-ocr page 1-

O V - R 2 i C hl T

n i ■ i:

1

1

:\

1 P 1 i

\ 1

1

i

J

j j

i '1

AM

\

.titquot; u

]Y . J. A. W I.) N N !•;

i))-!.'i i r ' i i)k i ;;

!■; lt;;E()MN(;!•:gt;lt; nu j. w. woi.ri ics. i -

-ocr page 2-

S. oct.

5096

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

^ / O yoCfC

/

OVERZICHT

DEK

VLaEMEENE GESCHIEDENIS

DOOK

I)'. J. A. WIJN NE.

DK KT I EN DE D K U IC.

TK (JKOXIN(iI-:X HIJ .1. H. WOLTKRS, 1808.

-ocr page 6-

Mnfjiiu u*ui est mcmoria vcnnn gestannii.

SA IJ.USTllS.

Stoomdrukkerij van .1. B. Woltors.

-ocr page 7-

INLEIDING.

Dc Alyemeene Geschiedenis, voorzoo verre hiervan de berichten zijn bewaard gebleven, is een samenhangend verhaal van de merkwaardigste gebeurtenissen, waaronder het mensehelijk geslacht tot op onzen tijd is gevormd en ontwikkeld.

De Algemeene Geschiedenis, ons bekend, is zeer beperkt, en dit te meer, naarmate wij hooger in de oudheid opklimmen. Zoo bepaalt zich de bekende Oude Geschiedenis bijna uitsluitend tot het Westen van Middel-Azië en de kustlanden langs do Middellandsche Zee, tot de volkeren en de gebeurtenissen, waarvan zij de woonplaats en het tooneel waren. Ook dus omschreven, is zij nog zeer onvolledig: van de eerste duizenden jaren valt weinig of niets te vermelden; van 2000—500 v. C. bestaan alleen fragmenten.

Velerlei zijn de bronnen der geschiedenis In de oudste tijden waren het alleen mondelinge overleveringen, veelal mythen, d. i, in verdichtselen gehulde geschiedenissen. In lateren tijd, dus ook thans, zijn het o. a. opschriften op gedenkteekens en munten, oorkonden, kronieken en jaarboeken, gedenkschriften, historische werken.

Tot bepaling der voorvallen dient de opgave van de plants, waar en van den tijd, wanneer zij gebeuren. In zoo wuc lt;\wb aardrijkskunde en tijdrekenkunde bijdragen tot het vaststellea der gebeurtenissen naar plaats en tijd, zijn zij de voornaamste hulpwetenschappen der geschiedenis. De merkwaardigste tijdrekeningen (aeren) zijn;

De tijdrekeningen naar dc jaren der wereld, volgens 't aangenomen gevoelen ongeveer 4000 jaren vóór do geboorte van 0., bij de Israëlieten.

De tijdrekening naar Olympiaden, beginnende met 77(1 v. C., bij de Grieken, hoewel ver van algemeen, sedert 300 v. C. in gebruik. — Iedere Olympiade bevat vier jaren.

De tijdrekening naar de stichting van Rome, beginnende, volgens Varro, met 753 v. C., bij de Romeinen.

De tijdrekening naar dc Jledsehrah of vlucht van Mohammed, die met 622 n. C. aanvangt, bij de Mohammedanen.

De jaartelling naar de jaren voor en na dc geboorte van Christus, bij de Christenen.

Wijnne, Ooerzic/it, 13de druk. 1

-ocr page 8-

2

Wat de berekening van het jaar aangaat komt bovenal in aanmerking het onderscheid tusschen het maanjaar en het zonnejaar. Het eerste, dat bij de meeste volkeren der oudheid in gebruik was, telde ongeveer 355 dagen. Ten opzichte van het tweede valt te letten op liet verschil tusschen hel Juliaansche en het Gregoriaansche jaar. De Juliaansche tijdrekening, naar Julius Caesar genoemd, stelde het zonnejaar, sedert 45 v. G.; op 365 dagen en 6 uren en is tot 1582 n. C. algemeen in gebruik gebleven {oude stijl). De Gregoriaansche, volgens nauwkeuriger waarnemingen door Gregorius XIII in 1582 ingevoerd (nieuwe stijl), bepaalde den duur van 't jaar op 365 dagen, 5 uren, 48 minuten en 48 seconden en is thans bij alle Christen volkeren, behalve bij de Russen en de overige Grieksehe Christenen, aangenomen.

In den zoogenoemden voorhistorischen tijd, vóór de schepping en vermenigvuldiging van het geslacht der menschen, heeft de oppervlakte der aarde door vuur en water menige verandering ondergaan, ten gevolge waarvan zij haar tegenwoordige gedaante beeft verkregen. — De wetenschap, die de voortgaande vorming der aardkorst naspoort en verklaart, is de geologie (aardkennis).

Of alle menschen, zooals het oude Testament leert, van één paar afstammen is een vraag, die voor alsnog niet is uit te maken. Daarentegen is tot dusver niets gevonden, hetwelk in strijd is met de leer, dat de geheele menschheid slechts één soort uitmaakt. Nogtans is het niet te ontkennen, dat zich bij de mensehen eigenaardige verscheidenheden naar lichaam en ziel voordoen, uit verschil van klimaat, voedsel, ontwikkeling van den geest en andere oorzaken voortspruitende, die zich van geslacht tot geslacht voortplanten. Wndaar een verdeeling van het menschdom in rassen of hoofdstammen, b. v. in deze drie: het Kaukasische, waartoe o. a. de Indo-Germaansche of Arische en do Semietische stam behooren, het Mongoolsche en het Aethiopische ras..

De voorstelling, die men zich gewoonlijk maakt van den gang der ontwikkeling van de menschheid, is deze. De eerste bewoners dezer aarde ontvingen voedsel, kleeding, kortom alles, uit de hand der natuur. Weldra begon de strijd van den mensch tegen de dieren, en hiermede jacht en viscbvangst. Behalve met deze bedrijven, hielden zich gansche volkeren met de veeteelt bezig. Van het zwervend herdersleven gingen zij later tot den akkerbouw over. Hij werd de aanleiding tot vaste woonplaatsen en de oorzaak van het ontstaan van staten. In de vroegste ecuwen, waarvan de overblijfselen zijn bewaard gebleven, gebruikten de menschen geen andere dan steenen

-ocr page 9-

3

werktuigen, weshalve dat tijdperk het stcenen heet. Op dien tijd volgde het bronzen, hierop het ijzeren tijdperk.

De onderscheiden regeeringsvormen der staten zijn:

1. De monarchale, waar een persoon heerscht, en deze vorm is:

a. onbeperkt, wanneer de heerscher alleen wetten geeft en ze uitvoert, zonder de onderdanen te raadplegen (öf absolute, d. i. volstrekte monarchie, als do vorst naar vaste wetten regeert, öf despotisch, willekeurig , wanneer de heerschcr alleen de wet geeft en ze laat uitvoeren, zonder dat de staatsinstellingen dc medewerking eener andere macht voorschrijven, of wel, wanneer de heerscher die, welke zijn voorgeschreven, niet erkent);

b. beperkt, wanneer de vorst het wetgevend gezag met andere staatsmachten deelt.

2. De republikeinsche (vrije staten), waar meer dan één persoon de hoogste macht in handen heeft, en deze is:

a. aristocratisch (regeering der aanzienlijken), wanneer de aanzienlijken dc wetten geven en doen uitvoeren, of wel een bepaalde stand of klasse van hen, altijd zonder het andere gedeelte van 't volk;

b. democratisch (volksregeering), wanneer het geheele volk aandeel heeft aan het staatsbestuur, volstrekt, wanneer tie besluiten en de wetten bij stemming van alle burgers worden opgemaakt, aangenomen of verworpen; middellijk of vertegenwoordigend, zoo de macht der staatsburgers zich bepaalt tot het verkiezen van hun vertegenwoordigers, als declgenooten der wetgevende macht. —

In bijna alle beschaafde staten van den tegenwoordigen tijd is de regeeringsvorm een samenstel uit de twee zoo even genoemde hoofdvormen; hier heeft meer de allccnhccrsching, daar de macht der aanzienlijken, elders die des volks het overwicht.

De behandeling der geschiedenis is tweeledig: ethnographisch, volks-gewijze, d. i. die van het eene volk na die van het andere; synchronistisch, gelijktijdig, d. i. wanneer alle gebeurtenissen van 't zelfde tijdvak en van de onderscheiden volken gelijktijdig worden behandeld.

Men verdeelt de geschiedenis op de volgende wijze:

1 OUDE GESCHIEDENIS.

Volgens de synchronistische manier in vier afdeelingen:

1. De geschiedenis der Aziatische rijken Sina, Indië, Assyrië, Babylonië, de Israëlieten, Phoonicië, Medië en Perzië, alsmede die van Aegypte.

1*

-ocr page 10-

4

2. Dc geschiedenis der Grieken tot do vernietiging hunner onafhankelijkheid.

3. Dc geschiedenis van Macedonië, van 't rijk van Alexander den groote en van de hieruit ontsproten staten.

4. De geschiedenis der Romeinen.

Naar de synchronistische wijze in vier tijdvakken:

1. Van het begin der oude geschiedenis tot de sticiiting van het Perzisch rijk door Cyrus in 558 v. C.

2. Vandaar tot Alexander den groote in 336 v. C.

3. Van Alexander den groote in 336 v. C. tot het begin van Augustus' alleenheerschappij te Rome in 31 v. C.

4. Vandaar tot den val van het West-Romcinsche rijk in 476 n. C.

II. MIDDELEEUWEN.

Volgens de synchronistische wijze in vier tijdvakken:

1. Van den val van 't Wcst-Romeinsehe rijk in 476 n. C. tot den dood van kbalif Haroen al Raschid in 809 n. C. en van keizer Karei den groote in 814 n. C.

2. Vandaar tot Gregorius Vil (1073—1085) en tot het begin der kruistochten in 1096.

3. Vandaar tot het einde der kruistochten in 1291 en tot de verkiezing van Rudolf van Habsburg tot Roomsch of Duitsch koning in 1273.

4. Het laatste tot het begin der nieuwe geschiedenis in 1500.

III. NIEUWE GESCHIEDENIS.

Naar de synchronistische leerwijze in drie tijdvakken:

1. Van het begin der nieuwe geschiedenis tot den Westphaalschen vrede in 1648 en die van Kopenhagen en van Olïva in 1560.

2. Vandaar tot den oorlog voor de onafhankelijkheid der Vereenigde Staten van Noord-Amerika, die in 1783 werd beslist, en tot het begin der eerste Fransche omwenteling in 1789.

3. Van het begin dor Fransche omwenteling tot 1815.

IV. NIEUWSTE GESCHIEDENIS.

Van 1815 tot op onzen tijd.

-ocr page 11-

OUDE GESCHIEDENIS.

EEHSTK AFDF.KMNG.

D15 OESOJIIKDENIS IER AZIATISCHE BIJKEN SINA, INDIË, ASSYRIË, BAIiYLONIË, DB ISRAËLIETEN, PHOENIGIË, MICDIË EN PERZIË, BENEVENS DIE VAN AEGYPTE.

§ 1-

Sinn en Indié.

Hoewel de geschriften der ouden niet van Sina en Indië spreken, wordt er hier met een woord gewag van gemaakt, omdat zij mede tot de oudste van de bekende staten behoorden. Wat men van deze landen en volken weet is hoofdzakelijk de vrucht van 't onderzoek der nieuwere tijden. Sina werd door een Mongoolschen stam bevolkt, die zeer vroeg tot een maatschappelijk leven overging, doch weldra cp den eenmaal bestegen trap van ontwikkeling bleef staan. — Volgens do overleveringen vnn dit volk, de eenige bronnen zijner geschiedenis, klimt zij tot omstreeks 2(i00 v. C. op; de zekere berichten evenwel beginnen niet vóór de achtste eeuw v. C. — Tot beveiliging tegen de invallen der zwervende herdersvolken werd in de derde eeuw v. C. de oprichting van den grooten Sineeschcn muur aangevangen, die, 300 geogr. mijlen (400 uren) lang zijnde, Sina ten n. en n.w. van het land dier volkeren scheidt. — De regeeringsvorm was despotisch (zie blz. 3). — De grondlegger van Sina's godsdienst, staat-en letterkunde was Confucius (Kong-futse), ongeveer 500 v. C , die do oude leerstellingen en overleveringen verzamelde en in orde bracht. Hem wordt ook de vervaardiging der heilige boeken, kings genoemd, toegeschreven. Behalve deze godsdienst, die der hoogere standen, is er het boeddhisme (zie blz. 6), dat, waarschijnlijk sinds do 3lle eeuw n. C., in Sina, inzonderheid onder do lagere volksklassen, vele belijders tolt. Is de dienst van Confucius de godsdienst van den staat, die van boeddha, hier Foh gohoeten, is die van 't volk in 't algemeen.

Oorspronkelijk door negerstammen bevolkt, werd Indië reeds vroeg

-ocr page 12-

door den Indo-Gennaanschen of Arischon stam der Hindoes onderworpen. Toen de Grieken door den tocht van Alexander den groote met dit land bekend werden, was hot in vele staten verbrokkeld, waarvan de een den ander öf schatplichtig öf vijandig gezind was. Het volk was in vier kasten verdeeld: 1) de brahmanen, priesters, wijzen, artsen en raden des konings; 2) de kshalrya's, vorsten en krijgslieden; 3) de vair.jo's, herders, kooplieden en landbouwers; 4) de soedra's, dienstbaren en werklieden. In tegenstelling met de drie eerste kasten, die uit de nakomelingen der Hindoes bestonden, bevatte de vierde kaste de afstammelingen van hen, die onderworpen waren. De oude godsdienst der Hindoes is een waar veelgodendom, dat allengs in een zeker stelsel, het hrahmdisme, overging, welke leer in de geschriften van lateren tijd drie hoofdgoden aanneemt: Brahma, den schepper, (Jiwa, den verdelger, Vishnoe, den onderhouder. De heilige taal dezer leer is hel sanskriet. Het oudste geschrift in 't sanskriet f.ijn de veda's (weten), zóó genoemd, omdat zij de wetenschap der brahmanen bevatten. Zij behelzen do heiligste oorkonden, gebeden, lofzangen, leerstukken en mythen. Tusschen 600 en 480 v. C. trad in Indic een hervormer op, Sarvarthasidda geheeten, die oen tweeden godsdienst grondvestte, dien men hoeddhisme noemt. Dien naam ontleent hij aan den stichter, die den bijnaam boeddha, d. i. de verlichte, de opgewekte, kreeg. Ploewel dc Boeddha hot onderscheid der kasten niet ontkende, sloot hij niemand van hot hooren zijner leer, van dc mogelijkheid om zalig te worden uit. Zóó wischt het boeddhisme metterdaad de grenslijn uit, die de kasten vaneen scheidt, Mettertijd ontstonden tusschen do aanhangers van het brahmaïsme en de boeddhisten hevige oorlogen, die, waarschijnlijk in dc zevende eeuw n. C., hierop uitliepen, dat de laatsten Indië, inet uitzondering van een klein gedeelte, moesten verlaten. Doch inmiddels had hun leer in Sina, Japan en andere landen talloozo aanhangers gevonden en breidde zich steeds verder uit, zoodat het getal barer belijders heden ten dage tot vijfhonderd millioen is geklommen.

Merkwaardige historische gebeurtenissen uit Indië's vroegsten tijd kennen we niet. Doch uit die lang vervlogen eeuwen bestaan nog overblijfsels der letterkunde en misschien ook der bouwkunst, waaruit wij eenige gevolgtrekkingen omtrent het leven dor menschon kunnen maken. Zoo vindt men op twee kleine eilanden in de nabijheid van Bombay, Salsette en Elephante, groote tempels, onder den grond in de rotsen uitgehouwen, die uit veel vertrekken bestaan en met trappen,

-ocr page 13-

7

zuilen en beeldhouwwerk zijn versierd. Andere rotstempels zijn boven den grond, zooals die van Mavalipoeram (op de oostkust van Voor-Indië, ten z. van Madras). Ofschoon vele dezer gedenkteokenen reods zijn verwoest, geven de daarvan overgebleven bouwvallen ons getuigenis van hetgeen zij zijn geweest. Intussehen begint men meer en meer te betwijfelen, dat die gebouwen uit do grijze oudheid afkomstig zijn.

§ 2.

Assyrié en Bnhijlonïé.

Aan do rievieren Euphraat en Tigris bevond zich het middelpunt vim twee staten, die in de Oude Geschiedenis onder den naam Babylonisch en Assyrisch rijk een groote rol spelen. Het oudste van deze rijken, welker bevolking tot den Semietischen stam behoorde, is Babylonië, hoofdstad Babylon, uit welk rijk Assyrië, volgens het Oude Testament, zijn eerste bewoners kreeg. De oudste geschiedenis der beide rijken is duister en fabelachtig.

Reeds in zeer vroegen tijd bezweek Babylonië voor de macht van Assyrië en bleef eeuwen lang een Assyrisch wingewest. De hoofdstad van Assyrië heette Ninivé. Omdat dit do naam der hoofdstad was, had do eerste koning van dit rijk, zooals Grieksehe overleveringen molden, den naam Ninus gedragen. Van een werkelijk bestaan van dien Ninus blijkt ecliter evenmin, als het zeker is, dat hij een gemalin zal hebben gehad, die Seiniramis heette en die na hein de kroon droeg. Stelt men, gelijk aannemelijk is, het begin van het Assyrische rijk omtrent 1250 v. C., dan komt hetgeen men van de eerste eeuwen met zekerheid kan berichten slechts hierop neer, dat dit rijk in dien tijd zijn heerschappij uitbreidde over nagenoeg geheel West- en Middel-Azië, alsmede over Bactriana, in vroegere dagen een aanzienlijken handelsstaat, waarvan de hoofdstad Bactra heette. Met het begin der achtste eeuw v. 0. kwam Assyrië in vijandelijke aanraking met de Israëlieten. Van 770 v. C. af kennen wij een rij koningen, onder welke salmanassar, die 729—omstreeks 721 v. C. Israël of het rijk der tien stammen veroverde, en SANHêmn, omtrent 718 v. C., die uit hoofde eonor plotselinge ramp, welke zijn leger trof, den oorlog tegen Juda en Aegypte moest opgeven, de voornaamste zijn. Tot stedehouder in Babylonië stelde Assyrië's laatste koning, sa ud an Ai'a lus of SARAK gcheeteu, Nabopolassar aan, die zich weldra in zijn gewest onafhankelijk maakte.

-ocr page 14-

8

Riibylonië bereikte onder den zoon van dien nakopolassau, den eersten koning vim dit rijk, zijn grootsten bloei. Dit was nkbu-kadnözau, dio, aanvankelijk mederegent zijns vaders, verbonden met Cyaxares, koning van Medië, een einde maakte aan het Assyriscbe rijk door de inneming van Ninivé. Nadat de veroveraars dit rijk ongeveer 606 v. C. onder elkander hadden verdeeld, sloeg Nebukad-nëzar omtrent 605 v. C. don koning van Aegypte, Necho, bij Cireësium (aan den Euphraat). Kort daarna werd hij, bij den dood zijns vaders, koning. Hierop onderwierp hij Syrië, do dikwijls opgestane stammen Juda en Benjamin (586 v. C) en Phoenicië. Dezen veroveraar wordt, met moer reeht dan aan Semiramis, de bewonderenswaardige verfraaiing van Babyion toegeschreven. In 538 v. C. word het rijk, dat na zijnen dood allengs was vervallen, door Cyrus, koning van Perzië, veroverd, daar een zijner opvolgers, naboniïus, zich tegen hom had verbonden met Croesus, koning van Lydië. Babylonië werd toen bij Perzië ingelijfd.

§ 3.

Aeg uple.

Onder de benaming Aegypte, een voor de geschiedenis zeer merkwaardig land, verstaat men gewoonlijk slechts het dal, hetwelk de Nijl van 't zuiden naar 't noorden in een bijna rechte lijn doorstroomt en dat ten w. door zandwoestijnen, ten o. door bergen van graniet is ingesloten. De geschiedenis vermeldt geen land, dat zich vroeger tot een beschaafden staat heeft ontwikkeld. De Nijl doorliep het oudtijds in één richting tot op de hoogte van Cercasorus, waar hij zich in drie hoofdarmen splitste. Het land tusschen de beide uiterste armen heeft naar zijn driehoekige gedaante don naam Delta, naar den vorm der Gricksche A (D), gokreken. De vruchtbaarheid van het land hangt, bij schier volslagen gebrek aan regen, van de overstroomingen des Nijls af, die ieder jaar in meerdere of mindere mate plaats hebben en van 't einde van Juli tot het laatst van October duren. ïcn z. van Aegypte ligt Aethiopié , en daarin Mero'è. Ten tijde der Romeinen verdeelde men Aegypte in: Opper-Aegypte of Thebaïs, van het eiland Philae (ton z. van Syenc) tot Phylace ITermopolitana (ten z. van Iler-mopölis Magna), waarvan Thebe de voornaamste stad was. Midden-Aegnpte of Heptaniïmis, van Phylace ITermopolitana tot Babylon (ten n.o. van Memphis), met Memphis; Beneden-Aegiipte, gedeeltelijk uit het Delta bestaande, met Heliopolis.

-ocr page 15-

9

De inwoners van Acgyptc, deels tot den Somietischen stam, deels tot het Aethiopische ras behoorendo, waren verdeeld in een zeker aantal kasten, van welke de twee eerste den grooten hoop dor lagere kasten beheerschten; 1) de priesters, die tevens de geleerden, do rechters, de geneeskundigen, do sterrewichelaars en de bouwmeesters van het gansche volk waren en den grootsten invloed op het staatsbestuur hadden; 2) de krijgslieden, die zich uitsluitend met den wapenhandel bezig hielden, en, evenals de priesterkaste, een stuk grond bezaten, dat vrij was van belasting. Do overige kasten bevatteden kooplieden, landbouwers, schippers, herders, enz. in 't kort dat gedeelte des volks, hetwelk belastingen betaalde en aan de eerstgenoemde onderworpen was. Aan het hoofd van den staat stond een koning (jpharao in het O. T. genoemd), wiens kroon erfelijk was.

De eenige goden, die, behalve eenige dieren, door 't geheele land heen werden vereerd, waren Osiris en his. In Ti/phon was al het booze, dat do natuur oplevert, in Osiris en Isis al het goede, dat zij schenkt, verpersoonlijkt. Tot de godheden van minderen rang bo-hooren de apis, een met bijzondere teekonen geboren stier, die inzonderheid te Memphis werd vereerd, vorder de ichneumon, de krokodil, de katten en andere. — In Acgypte bestond het geloof, dat de ziel na den dood voortleefde en eens weder in het lichaam terugkeerde. Veel zorg werd vermoedelijk daarom gewijd aan het balsemen dor lijken (mummiën, cl. i. gebalsemde lijken).

Het schrift dor Aegyptcnaren, oen beeld- en letterschrift, was drievoudig , hel hi'éroglyphen-schrift, uit afbeeldingen of zinnebeelden van voorworpen bestaande; het hiératische, een overgang van hot teekonen tot het schrijven, waarvan zich de priesters bedienden; hel demolische of volksschrift, een verkorting van hot hiöratische. Elk dezer soorten had weer haar onderdeelen. De wetenschappen, die de Aegyptcnaren tot een zekere hoogte beoefenden, waren do sterrekunde, de genees-en do meetkunst. Van den ijver, waarmede zij zich bovenal op de bouwkunst tooleiden, getuigen do nog aanwezige overblijfselen: piramiden, tempels, obelisken en calcwomhen of grafspelonken. Het grootste gebouw der wereld was de Inhijrinthus in Midden-Aegypte, een paleis, dat uit 3000 kamers, 1500 boven en evenveel onder den grond, bestond.

Onder het overgroote getal dor vroegste koningen zijn het meest beroemd: cieeops, ohephren en mycehinus, zooals zij bij de Grieken hoeten, de stichters dor grooto pyramiden, of, gelijk hun eigenlijke naam luidt, oiiufu, scuafka en menicera, verder kamses II of, zooals do Grieken hein noemden, sesostris, die.

-ocr page 16-

I

10

volgens de overlevering', Aethiopië, Klein-Azië en Europa tot de Don bemachtigde. Later voerde binnenlandsche tweespalt tot een gerneen-sehappelijke regeering van twaalf vorsten, dodecarchie, totdat één hunner, psAMMëTÏCHüs (670—616 v. 0.), zich met behulp van Carische en Ionische zeeroovers de oppermacht verschafte. Sedert werd de toegang tot het vroeger bijna afgesloten Aegypte voor vreemdelingen geopend en de handel met de Grieken begunstigd. Necho, zijn zoon, liet door middel van Phoenicisehe zeelieden Afrika omvaren. De laatste koning was psammcnitus, die nauwelijks den troon had bestegen, of hij werd bij Pelusium (aan den oostclijken Nijlarm) door Cam-byses, den tweeden koning der Perzen, geslagen en gevangen genomen. Zóó werd Aegypte in 525 v. C. een Perzisch wingewest,

§ 4.

De Israëlieten.

Volgens hun eigen overleveringen begint de geschiedenis der Ilchrcers of Israëlieten, later ook in 't algemeen Joden genoemd, met welken naam oorspronkelijk alleen de bewoners van 't latere koningrijk Juda werden aangeduid, een volk van den Semietischen stam, met Abraham, die vóór 2000 v. C. leefde aan 't hoofd van een zwervenden herdersstam uit Mesopotamië (het land tusschen de rivieren) naar Kanaiin trok. Van Abraham was Izaiik een zoon, van dezen Jakob of Israël. Jakob had twaalf zonen, die de stamvaders werden van twaalf stammen, waarin het volk werd verdeeld. Een dezer zonen, Jozet, als sin af naar Aegypte gevoerd, steeg er tot hooge waardigheden en riep zijn stamgenooten tot zich, aan welke het landschap Gosen in Beneden-Aegypte werd ingeruimd. Wegens de harde verdrukking, welke zij later moesten verduren, leidde Mozes hen in grooten getale omstreeks 1300 naar Arabic, waar hij veertig jaren met hen rondtrok en hun bij don berg Sinaï wetten gaf.

Onder aanvoering van Josua namen de Israëlieten, na veelvuldi-gen kamp met de Philistijnen , de Moabieten en andere heidensche volkeren, bezit van Kanaiin en verdeelden het onder twaalf stammen, welk getal met één was vermeerderd, doordien voor den stam van Jozef die zijner beide zonen, Manasse en Ephraïm, optrad. Doch de stam Levi, als die der priesters en wijzen (levieten), had geen afzonderlijk erfdeel, maar woonde onder de overige stammen verbreid. In hachelijke tijden traden van tijd tot tijd koene mannen op, rich-teren of rechters genoemd, die hun landgenooten van de heerschappij

-ocr page 17-

11

der heidenen bevrijdden, zooals Gideon en Simson. De laatste der richteren was Samuel, die, om het nationaal gevoel te doen herleven, profetenscholen oprichtte, waaruit later die met een hooge-ren geest bezielde mannen te voorschijn kwamen, welke onder den naam profeten krachtig ijverden voor de vcrecring van den god Israëls, JAiivK gehecten, ook tegen de macht der koningen optraden en in hun toespraken het volk waarschuwden, vermaanden en vertroostten.

Toen het volk, op 't voorbeeld dor naburen, eindelijk een koning verlangde, zalfde Samuel saui- (omstr. 1080—omstr. 1050), een man uit den stam Benjamin, tot koning. Na Saul besteeg david (omstr. 1050—1025), uit den stam Juda, den troon. Eerst omstreeks 1040 door alle stammen erkend, breidde hij liet rijk tot den Euphraat uit en verhief Jeruzalem tot hoofdstad. Maar niet alleen als veroveraar schitterde hij: hij opende ook handelswegen, regelde de geldmiddelen en 't gansehe staatswezen. Nog meer is hij als dichter beroemd en zijn naam door do psalmen, voor oen gedeelte zijn werk, door de geheele beschaafde wereld verbreid. Zijn zoon salomo (omstreeks 1025—omstr. 986), vermaard door zijn schranderheid en grootc geleerdheid,' liet den prachtigen tempel van Jeruzalem bouwen. Door zijn grooto weelde, die hot volk zeer drukte, ontstond alom misnoegen, zoodat de staat na zijn dood in 986 in twee rijken werd verdeeld: Israel, liet rijk der tien stammen, met de hoofdstad Sichem, daarna Samarïa, onder Jeroboam, en Juda, bet rijk der twee stammen, met de hoofdstad Jeruzalem, onder Rehabëam.

Met deze scheuring van het Israëlietischo volk begonnen de voor-teekenen zich te vertoonen van don ondergang van den staat. Meestal lieten profeten, als Elïa, Je z ai a on Jeremïa, hun waarschuwende stem tevergeefs hooren tegen de verooring van andere goden dan van Jahve. De laatste koning van Israël, Hosëa, werd omstreeks 721 met het meerendeel van 't volk door Salmanassar (zie blz. 7) naar Assyrië gevoerd. En toen in 586 Jeruzalem, de hoofdstad van het allengs verzwakte Juda, voor Nebukadnëzar was bezweken, werd koning Zedekïa met de meeste bewoners des lands naar Babylonië verplaatst (zie blz. 8).

§ 5.

P hoenici'è.

De Phoenieiërs, tot den Semietischen stam behoorende, wier geschiedenis voornamelijk Sidon en Tyrus tot middelpunt heeft, legden zich reeds vroeg op handel, scheepvaart en nijverheid toe. Den hoogsten

-ocr page 18-

12

bloei bereikte Tyrus van 1000 tot 500 v. C. Van haar koningen zijn te vermelden Ui ram, volgens 't O. T. de bondgenoot van David cn Salomo, en Pygmalion, wiens zuster Dido, naar de overlevering, Karthago stichtte. Grooten roem verwierf Nieuw-Tyrus, want terwijl de overige steden van Phoenicië, zonder eenige poging tot tegenweer aan te wenden, eerst Salmanassar en later Nchukadnezar huldigden, verdedigde het zich vijf jaar lang tegen den eerste, dertien jaar tegen den laatste dier veroveraars. Eindelijk word het, na vruchteloos verzet, in 332 v. C. door Alexander den groote, koning van Macedonië, verwoest, nadat Phoenicië sedert omtrent 550 aan Perzië was onderworpen geweest.

Al in de vroegste tijden hadden de Phoeniciërs volkplantingen op Cyprus, Sicilië en meor andere eilanden der Middollandsche Zee, alsmede in Spanje en op de noordkust van Afrika, b.v. Gades (Cadix) en Karthago, welke laatste stad van alle Phoenicische koloniën do belangrijkste is. In 814 v. C. gesticht door Dido of Elissa, werd het in 't vervolg een zelfstandige, machtige handelsstaat, die op zijn beurt een reeks van koloniën grondvestte. In Mago, die in de zesde eeuw leefde, had Karthago een ervaren regent, cn het bestuur van den staat werd door de ouden om zijn wijsheid geroemd. — De handel der Phoeniciërs bestond in zee- en landhandel. Den zeehandel dreven zij voornamelijk met hun volkplantingen; maar ook bevoeren zij de Perzische en de Arabische golf. Van de zoogenoemde Kcmilertdes, tin-eilanden, n.1. de Scilly-eilanden (ten z.w. van Engeland), haalden zij tin; de kusten der Oostzee leverden hun barnsteen. De landhandel richtte zich zuidwaarts naar Arable en Acgypte, oostwaarts naar Palaestina, Syrië en Babylonië, en noordwaarts naar Armenië. De merkwaardigste uitvinding, welke men doorgaans aan de Phoeniciërs toeschrijft, is die van de purperverf. Twijfelachtig is het, of het verhaal, hetwelk de uitvinding van 't glas aan de Phoeniciërs toekont, waarheid bevat. Eveneens moet nog in 't onzekere worden gelaten, of ook het letterschrift hun zijn oorsprong is verschuldigd; doch dat de Grieken het aan hen ontleenden staat vast.

§ 6.

Mcdi'é en Perzië.

In de uitgestrekte landstreek tusschen den Perzischen Zeeboezem, de Kaspische Zee, den Tigris en den Indus woonden, sedert overoude tijden, volkeren, die, in nauwe verwantschap tot elkander staande, don Medo-Perzischen tak van den Indo-Germaansehen of Arischen

-ocr page 19-

13

volksstam vormen. Tot dezen tak beboeren onder anderen de Mediérs en de Perzen. Toen Assyrië en Babylonië zlcb uitbreidden, werden do Medo-Pcrziscbc volkeren door deze staten onderworpen, totdat zij bij liet zinken dier staten zicli wederom verhieven, ze bielpen vernietigen en in bun plaats de beerscbappij over West-Azië erlangden. Op een tijd, die niet meer zeker is te bepalen, docb waarscbijnlijk in de dertiende eeuw v. C., trad onder hen een hervormer op, Zoroaster (Zaratbustra), die de oude, maar in verval geraakte geloofsleer herstelde en wien men deswege later die leer zelve toeschreef. Zij is vervat in een boek, Zend-Avesla genoemd, van welke beide woorden Avesta „oude tekstquot; en Zend „verklaringquot; beteekent. Volgens die leer is er een hoogste wezen, Ahoeramazda of Ormuzd, de god van het licht en het goede, wien Angramainyus of Ahrlman, de god der duisternis en van bet kwade, ter zijde werd gesteld. Onder ben staan een groot aantal goede en booze geesten.

Do ons bekende geschiedenis der Modo-Perzen begint eerst in de zevende eeuw v. C. Nadat de Mediërs zich van de Assyriërs hadden vrijgemaakt, kozen zij dejöces tot koning en bouwden hem do hoofdstad Ecbdlana. Weldra onderwierpen zij de Perzen. Do vermaardste hunner vorsten is CYA.xauEs (633—593), die met Nebukadnëzar Ninivé belegerde en eerst omstreeks G06 den Assyriscben oorlog, reeds door zijn vader begonnen, eindigde (zie blz. 8), omdat een groote horde Scythen, dio tusschcn de Don en de Wolga te huis behoorden, gedurende acht-en-twintig jaren Medië plunderend doortrokken. Tegen zijn zoon ASïYaOES (593—558) stonden de onderworpen Perzen op, wien bet niet alleen gelukte bun onafhankelijkheid te verwerven, doeh ook de Mediërs te onderwerpen.

