do zeventiende eeuw boven alle tijdperken der oude en der nieuwe geschiedenis onderscheiden. Karei voedde een hevigen wrok tegen de staatsgezinde partij hier te lande, die, tegen 's konings begeerte, prins Willem van Oranje nog steeds uitgesloten hield van de waardigheden zijner voorouders. Naijver op den nog altijd grooteren handel en op de uitgebreider scheepvaart van Holland en Zeeland maakte dezen oorlog voor de Engolschon tot een nationalen strijd, en hun aanvallen en veroveringen in andere werelddeelen gingen de oorlogsverklaring reeds een jaar vooraf. In 1664 vermeesterden zij eenige Nederlandsche bezittingen op de westkust van Afrika, en mede Nieuw-Nederland (in't n.o. van Noord-Amerika), hetwelk sinds New-York heet, en legden beslag op vele Nederlandsche koopvaardijschepen. Doch weldra nam de Ruiter op de kust van Guinea weerwraak door het meerendeel van Nederlands bezittingen te heroveren.

Ongelukkig was voor Nederland het begin: den 13den Juni 1665 leed de Ncderlandsche vloot een zware nederlaag in den slag bij Lowest hof f (ten n.o. van Noord-Voorland, op de oostkust van Engeland, ten z. van Yarmouth), haar door den hertog van York toegebracht. Kortenaar sneuvelde; de opperbevelhebber, de luitenant-generaal Wassenaar van Obdam (zie blz. 234), vloog, hetzij door verzuim der zijnen, hetzij door het schieten des vijands, met zijn schip in do lucht; vele schepen werden genomen; lafhartigen namen de vlucht, en met moeite dekte mon den terugtocht. In weinige weken — zoodanig was de veerkracht dier tijden —-was de vloot hersteld en weder in zee. Eerst in 't volgende jaar echter herstelde een schitterende overwinning den gekrenkten roem onzer zeemacht. Een geduchte vloot van meer dan 100 zeilen, met over de 21,000

-ocr page 276-

248

koppen bemand, onder de Ruiters opperbevel, liep in 't begin van Juni uit. Don llden raakte zij tussohen Noord-Voorland en Duinkerken slaags met do Engelschen onder prins Robert, een zoon van paltsgraaf Frederik (zie blz. 215), qn Monk (zie blz. 231), door Karei II tot hertog-van Albemarle (ook Aumale geheeten, in Normandië, ten z.w. van Amiëns) verheven; den 12den des morgens begon de strijd op nieuw; den 13den werd hij hervat en eerst op den 14den Juni 16G6 beslist, toen de Engelschen de wijk namen. Zwaar gehavend, doch met 3001) gevangenen, onder welke de vice-admiraal Ayscue, en met zes veroverde schepen, keerde de Noclerlandsche vloot naar onze havens terug. Deze vierdaagsohe zeeslag is ook in de latere geschiedenis gebleven, gelijk hij het in de vroegere was.

Minder gelukkig liep een later zeegevecht af, in Aug. van 't zelfde jaar nabij Duinkerken (ten o. van Calais) geleverd. Hier moest de Ruiter door de onberadenheid van Cornelis Tromp, een zoon van Maarten Harperszoon, wijken, maar door vriend en vijand bewonderd. Ongelukkig voor ons land gaf dit wijken de Engelschen gelegenheid, 100 a 160 koopvaardijschepen in het Vlio (tusschen Vlieland en Terschelling) ia brand te stoken en een gedeelte van Terschelling te verwoesten. Dan de wraak toefde niet. In Juni 1607, toen de onderhandelingen reeds waren begonnen, drong do Hollandsche vloot onder de Ruiter, vergezeld door Cornelis de Witt, Johans broeder, als gemachtigde der Staten-Öeneraal, de Theems, of eigenlijk de Modway, ook wol het kanaal van Rochester geheeten, binnen. De Engolsche vloot werd veroverd of verbrand, Engo-lands hoofdstad met schrik en angst vervuld. Deze vermaarde tocht naar Ghattam bespoedigde den wede, die den Sisten Juli 1667 te Breda werd gesloten, aan elk liet wat hij op 't oogenblik van het sluiten des vredes in bezit had — een bepaling, die men uti possidetis, gelijk gij bezit, noemt — en de akte van navigatie in zooverre beperkt, dat zij niet meer van toepassing zou zijn op de Duitsche waren, die den Rijn af of over land in Nederland waren ingevoerd. Zooals de Nederlanden dus, ten gevolge van de eerste bepaling, Nieuw-Nederland verloren, zoo behielden zij Suriname (in 't n.o. van Zuid-Amerika), kort tevoren door hen veroverd.

In 1671 trad in Engeland het beruchte ministerie op, dat doorgaans, naar de eerste letters der namen van zijn vijf leden, Clifford, Ashley, Buckingham, een zoon van den minister van Karei I, Arlington en Lauderdale, cabaalministerie wordt genoemd. Mot den koning streefde dit kabinet bovenal naar de vestiging der onbeperkte koninklijke macht en naar de vernietiging van 't wettig gezag van 't parlement. Om dit doel te bereiken had Karei in 1670 het geheim verdrag van Dover met Lodewijk XIV gesloten, waarbij deze vorst hem grooto geldsommen en zijn hulp tegen mogelijke oproeren had beloofd, terwijl Karei zich had verbonden, de Roomsch-katholieke belijdenis in 't openbaar aan te nemen en Frankrijk tegen de Nederlanden (zie blz. 241) bij te staan.

Doch weldra tastte het parlement do politiek van 't cabaalministerie aan.

-ocr page 277-

249

In 1673 werd de, tent-ad (wot der proefneming) gegeven, die verordende, dat elk ambtenaar, burgerlijk of militair, don eed van saprematie aan den koning moest afleggen, plechtig beloven, hot avondmaal naar do instellingen der anglicaansche kerk openlijk te zullen gebruiken, en zich togen de leer der transsubstantiatie (zie blz. 193) verklaren. Kort daarna werd het oabaal-ministerie ontbonden. Gelijk deze wet de katholieken van alle bedieningen uitsloot, —■ zoo leide de hertog van York, die vóór een paar jaren tot hot oatholicisme was overgegaan, zijn ambt van admiraal onmiddellijk neer— zorgde een tweede er voor, dat niet een misbruik uit vorige dagen kon worden hersteld, waarvan de herinnering nog bij de natie leefde. De hahea.v-corpus-akte ging in 1679 door, krachtens welke geen Engelschman, zonder een schriftelijk en met redenen omkleed bevel der rechters, in hechtenis mag worden genomen, binnen een bepaalden termijn moet worden verhoord en in geen kerker buiten zijn graafschap mag worden gebracht. Eenigen tijd tevoren was een wet doorgegaan, die alle katholieken van het parlement uitsloot, met uitzondering slechts van den hertog van York, die zijn zetel in het hoogerhuis mocht behouden.

De oude verdeeldheid, op deze wijze op nieuw aangewakkerd, schiep nu de namen torys en whigs, waarvan de eerste (eigenlijk de benaming der voorstanders van 't catholicisme in Ierland) do voorstanders der episcopale kerk en de aanhangers van 't hof, de tweede oorspronkelijk de voorstanders van 't covenant en in ruimeren zin de partij van 't parlement aanduidt. Do torys, met de leer van Jakob I omtrent den oorsprong dei-koninklijke macht (zie blz. 215) instemmende, wilden van geen oorspronkelijke rechten des volks weten en ijverden voor de uitbreiding van 't gezag dei' kroon. Het wachtwoord der whigs daarentegen was, dat 'skonings macht slechts berustte op een verdrag, in den aanvang der tijden tusschon de kroon en het volk gesloten. Hun streven was, het overwicht van 'tparlement over het koningschap te verzekeren en te vergrooten. Het spreekt vanzelf, dat deze grondbeteekenis dor beide partijnamen mettertijd wijzigingen onderging. Allengs duidden de namen torys en whigs niets anders aan dan twee verschillende groepen van familiën, die elkander het bezit van ambten en plaatsen in 't parlement betwistten. Nadat Kareis laatste levensjaren door tegenstand van 'tparlement, dat bij herhaling werd ontbonden, gelijk mede door samenzweringen en opstanden zeer waren verbiterd, stierf hij in 1085 als belijder van den Roomsch-katholieken godsdienst, dien hij gedurende zijn gelieele regeering was toegedaan geweest, maar eerst in zijn laatste oogenblikken uitdrukkelijk beleed.

Niettegenstaande den afkeer, dien 't parlement reeds vroeger aan den dag had gelegd van Kareis broeder, don katholieken hertog van York, verzette het zich niet, toen hij onder den titel jakob ii (1685—1G88) den troon besteeg. Kort nadat hij de regeering had aanvaard, landde de hertog van Monmouth (ten z.w. van Qloeester), een natuurlijke zoon van Karei II, met een schaar uitgewekenen in Dorsetshire (in 't z. van Engeland), ten einde den koning de kroon to ontrukken. Doch hij werd

-ocr page 278-

250

gegrepen en ter dood gebracht. Vervolgens volde Jakobs opperrechter, Jeffreys, wiens naam met zwarte letters in EngeJands geschiedenis staat opgeteekend, honderden verbannings- of doodvonnissen tegen hen, die aan Monmouth's samenzwering medeplichtig waren. Reeds hierdoor maakte de koning zich gehaat. Maar luide gaf zich een algemeene ontevredenheid te kennen, toen Jakob, zoowel door zijn biechtvader, den Jezuït Petre, deel aan 't bewind te geven en het land door Franciscanen en andere monniken te laten overstroomen, als anderszins, den katholieken op een in 't oog loopende wijze voet gaf, de test-act overtrad en ook in andere opzichten zijn bevoegdheid te buiten ging. Zoodra nu in 1G88 de tijding kwam, dat er een prins van Wales was geboren, wanhoopte elk aan een betere toekomst, indien Jakob en zijn huis bleven regeeren. Terstond verbreidde zich tevens een ongegrond gerucht, dat hot kind ondergeschoven was. Inmiddels hield zich Willem III, echtgenoot van tie oudste dochter van Jakob 11, Maria, daartoe opgeeischt door den admiraal Russol en vele aanzienlijke Engelschon, gereed om zijn schoonvader te onttronen. Zoodra Jakob vernam, welke toekomst hem wachtte, wilde hij door in te schikken den storm bezweren; doch het was te laat. Willem III landde in Nov. I(i88 met oen leger en vloot, hem dooi' de Staten-Generaal geleend, bij Torbay (aan de zuidkust, ten o. van Plymouth) on trok op staande voet naar London. Soldaten, officioren, burgers on edelen omstuwden hem.-üe van elk verlaten koning trachtte naar Frankrijk to vluchten. Hij werd ingehaald, maar ontvlood weder met oogluiking zijner bewakers. In Februari 168!i kreeg de roemrijke omwenteling, zooals de Engelschon haar noemen, haar beslag.

Willem iii (1()89—1702) en jiajiïa worden als koning en koningin uitgeroopen, nadat men hun, bij 't aanbieden der kroon, de declaration of rights (verklaring van rechten) had voorgelezen, een geschrift, dat de grondbeginselen der Engelsche constitutie bevatte en de opvolging regelde. Dit stuk telde de geschilpunten tusschen de Stuarts en de natie op, zette de oude rechten van 't parlement en van 't volk uiteen en .stolde vast, dat ile koning de voltrekking der wetten niet kon tegengaan, noch, zonder vergunning van 't parlement, geld van de onderdanen mocht heften of in vredestijd een leger op de been houden; dat de onderdanen bezwaren en verzoekschriften mochten indienen en een billijke rechtspraak kondon eischen. Ten opzichte van de opvolging bepaalde het, dat, indien beidon kinderloos mochten overlijden, Maria's zuster Anna de kroon zoude erven.

De loop van den nogonjarigen oorlog bevestigde Willem in 't bezit der kroon (zie blz. 243), zoodat wat ook Jakob II on zijn nakomelingen, de pretendenten, beproefden om ze te herwinnen vruchteloos bleef. Willems regeoring bezorgde Engeland een krachtigen invloed op 't vasteland en den onderdanen wolvaart. Torys on whigs hadden zich ver-oenigd, om hom do kroon aan te bieden. Dosniottomin slaagde Willem er geenszins in, do beide partijen mot elkander te bevredigen on haar namen te doen verdwijnen. Do tegenstelling tusschen haar bleef bestaan,

-ocr page 279-

hoewel de strijd mincler liep ovev de vroegere beginselen, daar de torys evenzeer als de whigs 's konings macht wenschten te beperken, dan wel over vragen van persoonlijken aard, over ambten en waardigheden. Evenwel werd zijn bewind verontrust niet alleen door tegenwerking van 't parlement, maar ook door gedurige pogingen van Engelsohen en buitenlanders , om Jakob op den troon te herstellen. Dit had weder herhaalde ontbindingen van 't parlement en terechtstellingen van samenzweerders ten gevolge. In Schotland berokkende het verschil van godsdienst, dat tusschen dit rijk en Engeland bestond, den koning, evenals zijn voorgangers, veel onrust.

§ 100.

Duilschland onder den Hahsburgschen keixcr Leopold 1, van IHiis tol 1705. — De oorlogen tegen de Turken, van IHHH tot liïh'4, cn van 1683 tot den vrede van Karlöwitz in 1(199. — De Nederlanden en de verheffing van Willem UT, van 1660 tot 1702.

Keizer Ferdinand III (zie blz. 219) werd opgevolgd door zijn zoen, j.EoroLi) i (1658—1705), reeds vroeger als koning van Bohemen en van Hongarije gekroond. De Jezuïten, die hem hadden opgevoed, bleven ook zijn voornaamste raadgevers, sinds hij de kroon droeg. Do gewichtigste binnenlandsche gebeurtenis, in die vijftig jaren voorgevallen, is de verheffing van Ernst August, hertog van Hannover, tot keurvorst in lf)92, waardoor het getal der keurvorsten tot negen aangroeide. Gedeeltelijk hebben wij boven (zie blz. 24a) gezien, hoezeer het Westen van 't rijk door den oorlog leed: in 't Oosten ging het niet beter.

Steeds woonden daar de Turken, begeerig om de grenzen hunner heerschappij verder naar 't Westen uit te breiden. Immers, veroveringen te maken was een voortdurende behoefte voor de Porto. Op het beginsel, door de scherpte des zwaards zijn gebied te vergrooten, was het Otto-manische rijk gegrond. Zijn gansche inrichting hing met den oorlog samen. In 1663 ontstond weder oen langdurige strijd tusschen het Duitsche rijk en de Turken, die met een groot leger in Hongarije vielen. Na een zware nederlaag sloten zij in 1664 vrede. Doch daar de Hongaren, uit verbittering zoowel over de onverdraagzaamheid der Jezuïten, als wegens een edict van 't jaar 1671, waarin het recht der kroon voor onbeperkt werd verklaard, tegen den keizer opgestaan, hun hulp inriepen, barstte in 168,'5 de oorlog ton tweede male los.

De in krijgszaken onervaren grootvizier, Kara Moestapha, had niets minder dan de verovering van Weenen op het oog. Achttien malen liet hij op de stad storm loopen, maar telkens niet met de meerderheid der troepen, omdat hij, hebzuchtig van aard, vreesde, in geval van welslagen, den buit met een te groot aantal soldaten te moeten deelen. Eindelijk , na een beleg van twee maanden, moest hij het beleg opbreken na de

-ocr page 280-

252

geduchte nederlaag bij die hoofdstad, hem in 1683 toegebracht door Karei IV, hertog van Lotharingen en bevelhebber van 'tkeizerlijk leger, en .lolian III Sobieski, koning van Polen. Voortdurend kampte 's keizers leger met geluk tegen de Turken, en Eu genius van Savoye (zie bh. 245) behaalde in 1G97 de laatste, maar niet de minst schitterende zege bij Zenta (aan de Theiss, ten o. van Moiiacz). De Forte, geheel uitgeput, sloot in 1699 den vrede van Karlöwitx (aan den Donau, ten n.w. van Belgrado). Leopold I kreeg het door de Turken veroverde Zevenbergen terug en behield het door hom genomen Slavonic. Zijn geluk in dozen kampstrijd misbruikte de keizer eensdeels door een hevige vervolging der Hongaren, anderdeels door dit volk te noodzaken, in 1687 dc Hongaarnclie kroon in het Habsburgsche huis erfelijk te verklaren.

De geschiedenis der Nederlanden is grootendeels reeds in het bovenstaande opgenomen, zoodat zij hier nog slechts met enkele bijzonderheden behoeft te worden aangevuld. Nederland speelde, onder het raadpensionarisschap van de Witt, eonige jaren lang een der eerste rollen in de staatkunde van Europa. Toen, en nog lang daarna, was 's Qravenhage het middelpunt der diplomatie, van de onderhandelingen en overeenkomsten der staten van Europa. Onvermoeid was de Witt werkzaam voor de verheffing van den staat, van zijn zeemacht en handel, maar, in weerspraak-met een groot deel der ingezetenen, even onverzettelijk in zijn afkeer van 't huis van Oranje en van de bevordering van den jongen prins tot de waardigheden zijns vaders. Met de komst van Karei II tot den troon was de akte van seclusie (zie blz. 223), door Cromwell gevorderd, in 1660 vervallen verklaard. Het duurde slechts eenige jaren na de vernietiging van dat stuk door de staten van Holland, of dezelfde staten bezwoeren in 1667 een overeenkomst, bekend onder den naam eeuwig edict, waarbij het stadhouderschap in Holland afgeschaft en in de overige gewesten met hot kapitein-generaalschap der unie onvereenigbaar verklaard werd. Te betreuren is het, dat het voor de Republiek niet was weggelegd, dat twee harer grootste mannen, Willem III en Johan de Witt, hun krachten en talenten, gemeenschappelijk en één van doel, aan de bevordering harer belangen ten koste leiden. Doch het genoemde geschrift was niet bestand tegen den aandrang der aanhangers van Oranje, toen Lodewijk XIV zich tot den oorlog tegen de Republiek toerustte. Nog eer de vijandelijkheden aanvingen, werd Willem Hendrik, de zoon van Willem II (zie blz. 222), als kapitein-generaal der unie voor den op handen zijnden veldtocht aangesteld. Bij den snellen voortgang van don vijand riepen de burgers van Veere den 21 sten Juni den prins als stadhouder uit. Dat voorbeeld wilde men te Dordrecht hebben gevolgd, en den 29sten Juni dwong de op de been geraakte menigte do regeering der stad, met vernietiging van het eeuwig edict, aan haar verlangen toe te geven. Soortgelijke bewegingen hadden te Rotterdam en in andere stemmende steden plaats, waarop de staten van Zeeland willem m (1672—

-ocr page 281-

253

1702) den 2den Juli on die van Holland, na eerst het eeuwig edict te hebben ingetrokken, in den nacht tussohen don 3den en don 4don tot stadhouder benoemden.

In 1G74 volgden Utrecht en Overijsel, in 1675 Gelderland, thans niet langer door den vijand belemmerd, dit voorbeeld. Friesland, Groningen en Drente hadden Hendrik Kasïmir 11 (1004—1(196), een zoon van Willem Frederik (zie blz. 222), als stadhouder, na wiens dood Drente Willem III nam. Geenszins tevreden met de behaalde zege, rustten de tegenstanders der de Witten niet, eer deze beide mannen ten val waren gebracht. Tevergeefs legde de raadpensionaris den 4den Aug. 1672 zijn ambt neder: de haat der verblinde volksmenigte kende geen grenzen. Een aanklacht van een lagen booswicht, Tichelaar, bracht Cornelis de Witt in de gevangenis. En toon J. de Witt zijn standvastigen broeder daar een bezoek bracht , had de zoo befaamde moord der beide broeders den 20sten Augustus plaats. Sedert Willem III koning van Engeland was geworden, vertoefde hij bij afwisseling aldaar en hier te lande.

Middelerwijl nam Neêiiands bloei door den handel en door do vermeerdering der koloniën steeds toe. Namens de Oost-Indische compagnie vestigde van Riebeek in 1652 een kolonie aan de Kaap de goede hoop, die spoedig opkwam. Ofschoon de Nederlanden in 1662 door den Sineeschen zeeroover Coxinga uit Formosa (zie blz. 201) werden verdreven, waar de predikant Antonius Hambroek vruchteloos een edele zelfopofl'ering aan den dag leide, vond de compagnie elders ruimschoots vergoeding voor dit verlies. Zij breidde haar grondgebied niet alleen op Java uit, maar vermeerderde dit ook, nog vóór het einde der zeventiende eeuw, met een gedeelte van Sumatra en van Celebes.

§ 101.

Noordelijk en Oostelijk Europa, Zweden, Polen, Pruisen. —• Rusland

onder het huis Rurik en hel huis Romanow. — Van 1533 tot 1762.

In Zweden volgde op Karei X Gustaaf (zie blz. 234) zijn zoon kabel xi (1660—1697). Vermits deze vorst nog minderjarig was, bewerkten de adellijken, die in de rijksstenden zaten, dat alle macht aan den rijksraad kwam. De leden van dien raad schroomden niet, zoowel de inkomsten der kroondomeinen, als de opbrengst der belastingen ten behoeve van henzelf of van hun vrienden aan te wenden. Daarenboven staken zij zich diep in schulden. Vandaar, dat men, zooals boven (zie blz. 241) is gebleken, voor geld alles van hon kon gedaan krijgen. Anders werd het in 1680, nadat Karei XI zelf de regeering had aanvaard. Drie leden der rijksstenden, n.1. de geestelijkheid, de burgers en do boeren, ziende dat alle kassen ledig en de schulden van 't rijk zeer aangegroeid waren, bekleedden, ten einde het land te redden, den koning met zoo goed als onbeperkte macht. Op hen en op het leger steunende, dankte Karei alle

-ocr page 282-

254

ontrouwe ambtenaren at en veranderde den rijksraad in een staatsraad, die dan slechts, wanneer hij door don koning werd geraadpleegd, zijn ge voelen mocht uiten. Alle adellijken, die zich op onrechtmatige wijze hadden verrijkt, moesten de goederen der kroon, door hen weggeschonken of verpand, teruggeven.

Een der beroemdste koningen van Polen is joh an iii sobieski (1674—169(5). Dapper streed hij tegen de Turken, eerst alleen, later (zie blz. 252) verbonden met keizer Leopold I. In weerwil van al zijn inspanning gelukte het hem niet, duurzame verbeteringen in Polens toestand aan te brengen: al zijn voorstellen stuitten op de onverzettelijke vasthoudendheid van den adel af. Een der verderfelijkste instellingen in dit keurrijk was hei liberum ueto ('t vrije verbod), een voorrecht, dat de adel kort voordat hij den troon beklom had verworven. Hierdoor kon de uitslag der beraadslagingen van den rijksdag door de stem van een enkelen landsbode (zie blz. 162), die zich er tegen verklaarde of zich verwijderde, te niet worden gedaan. De opvolger van Johan Sobieski was augustus ii i)e stebke (1697—1733), als keurvorst van Saksen Frederik Augustus I. Ten einde koning van. Polen te worden, deed hij afstand van de Luthersche geloofsbelijdenis, den godsdienst zijner vaderen, en omhelsde het catholicisme.

De keurvorst van Brandenburg en hertog van Pruisen, Frederik Willem (zie blz. 234), die de door hem geregeerde, maar vóór zijn bewind alle eenheid en kracht missende landen eerst recht tot een mogendheid van naam had verheven, stierf in 1688. Zijn opvolger was zijn zoon Frederik III, die keizer Leopold I overreedde, hem bij een verdrag van den 16den Nov. 1700, onder den titel fkedebik i (1700—1713), als honing van Pruisen te erkennen. Tot de verplichtingen, welke hij hiervoor op zich nam, behoorde de belofte, steeds eendrachtig met don keizer te stemmen en te handelen, alsmede die om in den Spaanschen erfopvolgingsoorlog 10,000 man voor het rijksleger te leveren.

Onder de vorsten van Rusland, uit den stam van Rurik, is iwan iv of de verschrikkelijke (1533—1584) de merkwaardigste. Hij pleegde groote wreedheden aan de bojaren of aanzienlijke edelen, die tot den tijd van Peter den groote als rijksstenden deel aan de regeering hadden. Doch ten zijnen gunste getuigt, dat hij buitenlandsche kunstenaars en handwerkslieden in zijn land riep en zich, voor een barbaar, veelaan de wetgeving liet gelegen liggen. In 1545 werd in Rusland een staand leger of lijfwacht, de strelitzen (schutters) geheeten, opgericht. In den oorlog was Iwan zeer gelukkig: hij onderwierp b. v. West-Siberië, waaraan later het overige gedeelte dezer onmetelijke landstreek werd toegevoegd.

Eerst toen in 1613 een nieuwe dynastie, die der Romanows, den troon besteeg, begon Rusland een krachtig rijk te worden. De tweede czaar (zie blz. 164) uit dit huis was alexöi, wiens tweede echtgenoot Na-thalia Narischkin heette. Uit dit huwelijk sproot die Peter, welke meer bekend is als Petei de groote. Tegen de gewone orde van 't erfrecht

-ocr page 283-

255

benoemden de bojaren in 1682, uit hoofde van den zwakken geest van Peters onderen halfbroeder Iwau, Peter tot czaar onder voogdij zijner moeder. Maar deze beschikking bracht een vreeselijk oproer to weeg, waarvan Sopliïa, Peters halfzuster, do ziel was. Gemakkelijk bewoog zij de strelitzen tot den opstand. Zij, oen keus, zonder hun medewerking gedaan, verwerpende, riepen Iwan mode als czaar uit. Dus regeerden de beide broeders sedert 1682 gezamenlijk onder het regentschap van Sophia.

Inmiddels groeide Peter in hot dorp Preobraschenskoi (nabij Moskan) op te midden van een menigte jonge Kussen uit de eerste familiën des lands, zonen van bojaren en van con aantal vreemde gelukzoekers. Uit een paar honderd van hen stelde hij, ten einoe aan zijn zucht voor wapenoefeningen te kunnen voldoen, een kleine compagnie samen, waarbij hij zichzelf tevens inlijfde en die later de kern van 't leger werd. De steun dezer compagnie kwam Poter uitnemend te starlo, toen de slechte verstandhouding, waarin hij steeds mot Sophia had geleefd, in 1689 in volslagen vijandschap oversloeg en hij meende, dat Sophia liet voornemen koesterde, alleen het bewind te voeren. Oogenblikkelijk nam hij zijn maatregelen. Sophia's regentschap \verd opgeheven, zijzeive naar een nonnenklooster verwezen. Bij deze omwenteling van 1689 was onder de officieren, die hun degen ter beschikking van Peter stelden, een der eersten Lof or t, iemand, die, van Grenève afkomstig, een tijdlang in Nederlandsehen en in Spaanschen krijgsdienst was geweest en later officier werd bij het Russische leger. Weldra won hij in ruime mate do gunst van Peter, hoofdzakelijk doordien hij aan 's vorsten drinkgelagen en ruwe uitspanningen ijverig deol nam en den czaar steeds getrouw bleef. Doch dat hij het is geweest, aan wien Peter inzonderheid zijn zin voor 't invoeren van hervormingen en voor een zekere beschaving had te danken, heeft men wel dikwijls, maar ton onrechte beweerd. Hoewol peteb i of de a hoot f, (1089—1725) thans de alleenheerschappij aanvaardde, voerde zijn brooder Iwan echter nog tot zijn dood in 169G den titel czaar.

Bij 't lezen der hervormingen, door Poter in Rusland ingevoerd, houde men in 't oog, dat zij niet langs den weg der trapsgewijze ontwikkeling-ingang vonden, doch met geweld werden opgedrongen, on dat hij zich zijn eigene zedelijke en verstandelijke beschaving weinig aantrok. Immers, ofschoon hij in alles eenvoudig was, bleef hij een barbaar en gaf aan zijn gebreken, b. v. onstuimige drift en wreedheid, verregaande onmatigheid in 't gebruik van-sterken drank, zoozeer toe, dat hij daardoor dikwijls tegelijk belachelijk en gevaarlijk werd voor al wat hem omringde en zijn gezondheid gevoelig schokte. Bovenal vierde hij aan hot drinken den ruimen teugel op de feesten, die hij gaf of bijwoonde, on dwong-dan tevens buitenlandscho gezanten, ministers, hovelingen en anderen tot het ledigen van te veel bekers en tot het deelnomen aan zeer zonderlinge uitspanningen.

Nadat hij liet bewind in handen had gekregen, was zijn eerste zorg-, zijn krijgsmacht op den voet der Europeesche legers te brengen, waartoe

-ocr page 284-

256

nog slechts de grond was gelegd. Dan moest de vorming eener zeemacht volgen. Hij zag wel in, dat het zonder 't bezit van kustlanden onmogelijk zou zijn, beschaving, handel en nijverheid in Rusland te bevorderen. Vermits de kust der Witte Zee de eenige was, die hem behoorde, richtte hij natuurlijk zijn blik naar de Oostzee en naar de Zwarte Zee. Daarom veroverde hij in 1696 de vesting Azow (in 't n.o. van de zee van dien naam gelegen) op de Turken. Aloo in 't bezit van dezen sleutel der Zwarte Zee, was hij op 't punt, de beschaafde staten van Europa met eigen oogen te gaan aanschouwen, toen een samenzwering dit plan voorshands deed uitstellen. De^e samenzwering, door de strelitzen uit bezorgdheid voor groote veranderingen, zoowel in 't krijgwezen als anderszins, gesmeed, had ten doel, den czaar te vermoorden en den zoon zijner gemalin, Eudoxïa Lapüchin, Alexëi, onder voogdij van Sophia, op den troon te plaatsen. Zij werd evenwel ontdekt en gestraft. Zelf nam Peter de saamgezworenen in 't huis van den staatsraad Sokownin gevangen. Nog in 't zelfde jaar verliet hij zijn rijk en bezocht, zich onder 'tgevolg van een groot gezantschap zooveel mogelijk onbekend houdende. Holland en Engeland. Overal nam hij, die onze taal reeds vroeg in den omgang met vele Nederlanders had geleerd, de werkplaatsen der kunstenaars en handwerkslieden nauwkeurig op. Van zijn verblijf te Zaandam is 't huisje, dat hij er bewoonde, een nog overig gedenkteeken. Te Amsterdam hielp hij een geheel zeeschip aftimmeren. Uit Holland stak hij naar Engeland over, doch keerde, op de tijding van een nieuwen opstand der strelitzen, naar Rusland terug. Ofschoon deze opstand reeds vóór zijn aankomst in 1698 was bedwongen, doodde hij, zelfs eigenhandig, de schuldigen met groote wreedheid en ontbond de geheele lijfwacht van Moskau. Zijn gemalin Eudoxïa, van welke hij, uit hoofde van haar bijge-loovigheid en van haar gehechtheid aan de oude zeden en gewoonten, meer en meer was vervreemd, dwong hij den sluier aan te nemen. In 't volgend jaar overleed Lefort, waarop Menschikow, die van lakei allengs tot hooger bedieningen aan 't hof was opgeklommen en ten laatste zelfs tot vorst verheven, de eerste plaats na Peter bekleedde. Desniettemin diende Peter hem van tijd tot tijd, wegens afpersingen of andere vergrijpen, stokslagen toe.

Thans zette de czaar zijn hervormingen voort, die, alle aan het buitenland ontleend, grootendeels op het stoffelijke waren gericht en met geweld werden ingevoerd. Of zij met den aard van zijn volk overeen kwamen, hierover bekommerde de czaar zich niet veel. Op het tot stand brengen van een regelmatig leger volgde het bouwen van oorlogschepen. Ook in 't uiterlijke moesten de Eussen aan de West-Europeesche natiën gelijk worden. Daarom voerde Peter met geweld een nieuwe kleederdracht, die 't meest op de Hongaarsche geleek, en het scheren van den baard in, van welke maatregelen slechts de geestelijken, de boeren en de Aziaten werden uitgezonderd. Van de verplichting nopens den baard kon men zich evenwel voor een zekere belasting vrijkoopen.

-ocr page 285-

Onder de kunsten en de bedrijven bevorderde Poter vooral het fabriekwezen , alsmede den berg- en den landbouw. De beoefening der wetenschappen werd door 't oprichten eener akademie aangemoedigd. Ook kwamen er enkele volksscholen. Terwijl hij jonge Russen naar 't buitenland zond, ton einde zich vreemde beschaving eigen te maken, werden vreemdelingen, in eenig vak ervaren, aangespoord, hun talenten aan Rus-lands belangen te wijden. Verder maakte Poter in 't staatsbestuur en in do aangelegenheden van den godsdienst vele veranderingen: in 't laatst van zijn leven verdeelde hij b. v. het rijk in twaalf gouvernementen (stadhouderschappen), ontnam de bojaren hun aandeel aan de regeering en hief liet patriarchaat der Russische kerk op, waardoor hij haar, in plaats van aan den patriarch, aan zichzelf en aan een synode onderwierp. In 1722 nam Peter den titel keizer aan, terwijl de senaat, het hoogste regeerings-college in Rusland, hem in 't zelfde jaar (zie biz. 2G0, vrede van Nystftdt) mot den titel „vader des vaderlandsquot; vereerde.

In een zeer onaangename betrekking stond Peter tot zijn zoon Alexei, dien de priesters zonder ophouden tegen zijn vader opzetteden. Na menige andere oneenigheid brak ten laatste op nieuw een ernstige twist uit tus-schen den tragen zoon en den driftigen vader. Alexei vluchtte heimelijk naar zijn zwager. Karei VI van Duitschland, die hem nogtans op Peters aanvraag uitleverde. Nu moest Alexei in 171H plechtig afstand doen van de kroon, en veroordeelde een buitengewoon gerechtshof, samengesteld uit de aanzienlijkste mannen, ten getale van honderd zevenentwintig, ministers, leden van den senaat, krijgsoversten en burgerlijke ambtenaren, hem, wegens verzet tegen zijn vader, ter dood, niet tegen den zin van Peter, die met zijn nieuwe inrichtingen meer was ingenomen, dan hij zijn zoon beminde. Twee dagen, nadat het vonnis was geveld, bezweek Alexëi in de gevangenis aan de gevolgen der martelingen van de pijnbank, een paar malen door hem verduurd. Zeven jaren later volgde Peter zijn zoon in hot graf, na den grond te hebben gelegd tot den grooten invloed, dien Rusland in 't vervolg op Europa's politiek oefende.

Peter had in 1722 een wet uitgevaardigd, die elk beheerscher van Rusland het recht gaf, den waardigste tot troonopvolger te benoemen. Hot is evenwel niet aan die wet toe te schrijven, maar aan den invloed van Menschikow, die zijn maatregelen met zooveel geschiktheid had genomen , dat hij over liet leger en over de aanzienlijkste personen kon beschikken, dat Peters tweede gemalin, de door haar lotwisselingen zoo bekende kathakina i (1725—1727), hem opvolgde. Daarna besteeg peter ii, een zoon van Alexêi, den troon, onder wien Menschikow met zijn huisgezin naar Siberië werd verbannen.

Na zijn dood werd anna, een dochter van den broeder van Peter I, Iwan, (1730—1740), keizerin. Zij had eon nicht of zustersdochter, insgelijks Anna geheeten, getrouwd met Anton UI rik van B runs wijk. Uit dit huwewijk sproot in 1740 een zoon, die den naam Iwan kreeg. In dit zelfde jaar volgde hij, als iwan ii (1740—1741), keizerin Anna

Wunnk, Handboek der Alij. Geschiedenis, 7«le druk. 17

-ocr page 286-

256

nog slechts de grond was gelegd. Dan moest de vorming eener zeemacht volgen. Hij zag wel in, dat het zonder 't bezit van kustlanden onmogelijk zon zijn, beschaving, handel en nijverheid in Rusland te bevorderen. Vermits de kust der Witte Zee de eenige was, die hem behoorde, richtte hij natuurlijk zijn blik naar de Oostzee en naar de Zwarte Zee. Daarom veroverde hij in 1696 de vesting Azow (in 't n.o. van de zee van dien naam gelegen) op de Turken. Aloo in 't bezit van dezen sleutel der Zwarte Zee, was hij op 't punt, de beschaafde staten van Europa met eigen oogen te gaan aanschouwen, toen een samenzwering dit plan voorshands deed uitstellen. De|e samenzwering, door de strelitzen uit bezorgdheid voor groote veranderingen, zoowel in 't krijgwezen als anderszins, gesmeed, had ten doel, den czaar te vermoorden en den zoon zijner gemalin, Eudoxïa Lapüchin, Alexëi, onder voogdij van Sophia, op den troon te plaatsen. Zij werd evenwel ontdekt en gestraft. Zelf nam Peter de saamgezworenen in 't huis van den staatsraad Sokownin gevangen. Nog in 't zelfde jaar verliet hij zijn rijk en bezocht, zich onder 'tgevolg van een groot gezantschap zooveel mogelijk onbekend houdende, Holland en Engeland. Overal nam hij, die onze taal reeds vroeg in den omgang met vele Nederlanders had geleerd, de werkplaatsen der kunstenaars en handwerkslieden nauwkeurig op. Van zijn verblijf te Zaandam is 't huisje, dat hij er bewoonde, een nog overig gedenkteeken. Te Amsterdam hielp hij een geheel zeeschip aftimmeren. Uit Holland stak hij naar Engeland over, doch keerde, op de tijding van een nieuwen opstand der strelitzen, naar Rusland terug. Ofschoon deze opstand reeds vóór zijn aankomst in 1698 was bedwongen, doodde hij, zelfs eigenhandig, de schuldigen met groote wreedheid en ontbond de geheele lijfwacht van Moskau. Zijn gemalin Eudoxïa, van welke hij, uit hoofde van haar bijge-loovigheid en van haar gehechtheid aan de oude zeden en gewoonten, meer en meer was vervreemd, dwong hij den sluier aan te nemen. In 't volgend jaar overleed Lefort, waarop Menschikow, die van lakei allengs tot hooger bedieningen aan 't hof was opgeklommen en ten laatste zelfs tot vorst verheven, de eerste plaats na Peter bekleedde. Desniettemin diende Peter hem van tijd tot tijd, wegens afpersingen of andere vergrijpen, stokslagen toe.

Thans zette de czaar zijn hervormingen voort, die, alle aan het buitenland ontleend, grootendeels op het stoffelijke waren gericht en met geweld werden ingevoerd. Of zij met den aard van zijn volk overeen kwamen, hierover bekommerde de czaar zich niet veel. Op het tot stand brengen van een regelmatig leger volgde het bouwen van oorlogschepen. Ook in 't uiterlijke moesten de Russen aan de West-Europeesche natiën gelijk worden. Daarom voerde Peter met geweld een nieuwe kleederdracht, die 't meest op de Hongaarsche geleek, en liet scheren van den baard in, van welke maatregelen slechts de geestelijken, de boeren en de Aziaten werden uitgezonderd. Van de verplichting nopens den baard kon men zicli evenwel voor een zekere belasting vrijkoopen.

-ocr page 287-

2f)7

Onder de kunsten en de bedrijven bevorderde Peter vooral liet fabriekwezen, alsmede den berg- en den landbouw. De beoefening der wetenschappen werd door 't oprichten eener akademie aangemoedigd. Ook kwamen er enkele volksscholen. Terwijl hij jonge Russen naar 'v buitenland zond, ten einde zich vreemde beschaving eigen te maken, werden vreemdelingen, in eenig vak ervaren, aangespoord, hun talenten aan Rus-lands belangen te wijden. Verder maakte Poter in 't staatsbestuur en in •Ie aangelegenheden van den godsdienst vele veranderingen: in 'tlaatst van zijn leven verdeelde hij b. v. het rijk in twaalf gormernementen (stadhouderschappen), ontnam de bojaren hun aandeel aan de regeering en hief het patriarchaat der Russische kerk op, waardoor hij haar, in plaats van aan den patriarch, aan zichzelf en aan een synode onderwierp. In 1722 nam Peter den titel keizer aan, terwijl de senaat, het hoogste regeerings-college in Rusland, hem in 't zelfde jaar (zie biz. 2G0, vrede van Nystildt) niet den titel „vader des vaderlandsquot; vereerde.

In een zeer onaangename betrekking stond Peter tot zijn zoon Alexfi, dien de priesters zonder ophouden tegen zijn vader opzetteden. Na menige andere oneenigheid brak ten laatste op nieuw een ernstige twist uit tus-schen den tragen zoon en den driftigen vader. Alexëi vluchtte heimelijk naar zijn zwager, Karei VI van Duitschland, die hem nogtans op Peters aanvraag uitleverde. Nu moest AlexGi in 1718 plechtig afstand doen van de kroon, en veroordeelde een buitengewoon gerechtshof, samengesteld uit de aanzienlijkste mannen, ten getale van honderd zevenentwintig, ministers, leden van den senaat, krijgsoversten en burgerlijke ambtenaren, hem, wegens verzet tegen zijn vader, ter dood, niet tegen don zin van Peter, die met zijn nieuwe inrichtingen meer was ingenomen, dan hij zijn zoon beminde. Twee dagen, nadat het vonnis was geveld, bezweek Alexëi in de gevangenis aan do gevolgen der martelingen van de pijnbank, een paar malen door hem verduurd. Zeven jaren later volgde Peter zijn zoon in het graf, na den grond te hebben gelegd tot den grooten invloed, dien Rusland in 't vervolg op Europa's politiek oefende.

Peter had in 1722 een wet uitgevaardigd, die elk beheerscher van Rusland het recht gaf, den waardigste tot troonopvolger te benoemen. Het is evenwel niet aan die wet toe te schrijven, maar aan den invloed van Menschikow, die zijn maatregelen met zooveel geschiktheid had genomen , dat hij over het leger en over de aanzienlijkste personen kon beschikken, dat Peters tweede gemalin, de door haar lotwisselingen zoo bekende katharina i (172!)—1727), hem opvolgde. Daarna besteeg peter ii, oen zoon van Alexëi, den troon, onder wien Menschikow met zijn huisgezin naar Siberië werd verbannen.

Na zijn dood werd anna, een dochter van den broeder van Peter I, Iwan, (1730—1740), keizerin. Zij had een nicht of zustersdochter, insgelijks Anna geheeten, getrouwd met Anton Ulrik van B runs wijk. Uit dit huwewijk sproot in 1740 een zoon, die den naam Iwan kreeg. In dit zelfde jaar volgde iiij, als iwan ii (1740—1741), keizerin Anna

WlJNNK, Handboek der AUj. Geschiedenis, 7(te druk. 17

-ocr page 288-

258

Op en kwam onder 't regentschap zijner ouders. Nog- leefde aan 't Russische hof een dochter van Peter den groote, Elizabeth. Deze prinses was aan zinnelijke genietingen verslaafd en verkeerde bij voorkeur met onder-oflicieren en lieden, in rang ver beneden haar staande. Zoolang de regent en de regentes haar in haar neigingen niet dwarsboomden, kwam hot niet bij Elizabeth op naar de kroon te staan. Doch toen dit anders werd en een harer vrienden, de geneesheer Lestocq, de prinses een middel aan de hand deed om zich te ontslaan van hen, die haar levenswandel steeds berispten, liet zij hem in haren naam handelen. Met behulp van een honderdtal soldaten der lijfwacht gelukte do aanslag, door Elizabeth en Lestocq voorbereid, in één nacht. De regent, de regentes en Iwan II werden in hechtenis genomen. Elizabeth (1741—1762) werd keizerin en Lestpcq met hooge ambten bekleed, doch later, in ongenade gevallen, naar Siberië gezonden.

§ 102.

Zweden onder Karei XII, koning uit het huis Pnlts-Tweebruggen, en de Noordsche oorlog tot den vrede van Nystüdt. —

Van 1697 tot 1721.

Gelijk Peter de groote in Rusland, zoo was in Zweden zijn tijdgenoot , kabel xii (1697-—1718), een zoon van Karei XI (zie blz. 253), een man van zeer merkwaardige eigenschappen. Zeer eenvoudig in kleeding en levenswijze, buitengewoon dapper en tegen alle ontbering en inspanning bestand, wist hij te overwinnen; maar partij te trekken van de behaalde zege was zijn sterkste zijde niet. Door zijn eigenzinnigheid verloor Zweden den eersten rang onder de staten van 't Noorden, on Rusland nam dien welhaast in. Nauwelijks had Karei den troon van Zweden beklommen, dat (zie blz. 233) de meeste kustlanden der Oostzee beheerschte, of Peter, begeerig naar 't bezit dier kusten, verbond zich tegen hem met fredekik iv van Denemarken en met Ere der ik Augustus I, keurvorst van Saksen en als Augustus II koning van Polen (zie blz. 254). Aldus ontstond de Noordsche oorlog, 1700—1721. Dadelijk deed Karei een landing op Seeland en noodzaakte den koning van Denemarken in 1700, zicli aan hot verbond te onttrekken. Toen bracht hij in 't zelfde jaar met een veel kleiner leger de overmachtige Russen bij Narwa (in 't n.o. van Esthland) een beslissende nederlaag toe. Zich vervolgens tegen zijn derden vijand wendende, verdreef hij Augustus uit Polen en dwong den Poolschen rijksdag in 1704, Stanislaus Leszinski, woiwode (d. i. eigenlijk aanvoerder in den oorlog, hier stedehouder) van Posen, als koning te verkiezen. Karei rukte toon Saksen binnen, en Augustus bleef niets anders over dan het aannemen van een nadeeligen vrede in 17(10, waarbij hij Stanislaus erkende.

-ocr page 289-

25Ö

Gedurende dien tijd had Peter Ingermannland, benevens een deel van Lijfland en Esthland veroverd. Niettegenstaande de groote bezwaren dei-moerassige streek stichtte hij in 1703, aan den mcnd der Newn, het later zeer vergroote en verfraaide Petersburg, en in 1704 de vesting Kron-stiidt (niet ver vandaar ten w. gelegen). Na op 't Russisch grondgebied te zijn getrokken, wondde Karei zich naar do Ukraine [een landstreek aan de Midden-Dnieper, thans een deel van Klein-Rusland, verdeeld onder de gouvernementen Pultawa, Kiew en Tschernigow (ten n. van Kiew)]. Hiertoe had hem Mazeppa, een helman of vorst der Kozakken, overreed, hem tevens troepen en levensmiddelen belovende. Doch daar Mazeppa, uit hoofde van den onwil zijner onderdanen, zijn beloften niet kon gestand doen, had Kareis leger weldra groot gebrek door te staan. Daarenboven teisterde een buitengewoon strenge winter de arme soldaten. Eindelijk vernietigde Peter in 1709 het Zweedsche leger geheelenal bij Pultawa (ten z.o. van Kiew). De koning van Zweden vluchtte overhaast naar Turkije, terwijl zijn vroegere vijanden hun verbond vernieuwden. Augustus heroverde Polen en verdreef Stanislaus; Peter voegde in 1710 zelfs Finland bij het vroeger in bezit genomene.

Door Karei aangespoord, stelde zich de sultan der Turken, aohmkt iii, in 1711 in beweging en sloot Peter bij de Pruth (een bijstroom van den Donau, thans ten deele de grensrivier van Bessarabië en Moldavië) zóó in, dat hem alleen de keuze overbleef tusschen verhongeren of zich overgeven. Maar Katharïna kocht den hebzuchtigen grootvizier om en bewerkte aldus een onverwachten vrede, waarbij Azow aan de Porto werd teruggegeven. Tevergeefs zocht Karei, die nu zijn legerplaats van Bender (in Zuid-Rusland, aan do Dniester) naar Warnitza (ten n.w. vandaar) verlegde, de Turken ter vernieuwing van den strijd aan te sporen. De sultan, don trotschen en duren gast moede, wilde hem eindelijk dwingen zijn land te verlaten en liet zijn legerplaats bestormen. Na een hardnekkige verdediging werd zij ingenomen en Karei zelf gegrepen, die eerst in 1714 Turkije verliet. In Zweden teruggekomen, bevond hij, dat het getal zijner vijanden nog was vermeerderd. Want koning- Prederik Willem I van Pruisen (zie blz. 265), die een deel van Pommeren had bezet, en George I, keurvorst van Hannover en koning van Engeland, die als keurvorst hot door de Denen vermeesterde Bremen en Verden (zie blz. 220) had gekocht, voegden zich thans bij het verbond. Ongeduldig tastte Karei Noorwegen met twee legers aan, waarvan het eerste door de strenge vorst omkwam en het tweede, dat hij in persoon aanvoerde, Frederikshald (in 't z.o. van Noorwegen, aan zee) ging belegeren. Doch dit beleg word opgebroken, toen Karei XII den llden December 1718 in de loopgraven door een kogel, komende uit de belegerde vesting, werd dood geschoten.

De rijksdag, grootendeels uit adellijken bestaande, hevig op den koning verbitterd, verklaarde terstond de onbeperkte koninklijke macht voor afgeschaft en verkoos Kareis jongste zuster-, uliuke elkonouk,

17*

-ocr page 290-

2C0

als koningin. Dewijl /.ij gehuwd was, word haar echtgenoot, fredebiki (1720—1751), later ook landgraaf van Hessen-Kassei, tevens als koning erkend. Door zijn troonbeklimming verving het gedacht Hessen-Kassei het huis Palts-Tweebruggon. In den radeloozen toestand, waarin Zweden thans verkeerde, sloot het achtereenvolgens zeer nadeelige vredesverdragen met al zijn vijanden. Voor een kleine som geld behield George I Bremen on Verden, Frederik Willem I Voor-Pommoren met een paar eilanden. Denemarken bleef in 't bezit van het deel van Slees-wijk, dat het had veroverd, zoodat het van nu aan dit gansche gewest bezat, terwijl Zweden afstand moest doen van de vrijheid van tol in de Sond. Eindelijk behield Rusland bij den vrede van Nystadt (in 'tz.w. van Finland, aan zee) in Sept. 1721, voor do geringe som van /quot; 3,000,000, de schoone gewesten Lijfland, Esthland, Ingermannland on oen deel van Karelië.

§ 103.

Frankrijk gedurende het regentschap van Philips van Orleans en onder Lodewijk X V, koning uit het hnis Bourbon., van 1715 tot 1774. — Spanje onder Philips F, uit het geslacht Bourbon, en Albe-rdni, van 1710 tot 1746. — Engeland onder Anna, uit het stamhuis Stuart, en de koningen uit het Hanno-versche of Brunswijk-Luneburgsche huis George I en Oeorge 11, van 1702 tol 1760.

Do ouderdom van Lodewijk XIV was treurig en eenzaam. Frankrijk vorkeerde in een zeer rampzaligen toestand. De tijd van Lodewijks regeering was, inzonderheid na den dood van Colbert, een tijd geweest van voortdurend wanbestuur. Nooit was ergens op zoo gewelddadige wijze zooveel geld aan 't volk afgeperst, om dan in onrechtvaardige oorlogen en in zinnelooze overdaad te worden verkwist. Duizenden hadden gebrek geleden, opdat de koning aan de grillen van één minnares kon voldoen. Meer dan één jaar was door een vreeselijken hongersnood gekenmerkt. De steden waren ontvolkt, de dorpen gehuchten geworden, de gehuchten verdwenen, in 't kort Frankrijk was als een woestijn. Zóó ontvolkt was het land, dat het op vele plaatsen een zeldzaamheid was, krachtige mannen en jongelingen aan te treffen: de koning had ze alle op het slagveld gebruikt. Diep ging het rijk gebukt onder een zwaren schuldenlast. Aan verbeteringen of vooruitgang werd niet gedacht. Landbouw, handel, veeteelt, fabrieken, alles was in verval. Zoowel 's konings zoon, de dauphin, die hem moest zijn opgevolgd, als de zoon van der, dauphin, de hertog van Böurgondië, en tevens de oudste zoon van dezen prins, de hertog van Bretagne, daalden alle nog vóór den grijzen monarch ten grave, en de Maintenon liad op alles, wat hij deed, een zeer grooten invloed.

Toen hij den Isten September 1715 was overleden, volgde hem lode-

--

-ocr page 291-

wijk xv (1715—1774) op. Hij was een aohtorkloinzoon van Lodowijk XIV, de tweede zoon van den zoon dos dauphins. Voor hom aanvaardde Philips, de hertog van Orleans, een zoon van een broeder van Lodewijk XIV, als regent het bestuur en bleef aan 't roer tot 1723. De reyent evenzeer ten goede bekend dooi' zijn werkzaamheid, als berucht wegens zijn zedeloosheid, nam als minister den kardinaal Dubois, een man van burgerlijke afkomst, wiens dagolijksche wandel veel overeenkomst had mot dien van zijn meester. Hun bestuur begon met ij dele pogingen, om do onevenredigheid, die tusscheu do inkomsten en de uitgaven van den staat bestond, te verhelpen. Daartoe behoorde vooral de ondoordachte en in haar gevolgen zoo noodlottige onderneming van don Schot Law. Deze man, die in 1716 te Parijs verscheen, vestigde er een wisselbank, die binnen kort een koninklijke bank werd, gelijk mede een Missisippi-compagnie. Ieder, die doel nam aan deze compagnie, werden grove winsten voorgespiegeld. Om de verspreiding der banknoten te bevorderen beperkte de regeering het recht om haar geld te bezitten en in den handel te gebruiken. Doch juist dit ijveren voor die papieren munt verwekte wantrouwen, en toen woldra velen hun bankpapier wilden inwisselen, stelde de regeering do waarde dier stukken op de helft. Dit verhaastte den ondergang der beide inrichtingen, zonder dat het beoogde doel eenigermate werd bereikt. Want de staatsschulden werden er geenszins door verminderd, en de meesten van hen, die voor het daarheen gebrachte gold op grooto schatten uit Arnerika's goud- en zilvermijnen hadden gerekend, mochten zich gelukkig achten, indien zij nog iets terugkregen. Law zelf vluchtte naar Venetië on stierf arm.

Nadat Lodewijk XV, meer in naam dan inderdaad, in persoon de regeering had aanvaard en de hertog van Orléans, zoowel als Dubois, was overleden, verkreeg Fleury, weldra door den paus nog tot kardinaal benoemd, spoedig den meesten invloed. Sedert 1726 was hij metterdaad eerste minister, hoewel niet in naam, daar Lodewijk op zijn raad dien titel had afgeschaft. Tot zijn dood in 1743 trachtte hij Frankrijks welvaart te bevorderen, en, evenals de regent had gedaan, den vrede in Europa in stand to houden. Wat den koning zelf betreft, hij gaf zich hoe langer hoe meer aan zinnelijke genietingen en aan verspillingen over, buiten-sporiger dat mon ze ooit, zelfs in Frankrijk, had gezien. Zoolang Fleury leefde, bereikten deze buitensporigheden nog geenszins haar toppunt. Na zijn dood overschreden zij alle perken en oefenden op het gansche bewind een noodlottigen invloed, doordien het van 'skonings minnaressen, eerst van de markiezin de Pompadour, later van de gravin du Barry, afhing, wie aan 't hoofd van 't bestuur zou staan en hoe over ile gelden van den staat zou worden beschikt. Wie aan deze minnaressen mishaagde liep gevaar, door de uitvaardiging van een lettre de cachet, d. i. een verzegelden brief of eigendunkelijk bevelschrift, in de bastille te worden gezet, een sterkte bij de poort St. Antoine te Parijs, door Karei V (zie blz. 144, 145) gebouwd en later als staatsgevangenis gebruikt. Met de

-ocr page 292-

262

parlementen, inzonclerhoid mot dat van Parijs, was het bewind van Lodn-wijk XV in voortdurende geschillen, totdat do koning ze in 1771 afschafte of slechts als gerechtshoven liet bestaan. Voor 't overige was de eenige regeoringsaangelegenhoid, waarmede dio vorst zich in do uren, niet aan zijn uitspanningen gewijd, bezighield, de buitenlandscho politiek. Dit was het onderwerp, waarover hij in 't geheim een uitgebreide briefwisseling onderhield met de voornaamste kabinetten van Europa en waaromtrent hij niet zelden zijn eigen ministers tegenwerkte.

Onder philips v (1701—-174G) trad Spanje, hoezeer buiten 's konings schuld, mot veel aanmatiging op, waardoor de rust van Europa op nieuw werd verstoord. Philips V, die nooit vreemde leiding kon ontberen, ging, op aansporing van Alberöni, gezant van Panna, een tweede huwelijk aan met Elizabeth Farnëse. Vermits twee prinsen, in Philips' eerste echtverbintenis verwekt, aan de uit dit tweede huwelijk gesproten zonen het uitzicht benamen, zeiven den troon van Spanje te bestijgen, was Elizabeths hoofdstreven, hun elk een onafhankelijk vorstendom te bezorgen. Hiertoe was Alberöni, thans kardinaal, wien zij aan 't hoofd van 't bewind plaatste, haar behulpzaam. Eerst beurde hij door verschillende maatregelen, als door 't aanmoedigen van den landbouw en door het scheppen eener zeemacht, Spanje uit zijn verval op. Toen poogde hij dit rijk tot een heerschende mogendheid in Europa te verhett'en en, terwijl liij op die wijze tevens de plannen zijner koningin in de hand werkte, de Italiaanscho stilten, bij de laatste vredes aan Spanje ontnomen, weder aan dit rijk te brengen. Maar hij was niet bestand tegen den gezamcnlijken invloed van Karei VI (zie. blz. 263), van George I van Engeland (zie bereden op deze blz.) en van Frankrijk. Deze mogendheden kwamen onderling overeen , dat er een ruiling zou plaats grijpen, zoodat de keizer Sicilië, Savoye Sardinië zou hebben. De hertog van Savoye (zie blz. 243), sinds 172Ü koning van Sardinië, in plaats van Sicilië, voegde zich naar de voor hem nadeelige ruiling. Dezelfde mogendheden verplichtten Philips V, Alberöni uit zijn rijk weg te zenden.

Koningin anna (1702—1714), die gedurende den Spaanschen erfopvolgingsoorlog in Engeland regeerde, overleefde dien oorlog niet lang. Haar bestuur was voor Engeland gewichtig door de vereeniging van dit rijk met Schotland, die metterdaad reeds sinds lang (zie blz. 215) had bestaan, doch in 1706, door 't instellen van één parlement voor de beide deelen van Groot-Britannië, geheel in werking kwam. Gering was het getal Schotten, die ii^ hot hooger- en in het lagerhuis zitting kregen. Terwijl b. v. het Schotsche parlement vroeger bijna honderd vijftig edelen had geteld, werden er thans maar zestien in het Britsche parlement opgenomen. Slechts de Schotsche kerk behield haar eigenaardige inrichting.

Overeenkomstig een parlementsbesluit (act of settlement), in 1701 op aandrang van Willem III uitgevaardigd, dat de katholieke leden van hot huis Stuart van de troonopvolging uitsloot, kwam de kroon na Anna's dood aan George Lodowijk, een zoon van Ernst August (zie blz. 251) en

-ocr page 293-

263

keurvorst van Hannover, als koning ohouoe i (17M—1727) genoemd, dio dus da eerste koning word van Qroot-Britannië uit hel huis Hannover of Brumwijk- Luneburg. Noch George I, oen achter-kleinzoon van Jakob I, noch óén dor drie George's, dio hem opvolgden, muntte als regent door persoonlijke hoedanigheden uit. In hun bijzonder leven gaven zij menig bewijs van lage en verachtelijke neigingen. Van 't oogenblik af, dat George I den troon beklom, werden de whigs vooreerst de partij dor regeering en nam het overwicht van hot lagerhuis over het hoogerhuis zeer toe. Onder George's regeering werd de septennial bill aangenomen, welke den duur van 't parlement op zeven jaren stelde, terwijl het vóór zijn tijd alle drie jaren werd vernieuwd. Zijn voornaamste minister, die alles leidde, was Walpole, een man, die evenzeer als Fleury den vrede in Europa handhaafde en, om steeds een meerderheid in 't parlement te hebben, het stelsel van omkooping op grooto schaal in toepassing bracht. Ongunstig onderscheidde zich zijn beheer door het goedkeuren van Rlounts voorslag ter oprichting eener /uidxecf-comjmguie, die dezelfde verderfelijke gevolgen had als do onderneming van Law (zie blz. 261).

Ook onder de regeering van den zoon en opvolger van Georgo I, ge o roe ii (1727—1700), bleef Walpole tot 1742 als minister aan 't roer. Als veldheer (zie blz. 267) spreidde de koning meer dan eens grooto dapperheid ten toon.

§ 104.

Duitschland onder Karei VI, uit het Habsburgsche huis. — Zijn oorlogen tegen Turkije, geëindigd met den mede van Passarowitz en mei dien van Iklgrado, van 171G tot 1718 en van 1735 tot 1739. — Spanning in Europa en oorzaken hiervan. — De oorlog van Frankrijk, Spanje en Sardinië tegen Karei VI, geëindigd in 1735. — Pruisen onder de koningen uit het huis Hohenxollern, Frederik Willem. I en Frederik II, van 1713 tot 1786. — De eerste Silexische oorlog, van 1740 tot 1742. — De oonaken en het begin van den Oostenrijksehen erfopvolgingsoorlog, van 1741 tot 1748.

In Duitschland rustten de wapens niet lang na den Spaanschen erfopvolgingsoorlog. De Porto verklaarde in 1716 den oorlog aan keizer Karei VI. Maar zij boette zwaar voor dien overmoed door do nederlagen bij Poter war a di n (in de Mililaire Grenzen, aan den Donau) en bij Belgrado, haar in 1710 en 1717 door Eugenius van Savoye toegebracht. Reeds in 1718 kochten do Turken dm vrede te Passarowitz (in Servië, nabij den Donau en de Morava) voor het verlies van al de op hen veroverde landen, o. a. van een deel van Servië en van Wallachije.

Gedurende het bewind van Karei VI werden verschillende hoven van Europa in velerlei moeielijkheden gewikkeld, die dikwijls vrees voor oorlog deden ontstaan. Doch telkens behoedde do vredelievend gezindheid van

-ocr page 294-

264

Pleiuy en van Walpolo Europa voor do uitbarsting. Oorzaken dier verwikkelingen waren o. a.: do Oost-Indische handelmaatschappij, in 1722 door den keizer te Ostende (in West-Vlaanderen, aan zee) opgericht en door Spanje begunstigd, die den zeemogendheden een doorn in 't oog was; de pogingen, die de Engolsche pretendent nog steeds in 't work stolde om zijn oogmork te bereiken, alsmede hot hoofdvoorwerp dor wensohen van Karei VI. Van het begin af zijner regeoring n.l. poogde de keizer allo mogelijke waarborgen te verkrijgen, dat zijn oudste dochter Maria Theresïa hem, den laatsten mannelijken spruit uit het Habsburgsche huis, na zijn dood in de gezamenlijke Oostenrijkscho landen mocht opvolgen. Bij voorraad alle beletselen uit den weg zoekende te ruimen, stelde bij een pragmnlieke smicüa (letterlijk: daadwerkelijke bekrachtiging, hier staatsverdrag) op, die deze opvolging vaststelde en die hij zoowel den rijksstenden als aan buitenlandsche mogendheden ter onderteekening voorlegde. Vooreerst kwam het nog niet tot oorlog, terwijl do keizer zijn handelmaatschappij in 1731 weer ophief en de zeemogendheden de pragmatieke sanctie waarborgden. Toen er evenwel een nieuw voorval plaats groep, waarbij zich verschil van gevoelen openbaarde, ontvlamde de dicht opgehoopte brandstof.

Koning Augustus 11 van Polen (zie blz. 254) overleed in 1733. Zijn zoon, Frederik Augustus 11, volgde hem als keurvorst van Saksen onmiddellijk op. Maar de rijksdag van Polen verkoos Stanislaus Los-zinsky tot koning. Doch hij word door Anna van Rusland (zie blz. 257), verbonden met Karei VI, verdreven en hierop de zoon van Augustus 11, na op een bijeenkomst van een aantal Poolsche edelen te zijn gekozen, onder don naam augustus ui (1733—17G3), als koning van Polen uitgeroepen. Nu verklaarden Lodewijk XV, Stanislaus' schoonzoon, Philips V en kakel rmanüel in, koning van Sardinië (1730—1773) en een zoon van Victor Amadëus II (zie blz. 243 en 262), den keizer onverwijld don oorlog. Elizabeth zag hierin een uitstekend middel om de bezittingen baars zoons met Napels en Sicilië te vergrooten. Dewijl de vijanden don onvoorboreiden Karei VI van alle kanten aangrepen, zag de keizer zich tot opofferingen gedwongen, ten einde maar vrede te kunnen sluiten.

Reeds in 1736 stond hij den infant. Karei, den oudsten zoon van Philips V en Elizabeth, Napels en Sicilië af. Frankrijk, al lang bogeorig naar Lotharingen, verwierf hel recht van overleving op dit land, dat van kracht zou zijn, zoodra Stanislaus Leszinsky, die thans met de hertogelijke waardigheid over Lotharingen werd bekleed, kwam te sterven. (Doordien dit in 1766 plaats had, werd Lotharingen toen, als erfenis der koningin, Stanislaus' dochter, met Frankrijk vereenigd). Don toenmaligon hertog van Lotharingen, Frans Stephanus, werd in 17^0 tot schadeloosstelling Toskane aangeboden, waarover hij, na den dood van den regeerenden groothertog, in 1737, het bewind aanvaardde. Het nadeel, in dezen oorlog geleden, trachtte de keizer op de Turken te verhalen. Doch het scheen, alsof alles tegen Karei samenspande. Wederom voerde

-ocr page 295-

265

hij eon ongelukkigen krijg on moost con schundolijken vrede sluiten. Aan do Porto werd, in 1739, hij dm vrede van Belgrado, hot grootste go-deelto van Eugonius' vorovoringon, d. i. Belgrado en ;.'1 wat Oostenrijk ton z. van den Donau en van do Save bezat, benevens het gedeelte van Wallachije (/,io blz. 263) teruggegeven.

In Pruisen volgde op Froderik I (zie blz. 254) zijn zcon fuedebik willem i (1713—1740). In weerwil van zijn eigenheden, b. v. van zijn jacht maken op grooto menschen voor hot leger, en van zijn somtijds te groote strengheid, was hij een voortreffelijk regent, die door spaarzaamheid de welvaart des lands krachtig bevorderde. Voor zichzelf had hij zoo goed als goen behoeften. Zijn oenige uitspanningen waren de jacht en het tabakscollege, hetwelk des avonds bijeenkwam en waar men niets deed dan rooken, bier drinken en op ruwe wijze den draak steken met hen, die hot eerste niet konden. Ten sterkste verzette hij zich tegen do invoering van Fransche zeden en gebruiken aan zijn hof, iets, dat in zijn tijd in bijna alle staten van Duitschland plaats greep. In omvang wies zijn gebied aan door het verwerven van 't grootste gedeelte van Opper-Gcldcr (zie blz. 246) en van een deel van Voor-Pommeren (zie blz. 260). Zijn zoon liet hij, behalve een goed voorziene schatkist, ook oen talrijk, wel geoefend leger na.

Frederik Willem I is de eerste vorst, die, ter aanvulling dor huurlegers, het stelsel der lichting of conscriptie bij wijze van loting heeft ingevoerd, een last, die hoofdzakelijk op de bewoners van 't platteland drukte, want de stedelingen stonden den koning mot hun geld bij. Zij, die bij 't leger werden ingelijfd, dienden aanvankelijk gedurende hun gcheole leven, later twintig jaren lang. Vóór Frederik Willem had Lode-wijk XIV tot dezen maatregel zijn toevlucht genomen; doch zoowel hij als zijn opvolgers maakten slechts in tijd van oorlog gebruik van dit hulpmiddel (zie blz. 260 cn 292), terwijl de koningen van Pruisen het tot een vaste inrichting, ook in vredestijd, maakten. Weldra volgden de kleinere Duitsche vorsten ten aanzien van het stelsel der conscriptie Pruisen na, en ook in Oostenrijk werd het door Jozef II ingevoerd.

De zoon en opvolger van koning Frederik Willem I is de beroemde f rede k i k ii (1740—1786), een vorst van zeldzame talenten, wetenschappelijk gevormd en rusteloos werkzaam. Hij stelde zich tot levenstaak, Pruisen in de rij der mogendheden van don eersten rang te doen opnemen. In zijn jeugd had ook hij de hardheid zijns vaders in ruime mate ondervonden, want toen de vader zijn ingenomenheid met het leger niet op den zoon kon doen overgaan, wien de studie der geschiedenis en het lozen van gedichten meer behaagde, behandelde hij hem uitermate gestreng. Toen vervolgens Frederik Willem zijn zoon zelfs van de troonopvolging dacht uit te sluiten, vatte Frederik het voornemen op, naar zijn oom, George II (zie blz. 263), te vluchten. De koning evenwel ontdekte dit plan en liet van de beide met het geheim bekende officieren don een, luitenant von Katte, te Küstrin aan de Oder (ten n. van Frankfort),

-ocr page 296-

266

voor 't vonstor van het gebouw, waar ile prinss gevangen zat, onthoofden. Frederik zelf werd door oen krijgsraad ter dood veroordeeld; maar toen hij oen tijdlang op do vesting had gezeten en verschillende invloedrijke personen zich zijner aantrokken, bedaarde de toorn zijns vaders en werd hij in vrijheid gesteld. Na deze verzoening vervulde Frederik zijn dienst-plichten nauwgezet en legde veel welgevallen in 't exerceeren en in andere krijgsmansoefeningen aan den dag. Tot belooning schonk zijn vader hein de heerlijkheid Ruppin met het slot Rhijnsberg (ten n.w. van Berlijn). Hier verzamelde hij rondom zich mannen van verdienste, die in velerlei kunsten en wetenschappen uitmuntten en met wie hij zich aan haar beoefening wijdde. Met Voltaire, Rollin, d'Alembert en andere algemeen bekende schrijvers stond hij in briefwisseling.

Frederiks optreden als koning was gelijk de dageraad van een nieuw tijdperk. In tegenstelling met het beginsel „de staat bon ikquot; was hij van oordeel, dat de koning de eerste dienaar is van den staat. Ten aanzien van den godsdienst huldigde hij een onbeperkte verdraagzaamheid. De waarde van 't koningschap zocht hij niet in uiterlijke praal; doch zijn levenswijze was eenvoudig en geheel het tegendeel van die van 't hof te Versailles. In oorlog deed hij zich als oen der uitstekendste veldheeren kennen. In vredestijd betoonde hij zich groot door een wijs bestuur, door strenge rechtvaardigheid en spaarzaamheid, door 't bevorderen van kunsten en wetenschappen, van handel, akkerbouw, nijverheid en fabriekwezen, door het oprichten van gebouwen te Berlijn en te Potsdam. Vooral vestigde Frederik al zijn aandacht op deze onderwerpen na de vreeselijke verwoestingen van den zevenjarigen oorlog (zie blz. 200 vlg.). Door zijn voortdurende zorg voor de welvaart zijner landen verwierf hij, ondanks zijn blinde ingenomenheid met Frankrijks taal en gewoonten, de genegenheid zijns volks en de bewondering van Europa.

Nauwelijks was keizer Karei VI in 1740, zonder zonen na te laten, overleden en had Frederik II de regeering van Pruisen aanvaard, of deze koning besloot zijn land, met den titel, ook de macht van een koninklijk te verschaften. Zijn plannen waren gericht op vier Silezische vorstendommen, die Oostenrijk reeds vóór geruimen tijd aan zich had getrokken. Vermits intusschen het recht van opvolging in die vorstendommen wegens het uitsterven der geslachten, die er vroeger hadden geheerscht, volgens oude verdragen aan het huis Hohenzollern was gekomen, liet hij maiüa theresïa (L740—1780), gemalin van Frans Stephanus van Toskane (zie blz. 204), vragen, of zij zijn aanspraken wilde erkennen, in welk geval hij beloofde, haar met geld en troepen te zullen bijstaan en do pragmatieke sanctie te zullen handhaven, door zijn vader onderteekend. Tegelijk rukte hij het onvoorbereide Silezië binnen en noodzaakte Maria Theresïa tot het afstaan van bijna geheel Oppor- en Neder-Silezië, waarmede dc eerste Silezische ootiou, 1740—1742, eindigde. Twee jaren later, in 1744, vergrootte Frederik II Pruisens grondgebied met Oost-Friesland, welks laatste vorst in dat jaar zonder nakomelingschap was overleden.

-ocr page 297-

Inmiddels was tegen Matïa Theresïa een andere oorlog ontstaan, dio voel algemeener werd en dien men den Oostenrjkschcn crfopvolgingsoorlog, 1741—1748, noemt. In strijd toch met de bepalingen der pragmatieke sanctie weigerde een deel der mogendheden van Europa, onder welke, zich ook onderteekenaars dezer oorkonde bevonden, de aartshertogin Marïa Theresïa, die zich voorloopig slechts koningin van Bohemen en koningin, of, naar Hongaarsch gebruik, koning van Hongarije noemde, als erfgename der Oostenrijksche monarchie te erkennen. Do voornaamste dezer vijanden waren Karei Albrecht, keurvorst van Beieren, die voor zichzelf aanspraak maakte, Philips V van Spanje, Lodewijk XV van Frankrijk en Frederik Augustus II, keurvorst van Saksen en (zie blz. 264) als Augustus IH koning van Polen, die zichzelf eveneens als den rechtmatigon opvolger aanmerkte. Alleon op do uitnemende trouw en de geestdrift der Hongaren, en daarbij op hulpgelden van George II van Engeland en van de Nederlanden kon Marïa Theresïa rekenen.

§ 105.

Het vervolg van den Oostenrykschen erfopvolgingsoorlog, 1741 tol den mede van Aken in 1748. — De tweede Silezische oorlog tot den vrede van Dresden, van 1744 lot 1745. — De zeeoorlog tusschen Engeland en Spanje, van 1730 tot 1748. De zevenjarige oorlog tot den vrede van Hubertsburg, van 1756 tot 1763.

Binnen kort veroverde Karol Albrecht Praag en liet zicli hier in Deo. 1741 als koning van Bohemen en den 12den Februari 1742 te Frankfort aan de Main als keizer kakel vu (1742—1745) kronen. Maar den volgendon dag reeds moest do hoofdstad van zijn land, Münchon, zich aan de Oostenrijkers overgeven, die binnen weinige weken geheel Beieren veroverden. Tevens brachten Engeland en de Nederlanden, thans metterdaad als Oostenrijks bondgenooten optredende, een leger te velde, dat het jrragmatielce werd geheeten en door George II in persoon aangevoerd. Engeland had destijds geschillen met Spanje (zio blz. 268); George II zag, als keurvorst van Hannover, ongaarne do vergrooting van Pruisen met Silezië. Vanhier dat, nu Frankrijk, Spanje en Frederik II één lijn trokken tegenover Oostenrijk, Engeland zich aan de zijde van Marïa Theresïa schaarde. Dit maakte Frederik II bezorgd voor zijn onlangs verworven Silezië en deed den tweeden Silexischen oorlog, 1744— 1745, uitbarsten, waarin Frederik een rij roemrijke zegepralen behaalde. O. a. sloeg hij in 1745 den Oostonrijkschen bevelhebber Karei van Lotharingen, een broeder van Stephanus, dio den bijnaam den slagenverliezer kreeg, bij Hohenfriedberg (ton z.w. van Breslau). Nog in 't zelfde jaar eindigde de tweede Silezische oorlog mot den vrede

-ocr page 298-

268

van Dresden, waarbij Freclerik IF Silo/.iö behield on den inmiddels tot keizer verkozen echtgenoot van Maria Thoresïa, fbans i (1745—1765), in deze waardigheid erkende. De nieuwe keizer word de opvolger van den hevigsten bestrijder zijner gemalin, Karei VII, die reeds in 't begin van 1745 was overleden en wiens zoon van allo aanspraken op Maria Theresïa's kronen afzag.

Gedurende de laatste jaren bepaalde zich do Oostcnrijksche erfopvol-gingsoorlog grootendeels tot de Zuidelijke Nederlanden. Hier verloor het pragmatieke leger, uit Oostenrijkers, Engolschen en Nederlanders samen-gestold, onder den hertog van Cumberland (het noord westelijkste graafschap van Engeland) in 1745 den slag van Fontenai (in Henegouwen, bij do Schelde) en in 1746 dien bij Eaucoux (ton n. van Luik) togen de Pranschen, aangevoerd door Maurits van Saksen, 't Gevolg was, dat schier de gansche Oostenrijksche Nederlanden in Frank rijks macht geraakten.

Gelijktijdig met dien over de erfopvolging werd, uit hoofde van geschillen over den sluikhandel dor Engolschen op Spaansch-Amerika, in strijd mot den assiento (zie blz. 246), een xceoorlog, 1739—1748, gevoerd tusschen Engeland en Spanje, waaraan ook de wederzijdsche bondge-nooten deel namen. Frankrijk werkte het Hannoversohe huis togen door don zoon van den pretendent (zie blz. 245 en 250), Karei Eduard, krachtdadig bij te staan. Na tot op vijftig uren afstand van Londen te zijn doorgedrongen werd hij echter door den hertog van Cumberland verslagen. Hierop zwierf hij, onder velerlei ontbering en gevaren, in allerlei vermomming rond, steeds door verspieders vervolgd, totdat hij, altijd door do trouw des volks behoed, op een Fransch schip naar 't vasteland ontkwam. Hij overleed te Rome in 1788.

In 1748 maakte de vrede van Aken, den 18den October onderteekend, een cindo aan de beide oorlogen. Maria Thoresïa behield haar geheele erfenis, behalve Panna en Piacenza, die zij aan den Spaanschon infant Philips afstond, zoodat Elizabeth Farnëso ook haar tweeden zoon met een vorstendom zag voorzien. Over den assiento bepaalde men voor 't oogen-blik niets; maar dit voorrecht werd welhaast door Spanje afgekocht. De Nederlanden kregen de barrière-steden, doch grootendeels geslecht, terug.

Met al dat kon Maria Thoresïa het haar met geweld ontrukte Silezië niet vergoten. Von Kaunitz, haar minister, wist hierom tegen Pruisen, dat uit hoofde van zijn aanwas aan veelvuldigen strijd bloot stond, een verbintenis tot stand te brengen tusschen Oostenrijk, Rusland (zie blz. 258), waar Elizabeth regeerde, Saksen, Frankrijk, Zweden en het Duitsche rijk. Frederik Augustus II van Saksen was hiertoe hoofdzakelijk overgehaald door zijn minister von Brilhl, die Frederik II persoonlijk haatte, dewijl deze vorst nooit anders dan met minachting van hem, van zijn grenzenlooze verspillingen en zijn onbekwaamheid sprak. Lodowijk XV voegde zich des te eerder bij dit verbond, vermits hij van Frederik II een even hevigen afkeer had als van de parlementen en er tusschen Frankrijk en Engeland,

-ocr page 299-

209

Pruisens bondgenoot, een zeeoorlog (zie blz. 271) op til was. Dnnren-boven was rle minnares van dezen krachteloozen koning, do markiezin de Pompadour (zie blz. 261), door de geslepenheid van ven Kaunitz geheel voor Oostenrijk gewonnen. Ook was zij zeer verbolgen op Pro-derik II, omdat hij haar blijkbaar versmaadde, on hoopte, door deze wending in Prankrijks houding ten aanzien van de buitenhmdsche staatkunde, een gunstige omkeering te weeg te brengen in de denkwijze der Pranschen, die zich destijds sterk tegen haar en togen 's konings levenswijze verklaarde. Zóó zag Europa thans het zeldzame schouwspel van eon vereeniging tussohen twee staten, welker wederzijdsche ijverzucht sedort een paar eeuwen geen verpoozing had gekend. LTverig rustten Prederiks vijanden zich toe en ontwierpen zelfs een plan van verdeoling der Pruisische monarchie, daar het hun oogmerk was, den moedigen koning, wien schier niemand dan George II van Engeland ter zijde stond, niets dan het keurvorstendom Brandenburg te laten. De koning van Engeland sloot zich bij Pruisen aan, omdat zijn rijk sinds eenigen tijd (zie blz. 271) in geschil was met Frankrijk, hetwelk thans met Oostenrijk één lijn trok, en uit bezorgdheid voor het hem dierbare Hannover.

Bijna elk jaar van dezen kampstrijd, den zevenjarigen oorloc/, 1756— 1763, werd door geduchte veldslagen gekenmerkt. In 1757 opende Pre-derik den veldtocht met den slag bij Praag, waar hij den Oostenrijkers onder Karei van Lotharingen en Browne versloeg; doch hijzelf werd kort daarna bij Kollin (ten o. van Praag, aan de Elbe) door den Oostenrijker Daun overwonnen. Intusschen werd Saksen bedreigd door een Pransch leger onder den prins de Soubise, vereenigd met de troepen van het Duitsche rijk onder don prins van Saksen-Hildburghansen (in Saksen-Meinungen-Hildburghausen, ten n. van Beieren). Deze legers trok Prederik snel tegemoet, en dooreen meesterlijke beweging, gevoegd bij de ontstuimige dapperheid van Seydlitz, een generaal der ruiterij, behaalde hij in een veldslag van een paar uren bij Roszbach (ten z.w. van Merseburg) een schitterende zege op den driemaal sterkeren vijand. Welhaast verdreef hij de Oostenrijkers uit Silezië door den morkwaai digen veldslag bij Leuthen (ten w. van Breslau), waarin hij Karei van Lotharingen en Daun versloeg.

In 1759 wendde zich Prederik tegen de Russen, die Pruisen waren binnengerukt en het als een wingewest behandelden. Bij Kunersdorf (ten' z. van Küstrin) raakte hij slaags met den Russischen veldheer Sol-tikow, met wien de Oostenrijker Lauden zich had vereenigd, en zegepraalde, ondanks het ongunstige terrein, over den linkervleugel der Russen. Nu zette hij echter, tegen den raad van vele zijner generaals, met zijn door den marsch vermoeide soldaten den slag voort; maar door deze hardnekkigheid verkeerde de kans. Den koning werden twee paarden onder het lijf dood geschoten, het Pruisische leger, gelijk nooit tevoren, geheelenal verslagen en tot een ongeregelde vlucht genoodzaakt. In 't begin van 1761 was Prederiks toestand bijna hopeloos. Oostenrijk had yasten

-ocr page 300-

270

voet in Sile/.ië en in Saksen, 's Konings eigen legers waren grootendeels ongeoefend, zijn kas uitgeput. Do minister van george m (1760—1820), die zijn grootvader George II in Engeland opvolgde, Bute, betaalde geen onderstandsgelden meer. Daarom verschanste hij zich bij Buntselwitx (nabij Schweidnitz, in Silezië) zoo vast, dat zijn legerplaats naar een vesting geleek. Ook nam hij andere buitengewone voorzorgen. Gelijk meer in dezen oorlog was gebeurd, bevrijdde hem de wederzijdsohe ijverzucht van den Oostenrijkschen bevelhebber Laudon en van den Eussischen veldmaarschalk Butterlin wederom van een aanval, waarvan de uitslag niet twijfelachtig zou zijn geweest. Eindelijk trokken de Russen, uit gebrek aan levensmiddelen, over de Oder terug.

Dus scheen hot, dat één veldtocht Pruisen ten slotte den doodelijken slag zou toebrengen; doch onverwachts kwam er uitredding, evenals dit in den Spaanschen erfopvolgingsoorlog met Lodewijk XIV had plaats gegrepen (zie biz. 24G). Elizabeth van Rusland overleed den 5den Jan. 1762, en haar opvolger, peter jii, haar neef en hertog van Holstein-Gottorp, was een vurig bewonderaar van Prederik den groote. Op 't onbaat-zuchtigst sloot hij aanstonds, den 5den Mei 1762, de,n vrede te, Petersburg, waarbij hij aan Pruisen alle veroveringen teruggaf. Hiermede niet tevreden, verbond hij zich met Prederik, waarop ook Zweden vrede sloot. Op nieuw wilde zich Prederik, thans vol hoop op een goeden uitslag, tegen Oostenrijk keeren, toen een tweede tijding uit Rusland weer een onverwachte wonding aan den gang der zaken gaf. Peters gemalin, Kathanna, een prinses van Anhalt-Zerbst (vroeger een zelfstandig vorstendom, thans ingelijfd bij het hertogdom Anhalt-Dessau, waarvan, sinds 1863, ook Anhalt-Bernburg een deel uitmaakt), had een samenzwering (zie blz. 279) tegen den czaar gesmeed, die hem troon en leven kostte en haar nog in 't zelfde jaar, 1762, onder den naam kaïharina ii, tot beheerscheres van Rusland verhief.

Kathanna bekrachtigde wel den gesloten vrede, maar riep de troepen, die zich op last van Peter III bij Prederik hadden aangesloten, terug. Inmiddels verlangden de mogendheden, die nog aan den oorlog deel namen, allo evenzeer naar het einde. Prederik wenschte aan zijn zoo zwaar gebrandschatte landen de rust te hergeven. Maria Theresïa, reeds vol bekommering over het hooge cijfer der staatsschulden, in dezen oorlog zoozeer toegenomen, begon bovendien in te zien, dat zij, thans van vreemde hulp verstoken, niet licht haar oogmerk zou bereiken, waarin zij met zooveel bondgenooten niet was geslaagd. Dus werd dan in Pebr. 1763 te Huhertshurg (een jachtslot ten z.o. van Leipzig) de vrede getee-kend, die ieder weder het bezit toekende van 't geen hij vóór den oorlog had gehad. Prederik II beloofde tevens als keurvorst zijn stem bij de verkiezing van Jozef II, een zoon van Prans I en Maria Theresïa, als lioomsch koning, welke in 1765 plaats greep.

-ocr page 301-

271

§ 106.

De zeeoorlog tusschen Frankrijk en f'/nyeland, geëindigd met den vrede van Parijs, van J756 tot 1763. — Portugal ondei de verdere koningen uit het huis Braganza cn onder het bestuur van Pombal, van 1750 tot 1777. — Spanje onder de verdere koningen uit het huis Bourbon, van 1746 tot 1788.

De kiem van den gelijktijdigen zeeoorlog, 1756—1703, tusschen Frankrijk en Engeland, die in veelvuldige betrekking staat tot den hoofdoorlog, is ten deele in den vrede van Utrecht (zie blz. 246) te zoeken. In dat verdrag waren de grenzen van het aan Engeland afgestane Nieuw-Schotland of Akadië niet nauwkeurig bepaald. Thans beweerde Frankrijk, dat slechts het oostelijkste gedeelte, d. i. eigenlijk Nieuw-Schotiand, was bedoeld, terwijl Engeland aanspraak maakte op al het land tot de St. Laurensrivier en er dus Nieuw-Brunswijk mede onder begreep. Nadat George II, tegen zijn zin, in 1757 wh.i.iam pitt aan 't hoofd van 't ministerie moest laten optreden, zegevierde Engeland alom. De Franschen werden uit Kanada verdreven, en in Europa mislukte de landing, die zij zich hadden voorgenomen in Grroot-Britannië te doen, door de nederlagen, aan hun vloten toegebracht. Middelerwijl was Karei III, koning van Spanje (zie blz. 273), door den Franschen minister Choiseul overreed tot het sluiten van het zoogenoemde Bourbonsche familieverdrag van Aug. 1761, hetwelk Spanje eu Frankrijk ten nauwste met elkander verbond en den eerstgenoemden staat verplichtte aan dezen krijg deel te nemen.

In Engeland was intusschen George II (zie blz. 270) overleden, en Pitt liet kort daarna zijn plaats aan Bute over. Portugal sohaarde zich aan de zijde van Engeland, üit rijk, meester van Noord-Amerika, vestigde nu zijn aandacht op West-Indië, ten einde er den Franschen handel in den grond te boren. Men veroverde op Frankrijk vele der kleine Antillen boven den wind, op Spanje Havanna (in 'tn.w. van Cuba) en Manila (do hoofdstad dor Philippijnsche eilanden in 't z. van Manila, het noordelijkste van die groep eilanden). De oorlog eindigde met den wede van Parijs in Febr. 1763. Engeland, dat, hoewel het aan Frankrijk een deel der veroveringen teruggaf, alleszins reden had met dezen vrede vergenoegd te zijn, kreeg van Frankrijk, hetwelk van alle aanspraak op Nieuw-Schotland afzag, o.a. Kanada en dat gedeelte van Louisiana (een landstreek in Noord-Amerika, ten n. van de gclf van Mexiko), dat ten o., d. i. aan den linkeroever, van de Missisippi ligt. Daarenboven bekwam het van Spanje Florida (in 't z.o. van Noord-Amerika). Spanje verkreeg van Engeland Havanna en Manila terug en werd door Frankrijk schadeloos gesteld met Nieuw-Orleans en met dat gedeelte van Louisiana, hetwelk ten w. of aan den rechteroever van do Missisippi is gelegen. — Later, in 1800, werd dit doel van Louisiana

-ocr page 302-

weder miu Frankrijk afgestaan, hetwelk liet in 1803 aan de Vereonigde Staten van Noord-Amerika-verkocht.

In weerwil van de vele betrekkingen, waarin Portugal stond tot de Engelschen, oen verlicht en nijver volk, bleef dit rijk in onkunde en traagheid kwijnen en kwam ouder de koningen uit het huis Bragama (/.ie blz. 226) niet weder tot zijn vorigen bloei. Koning jozef hjfa-ntte l (1750—1777) liet hot bewind geheel over aan zijn minister Se bas ti aan Jozef van Carvalho, meest bekend onder den titel markies Pom bal (ten z. van Coimbra). Hij bezat den wil en de kracht om de noodzakelijke hervormingen in het land in te voeren; doch gelijk krachtige karakters meestal, was hij driftig en voortvarend en daardoor niet altijd gematigd en rechtvaardig. In eens wilde hij misbruiken afschaffen en Portugal in één oogenblik in eeu toestand van welvaart en verlichting verplaatsen. Evenals de censuur of beoordeeling van de boeken ontnam hij het onderwijs aan de geestelijkheid en droeg het aan leeken op, tevens andere leerwijzen voorschrijvende. Lediggangers weerde hij en liet hen, zoo zij jong waren, voor een bedrijf opkweekeu. Niets ontging de aandacht van don minister. Hij zorgde voor de beveiliging der hoofdstad tegen sluipmoordenaars, voor de zindelijkheid der straten, voor het leger, voor de belangen van den boekhandel. Verwonderlijk veel is dat, wat hij tot stand bracht; maar van zijn schitterende hervormingen overleefde hem bijna geene. Door zijn voortvarendheid en wegens het aantasten hunner van oudsher bestaande voorrechten kwetste hij zoowel den adel als de geestelijken en onder de laatsten bovenal de Jezuïten.

Toen nu de Jezuïten de aardbeving, die in Nov. 1755 bijna geheel Lissabon verwoestte, als een gevolg van Gods gramschap op den minister voorstelden, zette zich bij Pompal een diepe afkeer van de orde vast. Na vooraf hun invloed eerst aanmerkelijk te hebben beperkt bracht hij hen eindelijk ten val. Eon aanslag op 'tleven van den koning, op wieu, in zijn koets gezeten, in 1758 eenige schoten werden gedaan, die hem slechts licht wondden, bood hem hiertoe de gelegenheid. Eerst werd een zeer wreed vonnis voltrokken aan een aantal der aanzienlijkste personen, o. a. aan den hertog van Aveiro (aan de kust van Bei ra in Portugal, ten z. van de Douro) en aan den markies var. Tav or a (aan de Douro, ten o. van Oporto), de hoofden der samenzwering. Daarop werd de orde der Jezuïten voor medeplichtig aan dio misdaad verklaard en in 1759 in geheel Portugal opgeheven. In Frankrijk hadden de brieven, in 't midden der zeventiende eeuw door den beroemden geleerde Blaise Pascal uitgegeven, getiteld „les Provinciales,quot; die de verderfelijke zedeleer der Jezuïten onthulden, een gevoeligen stoot aan de orde gegeven. Hierbij kwam een proces, dat de handeldrijvende Jezuït la Valette in 1700 tegen een aanzienlijk handelshuis te Marseille had te voeren en dat een aantal stelregels van de orde openbaarde, over welke geheel Europa tegelijk verbaasd en verontwaardigd was. Thans kon

-ocr page 303-

2T;{

Öhoiseul, ecu hevig vijand der Jezuïten, gesteund door de parlementen, die eveneens een grooten afkeer van hen hadden, in 1764 de opheffing der orlo in Frankrijk gemakkelijk doorzetten, welk voorbeeld weldra werd gevolgd door Spanje, door Napels, door Parma, en na 1773 ook door Oostenrijk, waar von Kaunitz een tegenstander van hen was, gelijk mede door do overige staten van Duitschland.

Aleer nog deze slagen het genootschap troffen, was in do openbare meening zijn gezag reeds voor een goed deel ondermijnd. Over 't geheel waren de Jezuïten zeer gehaat bij al wat wereldlijke macht was in de katholieke landen, omdat zij er steeds op uit waren, de regeering aan banden te leggen, en do pausen belettedon, eenigo hervorming in de kerk in te voeren. Bovendien hadden zoowel de Dominikanen, als andere monniksorden tot de verzwakking van den invloed der Jezuïten medegewerkt. Maar inzonderheid hadden zij hevige bestrijders in dc Jansenisten, hun naam ontleenende aan Cornelis Janssen, die een tijdlang hoogleeraar te Leuven en later bisschop te Yperon was on in 1G38 stierf. In een geschrift zijner hand, dat een paar jaren na zijn dood uitkwam en ter verklaring van de leer van Augustïnua strekte, sprak do sehrijvei over den vrijen wil, over de genade Gods, enz. Het boek verwekte veel ergernis onder de katholieken, en sinds 1665 vorderde de paus van alle geestelijken, die een kerkelijk ambt aanvaardden, een eed, waarbij zij het Jansenisme verwierpen. Van den anderen kant vonden de begrippen van het Jansenisme allengs veel bijval in Frankrijk, in Italië, in de Nederlanden en elders. Sedert 1723 was Utrecht de zetel van hun aartsbisschop.

De kamp tusschen dc Jansenisten en de Jezuïten dreigde dc eenheid der kerk te zullen verbreken. Hierom en wellicht omdat do eigenlijke reden van het bestaan van de orde der Jezuïten kon worden geacht destijds te zijn vervallen, hief eindelijk paus Clemens XVI (vroeger Ganganelli genoemd), na langdurigen aandrang der regceringen van Frankrijk, van Spanje en van andere landen, in 1773 de orde der Jezuïten plechtstatig op door de bul „dominus ac redemtor noster (onze Heer en Zaligmaker).quot;

In Spanje volgde op Philips V zijn zoon feudinand vi (1746—1759). Ofschoon deze bcido eerste vorsten uit hot huis Bourbon zoo weinigbe-teekenend waren, dat men hen voor Spaanseho Habsburgers kon hebben aangezien, ging het land onder hun bewind eenigermate vooruit. Ei kwam eenige verbetering in de geldmiddelen en vooral in de zeemacht. De zin voor de beoefening der wetenschappen werd gewekt. Toch waren de schreden, door Spanje in hun tijd op de baan van den vooruitgang gezet, niet van veel boteekenis in vergelijking met het velo goede, dat Ferdinands halfbroeder on opvolger tot stand bracht. Die opvolger was kakel in (1759—1788), die Napels en Sicilië (zie blz. 264) aan zijn derden zoon, Ferdinand, overliet. Hij was een dier weinige vorsten, wier bijzonder leven ten voorbeeld mocht worden gestold, oen koning,

Wijnne, Handboek der Alg. Geschiedenis, 1de druk. 18

-ocr page 304-

wiens bewind, wat in Spanje een zeldzaamheid is, tot heil van 't volk verstrekte. Vele zijn de hervormingen, door hem ingevoerd, weshalve zijn naam nn nog in Spanje met eerbied wordt genoemd. Hij richtte een nationale bank op, ten einde de woekeraars in hun schandelijk bedrijf tegen te gaan. Bovenal wijdde hij zijn zorgen aan de ondersteuning van landbouw, handel en nijverheid. Door 's konings eigen toedoen werden vele woeste gronden in vruchtbare akkers en in fraaie tuinen herschapen. Eenige duizenden Duitschers en Vlamingen werden op gunstige voorwaarden als bewoners van 't rijk toegelaten, om er zich aan den landbouw en aan allerlei handwerken te wijden. Naar do denkbeelden dier tijden trachtte hij den handel te bevorderen door menige bepaling te maken over in- en uitvoer. Ook vermenigvuldigde hij de middelen van gemeenschap, zooveel hij kon, o. a. door 't aanleggen van nieuwe wegen en door 't graven van kanalen. Allerwege werd het bedelen tegengegaan en hun, die konden werken, arbeid verschaft. ïen aanzien van het onderwijs en van de financiën bleef het grootendeels bij plannen; doch voor de zeemacht werd zeer veel gedaan. In tegenstelling met de wijze, waarop Pombal zijn hervormingen invoerde, ging hij langzaam te werk, iets waaraan liet is toe te schrijven, dat veel van 't geen hij deed bleef bestaan. De vermaardste van Kareis ministers is de graaf van Aranda, die in 1767 de Jezuïten, vermits zij de aanstokers waren geweest van een gevaarlijk oproer der volksmenigte van Madrid tegen de regeering, uit Spanje en uit de koloniën zette.

§ 107.

De oorlog voor de onafhankelijkheid der Vereenigde Staten van Noord-Amerika, geëindigd niet den vrede van Versailles, van 1775 tot 1783. — George Washington en Benjamin Franklin. — De Republiek der dertien^ Vereenigde Staten. — Vestiging en uitbreiding der Britsche heerschappij in Oost-Indië.

Zooals boven (zie blz. 270) is vermeld, volgde in Engeland op George II OEOiuiE in. Hij hechtte veel gewicht aan de rechten van liet koningschap en der staatskerk en nam zich stellig voor, boven de partijen te staan, welk plan hij evenwel mettertijd moest laten varen. Van hervormingen in de staatsregeling was hij zeer afkeerig. Hieruit volgde, dat de torys zich nauw aan den koning aansloten en dat de strijd tusschen de beide partijen krachtig herleefde. Het was volgens 's konings uitdruk-kelijken wil, dat, na den vrede van Parijs (zie blz 271), toen Engelands staatsschulden tot 184,000,000 pd. st. (2,208,000,000 gl.) waren aangegroeid, het Engelsche ministerie besloot de inkomsten van den staat te vermeerderen door Amerika mede in de belastingen te doen deelen. Des te eerder ging het tot dien maatregel over, omdat de zeeoorlog, ten deele

-ocr page 305-

in Kanada gevoerd, naar het beweerde, in 't belang van Noord-Amerika was ondernomen. In dit werelddeel was onder Elizabeth een enkele en waren onder Jakob I en zijn opvolgers menigvuldige koloniën aangelegd.

In den beginne was de godsdienst niet de drijfveer van hen, die zich verplaatsten. Hij werd dit ten tijde van Jakob I, die niet ongaarne zag, dat do niet-episcopalen, vaak uit hoofde dor vervolgingen in 't moederland uitwijkende, op die wijze desniettemin onderdanen van Engeland bleven. Onder meer grondvestte de beroemde Walter Raleigh, deels onder Elizabeth, deels onder Jakob I, een volkplanting in Virginia (hetwelk zijn naam ontleent aan het Latijnsehe woord „virgo, de maagd,quot; n.1. Elizabeth), en stichtte de vrome kwaker (zie blz. 213) William Penn in 1081 den staat Pennsylvanië met do hoofdstad Philadelphia. De Engelsche kroon behield zich de souvereiniteit over deze volkplantingen voor. Zij maakte echter van dit recht tot den tijd van Jakob II zoo weinig gebruik, dat zij er in 't geheel geen ambtenaren of landvoogden benoemde, maar dit aan de provinciale wetgevende vergaderingen overliet. Later veranderde dit en werden sommige koloniën door koninklijke stedehouders bestuurd, andere door landvoogden, welke de bevolking zelve koos, zonder dat zij evenwel uitsluitend waren onderworpen aan de Engelscho wetten. Maar nimmer betwistten de volkplantingen de bevoegdheid van 't Engelscho parlement, om de handelsbetrekkingen tusschen haar en de buitenlanders te regelen.

Zoodra het ministerie Grenville in 1704 in Amerika eenige handelsartikels met inkomende rechten begon te belasten, openbaarde zich hier een algemeene ontevredenheid, vermits de vrijheidlievende Amerikanen gewoon waren zeiven zich belastingen op te leggen en wetten te geven. Inzonderheid betwistte deze natie het parlement te Londen, waar geen Amerikaan zitting had en dat zij dus niet als haar vertegenwoordiging' erkende, het recht, hen, alsof zij buitenlandsche onderdanen zonder stemrecht waren, te belasten. Do Amerikanen vonden bij hun verzet veel steun aan een krachtige partij in 't parlement, die do ministers tegenwerkte. Ook de beroemde Pitt (zie blz. 271) sprak tegen Grenville's maatregel. Op den ingeslagen weg voortgaande, belastte het ministerie echter, bij oen verordening van 17()7, thee, glas, papier en verfstoffen, wanneer deze waren uit Oroot-Britannië in Amerika worden ingevoerd. Doch het hevige misnoegen daarover, gevoegd bij de schade, die Enge-lands handel er door leed, bewoog den minister North in 1770 al deze belastingen weer in te trekken, uitgezonderd die op de thee. Hierop scheen in de zuidelijke en in de middelste gewesten de ontevredenheid te bedaren; doch in Massachusetts, grootendeels met puriteinen bevolkt, bleef de geest van wederstand aanhouden. In 1773 ging de Oost-Indische compagnie, die een groote massa thee in voorraad had, deswege tot een buitengewonon maatregel over. Zij bevrachtte n.1. verscheiden schepen mot thco voor Amerika en verbond zich, om de belasting, terstond bij de lossing, ton behoeve van het rijk te heffen. Do Amerikanen evenwol,

18*

-ocr page 306-

27 (i

de compagnie thans als een werktuig tor onderdrukking verfoeiende, sloten do meeste hunner havens voor die vaartuigen. Maar te Boston (in Massachusetts) bestegen eenigo gewapende en als Indianen verkleede lieden den 18den Dec. do vaartuigen en wierpen de geheele lading, groot 342 kisten, over boord, 't Sluiten van de haven van Boston was do straf.

Het vuur was ontstoken: de afgevaardigden der Amerikaanscho provinciën kwamen don 4den Sopt. 1774 te Philadelphia bijeen, on H congres werd geopend. Do eerste schrede dezer vergadering was de volledige staking van alle handelsverkeer met Engeland. Spoedig volgde de toerusting tot den oorlog. Thans werd ook in Engeland, met goedkeuring van 't parlement, tot den krijg tegen de Noord-Amerikanen besloten, niettegenstaande de krachtige waarschuwingen en de degelijke gronden van den beroemden Burke en don ouden Pitt, nu lord Chatham.

Tevergeefs hadden deze mannon gewezen op do moeiolijkheden en op de kosten van een oorlog, in zoo verre streken te voeren; op de onmogelijkheid om het dool, de duurzame onderwerping der koloniën, te bereiken; op do nadeelon, die de handel stond te lijdon; op het vreoselijke van een oorlog, die terecht eou burgeroorlog zou worden genoemd. Engeland voerde den oorlog, 1775—1783, voor een groot deel met vreemde troepen, inzonderheid met Hannoveranen, met Brunswijkers en met Hessen,

welke het van do vorston dezer landen, dus ook van George III, kocht,

die het recht meenden te hebben, op die wijze over de inwoners van het land, dat zij regeerden, als over vee te beschikken. Den 4den Juli 1770 verklaarden zich de dertien stalen onafhankelijk

Te dier tijde bezat Amerika twee grooto en edele mannen, «kokoe washing ton en üenjamin fuanklin. AVashington was eerst afgevaardigde bij hot congres en werd thans tot opperbevelhebber van 't Amerikaanscho leger benoemd. Hij aanvaardde dien post en kwam mot beradenheid do velerlei bezwaren te boven, ontspruitende uit het wantrouwen zijner medeburgers , uit gebrek aan eenheid, aan krijgstucht, aan geld en aan wapens,

uit de veelvuldige ontbinding der legerbenden en uit de aanwerving van nieuwe troepen, gelijk uit andere oorzaken. Franklin, tot boekdrukker opgeleid en jaren lang als drukker en schrijver werkzaam, bekleedde later allengs de aanzienlijkste ambten. Hij, de nijvere burger, do oorspronkelijke donker en staatsman, werd alom bekend door 't uitvinden van den bliksemafleider en vuurde met mond en pen zijn landgonooten v

aan, om hun zelfstandigheid te handhaven. In don beginne streden de Amerikanen meestal ongelukkig. Washington echter wakkerde den verflauwden moed weder aan door oenige voorspoedig geslaagde ondernemingen, daarbij van Amerika's grondgesteldheid uitmuntend partij wetende te trokken. Nadat de Fransche natie door de hulp van la Fayette, die tegen den zin van 't hof in stilte naar de kampplaats vertrok, en van andoren aireede grooto belangstelling in de zaak zijner landgonooten had betoond, bewerkte Franklin, als afgevaardigde van 't congres te Parijs, in 1778 een verbond tusschen dat congres en de regeering van Frankrijk, d. i.

L.

-ocr page 307-

Lodewijk XVI (zio blz. 203). Fransche troepen, onder Rochambean, kwamen hierop aan, doch brachten, hoe gewichtig ook dit verbond voordo Noord-Amerikanen was, geen verandering in den gang van den oorlog, die zeer slepend werd gevoerd. Wel trokken de legers onophoudelijk heen en weer; wel deden zij lange en moeielijke marschen, waarbij menige schermutseling plaats had; doch het kwam tot geen beslissenden slag. Eindelijk beslechtte Washington, mot Rochambean vereenigd, den oorlog te land door den 10den Oct. 1781 hot Engelsche leger onder Cornwallis bij York town (in Virginiö, aan zee) in te sluiten. Nadat dit zich had overgegeven, werd de tegenstand in 'tparlement te Londen zoo sterk, dat men van geen voortzetting der vijandelijkheden meer wilde hooren.

Door het deel, dat Frankrijk aan Amerika's afval nam, strekte zich do oorlog over Oost- on over West-Indiö uit, gelijk tor zee over Europa. Do gewichtigste zeeslag, in dit werelddeel tusschen de Engelschon en do Franschen geleverd, was die bij Onossant (een eiland ton w. van Brest) in 1778, welke onbeslist bleef. Een luisterrijker verschiet opende zich voor Frankrijk, toon Karei III van Spanje, overeenkomstig hot Bourbonsche familie-verdrag (zio blz. 271), in 1779 insgelijks aan Groorge III don oorlog verklaarde. Hiertoe ging hij evenwel niet over, omdat hij den afval der Amerikanen billijkte, maar alleen ton einde hot gehate Engeland te helpen vernederen. Don lOdon Jan. 1780 werd den Spaanschen admiraal Langara door Rodney bij Kaap St. Vincent (de zuidwestelijke spits van Portugal) een geduchte nederlaag toegebracht, welke de Spaansche zeemacht nog lang daarna gevoelde.

In 't zelfde jaar groeide het getal van Engolands vijanden al weer aan; doch die vermeerdering strekte Engeland zeer tot voordeel. Door toedoen toch van Katharïna van Rusland sloten do Noordsche mogendheden, Rusland, Zweden en Denemarken, onder den naam hel stelsel eener gewapende onzijdigheid, onderling oon verdrag, ten einde het vrije verkeer tor zee te handhaven. Te dien einde gaven zij een verklaring in 't licht, waarin zij hoofdzakelijk vaststelden, dat onzijdige schepen aan de kusten der oorlogvoerende mogendheden vrije vaart hadden van haven tot haven; dat de waren, geladen in schepen, onder onzijdige vlag varende, onzijdig waren, behalve wapens en krijgsbehoeften, die als contrabande zouden worden aangemerkt; dat een haven slechts dan als geblokkeerd zoude worden beschouwd, wanneer zij zóó was ingesloten, dat men er zonder gevaar niet kon binnenloopen. Nauwelijks had Engeland vernomen, dat ook de Nederlanden, die reeds vroeger een levendigen handel mot Amerika dreven, zich bij dit verdrag hadden aangesloten, of hot verklaarde hun, zich op verstandhouding van Amsterdam met Noord-Amerika beroepende, den krijg. Dat St. Eustatïus, een Nederlandsche bezitting (zie blz. 221), vooral de stapelplaats was voor den toevoor aan het opgestane Amerika had mede niet weinig tot hot nomen van dit besluit toegebracht. Verscheidene koloniën der Bepnbliek, als het rijke

-ocr page 308-

St. Eustatius en Negapatnam (in Voor-Indiö, ten van Madras), werden door do Engelschen genomen; andere, als Berbice, Demerary on Esso-(juïbo (zie biz. 221), stelden zich vrijwillig onder hun hoede. Echter verhoogde de zeeslag bij Doggersbank (in de Noordzee, ten o. van Engeland) op den 5den Aug. 1781 tusschen Parker en Zoutman, ofschoon onbeslist blijvende, hier te lande het nationaal gevoel. In een poging om Gibraltar, dat even moeielijk van de land- als van de zeezijde was te nemen, op de Engolschen te veroveren slaagden de Franschen en de Spanjaarden geenszins.

Hiermede liepen de krijgsgebeurtenissen ten einde. Ik vrede van Versailles (ten z.w. van Parijs) volgde den 20sten Jan. 1783, en Groot-Britanniö erkende de onafhankelijkheid dor dertien Verccnigde Staten van Noord-Amerika. Deze dertien, allo aan de Oostkust gelegen, zijn van 't n. naar 't z.: New-Hampshire, Massachusetts, Rhode-Island, Connecticut, New-York, New-Jersey, Ponnsylvaniö, Delaware, Maryland, Virginiö, Noord-Karolina, Zuid-Karolina en Georgië. Van toen af tot heden is hot getal staten tot 42 aangegroeid, waarbij nog 1 district (d. i. één stad met haar gebied) komt en 10 landstreken, nog geen 00,000 inwoners tellende, een getal, dat wordt vereischt om lid van de unie te kunnen zijn. Dan stond Engeland aan Spanje Florida af. De Nederlanden moesten in 1784 aan Engeland Negapatnam inruimen, waarvoor zij de de overige verloren gegane bezittingen terug erlangden.

Do stichter der onafhankelijkheid van de dertien Vereenigde Staten van Noord-Amerika werd ook haar bevestiger. Nadat hij op zijn landgoed Mount Ver non (in Virginiö) een korte rust had genoten, riep men hem tot het bekleeden der hoogste waardigheid. Want in 1788 stelde men don regeeringsvorm voor de dertien staten op deze wijze vast: het hoogste bewind is in handen van het congres, dat de wetgevende macht heeft en uit twee kamers, den senaat en die der volksvertegenwoordigers, bestaat, alsmede van den president, die opperbevelhebber is van de landen de zeemacht en voor vier jaren wordt gekozen. De leden van den senaat worden voor zes, die van de kamer der volksvertegenwoordigers voor twee jaren, de laatsten door het goheele volk, gekozen. De president benoemt en ontslaat zijn ministers naar welgevallen. Hijzelf, niet zij zijn verantwoordelijk.

Elke staat bestuurt zijn eigen aangelegenheden, zoodat zij, evenals de Vereenigde Nederlanden, ondor elkander een verbond, de unie, vormen; doch hetgeen in de Nederlanden ontbrak werd hier gevonden, d. i. dat de rechten van de unie en van de bijzondere staten juist waren omschreven. Hior berustte niet, als in de Nederlanden, de souvereiniteit bij eiken staat in 't bijzonder, maar bij den president en het congres. Tegenover het buitenland vormen de Vereenigde Staten inderdaad slechts één staat. De eerste president was washixtox , die deze waardigheid van 1789 tot 1797 bekleedde. Slechts kort mocht hij vervolgens de rust.

-ocr page 309-

279

naar welke hij zoozeer had gehaakt, genieten, want hij overleed den 14den Deo. 1799.

Terwijl Engeland in Amerika het schoonste gedeelte zijner koloniën verloor, verwierf liet daarentegen in Oost-Indiö rijke bezittingen. Meer en meer verzwakte het hier gevestigde rijk van den yroot-mogol (zie blz. 166). Ook de door Engeland, door do Nederlanden en onder Colbert door Frankrijk (zie blz. 238) gestichte Oost-Indische compagniön droegen het hare bij tot het doen inkrimpen van 't gebied dor inlandsche vorsten. Frankrijk echter werd in den zeeoorlog van 1756 door Engeland voor goed uit Oost-Indië verdreven. Op de puinhoopen der Fransche heerschappij verrees een heerlijk gebouw, door Engeland gesticht. Tegen 't einde der achttiende eeuw werd de macht van Engeland op 't geheele vasteland van Voor-Indiö, met uitzondering van een klein gedeelte, door niemand meer betwist.

§ 108.

Rusland onder Peter III, den eersten keizer uil het huis Holstein- Oottorp of Holstein-liomanniv, en onder zijn (jemalin Kalhartna 11. — Stanislaus Poniatowski wordt koning van Polen. — De Russisch- Turksche oorlog van 1769. — De eerste deeling van Polen. — De hervormingen ran Katharïna in Rusland. — Zweden onder de eerste koningen uit het huis Holstein-Gotlorp. —- Denemarken onder Ghristiaan VII, koning uit hel hu is Slees wijk-Holstein,

en onder den minister Struensee. — Van /7.0/ tot 1808.

Zooals wij boven (blz. 270) zagen, beklom teïek ui in 1762 op een voor Frederik 11 zeer gelegen tijdstip don troon van Rusland. Met hem kwam, na het huis Romanow, het huis Holstein-Gotlorp of, omdat de moeder van Peter III eon dochter was van Poter den grooto. Holstein-Ilornanow aan 't bewind. Aanstonds begon Peter vele verbeteringen in te voeren, maar met groote overijling, waardoor hij een geest van ontevredenheid verwekte, zoowel onder de troepen, als bij het volk en bij do geestelijkheid. Do geestelijken verbitterde hij vooral door in 't geheele rijk allo gronden, aan kloosters behoorende, aan de kroon te trekken. Tevens geraakte hij door zijn bijzonder leven, hoofdzakelijk door do dronkenschap, waaraan hij zich dikwijls overgaf, bij velen in minachting. De slechte verstandhouding, waarin Peter met zijn gemalin Katharïna stond, deed haar het plan ontwerpen, den keizer van den troon te stooten. Hiertoe smeedde zij een samenzwering met de gebroeders Orlow en met eenige anderen. Weldra verscheen een manifest, waarin katha-kïna ii (Juli 1762—1796) bekend maakte, dat zij, aan don wensch haver onderdanen gehoor gevende, den troon besteeg, ten einde het

-ocr page 310-

«4

2Ü0

vaderland van don ondergang te redden. In plaats van eenige poging te wagen ter redding zijner kroon deed Peter afstand van de regeering en gaf zicli gevangen. Kort daarna werd hij, of door Alexius Orlow, öf althans door toedoen van Orlow, wreedaardig vermoord in een landhuis te Roptseha (nabij do sterkte Schliisselbnrg, aan het Ladögameer), waar hij in hechtenis werd gehouden, dewijl het volk blijken van gehechtheid aan den keizer begon te geven.

Gelijk Peter I Rusland in de rij dor Europeesche staten had geplaatst,

verhief Katharïna hot tot een der hoofdmogendheden van Europa. Het gelukte haar, hare heerschappij duurzaam te vestigen, niettegenstaande de rechtmatige aanspraken van twee personen, Iwan en Paul. Deze Iwan was de boven genoemde (zio blz. 257) Iwan II, ilie tot 17G4 in de gevangenis smachtte en toon bij een poging om hom te bevrijden den dood vond. Paul was Katharïna's eenigo zoon uit haar huwelijk met Poter III;

hij volgde haar eerst na haar dood op. Begeorig om het onrecht haror troonbeklimming door schitterende daden te doen vergeten, vond Katha-rïna hiertoe een geschikte gelegenheid in Polen, naar welks bezit Rusland, sedert liet onder de staten van Europa meer op den voorgrond •was gekomen, onafgebroken streefde, ten einde op die wijze de beschaafde wereld nader te komen en een ruimer veld te openen voor zijn talenten,

zijn belangen en zijn macht. Toen Frèderik Augustus II (zie blz. 264)

en zijn zoon en opvolger in liet keurvorstendom beide in 1763 waren overleden, terwijl de laatste niets dan een minderjarigen zoon naliet,

oordeelde Katharïna, dat haar thans liet veld openstond. Ondersteund door Frederik II, dwong zij door middel van een groot aantal troepen, den Poolschen rijksdag, stanisi,atjs pojhatowski, een harer vroegere gunstelingen, als koning (1764—1795) te kiezen. Sedert dit tijdstip was eigenlijk de Russische gezant te Warschau koning.

Vele Polen, over zulk oen smaad vergramd, sloten in 1768 onderling oen verbintenis (confederatie) en vatteden de wapens op tegen de Russische legers, die in Polen stonden. Turkije verleende hun krachtigen bijstand en verklaarde Rusland den oorlog, 1769—1774, welke zoer rampspoedig voor de Porte afliep. Pinnen twee jaren hadden de Russen Moldavië en Wallachije veroverd. In Juli 177U geraakten de Russische en de Turksche vloot bij Scio (het oude Chios, in den Archipel, ton w. van Smyrna) slaags; doch de nacht scheidde de vechtenden. Toon gingen do Turken in de enge haai van Tsehesme (ten o. van Scio) voor anker liggen. Van dozen uitslag trok de Russische admiraal El phi n-ston, oen Engelschman, terstond partij door hen in do baai in to sluiten, en gedurende den nacht gelukte het den Engelschman Dugdale, mot behulp van oen brander, de gansche Turksche vloot in brand te stoken,

hetgeen een vroeselijk schouwspel opleverde.

Do groote vorderingen van Rusland verontrustten alle mogendheden, inzonderheid Oostenrijk en Pruisen. Het was duidelijk, dat Katharïna zich had voorgenomen, Moldavië on AVallachijo aan haar rijk toe te

-ocr page 311-

281

voegen. Ten einde nu zoowel zijn eigen gebied te vergrooten, als om op oen goeden voet Ie geraken met liet machtige Rusland, rees de gedachte aan een verdoeling van Polen in 't brein van Frederik II op. Zijn broeder, Hendrik, verschafte gedurende een verblijf te Petersburg in de jaren 1770 en 1771 aan 's konings plannen ingang bij het Russische hof. Toen de zaak bij Katharïna en bij Frederik zoo goed als vaststond, werd ook Oostenrijk het uitzicht op een aandeel aan den buit geopend. Jozef II, sinds den dood van Frans I in 1765 (zie blz. 370) keizer, zag in don aanslag op Polen een geschikt middel om Ruslands uitbreiding ten koste van Turkije vooreerst tegen te gaan. Marïa Theresïa gaf, hoewol tegen haren zin, haar toestemming tot hetgeen men beraamde. Zóó werd men hot, na veel wikken en wogen, geheel eens en had in 1772 de eerste deeling van Polen plaats. Met verkropten spijt stemde de (iero rijksdag van Polen, op het gezicht van groote logerafdeelingen dor mogendheden, door de deeling bevoordeeld, in de vastgestelde bepalingen toe. In 1774 sloten de Russen vrede met Turkije. Hun werd vrije scheepvaart op do Turksche wateren toegestaan. Daarenboven moest de Porto in de door Rusland geeischte onafhankelijkheid dor Tartaren van do Krim toestemmen.

Niet alleen schitterde Katharïna II als zegevierende beheerscheres van haar rijk. Ook als hervormster harer staten heeft zij oen zekeren naam, hoewel zij van 't vele, waarmede zij begon, slechts weinig ten einde bracht en, wellicht meer eigen roem dan 't nut harer onderdanen op 't oog hebbende, niet dan geringe uitkomsten van haar streven mocht zien. De gouvernementen verkleinde zij in omvang, zoodat elk ongeveer 400,000 inwoners bevatte, en verdeelde zo weder, ieder in tien kreilsen van 40,000 menschon. Aan den werkkring der stedehouders werden het rechts-gezag en het innen der inkomsten onttrokken. Ten einde do grondslagen tot een burgerstand te leggen vermeerderde Katharïna het getal steden en schonk haar meer vrijheden. Ook voor beschaving en geleerdheid was zij ijverig werkzaam. In 't kerkelijke betoonde de keizerin oen groote verdraagzaamheid. Ofschoon zelve de (Meksche kerk toegedaan, stolde zij haar land voor do alom verjaagde Jezuïten open en liet voor hare Mohammedaansche onderdanen don koran drukken. Tevens bevorderde zij handel en scheepvaart, -o. a. door allo nog bestaande monopoliën (zie blz. 227) op te heffen.

In Zweden volgde in 1751 op het huis Hessen-Kassei het huis lloi-stein-Oottorp. Do eerste koning uit dit geslacht was adolf fkedeiuic. Zoowol onder zijn regeering als onder die van zijn voorganger nam do koninklijke waardigheid zoozeer in beteokenis af, dat allo macht aan den rijksraad kwam. Deze rijksraad, alsmede do rijksdag en de adel, was in twee groote partijen verdeeld, waarvan de eene, die der hoeden of die van Qyllenborg, door Frankrijk, de andore, die der mutsen of die van Hom, door Rusland bezoldigd en boheorscht word. Daar Adolf Frederiks zoon en opvolger, uustaaf iu (1771—1792), sinds Karei Xll

-ocr page 312-

282

de eerste in Zweden geboren koning was en alzoo de Zweedsche taal sprak, slaagde hij uitnemend in zijn doel, de volksgunst te winnen. Hierop steunende en verzekerd van den bijstand van 't krijgsvolk, beroofde hij in 1772, door een wèl overlegde omwenteling, zonder geweld, den rijksraad van de macht, die hij zich had aangematigd. Vervolgens riep hij de rijksstenden bijeen en legde hun een nieuwe staatsregeling voor, die zij goedkeurden. Krachtens deze regeling stond de koning aan 't hoofd der geheele krijgsmacht en beschikte over de gelden van den staat en over de ambten. Alleen tot hot voeren van aanvallende oorlogen had hij de inwilliging der stenden noodig. De rijksraad had slechts raad te geven, wanneer de koning dien vroeg, zonder dat hij dien behoefde te volgen.

Een der opvolgers van Frederik IV in Denemarken was christiaan vu (17G6—1808), die een huwelijk aanging met Karoline Mathilde, een zuster van George III. Het duurde niet lang, of bij Christiaan openbaarde zich een in 't oog vallende zwakheid van geest, zoodat hij geheel afhankelijk werd van hen, die hem 't naast omringden. Onder hen muntte Struensee, voorheen geneesheer te Altona (in Holstein, in de onmiddellijke nabij-licid van Hamburg gelegen), toen lijfarts en voorlezer des konings, door groote begaafdheden uit. Spoedig won hij in hooge mate het vertrouwen der koningin, en binnen kort steeg hij tot de hoogste waardigheid in 't rijk, want in 1771 werd hij kabinetsminister en verkreeg den grafelijken titel. Nu bracht hij een geheel stelsel van hervormingen tot stand, waai'-door vele misbruiken afgeschaft, maar ook vele nieuwigheden onbedachtzaam ingevoerd werden. Die hervormingen betroffen den ganschen staat en al zijn inrichtingen, het rechtswezen, de hoogescholen, de voorrechten van den adel, enz. Do kas des konings werd gescheiden van die van het rijk, het gebruik der Duitsche taal in de staatsstukken voorgeschreven, de druk der lijfeigenschap verzacht.

Het een zoowel als het ander verwekte groote ontevredenheid onder alle standen. Bij verschillende uitbarstingen van de volkswoede betoonde de minister gebrek aan vastberadenheid en aan moed. Intusschen geleek Struensee in geenen deele op Jozef (zie blz. 283, 284) of dergelijke hervormers, persoonlijk doordrongen van het heilzame der beginselen, welke zij wilden toepassen op een maatschappij, die er nog niet rijp voor was. Voor Struensee waren de hervormingen geen doel, slechts een middel om zichzelf staande te honden. Hij zocht hoofdzakelijk eigen belang en eigen genoegen. De groote haat, schier door elk tegen hom gekoesterd, verwekte in 1772 een breed vertakte samenzwering, aan 't hoofd waarvan Juliana Maria, 's konings stiefmoeder, stond. De saamgezworenen wisten van den koning in een oogenblik, waarin hij door zijn gewonen bewaker, Brandt, alleen was gelaten, de onderteekening te verkrijgen van eenige stukken, waarin do inhechtenisneming van Struensee en van eenige dei-zijnen werd gelast. Hierop werden Karoline Mathilde, Struensee, Brandt en 's ministers aanhangers gevangen genomen en het huwelijk tusschen

-ocr page 313-

283

Christiaan en de koningin ontbonden. Stmensee werd op een menigte beschuldigingen, ton deele althans onbewezen, als van verboden omgang met do koningin, van verduistering van 's lands gelden, van aanmatiging van 't koninklijk gezag, enz., ter dood gebracht en Karolino Mathilda naar Celle (aan de Aller en do Fuse, in Hannover), verbannen. Zóó had Juliane Maria haar doel bereikt: zij on haar zoon Frederik, de half- of stiefbroeder van Christiaan VII, geraakten in 't volledig bezit van alle macht. Maar in 1784 moesten zij, hoe ongaarne ook, ze afstaan aan don kroonprins, Frederik, den zoon van Christiaan VU, die toen, meerderjarig geworden, als rogont voor zijn krankon vader optrad.

§ 109.

Jozef II, koning van Duitschland uit hel huis Lotharingen of Habsburg-Lotharingm, en zijn hervormingen, van 1780 tot 1790. — Frederik H van Pruisen, uit het huis llohenxollern, wovdl opgevolgd door Frederik Willem II, deze koning door Frederik Willem III, van 1786 lot 1840. — De Russisch-Turksche oorlog, geëindigd met den vrede van Jassy, van 1787 tot 1792. — De Russisch-Zweedsche oorlog, van 1788 tot 1790. — De dood van Oustaaf UI van Zweden, uit het huis Ilolstein- Goltorp, en zijn opvolger Guslaaf IV Adolf, van 1792 tst 1809. — De tweede en de derde deeling van Polen in 1793 en in 1795. — Paul I in Rusland, uit het huis Ilolstein-Romanow, van 1796 tot 1801. —

Ofschoon jozef n (1765—-1790) sinds don dood van zijn vader (zie blz. 270, 281) keizer on in do Oostenrijksche erflanden mederegent van Maria Theresïa was geworden, bleef hij, evenals zijn vader dit was geweest, in zekere mate afhankelijk van zijn moeder. Slechts ten aanzien van het krijgswezen werd hem de hand vrijgelaten, weshalve hij in dien tak van bestuur toen een begin maakte met hot invoeren van dergelijke hervormingen in de Oostenrijksche staten, als hij later ook op de overige takken trachtte toe te passen. In 1780 overleed Maria Theresïa, een der grootste vorstinnen, die ooit een uitgestrekt rijk hebben be-heerscht. Vermits de rechte linie van het huis Wittelsbach in 1777 was uitgestorven, deed Jozef bij herhaling pogingen om Beieren aan zicli te trekken. Doch tegen dit streven verzette zich inzonderheid Frederik II door in 1785 met Saksen on met Hannover het Duitsche vorstenverbond op te richten. In 't volgende jaar stierf Frederik II. Zijn opvolger was de zoon zijns broeders Augustus Willem, frederik willem ii (1786—1797).

Jozef II, die dus in 1780 alleenheerscher werd en met wion het huis Lotharingen (zie blz. 264) of Habsburg-Lotharingen de regoering over de Oostenrijksche landen in handen kroog, zijn plannen tor verdere uit-

-ocr page 314-

2S4

breiding van zijn gebied op die wijze zien mislukken, legde zich met verdubbelden ijver toe op de verbetering van de binnonlandsche aange-legenheden zijner staten. Hij vatte het grootsche, maar onuitvoerbare voornemen op, het geheele rijk binnen eenige jaren van do bandon der kerk en der gewoonte los te maken en zijn zeer verschillende deelen tot eenheid tc brengen, tot eenheid in taal, in zoden, in bestuur. Hij alleen moest de onbeperkte beschikking hebben over do krachten zijner rijken. Hij was een ijverig, rijk begaafd en wijsgeerig vorst, doch wilde alles, wat hij ontwierp, ook terstond verwezenlijkt zien. Groot was zijn onbaatzuchtigheid. Bij vele zijner hervormingen stelde hij zich Froderik 11 ton voorbeeld, wien hij echter niet in gematigdheid evenaarde.

Jozef II begon mot do kerk: hij vaardigde in 1781 hel loleranlie-edict (besluit van verdraagzaamheid) uit, dat aan elke sekte vrijheid van godsdienstoefening on gelijkheid in 't burgerlijke toekende. Honderden kloosters hief hij op en stichtte scholen en weldadige instellingen. Do lijfeigenschap word afgeschaft on den Joden eenige voorrechten gegund. De omkooping der rechters, die zeer in zwang was, ging hij krachtig tegen en voorde een aanmerkelijke vereenvoudiging in den gang dor rechtspleging in. Ton bate van den handel, niet minder een voorwerp zijner zorgen, wenschte hij de Schelde ton behoeve der Oostenrijksche Nederlanden te openen. Toen de Eepubliek der Nederlanden zich hiertegen verzotte, beproefden een paar Oostenrijksche schepen, zonder tol te betalen, de Schelde af te varen. Hoewel deze poging mislukte, word Jozef slechts door bemiddeling van Frankrijk er toe gebracht, van zijn eisch af te zien, zoo de Republiek, weerloos gelijk zij was, 't behoud van haar rööht met f 9,500,000 betaalde.

Den minsten bijval vonden 's keizers maatregelen in de Zuidelijke Nederlanden. Hier ving hij eon geheele herschepping aan in allo takken van 't beheer en hief alle oude voorrechten, o. a. die der hoogeschool van Leuven, op. Dit deed in 1788 een gevaarlijk oproer in deze gewesten uitbreken, die op het punt stonden, zich van do kroon van Oostenrijk af te scheuren. Deze spanning bestond nog bij den dood van Jozef, wiens grafschrift, door hemzelf opgesteld, luidde: „Hier ligt Jozef II, wien niets' gelukte van alles, wat hij ondernam.quot; Eerst zijn opvolger (zie blz. 285) stilde den opstand door toe te geven.

Nogmaals verklaarde do Porto, de vele smadelijke verliezen, vroeger geleden, betreurende, aan Rusland, dat door Jozef II als bondgenoot werd bijgestaan, dm oorlog, 1787—1792. Aan 't hoofd der Russische troepen stond (Iregorius l'otemkin, wegens zijn buitengewoon geluk merkwaardig, van gewoon ruiter tot oppermachtig minister en gebieder zijner keizerin opgeklommen en met don bijnaam de Tauriër vereerd, dewijl hij het opperbestuur bekwam over de in 1783 door Turkije afgestane Krim of Tauriö. Onderscheidene malen werden de Turken geslagen, zoodat Katharïna en Potemkin, fier op zooveel geluk, veruitziende plannen koesterden, wellicht op de vernietiging van geheel Turkije doelende. Maar liet jaar 1790 bracht ccn omkeering in den loop dei' zaken. 1'ruisen cn Engeland helden

-ocr page 315-

2H5

blijkbaar tot Turkije over, on Jozefs broeder eli opvolger, ltóopold it (1790—1792), onttrok zich aan don krijg. Daarom gaf Katharïna gehoor aan liet aanzoek dezer mogendheden door in 1792 den vrede van Jassy (in Moldavië, nabij de Pruth) te sluiten, die Rusland met het gebied van Oczakow (aan de Zwarte Zee, ton w. van den mond der Dnieper) tot do Dniester vergrootte.

Wat Katharïna mede geen vrije hand togen Turkije had gelaten was een oorlog, dien de krijgszuchtige Gustaaf 111 van Zweden (zie blz. 281, 282) tegelijkertijd tegen haar voerde, in do hoop, dat gedeelte van zijn rijk te herwinnen, hetwelk in 1721 (zie blz. 2GÜ) was verloren gegaan. Ten einde dit doel te bereiken had hij tovens kort tevoren mot Turkije een aanvallend verbond tegen Rusland gesloten, terwijl zijn zucht naar roem hein voorspiegelde, dat zijn naam, als redder der Porte, dan mede in 't Oosten zou worden genoemd. Het belangrijkste feit uit dezen oorlog is do onbesliste zeeslag bij Hoogland (een eiland, in 't midden van de Finsche golf, ten z.w. van Frederikshamm) in Juli 1788, waar Gustaafs brooder. Karei, hertog van Südermannland (in 'to. van Zweden, ten z. van Upland), de Zweedscho vloot aanvoerde. Do vrede, in 1790 gesloten, liet Zweden en Rusland in 't bezit van hetgeen elk dezer mogendheden vóór den oorlog bezat.

In een ander opzicht bracht deze krijg voor Gustaaf wrange vruchten voort, doordien niet alleen de adel, wien hij vele zijner rechten had ontnomen, maar ook de overige standen thans bitteren wrok voedden tegen don koning, die het land met schulden had overladen. Deswege smeedden vele aanzienlijken, geleid door de graven Ribbing en Hom, een samenzwering tegen hot leven van Gustaaf, die in Maart 1792 stierf aan de gevolgen van een schot, hem op een gemaskerd bal toegebracht door Jakob van Ankarström, die insgelijks van adel was en vroeger als officier had gediend bij do lijfwacht. Hot voornomen der samengezworenon om de staatsregeling omver to -werpen mislukte, en Ankarström word ter dood gebracht. Gustaafs opvolger was zijn zoon, oust aak iv adolk (1792— 1809), onder voogdij van zijn oom, Karei van Südermannland, die, naar men wil, medeplichtig was geweest aan don aanslag.

Bij de eerste deeling van 1'olon (/.ie blz. 281) had Katharïna zich do heerschappij over dit koninkrijk uitsluitend voorbehouden. Haar gezanten oefenden alzoo voortdurend do eigenlijke macht, haar legers verbitterden steeds hot volk. Intusschen zat de partij der vrijheidlievende Polen niet stil. Doch do legers dier partij, grootendeels aangevoerd door t had uk us kosciuszko, een dor edelste 1'olon, die vroeger onder Washington had gediend, waren op verre na niet bestand togen de Russen en do met hem verbondon Pruisen. Vandaar, dat in 1793 een besluit van Rusland en van Pruisen volgde, waarbij een tweede deeling van Puien noodzakelijk werd verklaard, zoodat de beide genoemde staten elk wederom een deel van. Polen in bezit namen. Nog eenmaal verhieven zich do kampvechters voor de onafhankelijkheid van hun land met de kracht der

-ocr page 316-

28Ö

wanhoop uit het stof der verdrukking. In de lente tan 1794 stak men de vaan der onafhankelijkheid op, en een kleine zege van Kosciuszko ontvlamde aller gemoederen zoozeer, dat men de Russische troepen uit Warschau, hetwelk zij bezet hielden, kon verjagen. Doch dit blijde begin wisselde spoedig af met een treurig einde. Pruisen, Rusland en Oostenrijk zonden talrijke troepen. Kosciuszko werd den lOden October 1794 dooiden Rus Fersen bij Maciejowice (ten z.o. van Warschau, aan de Weichsel) geslagen en gevangen genomen. Vervolgens werd hot geheele land onderworpen, en Stanislaus kreeg in 1795 van zijn beschermster bevel de kroon neer te loggen. Van nu aan bestond er geen Polen meer: de drie mogendheden gingen in 't zelfde jaar tot de, derde deding over.

Kort hierna stierven de twee voornaamste bewerkers van Polens ondergang. Katharlna II, uitstekend door heerscherstalenten, doch in haar bijzonder leven berispelijk, overleed den 17don Nov. 179G, en haar zoon paul i (179G— 1801) volgde haar op (zie blz. 280). Weldra, in 17971 vaardigde de nieuwe keizer een wet uit, waarbij de kroon, naar 't recht van eerstgeboorte, erfelijk werd verklaard in de mannelijke, en, na 't uitsterven hiervan, ook in de vrouwelijke lijn. In Pruisen bezweek Frederik Willem II (zie blz. 283) in 1797 en had zijn zoon, frederik wil-le.u m (1797—1840), tot opvolger.

§ no.

De, Nederlanden sedert den dood van Willem III tot de komst der Pruisen. — Willem IV, dc gouvernante en Willem V. — Van 1702 tot 1787.

Na den dood van Willem. III (zie blz. 245 en 250) begon in de Nederlanden voor de moeste provinciën het tweede stadhouderlooxe tijdperk. In Friesland en in Groningen had men echter sinds 169G (zie blz. 253) Johan Willem Friso als stadhouder, die in 1711 aan den Moerdijk (tuaschen Willemstad en Geertruidenberg) verdronk. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Willem Karei Hendrik Friso, eerst in Friesland alleen, in 1718 ook in Groningen, in 1722 in Gelderland en in Drente. Sedert den dood van den raadpensionaris Heinsius (zie blz. 245), in 1720, was het hoofdstreven der Republiek, zich veilig wanende achter haar barrière, zooveel mogelijk het deel nemen aan oorlogen en alle botsing te vermijden. Uit zucht naar rust spruit werkeloosheid, werkeloosheid baart minachting. Welhaast onderhandelden de Europeesche mogendheden, geheel anders dan vroeger, zonder Nederland, ja zelfs niet zelden tegen de belangen der Zeven gewesten. Toen ons land in den Oostenrijkschen erfopvolgingsoorlog Maria Theresia's partij koos, deed Lodewijk XV in 1745 een inval op 't grondgebied der Republiek en veroverden de Franschen in 1747 Ber-gen-op-Zoom (in Noord-Brabant). Intusschen had dit nijpend gevaar do

-ocr page 317-

(2H1

stadhouderlijke partij ten prikkel verstrekt, om Willem Karei Hendrik Friso, van nu aan gewoonlijk willem iv (1747—1751) geheeten, nog tot stadhouder van Holland, van Zeeland, van Utrecht en van Overijsel, en mede tot kapitein-generaal-admiraal der nnie te doen verheffen. Hij was geen nakomeling van Willem III, maar toch zijn erfgenaam, vermits dezo vorst zijn reehten aan den vader van Willem IV had gemaakt. Binnen kort verklaarden de meeste gewesten, benevens de Staten-Greneraal, de waardigheden, waarmede de nieuwe stadhouder was bekleed, erfelijk in zijn nakomelingschap, ook in de vrouwelijke linie. Dit gebeurde tevens met het oppe/rdireoteiir-goiivernmrsoliap van O. en W. Indië, den prins door de beide eompagniën opgedragen.

Willems bedieningen gingen over op zijn nog jongen zoon, willem v, voor wien de weduwe van Willem IV, anna, een dochter van George II, als gouvernante het regentschap bekleedde. In deze moeielijke taak werd zij bijgestaan door hertog Lode wijk van Bru ns wijk-Wolf en-buttel, die den prins als kapitein-generaal vertegenwoordigde. Onder haar bestuur en onder dat van Wolfenbuttel, die sedert Anna's dood, in 1759, alleen de voogdij waarnam, werd de sinds lang bestaande klove tusschen de staatsgezinden, welke zich thans bovendien als Franseli-gezinde partij deden gelden, en de andere, nu Engelschgezinde, partij steeds wijder.

In 176G aanvaardde Willem V (17G6—1795, overleden 1806) de waardigheden van zijn vader. Weldra sloot hij een huwelijk met Frede-rika Sophia Wilhelmina, een dochter van prins August Willem, oen broeder van Frederik II, koning van Pruisen. Uit dat huwelijk sproten drie kinderen; Frederika Louise Wilhelmina, later getrouwd met Karei George August, erfprins van Brunswijk, en twee zonen, Willem Frederik, geboren in 1772, en Willem George Frederik, geboren in 1774. Sinds den oorlog, voor de onafhankelijkheid der Vereenigde Staten van Noord-Amerika gevoerd (zie blz. 274 vlg.), hernieuwde zich onder onze voorvaderen de oude verdeeldheid onder nieuwe namen. De oorlog met Engeland was van onze zijde roemloos gevoerd: de slag bij Doggersbank was genoegzaam het eenige schitterende feit geweest. Honderden koopvaarders waren den vijand in handen gevallen. Don stadhouder, als kapitein-generaal-admiraal, beschouwde men als de oorzaak van de werkeloosheid onzer zeemacht. En meer en meer herleefden de oude partijschappen, die van de staatsgezinden of de Loevesteinsche factie, nu patriotten, of met verachting keexen, en die van de voorstanders van den stadhouder, thans gewoonlijk prins lui, of in platte taal Oranjeklanten, Oranjekraaiers genoemd.

De Franschgezinden wendden zich, na den vrede, tegen den hertog van Brunswijk, die zich bij de akte van consulentschap had verbonden tot het geven van raad aan den stadhouder, zonder zelf daarvoor verantwoordelijk te zijn. Hij nam in 1784 zijn ontslag uit al zijn ambten en vertrok weder naar Duitschland. De onaangename bejegening, die Willem V

-ocr page 318-

28S

Voortdurend van don kant der staten van Holland ondervond, noopte hem, zich voorloopig naar Gelderland te begeven. Voorboden van een burgeroorlog- schenen te zijn, dat men zich in allo steden vlijtig in don wapenhandel oefende en in Holland eon paar vliegende legertjes, uit patriotten bestaande, werden opgericht. Zelfs had roods hier en daar bloed gestroomd, toen in 1787 Willems gemalin op do grenzen van Holland, bij de Goejanverwcllesluis (ten o. van Gouda), door dc commissie van defensie word verzocht, haar reis naar Holland te staken, en haar broeder Frodorik Willem II (zie blz. 283), hierin een gewenschte aanleiding vindende, dit als een hoon opnam on voldoening vorderde. Kort daarna zond hij een leger onder Karei Willem Ferdinand, rogeorend hertog van Brunswijk-Wolfonbuttel, naar deze gewesten, hetwelk don stadhouder in zijn gezag herstelde en vele patriotten uit den lande deed wijken. Van de Spiegel werd raadpensionaris. Eon vreemde mogendheid, Pruisen, had de stadhoudersgezinden doen zegevieren en doze zegepraal de verbanning der patriotten ton gevolge gehad. De woderwerking bleef niet achter. Acht jaren later koerden do verbannen patriotten weder, op hun beurt door een vreemde mogendheid, door Frankrijk, geleid, endoor haren ondergang bezegelde do Republiek de oude spreuk: eendracht maakt macht, tweedracht verstrooit.

§ Hl.

Overzicht van de geschiedenis der letteren en der beschaving in Duitschland gedurende de achttiende eeuw.

Op de beweging, door de hervorming zoowel in de letteren als in de maatschappij zelve verwekt, volgde, wat de letterkunde betreft, in vele landen van Europa een tijdperk van verval of verflauwing. Ia Duitschland verdween ook op dit veld (zie blz. 205) de nationale zin meer en moer, om plaats te maken voor de zucht tot navolging, inzonderheid van de Franschen. De letterkunde van Duitschland kan dan ook, gedurende de eeuw van den dertigjarigen oorlog, maar op weinige namen van grooto mannen wijzen. Eerst in de tweede helft der achttiende eeuw kwam er een gohoele omkeering op hot gebied der Duitsche letteren. Klopstock, overleden in 1803, uitte zijn hoogo ingenomenheid met het voornaamste leerstuk van den Christelijkon godsdienst, met dat dor verzoening, in zijn heldendicht dc Messiade, hetwelk zijn naam hoeft vereeuwigd. Van zijn vaderlandsliefde getuigde menige lierzang, b.v. op den vorst der Cheruscon Arminius (zie blz. 79). Lessing, gestorven in 1781, bracht oen gehoolo horschepping teweeg in het tooneeldioht, dat hij van het juk der Fransche heerschappij bevrijdde. Vooral als uitstekend handhaver der critiek en als schepper van hot Duitsche proza bekleedt hij een eereplaats onder de grooto mannen dor vorige eeuw. Een zijner

-ocr page 319-

289

beroomdsto gedichten voor het tooneel is Nathan de wijze, waarin hij, den echten zin voor godsdienst verheffende, do kerkelijke rechtgeloovigheid bestrijdt. In proza vervaardigde hij Minna van Barnhelm, een. blijspel, waarvan een tafereel uit den tijd van den zevenjarigen oorlog het onderwerp uitmaakt. Zijn diep gevoel voor kunst, gepaard met groote gaven als oordeelkundige, openbaarde hij o. a. in den Laocoiiti (een priester van Apollo te Troje, die zich aan het houten paard vergreep en mot zijn beide xonen door slangen word vaneengereten) of de grenzen der schilder- en der dichtkunst.

Een tweede tijdgenoot van Klopstock, die, evenals hij, in 1803, stierf, was Herder, een man van rijke verbeeldingskracht en van wijsgeerigen geest. Zijn hoofdwerk is: Denkbeelden betrekkelijk de wijsbegeerte van de geschiedenis der menschheid. Zelf was hij 't meest ingenomen met het boek, getiteld over den geest der Hebreeuwsche poëzie. Zijn taalkennis word geëvenaard door een overvloedige kennis van de voortbrengselen der letterkunde, vooral van de dichtkunst aller volkeren, zoowel oude als nieuwe. Naast Lessing en Herder moet Wieland worden genoemd, overleden in 1813, wien de lof toekomt, aan do gewrochten der Duitsche dichtkunst ingang te hebben verschaft bij zijn landgenooten. Zijn meesterstuk is het romantisch heldendicht de Oberen, oen koning der elfen, d. i. een dier wezens of geesten, waarmede de dichterlijke verbeelding dor Grermaansche volkeren de natuur allerwege bevolkte. De roman on de vertelling waren het veld, waarop Wieland zich bij voorkeur bewoog. Een der meest gelezene zijner romans is de Abderieten, waarin hij de bekrompenheid van de inwoners van kleine steden aan de kaak stelt. Terwijl de vier genoemde mannen nieuwe wegen openden voor dc fraaie letteren, werd Kant, gestorven in 1804, de baanbreker op het pad dei-wijsbegeerte. In een zijner hoofdwerken. De critiek der zuivere rede, bepaalde hij don aard en de grenzen van hot menschelijk kenvermogen. Welk een indruk zijn geschriften maakten blijkt uit do reeks wijsgee-ren, die na hem optraden en die zijn denkbeelden deels verder ontwikkelden, deels bestreden. Het zijn Fichte, Schelling, Hegel, enz.

Den grootsten roem, als scheppers van meesterstukken op het veld der lettoren, verwierven Goethe en Schiller, van welke de eerste in 1749 te Frankfort aan de Main, de laatste in 1759 te M'arbaoh (ten n. van Stuttgart, nabij de Neokar, in Wurtemberg) werd geboren. De meeste zijner levensjaren bracht Goethe aan het hof van Saksen-Weimar door, waar hij aanzienlijke bedieningen bekleedde en Scliiüor een tijdlang met hem gemeenzaam omging en werkte. In een paar trekken kan men Goetho geenszins naar waarde voorstellen, den man, wiens veelzijdigheid evenzeer moet worden bewonderd, als do rijkdom van 't geon hij in 't leven riep. Kunst, do klassieke oudheid, natuurkunde, alles beoefende hij, diep en grondig. Van zijn vele geschriften worden bovenal gelezen en geroemd: Uit mijn leven, verdichting en waarheid; de dichterlijke roman, ten deole. aan do werkelijkheid ontleend, getiteld Het lijden van den

W MN NE, Handboek der Alg. Geschiedenis, 7ile druk. 19

-ocr page 320-

290

jongen Werther; het dramatisch werk, getiteld Faust, een boek, waaraan hij met tusschenpoozen zijn gansche loven arbeidde; de roman Wilhelm Meisters leerjaren; het liefelijk heldendicht Herman en Dorothea. Even onmogelijk als het is, zonder uitvoerig te worden, een begrip te geven van den inhoud van Goethe's meesterstukkon, evenmin kan, in een kort bestek, een poging worden gedaan, om de vele en veelsoortige geschriften te doen kennen, door hem te boek gesteld. Het veld, waarop Schiller vooral werkte, was dat van het drama of tooneeldicht. Inzonderheid onder de treurspelen vindt men de fraaiste zijner stukken. Beroemd zijn de tooneclspelen De roovers, Don Carlos, Willem Teil en de drie stukken, waarin Wallenstein de hoofdpersoon is, benevens de treurspelen Fïèsco, Maria Stuart en de maagd van Orleans. Van Schillers lierzangen is de klok een der meest bewonderde. De vriendschapsverbintenis tusschen Schiller en (ioothe werd in 1805 door den dood van den eerste verbroken. Hem overleefde Groethe nog tot 1832.

§ 112.

Overzicht van de geschiedenis der letteren en der beschaving in Engeland en in Frankrijk gedurende de achttiende eeuw.

Er is verband en samenhang tusschen de wereld der gedachten, de letteren, en de werkelijke wereld, de maatschappij, waarin de groote menigte der menschen zich beweegt. De geweldige omkeeringen, welke Europa in 't laatst der achttiende eeuw beleefde, werden ten deele voorbereid door de geschriften, die de bezielende gedachten van enkelen ter kennis brachten van duizenden, van millioenen. In Frankrijk, van welk land de omwenteling uitging, waren, zooals men licht kan begrijpen, Fransche schrijvers het voertuig, waardoor de nieuwe denkbeelden het deel der bevolking werden. Op hun beurt ontleenden die Fransche schrijvers een deel hunner gedachten aan Engeland.

In dit land maakten zich in de laatste helft der zeventiende en in 't begin der achttiende eeuw vermaard Newton, gestorven in 1727, en Locke, overleden in 1704. De eerste, zich aan Kepler en aan Galilêi (zie blz. 235) aansluitende, ontdekte de wet van de zwaartekracht, van 't beginsel, waarop het heelal berust. Locke verdedigde in zijn hoofdwerk, Proeve over het mcnschelijk verstand, do stelling, dat er geen ingeschapen denkbeelden zijn: dat, daarentegen, do menschelijke ziel allo kennis aan de indrukken dor buitenwereld op de zinnen heeft te danken.

Locke's wijsgeerige geschriften werden, vooral door toedoen van Voltaire, in Frankijk bekend. Met Voiltaire waren het bovenal Montesquieu, Kousseau en de encyclopedisten, die in Frankrijk over kerk en staat andere begrippen verkondigden dan tot dusver hadden ge-heorscht. Geen schrijver heeft grooter invloed op zijn tijdgenooten ge-

-ocr page 321-

201

had dan Voltaire. Hij werd geboren in 1004 en stierf in 1778. Met groot vernuft bestreed hij niet alleen alle verouderde, maar allo heerschende meeningen. Hij deed dit zoowel in de Engelsche brieven, als in allerlei satiren, gedichten, treurspelen en wijsgeerige werken. Bovendien schreef hij bet heldendicht de Henriade op de zegepraal van Hendrik IV en menig historisch werk, zooals het leven van Karei XII en de eeuw van Lodewijk XIV.

Montesquieu, gestorven in 1755, kampte in zijn Perzische brieven, waarin hij een Pers sprekend invoert, tegen do kerk, den rogeerings-vortn en den maatschappelijken toestand van Frankrijk. ïen dcele geschiedt dit ook in het werk, waaraan hij een groot aantal jai-en van zijn leven had besteed. Over den geest der wetten, hetwelk den regeerings-vorm, hot rechtswezen, enz. van verschillende volkeren behandelt. Bijna even krachtig, als die van Voltaire's werken, was de indruk, door de geschriften van Jean Jacques Rousseau, everleden in 1778, aller-wege gemaakt. In die geschriften prijst hij, o. a. in de rede over den oorsprony der ongelijkheid onder de menschen, den terugkeer tot den oor-spronkelijkon toestand der menschen, tot het leven in overeenstemming met de natuur, aan. Tegen de onbeperkte koninklijke regeering verzet hij zich in zijn Maatschappelijk verdrag, welk werk van de veronderstelling eener overeenkomst uitgaat, in overoude tijden tusschen volk en koning gesloten, en voor de gelijkheid aller menschen in de bres springt. In den Émile poogt hij een nieuw stelsel van opvoeding ingang te doen vinden, dat zich nauw aan de natuur houdt. Vele der nieuwere begrippen huldigden ook de encyclopedisten, d. i. de schrijvers van een algemeen woordenboek, encyclopédie geheeten, hetwelk zich do verbreiding van alle menschelijke kennis onder de verschillende standen der maatschappij ten doel stelde. De voornaamste bewerkers van dit woordenboek, waarin vooral tegen de kerk een felle strijd werd gevoerd, waren Diderot en d'A lom bert (zie biz. 2GG).

§ 113.

De voorboden der eerste Fransche omwenteling tot de opening der con-stüueerende nationale vergadering in 1789.

Hoezeer onderscheiden in allerlei bijzonderheden, waren sedert eeuwen de wetten en de instellingen der meeste staten van Europa over 't algemeen dezelfde. Bijna alle waren overblijfselen van het leenstelsel, waarmede zij min of meer hadden samengehangen. Doch sinds lang was tevens liet meerendeel dier instellingen alom in verval. Hetgeen nog kracht had was dat, wat na de Middeleeuwen was opgekomen, zooals het onbeperkte gezag der vorsten, naar het voorbeeld van Frankrijk, sinds Lodewijk XIV in bijna alle Europeesche staten ingevoerd. Nergens meer dan in

-19*

-ocr page 322-

29'i

frankrijk heerschte een stelsel van centralisatie, dat, van de algemeenö regeering, als middelpunt, uitgaande, zich over het ganscho rijk en over al zijn onderdeden uitstrekte.

Een omkeering nu in staat en maatschappij te veroorzaken, de verouderde vormen door nieuwe en betere inrichtingen te vervangen, het overschot der instellingen van 't leenstelsel op te ruimen, dit was het doel der eerste Fransehe omwenteling. Die groote beweging, welke, bij vele tijdelijke rampen, inderdaad een overgang was tot een betere en duurzame orde van zaken, de gelijkheid der standen tot grondslag hebbende, kwam 't naast uit Frankrijk voort. In geen ander land bestonden daartoe zoovele oorzaken als hier. In tegenstelling met vele streken van Duitschland was hier de eigenlijke middeleeuwsche lijfeigenschap — het is waar — afgeschaft; doch juist daarom gevoelden de bewoners van 't platteland des te zwaarder den druk der nog in stand gebleven leenrechten. Een andere oorzaak was de slechte toestand der financiën, waartoe Lodewijk XIV door zijn zucht tot praal en door zijn vele oorlogen den grond had gelegd en die later door de spilzucht en. door de zedeloosheid van 't hof van Lodewijk XV, gelijk mede door een slecht beheer, buitengemeen was verergerd. De zware schuldenlast was voor den burgerstand des te drukkender, doordien de bevoorrechte standen, adel en geestelijkheid, naar evenredigheid, minder dan de burgers en de boeren tot de behoeften van den staat bijdroegen. De oorsprong van dit voorrecht dagteekende uit vroegere tijden. Toen had men do geestelijkheid, opdat zij de kosten van den eeredienst zou kunnen dragen, en den adel, omdat hij om niet krijgsknechten voor den oorlog leverde, van de verplichting vrijgesteld om grondlasten op te brengen. Des te zwaarder was thans de druk der belastingen, vermits haar getal allengs was toegenomen. Zoo had men de tienden voor de geestelijken en allerlei lasten, door de boeren te betalen aan de heeren der vroegere heerlijkheden, in welker nabijheid hun gronden lagen. Buiten dit groote voorrecht hadden de edelen nog dit, dat zij bij uitsluiting werden bekleed met de aanzienlijkste ambten bij 't leger en met do hooge geestelijke waardigheden. Daarentegen droegen de boeren den last van den krijgsdienst alleen, want van tijd tot tijd nam men, om manschappen voor het leger te bekomen, bij loting een deel hunner zonen.

Wederom een andere oorzaak van de omwenteling is te zoeken in de geschriften dier mannen, welke men doorgaans de wijsgeeren van dien tijd noemt (zie blz. 290 vlg.), vooral in die van Voltaire, van Kousseau en van de encyclopedisten. De denkbeelden, in hun werken vervat, waren bij hen opgekomen en gerijpt door het opmerken der gebreken, die de maatschappij, waarin zij leefden, aankleefden. Dus kregen zij een afkeer van het oude en van alles, dat op de overlevering steunde, en zochten op geen anderen grondslag, dan op dien der rede, een nieuwe maatschappij te vestigen. Zeiven vreemd aan de werkelijke wereld, schepten zij behagen in algemeene stellingen en stoute ontwerpen. En daar verre-

-ocr page 323-

weg het grootste gedeelte van de lezers hunner boeken evenzeer vreemd ■was aan de leiding der zaken, wordt hot verscliijnsel licht verklaarbaar, hoe de inhoud dezer boeken zoozeer ingang vond bij het volk in 't algemeen. Vermits verder de kerk veel gewicht aan de overlevering hechtte en hare dienaren hot toezicht oefenden op de werken dier mannen, welke haar vaak mot weinig eerbied bestreden, is 't niet te verwonderen, dat zij vooral, en mot haar het Christendom, liet mikpunt werd van de aanvallen dezer schrijvers. Dat men hen een tijdlang gevangen zette of hun werken verbrandde bleek weldra eerder een prikkel, dan een beletsel voor het schrijven te zijn. Nog andere oorzaken eindelijk der omwenteling zijn de vermindering van het ontzag voor de koninklijke macht, het bederf der hoogere standen en hot voorbeeld van do Vereenigde Staten van Noord-Amerika.

Op Lodewijk XV (zie blz. 261) volgde zijn kleinzoon lode wijk xvi (1774—1792), een zoon van den in 1765 overleden dauphin, achtingswaardig als mensch, maar als regent wankelmoedig en in buitengewone tijden te zwak. Hij was gehuwd met een dochter van Maria Theresia, Marie Antoinette, die na 1789, ten gevolge van allerlei laster, b. v. dat zij millioenen uit 's rijks schatkist aan haar broeder den keizer zond, door het meerendeel der Franschen werd gehaat. Lodewijk begon zijn regeering met menige heilrijke hervorming, doch verhaastte ook do komst der rampen, die hem en zijn rijk weldra troffen, door deel te nemen aan den oorlog voor de onafhankelijkheid der Vereenigde Staten van Noord-Amerika en door de parlementen to herstellen, welke Lodewijk XV (zie blz. 261, 262) had afgeschaft. Zorgwekkender werd de toestand van 't rijk doordien de schuldenlast nog steeds aangroeide en zich alom verwarring en oneenigheid openbaarden. Hierdoor zag zich Lodewijk XVI gedrongen, in 1788 den door 't volk beminden Nocker, een uit Geneve afkomstig bankier, voor de tweede maal als directeur-gemraal het beheer der financiën op te dragen. Tevens beloofde de koning de rijksstenden bijeen te zullen roepen, om met hen over do noodige verbeteringen te beraadslagen.

Daar de drie standen sedert 1614 (zie blz. 223) niet vergaderd waren geweest, deed zich over menig punt, vooral over het uit den burgerstand op te roepen getal leden, verschil van gevoelen bespeuren, waarbij Necker een in 't oog loopend, gebrek aan veerkracht openbaarde. Den 5den Mei 1789 opendo de koning de vergadering, die to Versailles bijeenkwam en uit 300 adellijken, 300 geestelijken en 600 leden van den burgerstand bestond. quot;Weldra werden de stenden onderling oneenig, inzonderheid over de wijze van stemmen, of dit n.1. naar standen, gelijk adel en geestelijkheid wilden, dan wel in een gemeenschappelijke vergadering hoofdelijk, zooals de burgerstand vorderde, zou plaats hebben. Het laatste geschiedde. Na lang twisten waagde de derde stand don 17den Juni 1789, door zich tot constihieerende nationale vergadering te verklaren, een beslissenden stap. Een paar dagen later, toen aan de leden van den derden stand do toegang tot do zaal, waarin zij hun zittingen hielden, werd ontzegd,

-ocr page 324-

294

omdat zij voor eon koninklijke zitting der rijksstenden {lit de justice, zie blz. 145) werd gereed goraacikt, hielden zij een vergadering in een kaatsbaan te Versailles en legden den eed af, niet te zullen uiteengaan, voordat Frankrijk een nieuwe staatsregeling had bekomen. Die koninklijke zitting werd den 23sten Juni gehouden. Necker bleet afwezig, dewijl hij het afkeurde, dat de koning zieh in die bijeenkomst tegen de wenschen van de meerderheid der afgevaardigden verklaarde.

Gaande weg sloten zich een groot deel der geestelijkheid en een gering gedeelte van den adel bij de burgers aan. De leden der vergadering hadden de wenschen en de voorschriften der kiezers op schrift (cahiers) bij zich. Deze stukken, voor verreweg 't grootste gedeelte eensluidend, moesten de stof tor beraadslaging opleveren. Ware de vergadering aan den inhoud dezer stukken götrouw gebleven, dan had zij waarschijnlijk aan Frankrijk een staatsregeling geschonken, die aan de grieven der bevolking oen einde gemaakt en het gezag der kroon op hechten grondslag gevestigd had. Doch de hartstochten en de berekeningen van vele harer leden leidden tot een andere uitkomst. Het duurde niet lang, oi; de reeds bedreigde goede verstandhouding tusschen de regeering en de vergadering werd geheel verbroken. In do koninklijke zitting van den 23sten Juni 1789 had Lcdewijk XVI de rijksstenden zijn plannen ter hervorming van den staat aangeboden. Do beraadslagingen der vergadering leerden weldra, dat de koning dezen stap tevergeefs had gedaan. Een der merkwaardigste harer leden was de door zijn heldere, maar bespiegelende staatkunde uitstekende abt Siéyès, wiens geschrift: „Wat is de derde stand?quot; grooten invloed op den gang der gebeurtenissen had geoefend. Verder muntte de graaf de Mirabeau, die, hoewel van adel, vanwege den derden stand zitting had genomen, door zijn welsprekendheid en door andere talenten boven allen uit. Zoo groot was zijn overwicht, dat hij van tijd tot tijd die vergadering naar zijn welgevallen beheerschte en het lot van Frankrijk in zijn hand had. Had zijn bijzonder leven, waarin veel was te wraken, niet veler vertrouwen op hem verzwakt, dan had hij, door den staun zijner medeleden, iets groots kunnen tot stand brengen. Van de overige leden onderscheidde zich niet door zijn bekwaamheden, maar door zijn geboorte L o d e w ij k Philips, hertog van Orleans, een achterkleinzoon van den regent (zie blz. 261), die, buiten de vergadering, door onverstandige toespraken of omkooping het grauw tegen de regeering ophitste.

§ 114.

Frankrijk sedert de uitbarsting der omwenteling iut de opening dei-wetgevende vergadering. — Van 1789 tot 1791, 1 October.

Binnen kort was Frankrijk regeeringloos: de wetten werden niet meer uitgevoerd; de overheden hadden alle macht verloren; de rechtspleging

-ocr page 325-

295

rustte; met de veiligheid van personen en eigendommen was het gedaan; de bedrijven stonden stil. In deze algemeene verwarring vaardigde de nationale vergadering bevelen uit, zonder te kunnen regeeren. Naast haar matigde zich de commune of burgerraad van Parijs, saamgesteld uit de kiezers van de leden der vergadering, veel gezag aan. Zóó begon een omwenteling, geweldiger dan er ooit een was aanschouwd, haren loop. Door het samentrekken van een leger in do omstreken van Parijs en door het herhaald ontslag van Necker, gevolgd door zijn verbanning, was de gisting onder 't volk tot een gevaarlijke hoogte geklommen. Daarom werd in 't midden der maand Juli 1789 een nationale garde of burger-militie opgericht, waarover la Fayette (zie blz. 276) het bevel kreeg, die echter binnen kort aan de vergadering tegen het koninklijk gezag de sterke hand leende.

Eer nog die krijgsmacht goed was geregeld en la Fayette tot opperbevelhebber benoemd, bestormde en sloopte een opgewonden volkshoop, die zich met geweld van geweren had voorzien, den 14den Juli de bastille, een kasteel te Parijs, berucht als een staatsgevangenis, dikwerf ter beschikking van de grilligste willekeur (zie blz. 261). Ten gevolge hiervan riep Lodewijk XVI de troepen terug en plaatste Necker op nieuw aan 't hoofd van 't bewind, thans met den titel eerste minister van financiën. Nu weken velen van 't hof en van den adel uit, o. a. de jongste broeder des konings, de graaf van Artois, en begaven zich naar Duitschland of naar Zwitserland.

Terwijl de geweldenarijen en de ongerechtigheden zich over geheel Frankrijk voortplantten, begon de nationale vergadering haar hervormingswerk. In den nacht van den 4den op den Men Augustus hief zij alle voorrechten des adels op, voerde gelijkheid van belastingen voor alle standen in, schafte do lijfeigenschap en do heerlijke rechten af, verklaarde alle burgers voor evenzeer gerechtigd om staatsambten te bekleeden en bepaalde , dat de ambten niet konden worden gekocht. In een andere zitting ontnam zij de geestelijkheid de tienden. Verder vaardigde zij een verklaring van de rechten van den niensch en burger uit, stelde de verantwoordelijkheid der ministers vast en gaf den koning do bevoegdheid, door zijn veto (ik verbied het) de geldigheid van een besluit gedurende vier jaren te beletten. Do vergadering toonde echter weldra de oefening van dit recht aan Lodewijk niet te willen toestaan.

Ondertusschen had de omwentelingsgezinde partij een plan ontworpen, om den koning en de vergadering op den eigenlijken bodem van 't oproer te verplaatsen. Een verbazend grooto volksmenigte, gevolgd door la Fayette met de nationale garde, trok naar Versailles en voerde, na het plegen van menige wanordelijkheid, de koninklijke familie den 6den Oct. 1789 op onstuimige wijze vandaar naar Parijs. De vergadering begaf zich ook derwaarts, zoodat zij van nu aan met den koning onder den invloed der Parijzonaars stond; maar een paar honderd harer meest gematigde leden keerden huiswaarts en verlieten haar voor immer. In de nieuwe ver-

-ocr page 326-

290

gademal, nabij de Tnileriën gelegen, namen de afgevaardigden dei-volkspartij plaats ter linkerzijde van het gestoelte van den president, hun tegenstanders ter rechterzijde. De hevigsten dor linkerzijde namen de hoogste banken in en werden deswege de hergpartij genoemd. Op de hoogste plaats van den berg zat Robespierre, afgevaardigde van Atrecht. In den beginne trok hij, als lid der nationale vergadering, noch door welsprekendheid, noch door eenige andere gave do aandacht. Langzamerhand groeide zijn invloed aan, naar mate men hem leerde kennen als een man, ten volle overtuigd van de waarheid der beginselen van de omwenteling en die voor niets terugdeinsde, ten einde ze te doen zegevieren. Hij was geheel doortrokken van de leerstellingen van Rousseau en achtto den tijd gekomen om zo op de maatschappij toe te passen. Op de galerijen der vergaderzaal bevond zicli het gepeupel, dat niet zelden door een oorverdoovend gedruisch en geschreeuw een gebiedenden invloed op de vergadering oefende. Dit grauw zelf werd bestuurd door den klub der Jakobjne.n, een staatkundige vereeniging van heftige volksmannen, die in een zaal van het opgeheven klooster St. Jakob haar bijeenkomsten hield. Door dagbladen, b.v. door Vami du peuple (de volksvriend), waarvan Marat redacteur was, en door 't bewerken der menigte verspreidden zich de afschuwelijke leerstellingen der Jakobijnen snel over 't gansche land.

In 1790 zette de nationale vergadering haar taak voort door een reeks besluiten te nemen, die Frankrijk het aanzien van een geheel nieuwe schepping gaven. De parlementen, de erfadel, de titels, do familiewapens en de livereien werden afgeschaft, de goederen der geestelijkheid en des konings, benevens de kloosters, later ook do bezittingen der emigranten (zie blz. 298) ingetrokken. In plaats van de inkomsten uit eigen bezittingen kreeg de geestelijkheid een vaste bezoldiging. De band, die haar aan Rome verbond, werd verbroken. Allo geestelijken moesten de constitutie bezweren, wat velen weigerden, weshalve men van nu aan onderscheid maakte tusschen hen, die den eed op de constitutie hadden afgelegd, en hen, die het niet hadden gedaan. Op de ingetrokken bezittingen, thans een eigendom des volks, gaf men assignaten af, die door hun overgroot getal spoedig alle waarde verloren. Dit papieren geld heette assignaten, omdat deze stukken inderdaad aanwijzingen waren op de waarde dier ingetrokken onroerende goederen en, zooals men zicli voorstelde, later bij den verkoop dier goederen als baar geld zouden worden aangenomen. Zij waren dus een pand voor de schuldeischers van den staat. Men bepaalde, dat zij een wettig betaalmiddel waren en dat zij rentegevend zouden zijn. Doch binnen eenige jaren verloren zij alle vertrouwen, doordien de regeering zich in 't uitgeven van assignaten niet meer beperkte tot de waarde der goederen, die metterdaad waren verkocht, en de bepaling omtrent de rente introk. Reeds in 1793 waren de assignaten tot op één derde gedaald van de waarde, die zij vertegenwoordigden. Ten einde de eenheid van Frankrijk te vestigen en zooveel

-ocr page 327-

297

mogelijk de sporen van 't provincialisme uit te wisschen werd ten laatste Frankrijk in 83 (thans 86) departementen verdeeld, hun namen meestal aan bergen, rivieren en kusten ontleenende. Een der departementen was Korsika, welk eiland in 1708 door Genua aan Frankrijk was afgestaan en thans werd ingelijfd.

Inmiddels openbaarde zich bij Mirabeau een groote verandering. Hij, in 't begin de groote man des volks, onderhandelde in 't geheim met den koning, met hot dool zijn invloed aan 't horstellen van de rechten der kroon dienstbaar te maken. Doch zijn dood in 1791 benam hem de mogelijkheid, do omwenteling, grootendeels door hem begonnen, een andere richting te geven. Reeds in 't vorige jaar was een andere bewerker van de geweldige oinkeering, Necker, thans overtuigd, dat zijn macht te kort schoot om ze te besturen, uit Parijs naar zijn vaderland teruggekeerd. Te midden van deze gebeurtenissen en van don steeds voortrollenden stroom der omwenteling spoelde de koning een beklagenswaardige rol; in 't geheim was hij, in overeenstemming met zijn gemalin en mei zijn oudsten broeder, den graaf van Provence, een tegenstander der constitutie; in 't openbaar daartegen deed hij zich dikwijls als een voorstander daarvan voor. Thans van het uitzicht op Mirabeau's bijstand verstoken, was Lodowijk XVI er op bedacht, op de een of andere wijze te ontvluchten. Evenwol ging hij slechts schoorvoetend hiertoe over, en niet dan nadat hij op nieuw eenige malen smadelijk was bejegend, zoowol tor zake van het houden van een biechtvader, die geen eed op de constitutie had afgelegd (zie blz. 296), als anderszins.

Beter overlegde plannen verwerpende, ontvlood Lodowijk XVI in don nacht van den 20sten Juni 1791 met zijn familie de hoofdstad, in de richting van Luxemburg; maar te Varennes (ton o. van Rheims) werd hij, op aansporing van den postmeester Drouet, aangehouden. Do graaf van Provence, die zich van dit oogenblik af graaf van Rijssel noemde, kwam gelukkig over de grenzen. De koning daarentegen werd met de overigen in hechtenis genomen en naar Parijs teruggebracht. Ofschoon hij zijn waardigheid behield, leefde hij van nu aan als een gevangene der Parijzenaars, en zijn gozag was verlamd. In Sopt. was eindelijk de nieuwe of eerste constitutie voltooid. Do wetgevende macht kwam aan do vergadering dor afgevaardigden van 't volk, te verkiezen door kiezers, op hun beurt door stemgerechtigden benoemd; de koning behield iu naam de uitvoerende macht mot het „vetoquot;; de rechterlijke macht werd deels aan gezworenen, deels aan vrederechters opgedragen. Thans werd voor goed de iiand verbroken, die het regeerende huis met het volk had verbonden: het tot dusver heerschend begrip, dat het koningschap één was met hot recht van eigendom van land en volk, verloor zijn kracht. Dit begrip, hetwelk de spil was geweest van 't staatkundig stelsel der Europeesche staten, maakte plaats voor do leer, dat de natiën zichzelf toebehooren; dat de souveroiuiteit haar in volle eigendom toekomt en dat de volkeren de oefening daarvan, bij wijze van herroep-

-ocr page 328-

298

baar verdrag, aan dezen of genen kunnen opdragen. De nationale vergadering ging uiteen, na zelve te hebben verklaard, dat geen harer leden in de nieuwe vergadering mocht worden herkozen, welk edelmoedig en onbaatzuchtig, maar tevens ongelukkig besluit een aantal mannen van de regeering uitsloot, die gematigdheid aan kennis van zaken paarden.

§ 115.

Frankrijk sinds da opening der wetgevende vergadering. — De nationale, conventie. — De oorlog van Oostenrijk en van Prnisen tegen de Fransche Republiek in 17.92. — Voortgang der omwenteling, terdoodbrenging van Lodewjk XVI en het schrikbewind. — Van den Ik ten October 1701 tot in 1794.

De vergadering, die den Isten October 1791 haar eerste zitting hield en uit 747 afgevaardigden bestond, heette de wetgevende en bevatte of jonge, in regeeringszaken onervaren, óf ruwe, geestdrijvende lieden. De rechterzijde word thans bezet door de Feuillants, zóó genoemd naar oen opgeheven klooster, waar de vergaderplaats van hun klub was, allen voorstanders der nieuwe staatsregeling. Tegenover hen stonden de Jakobijnen, wier streven op de omverworping van liet koningschap en op het oprichten eener republiek doelde. Een gedeelte van hen, meestal afkomstig uit het departement der Girondc (d. i. van de Garonne, vereenigd met de Dordogne) en daarom Girondisten geheeten, ging hierbij met eenige matiging te werk ; maar de eigenlijke Jakobijnen deden de buitensporigste eischen en lieten zich op de laagste wijze gelden. Intusschen stroomden steeds nieuwe scharen uitgewekenen (emigranten) over de grenzen, inzonderheid naar Goblents, die begeerig waren naar een kamp met het Jakobinisme en ook bij buitenlandsche hoven gehoor vonden. Na eenig dralen toch en nadat de wetgevende vergadering in 1791 den paus het graafschap Venaissin en Avignon (zie blz. 155) had ontrukt en ze bij Frankrijk ingelijfd, sloten Leopold II (zie blz. 285) en Proderik Willem II (zie blz. 283) in Febr. 1792 een verdedigingsverbond. Leopolds zoon en opvolger, fbans u (1792—1B0G, overleden 1835), bekrachtigde dit. Frankrijk, waar de hoofden der partijen zei ven den oorlog wenschten, verlangde de ontwapening der emigranten en hun verwijdering van zijn grenzen. Toen dit niet geschiedde, moest Lodewijk XVI, zichzelf geweld aandoende, in April aan Frans II den oorlog verklaren.

Ten einde hun doel, de afzetting des konings, met den meesten spoed te bereiken bewerkten de Jakobijnen den lOden Aug. een aanval van 't grauw op het paleis, nadat 'skonings standvastigheid, bij een vroegere bezending van 't laagste gepeupel, versterkt door scharen nit Marseille, door gevluchte galeislaven en meer dergelijke lieden, de booze bedoelingen der aanhitsers van de heffe des volks had verijdeld. Thans zocht de koning.

-ocr page 329-

299

op raad van den procureur-generaal van het departement van de Seine, Roederer, met zijn familie steun bij de wetgevende vergadering. Doch in plaats van hem :lien te veiieenen hield men hem gevangen, schorste hom in de koninklijke waardigheid en zette hem en de zijnen gevangen in den iempeltoren, een gebouw der voormalige tempeliers. Bij de Tuileriön boetten velo manschappon der Zwitsersche lijfwacht met hun leven voor hun trouw.

Zóó geraakte 't gezag al meer en meer in handen der meest verwoede partijlioofden en van den gemeenteraad, die zelfs de wetgevende vergadering voor zijn wil deed buigen en het gemeen beheerschte. Ook la Fayette week uit. Een overgroote menigte menschen, vooral adellijken en geestelijken, werden in do gevangenissen opgesloten. De guillotine of valbijl werd in 't jaar 1792 ingevoerd. Zij ontleende haren naam aan den arts Guillotin, die lid was geweest van do constitueerende vergadering en haar het eerst de aanwending van een dergelijk onthoofdingswerktuig had aangeraden. Voor 't overige was hij noch de uitvinder van een zoodanig werktuig, alreeds sinds eeuwen in verschillende landen bekend en in gebruik, noch de man, op wiens raad hot in de dagen der omwenteling onmiddellijk in Frankrijk word ingevoerd.

In de Septemberdagen, 2—7 Sopt. 1792, vermoordde het losbandige gepeupel vele weerloozo gevangenen in de kerkers. In plaats van do wetgevende vergadering koos liet volk nu leden voor de nationale conventie, die den 21sten September 1792 voor 't eerst bijeenkwam en de vervaardiging eener nieuwe staatsregeling (de tweede constitutie) moest ter hand nemen. Twee hoofdpartijen stonden hier tegen elkander over: de Giron-disten, als Vergnaud, Brissot, Valazé, die een geregelde republiek wilden grondvesten, en de Jakobijnen, b.v. Robespierre, Marat, Dan ton, do hertog van Orleans (zie biz. 294), die van nu aan uit eigen beweging don naam „Égalité (gelijkheid)quot; aannam, welke allen de omwenteling tot het uiterste trachtten door te zetten.

Gedurende dien zelfden tijd waren de Pruisische en de Oostenrijksche troepen de grenzen van Frankrijk overgetrokken, maar, door ziekten en gebrek verzwakt, weldra teruggeweken. Sinds hot mislukken van dezen veldtocht keerden de hoven zich van de Bourbons af en scheidden den strijd tegen Frankrijk van de zaak van dit huis. Op andere punten ging het nog slechter voor de bestrijders der Republiek. In Sept. 1792 beroofde de Republiek den koning van Sardinië victou air ad ë us iii (1773—1796), een zoon van Karei Emanuel III (zie biz. 2G4), plotseling van twee landschappen, Savoye en 't graafschap Nizza (ten o. van Provence), en vereenigde ze weldra als twee nieuwe departementen met Frankrijk. In Nov. versloeg de Fransche generaal Dumouriez de Oostenrijkers bij Jemappe (ten z.w. van Mons, in Henegouwen) en veroverde hierop bijna geheel België.

Middelerwijl had de nationale conventie in hare eerste zitting het koningschap voor vervallen en Frankrijk voor een ondeelbare Republiek verklaard. Opgewonden door den voorspoed harer wapens, ging zij verder.

-ocr page 330-

300

In Dec. stond Lodewijk XVI terecht voor de conventie, zijn oproerige onderdanen, als beschuldigd van tegenwerking der vrijheid, van heimelijke verstandhouding met Frankrijks vijanden en van het bedrijven van gewelddadigheden tegen de Parijzenaren. Vruchteloos legde de vorst de grootste bedaardheid aan den dag; tevergeefs antwoordde hij bondig op de hem gedane vragen; ij dol was ook de voortreffelijke verdediging, door den oud-minister Malos herbes en den jeugdigen advocaat Desèzo opgesteld en door den laatstgenoemde uitgesproken. Tegen hun eigen wil veroordeelden ook de Grirondisten, uit vroes voor de Jakobijnen, Lodowijk ter dood, waarop zijn hoofd den 'ilsten Januari 1793 onder de guillotine viel.

Dit bespoedigde tevei.s den val der Girondisten. Nadat de Jakobijnen in April 1793 een comité (raad of afdeeling) van openhaar welzijn hadden opgericht, dat uit negen leden hunner partij bestond en met onbeperkte macht was bekleed, verloren de Girondisten allengs meer hun voormaligen invloed. Een veiligheidscomité, uit dezelfde partij samengesteld, vergrootte nog het gevaar der Girondisten. Niet ten onrechte hadden zij tot dusver op de welsprekendheid en op de talenten van velen uit hun midden gesteund; maar toon het gemeen, opgehitst door de Jakobijnen, hen aanklaagde van foederalisme, d. i. poging om Frankrijk in een aantal kleine, onderling verbonden staten op te lossen, bezweken zij. In Juni werden zij vogelvrij verklaard. Velen vluchtten; doch een groot aantal van hen werd gevangen gezet. Wel bevrijdde Charlotte Cor day, een achterkleindochter van Corneille (zie blz. 238), in dezen tijd de menschheid van een der gruwelijkste snoodaards door het dooden van Marat; maar de schrikkelijkste tooneelen vermeerderden nog steeds.

Inzonderheid aanschouwde men ze sedert den 28sten Aug. 1798, toen de conventie bekend maakte, dat de Republiek, wegens den buitenland-schen oorlog, voorloopig in omwentelingstoestand zou blijven. De nieuwe staatsregeling, haastig ontworpen en aangenomen, die de conventie even tevoren in dezelfde maand had laten afkondigen, had geen genoegzame kracht om de hevige omwentelingsgozinden tegen te gaan en werd door deze bekendmaking geheel buiten werking gesteld. Hiermede begon een schrikbewind (terrorisme), waarbij niemand zeker was van leven en bezittingen, indien men maar den minsten argwaan over zijn gezindheden koesterde. Als hoofd van het comité van openbaar welzijn, dat die onbeperkte macht oefende, trad Kobespierre, een ware dictator, op. Dit schrikbewind telde talrijker slachtoffers dan een der vorige besturen. In geheel Frankrijk werden comités opgericht, die de guillotine overvloedig werk gaven. ïe Parijs zelf was het moorden niet minder: in Oct. 1793 werden de koningin en de gevangen genomen Girondisten onthoofd. Op hen volgde in Nov. Égalité, die om zijn geboorte en uit hoofde van de liefde, die hij zich bij het volk had verworven, Robespierre gevaarlijk scheen.

Opdat niets meer aan de oude orde van zaken mocht herinneren, voerden do sansculotten — zóó noemden zich do ultrarepublikeinschge-

-ocr page 331-

SOI

zinden — in Oct. een nieuwe tijdrekening in, die tegelijk de indeeling van hot jaar en van den dag veranderde. Zij begon met den 22stenSept. 1792 on bleef uitsluitend in zwang tot den 21sten Dec. 1802, terwijl zij den Isten Jan. 180() geheel werd afgeschaft. ï]lko maand had dertig dagen en was in drie decaden of tientallen verdeeld. De namen der maanden waren aan do verschijnselen en aan de voortbrengsels der jaargetijden, die der dagen aan de getallen ontleend. De wintermaanden, van de.i 21sten Deo. tot den 20sten Maart, heetten b. v. Nivose, d. i. sneeuwmaand, Pluvióse, d. i. regenmaand, Ventose of windmaand; de drie eerste dagen primidi, duodi, tridi, enz. De vijf (in een schrikkeljaar zes) overschietende dagen werden jours compUmentaires, d. i. aanvullingsdagen, of sansculottides genoemd en tot feestdagen bestemd. Wetenschap en al wat met de beschaving in verband staat kwam in don ban, en eindelijk sloeg men ook oen roekelooze hand aan den openbaren eeredienst. De Christelijke godsdienst werd afgeschaft en de dienst der rede hiervoor in plaats gesteld.

Zoo erg nam de verwatenheid van het terrorisme toe, dat zelfs Danton en Robespierre zich er tegen begonnen te verzetten. Zij behaalden de overwinning op II e b e r t en op de overige leden van don gemeenteraad van Parijs, die in Maart 1794 werden ter dood gebracht, waarop ook hun werk, de godsdienst der rede, binnen kort voor den ouden eeredienst moest wijken en de conventie het bestaan van een Opperwezen en de onsterfelijkheid der ziel plechtig voor waarheid verklaarde. Diegenen echter, die meenden, dat bij Robespierre blijken van matiging zichtbaar werden, vergisten zich deerlijk, vermits kort daarna Danton, Camille-Desmou-lins en anderen, die inderdaad tot menschelijkheid rieden, als slachtoffers van de guillotine vielen. Nu stond het schrikbewind op zijn hoogte: geheel het menschengeslacht moest wel denken, voor een geweldigen dood bestemd te zijn. Onder de uitstekende personen, die in dezen tijd als slachtoffers vielen, behoort Elizabeth, een zuster des konings, te worden genoemd. Doch ten laatste ontstond er verdeeldheid onder de leiders zei ven. Billaud-Varennes, C o 11 o t d' H e r b o i s en anderen zegevierden den 27sten Juli (9 Thermidor) over Robespierre, Saint-Just en zijn overige aanhangers, die alle op den 28sten Juli den dood ondergingen, het wel verdiende loon hunner euveldaden. De overwinnaars noemt men de Thermidoristen.

§ HG.

Dc oorlog van de eerste coalitie tegen de Fransche Republiek gedurende de jaren 1793 tot 1795. ■— De burgeroorlog in de Vendee en die in de zuidelijke departementen van Frankrijk, van 1793 tot 1795. — De derde constitutie of die van het directoire, den 28sten Oct. 1795.

Terwijl Frankrijk aldus zichzelf vaneonreet, toonde het naar buiten een kracht, die menigeen verbaasde. Op den Isten Februarij 1793 ver-

-ocr page 332-

302

klaarde het den oorlog aan Groot-Britannië, alsmede aan den erfstadhouder der Nederlandsehe gewesten (zie blz. 287) en kort daarna aan kakel iv, een zoon van Karei III (zie blz. 273) en koning van Spanje (1788—1808, overleden 1819), dewijl deze mogendheden zoowel andere buitensporigheden der omwenteling als inzonderheid het ter dood brengen des konings luide hadden afgekeurd. De Engelsche minister Pitt bracht nu de eerste coalitie (samengroeiing, nauwe vereeniging) van de meeste van Europa's staten, die hij grootendeels ruim ondersteunde, tegen de conventie tot stand. Het hoofdtooneel van den strijd bleef vooreerst nog in de Oostenrijksche Nederlanden. Vanhier uit deed Dumouriez, de grenzen der Vereenigde Nederlanden overtrekkende, een inval in Staats-Brabant, nam er eenige vestingen, maar keerde, op last der conventie, weldra terug. Don 18den Maart werd hij door Josïas, prins van Koburg, opperbevelhebber van 't leger der bondgenooten, bij Neerwinden (zie blz. 243) geslagen.

Reeds lang had de conventie Dumouriez gewantrouwd. Dadelijk na de nederlaag bij Neerwinden toonde hij duidelijk, hoedanig zijn gezindheid was. door zoowel de afgevaardigden, die de conventie naar België had gezonden, als het drijven der Jakobijnen tegen te gaan. Inderdaad koesterde hij sinds gemimen tijd een hevigen afkeer van de buitensporigheden der omwenteling en van de zoogenoemde vrijheid. Openlijk verkondigde hij, dat hij de conventie wilde vernietigen en de koninklijke regeering in Frankrijk herstellen. Hiervan onderricht, zond de conventie een viertal harer leden met den minister van oorlog, om den generaal in hechtenis te nemen. Zoodra de vijf aan Dumouriez in ziju legerplaats hun last hadden medegedeeld, voorkwam hij hen door de hand aan henzei ven te slaan en hen als gijzelaars naar het leger der bondgenooten te doen vervoeren, waarmede hij tevoren geheime onderhandelingen had aangeknoopt. Daarop, ziende, dat hij op de trouw zijner troepen, die begonnen uiteen te gaan, niet te zeer kon rekenen, stelde hij zichzelf in veiligheid bij de Oostenrijkers, die intusschen geheel België heroverden. Van dit oogenblik af nam de rol van Dumouriez op het staats- en het oorlogstooneel een einde.

In Frankrijk was men thans bedacht op buitengewone middelen: er werd tot een opkomst van 't volk in massa besloten. Gamot, lid van het comité van openbaar welzijn, bestuurde als afgevaardigde den oorlog; elke generaal, die werd geslagen of niet voorspoedig oorloogde, werd tor verantwoording naar Parijs ontboden en onderging meestal den dood. Men heeft de uitwerking dier opkomst in massa overdreven. Niet in een oogopslag kreeg do Republiek daardoor tal van goede legers. Maar dat de republikeinsche troepen weldra voortreffelijk waren is mede hieraan toe te schrijven, dat de hinderpalen werden weggeruimd, welke vroeger hen, die niet van adel waren, beletteden tot do hoogste graden op te klimmen. Reeds in Junij 1794 sloeg Jourdan den prins van Koburg bij Fleurus (zie blz. 243) zóó beslissend, dat hier aan geen weerstand meer viel te denken. Terwijl de minderheid der conventie

-ocr page 333-

303

alleen togen do Engolscho zeemacht duidelijk bleek, overschreed do Fransche generaal Pichogru, door een groote schaar patriotten ingeroepen en omstuwd, in 1795 over do bevrozen wateren de grenzen van Nederland. Willem V, tegen wien de oorlog eigenlijk was gericht, achtte het dus raadzaam te wijken en scheepte zich den 18den Jan. met zijn familie naar Engeland in. Ongeveer tegelijker tijd oiittrokken zich Pruisen en Spanje, door 't sluiten van afzonderlijke vredesverdragen, aan den krijg.

Op tweederlei wijze gaf de omwenteling aanleiding tot burgeroorlog. In het landschap, eertijds Poitou geheeten, woonde langs de Atlantische Zee, in de streek, die men de Vendée noemde, een eenvoudig onarbeidzaam volk. Dit volk, van oudsher gehecht aan den godsdienst, aan de staatsregeling en aan de zeden zijner vaderen, was naijverig op zijn rechten en verfoeide de omkeering, door de conventie op zoo velerlei gebied aangericht. Ongeveer terzelfder tijd, toen de buitenlandsche mogendheden het sein tot den oorlog gaven, barstte ook, na langdurige gisting, de verbittering van de bewoners dezer streek los. Spoedig bedwongen, stonden zij op nieuw op en breidde zich de strijd mede over Bretagne uit, waar de koningsgezinden den naam chouans, d. i. chat-huans (nachtuilen, sluikhandelaars), kregen. Maar in 1795 werd de Yendée door den moedigen generaal Hoche ten onder gebracht.

Ten anderen verhieven zich de zuidelijke departementen, op de tijding van den val der Girondisten (zie blz. 300), tegen de dwingelandij der bergpartij. Marseille, Bourdeaux, Lyon en Toulon waren de voornaamste steden, door de conventie beoorloogd. Toulon riep den zoon van Lode-wijk XVI, Lode wijk XVII, als koning uit, een kind, dat reeds in 1795 in een ellendigen toestand naar lichaam en geest in de gevangenis omkwam. Althans dit wordt veelal aangenomen. Daarentegen beweren sommigen, dat hij wist te ontvluchten en diegene was, die zich sedert 1825 voor den zoon van Lodewijk XVI poogde te doen doorgaan. Tegen dit gevoelen staat de zeer waarschijnlijk geworden en zoo goed als bewezen bewering van anderen over, welke verklaren, dat deze man eigenlijk Naundorff heette, uit een Joodsche familie in Pruisen is gesproten , zich achtereenvolgens in verschillende steden van Europa ophield, wegens euveldaden en schulden meermalen kennis maakte met de gevangenis en eindelijk in 1845 te Delft overleed. Doch koeren wij tot den burgeroorlog terug. Spoedig bezweken de drie eerstgenoemde steden; maar Toulon, dat met Engolscho hulptroepen werd bezet, bood eerst langen tijd heldhaftigen tegenstand, en slechts aan den adelaarsblik van Napoleon Bonaparte, kommandant der artillerie, had men het te danken, dat deze stad in Dcc. 1793 door de Engelschen word ontruimd en door de Franschen ingenomen.

Intusschen begon zich de openbare meening, ook in 't leger, meer en meer tegen de wreedheden van het bewind te verklaren, zoodat de partij der orde zich ten laatste met haar zegepraal kon geluk wenschen. De

-ocr page 334-

'M

nationale conventie maakte a'.snu de derde constitutie, die van het directoire, een werk van Sióyos, bekend en ging in Oct. uiteen. Zij bepaalde, dat het volk een kamer van 500 leden, den raad der vijfhonderd, tot vervaardiging der wetten, een andere van 250, den raad der ouden, tot bekrachtiging dier wetten zou kiezen, en droeg do uitvoerende macht aan vijf directeuren op. Hoewel de conventie hierop uiteenging, bracht zij de herkiezing harer leden in 't volgend bewind tot stand door een bloedige zege, door Napoleon Bonaparte den 5den Oct. (den 1.3den Ven-démiaire) met gewapende benden op de burgers van Parijs behaald. Den 28sten Oct. 1795 aanvaardde het directoire de regeering van Frankrijk. Onder de vijf directeuren waren Barras en Carnet.

Do rust, die Frankrijk na zoo hevige stormen mocht genieten, opende liet volk tegelijk de oogen voor zijn waren toestand, in geenen deele op vrijheid, gelijkheid en broederschap gelijkende. Dit deed ontevredenheid ontstaan, vooral toen hot bleek, dat de schatkist der Republiek geheel was uitgeput. In weerwil toch van de groote geldsommen, die het directoire uit Italië en andere streken trok, trots de belastingen, die het aan de Franschen zeiven had opgelegd, als op den grond, op de bedrijven (patenten), een hoofdelijken omslag, enz., kon hot zich niet staande houden. Do assignaten waren zoo laag mogelijk gedaald en verloren ge-heelenal hun geringe waarde, nadat het directoire in 1796 en 1797, door de schuld der Republiek slechts voor een zeer klein gedeelte te erkennen, geenszins voor een staatsbankroet was teruggedeinsd. Betrekkelijk den krijgsdienst vaardigde het directoire in 1798 een wet op de conscriptie uit (zie blz. 265), volgens welke de verplichting tot krijgsdienst, bij loting uit te maken, op alle burgers van den staat, zonder onderscheid, rustte.

Niet lang duurde het, of de meerderheid der wetgevende macht, alsmede Carnot en nog een dor directeuren, helde tot de koninklijke regeering over. De drie overige leden van het directoire, aldus in hun waardigheid bedreigd, verbonden zich met den op de vijfhonderd gebeten Bonaparte tot een geheimen aanslag. Deze aanslag gelukte volkomen den 4den Sept. (den 18den Fructidor) 1797. Pichegru en de overige tegenstanders werden door generaal Augereau, welken Napoleon, die, ter wille van den oorlog in Italië (zie blz. 305 vlg.), de staatsaangele-genheden geenszins uit het oog verloor, naar Parijs had gezonden, gevangen genomen en grootendoels naar Cayenne of Fransch Guyana (ten o. van Suriname) verbannen. Het driemanschap vulde zich nu weder tot het wettige vijftal aan en verlaagde sinds dezen „coup d'ótat (aanslag-op den staat)quot; de beide kamers tot werktuigen van zijn wil. De geringe mate republikeinsche vrijheid, in de twee laatste jaren nog te bespeuren, verdween geheelenal.

-ocr page 335-

§ 117.

De oorlog tegen de Fransche Republiek in Ziiid-Duitschland m in Italië gedurende de jaren 1796 en 17Hl tot den vrede van Campo Formio, den 17den October 17!)7. — De door Frankrijk opgerichte republieken.

Voor het jaar 1796 had de Fransche Republiek een grootsch plan be-raamd. Moreau en Jour dan moesten van den Rijn, Bonaparte uit Italië tegen Oostenrijk oprukken. De beide eerste veldheeren drongen diep in Zuid-Duitschland door; maar de dappere Karei, aartshertog van Oostenrijk, oen broeder van keizer Frans, sloeg Jourdan een en ander maal en dwong hem terug te keeren. Hierdoor noodzaakte hij ooi: Moreau tot zijn beroemden terugtocht over don Rijn.

Napoleon slaagde beter in liet hein opgedragen derde gedeelte dei-taak. Napoleon Bonaparte of Buonaparte, in 1769 te Ajaccio (in 't z.w. van Korsika) (zie blz. 297) geboren, verhief zich weldra hoog boven de vele mannen, ten tijde van de omwenteling van een laag standpunt tot hooge waardigheden opgeklommen. Dopr een zeldzaam veldheerstalent en door een bekwaamheid om over menschen te gebieden, gelijk weinigen ze hebben bezeten, muntte hij boven allen uit. Zijn bij ïoulon (zie blz. 803) gebleken ervaring had voor 't eerst do oogen der regeering op hom doen vestingen. Douh zijn schitterende loopbaan begon eigenlijk, toen hem het bevel over het Italiaansche leger was opgedragen. Na de ontmoedigde Fransche soldaten in onvergelijkelijke krijgslieden te hebben herschapen noodzaakte hij eerst Victor Amadêus III (zie blz. 299), voor menige opoffering den vrede te koopen. Kort daarna overleed Victor Amadêus en had zijn zoon, kakel emanüel iv (1796—1802), tot opvolger. Ue onverwachte afval van dezen bondgenoot verplichtte de Oostenrijkers tot een overhaasten terugtocht over de Po, de Tessïno en eindelijk over de Adda, waar het beroemde gevecht bij de brug van Lodi (ten z.o. van Milaan) den lOden Mei 1796 plaats had. Welhaast onderwierpen zich de thans weerlooze vorsten van Italië: de hertogen van Panna en Modëna, paus Pius VI (1774—1799) en fehdinanh iv, koning van Napels (1759—1825, zie blz. 273). Allen moesten zware geldsommen opbrengen en kostbare schilderijen en boeken afstaan.

In Juli sloeg Napoleon het beleg voor Mantua, de eenige plaats, die Oostenrijk nog in Italië had behouden. Vier malen trachtte de vijand het te ontzetten; maar na vele schermutselingen en veldslagen, zooals na dien bij Arcole (ten n.o. van Mantua), waar Alvinzi een nederlaag onderging, gaf Mantua zich in Febr. 1797 over. Thans verbrak Napoleon den wapenstilstand met den paus, on hiertoe volmacht hebbende van het directoire, dwong hij hem den 19den Febr. tot den vrede van Tolentïno (ten z.w. van Ancöna), die Pius een groot deel zijner landen, o.a. Bologna en Ferrara, en zijner schatten kostte en waarbij de paus verklaarde, zich den afstand van Avignon on a-an Venaissin (zie blz. 298) te laten wel-

Wijnne, Handboek der Alcj, Geschiedenis, 7(le druk. 20

-ocr page 336-

30(5

gevallen. Op het bericht., dat aan aartshertog Karei het opperbevel tegen hem was opgedragen, ijlde Napoleon hem te gemoet en noodzaakte Karei met spoed op Weenen terug te trekken. Het Fransche leger volgde hem op den voet, en de groooto schrik, die hierdoor ontstond, deed keizer Frans besluiten tot liet gelasten eener opkomst in massa. Zoo vaardig voldeed het volk in de gansche Oostenrijksche monarchie aan dit gebod, dat Napoleon in groote verlegenheid geraakte en in April te Leohen (in Stiermarken, ten n.w. van Gratz) een voorlnopigen vrede met Oostenrijk sloot. Rij deze praeliminairen, niet vooraf aan het directoire bekend gemaakt, beloofde Napoleon aan Frans eenige gewesten der republiek Venetië, welken staat hij schijnbaar met te meer recht kon aanvallen, dewijl er, gedurende zijn afwezigheid uit Italië, een oproer was ontstaan. Dat intusschen dit oproer slechts aan do geweldenarijen der Franschen was toe te schrijven nam Napoleon geenszins in aanmerking.

Kort daarna werden deze praeliminairen vervangen door een vrede met Oostenrijk, zoodat de oorlog van de eerste coalitie nu voor het meeren-deel der staten, die hem voorden, een einde nam. Bij dezen vrede, dien van Carnpu Forrnio (een slot ten n.o. van Venetië), den 17den Oct. 1797 gesloten, kwam de stad Venetië, benevens Dalmatië en het meerendeel van haar gebied op 't vasteland, aan Oostenrijk, waardoor deze oude Eepubliek ophield te bestaan. De Oostenrijksche Nederlanden vervielen aan Frankrijk. In 't geheim en bij voorraad erkende Frans II den .Rijn als de grens van Frankrijk, want een congres zou nader te Eastadt (zie blz. 247) worden gehouden ter herstelling van den vrede met het Duitsclie rijk. Milaan, Mantua en het overige gedeelte van Lombardije stond Oostenrijk aan de Cisalpijnsche Republiek af, welke Napoleon, alsof hij niet generaal, maar dictator was, uit deze en nabijgelegen streken had gevormd. Even tevoren was door hem te Genua een dergelijke, de Ligurische liepuhliek, gesticht. En in 1798 werd de Kerkelijke Staat eveneens in oen Romeinsche, het Zwitsersche eedgenootschap in een Helve-tische Republiek veranderd. Pius VI, die vrnchteloos verzocht, dat men hem, op zijn tachtigjarigen ouderdom, mocht laten sterven waar hij had geleefd, werd naar Valence (ten z. van Lyon aan de Rhone) gevoerd, in welke plaats hij dan ook weldra bezweek.

§ 118.

De tocht van Napoleon naar Egypte in 1708. — De oorlog der tweede coalitie tegen de Fransche Republiek , van 17SS tot den vrede van lAincville in 1801 en tot dien van Amicus in 1802. ■— Het bewind der consuls in Frankrijk. — Napoleon wordt keizer der Fransehen en koning van Italië. — Van 1708 tot 180').

In 1798 scheepte Napoleon zich te Toulon in, met het voornemen Egypte te veroveren en er een Fransche kolonie te vestigen, ten

-ocr page 337-

;iuT

einde vandaar Engelands bezittingen in Oost-Indiö to bestoken. Ook was het directoire er niet tegen, den grooten man, wien do ganscho natie huldigde, op deze wijze te verwijderen. Op den overtocht naar Afrika vermeesterde Napoleon Malta (zie blz. 181) en landde den Isten Juli in Egypte. Een manifest (openlijke afkondiging) verkondigde aan het volk, dat de Franschen waren gekomen, om den boy der Mameluk-ken to bestrijden, die in naam voor do Porte, maar metterdaad als onafhankelijk opperhoofd dit land bestuurde. Bonaparte nam Alexandria stormenderhand in en onderwierp, na een zege op den bey bij de py-ramiden (ton w. van Cairo), schier geheel Egypte. Doch de Fransche vloot werd den Isten «Vug. bij Abükir (ten o. van Alexandrië) dooiden beroemden Engolschen admiraal Nelson geslagen on vernield. Ook mislukte do belegering van Acre (zie blz. 130), dat door een Turksche bezetting werd verdedigd, en hiermede de verovering van Syrië. Vermits Napoleon echter begreep, dat de gevaarvolle toestand van Frankrijk en de onvermijdelijke val van hot directoire hem juist thans tot het vervullen eener grooto rol riepen en dat zijn kans beter stond te Parijs dan in Egypte, droeg hij het opperbevel aan generaal Kleber op en kwam in October 1799 in Frankrijk terug.

Do gevaren, die de Fransche Eepubliok bedreigden, ontsproten uit een hernieuwden oorlog van bijna gansch Europa tegen het directoire, dat het op alle koninkrijken had gemunt. Hernieuwde bewijzen had men in de behandeling, die Karei Emanuel IV, koning van Sardinië (zie blz. 305), had ondergaan, en niet minder in het lot van Napels. Door eon onwaardige bejegening getergd, begaf zich Karei Emanuel in 1798 naar hot eiland Sardinië, na afstand te hebben gedaan van 't bewind over zijn staten op 't vasteland. Eveneens moest de koning van Napels naar Sicilië vluchten en werd Napels in een Republiek veranderd. Daarom kwam, op Pitts aansporing, in 1798 de tweede coalitie tot stand tusschen Groot-Britannië, Oostenrijk, Rusland on do Porte. Bij deze mogendheden sloot zich weldra Toskane aan, alsmede Napels, waar een tegenomwenteling uitbrak, die de Franschen verjoeg en Ferdinand IV op den troon herstelde.

Nu ging ook hot congres van Rastadt, hoewel het nog tot geen voldoende uitkomsten was geraakt, uiteen, want de gevolmachtigde des keizers, de graaf van Lohrbach, verliet do stad. De overigen, de afgevaardigden van de andere staten van Duitschland en die van Frankrijk, moesten wel volgen, de laatsten inzonderheid met het oog op hun veiligheid, die reeds gevaar begon te loopen. Dit bleek welhaast; immers bij hun vertrek werden twee Fransche gezanten, Roberjot en Bonnier, even buiten de stad door Oostenrijkscho huzaren aangevallen en vermoord en een derde, Debry, gewond. Deze euveldaad moet vermoedelijk worden geweten aan don genoemden graaf van Lohrbach, of eigenlijk aan zijn lastgever, den man, die aaft 't hoofd stond van 't Oostenrijksche ministerie, den baron von Thugut. Zijn doel was, zich meester te maken van papieren, onder 't Fransche gezantschap berustende, deels om bekend

20*

-ocr page 338-

to worden met de betrekking, waarin de kleinere Duitsche staten tot Frankrijk stonden, deels om te beletten, dat de geheime onderhandelingen van Oostenrijk zelf openbaar werden. De Oostenrijksche huzaren, die het bevel voltrokken, kweten zich al te wel van hun taak. Zij hadden — zóó luidde hun last — de Fransehe gezanten wel mogen mishandelen, niet dooden.

Dg veldtoeht van 179!) viel ongelukkig voor Frankrijk uit. De Oos-tenrijksehe generaal Kray en de Russisehe opperbevelhebber Suwa-row behaalden een reeks overwinningen, zoodat zij op 't einde van dat jaar zoo goed als geheel Italië hadden veroverd, er de pas ontstane republieken vernietigden en in 1800 een nieuwen paus. Pi us VII, lieten verkiezen. In Aug. 1799 deden Engeland en Rusland een poging, om de Bataafsehe Republiek insgelijks aan 't oppergezag van Frankrijk te ontrekken. Hun troepen landden in Noord-Holland nabij den Helder; maar do tegenstand, dien de Franschen en de Nederlanders hun boden, gevoegd bij de moeilijkheid om zich in die streken huisvesting en levensmiddelen te verschaffen en bij de weinige deelneming, welke de onderneming hier te lande vond, deed ze mislukken.

Onmiddellijk na zijn terugkomst te Parijs wierp Napoleon, in overeenstemming met Siéyès, met Talleyrand, een sluw en geslepen staatsman, en met Fouché, minister van policie, bovendien ondersteund door alle generaals van naam, het inwendig verdeelde, door allen gehate en verachte directoire omver. De ontbinding' van het directoire greep op deze wijze plaats. Den 9den Nov. (den 18den Brumaire) besloot een deel van den raad der ouden, op voorstel van een zijner leden, die tot de samenge-zworenen behoorde, de wetgevende macht naar St. Cloud (nabij Parijs) te verplaatsen, Napoleon de taak dezer verplaatsing op te dragen en hem met het opperbevel over de krijgsmacht te bekleeden. Aanstonds namen Siéyès en de overige directeuren hun ontslag, met uitzondering van twee, die onder bewaking werden gesteld. Den lOden November hielden de beide lichamen der wetgevende macht een zitting te St. Cloud, waar Napoleon hen met de troepen in zijn macht had. Na tot den raad der ouden te hebben gesproken van de noodzakelijkheid eener groote verandering begaf Napoleon zich, begeleid door eenige grenadiers, naar dien der vijfhonderd. Aleer hij hier aan 't woord kon komen, riep men hem toe, dat men geen dictator wilde. Napoleon ontstelde en verliet de zaal. Te midden eener onstuimige woordenwisseling, die op dit tooneel volgde, liet een der generaals Napoleons broeder Lucien, president der vijihon-derd, door zijn soldaten uit de vergadering halen. Alsnu gelastten Lucien, die mede in 't geheim was, en Napoleon, op raad van Siéyès, dat de grenadiers de zaal van den raad der vijfhonderd zouden doen ontruimen. Dit geschiedde, en des avonds was er evenmin een wetgevende, als een uitvoerende macht meer.

Terstond werd een voorloopig bestuur ingesteld, hetwelk den 25sten December aftrad, toen de nieuwe of vierde staatsregeling werd afgekondigd.