Bij dezen opstand werden zij geleid door Cyrus, een man, die van de zijde zijns vaders, Cambyses, tot het geslacht der Acbaemëniden, het edelste der Perzische buizen, behoorde. Zijn moeder was Mandane, een dochter van Astyïiges. Zoodra Cyrus was geboren, beval Astyages, door booze droomen verontrust, zijn getrouwsten staatsdienaar Har-pagus bet kind te dooden. Op een wonderlijke wijze in 't leven gespaard, speelde Cyrus, een knaap geworden, eens met andere kinderen. Hij was in 't spel tot koning gekozen, en toen bij een anderen jongen, den zoon van een aanzienlijk Mediër, die hem niet wilde gehoorzamen, bad gestraft en de vader van dien jongen zich bij den koning beklaagde, liet Astyages den jongen Cyrus voor zich komen. Het vrijmoedig spreken van Cyrus beviel den koning, die zeer spoedig ontdekte, dat Cyrus zijn kleinzoon was. Nu nam Astyages hem

-ocr page 20-

14

tot _zich; maar op Harpagus wreekte liij zich onraenschelijk door zijn eigen zoon te dooclen en hem den vader als spijs voor te doen zetten. Diep gegriefd en verbitterd, zette Harpagus den thans volwassen jongeling tegen zijn grootvader op. Cyrus won de genegenheid der Perzen, stelde zich aan hun hoofd, en daar Harpagus met het Medische leger tot hem overliep, nam hij zijn grootvader gevangen en besteeg zelf den troon. Zóó luidt een door Herodotus, een Grieksch geschiedschrijver uit de vijfde eeuw v. C., medegedeelde overlevering, om te verklaren, hoe de oppermacht in West-Azië aan de Perzen kwam.

Weldra vond Cyrus (558—529) gelegenheid tot vergrooting van zijn gebied. Over Lydi'é heerschte de rijke koning Croesus. Groote schatten had hij in zijn hoofdstad opgehoopt, waardoor hij tot een spreekwoord is geworden. Doch omdat hij steeds meer wilde hebben, liet hij het orakel te Delphi vragen, of hij het rijk van Cyrus wel zou kunnen veroveren. Het orakel antwoordde: „wanneer Croesus de Perzen aangrijpt, zal hij een groot rijk verwoestenquot;. Terstond trok hij tegen Cyrus op; maar na den eersten onbeslisten veldslag nam de koning van Perzië Sardes, de hoofdstad van Lydië, in en telde den koning zeiven onder zijn gevangenen (omstreeks 549), met wien hij desniettemin van dat oogenblik af als vriend verkeerde. Met Lydië kwamen ook de volkeren en de Griekscho koloniën in Klein-Azië onder Perzië.

In het lot van Lydië moest ook Babylonië deelen. Babylon nam Cyrus, na een langdurig beleg, in 538 door de bedding van den Euphraat, die de stad doorstroomde, zóó af te leiden, dat zijn soldaten ze doorwaden en dus de stad binnendringen konden. Kort daarna gaf hij aan do in ballingschap levende Joden verlof naar hun land terug te keeren. Omtrent den laatsten krijgstocht van Cyrus en zijn dood in 529 zijn de berichten tegenstrijdig. Het waarschijnlijkste is dat hij in een gevecht tegen de Derbiciërs, een volk, dat ten o. van de Kaspische Zee woonde, werd gewond en kort daarna stierf.

Cyrus' veroveringen werden door een zijner naaste opvolgers, da bi us r, een zoon van Hystaspes (521—485), voortgezet. Niet alleen maakte hij het Westen van Indië cijnsbaar; maar hij trok ook, als de eerste Aziaat, die ons werelddeel beoorloogde, over den Bosporus (de straat van Constantinopel) naar Europa, waar de tocht over den Ister of Donau tegen de Scythen wel mislukte, doch waardoor de Perzen vasten voet in Thracic en Macedonië kregen. Tegen hem ontstond een oproer van de Klein-Aziatische Grieken, dat, hoewel weder

-ocr page 21-

15

gedempt, de oorzaak werd van een der belangrijkste oorlogen in de wereldgeschiedenis. Want Darïus besloot toen het Europeesche Griekenland aan zich te onderworpen. Dit plan veroorzaakte dien 1 angel urigen oorlog, die onder zijn zoon Xerxes I en latere koningen met korter of langer tusschenpoozen voortduurde. Deze oorlog, doch inzonderheid de verdorvenheid van het hof en het volk, bracht het rijk ton val, dat in 330 v. C. door Alexander den grooto word veroverd.

TWEEDE AMlEKI.lMi.

DE GESCHIEDENIS DER GRIEKEN TOT DE VERNIETIGING HUNNER ONAFHANKELIJKHEID.

§ 7.

Griekenland.

Griekenland bevatte de volgende deelen:

a. De Peloponnesus, met acht landschappen: Arcadië, Corinthië, Argdlis, Laconië, Messënic, Elis, Achaje en Sicyonie met Phliasië.

b. Midden-Griekenland of Hellas, ook met acht landschappen: Attïca, Megaris, Boeotië, Phocis, Loeris, Doris, Aetolië en Acarnanië.

c. Noord-Griekenland of Thessali'é en Epïrus.

De voornaamste Grieksche eilanden zijn:

In de Ionische Zee: Corcyra en Ithaca.

In de Aegeïsche Zee: Euboea, Thasus, Lemnos, Tenödos, Sam os. Verder de beide groepen der Cycladen en der Sporaden.

In den Saronischen Zeeboezem: Aegïna en Salamis.

In de Middellandsche Zee: Rhodus, Cyprus, Creta.

§

Van den vroegslen tijd tol de vestiging der Heracliden en der Doriers in de Peloponnesus. — Van ongeveer 1800 tot omstreeks 1000.

In haar begin is de geschiedenis der Grieken duister en, gelijk die van bijna alle volken, vol fabelachtige overlevering. Griekenland werd het eerst bevolkt door de Pelasgen, die uit Azië moeten zijn gekomen cn zich voornamelijk in Thessalië en in de Peloponnesus vestigden.

-ocr page 22-

Ook spreken oude overleveringen van volkpljintingeu, in zeer vroegen tijd in Griekenland aangelegd. De Phoeniciër Cadmus kwam in Boeotië en bouwde den burg Cadmëa, aan welks voet later Thebe ontstond. Danaus uit Aegypte landde in Argos en maakte zich meester van de heerschappij over dit landschap. Do naam Peloponnesus wordt afgeleid van Pelops, een Phrygiër, die in Elis verscheen en het spoedig aan zich onderwierp. Ala vierde volkplanter wordt Uecrops genoemd, die uit Aegypte naar Attica zal zijn getrokken en er door het bouwen van den burg Cecropïa den grond gelegd hebben tot de stad Athene. Maar dat hij een vreemdeling was en uit Aegypte kwam is een vinding van lateren tijd. Veelal neemt men heden ten dage aan, dat die overleveringen niet letterlijk zijn op te vatton, alsof er inderdaad zulke groepen volkplanters in Griekenland zijn gekomen. Hiermede is echter niet geloochend, dat het Oosten eenigen invloed op Griekenlands aloude beschaving heeft geoefend.

Op den Pclasgischen tijd volgt die, waarin de Hellenen het heer-schend volk van dit land waren. Hun naam, afgeleid van Hellen, den zoon van Deucalion, werd allengs de algemcene naam voor het Grieksche volk, terwijl de naam Grieken hun eerst later door de Romeinen werd gegeven. Naar de afstammelingen van Hellen kregen, althans na 1000 v. C., de drie hoofdstammen van het Grieksche volk, die zich door hun tongvallen, welke ook schrijftaal waren, onderscheidden, de namen loni'érs, Dori'érs en Aeoli'érs, onder welke laatsten ook de Achaeërs, een hoofdstam, werden gerekend.

Vele gebeurtenissen kenmerken den heldentijd, waarvan de voornaamste zijn: de tocht der Argonauten naar Colchis (ten o. van de Zwarte Zee); die der zeven vorsten tegen Thebe en de Trojaanschc oorlog, omstreeks 1194—1184. Onder alle helden van den Achaeïschen tijd zijn Heracles (Hcrcülcs) en These us de beroemdste, gene door zijn twaalf daden, op last van den koning van Mycënae (in Argölis), Eurystheus, verricht, deze door zijn tocht naar Creta en vele andere blijken zijner dapperheid. Beide echter behooren eigenlijk in de fabelleer te huis.

§ 9-

De vestiging der Heracliden en der Dori'érs in de Peloponnesus. — De volkplantingen der Grieken.

Onmiddellijk na den Trojaanschen oorlog vinden wij bijna overal in Griekenland verwarring en onlusten, regeeringsveranderingen en volksverhuizingen. De grootste omwenteling brachten de Heracliden,

-ocr page 23-

17

nakomelingen van Heracles, te weeg, die door Eurystheus uit de Peloponnesus waren verdreven en bij de Doriërs een verblijfplaats hadden gevonden. Met behulp van dezen stam en van den Aetoliër Oxylus gelukte het ongeveer 1000 aan de Heraelïden Tem én us, Cresphontes en Aristodëmus de Achaeërs te verslaan en zich in 't bezit van een groot deel der Peloponnesus te stellen. Daar elk zijn aandeel van 't veroverde land kreeg, kwam Laconië aan Procles en Eurysthënes, tweelingzonen van Aristodëmus, die in de Peloponnesus was gestorven. Van nu aan was dit schiereiland de hoofdzetel der Doriërs, zooals Attica die van de loniërs. De andere stam, die thans de minstbeteekenende werd, kreeg eerst tegen het einde der Grieksche geschiedenis weder eenig gewicht.

Als een belangrijk gevolg dezer verovering van het schiereiland kan men de vele volkplantingen der Grieken aanmerken. De algemeene oorzaken, waaraan die bijna ontelbare Grieksche volkplantingen haar ontstaan hadden te danken, waren oorlogen tusschen onderscheiden stammen, overbevolking, staatspartijschappen, handelsbelangen.

Op de westkust van Klein Azië, die naar deze volkplantingen de namen Aeölis, lonié, Doris kreeg, stichtten de Achaeërs in Mysië en in Lydië twaalf steden. Daarenboven legden zij op Tenëdos en Lesbos koloniën aan. — Den loniërs zijn twaalf steden in Lydië en in Carië haar oorsprong verschuldigd. Ook bevolkte deze stam de eilanden Samos en Chios. De Doriërs vestigden in Carië twee steden, waarvan Hali-carnasus de voornaamste was, en drie op Rhodus, die later tezamen een nieuwe stad, insgelijks Rhodus geheeten, stichtten. Onderscheidene andere lagen aan de Zwarte Zee; .aan den Bosporus; aan de Propontis of Zee van Marmöra; aan den Hollespont; op de zuidkust van Thraciö en Macedonië; in Beneden-Italië, voor een deel Groot-Griekenland geheeten; op Sicilië; op de oostkust van Spanje en op de noordkust van Afrika.

Verreweg een der belangrijkste aller koloniën was Syracuse op Sicilië. Deze stad, in 785 door Corinthe gesticht, stond eerst onder het bestuur van de aanzienlijken. Door 't volk verdreven, voerde Gelo hen in 484 terug, maar werd tevens zelf heer der stad. Na hem werd zijn broeder Hiëro tiran (zie blz. 18); doch de jongere broeder en opvolger van Hiëro, Thrasybülus, werd in 46G wegens zijn geweldenarijen verdreven. Hierop volgde een volksregeering en was Syracuse aan vele woelingen ten prooi; maar de aanvallen der Atheners (415—413) ging het gelukkig te keer. Een vierde regeerings-verandering greep plaats in 4U5, In dit jaar wierp zich dc opperbevel-

VYunnk, Overzichl, 13de druk. '2

-ocr page 24-

18

hebber Dionysïus tot tiran op en verijdelde door vier oorlogen de veroveringsplannen der Karthagers op Sicilië. Zijn zoon, Dionysius II, die zijn vader opvolgde, werd eerst verdreven, daarna hersteld, doch moest weldra zijn plaats aan den Corinthiër Timoloon inruimen. Na een gelukkigen oorlog met Karthago herstelde Timolëon voor korten tijd de volksregeering en keerde toen tot het ambteloos leven terug. Hij stierf in 337. Op Agathöcles, die zich in 317 meester maakte van 't gezag, volgden verschillende overweldigers, totdat in 269 de veldheer hioro tot koning werd verkozen. Zijn kleinzoon Hie ronymus, die de koninklijke waardigheid in 216 erfde, verloor ze een jaar later met het leven. Niet lang daarna, in 212, nam Marcel lus de stad Syracuse in, die dus aan Rome werd onderworpen.

§ 10.

Dc Grieken in 't algemeen.

Ton gevolge van de volksverhuizingen werden de koninkrijken uit den heldentijd meestal vernietigd, en overal verrezen nieuwe staten. Voor zoover ons bekend is, werden zij bijna alle mettertijd gemeene-besten met een opperhoofd, hetwelk de uitvoerende macht bezat, een beraadslagenden senaat en een wetgevende volksvergadering. In de zevende en de zesde eeuw werden er ook eenige langer of korter door tirannen beheerseht, d. i. door mannen, die 't volstrekt gezag aan zich trokken in een staat, welke vroeger een gemeenebest was. Sedert dezen zelfden tijd ontwikkelde zich bij de Grieken meer en meer een veelzijdige geestbeschaving, zoodat zij weldra in kunsten en wetenschappen elk volk der oudheid verre voorbijstreefden. De voornaamste oorzaken dezer ontwikkeling, waarvan eenige, zooals dc orakels en de spelen, den band der nationale eenheid tusschen dc verschillende: stammen en staten tevens onderhielden, zijn do volgende:

1. De gelukkige aanleg des volks, zijn fijn kunstgevoel en zucht voor geestbeschaving, door een milde luchtstreek begunstigd, waardoor het scheen bestemd te zijn om de geheele wereld in kunstmin en verlichting ten voorbeeld te strekken.

2. De vele en toegankelijke zeekusten, rijk in golven, baaien, zeeën en havens, voor veelvuldig verkeer, handel en scheepvaart gunstig.

3. De gemeenschappelijke taal, hoezeer in tongvallen onderscheiden.

4. De nationale spelen, die onder de afzonderlijke stammen een

-ocr page 25-

If)

edelen wedijver voor de ontwikkeling der krachten van 't lichaam en later ook van den geest opwekten. De voornaamste dezer spelen waren dc Olympische, die allo vier jaren te Olympïa (in Elis) ter eere van Zens (Jupiter) werden gevierd. Met zonsopgang namen zij een begin. Hardloopen of wedrennen met wagens, worstelen, vuistvechten, 't werpen met de schijf of de werpspies, springen waren de voorgeschreven vijf oefeningen, waarin men met elkander wedijverde en die dagen achtereen duurden. Op den laatsten dag bekranste men de overwinnaars. Onder gejuich en gezang kregen zij een olijftak, en elk hunner tevens het recht zich zelf ter eero een standbeeld te Olympia te doen zettten. Dichters hieven hier hun zegezangen aan tor verheerlijking der overwinnaars; geschiedschrijvers lazen er hun werken voor.

5. De orakels, waaronder de Grieken de vermeende uitspraken hunner goden verstonden, door den mond van priesters of priesteressen hun medegedeeld. De beroemdste waren dat te Dodöna (in Epïrus) en dat te Delphi. Het laatstgenoemde heette het Pythische en was Apollo, den god der fraaie kunsten, geheiligd. Hier, te Delphi, begaf zich een priesteres, Pythia genoemd, binnen in 't heiligdom en ging op een met lauriertakken omvlochten drievoet zitten, die boven een opening in den grond stond , waaruit bedwelmende dampen opstegen. Dan kreeg zij kramptrekkingen en liet onsamenhangende woorden hooren, welke de priesters zich haastten te verklaren. Gewichtige staats-aangelegenheden werden niet beslist, eer men het orakel om raad had gevraagd. Ook lieten velen er zich dc toekomst voorspellen. Ken ge-ruimen tijd werkten deze orakels zeer weldadig, danr zij in hachelijke omstandigheden goeden raad gaven en aan de wetten een hooger aanzien verleenden, zoolang n.1. mannen van doorzicht, in 't belang des vaderlands, antwoorden lieten geven, die 'slands heil bedoelden. Intusschen verloren zij ten laatste hun invloed, toen zij door hebzuchtige priesters werden misbruikt, die voor geld de voorspellingen naar den zin der vragers inrichtten, allerlei kunstgrepen bezigden of, wanneer zij zich anders niet wisten te redden, dubbelzinnige antwoorden gaven.

§ 11.

Spuria.

Boven alle Grieksche staten muntten weldra het Dorische Sparta en het Ionische Athene uit, niet door omvang van grondgebied of door vruchtbaarheid van bodem, maar inzonderheid door de degelijkheid hunner burgers, een heilzame werking hunner staatsregeling.

2*

-ocr page 26-

20

Sparta had na de Dorische volksverhuizing altijd twee koningen tegelijk, één uit de Eurypontiden (zóó geheeten naar Procles' kleinzoon) en één uit de Agiden of Agiaden (naar Agis, den zoon van Eurys-thönes). De inwoners zeiven waren verschillend in oorsprong en toestand: 1. de eigenlijke Spartanen, voor verreweg 't grootste gedeelte nakomelingen der Doriërs en uitsluitend burgers der hoofdstad, als de heerschende klasse; 2. de Perioeken (rondomwonenden) — ook wel Lacednernonïèrs genoemd, welken naam zij met de Spartanen gemeen hebben, — hoofdzakelijk afstammelingen van de vroegste bewoners der landstreek, de Achaeérs; zij waren landbouwers, kooplieden of handwerkslieden, die persoonlijke vrijheid genoten, maar schatting betaalden; 3. de Heloten of lijfeigenen van den staat, welke het land bebouwden en de Spartanen dienstbaar waren.

Eerst Lycurgus' wetgeving gaf aan Sparta dat eigenaardige kenmerk, waardoor het zich in de geschiedenis van alle andere staten en volken onderscheidt. Evenals over Lycurgus' leven loopen de berichten over zijn tijd zeer uiteen. Dit moet intusschen worden vastgehouden, dat zijn leeftijd vermoedelijk in de laatste helft der negende eeuw v. C. valt. In de dagen van Lycurgus bestond te Sparta de grootste verwarring. Ten einde aan den verwarden toestand van Sparta een einde te maken nam hij, hiertoe opgewekt door het Dclphisch orakel, de taak op zich zijn medeburgers wetten te geven.

Het doel van Lycurgus' geheele wetgeving, die oorspronkelijk alleen op Sparta en zijn naasten omtrek betrekking had, was één: de onafhankelijkheid van den staat. Om dit te verwezenlijken moesten do burgers, ieder in 't bijzonder, het belang van het vaderland boven hun eigen belang stellen; zij mochten door geen weelde bedorven, door geen vreemde zeden besmet worden. Vanhier een strenge levenswijze en afgeslotenheid naar buiten. Onder Lycurgus' wetten neemt bij sommige schrijvers der oudheid de wet over do verdeeling van 't land een eerste plaats in. Mogen ook de getallen niet geheel vaststaan, er is geen grond genoeg om te betwijfelen, dat Lycurgus al het land in een zeker aantal gelijke stukken heeft verdeeld, die niet vervreemd, noch gesplitst mochten worden. — De mannen aten in openbare gebouwen aan gemeenschappelijke tafels, syssitia en phiditia, waartoe ieder zijn bijdrage moest leveren. De spijs was voedzaam, maar eenvoudig, een zwarte soep de hoofdschotel. Van hun zevende jaar af tot hun dertigste werden de knapen, later jongelingen, in openbare gebouwen opgevoed. Het doel dor opvoeding bepaalde zich tot deze hoofdpunten: versterking der lichaamskrachten; het gewen-

-ocr page 27-

21

nen fian pijn, aan stipte gehoorzaamheid, aan ontzag voor den ouderdom; het streven naar kortheid van uitdrukking (Laconisch gezegde)] opscherping van 't gezond verstand; het in 't geheugen prenten der krijgsliederen. Do wetten zei ven waren niet beschreven: in korte rijmen gingen zij van mond tot mond, om zóó des te vaster in 't geheugen der burgers te worden geprent.

])e onderscheiden staatsmachten waren: de raad der ouden (geroesia), de heide koningen, de volksvergadering en de ephoren, vijf mannen, welke hun gezag langzamerhand zóó xiitbreidden, dat het in den historischen tijd dat der koningen overtrof.

Door zijn instellingen vormde Lycurgus een eenvoudig, matig en krijgshaftig volk. welks diep ontzag voor eigen wetten Sparta gedurende vier eeuwen machtig maakte en welks heldenmoed en vaderlandsliefde de Spartanen niet zeer lang na 's wetgevers leeftijd de bewondering der overige Grieken, inzonderheid van die der Peloponnesus, zoozeer verwierven, dat deze bij gemeenschappelijke aangelegenheden hun gaarne de hoogste leiding, de hegemonie, overlieten. — Niettegenstaande dezen voorrang valt het in 't oog, dat de ontwikkeling van menige kracht des menschelijken geestes bij de Spartanen geheel word verwaarloosd. De mensch, zijn gcheele aanleg en ontwikkeling, ging onder in den dapperen geharden staatsburger.

§ 12.

Athene.

Athene, volgens de overlevering door Geer ops gesticht, werd in Jt eerst door koningen geregeerd. Nadat de laatste, Codrus, zich omstreeks 1000 voor zijn vaderland had opgeofferd, werd de koningstitel afgeschaft. Nu kwam er één archon (regeerder) voor zijn leven, later voor tien jaren; maar van 683 af werden er negen tegelijk en slechts voor één jaar door het volk gekozen.

Het volk bestond uit eupatriden, de aanzienlijken: gmmoren, landbouwers, en demioergen, handwerkslieden. De macht en spoedig ook allen rijkdom bezaten do eersten, uit welke men de archonten koos. De onderderdrukking, welke deze bevoorrechte stand zich dien ten gevolge zoo licht veroorloofde, deed dikwijls gevaarlijke onlusten ontstaan.

Opdat nu de gebreken van den staat mochten worden weggenomen, wendden eenige der verstandigste mannen zich tot sol on, die dit

-ocr page 28-

22

vertrouwen om zijn wijsheid, deugd en ondervinding alleszins verdiende. In 594 werd hij tot archon gekozen. Ten einde de drukkende ongelijkheid van vermogen te matigen vernietigde hij de meeste schuldbrieven der armste schuldenaars (d. i. hij liet de schuldzuilen of stcenen pilaren wegnemen, waarop de naam van hem, die 't geld had voorgeschoten, en de grootte der som waren gegrift). Verder verbood hij van nu aan op persoonlijke borgstelling schulden te maken of een Athener als slaaf te verkoopen. Deze maatregel werd seisachthïa, d. i. verlichting der lasten, geheeten.

Kort hierna werd hij met het ontwerpen eener nieuwe wetgeving belast. Hij ging van de billijke grondstelling uit, dat in den staat alle burgers over 't geheel aan elkander gelijk moeten zijn, doch dat ieders staatsburgerlijke rechten en plichten in verhouding behooren te staan niet tot de geboorte, maar tot den grondeigendom. Solon verdeelde do burgers volgens hun vermogen in vier klassen. Alleen die der drie eerste klassen waren tot geregelden krijgsdienst als ruiters of zwaargewapenden verplicht. Daarentegen werden ook de overheden slechts uit dezelfde klassen door alle burgers gekozen. Behalve door de archonten werd de staat bestuurd door een raad en door de volks-vergadering, bij welke het oppergezag berustte.

Nog bij het leven van Solon barstten er te Athene, gelijk vroeger meermalen was gebeurd, hevige twisten los, die daarmede eindigden, dat PisisTua'rus, het hoofd van een der kampende partijen, de oppermacht verkreeg, die bij zijn dood in 527 op zijn zonen. Hippias en Hipparchus, overging. Maar in 510 werd aan hun heerschappij een einde gemaakt. Hippias vluchtte naar Darius I, koning van Perzië, en versterkte hem in zijn voornemen om den Atheners den oorlog aan te doen.

§ 13.

De Perzische oorlogen. — Van 493 tot 387.

De botsing, die tusschen de Aziatische alleenheersching der Perzen en den vrijen staatsvorm der Grieken op de kust van Klein-Azië ontstond (zie blz. 14, 15), verwekte in het begin der vijfde eeuw tusschen de Perzen en de Grieken een reeks van oorlogen, die aan den eenen kant den ondergang van Perzië bewerkten, aan den anderen het Grieksche volk tot het hoogste toppunt van macht en ontwikkeling des geestes verhieven.

Na de onderwerping der Aziatische Grieken besloot Darius I Grio-

-ocr page 29-

23

kcnland onder het juk to brengen, 't Eerst .afgezonden leger onder Mardonïus in 493 bereikte Griekenland niet: het landleger werd door de dappere aanvallen der Thraciërs tot terugkeer gedwongen en do vloot bij het voorgebergte A t h o s (in 't z. o. van Macedonië) door stormen vernield. Desniettemin zond Darïus reeds in 't volgende jaar herauten naar de onderscheidon staten ten einde aarde en water te vragen, als teokens van onderwerping. Thebo en do meeste eilanden huldigden de oppermacht dos konings: te Sparta en te Athene daarentegen werden de gezanten gedood. In 490 ondernamen twee Perzische veldhoeren, Datis en Artaphernes, over zee een tweeden tocht. Eerst veroverden zij EretrTa (op Euboea) en landden toen in AttTca. Moedig togen de burgers van Athene, ten getale van 9000 of 10,000, slechts door 1000 Plataeërs ondersteund, onder aanvoering van mil-tihdes, don veel sterker vijand te gemoet en versloegen hem bij Marathon. Zoowel aan de dapperheid en de geestdrift der kleine schare, als aan do krijgskunde van Miltiados kwam de eer toe der overwinning in dezen strijd. Volmondig prezen de Spartanen, die eerst des daags na den kamp op het slagveld aankwamen, de heldendaad der Athoners. Wel waren zij genogen geweest om mede te kampen; maar een oude wet verbood hun voor 't invallen der volle maan, die destijds juist op handen was, ten strijde uit te trekken. Te Athene werd de overwinnaar evenzeer met gejubel on eerebewijzen begroet; doch later stierf hij in de gevangenis, dewijl zijn aanval op het eiland Paros, dat zicli aan de Perzen had onderworpen, was mislukt.

Xerxes 1, Darïus' opvolger, rustte zich vier jaren lang tot den oorlog toe. Mot een ontzaglijk leger, uit de meest vorschilende volkeren van Azië samengesteld, trok hij in 480 over den Hellespont naar Europa, terwijl zijn talrijke vloot langs de kusten zeilde. Na Thessalië te hebben onderworpen naderde Xerxes de Thermopylae, don bergpas, die uit Thessalië naar Hellas leidde. Hierheen waren ruim 7000 Grieken onder bevel van Sparta's koning leonTdas getrokken, terwijl de Grieksche vloot naar de zeeëngte tusschon Euboea on Thessalië was gestevend. Moedig verijdelde de kleine bende oen tijdlang allo pogingen dor hondordduizende Perzen om de berg-ongte te veroveren, en toen iemand tot een der Spartanen zeide, dat do pijlen der Perzen zoo talrijk waren, dat zij de zon verduisterden, antwoordde hij; „des te beter, dan zullen wij in de schaduw vechten.quot; Terwijl nu de Perzen, in weerwil van al hun inspanning, niet de minste vorderingen maakten, toonde hun oen verrader, Ephïaltes, bij nacht een aan velen onbekend voetpad. Hierlangs getrokken,

-ocr page 30-

24

vielen zij de Grieken in den rug. Nu liet Leonïdas, de onmogelijkheid eener verdere verdediging inziende, de meeste Grieken aftrekken: hijzelf, getrouw aan Sparta's wet „sterven of overwinnen, bleef met zijn 300 Spartanen en eenige honderden andere Grieken stand houden. Allen violen, op twee na, in den roemrijken strijd (480).

Thans verscheen Xerxes in Attïca, verwoestte het en nam zelfs Athene in, dat vrouwen, grijsaards en kinderen hadden verlaten om zich op naburige plaatsen in veiligheid te stellen. Themistocles, zoo schrander als eerzuchtig, had de weerbare mannen overreed om zich op de vloot te begeven door de Delphische orakelspreuk, dat de Atheners zich achter houten muren moesten verdedigen, zóó te verklaren, dat met die muren schepen werden bedoeld. Dewijl er evenwel bij de Grieken veel verdeeldheid bestond, bedacht Themis-toclcs een list, ten einde tot een algemeenen zeeslag te komen. Hij liet n.l. den koning van Pcrzië zeggen, dat hij de Grieken onmiddellijk moest aangrijpen, zoo hij de gelegenheid om hen met één slag te vernietigen niet wilde verliezen, dewijl zij op 't punt stonden om uiteen te gaan. Bij Sal am is nu tastte Xerxes hen in 480 aan, op een plaats te eng voor de uitbreiding zijner vloot. In dezen slag behaalden de Grieken, uitmuntende in het snel wenden hunner schepen, een volledige overwinning. Xerxes vlood naar Azië, den veldheer Mardonius met 300,000 man uitgelezen troepen in 't n. van Griekenland achterlatende.

In 479 trok de Spartaansche krijgsmacht onder pausanïas, den voogd van den jongen koning Plistarchus, de Perzen te gemoet. Met haar vereenigden zich de Atheners, aangevoerd door Aristïdes. Bij Plataeae (in Boeotië) geraakten de legers handgemeen; de Perzen, die grootendeels sneuvelden, gelijk ook Mardonïus, werden verslagen. Op denzelfden dag werd ook een ander leger der Perzen bij het Ionische voorgebergte Mycaló door de Grieken overwonnen en het overschot der Perzische vloot vernield.

§ 14.

Pericles. — Dc PeloponnesiscJie oorlog, van 431 tol 404. — Alcibiddes.

Nu was het gevaar voor Griekenlands onafhankelijkheid geweken en werd Perziü op zijn beurt bedreigd, Themistöcles, die te Athene nog aan 't hoofd stond, overreedde zijn medeburgers om de muren

-ocr page 31-

25

der stud te herstelion en do haven Piraeus te voltooien. In weerwil zijner verdiensten moest hij voor den nijd zijner vijanden en voor de vrees dor burgers, dat hij naar de opperheerschappij stond, wijken. Men zeide, dat hij in 't geheim met de Perzen onderhandelde, en verwijderde hem door het ostracisme, d. i. een volksbeslissing, waarbij men de namen van hen, die men verbannen wilde, op scherven grifte. Daarom vluchtte hij naar Perzië, waar hij is gestorven.

Inmiddels wies Athene's macht steeds aan, bovenal doordien het vele kuststeden en eilanden van zich afhankelijk maakte en zóó, in Sparta's plaats, de hegemonie kreeg. Het bereikte echter het toppunt zijner grootheid eerst onder 't beheer van pebïcles (sinds ongeveer 450), die alleen door zijn welsprekendheid en belangeloosheid, tot zijn dood, zonder den naam, den staat volkomen als alleenheerscher regeerde. Hij inzonderheid maakte Athene tot het middelpunt van alle kunst en wetenschap, versierde de stad met de meesterstukken der uitstekende kunstenaars en met heerlijke gewrochten der bouwkunst. Doch deze bloei was van korten duur. Het bezit van den eersten rang onder de staten van Griekenland voerde tot misbruik van macht en tot het onderdrukken der kleine staten. Hierbij kwam de nijd der grootere staten, vooral van Sparta, waardoor de ontevredenheid werd gevoed. Na vele andere verdeeldheden sloeg, nog bij 't leven van Pericles, met den Peloponncsischen oorlog, 431—404, de wederzijdsche verbittering tot dadelijkheden over.

Griekenland verdeelde zich in twee partijen; die van Athene bestond hoofdzakelijk in do bewoners der eilanden en kusten; Sparta daarentegen werd door nagenoeg alle Peloponnesiërs bijgestaan. Reeds in 't begin (429) sleepte een vreesdijke pest, die te Athene ontstond, duizenden, onder welke ook PerTcles, ten grave. Inmiddels werd do oorlog met steeds grooter verbittering en teugelloozer wreedheid voortgezet. Wel werd er eens, in 421, vrede gesloten; maar de gezindheid dor beide partijen was dezelfde gebleven. Kort daarop namen alzoo de vijandelijkheden weder een begin, vooral door toedoen van alci-biades, een leerling van den beroemden Socrates, die uit een oud geslacht gesproten, rijk, schrander en schoon was, èn als jongeling, èn als man, doch ook in de hoogste mate lichtzinnig. Toen er te Athene gezanten uit Sicilië kwamen om hulp tegen Syracuse te vragen, bewoog Alcibiades de Atheners dit verzoek in te willigen, daar hij zich met de hoop vleide geheel Sicilië te onderwerpen. Een trotsche vloot werd uitgerust: Alcibiades was één der drie opperbevelhebbers. De vloot lag zeilree en was op 't punt in zee tc steken,

-ocr page 32-

26

toen in één nacht bijna alle TTcrmcsbeelrlen te Athene werden verminkt. Dat was godsdienstsehennis, en velen beweerden, dat Alci-biades met zijn moedwillige vrienden deze euveldaad had bedreven. Toch liet men hem in 415 eerst met de beide andere bevelhebbers, Nicias en Lamachus, uitzeilen. Maar weldra daagden de Atheners hem tor verantwoording en veroordeelden hem, toen hij niet verscheen, bij verstok ter dood. Hij nam de wijk tot de Spartanen en hitste hen zoozeer tegen de Atheners op, dat zij hen niet alleen in Griekenland beoorloogden, doch ook een vloot tot bijstand van Syracuse zonden. Zoowel hierdoor, als door het vroegtijdig sneuvelen van Lamitcbus en bot dralen van Nicias mislukte do gcbeele onderneming der Atheners in 413. Nicias werd gevangen genomen en gedood, vloot en leger vernield. Athene's beste krachten waren verspild.