-ocr page 339-

300

Drie consuls stelden zich voor tien jaren aan 't hoofd van den staat: natoLeon met eenhoofdig gezag, Cambacérès en Lebrun als raadslieden, Dan moest een tribunaat van 100 leden over de wetten, hun door do consuls voorgelegd, beraadslagen en een wetgevend lichaam van 800 leden daarover stemmen. Het laatste regeeringslichaam was de senaat, uit 80 leden bestaande, voor de eerste maal volgens de aanwijzing van Napoleon aangesteld en in 't vervolg door den senaat zelf te benoemen, met Siéyes als eersten president. Hij koos de leden van het tribunaat en van hot wetgevend lichaam, deelde met den eersten consul het recht om de hooge staatsdienaren te benoemen en had de bevoegdheid, do besluiten der consuls, in strijd geacht met de staatsregeling, weder in te trekken. Een groot gedeelte dergenon, die tot de Jakobijnon, de konings-gezinden, de gematigde republikeinen of welke partij ook hadden behoord, zagen in de uitgestrekte macht van don eersten consul een verademing voor htm land, door omwenteling op omwenteling geschokt, en voegden zich lijdelijk naar hetgeen was gebeurd.

Vermits intusschen de tweede coalitie-oorlog nog verre van geëindigd was, ondernam Napoleon zelf zijn stouten tocht over den grooten St. Bernhard en verscheen onverwachts in Italië. Door den merkwaardigen slag bij Marengo (een dorp ten o. van Alexandria), den 14den Juni 1800, tegen de Oostenrijkers ging het overwicht in Noord-Italië op eenmaal weer op Frankrijk over. Daar Moreau bovendien den 3den December de Oostenrijkers bij Hohenlinden (ten n.o. van Munchen) versloeg, was men in Oostenrijk ten einde raad. Dus werd den Oden Febr. 1801 de vrede te Luneville (ten w. van Straatsburg) gesloten, waardoor de linker-Rijnoever aan Frankrijk kwam. Voor de hierdoor geleden verliezen werd een gedeelte der Duitsche vorsten, als die van Pruisen, Beieren, de beide Hessens en van Nassau, ton koste dor overige schadeloos gesteld door zoogenoemde secularisatiën (zie blz. 220) en door mediatiseering. Tot dusver toch waren talrijke kleine graafschappen en vorstendommen evenzeer onmiddellijke rijksstenden geweest, als Beieren en andere groote staten, die, inderdaad onafhankelijk, den keizer slechts als leenheer erkenden. De staten, die geraediatiseerd werden, hielden thans op onmiddellijke rijksstenden te zijn; zij werden, met verlies der souvereiniteits-rechten, aan 't gezag van andere Duitsche vorsten onderworpen, en hun betrekking tot keizer en rijk werd daardoor middelbaar, in plaats van onmiddellijk, gelijk zij tot hiertoe was geweest. De uitvoering dezer moeielijke en ingewikkelde zaak droeg men aan een Duitsche rijksdeputalic op, die dit werk, onder Frankrijks en onder Ruslands invloed, den 25sten Febr. 1803 voltooide.

Intusschen groep in 1801 in Rusland een Omwenteling plaats, die zich evenwel tot het keizerlijk paleis bepaalde. Verbitterd over de grillige handelingen van Paul I, die hem vaak het voorkomen van een waanzinnige gaven, en voor hun eigen veiligheid vreezende, smeedden eenige der aanzienlijkste officieren en ambtenaren, met toestemming van groot-

-ocr page 340-

310

vorst Alexander, een samenzwering, ten einde den keizer tot het neder-leggen der kroon te dwingen. Tegen de belofte, den grootvorst gedaan, doodden de samengezworenen den keizer op een avond in de maand Maart in zijn slaapvertrek, toen hij weigerde zich gevangen te geven en zich te weer stelde. Terstond beklom, zonder dat iemand de euveldaad zocht te wreken, Alexander i (1801—1825) den troon. Middelerwijl eindigde Frankrijk den oorlog zoowel met de overige staten, als met do Porte door Egypte te ontruimen, en 't laatst met Grroot-Britanniö bij den vrede van Amiens (in 't n.o. van Frankrijk aan de Somme) in Maart 1802. Engeland gaf de Bataafsche Republiek alle veroveringen, behalve Ceylon, weder. Even vóór den vrede van Araiëns maakte Napoleon van Toskane het koninkrijk Etrurië. Kort na dien vrede, nog in 1802, nam Frankrijk de hertogdommen Panna en Piacenza, benevens het eiland Elba (ten n.o. van Korsika), in bezit. Een betere toekomst scheen zich voor geheel Europa te openen.

Sedert de invoering van het bewind der consuls neigde in Frankrijk, door het hernieuwen der oude vormen, alles meer en meer tot een eenhoofdig bestuur. Ook ten opzichte van den godsdienst liet zich die strekking bespeuren. Bij een concordaat, in 1801 met den paus gesloten en in 1802 afgekondigd, werd de katholieke eeredienst hersteld en bepaald, •dat de regeering van Frankrijk haar eigen geestelijken zou aanstellen, te verkiezen uit degenen, welke de paus de eer der kerkelijke benoeming had waardig gekeurd. Napoleon, zonder zelf zeer geloovig te zijn, was er diep van overtuigd, dat de staat den steun van den godsdienst behoefde. Gelijk in de laatste jaren was er nu geen spraak meer van beëedigde of onbeëedigde priesters. Evenals de kosten der katholieke, kwamen ook die der hervormde kerk ton laste van den staat, die hiervoor eveneens het recht kreeg, de leeraren van dit kerkgenootschap aan te stellen of althans de aanstelling te bekrachtigen. Nadat Napoleon in Jan. 1802 president der Italiaansche liepubliek, de plaatsvervangster der Cisalpijnsche, was geworden, benoemde een senaatsbesluit, door de steramen des volks bekrachtigd, hem in Aug. tot levenslang consul van Frankrijk. Daarop maakte hij zoovele wijzigingen in de Fransclie staatsregeling, dat zijn macht met recht onbeperkt kon heeten.

Hierom hielden vele aanhangers der Bourbons en eenige echte repu-bliekeinen niet op, samenzweringen togen den oppermaehtigen consul te smeden. Een der meest bekende van de aanslagen op zijn leven is die van December 1800. Toen de eerste consul op een avond in die maand naar de opera reed, werd zijn rijtuig dooreen kar belemmerd, die ergens in een straat stond. Desniettemin legde de koetsier, niet geheel nuchter, de zweep over de paarden en rende verder. Plotseling sprong een in de nabijheid geplaatst helsch werktuig met een vervaarlijk gedruisch in de lucht. Velen werden gewond of gedood; doch Napoleon was gered. Het doel van een anderen aanslag, in 1804, was den consul op te lichten of te dooden. Hij werd met medeweten der Engelsche regeering beraamd,

-ocr page 341-

doch eveneens verijdeld. Fouché, de minister van policie, kwam de samen gezworenen op het spoor en nam de meesten hunner in hechtenis. Onder hen bevond zich Moreau, die, ofschoon zijn medeplichtigheid niet duidelijk was gebleken, naar Amerika werd verbannen. In 't zelfde Jaar werd de jeugdige hertog van Enghien (zie blz. 219), een der Bourbons, uit zijn woning te Ettenheim (in Baden ten n. van Freiburg) opgelicht , en, als voorgewend deelgenoot dier samenzwering, met verkrachting van alle recht, op 't vonnis van een krijgsraad, te Vincennes (nabij Parijs) dood geschoten.

Den 18den Mei werd Napoleon, bij de uitgestrekte macht, die hij reeds bezat, nog de hoogste titel toegevoegd, want een senaatsbesluit verhief hem als napoleon i tot kcAzer der Franschen, met bijvoeging der bepaling, dat de waardigheid erfelijk zou zijn in de mannelijke lijn. Bij gebreke van reehtstreeksche afstammelingen van Napoleon zou de kroon komen aan Jozef en aan zijn nakomelingen, bij ontstentenis van hem aan Lodewijk en aan zijn spruiten. Ee.n soort van volksstemming drukte het zegel op dit besluit. Napoleon kroonde zich en zijn gemalin josephine, vroeger weduwe van den generaal Beauharnais, zelf, en paus Pius VII zalfde hem. De senaat en het wetgevend lichaam bleven in stand. Zoo ook het tribunaat; doch toen dit in 1807 werd opgeheven, werd de bevoegdheid om te beraadslagen (zie blz. 309) op het wetgevend lichaam overgebracht. Van nu aan deelde de keizer met den senaat het recht, de leden van dit college te benoemen. Een schitterende hofstoet, zestien maarschalken, een nieuwe adel en de in 1802 ingestelde ridderorde van hel legioen van eer moesten het keizerschap luister bijzetten. Aan de keizerskroon werd nog in 1805 de ijzeren koningskroon van Italië toegevoegd, waar de republiek werd afgeschaft. In 't zelfde jaar werd de Ligurisohe Republiek met het grondgebied van Frankrijk vereenigd.

§ 119.

De derde coalitie-oorlog. — De vrede van Presburg. — Napoleon sticht rijken voor zijn bloedverwanten. — Het Rijnverbond. — Hernieuwde oorlog van Pruisen tegen Frankrijk tot den vrede van Tilsit. — Hd continentaalstelsel. — Van 1805 tot 1807.

Zóó hoog verhief zich die buitengewone man. Thans stelde hij zich tot taak. Frankrijk tot hoofd van het Europeesche statenstelsel te verheffen. Dit oogmerk kon alleen worden bereikt door 't vernietigen van de onafhankelijkheid der volkeren: hierom zien wij hem van nu aan met onvermoeide inspanning kampen, om zich van de heerschappij over geheel Europa meester te maken. Dit belet niet, dat zijn rustelooze werkzaamheid van een anderen kant veel goeds tot stand bracht. De wetgeving regelde hij met wijsheid, zoowel door de invoering van een nieuw burgerlijk (code Napolóon) en straf-wetboek, als van andere; orde en rust werden

-ocr page 342-

312

hersteld; de godsdienst kwam weer in 't bezit zijner rechten; het hoogei'-on het lager onderwijs werden op breede schaal ingericht en geregeld; vele bedrijven vonden, waar zij ze behoefden, ondersteuning.

Eer nog Napoleon zich met de keizerskroon had getooid, was in Mei 1803 de oorlog mot Engeland op nieuw uitgebarsten, dewijl deze staat het voor zijn heerschappij gewichtige Malta niet wilde ontruimen. Lang koesterde Napoleon het voornemen, een landing in Engeland te doen en daardoor dit rijk voor goed te onderwerpen. Voor dit doel trof hij te Boulogne (ten z. van Calais) toerustingen op groote schaal. Doch de groote zwarigheden, aan de onderneming verbonden, gevoegd bij de zorgen van den weldra te land te voeren oorlog, verhinderden de voltrekking van liet plan. Pitt bracht in 1805 de derde coalitie tusschen Groot-Britannië, Oostenrijk, Rusland en Zweden tot stand. Met de snelheid des bliksems drong Napoleon in Duitschland door en bezette Weonen. De beslissende veldslag van den 2den Dec. bij Austerlitz (ten z.o. van Brünn, in Moravië), waar de Franschen over de Oostenrijkers en over den liussischen generaal Kutüsow zegevierden, bewoog keizer Frans, zich van de coalitie los te maken. Hij sloot den 26sten Dec. met Napoleon den wede van Presburg (in Hongarije, aan den Donau, ten o. van Weenen), waarbij Oostenrijk zijn Yenetiaansche bezittingen (zie blz. 306) aan het koninkrijk Italië, Tyrol en verschillende vorstendommen aan Beieren en zijn Zwaabsche landen aan Wurtemberg en aan Baden afstond. Den Isten Jan. 1806 verhief Napoleon de aldus vergroote staten Beieren en Wurtemberg tot koninkrijken

Zijn eigen macht meende de keizer der Franschen te bevestigen door landen en kronen aan zijn bloedverwanten en gunstelingen uit te deelen. In 1805 werd zijn oudste broeder. Jozef, koning van Napels, waar Napoleon het huis der Bourbons (zie blz. 307) afzette. Ferdinand IV handhaafde zich echter in 't bezit van Sicilië. In 1806 werd zijn tweede broeder Lodewijk koning van Holland. Zijn stiefzoon Eugenius Beau-harnais (zie blz. 311) schonk hij de waardigheid van onderkoning van Italië. Zijn zwager, Murat, werd eerst hertog, later groot-hertog van Kleef en Berg (thans een deel der Pruisische Rijnprovinciën, ten o. van Keulen). In Duitschland stichtte Napoleon in 1800 onder de Zuid- en de Midden-Duitsche vorsten, zooals onder die van Beieren en van Wurtemberg, het Rijnverbond, waarvan hijzelf in naam protector (beschermer), metterdaad gebieder werd. Uit naam van hem bestuurde een geestelijke. Karei van Dalberg, mot den titel vorst-primaat dit verbond, waarbij zich zoowel andere Noord-Duitsche vorsten aansloten, als ook fkedekik augustus i van Saksen (1763—1806; 1806—1827), die zijn titel „keurvorstquot; met dien van koning verwisselde. Aan 't gezag der vorsten, die zich tot deelneming aan het Rijnverbond bereid verklaarden en hoogere titels verkregen, werden de rijken van andere vorsten, wier gebied door het hunne was omgeven, onderworpen, d. i. deze laatsten werden ge-mediatiseerd (zie blz. 309). Nu loste zich het Duitsche rijk op: Frans 11

-ocr page 343-

313

legde den 6den Aug. 1806 de Duitsche keizerskroon neer, na reeds ih 1804, als f kans i, den titel erfelijk keizer van Oostenrijk te hebben aangenomen.

In Oct. 1806 verklaarde fkedebik willek ui van Pruisen (zio Ijlz, 286), dat sedert 1795 (/.ie blz. 303) onzijdig was gebleven, wederom den oorlog aan don geweldigen man, die de rechten van zijn rijk herhaalde malen had geschonden. Deze krijg liep zeer rampspoedig voor Pruisen af. In de slagen bij Je na (in Saksen, ten o. van Weimar) en bij Auerstadt (in Pruisisch Saksen, ten w. van Naumburg), den léden October 1806, werden do Pruisische legers verslagen. Bij Jena zegevierde Napoleon in persoon over den vorst van Hohenlohe (vroeger een vorstendom in 't n. van Wurtemberg). De nederlaag bij Auerstildt werd don koning van Pruisen en hertog Karei Willem Ferdinand van Brunswijk (zie blz. 288) door den maarschalk Davoust toegebracht. De meeste vestingen, o. a. Spandau (ten w. van Berlijn), Stettin (aan de Oder, in Voor-Pommeren), Küstrin (zie blz. 265), Maagdenburg, gaven zich met ongehoorde snelheid aan de Fransohen over, die reeds in 't laatst van October Berlijn bezetteden. In 1807 werden de met de Pruisen vereenigde Eussen, aangevoerd door Benningsen, bij Eylau (ten z. van Königsberg, in Oost-Pruisen) en bij Friedland (ten o. van Eylau) verslagen.

Dit voerde tot den vrede van Tilsit (ten n.o. van Königsberg) in 1807, waarbij Pruisen al het land tusschen den Rijn en de Elbe verloor. Hieruit, uit Hessen-Kassei, uit Brunswijk en uit een deel van Hannover, welke staten Napoleon zich had toegeëigend, werd het koninkrijk Wesl-phalen voor zijn jongsten broeder, Jéróme (Hieronynius), saamgesteld. De PooIscIk landen, die bij verschillende deelingen achtereenvolgens aan Pruisen waren gekomen, werden onder den naam hertogdom Warschau aan den koning van Saksen (zie blz. 312) toegevoegd. Ook Rusland kreeg een klein deel van Pruisen. Dantzig werd een vrije stad of republiek. De diep vernederde koning van Pruisen moest zich nog andere smadelijke voorwaarden laten welgevallen en de ontruiming van het overschot zijner landen door de Fraasche soldaten voor een ontzaglijke som koopen.

Ter zee had de keizer der Franschen, bij al dien voorspoed, ongelukkig gestreden, in weerwil dat zijn vloot met Spaansche oorlogschepen was versterkt, want ook Karei IV (zie blz. 302) had Engeland den oorlog verklaard. Do Engelsche admiraal. Nelson, vernietigde don 21 sten Oct. 1805 bij kaap Trafalgar (ten z. van Cadix) bijna do gc-heele Fransch-Spaansche zeemacht onder de admiraals Villeneuve en Gravïna, maar vond er ook het eind van zijn heldenloopbaan. Kort daarna overleed het hoofd der coalitie, Pitt. Wrevelig over de geleden nederlaag, verordende Napoleon te Berlijn, bij besluit van den 21sten Nov. 1806, het continentaalstelsel, d. i. de uitsluiting der Engelschen van het vasteland, waardoor hij allen handel met Groot-Britannic verbood en al wat Engelsch was voor goeden buit verklaarde. Dit stelsel

-ocr page 344-

Ml

drong Napoleon Langzamerhand aan alle staten van Europa, uitgezonderd de Porte, Portugal en Rusland (zie blz. 816), op. In 1810 verscherpte hij het nog door het decreet van Fontainebleau (ten z.o. van Parijs), waarbij hij hot openlijk verbranden van alle Engelsche waren in de van hem afhankelijke staten gelastte.

§ 120.

Wederrechtelijke handelwijze van Engeland tegen Denemarken. — Oorlog van Oustaaf IV Adolf van Zweden, uit het huis Holstein- Gottorp, tegen Rusland, Denemarken en Frankrijk. —■ Karei XUI ivordt koning van Zweden. — De afxetting van het huis Braganxa in Portugal en der Bourbons in Spanje. — Jozef ivordt koning van Spanje, Mural koning van Napels. — De oorlog tegen Napoleon in Spanje. —

Pius Vil afgezet. — Vernieuwde oorlog van Oostenrijk tegen Frankrijk tot den vrede van Weenen of van Schönhrunn. — Napoleons oorlog met Alexander 1 en zijn tocht naar Rusland. — Van 1807 lot 1813.

In het Noorden van Europa sloot de eene staat zich even nauw bij Napoleon aan, als de andere hem fel bekampte. Een half jaar voordat FKEDERIK vi (1808—1839, zie blz. 283) den troon besteeg, omhelsde Denemarken de partij van Napoleon, vooral omdat de verontwaardiging der Denen wqs gewekt tegen de rogeering van Engeland, die Frederik, destijds nog kroonprins, in 1807 door het vreeselijk bombardement van Kopenhagen, op wederrechtelijke wijze had gedwongen, zijn schoone oorlogsvloot naar de Engelsche havens te laten wegvoeren, uit vrees dat anders die kostbare schat Napoleon in handen mocht vallen. Daarentegen hield gtjstaaf iv adolf, koning van Zweden (1782—1809, zie blz. 285), het geheelenal met Engeland, dewijl hij Napoleon persoonlijk hevig haatte. Zware verliezen waren het gevolg van den oorlog, dien Zweden nu tegen Rusland, Frankrijk en Denemarken begon. Pommeren werd in 1807 door de Franschen veroverd, Finland in 1808 door Rusland in bezit genomen. Een aantal samengezworenen maakten zich in 1809 meester van Gustaaf Adolf IV en noodzaakten hem afstand te doen van de kroon. Zijn oom en opvolger, karel xiii (1809—1818, zie blz. 285), sloot in 1809 vrede met Denemarken en met Frankrijk, hetwelk Pommeren teruggaf. Met Rusland kwam in 't zelfde jaar de vrede tot stand, die Zweden menige opoffering, ook Finland, kostte.

Met toestemming van Napoleon, die hiertoe echter schoorvoetend overging, benoemden de stenden van dit rijk den 21sten Augustus 1810 maarschalk Bernadotte, prins van Ponto-Corvo (een prinsdom, dat tot den Kerkdijken Staat behoorde, maar in Napels aan de Garigliano, ten n.w. van de stad Napels, ligt), die ten tijde van zijn verblijf als Fransch generaal in Denemarken de genegenheid der Zweedsche grooten

-ocr page 345-

315

had weten te verwerven, tot kroonprins van Zweden en troonopvolger. Bernadotte werd tevens van katholiek Luthersch.

In 1807 verdreef een Fransch leger het koninklijk huis Braganxn, wegens zijn verbintenis met Engeland, uit Portugal, dat zich hierop naar Brazilië begaf. Ook jegens Spanje wierp Napoleon nu het masker af. Do slechte verstandhouding tusschen Ferdinand, een zoon van Karei IV (zie blz. 313), aan de ocne zijde en den koning met den minister Go do y aan de andere zijde begunstigde zijn booze bedoelingen. In Maart 180S stiet Ferdinand zijn vader van den troon, nam Godoy in hechtenis en aanvaardde als ferdinand vii (1808—1833) de regeering. Doch eenigo weken later liet hij zich, evenals zijn vader, naar Bayonne (in 't z.w. van Frankrijk aan de Adour) tot het houden eener samenkomst met Napoleon lokken. Dilar noodzaakte de keizer de Bourbons, vader en zoon, in Mei afstand te doen van de kroon van Spanje, welke hij aan zijn broeder jozef gaf, die Napels (zie blz. 312) aan den groothertog van Berg, Joachim mrkat, overliet. De beide Bourbons bleven vooreerst in Frankrijk; maar de Spanjaarden, door Napoleons gewelddadigheden in hun nationaliteit gekrenkt, verhieven zich vol haat tot een hardnekkigen en heldhaftigen kamp, om het vreemde juk af te werpen.

Deze oorlog, een ware volksstrijd, die het eerst Napoleons macht begon te ondermijnen, was in de eerste jaren vol wisselingen, want nu eens hadden de Spanjaarden, dan weer de Franschen de overhand. Tot Nov. 1808 zegevierden de talrijke, doch ongeoefende Spaansche krijgsbenden veelal, hoofdzakelijk door zich tot den kleinen of zoogenoemden guerilla-oorlog te beperken, waartoe de gesteldheid van 't land hun een uitmuntende gelegenheid aanbood. Maar toen Napoleon zelf in Nov. 1808 aan 't hoofd zijner legers verscheen en eenige malen in 't open veld zegepraalde, neigde de krijgskans weer tot zijn voordeel. In 't zelfde jaar verbond George III, koning van Engeland, zich met Spanje en zond een leger onder Arthur Wellesley, sinds 1810 hertog van Wellington (in Somerset). Tevens richtten de Cortex of afgevaardigden van 't volk te Cadix een regentschap op, dat de leiding van 't geheel op zich nam. Nadat Napoleon wegens de krijgstoerustingen van Oostenrijk naar Parijs was teruggeijld en maarschalk Soult, hertog van Dalmatiö, als opperbevelhebber achtergebleven, bestreden de guerilla-benden hem op hun wijze, den oorlog in 't open veld aan Wellington overlatende. Na de overwinning bij Salamanca (in 't z. van Leon, aan de Tormes) op den veldheer Marmont, hertog van Ragüsa (in Dalmatië), den 22sten Juli 1812, verdrong Wellington, door do Cortez tot opperbevelhebber dor Spaansche legers benoemd en begunstigd door den rampspoe-digen tocht der Franschen naar Rusland, allengs do vijanden geheelenal uit Spanje.

Ook do verstandhouding van Pius VII met Engeland nam de man dos gewelds euvel op. Hij liet daarom Rome in 1809 met krijgsvolk bezetten en verklaarde, dat de wereldlijke macht van den paus was

-ocr page 346-

316

opgeheven. Toen nu Pius den ban over Napoleon uitsprak, Het de keizer hem in hechtenis nemen en als gevangene eerst naar Savona (ten z.w. van Genua aan zee), later naar Fontainebleau voeren. De Kerkelijke Staat werd thans bij het grooto rijk van den keizer der Pranschen ingelijfd , welk lot het koninkrijk Etrurië (zie blz; 310) reeds in 't vorige jaar had getroffen.

In 1809 verklaarde Oostenrijk, vertrouwende op den tegenstand dei-Spanjaarden en op den alom ontwakenden volksgeest. Bonaparte op nieuw den oorlog. Wederom liet hij ongelukkig voor dezen staat af. Reeds in Mei namen de Franschen Weenen in bezit, en hoewel aartshertog Karei in die maand den slag bij Aspern (ten n.o. van Weenen, aan den Donau) won, viel die bij Wagram (ten n.o. van Aspern) op den 5den en den 6den Juli tot zijn nadeel uit. Hoe moedig ook de in massa opgestane Tyrolers onder Andreas Hofer en anderen voor Oostenrijks belangen en voor hun eigen vrijheid streden, verplichtte toch de loop der gebeurtenissen keizer Frans I tot dm vrede van Weenen of van Schön-brunn (een slot nabij die stad) (Oct. 1809), die Oostenrijk menige landstreek kostte. Kort daarna liet de keizer der Franschen zich van zijn gemalin Joséphine scheiden en huwde de aartshertogin Maria Louise, een dochter van Frans I, uit welk huwelijk in 1811 een zoon werd geboren, wien Napoleon den titel koning van Home schonk en die in 1832 te Weenen is overleden.

In plaats van te voldoen aan Napoleons eisch tot verscherping van 't continentaalstelsel scheurde keizer Alexander zich in Dcc. 1810 er geheel van los, tevens vorderende, dat de Franschen eindelijk eens tot de ontruiming van Pruisen zouden overgaan. Bonaparte begreep, dat ook Rusland moest worden vernederd. Met een geducht leger van ruim een half millioen manschappen, gedeeltelijk uit hulptroepen bestaande van de meeste Europeesche staten, inzonderheid van Oostenrijk en van Pruisen, trok Napoleon in Juni 1812 over de westelijke grensrivier van Rusland, de Niemen. Eenige raaien versloegen de Franschen de Russen, niet veel boven de 250,000 man sterk, over welke de veldmaarschalk Barklay de Tolly het opperbevel voerde en die steeds terugtrokken. Een hevig gevecht viel in Aug. voor bij Smolensk (aan de Dnieper, ten z.o. van Witebsk). Alsnu benoemde Alexander Kutflsow (zie blz. 312) tot opperbevelhebber, die den 7den Sept. den slag bij Borodïno (ten w. van Moskau), ook wel aan de Moskwa geheeten, verloor, voor den bloedigste gehouden, die sedert de aanwending van het buskruit tot dien tijd werd geleverd en na welks afloop Napoleon Ney met den titel „vorst van de Moskwaquot; vereerde. Den 14den Sept. trok Napoleon het door de inwoners verlaten Moskau binnen, ten einde in deze aloude hoofdstad van Rusland den czaar den vrede voor te schrijven.

Onverwachts stond de groote stad, waar Napoleons leger zich van de vermoeienis hoopte te' herstellen, in brand. Ook voor dit zware offer deinsde de haat der Russen tegen de indringers niet terug. Den 17den

-ocr page 347-

Oct. aanvaardde Napoleon den terugtocht, en wel langs rlenzelfden weg, waarop hij, allesverwoestende, was binnengedrongen. Maar de vroegtijdig invallende vreeselijke koude, nijpend gebrek en bestendige aanvallen dei-zeer talrijke en door bitteren haat tegen den vijand bezielde Russische legers losten weldra alle tucht en orde bij de Franschen op. Zeer veel nadeel brachten aan hot wijkende Fransche leger bovenal (h koxakken too, een onregelmatige ruiterij, welker hoofdwapen in de lans bestaat, die niet aan reglementen en voorschriften is gebonden en waarbij elk voor zich, niet bij afdeelingen of eskadrons, strijdt. Het geheele hoofdleger werd, inzonderheid bij den rampzaligen overtocht over de Berexïna (een zijtak der Dnieper, naar 't w.), den 26—28sten Nov. vernietigd. Van do bijna ontelbare menigte goéd gewapende cn behoorlijk uitgeruste krijgslieden, die vijf maanden tevoren Rusland was binnengedrongen, keerde niet een enkele afdeeling in goede orde over de Niemen terug. Ten minste 300,000 man kwamen door 't vuur, door de koude of door de ontbering aller levensbehoeften in Rusland om. De beide andere legers, niet zoo ver voortgerukt, waren bij tijds, zonder zulke ontzettende verliezen te ondergaan, binnen hun grenzen teruggetrokken. Doch de Pruisische generaal York, die liet sterkste gedeelte van den linkervleugel aanvoerde, viel van Napoleon af en sloot den 30sten Dec. een verdrag met de Russen, waarbij zijn korps als onzijdig werd erkend. Napoleon zelf had het leger in 't begin van Dec. verlaten en was op een boerenslede te Warschau aangekomen. Vandaar spoedde hij zich naar Parijs, om zich op nieuw ter voortzetting van de vijandelijkheden toe te rusten.

§ 121.

Dc oorlog der hondgenooten tegen Napoleon en hun veldtocht in Frankrijk

gedurende den winter. —• Napoleons val en zijn vertrek naar Elba. — Lodewijk XVIII (Bourbon) koning van Frankrijk. — De eerste vrede van Parijs. — Van 1813 tot 1814.

De onvoorziene rampspoed van den man, die tot hiertoe nagenoeg geheel Europa beheerschte, gaf den volkeren een krachtigon wenk, die bij hen de overtuiging wekte, dat het uur hunner bevrijding had geslagen. Het eerst snelden de Pruisen, opgeroepen door hun koning Frederik quot;Willem III, met zeldzame geestdrift te wapen. Middelerwijl had Napoleon nieuwe scharen bijeengebracht, waarbij zich de Saksen aansloten, wier koning-, getrouw aan zijn eens gegeven woord, zich niet, gelijk zoovele andoren, van het Rijnverbond losrukte. Toen men uit de onderhandelingen, door Oostenrijks bemiddeling op een congres te Praag aangeknoopt, de overtuiging putte, dat Napoleon geen afstand wilde doen van zijn dictatoriale macht over Europa, begonnen de vijandelijkheden van Rusland, Pruisen, Oostenrijk, Engeland en Zweden tegen Frankrijk met ver-

-ocr page 348-

■MS

nieuw do krachtsinspanning. Tegenover een zege van Napoleon zelf bij Dresden in Augustus 1813 stond dat zijn maarschalken in dezelfde maand herhaalde nederlagen leden. Oudinot werd bij Grosz-Beeren (ten z.w. van Berlijn) door Bernadotte, Macdonald bij de Katz-bach (een zijtak der Oder, ten n.w. van Breslau) door den Pruisisohen generaal Blttcher, van Da mme bij Kulm (in Bohemen, ten n.o. van Teplitz) door een gedeelte van het leger geslagen, hetwelk onder bevel stond van den Oostenrijkschen. veldheer Schwarzenberg. Eindelijk trokken de oorlogvoerende partijen haar troepen op de uitgestrekte vlakten van Leipzig bijeen, waar een driedaagsche bloedige volkercnslag (don IGden, den IBdon en den 19don Oct.) ten nadoele van Napoleon afliep en Duitschland bevrijdde.

Do Franschen vloden over den Rijn, en Leipzig werd door de bond-genooton bezet. De aldaar achtergebleven koning van Saksen werd als gevangene vooreerst naar Berlijn gevoerd. Beieren was even vóór den slag van Leipzig van het Rijnverbond afgevallen en had zijn troepen bij het leger der bondgenooten gevoegd. Na dien slag volgden Wurtem-borg en anderen. Dus was Duitschland tot den Rijn van de Franschen bevrijd, en het Rijnverbond verviel. Hierop gebruikte Bernadotte zijn troepen tot hot beoorlogen van Napoleons bondgenoot Denomarkon en dwong dezen staat in Jan. 1814, Noorwegen (zie biz. 1C4) aan Zweden af te staan. Op die manier kroeg Zweden vergoeding voor het verlies van Finland. Van zijn kant werkte de Pruisische generaal Bülow ter bevrijding van de Nederlanden mede, waarheen de erfprins van Oranje, een zoon van Willem V, den SOsten Nov. 1813 uit Engeland terugkeerde. Eveneens was Spanje reeds, na Wellingtons groote overwinning bij Vittoria (in de provincie Alava, ten w. van Pamplona), den 21 sten Juni 1813 op koning Jozef en Jourdan behaald, voor Frankrijk verloren gegaan.

In 't laatst van December 1813 en den Isten Jan. 1814 trokken do bondgenooten onder aanvoering van Schwarzenberg on van Blücher over den Rijn, na tevoren Napoleon, doch vruchteloos, don vrede te hebben aangeboden, onder voorwaarde dat de Rijn, do Alpen en do Pyrenaeën Frankrijks grenzen zouden zijn. Zij zetteden hun marsch voort, bestormden de hoogten van Montmartre (ton n. van Parijs) en verplichtten maarschalk Marmont tot capitulatie. Den 31sten Maart hielden keizer Alexander I en koning Frederik Willem III hun plechtigon intocht in Frankrijks hoofdstad. De Fransche senaat, door Talleyrand geleid, verklaarde den 2don April Napoleon Bonaparte ven den troon vervallen. Eenige dagen later deed de keizer, die zich naar Fontainebleau had gespoed, zelf afstand, maar ten behoeve van zijn zoon (zie biz. 31C), die deswege en om hetgeen in 1815 geschiedde Napoleon II wordt genoemd, een voorwaarde, waarop niet werd gelet. Slechts verwierf Napoleon, met behoud van zijn titel, het eiland Elba (zie blz. 310) met ruime inkomsten voor zich en de zijnen.

-ocr page 349-

319

t)eii 4clen Mei 1814, den dag, waarop Napoleon op El'je landde, trok de voormalige graaf van Provence (zie blz. 297), thans lodewijk xviii (Bourbon) (1814—1824), Parijs binnen, aanvaardde de regeering en gaf reeds den 4don Juni aan Frankrijk een nieuwe staatsregeling, op Engel-sche leest geschoeid, de rharte goheeten. In 't wezen der zaak geleek zij echter zeer weinig op de Engelsche staatsregeling. Metterdaad was zij een terugkeer tot het oude. Het recht om wetsontwerpen bij de beide kamers, bij den senaat en bij die van do afgevaardigden des volks, in te dienen had alleen do koning. Van verantwoordelijkheid der ministers werd geen melding gemaakt in de charte, tenzij in geval van verraad of afpersing. Slechts ten aanzien van do wetgeving en van het budget (eigenlijk beurs) of de jaarlijksche begrooting dor inkomsten en der uitgaven van het rijk was de regeering van de goed- of de afkeuring der kamers afhankelijk. Het eerste, dat vervolgens te doen stond, was vrede te sluiten met de verbonden mogendheden. Bij den eersten vrede te Parijs (den 30sten Mei 1814) trad Frankrijk binnen zijn grenzen terug, ongeveer zooals zij op den Isten Januari 1792 waren geweest, doch naar den kant van België, van Duitschland en van Sardinië eenigszins ruimer, dan die liet op het aangeduide tijdstip had gehad. In Italië werd alles grooton-deels op den ouden voet teruggebracht, en ook paus Pi us VII keerde naar zijn staten weder en herstelde door de bul „sollicitüdo omnium ecclesiarumquot; van den 7den Aug. 1814 de orde der Jezuïten voor de ge-heele Christenheid (zie blz. 273). Evenals hield victor emanüeli (1814— 1821, overleden 1824), als koning van Sardinië, zijn intocht te Turijn. Hij was oen broeder van Karei Emanüel IV (zie blz. 307), die in 1802 voor goed de kroon had nedergelegd.

§ 122.

Het congres van, Weenen. — De terugkomst van Napoleon en zijn laatste oorlog tegen de hondgenootm. — Ondergang van Murat. — Napoleons val en de tweede Farijsche vrede. — Het heilige verhoud. — Van 1814 tot IHló.

Do beheerschers van Rusland, Oostenrijk en Pruisen, die persoonlijk in de gevaren van den oorlog hadden gedeeld, do koningen van Denemarken, Beieren en quot;Wurtemberg, alsmede de vorsten of do gezanten der overige staten van Europa kwamen hierop, van don Isten Nov. 1814 tot den lOden Juni 1815, op het congres van Weenen bijeen, ten einde de verwarde aangelegenheden van dit werelddeel in orde te brengen. Te midden van een ontelbare reeks feesten en verstrooiingen werd daar de kaart van Europa herzien en de omvang van 't gebied van elke mogendheid vastgesteld. De vijf groote mogendheden, die er den hoofdtoon voerden, waren Engeland, Oostenrijk, Rusland, Pruisen en Frankrijk, aan wolk laatste rijk de vier overige, hoewel eerst met

-ocr page 350-

;W)

weerzin, bij de bemadslagingen weldra een rang, gelijk aan den haren, toekenden. Van de ministers, die voor de verschillende staten zitting hadden in het congres, waren de voornaamste: Metternich voor Oostenrijk, Talleyrand voor Frankrijk, Castlereagh voor Engeland, Nes-selrode voor Ensland, Hardenberg voor Pruisen. De hoofdinhoud dei-bepalingen van het congres van Weenen is;

Rusland krijgt het hertogdom Warschau onder den titel koninkrijk Polen. Oostenrijk bekomt Opper-Italiö ton o. van do Tessïno en ten n. van de Po, benevens een kleine streek ton z. dier rivier, tot hot vroegere hertogdom Mantua bohooronde, als Lombard jsch- VeneHaansch koninkrijk , on Tyrol. Krakau mot haar gebied wordt voor een vrije stad verklaard. (In 184G is zij aan Oostenrijk toegevoegd.) Aan Pruisen worden bijna de helft van het koninkrijk Saksen, liet groothertogdom Posen, Zwoedsch Pommeren met Rügon, Kleef, Berg en andere doelen van AVestphalen, benevens het grootste gedeelte van don linker-Rijnoover tot de Saar (een zijtak der Moezel, nabij Trier), toegekend. Van de tien provinciën dezer monarchie behooren Oost- en West-Pruisen, alsmede Posen niet tot het Duitsehe verbond. Beieren verkrijgt een deel van den linker-Rijnoever, Hannover, sedert tot een koninkrijk verheven en in 1803 met het voormalige bisdom Osnabriick vergroot, verwerft Oost-Friesland, Lingen, Moppen (ton n.o. van Ronthoim) en eenige andere streken. Frankfort aan de Main, Bremen, Hamburg en Lubeck blijven vrije steden. Meelden-ba r;/ en Oldenburg worden groot-hertogdommen. De gezamenlijke vorsten en de vrije steden van Duitschland, negenendertig in getal, vereenigen zich tot het Duitsehe verbond. Voor liet bestuur der aangelegenheden van dit verbond richt men den hondsdag te Frankfort aan de Main op, waarop elke vorst of vrije stad zijn gezanten zendt en waarvan de keizer van Oostenrijk voorzitter is. Groot-Britannië behoudt een aantal koloniën, o.a. do Kaap do goede hoop; bovendien verkrijgt het Helgoland (ten w. van Holstein) en Malta, Zwitserland, met Genève, Wallis en Neufchatel vergroot, bestaat uit tweeëntwintig kantons. De Zuidelijke Nederlanden, benevens Luik, met de Noordelijke vereenigd, worden ten getale van zeventien provinciën aan willem i van Oranje als koninkrijk toegewezen. Tevens krijgt deze staat het meerendeel zijner koloniën terug. Sardinië wordt met het gebied van Genua, Denemarken met Lanenburg tot do Elbe vergroot, dat Hannover aan Pruisen had afgestaan en Pruisen op zijn beurt voor Zweodsch-Pommeren aan Denemarken overliet. De Kerkelijke Staat wordt ongeveer in zijn vroogeren omvang hersteld; maar Frankrijk behoudt Avignon en Venaissin (zie biz. 30G). Panna en Piaeenza komen aan Maria Louise. De zeven lonisehe eilanden worden onder bescherming van Groot-Britanniö gesteld.

Nog beraadslaagde liet congres, toen Napoleon den Isten Maart ^ 1715 bij Cannes (ten z.w. van Nizza) landde. Vele steden openden hem haar poorten; de troepen, tegen hem afgezonden, zelfs de maarschalk Ney, schaarden zich aan zijn zijde. Het was, alsof hij een geheime

-ocr page 351-

321

•tiantrekkingskracht bezat, waartegen niemand bestand was. Den 20steii Maart trok hij Parijs binnen, waaruit Lodewijk XVIII naar Gent was gevlucht. Doch het congres van Weenen had hem reeds den 13den Maart, als verstoorder van de rust der wereld, in den ban gedaan, en de oorlog begon op nieuw. Mn rat, koning van Napels, in 't vorige jaar van Napoleon afgevallen en tot de bondgenooten overgegaan, hervatte, op de tijding ■der terugkomst van zijn zwager, de vijandelijkheden tegen Oostenrijk. Reeds in Juni echter was zijn leger ontbonden en hijzelf naar Frankrijk gevlucht, waarop i'bkiuxand iv (zie blz. 312) zijn koninkrijk weder in bezat nam. En toen Murat later, na den val van zijn voormaligen gebieder, mot een handvol volks den koning van Napels trachtte te onttronen , werd hij gegrepen en dood geschoten.

Intusschen waren de Zuidelijke Nederlanden bestemd om het tooneol te zijn, waar Napoleons lot en dat van Europa zou worden beslist. Hier «tonden twee hoofdlegers dor bondgenooten, het eeno uit Engelschen en Nederlanders bestaande, onder don hertog van Wellington, tollende ruim 100,000 man, en het Pruisische, door den grijzen Blücher aangevoerd, sterk ruim 120,000 man. Het leger der Franschen bestond uit nog geen 120,000 man. Den lilden Juni leverde Napoleon aan de Pruisen, die vruchteloos op hun bondgenoot bleven wachten, den slag bij Ligny (ten z.o. van Brussel), waar Blücher werd geslagen, maar zóó, dat hij zijn troepen nog tot een geregelden aftocht kon bijeentrekken, Grouchy bevelende, de vervolging der Pruisen op zich te nemen, trok Napoleon zelf, in den waan dat de krachten van dezen vijand waren vernietigd, met zijn hoofdleger op Wellington los. Middelerwijl was maarschalk Ney den ICden Juni door den erfprins van Oranje bij Quatre-Bras (een klein gehucht bij een kruisweg) teruggedrongen.

Eindelijk had den ISden Juni 1815 de groote veldslag plaats, dienaar Waterloo (ten ■/.. van Brussel), naar Belle-Alliance (een pachthoeve, in de nabijheid dier stad) of naar het dorp Mont St. Jean zijn naam ■draagt. Heeds waren de Engelschen op liet punt om te wijken, toen de plotselinge verschijning der Pruisen onder Bülow den slag tegen den avond ten nadeele der Franschen besliste. Had Grouchy, do bevelhebber van den rechtervleugel, het durven wagen, op zijn eigen verantwoordelijkheid van den last, dien hij had gekregen, de vervolging der Pruisen na den «lag bij Ligny, af te wijken en zich den 18den Juni op Waterloo te richten, wellicht ware do uitkomst van don slag een andere geweest. Ten deele alzoo is de schuld der nederlaag aan hem te wijten. Grooter ■deel aan die schuld heeft Ney, do kommandant van den linkervleugel, •die verzuimde Quatre-Bras bij tijd te bezetten en daardoor verhinderd word bij Ligny mede te strijden. Eenigennate kan men ook Napoleon .zelf voor hot verlies van den slag verantwoordelijk stellen, die bedachtzamer en langzamer was geworden dan voorheen, een enkele maal niet genoegzaam stellige bevelen gaf, in 't kort, die maar al te duidelijk toonde, dat hij niet langer zoozeer als vroeger aan zichzelf geloofde.

Wijnne, Handboek der Alg. Geschiedenis, 7(le druk. 21

-ocr page 352-

322

Deze volledige nederlaag maakte een eind aan de zoogenoemde regeering der honderd dagen. Want Napoleon, van alle middelen tot liet voortzetten van den oorlog verstoken, deed den 22sten Juni ten tweeden male afstand van de kroon. Wel deed hij dit wederom ten behoeve van zijn zoon, diè ook als keizer der Franschen werd uitgeroepen; doek op deze bepaling werd in 't geheel geen acht geslagen. Kort daarna gaf hij zich bij Roohefort (ten z. van la Rochelle, aan zee) aan do Engelschen over, nadat de vloot dezer natie hem de voorgenomen vlucht naar Amerika had belet. Volgens een besluit der mogendheden voerde men hem nu als gevangene naar St. Helena (in den Atlantisehen Oceaan, ten n.w. van het Kaapland), waar hij door den Engelschen generaal Hudson Lowe werd bewaakt en den 5den Mei 1821 overleed. De tweede vrede van Parijn, den 20sten Nov. 1815, bracht Frankrijk, waarover Lodewijk XVIII hot bewind weder aanvaardde, binnen de grenzen van 1790 terug (zie echter blz. 320, bij den Kerkelijken Staat) en ontnam aldus aan dit rijk do bij den eersten vrede van Parijs (zie blz. 319) bepaalde gebiedsvergrooting. Ook moest hot den bondgenooten een som van 350,000,000 gl. als schadevergoeding voor oorlogskosten geven. Eindelijk legde men Frankrijk do verplichting op, gedurende vijf jaren oen bondgenootschappelijk leger van 150,000 man te onderhouden en hiervoor een aantal vestingen in 't n.o. van het rijk in to ruimen. Van deze laatste verplichting werd hot evenwel in 1818 ontslagen.

Wat de overwinnaars betreft, nog gedurende hun verblijf te Parijs sloten' zij, met name keizer Alexander, keizer Frans 1 en koning Frederik Willem, den 26sten Sept. 1815 hel heilige verhond. Hierbij erkenden zij, dat, naaide leer des Evangelies, alle Christenen slechts één als brooders vereenigd volk uitmaken, en beloofden, zoowel onder elkander als met betrekking tot hun onderdanen, gelijk ware huisvaders, de voorschriften dor gerechtigheid, der liefde en des vredes te zullen opvolgen. Met uitzondering van Groot-Britanniö, van den Kerkelijken Staat en van Turkije sloten zich achtereenvolgens de overige Europoosche mogendheden bij dit verdrag aan.

§ 123.

De Nederlanden ouder Willem V. — De Bataafsche Republiek met tal van elkander afwisselende constitution. — Rutger Jan Schimmelpen-ninclc. — Lodewijk Napoleon koning van Holland. — De Nederlanden als deel van Frankrijk. — De Nederlanden en België als koninkrijk onder Willem 1. — Van 1787 lot 1815.

't Pruisische leger (zie blz. 288) en de wil van een groot deel der Ne-derlandsche natie herstelden willem v in al zijn waardigheden en rechten. Pruisen en Engeland waarborgden in 1788 bij een overeenkomst, met ,de Republiek gesloten, het erfstadhouderschap. In 't zelfde jaar stelden de

-ocr page 353-

323

staten der zeven gewesten, benevens die van Drente, een geschrift op, de akte van garantie, waarin zij het erfstadhouder-, kapitein-generaal- en admiraalschap voor een wezenlijk deel van den regeeringsvorm, vooreen grondwet van staat verklaarden. In 1791 trad de erfprins (zie blz. 287) in het huwelijk met Frederika Louise Wilhelmina, een dochter van den koning van Pruisen. Uit 's prinsen huwelijk sproten in 1.792 Willem Prederik George Lodewijk, in 1797 quot;Willem Frederik Karei, in 1809 Marianne. Vele heilzame pogingen werden aangewend, vooral door den raadpensionaris van de Spiegel, om de Republiek op te beuren. Maar de gebreken in 't staatsbestuur waren vele; zij waren verouderd. En bij den omkeer van zaken had men niet vergeten en vergeven: scharen patriotten, van de amnestie uitgesloten, weken naar Frankrijk; velen werden van hun ambten ontzet, anderen uit den lande gebannen. Tweespalt en partijschap bloven voortwoelen, en het einde van den staat naderde.

Vruchteloos streden (zie blz. 302) Willeins zonen, Willem Frederik en Frederik, met moed en beleid aan 't hoofd der Nederlamlsche scharen die een deel uitmaakten van 't leger der bondgenooten. Weldra kwamen Fransche legioenen, door vroeger uitgeweken patriotten onder Daendels geleid, naar ons land afzakken. Daar de nationale conventie had verklaard, dat zij zich in geen verdrag met de Republiek wilde inlaten, eer de stadhouder zich had verwijderd, vertrok Willem V (zie blz. 303) eerst naar Engeland, vervolgens in 1800 naar Brunswijk, waar hij den 9den April 1806 overleed. Thans bezweek de oude staat, om bij het Tlaaysche verdrag van Mei 1795 plaats te maken voor de Bataafsche Republiek, die onzen landgenooten evenwel op zware offers kwam te staan. Heide partijen hadden de spreuk der vaderen: „concordia ros parvae crescuntquot; (eendracht maakt macht) vergeten, en met 100,000,000 gi., het voortdurend onderhouden van 25,000 man Fransche troepen, den afstand van Maastricht, Vonlo en Staats-Vlaanderen, hot openen der Schelde en het toelaten van Fransche bezetting in Vlissingen moest het vaderland den schijn van onafhankelijkheid van Frankrijk betalen. Daarenboven verklaarde Engeland om deze verandering aan de Republiek don oorlog en ontnam haar bijna al hare buitenlandsche bezittingen. Onder het goede, dat uit den druk der tijden werd geboren, was dit, dat bij de nieuwe .staatsregeling, eerst na lange en hevige oneenigheden den Isten Mei 179S afgekondigd, het Greraeenebest één on ondeelbaar werd verklaard, zoodat de zeven souvereine staten of provinciën, de vroegere Generaliteitslanden of veroveringen en hot bondgenootschappelijk landschap Drente van nu aan maar één staat vormden. De provinciale naijver en tegenkanting weken nu langzamerhand voor een toenemende nationale eenheid, waarvan de gelukkige gevolgen zich ten minste in meer algemeeno onwikkeling vertoonden. Ook de druk der stedelijke aristocratie hield thans op, terwijl de amalgame of ineensmelting der schulden in 1798 plaats greep on de gelden sinds dat jaar in één algemeene kas kwamen.

In 1801 verving een nieuwe constitutie die van 1798. In April 1805

'21*

-ocr page 354-

824

maakte, altijd onder Frankrijks invloed, dezo grondwet weer plaats voor een derde, meer eenhoofdige staatsrcgding, quot;waarbij Entger Jan Schiminel-penninck, onder den naam raadpensionaris van het Bataafsche Ge-meonebest, met een bijna vorstelijk gezag werd bekleed. Tegelijk werd de wetgevende macht aan een vergadering van 19 leden, „hunne hocgmo-genden, representeerende het Bataafsehe Gemeenbestquot;, opgedragen. Zooveel hij vermocht, wendde Schimmelpenninck zijn macht ten algemeenen nutte aan, zooals dan ook tie daadwerkelijke regeling van hot lager onderwijs, het invoeren van algemeeue in plaats van de vroegere provinciale belastingen, commissiën van landbouw en andere instellingen gunstig voor zijn bewind getuigen.

Maar do machtige cn alles beheerschende geest van Napoleon duldde ook deze zwakke schaduw van een onafhankelijke republiek maar kort. Een vierde staatsregeling volgde in Juni 1806, en lodewijk napoleon werd koning ran Holland, tegen erkenning van de oppermacht zijns broeders als hoofd van 't geslacht. Hen werd een wetgevend lichaam van 89, alsmede een staatsraad van 13 leden toegevoegd. Waar Lodewijk als koning zijn eigen weg kon bewandelen, poogde hij het goede tot stand te brengen; doch de bevelen zijns broeders bonden hem meestal de handen. Een onvoorziene ramp trof daarenboven onder zijn regeering óns land: den 12den Jan. 1807 sprong te Leiden een kruitschip, waarbij 152 menschen het leven verloren. Aan grondgebied werd de staat bij den vrede te Tilsit (zio blz. 313) uitgebreid, doordien Jever (thans in 't n.w. van 't groothertogdom Oldenburg) en Oost-Friesland, tegen den vollen afstand van Vlissingen en zijn tafel, dat aan Frankrijk kwam, met het koninkrijk Holland werden vereonigd. Een aanvankelijk wol geslaagde, spoedig evenwel toch mislukte landing der Engelschen op Wacheren in 1809 deed het den keizer vervolgens raadzaam achten, het koninkrijk Holland, ter beveiliging van Frankrijk, te verkleinen. Geheel Zeeland, Brabant, een gedeelte van Gelderland en een klein deel van Holland kwamen aan Frankrijk, zoodat do Waal do grens van 't land in 't z.o. werd.

Inmiddels bespeurde Lodewijk meer en meer, dat de bedoeling zijns broeders eigenlijk hierop neerkwam. Holland wel in naam als koninkrijk, doch metterdaad als wingewest van Frankrijk te doen bestaan. Daarom logde hij den Iston Juni 1810 de kroon neer ten behoeve van zijn jeugdigen zoon, tot wiens voogdes hij zijn gemalin Hortensia, een dochter van Beauharnais en Josephine (zie blz. 311), een stief- en aangenomen dochter van Napoleon I, benoemde, en leefde van nu aan ondor den naam „graaf van St. Leu (ten n. van 1'arijs)quot;, tot hij in 184(5 te Livorno (in 't n.w. van Toskane, aan zee) overleed. In plaats echter van de regeering, ons land door Lodewijk toegedacht, werd het reeds den 9den Juli bij het groote keizerrijk ingelijfd. Le Brnn, hertog van Plaisanee (d. i. Piacenca of het oude Placentia, in 't n. van Italië), een grijsaard, kwam als nlgeineen stedehouder in de Nederlanden. De provinciën, vroeger reeds in departementen veranderd, werden Fransche departementen mot

-ocr page 355-

:{25

prefaden als stedehouders, o. a. de Celles on de Stassart, van welke zich vooral de eerste den vloek der natie op den hals haalde. Aireede in 1811 was de druk der inlijving recht voelbaar, toen de gevolgen zich vertoonden. De renten der staatsschuld ■werden geiiërcecrd, d. i. tot op een derde verminderd; do conscriptie of gedwongen opschrijving tot den krijgsdienst ingevoerd; de censuur ingesteld en dus do vrijheid der drukpers vernietigd; een argwanende en strenge politie vernieuwde de herinnering aan de inquisitie uit vroegere dagen ; liet openbaar onderwijs werd naar (Fut der Franschen verwrongen. Tot overmaat van ongeluk viel do laatste onzer koloniën, Java, in handen dor Engelscheu, terwijl do verordeningen van het con tinentaalstelsel onzen zeehandel geheel vernietigden en alle verkeer onmogelijk maakten. Taal en letterkunde dreigde een volkomen verval. Ternauwernood was dan ook de naam van Napoleons nederlagen in Rusland en bij Leipzig tot de Nederlanden doorgedrongen, of (zie blz.

quot;318) men wierp in 't laatst van 1813 het juk der overheersching af en dreef de Franschen het land uit. De graaf van Limburg-Stirum, van der Duyn van Maasdam en van Hogendorp bewerkten voornamelijk deze bevrijding. De beide laatstgenoemden namen mot Kemper het bestuur des lands op zich tot do komst van den zoon van den in ballingschap overleden Willem V (zie blz. 323), willem vax oranje, die den 2den Dec. als souvereine vorst werd uitgeroepen. Nadat een algemeene vergadering van notabelen uit het geheele land don 30sten Maarteen nieuwe (jrondwet, de vijfde, onder de leiding van van Hogendorp door oen staatscommissie opgesteld, had aangenomen, greep de inhuldiging van den souvereinen vorst don Sisten Maart 1814 plaats. Hij verwisselde in 1815 deze waardigheid met dio van (Willem I) koning dr.r Nederlanden, een rijk, dat het Weener congres deed ontstaan door de Belgische provinciën, benevens Luik, met den staat der Nederlanden te voreenigon. Een (jrondwet, in 't zelfde jaar tot stand gekomen, da zesde, schonk den nieuwen staat meer hechtheid. Luxemburg, dat tot het Duitsehe verbond (zie blz. 320) behoorde, werd als groothertogdom aan Willem 1 toegevoegd.

-ocr page 356-

NIEUWSTE GESCHIEDENIS.

Van 1815 tot 1895.

§ 124,

Spanje. — Opheffing der grondwet van 1812. — Verdrukking en ge-ivclddadig bestuur. — Omwenteling van 1820. — Congres te Verona. — Onderwerping van '/ land en der partijen door een Fransch leger. — Herstelling van 't gexag van Ferdinand VIL — Hernieuwde willekeur. — Opheffing der salisehe wet. —■ Dood van Ferdinand VIL — Lsahella 11. — Aanspraken van don Carlos. — De burgeroorlog der Christmo's en der Carlisten. — Fspartêro, hertog der overwinning. — Don Carlos geeft den strijd op. — Huwelijk van lsahella II. — Narvaez, hertog van Valencia. — O'Donnell. — Oorlog tegen Marokko. — Oproer van Prim. — lsahella wijkt naar Frankrijk. — Amadêus 1 koning. — Hij doet afstand van de kroon. — Spanje een republiek onder ver schillende presidenten. — Alphonsus XII tot koning benoemd. — Hernieuwing van den burgeroorlog met de Carlisten. — Beresford in Portugal. — Invoering der Spaansche constitutie. — Johan VI keert uit Brazilië weder. — Brazilië scheurt zich los en wordt een keizerrijk onder Peter I. — Dood van Johan VI. — De Braxiliaansche staatsregeling. — Burgeroorlog tusschen Maria da gloria en Miguel. — Peter II keizer van Brazilië. — Miguel laat den strijd varen. — Dood van Peter I en twee achtereenvolgende huwelijken van Maria. — Da Costa Cabral. — Saldanha. — Dood van Maria. — Het huis Braganza-Koburg. —• Peter V. — Lodewijk, I.

Voortdurend streefden de volkeren van Europa, veelal door herhaalde opstanden, naar verbetering van hun toestand. Vooral was dit het geval in Spanje, waar febdinand vii (zie blz. 315), na den val van Napoleon, do regeering wederom had aanvaard. In den tijd der verdrukking, toen Spanje nog gedeeltelijk onder het Franache juk zuchtte, in 1812, hadden de Cortex., te Cadix (zie aldaar) vergaderd, een grondwet of staatsregeling

-ocr page 357-

327

ontworpen, die don 1 Oden Maart van dat jaar was afgekondigd. Deze grondwet beperkte het koninklijk gezag zeer. Zij ging nit van de stolling, dat de souvereiniteit bij de natio berust en de koning slechts de taak heeft, don wil van 't volk uit te voeren. De koning had geenszins het recht, de Cortez te ontbinden of te verdagen. Zij n.oesten elk jaar gedurende den tijd van drie maanden bijeenkomen. Uitermate talrijk waren de bevoegdheden dezer Cortez: zij hadden een bijna onbeperkte wetgevende macht, keurden de verdragen met vreemde mogendheden goed, bepaalden de sterkte der land- en der zeemacht, bestuurden de geldmiddelen, hadden veel invloed op de inrichting en op 't getal dor rechterlijke ambten en op den tak van 't onderricht. Tweemaal mocht de koning zijn bekrachtiging aan de wet of aan een besluit der Cortez onthouden; bij een derde aanbieding moest hij ze verleenen. De koning had de uitvoerende macht; doch in vele opzichten werd zij zeer beperkt door de Cortez. Zelfs was er in de grondwet een artikel, dat de Cortez machtigde, van de troonopvolging hen uit te sluiten, die zij ongeschikt achtten voor het voeren van den schepter. De hoofdzakelijke grond voor deze nauwe omschrijving der rechten van het koningschap was do vrees, dat anders Napoleon Ferdinand, wien hij in zijn macht had, tot beloften mocht dwingen, die aan de belangen van 't volk afbreuk deden. Toen deze grondwet werd afgekondigd, ontving men ze in 't Zuiden van 't land met uitbundige toejuiching. In 't midden en vooral in 't Noorden werd zij scherp afgekeurd. Bovendien behaagde zij volstrekt niet aan de geestelijkheid in 't algemeen.

Vermits in de grondwet van 1812 een artikel stond, dat iedere wijziging gedurende een tijdbestek van acht jaren verbood, stelden de Cortez van 1814, bij 's konings terugkeer, de voorwaarde, dat Ferdinand ze onveranderd aannam en onmiddellijk bezwoer. Noch het een, noch het andere deed de koning; maar na eenige weifeling en na op zijn reis naar Madrid en bij zijn intocht in die stad onmiskenbare blijken van tegenzin tegen de grondwet bij een goed deel van 't volk te hebben waargenomen hief hij deze staatsregeling in 1814 op. Ferdinand hernam dus do onbeperkte koninklijke macht: het Spanje van 1814 werd wederom dat van 1807. De regeering werd een volstrekte regeering der caviarilla (een Spaansch woord, dat letterlijk „kabinetquot; beteekent en waarmede een bewind van gunstelingen wordt aangeduid). Adel en geestelijkheid werden nu op nieuw vrijgesteld van belastingen, de inquisitie en de pijnbank weder ingevoerd, de Jezuïten in 'tland teruggeroepen en aan de kloosters hun vroegere goederen wedergegeven. De tegenstanders dezer orde van zaken werden allerwege vervolgd; in 1816 zuchtten al 51,000 lieden, om politieke redenen in hechtenis genomen, in de kerkers. De financiën, reeds vroeger slecht beheerd, geraakten bovendien in volslagen verwarring, te meer daar de oorlog met de afgevallen volkplantingen in Amerika (zie § 145) schatten verslond. Do vloot lag onttakeld in de havens; aan het leger betaalde men maanden lang geen soldij, zoodat geheele regimenten geen schoenen aan de voeten hadden en in lompen gekleed waren, ter-

-ocr page 358-

;}2H

wijl zolfs officieren in de straten bedelden. Do regeering zocht zich thans van dc troepen, bij welke de grootste ontevredenheid bestond, te ontslaan door ze naar Amerika over te voeren, om daar tegen de opstandelingen te strijden. Sedert lang was, met dit doel, in den omtrek van Cadix een leger saamgetrokken, dat er op inscheping wachtte; maar zij werd van dag tot dag vertraagd. Door de toenemende onvergenoegdheid des volks aangemoedigd, beraamden de officieren en de soldaten van dit leger oen plan om de bestaande orde van zaken omver te worpen. Den Isten Jan. 1820 kondigde de luitenant-kolonel Riëgo, onder 't gejubel der soldaten, de constitutie van 1812 af. Bij hem sloot zich weldra Quiröga, een ander hoofdofficier, met zijn regiment aan, welk voorbeeld het meerendeel der troepen volgde. In den loop van weinige weken verbreidde de opstand zich over do meeste gewesten van Spanje, en den i)den Maart zag de koning zich eindelijk door eon oproer in de hoofdstad zelve gedwongen, de constitutie te ondertoekenen.

Dooi' toedoen van Metternich, den eersten minister van Oostenrijk, werd in 1822 een congres der Enropeesche hoofdmogendhcden tc Ver'öna (aan de Etsch) gehouden, waar men besliste, dat men zou gebruik maken van hetgeen het redd ran interventie of tusschenkomst werd genoemd en dat Frankrijk werd gerechtigd verklaard, gewapenderhand in Spanje tusschenbeiden te komen. Met behulp van een Fransch leger gelukte het aldus aan Ferdinand VII, de constitutie op nieuw af te schatten en de onbeperkte heerschappij te herstellen. Duizenden werden in .den. kerker gezet, duizenden tor dood gebracht, o. a. Riëgo. Nogtans duurden de woelingen in Spanje steeds voort, zoodat de welvaart van dezen staat zichtbaar afnam en de toestand zijner geldmiddelen bijna reddeloos werd. Het oppergezag berustte feitelijk in handen der priesters, wie n zelfs Ferdinand VII tc vrijzinnig toescheen, omdat hij zich nu en dan eenigszins zachter en toegevender dan gewoonlijk betoonde.

In Maart 1830 hief Ferdinand de salische wet (zie blz. 142, 143), die het vrouwelijk geslacht van de troonopvolging uitsloot en in 1701 mot do Bourbons naar Spanje was overgebracht , reeds in 1789 door Karei IV (zie blz. 302, 315) ingetrokken, op nieuw op. Dus volgde hem, na zijn dood op don 29sten Sept. 1833, zijn onmondige dochter Isabella ii op, onder regentschap harer moeder Maria Christina, een dochter van Frans I (zie blz. 335), Ferdinands vierde gemalin. Hierdoor ontstond in de Baskische gewesten, in Navarro, in Catalónië, in Arragon en in Castilië een bloedige burgeroorlog van den kant der aanhangers van Ferdinands broeder Don Carlos, die den titel „Karei V, koning van Spar.je,quot; aannam. Do aanspraken van Don Carlos grondden zich op een wet van koning Philips V (zie blz. 2C2) van November 1712, goedgekeurd door do Cortez, waarin ten opzichte van de opvolging op den troon werd bepaald, dat-de meest verwijderde mannelijke nakomeling uit het regeerende huis yioest voorgaan aan een naderstaando vrouwelijke afstammeling. Wel kon deze wet worden geacht, haar kracht te hebben verloren, doordien Karei IV (zio

-ocr page 359-

329

boven) in 178!) ze tegelijk met de salischo wet luid ingetrokken; doch die wet of beschikking van Karei IV was zoo geheim mogelijk gehouden on noch in 't openbaar afgekondigd, noch aan tie biiitenlandsche mogendheden bekend gemaakt. Door den steun der streng katholieke partij en der geestelijkheid, alsmede door de overwinningen van zijn ervaren en dapperen generaal Zumala-Carreguy zag Don Carlos de kracht /.ijner partij, de Carlistm, weldra toenemen on geraakten Isabella's zaken in een hache-lijken toestand. Maar sedert den dood van Zumala-Carreguy, in 18;i5, en nadat Espartêro, als hoofd van Isabella's partij, (Ir Chris lino's, was opgetreden, daalde de gelukszon van Don Carlos, zoodat iiij in IS.'W naar Frankrijk vlood. Gedurende dezen burgeroorlog werd de regentes door 't volk en door de soldaten genoodzaakt, de constitutie van ;.S12, hoewel aanmerkelijk gewijzigd in 't voordeel der kroon, weder in te voeren. Espartêro, die bij het cindo van den burgeroorlog den bijnaam hertog der overwinning kreeg, werd thans eerste minister on weldra, door den invloed van Groot-Britannië, regent, toen Christina, die do vrijzinnige zienswijze van Espartêro omtrent belangrijke pnnten der staatsregeling-afkeurde, in 1840 het regentschap nederlegde en naar Frankrijk vertrok.

Thans ging de regeering inderdaad tot hervormingen over. Bij het krijgswezen werden groote bezuinigingen ingevoerd; voor gewichtige volksbelangen, b. v. voor het aanleggen van wegen en voor hot graven van kanalen, werd zooveel gedaan als de beperkte middelen toelieten. Desniettemin bleef Spanje's toestand treurig: do financiën verkeerden in volslagen wanorde; de soldij van het leger en de bezoldigingen der ambt-tenaren werden niet uitbetaald , waarvoor zij zich door allerlei afpersingen schadeloos stelden; aan volksonderricht werd schier niet gedacht; roover-benden doorkruisten het land; do rechterlijke macht was omkoopbaar. Bovendien was de bevolking in vele partijen gesplitst, waarvan dn, mode-rado's, de gematigden, en de progressisten, d. i. de mannen van den vooruitgang, de voornaamste waren. Onder de aanhangers van do laatsten onderscheidden zich door hun heethoofdigheid dc exaltmlo's, d. i. do over-spannenon of do voorstanders van den uitersten vooruitgang. Het was, alsof de onderlinge haat dezer partijen en de bedorvenheid der hoogere klassen met de omkoopingon van Christina en met de kuiperijen van Frankrijk samenspanden, om Spanje geheel te ondermijnen. Telkens barstten nieuwe oproeren los, en in 1843 moest Espartêro wijken voor Christina's aanhanger, Narvaez, den leider der tegenpartij en 't hoofd der gematigden. Espartêro begaf zich naar Engeland en overleed, later naar Spanje teruggekeerd, in Januari 1879. Narvaez werd voorzitter van 't ministerie, en de in 1844 meerderjarig verklaarde Isabella huwde in 1810 haar neef Frans van Assis, hertog van Cadix, terwijl Maria Christina in 1844 naar Spanje terugkeerde. Uit dit huwelijk sproot in 1857 een prins, die oen menigte namen kreeg en, zooals men bepaalde, bij zijn troonbeklimming Alphbnsus XII zou heeten. De staatsregeling werd hierop door de Cortex, herzien en het beginsel van de souvereiniteit des volks er uit verbannen.

-ocr page 360-

330

Ofschoon Spanje onder iiot ministerie Navaez, hertog van Valencia, een betere toekomst scheen te gemoet te gaan, ondernam een bejaard priester. Merino geheeten, in 1852 een aanslag op het leven der koningin, die echter mislukte. Kort daarna ontstonden nieuwe woelingen van de partij van vooruitgang, met Espartëro aan de spits, die sinds 1854 weder aan 't hoofd van 't ministerie werd geplaatst. Hem verving O'Donnell. Gedurende zijn ministerie sloot Spanje in 1859 een verdrag-met Rome, hetwelk vaststelde, dat de staat eigenaar werd van alle geestelijke goederen en daarvoor groote geldsommen aan de geestelijkheid toekende. Togen 't einde van 't zelfde jaar toonde de oorlog, dien Spanje, wegens gewelddadigheden, op het grondgebied van de Spaansche stad Ceüta (zie blz. 95) door inboorlingen van Marokko begaan, dit rijk aandeed, welk een kracht de oude herinneringen bij de Spanjaarden hadden. Zij streden met zooveel geestdrift en moed, dat Marokko reeds in 18G0 aan Spanje de stad Tetuan (ten z. van Ceüta) ten pand gaf en een groote geldsom betaalde. O'Donnell trad in 1863 af, maar werd in 1865 op nieuw aan 't hoofd van 't bewind geplaatst, hoewel slechts om weldra plaats te maken voor een ministeric-Narvaez. In 1S67 overleed O'Donnell, in 18GS Narvaez, en in 't October van 't zelfde jaar zag Isabella zich, door oen oproer van Prim en van andere generaals, die zij vroeger had verbannen, verplicht naar Frankrijk de wijk te nemen. Ter zelfder tijd stond het eiland Cuba op en trachtte zich onafhankelijk te maken. Na een voorloopig bewind van ruim twee jaren werd prins Amadêus, hertog van Aosta (in 't n.w. van Italië, ten n.w. van Turijn), de tweede zoon van Victor Emanüel, bij meerderheid van stemmen dooi' de Cortez als koning verkozen. Met den Isten Januari 1871 aanvaardde hij, onder den titel „amadöüs j,quot; het bewind. Even voordat hij zijn intocht te Madrid deed, word Prim, die de ziel was geweest der voorloopige regeering, in 'tlaatst van December 1870, bij het verlaten van de vergaderzaal der Cortez, door eenige schoten van sluipmoordenaars zwaar gewond en stierf kort daarna.

Van zeer korten duur was de regeering van Amadêus I. Hij, een vreemdeling, kon niet bijzonder welkom zijn aan een volk, zoo fier op zijn nationaliteit als do Spanjaarden. Het mocht hem niet gelukken, de genegenheid te winnen van een der invloedrijke standen of partijen, noch van het leger, noch van de geestelijkheid, noch van den adel. Hierbij kwam, dat sedert Maart 1872 de partij der Carlisten wederom het hoofd opstak en den burgeroorlog hervatte. Aan haar spits stond, daar Don Carlos of Karei V in 1855 en zijn zoon, Don Carlos, graaf van Montemolin, die zich Karei VI noemde, in 1861 was overleden, oen kleinzoon van don eerstgenoemden Don Carlos, een zoon van een broeder van den graaf van Montemolin, de hertog van Madrid, die zichzelf den naam Karei VII gaf. Ziende dat hij met de hem alleen ten dienste staande middelen der constitutioneele monarchie het door innerlijke ver-deeldlieden geschokte land niet kon regeeren en afkeerig van 't plegen van geweld, deed Amadêus 1 in Februari 1873 afstand van den troon

-ocr page 361-

en scheepte zich naar Italië in. Van dat oogenblik af werd Spanje een republiek, waarin de eene president den anderen verdrong, Mart os, Fi-gueras, Castelar, Pi y Margall, Sa lm er on, nog eens Castelar, Serrano, totdat in 1874, December, de zoon van Frans van Assis en van Isabella, alphonsus xii, prins van astdriê, als koning werd uitgeroepen. Voorshands had deze jonge vorst de zware taak, behalve die van het doen tot stand komen van een geregeld bewind, in de eerste plaats den burgeroorlog ten einde te brengen, die nog steeds in dit ongelukkig rijk aanhield, en vervolgens den van jaar tot jaar voortdurenden opstand op Cuba te bedwingen.

Niet veel beter dan in Spanje ging het mot Portugal. Koning johan vi bleef in het door hem tot een koninkrijk verheven Brazilië, waarheen hij zich in 1807 (zie bh. 315) had begeven, en in zijn naam oefende do Engelsche maarschalk Beresford in Portugal een bijna onbeperkt gezag. Maar een ook hier bestaande vrijzinnige partij bewerkte een omwenteling, zoodat Beresford zich moest verwijderen en de Spaansche constitutie in 1821 mede in Portugal werd ingevoerd, terwijl Johan VI naar dit land terugkeerde. In 1822 scheurde zich Brazilië, verbitterd over het geringe aantal vertegenwoordigers, dat men in de Cortez van Portugal voor dit koninkrijk had vastgesteld, van Portugal los en vormde sedert 1824 een onafhankelijk keizerrijk onder Johans oudsten zoon, petem i. Na den dood van Johan VI in Maart 1826 schonk Peter aan Portugal de Braziliaansche staatsregeling, die, hoewel de rechten der kroon minder beperkende dan do Spaansche, zeer vrijzinnig was. Zij kende de wetgevende macht aan twee kamers toe, aan die der pairs en aan die der afgevaardigden, en stelde gelijkheid van allen voor de wet, trapsgewijze verkiezing der afgevaardigden en vrijheid van drukpers vast. In gevolge den laatsten wil zijns vaders en omdat hij, volgens de Braziliaansche grondwet, niet tegelijk keizer van Brazilië en koning van Portugal kon zijn, deed Peter vervolgens afstand van do kroon ten behoeve zijner dochter Maria da gloria, onder voorwaarde dat zij zijn broeder Miguel huwde, terwijl hijzelf keizer van Brazilië bleef. Maar Miguel, tevens regent gedurende de minderjarigheid van Maria, hief, in weerwil van de door hem afgelegde eeden, in 1828 de contstitutio op en liet zich door de Cortez tot onbeperkt koning van Portugal verklaren.

Terwijl Miguel vreeselijke gewelddadigheden tegen zijn tegenstanders beging, kwamen de comtitutioneelen of voorstanders der staatsregeling in 1830 op Terceira (een der Azorische eilanden) bijeen, waar zij een regentschap voor koningin Maria instelden. Aan het hoofd hiervan plaatste zich haar vader Peter, toon hij, na de kroon van Brazilië ten behoeve van zijn onmondigen zoon, peter ii, te hebben nedergelegd, in 1832 naar Europa was teruggekeerd. Oporto opende hem haar poorten, en na eenige beslissende overwinningen op Miguel te hebben behaald, hield hij in 1883 zijn intocht te Lissabon. Dadelijk daarna hief hij de monniksorden op en verklaarde de geestelijke goederen verbeurd. Nu moest Miguel

-ocr page 362-

382

Portugal verlaten, ou maim a 11 aanvaardde, na den dood haars vaders, in 1884 de regeering. Zij huwde hierop met den prins van Lencli-tenberg, den oudsten zoon van Napoleons stiefzoon Eugenins Beauhar-nais (zie blz. 812), en, na zijn overlijden, in 1836 met prins Ferdinand van Sakson-Koburg. Met behulp van dr gematigde liberalen of cha.r-tisten, d. i. voorstanders der staatsregeling van Peter, slaagde de koningin er in, in 1842 deze staatsregeling in plaats van die van 1821, welke haar kort tevoren was opgedrongen, te stellen. Da (Josta Cabral, het hoofd dier partij, werd thans minister van binnenlandsche zaken. Doch zijn willekeurige maatregelen, gevoegd bij de verkwisting van 's lands inkomsten, gaven aanleiding tot verschillende opstanden, ten gevolge waarvan hij in 1851 uit Portugal moest vluchten. Toen trad maarschalk Saldanha, een kleinzoon van Pombal (overleden in 187G), aan 't hoofd van een nieuw ministerie op en bracht met moeite eenige orde in 't beheer der geldmiddelen. In 1858 overleed koningin Maria, waarop do koning hot regentschap aanvaardde voor zijn in 1887 geboren zoon, im;teu v, die siuds 1855 als koning van Portugal de kroon droeg en met wien dus het huis Braganxa-Koburg begon. Reeds in Nov. 1861 overleed hij. Zijn opvolger is zijn broeder, de hertog van Oporto, als koning lodewlik i. Gedurende de woelingen in Spanje in do volgende jaren heeft het Portu-geosche volk bij herhaling zijn afkeer aan den dag gelegd van een samensmelting of vereeniging met dezen nabuur tot een zoogenoemd „Iberisch rijk.quot; In 1889 overleed Lodewijk en liet de kroon na aan zijn zoon Karei, die als don Carlos I optrad.

§ 125.

Italië. — Opruiming van 'l geen Napoleon had tot stand gebracht. — Dr Carbonari. — Het jeugdige Italië. ■— De rooverbenden. — Opstanden te Nola, op Sicilië, te Alessandria, te Turijn. — Koningen van 't rijk der beide Siciliën: Ferdinand /. Frans I, Ferdinand II, Frans 11. — Giuseppe Garibaldi verlaat Caprëra en ontrukt Frans II zijn rijk. — Aanhechting van 't rijk aan Sardinië. — Koningen van Sardinië: Karei Felix; Karei Albert, de eerste uit het huis Savoye-Cangnan, en Victor Emanuel II. — Aanvankelijk wordt ook hier alles teruggebracht op den ouden voet. — Verwachting, die men van Karei Albert koestert. — Giuseppe Mazxmi. — Hervormingen in 'I binnenlandsch bewind van Sardinië. — Oostenrijk bezet Ferrara. — Karei Albert vangt den krijg aan. — Vreemde houding van den paus. — Radetzky. — Karei Albert verliest den slag bij Novara en legt de kroon neer. — Victor Emanuel II sluit een na-deeligen vrede. — ( 'amillo Benso van Gavour. — Massimo d' Axeglio.— Cavour hoofd van H ministerie. — Sardinië neemt, als bondgenoot van Frankrijk en van Engeland, deel aan den oorlog van Turkije tegen Rusland. — Gavour op het congres te Parijs. — Zijn samenkomst te Ptombières met Napoleon III. — Oostenrijks ultimatum,. — Gavour

-ocr page 363-

3;5:i

bekleed mei dictatoriale tnacht. — Sardinië vervult de rol van he-■vchermer van Toskane, van Modena, van Bologna en van Paritia. — Telaurstelling van Gavour. — De aanhechtingen. — Garibaldi's tocht tegen 't koninkrijk der beide Siciliën. — Cialdlni bezet de Marken en ITmbrië. — Het Ilomeinsche vraagstuk. — Dood van Gavour. — Aanvankelijke erkenning van 't koninkrijk Italië door Frankrijk en door Engeland. —- liicasöli. —■ Rataxzi. — Aanslag van Garibaldi. — Hij wordt gewond bij Aspromonte en staakt xjjn ondernetning. — De la Marmora. — Minghetti. —- Pausen: Pias VII, Leo XII, Pins VIII, Pins IX. — Ellendige toestand van V binnenlandsch bestuur in den Kerkelijke)!. Staat. — Aard ran Pias IX. — Antonelli. ■— Rossi. — Oproer te Rome. — Vlucht van Pias IX. — Oudinot bezet Rome. — Terugkeer van den paus. — Hernieuwing van het armbestuur. — Lirht- en schaduwzijde van Oostenrijks bewind in 't Lomhardijsch- Venetiaansch koninkrijk. —• De almacht der policic. — Silvio PelMco. — Oproer te Milaan en te Venetië. —- Manin. ■— Onderwerping van Lombardije. — Inlijving van Toskane, van Parma en van Modena hij Sardinië. — Oorlog van ankrijk en van Sardinië tegen Oostenrijk. — De slagen bij Magenta en hij Solverïno. — De vierhoek. — De Alpenjagers onder Garibaldi. — De praeliniinairen te Villa-Eranca en de vrede van Zlirieh. — Vereeniging van zoo goed ids den ganschen Kerkelijke,)! Staat met Sardinië. — Savoye en Nixza aan Frankrijk afgestaan. — Elorence, daarna Rome de hoofdstad van 't koninkrijk Italië. — Pius IX overlijdt. — Leo XIII wordt paus. — Victor iïmanüel II wordt -opgevolgd door Hamhert I.

Evenals Spanje en Portugal werden verschillendo staten van Italië door oproeren geschokt. Hier had Napoleon een begin gemaakt met do invoering eener zekere eenheid. In 't Noorden had hij vele kleine staten tot (■■en geheel vereenigd. Het financiewezen, de rechtspleging, het burgerlijk beheer, kortom alle takken van bestuur waren, gelijk overal, waar Napoleons wapenen den invloed van Frankrijk hadden gevestigd, op een vasten en geregelden voet gebracht. Nauwelijks was Napoleons val beslist, of de vorsten van de moeste van Italiö's staten schenen geen hooger doel te kennen, dan alle instellingen, die aan hein herinnerden, zoo spoedig mogelijk te vernietigen, datgene niet uitgenomen, wat voor wezenlijke verbetering mocht doorgaan. Zoo werd o.a. het wetboek Napoleon grootondeels ter zijde gesteld en liet b. v. Victor Emanüel 1 (zie blz. 319) den uitmuntenden wog over don Simplon vervallen. Dit, gevoegd bij het stroven van Oostenrijk, hetwelk op hot congres van Weenen de heerschappij over een groot dool van Noord-Italiê had verkregen, om Italiö's nationaliteit stolsel-matig uit te roeien, deed onder do Italianen een geest van verzet ontkiemen, erger dan dit voorhoen onder Napoleons rogoering het geval was geweest. Een geheim genootschap der democratische partij, de Garhonari (van quot;t Latijn-sche woord „carboquot;, kool, d. i. brandstof) goheoton, stolde zich de onaf-

-ocr page 364-

334

hankelijkheid van geheel Italië ten doel en trachtte vooral in Napels en Piëmont naar omverwerping der bestaande orde van naken.

Dergelijke genootschappen schijnen in Italië ten alle tijde eigenaardig tot het karakter des volks te hebben behoord. Doch wil men, om den oorsprong-van dit genootschap te vinden, niet te ver teruggaan, dan schijnt het ontstaan iler carbonari in ISÖO, of wel in den tijd van Mnrat (zie blz. 315, 321), omstreeks 1811, te zoeken. De republikeinen uit Napels, dio toen in de Abruzzen en in het Calabrisch gebergte een schuilplaats vonden, kregen dien naam, omdat de bewoners dier woeste en boschrijke streken voornamelijk van 't kolenbranden hun bestaan hadden en die vluchtelingen zich nu en later van de zegswijzen der kolenbranders bedienden. Het genootschap telde allerlei lieden onder zijn leden, ook geestelijken. Het zinnebeeld der Carbonari was een kroon, met een dolk doorboord. Zij waren verdeeld in tal van afdeolingen, die op vaste tijdstippon geregelde vergaderingen hielden. De leiding van 't geheel had de vergadering van Napels. In tijden van spanning nam de vereeniging dikwijls hot werk der policie in handen, ging oploopen tegen en waakte voor do openbare rust. Niet zelden deed zij, die door de regeering werd erkend, voorstellen aan den koning en oefende zelfs nu en dan meer gezag dan do vorst zelf. Omstreeks 1S30 gaven de leden van 'tgeheime genootschap der Carbonari, wier aantal in Italië, naar men wil, in 1820 niet minder dan 500,000 of 800,000 bedroeg, en zij, die met hen eenstemmig dachten, aan hun verbintenis den naam het jeugdige Italië.

Een andere kwaal, waaronder Italië geducht leed, waren de tallooze rooier-benden , die het land afliepen en heinde en ver stroopten en roofden. Het was liet naspel , dat men zoo menigmaal bespeurt in landen, die jaren lang door de gruwelen van den oorlog zijn geteisterd. Niet alleen verkregen de roevers, zoo dikwijls zij het vroegen, vergiffenis; maar niet zelden zag men cok liet zonderlinge schouwspel, dat de regeering, om oonig gedeelte van haar gebied te beveiligen, met een der benden een overeenkomst sloot tegen een zekere bezoldiging, ten einde vijandig op te treden tegen een andere.

Een eerste opstand barstte, door toedoen der Carbonari, los in Juli 1820 te Nola (ten o. van Napels): do koning der beide Siciliën werd gedwongen, de staatsregeling der Spaansche Cortez af te kondigen en plechtig te bezweren. Sicilië volgde, gelijk in 't jaar 1821 eenige steden van Sardinië, b. v. Alessandria (ten z.o. van Turijn) en Turijn. De verbonden monarchen, die den loop dezer opstanden met bezorgdheid gadesloegen , kwamen in Oct. 1820 op een congres te Troppau (in Oostenrijksch Silezië, ten o. van Jiigerndorf) en vervolgens in Januari 1821 ie Laihach (in Illyrië, ten n.o. van (iörz) bijeen, alwaar Kusland, Oostenrijk en Pruisen besloten de omwenteling tegen te gaan. Welhaast rukte een Oostenrijksch leger Napels binnen en bedwong in korten tijd allen tegenstand. In Sardinië had hetzelfde plaats, waarop, zoowel hier als in Napels, do vroegere orde van zaken werd hersteld.

In Napels nam, na den slag van Waterloo, Ferdinand IV (zie blz. 305),

-ocr page 365-

335

307, 321) nog eons de tengels van 't bewind in handen. Op Sicilië, hetwelk sedert de dertiende eeuw eon vertegenwoordiging naar de drie standen had gehad, hief hij de constitutie op, voreenigde hot eiland niet Napels als „koninkrijk der beide Siciliönquot; en noemde zich Ferdinand I. Het getal der bisdommen en der kloosters werd sinds 's konings terugkeer, ten nadeelo van 's lands financiën, op verbazende wijze vermeerderd. Op Ferdinand volgde in 1825 zijn zoon, fuans i, na wiens dood (1830) zijn zoon Ferdinand li den troon beklom. In 't eerst viel dezen koning de liefde des volks in rnime mate ten deel als belooning voor de vglo maatregelen, die hij tor bevordering van den bloei des lands nam. Maar weldra wisselde dit blijde bogin met stormachtige tijden af. Bezuinigingen, door den koning beloofd, bleven achterwege, en, uitgezonderd het leger, werden schier alle takken van bestuur door de regeering verwaarloosd. Op Sicilië ontstonden bij herhaling gevaarlijke oproeren, die eerst in 1849 werden gedempt. Sinds dien tijd als eon wingewest behandeld, leed dit eiland, behalve door do vervolging der staatsmisdadigers, veel door aardbevingen en door een uitbarsting van tien Aetna in 1852. Hoo meer tegenstand de koning had te overwinnen, des te meer werd zijn regeering een onbeperkte alleenheerschappij. Hot hoogste gezag had do politie, die met onbegrensde willekeur handelde. Omkooping was aan de orde van den dag. Ferdinand II overleed in Mei 1859 en word opgevolgd door zijn zoon fkans ii.

Zeer kort dunrdo do regeering van dozen jeugdigen koning. Tornauwor-nood had hij den troon bestegen, of Giuseppe (Jozef) Oaribaldi, een Italiaan, dio vroeger iu Zuid-Amerika in do oorlogen voor do vestiging der republieken in dat werelddeel (zie § 145) medegestreden en sinds 1849, als aanvoerder eener schaar republikoinscho krijgslieden in Italië tegen Oostenrijk, naam gemaakt had, verliet zijn woonplaats, het kleine rotsachtige eiland Caprërn (tusschen Sardinië en Korsika), stelde zich in Moi 18C0 aan 't hoofd van een bondo in haast bijeengebracht krijgsvolk, landde in quot;t lijk van Frans II en ontrukte hem, onder den luiden bijval der van allerwoge bijeengestroomde volksmenigte, ontevreden over de dwingelandij van 't vorige bewind, eerst het eiland Sicilië, vervolgens Napels en het vasteland. Zóó werden, volgens een wet, die wel onbillijk schijnt, doch die even oud is als de staten dezer wereld zeiven, de euveldaden dei-vaderen aan den zoon gewroken. Don 7den Nov. 1860 werd het koninkrijk der beide Sioiliën ten gevolge van oen volksstemming, waarbij do meerderheid zich in dien zin had verklaard, bij een manifest van koning Victor Emanüel II (zie blz. 337) mot Sardinië vereenigd.

In Sardinië regoorde na kabel felix (1821—1831), in plaats gekomen voor zijn broeder Victor Emanüel I (zie blz. 333), die de kroon wegens den opstand zijner onderdanen (zie blz. 334) had nedergelegd, ic a r e l a l is e r t, met wien oen nieuwe linie van het hui* Savoye, die van Carignan (ten z. van Turijn), begon. Zoolang de beide eerstgenoemde koningen, Victor Emanuel I on Karei Felix, op den troon zaten T

-ocr page 366-

aao

was hot streven der regeoring, ulles weer terug to brengen op don voet, waarop de zaken hadden gestaan vóór den tijd dor Fransohe omwenteling. Do voormalige afzonderlijke rechtspraak van den geestelijken stand werd weder ingevoerd; de gilden herleefden; liet getal kloosters nam toe; do niet-katholieken werden burgerlijk onbevoegd verklaard; aan de burgerlijke huwelijken do wettige kracht ontzegd; aan de Israëlieten verboden onroerend goed to bezitten; alle Franschon uit het land gejaagd. Grenzeloos waren de voorrechten en de willekeur van adel en geestelijkheid. Al die maatregolen waren in lijnrechte tegenspraak met de wenschen van een goed deel des volks. Uit voerde tot den opstand van 1821 van Alessandria, van Turijn en van andere steden, waarbij het volk de Spaansche staatsregeling eischte. Doch gelijk in Napels werden die opstanden, met behulp van Oosten rij ksclie krijgsbenden, binnen kort onderdrukt. Na het bedwingen van liet oproer aanschouwde men dus een eendrachtig samenwerken tusschen het hof van Weenen en dat van Turijn, dat scherp afstak bij de houding, dio, in de vorige eeuwen, de vorsten van Sardinië tegenover Oostenrijk hadden aangenomen.

Men had eenige reden om in 1831, bij do troonbeklimming van Karei Albert, iets beters te verwachten. Hij, een spruit uit de jonge linie van Savoye, dio van Thomas Frans, den tweeden zoon van Karei Emanuel I, den in lüHU overleden hertog van Savoye, afstamde, had in de dagen van de heerschappij der Franschen een geheel burgerlijke opvoe-ding ontvangen on was vervolgens een tijdlang in krijgsdienst geweest bij Napoleon I. Dit, gevoegd bij eenige zijner karaktertrekken, deed hem aanmerken nis dengene, die het huis van Savoye zou weten te doen verjongen. Slechts was er in hem een zekere dubbelzinnigheid van aard, die maakte, dat niemand hem recht vertrouwde. Terwijl hij, aan den éénen kant, als koning, een uitnemend leger schiep en veel zorg droeg voor de financiën, liet hij, van den anderen kant, de inrichtingen, zoowel van hot leger, als van hot hooger onderwijs, geheel in handen der Jezuïten en gunde hun een algehooien invloed op de eensuur. Alzoo behaagde 's konings regeering noch ten volle aan de vrijzinnigen, noch aan de tegenpartij, iets, wat hijzelf zeer goed gevoelde.

Do moeielijkheden, waarin hij was gewikkeld, werden hierdoor nog vermeerderd, dat, gedurende zijn regeering, geheel Italië ter prooi was aan woelingen, welker oorzaak deels in den afkeer van Oostenrijks opperheerschappij over de Lombardijseh-Venetiaansche staten, deels in de bij een groot deel der bevolking weerklank vindende heftig republikeinscho gezindheid van Giuseppe (Jozef) Mazzïni, een advocaat uit Genua, en van andere volksleiders is te zooken. Van dezen tijd tot zijn dood, in 1872, werd Mazzïni de rustelooze drijver eiker omwentelingszuchtige beweging, niet alleen in Italië, maar in geheel Europa. In 1830 lid der Carbonari geworden, was hij deswege uit Italië verbannen en stichtte te Marseille het genootschap, dat den naam „het jonge Italiëquot; aannam. Sedert vertoefde hij bij afwisseling in Zwitserland, te Londen of

-ocr page 367-

a.'i?

te Parijs, of waar de belangen van oen opstand hem riepen. Sinds 184S sloot hij zich nauw aan bij Kossuth (zie blz. 352) en bij Ledru Rollin, welke drie mannen weldra de hoofden werden van een toen opgericht „revolutionair comité.quot; In 1865 verkoos Messïna hem als lid van 't Ita-liaansche parlement; doch. op grond zijner vroegere veroordeeling word deze verkiezing voor nietig verklaard.

In 1847 werd do troon van Karei Albert door de democratische partij zoozeer aan 't wankelen gebracht, dat hij het geraden achtte, het ge vaar door oen oorlog tegen de gehate Oostenrijkers af te wenden. Ternauwernood had hij van zijn gezindheid doen blijken om het zwaard te trekken voor de heilige zaak van Italië's onafhankelijkheid, of hij kreeg van alle zij don van de bevolking van zijn rijk de meest onbodriegolijke bewijzen van instemming en van gehechtheid aan zijn persoon. Ten einde die gezindheid der natie te bestendigen en tevens in overeenstemming te handelen mot zijn buitenland-sche politiek liet hij een reeks horvormingen van vrijzinnigen aard afkondigen, die terstond zouden wonion ingevoerd, en gaf in Maart 1848 go-hoor aan hen, dio een grondwet verlangden. O.a. verwierf men de openbaarheid dor criminoole rechtsgedingen; toekenning van een aandeel in 't ge-moentebestuur aan het volk; verzachting der censuur van de pers, enz. Middelerwijl toefde de koning niet lang met don aanval op Oostenrijk. Krachtens een artikel der besluiten van 't Weener congres had deze mogendheid de bevoegdheid, een bezetting te leggen in do citadel van het in den Kerkelijkon staat gelegen Ferrara. Lettende op de spanning in dien staat, maakte Oostenrijk in Augustus 1847 van die bevoegdheid gebruik.

Reeds in 't begin van 't volgende jaar brak Karei Albert op, overschreed de ïicïno en noodzaakte den Gostenrijkschen veldmaarschalk, Radetzky, achter de Etsch terug te trekken en de rol te spelen van Fabius den draler (zie blz. 6C). Spoedig schoten, als medewerkers van de Sardiniërs, pauselijke en Napolitaansche troepen toe, door do regoo-ringon, of liever door 't volk van Rome en van Napels afgezonden. Hetgeen hierbij zeer zonderling was was dit, dat de paus ter zelfdor tijd als hij zijn krijgslieden liet opmarchoeren verklaarde. Oostenrijk den oorlog niet to willen aandoen. Na dit eerste voordeel, door Karei Albert behaald, wisselden do kansen van den krijg, totdat Radetzky hom een nederlaag toebracht bij Custozza (ten z.w. van Verona), Juli 184H. Een bende vrijwilligers, waarmede Garibaldi den koning van Sardinië te hulp kwam, werd verplicht weder den aftocht te blazen. Een wapenstilstand in Aug. 1848 staakte een korte wijl de vijandelijkheden; doch in Maart 1849 moest de koning, om aan de oorlogzuchtige stemming van zijn volk te voldoen, den oorlog hervatten, die ongelukkig voor hom afliep, want Radetzky overwon hem nogmaals, in 1849, bij Novara (in Sardinië, ten w. van Milaan), waarop hij de kroon aan zijn zoon, victor kmanüel ii, tot dusver „hertog van Savoye,quot; afstond on kort daarna te Oporto (in Portugal) overleed. Victor Emanüel II sloot in Augustus vrede mot Oostenrijk, betaalde een zware geldsom en was verplicht te

VVunne, Handboek der AUj. Geschiedenis, 7ile dnik. 22

-ocr page 368-

§38 I

gedoogen, dat een Oostenrijksch garnizoen Alessandria en omstreken bezette. Vrijzinnige maatregelen kenmerkten het begin zijner regeering, inzonderheid sinds Cavour aan 't hoofd van zijn ministerie stond.

De beroemde man, die dezen naam droeg, heette voluit graaf Cami 11e Benso van Cavour en werd in 1810 te Turijn geboren. Aireede op zijn zestiende jaar was hij luitenant van de genie, maar bleef slechts in dienst tot 1832, toen hij de militaire loopbaan weder verliet en zich een tijdlang aan verschillende studiën wijdde. Tegen 't einde van 1847 werd hij één der stichters en der voornaamste medewerkers van een dagblad van vrijzinnige strekking, getiteld „il risorgimento,quot; de wedergeboorte. In 1848 werd hij lid van de eene van 's lands vertegenwoordigende vergaderingen, van de kamer der afgevaardigden, en nam zitting voor Turijn. In 1850 werd hij lid van het ministerie, aan 't hoofd waarvan stond Massimo d'Azeglio. In 1852 kreeg hij de opdracht, een nieuw kabinet samen te stellen, hetwelk zich in November van dat jaar aan 't roer van den staat plaatste. Hijzelf nam het in die dagen zeer moeie-lijk beheer der financiën voor zijn rekening.

Toen in 1853 de oorlog uitbrak tusschen Rusland en Turkije, die weldra een krijg werd van Frankrijk en Engeland tegen Rusland, vatte Cavour dadelijk het voornemen op, Sardinië daaraan een werkdadig aandeel te laten nemen, opdat aan zijn vaderland langs dien weg een eervolle plaats onder Europa's mogendheden kon worden ingeruimd. Hij mocht zijn plan in Januari 1855 verwezenlijkt zien, toen het verbond van Sardinië met Frankrijk en met Engeland werd gesloten. Aanvankelijk werd, ook voor zoover Sardinië betreft, de onderneming geenszins door de fortuin begunstigd, want onder de troepen van dit rijk woedde, gelijk in 'tgansche leger der bondgenooten, de cholera. Maar niet lang daarna volgde de verovering van den toren van Malakoft' en van 't zuidelijk gedeelte van Sebastöpol, waarop te Parijs het congres bijeenkwam, hetwelk den vrede wist te doen tot stand komen. Als Sardinië's gevolmachtigde verscheen op dat congres Cavour.

Uit Parijs teruggekeerd, aanvaardde Cavour, tegelijk met het beheer der financiën, dat van de buitenlandsche aangelegenheden. Zijn streven was sinds dezen tijd, het land zoo krijgshaftig te maken, dat het, zoodra het tot het voeren van een oorlog werd geroepen, gereed was, en tevens naar een machtig bondgenoot om te zien, voor welke rol Frankrijk hem de eigenaardige staat scheen. Inmiddels groeide de slechte verstandhouding met Oostenrijk, niet togen den wensch van Cavour, steeds aan. In Juli 1858 had hij te Plombières (in 't o. van Frankrijk, ten n.o. van Dijon,

ten w. van Colmar) met keizer Napoleon III een geheime samenkomst,

die hem de medewerking van Frankrijk waarborgde. Het jaar ISÓO word,

als een onheilspellend tijdperk, ingewijd door de woorden, die Napoleon III op den nieuwjaarsdag richtte tot baron Hübner, Oostenrijks gezant aan 'tFransche hof: ,,Ik betreur het, dat de staatkundige betrekkingen tusschen Frankrijk en Oostenrijk geenszins van aangenamen aard zijn.quot; Reeds

-ocr page 369-

339

In Aprii zag men de vervulling der voorspelling, toen Oostenrijk eelt dreigend ultimatum, houdende den eisch van ontwapening, naar 't hof van Turijn zond, hetwelk Sardinië van de hand wees. Onmiddellijk bekleedden de kamer der afgevaardigden en de senaat, die kort tevoren hun toestemming tot een groote geldleening hadden gegeven, in een buitengewone vergadering don graaf van Cavour, als hoofd van 't ministerie, met zoo goed als onbegrensde of dictatoriale macht. De „Italiaansche vraagquot; was alleen door den oorlog op te lossen. Terwijl de beslissing nu verder van don loop der krijgsbewegingen afhing, leidde Cavour zelf de werkzaamheden van 't ministerie van oorlog en ruim de regeering van Sardinië het aanbod aan van Toskane, van Modena, van Bologna en van Parma, om de rol van beschermer dier staten te vervullen.

Na den gunstigen afloop der eerste veldslagen was hot voor Cavour, alsof hem plotseling een donderslag in de ooren klonk, zoodra hem do mare werd gebracht, dat Napoleon III en Victor Emanüel II in hun hoofdkwartier op het terrein van den oorlog in Juli 1H59 een wapenstilstand met Oostenrijk hadden gesloten. Ilij voor zich had gemeend, dat men niet moest rusten, aleer men Oostenrijk geheelenal uit Italië verdreven en dit land van de Alpen tot de Adriatische Zee zich vrijgevochten had. Thans, zag hij in, zou de wapenstilstand tot een vrede voeren, het werk slechts ten halve zijn verricht en Italië niet tot do Adriatische Zee, maar slechts tot de Mincio (een bijstroom van do Po, bij Mantua) onafhankelijk worden verklaard. In dit gevoelen bedroog hij zich, gelijk de uitkomst toonde (zie blz. 344), niet.

Als minister leidde Cavour, in 't begin van 1860, de handeling dei-aansluiting van de staten van Midden-Italië aan Sardinië. Toen vervolgens, in Maart 1860, in 't nieuwe koninkrijk de verkiezingen door 't nationale parlement plaats grepen, scheen het, alsof Cavour door de kiezers als Italië's eenige vertegenwoordiger zou worden aangewezen. Immers acht districten benoemden hem tot afgevaardigde. Wederom liet hij zich de keuze van Turijn welgevallen.

Ternauwernood nu was in de zaak van Midden-Italië de beslissing gevallen, of de Zuid-Italiaansche vraag verrees. Garibaldi ondernam zijn tocht naar Sicilië en naar 't vasteland van 't rijk der beide Siciliën (zie blz. 335) en slaagde. Het ontwerp, dat Garibaldi verwezenlijkte, was niet afkomstig van Cavour. Onbekend zal het hem, ook vóór de uitvoering, wel niet zijn geweest. Ver was intusschen het hoofd der regeering van Victor Emanuel van 't denkbeeld verwijderd, aan Garibaldi eonigen hinderpaal in den weg te leggen. Had hij ook in zich de kracht gevoeld, hetgeen niet al te zeker is, den breeden stroom te weerstreven, die den volksleider droeg, dan ontbrak hem in allen gevalle de gezindheid om dengene in den weg te staan, die, hoe onstuimig ook, voortschreed in de richting, waardoor men te eerder de grens zou bereiken, die ook in zijn brein in 'tverschiet lag. Wat Garibaldi aangaat, hij vroeg geen hulp van don raadsman der kroon, dien hij sinds den vrede van Zurich (zie blz.

22*

-ocr page 370-

:!40

344) haatte met een doodelijken haat, omdat hij de stad Nizza (zie blz.

345), waar hij was geboren, aan Napoleon III had afgestaan, of, zooals Garibaldi zelf het uitdrukte, omdat hij Italiaanschen grond had verkocht.

Nogtans, hoewel Cavour voor 't oogenblik werkeloos bleef, lag het geenszins in zijn bedoeling, de zaak der Italiaansche eenheid, die hij in 't Noorden van Italië had ontrukt aan de handen van Mazzïni's aanhangers, in 't Zuiden aan hen over te laten. In September 1860 naderde hij, door een meesterlijken staatkundigen zet, weer een schrede tot zijn einddoel en zette tevens do omwentelingsznchtige scharen schaakmat. Op zijn bevel rukte destijds generaal Cialdlni don Kerkdijken Staat binnen en bezette de Marken en Umbrië. Zóó zag Cavour, nog voordat hot jaar ten einde liep, zijn politieke berekeningen en bewegingen met de gunstigste uitkomst bekroond. Ofschoon andoren hadden medegewerkt, hij hield nog steeds de draden dor omwenteling in zijn hand. In do laatste maanden van 1860 volgde do aanhechting van Midden- (zie blz. 344) en van Zuid-Italië en in Januari 1861 werden, door't ganscho land heen, uitgezonderd to Rome en in het zoozeer ingekrompen Oostonrijksch gebied, de verkiezingen voor het parlement van het pas ontstane koninkrijk gehouden. Van het nieuwe ministerie, dat werd gevormd, was Cavour wederom het hoofd.