Terwijl dit voorviel, beproefden de Perzen de Grieksche volkplantingen in Klein-Azië weder onder hun gezag te brengen, waartoe zij zich met Sparta verbonden. Alcibiades, die zich te Sparta veler haat op den hals had gehaald, zag zich gedwongen naar Tissaphernes, den Perzischcn landvoogd van lonië en Carië, te vluchten. Vandaar begaf hij zich naar een Athccnsch leger, dat op bet eiland Samos lag en hem tot veldheer had gekozen. Weldra versterkte hij het vertrouwen der krijgslieden door twee overwinningen ter zee, op de Spartanen behaald. In 408 keerde hij, van zijn ballingschap ontheven, naar Athene terug. Hij stond op zijn mot buit boladon schip, en 't volk ontving hom met uitbundig gejuich, Dan, kortstondig was de overdreven ingenomenheid der Atheners mot do daden van hun lieveling. Om een gering verlies, dat hij door de schuld van zijn onderbevelhebber Antiöchus tegen den Spartaanschen vlootvoogd l ysand k u leed, werd hij op nieuw afgezet en koerde nooit naar Athene terug. Met hem week Athene's geluk. Na schier alle zeesteden en eilanden te hebben onderworpen nam Lysander Athene in 404 in. De muren der stad werden onder muziek geslecht en een aristocratische rogeering, die der dertig, ingevoerd. Wel werd een jaar daarna de macht dier dwingelanden vernietigd; maar Athene steeg niet weder tot den bloei van vroegere dagen. Ook Alcibiades' einde was treurig. Door de Spartanen vervolgd, had hij een toevlucht gezocht bij een Perzisch landvoogd in Klein-Azië, die hem, op verlangen dor Spartanen, door gehuurde sluipmoordenaars liet om hals brengen.

-ocr page 33-

27

§ 15

Socrates.

Met het vervul van den roem en de kr.icht v.m den staat ging toenemend zedebederf te Athene hand aan hand. Tc midden van dat zedebederf leefde er echter een man, die door zijn dcugdzamen wandel en zijn onophoudelijk: streven naar waarheid hot verheven beeld van een waren wijze oplevert. Het is de wijsgeer socriites. Onder een wijsgeer verstaat men iemand, die er zich bovenal op toelegt het wezen aller dingen grondig te loeren kennen. Socrates was do zoon van een beeldhouwer en oefende een tijdlang de kunst zijns vaders uit. Ook diende hij, gelijk alle andere Atheenscho burgers, als krijgsman en streed gedurende don Peloponnesischen oorlog voor zijn vaderland. Zijn leven lang verkeerde hij viijwillig in bekrompen omstandigheden en onthouding, zich geheel wijdende aan de zending, waartoe hij zich geroepen achtte. In tegenstelling met de overige wijsgeeren, wier doel op de kennis der natuur en van 't heelal was gericht, bepaalde hij de wijsbegeerte bij deu mensch zelf, weshalve hij de vader der ethica of natuurlijke zedekunde heet. In 't opschrift van het Delphisch orakel „ken uzelfquot; lag, meende hij, de sleutel aller wijsheid.

Destijds waren er te Athene mannen, sophisten geheetcn, die do studie der wijsbegeerte met die der welsprekendheid en der staatkunde vereenigden en op het werkelijk leven overbrachten, ook voor geld deze vakken onderwijzende. Onder de handen dier nieuwe leermeesters ontaardde langzamerhand de zucht naar wetenschap: vernuft en redekunde werden klecderen, waarmede men, naar welgevallen, de logen als waarheid kon vermommen. Hierdoor kwamen de sophisten in botsing met Socrates, ilie de menschen poogde te overreden over hun doen en laten, over het goede en booze na te denken, zich van hun eigen levenstaak rekenschap te geven. Niet met lange redevoeringen trad hij tegen de sophisten op; doch met hen gesprekken aanknoo-pende, legde hij hun vragen voor en bracht hen, door hun het verkeerde hunner antwoorden aan te toonen, in verlegenheid. Op dezelfde wijze handelde Socrates, zoowel wanneer hij zich met zijn eigenlijke leerlingen, b.v. Plato en Alcibiades, als met de burgers, waar hij ze ook aantrof, onderhield.

Socrates was nu 70 jaren oud. Nooit had het hem aan vijanden ontbroken, hem, die elk onbewimpeld de waarheid zeide; maar steeds

-ocr page 34-

28

had hij gezegevierd. Eindelijk klaagde men hem openlijk aan, dat hij de goden, die Athene vereerde, verwierp, er nieuwe invoerde en de jeugd bedierf. Hot gebruik wilde, dat de beschuldigden zich door een pleitrede verdedigden of lieten verdedigen. Socrates hield zelf zijn verdedigingsrede. De oudheid heeft ons deze verdediging medegedeeld; zij is in vele opzichten merkwaardig. Zoo zeide hij b. v.: Niemand weet, wat de dood is en of hij niet voor den mensch het grootste aller goederen moet worden geacht. Mocht gij, Atheners, mij niet ter dood veroordeelen, dan zou ik zeggen: wel ben ik uw vriend, doch den god zal ik meer gehoorzamen dan u; zoolang ik adem, zal ik niet ophouden naar wijsheid te zoeken, en als ik een uwer aantref, zal ik hem toevoegen: „hoe, schaamt gij u niet wel geld, roem en eer na te jagen en niet naar kennis en waarheid te streven?quot; Nadat Socrates aldus had gesproken, veroordeelden hem de rechters tot het drinken van den giftbeker. Toen hij in den kerker was teruggebracht, riep een zijner leerlingen in de diepste smart uit: „Zoo onschuldig te moeten stervenquot;, waarop hij glimlachend zeide: „Zoudt gij misschien liever hebben, dat ik schuldig stierf?quot; Een ander spoorde hem aan te vluchten. Socrates wees dit van de hand, omdat hij niet ongehoorzaam wilde zijn aan do wetten. Op zijn laatsten levensdag sprak hij met zijn vrienden over de onsterfelijkheid der ziel, en toen de avond viel, ledigde hij kalm den giftbeker, die in 't jaar 400 een einde aan zijn leven maakte.

§ 16.

Van 'lt; einde der Perzische oorlogen lot de onderwerping van Griekenland aan Macedonië. — Van 387 lol 338.

Gelijk Athene, werd ook Sparta, na den Pcloponnesischcn oorlog, machteloozer door de toenemende verzwakking van den volksgeest, een gevolg van het verwaarloozen der wetgeving van Lycurgus. Toen het nu, ter hulpe van de Grieksche steden in Klein-Azië, legers hierheen zond om de Perzen te beoorlogen, verwekten do Perzische gezanten in Griekenland zelf een oorlog van onderscheiden staten tegen Sparta. De Spartanen, ten volle inziende, dat zij de opperheerschappij in Griekenland niet konden handhaven zonder de medewerking van Perzië, zonden hierop den geslepen Antalcïdas naar dit rijk ten einde Artaxerxes II, die cr toen regeerde en wegens zijn sterk geheugen Mnëmön heette, voor zich te winnen. Dit gelukte, zoodat

-ocr page 35-

29

de vrede van Anlalcidas in 387 zoowel aan den langdurigen oorlog tegen Perzië als aan dien der Grieksche staten onderling een einde maakte. Weldra misbruikte Sparta, op Perzië steunende, zijn macht. Een Spartaansch veldheer, die met zijn leger langs Thebe trok, bemachtigde wederrechtelijk Cadmea, den burg van Thebe, door een aristocratische partij uit deze stad aangezet, welke alsnu een menigte van haar staatkundige tegenstanders dwong Thebe te verlaten.

Maar in 378, vier jaren na het gewelddadig bezetten der stad, keerde Pelopïdas, een der ballingen, met andere Thebaansehe vluchtelingen in het geheim terug, bracht de hoofden der tegenpartij op een gastmaal om het leven en dwong de bezetting den burg te ontruimen. Met moed ondernam Thebe den strijd tegen Sparta in den Thebaanschen oorlog, 378—362, en werd eenige jaren lang Grieken-lands eerste staat. De hoogte, waartoe het zich in dezen tijd verhief, was geheolenal het werk van twee uitstekende mannen onder haar burgers, epaminondas en Pelopïdas. Eerst bracht Epaminondas, met behulp van Pelopïdas, den Spartanen bij Leuctra (ten z.w. van Thebe) een nederlaag toe. In den tweeden slag, bij M a n t i n ë a (in Arcadië), werd hijzelf doodelijk gewond, doch stierf niet, eer hij zich, der zege bewust, den pijl uit de wonde liet trekken. Met hem nam niet alleen de grootheid van Thebe, maar die van geheel Griekenland een einde. Van nu aan werd het door een aantal andere burgeroorlogen meer en meer verzwakt. Van dezen toestand maakte een ten n. van Griekenland wonend koning, philips ii van Macedonië, die vroeger eenigen tijd als gijzelaar ten huize van Epaminondas had doorgebracht, gebruik ten einde de Grieken aan zijn heerschappij te onderwerpen. Hij wendde zoowel omkooping en andere geheime middelen als openbaar geweld aan om zijn doel te bereiken. Tevergeefs ging te Athene de beroemde Demosthenes door zijn redevoeringen de pogingen van Philips te keer. De koning nam stad op stad, en nadat hij in 388 in den slag bij Chaeronëa (in Boeotië) op Athene en Thebe de zege had behaald, werd de hegemonie van Macedonië over Griekenland door alle Grieksche staten erkend en hem in hun naam hot opperbevel opgedragen in den oorlog, dien men Perzië wilde aandoen.

-ocr page 36-

30

DERDE AEDEEL1NG,

de geschiedenis van macedonië, van 't rijk van alexander den groote en van de hieruit ontsproten staten.

§ 17.

Alexander de groote, van 336 tot 323. — De uil hel Perzisch-Macedonisch rijk voortgekomen staten.

Do oudste geschiedenis v!in Macedonië spreekt van het geslacht der Temcniden of nakomelingen van Temcnus (zie bl/.. 17), dat het eerste in dit rijk was en reeds vele koningen vóór Philips II had opgeleverd. Doch eerst met zijn regeering begint de grootheid van Macedonië. Hem volgde zijn zoon a lex ander de groote, in 356 geboren en door den beroemdsten wijsgeer der oudheid, Aristotclcs, onderwezen, in 336 op. Na do Corinthe van de Griekschc gezanten het opperbevel-hebberschap, zijn vader vroeger opgedragen, te hebben verkregen bedwong hij gemakkelijk de Thracisehe en de Illyrische volksstammen, die zich tegen zijn heerschappij verzetteden, en strafte den opstand der Thebanen met de verwoesting hunner stad.

Toen nam hij de taak op zich, die zijn vader zich had voorgeschreven , en trok in 334 met 35,000 man uitgelezen troepen over den Hellespont. De Perzen leverden hein slag bij de Granïcus, waar zij een nederlaag ondergingen. Het loon der overwinning was het westelijk deel van Klein-Azië tot het Taurusgebergtc. De koning trok nu door lonië, Carië, Lycië, Pamphylië, Pisidië en Plirygië naar Cilieië. Te Tarsus (in Cilicië) door zijn arts Philippus van een gevaarlijke ziekte hersteld, sloeg hij bij Issus in 333 het leger der Perzen, dat op 600,000 man wordt geschat, en nam dc gemalin, de moeder en de dochters van koning darius iii co dom annus gevangen.

Alexander liet daarop den koning van Perziö vooreerst aan zijn lot over, ten einde de kustlanden Syrië, Palaestina, Phoenicië, waar Nieuw-Tyrus hem zeven maanden lang weerstond, alsmede Aegypte te onderwerpen. Hier grondvestte hij Alexandrië, dat door zijn gelukkige ligging weldra het middelpunt van den wereldhandel en de hoofdzetel de wetenschap werd, do stad, waar voor 't eerst Oostcrsche geleerdheid en Gricksche letteren in onderlinge aanraking kwamen. Uit Aegypte toog hij naar Azië en sloeg bij A r b ë 1 a of Ga u gamel a

-ocr page 37-

31

(in Assyrië) in 331 dc Perzische hoofdmacht, op 1,000,(100 manschappen begroot. Kort hierna werd de koning van Perzië op de vlucht door den satraap van Bactriana, Bessus, vermoord en bezettodon de Macedoniërs de hoofdsteden van Perzië, Babyion, Susa, Per.sepölis cn Ecbatana. Zóó viel het uitgestrekte rijk in handen van Alexander, die ook de in 't n.o. van Perzië gelegen provinciën, Bactriana cn Sog-diana, doortrok en Bessus met don dood strafte.

Ofschoon thans overal als opperheer van Perzië erkend, streefde Alexander nog naar grooter gebied. Deze zucht deed hem een tocht naar noordelijk Indië en Pcndsjab ondernemen, waar hij eenige veroveringen maakte. Maar bij de Hyphasis dwongen hem dc Macedoniërs, die zich met weerzin verder van eigen land en volk verwijderden, in 326 tot den terugtocht. Terwijl zijn vlootvoogd Ncarchus met een nieuw gebouwde vloot uit den Indus langs de kusten naar den mond van den Tigris stevende, voerde de koning zelf zijn leger langs den rechteroever van den Indus, door Carmanïë, naar Baby Ion. Hier trachtte hij zijn plan, de incensmelting van Macedonië en Perzië en de verbreiding der Gricksche beschaving over Azië, te volvoeren. Het weerstreven dier bedoelingen hadden reeds ccnige zijner vrienden, als Philötas cn do vader van Philötas, Parmenïo, met den dood geboet. Om een andere reden, het in drift en dronkenschap verkleinen zijner daden en 't uiten van beschimpingen, had de insgelijks niet nuchteren koning zijn veldheer Clïtus, den redder zijns levens bij dc Granïcus, eigenhandig gedood. Te midden van zijn overleggingen verraste do dood den koning zei ven in 323.

Met het sterven van Alexander verviel zijn schepping, vooral bij het gemis van een gcschikten opvolger. De eerstvolgende tijd bevat dan ook niets dan een reeks van onderlinge twisten cn oorlogen tus-schen zijn vcldheeren, stedehouders (diadochen, d. i. opvolgers), in de verschillende landen, welke in 301 met de nederlaag en den dood van An tig önus bij Ipsus (in Phrygië) eindigden, die door Selcu-cus werd verslagen. Gedurende en na deze oorlogen kwamen er uit dc veroveringen van Alexander onderscheiden rijken voort. Selcucus stichtte in 312 het Seleucidisch-Syrisch rijk, waarvan zich weldra Per-gamus en het Parthische rijk losscheurden. Ptolemcaus Lagi, d. i. een zoon van Lagus die ook den bijnaam Sötcr, d. i. redder, had, stichtte in 323 in Aegyptc het rijk der Ptolemaeén. Macedonië bleef een staat op zichzelf, die na eenige wisseling van hecrschers, door de nakomelingen van een der diadochen, Demetr ius Polior-cetes, d. i. steden veroveraar, werd bestuurd. De Grieken, die zich

-ocr page 38-

32

aan Macedonië onttrokken, verecnigden zich grootendeels in het Achamch en het Aetolisch verhond. Onophoudelijk oorlogen tegen elkander voerde de boven genoemde staten langzamerhand tot hun ondergang: in de tweede en in de eerste eeuw v. C. werden zij, de een na den ander, Romeinsche wingewesten.

VIERDE AFDEELING.

DE GESCHIEDENIS DHR ROMEINEN.

§ is.

Italië.

Onder de Romeinen bestond Italië uit de volgende deelen:

a. Opper-1 talië, hoofdzakelijk Gallia Cisalpïna (aan deze zijde der Alpen), en Liguri'é.

1). Eigenlijk of Midden-Itali'é, met de volgende landschappen:

Etrurië of Tuscië, Latium, Campanië, Umbrië, Picënum en Samnium.

c. Beneden-1talie, — ook, voor zoover de kusten met vele Grieksche volkplantingen waren bezet, Groot-Griekenland genoemd, — bevatte de volgende deelen: Lucanië, Bruttium, ApulTë, Galabrië.

Eilanden, tot Italië behoorende: Sicilië, Sardinië en CorsTca.

§ 19.

Stichting en oudste bewoners van Rome.

De oudste bewoners van Italië bestonden uit velerlei volksstammen, waarschijnlijk alle van den Indo-Germaanschen of Arischen stam, van welke de Etruscen, de Sabijnen, de Latijnen en de Samnieten de voornaamste zijn. Uit de Latijnen en de Sabijnen zijn de Romeinen voortgekomen. De volksoverlevering der Romeinen bracht de voornaamste der Grieksche overleveringen, die van den Trojaanschen oorlog, in verband met het ontstaan van Rome. Zooals zij n.1. luidt, landde na vele omzwervingen de Trojaan Aenëas in Latium, waar zijn zoon Ascanïus later de stad Alhn Longa grondvestte, die eenigo

-ocr page 39-

33

eeuwen lang door zijn nakomelingen werd geregeerd. Onder hen was Nutmtor de laatste, die echter door zijn jongeren broeder AmulTus van den troon werd gestooten. Tegen de verwachting van AmulTus haarde de dochter van Numïtor, Rhea Silvia, tevens priesteres van Vesta, de godin van den huiselijken haard, twee zonen, Romulus en Rem us, welke door hun oud-oom tot den dood in de wateren der Tibers werden veroordeeld. Doch Paustülus, 's konings herder, nam hen op van de plaats, waar zij waren nedergelegd, en voedde ze op. In een twist met do herdersknapen van NumTtor werd Remus door hen gegrepen en voor zijn grootvader geleid. Faustulus, ijlings toegesneld, openbaarde thans het geheim der geboorte van de beide broeders, die nu hun gezellen verzamelden, hun oud-oom overvielen , hem doodden en hun grootvader NumTtor in zijn waardigheid herstel don. Toen bouwden zij, met vergunning van NumTtor, op den Pnla-tijnschen heuvel do stad Home, bij welker stichting oneenigheden tusschen de broeders ontstonden, ten gevolge waarvan Remus door do aanhangers van Romulus werd gedood. Volgens de gewone berekening, die van Varro, valt de stichting van Rome in 't jaar 753 op den 21slul1 April.

Het geheele Romeinsche volk bestond in de vroegste tijden uit drie standen; de patriciërs, de cliënten en de plebejers. Be patriciërs, de aanzienlijken, waren zij, welke de stad gesticht en de toenmalige bewoners der landstreek onderworpen hadden, alsmede hun nakomelingen. Zij alleen werden geroepen tot het bekleeden der hoogste ambten en van de priesterlijke waardigheden en vormden de oorspronkelijke volksvergadering (cornitïa curiata), waarin over een zeker aantal gewichtige aangelegenheden van den staat werd beraadslaagd en beslist.

De cliënten waren een soort van onderhoorigen der patriciërs en meerendeels gesproten uit de nakomelingen van hen, die zich tot gehoorzaamheid aan de stichters der stad hadden verbonden. In betrekking tot de cliënten, die later onder den derden stand verdwenen, heetten de patriciërs patronen.

De plebejers maakten een vrijen stand uit, die opkwam door het groote aantal menschen, van elders te Rome gekomen. Zij waren in de eerste eeuwen van allo overheidsambten, behalve van de krijgs-ambten, en van het stemrecht in de volksvergadering uitgesloten.

Aan het hoofd van den staat had men te Rome een koning, wien een senaat en een volksvergadering ter zijde stonden.

;!

wunnh, Oun) zicht, IIWo druk.

-ocr page 40-

84

§ 20.

Rome onder de koningen. — Van 753 lol 509.

Gelijk de geschiedenis vun den aanvang dor meeste staten, zoo is ook die van Rome en van haar eerste instellingen gedurende dit tijdperk en nog tot diep in den tijd der republiek hoogst onzeker en mythisch. Evenmin als het jaar van Rome's stichting vaststaat, is het zeker dot er zeven koningen hebben geregeerd. Hoe lang elk dier koningen den schepter heeft gezwaaid, wat hij heeft volvoerd of wat onder zijn bewind is gebeurd, dit alles is niet meer uit te maken.

Naar men wil, moeten de zeven in deze orde elkander zijn opgevolgd: Romulus, Numa Pompilius, Tullus Hostilius, Ancus Martlus, Lucïus TarquinTus Priscus, ServTus Tullius, Lucïus Tarquinïus Superbus of de overmoedige. Op naam van Servius Tullius worden twee gewichtige veranderingen in de staatsregeling gesteld, de verdeeling van 't Romeinsche gebied en die der burgers naar hun vermogen. Het gebied der stad — en dus middellijk de bevolking tevens — werd verdeeld in een zeker aantal geographische deelcn, vier stedelijke, tribus geheeten, en vele landelijke, die men somtijds eveneens tribus, doch doorgaans regiones noemde. Hoe groot het geheele getal was is onbekend, maar zeker, dat er in 't jaar 494 v. C. een-en twintig in 't geheel waren. In deze tribus, welker getal later tot vijf-en-dertig aangroeide, werden natuurlijk zoowel de patriciërs als do plebejers opgenomen. Verder bezorgde ServTus den plebejers eenig aandeel aan de regeering, doordien hij het geheele volk, volgens ieders vermogen, op de wijze van een leger, in vijf klassen splitste, welker onderafdeelingen centurïèn heetten, en de armste lieden, in één centurie vereenigd, hieraan toevoegde. Naar deze indeeling in klassen werd de mate van do staatsburgerlijke rechten en verplichtingen dor Romeinsche burgers vastgesteld. Do jongere burgers uit do beide eerste klassen verrichtten te velde den zwaarsten, die der overige lichter dienst, en de laatste centurie schier in 't geheel geen. Naar deze inrichting werd het geheele volk later tot één vergadering vereenigd, comitia centuriuta, waar de stemming naar centuriën geschiedde, en die na de afschaffing van de koninklijke regeering de zetel van 't hoogste gezag te Rome werden.

De laatste koning, Lucïus Tarquinïus Superbus, was wreed en willekeurig; hij ontnam den plebejers hun pas verkregen rechten en dwong hen tot drukkende heerendiensten; den senaat riep hij maar

-ocr page 41-

zelden bijeen en liet dien tot een gering getal uitsterven; vele patriciërs werden van hun eigendom beroofd, verbannen of ter dood veroordeeld. Hierom riepen Lucius Junius Brütus en anderen het volk tot wraak en vrijheid op en werd Tarquimus met zijn geslacht in 509 verdreven.

§■ 21.

De oorlogen van Rome tegen de verdreven Tarquiniussen. — De plebejers erlangen allengs volkomen gelijkstelling in staatsburgerlijke rechten met de patriciërs. —

Van 509 tot 287.

In de plaats der koningen kwamen twee consuls, die jaarlijks in de comitia centuriata uit de patriciërs werden gekozen. Hun macht was ongeveer gelijk aan die, welke dc koningen tot hiertoe hadden; maar nu was zij onder twee personen verdeeld. De eerste consuls waren Lucius Junius Brutus en Tarquinïus Collatïnus; doch de laatste werd weldra vervangen door Valerius Publico la.

Intusschen trachtte do verjaagde koning of zich in zijn heerschappij te herstellen, óf althans zijn goederen terug te erlangen. Als middelen gebruikte hij én een heimelijke samenzwering én openbare oorlogen der naburen tegen Rome. Zijn plan werd nogtans verijdeld, en hij stierf later in ballingschap. l)c door hem verwekte oorlog met Por sen na, koning van Clusïum (in Etrurië), bracht Rome zeer in 't nauw. De stad ware verloren geweest, zoo niet Ho rati us Cocles, d. i. de cenoogige, met ongehoorde stoutmoedigheid den toegang tot een brug over den Tiber zoo lang met zijn lichaam had afgesloten en verdedigd, totdat zij was afgebroken. In dezen tijd voerden do Romeinen , omtrent 500 v. C., het dictatorschap in, een waardigheid, waardoor in hachelijke tijden aan één man een unbeperkt gezag, maar voor niet langer dan een half jaar, werd verleend.

Tot dusverre was steeds een derde deel van het veroverde land als staatseigendom, tegen betaling van '/io ^cr jaarlijksche opbrengst, onder de patriciërs verdeeld. Zoodanige gronden noemde men staats-landerijen. Terwijl de onophoudelijke oorlogen de patriciërs dus verrijkten, maakten zij de plebejers steeds armer: de aanhoudende legcr-tochten verhinderden hen hun akkers te bebouwen, en toch moesten de grondlasten even goed als in vredestijd worden betaald. Zóó weiden zij gedwongen onder harde voorwaarden schuldenaars der rijke

-ocr page 42-

86

patriciërs te'worden, die hen, vooral nadat de vrees voor de herstelling van het koningschap was geweken, al meer en meer onderdrukten en als tot lijfeigenen maakten. Dus ontstond te Rome tusschen de beide standen een strijd, die omtrent twee ecuwen duurde en langzamerhand Rome's staatsregeling voltooide.

Eerst verwierven de plebejers in 494 het recht om verdedigers, volkstribunen, aan tc stellen, die hen moesten beschermen en dit vermochten, daar zij niet alleen door hun veto — d. i. ik verbied het — elk besluit van den senaat krachteloos maken, maar ook het oproepen der plebejers tot den krijgsdienst beletten konden. Van 451 tot 449 kregen de Romeinen geschreven wellen, die door tien mannen, decemviri, werden ingevoerd en op twaalf koperen tafelen gegraveerd. Nog was de scheidsmuur tusschen de beide standen niet vervallen: het bestuur van den staat bleef geheel in handen der patriciërs. In 445 werd overeenkomstig Canulëjus' voorstel van wet beslist, dat huwelijken tusschen do beide standen rechtsgeldig zouden zijn. Eindelijk bewerkten de TAcinische wetten in 367 bijna volkomen gelijkstelling der plebejers met de patriciërs. Zij bepaalden, dat één der consuls altijd een plebejer moest zijn; dat elk Romeinsch burger aandeel aan de staatslanderijen zou hebben en de bestaande schulden verminderd zouden worden. Spoedig daarna verwierven ook de plebejers den toegang tot de overige staatsambten. En in 287 werd de volkomen gelijkstelling der standen voor de wet voltooid.

§ 22.

Oorlogen van Rome met de Galliërs, de Samnieten, de Latijnen en andere volkeren. — Beneden-Italië aan Rome onderworpen in den oorlog met Tarente en met koning Pyrrhus. —

Van 360 tot 272 v. C.

Gedurende den binnenlandschen strijd had Rome bijna onafgebroken tegen de Volscen, de Sabijnen en andere naburige stammen geoorloogd. Later brachten de Senonische Galliërs onder hun opperhoofd of Brennus — want het is waarschijnlijk geen eigennaam, maar een titel —, door 't winnen van een veldslag en door een hierop gevolgde belegering van het Capitool of den burg, Rome in 390 zeer in 't nauw. Reeds beklommen de Galliërs eens bij nacht bij overrompeling 't Capitool; doch de ganzen, die er Juno ter eerc werden onderhouden, en die de bezetting, bij alle gebrek aan levensmiddelen,

-ocr page 43-

37

had gespaard, wekten, volgens de overlevering, door haar gekwaak nog tijdig Manluis, die, omdat hij op het Capitool woonde, Capi-tolïnus werd geheeten en nu zijn post wakker verdedigde. Zóó vond de vroomheid haar loon, en 't Capitool werd behouden. Do ingesloten Romeinen werden, zooals de overlevering wil, door den dietator OAMiLLUs ontzet, juist toen de Galliërs, door verderfelijke ziekten geteisterd, zich gereed maakten een groote som als losprijs in ontvangst te nemen.

Van 343 tot 290 voerden de Romeinen hevige oorlogen met do Samnieten, die, evenals zijzei ven, naar de opperheerschappij over Italië stonden; met de Latijnen, die, tot dusver als bondgenooten met de Romeinen vereenigd, thans toegang tot den senaat en het consulschap vorderden, en met do Etruscen, als bondgenooten der Samnieten. Bij do Romeinen onderscheidden zich Publius Decïus Mus, vader en zoon, Quintus F abius Maxïm us Ru 1 li anus en andere veldheeren. Bij de Samnieten maakte zich Gavius Pontïus beroemd, die in 321 de Romeinen in de bergengte bij Caudïum (in 't z.w. van Samniura) insloot, hen smadelijk onder het juk liet doorgaan, doch den gewensehten vrede niet verkreeg, vermits de Ronieinsche senaat het gesloten vredesverdrag nietig verklaarde. Al die oorlogen eindigden hiermede dat de Samnieten, gelijk de overige volkeren, Rome's oppermacht erkenden.

De grondslag tot Rome's heerschappij over Italië was aanvankelijk gelegd. Nog één gevaarlijke oorlog toefde echter don nu reeds kraeh-tigen staat, nl. die met Tarente, de rijkste en machtigste der Grieksche koloniën in Zuid-Italië, die Pyrrhus, koning van Epïrns, te hulp riep. Tweemalen sloeg Pyrrhus, in 280 in Italië geland, met zijn wel geoefend leger en zijn olifanten, hoewel met zware inspanning, de Romeinen; maar in 275 dwong Manius Curïus Dentatus, een man, die in edel zelfgevoel liever heersebto over hen, die rijkdommen bezaten, dnn dat hij er zelf bezat, door een derden veldslag den koning naar zijn land terug te gaan. Drie jaren later werd Tarente ten onder gebracht en daarmede welhaast geheel Beneden-Italië.

§ 23.

Dc eerste Punische oorlog. — Van 264 lol 241 v. C.

Rome's vrees voor de uitbreiding van 't Karthaagsche gebied op Sicilië en wederzijdsche ijverzucht der beide staten gaven aanleiding tot den eerste der Punischs oorlogen, zóó genoemd naar de Poeniërs,

-ocr page 44-

38

cl. i. Karthagers. Terwijl de Romeinen liet grootste gedeelte van 't gebied der Karthagers op Sicilië veroverden, stroopten deze vijanden op de kusten van Italië. Ten einde op den duur tegen do Karthagers te zijn opgewassen rustten de Romeinen, wier kleine vaartuigen zich niet met de groote schepen hunner vijanden konden meten, in zestien dagen een vloot van honderd twintig schepen uit. Met behulp van enter bruggen, die den zeeslag als 't ware in een gevecht te land veranderden, behaalde Gajus Duillïus in 2G0 bij Mylae (op de n.o. kust van Sicilië) de eerste overwinning ter zee. Nu vatteden de Romeinen het plan op den oorlog naar Afrika te verplaatsen. AtilTus Re'gulus baande zich den weg hierheen en drong zegevierend tot in de nabijheid van Karthago door. In dien nood stelden do Karthagers X an tij) pus, een vreemdeling, aan 't hoofd van 't leger, die dc Ronieincn in 255 bij Tunes (ten w. van Karthago) beslissend sloeg en Regains gevangen nam. Vnn de verdere lotgevallen van dezen man is niets met zekerheid bekend, dan dat hij later te Karthago stierf. Nadat de oorlog nog een tijd lang van weerskanten met de uiterste inspanning was gevoerd, eindigde hij in 241. De voorwaarden, den Karthagers opgelegd, waren hoofdzakelijk: Sicilië te ontruimen en 3200 talenten (8,448,000 gl.) oorlogskosten te betalen.

Met deze voordeden nog niet tevreden, ontrukten hun de Romeinen te midden van den vrede hot eiland Sardinië. De oorlog was nu geëindigd, en de beide staten zochten, elk in een bijzondere landstreek, zich nieuwe bezittingen te verwerven. Hamilcar Barens en na hem zijn schoonzoon Hasdrübal veroverden voor Karthago het grootste deel van Spanje tot den Ibcrus. Mot den laatste sloten echter dc Romeinen, om een dam op te werpen tegen dc steeds aangroeiende macht der Karthagers in Spanje, een verdrag, waarbij Karthago beloofde geen leger over den Ibcrus te laten trekken. Intusschen vermeesterden de Romeinen Corsica, benevens een deel van Illyric, en onderwierpen Cisalpijnsch Gallic.

§ 24.

De tweede Punische oorlog. — Van 218 tot 201 v. C.

In Spanje was hannïbal, een zoon van Hamilcar, inde plaats van zijn zwager Hasdrübal gekomen. Snel zette hij het werk voort, waartoe zijn vader hier den grond had gelogd. Ten einde gelegenheid te vinden om Rome den oorlog aan de doen belegerde en veroverde

-ocr page 45-

39

hij in 218 Saguntuin (oen stad, in 't o. van Spanje aan zee gelegen en sinds met Rome verbonden). Dit maakte den tweeden Punischen oorlog onvermijdelijk, hetgeen ook Hannïbals doel was. Het plan der Romeinen om een leger naar Spanje en een ander naar Afrika te zenden voorkwam Hannibal, althans gedeeltelijk, doorzijn roemrijken tocht over de Alpen. Onder bestendige geveehten mot woeste volkeren en in weerwil van de tallooze bezwaren eener onherbergzame natuur werd deze onderneming, die Hannibal op meer dan do helft zijns legers kwam te staan, volbracht. Bij do eerste ontmoeting sloeg hij de Romeinen in 218 in Opper-Italië bij de Tieïnus en de Trebia. In 217 drong hij tot het Trasiraënisch meer (in Etrurië) door, waar hij een dorde leger vernietigde. Toen benoemden de llomoinen Quint us Fabïus Maxïmus tot dictator, die, daar hij door een slag tc ontwijken krijgskundig den vijand afmatte, den bijnaam cunetator, d. i. draler, kreeg. Hij trachtte den vijand in ongelegenheid te brengen door hem hot onderhoud zijner troepen moeilijk te maken. Toon echter de onbezonnen consul Varro, die na hem aan 't hoofd van een deel der legioenen stond, in 216 den slag bij Cannae (in Apulië) waagde, leden do Romeinen een verschrikkelijke nederlaag, die door den afval hunner moeste hondgonooten in Benoden-Italië werd gevolgd.

In dien wanhopigon toestand gaf Rome echter den moed niet op. Marcel lus stak naar Sicilië over om Syracuse te beoorlogen, dat onder het bewind van Hioronymus (zie blz. 18) van Rome was afgevallen. Door krijgslist veroverde hij in 212 de stad, die, onder anderen met behulp van do werktuigen van den grooten wiskundige Archimedes, den vijand veel nadeel toogebraeht en hot beleg lang en moedig doorgestaan had. Gedurende den oorlog in Italië was ook in Spanje met afwisselend geluk gestreden. Een voor de Romeinen zeer gunstigen koor namen er do gebeurtenissen, sedert do jonge pu 15jjïus cornumus scipÏo, later akricSnus major, d. i. de oude, het opperbevel bekwam. Hij •veroverde in 209 Nieuw-Karthago, zegevierde over Hasdrubal, Hannïbals broeder, en voltooide de verovering van Karthaagsch Spanje. Het laatste ging dos te gemakkelijker, doordien Hannibal, door zijn vaderland slechts karig ondersteund, zijn broeder uit Spanje tot zich had ontboden. Langs donzolf-don weg, dien Hannibal zich vroeger had gebaand, Italië binnengerukt, werd Hasdrubal in 207 bij de Motaurus (niet ver van Sena, in Umbrië) gedood en zijn leger vernietigd. Dit was hot einde van Karthago's zegepralen in Itnlië.