Na zulk oen grootsch gebouw te hebben opgetrokken was inmiddels Cavour de eerste om te begrijpen, dat, hoe nader men was gekomen tot de uiterste grens, die men zich steeds had voorgespiegeld, des te meer het vraagstuk dor verhouding van Italië tot Rome om oplossing riep. Cavour zag in, dat in die oplossing de eigenlijke bekroning van 't gebouw was gelegen, doch verheelde zich tevens de overgroote moeielijk-heden eener bevredigende beantwoording van 't vraagstuk in geenen deele. Hij voor zich wensciite een stelsel to kunnen vinden, dat èn aan de wereldlijke heerschappij des pausen een einde maakte, èn de onbeperkte vrijheid der kerk grondvestte. Hem, die zooveel had mogen volbrengen, was het niet gegund, dezen eindpaal van zijn streven te bereiken, al mocht hij, gelijk Mozes, het beloofde land op niet te verren afstand zien liggen. In de allerlaatste dagen der maand Mei 1861 werd hij door een ziokto aangetast en overleed reeds den 6dcn Juni. Zijn laatste woorden waren: „de vrije kerk in den vrijen staat.quot; Evenals Johan de Witt, viel hij, met het vaandel in de hand, op do bres. En wellicht ook, gelijk Johan de Witt, te vroeg voor zijn roem, voor hot land, dat hij diende, voor de zaak, die hij voorstond.

Groot was, op de treurmare, do ontsteltenis dor geheele bevolking, vooral van Turijn. Do stad, die, in 1849, bij het hooron der Jobstijding van 't ongeval van Novara, niet was verschrikt, was als op don bodem terneergeworpen. Aan Cavour evenwol, zoo aan iemand, werd het bewaarheid, dat met hem zijn werk geenszins te niet ging. Europa kende hem den lof toe, niet alleen de grootste staatsman te zijn geweest, dien Italië immer had gehad, maar één der weinige voortreffelijke staatsmannen, die in Europa ooit aan 't roer van een staat hadden gestaan. Hij had de

-ocr page 371-

341

gave van snel te vatten; een alles doorzienden scherpzinnigen blik; een oog, dat de toekomst doorgrondde; een praktisohon zin, die alleen op de werkelijkheid lette; was koen in 't besluiten, vaardig in 't handelen; had de verwonderlijke eigenschap, altijd hot rechte tijdstip, als bij instinct, te treffen en paarde aan al die hoedanigheden een onwankelbare standvastigheid. Hij en Bismarck zijn niet te miskennen verwanten naar de ziel.

Terwijl Frankrijk en Engeland voorgingen mot do erkenning van het nieuwe koninkrijk, het gewrocht van Cavour, welk voorbeeld de overige mogendheden van Europa allengs volgden, trad eerst Ricasoli, toen Ratazzi als zijn opvolger op. De laatstgenoemde verklaarde zich openlijk geneigd tot het voortzetten van 't werk, dat moest uitloopen op de verheffing van Rome tot hoofdstad. Het woord, door don eersten minister geuit, vond weerklank in de gemoederen van Mazzïni's tallooze aanhangers. Men bedroog zich echter in de bedoeling van 't bewind, dat volstrekt niet dacht aan een storm loopen op Rome of op Venetië. Maar de beweging, eens aangevuurd, liet zich moeielijk weerhouden. Ook Garibaldi verliet Caprêra en stelde zich aan 't hoofd eener bende partijgangers. In Augustus 1862 scheepte hij zich op Sicilië met een paar duizend man in, ton einde Rome zegevierend binnen te rukken of aan den voet der muren dezer stad te sneven. Geen van beide gebeurde. Spoedig was zijn loop ten einde. In de omstreken van Reggio (in 't z. van Calabriö) geland, beklom hij met zijn manschappen, onder gebrek aan water en aan levensmiddelen en worstelende met stortregens, het gebergte Aspromonte (ton n. van Reggio.) Daar stiet hij op een afdeeling van 't koninklijk leger, hetwelk onder 't bevel stond van Cialdïni. In de schermutseling, die volgde, werd Garibaldi gekwetst en gaf zich over. De regeering liet hem door de beroemdste geneesheoren en heelmeesters verplegen en, toen hij hersteld was, ongehinderd naar Oaprëra wederkeeren. Kort daarna trad het ministerie-Ratazzi af, en in September 18G4 werd de la Marmöra hoofd der regeering, die later weder door anderen is vervangen, o. a. door Minghetti.

Erger gewelddadigheden, dan in eenig ander land, werden in dm Kerkdijken Staat tegen de liberalen geploegd. Paus ritrs vu (zie blz. ;50S en 319) overleed in 1823, en 'tbestuur zijner opvolgers, bovenal dat van gue-y Y aoiuus «ft, werd door menige worsteling met hun onderdanen gekenmerkt. In geen staat van Europa heerschte grooter verwarring in allo takken van 't bestuur, inzonderheid in alles, dat met de geldmiddelen in verband stond, dan in den Kerkelijken Staat. Nergens was het volk trager en bescheen de zon zoovele bedelaars als hier, ofschoon meer dan 20,000 monniken de menschen tot werkzaamheid aanspoorden. Roevers en bandieten maakten alom straten en wegen onveilig. In 184ö overleed Gregorius, en Ferretti, die bij quot;t woeden der cholera, in 1S36, Napels' reddende engel was geweest, werd in de maand Juni van 't jaar 1846 als nus ix paus.

De nieuwe paus heette joh an mabïa en was gesproten uit het huis der graven mastaï-fekretti. Het oord en de dag zijner geboorte zijn Sinigaglia (ten n.w. van Ancona, in den Kerkelijken Staat, aan zee),

-ocr page 372-

de 13do Maart 1702. In zijn jeugd leed hij aan de vallende ziekte; maar de reis heen en terug naar Chili, waar hij een tijdlang als zendeling werkzaam was, moet hem hebben genezen. Hij wordt beschreven als een man van zachtmoedigen aard, afkeerig van geweld, vroom en ijdel, doch die óén hoedanigheid miste, hetgeen alle overige onvruchtbaar maakte, vastheid van wil. Slechts dan, wanneer hij iets als een gewetenszaak aanmerkte, was hij, naar beweerd wordt, onwrikbaar.

In den beginne nam Pius IX vele vrijzinnige maatregelen: een alge-meene amnestie voor staatkundige misdrijven, verlichting der censuur, instelling van een vrijer beheer der gemeenten en dergelijke. Reeds in 1847 benoemde hij tot minister van financiën Jakob Antonelli, den man, die juist de eigenschappen bezat, welke Pius miste en die hem gedurende zijn gansche bewind heeft ter zijde gestaan. Sedert echter Rossi, een Italiaan, geboren te Carrara (ten n.w. van Lucca, aan de Middel-landsche Zee), vroeger hoogleeraar in de rechtsgeleerdheid te Geneve, later gezant van Frankrijk te Rome, in September 1848 aan 't hoofd van 's pausen ministerie optrad, een man, die even afkeerig was van de priesterheerschappij als van een volksregeering, sloeg men den tegengestelden weg in. Hierop viel Rossi in 't zelfde jaar door sluipmoord. Toen hij den lijden November de trappen van het paleis betrad, waarin de pas bijeengekomen kamer der vertegenwoordigers haar eerste zitting zou houden, werd hij door een of meer der onlangs uit den oorlog in Noord-Italië teruggekeerde krijgslieden doorstoken.

Nog denzelfden avond en gedurende den nacht barstte een geweldig oproer los. Een stoot van een paar honderd menschen, onder welke ook soldaten waren, trok naar het Quirinaal, een van 's pausen paleizen, en eischte een radicaal ministerie en een constitueerende vergadering. Er werd geschoten, en er vielen menschen. Pius IX, na aan de hem omringende gezanten der buitenlandsche mogendheden te hebben verklaard, dat hij zich niet aan het hem afgeperste woord gebonden achtte, willigde eindelijk den eisch van een volksgezind ministerie in, waarop het volk zich onder gejubel verwijderde. Weldra toonde Pius aan ieder, dat zijn toestemming niet welgemeend was geweest. Immers in den schemeravond van den 24sten November ontvluchtte hij vermomd en begaf zich naar Gaëta, gelegen op 't gebied van Napels (in 't n.w., aan zee). Terwijl Pius zich in den vreemde ophield, verklaarde do constitueerende vergadering te Rome, dat het pausschap van rechtswege was gescheiden van het wereldlijk bewind over den Kerkdijken Staat en stelde men een voor-loopige regeering in, waarvan Mazzïni het eigenlijke hoofd was. Maar in April 1850 keerde de paus, nadat do Oostemijksche, de Spaansche en de Napelsche troepen de rust in den Kerkdijken Staat hersteld en een Fransch leger onder Oudinot, hertog van Reggio (ten n.w. van Modena), in Juni 1849, Rome, trots de, met behulp van Garibaldi, moedige verdediging dor stad, ingenomen had, naar zijn hoofdstad terug en aanvaardde de regeering weder, voortdurend ondersteund door Fransche

-ocr page 373-

343

troepen, die Rome steeds bezet hielden, maar in 't laatst van 1866 zijn vertrokken, hoewel later weder (zie blz. 345) door andere vervangen.

Met de terugkomst van Pins IX begon op nieuw het wanbestuur, dat in 1848 aanleiding had gegeven tot de uitbarsting. De vermenging van geestelijk en van wereldlijk gezag bleek wederom onhoudbaar te zijn. Geen tak werd slechter bestuurd dan het departement der financiën. Inzonderheid de middelklasse, de burgerij, kwijnde, doordien de handel, de nijverheid , de studio van kunst en van wetenschappen geen onderwerpen waren van de zorg der regeering en juist op deze lieden de zwaarste lasten drukten. Eén der vele oorzaken van de ellende was de lage trap, waarop liet volksonderwijs stond.

In het Lomhardijsch- Vcnetiaansch koninkrijk deed Oostenrijk zeer veel voor land en onderdanen: onvruchtbare streken werden voor den landbouw geschikt gemaakt; spoor- en andere wegen aangelegd; kanalen gegraven en ijverig zorg gedragen voor 't rechts- en 't schoolwezen. N'ogtans heerschte ook hier geen tevredenheid, dewijl deze weldaden uit de handen van vreemden kwamen en werden opgewogen door zware belastingen, niet het minst door een censuur, die alle verstandelijk leven scheen te willen tegengaan, en door een algemeen verafschuwd policiestelsel. Volgens dat stelsel stond de zoogenoemde hoogere policie in nauwe betrekking met de staatkunde, ja beheerschte haar zelfs in zekeren zin. Als werktuigen bezigde die policie allerlei lieden uit het schuim der maatschappij , die zich velerhande willekeur veroorloofden. Zij bewaakte niet alleen angstvallig de openbare meening en de geheime genootschappen, doch bespiedde ook elk huisgezin tot in de meest verborgen schuilhoeken. Een harer meest bekende otters is geweest de dichter Silvio Pellïco uit Milaan, die, nadat Metternich (zie blz, 334, 350) in 1820 de deelneming aan 't genootschap der Carbonari op strafte des doods had verboden , hoewel ten onrechte, voor een der leden gehouden, werd gevangen genomen. Aanvankelijk ter dood veroordeeld, maar niet gebracht, sleet hij een achttal jaren van zijn leven in een onderaardschen kerker op den Spielberg, een staatsgevangenis bij Brünn (in Moravië, ten n.o. van Weenen). AVat hij daar heeft verduurd heeft hij beschreven in zijn werk, in 't Italiaansch opgesteld en in andere talen vertaald „mijn gevangenissen,quot; hetwelk het Oostenrijksche stelsel van behandeling der politieke veroordeelden alom zeer deed verfoeien.

Behalve dat Oostenrijk het bewind over dezen staat voerde, beheerschte het tevens metterdaad de kleine Noord-Italiaansche staten, welker vorsten zich, bij de minste tegenkanting hunner onderdanen, onder bescherming van Oostenrijk stelden. In Maart 1848 barstte de in 't Lombardijsch-Venetiaansch koninkrijk lang onderdrukte opstand te Milaan en te Venetië los, welke steden door de Oostenrijkers moesten worden onruimd. Te Venetië werd onder de leiding van Manin, die, met den titel president, aan 't hoofd der uitvoerende macht stond, een republikeinsch bestuur ingevoerd. Andere steden volgden, en Kadetzky verkeerde, daar ook Karei

-ocr page 374-

344

Albert in aantocht was, met zijn troepen in een moeielijken toestand. Maar kort hierna veranderde hot tooneel. Do Oostenrijksche veldmaarschalk heroverde de eene stad na de andere en dwong den koning van Sardinië tot een aanhoudenden terugtocht (zie blz. 337). In Augustus 1848 opende Milaan haar poorten voor „vader Radetzky,quot; gelijk zijn soldaten hem noemden; doch eerst in Augustus 1849 werd Venetië, na een langdurig beleg, tot capitulatie gedwongen. Strenge maatregelen, inzonderheid verbeurdverklaring dor goederen van den adel, troffen nu hen, die aan de opstanden hadden deel genomen: een ijzeren juk rustte op Venetië. Manin vlood naar Frankrijk en stierf er in 1857, alleer de dag van Italië's oiiafhankelijkhoid aanbrak.

Gelijk in 't koninkrijk der beide Siciliön hebben in de laatste jaren ook in Noord-Italië grooto veranderingen plaats gegrepen. In Maart 1860 (zie blz. 389) werden, ton gevolge eener volksstemming. Toskano, Parma en Modena, bij manifest van Victor Emanüel II, met Sardinië vereenigd. Aan de vorsten van de drie staten schoot niet anders over, dan zich ten spoedigste to verwijderen, vermits zij, uit hoofde van de ontevredenheid der bevolking, schier bij niemand steun vonden.

Verder breidde Sardinië zijn gebied aanmerkelijk uit door een oorlog, dien het, bijgestaan door Frankrijk, tegen Oostenrijk voerde. Voorlang had Cavour (zie blz. 338 vlg.) te dien einde alles voorbereid. De gewichtigste slagen uit dien oorlog, waarin keizer Napoleon III het bevel voerde over het leger der bondgonooten en in 't laatst Frans Jozef (zie bh;, 349) over het Oostenrijksche, zijn die van Magenta (ten w. van Milaan) en van Solferïno (ten z. van het moer Garda), beide in Juni 1859 door de Oostenrijkers verloren. Eou paar der bevelhebbers van 't Franscho leger waren Canrobert en Mac Mahon, sinds dezen krijg vereerd met den titel hertog van Magenta. Onder den keizer van Oostenrijk voerden, daar Radetzky in 1858 was overleden, de veldmaarschalken Hendrik Hess en Bencdook liet bevel over het Oostenrijksche leger. Veel steun ondervonden de legers der bondgonooten van de stoutmoedige bewegingen van het korps Alpenjagers, groot ruim 3000 man, waarvan Victor Emanuel II de oprichting goedgekeurd en het bevel aan Garibaldi opgedragen had. Onder de redenen, die Napoleon (zie blz. 339) bewogen, een einde aan den krijg te maken, was er één de vrees voor den ontzaglijken vierhoek van de Mincio, d. i. voor de vestingen, die met elkander een vierkant vormen, Verona en Peschiera (ton w. van Verona), in 'tn., en Mantua met Legnano (ten o. van Mantua), in 't z. Bij de vredesp-aeliminairen van Villa-Franca (ten z. van Veröna), bekrachtigd door den vrede te Zurich, don lOden Nov. 1859 gesloten, verkreeg Sardinië Lombardije, met uitzondering van een deel der provincie Mantua, waardoor Oostenrijk van zijn Italiaanscho bezittingen slechts het gebied van Mantua en dat van Venetië behield.

Eindelijk zette Sardinië zijn grenzen nog ton koste van den Kerkelijken Staat uit. In Maart 1860 werd het noordelijk gedeelte van dien staat.

-ocr page 375-

345

Romagna, in November Beneventum, Ponto-Corvo, de Marken en Umbrië, alle krachtens don wil dos volks, bij meerderheid van stommen verklaard bij Sardinië te zijn ingelijfd. Slechts wat ten w. ligt van do Apennijnen werd don paus gelaten. In vergelijking mot deze belangrijke aanwinsten was het verlies van grondgebied goring te aebten, dat Sardinië in dezelfde maand Maart leed door Savoye en Nizza aan Frankrijk af te staan. Te lichter was dit offer, daar ook datgene, wat do vrede van Zurich nog aan Oostenrijk had gelaten, door den loop van don korten, maar beslis-sonden oorlog, in den zomer van 1866 tussehon Oostenrijk en Pruisen gevoerd, aan Sardinië is gekomen, of liever aan hel koninkrijk Italië, zooals sedert 1861 het rijk van Victor Emanuel 11 heet. Na het tot stand komen van dat koninkrijk sloot Napoleon III in September 1804 met het hof te Turijn een verdrag, de September-conventie, waarbij hij aannam, Rome door zijn troepen te laten ontruimen. Doch in 18G7 rukten wederom Fransche krijgsbenden don Kerkelijken Staat binnen, om Garibaldi te sluiten, die een aanval op Rome deed, ten einde de eenheid van Italië tot afsluiting te brengen. Den 4den November 1867 word Garibaldi bij Montana (ton n.o. van Rome), verslagen, kort daarna gevangen genomen, maar weldra in do gelogenhoid gesteld naar Caprêra weder te keoron. Dozo wonding der zaken bestendigde wederom voor eenigen tijd hot overwicht van Frankrijk in Italië.

In 1866 verloor alzoo Oostenrijk in Venetië en in Mantua zijn laatste bezittingen in Italië. Door een zonderlinge aaneenschakeling van lotgevallen was het stamhuis Savoye, zelf oorspronkelijk voor Italië oen vreemdeling, er in geslaagd, den gehaten vreemdeling. Oostenrijk, uit Italië verdrijvende, ter zolfder tijd hot dool van zijn aanhoudend streven, een uitgestrekt en onafhankelijk gebied, te bereiken en de eenheid van geheel dat land voor good te grondvesten. Zóó bewees dat stamhuis, geleid door Cavour, aan Italië oen dienst, dien dit land, sedert den val van 't West-Romeinsche rijk in tal van staten verbrokkeld , in al die eeuwen zichzelf niet had kunnen bewijzen. Van de Septembor-conventio af werd Florence de hoofdstad van het nieuwe rijk en bleef dit tot December 1870, toon hetgeen er nog overig was van don Kerkelijken Staat aan 't gohcele rijk Italië werd toegevoegd en Rome, dat in December 1867 door de Franschen was ont-ruimd en in September 1870 door do troepen van Victor Emanüel vor-meesterd, tot hoofdstad van Italië werd verklaard. Dus was dan, sinds het begin van 1871, de eenheid van Italië voltooid en de paus van al zijn wereldlijke macht beroofd, terwijl de gang van don oorlog tussehon Pruisen en Frankrijk voor goed een eind maakte aan alle inmenging van de zijde van Napoleon III en van Frankrijk. Als hoofd der katholieke kerk schijnt evenwel de paus in het Vaticaan zijn zetel te zullen behouden. Immers, na den dood van Pins IX in Februari 1878 is ook zijn opvolger, kardinaal Pecci, die den naam Leo XIII aannam, het gaan bewonen. Één maand vroeger. Januari 1878, was de koning van Italië, Victor Emanüel II, overleden, in wiens plaats zijn oudste zoon, Humbert i, don troon beklom. Ter zelfder tijd stierf de la Marmöra, in Juni 1882 Garibaldi.

-ocr page 376-

846 § 126

Duitschland. — Hoofddenkbeelden sedert 1815 heerschende. — De Bur-sehensehaft. — Het feest op den Wartbwy. — De moord van Kotzebue door Sand. — Staatsi-egelingen in enkele staten. — Onlusten in sommige staten in 1830. — Het Duitsche tolverbond. — Troonsverandcringen in de verschillende staten. — Ongunstige algemeem toestand van Duitschland na 1830. — Besluiten van den hondsdag van 1832. — Johannes Ronge en de Duitsch-katholieken. — Hei panslavonisme. — Bewegingen in 1848. — Toestand van Oostenrijk. — Metternich treedt af. — De keizer geeft een constitutie. — Opstand te IVeenen. — De keizer vestigt zich te Innsbruck. — Oproer te Praag, gedempt door Windisch-gratz. — Eerste algemeene Oostenrijksche rijksdag te Weenen. — Terugkeer van den keizer. — Tweede opstand te Weenen. — Eischen der Hongaren. — De keizer vindt steun in de zuidelijke gedeelten van Hongarije. — Moord van Lat our. — De keizer wijkt naar Olmütz. — De rijksdag gaat uiteen. — Jellachich verslaat de Hongaren. — Win-dischgratz neemt Weenen. — Lode wijk Kossuth. — Arthur Oeorgei. — Oostenrijk roept de hulp in van Rusland tegen Hongarije. — Haynau cn Paskewitsch. — Einde van den opstand. ■— Onbeperkt keizerlijk bewind in Hongarije. —• Inrichting van 't bestuur van Hongarije sedert 1867. — Oproeren in Rijn-Pruisen en in Westphalen. — Opstand te Berlijn. — De koning bukt. — Amnestie en proclamatie. —■ Constitueer en de vergadering te Berlijn. — De vergadering wordt verdaagd en daarop, ontbonden. — De koning vaardigt een staatsregeling uit.

In Duitschland hoorschten, in strijd met do matheid en de flauwheid, die na do jaren 181:5, 1814 en 1815, het kenmerk van menigeen waren, sinds diezelfde jaren bij vele anderen in tegendeel, als gevolg der zware inspanning, die men zich had getroost, twee hoofddenkbeelden, waarvoor zij zeer ijverden, eenheid van 't vaderland en regeering bij vertegenwoordiging der enkele staten. Sinds de dagen van keizer Frederik II (zie blz. 133) was de verbrokkeling van Duitschland steeds aangroeiende geweest. Hoe meer zij was toegenomen, des te meer voet was gegeven aan de inmenging van buiten, des te minder beteekenend was Duitschlands invloed op Europa's aangelegenheden geworden. Het woord van Voltaire, dat liet Heilige Romeinsche rijk noch heilig was, nog Roomsoh, noch een rijk, behelsde maar al te veel waarheid. Ue overheersching der Franschen deed in 1813 het gevoel van nationaliteit herle\en. Groot was de geestdrift, die hot lied van Arndt „Wat is des Duitschers vaderland?quot; verwekte, waarin de dichter, na telkens te hebben ontkend, dat het Zwaben of eenige ander landstreek is, bij herhaling antwoordt, dat geheel Duitschland dat vaderland moet zijn. Met dit streven naar eenheid ging het trachten naar vrijheid hand in hand. Het zoeken was, de volkeren, reeds één door den band der afstamming en van de taal, tot één of meer

-ocr page 377-

347

staten te veroenigen, die in een constitutioneelen regeeringsvorm den waarborg zouden krijgen van onafhankelijkheid naar buiten en van ontwikkeling naar binnen. Tevergeefs wachtte het volk, na den val van Napoleon, op de vervulling der beloften, in de bondsakte gedaan. In die bondsakte, volgens een ontwerp van Metternich opgesteld op hot congres van Weenen en in hot laatste tijdperk van 't bijeenzijn der vergaderden met overhaasting tot stand gekomen, welke de hoofdtrekken der nieuwe Duitsohe staatsregeling behelsde en het in 1815 opgerichte Duitsche verbond onder de hoede der Europeesche mogendheden plaatste, was o. a. vrijheid van drukpers en aan de verschillende staten een regeeringsvorm met stendon toegezegd.

Ofschoon er in de eerste jaren geen opstanden, als kenmerken van bestaande ontevredenheid, plaats grepen, meenden de rogeeringen van Duitschland in sommige verschijnselen, als in de wijze, waarop het feest der kerkhervorming in 1817 op den Wartburg (zie blz. 184) word gevierd, en vooral in den moord van den Russischen staatsraad August von Kotzebue door den student Karei Lodewijk Sand in Maart 1819 te Mannheim, blijken van een te vrije denkwijze, inzonderheid onder de jongelingschap, te bespeuren. Tusschen die twee verschijnselen bestond, zooals die regeeringen dachten, een niet te miskennen verband. Op den dag der viering van dat derde eeuwfeest der hervorming, den 18den October 1817, gingen, met anderen, ook een groot aantal studenten van de Duitsche hoogescholen naar den Wartburg op. Destijds waren de meeste studenten dier verschillende hoogescholen onderling door een allen omvattenden band van broederschap verbonden. Het sein daartoe was gegeven door een genootschap, onder den naam üurschenschaft (letterlijk vereeniging van jongelieden), opgericht door de kweekelingen der hooge-school van Jona (zie blz. 313). Die „Burschcnschaftquot; had wetten, welke zoo goed als uitsluitend het tweegevecht verboden, elke mishandeling van jonge studenten tegengingen, alle ruwheid poogden te weren, een voorbeeldig leven voorschreven en uiterlijke kenteekenen vaststelden. Tot deze of dergelijke vereenigingen traden, ook aan andere hoogescholen dan aan die van Jena, velen toe.

De tijd, waarop de kerkhervorming plechtig zou worden herdacht, viel ongeveer samen met den gedenkdag van den slag bij Leipzig. Dit bewoog de studenten van Jena, hierop de aandacht te vestigen en aan die der andere hoogescholen voor te slaan, dat men op den Wartburg op den bepaalden dag de beide groote gebeurtenissen tegelijk zou verheerlijken. Eenige honderden studenten kwamen op, en alles liep met orde af. Doch toen volgde een nafeest, door enkele achtergeblevenen gevierd, waarop, als nabootsing van 't verbranden der banbul door Luther, onder luide jubelkreten onderscheidene gehate boeken, als de Duitsche geschiedenis van August von Kotzebue, en sommige zinnebeelden der onbeperkte macht en der aan 't oude vasthoudende gewoonten, b.v. een korporaal stok, een haarstaart, enz. ten vure werden gedoemd. Wat hier gebeurde werd

-ocr page 378-

348

welhaast voorgesteld als oen aanslag op den staat en op de overheid. De studenten verweet men, dat zij zich uitsluitend geroepen achtten den volksgeest te vertegenwoordigen. En toen, twee jaren daarna, Sand, een der studenten van Jena, von Kotzebue in zijn eigen huis te Mannheim doorstak, haastten zich de regeeringen, de üuitsche jeugd en hen, die zij als haar leidslieden in het voorstaan van nieuwigheden beschouwden, te breidelen en zich te verzetten tegen al hetgeen op een zweem van hervorming geleek. Niet geslaagd zijnde in zijn poging om zichzelf te dooden, moest Sand den tol aan de menschelijke gerechtigheid betalen. Maar hierbij bleef het niet. Do keizer van Oostenrijk, Frans, noodigde de hoven van Pruisen en van een aantal der kleinere Duitsche staten uit, hun ministers te doen bijeenkomen te Karlsbad (ten n.o. van Eger, in 't n.w. van Bohemen), ten einde gemeenschappelijk maatregelen te beramen tegen de gevaren des tijds.

Hier werden, onder de leiding van Metternich, de besluiten van Karlsbad genomen, volgens welke de hoogescholen onder 't opzicht van een regee-ringsbeambte gestold en daarenboven de censuur der geschriften en andere beperkende bepalingen ingevoerd werden. De genootschappen der studenten werden opgeheven en meer dan één van hen jaren lang gekerkerd. In overeenstemming met den inhoud der besluiten van Karlsbad werd vervolgens de bondsakte herzien, gewijzigd en uitgebreid door een tweede vergadering van ministers, gehouden te Weenen in den winter van 18-19 en 1820, wier overleggingen werden samengevat in de zoogenoemde eind-akte van Weenen, die o. a. voorschreef, dat do staatsregelingen der bijzondere staten niet in tegenspraak mochten geraken met de bondsakte. In Oostenrijk werd de terugwerkende kracht hot ergst, waar het geheele onderwijs aan een eng toezicht der geestelijkheid werd onderworpen, terwijl hot steeds in een ongunstigen toestand verkeerende financiewezen veeleer de zorgen der regeoring had vereischt. Onder de vorsten der groote staten leverden slechts de koningen van Beieren en van Wurtem-borg hot bewijs hunner instemming met de wenschen des volks door in 1818 en 1819 een eenigermate vrijzinnige staatsregeling aan hun rijken te geven. Eveneens deden 't hertogdom Nassau en 't groothertogdom Baden. Allen intusschen was voorgegaan de groothertog van Saksen-Wei mar. Karei Augustus, die er reeds in 181(5 in had toegestemd, dat zijn land met een staatsregeling en met een kamer van volksvertegenwoordigers werd begiftigd. Intusschen hadden al die staatsregelingen een overwegend aristocratisch karakter. Gelijk die van Beieren in 't Zuiden, was over 't geheel, in 't Noorden, mede het best de toestand van Pruisen, in welk rijk in 1823 een provinciale volksvertegenwoordiging werd ingesteld, die echter niet veel meer rechten had dan de bevoegdheid om raad te geven en bij welker samenstelling de adel op in 't oog loopende wijze werd bevoorrecht.

Op 't voorbeeld van het naburige Frankrijk ontstonden in 1830 en in volgende jaren in verscheidene staten, zooals in Keur-Hessen, in het groothertogdom Hessen, in Brunswijk, in het koninkrijk Saksen, in Hannover

-ocr page 379-

34!»

en elders, onlusten, die gedeeltelijk door het toegeven aan de eischen der ontevredenen werden gestild, gedeeltelijk met geweld bedwongen. Zoo bekwam b.v. het koninkrijk Saksen, evenals de overige dier staten, een staatsregeling. Pruisen deed (183.'{—1830) een krachtigen stap op liet pad, dat tot de eenheid van Duitschland moest voeren, door 't oprichten van het Duit.sche tolverhond, d. i. door een gemeenschappelijk tolstelsel, dat de bijzondere tolliniën ophief en den vrijen doorvoer der handelswaren door een groot deel van Duitschland verzekerde, waaraan, behalve Pruisen zelf, allengs Beieren, Wurtemberg, Baden, de beide Hessens, Saksenen eenige kleinere staten deel namen. Een tweede stap voorwaarts was liet aanleggen van spoorwegen, die gedurig verdere uitbreiding verkregen. De volgende troonsveranderingen hadden in Duitschland plaats. Oostenrijks kroon ging in 1835, na den dood van Frans I (zie blz. 313), op zijn oudsten zoon Ferdinand i over, door wien zij in 18-4:8 aan zijn neef, fiians jozef i, werd afgestaan (zie blz. 352). Fkedebik willem iv volgde in 18-10 in Pruisen op Frederik Willem III (zie blz. 28(1). Na zijn dood besteeg zijn broeder, willem i, in 1861 den troon, na sinds 1858, gedurende de langdurige ongesteldheid van Frederik Willem IV, als regent het rijk te hebben bestuurd. Hij overleed in Maart 1888 en werd opgevolgd door zijn.zoon frederik iii, niet alleen als koning, maar ook (zie blz. 425) als keizer. Reeds in Juni van 't zelfde jaar overleed ook Frederik. Hem volgde op zijn zoon willem ii, In Maart 1890 trad von Bismarck af als rijkskanselier en hoofd van 't Pruisisch ministerie. Koning Frederik Augustus I van Saksen (zie blz. 312) werd in 1827 door zijn broeder, Anton, deze vorst in 1830 door zijn neef, fredebik augustus ii, opgevolgd, die in 1854 is overleden en zijn broeder, jouax i, tot opvolger had, na wiens dood, in October 1873, zijn zoon alijert i den troon beklom. Beieren kreeg in 1825, na 't overlijden van maxi-miliaan i jozef, zijn zoon lodewuk i, als koning, die in 1848 aftrad en op wien zijn zoon, maximiliaan ii jozef, volgde. Maximi-liaan II Jozef stierf in 1804 en werd opgevolgd door zijn zoon, lode-wijk ii, die in 1880 overleed. Als regent voor zijn minderjarigen zoon Lodewijk trad nu op prins luitpold. In 1810 liet frederik i tie kroon van Wurtemberg aan zijn zoon, willem i, na, die in 1804 werd opgevolgd door zijn zoon, ka rel i.

Over 't geheel verkeerde Duitschland, na de bewegingen van 1830, in 1840 in geen'gunstigen toestand. Met kracht trad de bondsdag to Frankfort aan de Main in zijn besluiten van 1832 op tegen de vrijzinnige neigingen, in 1830 aan den dag gelegd. Daarin wordt, als het gevoelen van den bondsdag, verkondigd, dat de algeheele macht bij den vorst berust; dat de staten niet bevoegd zijn, hun goedkeuring te onthouden aan ontwerpen van belastingen, door de regeering ingediend; dat hot toezicht op de hoogescholcn zal worden gehandhaafd; dat op hot geheolo grondgebied van het Duitsche verbond geen volksvergaderingen mogen plaats grijpen of volksfeesten worden gevierd zonder vergunning dor regeering;

-ocr page 380-

360

dat, boven en behalve de gewone censuur, die de vorsten van de bijzondere staten hadden, den bondsdag de buitengewone bevoegdheid wordt toegekend, elk geschrift te vernietigen, hetwelk hij aanmerkt als gevaarlijk voor de waardigheid van 't verbond of voor de rust van Duitsch-land. Deze en dergelijke besluiten werden daarop in een vergadering van ministers uit verschillende staten te Weenen in 1834 nog nader vastgesteld en verscherpt. O. a. werd hier bepaald, dat, indien er geschillen ontstonden tnsschen een vorst en de vertegenwoordiging van zijn land, de bondsdag een aantal zoogenoemde scheidsrechters had te benoemen, ▼oor welke taak die bondsdag, dewijl het verbond een verbond was van vorsten, dan natuurlijk mannon zou aanwijzen, die 't vertrouwen der regeering genoten.

Dergelijke voorschriften deden de achting voor den bondsdag diep zinken; de staatsregelingen, voorzoover men er had, werden daarenboven dikwijls overtreden; menigeen, verdacht van 't streven naar omverwerping van den bestaanden toestand, zuchtte in de gevangenis. Op kerkelijk gebied vertoonde zich veelvuldig verschil van gevoelen, zoodat er waren, die zich van de katholieke kerk afscheidden. Zoo stichtte Johannes Konge, een geestelijke in Silezië, zich hevig ergerende over de tentoonstelling van den zoogenoemden heiligen rok van Christus te Trier in 1814, met anderen de sekte der Duilsch-katholieken, die echter geen duurzamen bijval vond. In de Oostenrijksche staten, bijna voor de helft door Slaven bewoond, begonnen zich sporen te vertoonen van het pamlavonisrne, een richting, die de vereeniging beoogt van alle Slaven tot één groot rijk, dat niemand anders dan den czaar tot beheerscher kan hebben, en die vooral door de Magyaren wordt bestreden. In Pruisen drong men meer en meer aan op 't invoeren eener constitutie. In plaats hiervan riep de koning den 3den Februari 1847 een algemeenen landdag bijeen, die echter slechts als raadgevend lichaam werd erkend, hetgeen geenszins aan de verwachting van het volk voldeed.

In 1848 moest de regeering in Beieren, in quot;Wurtemberg en in bijna alle andere staten eenige der eischen, door het volk gedaan, inwilligen, b.v, vrijheid van drukpers, rechtbanken van gezworenen (jury), vrijheid van godsdienst, bijeenroeping van een Duitsch parlement, enz. Geen staat intusschen had meer van den opkomenden storm te duchten dan het keizerrijk Oostenrijk, dat bonte mengelmoes van zoo uiteenloopende volkeren en stammen, onder welke de Slaven in getal de meerderheid hebben, die losse aaneenvoeging van koninkrijken, aartshertogdommen, hertogdommen, graafschappen en welke staten er meer bestanddeelen van zijn, die, ieder, grootendeels door afzonderlijke wetten worden bestuurd. De landdagen dor onderscheiden staten hadden geen zelfstandigen werkkring en niet den minsten invloed; de adel had wel voorrechten, maar geen rol in 't bestuur te vervullen; de boeren werden gedrukt door de heeren; de steden eindelijk misten de vrijheid, haar eigen zaken te beheeren.

In dat Oostenrijk verliet in 't zelfde jaar de grijze minister Metter-

-ocr page 381-

.'{.'I

nich het tooneel, waarop hij zoolang de eerste rol had vervuld, hij, de staatsman, die, zonder groote beginselen te hebben, sinds den val van Napoleon een overwegenden invloed op de binnen- en de buitenlandsche staatkunde van Europa's staten had geoefend. Hij was steeds diegene geweest, op wien allo pogingen tot hervorming, verandering of wijziging-van don toestand der staten en der volkeren, zoowel in als buiten Duitschland, waren afgestuit. Dit stelsel had hij gehandhaafd, waar en zoovaak hij het vermocht. Slechts dan had hij het voor een oogenblik ter zijde geschoven, wanneer de weerstrevende kracht zoo groot was geweest, dat hij begreep, zich naar de omstandigheden te moeten voegen. In Oostenrijk zelf had hij zich steeds doen kennen als de voorvechter van het onbeperkt vorstelijk gezag, als een hevig vijand van alle inmenging van 't volk in regeeringszaken. Zooveel mogelijk had hij dit rijk van 't verkeer met het buitenland afgesloten. Een strenge censuur had hij staande gehouden, een geheime policie veel macht toevertrouwd, den invloed der geestelijkheid bevorderd. Kortom, zijn stelsel was geweest: „alles voor het volk, niets door het volk.quot;

Evenals in vele andere Duitsche staten werd het in 1848 ook in Oostenrijk onrustig. De ontevredenheid der bevolking, waarbij de studenten der hoogeschool als voorgangers optraden, begon zich in Maart van dat jaar te Woenen in eenige oploopen lucht te geven, waarop dan Metter-nich aftrad. Toch bleven de bewegingen, gepaard met eischen van hervormingen, aanhouden, weshalve de keizer in Mei aan veler verlangen toegaf en de bevolking een constitutie verkreeg, nadat hij reeds vroeger een algomeene wapening der burgerij en de vorming van een sludentenlegioen, benevens vrijheid van drukpers, had toegestaan. Doch doordien de staatsregeling als niet voldoende werd aangemerkt, barstte er een opstand los. De keizer verliet met zijn familie Weenen, om zich voorloopig te Innsbruck (do hoofdstad vad Tyrol, aan de Inn) to vestigen. Terwijl de bevolking van Weenen den keizer bij herhaling verzocht terug te koeren, ontstond iti Juli oveneens een oproer te Praag, waar juist een „Slaveneoncresquot; werd gehouden of bijeenkomst van zoodanige inwoners der Oostonrijksche landen, die tot den stam der Slaven behooren (zie blz. 350), dat echter dooi' quot;Windischgratz werd gedempt. In dezelfde maand kwam de eerste alge-meene Oostonrijksche rijksdag, uit leden van de verschillende doelen der monarchie samengesteld, te Weenen bijeen, en op 't verzoek dier vergadering betrok de keizer in Augustus wederom den hofburg Schönbrunn (zie blz. 31G).

Doch ook na zijn terugkeer werd de rust niet hersteld. Weenen bleef in een geheel buitengewonen en opgewonden toestand verkeeren. Aan zijn dagelijksche werkzaamheden dacht niemand der burgers, evenmin als do gewapende studenten aan hun studiën. Zwermen vreemde fortuinzoekers en omwentelingszuchtigen trokken de stad door, en hoe langer hoe grootor werd het aantal van hen, die, als welklieden, ten koste van den staat en van de stad wilden leven. Gedrongen door de omstandigheden, verlaagde

-ocr page 382-

nü het ministerie in Augustus hot dagloon van do arbeiders, die in diénst waren van het rijk of van de gemeente. Dit voerde tot een uitbarsting, die evenwel spoedig werd bedwongen. Middelerwijl was een groote spanning ontstaan tusschen hot Weener ministerie en Hongarije, alwaar men een zelfstandig bestuur onder een aartshertog uit het Habsburgsohe huis, vermindering van belastingen en bevrijding van do verplichting wenschte om bij te dragen tot hot kwijten der renten van de Oostenrijksche schuld, eischen, waarin keizer Ferdinand slechts in zoover wilde toestemmen, dat, ten opzichte van het flnancie- en het krijgswezen, de verbintenis met het goheele rijk van kracht bleef. Uit hoofde dier gisting achtte de minister van oorlog, Latour, hot geraden, troepen naar dit land in bewoging to stollen. Jellachich, han (bestuurder) van Kroatië, werd tot opperbevelliebber der keizerlijke legers in Hongarije benoemd en vond steun bij de bevolking van de zuidelijke gedeelten van dit land, van Kroatië, van Slavonic, van de Militaire grenzen, van Zevenbergen, enz., dio, tot den stam der Slavoniërs behoorende, aangevuurd door do beweging van het panslavonismo, op hun beurt eon zelfstandig bestaan verlangden, zich van Hongarije wilden afscheiden on alzoo bondgenooten werden van de regeering te Weonen. Immers „gelijk recht voor elke nationaliteitquot; werd thans aller leus.

De voorgenomen tocht van een deel der legers, wolken burgers en studenten uit Weenen zochten te beletten, werd in October het sein tot een tweede, veel heviger oproer, waarbij alom barricaden werden opgeworpen, met kracht tegen liet krijgsvolk werd gestreden, velen omkwamen on de grijze Latour door een in 't gebouw van het ministerie van oorlog binnengedrongen bende gruwelijk werd vermoord. De rijksdag girg uiteen, en de keizer, zich ten tweeden male verwijderende, begaf zich naar Olmiitz (aan de March, in 't n. van Moravië). Windischgriltz, tot opperbevelhebber tegen Weenen benoemd, sloot de stad van alle kanten in. De tot ontzet naderende Hongaren, door Kussuth aangevoerd, werden door Jellachich verslagen, on in de laatste dagen van Oct. nam Windischgriltz de stad stormenderhand in. Nu bogon een volstrekte militaire heerschappij: vier jaren lang bleef Weonen in staat van beleg. Velen werden ter dood gebracht, meer lieden nog op vestingen gevangen gezet of bij hot leger ingelijfd.

Den 2den Dec. legde Ferdinand de kroon neer en kreeg zijn neef, f hans jozef i, een zoon van den tweeden zoon van Frans, tot opvolger. De nieuwe keizer liet terstond een groot leger oprukken togen de Hongaren, welke Lodowijk Kossuth, die, op last der Oostenrijksoho regeering, een paar jaren in den kerker had doorgebracht, doch sedert 1847 lid was geweest der Hongaarsche volksvertegenwoordiging en minister van dit rijk, als dictator, en Arthur Groorgei, Klapka, alsmede den Pool Bem, als generaals hadden. Vruchteloos bestreed hen Windischgriltz met Jellachich en met andere zijner onderbevelhebbers. Alom zegevierden do Hongaarsche wapenen, en eerst toen de keizer van Oostenrijk door oen

-ocr page 383-

groot Russisch leger onder Paskewitsch werd ondersteund en hij Haynaü aan 'thoofd zijner eigen krijgsbenden plaatste, verkeerde do kans. Hierop deed Kossuth in Augustus 1849 afstand van zijn gezag en benoemde Georgei tot dictator. Nauwelijks was dit geschied, of de dictator gaf zich bij Vilagos (ten n.o. van Arad, in 't z.w. van Hongarije) mot zijn leger aan de Russen over, eon handelwijze, die, aanvankelijk raadselachtig gevonden, later in de onvermijdelijke noodzakelijkheid eon natuurlijke verklaring heeft gevonden. Kossuth en Bern weken op Turksch grondgebied, en den Iston Oct. 1849 lag Hongarije aan de voeten des keizers. Vele edele Hongaren boetten met hun leven voor den mislukten kampstrijd, want Haynau kende geen gematigdheid.

Wederom werd, nadat de rust was hersteld, in Hongarije een keizerlijk onbeperkt bewind ingevoerd. Maar na een tiental jaren begon het kabinet to Weenen zelf te beseffen, dat de eischen der mannen van de omwenteling-ten deole redelijk waren en meer uitzicht gaven op de bevordering van 't welzijn van 't gansche rijk dan het keizerlijk alvermogen. Vanhier dat in de latere jaren, inzonderheid in 18G0 en in 1867, is te gomoet gekomen aan den wensoh van 't Hongaarsche volk, zelf een aandeel te hebben aan 't bestuur zijner eigen aangelegenheden en meer van Oostenrijk te worden afgezonderd. Sedert die jaren is er voor allo Oostenrijksche landen één gemeenschappelijk vertegenwoordigend lichaam, geheeten de rijksraad, bestaande nit het heerenhuis en uit het huis der afgevaardigden. Gelijk de overige kroonlanden verwierf Hongarije bovendien zijn afzonderlijken landsdag of rijksdag, bestaande uit de tafel der magnaten of edelen en uit de tafel der representanten of vertegenwoordigers van de comitaten of graafschappen en van de steden. Ten aanzien van de buiten-landsche aangelegenheden, van do financiën en van het krijgswezen bleef Hongarije aan Oostenrijk vastgehecht. Doch in 't genoemde jaar 1867 werd Frans Jozef als koning van Hongarije te Pesth gekroond.

Het jaar 1848 zag ook Pruisen in don stroom der omwenteling mede-sleepen. Behalve dat in Rijn-Pruisen en in Westphalen sterke gisting heerschte, stond de hoofdstad Berlijn zelve op en word slechts met geweld bedwongen. Toon men in de maand Maart van 't jaar 1848 in dio stad bericht kroeg van de woelingen te Weenen, openbaarde zich ook onder de Berlijnscho burgerij een zekere spanning. Do koning hief de censuur op en beloofde een grondwet. Daar het volk, hiermede niet tevreden, vooral stond op do wegzending van 't krijgsvolk, rotteden den 18den Maart groote scharen voor het paleis samen. Ten einde ze terug te dringen stelde zich een afdeeling voetvolk in beweging en rukte hot paleis uit. Plotseling vielen, evenals te Parijs in 't zelfde jaar, hetzij opzettelijk of toevallig, twee schoten, waarvan geen der beide partijen later de verantwoordelijkheid wilde op zich nomen. Tegelijk vloog de massa menschen uiteen onder 't geroep: „wij zijn verraden; men vermoordt ons; te wapen.quot; Dadelijk wierp men in het tijdsbestek van een uur of twee een drie ii vierhonderdtal barricaden op, en een verwoede strijd begon. De kamp

Wijn nt,, Handboek der Alg. Geschiedenis, 7ilc druk.

-ocr page 384-

HfU

duurde den ganschon nacht door on nam, vermits do soldaten door den hun van regeeringswege geschonken sterken drank opgewonden waren, een zeer hevig karakter aan.

Op den morgen van den 1 Oden Maart begreep de koning, dat, dewijl hem werd bericht, dat een afdecling van 40,000 man zijner troepen het onderspit had gedolven, hij moest toegeven. Hij ging er dus toe over, het leger te bevelen de stad te verlaten, liet de gemaakte gevangenen in vrijheid stellen en vertrouwde het bewaren der rust en dor openbare veiligheid toe aan do gewapende burgerij. Daarop werd reeds den 20sten Maart een amnestie afgekondigd. Den 21ston volgde een bekendmaking of proclamatie, door Fredorik Willem en zijn ministers onderteekend, dat de koning zich, ter redding van Duitschland, aan de spits van zijn vaderland stelde; dat hij van nu aan, als een nieuw, als een constitutioneel vorst, de leidsman der herboren Duitsche natie verlangde te zijn; dat Pruisen nu in Duitschland zoude opgaan.

Ter zelfder tijd als de koning zijn voornemens voor de toekomst bekend maakte, die een aanmerkelijk gedeelte van Duitschland, vooral het Zuiden, van hem vervreemdden, riep hij een constitueerende vergadering te Berlijn bijeen. In 't begin van November vernam men den afloop der omwenteling te Weenen. Den 8sten November benoemde Frederik Willem een nieuw kabinet, het ministerie-von-Manteuffel, dat lijnrecht was gekant tegen alle inmenging van den volkswil. Vervolgens werd de vergadering verdaagd, verlegd naar Brandenburg (ten z.w. van Berlijn, aan de Havel, een bij-stroom van de Elbe) en vervolgens ontbonden. Do gewapende burgermacht werd eveneens ontbonden, een algemeene ontwapening bevolen, Berlijn „in staat van belegquot; verklaard. Don öden December vaardigde de koning van zijn zijde een staatsregeling uit.

§ 127.

Duitschland. — Vergrooting van 't grondgebied van Pruisen. — Voor-parlement te Frankfort aan de Main. — Hei Duitsche parlement onder 't voorzitterschap van Hendrik von Gagern in de St. Pauluskerk dier stad. — De taak der vergadering. — Johan benoemd tot onverantwoordelijk rijksbestuurder met een verantwoordelijk ministerie. — Het keizerschap der Duitschers aangeboden aan Frederik Willem IV, doch afgeslagen. — Het werk der vergadering lijdt schipbreuk. — Johan legt zijn waardigheid neer. — Verkooping der Duitsche vloot. — Staatsregeling in Pruisen. — Concordaat van Oostenrijk , door von Beust later herroepen. — Constitutie in Oostenrijk. — Otto Eduard Leopold von Bismarck-Schönhausen. ■— Zijn jeugd. — Hij treedt op als lid der volksvertegenwoordiging. — Bedieningen, door hem bekleed. — Herhaalde ontbinding en verdaging der kamer. — Tweederlei oorzaak van bewegingen in Zwitserland. — Du four zegepraalt over de benden der

-ocr page 385-

katholieke kantom. — De Jezuiten verlaten het land. — Staatsregeling van Zwitserland. — Frederik Willem IV doel afstand van zijn souve-reiniteitsrechten op Neufchdtel. — Frederik VI voert in 1834 in Denemarken afzonderlijke provinciale landdagen in. — O kris liaan VIII, koning van Denemarken, en xijn open brief. — Hoofdtrekken der geschiedenis van Slees wijk en van Holstein van de oudede tijden af. ■— Blik op het in Denemarken, in Slees wijk en in Holstein regeerende huis en zijn Union. — Toestand der hertogdommen ten opzichte van Denemarken in 1846'. — Strijd der meeningen en der partijen. — Frederik VII. —■ Verdragen over den tol in de Sond en in de Belt. — Oproer in Sleeswijlc-Holstein. — Oorlog tusschen het Duitseke verbond en Denemarken. — Wending der zienswijze van Pruisen en van Oostenrijk. — Verdrag te Londen. —• Pogingen van Denemarken om in de hertogdommen het Deensche element te versterken. —- Christiaan IX. — Hertog Frederik van Sonderburg-Augustenburg. — Oorlog van Pruisen en van Oostenrijk tegen Denemarken. — Vrede te Weenen. ■—■ Overeenkomst te Gastein. —- Verdeeldheid tusschen Pruisen en Oostenrijk. — Aanslag op Bismarck. — Ontwerp van Bismarck. — Openbare krijg tusschen Oostenrijk, bijgestaan door vele andere Duitsche staten, en Pruisen, hetwelk met het koninkrijk Italië is verhonden. — De slag tusschen Königgriitx en Saddwa. —- Von Moltke. — De slagen in en bij Italië. — Vrede te Praag. — Verzoening tusschen de Pruisische regeering en de kamer der afgevaardigden. — Inrichting van het Noord-Duitsche verbond. — Wijziging van het tolverbond.

Nadat do onrust te Berlijn was bedaard, werd, volgens een verdrag, met de vorsten dier kleine staten gesloten, Pruisens grondgebied in 1850 vergroot met de vorstendommen Hohenzollern-Hechingen en Sigmaringen (ton z. van Wurtemberg), tot dusver onafhankelijke leden van hot Duitsche verbond. Te midden van al de onrust der jaren 1848—1849, nog vermeerderd door bedenkelijke oproeren te Dresden, alsmede in Baden-Baden en in de Palts in 1849, word te Frankfort aan de Main, onder 't voorzitterschap van Hendrik von Gagern, een Duitsch parlement of vergadering van afgevaardigden uit geheel Duitschland (zie blz. HöO) gehouden. Nadat in het zoogenoemde voorparlement, in April 1848, waarin een aantal der vroegere loden van vertegenwoordigende vergaderingen ter voorloopige beraadslaging een tijdlang bijeen was, was besloten tot het doen samenkomen van een eigenlijk Duitsch parlement, werd dit den 18don Mei van 't zelfde jaar in dezelfde stad geopend in de St. Paulnskerk. De vergadering telde nagenoeg HOO loden, bij vrije keuze, met goedkeuring van do regeeringen der onderscheidon staten, door de bevolking van gansch Duitschland benoemd. De taak der vergadering was, oen staatsregeling samon te stollen, op don grondslag der volkssou vereiniteit, volgens een ontwerp, vervaardigd door eon vijftigtal der leden van 't voorparlement. Ten einde een centrale macht in 't levon te

23*

-ocr page 386-

3oC

roepen, die liet Duitsehe verbond zou vervangen, verkoos zij als onver-antwoordelijk rijksbestuurder, wien het volle uitvoerend gezag werd opgedragen, Johan, een broeder van Frans I (zie blz. 349), aartshertog van Oostenrijk, wien een verantwoordelijk ministerie, door hemzelf te benoemen, werd ter zijde gesteld. Doch do pogingen tot werkzaamheid van den rijksbestuurder stieten af op den onwil der regeeringen van de bijzondere stilten om zich met hem in betrekking te stellen, alsmede op geldgebrek.

In de laatste dagen van Maart 18-49 was de vergadering met haar werk gereed. Een hoofdpunt der staatsregeling was, dat er een erfelijk opperhoofd zou zijn met don titel „keizer der Duitschers.quot; In April begaf zich een aantal afgevaardigden van Frankfort naar Berlijn, om die waardigheid aan koning Erederik Willem IV aan te bieden, op wien de stemmen van de meerderheid der vergadering waren uitgebracht. Frederik Willem echter wees de hem toegedachte onderscheiding van de hand. Hij meende geen kroon te mogen aannemen, die haar oorsprong had te danken aan de omwenteling, en was niet gezind ten haren behoeve in oorlog te geraken. Deze weigering gaf den eersten stoot aan den arbeid der vergadering, die weldra geheel in duigen viel. Op den wenk van Oostenrijk riepen de regeeringen de leden uit de St. Pauiuskerk terug, die achtereenvolgens alle het zinkende schip der Duitsehe eenheid verlieten , hetwelk zij, die het hadden gebouwd, niet vermochten in de vaart te brengen. In den loop van 't zelfde jaar, 1849, legde de rijksbestuurder Johan, die volstrekt niets had kunnen doen, mede zijn waardigheid neder en werd, tegen 't laatst van 1850, de vroegere bondsdag te Frankfort aan de Main weder hersteld.

Eveneens ging het met een ander uitvloeisel van 't streven der natie naar de eenheid, n.1. met de vloot, daar de schepen, die, om een begin te maken, waren bijeengebracht, in 1852 in 't openbaar werden verkocht. Ten slotte zagen noch in Oostenrijk, noch in Pruisen zij, van wie de opstanden van 1848 waren uitgegaan, hun wenschen vervuld. In Oostenrijk werd de constitutie reeds in 1849 ter zijde gesteld. In Pruisen werd de constitutie van December 1848, na in 1850 een weinigbeteekenendo herziening te hebben ondergaan in een deswege bijeengeroepen volksvergadering, de. grondwet van dat jaar 1850, waarbij werden ingesteld twee kamers, het heerenhuis en het huis der afgevaardiijden. Maar die grondwet werd slecht nageleefd. Daarentegen sloot de keizer van Oos-tenrijk in 1855 een concordaat mot don paus, hetwelk de rechten der katholieke kerk zeer vermeerderde, doch dat hij later, in 18C7, op raad van zijn rijkskanselier, von Beust, herriep. Wurtemburg volgde het voorbeeld van Oostenrijk door mede een concordaat te sluiten. Eerst in 1861 verleende keizer Frans Jozef aan zijn volkeren op nieuw een constitutie van tamelijk vrijzinnigen aard.

Tegen 't eind van 1862 trad in Pruisen Otto Eduard Leopold von Bismarck-Schönhausen (ten n.o. van Maagdenburg, in Pruisisch Saksen, niet ver van de Elbe) als hoofd van 't ministerie op. In 1815

-ocr page 387-

uit een adellijke familie te Schönhansen gesproten, had Bismarck eenige jaren aan een paar hoogesoholen doorgebracht. Later had hij een paar jaren als militair en als landedelman geleefd. In 1S47 en in 1848 had hij, als lid dor vertegenwoordiging en der constitueerende vergadering, gelegenheid gehad zich in staatszaken te doen kennen. In 1851 word hij secretaris van 't Pruisische gezantschap bij den bondsdag te Frankfort aan de Main, van 1859 tot 18G2 gezant van Pruisen te Petersburg en in 't zelfde jaar een paar maanden gezant van 't zelfde hof te Parijs. In den herfst van dit jaar stelde 's konings vertrouwen hem aan 't hoofd van 't kabinet. Alreede was do regeering, hoofdzakelijk wegens het hooge budget van oorlog, in geschil mot de kamer der afgevaardigden.

Het was dus een netelig tijdstip, toon Bismarck werd uitgenoodigd om met vaste hand het roer van den staat aan te grijpen. Een betere verstandhouding met de kamer in 't leven te roepen vermocht ook hij niet. Hij meende de vertegenwoordiging geen overwegenden invloed to mogen gunnen in vragen, die in verband stonden met de samenstelling van 't leger. De afgevaardigden van 't volk daarentegen hielden vast aan hun bevoegdheid, niet toe te stemmen in een hooger budget, zonder dat zij geheel in kennis waren gesteld van de redenen, die tot liet opvoeren der sommen, bestemd voor 't krijgswezen, tot een vermeerderd bedrag noopten. De kamer werd alzoo eerst in 't laatst van 1862 en later op nieuw meermalen ontbonden en verdaagd, zoodat in de eerstvolgende jaren de regeering eigenlijk zonder vertegenwoordiging liet bewind voerde en volstrekt onbeperkt was.

Na de regeling van 1815 overwoog in Zwitserland de invloed, dien de adel en de steden op de regeering oefenden, verreweg dien van 't overige deel der bevolking en van 't platteland. Vandaar veelvuldige ontevredenheid. Hierom was dan ook dit land sedert 1830 het tooneel van oproerige bewegingen, die hier des te aanhoudender voortduurden, doordien Zwitserland een vrijplaats schonk aan de van elders verdreven politieke vluchtelingen, welke er onder de namen „hot jonge Polen, het jonge Duitsch-land, het jonge Italiëquot; en dergelijke hun vereenigingen stichtten. Gelijk die van Bern werden de staatsregelingen der meeste kantons meer in den geest der volksregeering gewijzigd. Een tweede oorzaak van verdeeldheid kwam in Zwitserland voort uit de Jezuïten, die er overal het protestantisme) zochten te verdringen. In 1847 ontstond zelfs een burgeroorlog tusschen de protestantsche en de katholieke kantons, waarin de generaal der eersten, Dufour, van Grenève (overleden 1875), de bendon der tegenpartij bij herhaling overwon en de Jezuïten dien ten gevolge het land moesten verlaten. Tien jaren later, in 1857, onderging Neufchatel (zie blz. 246 en 320) een verandering, doordien de koning van Pruisen, op voorwaarde van behoud van den titel, afstand deed van de souvereiniteitsrechten, die hij nog steeds op dit onder de kantons opgenomen land had.

Sedert de woelingen in 1847 werd de staatsregeling herzien in dien zin, dat de bevoegdheden van het bondgenootschappelijk bestuur, dat te

-ocr page 388-

358

Rem zetelt, ten aanzien van do gemeenschappelijke belangen, als van 't krijgswezen, van de munt, enz. werden uitgebreid. Bij dat genootschappelijk bestuur berust de oppermacht. Het bestaat uit den nationalen raad en den raad der standen. Do leden van don nationalen raad worden rechtstreeks door het volk gekozen. De raad der standen telt 44 leden, een paar uit ieder kanton. De uitvoerende macht is opgedragen aan een bondsraad van zeven leden en aan een president, die elk jaar aftreedt.

In Denemarken volgde op Froderik VI (zie blz. 314) zijn neef cuius-tiaan vm, do zoon van Juliane Maria's zoon Froderik (zie blz. 283), (1839—1848). Gedurende zijn rogoering kwam van lieverlede oen felle strijd op tusschen het Doonsche en het Duitsche bestanddeel der bevolking van zijn rijk. Dio strijd barstte in lichtelaaie vlam uit, toen de koning, met hot oog op oen mogelijk uitsterven der rogeorendo lijn, in Juli 1846 eon open brief uitvaardigde, waarin hij verklaarde, dat hij zou zoeken het rijk voor verbrokkeling te bewaren; dat Sloeswijk onafscheidelijk met Denemarken was verbonden, maar als zelfstandige staat; dat in de verhouding van Denemarken tot Ilolstein niets zou worden veranderd; dat hij zou streven naar 't uit den weg ruimen van alle hinderpalen tegen de erfopvolging in Holstein. Deze opon brief werd de aanleidende oorzaak tot do in deze eeuw te dier zake gevoerde oorlogen.

Van oudsher was Sloeswijk een hertogdom, Holstein een graafschap. In 1474 werd Holstein door keizer Froderik III (zie blz. 147 en 179) tot hertogdom verheven. Eveneens was van oudsher Sloeswijk eon, sedert 1232, van Denemarken afgezonderd leen van den koning van dit rijk, Holstein een leen van Duitschland. Sinds 132(5 kwam Sloeswijk aan het toen in Holstein rogeerend huis. In 't zelfde jaar vaardigde Walde mar III, koning van Denemarken, een wet uit, waarin werd verordend, dat Sloeswijk nimmer weder zóó zou worden gehecht aan 't rijk en aan de kroon Denemarken, dat do beide staten door één vorst werden geregeerd. In 138C werd, bij verdrag, door Margarëta, koningin van Denemarken en van Noorwegen, weldra ook van Zweden (zie blz. 164), bepaald, dat Slees-wijk on Holstein steeds door één en denzelfden hoer zouden worden geregeerd. In 1460 verkozen de standen of staten van Sloeswijk-Holstein als hertog Christiaan I, graaf van Oldenburg, koning van Denemarken, wiens vader was getrouwd geweest- mot do zuster van Adolf VIII, die als hertog van Sloeswijk-Holstein in 1459 kinderloos was overleden. Deze Christiaan I (zie blz. 164) is de grondlegger van het huis Oldenbury of Sleesivijk-Holstein of Holstein. Do staten van Sloeswijk-Holstein overtraden dus, ten einde de beide hertogdommen vereonigd te houden, door den koning van Denemarken te benoemen, de bepaling van Waldomar III van 1326. Op zijn beurt werd Christiaan nu leenheer en leenman tegelijk. Bij 't aanvaarden der hertogelijke waardigheid vaardigde Christiaan I, in 't zelfde jaar 1460, oen oorkonde uit, waarin werd vastgesteld, dat do staten van nu aan het recht zouden hebben, van de zonen van den regeerenden hertog en, bij gebreke van die, van de naaste erfgenamen dongene

-ocr page 389-

359

te verkiezen, wien 't hun behaagde; dat de landen eeuwig zouden blijven vereenigd en onverdeeld, dat geen belasting zonder toestemming der staten zou worden geheven; dat met hen over de belangen der landen steeds zou worden beraadslaagd; dat als ambtenaren slechts inboorlingen zouden worden genomen. Door het eerste dor genoemde artikels werd dus vrij krachtige inbreuk gemaakt op het beginsel der leenroerigheid. Intusschen had dezelfde Christiaan I reeds vroeger, in 1448, bij 't beklimmen van don troon van Denemarken, in een andere oorkonde de wet van Walde-mar III, tegen welke men nu handelde, opzettelijk bevestigd.

Van 14(50 af waren Sleeswijk en Holstein alzoo ongetwijfeld werkelijk, zakelijk met elkander nauw verbonden. Middelerwijl zag men in 1481, bij den dood van Christiaan I, dit gebeuren, dat Sleeswijk-Holstein in twee deelen werd verdeeld ten behoeve van zijn beide zonen. Lfiter kwam v r er zelfs tijdelijk een splitsing in drieën. Deze verdeelingen waren echter niet van dien aard, dat Sleeswijk het eéne en Holstein het andeie deel werd; maar zij trokken een scheidslijn, die aan elke der deeiende partijen een stuk van de beide landen toekende. Naar 't schijnt achtte men zulk een handelwijze, waardoor elke dier partijen een half of een derde Sleeswijk-Holstein bekwam, niet in strijd met de nopens de onafscheidelijkheid vastgestelde bepalingen. Ook behielden de beide landen één gemeenschappelijke stendenvergadering, hoewel van 1581 tot 1773 Sleeswijk-Holstein voortdurend in tweeën verdeeld bleef, in dezer voege, dat de koning van Denemarken hertog was van het ééne en een zijner verwanten hertog van het andere. De oorzaak dier veelvuldige verdeelingen was telkens, dat men de verschillende leden van 't rogeerende huis wilde tevreden stellen. Met die verdeelingen hangt dus de splitsing van dat rogeerende huis in liniën samen.

Zóó ontstonden sedert het midden dor IGde eeuw de oudere, koninklijke, Holstein-Deensche linie of linie GUichstadt (naar Gliickstadt, in 'tz.w. van Holstein, aan de Elbe) en de jongere, hertogelijke, Holstein-Ooitorpsche (naar het kasteel Oottorp, nabij de stad Sleeswijk). De oudere lijn stamt af van Christiaan III (koning van Denemarken, zie blz. 233), do jongere van Adolf, Christiaans broeder. Een der zonen van Christiaan III werd op zijn beurt de stichter van een nieuwen tak. Terwijl toch Frederik II, de oudste zoon van Christiaan III, de oudere linie voortzette, word zijn broeder Johan de grondvester van den jongeren tak der koninklijke linie, van den tak Sonderhurg, die zich later weder splitste in den ouderen tak, Sonderburg-Augustenburg, en den jongeren, Sonderburg- Oliicksburg, welke takken hun namen ontleenen aan de steden Sonderburg (op Alsen), Angus-tenburg (eveneons op Alsen) en (ilücksburg (ten n.o. van Flensburg in Sleeswijk). Ter loops zij hier bijgevoegd, dat uit de jongere, hertogelijke of Holstein-fjottorpsche linie mede zijn gesproten de nog heden in Rusland, in Zweden en in 't groothertogdom Oldenburg rogeerende huizen.

Ten einde het nadeel der telkens herhaalde splitsingen voor de landen, waarop ten laatste de hertogen opmerkzaam werden, tegen te gaan

-ocr page 390-

1300

voerde hertog Johan Adolf, de zoon van Adolf, den stamvader der hertogelijke linie, bij familiestatuut of huiselijke verordening, in 1608 een verandering in ten opzichte van de opvolging. Met toestemming van keizer Rudolf II (zie blz. 193), voor zoover Holstein betreft, en van Christiaan IV (zie blz. 21G), als leenheer over Slees wijk, werd hierin vastgesteld, dat in het hertogelijk deel der hertogdommen van nu aan het recht der pnmogenitüra of eerstgeboorte in do mannelijke lijn zou gelden. Voor de beide takken van de jongere koninklijke linie, Sonderburg—Augustenburg en Sonderburg—Glücksburg, kwam in 1033 een dergelijke bepaling tot stand, ingsgelijks door Christiaan IV bekrachtigd, niet door den keizer. Eveneens regelde Frederik III, koning van Denemarken (zie blz. 234), in 't jaar 1050 op dezelfde wijze do opvolging in de hertogdommen. Aanvankelijk kwamen de stenden in verzet en trachtten zich te handhaven in 't bezit van hot kiesrecht, hun in 14C0 gewaarborgd; doch mettertijd zagen zij van verderen weerstand af.

Wat Denemarken aangaat, hier werd in 1605 door Frederik III de koningswet uitgevaardigd, waarbij het recht der verkiezing van den koning door hot volk werd afgeschaft en aan het regeerende huis, d. i. dus alleen aan de oudere of koninklijke linie, de erfopvolging in do mannelijke en, na deze, ook in de vrouwelijke lijn toegekend. Voor zooveel Sloeswijk in 't bijzonder betreft, de band, waardoor het als leen aan Denemarken was verbonden, werd verbroken in 1658. Gedurende den oorlog toch,• dien Karei X Oustaaf, koning van Zweden, in 1656 en in de volgende jaren tegen Johan II Kasïmir, koning van Polen, en tegen Frederik III, koning van Denemarken, voerde (zie blz. 234), werd de hertog van een deel van Sleeswijk-Holstein, Frederik III, een bondgenoot van den koning van Zweden. In den loop van dien oorlog zag de eveneens geheeten koning van Denemarken zich gedwongen, in 1658 het verdrag van Röskild (in 't midden van Seeland) te sluiten, waarbij hij de leenroerigheid van Sleeswijk ophief en het als een souverein hertogdom erkende. Terwijl Sloeswijk in 1658 van den band der leenroerigheid werd bevrijd, werd, bij het oprichten van het Duitsche verbond in 1815, do koning van Denemarken, voor Holstein, mede als lid in dat verbond opgenomen.

-ocr page 391-

361

K ^ ^ J ^ J S

w)2 _g ^ 22

o O ^ S ^

4—

w

w 2

^ CJD

r. ti

| 5 S

g iquot;! ö 'ö ^ s|h

ö

u

H

rS2

O X

ËM

O

S

H

CK hJ O

X 14

'p-t

(D CS3

O

(D I -.r=; Ol N

i3 £? • d .2

^ bO C^ rö

ni o ^ c3

ö S ^ 'quot;S ■§ 3

%-% j2 'g

^l^td o

- CO C T-H

lt;n

■% ^3

g o;

g E ^ Ö s

O

'fl ^ O 'P

ö

O

co

lt;D

S

W W iJ

O ai Ui CC S5 K O

O

Vl

fco

O

^ amp; lt;

lt;4 ö S «5 .

fcc

0

1

D

olt;

£

3

lt;D bX;

0)

X

H t£ X

rt g

b£)

o J3 J ®

. fce

r* -r

quot; s

■quot;i . lt;| N

^ T?

H X?

C/3

2 .S

S ' N

i2 ^

cc

S c d

W .£

lt;D 'r^

k. ^

j ^3 -ö

o o o .

Q Sp ï

-! -S amp; fc B

quot; D . 0)

.S

(D

.S -S

e o

I ö

^ (D

oTP

^ JL,

O) ö

^ 'S p • -»

O

O M

O

■Ct5

lt;D H

lt;Xgt;

fco

70 CO CM

'S

feo

O

t;

05

CJ ^ Q3 CO gt;o ö ^-1

F^i -4-» ^ f» CS lt;V

B ^

O ö ö o .S

Q B

CA

2 'o

C3

^ HH

60 rï ö :p

o ^

2 CD '-Ci 05

O

_ ö

Ö O

C/}

tela

0 FH

-g ^

V rS.

W

H -2 ^

w 'CD j5

Ah ^ ^

•p C/}

cn -x

Ö -

^ O

g w

co

g o Eb $ ^ ^ ^

K* .

gt;lt;1 ^ .

'1 É

w e

èü'M*

r-) 2

2 ^ .| .

-Cj CO

fco

3 Ö O

^ ^ x

d ^ GO

^ § S .2 CO

s ^

^ I •gt; -4-J r i 2 O .% gt;-*

CO C N

^ 3 £

^ ^ d

o* r5 Ph

fcb

fcX)

(D 0

N B

c M

w

r2

-ocr page 392-

362

Voor 't overige zijn door het rijk Denemarken meermalen blijken gegeven van erkenning van het zelfstandig bestaan der hertogdommen in de verdragen, die liet met die hertogdommen heeft gesloten in onderscheidene jaren, b.v. in 1583 en in 1700 (zie blz. 258). Toen alzoo, om terug te keeren tot het punt van uitgang, koning Christiaan VIII in Juli 1846 zijn open brief uitvaardigde, was de toestand deze. Do betrekking van Sleeswijk tot Denemarken, aan de éónc zijde, en tot llolstein, aan de andere zijde, alsmede de verhouding van Holstein tot Denemarken, tot Sleeswijk en tot Duitsehland, was te vergelijken met den Gordiaan-schen knoop, die, naar 't scheen, gemakkelijker door het zwaard dan langs den weg van onderling overleg was los te maken. Het is te vermoeden, dat het congres van Weenen het ingewikkeld vraagstuk niet heeft willen oplossen door b.v. Holstein aan Duitsehland toe te wijzen, ten einde dit rijk niet te vergrooten; evenmin door het te doen inlijven bij Denemarken, omdat dit koninkrijk zicli ten tijde van Napoleon I aan Frankrijk had aangesloten. Het congres bestendigde dus liever de tweeslachtige gesteldheid van zaken en liet het opsporen van een middel ter redelijke afdoening aan de nakomelingschap over. Sleeswijk bleef alzoo staan buiten het Duitsche verbond; maar wegens Holstein was de koning van Denemarken er lid van. Doch ook in Sleeswijk, met name in het Zuiden, was de invloed der Duitsche nationaliteit, zoo niet overwegend, tocli vrij aanmerkelijk. En volgens de oude wet van Christiaan I (zie blz. 358) werden Sleeswijk en Holstein voor immer onafscheidelijk van elkander verklaard. Bij deze punten van strijd kwam verschil van meening ten aanzien van de erfopvolging. In de hertogdommen heerschte de salische wet, niet alzoo in Denemarken. Het uitsterven der rechte of oudste lijn van het regeerende hnis (zie blz. 361) werd sinds lang voorzien.

Men begrijpt, na de bovenstaande uiteenzetting, dat er ruimschoots gronden waren voor tegenstrijdige meeningen. Waren ook Sleeswijk en Holstein gedurende de vroegere Middeleeuwer, werkelijke bestanddeelen van Denemarken geweest, sinds de 13de en de 14de eeuw was dit anders geworden. Op grond van de na dien tijd uitgevaardigde oorkonden en gesloten verdragen bleven Holstein en Sleeswijk, gesteund door Duitsehland, beweren, dat zij zijn zelfstandige staten; dat zij niet van elkander mogen worden gescheiden; dat slechts de mannelijke lijn in de hertogdommen mag regeeren. Zij verzetteden er zich dus tegen, ten behoeve van het staatkundig evenwicht in Europa, bij Denemarken, geheel of ten deele, te worden ingelijfd. Tegenover die bewijsvoering staat hetgeen van wege de Deensche kroon, of althans door de Eiderpartij (zie blz. 363) werd geopperd. Zij hield bovenal staande, dat, vermits, gedurende den Noordschen oorlog, de koning van Denemarken, Fredcrik IV, op don hertog, uit de linie Holstein-Gottorp, van een deel van Sleeswijk-Hol-stein, geheoten Karei Frederik, een gedeelte van Sleeswijk had veroverd en hem dit, met goedvinden van de oorlogvoerende mogendheden, bij den vrede in 1720 was toegekend (zie blz. 260), het recht des konings

-ocr page 393-

363

onbetwistbaar was. Denemarken echter vergat hierbij, dat die vrede noch van een eigenlijk inlijven van dit deel van Sleeswijk spreekt, noch in don staatsrechtelij kon toestand van Sleeswijk-Holstoin, niet namo van het koninklijk deel, eonigo verandering kon te weeg brengen.

Inmiddels overleed Christiaan Vit en beklom zijn zoon f re de kik vii (1848—1863) den troon. In 1857 en in 1858 sloot deze koning met zoo goed als alle Europeeseho mogendheden, alsmede met de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, verdragen, waarbij zij, tegen storting van aanmerkelijke geldsommen, werden vrijgesteld van de verplichting, bij het varen door de Sond of de Bolt, den aldaar sinds lang geheven tol in 't vervojg te betalen. Anders dan zijn vader, verklaarde hij zich weldra voor de inlijving van Sleeswijk, het beginsel der Eiderpartij. Het oproer brak uit en word een oorlog tusschen Denemarken eu Sleeswijk-Holstein, hetwelk door het Duitsche verbond werd bijgestaan. Twee veldtochten ondernamen de troepen van Pruisen en van vele van Duitschlands kleinere staten tegen Denemarken, een in 1848, een anderen in 1849, beide zonder gewichtige gevolgen. Maar als in een oogwenk onstond omtrent doze zaak een geheel ander gevoelen bij Pruisen, dat Rusland, Oostenrijk en do andere grooto mogendheden van Europa deelden. Immers, zij stemden weldra geheel overeen met de eischon van Doneraarken, weshalve er voor Sleeswijk-Holstein niets overbleef, dan zich aan Frcderik VII te ondor-werpon, hetgeen in 1851 plaats greep.

Ten einde de verschillende bostanddeelen van Denemarken bijeen te houden sloten do meeste Europeesche mogondixeden, n.1. Groot-liritan-nië. Rusland, Oostenrijk, Frankrijk, Pruisen cn Zweden, in Mei 1852 mot Denemarken hel verdrag te Londen, waarbij het recht van opvolging in 't geheele rijk aan Christiaan, een prins uit den jongsten tak dei-jongste linie van hot in Denemarken regeerendo huis, n.1. uit den tak Sonderburg-Glücksburg, gelijk mode aan zijn mannelijke nakomelingen werd gewaarborgd. De taak, dfe de gezanten te Londen hadden te verrichten, was verre van licht. Bij 't uitvaardigen van zijn open brief in 1846 had koning Christiaan VIII eenigormate in 't midden willen doorzeilen tusschen de beide, elkander vijandige jmrtijen, die zich in zijn staten bevonden. Behalve de Duitschgozinde partij was er een zeer krachtige partij, die den invloed der Doensche nationaliteit tot de uiterste perkon wenschte door te drijven en Sleeswijk, zooals het vóór eeuwen was geweest, weder wilde inlijven bij Denemarken. Dewijl zij de Eider, de rivier, die Sleeswijk van Ilolstein scheidt, tot de zuidelijke grens van Denemarken verlangde te maken, noemde men ze de Eiderpartij. Bovendien had men hen, die op de onverbreekbare vereeniging van de beide hertogdommen stonden en, bij 't vooruitzicht, dat de koninklijke linie spoedig zou uitsterven, daar slechts in Denemarken de vrouwelijke lijn mocht opvolgen, thans op een volkomen afscheiding van dit rijk hoopten. Zonder gehoor to geven aan 't gevoelen van één dier partijen had nu koning Christiaan VIII een middelweg bewandeld en de zienswijze omhelsd van hen, die men

-ocr page 394-

364

met den naam de partij der eenheid van den staat kan bestempelen. Zij huldigde liet begrip der onverdeelde Deensche monarchie, al ware het ook met behoud van bijzondere rechten voor sommige gedeelten en van den band, welke die gedeelten aan het Duitsche verbond hechtte.

Wat alsmi te Londen werd besloten was het opgeven van 't beginsel der Eiderpartij en het handhaven van dat van hen, die de onverdeelde Deensche monarchie onder één vorst voorstonden, evenwel met dien verstande, dat tevens recht werd gedaan aan de eischen van hot Duitsche verbond en der Duitsche bevolking. Te dien einde zocht men dus een middel, om do erfopvolging in het koninkrijk te doen overeenstemmen met die in de hertogdommen. Koning Frederik VII had geen kroost. Na zijn dood kwamen dus, krachtens de koningswet van löG5 (zie blz. 300), in het koninkrijk aan de beurt de kinderen van zijn tante Charlotte, getrouwd met Willem, een der prinsen uit het huis der landgraven van Hessen-Kassei (zie blz. 3GI). Onder die kinderen waren een zoon, Frederik, en een dochter, Louise, getrouwd met dien Christiaan, die weldra Chris-tiaan IX van Denemarken werd. Deze prins Frederik werd, evenals Charlotte en Louise, door koning Frederik VII bewogen afstand te doen van zijn recht, en do bevoegdheid van Prinses Louise overgebracht op haar gemaal. Alzoo meende men de klip te kunnen omvaren en dezelfde erfopvolging aan de hertogdommen, als aan 't koninkrijk, te kunnen verzekeren.

In 1855 werd in Denemarken een nieuwe ahjemecm grondwet ingevoerd. Eeeds sedert 1852 en inzonderheid sinds de invoering dezer grondwet spaarde de regeering niets, om in de hertogdommen, bovenal in Sleeswijk, het Deensche element te versterken. Zoowel bij 't aanstellen van ambtenaren, als in verordeningen, rakende de taal, de kerk, de rechtspleging en het onderwijs, kwam dit zeer duidelijk aan den dag. En hoewel later, op aandrang der Duitsche mogendheden, de nieuwe constitutie voor Holstein en voor Lauenburg werd geschorst, kon de regeering tot geen oplossing der bezwaren geraken, die aan de beide partijen behaagde. Telkens dreigde de krijg, zoowel met Sleeswijk-Holstein, als met liet Duitsche verbond, op nieuw los te barsten.

Toen nu de regeering in 1863 wederom een nieuwe grondwet opstelde, die alleen voor Denemarken en voor Sleeswijk verbindend zou zijn en Holstein met Lauenburg slechts als schatplichtige gewesten wilde hebben aangemerkt, verzette zich het Duitsche verbond hiertegen. Het wilde Sleeswijk niet bij Denemarken hebben ingelijfd, terwijl dit rijk wederom van een splitsing tusschen Deensch- en Duitsch-Sleeswijk niet verkoos te hooren. Intusschen stierf Frederik VII in 't zelfde jaar en viel de kroon van gansch Denemarken, met inbegrip der hertogdommen, overeenkomstig het verdrag van 1852, ten deel aan ciikistiaan ix uit den tak Holstein-Sonderburg-GUicksburg. Thans zag men het zonderlinge schouwspel, dat de verwant uit het koninklijke huis, Frederik van Augus-tenburg, die ongetwijfeld de naaste aanspraken had, èn op den troon van Denemarken, èn op de hertogdommen, moest onderdoen voor een verder

-ocr page 395-

365

staanden spruit uit datzelfde huis. Hem, Frederik van Augustenburg, haatten de Denen en had het verdrag van Londen ter zijde geschoven, omdat hij de man was, die, krachtens het recht van erfopvolging in de hertogdommen, daar de eerstgeroepene was en omdat hij in 1848 de zaak dier hertogdommen tegenover Denemarken had voorgestaan.

Doch nu verklaarde Pruisen, hoewel het verdrag van 1852 hebbende geteekend, dat het niet geldig was, dewijl het geen onderteekening droeg van wege den rijksdag te Frankfort. Van den anderen kant rukten de bondstroepen de hertogdommen binnen, om kracht bij te zetten aan de aanspraak op de opvolging in de hertogdommen van don afstammeling uit het huis Holstein, gesproten uit den oudsten tak der jongste linie van het koninklijk huis, n.1. uit den tak Sonderburg-Augustenburg, Frederik van Augustenburg (overl. Jan. 1880). Dit strookte evenwel niet met de zienswijze van Pruisen en van Oostenrijk, die hierop de bondstroepen ter zijde schoven en zeiven den oorlog voor hun rekening namen. In 1864 vermeesterden de Pruisen de schansen bij Düppel (in Slees-wijk , tegenover het eiland Alsen). Nadat zij ook nog Alsen hadden veroverd , sloot Denemarken in Oct. 1864 mot Oostenrijk en met Pruisen den vrede te Weenen. Hij bepaalde, dat de koning van Denemarken, ten behoeve van den koning van Pruisen en van don keizer van Oostenrijk, afstand deed van zijn rechten op het grootste deel van Sleeswijk met de eilanden, op Holstein en op Lauenburg, en dat de hertogdommen een deel van Denemarkens staatsschuld overnamen.

Maar nu moest over het toekomstige lot der afgestane landen worden beslist. Weldra openbaarde zich hierover verschil van zienswijze tusschen Pruisen en Oostenrijk. Slechts voor een oogenblik leidde de overeenkomst van Oasiein (in 't z.w. van Oostenrijk, ten z. van Salzburg), in Augustus 1865, tot eenige toenadering door te bepalen, dat Oostenrijk Lauenburg voor een som geld aan den koning van Pruisen afstond en dat het bestuur over Sleeswijk voorloopig aan Pruisen, dat over Holstein aan Oostenrijk werd gelaten. Immers het verbitterde Pruisen, dat, onder oogluiking van Oostenrijk, Frederik van Augustenburg zich als de wettige hertogin Holstein gedroeg en bijval vond bij de bevolking. Dit gaf nieuw voedsel aan de oude verdeeldheid, die nopens do vraag bestond, welke dezer beide mogendheden de eerste in Duitschland zou zijn. In April 1866 sloot Pruisen een verbond met Italië, doch kwam kort daarna met Oostenrijk overeen, dat men van weerszijden de toerusting ten oorlog zou staken. Daar echter Oostenrijk zijn troepen in 't Zuiden, tegenover Italië, op voet van oorlog hield, zette ook Pruisen zijn wapening voort. Hierbij kwam, dat in Juni 1866, op bevel van Oostenrijk, de staten van Holstein werden bijeengeroepen, om de stemming des lands over zijn toekomstig lot bekend te maken. Pruisen verklaarde toen de overeenkomst van Gastein voor verbroken en zich weer gerechtigd tot een aandeel aan 't bestuur over Holstein. Pruisische troepen rukten uit Sleeswijk-Holstein binnen, waarop de Oostenrijkers dit land ontruimden. Oostenrijk protes-

-ocr page 396-

;gt;gg

teerde hierop bij den rijksdag te Frankfort aan de Main togen dozen stap, als zijnde een begin van gewelddadige aanhechting der hertogdommen. Op grond van art. 11 der bondsakte (zie blz. 347) en van art. 19 der oindakto van Weenen (zie blz. 348), waarbij den bondsdag, in geval van oneenigheden tnsschen zijn loden, de bevoegdheid wordt toegekend, vooiioopige maatregelen te nemen, sloeg Oostenrijk vervolgons voor, dat het bondsleger zou worden opgeroepen. De voorslag werd met meerderheid van stemmen aangenomen, waarop Pruisen mededeelde, dat het het Duitsehe verbond als opgelost beschouwde. De moeielijkheden zouden thans, volgens Bismareks uitdrukking, door 'tvuur en het zwaard worden uit den weg geruimd.

Zóó ontbrandde in don zomer van 18GG de oorlog tnsschen Oostenrijk, bijgestaan door Beieren, Wurtemberg, Hannover, Saksen en andere Duitsehe staten, en Pruisen, hetwelk door het koninkrijk Italië werd ondersteund en verheugd was, een gelegenheid te vinden om het gehate Oostenrijk te kunnen aanvallen. Even voordat de vijandelijkheden aanvingen, werd te Berlijn op helderlichten dag, in Mei, door Cohn, een jongeling, die Orsïni poogde na te bootsen en in den eersten minister van Pruisen een hinderpaal voor de vrijmaking van Duitschland zag, een aanslag gewaagd op Bismarck, dio echter mislukte. Hij werd gegrepen, maar doodde zichzelf in do gevangenis. Dus bleef de man gespaard, die voor de leiding van Prnisens openbare aangelegenheden in dezen tijd onmisbaar schoen; hij, die zeker niet het minst er toe had bijgedragen, do verwikkelingen die wending te geven, dat er een oorlog uit moest ontspruiten. Immers ofschoon men stellig hem alleen voor 't uitbreken van den krijg geenszins aansprakelijk kan stellen, valt het toch in 't oog, dat die oorlog dezen minister in zijn strijd met de volksvertegenwoordiging uitermate gelegen kwam.

In een oogwenk bezette Pruisen Hannover, Dresden en Hessen-Kassei. Ook Frankfort aan de Main bezweek in 't midden van Juli 18GG. Middelerwijl wonnen de Pruisen, aangevoerd door den kroonprins, Frederik Willem, en door 's konings neef, Frederik Karei, in Boheraen een reeks van slagen. Eindelijk loverden zij den 3den Juli tusschon König-griltz en Sadowa (in 't o. van Bohemen, ten n. van Pardubitz) den hoofdslag, waarin zij den bevelhebber van het Oostenrijksche leger Benedeck een verpletterende nederlaag toebrachten. De man, wien Pruisen al die overwinningen verschuldigd is, is generaal von Moltke, een Deen, die het geheele plan heeft ontworpen. Naast dit hoofd van den algemeenen staf heeft Pruisen de alom behaalde zege te danken aan het hoofd wapen zijner soldaten, het naaldgeweer, dat met verbazende snelheid de schoten op elkander laat volgen en op verren afstand treft. Het leger van het Duitsehe verbond deed niets. Slechts over den anderen vijand, de Italianen, zegevierde Oostenrijk zoowel te land, den 24sten Juni, bij Custozza (ten z.w. van Verona), waar de aartshertog van Oostenrijk, Albert, een zoon van Karei (zie blz. 31G), den Italiaanschen generaal D urando versloeg, als ter zoe,

-ocr page 397-

den. 20siten Juli, bij Lizza (een eiland in 't midden van de Adriatische Zee), alwaar de Oostenrijksche vice-admiraal Togethof de zege behaalde op admiraal Persano. De verdere krijgsbewegingen, geleid, van de zijde van Italië, door de generaals Cialdïni en do la Marmöra en ondersteund door een vrijschaar onder Garibaldi, leverden Italië voor die verliezen geen vergoeding op. Intusschen rukten de Pruisen in Duitsch-land voort en stonden reeds tot dicht voor de poorten van Weenen, toen da trede tot stand kwam.

Hij werd in Augustus te Praag gesloten en behelsde do volgende voorwaarden: de vernietiging van het Duitsehe verbond, de toestemming van Oostenrijk tot zijn uitsluiting uit Duitsehland en tot de oprichting van een Noord-Uuitsch verbond, waarvan Pruisen het hoofd is; afstand der rechten van den keizer van Oostenrijk op Sleeswijk en Holstein aan don koning van Pruisen; de bepaling, dat Noordelijk Sleeswijk tot Denemarken zal blijven behooren, zoo de bevolking dit, bij een vrije stemming, als haren wensch zal te kennen geven, voor welke uiting van den volkswil echter geen tijdstip is vastgesteld (een artikel, bij gemeenschappelijk oveileg tusschen Pruisen en Oostenrijk opgeheven in lcS78). Weldra sloten nu ook do overige oorlogvoerende mogendheden vrede. Ten behoeve van het koninkrijk Italië (zie blz. 345) zag Oostenrijk van Venetië en van Mantua af. Het liet deze streken aan den keizer van Frankrijk over, waarop een volksstemming besliste, dat zij met het koninkrijk Italië zouden worden ver-eenigd. Reeds in October lijfde von Bismarck Hannover, Hessen-Kassei, Nassau en Frankfort aan de Main bij Pruisen in, terwijl hij Saksen zoo nauw aan Pruisen verbond, dat het zijn zelfstandigheid zoo goed als geheel verloor. In Januari 1867 werden Sleeswijk en Holstein bij Pruisen ingelijfd. Dezelfde maand Augustus I860 had inmiddels de verzoening tot stand zien komen tusschen de Pruisische regeering en de kamer der afgevaardigden.

Het Noord-Duitsche verhond, dat, alzoo sedert 1867 bestaat, bevat tweeëntwintig staten: twee koninkrijken, Pruisen en Saksen; vier groother-togdommen, Mecklenburg-Strelitz, Mecklenburg-Schwerin, Oldenburg en Saksen-Weimar-Eisenach; vijf hertogdommen, Brunswijk, Anlmlt, Saksen-Altenburg, Saksen-Meiningen-Hildburghausen en Saksen-Koburg-Gotha; zeven vorstendommen, Reuss oudere linie, Reuss jongere linie, Schwarz-burg-Sondershausen, Schwarzburg-Eudolstadt, Waldeck, Lippo en Schaum-burg; een deel van Hessen ; drie vrije steden, Hamburg, Bremen en Lubook. Dit verbond is geen verbond van vorsten, gelijk het voormalige Duitsehe verbond (zie blz. 320); ook is 't eigenlijk geen verbond van staten, doch één staat, uit tweeëntwintig bondgenooten bestaande. De regeering van 't verbond heeft vele van de souvereiniteitsrechten der vorsten van de tweeëntwintig staten aan zich getrokken, niet alleen ten opzichte van de aangelegenheden van 't krijgswezen, maar ook van die, welke het burgerlijk beheer, den handel, het verkeer, enz. betreffen. Die regeering berust bij den rijksdag, bij den bondsraad en bij den koning van Pruisen, die het recht heeft oorlog te verklaren en vrede te sluiten, de uitvoerende

-ocr page 398-

:uw

macht bezit, voor zooveel de rijkswetten aangaat, het oppertoezicht heeft over do middelen van verkeer en tevens opperbevelhebber is van 't leger. De rijksdag deelt met den bondsraad de wetgevende macht. De leden van den rijksdag worden rechtstreeks door de bevolking der tweeëntwintig staten benoemd. De bondsraad bestaat uit afgevaardigden, door de regeeringen der staten aangewezen. In de beide lichamen heeft Pruisen verre weg 't overwicht. De wetten van 't verbond hebben den voorrang boven die der bijzondere staten. President van den bondsraad is de honds- of rijkskanselier. De leiding der buitenlandsche zaken van 't verbond is uitsluitend in handen van dezen voorzitter. De geldmiddelen ter bestrijding zijner uitgaven vindt het Noord-Dnitsche verbond deels in de opbrengst van een aantal belastingen, die ter zijner beschikking staan, deels in vaste bijdragon uit de verschillende staten. Met de inrichting van het Noord-Duitsche verbond werd het nu eenigermate gewijzigde tolverbond in nader verband gebracht.

§ 128.

Zweden onder hel huis Bernadotte. — Karei XIV Jan. — Oskar I. — Karei XV. — Staatsregeling van 1863. —• Oskar 11. —• Groot-Britannië. — Instelling van één parlement voor Ierland cn voor Groot-Britannië. — Casllereagh. — Dood van George 111. — George IV. — Het procés van Karolina van Brunsivijk. ■— Dood van Casllereagh- — George Canning. — De emancipatie der katholieken en O' Connell. — Opheffing der test-act. — Dood van George IV. — Willem IV. — Het whig-ministerie van Palmerslon en Russell. — De reform-hill van 1832. — De wetsvoordracht van Stanleg en Wilberfarce. —- Het monopolie ontnomen aan de Oost-Indische compagnie. — Richard Cobden, het hoofd der school van Manchester en van de anti-cornlaic-league. — Robert Peel en het afschaffen in 1846 van de inkomende en de uitgaande rechten op het koren. —■ Intrekking der akte van navigatie. — De income-tax. — Dood van Willem IV. —• Victoria en Albert van Saksen-Koburg. — Ernst August koning van Hannover. — George V koning van Hannover. — Dood van Peel, van Albert cn van Palmerslon. ■—• Onderwerping van Pendsjab of van het land der Seiks, de sekte van Nanik, aan Engeland. — Opstand der inboorlingen en der sepoys in Britsch-Indië. — Oorzaken van dit oproer. — Onderdrukking van den opstand. — Wijziging van 't bestuur over Britsch-lndié. — Oorlog met Sina en wede in 1842. — De wereldtentoonstelling te Londen in 1851 en in 1862. — Rusland. — Dood van Alexander I. — Konstantijns afstand van den troon. ■— Nikolaas I aanvaardt het bewind. — De samenzwering der dekabristen. — Karakter van 't bestuur van Nikolaas I. — Krijg met Mahmoud II, sultan van Turkije. — Diebilsch trekt over den Balkan. —- Vrede van Hadrianopel.

In Zweden, waarmede Noorwegen (zie blz. 318) is verbonden, besteeg Bernadotte (zie blz. 314) in 1818, onder den titel kakel xiv jan, don

-ocr page 399-

369

troon, en na hem in 1844 zijn zoon oskab i. Het onttroonde geslacht werd door het huis Bernadotte met een som geld schadeloos gestold. Onder 't bewind van Karei XIV Jan en van zijn zoon nam de bloei van 't land zeer toe zoowel door de delging der staatsschuld, als door de vole verbeteringen , die zij in wegen, in kanalen, in 't school- on rechtswezen aanbrachten. Veel opzien baarde het in Europa, dat sedert 1853 verscheidene katholieken en belijders van andere godsdiensten, die van de staatskerk waren afgevallen, omdat er geen andere dan de Luthersche wordt geduld, uit Zweden werden verbannen. Sedert den Isten Jan. 1849 werd de regeering over Noorwegen, hetwelk een afzonderlijke grondwet heeft, opgedragen aan een onderkoning, later kroonprins Karei, die sinds den 8sten Juli 1859, hot tijdstip van den dood zijns vaders, als kakel xv de kroon droeg. Met den aanvang van zijn bewind begon er eindelijk meer verdraagzaamheid te heerschen in de wetten, door de regeering ten opzichte van den godsdienst uitgevaardigd. In 1865 is, na vele mislukte pogingen, ten laatste een staatsregeling tot stand gekomen, volgens welke de eeuwenoude vertegenwoordiging van 't volk naar standen plaats maakte voor een vertegenwoordiging van twee kamers. Zeven jaren daarna, in 1872, overleed Karei XV en werd opgevolgd door zijn oudsten broeder Oskar II.

Als een der zegevierende mogendheden kon Engeland met fierheid terugzien op den afloop van den twintigjarigen kampstrijd, dien het tegen de llepubliek in Frankrijk en tegen Napoleon I had volgehouden. Steunende op zijn zeemacht, die het in staat stelde, zonder vrees voor een mededinger aanspraak te maken op de heerschappij ter zee, alsmede op zijn talrijke bezittingen in de vreemde werelddeelen, inzonderheid op het rijk, dat het in 't laatst der vorige eeuw op 't vasteland van Oost-Indiö had gesticht, mocht het de toekomst met vertrouwen te gemoet zien. Gibraltar, Malta en het beschermheerschap over de Ionische eilanden (zie blz. 320) waren steunpunten voor Engelands macht in de middellandsche Zee en voor 't handelsverkeer met de Levant. Wat de binnenlandsche zaken aangaat was een van de belangrijkste maatregelen uit de latere regeerings-jaren van o kok ge m (zie blz. 270, 271) geweest de instelling in 1801, even vóór 't aftreden van Pitt, van één parlement voor Ierland en voor Groot-Britannië, waardoor het eerstgenoemde land nauwer aan Engeland werd gehecht. In zijn laatste levensjaren stond den koning, wegens zijn ziekelijkheid, zijn zoon George IV als prins-regent ter zijde. Het ministerie bestond uit torys (zie blz. 249), en onder hen was het vooral Castlereagh, die het roer van den staat in handen had.

Alwie intusschen gedurende die laatste levensjaren van George III zijn blik op Engelands algemeenen toestand vestigde moest bespeuren, dat, in weerwil van den luister, dien hot naar buiten ten toon spreidde, er, voorzoover de binnenlandsche aangelegenheden betreft, bedenkelijke verschijnselen waren waar te nemen. De staatsschuld was ten gevolge van de langdurige land- en zeeoorlogen en van de hooge geldsommen, ter ondersteuning van de staten van 't vasteland (zie blz. 302) uitgegeven,

Wijnnf, Handboek der Alg. Geschiedenis, 7de druk. '24

-ocr page 400-

;5quot;o

aangegroeid tot oen bedrag, bijna viermaal zoo groot, als zij in 1792 had bedragen. Alleen om do renten, te betalen behoefde men jaarlijks ruim 32,000,000 pond sterling. Dit, gevoegd bij de kosten voor het op de been honden van een talrijk staand leger en bij die dor vloot, leidde tot drukkende belastingen. Vermits liet vasteland in den tijd van de heerschappij van 't eontinentaalstelsel was begonnen stouter stappen op liet gebied der nijverheid te doen, vonden do Engelsche waren op de markten van Europa geen zoo gereeden aftrek als vroeger, Aan den stilstand van handel paarden zich dus gebrek aan arbeid en duurte, vooral na de invoering eoner graanwet, die bepaalde, dat geen koren van buiten mocht worden ingevoerd, zoolang do prijs van 't inheemsche graan niet hoog was geklommen.

Noch in den algemeenen toestand, noch in de samenstelling van liet ministerie kwam, bij den dood van George III, in 1820, wien george iv opvolgde, vooreerst eenige verandering. In 1822 overleed Castlereagh, één jaar na het beruchte proces, door de kroon wegens echtbreuk aangedaan aan Karolina van Brunswijk, de echtgenoote van (reorge IV, die in 't zelfde jaar was bezweken van verdriet over de krenking, die zij had ondervonden en die zij, althans door een zekere lichtvaardigheid in de uiterlijke vormen, had in de hand gewerkt. Na Castlereagh nam Georgo Canning de leidselen van 't bestuur in handen.

Voor 't overige werd van dit oogenblik af in dit rijk voortdurend gewerkt aan de verbetering der constitutis. Zoo werd in 1829, in weerwil van het aanvankelijk tegenstreven van Wellington, destijds minister, de emancipatie of gelijkstelling in rechten der katholieken in 't parlement doorgezet, welke wet ook werd toegepast op Ierland door de bemoeiingen van O'Connell, een eenvoudig zaakwaarnemer, die onder de Ieren, voorheen aan traagheid en dronkenschap overgegeven, een aanmerkelijke hervorming te weeg bracht. Nu werd ook eenige jaren later do test-act (zie blz. 249) opgeheven. In 1830 overleed George IV en werd door zijn broeder willem iv opgevolgd. In 't zelfde jaar werd de eerste spoorweg, de voorganger van zoovele andere banen, die den roem van George Stephenson hebben gegrondvest, aangelegd tusschen Manchester en Liverpool. Met den nieuwen koning kwam een whig-ministerie, uic Palmerston, Russell en anderen bestaande, dat in 1832, in weerwil van veel tegenkanting, de reformhill wist door te zetten, waarbij vele gebreken in de oude kieswet werden verholpon, do middelstand meer invloed op 's lands regeering kreeg en men een meer ware volksvertegenwoordiging bekwam door het recht der verkiezing aan vele kleinere plaatsen te ontnemen en aan de grootere steden de bevoegdheid toe te kennen, meer vertegenwoordigers naar het parlement te zenden. Ter zelfder tijd als deze reformbill voor Engeland tot stand kwam, vorkregen Schotland en Ierland dergelijke wetten. Hierop volgde in 1833 de wets-voordracht van Stanley, waardoor de slavernij in de Engelsche koloniën werd afgeschaft, een zaak, waarvoor Wilberforce steeds had geijverd.

De nieuwe begrippen van staathuishoudkunde, die zich deden gelden,

-ocr page 401-

itfl

bewerkten, dat, toen in 1834 het octrooi der Oost-Indische compagnie door 't parlement werd vernieuwd, haar het monopolie of recht van alleenhandel werd ontnomen. Bovendien werd vastgesteld, dat zij do bevoegdheid behield der voordracht van een gouverneur-generaal, door de kroon te benoemen, en dat van nu aan de inboorlingen ook ambten konden be-kleeden. Dezelfde begrippen hadden het afschaffen der inkomende en der nitgaande rechten op het koren ten gevolge, een maatregel, waardoor de uitstekende minister Robert Peel zich in 184G groote verdiensten jeger.s zijn vaderland verwierf. Tot dusver had er een zoogenoemd schaalrechl voor don invoer van koren in Engeland bestaan, een recht, hetwelk rees of daalde, naar mate het land meer of minder graan voortbracht. Steeds had do regeering er voor gezorgd, dat de belasting liet vreemde koren duurder maakte dan liet inlandsche. Peel streed voor de afschaffing, sinds hij had ingezien, dat Richard Cobden (overleden 1865), een man, wiens naam mot gouden letters prijkt in de geschiedenis der nijverheid, hot hoofd der „Anticorn-lawleaguoquot; of vereeniging tot afschaffing der korenwetten, die haar zetel vooral had te Manchester (ten n.o. van Liverpool in 't n. van Engeland), het wezenlijke belang van zijn vaderland op 't oog had. Daarom ook gaf hij Cobden alleen de eer van den groeten maatregel. Mede werden de rechten van invoer op andore artikels opgeheven of verminderd. Een tweede blijk van wijsheid en van moed gaf Peel door de intrekking in 1819 der akte van navigatie (zie blz. 230). Eindelijk voorde hij eon income-tax (belasting op de inkomsten) in.

Inmiddels was Willem IV in 1837 overleden en had de kroon nagelaten aan zijn nicht victoria, een dochter van Eduard, een broeder van George IV en van Willem IV, die in 1840 met prins Albert van Saksen-Koburg huwde, terwijl sedert Willems dood zijn broeder, eiinst august, in Hannover regeerde, waar de salische wet omtrent de opvolging gold, bij wiens dood, in 1851, zijn zoon, georoe v, er het bewind aanvaardde. Green gemaal eener koningin heeft voorzeker, zonder met eonige betrekking te zijn bekleed, die hem op den voorgrond plaatste, heilzamer invloed op den gang der algomeene aangelegenheden geoefend, dan Albert in het twintigtal jaren, dat hij na hot tijdstip van het huwelijk heeft beleefd. Vooral voor de bevordering van allerlei maatschappelijke belangen, voor de verbreiding van kunst en wetenschap, van nijverheid en landbouw, heeft hij, die zelf oen man was van veelzijdige en overvloedige kennis, van keurigen smaak en van een zelfstandig oordeel, veel goeds gedaan. Onder de beroemdste ministers, die na Peel optraden, behooren Russell en Palmer sten te worden genoemd, wier beheer met veel moeielijkhoden had te kampen, inzonderheid doordien Ierland zeer was verarmd en door landverhuizing ontvolkt.

In 1850 en in 1852 verloor Engeland twee zijner grootste staatsmannen, Peel en Wellington. In 18()1 overleed prins Albert, na zijn dood, hoewel een vreemdeling, even algemeen door gansch Engeland betreurd, als hij bij zijn leven was hooggeschat; in 18C5 Palmerston, ofschoon, als een

24*

-ocr page 402-

372

tweede Mozes nog krachtig naar ziel en naar lichaam, de man, die gedurende een tijdperk van ruim dertig jaren een belangrijken invloed had op de leiding van Engelands buitenlandsche zaken in betrekking tot Spanje, tot Portugal, tot Frankrijk, tot Rusland en tot andere staten. In de daarop volgende jaren onthield Engeland zich meer en meer van daadwerkelijke inmenging in de geschillen der Europeesche mogendheden, b.v. in de zaak van Sleeswijk-Holstein, weshalve het veel van zijn voor-maligen invloed op het vasteland van Europa verloor.

Gedurende Victoria's regeering voerde Engeland buitenlandsche oorlogen tegen Afghanistan en tegen Pendsjab. Het eerste land werd bedwongen, maar ook weer ontruimd, het tweede in 1S49 onderworpen. Gevaarlijker dan die oorlogen was voor Engeland de geduchte opstand, die allengs buiten weten der Engelschen in Britsch-Indië was gerijpt en in 1857 uitbrak. Hij kwam voort uit den haat der inheemsche bevolking, zoowel van de Hindoes als van de Mohammedanen, en bracht de Engelsche overheden en bevolking hierom te meer in 't nauw, omdat het leger voor verreweg 't grootste gedeelte bestond uit inlanders, sipahi's of sepoys geheeten. Deze soldaten sloten zich weldra bij den opstand aan. Reeds lang waren de inboorlingen ontevreden geweest over de zware belastingen, hun opgelegd, en hadden zich over afpersingen en over onrechtvaardige vonnissen der Engelsche rechters beklaagd. De hoofdoorzaak der misnoegdheid was evenwel gelegen in den afkeer, dien de met hun godsdienst dweepende Mohammedanen en Hindoes tegen de vreemde en ongcloovige beheerschers koesterden. De naaste aanleiding tot de uitbarsting waren de patronen, die bij het leger waren ingevoerd en die, naar men beweerde of geloofde, met varkens- en koeien vet waren ingewreven, van welke dieren het varken den Mohammedaan een gruwel, de koe den Hindoe heilig is.

In alle plaatsen, waar de oproerlingen het overwicht hadden, vermoordden zij zonder mededoogen de Europeesche bevolking. Sinds echter Delhi (in Bengalen), de hoofdzetel van 't oproer, den 20sten Sept. 1857 voor de kracht der Britsche wapenen bezweek en in 't volgende jaar Luknow (ten z.o. vandaar), de hoofdstad van den staat Oude, werd genomen , gelukte het de regeering van Engeland, het land allengs weer te onderwerpen. Het gewichtigste gevolg van dezen strijd was de wijziging, in 1858 in het bestuur over Britsch-Indië gebracht. Aan de Oost-Indische compagnie werd alle politiek gezag ontnomen en het bewind opgedragen aan een minister, verantwoordelijk aan liet parlement, wien een raad ter zijde staat. Ook met Sina had Engeland een oorlog te voeren, die zijn oorsprong nam uit klachten der Sineezen over 't invoeren van opium dooide Engelschen, hetgeen de keizer van dat rijk had verboden. De krachtige inspanning der Britsche vloot eu legers logde weldra de zwakheid van het „hemelsche rijkquot; zóó overtuigend aan den dag, dat de keizer in 1842 tot een vrede werd genoodzaakt, waarbij hij het eiland Hongkong (ten z.o. van Kanton, ton o. van Macao) aan Engeland afstond, vijf havens, ■waaronder Kanton, voor den handel aller natiën openstelde en een som

-ocr page 403-

373

van 21,000,000 dollars betaalde. Een andere zegepraal behaalde Engeland in 1868 in een krijg tegen Theodorus, koning van Abessinië (ten z. van Egypte, het oude Aothiopië), die eenige Britsche zendelingen in den kerker had geworpen. Een krijgstocht van Napier was voldoende, om Abessinië tot het besef zijner minderheid te brengen. Koning Theodorus zelf kwam in den strijd om. In 1858 werden de Kaffers in Zuid-Afrika bedwongen. Zijn handels- en fabriekgrootheid ontvouwde Engeland op de eerste wereld-tentoonstelling, in 1851 in het kristallen paleis te London gehouden, die in 1amp;62 door een tweede werd gevolgd.

Thans, in de laatste paar jaren, duidt alles aan, dat Engeland moeielijke tijden te gomoet gaat. Niet alleen heeft het den geest van weerstand te bestrijden in het onder toenemende verarming gebukt gaande Ierland. Niet alleen vereischt het Oostersche vraagstuk, nog maar ten deele opgelost, al de aandacht der regeering. Maar in den loop van 1878 heeft dit rijk een krijg aangevangen tegen Afghanistan, waarin de zege niet zonder inspanning werd behaald, en hebben de inwoners der Transvaalsche Republiek (in 't z. van Afrika), een oogonblik door Groot-Britannië ingelijfd, dit rijk gewapenderhand gedwongen, hun de voormalige zelfstandigheid terug te geven. Tegenover die vrij donkore partijen staat echter de in Egypte veld winnende invloed van 't Britsche rijk.

In Rusland zette nikolaas i (1825—1855), na den dood zijns broeders Alexander (zie blz. 810), zich in 1825 de kroon op het hoofd, vermits zijn oudere broeder, de grootvorst Konstantijn, die van wege den keizer aan 't hoofd stond van 't bestuur van Polen, in 1822 geheel uit eigen beweging afstand van den troon had gedaan. Een samenzwering, die door 't gansche rijk haar vertakkingen had, eigenlijk tegen Alexander was gericht geweest en die der delcabristen heet naar het tijdstip der uitbarsting, de maand December, in 'tRussisch „üekaber,quot; brak, nog eer Nikolaas was gehuldigd , uit, doch werd door 's keizers geestkracht terstond gedempt. Zoo sterk was de indruk van het gevaar, dat Nikolaas in de eerste uren na zijn troonbestijging had geloopen, op den keizer, dat alle maatregelen van zijn bewind in zekeren zin den stempel droegen van den schok, dien het in hem had te weeg gebracht. Onverzettelijk was hij in zijn strijd tegen de invoering van westersche begrippen, zeden en gewoonten. In tegenstelling met Peter den groote zocht hij Ruslands welvaart en macht te vergrooten, niet door 't nabootsen van vreemde inrichtingen, maar door voort te gaan op het pad, bewandeld door de oud-Russische partij. Hierbij legde hij dezelfde geestkracht en volharding aan den dag, die hij bij hot dempen van het oproer had betoond, zoowel ten aanzien van de buitenlandsche, als van de binnenlandsche aangelegenheden. Wat de laatste betreft handhaafde hij met ijzeren hand de onbeperkte heerschappij, doch bevorderde desniettemin door 't aanleggen van spoorwegen, b.v. tusschen Petersburg en Moskau in 1852, vooral ook door het tegengaan van de veilheid en de traagheid der rechterlijk ambtenaren en anderszins 's lands welvaart. Ter bescherming van de Grieken, zijn geloofsgenooten, begon Rusland sinds den 14den

-ocr page 404-

374

April 1828 eon oorlog togen mahmoud ii, sultan van Turkije (1808— 1839). Do Russische veldheer Wittgenstein bezette Moldavië en Wal-laehije. Zijn opvolger, Diebitsch, trok, tot onbeschrijfelijke verbazing van den vijand, over don Balkan en veroverde Hadrianopel. Bij den mede van Hadrianopel, den 14den Sopt. 1829, stond Turkije niet alleen do eilanden aan den mond van den Donau aan Rusland af, maar gunde ook aan dit rijk een overwegenden invloed op Moldavië en op Wallach ij o.

§ 129.

Oorxnken van 't verval van Turkije. — Woelingen der Janitscharen. — Mahmoud II. ■—■ J)i' uitroeiing der Janitscharen. — Betreurenswaardige toestand van Turkije in weerwil van de invoering dier hervormingen. — Verschijnselen ter bevestiging dezer opmerking. ■— Moeielijkheden van den sultan met Mehemed AU, pascha van Egypte. — Verdrag, in 1841 tusschen hen gesloten. — Dood van Mahmoud II. — Abdul Medschid. —■ Dood van Abdul Medschid. — Abdul Azis. — Zijn reis naar Parijs, naar Londen, naar Weenen. — Fuad-pascha. — Gronden om te wanhopen aan een werkelijke herleving van Turkije. — Zware taak der Porie tegenover de gewesten Egypte, Moldavië, Wallachije, Servië, Montenegro, de Ilerzegowlna. — Abdul Azis wordt afgezet. — Zijn opvolgers zijn Moerad V en Abdul Ilamid. ■—• Het Oostersche vraagstuk. —' Is marl, onderkoning van Egypte, en de doorgraving van 't kanaal bij Suez. — Do hetaerie der onderling bevrienden in Griekenland, in 1814 opgericht door Skufas te Odessa. — Doel van dit genootschap. — Verplaatsing van den hoofdzetel naar Constantinopel. — Alexander Ipsilanti neemt in 1820 de leiding der hetaerie op zich. — Hij geeft in Maart 1821 te Jassy het sein tot den opstand. — Het oproer wordt door de Turken gedempt. — De Mainoten. — Hernieuwing van den Griekschen opstand in April 1821 in Morëa. —- Het congres te Epidaurus voert in Januari 1822 een republikeinsche staatsregeling in met een voorloopig bewind. — Odysseus en Miaulis in Hellas. — De zeerooverij der Grieken.

Reeds in 't begin der negentiende eeuw was het voor niemand meer een goheim, dat het Ottomanische rijk in een toestand van schromelijk verval verkeerde. Oorspronkelijk gegrond op liet ruwe beginsel der verovering, maar sinds ongeveer één eeuw verplicht , aan het denkbeeld van uitbreiding van gebied door de scherpte des zwaards vaarwel to zeggen, was deze barbaarsche staat steeds dieper gezonken. De hoofdoorzaak van de zwakheid van 't rijk was hierin gelegen, dat niet de minste samensmelting had plaats gegrepen tusschon do Turken en de door hen onderworpen volkeren. De bevolking der landen, waarin zij als veroveraars waren binnengedrongen, lieten de Turken, als vreemdelingen, naast zich leven, in blind vertrouwen op de kracht van hun zwaard en zonder te letten op de steeds verminderende krijgshaftigheid hunner eigen natie. Oorspronkelijk was ieder gezeten Turk krijgsman en bestanddeel of van

-ocr page 405-

375

hot voetvolk, öf van de ruiterij, waarvan do kern, gelijk die der voetknechten de Janitscharen, (h spahis heette. De burgerlijke bestuurder van een gewest was tevens het hoofd van 't krijgsvolk, dat er in was gelegerd. Op deze en andere wijze bleef de aloude vorm, aan 't krijgswezen ontleend, bestaan, hoewel de krijgshaftigheid allengs meer uit den geest van 't volk begon te wijken. Sinds lang was het gebleken, dat juist de zoogenoemde kern van 't leger, de Janitscharen, welke de veiligheid van den staat moest waarborgen, voor de regeering het gevaarlijkst was, doordien ieder stadhouder, die het in liet hoofd kreeg zich onafhankelijk te maken, hierin zijn steun vond. Meer en meer werden de Janitscharen, wat de benden der praetorianen te Rome waren geweest, een overmoedige en tengellooze schaar krijgsvolk, naar wier wil de sultan en de grootvizier zich moesten voegen en die, naar mate zij tegenover de Turken stouter werd, te minder tegenover den buitenlandschen vijand beteekende.

Eindelijk werden Mahmoud II de oogen geopend door het verval van hot Turksche rijk, hetwelk in den pas gevoerden oorlog zoo duidelijk was aan den dag gekomen. Vast besloten tot hervormingen over te gaan, gelastte hij in 182(), dat elke afdoeling der Janitscharen 150 man zou afzonderen, opdat zij op Europeesche wijze zouden worden geoefend. Vermits aan die manschappen tevens hoogere soldij werd gegeven ging dit aanvankelijk goed. Maar in de maand Juni van dat jaar brak onder de overige Janitscharen, ten getale van ruim 20,000, een opstand uit. Zij trokken naar het oord, dat cn in het Christelijke, èn in het Turksche Constantinopel zoo menigmaal den standaard van 't oproer had zien verrijzen, naar den Etmeidan of hetrenpork, verschansten zich daar en eischten de hoofden van allen, die tot het invoeren der nieuwigheden hadden medegewerkt. Intusschen had de sultan voorzien hetgeen vermoedelijk zoude gebeuren en hiernaar zijn maatregelen genomen. Ondersteund door dm mufti, het hoofd der geestelijkheid, en door de idémas, de priesters en rechtsgeleerden, die een gesloten lichaam vormen en de eenige officiëele uitleggers zijn van den koran, niet ongelijk aan de schriftgeleerden der Israëlieten ten tijde van Christus, van wier instemming, evenals van die van de hoofdofficieren der Janitscharen, hij zeker was, liet Mahmoud nu de heilige vaan van den profeet uit den harem te voorschijn brengen en, alsof het een kamp gold togen do ongeloovigon, ontplooien. Tegelijk liepen omroepers door de straten en riepen het volk op, om zich rondom de banier van den islam te scharen ter verdediging van den door 't muitend krijgsvolk bedreigden godsdienst en den sultan.

Het gezicht van de heilige vaan en de plechtige vervloeking, die de mufti over de oproerlingen uitsprak, terwijl hij elk hunner bestrijders, die mocht sneuvelen, de zaligheid hier nainaals beloofde, deden wonderen. Bij gansche scharen stroomden gewapenden van de beide oevers van den Bosporus Thracicus of de straat van Constantinopel toe. De uitslag was, dat do Janitscharen, van geschut verstoken en in den Etmeidan ingesloten of naar hun nabij gelegen kazernen gedreven, die welhaast door hun be-

-ocr page 406-

376

legeraars in brand werden gestoken, over de kling gejaagd of met schrootvuur afgemaakt werden, of wol in den gloed der vlammen omkwamen. Zij, die er het leven afbrachten, violen in handen van een krijgsraad, die hen eveneens liet ter dood brengen. In alle provinciën van 't rijk werd vervolgens do jacht op die voormalige keursoldaten voortgezet en de gan-sche instelling voor goed opgeheven. Met 6en slag viel het bolwerk van het Middeleeuwsche Turkije ter aarde. Thans toog do sultan aan 'twerk met het invoeren van menige andere horvorming, die het rijk meer en meer in overeenstemming zou brengen met hot overige Europa. Na de vernietiging dier eens zoo uitgelezen krijgsbenden liet hij o.a. de Turksche soldaten door Fransche en door Pruisische officieren in don wapenhandel oefenen.

Bovenal vertoonde zich de zwakheid der Porte in haar herhaalde oorlogen met Mehemed Ali, sedert 1806 pascha of stedehouder van Egypte. Zoo gelukkig streed Mehemed Ali tegen den sultan, dat Mahmoud den steun der groote mogendheden van Europa moest inroepen, om Mehemed Ali te noodzaken, in 1841 de opperhoogheid dor Porte weer te erkennen, een jaarlijksche schatting van ruim 3,000,000 gl. aan don sultan te beloven en zich met het erfelijk stedehouderschap over Egypte te vergenoegen. Reeds vroeger, in 1839, was Mahmoud II overleden en zijn oudste zoon, Abdul medschid, hem opgevolgd, die in 1861 stierf. Van de latere sultans had o.a. Abdul Azis eveneens te strijden tegen de zucht naar onafhankelijkheid van Mehemed Ali's kleinzoon, Ismaël, die in 1867 van den sultan den titel „khedivequot; verwierf en onder wiens bestuur, in 1869, de doorgraving van het kanaal bij Suez, volgens 't ontwerp van de Lesseps, is voltooid. Op sterken aandrang van Duitschland, van Frankrijk en van Engeland werd Ismaël in Juni 1879 door sultan Abdul Hamid (zie blz. 378) afgezet en vervangen door zijn zoon tewfik, die in 1892 overleed en werd opgevolgd door zijn zoon Abbas.

Inmiddels bleek het, dat de hervormingen, in Turkije ingevoerd, in plaats van een beteren toestand te scheppen, dewijl het geen trapsgewijze en geleidelijk ingevoerde veranderingen waren, den zieken man geenszins genazen. Steeds was en is in Turkije het recht veil, het bestuur slecht. Aan 't hoofd van hot rijk is een onbeperkt machthebber geplaatst, ter zijdo gestaan door een onverantwoordelijk ministerie, zonder een budget onderworpen aan een rechtstreeks gekozen vertegenwoordiging van 't volk. Of liever, aan 't hoofd van het rijk staat een heirlegor van burgerlijke ambtenaren {bureaucratie), die den sultan leidon werwaarts zij willen. Ambtsbejag en omkooping zijn er aan de orde van den dag. Schatten worden verslonden door de groote sommen, die de huishouding van den sultan vereischt, door oen kostbare vloot en door een talrijk staand leger. Terwijl de Porto in 1854 nog in 't geheel geen schuldon had, heeft zij na dien tijd leening op leening aangegaan, zoodat het cijfer barer schulden reeds millioonen bedraagt. Zoo zwaar zijn de schattingen, door 'tgeheele rijk hoen geheven, dat men mot bekommering heeft opgemerkt, dat juist do door de natuur 't meest gezegende streken, als Klein-Azië, het twee-

-ocr page 407-

377

ledige schouwspel eener hoe langer hoe meer afnemende bevolking en eener steeds aangroeiende verarming aanbieden. Het streven toch der uit Stam-boul (Constantinopel) gezonden landvoogden en andere ambtenaren is doorgaans zich langs allerlei wegen in den kortst mogolijken tijd ton koste hunner onderhoorigen naar vermogen te verrijken. Is hun voornaamste plicht, gelijk geen hunner onbekend is, Constantinopel voortdurend geld toe te zenden, in hun oog gepast besef van eigenbelang dringt hen hierbij, zichzelven niet te vergeten. Vandaar dat zij, als de os op het veld, alles rondom zich afgrazen.

Wat de onderdanen betreft, do scherpe afscheiding, door Mahmoud in 'tleven geroepen en door zijn opvolgers bestendigd en bevorderd, tusschen het meerendeel der natie of de burgerij en de soldaten kweekt meer dan één wrange vrucht. Het leger beschouwt de burgerlijke ambtenaren als indringers op liet veld, dat hun, naar de overleveringen uit vroegeren tijd, van rechtswege toekomt. De burgers, wion van oudsher het krijgvoeren tot een tweede natuur was geworden, thans gedwongen, dit tijdverdrijf vaarwel te zeggen, voegen zich niet gemakkelijk naar de nieuwe eischen, hun gestold. Velen, geenszins gezind of geschikt voor de stille werkzaamheden van 't maatschappelijk leven, verkiezen, indien zij niet met een ambt worden begiftigd, den lediggang, nu zij niet meer het gebod van den koran, rakende den heiligen oorlog, kunnen vervullen. Dit alles veroorzaakt mede, dat hot leven en de bezittingen der Christenen, in tijden van spanning, er aan de grootste gevaren onderhevig zijn.

Na Abdul Medschid kwam, in 18G1, zijn broeder abdul azis, onder wiens regeering de strijd, in 't begin dezer eeuw ontbrand, tusschen do oud-Turksche partij en die van den vooruitgang steeds word voortgezet. De nieuwe sultan wordt geschilderd als een man, zonder eenigo kennis, maar bedreven in lichaamsoefeningen en van een opbruisenden en voortvarenden aard. Tot het jaar, waarin hij don troon beklom, d. i. tot zijn tweeëndertigste jaar, overeenkomstig de gebruiken van het Turksche hof ten opzichte der prinsen, en inzonderheid van den vermoedelijke troonopvolger , geheel van do buitenwereld afgezonderd gehouden en met jaloersch-heid gadegeslagen en bewaakt, werd hij in 18G1, bij den dood zijns broeders, plotseling als uit do duisternis overgebracht in 't volle licht. Terstond toonde ook hij in schijn veel geneigdheid om do hand aan den ploeg dor hervormingen te slaan on vooral veel zin voor 't invoeren van bezuinigingen in don tak der .financiën. Op denzelfden weg schreed hij voort na het bezoek, in 1807 gebracht aan de wereld-tentoonstelling to Parijs, op welke rois hij tevens een tijdlang to London en te quot;Weenen vertoefde. Hoezeer het echter heette, dat Turkije onder de leiding van dezen sultan en van Fuad-pascha, don grootvizier, die gedurende eenige jaren hem het naast ter zijde stond, do zegeningen der Europeesche beschaving trachtte deelachtig te worden, hot scheen niet voor goed afstand te kunnen doen van zijn geldverspillingen en van het albeheer van onwaardige gunstelingen.

Op 't stuk der rechtspraak is het zelfs onmogelijk, een betere toekomst

-ocr page 408-

378

te verwachten. Dewijl de Koran niet alleen de Bijbel, maar tevens het burgerlijk wetboek is voor de Mohammedanen, zonden, uit hoofde van de tegenspraak der rechtsbeginselen tusschen het Oosten en het Westen, de Muzelmannen, wat ondenkbaar is, moeten verklaren, dat hun heilig boek dwalingen en verkeerde stellingen bevat. Ofschoon men verder moet erkennen, dat er eenige stappen zijn gedaan, om de gelijkstelling der Christelijke met de Mohammedaansche bevolking te bevorderen, blijft het do vraag, of do nieuwigheden zullen blijken op den duur bestand te zijn tegen do diep gewortelde vooroordeelen van 't volk en tegen den haat, dien inzonderheid het leger tegen al wat Christen is voedt.

Een moeielijke taak heeft alzoo de Porte te vervullen. Doch hoe groot de bezwaren ook mogen zijn, die zij in het binnenland heeft te bestrijden, zij worden, zoo niet overtroffen, stellig geëvenaard door die, welke voortspruiten uit de zucht tot zelfstandigheid van meer dan een der door een band van afhankelijkheid aan Turkije gehechte staten. In den loop dezer eeuw tocli hebben Moldavië en Wallachije, alsmede Egypte, zich nagenoeg geheel aan do leenhoogheid der Porte onttrokken. Servië, waar vorst Milan Obrenowitsch sinds 1872 regeerde, en nu na hem zijn zoon a l ex an dek , heeft dit voorbeeld gevolgd. Montenegro (ten n. van Albanië, aan de Adriatische Zee) is insgelijks zoo goed als onafhankelijk. Do Herzegowïna (ten n.w. vandaar) was een tijdlang hot tooneel van een hevigen opstand.

Abdul Azis rogeerde tot het eind van Mei 1876. Toen werd hij door een samenzwering van den troon gestooten, waarop hij of zichzelf doodde, 5f werd omgebracht. Zijn opvolger was zijn neef, een zoon van Abdul Medschid, moerad v. Doch reeds in Augustus van't zelfde jaar werd hij, op grond van waanzin, afgezet en vervangen door zijn broeder ahdtjl hamid.

Sinds een halve eeuw dus, zoo niet langer, is de toestand van Turkije het onderwerp dor voortdurende bekommering, der overwegingen en berekeningen van Europa's voornaamste kabinetten. Lang heeft, met do onweerstaanbaarheid van een geloofsartikel, in 't Westen van Europa de meening gegolden, dat de ongedeerde zelfstandigheid van Turkije een onmisbaar vereischte is voor liet behoud van 't staatkundig evenwicht van Europa. Do stoute uitbreiding van Euslands heerschappij naar 't Zuiden en naar 't Oosten deed de mogendheden inzien, dat de val van het rijk der sultans een bedreiging zou zijn voor haar eigen bestaan. Vanhier, dat het beginsel der noodzakelijkheid van Turkije's onafhankelijkheid in 't Westen van Europa werd geacht onbetwistbaar te zijn. Vooral waren het Engeland en Frankrijk, die, uit vrees voor het overwicht van Rusland, dat staatkundig beginsel voorstonden. Deze en dergelijke punten maken don inhoud uit van hetgeen men gewoon is het Oostersche vraagstuk te noemen.

Een der belangrijkste feiten dezer eeuw, uit verschil van opvatting van dat vraagstuk voortgesproten, is de herstelling van het oude Griekenland als een zelfstandigen staat. Sedert de Grieken, Christenen zijnde, onder het juk der Turksch-Mohammedaansche heerschappij zuchtten, hadden zij dit herhaalde malen vruchteloos trachten af te worpen. Wederom rustten

-ocr page 409-

379

zij zich sedert 1814 toe, om zich aan do heerschappij der Turken te onttrekken. Het plan hiertoe was ontworpen door een vereeniging, hetaerie genoemd, voluit de hetaerie der onderling hevrienden. Dit genootschap ontstond in 1814 op den bodem van Rusland te Odessa (in 't z. van Rusland, aan do Zwarte Zee) en werd opgericht door een drietal Grieken, o. a. door den koopman Skufas. In alle gewesten van Turkije en in verschillende buitenlandsche provinciën had het ephoren of commissarissen. Al-wie werd opgenomen in het verbond moest den eed van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid afleggen. Het doel dor verbintenis was een gewapende gemeenschap aller Christenen, ten einde het kruis over de halve maan te doen zegevieren. Sinds 1818 was de hoofdzetel van 't genootschap te Con-stantinopel gevestigd. In de eerstvolgende jaren groeide het aantal der leden zeer sterk aan, zoo in Griekenland zelf, onder alle klassen der bevolking, ook op de eilanden, b.v. op do Ionische eilanden, op de Sporaden en op de Cycladen, als buiten dit land, o. a. in Klein-Azië, in Palaestina, in Rusland. Aan 't hoofd van 't genootschap werd in 1820 gestold Alexander Ipsilanti, een wakker officier en gunsteling van keizer Alexander I.

In Maart 1821 gaf Ipsilanti te Jassy (in Moldavië, nabij de Pruth) hot sein tot den opstand door het uitvaardigen eener proclamatie aan de Grieken. Onmiddellijk lieten de Turken troepen binnenrukken, dié nog in 't zelfde jaar de hetaeristen versloegen. Alexander Ipsilanti week op Oostenrijksch grondgebied, waar hij gevangen werd gezet en eenige jaren later te Weenen overleed. In 't zelfde jaar, 1821, verwekten de zendelingen der vereeniging, in April, een opstand onder de bevolking van 't eigenlijke Griekenland, hoofdzakelijk onder de Mainoicn, de bewoners van de Maina, een der zuidelijke schiereilanden van Morëa, die zich er op beroemen, van do aloude Lacedaemoniërs af te stammen. Men viel hier en daar in de Peloponnesus op de Turken aan en doodde wien men machtig kon worden. Naar men heeft berekend, zullen er in de eerste drie weken van den opstand niet minder dan 15,000 Turken zijn omgebracht. In 1821 begon alzoo de strijd, en in Jan. 1822 kondigde een congres der Grieken te Epidaurus (in 't n.o. van Morëa) de onafhankelijkheid der Grieksche natie af en voerde een rcpublikeinsche staatsregeling in met een voorloopig bewind. Ook in 't eigenlijke Griekenland streed men, en hieruit werden door de Grieken, onder dappere aanvoerders, als onder Odysseus en onder Miaulis, bijna overal de Turken verjaagd. Vooral bestreden de Grieken hun vijanden ter zee, op welk element zij zich snel en behendig wisten te bewegen. Teel steun vonden zij verder bij de Europeesche volkeren, die, vol bewondering voor hun moed cn met geestdrift bezield voor dezen alouden zetel der beschaving, hun hulp, hetzij in geld of in talrijke scharen vrijwillige medestrijders, zonden.

§ 130.

De val van Mesolonghi in April 1826. — De geestdrift der Europeesche volkeren voor de zaak der Grieken. — De philheltènen. — üyrons

-ocr page 410-

380

medewerking en dood. — Oorzaken van den achteruitgang van de xaak der Grieken sedert 1823. — De sultan roept de hulp in van Mehemed AU. — Ibrahim met een krijgsmacht afgezonden door Mehemed AU. ■— Canning. — Het verdrag van Londen of het drievoudig verhond in Juli 1827. — Edward Codrington, de Rigny en van Heyden. — Ongelegenheden der Grieken. — Het voorloopig bewind neemt in Augustus de voorwaarden der triple alliantie aan. — Turkije weigert xe. — Nederlaag der Turksche vloot onder Moharrem-hey in de haven van Navanno, den 2Qsten October 1827. — Indruk van dien slag op de Europeesche hoven. — Breuk tnsschen den sultan en de mogendheden. — Capo d' Istrias wordt in Juli 1827 voorzitter van Griekenland. — Leopold van Saksen-Koburg weigert de waardigheid van souverein vorst van Griekenland. — De Parte voegt zich in 1830 naar 't verlangen der mogendheden en ontruimt Griekenland in 1831. —■ Verdeeldheden in dit rijk. — Oorzaken van veler haat tegen Capo d' Istrias. — Capo d' Istrias den Oden October 1831 te Nauplia vermoord. — Otto van Beieren, uit het huis Wittelsbach, wordt benoemd tot koning. — De universiteit van Athene gesticht in 1837. — Otto I mondig verklaard in 1835. — Hij bezweert de constitutie in 1844. — Regeling van de aangelegenheden der ketk. — Afkeer der Grieken van hun koning. —- Hij verwijdert zich in 1862. — Willem wordt, als George 7, koning der Grieken in 1863.— Engeland staat de Ionische eilanden aan Griekenland af.

Inzonderheid was het de heldhaftige volharding der verdedigers van Mesolonghi of Missolonghi (aan de z.w. kust van Livadië of Ruraelië, het voormalige Hellas, aan de golf van Patras, ten w. van Lepanto), dio de deelneming van 't Westen van Europa wekte. Gedurende den tijd van 1828 tot April 182G stond de moedige stad meer dan één beleg uit, waarvan het tweede en laatste een vol jaar duurde. Eindelijk viel de vesting in handen der belegeraars, doch niet, dan nadat een gedeelte der bezetting en der bevolking, door gebrek gedwongen, bij een laatsten uitval, hoevelen er ook bezweken, zich een eervollen uitweg met het zwaard had gebaand. Groot was bovenal liet getal van de voorstanders der zaak van Griekenland, van de philhellSnen of vrienden der Grieken in Duitschland, in Engeland, in Frankrijk en in andere van Europa's beschaafde staten. Geen van hen is vermaarder dan Byron, die zicli in 1824 in persoon naar Mesolonghi begaf, om een werkdadig aandeel aan den kamp te nemen; zich hier, gelijk een tweede Alcibiades, als een geheel nieuw man, niet als een man van groote verbeeldingskracht, maalais oen man van de daad en van practisch inzicht openbaarde, doch reeds in April van 't zelfde jaar overleed.

Was in de beide eerste jaren, 1821 en 1822, de opstand der Grieken aanvankelijk geslaagd, sinds het derde jaar ging het met hun zaak minder naar wensch. Inzonderheid stond hun eigen twistgierigheid en tweedracht de Grieken in den weg. In plaats van zich, één van zin, tegenover don

-ocr page 411-

381

gemconscluippelijkon vijand te scharen sloot zich de een aan bij Odysseus en luisterde een ander naar een ander hoofd. Had niet, op haar beurt, ook de Porte met groote bezwaren, gebrek aan geschikte aanvoerders, onderlinge ijverzucht der verschillende bevelhebbers, uitputting der financiën, te strijden gehad, het zou er nog slechter voor Griekenland hebben uitgezien. Gedrongen door de omstandigheden, besloot do sultan, zijn toevlucht te nemen tot den machtigste, maar tevens den gevaarlijkste zijner vazallen, tot Mohemed Ali, den onderkoning van Egypte. Mehemed Ali zag daarin een zeer gewenschte aanleiding, om zijn begeerte naar onafhankelijkheid te bevredigen, en nam de opdracht van het opperbevel der land- en der zeemacht tor bestrijding van de Grieken aan. In 1824 zond hij zijn stiefzoon, den hardvochtigen Ibrahim, met een goed uitgeruste vloot en leger ter onderwerping van Griekenland af, die, na een lijdtang ter zee te hebben gevochten, in 1825 met een gedeelte zijner troepen in Morëa landde. De komst van Ibrahim en van zijn wreede Egyptenaren verscherpte nog het karakter van ijselijkheid, dat deze oorlog van den beginne aan had gehad.

Toen de zaak der vrijheid zoowel door den aantocht der Egyptenaren als door de voortdurende oneenigheid der Grieken op nieuw in groot gevaar werd gebracht, kwamen eindelijk de groote mogendheden het verdrukte volk te hulp. Canning (zie blz. 370) overreedde Rusland en Frankrijk, te dien behoeve in Juli 1827 met Groot-Britannië het verdrag van Londen te sluiten. Deze triple alliantie was de beslissende schrede, die dadelijk voerde tot de volkenrechtelijke erkenning van een zelfstandig Griekenland. Het drievoudig verbond rustte op het beginsel, dat de nadoelen, welke de langdurige oorlog den handel berokkende, de regeeringen der drie staten noopten, maatregelen tot het herstel van den vrede te nemen. De Porte gaf op de verklaringen, haar van wege het drievoudig verbond geworden , geen ander antwoord, dan dat zij geen inmenging van vreemden in Turksche aangelegenheden zou gedoogen. Van haar zijde zonden de drie hoven aan de bevelhebbers hunner vloten, Edward Cod rington, de Rigny en van Heyden, van welke de laatste het bevel voerde over de Russische schepen, gelijkluidende voorschriften, houdende dat, indien do Grieken zich naar hen voegden en de Turken niet, zij gemachtigd waren, alle bezendingen van wapens en manschappen van den kant der Turken te beletten en des needs geweld aan te wenden. Hierin is, gelijk men zal zien, de sleutel der, eerstkomende gebeurtenissen te vinden.

Zoo Griekenland moest worden gered, begon het inderdaad tijd te worden voor een krachtige tusschenkomst van wakkere bijstanders. Meer en meer heerschte menigvuldige verdeeldheid, niet alleen onder de Grieken onderling, maar ook tusschen de Grieken en de philhellenon. Zeer was de geestdrift van vele philhelleonsche kruisvaarders bekoeld, deels ten gevolge van do ontberingen, die zij hadden uit te staan, deels door het te lang uitblijven van gunstige uitkomsten, deels ook door de ondervinding, die zij opdeden van de geringe erkentelijkheid der Grieken. Bij al

-ocr page 412-

die rampen kwam ten overvloede, dat het voorloopig bewind geen gezag had en er dus volslagen regeeringloosheid heerschte.

Dat voorloopig bewind haastte zich dan ook, de voorwaarden, doorliet drievoudig verbond gesteld, in Augustus 1827 aan te nemen. In 't begin derzelfde maand overleed Canning. In September wierp een geduchte vloot, door Ibrahim aangevoerd, haar ankers uit in do haven van Navarïno (in 't z.w. van Morêa). Middelerwijl zetten de Grieken en de philhollênen hun vijandelijkheden voort en liet Ibrahim wederom troepen in Morêa landen, die alles te vuur en te zwaard verwoestten. Dit merkte Edward Codrington, do Engelsche admiraal, als een overtreding aan van den door het drievoudig verbond voorgeschreven stilstand van wapenen. Wel hadden de Turken den wapenstilstand niet aangenomen; doch daar de Grieken de bemiddeling der mogendheden hadden erkend, meende hij zich te moeten aansluiten bij de partij, die zich naar de eischen van het drievoudig verbond richtte. Den 13den October voegden zich de Franscho vloot onder den schout-bij-nacht de Rigny en de Russische onder den schout-bij-nacht van Ileyden bij Codrington voor Navarïno. Gezamenlijk besloten zij de verantwoordelijkheid op zich te nemen en den Gordiaanschen knoop der diplomatie met liet zwaard door te houwen. Den 20sten October voor de vloot der bondgenooten, in slagorde geschaard, de haven van Navarïno binnen en kwam te liggen tegenover de Turksche oorlogschepen, die, onder Moharrem-bey, ruim driemaal zooveel in getal waren als die hunner vijanden. Terstond ving een verschrikkelijke slag aan, die binnen een paar uren ten nadeele der Turksch-Egyptische vloot was beslist. Ovei de vraag is getwist, wie het eerste schot heeft gedaan: bij de weder-zijdsche stemming doet die vraag niets af. Toen Ibrithim, die inmiddels afwezig was geweest, den volgenden dag naar het overschot zijner vloot terugkeerde, bevond hij, dat een zestigtal van zijn vaartuigen in de lucht gevlogen of in den grond geboord was.

Als een donderslag weerklonk de tijding van die zege door Europa. Zeer verschillend was de indruk, dien zij op de hoven maakte. Terwijl men te Petersburg en te Parijs jubelde, was het Britsche kabinet verrast, maar tevens zeer ontstemd. Aan de bekommering voor de handelsbelangen paarde zich de vrees, dat men zijn ouden bondgenoot Turkije als een weerloozen buit aan Rusland uitleverde, wat toch geenszins de bedoeling van 't verdrag van Juli 1827 was geweest. Tegen 't einde van November was men er zeker van, dat de Porto, ook na den slag bij Navarïno, geen gehoor wilde geven aan de voorslagen der verbonden mogendheden. Alzoo verlieten de gezanten der drie staten in November 1827 Constantinopel. In 't volgende jaar noodzaakte een Fransch leger de Egyptenaren, hot schiereiland Morêa te ontruimen. Voor 't overige stelden de Grieken, ter bevestiging der nog wankelende zelfstandigheid, in Juli 1827 graaf Johan Capo d'Istrias, een vertrouweling van keizer Alexander I, als voorxitter van Griekenland aan.

Kort daarna werd Griekenland door de verbonden mogendheden voor

-ocr page 413-

383

con van de Porto goheel onafhankelijken staat verklaard, waarvoor zij prins Leopold van Saksen-Koburg, een oom van Albert (zie blz. 371), tot souverein vorst bestemden, die echter, hoofdzakelijk wegens de grensregeling, do hem toegedachte hoogo waardigheid afsloeg. De Porto, die een som geld tot schadevergoeding kreeg, nam in 1830 genoegen met de gemaakte schikkingen en ontruimde Griekenland in 1831. Nog lang bleef evenwel het nieuwe koninkrijk Griekenland, hetwelk bestond uit Morëa, uit Livadië, uit Negropont of Euboea, uit de Cycladen en uit eenige andere eilanden, ter prooi aan verdeeldheden. Tegenover do partij van don voorzitter stond de veel talrijker partij zijner vijanden, die het aan de listige streken van Capo d'Istrias toeschreven, dat Leopold de kroon had geweigerd, en die in de vernietiging van de rechten der gemeenten, in de vorwaarloozing der vloot en in de zorg on do kosten, aan 't landleger besteed, zijn streven zagen doorschemeren, Griekenland zwak te houden en Rusland te believen. Vanhier, dat Capo d'Istrias in 1831 door zijn tegenstanders uit den weg werd geruimd, die hem den invloed op de Grieksche aangelegenheden, welken hij Rusland gunde, euvel duidden en zeker waren van de met hun gevoelen overeenstemmende denkwijze van een goed deel van 't volk. ïoen hij dan 9den October van dat jaar op 't punt stond, een kerk binnen te treden te Nauplia (op de n.o. kust van Morëa), velden de gebroeders Konstantijn en George Mauromichalis hem met een pistoolschot en een dolksteek. In 't volgende jaar gaven de staten, die de herstelling van Griekenland op zicli hadden genomen, hot land in den nog ontnondigen prins otto van Beieren, een zoon van koning Lodewijk I (zie blz. 349), uit het huis Wittelsbach, een koning. De Grieksche kerk werd onafhankelijk van den patriarch van Constantinopel, de koning tot wereldlijk hoofd dier kerk benoemd. In 1835 werd Otto I mondig verklaard. Hij stichtte in 1837 een universiteit te Athene. Verder schonk hij zijn land een constitutie en bezwoer haar in 1844. Desniettemin mocht het Otto evenmin gelukken, Griekenlands herwonnen volksbestaan op vasten bodem te vestigen, als zijn bewind bij do Grieken aangenaam te maken. Hemzelf merkten zij steeds als een vreemdeling aan. Do toestand van 't land bleef zorgwekkend. In hot financiewezen hoerschte wanorde, en rooverbenden maakten de wegen onveilig. In 1862 brak een opstond van het volk en van het leger uit, die den koning noodzaakte, afstand te doen en zich te verwijderen. Niemand was er om hem te verdedigen, en binnen eenige dagen scheen het, alsof hij nooit in Griekenland was geweest. In 1863 bood liet Grieksche volk de kroon aan prins Willem, een zoon van Christiaan IX (zie blz. 364), aan, die ze, met goedvinden der mogendheden van het drievoudig verbond, aannamen, als ge o rg e i , den troon besteeg. Kort na de troonbeklimming van George I, in 1863, gaf Engeland toe aan de begeerte der Ionische eilanden, die in 1848 tegen dit rijk (zie blz. 369) waren opgestaan, doch weldra bedwongen, door ze aan Griekenland af te staan.

-ocr page 414-

884

§ 131.

De trede van Hadrianopel bevestigt hel overwicht van Rusland. — Voorl-durende wedijver van Rusland, van Engeland en van Frankrijk betrekkelijk het Oostersehe vraagstuk. — De quadruple alliantie van IS40. — Aangroeiende invloed van Engeland te Constantinopel. — Geschil tusschen de geestelijkheid der Latijnsche en der Grieksche kerk te Bethlehem in 1S47. — Napoleon III neemt den handschoen op ten gunste der Latijnsche kerk in Palaestina. — Rusland komt op ter bescherming van de belangen der in die landstreek gevestigde Grieksche gemeenten. — Rusland zoekt Engeland te winnen voor het plan eener verdeeling van Turkije. — Het Engelsche ministerie geeft geen gehoor aan Nikolaas' aanbiedingen. — De keizer van Rusland tast door. — De zending van vorst Mentschikow in Maart 1853 naar Constanti-nopel. — Zdjn houding aldaar. — Hij eischt voor den keizer van Rusland het patronaat over alle Grieksche onderdanen der Porie. — De sultan wijst deze aanvraag af. — Het ultimatum van graaf Nessel-rode. — De Russische troepen overschrijden de 1'ruth en rukken de Donau-vorstendommen binnen. — Het manifest van Nikolaas 1. — De Fransch-Engelsche vloot werpt het anker uit in de Dardanellen. — De Por te verklaart den 4den October 1853 den oorlog aan Rusland. — De Turken ontruimen de vorstendommen. — Nederlaag van eenige Turksche oorlogschepen, den 30sten November, bij Sinopë. — Engeland en Frankrijk gelasten hun vloten, de Zwarte Zee binnen te varen. — Ultimatum van Frankrijk en van Engeland, aan Turkije gesteld in 't eind van Februari 1854. — Ondersteuning van dien eisch door Oostenrijk en door Pruisen. — Verdrag van bondgenootschap, in Maart, van Engeland en van Frankrijk met de Parte. — De oorlog begint in den omtrek van den Donau. — Graaf Paskewitsch wordt aldaar vervangen door Gortschakoff. — Omer-Pascha bestrijdt de Russen vrjj voorspoedig. — Verdrag van April 1854 tusschen Oostenrijk en Prui- ' sen. — Pruisen gaat van nu aan op onzijdig terrein over. ~ Op aandrang van Oostenrijk laat Nikolaas in Augustus zijn leger over de Pruth terugtrekken.

Toen, na den jaren langen kamp, de zaak van Griekenland eindelijk voor goed was geregeld, moest de beslissing althans in zoover den sultan welkom zijn, dat hij daardoor al zijn krachten had kunnen aanwenden tegen Rusland in den krijg, die er op was gevolgd (zie blz. .'374). De vrede van Hadrianopel, die het overwicht van Rusland nader bevestigde, leidde geenszins tot betere verstandhouding, maar veeleer tot aanmerkelijke verkoeling tusschen Rusland aan den éénen kant en de hoofdinogendheden van Europa aan de andere zijde. Gedurende het tiental jaren, waarin de Porte (zie blz. 376) met Mehemed Ali overhoop lag, nam liet Oostersehe

-ocr page 415-

885

vraagstuk eon tijdlang weer een voor de rust van Europa dreigend karakter aan. Immers voortdurend viel liet in 't oog, dat er tusschen Rusland, Engeland en Frankrijk een aanhoudende wedijver heerschte, doordien elke dier staten er op uit was, zijn invloed op Turkije te vergrooten, en naijverig o]! dien, welken een der andere mogendheden oefende. Aar: alles was intusschen zichtbaar, dat doorgaans Rusland de beide overige do loef afstak. Tegenover de quadruple alliantie of het viervoudig verbond, dat in 1840 tot stand kwam tusschen Rusland, Engeland, Oostenrijk on Pruisen tot bijstand van de Porte (zie blz. 3715), kon de steun, dien Mehemed AH bij Frankrijk vond, den onderkoning weinig baten. Na een kortstondigen krijg togen de mogendheden zag hij zich verplicht, in to stemmen in de overeenkomst, gesloten in 't jaar 1841 (zie aldaar).

Ook na de regeling der Egyptische vraag ontbrak het niet aan punten van aanraking en van wrijving tusschen Turkije en de andere Europeescho staten. Vooreerst bespeurde Rusland met tegenzin, dat in de jaren van den Hongaarschen opstand (zie blz. 352) do banden dor voogdij, die het zich sedert den vrede van Hadrianopel over Turkije had aangematigd, eenigszins losser begonnen te worden en daarentegen de invloed van Engeland te Constantinopel weder meer veld won. Ten anderen zocht Frankrijk, dat door zijn omwenteling van 1848 de Oostersche staatkunde aan haar lot had moeten overlaten en thans een republiek was, bij gemeenschappelijke beraadslagingen over dit vraagstuk der politiek wederom een der toongevende mogendheden te worden. Als aanleiding greep het een geschil aan, in 1847 ontstaan tusschen de geestelijkheid der Latijn ach o en der Grieksche kerk te Bethlehem, in Palaestina, een dor in Azië aan de Porte onderhoorige landen. Bedenkt men, dat in Palaestina of in de zoogenoemde heilige plaatsen of oorden, d. i. in Jeruzalem en omstreken, behalve de Latijnsche en de Grieksche katholieken, om bovendien slechts één sekte te noemen, nog wonen Armenische Christenen, d, i. katholieken, die de leer huldigen der monophysïten, welke aan de eenheid dor goddelijke en der mensohelijke natuur in Christus geloofden, en zich ook Anderszins van de Roomsche kerk onderscheiden, dan begrijpt men, dat aldaar telkens menige twist ever de rechten dier sekten en op verschillende eigendommen ontstaat.

In 1850 nu nam Napoleon, zich grondende op een verdrag van 1740, gesloten tusschen Frankrijk en Turkije, den handschoen op ten gunste der Latijnsche, te Jeruzaletri on te Bethlehem gevestigde kerk. Dadelijk kwam hierop ook Rusland, hoewel, met weinig recht, verwijzende naar den vrede, in 1774 (zie blz. 281) gesloten tusschen dat rijk en Turkije, op ter bescherming van de belangen der Grieksche, in Palaestina gevestigde gemeenten en verzette zich togen de eischen van Frankrijk. Do uitslag was, dat de Porte, godrongen door Rusland, een paar verordeningen uitvaardigde, waarin alles ten aanzien dor heilige oorden werd gelaten gelijk hot was. Hiermede bleek echter de keizer van Rusland nog niet te zijn tevreden gesteld. Om Frankrijk, om Oostenrijk, om

WlJNNE, Ucindboiih iler Aly. Geschiedenis^ 7de druk. 25

-ocr page 416-

386

Pruisen, die door de omwentelingen van 1848 zooveel hadden geleden, behoefde hij, naar hij meende, zich niet te bekreunen. Engeland zocht hij voor zijn inzichten te winnen door den Britschen gezant aan 't, hof van Petersburg, Hamilton Seymour, voor te houden, dat het gebouw van het Turksche rijk dreigde in te storten en dat de dagen van den Zieken Man — oen uitdrukking, van hem, Nikolaas, afkomstig — waren getold.

Hij poogde alzoo het Britsche kabinet te overreden, met hem do maatregelen te beramen, te nemen voor 't geval die instorting eerlang plaats greep. Doch het Engelsche ministerie gaf geen gehoor aan de aanbiedingen, maar bleef aan de handhaving van Turkijo's zelfstandigheid, als aan eon noodzakelijk vereischte voor het in stand houden van t evenwicht van Europa, hechten. In weerwil der geringe gretigheid van Engeland volhardde Nikolaas I in zijn voornemen. In Maart 1853 zond hij vorst Mentschikow, don kleinzoon van den gunsteling van Poter I (overleden 1869), als buitengewoon afgevaardigde naar het hof van Constantinopol. Mentschikow toonde hier, zoowel door zijn versmaden van de gebruikelijke vormen, b.v. doordien hij den Turkschen minister van buitenlandsche

zaken, Fnad-pascha (zie blz. 377), geheel voorbijging, als door den biuten-sporigen eisch, dat de sultan den keizer, uit wiens naam hij sprak, hei patronaat of protectoraat of beschermheerschap over alle Grieksche onderdanen der Porte zou toekennen, dat Rusland, tenzij Turkije verkoos, voor goed afstand te doen van zijn zelfstandigheid, den krijg zocht. Na oen paar maanden te Constantinopel te hebben vertoefd en na kennis te hebben genomen van het antwoord der Porto, hierop neerkomende, dat zij, hoewel gezind, om do rechten van de leden dor Griekscho kerk te eerbiedigen, geenszins do verplichting tot zoodanige eerbiediging in een oorkonde kon erkennen, verliet Mentschikow die stad den 'ilsten Mei en koerde naar Rusland terug. Na zijn vertrok Hot de minister van buitenlandsche zaken van Rusland, graaf Nosselrode (zie blz. 32(1), nog oen ultimatum bij het Ottomanische hof indienen, waarop Nikolaas zijn troepen hot bevel deed toekomen, de Pruth te overschrijden en do Donau-vorstendommen, Moldavië en Wallachijo, binnen te rukken.

In oen manifest, dat de keizer uitvaardigde, word dit bezetten der vorstendommen voorgesteld als oen schrede, die geenszins oen beg-.n van vijandelijkheden aanduidde, doch slechts hot bekomen van oen onderpand bedoelde tot het verkrijgen van zekerheid tor herstelling zijnor geschonden rechten. Middelerwijl spoedden zich Frankrijk en Engeland, hun vloten liet anker te laten uitworpen in do Dardanollen of den Hellespont, vanwaar vervolgens oenigo oorlogschepen door do Propontis of do Zee van Marmöra naar don Bosporus of do Straat van Constantinopol stevenden. Den 4den October verklaarde do Porte vervolgens den oorlog aan Rusland en begonnen de wedorzijdsche vijandelijkheden in Wallachijo, die de Turken noopten, de vorstendommen zoo goed als geheel te ontruimen. Don 30sten November greep oen Russisch eskader bij Smopö (in 't n. van Kloin-Azië of Anatolic, aan de Zwarte Zoo) oenigo Turksche

-ocr page 417-

387

oorlogschepen aan en bracht hun een nederlaag toe. Terwijl de staatsmannen der vier mogendheden, Engeland, Frankrijk, Oostenrijk, Pruisen, nog voortgingen te beproeven langs den weg der onderhandelingen, den vrede te herstellen, zonden inmiddels de beide eerstgenoemde hoven hun vloten den last de Zwarte Zee binnen te varen, ten einde Turkije aldaar tegen de Russen te beschermen. Die beide hoven waren inzonderheid gebelgd over den aanval bij Si nope, dewijl die als onder 't oog der Fransch-Engelsche krijgsmacht ter zee was gedaan, jnist op dat element, waarop hun vloten —• gelijk zij in October aan Rusland hadden bericht — ter verdediging van Turkije waren verschenen en omdat dit aangrijpen bij Sinope in strijd was met de bewering van Nikolaas, dat hij niet het voornemen had de eerste te zijn, die de rol van aanvaller op zich nam.

In 't begin van 1854 deelden alsnu Engeland en Frankrijk langs officieëlen weg aan do regeering van Rusland mede, dat hun vloten de Zwarte Zee waren binnengeloopen. Tegen 't einde van Februari 1854 stelden Frankrijk en Engeland aan Rusland een termijn tot den HOsten April ter ontruiming der vorstendommen. Werd hieraan geen gevolg gegeven, dan zou dit gelijk staan met een oorlogsverklaring. Oostenrijk en Pruisen ondersteunden, door 't inzenden eener nota naar Petersburg, dien eisch. In Maart volgde hierop een verdrag van bondgenootschap van Engeland en van Frankrijk met Turkije, waarin o. a. werd vastgesteld, dat zij de Porte te land en ter zee bijstand zouden verleenen en dat de legers der beide Westersche staten vrij zouden zijn in hun bewegingen, maar de Turksche bevelhebbers verplicht zijn, de hoofden der bondgenootschappelijke krijgsmacht tevoren te onderrichten van do belangrijke ondernemingen, die zij van zins waren te beproeven. En hiermede ving dan de oorlog voor goed aan. Allereerst werd hij weder gevoerd in de vorstendommen in den omtrek van den Donau, waar de Russen zich als heeren des lands gedroegen. Nikolaas stelde er aan 't hoofd zijner krijgsscharen den beroemdste zijner veldheeren, graaf Paskewitsch (zie blz. 358), die echter, reeds hoogbejaard zijnde, zichzelf weldra niet meer tegen de taak opgewassen gevoelde en den bevelhebbersstaf uit eigen beweging neerlegde. Hij werd vervangen door Gortschakoff, die evenmin de fortuin ten zijnen gunste wist te doen neigen en niet kon beletten, dat Omer-Pascha (overleden in 1871) met zijn Turken met meer geluk streed. Op bevel des keizers werd al zoo de kamp voorloopig gestaakt.

Ofschoon intusschen, gelijk wij zagen. Oostenrijk en Pruisen zich tot dusver niet zoo nauw aan Turkije hadden aangesloten als Engeland en Frankrijk, gaven zij in April 1854 een vernieuwd bewijs van overeenstemming in de hoofdzaak met die beide West-Europeesche mogendheden. Immers in die maand sloten zij onderling een verdrag, waarbij zij bepaalden, dat Oostenrijk van Rusland nogmaals de ontruiming der Donau-vorstendommen zou vorderen. Toen op die aanvraag door Nessel-rode werd geantwoord, dat de keizer bereid was gehoor daaraan te geven, mits Oostenrijk zich er borg voor stelde, dat Rusland niet werd

25*

-ocr page 418-

aangetast, verklaarde zich Pruisen tevreclon gesteld, doch volhardde Oostenrijk bij zijn eisch. In Juni ging dus deze staat een verdrag aan met Turkije, houdende dat hij tegelijk met de Porte Moldavië en Wallachije tijdelijk zon bezetten. Terwijl alzoo Pruisen, dat eerst van zins scheen te zijn, gemeenschappelijk mot de Westersche mogendheden te handelen, meer en meer op onzijdig terrein overging, was er voor Rusland alle reden, om mot bezorgdheid een volledig toetreden van Oostenrijk tot de zaak van Turkije te gemoet te zien. Vandaar en mede, omdat inmiddels do Engelsoh-Fransche landtroepen meer en meer nabij kwamen, dat Nikolaas zijn troepen in Augustus den terugtocht over de Pruth liet volbrengen.

132.

Da iroepm der Engelschen bezetten in Juni Ifi54 GallipolL — Vandaar nikken zij op naar Varna. — Napier en Parseval-Deschênes vermeesteren Bomarsund. — Het EngeLseh-Fransehe leger landt bij Eupatorin. — De Saint-Arnaud en Raglan. — Een Engehch-l'Vansehe vloot onder Dundas en Hamelin kruist in de Zwarte Zee. — De slagen hij de Alma, hij Balaklava en bij Inksrmann. — Dood van de Saint-Arnaud. — Canrobert. — Beleg van Sehastfyjol. — Dood van Raglan. — Simpson. — Samenkomst der drie mogendheden, Engeland, Frankrijk, Oostenrijk, te Weenen gedurende den vnnter 1H54—1H55. — De Sar-diniërs onder de la Marmora landen in de Krim. — Omer-Pascha, — Mentschikow ruimt zijn post in aan Gortschakoff'. — TottUhen, — Niel. — Pélissier vervangt Canrobert. — De bondgenooten veroveren lt;len Ssten September 1H54 het zuidelijk gedeelte van Sehastopol en den toren van Malakoff. — Nikolaas 1 overlijdt den 'Jden Maart ISöii. — Alexander II. — Verdrag van Januari IHöfi tusschen de Porta en de bondgenooten. — Het congres te Parijs onder H voorzitterschap van Walewski, in Februari bijeengekomen. — Vrede te Parijs, HO Maart 1856. — Tweederlei afwijking ran de bepalingen van den, vrede van Parijs, IJ door de vereeniging van Moldavië cn Wallachije tot één staat onder den naam Rumentè, in 1861, waarover sedert IS60 Karei 1 uit hel huis Ilohenzollern-Sigmaringen regeert ; 2) door het verdrag van Londen van 18 Maart 1871. — Russisch-'Purksehe oorlog van 1877—187H. — Het verdrag van St. Stefano. — Vrede te Berlijn, 18 Juli 1878. ■— Cyprus komt aan Engeland. — Alexander I benoemd tot vorst van Bulgarije; na hem Ferdinand I. — Hervormingen van Alexander II. — Staking hierin en oorzaken dier staking. — Zijn tweeledig einddoel. — Opschuiving der grenzen van '/ Russisah gebied in Azië naar 't Zuidoosten. -- Onderwerping van Sehamyl in ISötl. — Kaufmann bezet in 1878 Khiwa en maakt dan khan van dat land afhankelijk. — Dood van Alexander II, Maart 1881. — Alexander HI. -Alexander UI overlijdt, 2 November 1891. — Nikolaas II.

Het eerste punt, dat door het leger der Engelsehen en dor Franschen

-ocr page 419-

3S0

word Iiozot, was Gallipoli, do slontol der Dardanellen. Hier, waar liet in Juni 1854 aankwam, hield het stand, om af te wachten, of do Russen misschien ook uit de vorstendommen over den Balkan op Constantinopel zouden losrukken. Maar zoodra de Engelsch-Fransche krijgsmacht hoe langer hoe meer de zekerheid erlangde, dat veeleer het togoiuloel zou plaats grijpen, wat dan ook geschiedde, trok zij van Gallipoli naar 't Noorden, naar Varna (in Bulgarije, ten w. van do Zwarte Zoo). Uier lagen de troepen werkeloos en geteisterd dooi' de cholera tot in den aanvang van September. Gedurende donzelfden tijd nam een tweede Engelsche vloot onder bevel van admiraal Napier, versterkt door een Fransch eskader onder den vice-admiraal Parseval-Deschênes, den 16den Augustus 1851 bij capitulatie Bomarsund (op 't eiland Aland, bij den ingang van den Bothnischen Zeeboezem), doch slaagde geenszins in haar aanslag op de vesting Kronstadt (ton w. van Petersburg).

Volgens besluit van den krijgsraad, te Varna gehouden, scheepte zich hierop het Engelsch-Fransche leger, hetwelk aldaar een paar maanden had vertoefd, benevens een kleine afdeeling Turken, in en landde bij Eupatorïa (op de westkust dor Krim). Opperbevelhobbor der Fransche krijgsmacht was de maarschalk Achilles de Saint-Arnaud; liet Engelsche leger werd aangevoerd door Fitzroy Somerset, lord Raglan. Ware niet St. Arnaud destijds reeds aangetast door de ziekte, waaraan hij later bezweek, dan zou mon Sebastopol terstond hebben aangegrepen en de stad, nog niet genoegzaam versterkt en van oen zwakke bezetting voorzien, vermoedelijk hebben moeten bukken.

inmiddels kruiste een Engelsch-Fransche vloot, gecommandeerd door do admiraals Dundas en Hamelin, in de Zwarte Zoo. In de Krim zelf namen de vijandelijkheden spoedig een begin mot den slag bij do Alma (ton n.o. van Sebastopol), don 20sten Sept., dien do gealliëerden wonnen op Mentschikow, gelijk mede dien bij Balaklava (ten z. van Sebastopol), den 25sten on den 26sten Oct. en bij Inkermann (ten n. van Sebastopol), op den 5den Nov. In 't laatst van Sept. was de Saint-Arnaud bezweken aan do cholera, die hier duizenden offers van 't logor der bondgenooten eischte, en door Canrobert vervangen, onder wiens opperbevel Bosquet, generaal der Zouaven, Pélissier en andere bevelhebbers voortgingen uitnemende diensten aan do zaak dor bondgenooten te bewijzen. Van den Oden Oct. af had men het beleg geslagen voor do vesting Sebastopol, gedul'onde welker belegering Raglan insgelijks aan de cholera overleed, in wiens plaats Simpson werd gesteld, onder wien, met andere generaals, o. a. Codriugton werkzaam was. Don toegang tol Sebastopol van do zeezijde sneed Mentschikow de bondgenooten af door zijn eigen eskader te laten zinken en zóó do haven te versperren.

Gedurende den strengen winter 1854—1855, die op den slag bij Inkermann volgde, grepen op het terrein van den oorlog geen gewichtige gebeurtenissen plaats en voerden de overleggingen dor drie mogendheden, Engeland, Frankrijk, Oostenrijk, te Weenen evemnin tot een vrede. In

-ocr page 420-

390

plaats hiervan zag Rusland in Januari 1855 liet getal zijner vijanden vermeerderen met het koninkrijk Sardinië (zie blz. 338), zoodat in Mei 1855 ook een Sardinisch leger onder do la Marmöra op de kampplaats verscheen. Ongeveer ter zelfder tijd versterkte Omer-rascha mot oen leger Turken do kracht dor bondgonooton en stond Mentschikow don post van opperbevelhebber dor Russische troepen aan Gortschakoft af. In-tusschon kostte liet beleg van Sebastöpol, hetwelk zeer sterk was en met bewonderenswaardige volharding en beleid door generaal Tottlëben werd verdedigd, don bondgenooten do grootste inspanning. Van don kant dor Franschen leidde generaal Ni cl gedurende de laatste maanden van 't beleg den arbeid aan de belegeringswerken. In Mei ging hot opperbevel over de Fransche krijgsseharon van Canrobert op Félissier over. Nadat van weerszijden tallooze offers waren gevallen, slaagde men er eindelijk den 8sten Sopt. 1853 in, het zuidelijk gedeelte van Sebastöpol en het meest versterkte pnnt, den toren van Malakoff, in te nemen, waarop de Russen de stad ontruimden. Reeds was de bewerker van den oorlog, keizer Nikolaas l, don 2den Maart 1855 overleden en door zijn zoon, alexanuek u, opgevolgd. Kort daarna liep do oorlog ten einde, die vooral de Engelschen, bij wie slecht was gezorgd voor do middelen tot onderhoud en ter verpleging van de manschappen, op zware verliezen was te staan gekomen. Nadat de Porto in een verdrag van Januari 1856 de gelijkstelling der Christenen met de Mohammedanen had beloofd , kwam een congres van gezanten der Europeesche staten, onder 't voorzitterschap van don Franschen minister van buitenlandsche zaken, Walewski, in Februari te Parijs bijeen. Uen 30sten Maart van dit jaar kwam dc lang gewenschte vrede le Parijn tot stand, waarbij hot protectoraat var Rusland over de Donau-vorstondommen opgeheven en hun een zelfstandige inrichting gewaarborgd, de onafhankelijkheid der Porte ten aanzien Jiarer Grieksche onderdanen bepaald en eindelijk vastgesteld werd, dat de Zwarte Zee voor koopvaardijschepen van alle volkeren geopend, voor oorlogsbodems daarentegen gesloten zou zijn. Omtrent het recht ter zee in oorlogstijd stelden de mogendheden, welke dezen vrede sloten, de volgende bepalingen vast: de kaapvaart is afgeschaft; elke vlag, ook die van den vijand, dekt de lading, behalve oorlogscontrabande; elke blokkade moet, om geldend te zijn, metterdaad plaats hebben.

In tweederlei opzicht is men later van de bepalingen van den vrede afgeweken. Vooreerst vereenigden zich de vorstendommen Moldavië en Wallachije tegen 't einde van 1861, onder den naam Rumenië, tot één staat, waarover sedert 1866 Karei I regeert, een prins uit het huis Ilohen-xollern-Sigmaringen (zie blz. 355), gekozen door de bevolking zelve en erkend door den sultan, die in 1881 den titel koning heeft aangenomen. In de tweede plaats wist Rusland in 1871 gebruik te maken van de bezwaren, waarmede Frankrijk destijds had te worstelen, door den 13den Maart van dat jaar het verdrag te Londen te sluiten met dezelfde staten, die den vrede van Parijs hadden onderteekend, in welk verdrag werden

-ocr page 421-

391

opgeheven de artikels van den vrede, die de Zwarte Zee voor oorlogs-bodems hadden gesloten.

Een nieuwe Russisch-Turksoho krijg brak eenige jaren daarna uit. Nadat do Porto in Januari 1877 de voorslagen ter hervorming, haar gedaan door een conforontio van vertegenwoordigers dor mogendheden, Rusland, Oostenrijk, Frankrijk, Engeland, Italië had van de hand gewezen, verklaarde Husland haar don oorlog in April. Reeds in Januari 187B trok du lius-sisuhe generaal Ghirko over don Balkan en bezetteden do Russische troepen Adrianopel. Den 3den Maart kwam dr vmlc tot stand tc St. Slefano (nabij Constiintinopel). Maar dewijl Engeland verlangde, dat het verdrag aan do goedkeuring word oudorworpon der Europeosoho mogendheden , werd te dien einde in Juni een congres van afgevaardigden dier mogend heden te Berlijn gehouden. Ten gevolge van de wijzigingen, door dat congres go-maakt in de artikels van het verdrag van St. Stefano, worden alsnu de hoofdbepalingen van den vrede, te Berlijn gesloten don 13don Juli 1878: Eon doel van Bulgarije (ton z. van don Donau, ten w. van de Zwarte Zoo) wordt oen zelfstandig vorstendom onder do leenhoogheid van den sultan van Turkije; de Herzegowïna (zie blz. 378) en Bosnië (ten n. vandaal) zullen door Oostenrijk-IIongarije bozot en bestuurd worden; Rumenië (zie blz. 390), Montenegro (zie blz. 378) en Servië (ten o. van Bosnië) worden als onafhankelijke vorstendommen erkend. — Reeds vóór het sluiten van dien vrede had Turkije aan Engeland hot recht toegekend hot eiland Cyprus te bezetten en te besturen. Overeenkomstig een dei-bepalingen van den vrede van Berlijn benoemde de nationale vergadering van Bulfjarije in April 1879 alexandeb i, een neef van den regeerenden groot-hertog van Hessen-Dai-mstadt, tot vorst van het land. In 1886 deed hij afstand van de kroon en werd in 1887 opgevolgd door ferüikand i uit Saksen-Koburg-Gotha, wiens verkiezing nog niet door de Porte is bekrachtigd.

Onder gelukkige voortoekenen, die toonden, dat de nieuwe keizer een anderen weg betrad dan zijn voorganger, ving do regeering van Alexander II in Rusland aan. Hij vooral was de schepper van een net van spoorwegen in Rusland, die, in drie lijnen, naar het Zuiden, naar do Oosten-rijksche grenzen en naar de Oostzee loopon. Dan vaardigde hij een reeks van besluiten uit, welker strekking was, de lijfeigenschap bij trappen geheel af te schaffen en de boeren in staat te stollen grondeigenaars te worden. Zelf ging do keizer met een edel voorbeeld voor door de lijfeigenen en de hoorigon op de goederen van zijn huis vrij te verklaren en hun stukken grond voor niet af te staan. Aan die maatregelen paarde hij andere, waardoor do bloei van den handel en van de nijverheid werd in do hand gewerkt, do gemeenschap mot het buitenland begunstigd, het onderwijs verbeterd en uitgebreid, de censuur verzacht. Ter bevordering van het eerstgenoemde oogmerk strekten mede handelsverdragen, door hem gesloten mot verschil lende Kuropcescho staten, dio den scheidsmuui vernietigden, welke tot hiertoe het Russische rijk had afgesloten.

-ocr page 422-

392

In al dio weldadige pogingen werd echter eenige staking te weog gebracht, eerst door den opstand van Polen (zie § 144), toen door moer dan één aanslag op Alexanders leven, één van den Rus Karakasow te Petersburg in 186G, een tweede van den Pool Berezowsky bij den ingang van het „boscii van Boulognequot; te Parijs, ten tijde der tentoonstelling in 1867, enz. En sinds hot jaar 1878 aan den dag bracht, dat er een wijd vertakte samenzwering bestond van hen, die zich de nihilisten noemden en die zoowel het leven van den czaar, als den geheelen maatschappelijken toestand bedreigden, verscherpte de regeering voortdurend haar maatregelen en dreef het despotische van haar bestuur tot het uiterste. Allengs kwam er dus meer en meer gelijkheid tusschen de staatkundige handelwijze van dezen keizer en die van Nikolaas I, vooral ook ten opzichte van 't bestuur van Polen en mede van de niet-Russische, d. i. de Duitsche en de Zweedsche gewesten aan de Oostzee. Het einddoel der regeering schijnt te wezen, in die landen zoowel de heerschappij der Grieksche kerk te grondvesten, als liet Russisch te verheffen tot de én bij do openbare aangelegenheden, én bij het onderwijs uitsluitend geldende taal.

Voor zooveel de buitonlandsche zaken betreft, kenmerkte zich hot bewind van Alexander II inzonderheid door het streven, om de grenzen van het Russisch gebied in Azië voortdurend naar de zuidoostzijde op te schuiven en meer in de nabijheid te brengen van Engelands bezittingen in Indië. Aan zijn bewind was hot voorbehouden, de bergvolkeren van den Kau-kasus, welke zijn vader en hij jaren lang hadden bestreden, voor goed te onderwerpen. Hun opperhoofd, de heldhaftige Scha my 1, die den onge-lijken kamp zoo lang had volgehouden, gaf zich in 1859 aan de Kusseu over, wier keizer den gevangene mot blijken van achting ontving en zachtmoedig behandelde. Een meesterlijken zet eindelijk deed de keizer van Rusland in 1873 op het schaakbord der staatkunde door generaal von Kaufmann met een leger naar Khiwa (ton z. van het Aralmeor) to zenden, die na de hoofdstad, eveneens Khiwa geheeten, te hebben bezet. den khan of vorst van dat land dwong, oen deel van zijn gebied aan llusland af te staan en zich voor een dienaar van don keizer te verklaren. Was Alexander 11 meermalen, bij onderscheiden aanslagen op zijn persoon, gespaard gebleven, eindelijk, in Maart 1881, viel hij als het otter van een vernieuwde poging van dien aard en werd opgevolgd door zijn zoon alexandeii in, die don 2den November 1894 aan een ziekte overleed en werd vervangen door zijn oudsten zoon nikolaas n.

§ 133.

Frankrijk. — Terugkeer van Lodewijk XVIII. De rcslauraiie. ■— De heriofj van Richelieu, ■— De niet te vinden kamer. —- De •persoonlijke .stemming van den koning. — Het ter dood brengen van Neg, vorst van de Moskwa. — Hel paviljoen Mar san en de graaf van Artois. — Het witte terrorisme. Het Dalais royal en de hertog van Orleans, Lodewijk Philips. — De minister Decazes. — Louvell ver-

-ocr page 423-

303

moonll den horton ran Berrij in Februari IS20. — Karei X koaiiii/ van Frankrijk. — Herstelling van de heerschappij der Jextüka en van do, voorstanders der pndr monarchie. — Karakterteekoni)i(j van Lodewijk XVIII on van. Karot X. Hol ministerie Poiignac uf het onmorjelyke ministerie. Opwekkiny van Lodewijk Adolf Thiers en van Frans Pieter Willem Guizol tot wottelijken tegenstand. — Dc meerderheid van de kamer der afgevaardigden verklaart zich legen hel ministerio in Maart IS/W. - Ontbinding der kamer. — De minister van oorlog, van Bourmont, -verovert den 'xten Juli IS, 10 Algiers op den deg Hussein. — Do Dieerdorheid der nieuwe kamer -is wedevom legen het ministerie. — Verandering, op grond van artikel 14 der eharte, dor grondwet, d. i. de drie ordonnantiën ran den 26'sten Juli IS.'iO. — Opstand en driedaagsche strijd, 27—2ft Juli, te Parijs tnsschen de. bevolking dier stad en Martnonl. — Het volk zegeviert. — Karei X doet afstand van de kroon ten behoeve van Hendrik V, hertog ran Bonrdeaux. — Hij scheept zich den léden Augustm in naar Schotland, vanwaar hij vervolgens gaat naar Praag. — Hij overlijdt te (för» in tSfid. — Er wordt den 2.9sten Juli IS.'IO een voorloopig bewind ingesteld, geheeten do municipale commissie. — Lafayette opperbevelhebber der nationale 'garde. — Lodewijk Philips den BOslen Juli aangesteld, als algemeen stedehouder van het koninkrijk. ■— De kamer der afgevaardigden benoemt hem den 7den Augustus tol koning en draagt ahoo de kroon op aan het huis Orleans. — Lodewijk Philips de burgerkoning. Hij i s de kroon verschuldigd aan Lafayette, aan La fitte en over 'l geheel aan de vermogende bankiers en kooplieden ran Parijs. — Niet minder dan aehl aanslagen, up zijn leven in den duur zijner regeering, xooals die van Fieschi, van Moreg en van Pepin, in 18/35. — Laffitte wordt, als hoofd van H ministerie, den I3den Maart IS/ll vervangen door Casimir Périer. — Hij wordt hijgestaan door den minister van oorlog Soult. — Twee hoofdrichtingen van de, regeering van, Lodewijk Philips; hol weken van den steun dor gegoede burgerklasse en hot streven naar instandhouding van den algemeenen vrede. — Maatregelen van vijn bewind. — Périer overlijdt in tSS2 nan do cholera. — Guizol, de hertog de Broglic en Thiers leden van 'l nieuwe ministerie-So^dt of dat van 't juiste midden,. — Do „doctrinaires.quot; Hel maakt in IHSfi plaats

voor 'l minislerie-MQlé. ..... Mocielijkheden, waarmede Lodewijk Philips

heeft te worstelen. - Twee vijandige partijen slaan tegenover hem: die der legitimisten en die dor reptdtlikeinen. Daarbij komen do eischon van hen, die geen middelen van beslaan hehbon. — Oproer der werklieden van de zijde-fabrieken te Lgon in IS.'ll. De socialisten en de communisten. — Saint-Simon, overleden IS25. - Fourier, overleden 1837. Proudhon, overleden fSfi/i. — Het genootschap van do, vrienden des volks, dat van do rechten van den mensch, enz. — Tweede opstand van de arbeiders der zijde-fabrieken te Lgon in April IS.'11. - Oproer te Parijs in dezelfde maand.

-ocr page 424-

394

Nu den val van Napoleon keerden mot lodewijk xvm (zie blz. 310 en 322) talrijke uitgewekenon, grootendeels adellijken en geestelijken, naar Frankrijk terug. Deze lieden beheersohten den koning, hoewel persoonlijk niet afkeerig van vrijzinnige denkbeelden, zoozeer, dat hij vooreerst wol aan hun wensch moest toegeven om alles tot het oude terug te voeren en aan hun wraakzuchtige plannen vrij spel laten, weshalve dit tijdperk dat der reulnnratic of herstelling heet. De leidende minister was do hertog van Uichelieu, die bij zijn maatregelen ter herstelling van den ouden toestand zooveel ondersteuning vond in de kamer der afgevaardigden van 't volk, dat men zo „do niet te vinden kamerquot; noemde, een benaming, waardoor werd te kennen gegeven, dat de koning nooit had gedacht, dat zulk een volgzame vertegenwoordiging mogelijk ware geweest. Meer dan vóór den terugkeer van Napoleon deelde Lodewijk dien wensch, nu hij, ton tijde van zijn uitwijken naar Gent, hadervaren, hoedanig do stemming van 't volk was jegens het huis Bourbon en hoe onvast de kroon, hem door de wapenfeiten dor buitonlandsche mogendheden ten deel gevallen, op zijn hoofd had gezeten. Vooral was hij er over gebelgd, dat do natie had getoond, zoo weinig te heehton aan datgene, waarop hijzelf zoo trotseh was, aan zijn geboorterecht en aan de iiooge waardigheid van 't koningschap. Onder do vele otters, die toen vielen, was Michael Ney, vorst van de Moskwa (zie blz. 316 en 321), een der eerste en moest bekende. Op de tijding van de landing van Napoleon had Lodewijk XVIII hem aan 't hoofd gesteld eoner afdeeling troepen, die hij den keizer te gemoet zond. Ney had destijds den koning beloofd, dat hij Napoleon in een ijzeren kooi zou terugbrengen. In plaats hiervan was hij bij Lons lo Saunier (ten z.w. van Besanpon, in quot;t o van Frankrijk), met hot grootste gedeelte van zijn krijgslieden, tot Napoleon overgeloopen. Thans werd hij door het hof der pairs ter dood veroordeeld, als hebbende niet alleen tegen eed en plicht, als krijgsman, gehandeld maar bovendien den koning, die hem had vertrouwd, bedrogen. Het vonnis werd ten uitvoer gelegd en Ney in December 1815 in den tuin van het paleis Luxemburg dood geschoten.

De adel, die weder aanspraak maakte op zijn oude voorrechten en op do eens verbeurd verklaarde goederen, en de geestelijkheid, die de protestanten in 't Zuiden van Frankrijk gruwelijk liet vervolgen, vonden veel steun bij den graaf van Artois (zie blz. 295). Men noemde die wraakoefeningen, „het schrikbewind der lelievlag of het witte terrorisme.quot; Die adel en do geestelijkheid vormden met den graaf van Artois een kring, dien men het paviljoen Mar san noemde (naar het noordelijk gedeelte der Tuileriën). Daarentegen was het Palais royal te Parijs, waar de hertog van Orleans, Lodewijk Philips, de zoon van Égalité (zie blz. 299) woonde, het middelpunt van de voorstanders der charte (zie blz. 319). Maar toen deze partij steeds hooger eischen liet hooren, deed de koning zich ten laatste gelden en gaf, vooral op aandrang van den minister van binnenlandsche zaken Decazes, althans eenigermate toe aan 't verlangen

-v

-ocr page 425-

395

van 't vrijzinnige gedeelte des volks, inzonderheid door het invoeren eener nieuwe wet op de verkiezingen.

In Februari 1820 werd de hertog van Herry (oen eerotitel, ontleend aan een landstreek, ton z. van Orleans, welke vroeger dien naam droeg), een zoon van den graaf van Artois, liij hot uitgimn der opera, door een il weeper, Lou veil geheeten, vermoord. Louvell, die in 't geheel geen inedoplichtigon had, haatte do Bourbons en merkte ze als de grootste vijanden van zijn land aan, omdat zij den buitenlandschen bestrijder in Frankrijk hadden doen binnenkomen. Van dit oogenblik af dreef do hofpartij haar maatregel met vernieuwden ijver door: zou werd de kieswet gewijzigd en de vrijheid van drukpers beperkt. En toen Lodewijk den tOdeu Sopt. lK2lt;i was gestorven on door den graaf van Artois, als kaHkii x (1824—1830, overleden 1836), opgevolgd, deed men allee, om, in strijd met de wenschen van het meerendeel der natie, do oude monarchie en de heerschappij der Jezuïten te herstellen.

Lodewijk XVIII was een man van een scherp verstand en van veel kennis, wien de talrijke lotwisselingen, die hij had beleefd en aanschouwd, een zekere lijdelijkheid hadden doen aannemen, welke zich dan alleen verloochende, wanneer de zelfstandigheid dor vorstelijke macht werd betwist, voor 't overige iemand zonder krachtige overtuigingen en die de menschen zeer gering schatte. Was voor don blik van Lodewijk XVIII, niet zonder indruk op hem te maken en hom tot leering te verstrekken, hot grootsche schouwspel dier eindelooze omkeeringen voorbijgegaan, waarvan hij ooggetuige was geweest, anders stond het geschapen met zijn opvolger. Karei X was gohcelenal gebleven do man, die hij in 178!) was geweest. Hij was dus vast besloten geen voet broed te wijkon van 't standpunt, waarop hij had post gevat, met andere woorden, het mocht kosten wat het wilde, de hand te houden aan 't geen, naar zijn opvatting, zijn dure verplichting was, hot handhaven van het onbeperkt vorstelijk gezag en van de rechten der katholieke kerk. Zoo van iomand, kon voorzeker van hem worden getuigd, dat hij niets had geleerd en niets vergeten.

Tevergeefs boden do weinige betergezinden in en de vele dusdanigen buiten de kamer, na vruchteloos op het verderfelijke van zulk een sfelsel te hebben gewezen, een steeds sterkeren wederstand. Desniettegenstaande benoemde Karei X in 1829 een ministerie, dat het stolsel der Bourbons uitsluitend was toegedaan, aan 't hoofd waarvan de prins van Polignac stond en dat door don oud-minister Talleyrand „het onmogelijke ministeriequot; werd genoemd. Met schrik vernam Frankrijk deze keuze. Uitstekende mannen, zooals de door hun historische werken beroemde Frans Pieter Willem Guizot en Lodewijk Adolf Thiers, wekten in hun kleinere geschriften het volk tot wettelijken tegenstand op. Overal ontstonden vereenigingoiv om hot opbrengen dor bolastingen te weigeren. Een laatste waarschuwing kwam uit do kamer der afgevaardigden voort, waar 221 van do 402 leden zich in Maart 1.830 in hun antwoord op de

-ocr page 426-

396

troonrede tegen hot ministerie verklaarden. Do kamer word hierop ontbonden en een nieuwe verkiezing uitgeschreven.

Ofschoon intnsschen een Fransch leger, bijgestaan door een krachtige vloot, onder don minister van oorlog, Bonrmont, den .r)den Juli Algiers veroverde, welks dey, geheeten Hussein, don Fransohen consul, bij 't houden van oon gesprek over handelsgeschillen, zwaar had beleedigd, viel toch de keuze van nieuwe afgevaardigden geheel ten nadeele van hot ministerie uit: '272 liberalen togen 146 ministoriëolen. Thans veranderde do regeering, op grond van oen artikel der staatregoling van 1814, hetwelk don koning veroorloofde, de verordeningen uit te vaardigen, die noodig mochten zijn tot do uitvoering dor wetten on voor do zekerheid van don staat, eigenmachtig dc grondwet. Dc beruchte drie ordonnaniwn van den 2(jsten .Tuli 1830 verschenen, waardoor de nog niet vergaderde kamer der afgevaardigden ontbonden, do kieswet gewijzigd en de vrijheid dor drukpers opgeheven werd. De ordonnantiën kostten Karei en zijn geslacht do kroon. Do bevolking van Parijs begon oen driedaagschon strijd, don 27—29sten Juli, tegen do troepen des konings onder Marmont, hertog van Ragïisa, (zie blz. 315 on 318), die deels overliepen, deels de hoofdstad moesten ontruimen. Karei X, die vruchteloos afstand deed van de kroon ten behoeve van Hendrik V, hertog van Bourdeaux, een zoon van den hertog van Berry, die zich van nu aan „graaf van Oham-bordquot; (ton o. van Blois) noemde, vertoefde gedurende den opstand te St. Cloud (ten w. van Parijs). Hierop vertrok hij naar Rambonillet (ten z.w. van Versailles), waai- hij vruchteloos op een omkeer der zaken of op uitkomsten zijnor onderhandelingen hoopte, on scheepte zich den 14den Augustus in naar Schotland, vanwaar hij later naar Praag vertrok. Hij stierf in 1836 te Görz (aan de Isonzo), in lllyriö.

Tot op het oogenblik, dat do zege van hen, die tegen don koning waren opgestaan, was beslist, had hot zoowel aan een bepaald plan en doel als aan oon leiding, uitgaande van óón of meer personen, ontbroken. Thans nu er oon uitslag was verkregen, grepen een aantal loden van de kamer der afgevaardigden het roer van don staat aan en benoeniden uit bun midden eenige mannen, die een voorloopifj bewind zouden uitmaken. Als loden van dit bewind, dat zich municipale commisfiio noemde, traden don 29stcn Juli o. a. op Casimir Périer en Odilon-Barrot. Ter zelfdor tijd nam Lafayette (zie blz. 205) het opperbevel over do nationale garde op zich. Van Pórier en zijn ambtgenooten ging het bestuur bijna onmiddellijk over op Lodewijk Philips, hertog van Orleans, die den HOsten Juli door oon aantal loden van do kamer der afgevaardigden en van die der pairs word aangesteld als „algemeen stedehouder van het koninkrijkquot;.

Reeds den 7den Aug. 1830 benoemde de kamer der afgevaardigden i.odewijk philii-s i (zie blz. 394), hertog van Orhkms, een zijtak der Bourbons, tot koning dor Franschen (1830 — 1848, ovorl. 1850). Van deze verkiezing, waarover do pairs niet waren geraadpleegd, word hun eenvoudig door de andere kamer bericht gegeven. Lodewijk Philips,

-ocr page 427-

WT

die do kroon vooral had te danken aan den bankier Laffitto, aan Lafayette en aan eenige der vennogendste kooplieden van Parijs, gesteund door sommige der uitstekendste afgevaardigden, handhaafde zich lang op den troon in spijt van menigen opstand, zoowel van dt legitimisten of aanhangers der Bourbons, als van de republikeinsche partij. Aanvankelijk was hij, wegens zijn toegankelijkheid en de eenvoudigheid zijner levenswijze, zeer gezien en noemde men hom gaarne den burgerkoning. Men had or behagen in, hem in burgerlijk gewaad en met don regenscherm in de hand door de straten van Parijs te zien wandelen. Maar dit onverzeld uitgaan hield reeds op in 1834, toon hij niet alleen bespot, doch ook zijn veiligheid bedreigd werd. Toch had hij het zeldzame geluk, aan herhaalde aanslagen, in 't geheel niet minder dan acht, op zijn leven, zooals aan dien van Pieschi, van Morey en van Pepin, op den 28sten Juli 1835, te ontkomen.

Nadat Laffitto een korten tijd aan 't hoofd van 't ministerie had gestaan, kwam Casimir Périer, eveneens een bankier, den 18den Maart 1831 in zijn plaats. Met krachtige hand voerde de nieuwe president van 't ministerie, bijgestaan door don minister van oorlog Soult, Frankrijk op de baan der orde terug. Van nu aan kenmerkte zich do rogeering van Lodewijk Philips door twee hoofdrichtingen; het zoeken van don steun der gegoede burgerklasse bij de binnenlandsche maatregelen, die zij nam, en, wat het buitenland betreft, het streven naar instandhouding van den algemeenen vrede. Krachtig bevorderde zij, op 't voorbeeld van Engeland en van Noord-Amerika, liet aanleggen van spoorwegen, sinds het jaar 1837, benevens het aanleggen van vestingwerken rondom Parijs. Dat intusschen niet alle eischen der liberalen werden ingewilligd gaf dikwijls aanleiding, niet alleen tot menig hard woord binnen de kamer, maar ook tot vele opstanden daarbuiten. Immers van den aanvang af had de regeering van Lodewijk Philips met grooto bezwaren te worstelen. Zooals zoooven is gezegd, stonden twee vijandige partijen tegenover hem, de legitimisten en do republikeinen. Daarbij kwamen do eisciion van duizenden lieden, die ten gevolge der omwenteling geen middelen van bestaan hadden en vorderden, dat de pas opgetreden koning of de staat hen onderhield. Er is dan ook gedurende de achttien jaren van het bewind van Lodewijk Philips bijna geen tijdsbestek van eenigen duur geweest, waarin niet of de binnanlandsche, óf de buitenlandsche aangelegenheden redon gaven tot zware bekommering. Al dadelijk liad men in 1831 oen oproer van de werklieden der zijde-fabrieken to Lyon, wien do fabrikanlon hooger loon weigerden, hetwelk door de troepen werd gedempt.

Aan het streven van allen, die tegen do regeering in verzot kwamen, paarde zich dat van hen, die tot de genootschappon der socialistm en der conimunisten behoorden. Do vragen, door de eersten opgeworpen, betrollbn niet hot aandeel, hetwelk het volk toekwam aan 't bestuur van don staat. Wat zij beoogden was de invoering van een andere zedeleer, de opheffing van 't huwelijk en van de familie, hot meer toegankelijk

-ocr page 428-

398

maken der genietingen voor allo menschen. Het strooien van de zaden dier maatschappelijke theoriön viel hoofdzakelijk in de dagen der restauratie, toen Saint-Simon, overleden 1825, en Fourier, overleden 1837, leefden en hun geschriften uitgaven. Naar hen noemen zich hun volgelingen, die onder elkander weer op menig punt, h.v. betrekkelijk hot recht van eigendom cn 't erfrecht, de persoonlijke vrijheid, enz. uiteen-loopen. Gelijk de socialisten het beginsel der oorspronkelijke eenheid aller menschen en het trachten naar de verwezenlijking van dit beginsel op aarde met de communisten gemeen hebben, komt het verschil tusschen hen inzonderheid hierop neer, dat de socialisten het roeht van den eigendom of eerbiedigen, óf ton minste slechts middellijk aanranden, terwijl de communisten dat recht geheel willen opheffen. Van dat communisme was een dor woordvoerders Proudhon, overleden 1865, wiens woord „eigendom is diefstalquot; zooveel opzien heeft verwekt.

Naast die genootschappen, welke naar omverwerping der Christelijk-maatschappelijke toestanden streefden, stonden andere, die, ten deele met hun leeringen instemmende, vooral een staatkundig doel op 't oog hadden, als het genootsahap van de vrienden, den volks, dal van, de rechten van den mensch, enz. Ueze genootschappen, inzonderheid het laatstgenoemde, geheelenal ingericht als een staat op zichzelf of als een leger, hadden hun vertakkingen door 't gansche rijk en oefenden uit Parijs allerwege een krachtigen invloed. Terstond nadat in April 1834 te Lyon een tweede oproer, gevaarlijker dan hot vorige, van de arbeiders der zijde-fabrieken was uitgebarsten en gedempt, richtte dit genootschap nog in dezelfde maand te Parijs een aanval op do bestaande orde van zaken, waarbij weder barricaden werden opgeworpen en met verwoedheid gestreden, doch dio evenzeer mislukte. Een honderdtal lieden werd na den afloop dier onlusten tot „deportatie,quot; d. i. tot verbanning naar een bepaald oord, of tot gevangenschap veroordeeld. Middelerwijl was Pórier in 1832 aan de cholera overleden. In 't zelfde jaar werden Ouizot, de hertog de Broglie en Thiers loden van '/ ministerie-Soult, welke alle in de eerstvolgende en verdere jaren nu eens uitvielen, dan weer optraden. Zoowel Périer, als Guizot en do hertog de Broglie behoorden tot die staatsmannen, welke „de doctrinaires,quot; de mannon dor stelselmatige theorie, werden geheeten. Het nu optredende ministerie noemde men dat van „het juiste midden.quot; Het werd in 1836 vervangen door 't minister ie-Molé.

§ 134.

Frankrijk. — Karei Lodewijk Napoleon te Aremnherg. — Hij beproeft den ■IDsien October 1836 den aanslag te Straatsburg. — De poging mislukt, en hij wordt Ie Lorient ingescheept naar Amerika. —• Hij neemt in Juni 1837 de terugreis aan uil Amerika. —■ Hij vertoeft wederom le Arenenherg. — Hortensia overlijdt in October 1837. — Lodewijk Napoleon vertrekt in October 1838 naar Londen. —- Lodewijk, Philips beveelt in Mei 1848 de asoh van Napoleon I van St. Helena

-ocr page 429-

399

naar Parijs over te brengen. — Aanslag van Lodewijlc Bonaprirfe te Boulogne, den (kien Augustus IS40.— De aanslag mislutd op nieitiv.— Lodewijk Napoleon den fidcn October te Ilavi voor xjjn leven gevangen gezet. — De asch van Napokou den Jóden December bijgezet in den dom der invaliden te Parijs. — Oorzaken van de voortzetting van den krijg tegen Algiers. — Abd-el-Kader emir en priester in Noord-Afrika. — Constantinr in IS.17 genomen. — Hugeaud in 1S4I gouverneur van Algeria. — Eugenius Gavaignae, Changarnier, Lamoricière, Pélissier. — Bugeaud wint in Aug. 1H14 den slag bij de hig. — Abd-el-Kader geeft zich voorwaardelijk over. — De regeering van Frankrijk verbreekt het gegeven icoord en houdt den emir in Frankrijk gevangen tot IH52. — Hij wordt ontslagen door Lodewijk Napoleon. — Het ministerie-Thiers in IN40. — Het ministerie Soult-Guixot van IH40 tot IS4H met eenige wijzigingen. — Partijen in de kamer der afgevaardigden: de linkerzijde, de monarchaal gezinde linkerzijde, het rechtercentrum, de voorstanders der legitimiteit. — De kroonprins komt om in IS42. — Duurte der levensmiddelen in ISffi en in 1S47. — Lodewijk Napoleons vader overlijdt iu Juli IS-Iff te Florence. — Hjzelf ontsnapt den 25sten Mei van dat jaar uit Ham. — Hij reist naar Londen. Het streven der bevolking naar hervorming van 't kiesstelsel. — De maaltijden of banquets. — Odilon Barrot staat aan de spits der beweging. — De eerste dier maaltijden in Juli IS47 dicht by Parijs. — De regeering verbiedt ze den 22sten Februari IS4S te Parjs.

Toen door den afloop van do zoo even beschreven woelingen on door do roeks der zegepralen, die de troepen achtereenvolgens op de opstandelingen hadden behaald, de republikeinen en do legitimisten voorloopig onschadelijk waren geworden, stak onverwachts het bónapartisme het. hoofd op. in een afgelegen hoek van Zwitserland leefde op het slot Arenenberg (in het kanton Thurgau, niet ver van Constants en van hot meer van dien naam) een jong man, die niet wanhoopte aan de toekomst zijner familie. liet was Karei Lodewijk Napoleon, geboren in 1S0S, de derde zoon van Lodewijk, gewezen koning van Holland, graaf van St. Leu (ten n. van Parijs, of, gelijk anderen willen, naar 't schijnt evenwel zonder genoegzamen grond, van admiraal Karei Hendrik Vorhnell, een der ministers van den koning, en van Hortensia, een dochter van Beauharnais en van Josephine, de stief- en aangenomen dochter van Napoleon I (zie blz. 311). Hier werd hij kapitein der artillerie, in dienst van het kanton Bern. Daar, te Arenenberg, zoowel als to Baden-Baden, zag en sprak hij van tijd tot tijd Fransche officieren, o, a. eenigen van hot garnizoen van Straatsburg.

Vast besloten was do prins, te beproeven, eens in Frankrijk de plaats to vervullen, die zijn oom had ledig gelaten. Er bestond een senaatsbesluit van Mei 1804, dat de keizerskroon, bij ontstentenis van nadergerechtigden, toekende aan do mnnnolijke nakomelingschap van Lodewijk en dat, naar

-ocr page 430-

too

Lodewijks zoon meende, zijn kracht uog niet Imd verloren. In 't laatst van October 1836 vertrok hij naar Straatsburg, in welke vesting hij de Persigny vond, do ziel der ónderneming, die oorspronkelijk „Fialinquot; heette. Den SOsten October, des morgens te 5 uur, verscheen hier Lodewijk Napoleon in zijn Zwitserscho uniform, maar met de epauletten van kolonel, met de ster en het lint van het legioen van eer en met een driekantigen hoed, begeleid door eenige officieren, die een vaandel met hot teeken van oen arend droegen. In de eerste kazerne, waar hij zich vertoonde, riepen de soldaten „leve de keizer.quot; Doch in de tweede kazerne, waarheen hij zich begaf, mislukte 's prinsen poging, die veel van een klucht had. Zoowel hijzelf, als de officieren, die zich voor zijn aanhangers hadden verklaard, werden gevangen genomen. Den 9den November werd hij onder bewaking naar Parijs gevoerd en vandaar, na een paar uren oponthoud, naar Lorient (in 't n.w. van Frankrijk, aan den Atlantischen Oceaan), waar hij werd ingescheept naar Amerika.

Niet lang vertoefde Lodewijk Napoleon in het werelddeel, waarheen men hem had verbannen. In Juni 1837 nam hij wederom de terugreis aan; in Juli was hij oj) nieuw te Arenenberg, waar Hortensia, die in October van 't zelfde jaar overleed, ziek ternederlag. Ook na haar dood bleef hij er, totdat do regeering van Frankrijk van die van Zwitserland, de uitzetting des prinsen eischtc. De tweeëntwintig kantons weigerden aanvankelijk aan die vordering te voldoen. Door inmiddels in October 1838 naar Londen te vertrekken gaf de prins zelf het middel eener geschikte uitkomst aan de hand. Hier woonde hij tot 1840, in de maand Mei van welk jaar Lodewijk Philips, mot goedvinden van de regeering van Oroot-Hritanniö, last gaf, de asch van Napoleon T van St. Helena naar Parijs over te brengen, opdat zij, overeenkomstig den wensch van wijlen dien keizer, mocht rusten aan do oevers der Seine, te midden van het Fransche volk, dat hij, zooals de woorden van zijn testatemt luidden, zoozeer had lief gehad. De door dit besluit hier en daar voor het Bonapartisme op nieuw ontwaakte geestdrift was voor Lodewijk Napoleon een spoorslag, om nogmaals oen poging te wagen ter bevrediging zijner eerzuchtige plannen.

Na zich den 4den Augustus te hebben ingescheept op de kust van Engeland, landde hij den Oden bij het dorp Vimereux (nabij Boulogne, ten z.w. van Calais). Op het schip, dat Lodewijk Napoleon met de zijnen, o. a. met de Persigny, naar het strand van Frankrijk overvoerde, was mede een levende arend, die ongetwijfeld bestemd was om een belangrijke rol te vervullen. Terstond trok de kleine bende, bestaande uit ongeveer zestig personen, op naar het nabijgelegen Boulogne, waar zij in een kazerne oen afdeeling infanterie afvallig zocht te maken. Terwijl de prins tot do soldaten sprak, ging een pistool, dat hij in do hand had, af en kwetste een der manschappen in 't gelaat. Dit verwekte groote verbittering onder de troepen, die toch nog geenerlei gezindheid tot aansluiting hadden laten blijken. De samengezworenen spoedden zich alzoo terug, verlieten de stad en bereikten gelukkig do sloep, die hen weer

-ocr page 431-

401

aan boord zou brengen van de stoomboot, waarmode /ij waren gekomen. Doch do sloep sloeg om, en de vluchtelingen vielen, druipende van 't zeewater, in handen van de nationale garden en van do soldaten, die hen op de hielen waren gevolgd. Den (kien October word prins Napoleon, wegens de herhaling zijner onberaden onderneming, volgens een vonnis van het hof der pairs, voor zijn leven gevangen gezet te Ham (ten z. van St. Quentin, aan de Sommo). Zoo weinig vrees koesterde ter zelfder tijd de regeering van Frankrijk voor het veld winnen van 't Bonapartisme, dat zij, gevolg gevende aan haar vroeger voornemen, de ascli van keizer Napoleon, inmiddels naar Frankrijk overgebracht, den lieden Decembor 1S40 in den dom der invaliden te Parijs liet bijzetten.

Wat de buitenlandsche zaken betreft was voor het staatkundig stelsel des konings het bezit van Noord-Afrika zeer gewenscht, omdat de volks-meening in dit werelddeel een geschikt oord vond voor 't aanleggen van volkplantingen en tevens een ruime gelegenheid ter bevrediging van haar zucht naar roem op 't veld van oer. Intusschen werden de pogingen tot de geheele verovering dier streek, zoo door het klimaat als door den tegenstond van een ondernemend vijand, zeer bemoeielijkt. Zestien jaren lang kampte Abd-el-Kader, die tegelijk emir of vorst en priester was, als een tweede Jugurtha (zie blz. 70) sinds 1832 tegen de overmacht der Franschen en vaak met uitnemend gevolg, daar hij door vele andere hoofden der Bedoeïenen goed werd ondersteund. Een van de schitterendste feiten uit dien kamj) tegen de Noord-Afrikaansche stommen is de inneming der vesting Constantino (Cirta) door de Franschen in 1837. Nogtans bleef het voordeel grootendeels aan de zijde van Abd-el-Kader, totdat Bugeaud in 1841 tot gouverneur van Algeria werd benoemd. Dezen opperbevelhebber, voortreffelijk bijgestaan door veldheeren, als Eugenius Cavaignac, Changarnier, Lamoricière, Pólissier, komt eigenlijk de eer van de onderwerping des lands toe; maar hij versmaadde ook de wreedste middelen niet. De beroemdste slag, dien hij leverde en won, is die bij de laly (in Marokko) in Aug. 1844, waar de Marokkanen werden verslagen. Drie jaren later gaf Abd-el-Kader, die bij een mislukten aanslag op Marokko zijn ware oogmerken deed kennen, n.1. het onafgebroken voortzetten van den oorlog, dien hij aan zijn volk steeds deed voorkomen in 't licht van een godsdienst- of heiligen oorlog, zich aan de Franschen over. Gedwongen om den strijd op te geven, bedong de emir evenwel deze voorwaarde, dat hem een vrije aftocht naar Egypte of naar Syrië zou worden toegestaan. Doch te Parijs dacht men er anders over. De regeering bepaalde, dat Abd-el-Kader als gevangene in Frankrijk-zou vertoeven. Deze gevangenschap duurde tot 1852, toen Lodewijk Napoleon hem ontsloeg, onder 't opleggen der verplichting, zich van nu aan in Azië op te houden.

In weerwil van den glans der krijgstochten werd de binnenlandscho toestand van Frankrijk hoe langer hoe meer iioogst onrustbarend. De zware schuldenlast, die het land drukte, het ongenoegzame van 't volks-

VVijnnk, llnmlboek der Aly. Geschmdenis, 7ili! dink. 'ill

-ocr page 432-

402

onderricht, de grove onzedelijkheid en andere ondeugden, waarmede velen, zelfs onder de hoogste standen, waren behebt, — dit waren slechts eenige van de talrijke oorzaken, die veler bekommering wekten. O]) het minis-sterie Thiers, hetwelk in 1840 optrad, volgde nog in 't zelfde jaar hef ministerie Soidt- Otdzot, dat mot eenige wijzigingen tot 1848 stand hield. In de kamer der afgevaardigden had men een bonte sohakeering van partijen, waarvan de voornaamste waren de linkerzijde, d. i. de republikeinen, als Dupont de 1'Eure, Ledru-Eollin, Laffltte, de natuur-en sterrekundige Artigo, enz.; do monarchaalgezinde linkerzijde, ais Odilon Barrot en Thiers; het rechtercentrum, d. i. de onvoorwaardelijke aanhangers der regeering, die doorgaans de meerderheid uitmaakten; eindelijk de voorstanders dor legitimiteit, weinige in getal.