-ocr page 46-

40

Van nu aan bepaalde zich Hannibal, in hot land der Bruttiërs gelegerd, tot zelfverdediging, totdat hij in 203 werd geroepen om Karthago zelf te beveiligen. Want Scipïo, uit Spanje teruggekeerd, was naar Afrika overgestoken om den oorlog te eindigen. Bijgestaan door den vorst van Oost-Numidië, Masinissa, sloeg hij in 202 de Karthagers onder Hannibal bij Zama (ten z.w. van Karthago). De vrede, in 201 gesloten, schreef voor, dat do Karthagers zich tot Afrika moesten beperken, hun oorlogschepen op tien na uitleveren, 10,000 talenten (26,400,000 gl.) betalen en zonder Rome's toestemming geen oorlog mochten beginnen, I*. Corn. Scipïo verwierf nu den boven genoemden bijnaam. Hannibal zelf moest later, om Rome's haat te ontgaan, zijn vaderstad verlaten. Hij begaf zich eerst naar Antiöchus III of den groote van Syrië, vervolgens naar Bithynië. Toen hij hier op het punt was in handen der Romeinen te geraken, nam hij in 183 vergif in cn stierf.

§ 25.

Uitbreiding van Rome's heerschappij in het Oosten en in Spanje. — De derde Punische oorlog, van 149 tot 146 v. (!.

Karthago was diep vernederd, en snel ging Rome voort op de baan, die tot de wereldheerschappij voerde. Het eerst werd de oorlog verklaard aan Philips V, koning van Macedonië, dewijl hij, toen Hannïbal nog in Italië stond, met hem een verbond had aangegaan en 't stoute plan ontworpen om Rome met vereende krachten aan te vallen. Reeds onder zijn zoon en opvolger Perseus werd Macedonië in 168 onderworpen, twintig jaren later een Romeinsch wingewest. De Syrische oorlog, dien Rome tegen Antiöchus III, een van Seleueus' (zie blz. 31) opvolgers, voerde, dwong hem in 189 zijn land tot den Taurus, d. i. nagenoeg geheel Klein-Azic, af te staan. In 146 bezweek ook liet Achaeïsch verhond (zie blz. 32) en werd Griekenland, onder den naam Achaje, in het Romeinsche rijk ingelijfd. Ook de kleinere staten Aetolië, Illyrië en Epïrus werden deelcn van het wereldrijk. In Spanje oorloogde Rome schier do gansche tweede eeuw door, totdat met den val van Numantïa (in 't n. van Spanje aan de Duëro) in 133 zijn verovering was voltooid.

Intusschen beroofde Masinissa, door do Romeinen aangezet, Karthago van do eene landstreek na de andere. De naijver van Rome rustte niet. „Karthago moest verwoest wordenquot; waren de woorden, waarmede Oato de oude, wat hij in den senaat ook voordroeg.

-ocr page 47-

41

altijd zijn rede sloot en die tot een spreekwoord zijn geworden. Jaren achtereen getergd, vatteden de Karthagcrs eindelijk do wapens tegen Masinissa op. Deze vredebreuk had Rome lang gewenscht. Eerst vorderde de senaat van het verschrikte volk drie honderd kinderen uit de aanzienlijkste familiën als gijzelaars. Toon eischten do consuls, in Afrika geland, uitlevering van de wapens der Karthagers en van hun krijgsvoorraad, en, nadat dit alles bereidwillig was gegeven, dat zij hun stad een eind weegs dieper landwaarts in zouden verleggen. Het bericht van dezen laatsten eisch verwekte een algemeene woede. Twee jaren lang bood de stad een wanhopigen tegenstand. Eerst in 146 veroverde haar de jonge pum.ius corn, scino aemiLianus, een zoon van Aemilius Paullus en aangenomen zoon van Scipïo, een zoon van Africanus den oude. De stad zelve werd tot op den grond geslecht en haar gebied een Romeinsch wingewest, onder den naam Afrika. Scipïo werd de eernaam Africanus minor of de jonge toegevoegd. Op geen vroegere of latere overwinning was Rome's volksgevoel trotscher dan op die van Karthago.

§ 26.

Van de Gracchussen tot den dood van Sulla. — Van 133 tol 78 v, C.

Mettertijd had zich, na de gelijkstelling der oude standen voor de wet, te Rome zoowel uit de patriciërs als uit de plebejers een nieuwe klasse van aanzienlijken gevormd, de optima ten of noMles, d. i. edelen, in wier geslachten de hooge ambten als erfelijk werden en die in 't uitsluitend bezit waren der staatslanderijen. De tegenstelling vormden die burgers, welke geen vermogen bezaten en daarom hun stem in de volksvergadering vaak veil hadden. Tot de mannen, die het naderend verderf van den staat trachtten tegen te werken, behoorden vooral de volkstribunen Tiberius en Gajus Gracchus. Zoowel door den voorslag om elkeen grondbezit te geven als door andere wetsontwerpen zochten zij het volk weer op te beuren en het algemeen welzijn tot staatsbeginsel te maken. Maar beiden vielen als slachtoffers van den haat hunner vijanden, de optimaten, en wel Gajus in 121.

De verdorvenheid der optimaten openbaarde zich vooral in den Jugurthijnschen oorlog, 112—106. Jugurtha, een dor koningen van Numidië, vermoordde zijn medekoningen, kleinzonen van Masinissa en Rome's bondgenooten. Bij het bedrijven dezer wandaden rekende de sluwe man op de kracht van 't geld en op de veiligheid der optimaten. Hierin bedroog hij zich niet: omkooping verzekerde hem van

-ocr page 48-

42

de werkeloosheid van eenige der Romeineche veldheeren, die liein moesten beoorlogen. Doch het rijk der ongerechtigheid is niet bestendig. In 107 sloeg gajus marius, een man van geringe afkomst, ruw, maar dapper, hem bij Cirta (in 't n. van Numidië). Jugurtba werd kort daarna gevangen genomen en stierf den hongerdood in den kerker.

Niet lang na dezen oorlog werd Marius, 102—101, de redder zijns vaderlands. De Cimhren en de Teutoncn, Gerniaansche stammen van een forsche, reusachtige gestalte en woeste dapperheid, bedreigden Italië en gaven als 't ware 't voorspel dor latere volksverhuizingen van die talrijke en woeste stammen, die in do vierde eeuw 't Romein-sche rijk overstroomden en eindelijk den rijkszetel om verwierpen. Nog was hun tijd niet gekomen, en Marius behaalde op die horden een volledige overwinning, toen een nog grooter onheil Rome bedreigde, de oorlog der hondgenoolen, ook wel de Mnrsische gchcctcn. De oorzaak was dat de bewoners van eigenlijk Italië het Romeinsche burgerrecht verlangden. Rome, dat eerst had geweigerd, moest na een tweejarigen strijd in 88 toegeven.

In dezen oorlog onderscheidde zich, naast Marïus, inzonderheid sur,la, een man uit een aanzienlijk geslacht gesproten, van zeldzame geestbeschaving, maar zedeloos en wreed. Hij ontwierp het plan de meer en meer veld winnende democratie te vernietigen en de voormalige aristocratie te horstellen; dus stond hij tegenover Marius, het hoofd der volkspartij. In 87 begon Marïus den eersten burgeroorlog tegen Sulla's aanhangers, terwijl deze Romeinsche veldheer tegen Mithradates VI Eupator (d. i. van edele afkomst zijnde), koning van Ponlus, een rijk, dat zich niet bepaalde tot het landschap van dien naam (in 't o. van Klein-Azië, ten z. van de Zwarte Zee), manr bovendien vele der aangrenzende gewesten bevatte, den eersten Mi thra-dalischen oorlog voerde. Marius stierf weldra, en toen Mithradates was bedwongen, keerde Sulla terug naar Rome. Hier roeide hij de gansche volkspartij uit, eindigde daardoor in 81 den burgeroorlog, liet zich tot dictator benoemen, maar legde in 78 het bewind neer, waarna hij weldra stierf.

§ 27.

Gnaeus Pompejus. — Het eerste driemanschap. — De tweede burgeroorlog en G. Julius Caesar. — Van 78 tot 44 v. G.

Als erfgenaam van Sulla's aanzien trad gnaeus pompcjus op, later de groote genoemd. Zijn beroemdste daden zijn: hot uitroeien van 't overschot der zwaardvechters, die Rome zeer luidden bedreigd,

-ocr page 49-

43

maar in 71 door marcus licinius crassus bij de Silarus (de grensscheiding tusscheu Lucanïë en Campanië) waren verslagen; het vernietigen der zeeroovers, die den toevoer van koren onderschepten, in 67, en liet roemrijk eindigen van den derden Mithrad.alischen oorloc/. Nadat toch Lucullus den koning reeds zeer had verzwakt, overwon Pompëjus hem in öfi bij den Euphraat, waarop Mithradates zich door een zijner dienaren liet dooden. Bij deze gelegenheid voegde Pompëjus Syrië rnedo aan Rome's gebied toe en maakte do Joden, die, na een tijdlang aan buitenlandsche heerschers te hebben gehoorzaamd, thans weder ongeveer een eeuw lang onder de Makka-bneën hun zelfstandigheid hadden weten te handhaven, afhankelijk van de Romeinen.

Hoe gelukkiger Rome in deze oorlogen was, hoe meer schatten zijn zegevierende legers uit alle bekende landen do hoofdstad toevoerden, des te grooter werden de weelde en de verslapping van de oudo veerkracht. Burgermoord, omkoopbaarheid, misdaad en ondeugd heersohten meer en meer. Een samenzwering van Catilïna en zijn eedgenooten was door den consul marcus tuli.ïus cicëno, een man, uitmuntende als redenaar en wijsgeer, het sieraad der Latijnsche letterkunde, in 62 verijdeld, maar de vroegere volksgeest en do eerbied voor orde en wet niet tegelijk herboren.

Deze gesteldheid van zaken deed gajus ju mus caesar, een eerzuchtig man, die zich later als veldheer, partijhoofd en geschied-sc brij ver uitstekend onderscheidde, het denkbeeld opvatten zich mot Pompëjus, die op den senaat was gebeten, en met den overmatig rijken Crassus nauw te verbinden. Deze verbintenis, welke eerst ge-heim werd gehouden, doch waarvan de strekking spoedig voor ieder duidelijk werd, noemt men hei eerste driemanschap of triumviraat (60). De invloed der driemannen op het volk hielp hen aan do gewichtigste ambten en wingewesten. Zóó werd Caesar consul en proconsul of landvoogd over Gallië; Pompëjus kreeg Spanje, Crassus Syrië. In Transalpijnsch Gallië onderwierp Caesar door onophoudelijke gevechten de talrijke Gallische stammen, streed ook met Germaansche volkeren en ging zelfs, hoewel zonder verdere gevolgen, over den Rijn en naar Britannië. Deze oorlogen maakte Caesar dienstbaar aan zijn plan: zij vormden hem tot een volkomen veldheer, terwijl hij groeten krijgsroem verwierf en zich een eigen leger schiep, dat bereid was hem op al zijn wegen te volgen. Gedurende deze jaren bleef Pompëjus, zijn gewest door een ander latende besturen, te Rome. Crassus, naar Azië vertrokken, viel in 53 bij Carrae (in 't w. van

-ocr page 50-

44

Mosopotamië) in den strijd tegen de Parthcn (zie blz. 31), dio in liet ten o. van het Romeinsche gebied gelegene Azië woonden.

Thans werd het driemanschap metterdaad ontbonden en sloot zieh Pompëjus, uit ijverzucht tegen zijn mededinger, bij den senaat aan, die Caesar gelastte het beheer over zijn gewest neer te leggen en het leger af te danken. Toen de eisch van Caesar, die hetzelfde vnn Pompëjus verlangde, door dezen mededinger was afgeslagen, trok hij over de Rubïco, de zuidoostelijke grens van zijn staat. Hierdoor was hij feitelijk in opstand gekomen tegen den senaat, en de tweede burgeroorlog (4.9—45) begon. Pompëjus, nog onvoorbereid, vlood over de Adriatisehe zee. De hoofdslag had in 48 plaats nabij Pharsalus (in Thessalië), waar Caesar een volkomen overwinning behaalde. De overwonnene, geheel radeloos, begaf zich overhaast naar Aegypte en werd er op last van bet hof vermoord. Hierna zegepraalde Caesar achtereenvolgens over al zijn tegenstanders in Azië, in Afrika en in Spanje. Toen Cato de jonge of van Utïca (ten n. van Karthago), een achterkleinzoon van Cato den oude (zie blz. 40), de nederlaag der zijnen had vernomen, doodde hij zichzelf in die stad ten einde de vrijheid van zijn vaderland, d. i. den ouden staatsvorm, niet te overleven. Naar Rome teruggekeerd, vierde Caesar talrijke zegepralen. De senaat benoemde hem tot levenslang dictator en overlaadde hem met titels en eerbewijzen. Van zijn kant schonk Caesar ruime giften aan het volk en do soldaten, gaf zeer vele heilzame wetten en verbeterde de tijdrekening. Den senaat vernederde hij echter meer dan eens, de republikeinsche vormen versmaadde hij: kortom, niet tevreden met de onbeperkte macht, streefde hij ook, zooals men meende, naar de uiterlijke teekenen van 't gezag. Verbittering werd hieruit geboren, en meer dan zestig mannen verbonden zich om 't gezag van den senaat, den ouden staatsvorm, te herstellen. Marcus Junius Brutus en Gajus Cassïus Longïnus stonden aan 't hoofd. Op den 15,lon Maart 44 werd Julius Caesar door de saamgezworenen in den senaat gedood,

§ 28,

Het tweede driemanschap. — Van 43 tot 31 v. C.

Nauwelijks was Caesar bezweken, of twee mannen trachtten, elk voor zich, zijn plaats in te nemen: m argus an toni us, een gewezen veldheer van Caesar, en gajus juli us c aks ar ocïavius, een kleinzoon van Caesars zuster. Zóó ontstond in 43 het ticeede drie-

-ocr page 51-

45

manschap tusschen Octavius, Antonïus en Lepïdus. Rome werd thans op nieuw het tooneel van tallooze vogelvrijverklaringen; ook Cicero werd er door getroffen. Toen togen Octavius, van nu aan ook wel Octavianus geheeten, en Antonïus naar Macedonië, en versloegen bij Philip pi (in 't o. van dit land) in 42 Brutus en Cas-sius, de laatste verdedigers van den ouden staatsvorm. Ten gevolge hiervan verdeelden de overwinnaars de wingewesten onder elkander. Octavius nam het Westen, Antonïus het Oosten, terwijl zij aan Lepïdus een ondergeschikte rol toedeelden. Welhaast begaf Antonïus zich naar Alexandrië tot Cleopatra, koningin van Aegypto, maar onder Romeinsch oppergezag, en doodde er zijn tijd met zwelgerijen en wellustige vermaken. Tusschen hem en Octavïus brak spoedig de tweedracht los, die, reeds eenmaal onderdrukt, weer uitbarstte, toen Antonïus landen van den Romeinschen staat aan zijn kinderen, bij Cleopatra verwekt, schonk. De senaat, nog altijd met den schijn der oude oppermacht bekleed, verklaarde hem en Cleopatra den oorlog. Dc zeeslag bij 't voorgebergte Actïum (in 't n.w. van Acarnanië) in 31 besliste den strijd ten gunste van Octavïus. Het eerst vluchtte Cleopatra naar Aegypte; haar volgde Antonïus, en beiden doodden zich hier. Aegypte werd een Romeinsch wingewest en Octavïus allcen-heerscher over het groote rijk, dat zoovele van de volkeren in zich bevatte, din de oude geschiedenis kent.

§ 29.

Augustus. — Va.n 81 v. C. tol 14 m. O. — Het Christendom.

Caksau octaviSnus, van nu aan augustus (do geheiligde) genoemd (31 v. C.—14 n. C.), werd thans inderdaad allcenheer-scher, maar met behoud der oude vormen. Onder de oorlogen, gedurende zijn regcering gevoerd, zijn inzonderheid die tegen do Germanen belangrijk. Drüsus, de jongste stiefzoon des keizers, drong 12—9 v. C. tot do Elbe door, en na zijn dood gingen andere veldheeren voort de noordelijke Germaansche stammen te onderwerpen. Doch de overmoed van den landvoogd Quinctilius Varus knakte de macht der Romeinen in deze streken. lierman of Arminïus, een vorst der Cheruscen, vereenigde vele zijner landslieden en bracht den zorgeloozen Varus een nederlaag toe in het Ten to burger woud (ten o. van Paderborn, ten w. van do Wezer) (9 n. C.). Sedert dezen tijd vergenoegden zich de Romeinen met het behoud der landen, tusschen den Donau; den Rijn en de Main gelegen.

-ocr page 52-

40

De in vele opzichten zoo gelukkige Augustus bleef toch niet verschoond van rampspoed: al zijn naaste betrekkingen overleden vóór hem. Tiberius, de lievelingszoon zijner derde, heerschzuchtige gemalin Livïa, werd zijn opvolger.

Terwijl Augustus keizer van het Romeinsche rijk en Herodes degroote koning der Joden was, werd jezus Christus in het Joodsehe land geboren, naar men doorgaans opgeeft, in het jaar 758 na de stichting van Rome. Gedurende de regeering van Tiberius trad hij op en verkondigde drie jaren lang zijn godsdienst der liefde, die den menschen God als hun vader recht deed kennen en hen opwekte om naar gelijkvormiglieid met het Opperwezen te streven. Christus zelf leed den kruisdood. Deze dood werd de bevestiging en bezegeling zijner leer, en zijn afgezondenen, apostelen genoemd, overtuigd van de waarheid zijner opstanding uit den dood, verbreidden ze vol ijver en geestdrift door allo deelen van het Romeinsche rijk. En naarmate de tijden der keizerlijke heerschappij troosteloozer waren, naar die mate wies het gei,al belijders des te sneller.

§ 30.

De keizers uit het geslacht van Augustus, de Flaviussen en de overige vorsten tot Constanfinus den groote. — Van 14 tol 328.

Tiberius, reeds een man van jaren, toen hij de kroon op zijn hoofd zette, was achterdochtig, wreed en een slaaf zijner zinnelijke begeerten. En zijn naaste opvolgers waren niet beter. Zelfs was de laatste keizer uit het geslacht van Caesar, nero (54—68), geheelenal do slaaf zijner onzinnige driften. Als een waanzinnige bedreef hij de onnatuurlijkste en verschrikkelijkste euveldaden. Hem, den moordenaar zijner naaste verwanten, houdt men mot veel waarschijnlijkheid voor den stichter van den vreeselijken brand te Rome in 64, welke van de veertien wijken der stad tien geheel of ten deele verteerde. Met behulp van de ontzettendste afpersingen in de wingewesten herbouwde hij Rome op ruimer schaal en met grooter pracht.

Na hem bleef de geslachtsnaam van Caesar (keizer) de gewone titel van den beheerscher des Romeinschen rijks, nu de naam der waardigheid geworden, en kregen de legers metterdaad, de senaat daarentegen slechts in naam, het recht om over den troon te beschikken. Uit het huis der Flaviussen beklommen drie keizers den troon: titus i'LAVius VHSi'ASiaNUS en zijn zonen titus en domitiünus. De

-ocr page 53-

47

beide eerstgenoemden muntten uit als vorsten, de vader door een spaarzaam bestuur, de zoon door zijn uitnemende goedheid. Onder Vespasianus werd Jeruzalem in 70 ingenomen en verwoest; de Joden verstrooiden zich over den geheelen aardbodem. Ook hernieuwde hij het bondgenootschap met de Bataven, die onder aanvoering van Claudius Civïlis waren opgestaan. De menschlievendheid van Titus blonk vooral uit bij de zware rampen, die destijds Italië troffen. Zoo had in 79 de eerste bekende uitbarsting van den Vesuvius plaats, waardoor de steden Herculaneum (ten z.o. van Neapölis aan de kust) en Pompëji (ten z.o. van Herculaneum) onder asch en lava werden bedolven. Sinds 1718 zijn de beide steden gedeeltelijk weder opgedolven. Domitianus was geheelenal ongelijk aan zijn beide voorgangers en werd, evenals de vroegere dwingelanden, door eenige samenge-zworenen gedood.

Welhaast werd de herinnering aan Domitianus' wreedheid verzacht door de volgende reeks van voortreffelijke vorsten; Nerva, Trajanus, Hadrianus, Antoninus Pius en Marcus Aurelius of Antonïus de wijsgeer. Maar met den laatste eindigde de gouden eeuw van Rome's keizerschap. Het rijk neigde meer en meer ten val. De legers bestonden grootendeels uit barbaren, die altijd gereed waren tot oproer, terwijl de grenzen onophoudelijk door vijandige volken werden overschreden. De keizers waren grootendeels weinigbeteekenende en grillige menschen of ongebonden en bloeddorstig. Bovenal is Helio-gabixlus berucht. Slechts zelden droeg een beschaafd, braaf en verstandig man de kroon. DiocletiSnus (284—305) was de eerste, die inzag, dat de toestand van het rijk meer dan één bestuurder vereischte, zou men met kracht optreden zoowel tegen de barbaren, die het onophoudelijk bedreigden, als tegen de heerschzuchtigcn, die telkens naar de kroon grepen. Hij benoemde drie mederegenten: aan een hunner, gelijk aan herazelven, werd de titel augustus, den beiden anderen die van caesar gegeven. Weldra klom dit getal tot zes, die elkander zoo lang bestreden, totdat er ten laatste slechts één keizer overbleef.

§ 31.

ConslantinuH de groote, van 323 tot 337, en hel Christendom in zijn tijd.

Die alleenheerscher was constantïnus de groote (323—337), welke den zetel der regeering van Rome naar Byzantium verplaatste, dat bij de inwijding Nieuw-Rome, doch weldra Constantinopel werd geheeten. De oude verdeeling, de vroegere namen der waardigheden

-ocr page 54-

48

in den staat waren tot hiertoe in gebruik gebleven. Eerst Constan-tïnus veranderde dit. Hij verdeelde het rijk in vier praefecluren: het Oosten, Illyrieum, Italië en Gallic, aan welker hoofd praefecli prac-lorio als burgerlijke landvoogden stonden, en deze praefeeturen weer in onderdeelen. Dat Constantïnus den Christelijken godsdienst aannam en hem tot dien van den staat maakte is een der merkwaardigste gebeurtenissen, niet alleen in do geschiedenis der Christelijke kerk, maar evenzeer in die der beschaving en voor de latere historie der volken en staten. Reeds eer hij alleen regeerde, had hij een besluit uitgevaardigd, waarbij den Christenen vrije godsdienstoefening in het rijk word vergund. Nogtans liet hij zich eerst kort vóór zijn dooddoopen.

Doordien het Christendom nu als godsdienst van den Romeinschen staat was erkend, onderging het vele veranderingen. Constantïnus versierde de nieuwe hoofdstad met prachtige kerken. Maar het ontstaan eener hooge geestelijkheid en het invoeren van schitterende praal in den uiterlijken eeredienst deden den inwendigen godsdienst en zijn naleving te veel op den achtergrond komen, overschaduwd door zooveel vertoon en pracht. Daarbij bracht de omstandigheid dat de bisschoppen in de metropolen (woordelijk: moedersteden) An-tiocbië (in 't w. van Syrië, niet ver van zee), Jeruzalem, Alexandrië, Constantinopel en Rome onder Constantïnus hooge staatsbeambten werden den godsdienst en 't staatsbestuur in een te nauw verband en onder wederkeerigen invloed, waarvan beide, nu eens deze dan gene, de nadeelen ondervonden. Niet vreemd was het dat de twisten der geestelijken over de leerstukken der kerk toen staatsaangelegenheden werden, die de rust van het rijk dikwijls lievig schokten. Nog bij het leven van Constantïnus ontstond er een zoodanig geschil tusschcn Alexander, bisschop, en Arïus, ouderling, te Alexandrië, over de vraag, of Jezus Christus, al of niet, volkomen en geheel, gelijk was aan God. Hun talrijke aanhangers stonden, als Arianen en katholieken, steil tegenover elkander.

§ 32.

De Germanen. — De volksverhuizing sedert 375. — De verdeeling van hel Romeinsche rijk in 395.

De Germanen bewoonden in de eerste eeuwen na Christus al het land, dat ten w. door den Rijn, ten z. door den Donau, ten o. door de Zwarte Zee, ten n. door de Noord- en de Oostzee wordt begrensd. Zij bestonden uit vele stammen, die dikwijls van woonplaats ver-

-ocr page 55-

4i)

anderden en bijzondere namen droegen, als Vandalen, Gotlien, Lon-gobarden, Saksen, Friezen, Bataven en andere. Het voortdringen van vele, meest Gennaansche volkeren gedurende de vierde, de vijfde en de zesde eeuw van het n. en o. naar het z. en w. der oude wereld noemt men de volksverhuizingen. Deze groote beweging, welke men gewoon is meer bepaald van den inval der Hunnen in Europa, 375, de dagteekenen, bewerkte een groote omwenteling in de woonplaatsen der Europeesche volkeren.

In dat jaar trokken de Hunnen, een zwervend volk van het Mon-goolsehe ras, uit het o. van Azië komende, over de Wolga Europa binnen. Bij die rivier stieten zij op de Alanen, die zij verdrongen. Toen kwamen zij bij de Oost-Gothen, die eensdeels ook werden verdrongen en anderdeels zich met de Hunnen vereenigden. De West-Gothen, thans ook in den rug bedreigd, verkregen van keizer va lens, die de oostelijke gewesten bestuurde, de gevraagde woonplaatsen binnen de grenzen van bet Romeinsehe rijk, en wel aan den reehter Donau-oever. Door de verdrukking der Romeinsehe stadhouders tot opstand gedreven, sloegen zij Valens in 378 bij Hadrianopel (aan de Hebrus in Thracië), die kort daarna omkwam. Riet moeite slaagde tiieodosius de groote, die van 394 tot 395 voor het laatst liet gehecle rijk onder zijn sehepter vereenigde, er in de West-Gothen tot rust te brengen.

Bij zijn sterven in 395 benoemde hij zijn oudsten zoon akcadïus tot erfgenaam van het Oosten, den jongste, honorïus, tot keizer van het Westen. Deze verdeeling, tijdelijk in haren oorsprong, was duurzaam in gevolg, en van nu aan heette het eene het Grieksche of Oost-Romeinsehe, het andere het Latijnsehe of West-Romeinsehe rijk. Arcadïus vestigde zijn zetel te Constantinopel; Honorïus hield eerst zijn verblijf te Rome, later te Ravenna (in 't o. van Cisalpijnseh Gallie aan zee). Het Oost-Romeinsche rijk werd zoowel van binnen, vooral door godgeleerde twisten, als van buiten door aanvallen der barbaren zeer verzwakt. Veel had het te lijden van de Hunnen, te meer doordien er tot het einde der oude geschiedenis geen enkel uitstekend vorst den waggelenden troon beklom.

§ 33.

Het West-Romeinsehe rijk in oorloy met de Guthen en met de Hunnen tot zijn ondergang. — Van 395 tot 476.

Nauwelijks was Theodosïus gestorven, of Alarik, dien de West-Gothen tot koning hadden verheven, drong alles plunderende en

Wijnne, Overzicht, 43(lc druk. I

-ocr page 56-

50

verwoestende tot de Peloponnesus door. Vandaar toog hij, hiertoe aangezet door liet Oost-Romeinsche hof, ijverzuchtig op het Westen, naar Italië, waar hij bij herhaling schatting vorderde, en daar de schatting wel werd beloofd, maar niet betaald, Rome insloot. Tweemaal zelfs veroverde hij de stad, het laatst in 410, toen hij ze tevens liet plunderen. In 411 stierf Alarik in Zuid-Italië, en een zijner opvolgers, Wallia, verwierf van het West-Romeinsche rijk een gebied in zuidelijk Gallië, waar bij het Wesl-Gothische rijk, met de hoofdstad Tolösa (thans Toulouse, in 't z.w. van Frankrijk), grondvestte.

liet West-Romeinsche rijk verkeerde bij den dood van Honorïus in 423 in een hoogst bedenkelijken toestand. Onder Honorïus' zuster tl acid ia en haren zoon valentiniSnus III ging het weinig beter. In 429 landden de Vandalen, die vroeger door Gallië naar Spanje waren getogen, onder Gensórik in Afrika en stichtten er een rijk in 't gebied van het oude Karthago, vanwaar zij in 455 naar Italië overstaken en er veertien dagen lang het weerlooze Rome uit-plunderdeu. Eenige jaren vroeger had een nog grooter gevaar het Latijnsche rijk bedreigd. Want toen de verschillende horden der Hunnen zich omstreeks 440 onder het bestuur van Attïla vcreenig-den, geraakten zij met Valentinianus in oorlog. Met een ontzaglijke inen-schenmassa begon Attïla zijn tocht, die veel had van een volksverhuizing. Op de Catalaunische velden (ten o. van Parijs bij de Marne) had in 451 de bloedige slag plaats, welke voor het lot van liet Westen beslissend was en waarin de Romeinen de Hunnen tot terugkeer dwongen. In het volgende jaar deed Attïla, wel verzwakt, maar niet overwonnen, een inval in Italië. Doch spoedig openbaarden zich ziekten en gebrek bij de Hunnen, die daardoor werden genoopt naar Pannonië terug te trekken. Weldra nam met den dood van Attïla in 453 de zoo gevaarlijke macht der Hunnen een einde.

Reeds was het West-Romeinsche rijk in een toestand van volledige ontbinding doordien een groot aantal krijgshaftige stammen bijna 't geheele gebied in bezit hadden genomen. In Afrika heerschten de Vandalen; zuidwestelijk Gallië en een deel van Spanje bezaten de West-Gothen; zuid-oostelijk Gallië was de zetel der Bourgondiërs; de Alemannen huisvestten in Zwitserland en aan den rechter Rijnoever; in 't n. van Gallië hielden zich de Franken op; noordwestelijk Duitsehland word door de Saksen bezet; aan den Donau woonden de Longobarden en de Oost-Gothen. In Britannië eindelijk hadden de bewoners, van Romeinschón bijstand verstoken en door de woeste Pieten en Scoten uit Caledonië (Schotland) overvallen, in 449 de

-ocr page 57-

Angelen cn andere Duitsche stammen te hulp geroepen. Deze stammen, door Hengist en Horsa aangevoerd, verleenden wel den verlangden bijstand, maar grondvestten hier vervolgens ook eigen rijken en verdrongen do Britten naar 't Westen, Wales, of noodzaakten hen naar Armorica, d. i. Brctagnc, uit te wijkon.

Hoe diep het aanzien van Rome's naam was gezonken laat zich hieruit zien, dat de opperbevelhebbers der Duitsche, in Rome's dienst staande legers naar willekeur over de kroon beschikten. Zóó deed Ricï-mer; zóó ook anderen. Eindelijk kwam Odoacer, aanvoerder der Herulen en Rugiërs, in Italië en zette den laatsten, nog zeer jongen keizer, romülus augustülus, in 47(5 af. Dit was het einde van het West-Romeinsche rijk. Odoaeer verbande den afgezetten keizer naar een landgoed in Campanië. Den keizerstitel nam hijzelf niet aan, doch liet zich slechts koning noemen.

-ocr page 58-

CHRONOLOGISCH OVERZICHT.

OÜDK GESCHIEDENIS.

EERSTE AFDEELING.

De geschiedenis der Aziatische rijken Sina, Indi'è, Assyrië, Jiahylonïè, de Israëlieten, Phoenicié, Medic en Perzïè,

henevens die van Aegyple.

Jaren v. C.

§ 1, Sina en Indi'è.

Sina sedert................ongev. 2600.

Confucius (Kong-fut-se). — Kings.......ongev. 500.

Het boeddhisme of de dienst van Foh . sinds ongev. (n.C.) 300. Indië. — 4 hoofdkasten. — Brahmaïsme. — Het sanskriet. — De veda's.

Sarvarthasidda stichter van het boeddhisme .... 600—480. Oorlogen tusschcn de aanhangers van liet Brahmaïsme en de boeddhisten.............(n. C.) tot 600— 700.

§ 2. Assyrië en Babylonia.

Ninivé..................ongev. 1250.

Salmanassar. — Verovering van het rijk Israël . . . 729—721. Sanhërib. — Een plotselinge ramp treft zijn leger . . ongev. 713. Sardanapalus of Sarak. — Assyrië veroverd door Nebukad-

nëzar en Cyaxares.............ongev. 606.

Nabopolassar eerste koning van Babylonië.

Nebukadnêzar wordt mederegent. — Slag bij Circesium, waar

Necho wordt verslagen,...........ongev. 605.

Verovering van bet rijk Juda............ 586.

NabonTtus verbindt zich met Croesus. — Babylonië veroverd door Cyrus, koning van Perzië,........... 538.

§ 3. Acgypte.

670-616.

PsammetTchus

-ocr page 59-

53

•Tai'on v. C.

Necho laat Afrika omvaren. — Psammenïtus. —Hij verliest den slag bij Pelusium, en Aegypte wordteen Perzisch wingewest. 525.

§ 4. Dc Israëlieten.

Abraham..................vóór 2000.

Izaiik. — Jakob of Israel. — Jozef. — Mozes voert hem naar Arabië...............ongev. 1300.

Saul koning...........ongev. 1080—omstr. 1050.

David................ongev. 1050—1025.

Salomo...............omstr. 1025—986.

Splitsing van het rijk in twoe deelen: Israel, het rijk der 10 stammen, met de hoofdstad Siehem, daarna Samarïa, onder Jeroboam, cn Juda, het rijk der 2 stammen, met de hoofdstad Jeruzalem, onder Rehabëam........981).

De laatste koning van Israël, Hosëa, door Salmanassar naar Assyrië gevoerd.................721.

Juda veroverd door Nebukadnezar, en koning Zedekïa naar

Babylonië verplaatst...............58(3,

§ 5. Phoenicië.

Bloei van Tyrus................ 1000—500.

Onderwerping van Phoenicië aan Perzië......ongev. 550.

Nieuw-Tyrus verwoest door Alexander den groote, koning van Macedonië................... 332.

Volkplantingen. — Karthago gesticht door Dido.....814.

Mago................... 600—500.

§ 6. Medïè en Perzië.

Zoroaster (Zarathustra)............. 1300—1200.

Dejöces. — Ecbdlana gesticht. — De Perzen door de Mediërs onderworpen.

Cyaxares .................. 633—593.

Hij verdrijft do Scythen en verwoest Ninivé .... ongev. G06.