Te midden van de zware zorgen, die 's lands toestand don koning moest verwekken, trof hem het ongeluk, zijn oudsten zoon, den kroonprins den hertog van Orlóans, te verliezen, die in 1842 door een sprong uit zijn rijtuig omkwam. Vermeerderd werden die zorgen door do duurte der levensmiddelen in de jaren 1846 en 1847, alsmede door don gedrukten toestand van den land- en don wijnbouw. Bij dit alles kwam dat Lodewijk Philips plotseling het bericht kreeg, dat Lodewijk Napoleon den 25sten Mei 184G, twee maanden vóór den dood zijns vaders, dio in 't eind van Juli te Florence overleed, uit zijn kerker, de vesting Ham, als timmerman verkleed, was ontsnapt, langs den spoorweg naar België vertrokken en vervolgens naar Londen gereisd. Intusschen bleef Frankrijks bevolking bij voortduring reikhalzend uitzien naar hervormingen, vooral van het kiesstelsel. Daardoor hoopten de talrijke tegenstanders van hot persoonlijk bewind des konings en van Ghiizot eindelijk oen meerderheid in de kamer der afgevaardigden te verkrijgen, die de regeering tot een waarlijk constitutioneelo zou maken. Hervormingen waren de leus van schier alle partijen, mode van de socialisten en de communisten, wier streven op gelijkmaking van allo standen en bezittingen was gericht. Na tevergeefs te hebben gepoogd do meerderheid in de kamer der afgevaardigden te verkrijgen beproefden do tegenstanders der regeering het volk in beweging te brongen. Te dien einde hielden zij groote banquets oi feestmaaltijden, waaraan honderden kieners en andore notabele burgers deel namen en bij welke de noodzakelijkheid der hervorming van 't kios-stolsol het hoofdonderwerp was van 't gesprek. Ho eerste dier maaltijden werd in Juli 184G dicht bij Parijs gehouden. Aan de spits dezer beweging stond Odilon Barrot. Toon nu de leden dor linkerzijde van do kamer dor afgevaardigden den 22sten Februari 1848 te Parijs ook eon dergelijk maal wilden aanrichten, verbood de regeering hot. Vermits hot alzoo meer en meer scheen to blijken, dat de hervorming langs minnelijken weg niet was te bekomen, brak zich de lang bedwongen ontovredonheid met geweld baan.

-ocr page 433-

403

J; 135.

Frankrijk. — Samenscholingen op dm voor hrl banquet hestemden m o/i den volgenden dag. — De nationale garde stemt met het volk in. —■ Nadeelige invloed hiervan op de houding der linie troepen. — Lodewijk Philips ontslaat, op zijn verzoek, het ministerie-Ouixot den 'J.'lsten Vehruari. — Omkeer der volksstemming op den avond van dien dag. — Het schot van Oiacomoni. — Thiers en Odilon Harm/ tot minister benoemd, Lamoricière tot bevelhebber der nationale garde, Bugenud, daarop Oérard tot opperbevelhebber der bezetting. —• Plisch van Ernile de Oirardin aan den koning. — Lodewijk. Philips doet afstand van de kroon, doch beschikt niet over het regentschap. — Hij verwijdert zich met het grootste gedeelte zijner familie. — Hij neemt in Maart zijn intrek in het kasteel Glaremont. — Hij overlijdt in Augustus 1850. — De hertogin van Orleans, de hertog van Nemours en de graaf van Parijs den 24sten Februari in de kamer der afgevaardigden. — Tooneel van verwarring aldaar. —- Ook de hertogin van Orleans en de hertog van Nemours verlaten Frankrijk. — De leden van H voorloopig bewind, die den 24sten ■ Februari het bestuur van 't rijk aanvaarden. — Uitbreiding van '/ getal leden van 't voorloopig bewind. — De rust te Parijs hersteld den 28/tten Februari. — Eerste verordeningen van H voorloopig bewind. —- Hex,waren, die het heeft te bestrijden: — De openbare werkplaatsen. — De Lamartine de ziel van '/ bestuur. — De 27ste April I84H de dag der verkiezing van de leden der nationale vergadering. — Opening der vergadering op den -Iden Mei. — Het voorloopig bewind legt de hem toevertrouwde macht neer. — De leden van het uitvoerend bewind. — Oavaignac minister van oorlog. — Opstand van den 2.llsten Juni en volgende dagen. — Oavaignac bedwingt dien als dictator den 2Gsten. —■ Dood van den aartsbisschop van Parijs d. Aff're. — Afkondiging der grondwet den 12den November Isls. — Haar hoofdzakelijke inhoud. — Lodewijk Bonaparte wordt den lOden December als president der Itepu,bliek verkoven.

Nadut, roods op den voor hot banqnot bostonulon dag grooto volksgroopon lüor on daar waren bijcongosclioold. on do stad Parijs haddon doorkruist, herhaalde zich dit den volgenden dag. Dn rogeoring ontbood do nationale garden en liet /,e uitrukken; maar /.ij stemde welhaast in met hot geroep van het volk; „Leve de hervorming; weg met Oui/.ot.quot; Dit oefende weder oen nadeelige werking op de onder 't geweer gekomen linietroepen, die sinds achttien jaren gemeenschappolijk mot do burgerwacht tegenover het oproei' geschaard haddon gestaan. Togen den namiddag van don 23sten Februari kreeg do zaak oen gunstiger wending, doordien Lodewijk Philips het ministerio-Guizot op zijn verzoek ontsloeg, wolk ministerie, hoe men er voor 'toverige ook over moge denken, zich door'tlievorderen dor zaak van 't onderwijs blijvende verdiensten jegens Frankrijk heeft verworven.

'iü*

-ocr page 434-

404

Des avonds gaf do broodo stroom van menschon, die over do boulevards heen en weer golfde langs de vele verlichte woningen, blijk van de alge-meene ingenomenheid met 's konings besluit. Doch onverwachts kwam er, ruim 8 uur, een geheele omkeer. Dewijl de haat van het volk zich vooral had geuit tegen Guizot, had de regeering de voorzorg genomen, bij het ministerie van buitenlandsche zaken, zoovele jaren den zetel van dien minister, een bataillon linietroepen te doen post vatten. Tegen het gezegde uur kwam een talrijke bende blijkbaar slecht gestemde lieden, aangevoerd door een groeten kerel met een langen baard, op dat bataillon aanstuiven, met onstuimig geroep doortocht verlangende. De luitenant-kolonel Courand, die het bataillon kommandeerde, weigerde, zich op zijn orders beroepende, aan het verlangen te voldoen. Toen trad de aanvoerder der bende op hem toe en trachtte zijn knevel te roosteren met de brandende toorts, die hij in de hand had. Bij een herhaling dier poging-liet de luitenant-kolonel de soldaten de bajonet vellen. Ternauwernood was dit kommando gehoord, of een sergeant, van Korsika afkomstig, Q-iacomoni geheeten, zeer gehecht aan Courand, die reeds tevoren uit het opsluitend gelid, waarin hij stond, naar voren was gesprongen en zijn geweer op den man met den grooten baard had aangelegd, vuurde, en de aanvoerder der bende viel dood terneer. Dit was het raadselachtige schot, zoovele jaren duister gebleven. De soldaten van het bataillon, middelerwijl meer en meer opgedrongen door de bende en het schot van öiacomoni voor een sein, hun gegeven, houdende, volgden zijn voorbeeld en losten insgelijks een salvo. Tweeënvijftig menschen werden zóó getroffen, dat zij öf terstond van het leven waren beroofd, of zwaar gekwetst. Binnen eenige minuten weergalmde Parijs van de kreten; „Verraad; mon schiet op het volk.quot; Dadelijk laadde men de getroffen lieden op een aantal karren en trok hiermede onder luide verwenschingen en onder geroep om wraak de stad door.

Middelerwijl benoemde de koning in den laten avond Thiers, Odilon Barrot en anderen tot minister, Lamoricière tot bevelhebber der nationale garde, Bugeaud, daarop Górard tot opperbevelhebber der bezetting. Zoodra echter de morgen van den 24sten Februari aanbrak, zag men allerwege, dat al die maatregelen te laat waren genomen. Daarom stormde Emile de Girardin, de onechte zoon van een generaal van dien naam, de Tuileriön binnen en bezwoer Lodewijk Philips, indien hij den troon wilde redden, een geschrift te onderteekenen, waarin hij afstand deed van de kroon ten behoeve van den graaf van Parijs, den oudsten zoon van den hertog van Orleans, die destijds tien jaar oud was, en voor wien zijn moeder, de hertogin van Orleans, Hclone van Mecklen-burg-Schwerin, als regentes zou optreden. Aanvankelijk betoonde de koning weinig geneigdheid den raad op te volgen. Ook de koningin, Maria Am olie, een dochter van Ferdinand I, koning der beide Siciliën (zie blz. 335), was er zeer togen. Toch zwichtte Lodewijk l'hiiips ten laatste, zonder echter hot hem voorgehouden stuk te teekenen. Hij schreef

-ocr page 435-

405

een paar woorden op een papier, die de afdanking liehelsden en het overdragen der kroon op zijn kleinzoon, don graaf van Parijs, teokende liet, doch besohikte geenszins over het regentschap. Evenmin als de vorige maatregelen hield ook deze daad van Lode wijk Philips de vorderingen van den opstond tegen.

Onmiddellijk na het neerleggen van 't bewind, dat hij achttien jaren lang had gevoerd, besteeg Lode wijk Philips met hot grootste gedeelte zijner familie een paar huurrijtuigen, die men in de nabijheid der Tnile-riën aantrof, en verwijderde zich van Parijs in de richting van St. Cloud. Slechts do hertogin van Orleans, de graaf van Parijs en de hertog van Nemours (ten z. van Fontainobleau), toon de oudste zoon van Lodewijk Philips, bleven achter. Van St. Cloud begaf zich de gewezen koning naar Droux (ten w. van Parijs) en over Evreux (ten n.w. van Dreux) naar Honfleur (ton av. van Rouaan, aan zee). Van Honfleur bracht oen schip hem naar 1c Havre, waar hij zich eindelijk inscheepte naar Engeland. Hier kwam hij den 3den Maart met zijn familie aan en nam zijn intrek in het kasteel Claremont, eon eigendom van Leopold, koning der Belgen, niet ver van Londen. In dit toevluchtsoord, dat hij in het land der ballingschap vond, bracht de gewezen koning nog twee jaren door tot zijn overlijden in Augustus 1850.

Van een anderen aard waren do moeielijkheden, die, dadelijk na 't vertrok des konings, de te Parijs gebleven leden van 't koninklijk huis wachtten. De hertogin van Orleans, vergezeld door den graaf van Parijs, en de hertog van Nemours begaven zich naar de kamer der afgevaardigden ; doch ter nauwernood waren zij er binnengetreden, of allerlei lieden, onder hen ook vele gewapenden, die inmiddels een toonool van gruwelijke verwoesting in do Tuileriën hadden aangericht, drongen eveneens in do zaal door, waar de vergadering werd gehouden. Spoedig bleek het, dat do aanwezige afgevaardigden, een onvoltallige vergadering, niet gezind waren de hertogin tot regentes te benoemen, en dat er bovendien aan een geregelden gang der beraadslagingen niet viel te denken. Dus verwijderden zich de hertogin van Orléans on de hertog van Nemours weder en stelden zich, gelijk de overige leden van het koninklijk huis reeds hadden gedaan, buiten het grondgebied van Frankrijk in veiligheid.

Bij al do wanorde, die middelerwijl in de zaal voortduurde, schreef, te midden van het woeste gedruisch, Alphonsus de Lamartino, een der loden van de kamer, eenigo namen op van mannen, die een voorloopig bewind zouden uitmaken, üupont de 1'Eure las ze, één voor één, voor en het volk brulde „jaquot; of „neen.quot; Hierop spoedden allen zich naar het stadhuis. Op die wijze werd dan, den 24sten Februari 1848, het koningschap afgeschaft, Frankrijk in een Republiek herschapen en een voorloopig bewind aangesteld. De leden van dat bewind waren, Dupont de 1'Eure (zie blz. 402), do Lamartine, Arago, Marie, Garnier-Pagès, Ledru-Rollin en Crémieux. Op het stadhuis worden er nog aan toegevoegd Marrast, Flocon, Louis Blanc en Albert. Niet vóór den 27ston

-ocr page 436-

40 fi

Fobruari ving het aan to Parijs rustiger te worden. Middelerwijl vaardigde het vooiioopig bewind een reeks verordeningen idt, waarbij de kamer der pairs on die der afgevaardigden werden ontbonden, het algemeen kiesrecht ingevoerd, het recht op den arbeid erkend en de staat tot borg gesteld voor dat recht. Aan hot buitenland deelde dat bewind mede, dat het de verdragen van 1815 niet als rechtmatig, doch slechts als feitelijk bestaande aanmerkte. Onder de grootste bezwaren, die dat bewind had te bestrijden, behoorde het te gemoet komen aan 't gebrek aan werk, en bij gevolg het opsporen van middelen tot levensonderhoud van duizenden menschen. Ton einde in die ongelegenheid te voorzien richtte men „openbare werkplaatsenquot; op, waarin elk, die zich aanmeldde, arbeid en loon kon vinden, maar die welhaast, ook bij ontstentenis van geschikte bezigheden, ontaarddon in verzamelplaatsen van lediggangers.

Do man, wien in de eerste plaats de lof toekomt, na het loeien doi Februaristormen, het vaartuig van den staat weder in de vaart te hebben gebracht, was de Lamartine. In de eerste paar dagen en nachten na do omwenteling was hij metterdaad de ziel van 't voorloopig bestuur, degene, die er voor waakte, dat de Republiek, zooals de staatsmannen zo wilden, niet werd overvleugeld door de mannen van het roode vaandel, door socialisten of communisten. Den 27sten April 1848 koos het volk do leden der nationale vergadering, ten getale van 900, van welker beslissing het ten laatste zou afhangen, met welken regeeringsvorm Frankrijk werd begiftigd. Den 4den Mei werd de vergadering geopend en legden de elf leden van het voorloopig bewind dc macht, hun toevertrouwd , neer in handen van het door de afgevaardigden vertegenwoordigde volk. Hierop verklaarde de vergadering, als tolk van de gevoelens dei-natie, dat de den '24sten Februari afgekondigde Republiek de staatsvorm van dit rijk was en zou blijven. Den lOden Mei benoemde zij tot leden van het nu op te treden uitvoerend heimnd: Aramp;go, Garnier-Fagès, Mario, de Lamartine en Ledru-Rollin. Cavaignac werd minister van oorlog. Nog in den loop derzelfdo maand, waarin het zijn taak begon te volvoeren, verschilde het weinig, of een oproer, door de socialisten en de communisten verwekt, had het weder van zijn gezag beroofd; doch hot word nog ter juister ure gedempt. Onder de leden der vergadering, die in 't begin van Juni ter aanvulling werden verkozen, waren o. a. Thiers, Changarnier en Lodewijk Bonaparte.

Intusschen toonde dö vergadering, gesteund door het uitvoerend bewind, dat zij ernstig dacht aan een algeheele opheffing der openbare werkplaatsen. Dit voerde den 23sten Juni tot een hevigen opstand, waarbij op verscheidene punten der stad barricaden werden opgeworpen. Staande den kamp verklaarde de nationale vergadering Parijs in staat van beleg en benoemde Cavaignac, in plaats van het uitvoerend bewind, tot dieüüoi. Cavaignac tastte zonder schromen door en was den 26sten Juni meester van het gansche grondgebied der stad. Aleer hij echter zijn doel volledig had bereikt, werd de aartsbisschop van Parijs, d'Affre, die bij een

-ocr page 437-

407

barriciule, (i[) de plaats tier bastille, in de voorstad St. Antoino, ecu laatste vredelievende poging zoekt aan te wenden, den 25sten Juni doodelijk gekwetst en overleed reeds den 27 sten.

Nooit had een opstand in de straten van Parijs zoo lang geduurd als deze keer; nooit had hij zulk een groot getal otters geëisclit. Don 28sten Juni deed Cavaignac afstand van het onbeperkt gezag, hem tijdelijk opgedragen, en werd tot hoofd der uitvoerende macht benoemd. Als zoodanig handhaafde hij den staat van beleg, die eerst in Octobei'werd opgeheven, en hief de openbare werkplaatsen op. Inmiddels toog de nationale vergadering aan 't werk, ten einde voor de Republiek een grondwet op te stellen. Het stuk was in November gereed en werd den 12den dier maand afgekondigd. Het behelsde, als hoofdartikels, de souvereiniteit van't Fran-sche volk; hot algetneene kiesrecht, waarvan evenwel de ambtenaren waren uitgesloten; de opdracht der wetgevende macht aan een vergadering van 750 leden, die permanent zou zijn; de vaststelling van den ouderdom van 21 jaren voor de kiezers, van 25 jaren voor de verkiesbaren; de bepalingen van den duur doi zitting op drie jaren; de omschrijving van de bevoegdheden van dan president, die de uitvoerende macht had, verantwoordelijk was voor zijn daden, voor vier jaren werd aangesteld, na verloop van dien tijd niet dadelijk herkiesbaar was en het opperbevel had over 't leger, maar het niet in persoon mocht aanvoeren; eindelijk liet voorschrift, dat do president door 't gansche volk moest worden gekozen. Den loden December werd Lodewijk Bonaparte met 5,430,000 van do 7,300,000 uitgebrachte stommen als president verkozen. Den 20sten Decembei aanvaardde hij het bewind en zwoer, getrouw te zullen blijven aan do éóne en ondeelbare democratische Republiek.

§ 136.

Iamp;anknjlc. Lodewijk Napoleon vestigt zich in hel //alcis Bourbon in dr Kljjscesche velden. — De wetgevende vergadering neemt Kitting in Mei ISdU. — Slechte verstandhouding tusschen Napoleon en de meerderheid der kamer. —• Reizen ran den president door Frankrijk in den zomer van 184!) en in dien van IS.10. — De houding der troepen. — De SI. Ar mud ■minister van oorlog sedert het laatst van Oei ober IStll. — Voorbereiding tot den aanslag op den staal. — De eenige personen, in het geheim ingew'jd. — Uitvoering der bevelen van den jrrefeel van policie, Maupas, in den nacht van den Isten December ISöl. — Aa)i-plakking van bekendmakingen en van besluiten. — Op den morgen van den 'Jden December is de aanslag volbracht. — Gevechten op den Hden en op den 4den December. — Een tachtigtal leden der vergadering wordt uit Frankrijk verbannen. — Vele gevangenen naar Cayenne of naar Algiers gezonden. — Houding van Frankrijk tegenover den aanslag. — Lodewijk Napoleon zoekt het leger en de geestelijkheid voor zich, te winnen. — Hij noemt zich thans prins-president. — De stemming van den 'JOsten en den 2isten December IS5I. — Lodewijk Napo-

-ocr page 438-

408

Iron heiveld in Januari 1852 de 'Pidleriën. — lig vaardigt een nieuwe qvoudwet uif. — TIaav inhoud, — IJet stelsel van ccntrdlisatic,

rtfAa van den prins-president door Frankrijk in den xomer van IS'iJ. De senaat besluit den 7den November tol de invoering van het keker-schap. Uilslag der volksstemming op den 20stcn en den 21sten November. — De verkiezing van Napoleon III, erfelijk leeizer der Pimischen, den 2den December 1852 afgekondigd. — Schoorvoetende erkenning door de hoven van Europa. — De lichamen, die met den keizer het gezag heeten te deelen. — De leeizer trouwt met Eugenie de Montijo, gravin van Theba, in Januari 1853. — Geboorte van een zoon, den IGden Maart 1850. — Gehechtheid der keizerin aan den paus en aan de kerk. ■— Napoleons stelsel ten opzichte der hinnen-landsche regeering. — Dc gewrochten der bouwkunst. — Drieledig doel dier werken. — Schaduwzijde dier werken. — Gelegenheid tot bevrediging der zucht naar uitspanning. — Het handelsverdrag van Januari 181)0 met Engeland en de bevordering der vrijheid van het handelsverkeer. — De wereldtentoonstelling te Parijs in 1855. — Opvoering der schulden van het rijk lol cm hoog bedrag. — Het beursspel en het toenemen der weelde. — Toppunt van bloei van 't keizerrijk in de eerste jaren na 1852. — Persoonlijke redenen van Aiap'o-leon III voor het ondernemen van den Krimoorlog. — Dc ■uitkomsten van den krijg verheerlijken den roem van Frankrijk en van den keizer. — De aanhangers van H huis Bourbon, noch dc Orleanisten gevaarlijk voor het keizer schap. — Het dreigen der republikeinen. De aanslag van Orsïni den Melen Januari 1858. — Indeeling van Frankrijk in vijf groote kommandementen onder even vele maarschalken. —- Bepaling omtrent hel regentschap. — De veiligheidswet. — Toenadering van Napoleon tot Cavour. — Oorlogen tegen Sina in 1858 en in I860. — Vestiging van een Franschen handels- en kolonialen staat in Cochinchina.

Velo steunpunten had do nieuwe president niet. In de nationale vergadering had hij weinige aanhangers; hot leger was zeer gehecht aan Cavaig-nac. Hetgeen de zwarigheden van den post, waarop Lodewijk Napoleon zich had laten plaatsen, nog vergrootte was, dat hij de baatzucht moest bevredigen van den zwerm lieden, voor een goed doel avonturiers, die voor hem hadden gewerkt of voorgaven dit te hebben gedaan. Inmiddels vestigde zich de president in hot palois Bourbon in do Elyseesche velden en hield er hof als oen vorst, op een wijze, die met het repu-blikeinsche karakter van zijn ambt slecht schoen te strooken. In Mei 1849 ontbond zicli de nationale vergadering en trad in haar plaats op de wetgevende vergadering, welker leden door de natie waren gekozen. Het overwegende doel der afgevaardigden toonde weldra don president te wantrouwen en hem te verdenken van te staan naar de oppermacht. Zij werden in hun argwaan versterkt door de reis, die Lodewijk Napoleon in don

-ocr page 439-

409

zoinor van 'tjaar 1S4!) door Frankrijk deed, daar hij overal zich voordeed , niet als de eerste ambtenaar van een gemeenebest, maar ais de neef van den grooten Napoleon en de man, geroepen om eon grootsehe rol to vervullen. Hierbij openbaarde zich tevens duidelijk zijn toeleg om de gunst van 't leger te winnen. Onder de leden, die, uit hoofde van persoonlijke oueenigheden, zich in do vergadering niet zelden togen don president lieten hooren, waren ook verwanten uit zijn eigen huis, n.1. Napoleon Bonaparte, dc jongste zoon van Hieronynms (zie bk. Iil3), doorgaans prins Napoleon geheeten, en Peter, de jongste zoon van Lucien, een anderen broeder van den eersten Napoleon (zie biz. 3U8). Op een reis, gedurende den zomer van 't jaar 1850 door het land gedaan, verwelkomden de troepen, bij gelegenheid eener wapenschouwing, den president met den kreet „leve de keizer.quot;

Won hij alzoo meer en meer de genegenheid van het leger, waarvoor hij dan ook geen kosten spaarde, de verstandhouding tusschen hem, de uitvoerende, en de kamer, de wetgevende macht, werd mettertijd volstrekt niet beter. Moe dikwerf hij ook van ministerie wisselde, steeds mishaagde het de meerderheid dor afgevaardigden. Van do raadslieden , die Lode wijk Napoleon in 't laatst van October 1851 nam, was de St. A maud (zie biz. 389), als minister van oorlog, de hoofdpersoon. Onder hun leiding wist de president het daarheen te leiden, dat de vergadering er in berustte, dat de haar volgons do grondwet toekomende bevoegdheid om over de gewapende macht te beschikken haar werd ontnomen. Doch zij weerstreefde het verlangen van Lodewijk Napoleon naar een herziening der staatsregeling. Het was inzonderheid, vermits de vier jaren van liet presidentschap ten einde spoedden, het artikel, hetwelk de herkiezing verbood, dat Lodewijk Napoleon een doorn in 't oog was.

Zoodra de president dezen wensch verijdeld zag, bereidde hij zich in 't geheim voor tot een herhaling van den 18den Brumaire 179!) (zie blz. 308), d. i. tot den „coup d'étatquot; of aanslag, dien elk al van 't oogen-blik af van zijn optreden had voorzien. Steeds toch was do horizon der staatkunde zoo donker bewolkt geweest, dat men bijna geen dag had doorleefd, of men vreesde, dat er een zwaar onweder zou losbreken. Over 't geen stond te gebeuren werd beraadslaagd met een gering getal vertrouwelingen. Het waren de St. Arnaud; Morny, die voor een onechten broeder van Lodewijk Napoleon doorgaat; Maupas, xn'efeet van policie, en de Persigny (zie blz. 400). Ue gesteldheid der financiën, zoowol van de St. Arnaud, als van den president zelf was niet een van do minst gewichtige drangredenen, die tot het maken van spoed aanspoorden.

In den vroegen morgen van den 2den December, sinds ongeveer 0 uur, weiden tie kerkers in een tijdsbestek van een paar uren bevolkt met een tachtig a honderdtal leden der vergadering, hoofden van geheime genootschappen , hoofdoffleieren, enz., met mannen als Cavaignac, Thiers en anderen, van wie men een tegenstreven duchtte der nieuwe orde van zaken, welke men op 't punt was in te voeren. Terwijl dit gebeurde.

-ocr page 440-

410

riiktou do troepen uit, om de belangrijkste punten dor stad te be/.otten. Tovons wordon eenigo bekendmakingen en besluiten aiiiigeplakt, waarin o. a. werd medogedoold, dat Parijs en omstreken, in 't geheel elf departementen, in staat van beleg werden verklaard en liet volk opgeroepen, ton einde als rechter uitspraak te doen in het gosehil tusschen hem, den president, en de vergadering; waarin verder, als grondslagen van den toekomstigen staatsvorm, werden vastgesteld, o. a. de navolgende punten: tienjarige duur van 't uitvoerend bewind en twee kamers, een wetgevend lichaam en een senaat.

Toen do bevolking van Parijs op den morgen van den 2don December ontwaakte, bevond /ij, dat do aanslag was voltrokken, de staarsregeling vernietigd, do regeering omvergeworpen, do heerschappij van den sabol gevestigd. Desniettemin poogden een aantal leden dor kamer in verzet te komen, weshalve zij in cellulaire rijtuigen, bestemd voor 't vervoer van misdadigers, naar verschillende gevangenissen en forten werden gebracht. Slechts do gezeten burgerij en de groote menigte namen oen lijdelijke houding aan, uitgenomen zij, oen betrekkelijke minderheid, die op tien morgen van don 3den December in do voorstad St. Antoine en elders eenigo barricaden opwierpen en den 4den een hevigon kamp loden ontbranden. Op dien zelfden 4don Docomber richtten de soldaten in blinde woede hun bajonetten on hun geweer- en kanonschoten, zoowel op do woningen dor burgers, als op vreedzame wandelaars on op woerloozo lieden, zoodat or oen ware Bartholomaeusdag word gehouden. Reeds op den avond van den 4den was allo tegenstand overwonnen. Door gelduit-deelingen en sterken drank opgewonden, hadden de troepen gestreden mot een razernij, waaraan do herinnering aan de vorige gevechten in do straten van Parijs geen voorbeeld kon tor zijde stellen. Het leger verzadigde zich volop aan de gunstige gelegenheid, die hot had, om wraak to nomen voor de nederlagen, die hot in .luli 1830 en in Februari 1848 had ondergaan.

In weerwil dat do zege verzekerd was, ging do president dagen on nachten achtereen voort honderden lieden te laten opsluiten. Oedurondo dien zelfden tijd ontsloeg lüj de meeste der afgevaardigden weder uit do gevangenschap ou liet er een tachtigtal ongeveer, onder geleide dor policie, over de grenzen zetten, Thiers, Cavaignac (overleden 1857) on andoroii. Maar op hot meorendool dor gevangenen werd do zekerheids-maatregel toegepast van 't vervoer naar (Jayenne (ton o. van Suriname) oi' naar Algiers. Buiten Parijs voegde inou zich, ouder gewoonte, in do beschikkingen, in do hoofdstad genomen, te eerder, omdat woldra tweo-endertig departomonten in staat van beleg worden verklaard. Slechts hot logor en do goestolijklioid zocht Lodowijk Napoleon door gunstige bopa-lingon en door voorkomendheid aan zich te boeien.

Den i'Oston on don Alston December greep de stemming plaats, aangekondigd door hom, die thans don titelprias-presklent voordo. Do uitslag-was, naar verzekerd word, maar ook veelszins betwijfeld, nagenoeg

-ocr page 441-

411

7,500,000 voor; nog goou 650,000 togen. In Jiinuari 1852 betrok do prinspresident do Tuileriën metterwoon on vaardigde, krachtens do volmacht, hem door de stemming der natie verleend, een nieuwe grondwet uit. Volgens die grondwet bleef Frankrijk oen Republiek met eer: verantwoordelijk hoofd, pr(sidcnt geheoten, wien voor tien jaren hot oppergezag werd opgedragen. Hem tor zijde stonden een wetgevend lichaam en oen senaat, die in gesloten zittingen beraadslaagden. Do nioosto der maatregelen van den eersten tijd, door den president genomen, hadden do blijkbare strekking, hel stelsel van centralisatie in te voeren. Hot inkomen van den prins-president werd op 12,000,000 francs vastgesteld.

Wudcrom deed Lodewijk Napoleon eon reis dooi Frankrijk. Alom -vord hij met geestdrift ontvangen. Bovenal juboldo de bevolking van 't platteland en begroette den neef van den groeten oom als den aanstaanden opvolger des keizers. Deze openbaring van de gevoelens van t volk noopte den prins-president, tegen 't einde van zijn tocht, in een rede, te Bourdeaux uitgesproken, zijn bereidvaardigheid te kennen te geven om aan den wensch der natie te voldoen. Bij die gelegenheid uitte hij tevens de woorden: „het keizerrijk is de vrede.quot;

Den 7den November 1852 hechtte de senaat zijn zegel aan een ontwerp, door den president ingediend, tor verandering van de staatsregeling, met andere woorden, ter wederinvoering van het keizerschap. Do volksstemming, tor eindbokrachtiging of tor verwerping noodig geacht, groep den 20sten en den 21ston dier maand plaats. Hot aantal stommen was omstreeks 7,800,000 voor; ongeveer 250,000 tegen. Op den jaardag van den aanslag, den 2den December 1852, werd de verkiezing van Naro-ijkon m, EiiFELUK KEIZER der Fransclieu, afgekondigd. Als zoodanig werd hij voor on na door do hoven van Europa, hoewel door sommige vrij schoorvoetend, erkend. Naast den keizer bloven do senaat en het wetgevend lichaam bestaan. Het jaarlijksch inkomen van den keizer word bepaald op 25,000,000 francs.

In Jan. 1853 huwde de keizer Eugenie do Montijo, gravin van Theba, die uit Spanje afkomstig was, doch te Parijs woonde. Zij bracht den 16deii Maart 1856 een zoon tor wereld. Napoleon Eugonius Lodewijk Johan .lozef geheoten, omgekoraon, als krijgsman in Engel-schen dienst, in oon gevecht tegen den Afrikaanschon stam der Zoeloes in Juni 1870. Had Napoleon vroeger reeds, benevens het leger, ook de katholieke geestelijkheid tot oen steunpilaar van hot keizerschap zoeken te maken, nog inniger werd, sinds dit huwelijk, de band, die het regee-rond huis aan de kerk verbond. Opgevoed in diepen eerbied voor het pausdom, zocht Eugenie meer en moer den keizer te bewegen tot liet ondersteunen der bedoelingen van het hoofd van don Kerkelijkon Staat. Niet altijd intusschen strookte dit streven met de richting der denkbeelden van Lodewijk Napoleon. Hoe hoog hij gestegen was, zoowel hot persoonlijk aandeel, dat hij in vroegere dagen aan den openbaren kamp voor do republiek in Italië had genomen, als de revoliitionnaire oorsprong zijner

-ocr page 442-

410

nikton do troepen uit, om do belangrijkste punten iler stad te bezetten. Tevens werden eenigo bekendmakingen en besluiten aangeplakt, waarin o. a. word medegedeeld, dat Parijs en omstreken, in 't geheel elf departementen, in staat van beleg werden verklaard en het volk opgeroepen, ten einde als rechter uitspraak te doen in het geschil tussohen hem, den president, en de vergadering; waarin verder, als grondslagen van den tookomstigen staatsvorm, werden vastgesteld, o. a. de navolgende punten: tienjarige duur van 't uitvoerend bewind en twee kamers, een wetgevend lichaam en oen senaat.

Toen do bevolking van Parijs op den morgen van den 2den December ontwaakte, bevond /ij, dat do aanslag was voltrokken, de staarsregeling vernietigd, de regeering omvergeworpen, de heerschappij van den sabel gevestigd. Desniettemin poogden een aantal leden der kamer in verzet te komen, weshalve zij in cellulaire rijtuigen, bestemd voor 't vervoer van misdadigers, naar verschillende gevangenissen en forten werden gebracht. Slechts do gezeten burgerij en do groote menigte namen een lijdelijke houding aan, uitgenomen zij, een betrekkelijke minderheid, die op den morgen van den 3den December in de voorstad St. Antoine en elders oonige barricaden opwierpen en den 4don een hevigen kamp deden ontbranden. Op dien zelfden 4don December richtten de soldaten in blinde woede hun bajonetten en hun geweer- en kanonschoten, zoowel op de woningen der burgers, als op vreedzame wandelaars en op wcerloozo lieden, zoodat er een ware Bartholomaeusdag werd gehouden. Reeds op den avond van den 4den was alle tegenstand overwonnen. Door gelduit-deelingen on sterken drank opgewonden, hadden de troepen gestreden mot een razernij, waaraan de herinnering aan de vorige gevechten in de straten van Parijs geen voorbeeld kon ter zijde stellen. Het leger verzadigde zich volop aan do gunstige gelegenheid, die het had, om wraak te nomen voor de nederlagen, die hot in Juli 1830 en in Februari 1848 had ondergaan.

In weerwil dat de zege verzekerd was, ging do president dagen en nachten achtereen voort honderden lioden te laten opsluiten. Gedurende dien zelfden tijd ontsloeg hij de meeste der afgevaardigden weder uit do gevangenschap en liet er een tachtigtal ongeveer, onder geleide der policie, over do grenzen zotten, Thiers, Cavaignac (overleden 1857) en anderen. Maar op het meerendeel dor gevangenen werd dc zekerheids-maatregel toegepast van 't vervoer naar Cayenne (ten o. van Suriname) of naar Algiers. Huiten Parijs voegde men zich, ouder gewoonte, in do beschikkingen, in do hoofdstad genomen, te eerder, omdat weldra tweeendertig departementen in staat van beleg werden verklaard. Slechts het leger en do geestelijkheid zocht Lode wij k Napoleon door gunstige bepalingen en door voorkomendheid aan zich te boeien.

Don l'Osten en don '-Mston December greep de stemming plaats, aangekondigd door hem, die thans den titel prias-president voerde. De uitslag was, naar verzekerd werd, maar ook veelszins betwijfeld, nagenoeg

-ocr page 443-

411

7,500,000 voor; nog goon 650,000 togen. In .Timuari 1852 betrok do [irins-prosident do Tuiloriën metterwoon on vaardigde, krachtens do volmacht, hem door de stemming dor natie verleend, oen nieuwe grondwet uit. Volgens die grondwet bleef Frankrijk oen Eopubliok met eer verantwoordelijk hoofd, president geheoton, wien voor tien jaren hot oppergezag werd opgedragen. Mom tor zijde stonden een 'wetgevend lichaam en oen senaat, die in gesloten zittingen beraadslaagden. De meeste der maatregelen van den eersten tijd, door den president genomen, hadden de blijkbare strekking, hel stelsel van centralisatie in te voeren. Hot inkomen van den prins-president word op 12,000,000 francs vastgesteld.

Wederom deed Lode wijk Napoleon oen reis door Frankrijk. Alom verd hij met geestdrift ontvangen. Bovenal jubelde do bevolking van 't platteland en begroette den neef van den groeten oom als den aanstaanden opvolger des keizers. Deze openbaring van do gevoelens van t volk noopte don prins-presidont, tegen 't einde van zijn tocht, in een rode, te Bourdeaux uitgesproken, zijn bereidvaardigheid te kennen te geven om aan don wensch der natie te voldoen. Bij die gelegenheid uitte hij tevens de woorden: „het keizerrijk is do vrede.quot;

Don 7den November 1852 hechtte de senaat zijn zegel aan een ontwerp , door den president ingediend, ter verandering van do staatsregeling, met andere woorden, ter wederinvoering van het keizerschap, üo volksstemming, ter eindbokrachtiging of tor verwerping noodig geacht, groep don 20sten en den 21sten dier maand plaats. Het aantal stommen was omstreeks 7,800,000 voor; ongeveer 250,000 tegen. Op don jaardag van den aanslag, den 2den December 1852, word de verkiezing van Napo-Lkon in, eitfeluk keizer der Fransolion, afgekondigd. Als zoodanig word hij voor en na door de hoven van Europa, hoewol door sommige vrij schoorvoetend, erkend. Naast den keizer bloven do senaat on het wetgevend lichaam bestaan. Het jaarlijksch inkomen van don keizer werd bepaald op 25,000,000 francs.

In Jan. 1853 huwde de keizer Eugenie tie Montijo, gravin van Theba, die uit Spanje afkomstig was, doch te Parijs woonde. Zij bracht den löden Maart 1856 oen zoon tor wereld, Napoleon Eugenius Lodowijk Johan Jozef geheoton, omgekomen, als krijgsman in Engel-schon dienst, in oon gevecht tegen den Afrikaanschen stam der Zoeloes in .liini 1iS79. Had Napoleon vroeger reeds, benevens hot logor, ook do katholieke geestelijkheid tot oon steunpilaar van hot keizerschap zoeken te maken, nog inniger word, sinds dit huwelijk, de band, die hot rogee-rond huis aan do kerk verbond. Opgevoed in diepen eerbied voor het pausdom, zocht Eugénie meer en moer don keizer to bewogen tot hot oiulorsteunon der bedoelingen van het hoofd van don Kerkelijken Staat. Niet altijd intussohen strookte dit streven mot do richting der denkbeelden van Lodowijk Napoleon. Hoe hoog hij gestegen was, zoowel het persoonlijk aandeel, dat hij in vroegere dagen aan don openbaren kamp voor de republiek in Italië had genomen, als do revolutionuaire oorsprong zijner

.

-ocr page 444-

412

soliittovoiulo wiuirdigheid rieden tot voorzichtigheid. Dezelfde oorsprong deed hem, voor zoover de binnenlandsche staatkunde betreft, het stelsel huldigen, „alles voor liet volkquot;, hoezeer hij er nauwgezet voor waakte, dat dit stelsel niet werd aangevuld met een tweede lid: „alles door liet volkquot;.

Alleen reeds de noodzakelijkheid der tegenstelling van zijn bewind met dat van Lodewijk Philips, den koning der burgerij, herinnerde Napoleon 111 er aan, dat het zijn zaak scheen, vooral de geringere volksklassen geenszins uit het oog te verliezen. Vanhier het optrekken van talrijke werken van bouwkunst sedert 1856 tot bijna aan 't eind van 's keizers bewind. Door het afbreken van gansche reeksen woningen, door hot doen verdwijnen van enge straten en door het aanleggen van breede straten met fraaie gebouwen werd inzonderheid Parijs als een nieuwe stad. Drieledig was het doeleinde van dien verbazenden arbeid. Daardoor word ten eerste' voorzien in de stoffelijke belangen van een goed deel der bevolking en tevens de gezondheidstoestand der stad verbeterd, doordien licht en lucht thans overal konden doordringen. Ten anderen werd de gelegenheid om, in tijden van oproer, bolwerken op te werpen tegen het gezag en samen te scholen weggenomen. Ten derde verrezen er allerlei gedenktee-kenen, die don roem van de heerschappij van den derden Napoleon tot do verste nakomelingschap konden overbrengen. Voor de omvergehaalde huizon kwamen ten doele gansche reeksen arbeiderswoningen in de plaats. Een schaduwzijde echter dier groote werken was deze, dat honderd duizenden arbeiders naar do stedon verhuisden; het platteland leeg liep on de landbouw, bij gebrek aan handen, werd verwaarloosd. Ten einde aan ile zucht tot uitspanning te voldoen werden niet alleen hier en daar parken en openbare tuinen door de stad verbreid, maar ook aan het bosch van Boulogne, door 't aanleggen van vijvers en eilanden, een geheel nieuwe inrichting gegeven. Ten behoeve van den smaak voor de kunst werd de Louvre uitgebouwd en met de Tuileriën vereenigd.

Tevens werd ook de burgerij niet vergeten. In tegenstelling mot zijn oom bevorderde de keizer, door vermindering of door opheffing van tollen, zooveel hij kon, de vrijheid van liet handelsverkeer. Te dien einde sloot iiij in Januari 1860 met Engeland het beroemde handelsverdrag, dat den handel en de nijverheid een verbazende vlucht deed nemen, ook aan den akkerbouw ten goede kwam en den nationalen rijkdom ongemeen vermeerderde. Do luisterrijke feesten, waarin hot hof voorging, en de ten top stijgende weelde der levenswijze in 't algemeen bevorderden bovendien de nijverheid. Voor de beoefenaars der kunst en voor de helden op 't gebied der nijverheid werd tegelijk een leerschool en een prikkel tot ouderlingen wedijver de derde wereldtentoonstelling, naar't voorbeeld van Londen, hetwelk in 1853 door New-York werd gevolgd, te Parijs gehouden in 1855 en in 1867 nog overtroffen door een andere op grooter schaal. Om bij de maatregelen, die hij tor verwezenlijking zijner oogmerken noodig achtte, de handen vrij te houden schroomde Lodewijk Napoleon geenszins de uitgaven van het rijk zoo hoog op te voeren, dat het cijfer der schulden

-ocr page 445-

418

van hot rijk aanmerkelijk aangroeide. Do leeningen, door do regeering gesloten, werden wederom een aanleiding tot bcursspe! en tot windhandel, gelijk men, van een andere zijde, door het toenemen der weelde, mede tot dit verleidelijk winstbejag werd gedreven. Een ander ongunstig verschijnsel, met die weelde gepaard gaande, was verder de aangroeiende onzedelijkheid.

In weerwil dier schaduwzijden scheen de doelmatigheid van het streven van het tweede keizerrijk te worden bevestigd door den aanwas der welvaart, door de tevredenheid der nijvere klassen en door de rustige houding dor mindere standen. Steeg alzoo, van die zijde bezien, in de eerste jaren na 1852, het keizerrijk tot een hoog toppunt van bloei, niet minder groot was de luister van dat keizerrijk gedurende die zelfde jaren met betrekking tot de buitenlandscho aangelegenheden. Ook tegenover dat buitenland had het tweede keizerrijk, naar de meening van Lodewijk Napoleon, een taak te verrichten. Ofschoon de mogendheden hom, den machthebber, tamelijk bereidvaardig hadden erkend, lieten zij toch niot na, den keizer van tijd tot tijd te doen gevoelen, dat hij toch maar een indringer was in den raad der vorsten, die de lotgevallen van Europa bestuurden. Daarom ook had hij geen geboren prinses als gemalin kunnen erlangen. De keizer van Rusland was de eerste, voor wien, overeenkomstig de plannen van Lodewijk Napoleon, de dag der vergelding moest aanbreken. Het heilige verbond zou worden verbroken en wraak worden genomen voor den smaad van Waterloo.

Deze persoonlijke redenen droegen er niet het minst toe bij, dat de Krimoorloy uitbrak. Do uitkomsten van den krijg, ofschoon niet ten volle bevredigend, waren van dien aard, dat zij uitermate geschikt waren ter verheerlijking van den room van Frankrijk en van den naam des keizers. Rusland werd vernederd; het heilig verbond lag uiteengespat ter aarde.

Intusschen was aan het keizerrijk, in 1852 ingewijd, geen onvermengde heerlijkheid van langen duur beschoren. Tegelijk met den aanvang van dat keizerrijk opent zich een lange rij van elkander opvolgende samenzweringen en aanslagen op den persoon des keizers, die tal van vonnissen deden vellen. Daarentegen was de partij der legitimisten voor het keizerlijk bewind niet zeer te duchten, evenmin als do Orleanisten, te minder, omdat de fusie of samensmelting van de beide partijen, welke sommigen voorstonden, schipbreuk leed. Na andere aanslagen werd op den avond van den 14den Januari 1858 een nieuwe poging aangewend, om den keizer uit den weg te ruimen. Eensklaps werden een paar bommen geworpen onder en nabij het rijtuig, waarmede de keizer on de keizerin, omgeven door den stoet zijner lijfwacht te paard, „de cent-gardesquot;, naaide Opera reden. Zij, die dit deden, waren Orsïni, een Italiaan, en zijn medeplichtigen. Ook deze lage daad beantwoordde niet aan de bedoeling. De keizer en do keizerin bleven gespaard; maar 141 lieden werden ge-troffen. Hetgeen Orsïni tot het plegen van het misdrijf had genoopt was, dat Napoleon III, dien hij voor den eenigen man hield, in staat om

-ocr page 446-

414

Italië to bevrijden, aan die roeping niet voldeed. In Maart 1858 werd Orsïni ter dood gebracht.

Een paar maatregelen, in den loop van 't zelfde jaar genomen, stonden in klaarblijkelijk verband met den mislukten aanslag. Vooreerst werd, op 't voorbeeld van Cromwell (zie blz. 231), Frankrijk in vijf groote kommandementen verdeeld en het opperbevel daarover aan vijf maarschalken opgedragen. Vervolgens werd hot regentschap, bij ontstentenis des keizers, bij opzettelijk besluit toevertrouwd aan de keizerin, terzijde gestaan door een geheimen raad. Een ander gevolg van den gesmeeden toeleg was een nieuwe veilicjheidsivet, die de willekeurige macht der regeering uitbreidde, en hot overvoeren, krachtens deze wet, van een paar duizend republikeinen naar Afrika.

Nog een andere uitwerking van Orsïni's misdaad was de toenadering van Napoleon III tot de plannen yan Cavour. Uit den kerker, waarin hij eenige weken had doorgebracht, had Orsïni een brief geschreven aan Napoleon III, waarin hij hem verzocht de onafhankelijkheid van Italië te willen bevorderen. Mettertijd ging dan ook de keizer tot de medewerking ter vrijmaking van Italië over (zie blz. 344). Ook de afloop van dien oorlog bracht, althans ten deele, het zijne bij ter verhooging van don luister van 't keizerrijk. Evenzeer strekten de gunstige uitkomsteTi van hetgeen Napoleon III in Azië ondernam ter vergrooting van don room en van de macht van Frankrijk. Vooreerst bestreed oen Franse,ho krijgsmacht, in vereeniging met een Engelsche vloot, zegevierend liet Sineesche rijk en noodzaakte dit in 1858 en in 1800 (zie § 140) tot een paar verdragen, waarbij het zware oorlogsschattingen moest betalen. Dan maakte Frankrijk in 18,r)S on volgende jaren veroveringen in Cochin-china (in 'I z.o. van Achter-Indië, aan do Sineesche Zee) en grondvestte daar oon belangrijken handels- en kolonialen staat.

§ 137.

Frankrijk. — Hel keizerlijk yeslernte heginl na ISGU lp rnrhleeken. —• Beiveeyredeuen ran dm oorlog in Mexiko, door Frankrijk gevoerd. — Maximiliaan in AS'67 keizer van Mexiko. — Zoodra de Vereenigde Stalen ran Noord-Amerilca zich legen Frankrijks inmenging verklaren, is hel einde daar van Maximiliaan.s Iceixersdtap en leven. —• Tweede nederlaag der staalkunde van Napoleon lil. Teleurstelling des keizers ter zake van den loop van den oorlog van 186(1. — Lu.retn-harg ■wordt een Iwislappel lussehen Frankrijk en Pruisen. —• Hel cua-gres le Londen van Mei lSb'7. — Vorsten, die de wereldtentoonstelling te Parijs bezoeken in 1807. — Beweegredenen van Napoleon lot hel toekennen van meer aandeel aan 'l beslnur aan het volk. — Begin der wijzigingen in hel dietaloriacd bewind in November ISOO. ■— Bekroning van 7 gebouw in Januari 1807 aangekondigd. — liedenen van hel voortdurend verzei der republikeinen legen hel keizerschap. Henri Itocheforl en de lanlaarn sedert den BOslen Mei. 18118. — lioche-

-ocr page 447-

fori neen1.1 dc -wijk naar Brussel. -- Het jnar IHHU irordl een keerpunt in de binnenlcmdsche stanikimde. — De hervonninyen van dit jaar. — Olivier wordt den 'Jden Januari IS7lt;) hoofd van 7 ministerie ter vervanginfj van Roiiher. —■ Volledige overgang van 't persoonlijk bewind tot de volksvertegenwoordigende regeering, den 20sten April IN70. — Het plebisciet van den Ssten Mei IS70. — Het Spaansche ministerie, geleid door Print, biedt in Juli 1*70 'Ir kroon rem Spanje aan aan Leopold van Hohenxollern. ----- De prins neemt ze eerst aan, doch bedankt, weldra. —• Gehoor van Benedetti te Fins bij Willem I, den Helen Juli. — De Grammont. — Tweede eisch van lienedelli. Hij verlaat Ems den I4den Juli. - Bewerkers rein, den oorlog in

Frankrijk. — De betuiging van den minister van oorlog Leboenf. ......

Frankrijk verklaart Pruisen den oorlog den Wden Juli.

In weerwil van de in Azië en elders behaalde voordeelen begon, na het jaar 18(50, de glans van 'I keizerlijk gesternte te tanen. Inzonderheid bracht do ongelukkige uitslag van 'a keizers politiek mot betrekking tot Mexiko aan het rijk en aan den naam van zijn beheerscher een gevoeligon stoot too. Verschillende waren de beweegredenen, die Napoleon lil bewogen troepen naar dit land te zenden. Mexikaansche uitgewekenen, to Parijs gevestigd en bevriend met keizerin Eugénie, hoopten door Frankrijks krachtige bemiddeling op wederkeer naar het vaderland. De Morny iiad, in gemeenschap met een bankier, schuldbrieven tot een aanmerkelijk bedrag, maar van twijfelachtige waarde, ton laste van Mexico, tot welker betaling (ie verschijning van oen Fransch leger, zooals iiij meende, een afdoende drangreden kon zijn. Bovendien spiegelde Napoleon zich veel voor van de scheidsrechterlijke taak, die een der hoofd mogend heden van het Latijnscho ras in Europa in Amerika zou kunnen vervullen; van den invloed, dien Frankrijk, nis baanbreker dor Europoesche beschaving, in het vreemde werelddeel zou oefenen. Al die oorzaken leidden tot de deelneming van Frankrijk aan don burgeroorlog in Mexiko sedert 18(51 (zie 5? 115) en tot de aanwijzing door Napoleon van Maximiliaan, aartshertog van Oostenrijk, als keizer van Mexiko. Van den beginne aan hing de vraag van 't bestaan en van den duur van dit keizerschap geheel alleen af van den steun in geld en in troepen, welke Frankrijk tor beschikking van M\xi-miliaan stolde. En toen de reden, waarom do Vereenigde Staten van Noord-Amerika tot dusver hadden gezwegen, n.l. het gevaarlijke karakter van don kamp tegen de Zuidelijke staten der Unie, ophield te bestaan en do fortuin gehoelonal neigde naar de zijde van de noordelijke staten, was het einde daar en van Maxiiniliaans waardigheid, èn van zijn loven.

Dit treurig uiteinde van don aartshertog was een zware nederlaag voor do staatkunde van het hof der Tuileriön. De nederlaag was voorafgegaan door oen andere, door het bericht van wege Rusland, gedurende den opstand der Polen, in 18(53, dat het geen genoegen nam met ook de minste bemiddeling van Frankrijk of van eenige andere Europeesche mogendheid.

-ocr page 448-

416

Hierop volgde de teleurstelling, die Napoleon lil ondervond ter zake van don voor Pruisen zoo gelukkigen gang van den oorlog, in 1866 gevoerd tegen Oostenrijk (/.ie blz. 366, 367). Nooit had Frankrijk een betere gelegenheid kunnen vinden, om als gewapend scheidsrechter tusschenbeiden te komen en den wensch der Franschen naar 't herkrijgen der Rijngrenzen te bevredigen. Doch weldra bespeurde men, dat Pruisens eerste minister to wel wist, dat de keizer geenszins in staat was, aan zijn vordering met de wapens genoegzame kracht bij te zotten.

Na de ontbinding van het Duitsche verbond, een der voorschriften van den vrede te Praag (/.ie blz. 367), bevond zich liet groothertogdom Luxemburg in oen toestand die het bijzonder geschikt maakte, om een twistappel te worden tusschen do kabinetten. Willem III, koning der Nederlanden en groothertog van Luxemburg, verlangde thans den aftocht van de Pruisische bezetting, die slechts, zoolang het groothertogdom één der staten van het Duitsche verbond was geweest, reden van bestaan had gehad. Tegelijkertijd werden er tusschen hem en Napoleon III onderhandelingen geopend over een afstaan van Luxemburg tegen een geldsom aan Frankrijk. Doch hiertegen kantten zich Pruisen en hot Noord-Duitsche verbond aan. Een oogenblik dreigde de vrede van Europa te worden verstoord. België bovenal begon bezorgd te worden, dat het was uitverkoren, om, ton einde als afleiding te dienen, bij Frankrijk te worden ingelijfd. Maar door toedoen van een paar mogendheden. Rusland, Oostenrijk en Engeland, werd men het met elkander hierover eens, dat in Mei 1867 een congres te Londen zou bijeenkomen en de zaak ten einde brengen. Op dat congres geraakte men tot deze uitkomst, dat Luxemburg verbleef aan den koning-der Nederlanden; dat dc Pruisen hun garnizoen uit de stad zouden terugtrekken ; dat die vesting zou worden gesloopt en dat het groothertogdom van nu aan een onzijdige staat zou zijn onder verwaarborging van gansch Europa.

Hot tijdstip, waarop dit congres werd gehouden, viel samen met de opening der groote wereldtentoonstelling, waarvan Parijs voor de tweede maal bet schouwspel aanbood. Naar het veld van Mars, waar de gebouwen waren opgeslagen, die Parijs het voorkomen gaven van 't middelpunt te wezen aller scheppingen des vredes, togen niet alleen de volkeren, maar evenzeer de vorsten van Europa, als bedevaartgangers, op. De ïuileriën openden haar poorten voor Leopold II, koning der Belgen; voor Alexander II, keizer aller Russen ; voor Willem I, koning van Pruisen; voor den onderkoning van Egypte, Ismaël; voor den groeten heer, Abdul Azis; voor den koning van Portugal, Lodewijk I; voor den koning van Beieren, Lodewijk II. Een wanklank te midden der feestvreugde was het schot van don Pool (zie blz. 392) op Alexander, dat intusschen zijn doel miste.

Als in strijd met dit renperk van den ouderlingen wedijver der volkeren in de werkzaamheden des vredes maakte Frankrijk in 't zelfde jaar 1867 vrij groote toebereidselen voor oorlog. Ieder begreep, dat zij golden een uit hoofde van de wanverhouding tusschen de macht van Frankrijk en die van Pruisen eerlang los te breken kamp. De keizer was wel verplicht den

-ocr page 449-

417

oorlog to willen, ton einde hot nationaal gevoelen te eerbiedigen en hot niet vijandelijk to doen opstaan togen zijn huis. Om dat gevoelen to ontzien word iiij, nu hij niet dadelijk afleiding naar buiten vermocht te vorschaft'on, gedwongen voort te gaan op do baan, dio tot de deelnemingvan 't volk aan 't bestuur van 't rijk voorde. Immers „oorlog of vrijheidquot; was de leus dor Fransche natie. In November 1860 was Napoleon III begonnen eonigo wijzigingen in het dictatoriaal bewind aan te brengen. Hij imd bepaald, dat de senaat en hot wetgevend lichaam oonige meerdere vrijheid van beraadslaging zouden hebben en dat de zittingen van dit lichaam in 't openbaar zouden worden gehouden. Thans, in 1867, verkondigde hij, dat „de kroning van 't gebouwquot; van Frankrijks binnen-landsche staatsinstellingen eerlang een waarheid ging worden. De bekroning van 't gebouw bestond o. a. hierin, dat aan de kamers een recht van „interpellatiequot; of tegenspraak werd toegestaan en dat de vervolging der persvergrijpen werd opgedragen aan den gewonen rechter.

Doch wat ook van de zijde der regeering geschiedde, hot werd meer en meer zichtbaar, dat de mate vrijheid, door den keizer toegediend, niet toereikond was om het keizerschap een aanhang te doen verwerven. De gezindheid der keizerin om de zaak van den paus en van de geestelijkheid voor te staan; het verlies van Frankrijks aanzien in 't buitenland, vooral door den rampspoedigen tocht naar Mexiko; dit en zooveel meer waren onvergeeflijke misslagen naar 't oordeel der republikeinen. Een krachtig bondgenoot vonden de bestrijders van het keizerschap sedert den 30sten Mei 1868 in de Lantaarn, op welken dag hot eerste nummer het licht zag van dit weekblad, opgesteld door Henri Rochefort, waarin de keizer en zijn familie persoonlijk werden aangetast on gehekeld. Tot gevangenschap en boete veroordeeld, nam do redacteur de wijk' naar Brussel, zetto daar zijn onderneming voort en wist het blad voortdurend in Frankrijk te doen verbreiden.

Hierdoor en door andere redenen werd de keizer genoopt het jaar 1869 te maken tot een keerpunt zijner binnenlandsche staatkunde. In een boodschap van Juli aan de kamers wierp hijzelf de grondslagen omver, waarop het gebouw van den staat was opgetrokken. De hervormingen, die hij in dat stuk beloofde, hervormingen, die veeleer een uiteenspatting van zijn stelsel waren dan een „bekroning van 't gebouwquot;, waren o. a.: uitbreiding van 't recht van „interpellatiequot; en grootero bevoegdheden dei-kamer ten aanzien van liet vaststellen van het budget. De senaat keurde die wijzigingen goed.

Middelerwijl doorzag de keizer, hoe de toestand en van zijn huis, en van 't rijk hoe langer hoe neteliger werd. Op nieuw rees bij hem de vraag, die reeds zoo dikwijls het onderwerp zijner gedachten was geweest, of hij verder voorwaarts zou gaan, óf weder achteruit en de dictatuur herstellen. Eindelijk nam hij een beslissing en verkoos liet eerste. Émilo Ollivier, een republikein, die allengs meer naar de zijde der Bona parti sten was beginnen te neigen, werd den 2den Januari 1870 aan de spits

VVunnk, Handboek der Ahj. Geschiedenis^ 7lt;ie «li nk. '27

-ocr page 450-

418

van een nieuw ministerie gesteld ter vervanging van Rouher. Den 2östen April van 't zelfde jaar greep do volledige overgang van 't persoonlijk bewind tot de volksvertegenwoordigende regeering plaats. Ingevoerd werd de ministerieële verantwoordelijkheid, de wetgevende macht mede aan don senaat toegekend, en daarenboven volkomen vrijheid van beweging aan het wetgevend lichaam. Door de volksstemming of het plebisciet van den Ssten Mei 1870 word de nieuwe regeeringsvwm, de constiiutioneele, bekrachtigd. Ruim zeven millioenen stemmen verklaarden zich er voor.

Steeds zocht Napoleon III een afschijnsel te wezen van zijn oom. Het oogenblik naderde, waarop het voor hem was weggelegd, in een dergelijke ramp als die, welke een eind had gemaakt aan 't openbare leven van den eersten Napoleon, den ondergang van 't keizerrijk Frankrijk te moeten aanschouwen. Wat voor dien Napoleon Waterloo was geweest werd voor hem Sedan. In Juli 1870 vernam gansch Europa, dat het Spaansche ministerie, geleid door Prim (zie blz. 330), de kroon van Spanje had aangeboden aan prins Leopold von Hohenzollern-Sigmaringen (zie blz. 356), gesproten uit een der niet regeerende katholieke takken van het huis Hohenzollern, officier in Pruisischen dienst en verwant met het huis Napoleon. Aanvankelijk betuigde de prins bereid te zijn die kroon aan te nomen; doch welhaast kwam hij op zijn betuiging terug en bedankte. Do grond, waarom hij van meening veranderde, was dat de zaak inmiddels een onderwerp van geschil was geworden tusschen het hof. van Parijs en dat van Berlijn.

Den Oden Juli toch had Benedetti, Frankrijks gezant te Berlijn, gehoor verzocht en verkregen bij den koning van Pruisen, Willem I, die toen te Ems (in 't vroegere hertogdom Nassau, thans Pruisisch gebied, ten o. van Coblents) vertoefde. Op bevel van den keizer en van Frankrijks minister van buitenlandsche zajcen, den hertog de Grain-mont, had Benedetti hot verlangen zijner lastgevers aan den koning van Pruisen kenbaar te maken, dat deze vorst prins Leopold ried of beval, van zijn besluit om de kroon van Spanje aan te nomen afstand te doen. Do koning van Pruisen was hiertoe niet genegen. Daarop kreeg men de tijding, dat Leopold had bedankt. Maar hiermede was het Fransche kabinet nog niet tevreden. Alzoo word den gezant nu opgedragen, to eischen, dat de koning van Pruisen stellig verzekerde, dat l ij nimmer zijn toestemming zou geven, indien ooit weer hetzelfde aanbod aan prins Leopold werd gedaan. Willem I weigerde volstrekteen dusdanige verklaring, waarop Benedetti Eins den 14den Juli verliet en naar Parijs wederkeerde.

Zooals hot schijnt was Napoleon III zelf afkeerig van den krijg. Doch in zijn huis was keizerin Eugenic, in zijn ministerie waren de Grammont (overleden 1880) en de minister van oorlog, Leboeuf, zeer voor den oorlog gestemd. Met uitzondering van Thiers en van eenige andere leden, met elkander een kleine minderheid, deelde hot wetgevend lichaam die gezindheid, en ook de senaat sloot zich or bij aan. De minister van oorlog betuigde, hoewel alles in verrogaanden staat van wanorde verkeerde, dat

-ocr page 451-

41!)

liet leger gereed on zijn uitrusting volkomen was. Hot einde dei beraadslagingen al zoo was, dat don 19den Juli een zaakgelastigde van 't Fransche hof te Berlijn bevel kreeg, den koning van Pruisen don oorlog te verklaren. Nog is, met betrekking tot de aanleidende oorzaken van den oorlog, niet alles opgehelderd. Maar vrij waarschijnlijk is het, dat Napoleon viel in de strikken, gespannon door von Bismarck, op gelijke wijze als Oostenrijk in 1HC0.

§ 138.

Frankrijk. — Beieren, Wurtemherg en de overige Zuid-Duitsche stalen sluiten zich bij Pruisen aan. — Napoleon vertrekt den 2Ssien Juli naar zijn hoofdkwartier Metz. — Lehoeuf hoofd van den algemeenen staf. — De keizerin-regentes. —■ De mitrailleuses. — De 'fureo's. — Het naaldgeweer. — Kleine overwinning der Fransrhen hij Saarbracken, de)i 2den Augustus 1870. — De Pruisische kroonprins, Frederik Willem , wint den 4den Augustus den slag hij Weissenburg op Mac, Mahon. — Deze maarschalk den Oden geheelenal verslagen bij Woerth, zoowel door den kroonprins, als door prins Frederik Karei. — Nederlaag van Fros-sard op den (iden hij de hoogten, van Spiekeren, hem loegehrarht door Steinmetx. — De Duitschers vermeesteren den 12den Nancg. — Mnr Mahon hij Chalons. — Napoleon UI treedt af als opperbevelhebber, Lehoeuf als hoofd van den algemeenen staf. — Baxaine bevelhebber van 't leger van den Rijn. — Napoleon begeeft zich naar de legerplaats hij Chalons. — Ollivier treedt af; Parijs in staat van verdediging gesteld; vorming der nationale garde. — Cousin de Montauban, graaf van l'a-likao, hoofd van een nieuw ministerie. — Slag bij Vionville of bij Mars la Tour, den Kiden Augustus gewonnen door Frederik Karei en door Steinmetx op Dazaine. — Slag bij Ghravelotte, den I8den gewonnen door Willem I op Baxaine. — Hazaine ingesloten hij Metz. — Mac Mahon en de keizer richten zich op Sedan. — Frederik Karei en Steinmetx sluiten Metz in. — Reeks ran gevechten van Mac Mahon tegen den kroonprins en tegen Albert van Saksen, den HOsten en den ■listen. Augustus, in de nabijheid van Sedan. — Zege van Willem I bij Sedan op den Isten September. — Napoleon III stelt zijn degen en xijn persoon ter beschikking van Willem. — Capitulatie. ■— Napoleon gaal naar Wilhelmshöhe. — Hoofdkwartier van. den koning van Pruisen te Versadies. — Parijs ingesloten. — Trochu gouverneur van Parijs en opperbevelhebber der bezetting. — Omwenteling van den -Iden September 1870. — Eugénie vlucht naar Engeland. — Het bewind der nationale verdediging. — Oprichting van nieuwe legers. — De franc-tireurs of wilschutters. — Straatsburg geeft xich den 28sten September over; Metz, capituleert den 27sten October. — Over de 300,01)0 krijgsgevangene)!, der Franschen in Duitschland. — Hourbaki wijkt naar Zuntserland.

De oorlog van 1870, op die wijze verklaard, bleof geen oorlog t.usschen

-ocr page 452-

420

twee vorsten of twee staten, iloch werd' er weldra een tnsschen twee nationaliteiten, want geheel Duitschland, niet alleen het Noord-üuitwho verbond, maar ook Beieren en Wurtemberg sloten zich bij Pruisen aan. Hoofdzakelijk was dit het gevolg van do telkens op nieuw door Frankrijk geopperde aanspraken op het bezit der Rijnstreken en van de gespannen verhouding tusschen de beide rijken sedert den oorlog van 1800. Binnen weinige dagen erlangde Napoleon dus de zekerheid, dat zijn hoop op bijstand van do staten van Zuid-Duitschland in rook was vervlogen; dat zij allen, als bondgenooten, hun strijdkrachten ter beschikking van Pruisen stelden. Rusland hield Oostenrijk en Denemarken tegen, die niet geheel vreemd kunnen zijn geweest aan de neiging om zicli bij Frankrijk aan te sluiten, terwijl Wushtnd zelf zich, of omdat het niet gereed was, öf omdat het eng was verbonden met Pruisen, geiieel onzijdig hield. Doch terugkeer was voor den keizer der Franschen onmogelijk. Alzoo stelde hij zich aan de spits zijner troepen, terwijl Leboeuf aan 't hoofd van den algemeenen staf werd geplaatst. Den 28sten Juli vertrok hij naar Metz (in 't o. van Frankrijk, ten o. van Verdun), waar hij zijn hoofdkwartier opsloeg. De keizerin trad inmiddels als regentes op.

Binnen kort bleek het, dat Duitschland gereed was. Frankrijk niet. Wel hail Frankrijk een aanmerkelijk aantal kanonnon van een bijzonder maaksel, uit ruim dertig stalen loepen bestaande, mitrailleuses geheeten, waarmede men in één minuut eenigo honderden malen kan vuren', ter zijner beschikking; maar ook deze kanonnen wogen, evenmin als do afdeelingen troepen, 'Purco's geheeten, waarvan de kern uit Afrikanen bestond, op tegen liet naaldgeweer en tegen de algeheele inrichting van do Pruisische en van de Beiersche legers, die in alle opzichten voortreffelijk was. Na een overwinning van weinig beteekenis, den 2den Augustus bij Saarbrücken (in de Rijnprovincie, ten n.o. van Metz) behaald door de Franschen, werd de reeks der groote zegepralen van de Duitsche wapenen den 4den dier maand geopend. Op dien dag won de Pruisische kroonprins, Frederik Willem, den slag bij Weissenburg (in Beieren, ten n. van Straatsburg) op den rechtervleugel van 't leger van maarschalk Mac Mahon, die daarop den Oden geheolenal werd verslagen bij Woerth (in de nabijheid van Weissenburg, naar 't z.w.) door de troepen, zoowel van den kroonprins, als van 's konings neef of broeders-zoon, Frederik Karei. Ten zelfden dage onderging Frossard een nederlaag bij de hoogten van Spicheren (ten z.o. van Saarbrücken), waar Steinmetz zegevierde. Den 12den namen de Duitschers bezit van Nancy, de oude hoofdstad van Lotharingen, na reeds vroeger met de insluiting van Straatsburg een aanvang te hebben gemaakt.

Van hun kant waren al de overblijfselen van de geslagen Fransche legerafdeelingen naar Chalons (aan de Marne) teruggetrokken, waar zij onder 't opperbevel van Mac Mahon werden gesteld. Ter zelfder tijd grepen zoowel in het opperbevel over de Fransche troepen, als in do regeering van Frankrijk, aanmerkelijke veranderingen plaats. Niet alleen

-ocr page 453-

421

Leboouf trad af als hoofd van den algemoenon staf; doch keizer Napoleon 111 zelf legde ook het kommando neder en stelde over dat gedeelte van 't. leger, hetwelk men „het leger van den liijnquot; noemde, Frans Achilles Bazaine aan. Hijzelf, Napoleon, begaf zich hierop naar de troepen, welke Mac Mahon aanvoerde en die in de legerplaats bij Chalons lagen. De onrustbarende tijdingen brachten tevens te Parijs te weeg, dat het wetgevend lichaam en do senaat bijeenkwamen, het ministerie Ollivier aftrad en door een ander werd vervangen, Parijs in staat van verdediging werd gesteld en een nationale garde gevormd. Aan de spits van 't nieuwe kabinet kwam, als minister van oorlog. Cousin de Mon-tauban, die, naar den in den krijg tegen Sina bij de brug van Palikao (niet ver van Peking) (zie § 149) in 1860 gewonnen slag, den titel „graaf van Palikaoquot; had gekregen. Hij overleed in 1877.

Sedert dit oogenblik hing het lot van Frankrijk af van de vraag, of het aan 't leger van Bazaine, dat zijn hoofdkwartier had te Motz, zou gelukken, zich door te slaan, en of hij zich zou kunnen vereenigen met Mac Mahon, die geposteerd was op de plek, waar vroeger Attila mot zijn Hunnen zich had opgehouden. Deze vereeniging werd verhinderd vooral door den slag bij Vionville of bij Mars la Tour (beide ten w. van Metz), den 16den Augustus met ongunstigen uitslag door Bazaine geleverd tegen prins Frederik Karei en tegen den Pruischen generaal Steinmetz, die den maarschalk daardoor den aftocht op Verdun beletteden. Hierop volgde den 18den do groote slag bij Gravelotte (insgelijks ten w. van Metz.), waar de koning van Pruisen in persoon de Duitschors aanvoerde en waardoor het leger van Bazaine naar de legerplaats bij Metz werd teruggedrongen en van Parijs geheel afgesneden.

Intusschen had Mac Mahon de versterkte legerplaats bij Chalons verlaten en richtte zich naar 't Noorden. Hij en de keizer wenschten op te lukken ter verdediging van Parijs; doch op dringend verlangen der keizerin en van Palikao zagen zij hiervan af en trokken op in de richting van België, ten einde vandaar nogmaals te beproeven zich met Bazaine te veteenigen. Hier zou Sedan hun tot een Caudium (zie blz. 63) worden. Van hun kant rukten thans de Duitschers ten deele rechtstreeks op Parijs aan. Doch terwijl twee van de afdeelingen van hun leger, onder Frederik Karei en onder Steinmetz, bij Metz bleven, marcheerden twee andere, onder den kroonprins en onder Albert, kroonprins van Saksen, Mac Mahon te gemoet. Tusschen dezen Franschen maarschalk en de Pruisische troepen had den HOsten en den Sisten Augustus een reeks van gevechten plaats in de nabijheid van Sedan (aan de Maas, ten n.w. van Verdun, op de grenzen van Luxemberg). Aan de overwinningen, hier behaald, werd de kroon opgezet door de schitterende zege, welke Willem I den Isten September onder de muren van Sedan behaalde, in welken slag Mac Mahon werd gekwetst, 't Onmiddellijk gevolg dier nederlaag was, dat Napoleon III, die zich nog steeds bij dat leger bevond, zijn degenen zijn persoon ter beschikking stelde van den koning van Pruisen en dat het

-ocr page 454-

422

gansclie overschot van 't Fransche leger, nagenoeg 100,000 man, als krijgsgevangenen naar Duitschland werd vervoerd. Den keizer der Pranschon werd hot slot Wilhelmshöhe (nabij Kassei) als verblijfplaats aangewezen.

Nu kon niets meer de insluiting van Parijs in den weg staan, die don 1 Oden September een voldongen feit was. De koning van Pruisen vestigde zijn hoofdkwartier ts Versailles. Hier, te Parijs, was mon inmiddels, bij de opeenstapeling van zooveel onheilen, niet lijdelijk gebleven. Na de slagen bij Vionville en bij Gravelotte was Trochu door den keizer, die zich toon te Chalons bevond, tot gouverneur van Parijs en opperbevelhebber van do krijgsmacht dier stad benoemd. En na do geduchte nederlagen bij Sedan had or eon geheele omwenteling plaats. Toen drong een deel van de bevolking der stad mot gewold de vergaderzaal van hot wetgevend lichaam binnen. Aan dien aandrang kon geen weerstand worden geboden. Alzoo werd don 4den September de keizer van zijn waardigheid vervallen verklaard en de republiek bij openbare afkondiging ingesteld. Keizerin Eugénie vluchtte naar Engeland. Als leden van een voorloopigo regeering, hel bewind der nationale verdediging, namen Jules Favre (overl. Jan. 1880), Gambetta, (overl. einde 1882), Rochefort en een negental anderen zitting, van welke eenigen, togen den tijd der insluiting, hun zetel naar Tours en vandaar weer naar Bourdeaux verplaatsten. Tevergeefs brachten zij oen leger van 't Noorden, een leger van de Loire, enz. op de been. Van minder gehalte dan die legers waren de benden franc-tireurs of vrijschutters, die allerwege verrezen. Ook do hulp, die Garibaldi aanbracht, was niet in staat het verderf van Parijs af te weren.

Na weken lang te zijn gebombardeerd gaf Straatsburg zich den 28steii September over. Metz capituleerde den 27sten October. Daar do bezettingen dier beide steden zich eveneens naar Duitschland moesten begeven, beliep het getal der krijgsgevangenen, die in dit rijk voorshands hun verblijf vestigden, over de 300,000 man. In Januari 1871 ving het bombardement van Parijs aan. Op 't einde dier maand dwong de tegenspoed, hoofdzakelijk bij gebrek aan levensmiddelen in de hoofdstad. Frankrijk het hoofd in den schoot te leggen. Duitschlands legers hadden hot go-heolo Noord-oosten, alsmede oen dool van het Noorden en van het Westen van 't rijk in bezit. Het laatste leger, waarover Frankrijk nog kon beschikken, dat van Bourbaki, zocht, door menige nederlaag afgenjat, een toevlucht in Zwitserland.

§ 139.

Frankrijk. — Jlel voorloopig bewind, te Parijn gezeteld, sluit den, 28sleii Januari 1871 een 'wapenstilstand. — De nationale vergadering le Bourdeaux den 13den Februari. — Het beu'ind der nationale verdediging treedt af. — Thiers hoofd van 't uitvoerend bewind. — Vredes-praeliminairen van Versailles van den 26sten Februari 1871. — Ikl huis van Napoleon III ontzet verklaard van den troon. — Napoleon niet xijn gezin gaal naar Chiselhurst, — Hij overlijdt den Hden Januari

-ocr page 455-

-12;?

/#7.7. — Oordcel over hem. — In November IS70 treedt Ziiid-Duitsoh-land toe tot het verhond van 't Noorden. —• Willem I tceixer van, Duitsehland. — Bismarck rijkskanselier. — De kroning te Versailles den 18den, Januari 1871. — De encyclica van patis Pius IX van den Sstcn December 1864 en de syllabus. — Het oecumenisch of Vaticaansch concilie in de SI. Pieterskerk te Home, den 9den December I86i) hij-eengekomen. — Het leerstuk der onfeilbaarheid des pausen. — Het concilie gaat in Juli 1870 uiteen. — De Mei/vetten in Pruisen, vastgesteld in 1873. — Kullmann poogt Bismarck te dood en te Kissingen, Juli 1874. — Vergadering der gevolmachtigden van l'Vankrijk, van Pruisen en van andere Duitsche staten te Brussel, geopend den 28sten Maart 1871. — Samenkomst van Bismarck met Jules Favre te Frankfort aan de Main, den (Men Mei 1871. — De vrede wordt gesloten den Wden Mei. — Uitwisseling der ratifimtiën den BOsten. — Frankrijk betaalt den laatsten termijn der oorlogsschatting. — Den Ifiden September 1878 overschrijdt de laatste Pruisische soldaat de grenzen. —-He Ketting van Parijs door een deel der Du itsche troepen van den Isten tot den .'kien Maart 1871. — Manschappen der nationale garde le Parijs vermeesteren kanonnen en voeren xe tiaar de voorstad St. Antoine en naar Montmartre. ■— Men weigert xe uit te leveren aan Vinog, gouverneur van Parijs. — De garde doet andere eischen. — Het centraal comité. — Het oproer breekt den ISden Maart uit. — Dood der generaals Lecomte en Clément Thomas. — Ik commune of gemeenteraad houdt den 2 Os ten Maart zijn eerste zitting. — Aanval der opstandelingen op Versailles, den Men April. — Mac Mahon trekt tegen Parijs op. — Verwoesting en andere gruwelen te Parijs in Mei. — Demping van het oproer, den 28sten Mei. — Thiers neemt zijn ontslag in Mei 187.1. — Mac Mahon president der Republiek. — Krijgsraad onder H voorxitterschap van den hertog van Autnale in de zaak van Baxaine in het slot Trianon, den Oden October 1878 geopend. —■ Het vonnis. —-Baxaine ontsnapt in Augustus 1874 uil de gevangenschap op 't eiland St. Marguerite. — Orévg president der Republiek. —• De wereldtentoonstelling te Parijs. — Orévg treedt af. — Sadi Gamot president. —■ Hij wordt vermoord. Juli 181)4, en vervangen door Casimir Périer. — Périer legt zijn ambt neer. Januari 1805. — Gekozen wordt Félix Franrois Faure.

Uit hoofde van al de zoo even geschetste rampen zag liet gedeelte van 't vooiioopig bewind, hetwelk te Parijs zijn zetel had, zich verplicht den 28stcn Januari 1871 oen wapenstilstand aan te vragen. Dozo schorsing werd toegestaan. Gedurende den tijd van den wapenstilstand verkozen do Franschen leden voor de nationale vergadering, die den 13den Februari voor 't eerst te Bourdeaux bijeenkwam on Thiers tot hoofd van 't uil-voerend bewind benoemde. In Maart 1871 verplaatste de vergadering haar zetel naar Versailles. Het bewind der nationale verdediging trad den-

-ocr page 456-

424

zelfden ISflen Februari af. Den 26ston Febnmri 1S71 werd men het tc Versailles oens over de wedespraeliminairen, die een eind maakten aan den oorlog, waarin, van den kant der Dnitschers, behalve de koning van Pruisen en do boido prinsen, von Bismarck, de minister van oorlog von Koon en Moltke wederom (zie blz. 366) de hoofdpersonen waren geweest. De hoofdinhoud dier praeliminairen komt hierop neer, dat Frankrijk den Elzas met Straatsburg en Duitsch-Lotharingen met Metz aan üuitschland afstaat en binnen drie jaren vijf milliarden, d. i. vijf duizend millioen, francs betaalt. Tot het tijdstip der volledige afbetaling van de gansche som word Duitschland gerechtigd verklaard, oen doel van Oostelijk Frankrijk bezet te houden. Nog werd vastgesteld, dat een dool dor Duitsoho troepen van den Isten Maart af de stad Parijs zoude bezetten tot hot tijdstip van de goedkeuring der praeliminairen door do nationale vergadering. Eindelijk bepaalde men, dat de onderhandelingen om tot den eigenlijken vrede te geraken zouden worden geopend te Brussel. De bekrachtiging der praeliminairen, zoowel door Willem I, als door do nationale vergadering, liet zich niet lang wachten. Tevens sprak deze vergadering do vervallenverklaring van den troon uit van Napoleon UI on van zijn huis. Dadelijk na die bekrachtiging verliet de gewezen keizer der Franschen het slot Wilhelmshöhe en vertrok naar Engeland.

Hier nam hij met de gewezen keizerin en met zijn zoon zijn intrek in het kasteel Chiselhurst (in Kent, ten z.o. van Londen) en overleed or den Oden Januari 1873. Wat de historie mettertijd van hem zal hebben te getuigen zal waarschijnlijk o. a. ongeveer in dezer voege luiden: dat hij de eerste was, die in Frankrijk het stelsel van den vrijen handel in toepassing bracht; de eerste, die bewerkte, dat er nauwer aansluiting kwam tussohen Engeland en Frankrijk; dat hij voor do geringere volksklassen veel heeft gedaan , tegen welke lichtzijden overstaan deze schaduwzijden , dat hij, ofschoon niet geiieel verstoken van den blik des staatsmans, de bekwaamheden, vereischt voor het bestuur, miste; dat hij, geen onafhankelijke mannen naast zich gedoogende, geenszins het talent had degelijke en ervaren staatsdienaren te kiezen; dat hem karakter en zedelijkheid ontbraken, weshalve hij ook genoegen nam met alle wegen, die tot zijn doel voerden, on volstrekt niet kiesch was in het uitzoeken zijner werktuigen; dat hij door zijn aanslag op den staat zelf den grond hoeft gelegd tot zijn val, daar die gewelddadigheid hom heeft geleid tc: de onbeperkte macht en tot het uitsluiten van de natie van allo bemoeiing mot de aangelegenheden van den staat.

Behalve de vele andere gevolgen van dezen krijg, mettertijd aan den dag gekomen, is er dit een, dat hij, terwijl hij in Frankrijk de tweo-spalt deed aangroeien, Duitschland een krachtige schrede voorwaarts heeft doen zetten op de baan der eenheid. Op voorslag n.1. van den koning van Beieren is ook Zuid-Duitsohland in November 1870 toegetreden tot het verbond, dat sinds 1866 voor 't Noorden van dit rijk bestaat. Van dit tijdstip af omvat dus Duitschland of hot Duitsche rijk. beiialvp de

-ocr page 457-

425

boven (zio lil/.. 367) gonoemde rijken, do koniiiki'ijkon Boicron on Wur-temberg, bonevens do groothortogdoininon Baden en Hossen, zoodat het getal der koninkrijken, bestanddeolon van het rijk of 't verbond, is toe-genomen met twee en dat der groot-hertogdommen mode met twee, waaraan ton laatste nog is toe te voegen hel rijkstand Elzas-Lothaiingen. Eveneens is, op 't voorstel van denzelfden koning van Beieren, wili.km i, met behoud van don titel „koning van Pruisen,quot; do titel keizer van Jhntschland ten doel gevallen, gelijk aan von Bismarck die van njks-kanselier. Den 18den Januari 1871 grepen in liet paleis van Lode wijk XIV te Versailles de plechtige inhuldiging en de kroning des keizers, alsmede de openlijke afkondiging van 't keizerrijk plaats. Zóó hoopt men do eenheid van al wat Duitscher is te zullen verkrijgen, iets waarvan do wereld, ook ten tijde van het voormalige keizerschap, nog nooit het schouwspel heeft gezien.

Een ander niet minder gewichtig, zoo niet rechtstreoksoh gevolg van den oorlog van 't jaar 1870, dan toch een daarmede nauw samenhangend feit is de op nieuw fel ontbrande strijd tusschen do wereldlijke en do geestelijke macht, in verband staande met verschillende oorkonden, achtereenvolgons door paus Pius IX uitgevaardigd, niet het minst met do verklaring van de onfeilbaarheid van den paus. Hoe meer het wereldlijk gezag van den heiligen vader allengs inkromp, des te ijveriger scheen hij er op bedacht, zijn geestelijke heerschappij te versterken, als wilde hij, in plaats van don in Italië vernietigden Kerkelijken Staat, er een anderen grondvesten, die de gansche Christenheid omvatte. Daartoe moest dienen de mchjcica of zendbrief van den 8sten December 1861 en dc daaraan gehechte syllabus of register, aan de aartsbisschoppen en de bis-schoppen der katholieke Christenheid toegezonden. In die stukken werd de oorlog verklaard aan de tegenwoordige maatschappij in haar geheel en een poging aangewend om het middeleeuwsch gezag dor Roomsch-katholieko kerk in al zijn omvang te herstellen. De kroon op het werk moest worden gezet door hei oecumenisch (d. i. algemeen, betrekkelijk de gansche bewoonde wereld) of Vaticaansch concilie, bijeengekomen den 9don December 186!) in de St Pieterskerk te Rome. Onder de leerstukken, hier bij meerderheid van stemmen vastgesteld, bekleedde een eerste plaats dat over de onfeilbaarheid des pausen. Kort daarna, in Juli 1870, ging het concilie vootioopig uiteen, en een nadere bijeenkomst hoeft niet plaats gegrepen.

Dat woord, te Rome uitgesproken, noopte een aantal geestelijke waar-digheidsbokleeders en wereldlijke machthebbers, zich tot den strijd tegen de op die wijze op nieuwe grondslagen opgetrokken kerk aan te gorden. Dit inzonderheid was het doel van de zoogenoemde MeiweJlen, d. i, van de wetten, in Mei 1873 door do regeering van Pruisen vastgesteld, welker strekking is het gezag van den staat tegenover do kerk te handhaven. Deze wetten hebben door 'tgeheele Duitsche rijk hoen eon reeks van processen in 't loven geroepen tegen de Roomsch-katholioko goestelijkon. Is alzoo do

-ocr page 458-

426

oorsto van do boido oorlogen, do wereldlijke, in llSTU ontbrand, alreedo in 't volgende jaar geoindigd, naar allen schijn is aan den tweede dier oorlogen, aan dien tnssohon de wereldlijke en de geestelijke macht, een langer dunr voorbeschikt. Een van de talrijke uitingen van don wrok over de Meiwetten was do poging van don kuipersgezel Kullmann, om den rijkskanselier in Jnli 1874 te Kissingen (aan de Saaie, ten o. van Frankfort aan de Main, in 't n. van Beieren) te dooden. De poging mislukte, on Kullmann is voor een reeks jaren in den kerker gezet.

Middelerwijl kwamen, overeenkomstig oen van de artikelen der vredes-praemilinairen, de gevolmachtigden dor regeeringen van Frankrijk, van Pruisen, van Beieren, van Wnrtemberg en van Baden den 28sten Maart 1871 to Brussel bijeen en hielden hun eerste zitting. Maar van den beginne aan wildon de onderhandelingen niet recht vlotten. Von Bismarck on Thiers kwamen dus tot dezen uitweg, dat oen paar vertegenwoordigers der regeering van Versailles mot den rijkskanselier zouden samenkomen te Frankfort aan de Main en beproeven hier de zaak ten einde te brengen. Dit gelukte. Thiers zond als hoofdgelastigde Jules Favre, toen minister van buitenlandsche zaken. Weldra, in vier dagen, geraakte men tot een gowenschto overeenstemming, zfch aansluitende aan de punten iler praeliminairen, zoodat de vrede reeds den lOden Mei 1871 werd goteekend en dr ratification of bekrachtigingen den 20sten dier maand te Frankfort werden gewisseld. In September 187B kweet zich Frankrijk, daartoe in staat gesteld door de uitstekende zorgen van Thiers, van den laatsten termijn der schuld, on den löden dier maand overschreed de laatste Pruisische soldaat do grens, die Frankrijk van Duitschland scheidde.

Terwijl Duitschland op do aangeduide wijze het voorbeeld gaf van oen streven naar nadere aaneensluiting, leverde Frankrijk een tafereel op van innerlijke verdeeldheid, hetwelk maar al te zeer aan de tooneelen van 1789 en volgende jaren herinnerde. Bij de capitulatie van Parijs van den 28sten Januari 1871 had Favre mot moeite van den rijkskanselier de inwilliging verkregen der voorwaarde, dat do nationale garde niet zou worden ontwapend. In dio nationale garde had men lieden van allerlei slag ingelijfd, ook gezeten burgers, doch bovendien velen van de laagste standen, vreemdelingen, socialisten, communisten. Hun getal was omstreeks 300,000. Bij hen zette zich thans hot denkbeeld vast, dat de vrede, gesloten mot Pruisen, verraad was, gepleegd aan't vaderland. Inzonderheid logden de manschappen der nationale garde een hevigen afkoer aan don dag van do bepaling der praeliminairen, dat do Duitschers Parijs zouden binnenrukken en oen paar dagen bezetten. Toch geschiedde dit. Den 3den Maart verlieten do Duitschers de stad weer.

Aireode vóór hun intocht haddon eenige manschappen der nationale garde op eigen gezag zich moester gemaakt van een aantal kanonnen en zo naar do voorstad St. Antoino gesloopt. Don (kien Maart en volgende dagen werd op nieuw door do nationale garde beslag gelegd op oen aanmerkelijke liooveelheid kanonnen, ten bedrage van over de vier

-ocr page 459-

427

honderd. Onder voorwendsel dat men ze voor do Pruisen in veiligheid wilde brengen werden zij naar den Montmartre (zie blz. 318) vervoerd. Op den eisch van generaal Vinoy, gouverneur van Parijs, om ze uit te leveren werd een weigerend antwoord gegeven. Daarenboven stelde de garde allerlei vorderingen aan do regeering en beriep zich, in plaats van te gehoorzamen aan de bevelen dier regeering, telkens op oen centraal comité, dat zichzelf had opgeworpen. Als in oen oogwenk verrezen wederom de barricaden, ten bewijze dat men ook meer dan 't behoud der stukken geschut in 't schild voerde, n.1. de vestiging voor goed van de heerschappij van den groeten hoop. Don ISden Maart brak het oproer los. De leiders waren o. a. Blancjui ou Fleurens. tiet toonecl der gewelddadigheden werd geopend met hot dood schieten der generaals Locomte en Clément Thomas, die, terwijl zij door de stad wandelden, onvoorziens waren gegrepen. Daar het bleek, dat men niet op do trouw van een deel van 't leger kon rekenen en dewijl de opstandelingen alle door de Pruisen ontruimde forten, uitgenomen het fort Valerien (ten w. van Parijs), hadden vermeesterd, verplaatste de ganschc regeering, met het ministerie, haar zetel naar Versailles en liet de stad eveneens door tie troepen ontruimen.

Inmiddels vaardigde het centraal comité allerlei bevelen en vorderingen uit en stelde zich in volkomen staat van tegenweer. Krachtens een dier verordeningen benoemden de kiezers van Parijs de loden van de roiii.munc of den gemeenteraad, die den 29sten Maart zijn eerste zitting hield on die niet het centraal comité der nationale garde de oppermacht doelde. 1 n het programma, dat de nieuwe regenten bekend maakten, werd verkondigd, dat Frankrijks regeeringsvorm de republikeinsche zou zijn; dat de Ho-publiek zou bestaan uit zoovele gemeenten, als er steden, dorpen, vlekken in het land waren; dat elke gemeente een volkomen zelfstandigheid zou genieten. Tusschen de beide bestanddeelen van het tweehoofdig bestuur ontstond intusschen weldra verdeeldheid, hetgeen binnen kort, tot heil der menschhoid, zijn val bewerkte. Op last dezer eigonmachtige overheden deden de opstandelingen den Hden April oen aanval op Versailles, die door do geregelde troepen werd afgeslagen.

Ten einde het oproer eindelijk met kracht te keer te gaan benoemde Thiers Mac Mahon tot opperbevelhebber dor gezamenlijke krijgsmacht, bestemd om tegen Parijs op to rukken. Te midden van den follen kamp kooldon, in overeenstemming met besluiten van den gomeonteraad, do nationale garden hun wrok door H omverhalen en, met behulp van petroleum, in brand steken der voornaamste openbare gebouwen en van honderden woningen van bijzondere personen. Met die gruweldaden ging gepaard, mode op bevel van den gemeenteraad, liet dooden van een aantal gevangenen, als gijzelaars bewaard, o. a. van don aartsbisschop van Parijs, Darboy. Ten laatste werd voor goed paal en perk gesteld aan wandaden, ijselijker dan do wreedheden der Vandalen (zie blz. 88), on koorde do rust den 28sten Mei 1871 weder, toen de troepen de gansche stad meester

-ocr page 460-

428

wiu'en en allo oproerlingen waren gedood, gevangen genomen of gevlucht. Honderden dor oproerlingen werden getroffen door veelal niet malsche vonnissen van don krijgsraad. Zoo werd Eochefort verbannen naar hot eiland Nieuw-Caledoniö (ten o. van Nieuw-Holland of Australië), sinds 185;i door Frankrijk in bezit genomen, vanwaar hij in Maart 1874 naar London is gevlucht, gelijk anderen na hem mede wisten te ontkomen.

Nog twee jaren na de horstelling der orde stond Thiers aan de spits van 't bewind der Fransche Republiek. Toen, in Mei 1873, nam hij, uit hoofde van geschillen met de meerderheid der kamer, zijn ontslag en werd Marie Eclmée Patrice Maurits graaf Mac Mahou tot president van de Republiek voor zeven jaren benoemd. Don Gden October van 't zelfde jaar verscheen in het slot Trianon te Versailles Frans Achilles Bazaine de eerste maal voor den krijgsraad, die hem, onder 't voorzitterschap van den hertog van Aumule (in 't n. van Frankrijk, ten w. van Amiëns), voor zich had gedaagd. De aanklacht, togen hem ingebracht, luidde, dat hij door het onderteekenen der capitulatie te Metz, zonder tevoren het uiterste te hebben geproefd , togen de eer en den plicht van don krijgsman had gehandeld. In December veroordeelde de krijgsraad don maarschalk ter dood en tot vervallenverklaring van zijn hoogen vang, doch beval hem tevens aan de genade van den president der Republiek aan. Mac Mahon veranderde de beschikking van het vonnis in twintigjarige inkerkering op het eiland St. Marguerite (nabij Cannes, in 'tz.o. van Frankrijk). Het vonnis, dus gewijzigd, word aanvankelijk ten uitvoer gelegd; maar reeds in Augustus 1874 gelukte het den maarschalk over zee te ontsnappen. Hij overleed te Madrid in 1888. Den 30sten Januari 1878 deed Mac Mahon uit eigen beweging afstand van zijn waardigheid en werd Orévy tot president voor zeven jaren benoemd. Hetzelfde jaar kenmerkte zich door een groote en druk bezochte wereldtentoonstelling te Parijs. Herbenoemd in 1885, trad Grévy af in December 1887. In zijn plaats werd Sadi Ca mot, een kleinzoon van den voormaligen directeur (blz. 302, 304), gekozen. In Juli 1894 werd Carnot door den anarchist Caserio te Lyon vermoord en vervangen door Casimir Périer, een kleinzoon van den vroegeren minister (blz. .397). Reeds in Januari 1895 deed de nieuwe president afstand van zijn ambt. In zijn plaats kwam Felix Francois Faure.

§ 140.

Nederland. — Invloed der Midagen op België. — Onvergenoegdheid in dril land over de niet vrijwillige vereeniging met de Nederlanden. — Ken paar artikels van den eersten vrede van Parijs. — Uitwerking dier bepalingen in de acht artikels, den 'JOsten Juni 1814 te Londen vaat gesteld. — Willem Frederik neemt den. 2isien Juli de souvereiniteit over België aan. Opofferingen, tegen dexe aanwinst overslaande. — Willem 1 aanraardt den, lilden Maart iHlü de koninklijke waardigheid over Noord- en over Zuid-Nederland, alsmede over Luik. — Zjjn ver-

-ocr page 461-

429

dray an met uier van de hoofdmogendhedm ran H congres ran Weenen. — Hel groolhcrtogdom Luxemburg m zijn staatsrrchldijke toestand. - De Staten-Generaal van het Noorden nemen in Augustus /.S'/.-i de grondwet aan. — Uitslag der stemming van de notabelen in het Zuiden. — (/ronden, waarop 's konings verklaring van de algetneene aanneming der grondwet rust. — Hoofdinhoud der grondwet. — Huwelijk van den prins van, Oranje. — Kinderen, uit dat huwelijk gesproten. — Nederland herkrijgt zijn koloniën. — Graad van welvaart der Nederlanden in de eerste jaren na 1115. —• Maatregelen van bestuur ran Willem, I. Kanalen. — 's Konings zorg voor het onderwijs. —■ De regeling der kerkgenootschappen. — De Nederland,srhe Handel 111 a at scb appij. — Optelling der Oost-Indische bezittingen ran het rijk. — Oorlogen, aldaar gevoerd. — Johannes van den Bosch gouverneur-generaal ran Neerlands Indië en, het cultuurstelsel. — Het amortisatie-syndicaat. — Verzet der Roomseh-katholieke geestelijkheid tegen de regeering. — Veroordeeling ran den bisschop de Broglio. — Het besluit over de landstaal. — Andere grieven der Belgen. — De besluiten van den léden Juni 1825 nopens het onderwijs. — Het collegium philosophicum. — Twee partijen in België vijandig tegenover de regeering staande. — De unie der twee partijen. — Het concordaat met paus Leo XII. —■ Verordeningen, waardoor de koning aan de bezwaren te yemoet komt. — De processen tegen de Potter. — Omwenteling in Frankrijk.

De Julidagen, gelijk do Fransche omwenteling van 1830 gewoonlijk hoot, oefenden schier alom in het buitenland, het naast op België en op I'olou, hun invloed. In België, dat volgons besluit van 't Weenor-congres (zie blz. 320) in 1815 met Nederland was verbonden, had reeds sedert lang verschil van godsdienst, van taal, van karakter on van belangen een steeds toenemende onvergenoogdheid over de niot vrijwillige vereeniging met do Nederlanden doen ontstaan. Het kan zijn, dat dit wezenlijk onderscheid van het begin af niet altijd door do Nederlandsche regeering genoegzaam is in 't oog gehouden. Hoe dit zij, in oenige der artikelen van don eersten vrede van Parijs van den. 20ston Mei 1815 (zie blz. 19) was bepaald, dat er een ineensmolting zou zijn van Nederland en van België onder de souvereiniteit van het huis Oranjo-Nassau. Tot het vaststellen dier artikelen achtten de verbonden mogendheden, die den vrodo sloten, zich, met het oog op het evenwicht van Europa, gerechtigd, omdat zij do Belgische gewesten met geweld aan de Franschen hadden ontrukt. Do bepalingen van den eersten vrede van Parijs worden nader uitgewerkt in een achttal artikels, te Londen vastgesteld den 20sten Juni 1H14. Den 21sten Juli van 't zelfde jaar nam Willem Frederik, do oudste zoon van den stadhouder Willem V, die in 180(1 in Brunswijk was overleden, sinds Maart 1814 souvereino vorst van Noord-Nederland, de souvereiniteit over België aan, hom voorloopig, in afwachting der aanstaande ver-ooniging, aangeboden door de mogendheden. Dozo vergrooting, dools oen

-ocr page 462-

430

belooning voor Nederlands medewerking tot do redding van Enropa, doels een vergoeding voor sommige koloniën, die het niet terug erlangde, was een voordeel, maar een voordeel, dat het kocht voor aanzienlijke sommen, welks ten doele aan Rusland en aan andere mogendheden uitgekeerd, ten deele ter versterking van de vestingen in 't Zuiden besteed werden. Behalve deze vermeerdering van grondgebied, die Nederland thans als zeker kon te gomoet /ion, verkreeg het in Augustus, als oogenblikkelijke aanwinst, bij een verdrag, met Engeland gesloten, de volkplantingen, welke het op den Isten Januari 1803 had bezeten, met uitzondering van de Kaap de goede hoop, van Demerary, van Essequibo en van Borbiee (zie blz. 320).

Terwijl intussehen het congres van Weenon zoo over andere punten, als over de vereeniging van Nederland met België beraadslaagde, landde Napoleon den Isten Maart 1815 bij Cannes, en het tijdperk van do regeering der honderd dagen nam een begin, Ueze terugkeer deed den souvereinen vorst, die eerst van zins was, de uitkomst der beraadslagingen van 't congres te zijnen aanzien af te wachten, den IGden Maart besluiten, do koninklijke waardigheid over Noord- en over Zuid-Nederland, alsmede over Luik te aanvaarden. Willems verklaring werd weldra door hot congres bekrachtigd. Vier van de hoofdmogendheden van dit congres, Engeland, Oostenrijk, Rusland en Pruisen, sloten met den koning verdragen, waarbij hot nieuwe koninkrijk der Nederlanden werd opgericht. Omtrent Luxemburg stelden deze verdragen vast, dat het, als groot-hertogdom, aan Willom werd afgestaan, die van zijn kant afstand deed van de vorstendommen Nassau-Dillenburg, Siegon, Hadamar en Dietz, alsmede van hetgeen do rijksdeputatie (zie blz. 309) in Februari 1803 aan zijn huis had toegekend, n.1. van Fulda (in 't vroegere keurvorstendom Hessen), het voormalige bisdom Corvey (ton n.o. van Paderborn), do abdij Weingarten (in Wurtemberg, ton n.o. van Constants), de voormalige rijksstad Dortmund (ton z. van Munster), enz. Aan Luxemburg, dat een dor staten van het Duitscho verbond bleef uitmaken, werd tevens een dor zeventien stemmen in de vergadering van dien bond toegekend.

Te midden van het gekletter der wapenen, verwekt door den op nieuw togen Napoleon aangevangen oorlog, benoemde wii.lum i (1814—1840, overl. 1843) een commissie van tweeëndertig leden, voor de eene helft uit Nederlanders, voor de andere helft uit Belgen bestaande, om de grondwet van 1814 te wijzigen, of wel om een nieuw ontwerp oji to stellen. In Juli was de commissie mot haar work gereed. Nu moest dit ontwerp aan do beide afdeelingen van 't koninkrijk ter goed- of ter li fkeuring worden onderworpen. Voor het Noorden was de weg hiertoe gewezen door do grondwet van 1814. Het moest gebeuren door do Staten-üenoraal, in dubbelen getale te 's Gravenhage beschreven. De 110 leden namen het ontwerp in Augustus mot eenparigheid aan. In het Zuiden kon, bij 't gemis eoner vergadering, die hot volk wettig vertegenwoordigde, de booordeeling niot op dezolWo wijze geschieden. Daarom gelastte

-ocr page 463-

4:51

de koning1, dat tiaar, op dcüolfdo manier, als in het Noorden in 1814, bij stemming ovei liet ontwei1]) kom worden beslist door een getal van 180B notabelen, d. i. van mannen, zich onderscheidende door deugd, door bekwaamheden, door geboorte, door vermogen of door ambtsbetrekkingen. Eer deze stemming plaats had, verklaarde zich reeds de invloedrijke Belgische geestelijkheid openlijk en sterk tegen hot ontwerp. Vruchteloos trachtte de regeering de notabelen te betoogon, dat de katholieke geestelijkheid dwaalde en dat men, ten overvloede, was gebonden aan de acht artikelen te Londen opgesteld (zie blz. 429), die voorschreven, dat aan alle godsdienster, gelijke bescherming en voorrechten werden gewaarborgd. Van de 1GÜ;} kwamen in dezelfde maand Augustus 1323 op, en van die 1323 personen keurden slechts 527 het ontwerp goed, zoodat 790 het verwierpen.

In weerwil van die afkeurende meerderheid in België verklaarde de koning, die den uitslag had voorzien, dat de natie do grondwet had aangenomen. Hij grondde deze verklaring o. a. op de overweging, dat de afwezig geblevenen als voorstemmers moesten worden aangemerkt, en dat uit de stemming van 't Noorden en van 't Zuiden tezamen bleek, dat de grondwet aan den wensch van de overgroote meerderheid van Nederlands inwoners voldeed.

De nieuwe grondwet, de zesde regeling na 1795, erkende als hoofdbeginselen vrijheid van godsdienst, gelijkheid voor de wet en onafhankelijkheid der rechterlijke macht. De verdere inhoud komt hoofdzakelijk hierop neer. Ei1 zijn zeventien provinciën: Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Overijsel, Drente, Groningen, Friesland, Noord-Brabant, Zuid-Brabant, Limburg, Luik, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Henegouwen, Namen, Antwerpen. Tot Holland behooren de eilanden Texel, Vlieland, Terschelling, Wieringen, Urk en Marken; tot Overijsel Schokland; tot Friesland Ameland en Schiermonnikoog; tot Groningen Rottum. Do koning heeft oen jaarlijksch inkomen van 2,400,(300 gi. De koning verklaart oorlog en sluit vrede; hij heeft het opperbestuur der geldmiddelen en der koloniën; hij heeft, evenals de vertegenwoordigers der natie zelve, hei initiatief ten aanzien van de wetgeving, d. i. hij kan wetten voordragen aan de Staten-Goneraal. De zetel der regeering zal, bij beurten, hot cone jaar worden gevestigd in het Noorden, het andere in het Zuiden. Er zijn twee kamers, een Eerste, van 40 tot 60 leden, door den koning voor hun leven te benoemen, en een Tweede, die uit 110 leden zal bestaan, welke beide in 't openbaar beraadslagei). De leden van do Tweede kamer worden gekozen door de provinciale staten. De landelijke stand zal worden vertegenwoordigd in de staten der provinciën, zoodat die staten nu zullen zijn samengesteld uit drie bestanddeelen, don landelijken stand, de loden dor ridderschap en van de stedelijke raden. De loden dier staten worden gekozen door kiezers, te nemen uit hen, die do hoogste belastingen betalen. Voorzitters dor provinciale staten zijn, als 's konings commissarissen, de gouverneurs in de verschillende gewesten. Do vaststelling van hel budyet

-ocr page 464-

432

der gewone inkomsten en uitgaven van hot rijk moet om de tien jaren plaats hebben. Vrijheid van drukpers wordt toegezegd. Aan alle godsdiensten wordt gelijke bescherming beloofd. Deze grondwet is mede toepasselijk op Luxemburg, behoudens zijn betrekking tot den bond, weshalve Luxemburg insgelijks zijn vertegenwoordigers zendt naar do Staten-Generaal.

Kort lia do vereeniging der beide groepen dezer landen, in 181 (i, trad do prins van Oranje, Willem Froderik George Lodewijk, in hot huwelijk niet Anna Paulowna, de jongste zuster van Alexander 1, keizer van liusland. Uit dit huwelijk sproten: Willem Alexander Paul Fredorik Lodewijk, geboren in 1817; Willem Alexander Froderik Konstantijn Nikolaas Michael, geboren in 1818, overleden in 1848; Willem Frederik Hendrik, doorgaans prins Hendrik der Nederlanden geheeten, geboren in 1820, tijdens zijn leven luitenant-admiraal van de vloot en 's konings stedehouder in Luxemburg, overleden Januari 1879; Wilhelmina Maria Sophia Louise of prinses Sophia, geboren in 1824, in 1842 getrouwd met Karei Alexander Augustus Jan, sinds 1853 groothertog van Saksen-Wei mar-Eisenach. Benige jaren na zijn broeder, in 1826, trouwde 's konings tweede zoon, prins Frederik der Nederlanden, met Louise Augusta Wilhelmina Amalia, eon dochter van Frederik Willem III, koning van Pruisen.

In 181G geraakte het nieuwe koninkrijk in't bezit zijner Oost-en West-Indische koloniën, die bot tot dusver, door den oorlog op het vasteland verhinderd, niet had kunnen overnemen. Er verliepen, sedert dien tijd, weinige jaren, of de onderdanen van Willem I haddon alle reden om met hun toestand tevreden to zijn. Do akkerbouw geraakte weldra tot aanmerkelijken bloei. Evenals do landbouw deed de bergbomv belangrijke schreden voorwaarts. Niot zoo gunstig stond het aanvankelijk met do fabrieken en manufacturen. Daarentegen herleefden ook die bedrijven, welke van ouds do bronnen van Nederlands welvaart waren geweest, de handel en de zeevaart. Terwijl de regeering do verdienste had, de pogingen, welke do natie aanwendde tor verlevendiging van de welvaart, in de hand te werken, zocht zij zich tevens zolvo van do plichten to kwijten, welko haar roeping haar oplegde. Van haar monschlievondhoid gaf zij oen in 'toog vallend bewijs door in 1818, op 't voorbeeld van Engeland, den slavenhandel af te schaffen. Ter bevordering van de gemeenschap, dia het vervoer van do voortbrengselen dor nijverheid zoozeer vereenvoudigt, liet koning Willem I zich inzonderheid voel gelegen liggen aan do verbetering der groote wegen. Het waren meestal straatwegen, die door zijn toedoen werden aangelegd; maai onder zijn bewind word ook de eerste spoorweg in Nederland die van Haarlem naar Amsterdam, den 24sten September 1839 voor het publiek geopend. Op dien eersten spoorweg volgde weldra de Rijnspoorweg, die van Amsterdam naar de grenzen van Duitschland voert. Vooral hield Willem zich ijverig bezig met het scheppen of het bevorderen van 't aanleggen van binnenlandsche waterwegen. Met de haven „het Nieuwe Diepquot; (ten o. van don Helder) b.v. stond in verband het groote Noord-Hullandsche kanaal, hetwelk van het Nieuwe Diep voorbij

-ocr page 465-

Alkmaai' en l'unnorend tot Amstenlam loopt en voor grooto zceschopen lievaarbaar is. Dit ronsaclitige werk word in 1810 begonnen on in 1825 voltooid. In 1822 maakte men een begin met het graven van de Znkl-M'ilkmsmitrt tussciioii 's Hertogenbosch en Maastricht, Daardoor bekwam men oen waterweg van de laatstgonoemde stad tot don Heldor.

Hot waren ovenwol niet alleen do dingen van stolfelijkon aard, waarin de koning bolang stolde. Torooht begreep hij, dat de natie hoogere belangen had, waarvoor hij in de eerste plaats had te waken. Van die belangen achtte iiij hot onderwijs hot gewichtigste. Veel heeft hij voor deze maatschappelijke instelling gedaan. Ton tijde dor samenvoeging bestond i;i België liet lagor-on der wijs zoo goed als niet. Willem richtte een paar normaalscholen tor opleiding van onderwijzers op en oen groot aantal modelscholen, alles op kosten van do staatskas. Wat do koning voor hot hoogcr-ondorwijs deed. toont alleen liet feit, dat hij hot voor het Noorden regelde bij oen besluit van den 2den Augustus 1810 en voor het Zuiden bij een besluit van den 25steu September 1810. Nu werden do hooge-scholon van Leidon, IJtrocht, Groningen on Leuven tot een nieuw leven geroepen. To Gent en to Luik verrezen thans voor 't eerst academiën, te Brussel en in andere steden van 't Zuiden athonaeën. Ook die van Harderwijk en van Franekor, thans rijksathonaeün geworden, bleven in stand, doch worden later, in 1IS17 en in 1843, opgeheven. Ton behoeve van hot leger en do zoomacht schiep do koning do militaire academie te Breda on liet instituut voor do marine te Medemblik (thans te Nieuwe Diep). Noor het rechtswezen werd zorg gedragen door de invoering, den 1 sten October 1838, eenor nieuwe rechterlijke inrichting en eener nieuwe Xederlandsche wetgeving ter vervanging van de Fransche wetten, welke tot dusver in ons land hadden gohoerscht.

Een andere van 'skonings verdiensten is de regeling der protostantscho kerkgenootschappen in Januari 181G. oen zoor netelige zaak. Ofschoon er nog veel van do voormalige rechtsgewoonten was overgebleven. had do Fransche omwenteling van 1789 do betrekking tnsschon kerk en staat geheel veranderd. In den drang der omstandigheden meende thans de rogeering deze aangelegenheid to moeten regelen, omdat er nog geen bestuur der liervormde kerk bestond. Zij raadpleegde echter tevoren een commissie, waarin onderscheidene predikanten zitting hadden. Van alle bevoegdheid quot;in mede in do inrichting dor kerk to worden gekend rokende zij het niet doelmatig afstand to doen. Zij bepaalde zich echter tot hot houden van toezicht. Zij wilde geen gezag oefenen in do kerk (iux in snera), maar alleen betrekkelijk do kork fju* circa sawa). Te dien einde stolde zij vast ..hot algemeono reglement voor hot bestuur dor hervormde kerk.quot; Do hervormde kork word g'ostold onder quot;t beheer eonor synode en van elf provinciale besturen, die weder in klassen on in ringen worden verdeeld. Do Waalsehe kerk word tevens in stand gehouden. Do Lutherschen kregen insgelijks een synode, die do zaken van het Evangelisch-Luthersch kerkgenootschap bestuurde. Van hon bleven „de Herstelde Luthorschonquot; of

Wijn'nk, Handboek dar AIrj. Geschiedenis, 7ilo ilnik, 'iX

-ocr page 466-

„oml-Luthei'schenquot; afgoschcidon, d. i. do zoogenoemdo rechtzinnigen. dio iu quot;t luatst der 18de eeuw eenige, doch weinige afzonderlijke gemeonton Imddon gesticht. Het bestuur dor Remonstrantscho broederschai) bleef opgedragen aan een generale vergadering en aan een naast haar staande commissie.

Aan de Doopsgezinden, die wonschten, dat de regooring zich van alle bemoeiingen met hen onthield, werd hun eigen bestuur gelaten, lt;i-Algomeenc Soeieteit te Amsterdam gevestigd, geheel onafhankelijk van den staat. Even goed als allo andere sekten verwierven de .loden van het rijk een kerkordening mot oen hoofdcommissie. Ten aanzien van de Roomsoh-katholiekc kerk bleven in 't Zuiden de bisdommen (zie blz. 1%). in 't Noorden (k missie in stand, d. i. de zonding, waarin bisschoppm in partibus de kerkelijke belangen, als apostolische vicarissen (plaatsvervangers), behartigden. Voluit heetten zulke opzieners dor gemeenten bisschoppen „in partibus inlidelium,quot; '1. i. in landstreken, bewoond door ongeloovigen. De regeering bleef intusschen, ook voor zoover deze kerk betreft, vasthouden aan liet recht, van placet (hot behaagt), hetwelk ook do voorafgegane regeeringen van hot Zuiden hadden gehad, d. i. aan de bevoegdheid van wereldlijk opzicht, of, met andere woorden, aan het recht om kennis te nemen van de inrichting der kerk en van de daarin te maken veranderingen en, op grond hiervan, haar goedkeuring te ver-

lecnen of tc onthouden.

Ten einde den handel en do vaart op 's lands buitonlandscho bezittingen aan tc moedigen werd in 1824 de Nederlandsehe Handelmaatsehapinj opgericht. Zoozeer kwijnden toen de handel, de fabrieken, do reedorijen en de scheepsbouw, dat de regeering meende to moeten voorgaan, om i.ij bijzondere personen don nitgedoofden zin voor groote ondornemingen to wokkon. Hij het octrooi van 1S24 verwierf zij voor den duur -au vijfentwintig jaren een zeker rcciit van iiioiiopolie. De maatschappij alleen luid hot recht do voortbrengselen van hot rijk uit de koloniën te halen, ze in het moederland to verkoopen, troepen, gold, enz. naar ludië over te voeren. Het hoofdkantoor dor Handelmaatschappij was, sinds 1829, te Amsterdam. In 1849 en in 1874 werd het octrooi, telkens voor vijfentwintig jaren, verlengd.

Zooals boven (zie blz. Uil) tor loops is opgemerkt, duurde het tot lxl«. eer de Oost-Indische bezittingen metterdaad uit do handen van Engoland in die van Nederland overgingen. Zij bestonden toen, telmlve^ uit de factorij op Dosima, uit Java, do kleine Soenda-eilanden, Sumatra ton dooie, Borneo ten doelo, Celebes, do Molukken, liet tinrijko Hanka (ten o. van Sumatra) on de Hiouwscho eilanden (tusschon Malakka en Hanka gelegen). Ook behoorde destijds nog tot het gebied van Nederland Malakka (iu 't z.w. van Achter-ludië), hetwelk echter in 1824 bij vord'/ag «a'1 Engeland kwam, togen don afstand van al hetgeen dit rijk op Sumatra bezat, alsmede van Hilliton, dat, ovenals Hanka, veel tin voortbrengt on in de nabijheid van dit eiland ligt. Tot eersten gouverneur-generaal -Ier Oost-Indische bezittingen van hot koninkrijk benoemde de koning

-ocr page 467-

4Hn

(lodard Aloxaniler üarard Philips baron van dei' Oapcllon. Onder zijn bewind word do sultan van Falcnibang (oj) de znid-oostkusl van Sumatra) van 1819 tot 1821 bedwongen en de opstand van Diepo Negoro, oen dor voogden van den minderjarigen sultan van üjokjokarta (in 't midden van Java), in 1830 gedempt. Later, in 18!)4, volgde een oproer van do Halineezon op Lombok, hetwelk generaal Vetter bedwong.

In 1830 word, na oen kort tnsschenbostuur, Johannes van den Bosch de opvolger van van dor Capollon. Ton einde hot mooderjand rijkere haten uit Oost-Indië te verschaffen voerde hij op Java een nieuw cuIIkkruldsct in, hetwelk de regeoring in staat stelde, spoedig en vele Indische voortbrengselen, als koffie, suiker, indigo, katoen, tlioo, en/,, te ontvangen en te gelde te maken. Tot 18:!:i bleef van don liosch aan 't hoofd van 't bestuur in Oost-Indië. Toon keerde hij naar hot vaderland terug en stierf er later, als graaf van don Bosch, in 1844. Een zijner opvolgers was Jan Jakob Roehusson (1845—18Ó1), gedurende wiens bewind hot eiland Bali (ton o. van Java), dat was opgestaan, weder werd onderworpen.

Een der maatregelen, mot betrekking tot hot stuk der financiën genomen, was do instelling, in 1822, van hrj amortisatic-Kjindicaat (uitdolgings-syndïcaat, d. i. college of commissie tor uitdolging van de schulden, van „syndicus,quot; gevolmachtigde). Dit was een instelling, die aan de regeering een schier onbeperkte macht verzekerde, om over de goldmiddolen van den staat to beschikken en dio, onder het zegel van geheimhouding, slechts onder het toezicht stond van oen raad van zeven personen. Do werkzaamheden van het, amortisatie-syndicaat bostonden hoofdzakelijk in hot delgen der staatsschuld; in het betalen van de renten dei' werkelijke schuld; in het boheeren der domeinon, welke het ook mocht vervreemden. Ook moest hot voorzien in de kosten, b.v. van wogen en kanalen. Ten einde zijn taak to kunnen volbrengen had het de bevoegdheid, over do opbrengst van sommige belastingen on domeinon te beschikken en leeningen ten laste van den staat aan te gaan.

De grootste zwarigheden berokkende don koning, van het begin af, de samenvoeging der beide, in 't oog dor Belgische geestelijkheid onver-eenigbaro bestanddeelen dos rijks. Sinds do invoering dor grondwet was dio geestelijkheid voortdurend in do weer, om do regeering van Willem I hinderpalen in den wog te leggen. Onder de eerste aanleidendo oorzaken tot ontevredenheid in België behoorden de vervolgingen tegen hen, die pogingen doden, om door hun -geschriften bij de natie wantrouwen togen de regeering op te wekken, of die haar daden in 't openbaar hekelden. Hot meeste gerucht maakte hot rechtsgeding van Maurice Joan Magde-loine do Broglio (bisschop van Gent), in staat van beschuldiging gesteld, zoowol wegens het aansporen tot het weigeren van don eed op do grondwet, als wegens het houden, zonder vergunning van hot bewind (placet, zie blz. 434), van briefwisseling met oen vreemd hof, n.l. met den paus. Deswege veroordeelde het gerechtshof te Brussel hem in 1M17

28*

-ocr page 468-

tut doportiitio, d. i. tot go dwongen verblijf in een oord van ballingschap. Daar echter do bisschop was gevlucht, werd het vonnis, bij verstok gewezen, op doze wijze tor kennis van het volk gebracht, dat do naam van don bisschop, in groote letters aan oen paal op hot schavot gehecht, tegelijk werd ton toon gestold met twee zware misdadigers, dio, tot dwangarbeid voor hun leven veroordeeld, Ie pronk stonden.

Veel aanstoot gaf vervolgens een koninklijk besluit van hot jaar 1819, houdende, dat, te beginnen met 1823, in do provinciën Limburg, Cost-on AVost-Vlaanderen, Antwerpen cn Zuid-Brabant do Nederlandsche taal voor do bij uitsluiting geldende in openbare aangelegenheden werd verklaard. Ofschoon in do genoemde gewesten hot Nedorduitsoh do taal des volks was, maakte hot besluit hierom een ongunstigon indruk, omdat de hoogcro standen zich dagelijks van het Fransch bedienden. Ook beklaagden do Belgen zich er over, dat do schuldenlast van Noord-Nederland voor do helft op het Zuiden was overgebracht en dat het aantal der afgevaardigden, ilio zij naar do Tweede Kamer zonden, niet grooter was dan dat Van hot Noorden.

Doch goon van allo grieven woog in 'toog der Helgon zolvon zwaarder, gcon maatregel der regooring wekte meer hun verbittering, dan'skonings besluiten aangaande het onderwijs, bij bon vooral zoo nauw verwant aan don godsdienst, on inzonderheid dat nopens het collegium philosophiciim. Bij do regeling van het hoogerondorwijs waren de Belgische hoogescholen zonder theologische faculteiten gebleven, omdat de bisschoppelijke semi-naricn voldoende schonen voor de studiën dor jonge lieden, die zich aan don geestolijkon stand wijdden. Uo jonge lieden ontvingen hun voorbereidende opleiding in do gewone Latijnscho scholen. Dit wilden do geestolijkon niet, en daarom richtten zij voor dit doel kleine seminariön op. Woldra werden die inlichtingen niet alleen bezocht door toekomende goostelijken, maar bovendien door een groot aantal kinderen, die geen zoodanige roeping hadden. Nu worden de gewone scholen verlaten, üaar-ontogon worden, naast de kleine seminariën, nog andere scholen van geestelijke broeders, uit Frankrijk overgekomen, geopend. Deze soort van voorbereidend onderwijs geraakte alzoo uitsluitend in handen dor over 't geheel niet zeer verlichte geestolijkon.

Daarin wonschte do koning verandering aan te brengen on, oveiwegende dat zelfs do kleine seminariën slechts stilzwijgend waren toegelaten en geen recht van bestaan hadden, vaardigde hij don léden Juni 1825 een paar besluiten uit. Het eerste beval, dat geen Latijnsche scholen ergens zonder vergunning mochton worden gevestigd en dat alle inrichtingen, wolko zoodanige vergunning niet hadden erlangd of nog erlangden, moesten worden gesloten. Hot twocde besluit riep, tor vervanging dor kleine seminariën en van dergelijke scholen, hel eolleginm philosuphieum in 'tleven. Het word te Leuven gevestigd on nam onder zijn vakken van onderwijs ook do kerkelijke geschiedenis en hot canoniek recht op. Twee jaren na do opening mochten gcon anderen, dan die hun voorbereidende studiën in hot collo-

-ocr page 469-

4:57

giuin hadden volbracht, als priesters worden gewijd. Als eea donderslag Idonk do 'mare van dit besluit do geestelijken in de ooren. Dat aan het collegium hetzelfde gebouw werd toegewezen, hetwelk Jozef II (zie blz. 284) voor een dusdanige nieuwe inrichting had bestemd, gaf den maatregel, hoezeer kennelijk onderscheiden van dien van Jozef, dezelfde hatelijke kleur, welke alles, wat die keizer had beproefd, voor Zuid-Nederland had.

Een van de onmiddellijke gevolgen van 's konings besluiten was de aaneensluiting en verbroedering van twee partijen in België, welke tot dusver tegenover elkander hadden gestaan. Behalve die der geestelijken, waartoe ook vele adellijken behoorden, was n.1. langzamerhand, van een geheel ander standpunt uitgaande, een tweede partij opgekomen, die in vele opzichten Franschgezind was en zich „de liberalequot; of „vrijzinnigequot; noemde. Zij wenschte geheele vrijheid van drukpers en van onderwijs. Ten einde in haar streven des te beter te slagen vereenigde zij zich met de partij der ijverige katholieken. Beide partijen vroegen toen eerst om die twee vrijheden en stemden welhaast omtrent andere grieven mot elkander overeen. Van dit oogenblik af, d. i. sedert hot einde van 182.S, begonnen zich de voorboden te vertoonen van een stelselmatig verzet tegen de regeering, blijkbaar in het indienen van oen groote menigte verzoekschriften, die in sterke bewoordingen om opheffing der talrijke bezwaren vroegen. Van denzelfden tijd af stonden in de Tweede Kamer de afgevaardigden uit het Noorden en die van het Zuiden als twee vijandelijke legerbenden in volle wapenrusting tegenover elkander geschaard.

Netelig was 's konings toestand. De unie tusschen do twee partijen had openlijk plaats gegrepen en bestond hierin, dat, op een voorstel in de dagbladen der geestelijkheid gedaan, beiden, zonder voorshands op haar bijzondere belangen te letten, zich tot een gemeenschappelijken strijd tegen de regeering vereenigden. Terstond nam do koning nu een weifelende houding aan tusschen strengheid en toegeven. In 1S27 was ei tusschen hem en paus Leo XII een concordaat tot stand gekomen (d. i. oen verdrag tusschen het hof te Rome en een wereldlijke regeering, waarbij de laatste haar toestemming geeft tot de regeling der kerkelijke aangelegenheden harer Roomsche onderdanen). In een bul, ter zelfder tijd uitgevaardigd, waarin de paus de algemeene beginselen, in hot concordaat vervat, nader uitwerkte, kwamen een paar uitdrukkingen voor, die aanduidden, dat hij het bijwonen der lessen aan 't collegium wilde beletton. Terwijl hierover geschillen rezen met Leo, openbaarde Willem I den verzoenenden zin, die hem bezielde, door in 1829 eon reeks besluiten te nomen, welke de vroeger uitgevaardigde (zie blz. 430, 4.'!7) aanmerkelijk verzachtten. Zoo werd b.v. de verplichting van 't bijwonen der lessen van 't collegium opgeheven, waardoor het weldra te niet ging. Eveneens trok de koning in 182!) en in 18;i0 do beperkende bepalingen nopens het gebruik der landstaal in.

Dat de koning van den anderen kant in 't geheel niet van zins was zich door do losbandigheid der drukpers te laten overvleugelen toonden

-ocr page 470-

438

tie rochtsgeclingon, tegon do Potter en amleren gevoerd wegens pogingen, door lien gedaan, om in htm geschriften hun medeburgers op te iiitsen ter omverwerping der bestaande regccring. Na een vroeger vonnis van December 1828, waarbij hem achttien maanden gevangenis en een boete van 1000 gi. waren opgelegd, werd hij don HOsten April 1830 tot ballingschap veroordeeld. Gaandeweg dreigde de verdeeldheid moer en meer te worden, getuige de toon der wederzijdsclie dagbladen, een breuk tussehen de bevolking van het Noorden, die de Belgen als een nooit tevreden to stellen vijandelijke partij kenschetste, en die van het Zuiden, welke altijd sprak van oen zucht tot overheersching der Noord-Nederlanders. Den 27—2!)sten Juli 1830 had in Frankrijk de omwenteling plaats (zie blz. 39G), waardoor Karei X van don troon werd gestooten. De tijding werd in Rolgiö met do grootste opgewondenheid aangehoord. Geen maand later, en ook de Belgen toonden, hoe spoedig zij de kunst hadden geleerd, zicli te ontslaan van een koning, op wion zij misnoegd waren.

S UI.

Ncdetinnd. — Saiimnseholinyen, plundcriii.f/ en verwocstmj te llrussel o/i i/cii avond ran den 'Misten Auymtus 1830. — Oprichting eener gewapende burgerwacht op den '27uien. — Houding van generaal van Bglandt. — licduiten van den Loning ran den '28sten Augustus. — Samempreking tr Vilvoorden op den 30slen. Opkomst der gedachte aan een splitsing ran het staatsbestuur zonder splitsing van het rijk. — Intocht van den prins van Oranje te Brussel op den Sisten Augustus. — 'lt; Of vaar, dal de prins er loopt. Vergadering van den 3den Sejdeniluv in 's prinsen paleis te Brussel. — Aanval van prins Frederik op Brussel. -Terugtocht, na een vierdaagsclm worsteling, op den 26sten September. — Besluit der Staten-Oeneraal op den 2f)sten September. — Denkwijze in .Voord-Nederland. — Eischen der Belgen. — Voorloopig bestuur in België. De Botter treedt af. — Zending van den. prins ran Oranje, voor de tweede maal. den 4den October naar de kampplaats. — Ge-roelens ran den prins. — 'x Prinsen bekendmaking te Antwerpen. Hij vertrekt den 2listen Octobev weder. — Afkeuring van 's prinsen houding door den. koning en door de Noord-Nederlanders. — Willem l wendt zich den 'gt;den October tot de groote mogendheden. — Opening der conferentie te Londen in '/ begin van November. ■— Oeneraal Dibbets te MaastrichL — Oproer te Antwerpen. — David Hendrik baron Chassê of generaal bajonet bombardeert de stad den 27sten October. — De schout-bij-nacht Jan Koen raad Koopman op de Schelde. — De Neder-landsche troepen ontruimen den Belgischen grond, met uitzondering ran lt;le citadel van Anhverpen en ran Maastricht. — Wapenstilstand. — lloofdgedachle der conferentie. — Willem I roept den 5den October IN30 de Noord-Nederlanders le wapen. — Het voorloopig bestuur zendt in 't laatst van November commissarissen naar de conferentie. — De protocollen ran den '20sten en den 27sten Januavi 1831. Willeni I

-ocr page 471-

4;!i(

treedt den I Si/rii, Februari toe. - Bijeenkomut ran het nationaal eongrett te Jlmsscl, den Khlen November ISUO. — Zyn rerldarin;/. —• Hef ver-ii'erpf de protocollen van Januari. — /Je conferentie nfelf in Mei IN3I llelfji'c ren termijn tot den tuten Juni, — Surtet de ('kokier regent van flekjië. — Hel congres henoemt den tden Juni Leopold ran Salcsen-Kohurg-dotha tof koning der Belgen. ■— Hij aanvaardt de. regeering den L'ls/rn Juli. Hij trouwt in 183'J met Loni.se.

Do ontovrcdenlieicl, van 1 s 15 tlagteekenomlo, was aanhoudend ia kracht toegononion on diop in do gomoodoren doorgedrongen. Don 25sten Augustus gaf men in den schouwburg to Brussol „do Muette do Forticiquot; (zio Ui/.. 220), lt;1. i. don opstand op hot tooneol. Van don schouwburg tot do straat was oen overgang van oen paar uren. Te tien uur dos avonds schooiden tairijke voikshoopen samen, die woldra verschillende huizen plunderdon on vorwoostton en die zelfs de woning van den minister van justitie, Cornoiis Kolix van Maanon, in brand staken. Daar hot opgeruide grauw toonde smaak te hebben gekregen in het plunderen, begonnen de gezoton lieden voor do openbare veiligheid beducht to worden on word daarom don 27sten Augustus een gowapondo burgerwacht opgericht, die do Brabantscho kleuren aannam en in wier handen 's konings troepen de teugels van 't krijgsgezag over do stad terstond stelden. To Luik en in de overige steden van België beleefde men bijna te gelijkor tijd een herhaling van dozolfdo tooneolon.

Do Belgische opstand verraste de rogooring van koning Willem I. De gewapende macht, die zich te Brussel bevond, staande onder't bevel van generaal vau Bylandt, had geen orders, hoe te handelen, was niet krachtig genoeg. Waarschijnlijk zou, zoo zij zich mot nadruk had doen golden, het oprooi', hetwelk drie dagen lang ongestoord voortwoeddo, in den aanvang gemakkelijk zijn bedwongen. Eerst den 28ston Augustus nam ile koning eenige besluiten. Hij begon mot de Staten-Goneraal buitengewoon to 's Gravenhage samen te roepen tegen den l.'idon September. Een legerkorps werd bijeengebracht on kreeg bevel, naar Brussel op te rukken. Aan 't hoofd dier troepen werden 's konings beide zonen geplaatst, do prins van Oranje en prins Predorik, destijds admiraal en generaal over 's rijks krijgsmacht to water on te land. Te Vilvoorden (in Belgisch Brabant, ton n. van Brussel) gekomen, hielden de prinsen den HOsten Augustus een mondgesprek met eenige der aanzienlijkste burgers van Brussel. Reeds toen kreeg in die stad de gedachte vastheid aan een splitsing van het staatsbestuur zonder splitsing van hot rijk, de gedachte eener administratieve scheiding. Binnen weinige uren maakte zij Brussel als tot een verschanste legerplaats. Aan de bezending dor ingezetenen van Brussol beloofde intusschen do prins van Oranje op don avond van den .'iOsten Augustus, don volgenden dag alleen, slechts begeleid door zijn staf, te zullen komen.

Op hot vastgestelde uur had, den .'ilsteu Augustus, do intocht van don

-ocr page 472-

I4()

prins van Oranje binnen Brussel plaats. Hot moet een indrukwokkond schouwspel zijn geweest, hem bijna onvorzolcl, de straten te zien doorrijden, opgevuld met duizenden manschappen der burgerwacht en meteen gewapende menigte, die nu eens oen doodseh stilzwijgen bewaarde, dan weer in woeste kroten of bedreigingen aan haar gewaarwordingen lucht gaf. Bij het stadhuis, waarheen de hoofden van den opstand hem geleidden, sloeg de Arabische schimmel, dien de prins bereed, plotseling achteruit en kwetste een dor omstanders. De prins, die terstond een ander paard had bestegen, aan liet gewoel en getier ziende, dat de volksschare tot dadelijkheden dreigde over te gaan, zotte het dier in galop en baande zich door zijn koene sprongen over do barricaden en versperringon hoon een weg naar zijn paleis. Mislukte op deze wijze reeds aanvankelijk do stoutmoedige, maar van onvoorzichtigheid niet vrij te pleiten daad, welke de prins in 't vertrouwen op de genegenheid, die men hem in België toedroeg, waagde, het bezoek zou ook vorder blijken ijdel te zijn. Want in een vergadering, welke hij den Sden September in zijn paleis hield on welke door een groot aantal ingezetenen van aanzien werd bijgewoond, getuigde men volmondig, dat do algemeene wensch der Belgen in allen gevalle „een scheidingquot; was, ware het dan ook onder 't zelfde stamhuis. Deze zelfde vergadering gaf niet onduidelijk te kennen, dat hot haar hot aangenaamst zou zijn, zoo hij in 'tvervolg do plaats van koning in België wilde beklee len.

Kort hierna keerde do prins naar 's'Gravenhage terug, na het garnizoen van Brussel te hebben gelast, zich to Vilvoorden mot de overige Nedor-landsche troepen te vereenigen. Tegen de meening van don kroonprins, dio op welwillende beloften en op hot horstel der grieven aandrong, gaf do koning aan prins Frederik bovol, de gehoorzaamheid aan het wettig gezag gewapenderhand te doen torugkeeron en oen aanval op Brussel te doen. Doch hot gunstigste oogenblik was voorbij, liet vuur van den opstand had zich wijd en zijd verbreid. Te lang had do regeering. weifelende tusschon vredelievende gezindheid en do zucht om geweld te gebruiken, gedobberd. Daarbij kwam, dat do aanval op Brussel niet met dat beleid en mot die doortastende kracht geschiedde, welke de waarborgen zijn van een goeden uitslag. Men wilde do stad vermeesteren; maar men wilde ze tevens zooveel mogelijk sparen en do burgerij geen geweld aandoen. Na een vierdaagscho worsteling, die aan vele wakkere soldaten het leven kostte, trokken de koninklijke troepen den quot;itisten September uit de stad terug. Het oproer had gezegevierd, en meer en meer wilde men thans in België oen goheele afscheiding van de Noordelijke Nederlanden en nam het gansche land deel aan den opstand.

Weinige dagen na den terugtocht van 's konings troepen uit lirussel werd, den 29sten September, in do Tweede Kamer der Staten-Ooncraal het besluit genomen het rijksbestuur te splitsen en do grondwet te heizien. Ternauwernood toch was in België van „oen scheidingquot; gerept, of ook in Noord-Nederland lieten zich vele stemmen hoeren, die getuigden, dat men gaarne van de Belgen zou worden bevrijd. Aan do voornaamste

-ocr page 473-

441

oischen der Hel gen, het ontslag viin den mimstor van Maanon. verantwoordelijke ministeriën, moer onafhankelijkheid der rociitelijke macht, enz. had de koning' niet willen voldoen. Van lieverlede nam de strijd meer het, karakter aan van een oorlog, niet tegen de kroon, maar tusschen Noord- en Znid-Nedorland. Do Belgen konden niet sterker naar een ge-heele scheiding verlangen dan de Noord-Nederlanders zolven. Ook in het leger vertoonde zich die verdeeldheid. Oehoele afdoolingen, nit I telgen bestaande, vielen af. Terwijl de wettige vertegenwoordigers van liet liel-gische volk in den Haag beraadslaagden, bestnnrden eenige volksleiders den gang der gebeurtenissen in 't Zuiden. Onder hen, die dit voorioopig bestuur op zich namen, was Sylvain de Weyer, alsmede do Potter, die uit zijn balnngschap weerkeerde, met uitbundige toejuiching werd ontvangen en mede aan '1 hoofd van 't voorioopig bestuur geplaatst. Doeh zes weken later was men hem reeds moede, weshalve hij zijn vaderland voor de tweede maal verliet en de wijk nam naar Frankrijk.

Ten einde, zoo mogelijk, de regeeringloosheid tegen te gaan, welke dreigde voort te komen uit dezen staat van zaken, zond Willem 1, op verzoek van vele mannen van naam en beteekenis onder de Belgen, grootendeels leden der Staten-Oeneraal, den kien October den prins van Oranje nogmaals naar de kampplaats. Ook de Eerste Kamer had ingestemd met de zienswijze der Tweede omtrent de wenschelijkheid eener scheiding, liet oproer wachtte echter niet op den eindtermijn der beraadslagingen van de commissie, die de grondtrekken van tie nieuwe orde van zaken had te ontwerpen. De prins van Oranje had alzoo in last, het bestuur over de getrouw gebleven gewesten op zich te nemen en de opgestane streken naar verinogen tot rust te brongen. Hij, die zijn jeugd buiten Noord-Nederland had doorgebracht, deelde geenszins zoo uitsluitend, als anderen, de voorliefde voor dat Noorden. Hij begon met zich te Antwerpen te vestigen en al dadelijk aan de Belgen de ophefling van vele hunner grieven te beloven.

Die inschikkelijkheid baatte evenwel weinig, want den/.elfden 4den October verklaarde het voorioopig bestuur, hetwelk zijn zetel te Brussel had, België voor een onafhankelijken staat en riep de natie op, om een congres te doen bijeenkomen. Over 't geheel werd het, gedurende 's prinsen verblijf te Antwerpen, zeer spoedig zichtbaar, dat het vertrouwen der afgevallen Belgen in don prins allengs meer werd ondermijnd. Men meende, dat hij er niet licht toe zou overgaan, zich, zooals zij het wenschten, van zijns vaders staatkunde af te scheiden en voor zich een luitenant-generaalschap over een zelfstandig België aan to nemen. Desniettemin veroorloofde de prins te Antwerpen en in do overige streken, waar hij het gezag voerde, het deel nemen aan het congres. Na dit te hebben bekend gemaakt begreep hij niet verder te mogen gaan en verliet den 25sten October Antwerpen. In Noord-Nederland kreeg hij binnen kort het bewijs, dat hij roods meer had toegegeven dan de koning had bedoeld, en de burgerij, benevens het leger, good vond.

-ocr page 474-

-142

Hoods don rklon October had /.icli Willoin I gewond tot do vijf grooto inogondheden, die de aoht artikels van den 2Uston Juni 181-t hadden getoekond, loden van 't congres van Woonen, Oostenrijk, Frankrijk, Engeland, 1'ruisen, Hnsland, welke mogendheden zich tot de handhaving van het koninkrijk der Nederlanden haddon verbonden. Hij had een gewapende tiisschonkomst gevraagd. Maar Engeland achtte het tijdstip voor liet afzenden van troepen reeds to laat. Daarop besloten de mogendheden, wederom op verzoek van Willem I, te Londen te vergaderen en do beslissing te laten, in stede van aan hot zwaard, aan do overwegingen en aan do ponnen der staatsmannon. In 't begin van November IHIK) openden de gezanten dezei mogendheden hun eerste coufcrmtir (bijeenkomst) te Londen.

Kort nadat do prins van Oranje Antwerpen had verlaten, vertoonden zich ook daiir on te Maastricht, tot dusver de oenigo plaatsen, waar quot;s konings bewind nog word geëerbiedigd, moer en meer onrustwekkende vorsehijnselen. Te Maastricht echter handhaafde generaal Dibbots het gezag der Nederlandsche regeering. Te Antwerpen daarentegen brak, in weerwil van den wapenstilstand, gesloten mot den bevelhebber der citadel, David Hendrik baron Chassé, hot oproer openlijk uit en viel menige Nederlandseho krijgsman onder de kogels der muitende menigte en van de iïelgische vrijwilligers. Reeds vroeger had Chassé de stad in staat van beleg verklaard. Desniettemin verzotte hij zich niet terstond met kracht tegen do buitensporigheden van ;t gemeen. Maar eindelijk, den 27sten October, bedwong do wakkere „generaal bajonetquot;, zooals de soldaten hem. toen hij in 1S12 en I*13 in Spanje, in do geledoren der Franschen streed, noemden, door een uren lang aangehouden bombardement dor stad den overmoed des vijands. Ondersteund werd hij hierbij door de vloot, die onder 't bevel van den schout-bij-nacht Jan Koenraad Koopman op lt;lc Schelde lag. Middelerwijl had de regeering van Willem I oen groot aantal Belgische krijgslieden, die zij niet vertrouwde, uit de gelederen weggezonden. Dit, gevoegd bij don afval van vele anderen en bij hot ontslag, uit eigen beweging dooi menig ofiicier genomen, bracht het leger in zulk oen ontredderden toestand, dat do Nederlandsche troepen don Delgischen grond, met uitzondering der citadel van Antwerpen en van Maastricht, voor goed moesten verlaten en naar do grenzen van Noord-H ra bant terugtrekken. Een oogenblik bedreigden de Belgen zelfs Noord-Hrabant; maar oen wapenstilstand, op uitnoodiging der conferentie te Londen gesloten, stuitte don verderen gang dor vijandelijkheden.

Deze conferentie wettigde weldra door haar dralen de mooning, dal haar hoofdgedachte was, te verhoeden, dat de Belgische omwenteling de rust van Europa verstoorde. Niet alleen evenwel op die vergadering had Willem 1 gerekend. Den Hden October 1830 had hij daarenboven het volk van Noord-Nederland tor verdediging van de onafhankelijkheid des lands te wapen geroepen. Overvloedigen weerklank vond de oproeping bij allo standen des volk. Allengs stroomden duizenden manschappon. soldaten,

-ocr page 475-

413

mobiel verkhumle schutters, vrijwilligers, stiidouteu uaur de zuidelijke grenzen van Nonrd-Nederland en waciitten er geduldig 's konings lieve) en af.

intusschen loodigde de conferentie in 't laatst van November 18.50 het voorloopig bestuur van België uit, coinniissarissen naar Londen te zenden. Den quot;iOstou (Mt den 27sten Januari ISiil maakte zij protoeoUen (eigenlijk fon papier, dat tot opschrift diende en vooraan aan de papyrusrollen werd gehecht; vandaar offlciëele ojiteokening van 't besluit van oou collogo) bekend, waarin, in hoofdzaak, de grenslijn tusschen de beide van elkander gescheiden rijken werd getrokken en vastgesteld, dat '•/„ der gemeenschappelijke schuld ten laste van Helgië zou komen. Luxemburg word bij die verdeeling geheel buitengesloten. Koning Willem I betuigde den 1 Sden Februari zijn onvoorwaardelijke toetreding tot dozen grondslag.

Middelerwijl was het nationaal conyrr* don inden November 1830 to Hrussol bijeengekomen en had het hiiii OraHje-Nansmii van den troon uitgesloten. Vervolgens droog het de hoogste uitvoerende macht voorloopig op aan oen reijent, Surlet do Chokier, een rijk grondbezitter uit Limburg, tot dusver president der vergadering. Dit congres verwierp de protocollen van Januari. In Moi 1831 stelde de conferentie den Belgen oen termijn tot don Isten Juni, binnen welken zij nog van hun instemming bonden doen blijken. Gelijktijdig hiermede, l Juni, was de benoeming, met groote moerdorheid van stommen, door 't congres van Leopold van Saksen-Koburg-trotha, een broeder van den regeerenden hertog van Saksen-Koburg-Gotha, tot koning der Belgen. Leopold aanvaardde de regeering don 21ston Juli van dat jaar, beloofde de zeer vrijzinnige grondwet, een van do eerste vruchten der werkzaamheid van 't congres, te zullen eerbiedigen en sloot in I8;gt;'J oen huwelijk met Louise, de oudste dochter van Lodewijk Philips.

§ 142.

Nederland. - - Omkeenng in de houding der con ferentie. — Het protocol ran den 'J7sten Juni ISHl, de achttien artikelen. Heldhaftige dood ran Johan Karei Jo'.ef ran Spegk in Fehruari 1881 nabij Ant-werpen. — De prins van Oranje, aan '1 hoofd van nog geen 86,001) man, rukt België hinnen. — De 'rieken de Terhore bevelhébher ran. V Belgische leger van de Schelde, Daine ran dat ran de Maas. — De tiendaagsche veldtocht, '2—12 Augustus. — A/loop der slagen bij Hasselt en hij Leuren. — Gérant trekt België binnen.— Wapenschorsing. — Het protocol ran den Uden October 1881, de merentwintig artikelen of het ultimatum. — Leopold onderteekent de vierentwintig artikels den löden November. — Willem weigert de onderteekening. — Verdrag ran den i'L'sten October 1882 tusschen Engeland en Frankrijk. — liet embargo. — Willem l oefent geen weerwraak. — Een Fransch leger ran JlO.tlOO man onder dérard staat het beleg roor de citadel van Aiitwerpen.

-ocr page 476-

444

('luifme yeeft lt;h {uriiikoopeii den 2Haten December Iover. - - Koop-man veniielt de vloot. — Het stahin (/no. — Oplwffhu/ van I emhargo ia Mei 183.']. — Willem I geeft den. l-lden Maart 1X38 te, kennen. dat hij inwilligt. - Hex,waren der Belgen. — Het eindverdrag van den l!)dev April IS3!). — Zonderlinge toestand ran Limlmrg tot ƒ«6*6'. — Veranderingen in JJelgic's verplichting ten aanxien ran de schuld, later gemaalit. Splitsing van Holland in /nid-en Noord-Holland in 1840.— llmcelijh ran den oudsten soon ran den kroonprins in 1839 met Sophia Frederilca. Mathilde van Wurtemherg. - Kinderen, uit dat huwelijk gesproten. — Omkeering In de stemming ran Noord-Nederland jegens Willem /. —- Willem I doet den 7den October 184(1 op het Loo afstand ran den troon. — Hij hnni, ten tweeden, mate, met llenriëtte Adriana Ludorica d' Onltremont de Wigimont. ■— Hij overlijdt te Herlijn, den l'Jden December 184:1. — De roornanniste zijner ministers. ■— Oordeel over den koning.

Den 27sten der maaml .luni legde do conferentie Willem 1 eon nieuw protocol, de achttien artikelen, voor, waarin elk punt van gewicht, ten behoeve der opstandelingen, een wijziging had ondergaan. Hierin worden do rechten van hot huis Oranjo-Nassau op Lnxoinburg voor twijfelachtig verklaard, Belgiö uitzichten geopend op hot bezit van Maastricht en vastgesteld, dat hot niet verplicht was eon dool der schuld van hot oude Nederland over to nemen. Èn deze wijzigingen, èn het optreden van Leopold als koning brachten AVillein 1, roods lang ongeduldig over den langwijligon gang van de beraadslagingen der conferentie, tot het besluit. zijn recht niet hot zwaard to handhaven. Marschvaardig lag de Neder-landsche krijgsmacht oji de grenzen, van geestdrift glooiende en begeerig. om het roorwanrts te hooren en, was het noodig, lt;len heldendood voor hot vaderland te sterven. Zij gedacht het voorbeeld van don wakkeren luitenant ter zee Johan Karei Jozef van Speyk, die in Februari 1831, gedurende don wapenstilstand, mot zijn kanonneerboot, welke de wind bij Antwerpen naar 's vijands wal had gedreven, in de lucht vloog, liever dan de vlag te strijken voor hen, die hij als muiters tegen hun wettigen koning beschouwde, of, wat nog erger was, ze hun prijs te geven.

Het leger van Willem I werd aangevoerd door den prins van Oranje, wien prins Frederik ter zijde stond, on telde nog geen ;3C,00lt;i man. De Belgische legers, dat van de Schelde en dat van de Maas, waren omtrent 30,000 man groot. Aan 't hoofd van 't eerste stond generaal de Ticken de Terhove; liet bevel over het tweede voerde Daine. Het leger van de Schelde was in de nabijheid van Antwerpen geplaatst; het andere stond in het Limburgsche. Terstond besloot de prins van Oranje, tusschen de beide legers door te breken en daarna elk van hen afzonderlijk aan te vallen. Ken goed deel van dit plan werd volvoerd door den tiendaagschen veldtocht. 2—12 Augustus 1831. Den 5den Augustus was do doorbreking geschied. De meestbeteokenende feiten zijn wat men de slagen bij Hasselt (den

-ocr page 477-

44.')

Sston Augustus) en bij Louvou (don I2cloii Augustus) noemt. Do eorsto tlezor ontmoetingen .was eigenlijk niots dan één krachtige aanval op hot op Hasselt terugtrekkende leger van Da ine, dat dadelijk .';ls oen kudde schapen uiteenstoof en geheel werd verstrooid. Hot had een slag in den waren zin des woords kunnen worden, indien Daine minder onbekwaam en lafhartig was geweest, en zoo niot de prins van Oranje, hoogst waarschijnlijk Kolgiö liever willende winnen dan overwinnen, zicli or toe had bepaald, don vijand van zijn minderheid te overtuigen, in plaats van hem te vernietigen, In den slag van Leuven, die van meer beteekeris was, voordo koning Leopold in persoon zijn troepen aan, d. i. het leger, aan 't hoofd waarvan generaal do Ticken do Terhove was gestold. Hier werden do Belgen geheel verslagen, weken naar Leuven en haddon zondereenigen twijfel, wilden zij niot tot den laatston man toe gedood of gevangen genomen worden, op smadelijke wijze de wapens moeten neerleggen. Doch nu rukte, op verzoek van Leopold, een Fransch leger onder maarschalk Ocrard Holgië binnen en was de prins verplicht voor do meerderheid te zwichten. Ilij stond eindelijk, op herhaald verzoek van den Hritschen gezant to Hrussel, oeti wapenschorsing toe, on do veldtocht nam een oinde.

Aan den indruk, gemaakt door do roemrijke wapenfeiten van do troepen uit het Noorden, is het te danken, dat de conferentie, het work dor beraadslagingen hervattende, do voorwaarden eenigermate wijzigde in een zin, gunstig voor Noord-Nederland. Die beraadslagingen voerden tot hel prolocol van don 14den October l!-ir!l , dr viercntwintiij artikelen. Hierin werd aan België een deel aan Luxemburg toegekend, waarvoor het oen deel van Limburg moest afstaan. Maastricht bleef aan Nederland voorbehouden. Ten aanzien van de schuld bepaalden zij, dat lielgic met een jaarlijksche rente van fS,400,00(1 gl. zou worden belast. Tevens werd verkondigd, dat deze artikels een nllimatnm waren, waaraan de mogend-lieden besloten waren vast te houden en waarop zij nimmermeer wilden terugkomen. Reeds don 1 fx Ion November ondoi'tookonde Leopold . door do nederlagen van don tiendaagschon veldtocht ontmoedigd, dit ontwerpverdrag, hoewol minder gunstig voor de Belgen dan de achttien artikelen. Daarentegen weigerde Willem I de onderteekening.

Den ■J'Jsten October llSii'2 sloten twee van de vijf groote mogendheden, frankrijk en Engeland, een verdrag, waarvan het dool was, hot grondgebied van Helgi(; door don vijand te doen ontruimen. Ten einde dit dool to bereiken legden zij embargo (een Spaansch woord, d. i. beslag) op do Nedorlandsche schepen en trok oon Fransch leger van 00,000 man onder maarschalk Gérard België ten t weeden male binnen. Willem I, daarentegen. gebiedende, de vaartuigen der Engelsche en der Franscho natie te ontzien, toonde de wijze van doen van zeoroovors niet te willen navolgen en de zaak der volkeren geenszins te verwarren mot die der rogoeringen. Hij gaf alzoo een les van hoogo beschaving aan zijn tegenstanders, hoedanige te dier tijde een vrij ongewoon verschijnsel was.

Het leger van (rórard trok tegen de citadel van Antwerpen op, welker

-ocr page 478-

446

puinhoopon Chassé, na een roemrijke verdediging van negentien dagen, den 2:isten December 1832 bij verdrag aan den vijand overgaf. De schoutbij-nacht Koopman (zie blz. 442), van oordeel zijnde, dat zijn vloot niet in het verdrag was begrepen, haastte zich ze te vernielen en stelde zich hierop, mot zijn manschappen, ter beschikking van Gérard. Evenals de bezetting der citadel werd do bemanning der vloot als krijgsgevangenen naar Frankrijk gevoerd.

Ook na dit wapenfeit dor .Kranschen bleef de eindbeschikking met Helgiiquot; nog steeds hangende. Dit veroorzaakte een langdurig en zeer kostbaar bestand {slatys- t/Ko), daar Nederland aanhoudend een zeer talrijk leger op de boen moest houden un do onzekerheid dor toekomst, ofschoon hot embargo in Mei 1833 werd opgeheven, don handel van groote ondernemingen afschrikte. Kindelijk noodzaakte de uitputting dos lands den koning too te geven. Den 11 don .Maart 1838 gaf hij te kennen, dat hij de voor-waardon dor vierentwintig artikelen inwilligde. Maar nu bewoorden de l!el-gon weder, vermits Nederland zoo laat toetrad en zijzelven, uit hoofde der dreigende houding van hun tegenpartij, kosten hadden gemaakt, niet gehouden te zijn ter betaling van een deel der renten van do schuld. Dit verwekte nieuwe moeielijkhedon, die ten laatste door hel ttrndvertlrai/ van den lilden April 1880 uit don weg werden geruimd. Dit verdrag, hetwelk de vierentwintig artikelen eenigszins wijzigde, bepaalde, dat HolgiP een afzonderlijk rijk werd; dat het aandeel van België in de rente der staatsschuld, jaarlijks van den Isten Januari 183!) af te betalen, 5,(1(10,000 gl. zou zijn; dat hot Duitseho verbond on do groothertog de westelijke helft van Luxemburg aan België afstonden; dat België daardoor afzag van oen gedeelte van Limburg, zoodat aan Nederland dat dool bleef, hetwelk aan den rechteroever dei Maas ligt, alsmede de stad Maastricht met het omliggend land en het gebied ten n. van een lijn, getrokken van de zuidelijkste punt van Noord-Brabant aaar de Maas, ton n. van Stevensweert. Deze streek van Limburg heette „hertogdomquot; en maakte — behoudens Maastricht en Venlo, die alleen tot Nederland bleven behooren, - van nu aan oen deel uit, zoowel van het koninkrijk der Nederlanden, als van het Duitsche verbond. Hertog van Limburg zou steeds do koning der Nederlanden zijn.

liet laatste punt, de verhouding van Limburg tot Duitschland, word eerst volledig geregeld in 1840. In vele opzichten bleef die verhouding zeer vreemd. Limburg zond afgevaardigden naar de Staton-Oenoraai. maar was verplicht, troepen voor het Duitsche verbond op de been te houden, on word ten dooie door Verordeningen van dat verbond geregeeid. Eernt in 18GG is do betrekking van Limburg mot Duitschland geheel verbroken. Wat de route der schuld aangaat, is het door België jaarlijks bij te dragen aandeel later geworden 400,000 gl., terwijl ten laatste, in 187:), bij onderlinge overeenkomst, die verplichting is veranderd in die eener uit-kooring op eens op dat tijdstip van 8,900,000 gl., zoodat de zaak thans voor goed is afgedaan.

Nog werd in 't zelfde jaar, 1840, bepaald, dat Holland van nu aan

-ocr page 479-

in Zuid- on in Noord-ilolland zou worden gesplitst, zoodat hot koninklijk ilor Nederlanden thans bestond uit tien provinciën en uit het hertogdom Limburg. Een jaar vroeger was de oudste zoon van don kroonprins (zio lil/.. 4;!2) getrouwd met prinses Sophia Frederika M'athiide, do jongste dochter van Willem I, koning van Wurtemberg (zie bb'. 349), als koningin dor Nederlanden overloden in Juni 1877. Uit dit huwelijk sproot in 1840 prins Willem, overleden in Juni 187!», in 1851 prins Alexander.

Toen koning Willem I in de eerste jaren van den Bolgisohen opstand met moed en volharding wederstand bood, zoowel aan do eischon van België, als aan die dor conferentie to London, was or niemand, die hom meer steunde en doze houding moor toejuichte, dan do Nederlandseho natie zelve. Langzamerhand echter veranderde die stemming, toen do koning, na aan de roepstem dor eer ruimschoots te hebben voldaan, steeds hopende op eenige wijziging in do staatkunde der groote mogend-heden of op een omkoering van zaken in Europa, er volstrekt niet toe was te bewogen, van zijn stelsel van volharding af to wijken. En nadat liet eindelijk was bekend geworden, dat een verbazend iioog cijfer van staats-schulil de uitkomst was der volhardende staatkunde, maakte do gehochthoid van 't volk aan zijn vorst plaats voor wantrouwen en verkoeling. Nu deed hot Noord-Nederlandsche volk ten deole dezelfde klachten hooren. die vroeger alleen in 't Zuiden waren geuit. Het verlangde een duidelijke openlegging van den toestand van 's lands iinanciön, waarborgen tegen misbruik van gezag, verantwoordelijkheid van 's konings ministers, in 't kort gewichtige hervormingen in 't staatsbestuur. De ontwerpen, welke de koning ter wijziging der grondwet bij de Tweede Kamer indiende en welke o. a. bovenstaande artikelen omtrent het grondgebied bevattedon, worden in 1840 wel aangenomen, doch voldeden op verre na niet aan het meeren-doel dor natie. Hij de overige redenen van ontevredenheid kwam weldra een andere, die het misnoegen tot den hoogston graad deed stijgen. Men vernam, dat do koning, die sinds 18:i7 zijn echtgenoot, Frederika Louise Wilhelmina, oen dochter van Frederik Willem II, koning van Pruisen, door den dood had verloren, het voornemen koesterde, tot een tweede huwelijk over te gaan mot Honriötte Adriana Ludovica, gravin d'Oultre-mont do Wigimont, eon der dames van het huis van wijlen de koningin. Doch de gravin was een Belgische en Hoomsch-katholiok. Dat was genoeg, om de meerderheid der Nederlanders togen het huwelijk in te nomen.

Zooveel tegenstand verdroot Willem I. Onverwachts begaf hij zich in don herfst van 't jaar 184(1 uit 's Gravenhago naar het Loo en ontbood er zijn zonen en kleinzonen, zijn ministers en do leden van den raad van state. Hun deelde hij den 7den October mode, dat hij van dat oogenblik af afstand deed van de kroon en zo overdroeg aan zijn zoon, daartoe door de grondwet aangewezen. In 't volgende jaar huwde Willem 1, nu ..graaf van Nassauquot; geheeten, de gravin d'Oultremont en leefde vervolgens bij afwisseling te Berlijn, op zijn goederen in Sileziiquot; en op hot Leo. totdat hij don 12den December 184.'! te Berlijn overleed.

-ocr page 480-

us

(huler de ininistors, die god uren do do vijfentwintig jaren van zijn bewind koning Willem 1 en hot land hebben gediend, waren do voornaamste: sedert IHl'i Oijsbort Karei van Hogen dorp (zie blz. . als minister van staat, dus niet aan 't hoofd staande van oen der departementen; van Mannen (zie blz. 4H9), voor justitie; Willem Frederik Rofdl, voor binnenlamlsehe zaken; sedert 1824 .lean Henri Appelius, voor do linan-ciën; sedei't 1825 Pierre Joseph Servaas baron van Gobbolsehroy, voor liiimenlandsciie zaken; .lohan Oijsbert Verstolk van Soolon. voor buitenlandsche zaken; sinds 1828 Arnold Willem Nikolaas van Tets van Oondriaan, voor de tinanciön; sedert 1830 Hendrik Jakob van Doorn van West-Gapello, voor binnenlaiidsche zaken.

In do laatste jaren dor regeering van Willem I vormde zich liet groo-tendeols ongunstige oordeel over den koning en zijn bewind, hetwelk een vrij algemeen verbreid oordeel is geworden. Koning Willem 1 had naar oen vast stelsel van persoonlijk staatsbeheer geregeerd. In do vijfentwintig jaren, gedurende welke hij de kroon droeg, heeft hij getoond, dat onder zijn deugden werkzaamheid een eerste plaats bekleedde. Maai' hot was meer do werkzaamheid van den administrateur dan van den staatsman. Als een vader voor zijn onderdanen te zorgen, dat was zijn toeleg. De bevordering hunner welvaart, naar zijn inzichten, was het werk geweest, waaraan hij al zijn gaven, die vele waren, zijn veelzijdige kennis, zijn tijd, zijn geld dienstbaar had gemaakt. Zijn ministers, veelal bekwame mannen, waren oer dienaren dan raadslieden, hoewel er onder waren, als vnn Maanen, van Doorn van West-Capelle, van Tets van (roudriaan, die veel bij den koning vermochten. Zij, die hem zijn vaderlijk bewind verwijten, vergeten, dat dit lag deols aan de toenmalige gestel Iheid der zaken, deels aan de natie zelve. Hot beginsel der veranlwoordelijkheid van de ministers was niet neergelegd in de grondwet van 181o. 's Vorston zucht om alles te beheeren werd in de hand gewerkt door de onmondigheid der natie. Onder Willems karaktertrekken kwam inzonderheid deze recht sterk uit, dat hij geen tegenspraak kon dulden. Vandaar dat hij reeds kort na 1810 zich verstoken zag van de diensten van sommige zijner bekwaamste en getrouwste aanhangers, als van van Hogendorp en van Falck, die zich hoe langer hoe meer van den koning vervreemdden. Dat Willem 1 in vele opzichten onverzettelijk was valt niet te loochenen; doch hetgeen boven (zie blz. lüT) omtrent do verordeningen, even vóór de uitbarsting van den opstand door hem uitgevaardigd, staat opgeteokend toont, dat deze onverzettelijkheid toch ook haar grenzen had. Voor meer gegrond houdt men het verwijt, dat er, vooral in zijn handelwijze tegenover Helgicquot;, iets is op te merken, dat naar weifeling zweemt.

S u:i.

XrdrrlaiK/. — Inhuldiging van Willem 11, den 'JHslen November IH40 in de Nieuwe Kerk te Amslerdain. — lt;tpkomst der Afgescheidenen in 1 s.-j/. — Hendrik de Koek. jimlikant te UI rum, den 'Jasten Met ran

-ocr page 481-

449

dat jaar uit %jjn ambt ontzet. -- Hij scheidt zich in October van de Nederlandsehe hervormde kerk af — Vergaderingen der separatisten in huizen en in schuren. — Hun vervolging. — Maatregel van Willem 1 ten hunnen opzichte sedert 1836. — De Christelijke gereformeerde gemeente onder het kruis. — Flor is Adriaan van Hall. — Wet van 1844. De leening van 127,000,000 gl. — Voorstel der negen mannen in V zelfde jaar ter herziening der grondwet. — De oorsprong der beide hedendaagsche staatspartijen. — Plotselinge omkeering in de zienswijze

van Willem II ten opzichte der grondwet, den Uiden Maart 1848. _

De grondwet aangenomen in Juni 1848. — Luxemburg bekomt in dezelfde maand een nieuwe grondwet. — Hoofdinhoud der grondwet, afgekondigd den :klen November 1848. — Willem II overlijdt den 17den Maart 184.0 te Tilburg. — Oordeel over hem. — Willem III. — Het droogmaken van H Haarlemmermeer van Juni 1848 tot 1853. — Invoering van het bisschoppelijk bestuur der lioomsch-katholieke kerk in Nederland, den 4den Maart 1853. — Oorzaken der verbittering van de Nederlandsehe protestanten. — De Aprilbeweging. — Het eerste ministerie- Fhorbecke, November 1840—1!) April 1853. — Het wetsontwerp ter regeling van het toezicht op de onderscheiden kerkgenootschappen onder 't ministerievan Hall, in September 1858 tot wet verheven. — De oud-katholieke kerk of oud-bisschoppelijke clereseg. — De wet op het lager-onderwijs van 1857 van Anthon Gerard Alexander van Rappard. — Het tweede ministerie-Thorbeeke, 1862—1866. — De ivet op het middelbaar onderricht in 1863. — Derde ministerie-Thorbeeke, Januari 1871—Juni 1872._

Overstroomingen in Nederland. — Dood van koning Willem HI, Nov. 1800. — Wilhelmina koningin. — Emma regentes. — Herziening der grondwet in 1887. — Verdrag van Nederland met Engeland in Februari 1871. — Begin van den oorlog met Atjeh in Maart 1873.

Den 28steii November 1840 werd willesi ii in de Nieuwe kerk te Amsterdam met groote plechtigheid ingehuldigd. Het was geen gunstige tijd om de regeering over Nederland te aanvaarden. De natie en de schatkist beide waren uitgeput, en de leiders der volksmeening, niet tevreden met de wijzigingen, die de grondwet van 1840 behelsde, ofschoon daarin liet beginsel van de verantwoordelijkheid der ministers was opgenomen, wezen op een doortastende herziening der grondwet, als op het «enige middel om tot welvaart en nationale kracht te geraken. Deze meening deelde Willem. II geenszins. Maar bovendien had hij andere bezwaren te bestrijden. Daartoe behoorde de zaak van hen, die zich van het hervormd kerkgenootschap afzonderden en kortheidshalve veelal „Afgescheidenenquot; worden genoemd. Zoowel zij als de Roomsch-katholieken waren tegen do gemengde school en verlangden leerstellig onderricht op de instellingen van lager onderwijs. Deze beweging was reeds in de laatste jaren van 't bewind van Willem I begonnen. De eerste schouring .greep plaats in 1834. Het provinciaal kerkbestuur van Groningen ontzette Wijn ne, Handboek der Atcj, Geschiedenis, 7(le dnik. 29

-ocr page 482-

450

den 29sten Mei van dit jaar Hendrik de Koek, predikant te Ulrum, uit zijn ambt ter zake van het strooien van 't zaad der verdeeldheid, èn in zijn preeken, èn in zijn geschriften. In October scheidde hij zich met een goed deel zijner gemeente van de Nederlandsche hervormde kerk af, welk voorbeeld weldra door andere, evenals hij, afgezette leeraren werd gevolgd. De Afgescheidenen, separatisten, zooals men hen noemde, begonnen hierop vergaderingen te houden in huizen of in schuren.

De regeering van Willem I dreef, met het wetboek in de hand, die samenkomsten, als ongeoorloofd, uiteen en vervolgde hen, die ze hielden, als kweekers van onrust of rustverstoorders. De separatisten werden voorde rechtbank gedaagd en tot boeten veroordeeld. Later, sedert 1830, meende Willem I, evenals zijn opvolger van den beginne aan, een anderen weg te moeten inslaan. Aan al degenen, die zicli als Christelijk-Afgescheiden gemeente wilden vestigen en zich, met verzoek om toelating en erkenning, tot de regeering wendden, werd zoodanige vergunning zonder bezwaar van 's rijks schatkist, verleend. Mede werd aan hun verlangen en aan dat der Roomschen in zoover toegegeven, dat, van het jaar

1842 af, de gebouwen der openbare scholen dagelijks, buiten de vaste schooluren, ter beschikking werden gesteld van de geestelijken der verschillende gezindten tot het geven van leerstellig onderwijs in den godsdienst. Van deze Afgescheidenen zijn te onderscheiden de leden van enkele kleine gemeenten van „de Christelijke Gereformeerde kerk onder liet kruis,quot; die zich niet hebben afgescheiden, maar afzonderlijke vergaderingen houden en, evenals de Afgescheidenen, hun eigen eeredienst bekostigen.

Hetgeen Willem II echter de meeste moeielijkheden baarde was de toestand van 's rijks financiën. Om hierin te voorzien droeg hij in September

1843 liet tijdelijk bestuur van het departement van financiën op aan den minister van justitie, F lor is Adriaan van Hall. Het ontwerp, dat van Hall ter tafel bracht, liet de keus tusschen een buitengewone belasting op de bezittingen en op de inkomsten, waarvan liet bedrag werd geraamd op 35,000,000, of een vrijwillig offer tot een bedrag van 127,000,000 gl. Dat offer zou bestaan deels in vrijwillige giften, deels in een leening naar 3 pet. Het ontwerp werd in 1844 wet. Daar de natie van de verplichte heffing den grootsten afkeer had, beproefde men het eerst het middel der leening, en zij werd zoo goed als volgeteekend. Wat er ten slotte nog aan ontbrak vulde Willem II aan.

Intusschen werd het verlangen naar een herziening der grondwet driftiger. In 1844 deden negen leden der Tweede Kamer te dien. einde een voorstel bij deze kamer. Dit voorstel legde den grond tot de opkomst dei-staatspartijen, die van den vooruitgang, en die, welke men, met een onjnisten naam, die van het behoud pleegt te noemen. Het voorstel werd verworpen. De meerderheid, die het verwierp, handelde in overeenstemming met de overtuiging van Willem II, die van oordeel was, dat het tijdstip der herziening nog niet dailr was. Doch in October 1847 achtte hij den tijd gekomen. Middelerwijl begonnen alom de volksbewegingen, die

-ocr page 483-

451

de meeste staten van Europa op hun grondvesten deden schuddon. Den 13den Maart gaf daarom Willem II, zonder een der raadslieden van de kroon te hebben gehoord, geheel uit eigen beweging aan den president der Tweede Kamer, jhr. W. Boreel van Hogelanden, ten hove ontboden, te kennen, dat hij geneigd was over te gaan tot een ruime herziening der grondwet. In Juni 1848 werd een ontwerp van herziening, samengesteld door een commissie van vijf mannen, aan de volksvertegenwoordiging ter beraadslaging aangeboden en door haar aangenomen. In dezelfde maand kreeg Luxemburg een nieuwe grondwet, waarbij het zijn afzonderlijke vertegenwoordiging, die het sinds 1841 had, behield.

De hoofdtrekken der Nederlandsche grondwet van 1848 zijn: De kroon is erfelijk, zoowel in de mannelijke, als in de vrouwelijke linie van het huis van Oranje. De koning heeft een jaarlijksch inkomen van 1,000,000 gl., welke bepaling later in dien zin is gewijzigd, dat er voor in de pladt.s is gekomen 600,000 gl., benevens de inkomsten van do domeinen der kroon. Hij heeft de uitvoerende macht en deelt de wetgevende macht met de Staten-Genoraal. Hij verklaart oorlog en sluit vrede; heeft het opperbevel over de land- en de zeemacht, het opperbestuur der koloniën en der bezittingen in andere werolddeolen, alsmede dat der buitenlandsche betrekkingen en der algemeone geldmiddelen. Hij benoemt de ministers, die voor de daden der regeering verantwoording zijn verschuldigd aan de natie. De Staten-Greneraal vertegenwoordigen het geheele volk. Zij bestaan uit oen Eerste en oen Tweede Kamer, voor welker leden de ouderdom van dertig jaren oen vereischte is. De loden der Eerste Kamer, ten getale van negenendertig, worden door de provinciale staten benoemd uit de in de directe belastingen hoogst aangeslagenen. Zij hebben zitting voor negen jaren. De leden der Tweede Kamer worden rechtstreeks door de burgers verkozen, die meerderjarig zijn en een zekere som in de directe belastingen betalen. Hot aantal der leden, die voor vier jaren zitting hebben, thans 100, wordt bepaald naar de bevolking van 'trijk, één lid voor elke 45,000 inwoners. Den koning staat een raad van state ter zijde. Er is oen rekenkamer, aan welke het algemeen toezicht op 't beheer der rijksmiddelen is toevertrouwd. De leden der provinciale staten worden door dezelfde kiezers, als die der Tweede Kamer, voor zes jaar verkozen. Hun voorzitter is de commissaris des konings. Uit hun midden benoemen de provinciale staten een college van gedeputeerde staten, waaraan het dage-lijksch bestuur van 't gewest is toevertrouwd. Aan 't hoofd van elke gemeente staat een gemeenteraad, waarvan de burgemeester voorzitter is en de leden voor zes jaar zitting hebben. De ingezetenen der gemeente, die een zeker bedrag in de belastingen betalen, verkiezen de leden van dien raad. De koning benoemt zijn commissarissen in de verschillende gewesten, benevens de burgemeesters. — Eerst met deze grondwet verdwenen de standen, dat onafscheidelijk bestanddeel der middeleeuwsche vertegenwoordiging, uit den staatsvorm. In plaats van het historische werd een algemeen beginsel aangenomen.

20*

-ocr page 484-

452

Den 3den November 1848 werd de grondwet afgekondigd. Reeds een half jaar daarna, den 17den Maart 1849, stierf Willem II te Tilburg (in Noord-Brabant, ten z.w. van 's Hertogenbosch). Het volk van Nederland betreurt hem als een held, die aan de grootsche gestalten zijner voorvaderen uit het huis van Oranje herinnert, als een welwillend koning, die in moeielijke dagen met beleid voor zijn belangen had gewaakt, als een beminnaar en vereerder der fraaie kunsten.

Onder 't bewind van zijn zoon en opvolger, Willem III, werd in 1853 het Haarlemmermeer drooggemaakt, een reuzenwerk, aangevangen in Juni 1848, voltooid in 1853. Nog steeds was uitgebleven de voltrekking van het concordaat van 1827, doordien de Belgische omwenteling was tusschenbeiden gekomen. Do onderhandelingen, deswege met het hof te Rome aangeknoopt, leidden hiertoe, dat den 4den Maart 1852, in plaats van de vroegere missie (zie blz. 434), weder een bisschoppelijk bestuur der Roomsch-katholieke kerk werd ingevoerd, zoodat Nederland als een gewest dier kerk werd aangemerkt, waarvan Utrecht als aartsbisdom de hoofdzetel, Haarlem, 's Hertogenboscli, Breda en Roermond (in Limburg, ten n.o. van Stevensweert, zie blz. 44G) de bisdommen zijn. Aan deze invoering ging geenszins, wat men vroeger onvermijdelijk achtte, een concordaat vooraf. De regeering wilde de scheiding van kerk en staat in de hand werken. Daarom liet zij, behoudens haar recht van toezicht, den paus, Pius IX, vrij in do regeering der Roomsch-katholieke kerk, in Nederland gevestigd. Doch zij nam er geen genoegen mede, dat de paus de voorgenomen oprichting der bisdommen niet tevoren ter kennis had gebracht van 't kabinet te 's Gravenhage. Deze zelfde omstandigheid, gevoegd bij de zaak der invoering zelve en inzonderheid bij eenige uitdrukkingen, voorkomende in de aanspraak van den paus van den 7den Maart tot de hooge geestelijkheid te Rome, waarin van het protestantisme als van een dwaalleer werd gewaagd, verbitterde de Nederlandsche protestanten en trof hen als met een electrieken schok. Deze gevoelens werden uitgesproken in de. Aprilbaweginy, toen de koning door tal van adressen werd bestormd en hel eerste, ministerie-Thorhecke, opgetreden in November 1849, den 19den April 1853 zich verplicht zag voor den storm te wijken en heen te gaan. Mede werd, ten einde aan de rechtmatige ongerustheid te gemoet te komen, onder het thans optredend ministerie-van Hall (zie blz. 450), een ontwerp ter regeling van het toezicht op de onderscheiden kerkgenootschappen aan de kamers aangeboden en in September van 't zelfde jaar, 1853, tot wet verheven, waarin o.a. werd vastgesteld, dat, zonder 's konings toestemming, vreemdelingen geen kerkelijke bediening-mochten aanvaarden en het kerkelijk gewaad alleen binnen gebouwen en besloten plaatsen worden gedragen.

Naast de inrichting van Nederland, als een gewest der Roomsch-katholieke kerk, blijft die der oud-katholieke kerk of oud-hisschoppeljke cleresey, in September 1853 door de regeering erkend, voortbestaan, welke eveneens te Utrecht een aartsbisdom, te Haarlem en te Deventer een

-ocr page 485-

453

bisdom heeft. Do loden dezer kerk beweren vast te houden aan do óéno Roorasoh-katholieke kerk en aan de erkenning van den paus, als hoofd der kerk, doch tevens, dat zij do bevoegdiioid moeten hebben, hun aartsbisschop in de kapitels te kiezen, welke bevoegdheid, naar hun oordeel, hun niet heeft kunnen worden ontnomen door de bul van 1559 (zie blz. 196) en in allen gevalle, sinds de afzwering van Philips II, tot hen is teruggekeerd.

In 1857 verving een wet op het lager-onderwijs, ingediend dooi' den minister van binnenlandsche zaken, Anthon Gerard Alexander van Rappard, die van 1800. In 1858 trad van Rappard af en had tot opvolger o.a. Johan Rudolf Thorbecke, wiens tweede ministerie in 1802 aanving en in 1866 eindigde, gedurende welk tijdsbestek, in 1S63, do wet op hot lager-onderwijs werd opgevolgd door een wet op het middelbaar onderricht, terwijl de eindregeling van liet Hooger-Onderwijs geschiedde bij de wet van Heemskerk van 1876 en in 1878 wederom oen nieuwe wet op het lager-onderwijs werd uitgevaardigd. Zooveel wat aangaat hot binnenlandssch bewind, waaraan Thorbecko's dood in Juni 1872, te midden van zijn derde ministerie, begonnen in Januari 1871, een man ontrukte, die er den moesten invloed op had geoefend. In Febr. 1825, in Maart 1855 en in Jan. en Febr. 1861 werd Nederland door zware overstroomingen geteisterd. De tweede maal trof deze ramp de bewoners der provinciën Utrecht, Gelderland en Noord-Brabant, de laatste maal die van de beide laatste provinciën, welke echter bij hun landge-nooten ruime tegemoetkoming vonden. Andere verliezen, die hot land, mitsgaders het koninklijk huis, leed waren de dood der koningin (zie blz. 447) in Juni 1877, die van prins Hendrik (zie blz. 432) in Januari 1879, die van den kroonprins (zie blz. 447) in Juni 1879, eindelijk die van prins Frederik (zie blz. 432) in September 1881. In Januari van 't zelfde jaar, 1879, hertrouwde de koning met Adelaide Emma Wil-helmina Therese van Waldeck-Pyrmont, een dochter van don vorst van dat land, George Victor, als koningin doorgaans Emma geheeten. Den 31sten Augustus 1880 sproot uit dit huwelijk prinses wilhelm in a Helena Paulina maria. Hoewel minderjarig, volgde zij haar vader op, toen Willem III, de laatste mannelijke telg uit het huis Oranje-Nassau, in November 1890 op het Loo overleed, betreurd door donatie, die hem als het model van een constitutioneel koning vereerde. Van dit oogen-blik af trad koningin Emma op als regentos. Groothertog van Luxemburg werd adolf van nassau. Intusschen was, nog vóór 's konings dood, ile grondwet van 1848 in 1887 herzien.

Ten aanzien van de buitenlandsche betrekkingen behoort het verdrag van Februari 1871 te worden vermeld, bij hetwelk de gebouwen en wat Nederland verder bezat op de kust van Guinea (in 't w. van Afrika) voor de som van 24,000 pond sterling aan Groot-Britanniö werd afgestaan. Twee jaren daarna, in Maart 1873, brak, ter zake van zeerooverij, een oorlog los van Nederland tegen den sultan van Atjeh (op de westkust

-ocr page 486-

454

van Sumatra). Do eerste aanval der Nederlandsche krijgsmacht slaagde niet naar wensch, weshalve in November een tweede tocht werd ondernomen onder bevel van generaal van Swieten. In Januari 1874 veroverde deze aanvoerder den kraton, de voornaamste sterkte der Atjehneezen. waarop een gedeelte van Nederlands troepen in dit land zijn legerplaats opsloeg in afwachting der onderwerping van de verschillende stamhoofden, die evenwel nog steeds uitblijft.

§ 144.

Worsteling tnsschen twee hoofdpartijen in België. — - Roem van Leopold I. — Bloei van dit rijk. — Dood van Leopold I, 10 December 1865. — Leopold It. Opstand der Polen te Warschau, den 29sten November 1830. — Karakter van halfheid der beschikking van H congres van Weenen nopens dit land. — Betrekkelijk gunstige toestand van Polen. — Ontevredenheid der bevolking. ■— De grootvorst Konstan-tijn. — De dictator Ghlopicki. — Verklaring van de kamer der lands-hoden en van den senaat op den 25sten Januari 1831. — De leiding van het oproer komt aan vijf mannen. —• Diebitsch rukt Polen binnen. — Slag bij Ostrolenka onder Skrxynecki. — Dood van Diebitsch. — Pas-kewitseh. — Krukowiecki president der Republiek. — • Zijn dubbelzinnig gedrag. — Warschau geeft zich den 7den September 1831 over. — Paskeivitsch, vorst van Warschau, stedehouder van Polen. — Oorzaken der hernieuwde gisting. — Bewijzen der spanning sinds 1861. — Kon-stantijn stedehouder sedert Juni 1862. —■ Het besluit der lichtingen voor den krijgsdienst. — De opstand harst los in Januari 1863. — Het nationaal bewind. — De vertoogen van Frankrijk, van Engeland en van andere mogendheden afgewezen. — Het einde van den opstand in 't midden van 1864. — Murawieff en Berg. — Maatregelen der Russisehc regeering in Polen onder Alexander II.

Evenals Nederland bleef het jonge koninkrijk België gespaard, zoowel voor de plagen van een buitenlandschen oorlog, als voor de woelingen van den omwentelingsgeest. Daarentegen was er aanhoudend wrijving van de beide hoofdpartijen, de vrijzinnige en de katholieke (clericale), welker unie of broederlijke vereeniging, nu het bolwerk was bezweken, waartegen zij was gericht geweest, niet langer stand hield, maar in een scherpe onderlinge tegenkanting was verkeerd. Deze strijd houdt nog steeds aan, hoewel hij den toenemenden bloei van 't land geenszins in den weg schijnt te staan. Dat, in weerwil van vele botsingen, de verdeeldheid der partijen geen eigenlijke scheuring in het land te weeg bracht, verhoedde, voor een goed deel, het wijze beleid, waarmede Leopold I de taak van constitutioneel koning opvatte en vervulde. Daarom werd hij, on bij zijn leven, èn na zijn dood, als het toonbeeld van zoodanig vorst geroemd en door geheel Europa geëerd. In velerlei opzicht zijn de jaren van zijn

-ocr page 487-

455

bewind in 't nieuwe koninkrijk een tijdperk van bloei geweest. Te midden van den strijd om zijn bestaan, in 1834, sloeg hij stoutmoedig de hand aan 't leggen van zijn eersten spoorweg, die tevens de eerste was op 't gansche vasteland van Europa. Handel en nijverheid stegen in bloei. Al spoedig verrees, als bewijs van leven ook op 'tgebied der wetenschap, lt;le door bijzondere personen uit eigen fondsen gestichte mije hoogcschool te Brussel. Vooral toonen de Belgen veel ijver en belangstelling in het nasporen en beoefenen hunner nationale geschiedenis. Na gedurende zijn geheele regeering ten duidelijkste te hebben bewezen, dat hij met de Belgen een Belg wilde zijn; na de onafhankelijkheid en de vrijheden dei-natie op hechten grondslag gevestigd, haar welvaart bevorderd en haar een eervollen rang verzekerd te hebben onder de Europeesche volkeren overleed Leopold I den lOden December 1865. Hem volgde zijn oudste zoon, tot dusver „de hertog van Brabantquot; geheeten, als leopold ii op.

Ook de Polen zochten den 29sten Nov. 1830, door een opstand te Warschau, die zich spoedig over het geheele land uitbreidde, hun onafhankelijkheid op Rusland te herwinnen. De beschikking, die het congres van Weenen ton opzichte van dat land had genomen, was een halve beschikking geweest. Het had (zie blz. 320) aan 't vroegere hertogdom Warschau zijn zelfstandigheid ten deele wedergegeven. Aan dit nieuw opgericht koninkrijk had Alexander I een eigen staatsregeling geschonken, volgens welke een senaat en de kamer der landsboden de wetgevende macht met den keizer van Rusland deelden. Ook had het een afzonderlijk beheer onder een onderkoning, ter zijde gestaan door een verantwoordelijk ministerie, niet zelfstandige gemeentebesturen en rechtspraak, met vrijheid van drukpers, enz. Doch het was niet de volle onafhankelijkheid van geheel Polen, die men iiad verkregen, want een aantal der voormalige Poolsche gewesten bleef van het koninkrijk afgescheiden, en het koninkrijk behield ook van nu aan den keizer van Rusland als beheerscher.

Een groote menigte Polen rustten, in dien stand der zaken, niet, aleer het gansche vaderland, als een zelfstandig rijk, was herboren. In weerwil dat zij, evenals de inwoners van het Lombardijsch-Venetiaansche koninkrijk ten opzichte van Oostenrijk, niet konden loochenen, dat de gesteldheid van 'tland, mede door de zorgen van 't bewind van Alexander, veel gunstiger was dan in vorige tijden, voldeed hun het toewerpen van al het andere niet, zoolang zij het éene, dat bij hen boven alles ging, moesten derven. Aangeblazen werd de geest van verzet in een aantal geheime genootschappen, die hun vertakkingen door 't gansche land heen hadden. Onder Nikolaas, Alexanders opvolger, toen de Russische regeering minder dan vroeger schroomde de Poolsche grondwet te overtreden en het volk den druk der policie te doen ondervinden, groeide de geneigdheid om het juk af te schudden aanmerkelijk aan. Immers de Polen bespeurden, dat, hoezeer het congres van Weenen hun het behoud hunner nationaliteit had gewaarborgd, zij ze hoe langer hoe meer hadden verloren cn ongetwijfeld eens geheel zouden verliezen, indien zij immer aan Kus-

-ocr page 488-

■JóG

land geketend bleven. Inzonderheid richtte zich de volkshaat tegen den Russischen grootvorst Konstantijn (zie blz. 373), die als stedehouder van wege Rusland dit land bestuurde.

Toen nu de Juli-omwenteling te Parijs uitbrak, achtten vele der samen-gezworenen, onder welke zich bevonden lieden van allerlei stand, leden van den rijksdag, adellijken, letterkundigen, officieren, burgers, studenten, het oogenblik gekomen om op te staan. Op den avond van den 29sten November stelden zich verschillende benden der opstandelingen, van onderscheiden kanten uitgaande, in beweging, overrompelden het slot van van den grootvorst en namen de voornaamste punten der stad in bezit. Konstantijn vluchtte, en de Russische troepen namen eveneens de wijk. Intusschen word, na dit voorspoedig begin, de geestdrift van de meerderheid der Polen niet in gelijke mate gedeeld door de hoofden des volks, daar zij allen en inzonderheid Chlopicki, die als dictator de leiding-der zaken in handen kreeg, het voor onmogelijk hielden aan Ruslands overmacht het hoofd te bieden en daarom al hun hoop op onderhandelingen vestigden. Zij vergaten, dat wie het zwaard ten oproer trekt de scheede moet wegwerpen. Toen keizer Nikolaas (zie blz. 373) de Polen voor rebellen verklaarde en onderwerping op genade of ongenade eischte, sloot de kamer der landsboden, alsmede die der senatoren, den 25sten Jan. 1831 het huis Romanow van den Poolschen troon uit. Inmiddels was Chlopicki van de dictatuur ontzet, hoewel hij toch de ziel der krijgsverrichtingen bleef, en door een vijftal der aanzienlijkste mannen vervangen.

Den 5den Febr. begonnen de vijandelijkheden. Een sterk leger Russen rukte onder den veldmaarschalk Diebitsch Polen binnen. Ondanks hun minderheid kampten de Polen in onderscheiden gevechten met wanhopigen moed; maar ten laatste bezweek hun hoofdleger, aangevoerd door Skrzy-necki, voor de overmacht, waarover Diebitsch het bevel voerde, inzonderheid na den moorddadigen slag van den 2üsten Mei 1821 bij Ostrolenka (ten n.o. van Warschau). Kort daarna stierf Diebitsch, waarschijnlijk aan de cholera, en werd vervangen door Paskewitsch (zie blz. 387). Bij de onderling zeer verdeelde Polen hadden de democraten thans het overwicht, door wier toedoen Krukowiecki tot president der Republiek werd benoemd. Door zijn dubbelzinnig gedrag, geheel beantwoordende aan de lage streken, waaraan hij zijn verheffing tot die waardigheid had te danken, maakte de nieuwe president de verdediging van Warschau onmogelijk. Hij zond een groot aantal der beste troepen buiten de stad, bezette de belangrijkste posten met ongeschikte personen en veroordeelde de krijgshaftige burgerwacht tot werkeloosheid. Het gevolg was, dat de stad, na den 6den en den 7den September door Paskewitsch hevig te zijn bestormd, zich bij verdrag aan de Russen overgaf. — Zóó viel Polen wederom. De kern der natie werd naar Siberië verbannen, het land bij Rusland ingelijfd, de hoogeschool opgeheven, en Paskewitsch door Nikolaas tot vorst van Warschau benoemd, aanvaardde er als 's keizers .stedehouder het bestuur.

-ocr page 489-

457

In weerwil van de vele hervormingen, welke keizer Alexander II (zie blz. 391) ook in Polen invoerde, en ofschoon hij tot op zekere hoogte aan de wenschen der volkspartij te gemoet kwam, werd, sedert liet einde van den oorlog in de Krim (zie blz. 390), de gisting' in dit land weer erger. Te diep was in de gemoederen do wrok gezeteld wegens liet voortdurend streven der Russische regeering, zoolang Nikolaas de kroon had gedragen, om de Poolsche taal door de Russische te vervangen en voor den katholieken godsdienst den Griekschen in de plaats te stellen, in 't kort om de Poolsche nationaliteit met wortel en tak uit te roeien. Daarenboven vertrouwden de Polen, dat de pas gevoerde oorlog Ruslands krachten zoozeer had gebroken, dat het de herstelling van hun volksbestaan niet in den weg zou kunnen staan. De spanning openbaarde zich in 1861 te Warschau in herhaalde optochten, in samenscholingen, die meestal weigerden uiteen te gaan, en in het dragen van openbare teekenen van rouw over hen, die in den strijd tegen Rusland waren bezweken. Het meest werd die spanning door de katholieke geestelijkheid gaande gehouden.

Het duurde een paar jaren, dat Polen, zonder rechtstreeks in opstand te zijn, als ter prooi was aan een wedstrijd tnsschen do revolutionnaire beweging aan de eene zijde en maatregelen van onderdrukking aan de andere. Middelerwijl benoemde Alexander II in Juni 1862 zijn broeder Konstantijn tot stedehouder van 't koninkrijk. In 1863 besloot de keizer van Rusland, na verschillende voor Polen heilzame verordeningen te hebben uitgevaardigd, de lichtingen voor den krijgsdienst, gedurende eenige jaren gestaakt, vooral in de steden van Polen op nieuw te doen plaats hebben, omdat vandaar de pogingen tot verzet hoofdzakelijk uitgingen. Toen nu het besluit ten uitvoer werd gelogd en de rekruten des nachts met geweld uit de huizen werden gehaald, barstte de opstand in de maand Januari van dat jaar los. Een nationaal hewiud van eenige mannen plaatste zich aan het hoofd der beweging, die voortdurend steun vond bij de geestelijkheid. Niemand w-ist, wie er de leden van waren en waar zijn zetel was gevestigd; doch elk, die de bevelen van dit bewind niet nakwam, viel onder den dolk eener regeering, die een tweede veemgerecht scheen te zijn. De veerkracht van dit bewind slaagde er in den opstand lang gaande te houden; maar het kon do meerderheid der bevolking van 't platteland niet tot deelneming bewegen.

Wederom ontbrak het onder de opstandelingen aan eenheid, zoodat zij niet met één groot leger, maar met afzonderlijke scharen, die elk onder een eigen aanvoerder stonden, den oorlog voerden. Allengs bleek het hoe langer hoe duidelijker, dat do guerilla-benden op den duur niet bestand waren togen de steeds met versche troepen afwisselende Russische legers. En in de eerste maanden van 1864 legde de Russische regeering de hand op de leden van het nationaal bestuur, die öf ter dood gebracht, öf naar Siberië gezonden werden. Do vertoogen ter inmenging van Frankrijk, van Engeland en van vele andere mogendheden wees de keizer lier van do hand. In 't midden van 1864 was de rust in Polen hersteld. Hot waren

-ocr page 490-

458

vooral de generaals Murawieff en Berg, aan wier onverzettelijkheid Alexander II het dempen van den opstand had te danken. In weerwil van den langdurigen tegenstand, hem geboden, ging de keizer voort met het nemen van maatregelen van hervorming, mede in Polen, alwaar ook de afschaffing der lijfeigenschap werd voorbereid. Aan die maatregelen paarde hij echter andere, betreffende de taal, de kerk, het onderwijs en de rechtspraak, welker strekking was het Poolsche element te verdringen en voor het Russische te doen plaats maken.

§ 145.

Uitwerking van het voorbeeld, gegeven door de voormalige Engelsche koloniën in Noord-Amerika. — Haiti komt in 1795 aan Frankrijk. — Oproer der slaven. — De vrije neger- en Mulattenstmt Haiti onder Boyer, in IS25 door Frankrijk erkend. .— Splitsing in 184!) in een negerkeixerrijk onder Faustmvs 1, Haiti, en in een Kreolenrepuhliek, Dominica gehee-ten. — Dominica komt in 1801 weer aan Spanje, maar wordt in 1863 op nieuw onafhankelijk. — Hel geheele eiland wordt in 1870 aan de Ver-eenigde Staten aangeboden. — Afhankelijkheid der koloniën op het vaste-land van Zuid- en van Midden-Amerika van Spanje. — Invloed der Europeesche denkbeelden op de Kreolen, op de Midatten en op de overige inwoners dier landstreken. — Het streven naar onafkan kei ijlcheid in dé hand gewerkt door de ondersteuning, die Karei III aan de Vereenigdc Staten laat geworden. — Opstand van verscheidene koloniën tegen Spanje ut 1810, een uitermate geschikt tijdstip. — Kamp van Venezuela, 1811— 1S24. — Simon Bolivar de bevrijder, president van Venezuela, 1824— 1830. — Eveneens werpen Nieuw-Granada, Ecuador, Beneden-Peru en Boliria het juk der afhankelijkheid af. —• In 1836 erkent Spanje de zelfstandigheid dezer staten, gelijk mede die van Chili, van de Ver-eenigde Gewesten aan de Plata en van Paraguay. — Nieuw-Spanje, thans Mexïlco geheeten, rukt zich los in 1822. — Herhaalde onlusten in dit land. — Augusünus Uur bide keizer van Mexïko in 1822. — Antonio Lopez de Santa-Anna roept de republiek uit in 1823. — Dood van Iturbide. — Santa-Anna president in 1833. — In 1853 wordt hij aangesteld als levenslang president. — Hij moet wijken in 1855. — Miramon, het hoofd van de partij der geestelijken en van de Kreolen, president in 185!). — Benito Juarez, de leider der volkspartij of van de kleurlingen, president in 1860. — Noodlottige gesteldheid van het land. — Gevaarlijke toestand der vreemdelingen. — Besluit van Juarez omtrent de rente der staatsschuld. — De leening-Jecker, door Miramon aangegaan. — Het verdrag van Londen van den 31 sten October 1861 tnsschen Spanje, Frankrijk en Engeland. — Geheime oorzaken van Spanje's en van Frankrjks zucht tot inmenging. — Houding van de Vereenigdc Staten ten opzichte van Mexiko. — Bijzondere beweegredenen ran Napoleon IH. — Landing der Spaansche, der Fransche en der

-ocr page 491-

459

Engelsche vloot in Mexiko in December 1861 en in Januari 1HG2. — De overeenkomst van Soledad, I!) Februari 1862. — Napoleon 111 bekrachtigt ze niet. — In April 1862 keer en de vloot van Engeland en die van Spanje terug. — Oorzaken van dien terugkeer. — De inoeielyk-heid der taak, die Frankrijk op zijn schouders laadt. — Den 18den Mei 186;{ geeft Puehla zich aan Fore;/ over. — Intocht van Fore;/ te Mexiko, 10 Juni. — Hij wordt tot maarschalk benoemd. — Juarez wordt dictator.

Terwijl in Europa de aangecluido groote omkeeringen tot stand kwamen, ■grepen in de nieuwe wereld niet minder gewichtige veranderingen plaats. Daar hadden in de achttiende eeuw de Engelsche volkplantingen, de latere Vereenigde Steten, het eerste voorbeeld van een met goeden uitslag bekroonden kampstrijd voor vrijheid en onafhankelijkheid tegen 't moederland gegeven. Hoe meer zij sedert dien tijd door akkerbouw, nijverheid •en handel bloeiden, des te verleidelijker moest het gegeven voorbeeld voor de koloniën der overige Europeesche natiën zijn. liet eerst volgde St. Domingo, — zóó heette het eiland, zoolang het aan Frankrijk behoorde, — van dat oogenblik af weder Haiti genoemd, den stap der Ver-•eenigde Staten. Nadat de Spanjaarden sinds Columbus' tijd dit groote en vruchtbare eiland hadden bezeten, werd in 10!)7 de westkust aan Frankrijk overgelaten. In 1795 verwierven de Franschen het, bij den met Spanje gesloten vrede (zie blz. 303), geheelenal en verklaarden de negers vrij. Doch toen barstte er een vreeselijk oproer los der vroeger erg mishandelde slaven tegen hun blanke meesters. De door Napoleon ter herovering van Haïti gezonden troepen moesten deze poging opgeven, zoodat Frankrijk zich verplicht zag, in 1825 de onafhankelijkheid van den onder den president Boy er opgerichten vrijen neger- en mulattenstaat te erkennen. Later werd hij in twee rijken gesplitst, een negerkeizerrijk, het westelijk gedeelte, Haïti, onder f a u s t ï n u s i , en een Kreolenrepubliek, liet •oostelijk gedeelte, Dominica geheeten. In 18G1 werd Dominica, op 't verlangen van oen deel der bevolking, wederom een bestanddeel van het I koninkrijk Spanje. Dit is het gebleven tot Juli 18G5, toen Spanje het op

nieuw voor een onafhankelijke republiek heeft verklaard. Ten laatste werd, ten gevolge eener volksstemming, in 1870 het geheele eiland aan •de Vereenigde Staten aangeboden, doch is tot dusver niet aangenomen.

Een dergelijke wisseling ondergingen ook de uitgebreide Spaansche koloniën op het vasteland van Zuid- en van Midden-Amerika (zie blz. 172 vlg.). Het moederland hield deze rijke streken in strenge afhankelijkheid, gunde haar geen eigen bestuur, sneed haar iedere gelegenheid ter ontwikkeling van handel en van nijverheid af en liet ze, wat beschaving betreft, in den toestand der kindsheid verblijven. Nu was, sedert de eeuw dei-ontdekkingen, het getal der in die streken gevestigde Europeanen, zoowel als dat der Kreolen, der Mulatten, enz. zeer toegenomen. Zij waren het, •die zich aan de verkeerdheid der oude instellingen ergerden. Meer en meer

-ocr page 492-

4(10

waren, niet een zeker aantal van hen, Europeesche denkbeelden in de nieuwe wereld doorgedrongen. Zij leerden de bevolking de voordeelen be-seffen van liet treden in gemeenschap met de Europeesche volkeren in 't algemeen. Hierbij kwam, dat, sinds de verdrijving der Jeznïten ook uit deze landen (zie blz. 273), de studie dier wetenschappen, welke de kerk tot dusver had tegengehouden, ook hier doordrong, en met haar de verspreiding werd in de hand gewerkt der nieuwere meeningen omtrent staatkunde, standen in de maatschappij, de oorspronkelijke gelijkheid aller menschen en andere dergelijke denkbeelden, die vooral in Frankrijk werden gehoord.

Zonder het te willen, bevorderde de koning van Spanje zelf. Karei III (zie blz. 277), door de Vereenigde Staten van jSToord-Amerikn tegen öroot-Britannië te ondersteunen, liet aanwenden van pogingen in zijn eigen koloniën om in 't bezit van de vurig gewenschte onafhankelijkheid te geraken. Uit hoofde van het geringe aantal troepen, dat de regeering van Spanje, als bezetting in de Spaansche volkplantingen deed verblijven, viel er niet aan te twijfelen, of het had, zoodra het verzet tegen de Spaansche heerschappij een begin nam, alle kans door de fortuin te worden begunstigd. Sedert 1810, een uitermate geschikt tijdstip (zie blz. 315), geraakten verscheidene koloniën in openbaren opstand tegen Spanje. Uitermate geschikt was dit tijdstip, omdat de Zuid-Amerikanen, hoewel in opstand tegen het moederland, evenals de Nederlanders ten tijde van Philips II, konden beweren, aan koning Ferdinand VII (zie blz. 315) getrouw te blijven; omdat in Spanje zelf regeeringloosheid heerschte; omdat de Cortez te Cadix zei ven het voorbeeld gaven van een volk, dat een zelfstandig bestuur voorstond. En toen Ferdinand VII (zie blz. 328) weer den troon had beklommen en den opstand in Spanje zelf bedwongen, had het oproer in Zuid-Amerika te veel omvang en kracht erlangd, dan dat het zicli gemakkelijk liet dempen. Te minder uitzicht was hierop, dewijl deze koning zijn oor gesloten hield voor de meest rechtmatige grieven van de bevolking dier landen en van een staatsrechtelijke gelijkstelling der volkplantingen met liet moederland volstrekt niet wilde weten.

Vencziiéla (d. i. Klein-Venetië) verklaarde zich reeds in 1811 voor een onafhankelijke Republiek en kampte, ofschoon het ten gevolge van de verschrikkelijke aardbeving van den 26sten Maart 1812 voor kort weder onder de heerschappij der Spanjaarden terugkeerde, tot 1824, het jaar zijner volledige bevrijding, wakker tegen liet Spaansche krijgsvolk. Tot aanvoerder in dien strijd had Venezuela Simon Bolivar, met den bijnaam den bevrijder, die in 1824 president werd en in 1830 stierf. Op die wijze verloren de Spanjaarden allengs al hun bezittingen in Zuid-Amerika en verrezen er alom republieken, als Nieuw-Oranada, Beneden-Peru en Opper-Peru, dat den naam Bolivia aannam, Quito, thans Ecuador, d. i. aequator of evenaar, geheeten. Chili, de Vereenigde, Gewesten aan de Plata en Paraguay. Desniettemin erkende Spanje niet vóór 1830 do onafhankelijkheid van al zijn voormalige koloniën in Amerika.

Van alle staten van Midden- en Zuid-Amerika heeft er geen in deze

-ocr page 493-

461

eeuw een tijdperk van rustige ontwikkeling en bloei gehad, behalve Chili en Brazilië (zie blz. 331). Daarentegen heeft geen van hen aan meer beroeringen en binnenlandsche oneenigheden ten doel gestaan dan Mexiko, hetwelk tot dusver Nieuw-Spanje had geheeten. Sedert zijn afscheuring van Spanje onderging hot negen malen een verandering van regeerings-vorm. Van datzelfde tijdstip af was het meer dan driehonderd malen het tooneel eener verheffing van den oen of anderen partijganger of van een oproer. Allereerst werd in 1822 augustïnus ittjhbide, een Kreool en overste in Spaanschen dienst, tot keizer benoemd, welk keizerschap echter weldra weder een einde nam, toen generaal antonio lopez santa-anna in 1S23 de republiek uitriep en Iturbide werd dood geschoten. Hierop had men een tijdperk van bonte wisseling: nu eens een republiek in naam, regeeringloosheid inderdaad, dan weer een president met onbeperkte macht. In 1833 werd Santa-Anna president, vervolgens wel meermalen verbannen, maar in Dec. 1853 zelfs als levenslang president der Republiek aangesteld. Doch in Aug. 1855 moest hij (overleden Li 187G) van die waardigheid afstand doen, waarop verschillende presidenten elkander spoedig, de een na den ander, opvolgden. Zoo werd in 1859 Mi ram on met die waardigheid bekleed, welke Miramon het hoofd was der partij, die haar steun vond bij de geestelijkheid en bij de aanzienlijken, waartoe de meeste Kreolen behoorden. Tegen 't einde van 1860 zag hij zich echter genoodzaakt, zijn plaats aan Benito Juarez af te staan, een afstammeling der oude Azteken (zie blz. 174), den leider dei-volkspartij , die vooral uit kleurlingen bestond. Maar ook deze verheffing stelde geen paal en perk aan do regeeringloosheid en aan den strijd der partijen.

Al die soldatenopstanden en burgeroorlogen maakten den toestand van het land als hopeloos. Rooverbenden doorkruisten het land allerwege. Doodslag, roof en diefstal waren aan de orde van den dag. De geldmiddelen van het rijk waren uitgeput. In die gesteldheid van zaken waren het vooral de vreemdelingen, die, welke partij ook voor 't oogenblik den druk der heerschappij hot meest deed gevoelen, het moesten ontgelden. Hierbij kwam, dat Juarez het besluit nam de uitkeering van de rente der schuld van hot rijk gedurende twee jaren te schorsen. Bovendien had Miramon een leening aangegaan bij het Zwitsersche bankiershuis Jecker, hetwelk onder de bescherming stond van de toenmalige regeering van Frankrijk. Zoodra nu Juarez beheerscher werd van Mexiko, verlangde het huis Jecker de betaling der schuldbekentenissen.

Een ware zondvloed was er alzoo van grieven en van bezwaren, van de zijde der Europeanen, die zich over het hoofd van Juarez uitstortte. Den 31sten October 1861 sloten drie mogendheden uit dat werelddeel, Spanje, Frankrijk en Engeland, met elkander het verdrag te Londen, waarbij werd bepaald, dat zij, ten einde Mexiko te noodzaken, de verplichtingen na te komen, die het op zich had genomen, en waarborgen te geven voor krachtiger beveiliging van de personen en van de

-ocr page 494-

462

goederen harer onderdanen, de sterkten op de kust van het rijk zouden bezetten, zonder nogtans voor zichzelf eenige aanwinst van grondgebied of ander voordeel te beoogeu of afbreuk te willen doen aan het recht der Mexikanen, naar eigen verkiezing hun regeeringsvorra vastte stellen

Binnen kort werd het waarschijnlijk, dat cle belangstelling in het lot van Mexiko, zoowel van Isabella, als van Eugénie, althans ten deele was toe te schrijven aan de banden, die zij hadden aangeknoopt met verscheidene uitgewekenen Mexikanen van de partij der geestelijkheid en van het koningschap, en aan de zucht om aan het door verdeeldheden verscheurde rijk een vorst te verschaffen, b.v. een prins uit het in Spanje regeerend huis. Te eer moest men aan dieper liggende, in 't verborgen schuilende doeleinden gelooven, omdat liet oogenblik, waarop men zich gereed maakte troepen naar Mexiko de zee te doen oversteken, juist dat was, waarin het zichtbaar werd, dat de krijg, ontbrand tusschen de Noordelijke en de Zuidelijke van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, een vroeger niet vermoeden omvang zou bekomen. In tegenstelling met de Europeesche mogendheden had de regeering der Vereenigde Staten, vooral om de moeielijke omstandigheden, waarin zijzelf verkeerde, ofschoon ook zij bezwaren tegen Mexiko had, besloten voorshands niet aan te dringen op de bevrediging van haar verlangen. In plaats van met de Vereenigde Staten mede te gaan betoonden vooral Spanje en Frankrijk een buitengewone overhaasting.