Astyages.................. 593—558,

Cyrus................... 558—529.

Li/dié veroverd en Croesus gevangen genomen , , . ongev. 549.

Babyion genomen en Babylonië in een Perzische provincie veranderd................... 538,

Cyrus komt om kort na een tocht tegen de Derbiciërs . . . 529.

DarTus I, een zoon van Hystaspes........ 521 — 485.

Perzië wordt door Alexander den groote veroverd..... 330.

-ocr page 60-

54

Jll IT 1' V. C.

TWEEDE AEDEELING.

De geschiedenis der Grieken tot de vernieliging hunner onafhankelijkheid.

§ 7. Griekenland.

§ '8. Van den vroeg sten tijd tot de vestiging der Heracllden en

Doners in de Peloponnesus. . . . ongev. 1800—ongev. 1000. De Trojaansehe oorlog........... 1194—1184.

§ 9. De vestiging der Heracllden en Doners in de Peloponnesus. — De volkplantingen der Grieken.

De Heracllden Temen as, Cresphontes en Aristodemus verslaan, met behulp van de Doriërs en van den Aetoliër Oxylus, de Achaeërs en stellen zich in 't bezit van een

groot deel der Peloponnesus........................1000.

Grieksche volkplantingen en haar oorzaken.

Syracuse op Sicilië gesticht..........................735.

Gelo..........................................484.

Jiiëro, — Thrasybülus...........tot 4G6.

Oorlog met Athene..............415—418.

Dionysïus I tiran . . . •........................405.

Dionysïus II.

Tiraolöon. — Hij sterft............................337.

Agathöcles..................317.

Hiëro koning................ 269—216.

Hieronymus sterft................215.

Mar cel lus neemt de stad in en onderwerpt ze aan de Romeinen...................212.

§ 10. De Grieken in V, algemeen.

§ 11. Sparta.

Wetgeving van Lycurgus..........ongev. 850—800.

§12. Athene.

Dood van Codrus. — Archonten.......sedert ongev. 1000.

Jaarlijks negen archonten...........sedert 683.

Solon archon.................. 594.

Pisistratus sterft................. 527.

Einde van 't bestuur zijner zonen Hippïas en Hippar-chus. — Hippias vlucht naar Darius I........510.

-ocr page 61-

55

Jaren v. C.

§ 13. De Perzische oorlogen...........493—387.

Eerste kruistocht der Perzen onder Mardonius. — Athos. . . 493. Tweede tocht onder Datis en Artaphernes. — Zegepraal

van Miltiades bij Marathon............ 490.

Xerxes I strijdt tegen de Grieken bij de Thermopylae. — Le-

onïdas.................... 480.

Themistöcles. — Zijn raad. — Overwinning der Grieken bij

Salamis.................... 480.

Pausanïas, voogd van Plistarchus, en AristTdes slaan Mardonius met 300,000 Perzen bij Plataeae. — Mardonius sneuvelt 479. Zege der Grieken bij Mycalé. — De vloot der Perzen vernield 479.

§ 14. Pericles. — De Pcloponneslsche oorlog, van 431 tot 404.— A lcibiddes.

Pericles..............sinds ongev. 450.

De Peloponnesische oorlog............ 431—404.

Pericles sterft aan de pest............................429.

Kortstondige vrede................421.

Ale!blades vliedt nanr de Spartanen, — Aanleiding hiertoe . 415. De tocht der Athcners naar Sicilië onder Nicias en La-

machua mislukt...............415—413.

Alcibiades overwint de Spartanen tweemaal ter zee en keert

naar Athene terug................................408.

Lysander neemt Athene in. — De 30 tirannen............404.

De tirannen verdreven..............................403.

§ 15. Socrates.

Tegenstelling van Socrates met de sophisten. — Aanklacht tegen hem. — Zijn dood............. 400.

§ 16. Van 't einde der Perzische oorlogen tol de onderwerping van Griekenland aan Macedonië.......... 387—338.

Oorlog van Sparta tegen Artaxerxes II Mnemon, koning van Perzië, on van onderscheiden Grieksche staten tegen Sparta.

Vrede van Antalcidas................ 387.

Aanleiding tot den Thebaanschen oorlog...... 382—379.

De Thebaansche oorlog............. 378—362.

Epamlnondas cn Pelopïdas.

Epaminondas wint de slagen bij Leuctra en bij Mantinêa,

maar sneuvelt.

Philips II koning van Macedonië. — Demosthenes.

-ocr page 62-

56

Jni'on v. C.

Erkenning der hegemtinie van Macedonië over Griekenland ten gevolge van den slag bij Chaeronëa, door Philips gewonnen op Athene en Thebe............... 338.

DF-RDE AFDEELING.

De geschiedenis vnn Mncedonïé, van 'i rijk van Alexander den r/roole en van de, hieruit ontsproten daten.

§ 17. Alexander de groote............ 336—323.

De uit het Perzisch-Macedonisch rijk voortgekomen staten.

De Temeniden. — Philips II.

Alexander de groote geboren........................356.

Aristotcles onderwijst hem. — Hij volgt zijn vader op . , 336.

Hij brengt don Perzen een nederlaag toe bij de Granlcus . . 334. Slag bij Issus, waar 600,000 Perzen verslagen en de gemalin, de moeder en de dochter van Darïus III Co dom annus

worden gevangen genomen..........................333.

Slag bij Arbela of Gaugamëla. — 1,000,000 Perzen .... 331.

Darïus Codomannus door Bessus vermoord........331.

Tocht van Alexander naar Pendsjab....................330.

Alexander sterft..................................323.

De tijd der diadochen tot den slag bij Ipsus, waar Antigonus

sneuvelt,...................301.

Seleucus sticht het Seleucidisch-Syrisch rijk........312.

Ptolemaeus Lagi of Söter sticht in Aegypte het rijk der

Ptolemae'ên......................................323.

VIERDE AFDEELING.

De geschiedenis der Romeinen.

§ 18. Italië.

§ 19. Stichting en oudste bewoners van Rome.

Stichting van Rome op den Palatijnschen heuvel, volgens Varro

21 April 753.

§ 20. Rome onder de koningen.......... 753—509.

Het gcheele getal der tribus is 21 ........... 494.

Het groeit tot 35 aan.

L. Tarquinïus Superbus of de dwingeland. — Zijn drukkende regeering. — Hij wordt verdreven.......... 509.

-ocr page 63-

57

.IfU'on v. C.

§ 21. De oorlogen van Rome tegen de verdreven Tarquinimsen,— De plebejers erlangen allengs volkomen gelijkstelling in staatsburgerlijke rechten met de patriciërs .... 509—287.

])e eerste consuls: Lucius Junius Brutus en Tarquinïus

Collatïnus, in wiens plaats Valerius Publicöla komt, 509.

Instelling van het dictatorschap.........ongev. 500.

Instelling der volkstribunen..........................494.

De wetten der 12 tafelen en de tienmannen..... 451—449.

Het voorstel van wet van Canulëjus....................445.

De Licinische wetten................................367.

De gelijkheid der standen voor de wet is voltooid..........287.

§ 22. Oorlogen van Rome met de Galliërs, de Samnieten, de Latijnen en andere volkeren. — De onderwerping van Beneden-Italie aan Rome in den oorlog met Tarente en met koning Pyrrhus................390—272.

Belegering van het Capitool door de Senonisehe Galliërs onder

hun Brennus. — Camillus. — Manlïus Capitolïnus . . . 390. Oorlogen met de Samnieten, de Latijnen en de Etruscen. —

Oorzaken hiervan.......,...... 343—290.

Een Romeinseh leger door Gavius Pontius bij Caudïum

ingesloten...................321.

Oorlog tegen Tarente en koning Pyrrhus van Kpïrus . 280—272. Pyrrhus wint twee veldslagen; maar Manlus Curius Den-

tatus verslaat hem............. 275.

§ 23. De eerste Punische oorlog.......... 264—241.

Overwinning ter zee van Gajus Duillïus bij Mylae. —

Enterbruggen....................................260.

Xantippus slaat Atilïus Regülus bij Tunes............255.

Do Karthagers ontruimen Sieilië en betalen 3200 talenten . . 241.

§ 24. De tweede Punische oorlog.........218—201.

Hannibal verovert Saguntum............219.

Hij wint de slagen bij de Tieïnus en de Trebïa......218.

Hij zegepraalt bij het Trasimëniseh meer........217.

Nederlaag van Varro bij Cannae. — Afval van Rome's meeste

bondgenooten.................216.

Mareellus neemt Syracuse in. — Archimëdes.....212.

Publius Corn. Sciplo, weldra met den bijnaam Africanm

major vereerd, verovert Nieuw-Karthago................209.

-ocr page 64-

58

Hasdrubal trekt uit Spanje naar Italië; hij wordt verslagen

en gedood bij de Metaurus............. 207.

Hannïbal steekt naar Afrika over........... 203.

Scipïo en Masinissa verslaan Hannibal bij Zama..... 202.

Vrede. — De Karthagers beperken zich tot Afrika, leveren hun oorlogschepen op tien na uit, betalen 10,000 talenten en beloven zonder Rome's toestemming voortaan geen oorlog aan te vangen................. 202.

Hannibal gaat eerst naar Syrië en sterft vervolgens in Bithynië 183.

§ 25. Uitbreiding van Rome's heerschappij in het Oosten en in

Spanje. — De derde Punische oorlog...... 149—146.

Macedonië wordt aan Rome onderworpen onder Perseus, een

zoon van Philips V,...............168.

Het wordt een Romeinsch wingewest..........148.

Antiöchus III, koning van Syrië, moet ten gevolge van den Sijrischen oorlog nagenoeg geheel Klein-Azië afstaan . . . 189.

Griekenland wordt, onder den naam Achaje, in het Romeinsche rijk ingelijfd.................. 146.

Val van Numantia en onderwerping van Spanje.....133.

P. Corn. Scipio Aemilianus Africanus de jonge verovert Karthago................... 146.

§ 26. Van de Gracchussen tot den dood van Sulla . . . 183—78.

Tiberius en Gajus Gracchus. — Hun streven.

Gajus komt om................. 121.

De Jugurthijnsche oorlog............. 112—106.

Gajus Marius verslaat Jugurtha bij Cirta....... 107.

Marïus overwint de Cimhren en de Teutonen.....102—101.

De oorlog der bondgenooten of de Marsische krijg. — Uitslag . 90—88.

Sulla voert den eersten Mithradatischen oorlog tegen Mithra-dates VI Eupator.

Eerste burgeroorlog te Rome tusschen Marius en Sulla . . . 87—81.

Marius sterft. — Sulla dictator...........81—78.

§ 27. Gnaeus Pompejus. — Het eerste driemanschap. — De tweede

burgeroorlog en G. Julius Caesar........78—44.

Marcus Licinïus Crassus overwint de zwaardvechters bij de Silarus.................... 71.

Gnaeus Pompejus, later met den bijnaam de groote, vernietigt het overschot der zwaardvechters en roeit de zeeroo-vers uit.................... 67.

-ocr page 65-

59

Jaren v. en n. C.

Lu cull us voert eerst den Mithradatischen oorlog.

Pompejus overwint Mithradates bij den Euphraat..... 66.

M. Tuil lus Cicëro stuit de samenzwering van Catilina en zijn eedgenooten................ 62.

Eerste driemanschap of triumviraat: Gajus Julius Caesar, Pompejus en Crassus............... 60.

Crassus bekomt Syrië en sneuvelt in den slag bij Cfirrae tegen de Parthen.................. 53.

Ontbinding van het driemanschap. — Aanleiding tot tocerfen burgeroorlog tusschen Caesar en Pompejus.......49—45.

Slag bij Pharsalus. — Pompejus wordt in Aogypte vermoord . 48.

Een samenzwering van meer dan 50 mannen, o. a. M. Brütus en Cassïus Longinus, maakt een einde aan het leven van Caesar...............15 Maart 44.

§ 28. Het tweede driemanschap . ■......43—31.

Marcus Antonïus, Octavïus Caesar en Lepïdus sluiten

het tweede driemanschap.............. 43.

Brütus en Cassïus worden bij Philippi verslagen door Antonïus en Octavïus of Octavianus............. 42.

Zeeslag bij Actïum. — Antonïus en Cleopatra worden verslagen en brengen zichzclven in Aegypte om...... 31.

Aegypte wordt een Romeinsch wingewest........ 81.

§ 29. Augustus.............31 v. C.—14 n. C.

Het Christendom

Caesar Octavianus, van nu af Augustus, metterdaad alleen-heerscher.......,......31 v. C.—14 n. C.

Oorlog tegen de Germanen. — Drusus......12—9 v. C.

Herman of Arminïus verslaat Quinctilius Varus in het Teutoburger woud.............9 n. C.

Jezus Christus wordt in het Joodsche land geboren en treedt onder do regeering van Tiberius openlijk op. — De apostelen.

§ 30. Dc. keizers uit het geslacht van Augustus, de Flaviussen

en de overige vorsten van Constantïnus den groote . . 14—323.

Tiberius.

Nero.................... 54—68.

Vreeselijke brand te Rome............. 64.

Drie keizers uit het geslacht der Flaviussen: Titus Flavius Vespasianus, Titus, Domitianus.

Jeruzalem wordt ingenomen en verwoest........ 70.

-ocr page 66-

60

Jaren n. C

Eerste bekende uitbarsting van den Vesuvius. — Hcrculaneuvi

en Pompëji.................. 79

Do beide steden gedeeltelijk opgedolven.......sinds 1713

Weinigbeteekenende of slechte keizers, b. v. Heliogabalue. Diocletianus................ 284—305

§ 31. Conslantïnus de groote........... 323—337

Het Christendom in zijn tijd ConstantTnus de groote............ 323—337

§ 32. De Germanen. — Volksverhuizing sedert 375. — De verdeding van het Rorneinsche rijk.........395

De Hunnen trekken over de Wolga Europa binnen .... 375 De West-Gothen, in bet Rorneinsche rijk opgenomen, verslaan

Valens bij Hadrianopel. — Valens sneuvelt......378

Theodosïus de groote keizer.......... 394—395

Splitsing van het Rorneinsche rijk in het Grieksche of Oosl-Romeimche met Constantinopel en het Latijnsche of West-Romeinsehe met Rome, later Ravenna, als zetel. . . . 395 Arcadïus keizer van het Oosten, Honorïus van het Westen sedert....................395

§ 33. Het West-Romeinsche rijk in oorlog met de West-Gothen

en de Hunnen tol zijn ondergang....... 395—476

Al ar ik, koning der West-Gothen, trekt, aangezet door het Oost-Romeinsche hof, naar Italië en verovert Rome tweemaal , het laatst...............in 410

Alarik sterft...................411

De Vandalen onder GensGrik grondvesten een rijk in Afrika

in 't gebied van Karthago.............429

Zij plunderen Rome veertien dagen lang........455

De Hunnen vereenigen zich onder Attïla . . . . omstr. 440 De Romeinen dwingen de Hunnen tot den terugkeer door den

slag op de Catalaunische velden...........451

Attïla doet een inval in Italië............452

De Hunnen trekken naar Pannonië terug. — Attïla sterft . . 453 De Britten roepen de Angelen en andere Duitscbe stammen

tegen de Pieten en de Scoten te hulp.........449

Odoacer, aanvoerder der Herulcn en Rugiers, zet Romülus

Augustülus af.................476

Odoacer koning van Italic.............476

Einde van het West-Romeinsche rijk..........476

-ocr page 67-

M I D I) E L E E TJ W E N.

EERSTE TIJDVAK.

van den vaij van west-romeinsciie rijk in 476 n. C. tot den dood van kiialif hahoen al rasoiiii) in 809 n. C. en van keizer karei, den groote in 814 n. C.

§ 34.

Het Oosl-Gothische rijk. — Het Oosl-Rorneinsche rijk tot 842. — De val van het Vandnalschc en van het Oost-Gothische rijk. — De Longobarden in Ttali'é.

Het nieuwe rijk of de nieuwe heerschappij, door odoScer gegrondvest, was van geen langen duur. Zeventien jaren had hij met gematigdheid geregeerd, toen hij zijn gebied aan de Oost-Go then moest afstaan, die, na het Grieksche rijk een tijdlang door herhaalde strooptochten en het afpersen van een jaarlijksche schatting te hebben gekweld, het Westen aantastten en 490—493 onder hun koning theodörik Italië en Sicilië veroverden. Deze streken, benevens de zuidelijke Donau-landen, beheerschte Thcodörik tot zijn dood in 526. Ravenna was doorgaans de zetel der nieuwe regeering. Op het overlijden van Theoderik volgde tweedracht in het rijk, hetwelk den Oost-Romeinen gelegenheid gaf om Italië te bemachtigen.

In 't Oost-Romeinsche rijk zat destijds justiniSnus (527—565) op den troon, een keizer, die zich door werkzaamheid, zucht voor grootsche ondernemingen en de keuze van uitstekende staatsdienaren onderscheidde. Gedurende zijn regeering ontbrak het niet aan oorlogen. Zoo stevende zijn veldheer Belisarïus naar Afrika om het in verval geraakte Vandaalsche rijk (zie blz. 50) te veroveren. Binnen kort was de Vandaalsche macht vernietigd, en dit reeds vroeger niet talrijke volk ging in 534 te gronde. Hierop trok Belisarïus naar Sicilië, dat hij, gelijk mede Beneden-Italië, in korten tijd veroverde, vermits hij zich aan de inwoners als hun bevrijder van het vreemde juk voordeed. Welhaast bezette hij Rome, verdedigde er zich gedurende een geheel jaar met uitstekende bekwaamheid tegen de Gothen

-ocr page 68-

cn dwong toen Ravenna zich over te geven. Onverwachts werd de zegevierende veldheer teruggeroepen: Justinianus vertrouwde hem niet langer of werd naijverig op zijn roem. Dit gaf den Gothen moed, en zij heroverden weldra een deel van Italië.

Op de mare hiervan zond de keizer op nieuw Belisarïus naar Italië; maar met zijn klein, slecht uitgerust leger kon hij niets van belang ondernemen, en hij leide 't bevel neder. Narses verving hem aan de spits van een sterker en boter uitgerust leger. Tevergeefs betoonden de Oost-Gothen bij herhaling hun voormalige dapperheid; zij dolven hot onderspit, cn met 655 werd Italië een wingewest, gewoonlijk hel exarchaat, de buitenprovincie, genoemd, van het Oost-Romcinsche rijk. De zetel van den stedehouder of exarch, met welk ambt Narses thans werd bekleed, was to Ravenna. Niet lang evenwel bleef do Grieksche keizer in 't gerust bezit van Italië. Reeds onder de regeering van Justinianus' opvolger werd Italië do buit der Longoharden, dio vooral door de vruchtbaarheid van dit land werden gelokt cn in 568 onder hun koning alboin hierheen togen. Spoedig waren zij meester van liet binnenland van Roven- en Midden-Italië; doch de zeesteden bleven in 't bezit van de Grieken, cn nimmer verkregen do Longo-barden de heerschappij over hot gohcele land.

Justinianus beloonde zijn grooten veldheer, den hoogbejaarden Belisarïus, met ondank, hoewel de geschiedenis dier ongenade later is overdreven. Zijn eigen naam verheerlijkte de keizer door ondernemingen van verschillenden aard. De nijverheid ontving door het overbrengen der zijdeteelt uit Sina een nieuw voedsel. De op zijn last bijeengebrachte verzameling dor Romeinsche wetten werd het begin eener nieuwe orde van zaken. Het Romeinsche recht, zooals hot nu onder Justinianus werd geordend, is later door alle Christenrijken der Middeleeuwen, uitgezonderd door Engeland cn Denemarken, tot aanvulling hunner eigen wetten aangenomen.

Na den dood des keizers kwam de zwakheid van den staat steeds meer en meer aan 't licht. Een groot deel van Italië ging, gelijk wij zagen, verloren; Nieuw Perzen, Avarcn cn Arabieren doden menigvuldige invallen in het rijk. De eerstvolgende keizers tot 717 waren bijna alle onmcnschelijk wreed on weinigbetcckenend, en de Arabieren bedreigden niet zelden tot zelfs de hoofdstad Constantinopel. Wel lichtte in 717 een betere tijd aan met leo iii den isauriëb (uit Isaurië, ten w. van Lycaonië, in Klein-Azië, afkomstig, 717—741), die de Arabieren dwong met schade en schande het beleg der hoofdstad op te breken; maar ter kwader ure voor de rust van 'trijk vatte

-ocr page 69-

63

deze voor zijn tijd te vcrliclite keizer het denkbeeld op de in afgoderij ontaarde vereering der heiligenbeelden uit te roeien. Dit verbitterde de groote menigte der bevolking, het meerendeel der geestelijken en bovenal de tallooze monniken, die in zijn rijk woonden, en gaf in 726 aanleiding tot den langdurigen beeldenstrijd, welke tusschen do partij des keizers, beeldslormers, en die dor meeste geestelijken, de beeldendienaars, word gevoerd. Do verwarring, uit dozen onzaligen kamp voortgesproten, nam eerst een einde, toen de beeldendienst in 842 was hersteld.

§ 35.

De Arabieren. — Mohammed. — Van 571 to( 632.

De grootste schok, waarvan do gesobiedenis der zeventiende eeuw gewaagt, ging uit van de Arabieren, een volk, dat in zijn uitgestrekt schiereiland, door zeeën en zandwoestijnen algesloten, nooit vreemde overheerschers had gekend. Het binnenland van Arabië werd door talrijke horden Bedoeïenen, d. i. zwervende herdorsstaminen, doorkruist, terwijl daarentegen de steden aan de Arabische en de Perzische golf reeds vroeg een bloeionden handel met Indië, Perzië en Aogypte dreven. Do Arabieren leiden grootendeels hun afkomst af van Ismaël, een zoon van Abraham, en behooren dus tot den Seraietischen stam. Een vierkant gebouw te Mekka (in 't w. van Arabië) met een zwarten steen in het midden, beide Kaaba geheeten, was het nationaal heiligdom der onderscheiden stammen, welker godsdienst meest in het Sabaëisme (sterrodienst) bestond, terwijl ook enkele de Joodsche of de Christelijke leer waren toegedaan. Roofzucht en wraakgierigheid kenmerken 't volkskarakter, maar evenzeer eenvoudigheid, dapperheid, gastvrijheid, gestrengheid en geestdrift voor 't stoute en ongewone. Wanneer de Arabieren van een rooftocht in hunne tenten waren teruggekeerd, zongen zij liederen, die de daden van 't voorgeslacht verheerlijkten. Door Mohammed verkreeg dit volk een plaats onder de volkeren in do wereldgeschiedenis.

Mohammed (d. i. do geprezene) werd in 571 te Mokka geboren, behoorde tot het aanzienlijke geslacht der Hasehemieten en tot den stam Koreisch en was de zoon van Abdallah, een onbemiddeld man. Reeds jong een wees, werd hij door zijn oom Aboe Taleb tot den handel opgeleid. Als koopman deed hij vele reizen naar Syrië en zuidelijk Arabië. Op zijn vijfentwintigste jaar trad hij in dienst bij een rijke weduwe, Kaditseba, met wie hij weldra trouwde. Doch op

-ocr page 70-

(54

den duur behaagde hem het bedrijvige leven niet: naar lichaam en ziel met zeldzame gaven toegerust, peinsde hij over iets hoogers. Hierom onttrok hij zich meer en meer aim alle aardscho beslommeringen en gat' zich aan vrome bespiegelingen over. Zijn overdenkingen brachten hem tot het besluit het oude geloof aan éénen God te herstellen, dewijl de aanbidding der sterren en de verbasterde Joodsche eeredienst hem evenzeer mishaagden. Mot zijn levendige verbeeldingskracht en de hem aangeboren dweepzucht zag hij hemelsche verschijningen en wonderen. Dus hield hij zich, naar het schijnt, overtuigd, dat God hem tot dat werk had bestemd.

Sedert 615 verkondigde Mohammed openlijk zijn godsdienst, die den naam islaarn, d. i. berusting in Gods wil, draagt, terwijl zijn belijders moslemen (geloovigen) heeten. De voornaamste leerstukken van den islaam zijn: er is maar één God, Allah, en Mohammed is zijn profeet; Mozes en Christus zijn insgelijks goddelijke gezanten; het lot van eiken mensch is onveranderlijk in Gods eeuwig raadsbesluit bepaald; op de opstanding der dooden volgt een wereldgericht, waarna de goeden zullen worden beloond, de boozen gestraft. Tot de hoofdplichten der geloovigen behooren: weldadigheid en rechtvaardigheid; gebeden, vijfmaal 's daags met het gelaat naar Mekka gewend te houden; vasten; ten minste een bedevaart naar Mekka; de heilige oorlog of gewelddadige uitbreidifig van den islaam. In stoute beeldspraak wordt op het betrachten der plichten aandrongen: „Bidden voert halverwege tot God, vasten brengt tot den ingang des hemels, cn aalmoezen openen de poort.quot; „Het is beter den heiligen krijg te voeren dan zeventig jaar te huis te bidden, en hij, wiens voeten in de oorlogen des Heeren bestoven zijn, zal op den dag des gerichts verder wezen van de oorden der pijniging, dan de afstand bedraagt, welken de snelste ruiter in duizend jaren kan afleggen.quot; Ook voor 't burgerlijke leven bevat de Mohamedaansche godsdienst voorschriften. Diefstal wordt met het verlies der ééne hand, gelijk andere euveldaden met de straf der gelijke vergelding, jus talionis, bedreigd, waardoor de misdadiger zelf ondergaat wat hij een ander heeft aangedaan. Al de leerstukken zijn door Aboe Bekr, den eersten opvolger van Mohammed, bijeengebracht in den koran, d. i. het boek der openbaringen.

Reeds voordat hij met zijn nieuwe leer te voorschijn trad, hadden eenige verwanten en vrienden van den profeet ze omhelsd, als Kadit-scha, zijn neef Ali en Aboe Bekr, later zijn schoonvader. Zijn streven maar 'meer aanhangers vond echter veel tegenkanting, vooral onder

-ocr page 71-

zijn eigen stamgenooton, de Koroischioten, wier bespotting en haat hij zich op den hals haalde. Slechts met moeite ontkwam hij aan hun veelvuldige aanslagen op zijn leven. Toen eindelijk de Korcischieten, samengezworen om hem te vermoorden, op een nacht zijn woning omsingelden, vluchtte Mohammed uit Mekka naar Medina (ten n. o. van Mekka). Dit is de hedschmh of vlucht van den profeet, naar welke het begin dor Mohammedaansche tijdrekening op den 16l1011 Juli 622 is gesteld, op den dag, die tevens voor het tijdstip dor stichting van don Islaam wordt gehouden. Want te Medina nam het getal geloovigen aanmerkelijk toe; uit die stad begon men ook de eerste legertochten ter voortplanting van het geloof. Van nu aan ging het bekeeringswerk, hoofdzakelijk door middel van het zwaard, snel voort. Inzonderheid waren het eerst de talrijke Joden in Arabië, die gedwongen werden do Teer van den profeet aan te nemen. Ten laatste viel ook Mokka in 630 in handen dor Mohammedanen, en bij den dood van den profeet in 682 was bijna geheel Arabië, vrijwillig of gedwongen, zijn leer toegedaan en aan zijn heerschappij onderworpen.

§ 36.

De Arabieren onder de eerste khalifen, die uit het geslacht der Ommyaden en de eerste Ahhassïden. — Van 632 tot 809. — De ondergang van het rijk der West-Gothen in 711.

Reeds de eerste khalif, d. i. opvolger van den profeet, abok bekr, begon den islaam buiten zijn vaderland te verbreiden. Maar inzonderheid ging de tweede hunner, omar (634—644), op de baan der veroveringen voort. Hij ontrukte Syrië aan do Grieken, onderwierp Phoenicië, benevens Palaestina, en na de Grieken, die het be-heerschten, eenige malon te hebben verslagen, maakte zijn veldheer Amroe zich van Egypte en Alexandrië meester. Overdreven is het verhaal, dat Omar het verbranden der beroemde bibliotheek te Alexandrië te last legt. Zooals het luidt, moet hij Amroe, die hem over de bibliotheek raadpleegde, hebben geantwoord: „Verbrand ze, want óf deze geschriften bevatten wat in den koran staat, en dan zijn ze overbodig; óf er staat iets anders in, en dan zijn ze goddeloos.quot; waarop Amroe de badstoven met do boekwerken had laten stoken. Behalve de genoemde landen en een deel van Noord-Afrika bezweek ook het Nieu w-Perzische rijk, dat sinds 226 bestond, voordo macht der Arabieren. Na Omars dood werden de veroveringen op do Wijnne, Overzicht) 13de druk. 5

-ocr page 72-

fi6

noordkust van Afrika door hot bezetten vnn Bulgarije voortgezet. Tn 656 verkreeg ali, een zoon van Aboc Taleb en gemaal van Fatïtné, Mobammeds dochter uit zijn eerste huwelijk, het lang verwachte khalifaat; doch het bracht hem geen heil. Vele stedehouders stonden tegen hem op onder aanvoering van Moeawta, landvoogd van Syrië. Weldra viel hij door sluipmoord, en zijn zoon liet het khalifaat aan zijn tegenstander over.

Op die wijze kwam bet khalifaat met moeawia I (661—680) aan bet geslacht der Ommyaden. Onder dezen khalif, die den zetel van 't bewind naar Damascus (in 't z. van het oude Coele-syriö) verplaatste, werden niet alleen de grenzen van 't gebied in Afrika en in bet Oosten uitgebreid, maar werd ook de hoofdstad van het Byzan-tijnsche rijk meermalen aangetast. Zeven jaren achtereen zetleden de Arabieren in de nabijheid van Constantinopel troepen aan land, die deze stad aangrepen; doch gebrek, uitvallen der Grieken en hel Grieksche vuur, een thans onbekend mengsel van licht ontvlambare stoffen, dat door 't zeewater niet werd gebluscht en de vijandelijke schepen in brand stak, verhinderden telkens, dat zij werd ingenomen.

Mocawïa's opvolgers onderwierpen geheel noordwestelijk Afrika tot den Atlantiscben Oceaan. Vanhier staken de Muzelmannen naar Spanje over. Dit land hadden do (zie blz. 50) in zuidelijk Frankrijk gevestigde West-Golhen op de Suëven veroverd, terwijl zij hun gebied in Frankrijk langzamerhand aan de Franken verloren en daarom den zetel der regoering naar Tolüdo (in Spanje, aan den Taag) verplaatsten. Een van de laatste koningen der West-Gotbcn was witiza. Zijn opvolger was u one rik. Tegen hem trok de veldheer der Mohammedanen, Tarik, met een leger naar Spanje overstekende, op. Niet ver van kaap Trafalgar werd in 711 een slag geleverd, waarin beide volken in moed en volharding wedijverden. Toen echter koning Roderik ten laatste spoorloos was verdwenen, ontzonk den West-Gothen de moed geheel, en zij ruimden met groot verlies het slagveld. Thans waren de Arabieren meester van het grootste deel van Spanje. Slechts in het gebergte van het noordelijk gedeelte konden dc Gothen bun onafhankelijkheid handhaven.

De zwakheid van de laatste khalifen uit bet huis der Ommyaden en de groote uitgestrektheid van het rijk, dat in 't oosten aan den Indus paalde, maakten het voor hun tegenstanders gemakkelijk den troon te ondermijnen. In 750 bracht aboel abbas, een achterachterkleinzoon van Abbas, een oom van den profeet, het khalifaat in het geslacht der Abhasmlen over. De ongelukkige Ommyaden wcr-

-ocr page 73-

fi7

den tot in luin laatste schuilhoeken vervolgd en gedood, zoodnt men verzekert, dat er maar één van hen, Abd Err a hm an, in 't leven bleef. Naar Spanje ontkomen, ontrukte hij dit gewest aan de Abbassïden en grondvestte er in 756 voor zijn geslacht oen onafhankelijk emiraat (later khalifaat) te Cordova (aan de Guadalquivir).

De Abbassïden schonken aan de Arabische heerschappij een tijdperk van luister, niet alleen door veroveringen, maar vooral door de zegeningen des vredes, door het handhaven van gerechtigheid en door de bevordering van kunsten, als van bouw- en dichtkunst, en van wetenschappen, als van wijsbegeerte, wis-, genees-, sterre- en scheikunde. Tegen deze lichtzijde staken andere verschijnsels, aan de Oostersche rijken eigen, donker af: willekeur der beheerschers, schitterende glans der hoofdstad, opstanden der stadhouders en verslapping van menigen khalif. Bagdad (aan de Tigris) werd de hoofdzetel der Abbassïden. Onder hen is haroen (786—809), die den bijnaam AIj raschid, d. i. den rechtvaardige, draagt, bijna even beroemd als zijn tijdgenoot Karei de groote in het Westen, en moge rechtvaardigheid ook niet al zijn daden hebben gekenmerkt, hij blijft een uitstekend man voor zijn eeuw.

§ 37.

Het Frankische rijk onder de Merovingi'èrs en onder de Karolingische huismeiers tot hel koningschap der Karolingiérs. —

Van 481 tot 763.

De Franken, oorspronkelijk eeno vereeniging van een zeker aantal Duitsche volksstammen, bestonden sedert de vierde eeuw, toen zij het Noorden van Gallië vermeesterden, uit twee afdeelingen, de Sali'érs, die allengs de heersehers werden, en de Ripuariêrs. Eerst werden zij nu eens gezamenlijk, dan weer afzonderlijk door heidensehe koningen geregeerd, o.a. door Merovaeus, naar wien het Frankische koningsgeslacht van don Salischen stam den naam Merovingi'èrs voert, en Cbilderik, Met den zoon van Childerik, Clovis (Klodwig) I, begint eerst de zekere en samenhangende geschiedenis der Franken. Clovis I (481—511), koning van een deel der Salische Franken, een krachtig man, vereenigde langzamerhand alle stammen onder zijn bewind en werd daardoor de stichter van het groote Frankische rijk. Toen hij het bestuur aanvaardde, was zijn gebied aan alle zijden door onafhankelijke volken omringd, van welke hij er vele onder-

-ocr page 74-

GS

wierp of afhankelijk maakte. De Alemannen versloeg hij in 496 bij Zülpich (ten z.w. van Keulen), waarom zij hem als opperheer erkenden. Daar Clovis, tot dusverre heiden, in dezen slag de belofte had afgelegd zich te laten doopen. indien de God der Christenen hem de zege verleende, nam hij nog in 't zelfde jaar te Rheims (ten n.o. van Parijs) met vele Franken het katholiek geloof aan, d. i. zooals het door de kerkvergadering te Nicaca in 325 (zie blz. 48) was vastgesteld, waarbij de volkomen godgelijkheid van Christus met den vader was aangenomen, en do Arianen, die ze ontkenden, waren veroordeeld. Zoo men wil, bracht zijn Bourgondische gemalin Clotilde, die dezelfde leer was toegedaan, hot hare tot deze bekeering bij. Ton gevolge hiervan ging allengs het geheele volk tot het Christendom over. Den West-Gothen liet Clovis van hun gebied in Frankrijk niets over dan don kustenzoom tusschen de Pyrenaeën en de Rhöne. Zóó liet hij bij zijn dood in 511 een rijk na, dat bijna geheel Frankrijk, een groot doel van Duitschland en de Nederlanden omvatte.

Clovis' zonen en kleinzonen verdeelden telkens het rijk onder elkander, van welke beide hoofddoelen het eene Austrasi'é of het oostelijk land, d. i. alles, dat aan den rechteroever van den Rijn lag, benevens do linkeroever tot aan de Maas, hot andere Neustri'é, het westelijk land, heette. Onder de regeoring dezer vorsten nam het groote gebied der Franken nog in uitgebreidheid toe, hoewel de veerkracht der vorston verzwakte en zij aan groote ondeugden waren overgegeven. Hierdoor komt het dat hun geschiedenis uit niets dan uit oen bijna onafgebroken reeks van schandelijke misdaden, van burger- en broederoorlogen bestaat. Welhaast werden het aanzien en de macht van 't koningschap zoozeer ondermijnd, dat in hun plaats de hofmeiers (major domus, de eerste huisbediende), oorspronkelijk slechts opzichters over de koninklijke bedienden en goederen, regeerden en alles vermochten, inzonderheid toen hun waardigheid in het Karolingische geslacht erfelijk werd.

De eerste van hen, die op deze wijze in naam des konings het erfelijk bewind zoowel over Austrasië als over Neustrië voerde, is PEPIJN van i-iKBiSTAL, alzoo genoemd naar zijn burgt, thans een vlek (ten n.o. van Luik). Op hem volgde zijn onechte zoon ka rel, wegens zijn persoonlijke dapperheid Martell, d. i. do strijdhamer, genoemd, die in 732 in den slag tusschen Tours (aan de Loire) en Poitiers (ten z.w. van Tours) op de uit Spanje in Frankrijk binnengedrongen Mohammedanen zulk een schitterende zege behaalde, dat hot grootste gedeelte van 't leger dor vijanden op het slagveld bleef.

-ocr page 75-

69

Pepijn de korte was sedert 741, toen Karei Martell stierf, erfgenaam van de macht zijns vaders. Hij geloofde verdiensten genoeg omtrent het rijk te hebben verworven otn den koningstitel te kunnen voeren. Daarom liet hij paus Zacharïas vragen, of het met Gods wil overeenkomstig was, dat hij, die werkeloos te huis zat, koning heette, dan of die titel niet veeleer hem toekwam, welke den last der regeering torsehte. De paus, reeds lang door de Longobarden benauwd en voor zich en de kerk veel goeds van een verbintenis met den machtigen Frankischen vorst hopende, antwoordde overeenkomstig Pepijns wensch. Toen werd hij in 752 te Soissons (ten n.o. van Parijs) in een plechtige volksvergadering op een schild opgeheven ten teeken dat men hem als koning had gekozen. cirilderik m, de laatste der Merovingiërs, werd daarentegen onttroond en, naar do wijze der monniken, met kaalgeschoren kruin in een klooster gezet. Op deze wijze ging alzoo de koninklijke waardigheid van de Merovingiërs over op de Karolingiërs, die hun naam ontleenden aan den beroemdsten vorst uit hun huis. Karei den groote.

§ 38.

Het leenstelsel en het Christendom onder de Duitsche volkeren. — Hel pausdom en de scheuring der katholieke kerk.

Sedert de Duitschers vaste woonplaatsen in het Romeinsche rijk hadden gekregen, ontstonden in hun levensbetrekkingen menigvuldige veranderingen, die welhaast zeer gewichtige gevolgen hadden. Hiertoe behoort vooral do ontwikkeling van het leenstelsel. De Duitschers ontnamen in de landen, waar zij zich vestigden, den bewoners gewoonlijk een of twee derde deelen van hun eigendom, zoowel in land en woningen, als in slaven, enz. Een uitzondering op dit gebruik maakten de Franken. Overal, waar zij veroveringen maakten, lieten zij de overwonnenen in 't bezit van den grond, dien zij hadden. Er bleef, dewijl in de veroverde landen de bevolking nergens zeer dicht was en het voortdurend oorlogen ze bovendien zeer deed afnemen, •land genoeg over voor de overwinnaars. Al het land nu, dat in de veroverde streken geen eigenaar had, viel aan den koning der Franken ten deel. Op tweederlei wijze beschikte hij er over. Óf hij behield het voor zich en maakte het alzoo tot staatseigendom of domein (goed van den landsheer), of hij stond het in vollen eigendom aan zijn onderdanen af. Het aldus verkregene, zijnde alzoo vrij en erfelijk eigendom, heette alocUxm.

-ocr page 76-

70

Langzamerhand kwam nog een andere wijze van schenken in gebruik. Wanneer, is niet juist te bepalen; maar moge zij onder de Merovingiërs ook al nu en dan zijn voorgekomen, eerst onder de Karolingiërs werd zij zeer algemeen. Zij, die veel grond bezaten, alzoo bovenal de kerk en de koning, stonden een deel van hun goed in vruchtgebruik af. Zoodanig stuk land werd met een Latijnsch woord beneficium (weldaad) genoemd. Persoonlijke verplichtingen jegens den eigenaar sproten uit deze manier van verleenen niet voort. Op deze wijze had de koning een middel om velen aan zich te verbinden.

Met de toenemende gewoonte der koningen om goed op de een of andere wijze uit te deelen werd van lieverlede een van oudsher bestaand gebruik in verband gebracht. Dit was hierin gelegen dat men zich op plechtige wijze ter beschorming overgaf of aanbeval aan een machtig man, b.v. aan den koning. Dergelijke handeling noemde men rommendalio, d. i. aanbeveling. De naarn van hen, die zoodanige bescherming inriepen en verwierven, was vazallen. Hij, die de bescherming verleende, werd dominus (heer) genoemd. Allengs werd het een vast gebruik aan geen ander een beneficium te geven, dan aan hem, die door de eommendatie vazal werd. Hetgeen als beneficium werd gegeven was niet alleen land. Onder de Karolingiërs word het hoe langer hoe meer gebruikelijk ook tollen, 't recht van visscherij, kerken, kloosters en ambten, zooals dat van graaf, als beneficiën te schenken.

Uit beneficium nu en commendatio ontstond wat men gewoon is het leenstelsel te noemen. De hoofdtrekken van dat leenstelsel, hetwelk bij de Franken tot volledige ontwikkeling kwam en van hen op vele latere Europeeschc rijken overging, zijn de volgende.

Zulk een landgoed of recht, dat veelal werd verleend ter belooning van den een of anderen dienst, als krijgsman of hoveling bewezen, heette leen (beneficium). Hij, die goed in leen gaf, heette leenheer] die het ontving leenman of vazal, en hij, die weder een deel van 't leen van een vazal in leen ontving, achterleenman of vavazal. De leenen konden of voor een zekeren tijd, en dan moestal voor het leven, worden gegeven, of zij waren erfelijk. Het leenstelsel kreeg een nog grooter uitbreiding, doordien vrije grondeigenaars hun alodïum nu en dan van den koning in leen namen, na hem eerst hot eigendom daarvan te hebben afgestaan. Do leenman was gehouden voor do oor en de veiligheid van don leenheer zorg to dragen. De mate van krijgsdienst hing van de grootte van het leen af. Daarentegen was de leenheer gehouden den leenman in zijn rechten en eer te beschermen. Door

-ocr page 77-

71

meerdere uitbreiding omvatte het leenstelsel langzamerhand liet ge-heele volk in verschillende trappen, als vazallen, hofhoorigen, lijfeigenen. Door lecnen en aehterleenen was ieder van meer aanzien leenheer of leenman, dikwijls beide, terwijl de groote massa der bevolking, onder den naam van hofhoorigen en lijfeigenen, in meerdere of mindere mate of geheel van burgerlijke en persoonlijke rechten was verstoken en onder de willekeur der heeren gebukt ging. Daardoor verdween de oude gelijkheid van allen, die in de eerste eeuwen onder de Duitschers in 't algemeen, alzoo ook onder de Franken, had bestaan. Hoewel de koning alleen bij keuze zijn waardigheid bekwam, gold toch bij de Franken de oud-Germaansche regel, dat de zoon den vader opvolgde. Uit do graven en de hertogen, alsmede uit de aanzienlijke geestelijken, die eveneens landgoederen in leen kregen, werden de rijksstenden samengesteld, welke de vroegere volksvergadering der vrije mannen vervingen en waarmede de koning dikwijls over openbare aangelegenheden raadpleegde.

De Duitschers leerden het Christendom deels bij de door hen van hun macht en van hun gebied beroofde Romeinen, deels door de edele mannen kennen, die, hun vaderland verlatende, naar de wouden der barbaren togen ten einde er onder allerlei ontberingen en vervolgingen de leer van Christus te verkondigen. Deze mannen kwamen sedert het begin der zevende eeuw grootendeels uit Engeland en Ierland. Met den meesten ijver predikte de Angelsaks winfried, met een Latijnschen naam bonipacïus geheeten, de apostel der duitschers. Hij bekeerde inzonderheid de Hessen en de Thuringen, stichtte vele kerken en bisdommen, o. a. te Fulda (in Keur-Hessen), en werd zelf de eerste aartsbisschop van Maints (aan den Rijn). Later legde hij deze waardigheid neer om onder de Friezen het Evangelie te prediken. Nabij Dokkum (in 't n.o. van Friesland) vond hij den 5lleri Juni 755 den dood des martelaars.

Daar Bonifacius, door paus Gregorius II gemachtigd, getrouw aan zijn eed, allo bekeerde volkeren aan het geestelijk oppergezag van den paus onderwierp, werden die volkeren tevens steunpilaren der pauselijke oppermacht. De titel paus, van pappas of papa, d. i. vader was oorspronkelijk allen bisschoppon gemeen geweest. Maar sinds Gregorius I den groote (590—604) werd het meer en meer gebruikelijk dien alleen aan den bisschop van Rome toe te kennen. Tot dusverre was deze bisschop doorgaans wel als de eerste onder zijns gelijken erkend; doch van nu aan verbond men met dien titel het begrip van een oppermacht en een oppertoezicht over de kerk.

-ocr page 78-

Hierdoor groeide de sedert de dagen van Constantïnus den groote (zie blz. 47, 48) zichtbare ijverzucht tegen den patriarch te Constantinopel aan. Daarenboven had zich gedurig verschil in de gebruiken geopenbaard, zoodat, na langdurige spanning, in 1054 de katholieke ofalge-meene kerk in de Latijnsche en de Grieksche werd gesplitst, do eerste met Rome, de tweede met Constantinopel als zetel.

§ 39-

Hel Frankische rijk onder de Karolingische koningen Pepijn en Karei den groote. — De bekeering en de onderwerping der Saksen. — Van 752 tot 814.

Kort na bet afzetten van Childerik lil wendden zich de Longo-barden tegen Rome en tegen paus Stephanus III, die de hulp van pepijn dkn korte (752—768) inriep. Door een verschrikkelijke verwoesting van het land der Longobarden en door de belegering hunner hoofdstad Pavïa (ten n.w. van Piacenza) dwong de koning der Franken in 755 den vijand tot het opbrengen eener schatting en het afstaan der op de Grieken veroverde landen, die bij Bologna en Ancona (in 't n.o. van Italië), aan de kerk, d. i. aan den paus. fiierdoor bekrachtigde hij het bestaan van den Kerkelijken staat, als wereldlijke heerschappij, waarvan reeds vroeger de grond was gelegd.

Op hem volgde zijn zoon, ka hel de groote (768—814), een dier buitengewone menscben, die onze bewondering tot zich trekken en wier gebreken men bij het herdenken hunner veel grootere verdiensten gaarne vergeet. Uitmuntend als veldheer, vorst en mensch, beraamde hij het eerst het grootsehe plan al de Duitsche volksstammen door den Christelijken godsdienst en onder één bestuur te vereenigen. Naast de Franken waren toen de Saksen de krachtigste Duitsche volksstam, die zich over een groot deel van noordwestelijk Duitseh-land uitstrekte. Zij waren nog streng gehecht aan de Oud-Germaanschc gebruiken en met lijf en ziel verkleefd aan den heidenschen afgodendienst. Door de rooftochten, die zij ouder gewoonte in het Frankische rijk ondernamen, gaven zij de koningen der Franken veelvuldige aanleiding tot oorlog.

Karei begon in 772 do lange reeks der dikwerf afgebroken oorlogen tegen de Saksen, die ruim dertig jaar duurden. Zoo vaak andere

-ocr page 79-

73

oorlogen den koning bezig hielden, liepen de Saksen, ofschoon telkens overwonnen, onder Witte kind, den aanzienlijkste der Saksische aanvoerders, weer te wapen. Nauwelijks was do eerste tocht afgeloo-pen, of paus Hadrian us I riep Kareis hulp in togen Desiderius, koning der Longoharden. Karei liet zich niet lang wachten en sloeg het beleg voor Pavïa, dat zich weldra overgaf. Hiermede was in 774 do onderwerping der Longoharden aan het rijk der Franken voltooid; hun koning verwisselde de kroon met de monnikskap.

Op den rijksdag, dien Karei in 777 te Paderborn (in 't o. van Westphalen) hield, kwam een gezantschap Arabieren, tegenstanders der Spaansche Ommyaden, den bijstand van Karei tegen khalif Abd Errahman (zie blz. 67) inroepen. Gretig naar kamp tegen de ongcloo-vigen, voldeed hij aan dit verzoek en veroverde bijna al het land van de Pyrenaëen tot de Ebro, waaruit de Spaansche mark (grensgewest) van het Frankische rijk werd gevormd. Nog voordat Karei uit Spanje was teruggekeerd, waren do Saksen op nieuw opgestaan. In hevigen toorn hierover ontstoken, liet Karei vierduizend vijfhonderd hunner aanzienlijkste mannen, die voor hem verschenen, nederhou-wen, een daad, die zich niet geheel door de woestheid der eeuw laat verontschuldigen. Op de mare van deze snoode wraakoefening stond het geheele volk tegen de gehate Franken op, en eerst nadat Witte-kind zich in 785 had laten doopen, was de kracht van don opstand gebroken, fn 804 volgde hun volledige onderwerping en beloofden zij bij het Christendom te zullen volharden. De verplaatsing van tallooze scharen Saksen naar andere streken van het Frankische gebied was inzonderheid het krachtige middel, dat Karei tegen herhaling van opstand aanwendde. Ook tegen de Avaren, in 't land ten o. van Beieren (d. i. het tegenwoordige Oostenrijk en Hougarije), trok Karei te velde. Na vele kruistochten ontnam hij hun het land tus-schen de Ens en de Raab (twee bijstroomen aan den rechteroever van den Donau). Dit werd de Oostenrijkscl\e mark.

Zooveel heldendeugd en overwinningen, zoovele diensten, in den strijd tegen heidenen en Mohammedanen aan het Christendom bewezen, maakten Karei den roem en de bewondering der volkeren, do toevlucht der zwakken. Hot was dus niet vreemd, dat, toen hij paus Leo Hl eens een persoonlijken dienst had bewezen, deze paus en het volk te Rome hem, om zijn aanzien te vergrooten, met een nieuwen titel vereerden. Bij een processie word Loo III eens door een hem vijandige partij gruwelijk mishandeld. Karei snelde naar Rome en hield een statige rechtszitting: zij, die zich aan don paus

-ocr page 80-

74

hadden vergrepen, werden verbannen. Hierop zotte de paus hem in 800 op kerstdag, juist toen hij voor liet altaar in de St. Pieterskerk knielde, plechtig Rome's keizerskroon op het hoofd. liet talrijk verzamelde volk riep den Frankischen koning als keizer uit, en de sedert 476 in het Westen afgeschafte keizerlijke waardigheid werd hersteld. — Gedurende zijn laatste levensjaren kampte de keizer nog met geluk tegen de Denen en de Slaven, zoodat zijn uitgestrekt rijk toen ten n. door de Eider (de grens tusschen Denemarken en Duitsehland) en de Oostzee, ten z. door den Tiber en de Middellandsehe Zee, ten o. door de Elbe en de Raab, ten w. door de Ebro en den Atlantischen Oceaan werd begrensd.

§ 40.

Kareis binnenleinehch bestuur.

Hoe uitstekend Karei ook als krijgsman moge zijn geweest, hij is nog grooter als regent. Onophoudelijk strevende naar zijn verheven doel, de uitbreiding van 't Christendom, dat in zijn tijd noodwendig gepaard ging met priesterheerschappij en kerkpraal, stichtte hij zeer vele bisdommen, o. a. te Paderborn, te Osnabrück (aan de Hase, een zijtak van de Eems), te Bremen, te Munster, enz. en richtte overal scholen op. Een kring van uitmuntende geleerden verzamelde hij rondom zich, zoowel om zichzelf als om zijn volk te beschaven. Onder hen was de Angelsaks Alcuin, dien hij innig hoogachtte. Zeer zorgde Karei voor de beschaving der Duitsche taal, waarin hij vele preeken der kerkvaders liet vertolken. Eveneens ijverde hij voor de beoefening der bouwkunst. Op vele plaatsen stichtte hij kloosterscholen , en aan zijn hof was een bijzondere inrichting van onderwijs voor do zonen zijner dienaars. Hij was gewoon die zelf te bezoeken. Eens bevond hij, dat de aanzienlijkste kinderen de onbekwaamste, de armere de bekwaamste waren. Toen zeide hij tot dezen: „Hebt dank, mijn zonen, dat gij er u op hebt toegelegd mijn bevelen ten uwen nutte naar do mate uwer krachten na te komen. Streeft thans alzoo naar de volmaking; dan zal ik u heerlijke bisdommen en kloosters geven, en gij zult altijd in mijn oog hooggeëerd zijn. Maar gij — en hiermede wendde hij zich tot de anderen, die ter linkerzijde geschaard stonden, — gij, knapen, die u voor zoo aanzienlijk houdt en meent geen kennis noodig te hebben, gij trage, nuttelooze jongens, ik zeg het u, uw adel en uw fijne gezichten helpen picts bij mij, en gij hebt niets goed te hopen, wanneer gij uw

-ocr page 81-

75

luiheid niet door ijver vergoedt.quot; Do landbouw, dien hij doels door nuttige voorsehriften, deels door zijn eigen voorbeeld bij het bebou-Aven zijner landgoederen bevorderde, ontging evenmin het oog des keizers, als de koophandel; Bremen, Augsburg en Keulen worden, als stapelplaatsen voor het ruilen der waren, bloeiende koopsteden.

Fn het staatsbestuur maakte de keizer menige verandering. Vaste hertogen over de afzonderlijke natiën (zie blz. 79) komen, behalve in oorlogstijd, onder Karei niet meer voor. Over de gouwen, waarin het rijk was verdeeld, werden graven, in de grensgewesten of marken markgraven aangesteld. Onder de beambten aan het hof waren de kanselier en de paltsgraaf (paleisgraaf), die den hofmeier vervingen, de gewichtigste. De eerste stond aan 't hoofd der geestelijke zaken; de laatste leidde de wereldlijke aangelegenheden. Vermits Karei ieder volk, ten minste gedeeltelijk, naar zijn eigen wetten wilde laten leven, bekrachtigde hij de oude rechten en gewoonten der verschillende natiën, over welke hij 't bewind voerde. Op de rijksdagen, Meivelden, meestal slechts door de leenmannen en door do hooge geestelijkheid bijgewoond, beraadslaagde men over oorlog, vrede cn wetten. In zijn levenswijze was Karei eenvoudig, in hot drinken zeer matig, minder in hot eten, ijverig in zijn studiën, de rekenkunde, het Griekseh en do Latijnscho taal. Met het schrijven, d. i. het maken of torneerstellon van lettors, was hij to laat begonnen om er vorderingen in te maken. Hoe velerlei voor 't overige ook zijn werkzaamheden waren, uitermate nauwkeurig was hij, zelfs in de kleinigheden van het dagolijksch leven. Nog bij zijn leven was do roem zijner voortreffelijke eigenschappen en daden tot in het verre Oosten doorgedrongen. Khali Haroen al Raschid vereerde hem kostbare geschonken, zooals oen olifant on oen kunstig bewerkt slaguurwerk, waarvoor Karei hem uitmuntende jachthonden on fijn linnen terugzond. Karei stierf in Januari 814 en werd te Aken (in Rijn-Pruisen, ten z.w. van Keulen) in een steenen kapel bijgezet.

-ocr page 82-

TWEEDE TIJDVAK.

van den dood van haroen al raschid en ka rel den qroote tot den tijd van guegorius VII (1078—'1085) en tot het begin der kruistochten. — van 809 en 814 tot 1096.

§ 41.

Dc Karolingische koningen van het rijk der Franken lol het afzetten van Karei den dikke, van 814 tot 887 en 888. — Het verdrag van Verdun in 843,

Met den dood van Karei den groote begon reeds de slooping van 't groote rijk, dat zijn moed, zijn vaste wil, zijn wijsheid en door-ziclit hadden gesticht. De zwakheid en weifeling van zijn zoon en opvolger l ode wijk, wegens het nauwgezet waarnemen der uiterlijke plichten van den godsdienst de vrome geheeten (814—840), de eigenbaat der groote vazallen, die er alleen op bedacht waren om hun macht ten koste van de rechten des keizers uit te breiden en hun bezittingen te vermeerderen, benevens de strooptochten van bui-landscho vijanden brachten het rijk ten val.

Doordien Lodewijk de vrome, hoezeer uitmuntende door groote rechtschapenheid en beschaving, alle menschenkennis en zelfstandigheid miste, werd hij geheel afhankelijk van hen, die hem dagelijks omringden, inzonderheid van de geestelijken. Reeds in het derde jaar zijner regeering verdeelde hij het rijk onder zijn drie onmondige zonen, Lotharïus, Pepijn en Lodewijk, doch zóó, dat zij hem, als vader en keizer, bij voortduring moesten gehoorzamen. Na den dood zijner eerste gemalin ging hij oen tweede huwelijk aan met Judith, een dochter van den Beierschen graaf Welf I. Dit tweede huwelijk werd de bron van tallooze rampen. Judith wist den keizer te overreden ten behoeve van den uit dit huwelijk gesproten zoon. Karei den kale, bij herhaling het rijk op nieuw te verdeelen. Verbitterd, vatteden de oudere zonen dan telkens de wapenen tegen Lodewijk op. In 833 gaf de vader zich op het leugenveld (bij Colmar, in 't o. van Frankrijk) aan zijn drie zonen over, daar zijn leger door listige toespraak van paus Gregorius IV, die met zijn zonen heulde, zeer was verloopcn. Hierop noodzaakte Lotharïus zijn ouden vader in do kerk te Compiègno (ten n.o. van Parijs), knielend en in een boetge-

-ocr page 83-

77

waad gehuld, openlijk zijn zonden te belijden. De monnikspij ann to nemen, hiertoe was echter Lodewijk, in weerwil van den sterken aandrang zijner zonen, niet te bewegen. Doch weldra ontwaakte een beter gevoel in Lodewijk en in Pepijn: aangemoedigd door de volksstem, gingen zij hun broeder te keer en herstelden hun vader op den troon.

Nadat Lodewijk de vrome en zijn zoon Pepijn waren overleden, zetteden de broeders den strijd om het erfdeel onder elkander voort. Tegen Lotharhis vereenigdon zich Lodewijk en Karei en bestreden hem onafgebroken tot 843, toen hel wegens zijn gevolgen zoo gewichtige verdrag van Verdun (ten z.w. van Luxemburg aan de Maas) tot stand kwam, van wolk tijdstip men het staatsbestaan van Duitsch-land en van Frankrijk dagteekent. Hierbij verkreeg lotharïus Italië en de keizerskroon, benevens Midden-Frankenland, d. i. de smalle streek lands, die, Oost- van West-Frankenland scheidende, van de Noordzee langs den Rijn, de Schelde en de Maas tot de samenvloeiing van de Rhone en de Saóne loopt, waarvan de noordelijke streek later Lotharingen, de zuidelijke het Hoog-Bourgondische rijk werd genoemd, benevens de landstreek, welke zich vandaar langs de Rhone tot de Middellandsehe Zee uitstrekt (het latere koninkrijk Provence, zie blz. 78). Lodewijk, die van nu aan den bijnaam den duitscheh draagt, bekwam Oost-Frankenland of het eigenlijke Duitschland, waartoe op den linker-Rijnoever slechts de bisdommen Maints, Worms en Spiers met hun omstreken behoorden. Kakel den kale eindelijk werd West-Frankenland, 't latere Frankrijk, toegewezen. Alzoo behoorden de landen, die thans Nederland uitmaken, grootendeels aan Lotharïus, de overige aan Karei, terwijl zij later mot Lotharingen aan Duitschland kwamen.

De nieuw ontstane rijken werden van buiten onophoudelijk bestormd door de Arabieren uit Spanje, door de Slaven en door de Noormannen of bewoners van Skandi,aavië. Binnen de grenzen zeiven veroorzaakte de stijgende macht der groote vazallen veelvuldige woelingen. Vooral waren het de Noormannen, voor wie de twisten van Lodewijk den vrome mot zijn zonen den toegang tot het rijk hadden geopend. Van den beginne aan werden de staten der drie gebroeders, met name de Nederlanden, voortdurend door deze woeste horden overvallen, die hun weg door roof en doodslag kenmerkten. De stroomen opvarende, drongen zij in het binnenland door en verwoestten telkens overal, waar ze verschenen, de steden en het platteland. Gelijk Frankrijk echter het meest van hen had te lijden,

-ocr page 84-

dewijl hun daar hot minst tegenstand werd geboden, had Duitschland bovendien nog oen gelijke plaag te verduren, die der Slaven.

De Karolingiërs stierven spoedig na elkander in alle drie linten uit, de nakomelingen van Lotharïus reeds in 875, waarop in Italië langen tijd regeeringloosheid heersehte. In Frankrijk werd, na het bewind van Karei den kale, van zijn zoon en van twee zijner kleinzonen, een derde onmondige kleinzoon ter zijde geschoven. In zijn plaats toch koos men tot koning ka rel den dikke (876—887 en 888), een zoon van Lodewijk den Duitscher, die sedert 882, door den dood zijner broeders, aclitereenvolgens geheel Duitschland, benevens de schatplichtige Slavonische rijken Bohemen en Moravië in bezit kreeg. Hierbij was bovendien de keizerskroon gekomen, gelijk mede, door 't overlijden der gansche nakomelingschap van Lotharïus I, de geheele erfenis van dezen koning, d. i. Midden-Frankenland en Noord-Italië, zoodat Karei de dikke nog eens voor korten tijd op een klein gedeelte na het geheele rijk zijns stamvaders Karei den groote onder zijn schepter vereenigde. Het eenige toch, dat er aan ontbrak, was Provence, ook wel het Cisjuraansche of Neder-Bourgondische rijk genoemd, dat tot een onafhankelijk koningrijk was verheven, de landen bevattende tussehen de Jura, de Alpen, de Middellandsche Zee en de Rhone. Maar dewijl Karei de dikke de man niet was om een zoo zvvaren last te torschen, als het bestuur van al die landen in zulk een onrustigen tijd, werden de Duitschers het bewind van den zwakken vorst ras moede: in 887 werd hij afgezet en zijn neef Arnulph van Karinthië (ten o. van Tyrol) tot koning verkozen. Ook de Franschen vielen in 888 van hem af en kozen odo, graaf van Parijs, tot koning. Van denzelfden tijd dagteekent het Transjuraansehe of Hoog ■Bourgondische koninkrijk, gelegen tussehen het Jurngebergte, de Alpen, de llhóne en de Saóne.

§ 42.

Dc laatste Karolingiërs in Duitschland, Italië en Frankrijk, van 887 tol 911, 923, 987. — Duitschland onder den Frankischcn Koenraad I en de eerste vorsten uit hel Saksische huis, van 911 tot 973.

Arnulph (887—899) versloeg de stroopende Noormannen in 891 bij Leuven (in 't vroegere Zuid-Brabant); docli om de slaven in Bohemen en Moravië te kunnen bedwingen riep hij een ander vijand der be-

-ocr page 85-

schaving, dc Magyaren of Hongaren, zooals de Duitschers hen weldra noemden, daarbinnen, welke sedert dien tijd veelvuldige strooptochten in geheel Zuid-Duitschland deden. Met Arnulphs zoon, lodewijk het kind, stierf de Karolingische stam in t)ll in Duitschland uit. Kort daarna, in 923, stierven de Karolingiërs in Italië uit met Berengarïus van Friaul (een landstreek ten n.o. van Venetië), een kleinzoon van Lodewijk den vrome, die de heerschappij over Opper- en Middel-Italie tot zijn dood had weten te handhaven.

In Frankrijk daarentegen scheen het Karolingische huis weer te verjongen; maar deze schijn was bedriegelijk. Na den dood toch van Odo erkenden alle grooten des rijks den kleinzoon (zie hlz. 78) van Karei den kale. Ka rel den eenvoudige (898—923 afgezet, 929 overleden), als koning. Vennits hij echter, bij gebrek aan wilskracht, niet genoeg schatten en goederen bezat om zich daarmede vrienden te verwerven, beschouwden de graven en do hertogen, die den koning in macht verre overtroffen, zich als heeren en eigenaars van het land. Het getal dezer vazallen, onder welke Robert van Parijs, Odo's broeder, een der aanzienlijkste was, werd nog vermeerderd, doordien de koning in 912 aan Rollo, den meest geduchten aanvoerder der Noormannen, die werd gedoopt en den naam Robert aannam, het hertogdom Nurmandi'é, benevens het opperleengezag over Bretagne, afstond. De opvolgers van Karei den eenvoudige hadden zoo weinig gezag, dat zij als onder 't regentschap der grootc leenmannen stonden. En na het overlijden van don laatsten Karolingischen koning, lodewijk v, den doeniet, word, mot uitsluiting van een ander afstammeling uit dat geslacht, de kleinzoon van Robert van Parijs, uugo ca pet, hertog van Francië (een hertogdom, dat Parijs en omstreken bevatte), in 987 door do moeste Noord-Fransche heeren als koning verkozen.

In Duitschland was het, bij het uitsterven van den Karolingischen stam (911), niet onnatuurlijk, dat er van de allengs weder opgekomen hertogen (zie hlz. 75) der vijf groote hertogdommen, waaruit het rijk bestond, één als koning werd gekozen. Van deze hertogdommen, die naar de door overoude verscheidenheid van stam en onderlinge ijverzucht verdeelde hoofdnatiën, Saksen, Frankenland, Beieren, Zwa-ben of het land der Alemannen en Lotharingen boeten, waren de beide eerstgenoemde de machtigste. Men koos koenraad I, hertog der Franken, na wien de koningstitel in 919 met hen du ik I op hei huis der Saksen overging. Deze vorst bracht de Hongaren, na langdurige oorlogen met hen te hebben gevoerd, in 933 nabij Morse b u r g (ten w. van Leipzig) een bloedige nederlaag toe. De eerste,

-ocr page 86-

die in vollen zin koning kon heeten, was Hendriks zoon, otto i of de grqote (936—973), die de hertogen aan onvoorwaardelijk gehoorzaamheid gewende, de meeste hertogdommen aan zijn eigen huis bracht en in 955 op het Leehveld (bij Augsburg) eon zoo schitterende zege op de Magyaren behaalde, dat de Duitschcrs in 't vervolg voor immer rust van deze barbaren hadden. Ook trok hij, om het Romeinseh-Duitsche keizerschap te herstellen, naar Italië, waar verschillende mheemsche en buitenlandscbe vorsten elkander tot dusver do heerschappij hadden betwist, en ontving te Milaan de ijzeren koningskroon der Longobarden, gelijk tc Rome de keizerskroon.

§ 43.

Duitschland onder het Frankischc huis, sedert 1024. — Twist van koning Hendrik IV, van 1056 tol 1106, met paus Gregorïus VII, van 1073 tot 1085.

In 1024 beklom, na het uitsterven van het Saksische huis, met koenraad ii, den saliëb (1024—1039), een nieuwe dynastie, de Frankische of Salische (zie evenwel blz. 79), den troon. Koenraad vereenigde de reeds vroeger tot éóa staat samengesmolten Bourgondische rijken (zie blz. 78) met Duitschland en schonk vaste woonplaatsen in Beneden-Italië aan de Noormannen, die van toen af de beheerschers des lands als huurbenden dienden. Tot de merkwaardigste koningen uit dit geslacht behoorden Kocnraads zoon, hendrik iii, die krachtige pogingen aanwendde om de alleenheerschappij te handhaven, en, om dit doel nader te komen, willekeurig over bisdommen en hertogdommen beschikte, alsmede zijn zoon hendrik iv (1056— 1106). Toen zijn vader stierf, was hij nog maar zes jaar oud en stond dus onder voogdij eerst van zijn moeder Agnes, later van Hanno, aartbisschop van Keulen, en van A del bert, aartbisschop van Bremen. Nadat Hendrik meerderjarig was verklaard, stond het Saksische volk, terecht over zware onderdrukking klagende en door onderscheiden hertogen bijgestaan, tegen den koning op, hetgeen een langdurigen binnenlandschen oorlog verwekte.