Wat Napoleon III zelf betreft, het is vermoedelijk, dat de onderneming hem om velerlei redenen toelachte. Hij kon door dien tocht de eer- en de heerschzucht van 't Fransche volk en leger vleien; wellicht voor dat volk een aandeel bekomen aan de schatten goud en zilver, die de bodem van Mexiko bevatte; eindelijk tegenover het overwicht van het Angelsaksische ras (zie blz. 471) der Vereenigde Staten een bolwerk opwerpen in den invloed, dien alsnu van dit oogenblik af het Celtische of Latijnsche element der Europeesche bevolking daaraan zou ter zijde stellen.

In December 1861 en in Januari 1862 landden de Spaansche, de Fransche en de Engelsche vloot in Mexiko. Aleer zij met de vijandelijkheden aanvingen, beproefden de aanvoerders der Europeesche krijgsmacht den weg der onderhandelingen. Den 19den Februari 1862 sloten zij met Juarez de overeenkomst van Soledad (een dorp, ten z.w. van Veracruz), waarbij werd bepaald, dat de beide partijen zouden trachten elkander nader te verstaan. Van dit tijdstip af bleek zeer duidelijk, dat niet de minste overeenstemming bestond tusschen de drie mogendheden, die zich tegenover Mexiko hadden gesteld. Terwijl toch de regeering van Spanje en die van Engeland het verdrag van Soledad bekrachtigden, onthield Napoleon III er zijn goedkeuring aan. En in April 1862 keerden de vloot van Spanje en die van Engeland, het veld aan Frankrijk open latende, reeds weder den rug aan de kust van Amerika en stevenden naar het vaderland terug. Engeland wilde, in strijd met de verder reikende bedoelingen van Frankrijk, zich niet dieper mengen in de aangelegenheden van een vreemd rijk,

-ocr page 495-

463

ook om niet liet gevaar te loopen eens in mogelijke botsing te geraken met de Vereenigcle Staten. Spanje, dat, evenals Engeland;, aireede iets wist of vermoedde van hetgeen Napoleon in 't schild voerde, begreep, dat het pogen om een prins uit het huis Bourbon op den troon van Mexiko te plaatsen geen kansen van slagen had en zag insgelijks van verdere bemoeiingen af.

Het was geen gemakkelijke taak voor de Franschen, die alleen overbleven, te volvoeren wat hun regeering in den zin had, m. a. w. de wet te stellen aan een land, dat bijna vier malen zoo groot was als Frankrijk, weinig bevolkt en in ruim twintig staten gesplitst; een land. waarvan daarentegen het terrein eigenaardige zwarigheden aan de Europecsche wijze van krijgvoeren aanbood. Het begin van den krijgstocht der Fransehe troepen was ongelukkig. Zoodra echter nieuwe benden, aangevoerd door generaal Forey, onder wien, met anderen, Bazaine (zie blz. 4'il) als hoofdofficier stond, waren aangekomen, begunstigde de fortuin de wapenen der Franschen. Den 18den Mei 1863 gaf de vesting Puebla (ton z.o. van Mexiko) met haar garnizoen zich over. Den lOden Juni hield Forey zijn intocht te Mexiko. De belooning, die hom ten deel viel, was zijn benoeming tot maarschalk van Frankrijk. Van den kant der vijanden daarentegen was in den loop van den zomer van 1862 Juarez door het Mexikaansche congres tot dictator benoemd.

§ 146.

Mexiko. — hi Juli 1863 besluit een vergadering van notabelen te Mexiko, de keizerskroon van 't rijk aan te bieden aan Ferdinand Maximiliaan van Habsburg. — Hij is getrouwd met Charlotte. — Maximiliaans geaardheid. — Hij ontvangt de Mexikaansche afgevaardigden den 3den October 1863 op het kasteel Miramare. — Hij neemt een afwachtende houding aan. — Sedert Augustus 1863 wordt Forey vervangen door Bazaine. — Bazaine verovert bijna het gansche land en verdrijft Juarez naar het Noorden. — Overal verklaren zich de inwoners voor Maximiliaan. — Aankomst van een tweede Mexikaansch gezantschap op Miramare, 10 April 1864. — Maximiliaan neemt de, kroon aan. — Bepalingen van het verdrag, op denzelfden dag door hem gesloten met Napoleon Hl. — Den llden April vertrekken Maximiliaan en Charlotte op de Novara. — Besluit der Vereenigde Staten van den 4dcn April mei betrekking tot de leer van Monroe. — De Novara bereikt den 28sten Mei Veracruz. — Intocht van Maximiliaan te Mexiko, 12 Juni. — Bezwaren, welker gewicht hij terstond gevoelt. — Karakter van zijn bewind. — Nieuwe moeielijkheden, die voor den keizer oprijzen. — Charlotte begeeft zich naar Frankrijk en naar Rome. — In September 1866 samenkomst der keizerin met den paus en begin van haar krankzinnigheid. — Zij gaat eerst naar Miramare en vanhier naar België. — Maximiliaan besluit te volharden. ■— Inscheping en vertrek der Franschen van half Januari tot 13 Maart 1867. — Maximiliaan breekt in Februari 1867 van Mexiko op naar Qneretaro. — Hier sluit Escobëdo hem in. — Ver ave-

-ocr page 496-

4G4

ring van Queretaro, den loden Mei. — Maximiliaan geeft zich over. — Den I!tdcn Juni wordt hij met Mirnmon en met Mejia dood gesoho-tett. — Juarez wordt herkozen. — Hij overlijdt den ISden Juli 1872. — Lerdo de Tejada.

Onder de beschutting der Fransche wapenen kwam in Juli 1863 een junta of vergadering van notabelen te Mexiko bijeen. Zij besloot het rijk tot een keizerrijk to verheffen en de kroon aan te bieden aan febd in and maxim ilia, an van Habsburg, oen broeder van Frans Jozef, keizer van Oostenrijk. Terstond vertrokken eenige afgevaardigden, om de aanbieding in persoon te doen. Maximiliaan, destijds ruim dertig jaar oud, was getrouwd met Charlotte, een dochter van Leopold I, koning der Belgen. Hij stond met zijn broeder, den keizer, op geen te besten voet en hield zich ver van regeeringszaken. Niettemin bezielde hem een vurige neiging om oen werkzaam leven te leiden en zich verdiensten te verwerven. Geenszins bevredigden hem ten volle do genietingen van kunst en van wetenschap, waarin hij voor 't overige veel behagen had. Met een rijke verbeeldingskracht begaafd, trok hem het uitzicht op een avontuurlijk leven eerder aan, dan liet hem afschrikte. AVat anders vreemd zou zijn geweest, dat een spruit uit het huis Habsburg een kroon aannam uit de hand van dien Napoleon, die, meer dan iemand, tot de vernedering van dat huis had bijgedragen, werd verklaarbaar door de persoonlijke bewondering, die Maximiliaan, in tegenstelling met de overige leden van zijn huis, voor dezen beheerscher der Franschen koesterde.

Men vermoedt, dat Maximiliaan van wege Napoleon de eerste opening is geworden van hetgeen liet hof der Tuileriën had beraamd reeds vóór het tijdstip der Fransch-Engelsch-Spaansche tusschenkomst. Ook staat het vast, dat hij zich van 't begin af niet geheel afkeerig heeft betoond van het op zich nemen der hem toegedachte taak. Toen alzoo do Mexi-kaiinsche afgevaardigden door hem werden ontvangen den 3dcn October 1803 op het slot Miramare (gelegen ten n. van Triest, in de onmiddellijke nabijiieid, aan zee), vonden zij hem niet onvoorbereid. Ook nu behield hij intusschen zijn afwachtende houding: hij verklaarde niet ongezind te zijn de kroon aan te nemen, mits de gansche Mexikaansche natie de voorloopig door de hoofdstad gedane keus bekrachtigde. Zoude evenwel het gansche volk getuigenis van zijn gevoelen afleggen, dan moest wederom een veldtocht voorafgaan. De leiding van den verderen gang der krijgsverrichtingen werd thans, sedert Augustus 18G3, opgedragen aan Bazaine. Uitermate gelukkig was deze veldtocht. Onophoudelijk drongen de Franschen voorwaarts, veroverden de eene stad na de andere, b. v. Queretaro (ten n.w. van Mexiko), en dreven Juarez, van wien inmiddels vele officieren afvielen, naar het verre Noorden. IJverig werd Bazaine bijgestaan, zoo door anderen, als door generaal Mejia, een Indiaan van geboorte, met zijn guerilla-benden.

Naar gelang de steden in 't Oosten en in het midden van 't rijk in

-ocr page 497-

4(1quot;)

hamloii dor Franschen waren gevallen, liot men do inwoners stemmen. Alom verklaarde zich do natie ton gunste van Maximiliaan. Den lOdon April 1804 bezocht oen tweede gezantschap Mexikanen den aartshertog van Oostenrijk op hot slot Miramare, die zich alsnu eindelijk gereed betoonde om hot bewind te aanvaarden. Donzelfden dag sloot hij oen verdrag met Napoleon TIT, houdende o.a., dat do bevelhebber der Fransche krijgsmacht niet ondergeschikt zou zijn aan don nieuwen keizer; dat do Fransche troepen Mexiko allengs zouden ontruimen, naar mate do keizer een leger van inboorlingen zon hebben op do been gebracht; dat, na het vertrek der Franschen, het vreemdelingen-legioen nog zes jaren zon blijven; eindelijk, dat hij, Maximiliaan, een som van 270,000,000 francs, als schadeloosstelling, in termijnen aan Frankrijk zou uitkeeren.

Don 14den April verlieten Maximiliaan en Charlotte met hun gevolg Miramare en scheepten zich in op liet Oostenrijksche fregat „do Novara,quot; dat hen naar hun tweede vaderland zon overvoeren. Tien dagen vroeger had het congres der Vereenigdo Staten van Noord-Amorika oen besluit genomen, waarin men betuigde vast te houden aan de. leer ran Monroe (zie blz. 40!)), volgens welke op den bodem van dat werelddeel slechts republieken worden geduld. Na een reis van zes weken bereikte do Novara den 28sten Mei de haven van Veracruz. Den 1.2den Juni had de intocht in de hoofdstad plaats.

Nog maar een paar woken had Maximiliaan don last van den schepter getorscht, of hij stiet reeds op menig verschijnsel, dat hem in de naaste toekomst groote moeielijkheden voorspelde. Noch de Vereenigdo Staten, de Unie, noch de geconfedereerden wilden betrekkingen met den keizer van Mexiko aanknoopen. In zijn begeerte om van don aanvang af geheel Mexikaan te zijn zocht Maximiliaan ook de aanhangers van de vrijzinnige partij aan zich te verbinden. Hierdoor vervreemdde hij van zich de geestelijkheid en do voorstanders der alleenheerschappij, die hem den weg tot den troon hadden gebaand, zonder voor goed de republikeinen te winnen. Over 't geheel ontbraken aan 't bewind van Maximiliaan de noodige veerkracht en volharding. Mexiko behoefde een Lodewijk XT (zie blz. 147) of een Cromwell (zie blz. 229 vlg.). In plaats van in don zadel plaats te nemen en het zwaard aan te gorden vertoefde Maximiliaan voortdurend in zijn schrijfkamer en vaardigde ten deele voortrolTelijke verordeningen uit, die echter in de handen zijner dienaren een doode letter bleven. Alles wilde de keizer daarenboven tegelijk regelen, waardoor hij meer verwarring aanrichtte, dan eenheid en klem van bestuur in do hand werkte. Ook doorgrondde hij niet genoeg den wispelturigen en steeds tot verraad overhellenden aard van 't volk in 't algemeen.

Onder do grootste zwarigheden, waarmede Maximiliaan weldra had te worstelen, was vooreerst een volledige brenk met de geestelijkheid, aan wier eischon, betrefl'endo b. v. do nitslnitende heerschappij van 't Koomsch-catholicisme, de keizer niet gezind was toe te geven; dan een steeds reddeloozer worden van don toestand dor geldmiddelen; eindelijk een

Wi.inne , Handboek der Ah/. Geschiedenis, 7(Ig druk. 30

-ocr page 498-

46C

steeds aangroeiende slochte verstandhouding mot Bazaine, die Maximiliaan te zeer liet gewicht van de zelfstandigheid van den post, dien hij bekleedde, deed gevoelen.

Middelerwijl gaf de uitkomst van den kamp, in do Veroonigde Staten gevoerd, in 't voorjaar van 180quot;) tevens den doorslag aan den loop dor aangelegenheden in Mexiko. Tegen 't einde van dat jaar eischte de Unio zonder omwegen de terugroeping der Franscho troepen. Keizer Napoleon, vast besloten zich aan geen oorlog met de Veroonigde Staten te wagen, nam zich dus voor aan de vorderingen van dien kant toe te geven.

In 't begin van 18GG begon de toestand van Maximiliaan wanhopig te worden. Do krijgsmacht, waarover hij had te beschikken, bestond, zoo men de Franschen uitzonderde, slechts uit het vreemdelingen-legioen on uit oen tweede, samengesteld uit Oostenrijkers en uit Belgen. Het Moxi-kaansche leger was en nog niet op behoorlijken voet ingericht, on, wat erger was, geenszins te vertrouwen. De keizer had zoozeer gebrek aan geldmiddelen, dat, indien Bazaine hem niot was te hulp gekomen, hij over geen penning zou hebben te beschikken gehad. Napoleon liet hem weten, dat de aftocht van 't Franscho leger bij termijnen zou aanvangen in hot najaar van ISGö en in den herfst van 1807 zon zijn voleindigd. Naar mate do Franscho bezettingen de het verst van het middelpunt verwijderde steden ontruimden, won Juarez weder veld. In gelijke verhouding vielen geheele landstreken en afdeelingen van 't Mexikaansclie leger van Maximiliaan af. De zwaarste beproeving eindelijk voor den keizer was, dat Napoleon hem in den voorzomer van 180(5 berichtte, dat hij, daar Maximiliaan zijn verplichtingen ten opzichte der stortingen niot was nagekomen, hot verdrag van Miramare als opgeheven beschouwde. Maximiliaan getuigde hierop openlijk, dat de keizer der Franschen hem had misleid. Zelf wilde hij dadelijk afstand doen van 't bewind. Doch zijn gemalin weerhield hem en sloeg voor, nog een laatste poging aan te wenden, die hierin zou bestaan, dat zijzelve zich naar Parijs spoedde, om te beproeven Napoleon tot andore gedachten te brengen.

In de eerste helft van Augustus landde Charlotte te St. Nazairo (aan don mond der Loire), om weldra in een bijeenkomst mot den keizer dor Franschen to St. Cloud te vernemen, dat haar reis vruchteloos was go-woost. Kort daarna toog zij naar Rome, ton einde to pogen, door bemiddeling van den paus, een betore verstandhouding met do Mexikaansclie geestelijkheid te weeg te brengen. In dat samensprekon mot Pius IX openbaarde zich, in September 1800, voor 't eerst de kwaal dor krankzinnigheid, die do keizerin belette zich weder naar Mexiko te begeven en waaraan zij sedert tot den huldigen dag heeft geleden. Voorloopig naar Miramare toruggokoerd, word zij, na don dood van Maximiliaan, vandaar naar België vervoerd, waar zij voortgaat haar noodlottig loven to slijten.

Maximiliaan, die in zijn keizerrijk was gebleven, stroomden intus-schen dagelijks allerlei Jobstijdingen toe van afval, van verraad on van samenzweringen, dio hot zelfs op zijn loven gemunt hadden. Zijn juist

-ocr page 499-

4(i7

inzicht in de omstandigheden verheelde hom niot, dat do dagen zijner regeering getold waren. Doch hot streed mot liet ridderlijk gevoel van oor, dat hij mot zijn voorvader Maxiiniliaan I (zie blz. 179) gomoon had, liet vaandel te verlaten, ook dan, wanneer alien do trouw verzaakten. Eindelijk begon, in 't midden van Januari 1867, de inscheping van 't Fran-scho leger. Don 13don Maart 1807 was or goen Fransch soldaat moer op don bodem van Mexiko en stak de vloot van wal. Hoezeer men moge ingenomen zijn mot do odole hoedanigheden van den achterblij vendon keizer on met do standvastigheid, door hem aan den dag gelogd in dit laatste rampzalige tijdsbestek van zijn bewind, men kan niet loochenen, dat hij moet worden geacht den onvormijdelijkon ondergang to hebben gewild en dien, als met open oog, te zijn te gomoot gesneld.

In 't midden van Februari 1807 brak hij mot do boste afdeolingen troepen uit Mexiko naar Queretaro op. In deze verschanste plaats trof hij M iramon en Mejia (zie blz. 404) mot nog oonige benden aan. Op hot zoo uitgostrokto grondgebied, dat oonige weken tevoren zijn keizerrijk had geheeten, beperkte zich, in den wijdon omtrok, van 't Noorden naar hot Zuiden en van do golf van Mexiko tot den Groeten Oceaan of do stille Zuidzee, zijn werkelijk gezag tot oonige weinige punten, het tooneel der uiterste worsteling. Binnen een paar dagen was Maxiiniliaan zelf te Queretaro van allo zijden ingesloten door Escobëdo, een van Juarez' generaals. Twee on oen halve maand hield de keizer hot beleg uit. Ten laatste, don 15don Mei, werd Queretaro veroverd. Do keizer ontkwam, door oonige olfioioren gevolgd, naar oen versterkten heuvel, aan 't andere einde der stad; doch weldra was do vesting geheel in do macht van don vijand en do heuvel, waarheen Maxiiniliaan mot oen gering aantal manschappon was gowokon, omsingeld. Zonder lang beraad gaf de keizer zich over. Thans liep het treurspel binnen kort ten einde. Maxiiniliaan word, wegens hoogverraad, door eon krijgsraad, waarvoor hij evenwel, uit hoofde van ongesteldheid, niet in persoon verschoon, tor dood veroordeeld en viel, mot do generaals Miramon en Mejia, op den morgen van den 19don Juni onder do kogels der soldaten. Zijn sneven was de stellige wil van Escobëdo en van zijn officieren; doch Juarez, die hot wellicht niot had kunnen verhinderen, toonde ook geenszins, dat hij ilit had gewild. Op nieuw herkozen, aanvaardde Juarez wederom de rogeoring over het ganscho rijk en bestuurde hot tot zijn overlijden, don ISdon Juli 1872. Zijn opvolger was Lerdo de Tejada.

§ 147.

Ik omvang en de bloei der Vereenigde Staten nemen voortdurend toe. —■ Oorzaken van het daarheen trekkende groote getal landverhuixers. — Cijfers ter staving van de bewering betrekkelijk de vermeerdering der bevolking. — Grondtrekken van V karakter der Amerikanen. — De leer van Monroe. — Thomas Jefferson president IHUI—1809. — De partij der republikeinen of democraten. — Die der federalisten. — Ohio wordt

30*

-ocr page 500-

■m

in 1802 lid van 'l verbond. — Louisiana in 1803 van Erankrijk ge-k0f-hi. — James Monroe president 1817—1825. — Hij bevordert hel aanleggen van kanalen en van wegen. — Begin van het aanleggen van spoorwegen in 1832. — Qrondresting in 1826 door eenige Amerikanen van Liberia op de westkust van Afrika. — Aanwas der bevolking van den staat, hier opgericht in 1837. — Hoofdstad en regeeringsrorm. — Spanje staat in 181!) Florida af aan de. Vereenigde Staten. — Het wordt een staat in 1846. — Texas in 1843 als staat opgenomen. — Oorlog met Me.riko, 1846—1848. — Vrede. — Het getal der staten en der landstreken vermeerderd met Niemv-Mexiko en met Opper-Galifornie. — James Iluchanan president in 1857. — In 1620 voor H eerst slaven ontscheept in Virginia. — Een artikel van de staatsregeling van 1787, rakende den slavenhandel. — In 1700 is Massachusetts de eenige geen slaven houdende staat. — In 1800 heeft Vermont er ook geen meer en New-Hampshire bijna niet. — Omkeering in de algemeene denkwijze der bevolking omtrent de slavernij tegen 't einde der achttiende eeuw. — Oenootschappen, ter wering van de slavernij opgericht. — Een artikel der staatsregeling van 1787, een groot voorrecht aan de slavenhouders toekennende. — Verschil tusschen de bronnen van bestaan in 't Zuiden en in 't Noorden. — Onderscheid van aard, in weerwil der eenheid van ras en van afkomst, tusschen de lieden van 't Noorden en die van H Zuiden. — Onmogelijkheid van het op den duur naast elkander bestaan der twee maatschappeljke en staatkundige stelsels. — Alle staatkundige partijen gaan mettertijd op in twee, de republikeinen, tegenstanders der slavernij, voorstanders der eenheid in 't bewind, en de democraten, zich aansluitende aan do slavenhouders, handhavers der rechten van de bijzondere staten. — Breuk in 1860 tusschen de Noordelijke en de Zuidelijke democraten. — De grenslijn tusschen het karakter van 't Noorden en dat van 't Zuiden thans zuiver getrokken. — Texas in 1845 onder de staten opgenomen. — Kansas treedt toe in 1861. — Oorzaken, weshalve het beginsel van '/ Noorden steeds veld moest winnen. — Twee punten, waaruit het Zuiden een keus moet doen. — liet vraagstuk omtrent den aard der vereeniging, in 1787 door de steden opgericht. — Alexander Hamilton. — Be beweringen dienaangaande van de beide geschilvoerende partijen.

Na den met zoo gnnstigon uitslag bekroonden strijd voor do onafhan-kolijkheid namen do omvang en do lilooi der Vereenigde Staten van Noord-Amorika (zie lilz. 278) voortdurend too. Inzonderheid door do landverhuizing uit Europa groeide do bevolking aanhoudend zeer sterk aan. Als vanzelf noopte daartoe de algemeene toestand van dit werelddeel in 't laatst der vorige en in do oorsto helft van deze eeuw. Daaronbovon werkten mede bijzondere oorzaken samen. Menigeen, die in de oude wereld geen bestaan kon vindon, of naar een avontuurlijk loven haakte, of, wegens schulden, oin zijn naam of anderszins, gegronde reden iiad

-ocr page 501-

469

om uit te wijken, zocht in Amerika wat hij in Europa niet had gevonden. Het viel niet moeielijk, er grond te verworven om te bebouwen, en in de steden, do nijvere werkplaatsen van don handel en van «tal van bedrijven, word voor don arbeid oen hoog loon betaald. Op het tijdstip van 't uitbreken van den krijg voor de onafhankelijkheid, in 1775, bedroeg de bevolking, do slaven er onder begrepen, nog niet hot getal van 3 a 4,000,000 monsohon. In 1800 was ilit cijfer reeds geklommen tot ruim 5,000,000, in 1830 tot nagenoeg 13,000,000, terwijl hot i;i 1870 hot aantal van 42,000,000 zielen had overschreden.

Zoowel in hot dagelijksche en maatschappelijk loven, als in do vor-houding tot hot buitenland kwamen de grondtrekken van 't karakter van don Amerikaan, hooggestemd gevoel van eigenwaarde en van eigen degelijkheid, veerkracht en zucht tot grooto ondernemingen, hoedanige aan jeugdige volkoren plegen eigen te zijn, sterk uit. Deze eigenschappen liebbon er niet hot minst toe geleid, dat liet aantal staten binnen het tijdsbestek van nog geen eeuw bijna verdriedubbeld is. Heeft ook het zwaard bij die uitbreiding hot zijne gedaan, moor nog is hot hot work geweest van 't vrijwillig toetreden der buren en van verdragen.

Steeds was het hoofdpunt van de buitenlandsche staatkunde dor Ver-eenigde Staten oen angstvallig waken tegen allo inmenging van Europa in de aangelegenheden van Amerika. Toon in de eerste jaren na 1820 (zie bin. 460) de afgevallen Spaansche koloniën weder in de aloude boeien dreigden te worden gesmeed, verklaarde do president James M on roe (1817 — 1825) in do jaarlijksche boodschap, waarmode hij in 1823 de zittingen van 't congres opende, dat het van nu aan een vast beginsel moest zijn, dat het vasteland van Noord-Amerika niet langer behoorde te wezen oen gebied, waarop olke Europeesche mogendheid, wie zulks behaagde, volkplantingen mocht aanloggen. Doze verklaring, die in 't vervolg onder don naam „loer van Monroequot; vermaard is geworden, volgons welke de Vereenigde Staten geenerloi bemoeiing van zoodanige mogendheid met de zaken van liet vasteland van Amerika dulden, is tot boden hot richtsnoer hunner buitenlandsche politiek gebleven.

Één van de merkwaardigste regenton vóór Monroe was do president Thomas Jefferson IJl SOI—1809), sinds wiens verkiezing de, republikeinen of dcmocraten — een kleine tusschonpoos niot medegerekond — den voorzittersstool altijd door iemand van hun partij hebben weten te doen innemen. Gelijk deze partij, welke vooral steun vond in het Zuiden, van hot tijdstip af der afzwering van 't Britsche gozag in het land was verrezen, had, sedert denzelfden tijd, tegenover haar gestaan die der federalisten (voorstanders dor vereeniging), die haar moeste aanhangers tolde onder de lieden van het Noorden. Zooals do democraten de zelfstandigheid der bijzondere staten in den uitgostroktsten zin voorstonden, achtten do federalisten (van 't Latijnsehe woord „foedus,quot; verbond) het noodig, dat het zwaartepunt berustte bij de regeoring van 't geheel. Onder 't bewind van Jefferson werd Ohio in 1802 in het verbond opgenomen en

-ocr page 502-

470

Louisiana in 1803 (zie biz. 271, 272) van Frankrijk gekocht. Een zijner opvolgers, do boven genoemde Monroe, was een der ontwerpers van 't bevorderen dor grootsehe verbinding tusschen den Atlantisohen Oceaan en de Stille Zuidzoo door middel van kanalen en van kunstwegen. Eon zoodanig kanaal is hd Eric-kanaal, tusschen liet Eriemeer en de rivier de Hudson (in 't Noord-Oosten), voleindigd in 1825. Sinds 1832 of een weinig vroeger werden aan deze middelen van gemeenschap toegevoegd dc spoorwegen, die hier worden aangelegd met een spoed en in oen uit-gestroktheid, die geen van Europa's staten evenaarde en zonder dat de natuur van 't land, die zoovele belemmeringen scheen in den weg te stellen, er schier eenige vertraging in aanbracht.

In 1826 grondvestten op een door hen aangekocht terrein eenige Noord-Amerikanen uit Washington, do hoofdstad der Vereenigde Staten (in Columbia), een kolonie voor vrijgekochte negers, Liberia, d. i. land der vrijheid (op de ■westkust van Afrika, eonige graden ten n. van den ovenaar). Do strook lands, waar de volkplanting zich nederzette, word van de inboorlingen gekocht. Zij bestond uit ongeveer negentig lieden. Thans is do bevolking tot ruim 500,000 zielen aangegroeid, onder welke omtrent 15,000 vrije kleurlingen uit Amerika zijn. De hoofdstad heet Monrovia, naar Monroe, de taal is het Engelsch. Sinds 1847 verklaarde Liberia, met goedvinden der vereeniging, waaraan de kolonie haar aanzijn is verschuldigd, zich voor een zelfstandigen staat. De regeeringsvorm van den jongen staat, die op oen grondwet berust, is de republikeinsche. Hot bewind over de Republiek voert een president mot twee kamers. Allengs hebben do moeste van Europa's mogendheden Liberia als staat erkend, Nederland in 1862.

In 1819 stond Spanje Florida (zie blz. 278) voor een som geld aan de Republiek af, dat in 1846 als een onafhankelijke staat bij de üide werd ingelijfd. Onder 't bestuur van een paar presidenten van lateren tijd overschreden de Vereenigde Staten hun grenzen en voegden aan hun gebied uitgestrekte streken toe. In 1845 werd de vruchtbare, maar voorheen bijna onbewoonde Mexikaansche provincie Texas, sedert tien a twintig jaren met volkplanters uit do Unie bevolkt, aan de Vereenigde Staten toegevoegd. Hieruit ontsproot een oorlog metMexiko, 1846—1848, die hierop uitliep, dat Mexiko bij den vrede voor een schadevergoeding in geld Nieuw-Mexiko en Oppor-Californië aan de Vereenigde Staten moest afstaan. In 1857 werd James Buchanan president der Republiek.

Intusschen leden de vereenigde Staten, bij al hun bloei, sedert hun optreden als zelfstandige staat aan een kwaal, die mettertijd voor hun welvaart noodlottig dreigde te zullen worden. De kwaal was het geschil over do slavernij, welke sinds eeuwen in Amerika heerschte. Niet alleen maakten in de zestiende eeuw de Spanjaarden de Indianen tot slaven; maar bovendien voerden zij er, als zoodanig, Afrikaansche negers in. In 1620 werden op het oorspronkelijk grondgebied der Vereenigde Staten in Virginië, voor 'teerst slaven ontscheept, daar voor geld geleverd door een Nederlandsch vaartuig. Gedurende do zeventiende en de achttiende

-ocr page 503-

471

eotnv breidde zich de slavernij, hot lot, zoowel van Indianen, als van negers, over gansch Noord-Amerika uit. In de staatsregeling van 1787 (zie blz. 278) werd bepaald, dat vóór 18U8 de slavenhandel niet mocht worden verboden; docli na dien termijn was hij dan ook voor goed afgeschaft. Nogtans was opheffing van den slavenhandel iets anders dan ophct-fing der slavernij. In 179U was van alle staten, waaruit het rijk bestond, Massachusetts de eenigo, waarin geen slaaf was te vinden. In 1800 had Vermont er ook geen meer en New-Hampshire eveneens bij ra niet.

Ten tijde toon do onafhankelijkheid der Vercenigdo Staten een aanvang nam, was de algemeeno denkwijze afkeerig van do slavernij, ook in oenigo van do Zuidelijke Staten. Hierin kwam eon gohoole omkeering tegen 't einde dor achttiende eeuw, nadat de uitvinding dor werktuigen ter reiniging van 't katoen aan don arbeid der slaven een tot dusver ongekende waarde gegeven en hooger gewicht bijgezet had. In weerwil hiervan nam liet aantal toe van do genootschappen, in verschiliende staten opgericht tor wering van do slavernij. Hot eerste was dat van Pennsylvaniö, dat als eersten president had Benjamin Franklin, gesticht in 1775.

Onder do artikels der staatsregeling van 1787 was er een, hetwelk oen groot voorrecht toekende aan do slavenhouders. Volgens dat artikel moest het getal der vertegenwoordigers, hetwelk iedere staat zou zendon naar de kamer (zie blz. 278), evenredig zijn aan 't cijfer der bevolking. Ter vast-stolling van dit cijfer zouden in elkou staat 3/5 van de som der slaven bij de som der vrijen worden opgeteld. Do bepaling van dat artikel gaf, zoodra dit aanmerkelijk onderscheid was ontstaan tusschen de staten van 't Noorden on die van hot Zuiden, dat de eerste geen, do laatste wol slaven luidden, in 't congres oen belangrijk overwicht aan die laatsten. Dit voorrecht droog er toe bij, de eigenaars van slaven te doen streven naar 't vergrooten eener bezitting, die zulk oen invloed op 't bestuur van den staat verschafte.

Van de eerste tijden van haar bestaan af bevatte alzoo do jeugdige Republiek in eigen boezem do kiem der tweedracht. Terwijl weldra in de Noordelijke Staten de slavernij niet langer bestond en over 't geheel als oen onmenscholijke instelling hevig werd afgekeurd, hielden do Zuidelijke ze met hand en tand vast en achtten ze, als waarborg voor 't verschaffen van voldoende middelen van onderhoud aan de bevolking, onontbeerlijk. Immers met de bronnen van bestaan in hot Zuiden stond liet anders geschapen dan in het Noorden. Hier, waar men in 't bezit was van goede havens, waren handel on nijverheid de hoofdbronnen van bestaan. Daarentegen leefde het Zuiden, bij 'tgemis van havens, van do plantages van suiker en indigo, van rijst en maïs, van tabak on katoen, die door slaven worden bebouwd. Uit hoe onderling uiteonlooponde bostanddeolon do bevolking der Voroenigdo Staten moge zijn samongesteld, die van het Noorden was met die van het Zuiden, in soort on in oorsprong, aanvankelijk één. Hot heerschend element was het Angol-Saksische ras.

Doch gaandeweg kweekte de voortduur der slavernij in hot Zuiden, gevoegd bij het verschil van klimaat, een verscheidenheid in do grondtrekken

-ocr page 504-

472

van't kaniktor dei bcido lioofdafdceliiigen van do bevolking, welko ze als tot twee stammen maakte, die bijna niots met elkandor gemeen luidden. Hot stelsel der slavernij, dat den heer in 'tZuiden rijkdommen on vrijen tijd verschafte, deed hom stroven naar 't oefenen van invloed op de algomeene aangelogenheden. Do moeste staatsmannen en bovenal het moerondeel dor presidenten kwamen uit hot Zuiden. Over 't geheel muntten de lieden van dat Zuiden boven die van 't Noordon uit in fijnheid van maatschappelijke vormen en in gemakkelijkheid van omvang. Daarentegen loerde do koeler luchtsgosteldheid don man van hot Noorden aanhoudende werkzaamheid, volharding, nadenken en hot steunen op zichzelf. In legonstelling mot het Zuiden groeide do kracht van 't Noorden voortdurend aan door don stroom dor volksverhuizing, die zich, zoo niet uitsluitend, doch bij voorkeur bijna geheel naar 't Noordon richtte. Hier konden do volkplanters licht eigen grond verworven, werd de arbeid geëerd, was het gemakkelijk, bij do talrijkheid dor takken van nijverheid en van handel, work to verkrijgen. Al die volkplanters brachten oen hevigon afkeer mode van de instelling der slavernij en deden hun ingenomenheid mot do persoonlijke vrijheid meer en moer ingang vindon onder do bevolking.

Het was onmogelijk, dat die twee stolsels, dat van den vrijen arbeid en dat van de slavernij, die niet alleen twee maatschappijen, maar tevens twee staatkundige stelsels waren, die niet alleen, als theoriën, doch daarenboven wel degelijk ook in do praktijk lijnrecht togen elkander gekant waren, op den duur, hot oono naast hot andere, konden bestaan. Uitliet verschil van den toestand, waarin de staten van 'tNoorden in betrekking tot die van het Zuiden verkeerden, vloeide dit verschijnsel voort, dat, wanneer een slavenhoudendo staat verlangde te worden opgenomen in do vereeniging, het Noorden zich beijverde, als tegenwicht ook oen zooge-noomdon vrijen staat to doen opnemen.

Hoe langer hoe meer word hot geschil over do slavernij het hoofdpunt der binnenlandscho staatkunde, de spil, waarom alles draaide, do politieke tootsstoou. Naar gelang dit geschil dieper in allo voegen en lagen der samenleving doordrong, smolt liet onderscheid dor zuiver staatkundige mconingen hiermede ineen. In een zekeren zin hadden die staatkundige partijen in de eerste tijden slechts oen eonigermato voorbijgaand karakter. Doch van lieverlede kon men ten laatste alle uitoenlooponde richtingen samenvatten in deze twee grooto partijen, dc republikeinen, d. i. do tegenstanders der slavernij, tevens de voorstanders der eenheid in 't bewind, on dc. democraten, hetzij in hot Noorden, hetzij in het Zuiden, die zich nauw verbonden mot do slavenhouders en de handhavers waren van do rechten dor bijzondere staton. Deze verbintenis van een aantal mannon in hot Noorden met het Zuiden, aangegaan ter wille van politieke doeleinden, lood echter ongeveer 1860 schipbreuk op het onnatuurlijke van den aard der vereeniging. Op don duur toch konden zij, die do loer van do gelijkheid dor reohton aller menschon huldigden, niet samengaan met hen, die een grooto inenigto van hun natiiurgonooton tot eeuwigdurende

-ocr page 505-

473

dienstbaarheid veroordeelden. Vanhier dat liet vcrboiul omstreeks 1860 uiteenspatte. Thans waren de grenslijnen dus zuiver getrokken: liet Noorden bevatte de voormalige federalisten en de vijanden der slavernij; in 't Zuiden had inou de voorstanders van de rechton der bijzondere staten en de verdedigers der slavernij.

Ton einde liet evenwicht van macht in hot congres te behouden vestigde het Zuiden weldra zijn aandacht op Texas, oen bij Mey.lko ingelijfd gewest (zie biz. 4G9). Uit hoofde van do innerlijke verdeeldheid, die in Mexiko heerschto, kon do president Santa Anna (zie blz. 461) weinig weerstand bieden. Door toedoen van het Zuiden verklaarde zich dat gewest onafhankelijk van Mexiko cn word in 1845 onder de Veroonigde Staten opgenomen. Daarentegen was het een voordeel voor hut Noorden., dat in 1861 Kansas, als vrije staat, toetrad.

Hot lag in den aard der zaak, dat do kracht van hot Noorden voortdurend veld won. Ofschoon net het Zuiden nog gelukte, in Bucliaium den man zijner kous don presidentsstoel to doen toewijzen, was het, ook bij deze verkiezing, in vergelijking met de vorige, zichtbaar, dat het aantal stonnnen, op den candidaat van hot Noordon uitgebracht, van lieverlede grooter werd. liet sprak vanzelf, dat de meerderheid dor monschen ten laatste wel moest worden gewonnen voor hot beginsel, hetwelk door het Noorden werd voorgestaan. Het denkbeeld van de eenheid der gansclie menschhoid on van do waarde van den mensch was een begrip, dat godsdienst en wijsbegeerte, als om strijd, haddon gemaakt tot een heerschendo gedachte der openbare meening, tot eon onomstootelijke axioma, tot hel parool en den hoeksteen der samenleving. Niet langer waagde men liet, gelijk weleer, de instelling der slavernij te verdedigen op gronden, aan de natuur cn aan den Bijbel ontleend, mot b. v. te beweren, dat het Opperwezen, wegens de mindere begaafdheden van het zwarte ras, de negers, evenals do dieren, voor do dienstbaarheid had voorbeschikt. Wie ze wilde handlmven kon alleen steunen op gronden van eigenbelang en van politiek voordeel. Tegenover de rechtvaardiging der slavernij, als onmisbaar voorgesteld, omdat het klimaat van het Zuiden voor de blanken een hinderpaal was tegen het met aanhoudende inspanning arbeiden, werd aangevoerd het onweerlegbare bezwaar, dat ook voor hot loven der negers het klimaat van verreweg do meeste der Vereenigde Staten ongunstig was. Evenzeer baatte hot weinig, wanneer er op werd gewezen, dat hot meerendeel der eigenaars toonde gezind te zijn, in de behandeling hunner slaven, wier getal in 1860 nagenoeg 4,000,000, bedroeg, de voorschriften der menschel ijk hoi d on van hot Christendom in toepassing te brengen. Want oensdeols verviel hiermede volstrekt niet hun bevoegdheid, als eigenaars, zoodra hot hun behaagde, anders to handelen; anderdeels waren do voorbeelden geenszins zeldzaam van winstgiorige en hardvochtige hoeren, welke die voorschriften vergaten.

Ten tijde van 't bestuur van Buchanan kwamen de staten van het Zuiden, ulles met don maatstaf van hun stolsel metende, tot hot inzicht, dat zij

-ocr page 506-

474

hadden to kiozcn tussclien do uitrooiiiig der slavernij of do afscheiding van do voreeniging. Dat hot eerste ondenkbaar was stond bij hen vast. Zij namen /Joh alzoo voor, door zich af te scheiden te beproeven, de vereeuwiging der hun zoo dierbare instelling voor iimnor te verzekeren.

Doch hiermede ontstond een nieuw vraagstuk, waarover de gevoelens ovouzeor uiteenliepen. Vormen do Vereenigde Staten een bondgenootschap van souverelne staten of één gemeenebest? In 1783 stond liet vast, dat do Vereenigde Staten hun onafhankelijldioid door geweld van wapenen hadden bevochten: bij den vrede van Versailles, den 20sten Januari van dat jaiir, was die onafhankelijkheid door Engeland erkend. Doch eerst in 1787 verkregen zij oen staatsregeling eu worden één geheel, een staat. Op 't voorstel van Alexander Hamilton werd de taak van 't opstellen van 't ontwerp ecner grondwet aan een zeker aantal personen opgedragen. Volgons een der artikels dezer grondwet zou die oorkonde worden beschouwd als ingevoerd en verbindend wezen, zoodra negen staten ze luidden aangenomen. In September 1787 was hot stuk gereed. Daarop werd in eiken staat door de burgers een aantal mannen gekozen, die zich tot oen raad vereenigdon, welke, in naam van 't volk, over de bekrachtiging of de verwerping' van 't ontwerp besliste. In den loop van do jaren 1787 en 1788 traden elf staten toe, zoodat de staatsregeling don 4don Maart 1789 kracht van wet erlangde. De beide overige van do dertien volgden woldra.

Toon nu het Zuiden do geneigdheid begon te gevoelen tot afscheiding, beweerde het hiertoe gerechtigd te zijn, omdat eerst do vrije toestemming van ioderon staat do verplichting der cenlieid had doen geboren worden. Tegenover deze rodoneering stelde hot Noordon een andere, waarin op den aanhef der staatsregeling werd gewezen, die aanving met de woorden: „Wij, het volk, verordenen en stollen deze grondwet vast.quot; Daarom maakte dan ook de oorkonde geen melding van de staten in 't bijzonder en was zij geenszins in naam van hen afgekondigd. Het ligt voor do hand, welke do gevolgtrekking was, aan de óóne en aan de andere zijde uit deze vooropgezette stollingen gemaakt. Terwijl het Zuiden van oordeel was, dat het, indien de overeenstemming ontbrak, die tot de verbintenis had gevoerd, de bevoegdheid had het verdrag op te zeggen, ontkende het Noordon, dat een staat zoodanig recht bezat en het afgestane dool der oppermacht mocht hernomen, en beweerde, dat de ontbinding alleen kon uitgaan van het gansche volk. Volgens hot Noordon was afscheiding alzoo niets dan oproer en afval.

§ 148.

Verkicxing van dm president Abraham Lincoln,, November ISOO. — IVil-liam Sc ward sctretaris van slaat of minister van buitcnlandsche zaken. — Oorxaken der afscheiding. — Zuid-Karotina gaal voor, 20 JJcccmbcr I860. — Stalen, die in Januari en in Februari IHHl volgen. — Congres der geconfedereerden Ie Montgomery in Februari, waar Jefferson Davis

-ocr page 507-

475

tol president wordt benoemd. — Staten, die zich in April en in Mei IHb't afscheuren. — Staten, die zich onzijdig verklaren. — De (jecon-federeerden verplaatsen den zetel van 't congres den 2 Os ten Juli /W/ naar Richmond. — Getal der staten en der landstreken ten tijde van den afval. — Het gebied der Unie beslaat uit eenentwintig staten. — Indeeling dier state)!, in groepen. — De landstreken. — Ligging der afgevallen stalen. — Voordcelen van het Noorden hij den aanvang van den oorlog. — Gunstige ornslandigheden, waarin het Zuiden verkeert. — Het slaande leger der Republiek, opgericht in 1815. — Oproeping van Lincoln, April 1861, die 75,000 man vrijwilligers onder de wapenen brengt. — Zijn andere maatregelen. — Het fort Sumter geeft zich over aan de troepen ran Zuid-KaroUna. —- Beauregard en Jackson verslaan Mac Dowell bij de Bull Run, 21 Juli 1862. — Het congres te Washington besluil den 22sten Juli tot hel bijeenbrengen van een leger van 500.000 ■man. — Invoering der conscriptie. — George Mac Clellan. — Hel Zuiden brengt in 't midden van 1861 400,000 man in 't veld hoven de 200,000 vroeger opgeroepenen. — Vermeestering van Neiv-Orleans door het Noorden in H laatst van April 1862. — Mac Clellan verslaat Robert Lee, die Washington voor de tweede maal bedreigt, hij Antielam, September 1862. — Aan Burnside wordt in December een nederlaag toegebracht door Lee hij Fredericksburg. — De worsteling der gepantserde schepen de Merrimae en de Monitor in Maart 1862 op de Jamesrivier. — In 't begin van 1863 dringen de geconfedereerden nogmaals tot Washington door. — Meade dwingt Lee door den slag bij Getlgsburg, /—3 Juli 1863, ie wijken. — Ulysses Sidneg Grant verovert den éden Juli Vicksburg. — Wederlceerige afbreuk, door de beide partijen aan elkanders belangen gedaan, ook elders dan op het terrein van den krijg. — Besluit van Lincoln van Septeinher 1862 omtrent de slavernij in de opgestane stalen. — Bewijzen van den druk, dien de oorlog allerwege op de bevolking oefent. — Houding van Frankrijk en van Fngeland tegenover do Unie en de geconfedereerden. — Grant wordt in Maart 1864 opperbevelhebber. — Vermaarde tocht van Sherman door Georgië in November en in December 1864. — Hij verovert Savannah. — Grant trekt op tegen Lee cn slaat in Juni het beleg voor Richmond en voor Petersburg.

Bij de stemming, die den presidontsstoel door Buchanan had doen innomon, had nog hot Zuiden gezegevierd. Doch in Novomber 1860 werd Abraham Lincoln door oen meerderheid, die zoo goed als uitsluitend in liet Noorden zetelde, gekozen. Tot minister van buitenlandsche zaken of secretaris van staat benoemde hij William H. Seward. Reeds voordat hij zijn waardigheid aanvaardde, vóór den 4den November 18(il, begon do afscheuring. Nooit was gebeurd, wat nu geschiedde, do verkiezing van een president door de stemmen van nagenoeg alleen de vijanden van 't Zuiden. Thans, vreesde dit Zuiden, zou het oogenblik komen, waarop

-ocr page 508-

470

de tegenpartij in 't congres tot maatregelen zou overgaan, strekkende tor beperking of vernietiging dor slavernij. Vunhior, dat, naar zijn gevoelen, voor ile slavenlioudeiulo staten de tijd daar was, om voorzorgen te nomen ter vorzekoring dor eigen zelfstaiuligheid. Zuid-Karolïna ging voor. liet scheidde zich af den 20ston December 1800. Andore staten volgden: Mississippi, Florida, Alabama, Georgië, Louisiana, alle in den loop der maand Januari 1801; Texas den Iston Februari. In Februari riepen, met uitzondering van Texas, doze staten, die zich „do geconfodoroordoquot; noemden, oen congrcs bijeen te Montgomery (in 't midden van Alabama), waar .lefforson Davis als president word gekozen en oen staatsregeling voor hem in 't bijzonder word aangenomen. In April scheiddon zich Oosten Wost-Virginiö on Tennessee af, in Mei Arkansas on Noord-Karolïna. Missouri on Kentucky verklaarden zich onzijdig. Don 20stou Juli 1861 word de zetel van 't congres der elf afgevallen staten overgebracht naar Uichmond (in Virginië).

Ton einde van don afval bestond do Unie uit vierendertig staten, één bondsdistrict en acht landstreken. Hot gebied dor Unie omvatte, onmiddellijk na den afval, eenontwintig van die staten, n.1. die van do groep, gonoomd Nicuw-Engdand (oen naam, ontleend aan do vestiging dor eerste volkplanters, afkomstig uit Engeland, ton tijde van Jakob I en van Karei I): Maine, Now-Hampshire, Vermont, Massachusetts, Rhode-Island, Conneo. (iout, van wolko staten de eerste in 't n.o. ligt en do vijf andere ten zuiden vandaal', dicht aan do kust; de oostelijke en do zuidoostelijke staten, ten getale van vijf: New-York, Pennsylvanië, New-Jersey, Delaware, Maryland, bonevens hot bondsdistrict Culmnbia; do middelste staten, ten getale van acht, in 'tn.; Michigan, Wisconsin, Minnesota; meer naar 't z.: Ohio, Indiana, Illinois, Iowa, Kansas; de westelijke staten, ten getale van twee: Oppor-Californië en Oregon.

De landstreken waren te dier tijde: Nevada, Utah on Colorado, gelegen van 't westen naar 't oosten, naast elkander; Nieuw-Moxiko, ten zuiden van Colorado; Dakota, in 't Noordon; Nebraska en het Indianongobied, in 't midden; Washington, in 't noordwesten.

Do elf staten, die afvielen, behoorden deels tot do groep dor oostelijke en der zuidoostelijke staten, n.1. quot;Virginië, Noord- en Zuid-Karolïna, Georgië on Florida; deels tot do zuidelijke, n.1. Mississippi, Alabama, Louisiana, Texas; dools eindelijk tot do middelste, n.1. Tennessee en Arkansas. Eveneens lagen do beide staten, die verklaarden onzijdig to willen blijven, Missouri on Kentucky, in het midden.

Bij het uitbarsten van den krijg scheen het, dat hot voordeel geheel aan don kant van hot Noordon was. Togen de sterkte van de bevolking van het Zuiden, ongoveor 12,000,000, bedroog die van hot Noorden omstreeks 18,000,000. Hot Noorden had over voel moer rijkdommen en hulpbronnen to beschikken. Hot had een goed toegeruste zoomacht. Daarentegen leidde do gansche inrichting der maatschappij in 't Zuiden er toe, dat aan de bevolking dier stroken do oorlog minder zwaar moest vallen. Vooreerst be-

-ocr page 509-

11 i

hoofile, daar hot clagclijksche work door cl(; slavon werd verricht, in don gang dor gowono bezigheden geen staking to worden aangebracht. Ten anderen waren de vrije mannen uit het Zuiden, in tijden van rust gewoon niets te doen, dadelijk gereed en beschikbaar voor do samenstelling van een leger, boter voorbereid voor don strijd, dien do omsti.ndighedeu van hen gingen vorderen. Niet nllcon lieten de krijgslieden van hot Zuiden zich boter rogeeren; maar zij muntten ook uit door meer ervaring in 't oorlogvoeren, vooral in den zoogonoemden kleinen of guerilla-oorlog. Bovendien onderscheidden zich hun eerste generaals door grootere bekwaamheden en talenten.

Ook hot Noorden zag zich gedwongen, ton einde soldaten to bekomen, terstond de toevlucht te nemen tot zijn bevolking. Het staande logor der Republiek, opgericht in 1815, bedroeg slechts 10,000 man. Lincoln begon mot in April 18G1 eon oproeping te doen, die 75,000 man vrijwilligers onder do wapenen bracht, mot do havens dor opgestane staten iu staat van blokkade te verklaren en mot do habeas-eorpus-acte (zie blz. 249) te schorsen. Ter zelfder tijd groep de eerste vijandelijke daad plaats. Zij bestond hierin, dat do troepen van Zuid-Karolïna hot fort Sumter (gelegen op het gebied van dezen staat, in 't midden) beschoten en do bezetting der Unie noodzaakten hot over te geven.

Do aanvang van den oorlog was in 't voordeel van 't Zuiden. Sinds don 21sten Juli 18G1, den dag, waarop de bevelhebbers van 't Zuiden, Beauregard en Jackson, de bondon van 't Noorden, aangevoerd door Mac Dowell, versloegen bij do Buil Hun (een rivier in 't n. van Virginiö, nabij Washington), ondergingen de troepen der Unie meer dan óón nederlaag. De indruk, dien de uitkomst van den slag bij de Bull Run te Washington maakte, was zoo diep, dat het congres reeds op den volgenden dag besloot tot het bijeenbrengen van een leger van 500,000 man, hetwelk kort daarna nog werd vergroot, ook door het middel „dor conscriptie. Een der eerste generaals, die de Unie aan 't hoofd van dit leger stelde, was Q-eorge Mac Clellan. Het getal troepen, dat het Zuiden in 't veld bracht, was in 't begin ongeveer 200,000, waaraan, iu 't midden van 't jaar 1861, het cijfer van 400,000 word toegevoegd.

Alom werd do kamp met grootc razernij en hartstochtelijkheid gevoerd. Na do eerste overwinningen van 't Zuiden kwam er oou wending, doordien in do eerste paar maanden van 1 jaar isr)2 do troepen van 't Noordon belangrijke vorderingen maakten, waaraan, in 't laatst van April, do kroon werd opgezet door de vermeestering van Nieuw-Orléans (in 't z. van Louisiana, aan do Mississippi), waardoor zij zoo goed als don goheelen loop dor rivier behoerschten. In September versloeg Mac Clellan den bo-velhebber van 't Zuiden, Robert Leo, dio Washington reeds voor do tweede maal bedreigde, bij Antietam (nabij do Potomac). Op dozo zegepraal volgde echter in December een nederlaag, aan don generaal, van 't Noorden, Burnsido, toebracht bij Fredoricksburg (in Virginiö, ten z.w. van Washington). In don strijd tea zoo, die gedurende hetzelfde

-ocr page 510-

478

jaar 1862 werd gevoerd, trok hot meest de aandacht do worsteling der gepantserde oorlogschepen de Merrimac, van 't Zuiden, en de Monitor, van 't Noorden, in de maand Maart op de Jamesrivier (bij Norfolk, in 't z.o. van Virginië). Vijf nren lang stormden, als twee geharnaste ridders of twee verwoede gehoornde stieren, de beide ijzeren kolossen op elkander los en beschoten elkander, zonder aan weerszijden veel uitwerking te woog te brengen; docli ten laatste noodzaakten de bekomen nadoelen de Morrimae, zich hot eerst te verwijderen.

Hot begin van 't jaar 1803 was nadeelig voor do wapens der Unie. Na meer dan één overwinning te hebben bevochten drong do krijgsmacht der geconfederoerden nogmaals in Maryland en in Pennsylvania door en bedreigde ten dorden male Washington; maar in den driedaagschen slag bij Gettysburg (in 't z. van Pennsylvaniö, ton n.w. van Baltimore), 1—3 Juli 18G3, verplichtte do generaal van't Noordon, Meado, Leo, don terugtocht aan to nomen. Don 4don Juli veroverde een andere generaal der Unie, Ulysses Sidney Grant, de stad Vicksburg (in Mississippi, aan do rivier van denzelfden naam), na ze een zestal woken te hebben belegerd.

Intusschen was hot open veld niet liet eenige terrein, waar de beide partijen elkander afbreuk zochten te doen, de wapenen niet do eenigo werktuigen, waarmede men elkander benadeelde. Zooals de Unie door hot blokkeeren dor kusten don uitvoer van katoen naar Europa belette, ging. Davis dien van suiker en andere voortbrengselen van don grond naar 't Noordon togen. In September 18G2 vaardigde Lincoln oen besluit uit, volgons hetwelk in alle staten, die don 1 sten Januari 1803 nog in opstand zouden vorkoeron, de slavernij zou zijn afgeschaft. Krachtens dat besluit gingen ruim 3,000,000 monschelijko wezens, door één ponnestreek, van den toestand van slavernij tot dien van vrijen over, voorloopig evenwel slechts in naam.

yoezoor de ganscho bevolking onder dit alles leed, daarvan zag men allerwoge de bewijzen. Niet alleen werden tal van slagen geleverd, die aan vule duizenden van do beide partijen liet loven kostten, of hun, door pijnlijke wondon of langdurige gevangenschap, het toppunt van aardsche ellende doden ervaren. Maar overal verried het land de sporen van don vijand op de plaatsen, waar hij zijn voet had gezet; alom aanschouwde men verwoeste huizen en pachthoeven. Hoewel do inrichting en hot gohoolo samenstel van de staten der Unie van dien aard was, dat zij boter bestand waren dan die van het Zuiden tegen een langen duur van don krijg, toch woog ook op hen de druk van den oorlog zwaar. Handel en bedrijven stonden stil; do belastingen werden verhoogd; goud en zilver verdwenen moer en meer uit het verkeer; het getal dor volkplanters, die uit vreemde landen binnentogen, nam af, waardoor oen der bronnen van inkomsten voor den staat, n.1. de verkoop van gronden, minder opleverde; do waarde dor staatspapieren op do beurs daalde diep. ^

Grooter nog waren de moeiolijkhoden, die hot Zuiden had te bestrijden. Do blokkade alleen was een struikelblok voor de instandhouding der

-ocr page 511-

479

algemeene welvaart. Wanhopig was de gesteldheid der iinanciën. Hand over hand nam do armoede toe on bereikten do prijzen der voornaamste levensmiddelen, van do stoffen voor kleeding, oir/., een ongekende hoogte. Hij hot geringer oijfer dor vrije bevolking moest elk weerbaar man soldaat worden. Ook hier moest mettertijd, sinds do lento van 1802, do conscriptie worden ingevoerd. Om do rechten der bijzondere staten bekommerde zich Davis in 't geheel niet. Hot congres hield zijn zittingen in 't geheim; het keurde do plannen goed, welke do president hot voorlegde, on werd een blind werktuig in zijn hand. Do regeoring van 't Zuiden word oon waar despotisme. Hij dit alles kwam, dat men werd teleurgesteld in do aanvankelijk gekoesterde verwachting, dat Engeland en Frankrijk, gedreven door do zucht om door hot bevorderen dor afscheiding do kracht dor Voreonigde Staten te verzwakken, aan hot Zuiden werkelijke hulp zouden vorloenon. Doch Napoleon III had zich te diep gestoken in de aange-logenhoden van Mexiko, om, zoo hij het ook had gewild, hier veel te kunnen doen. En Engeland vergenoegde zich mot, door hot laten bouwen van kaperschepen in zijn rijk of door het oogluikend toelaten van hoi uitloopen van zulke vaartuigen uit zijn havens, do zaak van het Noordon afbreuk te doen. Het congres te Richmond verkreeg woldra do zekerheid, dat do beide Europoescho staten niet vorder zouden gaan, dan tot hot geven van dergelijke blijken eoner gunstige gezindheid jegens het Zuiden.

In Maart 1804 benoemde het congres Grant tot opperbevelliebbor zijner gohoolo krijgsmacht. Onder zijn leiding en onder die van generaal Sherman worden alsnu de plannen volvoerd, die do volledige zegepraal van 't Noorden ten gevolge haddon. Gedurende de maanden November en December 1804 dood Sherman zijn vermaarden tocht door Georgië, dio uitliep op do verovering van Savannah (in 't midden van dien staat, aan zee). Middelerwijl was Grant opgetrokken togen Virginië, waar Lee met zijn leger stond. Na menige ontmoeting in 't open void, waarbij aan beide zijden belangrijke verliezen werden geleden, sloeg Grant in Juni hot beleg voor Richmond en voor hot ton z. vandaar gelegen Petersburg. Met het volledig insluiten dier steden, dat do vijand door onophoudelijke aanvallen op 't leger van Grant zooveel mogelijk vertraagde, vorliop echter een gornimo tijd.

§ WO.

Lincoln herbenoemd in November ISG4. — Zegevierende veldtocht ran Sherman in 18(15 door Zuid- en door Noord-Karotina. — Charleston bezwijkt in Februari. — Lee wordt opperberclhehber. — In 't begin van April var lie Lea een hoofdslag tegen Grant. — Val van Petersburg en van Richmond. — Sheridan snijdt den terugtocht af van Lee. — Lee geeft zich den Men April met zijn, leger over. — De overige generaals ran 't Zuiden doen hetzelfde in April en in Mei. — Omkeering in de stemming van 't Zuiden. — Davis vliedt in de richting van Georgië en van Texas. — Hij wordt den lOden Mei in hechtenis genomen hij

-ocr page 512-

■ISO

Irwinville. — 11/j wordt gevangen gexet op hel fori Monroe. — John Wilkes Booth doorschiet Lincoln den llden April in den schouwburg fe Washington. — Seward wordt gekwetst. — Davis in 186.'J in vrijheid gesteld. — Booth achterhaald en gedood. — De vice-president Andrew Johnson. — Grant aanvaardt zijn eerste presidentschap in Maart 186.9. — Hij wordt herbenoemd in November IS72. —• Toevoeging, Januari 1865, ran een artikel aan de staatsregeling, houdende, dat de slavernij voor eeuwig wordt afgeschaft. — In 1870 het burgerrecht nan ieder, zonder onderscheid, toegekend. — Grootte der Unie en getal der bestanddeelen. — In 188!) is het getal der staten aangegroeid tol 42. — Aanwinsten, door aankoop verkregen van Rusland en van Denemarken. — Beslissing van het vraagstuk der Alabama door vijf scheidsrechters te Genève, l i September 1872. —■ Hun uitspraak. — Viering van het honderdjarig bestaan der Unie. — Hages president, Maart 1877. — Na hem in 1881 Garfield, Arthur, Cleveland, Harrison, wederom Cleveland in 1893. —- Ontdekking der goud- en der zilvermijnen in Opper-California in 1848. — St. Francisco. — Tweede oorlog van Engeland en van Frankrijk tegen Sina in 1857. — Verdragen van 1858, ook met Rusland en met de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. — Derde oorlog in 185!) en in I860. — Verdragen van 1860. — Openstelling van Japan sedert de verdragen, in 1854 en in de volgende jaren gesloten met de Vereenigde_ Staten, met Groot-Brilannië, met Frankrijk, met Rusland en met de Nederlanden. — Nagasaki. — Oorlog in 18G4 van Engeland,, van Nederland en van Frankrijk tegen Japan.

Aleer do mare van de insluiting dier vestingen naar Washington kon worden overgebracht, brak do tijd der verkiezing van een president der Unie aan. Op nieuw word Lincoln in November 1864 benoemd. Aan dozen tweeden termijn van zijn presidontsohap was liet ten laatste beschoren, don rampzaligen burgerkrijg ten einde te brengen. Sherman deed in 1805 oon zegevierenden tocht door Zuid- en door Noord-Karolïna. In Februari bezweek Charleston (in Zuid-Karolïna). In 't Zuiden werd Lee tot opperbevelhebber iionoemd van al wat men aan strijdkrachten kon bijeenbrengen. Op een dor eerste dagen van April verloor hij een hoofdslag tegen Grant, waarop do troepen dor Unie eerst Petersburg, toon Richmond binnentrokken. Een van Grants onderbevelhebbers, Sheridan, sneed don terugtocht van Leo af, die zich daarop den Oden dier maand mot zijn leger overgaf. Uit voorbeeld volgden de overige generaals van 't Zuiden, die nog met hun troepen in 't veld stonden, deels in April, deels in Mei, zoodat or tegen 't einde dier maand niemand op 't geheele vasteland van Noord-Amenka meer was, die do Unie weerstond.

Inmiddels waren roods lang de bewindslieden on do veldheoron van hot Zuiden onderling verdeeld geweest. Vóór lang ook had hot volk geloerd, Davis en het congres van Richmond to wantrouwen en de zaak der leiders, die den krijg haddon verwekt, te beschouwen als een andore

-ocr page 513-

481

dan de zijne. Davis, op de vlucht geslagen, zocht, mev een klein gevolg en met eon paar honderd man, als lijfwacht, een good heenkomen in de richting van Georgië on van Texas. Doch den lOden Mei 1865 werd hij, op wiens hoofd de regeering een prijs van 100,000 dollars had gestold, gegrepen in een kleine in dor haast opgeslagen legerplaats nabij Irwinville (ten z. van Dublin, in Georgië). Vervolgens werd hij gekerkerd op het fort Monroe (in 't z.o. van Virginië, aan zee). Hier wachtte hij een geruimen tijd op de beslissing van zijn lot. Duizenden, die hem aanmerkten als don hoofdbewerker der ontzettende rampen, die het gemeenschappelijk vaderland had uitgestaan, brandden van toorn tegen hem en rustten niet, voordat hij als zoenoffer was gevallen.

Doch niet alleen hierom. Juist terwijl de oorlog in het allerlaatste tijdperk verkeerde, te midden van de blijdschap, die de bevolking: van 't Noorden vervulde wegens de gelukkige wending der zaken, trof haar plotseling de noodlottige slag, dat hij, die niet het minst had bijgebracht tot den voorspoedigen afloop, haar werd ontrukt. Op den avond van den 14den April doorschoot oen tooneelspeler, John Wilkes Booth, den president Lincoln in den schouwburg te Washington. Deze euveldaad was de voltrekking van een opzet, sinds het oogenblik van Lincolns herkiezing gesmeed door een zeker aantal samengezworenen. Ter zelfder ure drong een andere der eedgenooten in een der vertrekken van Sewards woning binnen en wondde hem, evenwel niet in die mate, dat de secretaris van staat er aan overleed. Dit alles prikkelde de bewoners van 't Noorden, om hun wrok te koelen aan Davis, die voor medeplichtig werd gehouden aan die wanbedrijven. Ton einde hem hiertegen te beveiligen liet do regeering dor Unie zijn gevangenschap voortduren tot 1869, toen zij, nadat de hartstochtelijkheid van 't volk had plaats gemaakt voor zachtere gevoelens, meende hem gerust te kunnen ontslaan. Een viertal der saam-gezworenen, terstond na het plegen der aanslagen gevat, werden ter dood gebracht. Booth, bij de algemeene ontsteltenis uit den schouwburg ontvloden, kwam om in een schuur, waar hij zich had verscholen, bij een poging, door de dienaren van 't gerecht aangewend, om hem in hechtenis te nemen.

In plaats van Lincoln trad de vice-president, Andrew Johnson, op, die in Maart 1869 plaats maakte voor den kort tevoren benoemden president Ulysses Sidney Grant, die in November 1872 voor vier jaren werd herkozen. Ook onder zijn bestuur bleef de Unie onwrikbaar vasthouden aan het groote beginsel, de afschaffing der slavernij. Nog in Januari 1865 hadden Lincoln en het congres aan de staatsregeling een artikel toegevoegd, houdende, dat op den bodem der Vereenigde Staten de slavernij voor eeuwig werd opgeheven. Op dat besluit werd, ten tijde van het voorzitterschap van Grant, in Maart 1870 de kroon gezet door een tweede, volgens hetwelk noch de kleur der huid, noch ras of afstamming, noch voormalige toestand van dienstbaarheid een reden mag zijn om iemand van het burgerrecht uit te sluiten.

Wijnne, Handboek der Alg. Geschiedenis, 7de druk. 31

-ocr page 514-

482

Dit waren do uitkomsten van don rensachtigon oorlog, in Amerika gevoerd, die in de uitgestrektheid on de natuurlijke gesteldheid van hot door borgen en rivieren doorsneden, mot bosschen overdekt en, buiten do steden, weinig bevolkt grondgebied zijn eigenaardige moeielijkheden opleverde. Nu eerst Johnson, daarna Grant met hot congres hot gebouw der Unie op nieuw hebben opgetrokken, bestaat zij uit achtendertig staten, negen landstreken en het bondsdistrict Columbia, waarin Washington, de zetel der regeering, is gelegen met het kajdlool, de vergaderplaats van het congres, en het witte huis, het paleis van den president. Bij de 34 staten, boven (zie blz. 47ü) opgesteld, kwam in 1804 Nevada (zie aldaar), in 1865 Colorado (zie aldaar), later Nebraska (zie aldaar), eindelijk, in 187G, Nieuw-Mexiko (zie aldaar). Het cijfer der landstreken, verminderd door de verheffing tot staat van de vier zoo oven genoemde hinden, groeide aan door het als zoodanig aannemen van Arizona (ten westen van Nieuw-Mexiko) ; van Wyoming (ten noorden van Colorado); van Idaho (ten oosten van Oregon); van Montana (ten noordoosten vandaar); eindelijk van Aljaska (geheel in 't noordwesten van Amerika gelegen), onder welken naam wordt samengevat alles, wat Rusland weleer in dit werelddeel bezat en dat het in 1807 voor de som van ongeveer 18,000,000 gl. aan do Vereenigde Staten heeft verkocht. In 't zelfde jaar voogden die Staten aan hun grondgebied in 't Zuiden twee der kleine Antillen, St. Thomas en St. Jan, toe, die zij voor ruim achttien en een half millioen gl. van Denemarken overnamen. In 1889 is het getal der staten van de Unie geworden 42, doordien Noord- en Zuid-Dakota (zie blz. 475), Washington (zie aldaar) en Montana (zie boven op deze blz.) tot dien rang zijn verheven.

Zooals de Unie, zoodra zij zich harer meerderheid tegenover het Zuiden recht bewust was geworden, keizer Napoleon III in Moxiko had tegengewerkt (zie blz. 46G), nam zij, na haar volledige zegepraal, wraak op Oroot-Bri tanniö voor het heulen van dit rijk met de geconfedereerd en ton tijde toen zij nog iets beteekenden. De zwaarste grief was, dat kaperschepen, met oogluiking der regeering op Engelsche werven gebouwd, geheel of gedeeltelijk met Engelsche matrozen bemand en uit Engelsche havens in zee gestoken waren. Steeds in de Europeesche on in de Amerikaansche wateren kruisende, haddon die vaartuigen door 't aantasten der Noord-Amerikaansche oorlogschepen het blokkeeron dor kusten bemoeielijkt, maar bovenal, door honderden koopvaardijschepen te nemen on te verbranden, onmetelijke schade aan den handel toegebracht en dien zoo goed als onmogelijk gemaakt. De meest beruchte dier kapers was de Alabama. Thans, na het einde van den krijg, vorderde de Unie van do Engelsche regeoring schadeloosstelling. Jaren lang hing dit vraagstuk, „dat der Alabama,quot; in de lucht en dreigde nu en dan tot een oorlog te zullen leiden. Ten laatste kwamen de beide partijen met elkander overeen, de beslissing van het geding aan vijf scheidsrechters op te dragen, die te Geneva zouden vergaderen. Den 14den September 1872 deed het

-ocr page 515-

483

scheidsgerecht uitspraak en veroordeelde Engeland tot hot uitkeeren van 15'/, millioen dollars aan het bewind der Vereenigde Staten, dat deze som had te verdeelen onder alle inwoners dezer Republiek, die de nadeelen hadden geleden.

Ruim vier jaren later, Maart 1877, word Grant door president Hayes vervangen, die op zijn beurt, in Maart 1881, plaats maakte voor Garfield. Ternauwernood had Garfield zicli op den presidentszetel geplaatst, of hij overleed Sept. 1881, aan de gevolgen van een schot, door een lagen moordenaar, Guiteau, op hem gelost, zoodat de vice-president Arthur alsnn het bestunr aanvaardde, die in 1885 werd vervangen door Cleveland, gelijk Cleveland in 1889 door Harrison, en Harrison in Maart 1893 wederom door Cleveland. Middelerwijl had do Republiek der Vereenigde Staten in 1870 haar honderdjarig bestaan gevierd door liet houden oener wereldtentoonstelling te Philadelphia.

Evenals Australië heeft een der staten, waaruit het rijk der Vereenigde Staten is samengesteld, n.1. Opper-Californië (gelegen in 't w., aan zee), in deze eeuw meer en meer de aandacht getrokken door de goud- en de zilvermijnen, die er in 1848 zijn ontdekt. In rijkdom overtroffen die mijnen zoozeer alles, wat men van dien aard tot dusver, b.v. in het vroegere Spaansche Amerika, had gezien, dat er bijna geen vergelijking is te maken. Aan het opgegraven goud heeft de stad St. Francisco, die reeds over de 150,000 inwoners telt, haar opkomst te danken. Zooals die overvloedige vondsten voor duizenden Europeanen ten prikkel hebben verstrekt om zich er heen te begeven, er tijdelijk te vertoeven of zich voor goed te vestigen, die ten deele mede in Californië zaden van ontwikkeling en beschaving hebben gestrooid, zoo oefent ook anderszins het vele goud en zilver, vanhier naar Europa overgevoerd, in dit werelddeel een gewichtigen invloed.

Van den belangrijkste van Aziö's staten. Si na, is, in den oorlog mot Engeland (zie blz. 372), niet alleen de zwakheid tegenover het buitenland gebleken, maar zijn evenzeer de gebreken van het binnenland duidelijk aan den dag gekomen. Een tweede ooi-log, door Frankrijk en door Engeland in 1857 tegen dit rijk gevoerd, hooft niet minder heldere bewijzen van dien toestand geleverd. Telken male schonden do Sineezen de verdragen van 1842, en de regeering van 't rijk was onwillig of te machteloos om dit tegen te gaan. Vanhier de tweede oorlog, die met verdragen eindigde, waarbij aan de beide Europeesche staten door Sina aanmerkelijke sommen werden uitgekeerd, meerdere havens voor den handel opengesteld en beloften gegeven eener goede bejegening van de Christenen. Dergelijke overeenkomsten werden eveneens met Rusland en met de Vereenigde Staten van Noord-Amerika aangegaan. Pas was deze krijg afgeloopen, of nieuwe geschillen voordon tot oen derden oorlog, die in 1859 begon en waarin Grant aan 't hoofd stond der Britsche krijgsmacht, Montauban (zie blz. 414 en 421) aan 't hoofd der Fransche, en die in November 1800 op soortgelijke verdragen uitliep, als die, welke na den eersten en den tweedon krijg waren gesloten.

31*

-ocr page 516-

484

Gelijk Sina schijnt ook liet nog meer afgesloten Japan sinds een twintigtal jaren belangrijk te zullen worden voor do woreldgeschiecfenis uit hoofde van de verdragen, in 1854 en in volgende jaren gesloten mot de Vereenigdo Staten, met Groot-Britannic, met Frankrijk en met Rusland, zoodat Nederland, hoewel hot, bij vernieuwde overeenkomsten, terzelfder tijd aangegaan, een uitgebreider handelsverkeer hoeft verworven, er niet langer de ooaigo bevoorrechte staat is. Volgens die verdragen zijn voor den handel dier natiën eenigo havens opengesteld, o.a. Nagasaki (in 't z. van Japan, op het eiland Kiusiu, in de onmiddellijke nabijheid van Desima). Doch evenals Sina heeft ook Japan, wegens overtreding dezer verdragen, in 18G4 do kracht der wapenen van Engeland, van Nederland en van Frankrijk ondervonden. Na dien tijd reos Japan voortdurend in aanzien, niet hot minst door den thans, Ajuil I8!)5, geöindigden oorlog, togen Sina hoeft gevoerd en waarin het de eene zegepraal na de andere behaalde.

§ 150.

Overzicht van de (/escldedenis der letteren en der beschaving in Europa en in Noord-Amerika gedurende de negentiende eeuw.

Drie denkbeelden waren het, die do leiders der partij, welke de groote omkeeringon in Italië voor oen goed deel hebben tot stand gebracht, in deze eeuw voorstonden: nationaliteit, hervormingen in 't binnenlandsch bestuur, volksbeschaving. In do jaren, die verliepen, aleer het uur sloeg, waarop die mannen het doel, dat zij nastreefden, bereikten, waren er onder hen, dio meenden, dat hun geen beter middel ten dienste stond om de natie voor hun oogmerk te winnen en den grond voor de wedergeboorte van 't vaderland voor te bereiden, dan het verspreiden hunner denkbeelden in geschriften van grooteren of van kleineren omvang. De reeks dier schrijvers, voorzoover de dichters betreft, opent UgoFoscolo, op 't gebied van Venetië geboren, overleden in 1827, die zijn gezindheid deod kennen zoowel in zijn treurspelen, als in zijn didaktisch gedicht over de graven. Tijd- on deelgenooten van zijn streven waren; Giacomo Leopardi, afkomstig uit den Kerkelijken Staat, overleden in 1837, dio o. a. een gedicht aan lialië wijdde, on de treurspeldichter Sil vio Pellico (zie bl/,. 343). Minder rechtstreeks had zijn eigen eeuw op net oog hij, die voor den grootste der Italiaansche dichters van den nieuworen tijd wordt gehouden, Alexander Manzöni, geboren te Milaan, gestorven in 1873, in wiens vermaardste werk, een historischen roman, getiteld de verloofden, de kerkelijke, do staatkundige en de maatschappelijke toestand van Italië ton tijde van de Spaansche heerschappij in dit land wordt geschilderd.

Onder de geschiedschrijvers van naam tolt men: Peter Colletta, afkomstig uit Napels, oen gewezen hoofdofficier, die in 1831 stierf en een

-ocr page 517-

485

historic van 'I koninkrijk Napcis van 1734 tot 1825 opstelde, benevens Michael Amari, die „don Siciliaanschen vesperquot; beschreef. Vermaarde staatkundige schrijvers zijn: Vincenzo Grioberti, geboren te Turijn, overleden in 1852, die zijn roem had te danken aan een werk over den morceten en dm maatschappelijken voorrang in Italië, waarin hij een bondgenootschap aller Italiaansehe staten onder 't opjjorgezag vaïi den paus aanprijst; Cesar Balbo, geboren te Turijn, wiens geschrift ten titel voert de verwachtingen van Italië, dat inzonderheid tegen de neerschappij van Oostenrijk is gericht; Massimo d'Azeglio (zie blz. .'5;?8), geboren te Turijn, die in zijn boek over de laatste lotgevallen van Honing na (een voormalig gewest van den Kerkdijken Staat) aandringt op hervormingen op 't gebied van dezen staat; Griacomo Durando, oveneens uit Piemont afkomstig, die een werk vervaardigde over de Italiaansehe nationaliteit, waarin hij Oostenrijk en Rome als de grootste vijanden dier nationaliteit voorstelt en, evenals Balbo, Oostenrijk, voor een mogelijk verlies van Noord-Italiö, wil schadeloos stellen met het rijk der Turken, die wederom naar Azië moeten worden teruggedreven. Meer dan één dezer auteurs sprak, behalve in de aangehaalde geschriften, zijn gedachten uit in dagbladartikels, iets, waarin bovenal uitmuntte Terenzio Mamiani, geboren in den Kerkelijken Staat, een van de voortreffelijkste schrijvers dor gematigde vrijzinnige partij, die zeer ijverde voor do scheiding der kerkelijke en der wereldlijke macht.

Een eng verband was er alzoo in Italië tusschen het leven des volks en de letterkunde. Evenzeer waren in Frankrijk de letteren innig saam-ge weven met de staatkunde en mot de openbare mcening. Een orakel in haar tijd was Mevrouw Anna Louise Germaine van Stael-Holstein, een dochter van Necker (zie blz. 293), geboren to Parijs en getrouwd met den gezant van Zweden te Parijs, van Stael-Holstein, die in 1802 stierf, terwijl zij zelve in 1817 overleed. Onder haar werken, die veelal betrekking hebben op den politieken en den maatschappelijken toestand der volkeren, zijn de beroemdste; Beschouwingen over de voornaamste gebeurtenissen der Fransche omiventeling; over Duitschland; over de letterkunde in betrekking tot de maatschappelijke instellingen. Grooter vermaardheid nog verwierf zij door haar roman, Corinna of Italië. Met haar bevriend was do invloedrijkste dier staatkundige schrijvers uit het tijdvak der restauratie (zie blz. 394), die de leer huldigden van het vertegenwoordigend bewind. Benjamin Constant, afkomstig uit Zwitserland) overleden 1830, die een werk schroef over den, eonstitutioneelen regee-ringsvorm.

Den overgang tusschen auteurs, als Constant, en hun tegenvoeters) die do onbeperkte koninklijke macht voorstaan, maakt Frans Augustus Chateaubriand, geboren in Bretagne, die in 1848 stierf. Tot zijn politieke werken behooron; over Buonaparte en de Bourbons, waarin hot bestuur en do persoon van Napoleon I zeer gehavend, hot aloude stamhuis daarentegen boven de wolken verheven wordt, een book, dat, volgens

-ocr page 518-

486

Lodewijk XVIII, in beteekenis tegen een leger opwoog, benevens de gedenkschriften van de overzijde van 't graf.

Als ile bedoelde tegenvoeters daarentegen, die de kerk in haar voor-maligen luister wilden herstellen en den staat hierop grondvesten, zijn aan te merken Jozef de Maistre, uit Savoye afkomstig, gestorven in 1821, wiens merkwaardigste geschriften zijn: de avonden van Petersburg of gesprekken over het wereldlijk bestuur der Voorzienigheid en Over den Paus; Lodewijk Gabriel Ambroise de Bonald, geboren in 'tZuiden van Frankrijk, overleden in 1840, van wiens werken dal over de oorsproii-kelijke wetgeving het meest gelezene is.

Niet met de staatkundige beginselen van de Maistre en van Bonald, maar, aanvankelijk althans, met hun kerkelijke gevoelens, stemde overeen Hugo Felieité Robert de Lamennais, evenals Chateaubriand, afkomstig uit Bretagne, een geestelijke, van wiens geschriften inzonderheid do opmerkzaamheid trok de proeve over de onverschilligheid in de zaak van den godsdienst, een verdediging en verheerlijking van het Roomsch-catholicisme. Met nog grooter nadruk predikte hij de leer, dat alle heil alleen op het oppergezag dor kerk berust, in het bock over den godsdienst in heirekking lot de politieke cn de burgerlijke orde. Allengs werd hij evenwel ontrouw aan deze richting, brak met Rome en trad in een gansche rij van geschriften, o. a. in de woorden van een geloovige, op als oen dor eerste woordvoerders van de oppermacht des volks.

Een plaats geheel op zichzelf neemt onder de politieke auteurs in Paulus Lodewijk Courrier, door sluipmoord gevallen in 1825, wiens vlugschriften, waarin hij de staatkunde der restauratie bestrijdt, verzameld zijn onder den titel Gedenkschriften, briefwisseling en onuitgegeven werken.

De grondlegger van de school der doctrinairesquot; (zie blz. a98), tevens onder de restauratie staatsman in werkelijken dienst en lid der kamer, was Pieter Paulus Royer-Collard, afkomstig uit Champagne, overleden in 1845, die bovendien een enkel wijsgeerig werk uitgaf. Grooter naam in het vak dor wijsbegeerte heeft Victor Cousin, overleden I860, geboren te Parijs, die onderscheiden werken over deze wetenschap cn over het openbaar onderwijs schreef.

Onder de schrijvers van dichterlijke en romantische boeken in Frankrijk zijn te noemen: Chateaubriand (zie blz. 485), die door zijn geest van 't Christendom, door zijn martelaars, waarin hij hen bezong, die voor dezen godsdienst hebben geleden en zijn gepijnigd, en door monigen roman zijn grooten roem verwierf; Alp hou sus do La mar tine (zie blz. 405), geboren te Macon (ten n. van Lyon), gestorven in 1869, van wiens talrijke werken zijn gedicht, de val van een engel, en zijn dichterlijke beschrijving, getiteld Herinneringen, indrukken en gedachten op een reis naar H Oosten, niet do minst gelezene zijn; Victor Mario Hugo, go-boren te BesanQon (in 't voormalige Franche-comtó, aan de Doubs, eon bijstroom van de Saöno), die lierdichten, als Lichtstralen cn schaduwen; tooneelstukken, b.v. Cromwell, de koning vermaakt zich, Lucrelia Borgia;

-ocr page 519-

487

romans, o.a. Notre Dame van Parijs en de cllendigen, te boek stelde en, bij dat alles. Napoleon III hekelde in zijn smaadschrift Napoleon de kleine; Alfred de Musset, geboren te Parijs, die in 1857 stierf en vooral als lierdichter heeft geschitterd; Pieter Johan Béranger, insgelijks geboren te Parijs, overleden in 't zelfde jaar 1857, wiens volksliederen hem bij de lieden van aanzienlijken en van geringen stand tot een goeden bekende maakten, onder welke liederen bovenal zeer gezocht waren het oude vaandel; de twee grenadiers; de koning van Yvelot (een voormalig koninkrijkje, thans een stad, ten n.w. van Rouaan); het lid van den senaat en andere; eindelijk zij, die romans in 't licht deden verschijnen met een zekere strekking, betrekkelijk hot maatschappelijk en het huiselijk leven, als Honoré Balsac, uit Tours, overleden 1850, van wiens ontelbare voortbrengselen Eugénie Grandet er een, de behoeftige verwanten een ander is; George Sand, afkomstig uit Berry (zie blz. 395), overleden 187G, wier eigenlijke naam is de markiezin Aurora Dudevant, geboren Dupin, die in haar romans, b.v., om van de vele tientallen er een paar te noemen, in de markies van Villemer, de vian van sneeuw, viejufvromv la Quintinie, enz. tafereelen, aan het heden-daagsche leven ontleend, van treffende gelijkheid met de werkelijkheid schildert; Eugenius Sue, geboren te Parijs, overleden in 18n7, die door zijn Geheimen van Parijs en door de dolende Jood tegelijk zijn naam en zijn fortuin grondvestte; ten laatste stellig de vruchtbaarste aller auteurs, Alexander Dumas, uit hot Noorden van Frankrijk afkomstig, gestorven in 1870, die tooneelstukken, als Hendrik ƒƒƒ, Katharina Hoivard; blijspelen, b.v. een huwelijk onder Lode wijk XV; romans, o.a. de graaf van Monto- Chris to (een eiland, ten z. van Elba), hel halssnoer der koningin, en reisbeschrijvingen, al welke geschriften een cijfer van honderd en meer beloopen, vervaardigde en wiens eveneens goheoten zoon heden ten dage mede in den trant zijns vaders werkt.

Onder de Fransche geschiedschrijvers onderscheidt men: Guizot (zie blz. 396 vlg.), geboren te Nismes (in 't z. van Frankrijk), overleden in 1875, een protestant, wiens belangrijkste geschriften zijn: de geschiedenis der beschaving in Frankrijk, de historie der omwenteling in Engeland en de gedenkschriften van zijn eigen tijd; Jakob Nike laas Angus tin Thierry, geboren te Blois, overleden I85G, die in zijn historische nasporingen, neergelegd in zijn Brieven over de geschiedenis van Frankrijk en in zijn Historie van de verovering van Engeland door de Noormannen, het gebouw der geschiedenis op geheel nieuwe grondslagen optrok; Willem Prosper Brugière de Barante, afkomstig uit het voormalige Auvergne, gestorven 1865, die een Geschiedenis schreef van de hertogen van Bour-gondië uit het huis Valois en een tweede, loopende over de nationale conventie; Jozef Michaud, geboren in Frankrijk, op de grenzen van Savoye, overleden 1839, wiens naam in zijn Geschiedenis der kruistochten voortleeft; Julius Miehelet, geboren te Parijs, overleden in 1874, van wiens rijke bronnenkennis en uitnemenden stijl zijn Geschiedenis van

-ocr page 520-

488

Franhvjk getuigt; Johan Karei Leonard Sismonde de Sismondi, geboren te Geneve, gestorven in 1842, die zijn bekendheid is verschuldigd aan zijn Historie der Italiaansche Republieken uit de Middeleeuwen en aan zijn Geschiedenis van Frankrijk; Thiers (zie blz. 395 vlg.) geboren te Marseille, overleden in 1877, die niet minder aan zijn historische werken, de geschiedenis der Fransche ovurenleling en die van het consulaal en van hel keizerrijk, als aan zijn langdurige werkzaamheid als staatsman zijn naam heeft te danken; Frans Augustus Mignet, geboren in 't Zuiden van Frankrijk, overleden 1885, die eveneens een Historie der Fransche omwenteling schreef, en bovendien een Historie van Maria Stuart, benevens hot onvoltooide werk, getiteld; Onderhandelingen betrekkelijk de opvolging in Spanje; Alexis de Tocqneville, overleden in 1859, een schrijver van den eersten rang, wiens werken heeten De volksregecring in Amerika en Het voorvialige bestuur en de omwenteling; Johan Jozef Lode wijk Blanc, geboren te Madrid, overleden in 1882, die een Oe-schiedenis der Fransche omwenteling en een Historie van tien jaren (181-50— 1840) te boek stelde, welker partijdigheid op menige bladzijde doorstraalt.

Nog behooren tot do afdeeling der historische boeken, hoewel hot geenszins meesterstukken zijn, de geschriften van Baptist Honoró Raymond Capefigue, geboren te Marseille, gestorven in 1873, van wiens bijna eindeloos tal van werken, waarin hij door de geschiedenis dor Franken-en door die der Franschen, van Karei den groote tot Napoleon III, als heenvliegt, kunnen worden aangevoerd: de Geschiedenis van Philips II Augustus; de conslihitioneele en administratieve historie van Frankrijk, sinds den dood van Augustus; Richelieu, Mazarin, de fronde en de regeering van Lodewjk XIV, en een enkel geschrift van de Lamartine (zie blz. 486), b.v. de Geschiedenis der Girondisten en die der omwenteling van 1848 en 1849.

Ten slotte zijn niet te vergeten: Abel Frans Villemain, geboren te Parijs, overleden 1870, en Karei Augustin Sainte-Beuve, geboren te Boulogne (in 't n.o. van Frankrijk, aan zee), overl. 1SG9, die als schrijvers over letterkunde naam hebben gemaakt, de eerste b.v. door vele geschriften over de letteren van onderscheidene natiën en door zijn Historie van Cromwell, de laatste door zijn Geschiedenis der school van Port-Royal en door zijn Maandags praatjes.

Do rij der dichters en der romanschrijvers van de negentiende eeuw uit Groot-Britannic wordt geopend mot den naam van oen der grootste auteurs, die immer op dit terrein zijn opgetreden, n.1. met dien van Walter Scott, geboren te Edinburg, overleden in 1832. Na zicli aanvankelijk te hebben gewijd aan de dichtkunst, betrad hij vervolgens het gebied van den roman en leverde hierop menig meesterstuk, waarin hij de natuur, de zoden, de gebruiken en de overleveringen van Schotland en van Engeland aanschouwelijk toekende, b.v. Iranhoe; Kenilworth (naar een voormalig kasteel van Leicester, in de nabijheid van do stad van dien naam, in 't midden van Engeland nabij Warwick); Quentin Durward,

-ocr page 521-

489

onz. Engolands beroemdste dichter uit den niemveren tijd is George Noël Gordon Byron (zie blz. ;580), geboren to London, overleden in 1824, wiens uitstekondste gedichten, reisbeschrijvingen en verhalen behelzende, o.a. ten titel voeren: Jonker Harold; de Giaour (d. i. de onge-loovige of niet-Mohammodaan); de bruid ran Abydics (in Klein-Aziö, aan den Hellespont). Een onvoleindigd heldendicht van zijn hand is Don Jan (een mythisch persoon, die in Spanje moet hebben geleefd, de hoofdpersoon van de opera van dien naam) Treurspelen, door hein vervaardigd, zijn Marino Faliëri (een doge van Venetië uit de veertiende eeuw, wegens een samenzwering togen de aanzienlijken tor dood gebracht) en Sardanapalus. Een lerlander is de vermaarde dichter Thomas Mooro, gestorven in 1852, van wiens stukken inzonderheid worden genoemd zijn lersche zangen en de reeks van Oostersche verhalen onder den naam Lalla lioolch.

Onder Engelands romanschrijvers van don jongsten tijd zijn de voortreffelijkste Bulwer, Dickens en Thackeray. Eduard Godfried Lytton Bulwer, afkomstig uit het oosten van Engeland, uit het graafschap Norfolk, overleden 1872, schreef, onder meer: De laatste dayen van Pompèji; Rienxi, de laatste der tribunen (zie blz. 150); de laatste der baronnen. Van de werken van Karei Dickens, geboren te Portsmouth (in 't z. van Engeland, aan zee), overleden 1870, zijn o.a. te noemen: de I'ickwiekpapieren; Nikolaas Nickleby; Domhey on won; Dar id Copper-field. Onder de geschriften, tot deze afdeeling bohoorende, opgesteld door Willem Makepeace Thackeray, geboren te Calcutta (de hoofdstad van Britsch-Indië, in 't n.o.), overleden 18G3, zijn diegene, die het hoogst worden geschat: De jaarmarkt der ijdelheid on Arthur Pendennis.

Als Engelsche geschiedschrijvers hebben zich met eer doen kennen: Hendrik Hallam, gestorven in 1859, door zijn Overzicht van den toestand ran Europa gedurende de Middeleeuwen on zijn Constitutioneele historie van Engeland sedert de troonsbestijging van Hendrik VII tot den dood ran George II; Thomas Carlyle, afkomstig uit het zuiden van Schotland, overleden 1S75, door zijn Geschiedenis van de Iamp;ansche oni-wentelmg en door zijn brieven en redevoeringen van Olivier Oromwell; Hendrik Th omas Buckle, gestorven in 18G1, door zijn hoewel pas begonnen Geschiedenis der beschaving in Engeland; Thomas Babing-ton Macaulay, geboren te Londen, overleden 1859, zoowel door zijn Historische proeven of opstellen, als door zijn evenmin volledig geworden Geschiedenis van. Engeland sinds de troonbeklimming van Jakob II.

Do letterkunde der Vereenigde Staten van Noord-Amerika wordt op waardige wijze vertegenwoordigd door Hendrik Wadsworth Longfellow, geboren in den staat Maine, wiens rijke verbeelding krachtig uitkomt in Evangeline, in het lied van Hiawatha en in andere zangen; door Jakob Fenimore Cooper, afkomstig uit den staat Nieuw-Jersey, overleden in 1851, wiens romans, b.v. de spion, een tafereel uit de tijden van den oorlog voor do onafhankelijkheid der Vereenigde Staten; de

-ocr page 522-

490

laatste der Mohikanen; de padvinder en andere, zeer gezocht waren; door Willem Hickling Preaeott, geboren in den staat Massachusetts, overleden in 1857, die o.a. oen Geschiedenis van Ferdinand en Isabella, een historie der verovering van Mexiko en van die van Peru schreef; door George Bancroft insgelijks uit Massachusetts afkomstig, wiens boek is getiteld Geschiedenis der Vereenigde Staten van Noord-Amerika; door John Lothrop Motley, overleden in 1877, den schrijver van de Opkomst der Nederlandsche Republiek en van het leven en sterven van Johan van Oldenbarnevelt; eindelijk door de tegen do slavernij gerichte werken van Mevrouw Henriette-Beecher Stowe, geboren in don staat Connecticut, de hut van oom Thomas, en van Helper, de dreigende crisis.

In Neerlands letterkunde der nogentiondo eoew is de eerste aan te halen naam die van Willem Bilderdijk, een Amsterdammer, overleden 1831. Hij was een man van veelzijdige ontwikkeling, van overvloedige kennis, met veel talenten begaafd, die echter het hoogst staat als dichter. Buiten het blijspel beoefende hij allo dichtsoorten, en in alle bracht hij meesterstukkon voort. In hot heldendicht leverde hij den Ondergang der eerste wereld, een grootsch, doch onvoltooid gewrocht; in het leerdicht de ziekte der geleerden; in den lierzang de ode aan Napoleon. Niet minder voortreffelijk zijn zijn balladen en minnedichten. Op het gebied der taal getuigt zijn Spraakleer van do diepte van zijn blik. Op het veld der Geschiedenis van 't Vaderland leverde hij oen werk, waarvan de hoofdstrekking een doorloopende bestrijding is van Wagenaar. Toch is het tot heden toe aan dit geschrift niet gelukt den ouden Wagenaar to verdringen. Zoo onpartijdig deze auteur is, zoo partijdig is Bilderdijk. Een middelsoort tusschen het holdon- en het lierdicht is de Hollandsche natie van Jan Frederik Hol mors, oveneens oen Amsterdammer, gestorven 1813. Gelijk Oats de eerste Nodorlandsche volksdichter was geweest, was Hendrik Tollens Cz., geboren te Rotterdam, overleden in 1850, de tweede. Dit bewijzen, behalve het door hom vervaardigde volkslied Wien Neerlands bloed door de adren vloeit, zijn zangen, deels op onderwerpen van 's lands historie, deels gewijd aan den huisolijken haard, üe meest bekende zijner gedichten zijn; Het tafereel ran den vierdaagschen zeeslag, het turfschip van Breda, de jaargetijden, de zomer en, op het gebied dor beschrijvende poëzie, het tafereel van de overwintering der Hollanders op Nova- Zembla.

Van do prozaschrijvers uit do eerste holft dezer eeuw behoort bovenal Jan Hendrik van dor Palm, geboren te Rotterdam, overleden 1841, te worden aangehaald. Onder zijn geschriften bokloodde De Bijbel voor de jeugd en de Salomo, een uitbreiding van do spreuken, een eerste plaats. Oeheel op zichzelf staat het Geschied- en redekunstig Gedenkschrift van Nederlands herstelling. Van der Palm loofde te midden van een aantal op het gebied der letteren uitblinkende mannen, als Kinker, Borger, da Casta. Zullen do wijsgeerige, do dichterlijke en de taalkundige geschriften van Johannes Kinker, geboren te Nieuwor-Amstel (nabij Amsterdam),

-ocr page 523-

491

die in 1845 stierf, zijn naam lang voor de vergetelheid bewaren, alleen de Ode aan den Rijn ia voldoende, om dien van Elïas Annes Borger, geboren te Joure (ten z.o. van Snoek), overleden 1820, te doen voortleven. Izailk da Costa, geboren te Amsterdam, overleden in 1860, is do voortreffelijkste van Bilderdijks leerlingen. Wolk een gloed hij als dichter had ziet men in zijn Wachter, wat is er van den nacht?, waarin hij de omkeering op het staatkundig gebied van 'tjaar 1848 voorspelt, in zijn Slag hij Nieuwpoort en in andere verzen.

Van da Costa zijn tijdgenooten Bogaers, de Génestot, van Lennep, ter Haar en Beets, die, waar men van de hedendaagsche Nederlandsche letterkunde gewaagt, in de eerste rijen staan. Als bewijs van het keurige dichttalent van Adriaan Bogaers wordt, onder meer, doorgaans De tocht van Heemskerk naar Gibraltar aangehaald. De Leekedichtjes van Petrus Augustus de Génestet, geboren te Amsterdam, zijn niemand onbekend, evenzeer als de Camera obsoura van Hildebrand, d. i. Niko-laas Beets, geboren te Haarlem, in ieders handen is. Onder de gedichten van Bernard ter Haar zijn de meest genoemde de SI. Paulusrots, Elixa's vlucht, Abd-el-Kader, Huibert en Ktaartje. Van het genoemde vijftal is Beets do eenige, die nog leeft. Bogaers werd in 1870, de Génestot in 1861, van Lennep in 1868, ter Haar in 1880 door den dood weggerukt. De werken van Jakob van Lennep, geboren te Amsterdam, zijn vooral gedichten, b.v. de Nederlandsche legenden, en romans in proza. De laatste hebben hem gemaakt tot den gevierden schrijver, van wien elk iets hoeft gelezen. Voor den beste dier romans houdt men Ferdinand Huyck. Bovendien zijn er de Pleegzoon, Elizabeth Musch, de lotgevallen van Klaasje Zevenster.

Duitschlands voornaamste dichters en romanschrijvers uit deze eeuw zijn: Jean Paul Frederik Richter, afkomstig uit het Noordoosten van Beieren, overleden in 1825, een auteur van den eersten rang, wiens merkwaardigste romans zijn de Titan on de vlegeljaren; Theodoor Körnor, geboren te Dresden, overleden 1813, dio door zijn lier en zwaard en door andere gedichten een algemeone geestdrift verwekte; Johan Bodewijk Uhland, geboren te Tübingen (in Wurtemberg, ten z. van Stuttgart), overleden in 1862, die lierdichten, romances en balladen vervaardigde; Hendrik Heine, geboren te Dusseldorf, overleden in 1856, wiens rijke gaven als lierdichter het boek der liederen en de romanzero bewijzen; Emanuel Geibel, geboren te Lubeck, wiens Spaansche liederen en romances o.a. veel worden gelezen, eindelijk Bert-hold Auerbach, uit Wurtemberg, die b.v. door zijn roman Op de hoogten veel naam maakte.

Inzonderheid hebben zich, gedurende de laatste zeventig jaren, in Duitschland velen als geschiedschrijvers en geschiedvorschers schitterende lauweren om do slapen gevlochten. Al dadelijk was op dit gebied een luisterrijk voorganger en baanbreker Barthold Georg Niebuhr, geboren te Kopenhagen, overleden 1831, wiens hoofdwerk is de Oeschiedenis van

-ocr page 524-

492

Borne. Den stoot tot het vroeger slechts bij wijze van uitzondering voorkomend beoefenen der Algemeene Historie gaf Arnold Herman Lode-wijk Heoren, geboren te Arbergcn (in de nabijheid van Bremen), overleden 1842, zoowel door zijn Denkbeelden over de staatkunde, het onderling verkeer en den handel van de voornaamste volkeren der oude wereld, als door zijn Geschiedenis van de stalen der oudheid en van het Europeesche staten-stelsel en zijner volkplantingen. Een volledige Algemeene Historie in een aaneengeschakeld verhaal schreef F rede rik Christoffel Sohlosser, afkomstig uit Jever (in 't n.w. van 't groot-hertogdom Oldenburg), overleden in 1861, waarop hij liet volgen een Geschiedenis der achttiende en der negentiende eeuw tot den ondergang van het Fransche keizerrijk. Als voortzetter van dit werk kan worden aangemerkt Geo rg Godfried Gervïnus, geboren te Darmstadt, gestorven in 1871, in zijn niet voltooide Geschiedenis der negentiende eeuw sedert hel congres van Weenen. Bovendien vervaardigde hij een Historie der Duitsche dichtkunst'.

Met dit viertal zijn, behalve anderen, onder do beroemdste Duitsche historieschrijvers te rekenen Leopold von Ranke, geboren te Wiehe (ten z.w. van Merseburg, in Pruisen), overleden in 1886, van wiens onsterfelijke geschriften eenige ten titel voeren: Vorsten cn volkeren van Ziiid-Europa in de zestiende en in de zeventiende eeuw; Duitschlands geschiedenis ten tijde der hervorming; Frankrijks historie, voornamelijk-in de zestiende en in de zeventiende eeuw; Engelands geschiedenis, voornamelijk in de zestiende en in de zeventiende eeuw; Ge org Waitz, afkomstig uit Flensburg (in 't midden van Sleeswijk), overleden in 1886, die o.a. een Historie der Duitsche staatsvormen te boek stelde, en ten laatste Willem Giesebrecht, geboren te Berlijn, ook reeds overleden, die met een werk van grooten omvang over de Geschiedenis van den tijd der Duitsche keizers is begonnen, hetwelk nog verre van voltooid is.

/öK' /*5^-/

-ocr page 525-
-ocr page 526-

I IT- ■.'» . A W •!,

•I. ■ Wi.ixm-: Aljromooiif fro.-clii..'il(!iiis, I. i'é ch 1

. -1. A. Yv'mx.m:. Algoraoeiu- goschiedouis, II. Tdc druk tl 1 '■••• •gt;. A. W: • ok. AIgonnquot;.in? goschiudoni.-', III. 7di druk - 'Mmi !*:•. •!. A.. \\. • s.m • •imooiio sjosi-lii-ilgftie, I 7dt I ml: -1: 1', •••1 ,',(!• uv. • 0 ix ■ ■ •quot;

. . . •. ■ ' V -

'itMJXXi,, '/vi.i - cut w . ■!. no .'c r...sf!

I'.!dlt; drnk - l,:jn Dr.-i. A. W'f.ixxi-, (i'sc1,;. Ji. Vinler1.: ad, Tdcdrnl: - 3,00

Dr. -T. A. V\ j.tan'e. Beknopt'; g( sc.iiiodenis van hel

Villi 1 l iml.........../(gt;(/lt;, fintjc . |_,00

Dr. 1. A. Wi.ix.vk , (iescliiedi.ui vüii '1quot; Neilorlamleji, I - I.On Dr. J. A. \\ i.i::xr:, Goswi: ••1«nis (vei's^'/eide en iiiemvo

lt;'i1 ^lei'• u), .... ...... Hjn

•i • Uiniioii' •!!•! ■»•!:quot; '.■•quot;Srlneiii'iii- van

'ii,,- .......

* 'i'. w.. ••• • vi '',111 on ' ■ ■ ■, ■ ! .»(,

■ i. \ 1. ! I i ■ , ■ 1 . v ,, 1,1 ,1)

Dr. 1. A. \\ o( op l;et , m iquot;..irj

Al-;. quot;in Go- ifiv k'i;: . . , . cjn

Jo, J. . cloiiis,