Al deze vijanden sloten zich bij den paus aan. Dit was toen gre-go ri us vu (1073—1085), vroeger Hildebrand geheeten. Deze buitengewone man, uitmuntende door een voorbeeldig leven, groote geleerdheid en een onverzettelijke standvastigheid, had, door den toestand zijner eeuw verblind en den geest des Christendoms, van een rijk,

-ocr page 87-

81

dat niet van deze wereld is, miskennende, het stoute, maar verderfelijke plan opgevat de kerk boven den staat, Rome boven Duitschland te verheffen. Als raadsman zijner onmiddellijke voorgangers had hij reeds ijverig voorgewerkt om dit doel, dat hij voor het heil der kerk noodig achtte, te bereiken. Zoo was vroeger, door zijn toedoen, de verkiezing dor pausen aan keizer en volk onttrokken en aan de kardinalen, d. i. aan de voornaamste geestelijken der stad Rome, opgedragen. Na het aanvaarden der pauselijke waardigheid liet Gregorïus VII op conciliën bepalen: 1. dat de geestelijken ongehuwd moesten blijven (het coelibaat); 2. dat geen geestelijk ambt voor geld mocht worden verkocht, een misbruik bekend onder den naam simonie, een woord afgeleid van Simon, uit de Handelingen der Apostelen (VIII, !)—24), en 3, dat geen geestelijke een kerkelijk ambt uit de handen van een leek mocht ontvangen, d. i. de investituur of beleening der bisehoppen en abten met ring en staf door den wereldlijken leenheer werd verboden. Inzonderheid over deze investituur ontbrandde de strijd met den koning, d. i. met de wereldlijke macht, zoo hevig, dat hij eerst onder den opvolger van Hendrik IV, zijn zoon Hendrik V, werd bijgelegd. Deze koning toch kwam in 1122 bij het Wormser concordaat of verdrag met den toenmaligen paus overeen, dat de keizer de verkiezing van bisschoppen en abten zou overlaten aan de kapittelen of kerkelijke collegiën; dat de beleening met ring en staf, als tecken der geestelijke macht, niet meer zou plaats hebben, maar dat de keizer den gekozene, door het toeken van den schepter, met wereldsche goederen zou mogen boleenen.

Zich 't kerkelijk en wereldlijk gezag verzinnelijkende door het beeld dat do paus als 't ware de zon, de keizer de maan was, en bij gevolg alle wereldlijke macht aan die der kerk ondergeschikt achtende, daagde Gregorïus, op de klachten der Saksen en wegens het bezetten van kerkelijke ambten, den keizer voor zijn rechterstoel. Hendrik IV, over zulk een aanmatiging verontwaardigd, liet te Worms door hem toegedane bisschoppon den paus van zijn waardigheid vervallen verklaren. Toen sprak de paus den banvloek over hem uit, zoodat niemand hem meer mocht gehoorzamen, niemand met hem in gemeenschap leven. 'sKonings vijanden, hierin een geschikt voorwendsel vindende, verklaarden nu, dat, indien hij niet binnen één jaar van den ban werd ontslagen, hij zou worden gerekend alle recht op de kroon te hebben verloren. Van elkeen verlaten, trok hij in 1077, in 't midden van den barren winter, over de Alpen naar Italië. Gregorïus vertoefde juist op het slot Canossa (nabij Reggio, in Modena) bij de met hem

Wijnne, Overzicht, lyje duik. ü

-ocr page 88-

82

bevriende gravin Mathildo van Toskanc, de weduwe van Godfried met den bult, hertog van Lotharingen. Hier werd Hendrik, na een smadelijk wachten van drie lange dagen barrevoets en in boetgewaad, ten laatste voorwaardelijk van den ban ontslagen.

Dewijl de Duitsche boeren inmiddels Rudolf van Zwaben als koning hadden verkozen, groep Hendrik naar bet zwaard, want bij had de burgers der steden en den minderen adel op zijn zijde. Op die wijze ontstond een burgeroorlog, waarin Rudolf, de tegenkoning, weldra sneuvelde. Aldus door 't grootste gedeelte van Duitschland weer erkend, besloot Hendrik naar Italië te trekken, nadat hij in 1079 Frederik van Buren (ten n.w. van Ulm), wiens familie men later die der Jlohenstaufen (een burg nabij Buren) noemde, door hem Zwaben in loon te geven tot zijn partij had overgehaald en hiermede den grond gelogd tot de grootheid van dit beroemde geslacht. Op Hondriks nadering zocht Gregorius een schuilplaats in den Engelenburg te Rome, vlood vandaar naar den vorst der Noormannen, zijn leenman, en stierf in 1085 te Salerno (ten z. van Napels aan zee) onder 't uiten der woorden: „Ik heb de gerechtigheid bemind en de ongerechtigheid gehaat: daarom sterf ik in ballingschap.quot; Hendrik had intusschen Rome ingenomen en was hierop naar Duitschland teruggekeerd. Ook nu was rust nog niet zijn doel: tot zijn dood moest bij tegen de pausen, die Gregorius VII opvolgden, en tegen zijn door hen opgestookte zonen kampen.

§ 44.

De Angelsaksen in Britannïé, van 449 tot 827. — Engeland onder het bestuur der Angelsaksische koningen, van 827 tot 1017;

onder het Deensche huis, van 1017 tot 1042; onder de regeering van den Angelsaksischen Eduard III en onder den eersten vorst uit het Normandische huis, van 1066 lol 1087.

Bij het terugtrekken der Romeinscbe troepen uit Britannië ten tijde van de volksverhuizing (zie blz. 50, 51) werden de inwoners des lands, de Britten, belijders van den Christelijken godsdienst, onder de Romeinscbe bescherming den wapenhandel ontwend, zonder steun overgelaten aan de invallen der woeste en bcidensche Pieten en Scoten. De Britten, naar vreemde hulp uitziende, vonden ze bij de bewoners van Duitschlands noordelijke kusten, deSaksen, of, dewijl zij met Angelen

-ocr page 89-

S3

waren vermengd, de Angcisaksen genoemd. De zwakheid der Britten doorgrondende, veranderden zij echter spoedig van rol, verdreven hen allengs uit hun land en grondvestten er afzonderlijke staten, naar hun getal gewoonlijk de heptarchie of de zevenrijken geheeten. Dit waren Kent, Sussex of Zuid-Saksen, Wessex of West-Saksen, Essex of Oost-Saksen, Northumberland, Oost-Ang Hé en Mere ia. Dikwijls was dit zevental in onderlingen oorlog om do opperheerschappij, totdat egberï in 827 al die staten tot één vereenigde, weshalve hij de eerste koning van Engeland wordt genoemd. Gedurende die onlusten werd het Christendom ton tweeden male op dit eiland gepredikt en door zijn nieuwe bewoners omhelsd. Dit bewerkte de bisschop van Rome Gregorius I (zie blz. 71), die op het einde der zesde eeuw zendelingen naar Britannië zond, aan wier hoofd Augustlnus stond.

Misschien ware Egberts regeering ook het begin van Engelands grootheid geworden, zoo niet dit land juist in dezen tijd 't meest ten doel had gestaan aan de invallen en aan de strooptochten der Noormannen of Denen. Elk jaar hernieuwden zij hun verwoestingen, totdat Alfred de grootK (871—901), een man, die geleerdheid en vroomheid aan zeldzamen moed en volharding paarde, den troon beklom. Wel moest hij in den beginne voor hen onderdoen; maar eindelijk sloot hij een hunner legers in en vergunde hun slechts vrijen aftocht, onder voorwaarde dat zij hem als opperheer erkenden en het Christendom aannamen, waarvoor Alfred hun Northumberland, Oost-Anglië en een gedeelte van Mercia afstond. Alfred liet het hier niet bij berusten: hij zorgde voor de toekomst door een geduchte vloot uit te rusten en bij de voornaamste landingsplaatsen sterkten op te richten. Ook naar hooger beschaving voor zich en zijn volk strevende, verzamelde de koning, evenals Karei de groote, geleerden rondom zich en liet kerken, kloosters en scholen bouwen.

De eeuw, die op den dood van Alfred volgde, werd nog door veelvuldige oorlogen met de Noormannen gekenmerkt, en eindelijk bracht hun aanvoerder ka nut of knoet, met den bijnaam de groote (1017—1085), het met behulp eener goed bemande vloot zóó ver, dat hij in 1017 alleenheerscher over Engeland werd, waarbij hij vervolgens Denemarken en Noorwegen voegde. Na zijn en zijner zonen dood besteeg het Angelsaksische huis met eduard iii weder voor korten tijd den troon; doch nauwelijks was hij overleden en Ha raid, de zoon van zijn voornaamsten gunsteling, als koning verkozen, of een nieuwe overweldiger ontrukte hem de pas verworven kroon.

0*

-ocr page 90-

84

Dit was wili,em, hertog van Normandië, die om het welslagen dezer onderneming den bijnaam dkn veroveraar draagt. In lOGfi naar Engeland overgestoken, behaalde hij in den slag bij Hastings (in 't z.o. van Engeland, aan 't Nauw van Calais) do overwinning op Harald en werd aldus koning van dit rijk (1066—1087). Willem verhief en verrijkte zijn Noormannen ten koste der Engelschen, van welker adellijke familiën hij zeer vele uitroeide. In den eigenlijken zin des woords voerde hij het leenstelsel niet in, dat van ouds in Engeland niet onbekend was. Ook liet hij over 't geheel de voormalige staatsgesteldheid, al onderging zij eenige wijzigingen, bestaan.

DERDE TIJDVAK.

van het begin der kruistochten in 1096 tot hun einde in 1291 en tot de verkiezing van rudolf van iiabsburg tot roomsch of duitscii koning in 1273.

§ 45.

De eerste kruistocht. — Van 1096 tot 1099.

Reeds sinds den tijd van Constantïnns den groote (zie blz. 47) bestond onder de Christenen de gewoonte om bedevaarten te doen naar het land, waar de stichter van hun godsdienst was geboren en gestorven. De Arabieren, in 't bezit dezer streken sedert 637, toen zij ze den Grieken hadden ontrukt, vergunden den Christenen ongestoor-den toegang. Maar het aanzien der Abbassïdcn was na Haroen al Rasehid (zie blz. 67) zoozeer gedaald, dat de khalif, zieh sinds 934 vergenoegende met zijn geestelijken rang, de wereldlijke heerschappij aan een ander, emir al omra (d. i. vorst der vorsten) geheeten, opdroeg. Ook werden allengs groote landstreken van 't gebied van den khalif afgerukt, die aan onderscheiden vorstengeslacliten kwamen, meest uit erfelijk geworden stadhouderschappen ontstaan. Toen nu in 1U55 de aanvoerder der Seldschukken, een volk van den Turkschen stam, zich met de waardigheid van emir al omra had laten beklee-den, kreeg de heerschappij der Turken in West-Azië de overhand op die der Arabieren. En nadat de Seldschukken ook Palaestina hadden veroverd en Jeruzalem aan een woeste horde overgelaten, werden

-ocr page 91-

zoowol de inheemscho Christenen als de bedevaartgangers op allerlei wijze bemoeilijkt en gekweld.

Meermalen was die smadelijke behandeling der Christenen een onderwerp geweest, waarover aan 't hof te Rome hevige klachten waren ingekomen. Doch paus urban us ii was de eerste, die het grootsche denkbeeld opvatte en verwezenlijkte Europa's vorston en volkeren tot een krijgstocht naar Palaestina op te wekken. Zulk een tocht vervulde zijn geheele ziel, en op de sterk bezochte conciliën te Piacenza (in 't n. van Italië, aan do Po) on te Clermont (ten w. van Lyon), die hij in 1095 hield, deed de wegsleepende taal zijner overtuiging vele duizenden met goes'tvorvoering tot deelneming besluiten. Onder liet geroep „God wil hetquot; hechtten zij daar een rood kruis, als toeken van hun vroom voornemen, op den rochtcrschouder. Terwijl de vorsten en de hoeren nog mot de toerusting tot hun groote onderneming bezig waren, ijlden, reeds in de lente van 1096, verschillende ongeregelde scharen van het opgewonden volk hen vooruit. Zij werden ten deele aangevoerd door Peter van Ami'éns (ten z.w. van Atrecht, in 't n. van Frankrijk), een kluizenaar, dien men dikwijls ten onrechte voorstelt als den voornaamston bewerker der groote beweging, doch die door zijn vurige prediking inderdaad vele menschen van lager stand tot deelnoming noopte. Bijna al die lieden kwamen om door het zwaard dor Hongaren en der Seldschukken, eer zij het doel haddon bereikt van hun tocht, die door allerlei buitensporigheden en door wroede mishandeling der Joden word gekenmerkt.

In hot najaar van 1096 stolden zich de verscliillende afdeelingon van het hoofdleger, moerendeols afzonderlijk, naar Constantinopel in beweging. Do voornaamste annvoerders waren: Godfried VI van Bouillon (in 't w. van Luxemburg), hertog van Neder-Lotharingen, bonevens zijn broeder Boude wijn, bisschop Adem ar van Puy (ten z.o. van Clermont), als legaat des pausen, en Bohömund van Tarente, een vorst der Noormannen (zie blz. 82). Vrouwen en kindoren modegorekend, worden de legers der kruisvaarders op 6 of 700,000 menschen begroot. In Azië aangekomen, haddon zij, door gemis aan eenheid van plan, gebrek aan levensmiddelen, ongewone hitte, misleiding dor wegwijzers en onophoudelijke aanvallen der lichtbcreden Seldschukken, zooveel te lijden, dat er duizenden omkwamen. Zeer spoedig scheidde zich Boudewijn geheel van het leger af en veroverde Kdessa met het omliggend land (in 't n.o. van Syrië), waar hij voor zich alleen een graafschap oprichtte. Negen maanden lang lagen do kruisvaarders voor Anliochïé (zie blz. 48), toon zij het eindelijk in

-ocr page 92-

1098 door verraad innamen en Bohömund er voor zich een vorstendom stichtte. Vervolgens bereikten de kruisvaarders in Juni 1099, ten getale van niet meer dan 30,000 weerbare mannen, het doelwit hunner wensehen, Jeruzalem. De stad was goed versterkt en door een talrijke bezetting verdedigd. Eerst na een zeer moeilijk beleg van vijf weken werd zij den 15den Juli stormenderhand ingenomen en een afgrijselijk bloedbad aangericht. De vrome Godfried werd tot koning van Jeruzalem benoemd. Uit nederigheid voerde hij evenwel in staatszaken slechts den titel her toy, terwijl hij zichzelf beschermer van liet heilige graf noemde. Maar reeds in het volgende jaar, 1100, stierf hij en werd door zijn broeder, boud kwijn j, opgevolgd.

§ 46.

De tweede kruistocht, van 1147 lol 1149. — De derde kruistocht, van 1189 lot 1192. — Duilsehland onder Frederik 1 Barharossa uit het huis der Hohenstaufen, van 1152 lot 1190.

Onder Boudewijn I werd het rijk wel vergroot door de verovering van eenige kuststeden; maar het kon zich op den duur toch slechts door nieuwe, telkens weder uit Europa komende scharen staande houden. Reeds was Edessa, de voormuur der hoofdstad, weder verloren gegaan. Van 1147 tot 1149 ondernamen de koning van Frankrijk, Lode wijk VII, en die van Duitschland, Koenraad III, den tweeden kruistocht; doch het verlies van 't grootste gedeelte hunner legers in Klein-Azië dwong hen onverrichter zake terug te keeren. De ongelukkige uitslag van dezen tocht verwekte in Europa zulk een moedeloosheid, dat men daar niet moer aan het Oosten scheen te donken. Maar in 1187 wekte de mare: „Jeruzalem is ingenomenquot; de Christenheid uit den dommel dor onverschilligheid. En dit was een ware tijding: de stad had haar poorten moeten openen voor SALaDUN, don stichter van het huis der Ejubïden en sultan (d. i, beheerscher) van Egypte en van Syrië, Op dit rampspoedig bericht rustten zich de koningen dor drie hoofdvolken van Europa, Frederik I Barharossa, Philips II Augustus en Richard Leeuwenhart, tot den derden kruistocht, 1189—1192, toe.

Predeuik i barbarossa, d. i. rosachtige baard, (1152—1190) was koning van Duitschland en gesproten uit het beroemde geslacht dor Hohenstaufen (zie blz. 82), dat, niet lang na het uitsterven van het Frankische huis, in 1138 met den zoo even genoemden Koen-

-ocr page 93-

87

raad III don troon had beklommen. Eenigc jaren vroeger was de lange en bloedige vijandschap tusschen do beide machtige huizen, de Hohenstaufen en de Welfcn, begonnen, welke in Duitschland en in Italië langer dan een eeuw groote onrust heeft verwekt. De partij der Hohenstaufen werd ook wel Waiblingen en in Italië Ghibellijnen geheeten; die der Welf en of Guelfen had een tijdlang Hendrik den stoutmoedige, hertog van Beieren en van Saksen, en zijn zoon, Hendrik den Leeuw, tot hoofden. Nadat Frederik Barbarossa het bestuur had aanvaard, besteedde hij schier zijn gansche regeering tot bet bereiken van een oogmerk, dat hij eindelijk toch moest opgeven: de Lombardische steden, bovenal Milaan, die, door bloeienden handel rijk geworden, naar republikeinsche vrijheid trachtten, tot het erkennen der keizerlijke heerschappij te dwingen. Vijf malen trok hij er heen, maar tevergeefs, want de vrede van Constants (in 't z.o. van Baden) in 1183 liet den Lombarden de vrijheid om zichzelven binden hunne muren te regeeren. Gelukkiger was de keizer in zijn oorlog tegen Hendrik den Leeuw, over wien hij den rijksban uitsprak en wien hij bijna al zijn landen ontnam, welke daarop in kleinere staten werden gesplitst.

Nog gunde Frederik Barbarossa's werkzame geest hem geen rust. Met een welgeordend leger rukte hij tegen Jeruzalem op, en zijn verstandige maatregelen kwamen op dien tocht elk bezwaar te boven. Weldra echter verkeerde de voorspoed in druk: de dappere, zeventigjarige keizer verdronk in 1190 bij het baden in de Selef (een kleine rivier nabij Seleucïa, in 't z. van Cilicie). Van het schoone krijgsheir keerden velen aanstonds naar hun vaderland terug, en de overigen bereikten uitgeput het krijgsleger, dat voor Acre (Acca of Ptolemaïs, ten z.w. van Damascus, aan zee) lag. Intusschen hadden Richard Leeuwenhart, koning van Engeland, en Philips II Augustus, koning van Frankrijk, de reis over zee gedaan en waren in Palaestina geland. Zij sloegen liet beleg voor Acre en namen het, in vereeniging met do overige kruisvaarders, in 1191 bij verdrag in. Ijverzuchtig op den roem van den ridderlijken en in 't geheele Oosten vermaarden Richard, keerde Philips II Augustus weldra naar zijn staten terug. In 1192 volgde Richard Leeuwenhart, die in weerwil van zijn ongemeen heldhaftige daden, Jeruzalem niet had kunnen herwinnen en een wapenstilstand met Saladijn had gesloten. Op zijn terugreis viel hij te Weenen in handen van hertog Leopold VI van Oostenrijk, dien hij te Acre zwaar had bcleedigd en die hem aan den koning van Duitschland, h end bik vr, een zoon van

-ocr page 94-

88

Frederik Barbarossa, uitleverde. Nadat de koning lang had gevangen gezeten, kocht het Engelsohe volk hem ten laatste voor een hoog losgeld vrij.

§ 47,

De vierde, de vijfde, de zesde en de zevende kruistocht, van 1202 tol 1204, van 1228 tot 1229, van 1248 tot 1254 en in 1270. — Duitsehland onder Frederik II uit hel geslacht der Ilohen-slaufen, van 1215 tot 1250. — Frankrijk onder de Cape-tingi'èrs Philips II Augustus en Lodewijk IX of den heilige, van 1180 tot 1270. — Engeland onder Jan zonder land, koning uit hel huis Plantagenel,

van 1199 tot 1216.

Omdat ook de derde kruistocht zijn doel had gemist, werden de pausen niet moede steeds weer het kruis te prediken. Daarom ver-eenigden zich vele Fransche vorsten, markgraaf Bonifacius van Montferrat als aanvoerder en graaf Boude wijn IX van Vlaanderen, met den doge van Venetië, Hendrik Dandölo, tot den vierden of Latijnschen kruistocht, 1202—1204. Den laatsten naam draagt deze tocht, terwijl de troepen, in plaats van naar het Heilige land te trekken, hun wapens, uit hoofde van een oproer, binnen Constan-tinopel uitgebarsten, tegen deze stad keerden en het Grieksche rijk voor een korten tijd tot een staat maakten, die door een Latijnseh, d. i. Westersch, keizer werd beheerscht. In den burgeroorlog, die daar woedde, kozen do kruisvaarders partij en maakten door 't innemen der hoofdstad een einde aan het Grieksche rijk. Zij verdeelden het onder elkander en noemden hun buit hel Latijnsche keizerrijk, dat evenwel slechs zeven en vijftig jaren bestond.

De vijfde kruistocht werd 1228—1229 ondernomen door frkde-iiik ii, koning van Duitsehland, een zoon van den boven genoemden Hendrik VI, en door zijn moeder bezitter der Normandische staten in Beneden-Italiö (1215—1250). Hij kreeg bij verdrag Jeruzalem voor tien jaren terug, maar kon evenmin als zijn voorgangers tot een duurzaam bezit geraken. In Europa teruggekomen, wijdde hij zijn overige levensjaren aan de taak, waaraan zijn grootvader, Frederik Barbarossa (zie blz. 86 vlg.), zijn krachten vruchteloos had besteed, den oorlog tegen de Lombarden. De eisch van onvoorwaardelijke onderwerping, dien de keizer deed, bracht deze steden tot een tegenstand op leven

-ocr page 95-

89

en dood. Ook de pausen werkten Frcderik niet alle kracht togen, en bij zijn dood in 1250 was hij nog vorder van zijn doel dan in den beginne.

Den zesden kruistocht, 1248—1254, ondernam lo de wijk ix of de heilige, koning van Frankrijk. In Egypte geland, nam hij Da-miate (nabij een der monden van den Nijl gelegen) in; maar hij geraakte met zijn leger in gevangenschap en keerde, na in 1250 met den sultan van Egypte een wapenstilstand te hebben gesloten, waarbij Damiate werd teruggegeven, in 1254 naar Frankrijk terug. Verdrietig over den afloop van den zesden kruistocht, ving Lodewijk in 1270 den zevenden of laatsten aan en wendde zich eerst naar Afrika tegen den beheerscher van Tunis. Hier eindigde do onderneming tevens. Ziekten bezochten het leger; Lodewijk zelf en een groot deel zijner tochtgenooten bezweken, en de overigen keerden huiswaarts. Later, in 1291, ontrukten de Egyptenaren den Christenen Acre, en met den val der andere steden, die zich uit vrees overgaven, nam hun heerschappij in Palaestina een einde.

Ofschoon dus de kruistochten hun eigenlijk doel misten, hadden zij toch voor Europa's beschaving allergewichtigste gevolgen. De volkeren kwamen met elkander in aanraking; de kring van menschelijke kennis en ervaring werd uitgebreid, en de handel steeg door het meer en meer toenemend verkeer tot een voorheen ongekenden bloei, waardoor vooral Venetië en Genua een groote mate van rijkdom verkregen. Dit was 't niet alleen. Gelijk ook de kruistochten liet volk uit de diepe vernedering der lijfeigenschap ophieven en den grond legden tot de opkomst van den derden stand, d. i. dien der poorters of burgera en der boeren, liet gebruik der moedertaal krachtig bevorderden, rechten en vrijheden in 't leven riepen en de steden deden ontstaan, zoo verbonden zij ook de drie standen nauwer aan elkander en ontwikkelden ze meer en meer door 't wijzigen hunner zeden en gewoonten. Door 't verspreiden van eenige meerdere verlichting en, beschaving kreeg het gezag der geestelijkheid een gevoeligen stoot, terwijl de macht der vorsten zich uitbreidde, doordien vele tot oproer geneigde leenmannen zich verwijderden, wier leenen nu aan de kroon vervielen.

Hoewel ongelukkig in zijn kruistocht, was Lodewijk IX (1226— 1270) een zeer verstandig vorst, hoogst nauwgezet en rechtvaardig in zijn handelingen. Met philips ii augustus (1180—1223, zie blz. 87) is hij de merkwaardigste der Capetingiërs. Philips Augustus, gedurende wiens regeering de opkomst en de welvaart der steden toenamen, had inzonderheid het aanzien van 't koningschap, dat

-ocr page 96-

90

tegenover de vazallen geheel was gezonken, verheven. Ook in 't veld had hij zich doen gelden door aan de koningen van Engeland uit het huis Plantnyenet, dat in 1154, na de afstammelingen van Willem den veroveraar, den troon had bestegen, met name aan jan zon-deu land, den broeder en opvolger van Richard Leeuwenhart (1198—121(5, zie blz. 87), Nornaandië te ontrukken. Daar Jan bovendien een aantal andere landen, die hij als leenman der Fransche kroon bezat, aan Philips verloor en ten gevolge van een twist met den bekwamen en krachtvollen paus Innocentius III in den ban kwam, zag hij zich gedwongen den beroemden vrijheidsbrief, de magna charta, te verleenen, die aan de vrije standen van Engeland, vooral aan den adel en aan de geestelijkheid, groote voorrechten toekende. Ook Lodewijk IX maakte zich jegens zijn volk verdienstelijk door het vuistrecht te beperken. Daarbij regelde hij door een vasten vrede de geschillen met Engeland over 't grondbezit.

VIKIiDIO TIJDVAK.

VAN HET EINDE DER KRUISTOCHTEN, 1291 , EN DE VEUKIEZINO VAN HlIDODi? VAN HABSBURG, 1273, TOT HET EINDE DER MIDDELEEUWEN IN 15Ü0.

§ 48.

Didtschland onder de koningen uil het Habshurysche en het Luxemburg sche huis. — Johannes Hus. — Van 1273 tot 143G.

Met den kleinzoon vnn Frederik 11 (zie blz. 88), Konradijn, die door Karei van Anjou, een broeder van Lodewijk IX, van Beneden-Italië werd beroofd en later op zijn last ter dood gebracht, stierf het eens zoo machtige huis der Hohenstaufen in 1268 uit. Reeds vroeger, op 't laatst van liet vorige tijdperk, begon met den strijd van verschillende vorsten, die naar do kroon stonden, voor Duitsch-land een tijd van schromelijke verwarring, het tusschenrijk, 1250— 1273, geheeten. De verkiezing van rudolf van habsburg, bezitter van vele landstreken in Zwaben en elders, tot koning van Duitschland (1273—1291) maakte hieraan een einde. Dan nauwlijks had hij het bewind aanvaard, of hij vond een machtig vijand te bestrijden, te weten O t to kar II, koning van Bohemen, die tevens

-ocr page 97-

91

Oostenrijk en aangrenzende landen aan zich had getrokken. In 1278 overwon Rudolf Ottökar, die in dezen strijd sneuvelde, op het Mareliveld (ten n.o. van Weenen). Zijn zonen beleende Rudolf met de meeste dier hinden. Zich niet om Italië bekommerende, maakte hij de herstelling van tie zoo lang gestoorde orde en rust tot zijn levenstaak. Vooral diende hiertoe ook liet verwoesten der veelvuldige roofburgten en het bijleggen van veeten.

Rudolfs tweede opvolger was zijn zoon alhhecht t (1298—1808). Kort na de regeering van Albrecht verloor het Duitsehe rijk eenige zijner bezittingen in Zwitserland, hetgeen het begin was van Zwitser-lands onafhankelijkheid. Van de drie woudstreken, Uri, Schwyz en Unterwalden, was de eerste van oudsher een rijksleen, terwijl de beide andere dit, hoewel sinds later tijd, eveneens zijnde, tevens heerlijkheden waren van het huis Habsburg. Sinds de kroon van Duitschland aan Rudolf van Habsburg was opgedragen, bekroop de vrees voor onderdrukking door dit in macht toenemende huis de landbouwers en de bergbewoners der woudstreken. Daarom wensehten zij alleen onder den keizer en het rijk te staan. Het verzet tegen het huis Habsburg ging niet uit van juist drie Zwitsers, nog minder van één ervaren boogschutter. Het was een daad van do gansche bevolking dier streken. Wat van een eedgenootschap van drie Zwitsers, van Willem Teil en Gesier wordt verhaald behoort tot het gebied der volksoverlevering en der poëzie. Daarentegen is 't een -werkelijkheid dat do grondslag van Zwitserlands zelfstandigheid op de aangeduide wijze is gelegd.

Een van Albrechts opvolgers was kakel iv uit hel Luxemburgsche kuis (1347—1378), die tevens koning van Bohemen was en een zeer merkwaardige verordening, de (jouden hul, uitvaardigde, zóó geheeten naar het gouden zegel, dat er aanhing. Dit was een rijksgrondwet in dertig hoofdstukken. Zij schreef voor, wat cr bij de keuzo eens keizers moest worden in acht genomen, en bepaalde hot getal der keurvorsten , wien zij tevens groote voorrechten verzekerde. Deze vorsten waren zeven; de aartbisschoppen van Maints, Keulen en Trier (aan do Moezel), de koning van Bohemen, als de eerste der wereldlijke keurvorsten, de paltsgraaf aan den Rijn, de hertog van Saksen-Wittenborg on de markgraaf van Brandenburg. Ook stolde de bul vast, dat de verkiezing eens keizers te Frankfort aan de Main en de kroning te Aken (zie blz. 75) zou geschieden.

Tot hetzelfde geslacht behoorde sigismund, tevens koning van Hongarije (1410—1437). In zijn tijd was er een groote scheuring in de Latijnsche kerk ontstaan, en het gelijktijdig aanwezig zijn van

-ocr page 98-

92

drie pausen gaf de Christenheid ergernis. Hierom bracht hij een kerkvergadering (concilie) tot stand, die de eenheid der kerk zoude herstellen en haar hervorming in hoofd en leden bewerken. Zij werd in 1414 te Constants (zie blz. 87) bijeengeroepen en ook door vele vreemdelingen bijgewoond. In plaats van tot de hervorming der kerk over te gaan benoemde de vergadering, na alle drie pausen te hebhen afgezet, een nieuwen, die slechts beloofde het werk op een volgend concilie te zullen voltooien. Voordat dit plaats had, was een belangrijke zaak, die van .tohannes iius, door de kerkvergadering beslist. Hus was prediker en hoogleernar aan de hoogeschool te Praag. Op het voetspoor van John Wicliffe, een tijdlang hoog-lecraar te Oxford (ten n.w. van Londen), die sedert 13G0 in Engeland tegen de misbruiken en de ontaarding der geestelijkheid had gepredikt, en door de studie van den Bijbel geleid, kwam hij openlijk tegen de te groote macht des pausen en tegen sommige punten der kerkleer op. De aartsbisschop van Praag liet de geschriften van Wicliffe verbranden. Over Hus werd de ban uitgesproken. Hus beriep zich op het oordcel van 't concilie en begaf zich met een keizerlijk vrijgeleide naar Constants. Zoodra hij hier verscheen, werd hij in de gevangenis geworpen, op verschillende beschuldigingen van ketterij gehoord en daar hij zijne gevoelens niet wilde herroepen, voor een ketter verklaard en aan den wereldlijken arm overgeleverd. In 1413 voerde men hem naar den brandstapel, waar hij den dood standvastig onderging. Hetzelfde lot trof zijn vriend en leerling Hieronyn us van Praag. Over de behandeling, deze mannen aangedaan, waren de Bohemen zoo verbitterd, dat zij, bij den dood van Wenzel, koning van Bohemen, zijn broeder Sigismund als zijn opvolger weigerden te erkennen, in den Hussielen-oorloti, 1419—1436, een bloedige wraak aan hun tegenstanders oefenden en eerst tegen het eind Sigismund als hun koning aannamen.

§ 49.

Frankrijk onder de laatste koningen uit de rechte linie van hel huis j Capet en onder die van de tweede Unie of hel huis Valois. ■—■ De langdurige oorlog tusschen Frankrijk cn Engeland. —■ De maagd van Orleans. — Van 1285 tot 1453.

De kleinzoon van Lodewijk IX, pjiii.ips iv of de sohoonr (1285—1314), geraakte in 1293 met Engeland in een oorlog, die voor 't oogenblik wel zonder veel strijd afliep, maar in 't vervolg door

-ocr page 99-

93

zijn opvolgors raeenuiilen werd hervat en langer dan een eeuw duurde. In dien oorlog koos de graaf van Vlaanderen, tegen zijn leenheer, partij voor den koning van Engeland, weshalve de Franschen in 1302 de Vlamingen in den sporenslag bij Kortrijk (aan de Lijs in West-Vlaanderen) aantastten, maar verslagen werden door Pioter de C o n i n e k, deken van het gilde dor wevers te Brugge, doeh niet be-hooronde tot de meest gegoede ingezetenen dezer stad, toen rijk en machtig door do nijverheid harer burgers. Door toedoen van Philips IV verplaatste paus Clemens V zijn zetel in 1308 naar Avignon (in 't z. van Frankrijk aan de Rhóne). Gedurende de volgende jaren (tot 1377) , welk tijdsverloop men de Babylonische gevangenschap der pausen noemt, bleef de paus, door zijn verblijf in die stad, in hoogo mate afhankelijk van den koning van Frankrijk. Zoo gebruikte Philips hem als een werktuig ter vernietiging van de geestelijke ridderorde der tempeliers, kort na den eersten kruistocht gesticht. Om aan 's konings hebzucht te voldoen hief Clemens, op grond van een aantal onbewezen beschuldigingen, do orde op, zoodat Philips een deel harer goederen aan zich kon trekken. De meeste tempeliers met hun grootmeester, Jakob du Molay, kwamen op den brandstapel om. Met de zonen van Philips den schoone stierf de eerste linie Capet uit.

Alzoo besteeg met philips vi (1328—1350) de tweede linie van hel huis Capet of het huis Valais den troon. Onder hem brak in 1339 de oorlog met Engeland op nieuw uit. In 1346 had een beslissende slag plaats bij C r é c y (ten n. van de Somme), waarin E d u a r d III, koning van Engeland, door de meerdere ervarenheid der Engelse,hc boogschutters en de onvoorzichtigheid zijner vijanden do zege behaalde. Niet gelukkiger waren de Franschen in 't verdere beloop van den oorlog: niet alleen verloren zij een aanmerkelijk deel van hun grondgebied, doch hadden bovendien met allerlei rampen, die do oorlog doorgaans medebrengt, te kampen. Toen or later, ten tijde van de minderjarigheid van koning kabel vi (1380—1422) en vervolgens bij zijn zich telkens herhalende zinsverbijstering, geschillen over 't regentschap ontstonden tusschen 's konings broeder, L o d e w ij k van Orleans (aan de Loire), en zijn neef Jan zonder vrees, hertog van Bourgondië, was het geheele land aan woeste partijschappen ten prooi. In 1407 ontaardde do twist in oen doodelijkcn haat, toen Jan zonder vrees zijn tegenstanders binnen de muren van Parijs door gehuurde sluipmoordenaars liet ombrengen. Voor deze euveldaad nam de partij van Orleans, ook wel van Armagnac geheeten, weerwraak door den hertog van Bourgondië in 1419 bij een samenkomst

-ocr page 100-

94

op de Yonnebrug te Montere,'m (ten z.o. v;in Parijs) vernidorlijk te vcnnoonlon. De Engelsehen, die niet hadden verzuimd van Frankrijka ongelukken partij te trekken, sloten in 1420 met de Bourgondische partij, thans geleid door Jans zoon en opvolger, Philips den goede, het verdrag van Troyes (ten o. van Montereau aan do Seine), waarbij men overeenkwam, dat Hendrik V, koning van Engeland, de doehter van Karei VI zoude huwen en hem na zijn dood opvolgen.

Doch daar de beide koningen schier gelijktijdig stierven, nam de dauphin of oudste zoon van Karei VI, kakel vii (1422—1461), den koningstitel aan. Buitengemeen hachelijk was zijn toestand: zijn geldmiddelen waren uitgeput, zijn legermacht weinig beteekenend, zijn heerschappij tot een klein deel van Frankrijk beperkt. Nergens vertoonde zich een schijn van uitkomst, toen plotseling redding opdaagde door de vaderlandsliefde en do vrome geestvervoering eener jonge maagd. In het dorp Dom Remy (ten z. van Vaucouleurs in Lotharingen) woonde een stil en eenvoudig landmeisje, Jeanne Dare, of — zooals men haar gewoonlijk noemt — do maagd van Orleans. Bij haar vurige begeerte om koning en vaderland te redden meende zij gezichten te zien en stemmen te hooren, die haar verkondigden, dat God zelf haar ter bevrijding van het benarde Frankrijk had uitverkoren. Daarom liet zij zich, buiten weten barer ouders, naar den bevelhebber van Vaucouleurs voeren, die haar eerst afwees, maar eindelijk, in manskleederen gedost, in 'skonings tegenwoordigheid bracht. Toen deelde Jeanne aan Karei mede, dat zij door God was geroepen om Orleans, dat door de Engelsehen werd belegerd, te ontzetten en hem ter kroning naar Rheims (zie blz. 68) te geleiden.

Johanna werd aan een lange proef onderworpen. Ten laatste sloeg ook Karei aan de waarheid barer zending geloof, en zoo stelde zij zich in 1429, omgord met een met leliën versierd zwaard en met een wit vaandel in de hand, aan 't hoofd der legerbenden. Zij ontzette Orleans, en dwars door de vijanden baande zij zich een weg naar de kroningsstad, waar de plechtigheid, door haar zoo vurig gewenscht, plaats greep. Ook nu was haar zending nog niet volvoerd: zoolang niet de laatste Engelschman van Frankrijke bodem was geweken, meende zij niet te moeten rusten. Voortdurend dan, waar zij kon, in de eerste rijen medestrijdende, viel zij bij het doen van een uitval uit Compiègne (ten n.o. van Parijs) in handen der Bourgondiërs, die haar aan de Engelsehen verkochten. De door haar geredde koning liet haar schandelijk aan haar lot over. Aan een geestelijk gerecht overgegeven, werd zij wegens ketterij tot den brandstapel verwezen.

-ocr page 101-

95

Dus vond zij in 1431 liet eind vnn haar leven te Rouaan (in 't n. van Frankrijk aan do Seine). Kort daarna verzoende zich Karei Vil met Philips den goede van Bourgondië, en in 1453 nam de meer dan honderdjarige kamp met Engeland, zonder dat ten laatste een vrede werd gesloten, een einde, waarbij de koning van dit land al zijn bezittingen aan deze zijde van 't Kanaal, met uitzondering van Calais, verloor.

§. 50.

Engeland onder de laatste koningen uit het huis Plantagenet, alsmede onder de geslachten Lancaster en York. — De oorlog der witte en der roode roos. — Van 1274 tot 1485.

Een der beroemdste koningen uit het huis Plantagenet (zie blz. 90) is kduard i (1270—1307), een kleinzoon van Jan zonder land. Hij maakte Wales tot een Engelsehe provincie en wist te bewerken, dat de koning van Schotland den koning van Engeland als leenheer over zijn rijk erkende, iets, dat sinds lang een punt van geschil tusschen de vorsten dier beide staten uitmaakte. Weldra ontstond er evenwel tusschen Jan Balliol, den door Eduard I aangestelden koning der Schotten, en de Engelschen een oorlog, die door de opvolgers dier vorston werd voortgezet on eerst in 1357 een einde nam. Toen sloot de kleinzoon van Eduard I, eduakd iii (1327—1377), een verdrag met den koning van Schotland, David II Bruce, die een zware schatting moest betalen. Bij den dood van David in 1370 volgde hem de zoon zijnor zuster, Robert II Stuart, op.

Do kleinzoon van Eduard III, richard ii, werd in 1399 verdrongen door iikndrik iv, uit het huis Lancaster (in 't n.w. van Engeland aan zee), een zoon van Jan van Lancaster, Richards oom. De laatste koning uit dit huis was hendrik vi, een zwak en onbekwaam man, aan aanvallen van zinsverbijstering lijdende. Tegen hem wierp zich Richard van York (in 't n.o. van Engeland aan do Ouso) op, die, insgelijks van Eduard III afstammende, kennelijk naar de kroon stond, maar zich moest vergenoegen met het protectoraat of regentschap, dat hem eonige malen werd opgedragen. Hierdoor ontvlamde in 1455 de burgeroorlog tusschen de huizen Lancaster en York of tusschen de roode en do witte roos. Elk Engelschman koos voor een der beide kleuren partij.

Richard zelf kwam in dien oorlog om; doch zijn zoon eduard iv (1401—-1483) werd te Londen als koning uitgeroepen, nam Hen-

-ocr page 102-

96

(Irik Vf gevangen en versloeg de echtgenoote van dien koning, Mar-garëta, in 1 ^61 bij Tow ton (ten z. van York), welke hierom naar Frankrijk vlood. Toen Margareta vervolgens met haar jongen zoon Eduard in 1471 in Engeland landde en zich aan 't hoofd van 't overschot der aanhangers van Lancaster stelde, werd zij in een tweeden veldslag overwonnen, die het lot der witte en der roode roos voor altijd besliste. Wreedaardig misbruikte Eduard IV zijn zege: de jonge Eduard werd omgebracht; de oude Hendrik VI stierf plotseling in den Tower; Margareta werd gevangen gezet en herkreeg eerst later de vrijheid; vele heeren eindelijk werden ter dood gebracht of verbannen. Op Eduard IV volgde zijn broeder Richard, Door middel van talrijke veroordeelingen en anderszins bereikte hij zijn doel en werd ten koste van Eduards zonen als koning biciiard iii (1483—1485) gekroond. Reeds na twee jaren verloor hij in den slag bij Bos worth (in 't midden van Engeland, ten w. van Leicester) kroon en leven tegen Hendrik Tudor, graaf van Richmond, van moederszijde een afstammeling der Lancastriërs, die met een dochter van Eduard IV was gehuwd.

§ 51.

Geschiedenis van Spanje gedurende het tweede, het derde en het vierde tijdvak. — De opkomst en de ondergang der Ommyaden. — Hel ontstaan en de bloei van nieuwe Christenstalen aldaar.

De Arabische heerschappij, die zich onder de Ommyaden over een deel van Zuid-Europa had uitgebreid, had er met vele moeielijk-heden te strijden. Niet lang duurde het, of de Mohammedanen hadden op nieuw de West-Gothen te bekampen, welke, zooals wij boven (zie blz. 66) zagen, naar het Asturisch gebergte de wijk hadden genomen. Na den val der Ommyaden in 't Oosten (zie blz. 66) heerschte a is d er na hm an i, onder den titel emir of vorst, over Spanje. De grootste bloei van dit rijk valt in de negende en de tiende eeuw, inzonderheid in den tijd van abd erraiiman iii (912—962), die zich, zoowel wegens den glans van zijn hof als om den bloei van Arabische nijverheid, kunsten en wetenschappen, ten volle gerechtigd achtte den titel khalif en opperhoofd der geloovigen aan te nemen. De luister van zijn rijk overtrof dien van dat der Abbassïden in 't Oosten verre. Maar in de elfde eeuw begon het tijdperk van snel toenemend

-ocr page 103-

lt;)7

verval. De stedehouders verklaarden zich erfelijk en vestigden onafhankelijke staten; om het bezit van den troon streed men met woeste verbittering. De laatste khalif, hischam ui, word in 1031 bij een opstand te Cordova verjaagd. Sedert dien tijd werd het Mohamme-daansehe Spanje in vele kleine staten versnipperd, welker geamp;cbiede-denis een aaneenschakeling is van oorlogen, tegen de Christenen gevoerd.

De laatsten, allengs weer in macht toegenomen, hadden gedurende het zoo even geschetste tijdperk onophoudelijk tegen de Mohammc-daansche vorsten gestreden en langzamerhand een aantal staten gesticht; Leon, Gallick, Asturié, Navarre, Cataloni'é (het vroegere markgraafschap Barcelona, zie blz. 73), Armgon en Castilié. Voor al deze rijken was de splitsing der Mohammedaansche macht uitermate gunstig. Ook zij waren op verre na niet altijd eendrachtig geweest; maar juist op het tijdstip der verbrokkeling van den Arabischen staat greep bij hen een tijdelijke vereeniging plaats. De geschiedenis dezer staten, even bloedig als ridderlijk, is geheel in een dichterlijk kleed gehuld.

Tweemaal werden gedurende de elfde en de twaalfde eeuw aan de verzwakte heerschappij der Mohammedaansche vorston uit Afrika versche krachten bijgezet door nieuwe Arabische stammen, die vandaar naar Spanje overstaken, er de Mohammedaansche vorsten onderwierpen en den kamp tegen de Christenstaten vernieuwden, Maar zij waren, evenmin als hun voorgangers, op den duur tegen dan wakkeren moed der Christenen bestand. Tot de koningen van Castilië, die zich het meest onderscheidden in de worstelingen tegen de Arabieren, behooren alphonsus vi, alphonsus viii en Ferdinand ui of de heilige (1230—1252). De eerste vermeerderde in 1094 het getal der Christenstaten nog met één. Ten einde n.1. den dapperen Hendrik, graaf van Bourgondie, die hem in den strijd tegen de Arabieren had bijgestaan, voor Spanje te behouden gaf Alphonsus VI hem het land, tusschen de Minho en de Duëro gelegen, in leen, dat naar de stad Porto Cale (Oporto, aan de Duëro) den naam Portugal kreeg. Plendriks opvolgers verklaarden zich weldra onafhankelijk en namen den koningstitel aan. Ferdinand III streed met gelukkigen uitslag tegen de Mohammedanen, ontrukte hun Cordova en beperkte hen tot Granada,

Veel leed Castilië gedurende het vierde tijdperk door de zwakheid der vorsten en den overmoed der grooten. Er volgde een betere tijd, toen issabella, 1474, den troon besteeg en het bewind deelde met haar gemaal, febdinand 11 (V in Castilië) of den katholieke,

VVunne, Ouerzivht. Hide druk. 7

-ocr page 104-

98

koning van Arragon, wien het gelukte den machtigen adel voor 't koninklijk gezag te doen buigen. Na een langdurigen oorlog met de Mooren in Granada, tot 1492, werd dit gewest bij het koninkrijk Castilië ingelijfd. Doch do Mooren, naar het gebergte geweken, hernieuwden later uit hun schier ontoegankelijke bergslotcn vele malen den opstand.

In Portugal duurde de heerschappij van het echte Bourgondische huis tot 1883, waarop het onechte huis van denzelfden naam in 1385 met ,t o h A n i den troon beklom. Deze koning veroverde Ceüta (in 't n.w. van Afrika). Hoogst beroemd is zijn derde zoon, prins Hendrik de zeevaarder, die de zeetochten der Portugeezen, begonnen met de ontdekking van Madera (ten w. van Afrika), met raad en daad aanwakkerde. Geen zwarigheden of vooroordeelen schrikten hem af: op de westkust van Afrika bereikte men eerst in 1439 kaap Bojador, vervolgens in 1445 kaap Verd, eindelijk in 1460, het sterfjaar van Hendrik den zeevaarder, kaap Siërra Leöna.

§ 52.

De Italiaamche staten gedurende de dertiende, de veertiende en de vijftiende eeuw.

Italië, dat door de natuur zoo rijk gezegende land, biedt, sedert het zich in de Middeleeuwen allengs aan de heerschappij van den Grickschen en den Duitschen keizer had onttrokken, een tooneel van schromelijke verwarring en van eindclooze twisten aan. In weerwil van de kennis en de beschaving, waarin vele zijner bewoners sinds de dertiende eeuw uitmuntten, werden er meer en gruwelijker burgeroorlogen gevoerd dan elders. Hier volgt een zeer kort overzicht der geschiedenis van zijn voornaamste staten.

Venetie koos in 697 een doge tot hoofd, die met een grooten raad den staat bestuurde. Door haar ligging tusschen West- en Oost-Europa werd deze stad spoedig een wereldmarkt. Tusschen Venetië en Genua deed handelsnaijver een reeks oorlogen ontstaan, die langer clan een eeuw, tot 1381, duurden en welker einde voor Venetië het begin van zijn grootsten luister werd.

Gelijk Milaan voornamelijk tijdens het bestuur der ViscontVs, 1311—1447, bloeide, zóó steeg het aanzien van Florence (in Toskane) ten top, sedert jou an de medici in 't begin der vijftiende eeuw de aangelegenheden van don staat leidde en zijn nakomelingen dien

-ocr page 105-

99

invloed ten erfdeel naliet. Door hun groote rijkdommen hielden de Medici zich in 't bewind staande en muntten meestal niet alleen uit als beheerschers van den staat, maar ook als milde beschermers en ijverige beoefenaars van kunsten en wetenschappen.

Na den val der Hohenstaufen (zie blz. 90) kwam Sicilië aan Arragon ten gevolge van de Sicüiaansche vesper, een opstand, die de Franschen in 1282 uit dit eiland verdreef. Napels daarentegen bleef aan het geslacht van Karei van Anjou (zie blz. 90). De laatste be-heerscheres uit dit huis was johanna ii, die in 1431 overleed, na eerst Alphonsus V van Arragon, later Lodewijk III van Anjou als opvolger te hebben aangenomen. In don oorlog, die hierover ontstond, zegepraalde alphonsus v, die tot zijn dood in 1458 liet bewind over Napels voerde.

§ 53.

Geschiedenis der Nederlanden gedurende de Middeleeuwen.

Er is een tijd geweest, waarin de volken 't bearbeiden van metalen niet kenden. Dien tijd, ouder dan de geschreven geschiedenis, noemt men het steenen tijdperk. De weinige hunnebedden, in ons land overig, zijn uit dat tijdperk, en de geschiedenissen van de oudste bewoning ons door geen schrijver geboekt. Naar historische berichten waren de Friezen, de Bataven en andere Germaansche stammen de eerste bevyoners. Sinds het einde der eerste eeuw v. C. moesten deze stammen zich aan de liomeinen onderwerpen, en Drusus (zie blz. 45) bouwde hier verscheiden sloten om het volk in bedwang te houden. Tevergeefs deed Claudius Civïlis, een der voornaamste Bataven, een poging om zijn stam en de met hem verbonden volkeren hun oude onafhankelijkheid te doen herwinnen. Op nieuw werden zij onderworpen in 70 n. C. In de vijfde eeuw werd het gebied der Romeinen door Germaansche stammen voor goed overheerd. Dit was nu ook het lot der Nederlanden, en zelfs de naam der Bataven verloor zich in dien der Franken en der Friezen. De eersten, n.1. de Sailers (zie blz. 67), breidden zich hoofdzakelijk in het Zuiden uit tot den Rijn en hadden Doornik (in Henegouwen) tot hoofdplaats. Aan de andere zijde woonden de Friezen.

In de zevende en de achtste eeuw kwamen hier vele Christenzen-dclingen om deze gewesten aan het heidendom te onttrekken. Vooral werd het Christendom met vrucht gepredikt door Wille bord, die in 739 stierf, en door Bonifacïus (zie blz. 71), dien de hei-

-ocr page 106-

100

dcnscho Friezen in 755 nabij Dokkum vermoordden. Eerst k a u e i, dk groote, die de Friezen onderwierp, dwong hen ook het Christendom aan te nemen. Na zijn dood werden deze streken door gedurige invallen der Noormannen geteisterd.

Sinds de Nederlanden aan den invloed der Frankische vorsten waren onderworpen, werd dit land, onder 't oppergezag dier koningen, bestuurd door hertogen en graven, veelal aanzienlijke edelen (zie blz. 70, 71), met uitgestrekte grondbezittingen begiftigd. Kort na het verdrag van Verdun (zie blz. 77), toen het Frankische rijk ophield te bestaan, kwamen de Nederlanden te staan onder 't gezag der koningen van Duitschland, met uitzondering van Vlaanderen, dat grooten-deels aan Frankrijk behoorde. Sinds de Nederlanden tot Duitschland behoorden, maakten zij een bestanddeel uit, eerst van het hertogdom Lotharingen, later van Neder-Lotharing en. En de negende en de tiende eeuw werden de meeste Nederlanden erfelijke leenen. In 't z. waren de machtigste gewesten het graafschap Vlaanderen en het hertogdom Brabant, in 't n. het hertogdom Gelderland, het graafschap Holland, Friesland en het bisdom of sticht Utrecht, waar de bisschop ook het wereldlijk bewind voerde. Die van hel Oversticht of Overijsel erkenden ook den bisschop van Utrecht als heer, en Groningen met do Ommelanden, alsmede Drente, ofschoon dikwerf wederspannig, werden eveneens gerekend aan den bisschoppelijken stoel te zijn onderworpen. Mede ten gevolge van het leenstelsel waren hier dezelfde bestand-dcelen der bevolking als elders: vazallen, geestelijken, lijfeigenen, enz. Maar in de twaalfde en de dertiende eeuw werd het verleenen der burger- of ^ooricrrechten en de daarmede samenhangende opkomst der steden, zoowel als der volkstaal, algemeen. De talrijke lijfeigenen, nu in de steden burgers geworden, zochten meer en meer deel uit te maken van de staten, die in ieder gewest uit geestelijken en edelen bestonden, hetgeen vaak onlusten verwekte.

Geen der overige gewesten kon in macht en welvaart met het rijke Vlaanderen worden vergeleken; maar uit dien voorspoed ontsproot ook wel eens overmoed. Niet zeer lang na den slag bij Kortrijk (zie blz. 93) sloot Gent met Engeland een verbond ten tijde toen Jakob van Arte velde, die tot een der rijkste en aanzienlijkste familiën der stad behoorde, er den grootsten invloed had. Hij liet zich in plaats van bij het gilde der wevers, dat zijner familie, inschrijven bij dat der bier-biouwers en werd tevens deken der kleine gilden. Aan zijn gezag kwam echter spoedig een einde, doordien hij in 1345 door het volk, dat hem vroeger had aangebeden, werd vermoord. Welhaast ontstond

-ocr page 107-

101

cr wederom verdeeldheid tusschen de Gentenaars en don graaf van Vlaanderen, die eerst een einde nam bij den slag bij Roosebeeke (in West-Vlaanderen, ten n.o. van Kortrijk), waarin de graaf, bijgestaan door zijn leenheer Karei VI (zie blz. 93), hen in 1382 versloeg. Toen het graafschap later aan het huis van Bourgondië kwam, werd de overmoed der Vlamingen eenigszins gefnuikt.

Gelderland, dat nog in de veertiende eeuw uit de graafschappen Gelder en Zutfen bestond, verhief zich onder de huizen Gelder, Gulik en Egmond (tusschen Alkmaar, Heilo, Castricum en de Noordzee) tot een aanzienlijken staat. R e i n a l d of r e i n o u d i , van gelder, nog graaf, voerde wegens Limburg oorlog tegen Jan I van Brabant, doch verloor in 1288 den slag bij Woeringen (een kasteel nabij Keulen). Na Reinouds dood werd Gelderland in 1339 een hertogdom. Doch tusschen zijn kleinzonen, reinoud ui en eduabd, ontbrandde een burgeroorlog, waarin de Hekerens de zijde van den eerste, de Bronkhorsten die van den laatste kozen. Eduard zegepraalde wel in 1361 bij Ti el; maar na zijn dood en na dien van Reinoud kwam het bestuur aan het huis Gulik. Friesland leed zwaar onder dergelijke geschillen tusschen de minvermogende Schieringers en de rijke Vetkoopers.

Plet graafschap Holland ontstond, zooals men gewoonlijk aanneemt, in 922, doordien Karei de eenvoudige (zie blz. 79) aan dirk i Egmond en omliggend land gaf. Het werd achtereenvolgens door vijf stamhuizen geregeerd: 't eerste was het Hollandsche, 922—1299. De eerste graven waren vaak in oorlog met de West-Friezen (een naam, waarop Hoorn, Enkhuizen en Medemblik met den omtrek een bijzondere aanspraak maakten; doch niet zelden werd geheel Noord-Holland West-Friesland genoemd), met wier land zij, tegen den zin der inwoners, werden beleend. In 1256 viel wii.lem ii in den strijd tegen hen, en eerst flohis v, zijn zoon, onderwierp hen. Eveneens hadden de graven dikwijls geschillen met de bisschoppen van Utrecht, inzonderheid over do grensscheiding en dewijl de graaf het veelal met tien paus, de bisschop met den keizer hield. Zoo werd Utrecht ongeveer 1145 door dirk vi belegerd, die evenwel uit vrees voor den banvloek des bisschops het beleg opbrak. Aan de zuidelijke grenzen waren de graven van Holland, ruim drie honderd jaren lang, met die van Vlaanderen in kamp wegens Zeeland, voornamelijk bewesten de Schelde. Eén jaar na den slag bij Kortrijk (zie blz. 93) vielen de Vlamingen in Zeeland en in Holland en drongen tot Haarlem door, waar zij evenwel werden gestuit. Van Hollands graven namen

-ocr page 108-

10-2

ft,oris in, die in 1190 (zie biz. 87) stierf, en willem i persoonlijk deel aan de kruistochten. Onder aanvoering van den laatste veroverde men in 1219 Damiate (in Egypte). Van hem zijn de keuren of stedelijke rechten en vrijheden van Middelburg, 1217, die tot de alleroudste hier te lande behooren. Eun van de merkwaardigste graven uit het Hollandsche huis is de boven genoemde Ploris V, „der kerle God,quot; die met nog ruimer hand aan steden en vlekken voorrechten gaf om, bij het wassend vermogen hunner burgers, bij hem hulp te vinden ten einde met vereende kracht do macht der leenmannen te verminderen en het vorstelijk oppergezag te vestigen. Uit deze rechten der steden is de latere burgerlijke vrijheid geboren. Die staatkunde kostte hem het leven: in 1296 werd hij door Gerard van Velzen en andere misnoegde edelen verraderlijk vermoord.

liet Henegouwsche huis bezat 1299—1354 het graafschap en werd opgevolgd door het Beiersche, 1354—1428. Na den dood van den laatsten graaf uit het huis van Henegouwen, willkm iv, verhief keizer Lodewijk van Beieren zijn eigen gemalin maegakbta, Willems zuster, tot gravin. Deze verheffing, aan sommigen welgevallig, werd door anderen, die willem v, den tweeden zoon van Lodewijk van Beieren en Margarëta, voorstonden, als strijdig met 's lands wetten beschouwd. Vanhier de kamp tusschen de eersten, lloek-schen, en de laatsten, KaheIjamvschen genoemd, welke Holland omstreeks honderd veertig jaren lang heeft geteisterd. Moeder en gt;oon verzoenden zich wel in 1354; doch tusschen de landzaten zeiven bleef verdeeldheid bestaan. De laatste der Beiersche graven was willem vi, na wiens overlijden op nieuw geschil over de opvolging ontstond. Naar het oordcel der Kabeljauwschen moest Willems broeder, Jan van Beieren, bisschop van Luik, hem opvolgen, terwijl de Hoekschen de aanspraak van Willems dochter ja kor a deden gelden. Vruchteloos zocht Jakoba steun eerst bij Jan van Brabant, toen bij Humphrey, hertog van Glocester (in 't w. van Engeland, aan de Severn), met welke beide mannen zij achtereenvolgens huwde. De eerste zoowel als de laatste verwaarloosde haar belangen. Na zich een tijdlang te hebben staande gehouden moest zij in 1428 Henegouwen, Holland en Zeeland aan Philips den goede, erfgenaam van Jan van Beieren, afstaan. Om de wisselende lotgevallen en de ongelukken dezer gravin is haar leven door velen in een dichterlijk verhaal geschetst.

Met dien afstand begint de heerschappij van het Bourgondische }mis, 1428—1482, dat reeds Vlaanderen bezat en allengs de meeste Neder-

-ocr page 109-

103

landen onder zijn bestuur vcreenigdo. Philips do goede was een zoon van Jan zonder vrees (zie blz. 93) cn stond bij gevolg in nauwe betrekking tot Frankrijk. Hij kocht Namen en Luxemburg en erfde Brabant en Limburg. Aan zijn hof steeg de weelde ten top; doch ook daarbuiten was do welvaart zoo groot, dat Holland, hetwelk nog bij Vlaanderen en Brabant achterstond, het „land van beloftequot; werd geheeton. Philips stelde de orde van het gulden vlies in en riep, o.a. in 1465, voor 't eerst do staten van alle provinciën, d. i. de algtmeene staten, bijeen, die evenwel geen rechten hadden, maar alleen werden geraadpleegd. Zijn zoon kabel de stoute, die hem in 1467 opvolgde, vatte hot voornomen op Bourgondië cn Nederland door verovering van hetgeen or tusschon lag samen te voegen en tol een koninkrijk to verheffen. De listen echter van zijn Iconheer, Lodewijk XI, koning van Frankrijk, stonden zijn plan in den weg. En toen hij later Réné, hertog van Lotharingen, en de Zwitsers aantastte, sneuvelde hij in 1477 bij Nancy (aan de Moezel, ton z. van Motz). Kareis dochter maria bleef nu weerloos achter tegenover de vijandelijke gezindheid van den koning van Frankrijk en do ten dooie te ver gaande eischen barer eigen onderdanen. Ter wille van de laatsten verleende zij aan Holland, Zeeland, Vlaanderen, Brabant en andere gewesten hel groot-privilegie, waardoor haar macht zeer werd beperkt. Maar Maximiliaan, aartshertog van Oostenrijk, oen zoon van Frederik III, keizer van Duitschland, die een huwelijk met haar aanging, beperkte de eischen van Lodewijk XI.

Na Maria's dood in 1482 trad Maximiliaan als voogd op voor zijn minderjarigen zoon, philips ii of den sgiioone, mot wien het bewind van 'lt; Oostenrijksche huis, 1482—1581, begint. Hot tijdperk van dit regentschap werd gekenmerkt door hernieuwde binnenlandsche twisten. Zelfs aarzelde het oproerige Brugge (in West-Vlaanderen) niet de hand aan Maximiliaan to slaan en hem gevangen te houden. Desniettegenstaande dempte hij mot kracht zoowel dezen opstand, als dien der Hoekschen, die in 1482 te Barneveld (op de Voluwe) hun wreedheid aan Jan van Schafïolaar hadden bot gevierd, en van het kaas- en broodvolk in Noord-Holland, waarmede de langdurige burgeroorlog dor Hoekschen en Kabeljauwschen een einde nam. Philips 11 aanvaardde zelf het bestuur in 1494, vernietigde het groot-privilegie, huwde J oli an na, een dochter van Ferdinand en Isabella (zie blz. 97), maar stierf in 1506. Voor den uit dit huwelijk gesproten zoon Karei II, later, als keizer en koning van Duitschland, den vijfde van dien naam en hierdoor in de geschiedenis onder den

-ocr page 110-

104

naam „Karei Vquot; bekend, nam zijn grootvader Maximiliaan, voor de tweede maal regent, de teugels van 't bewind in handen. Veel had hij te strijden met Friesland, dat door voortdurende tweespalt verdeeld was en ongezind zich geheel to onderwerpen, en met Gelderland, waar kabel, hertog uit het huis J'jjrnond, hem voortdurend beoorloogde, gelijk Kareis vader adolf -dit land aan Karei den stoute had betwist.

§ 54.

Geschiedenis van Polen en van Hongarije gedurende de Middeleeuwen.

De geschiedenis van Polen, een door Slaven bevolkt land, begint in de tiende eeuw, hoewel er vele overleveringen ia omloop zijn, o. a. omtrent pi ast, een boer, die in 't midden der negende eeuw tot hertog werd aangesteld en wiens nakomelingen, de latere vorsten van Polen, de Piasten, omstreeks 850—1370, heeten. Sedert ongeveer 960, toen hertog miesko of miecislav i, op aanraden zijner Bolieem-sehe gemalin Dohrawka, tot het Christendom overging, nam ook het volk, grootendeels gedwongen, langzamerhand dezen godsdienst aan en trachtten de koningen van Duitschland hun heeerschappij over Polen meer en moer uit te breiden. Maar uit hooide van den verren afstand konden zij alleen door kracht van wapenen de hertogen van Polen tot het erkennen hunner onafhankelijkheid noodzaken. In 1163 werd Silezié een van de doelen, waarin Polen was gesplitst, onafhankelijk. De overige, die een tijdlang veel van de Mongolen (zie blz 107) hadden te lijden, waren: Groot-Polen, dat voor de Warta wordt doorstroomd en Posen en Kalisch als steden telt; Klein-Polen, aan de boven-Weichsel, dat o. a. de steden Krakau en Lublin bevat, en Masövié, dat door de Weichsel, de Bug en de Narew wordt doorstroomd.

liet eigenlijke koninkrijk Polen ontstond in 1320, toen w la dis-la v i loktiek, d. i. de slechts één el lange, zich in de hoofdstad Krakau als honing liet kronen. Na het uitsterven van do mannelijke nakomelingschap der Piasten in 1370 werd Polen een volledig keur-rijk. In dit jaar verkozen de Polen lodewuk i of den groote, tevens koning van Hongarije, en na zijn dood hedwig, zijn jongste dochter, die in 1386 huwde met jagello, grootvorst van Litthau-wen. Dus werd Jagello, die Christen werd en den naam wladis-lav ii aannam, de stichter van het huis der Jagellonen. De Littbau-wers moesten zich nu ook bekeeren en stonden voortaan met Polen

-ocr page 111-

105

onder één opperheer, ofschoon zij door nfzonderlijkc grootvorsten werden geregeerd. Later, sedert het raidden der zestiende eeuw, werd Litthauwen met Polen onder één hoofd vereenigd.

De talrijke horden Hongaren of Magyaren bemachtigden (zie hlz. 79, 80) binnen een tiental jaren het tegenwoordige Hongarije en Zevenbergen en erkenden arpad als gemeenschappelijk opperhoofd. In den beginne bleef dit volk getrouw aan zijn zwervende levenswijze en maakte zich geducht door vreeselijke strooptochten naar D'ütsch-land (zie blz. 79, 80) en andere landen. Op den duur evenwel konden het verblijf in Europa en do aanraking met Christenvolkeren niet zonder invloed op hen blijven. Sinds den tijd van hertog gei a a (972—997), die tot het Christendom overging, gewenden de Hongaren zich aan landbouw en vaste woonplaatsen en staakten hun rooftochten. Op Geiea volgde zijn zoon stephjinus i of de heilige, die in 1000 koning werd, welke waardigheid erfelijk werd verklaard in het huis der Arpaden, 889—1301. Echter erkende de koning van Hongarije doorgaans de leenhoogheid van hot Duitsche rijk. Tot de latere koningen behoorden andröas ii die in 1222 in de gouden hul groote voorrechten aan adel en geestelijkheid verleende, en zijn zoon bei,a iv, onder wiens regeering de Mongolen (zie blz. 107) Hongarije binnendrongen en met hen alle gruwelen der verwoesting.

Nadat de mannelijke nakomelingschap der Arpaden in 1301 was uitgestorven, beklom het huis An jou (zie blz. 90) in 1810 den troon van Hongarije. De tweede koning uit dit geslacht was lode wijk de groote, later tevens koning van Polen (zie blz. 104). Na hem werd zijn oudste dochter maria als koningin, of, naar Hongaarsch gebruik, als koning erkend, die in 1387 aan haar gemaal sigisjiund (zie blz. 91) al haar rechten opdroeg. Sigismund en zijn opvolgers hadden veel te kampen tegen de Turken, in welken strijd zich bovenal Johannes Hun^ad, omstreeks 1450 gubernator (rijksbestuurder) van Hongarije, onderscheidde. Kort daarna verkoos men den zoon van Hunyad, matthïas corvïnus (1458—1490), als koning. Hij was een ijverig beschermer der wetenschappen en stichtte in 1465 een hoogeschool te Ofen. Ook bevorderde hij zeer landbouw en nijverheid.

De landen, ten z. van den Donau gelegen, met name Servië, Bosnië, Bulgarije, Kroatië, Moldavië en Wallachije, waren alle gedurende langer of korter tijd aan Hongarije onderworpen, maar werden tegen 't eind der Middeleeuwen door de Turken veroverd.

-ocr page 112-

106

§ 55.

Dc Scandinavische rijken gedurende de Middeleeuwen. — Oorsprong van Rusland.

lu dc geschiedenis der Middeleeuwen zijn, voor de algemeene historie, de Noordsche rijken van Europa nog van weinig belang. Echter moeten drie punten niet worden voorbijgezien. Het zijn: de invoering van liet Christendom in deze landen, de oorsprong van Rusland en de nnie van Kalmar.

Wat hot Christendom aangaat, dit maakte hier zeer langzame vorderingen. Ten tijde van Lodewijk den vrome (zie blz. 76) werd het voor 't eerst in Denemarken gepredikt; maar het konde cr het diep gewortelde heidendom nog geenszins verdringen, öuen, de vader van Knoet (zie blz 83), was nog een heftig vijand van 't Christendom; doch mot knoet was de zege van dezen godsdienst in Denemarken beslist. Eveneens namen ook omstreeks 1000 vele inwoners van Zweden en Noorwegen het Christendom aan. Het duurde evenwel nog geruimen tijd, eer do sporen van 't heidendom ten volle waren verdwenen.

Voor den grondvester van 't Russische rijk houdt men Rurik, een opperhoofd van een stam Noormannen, Russen geheeten, uit Zweden. Door de hij do Oostzee wonende en onder elkander oneenige Slaven ingeroepen, trok hij omstreeks 860 naar het hedendaagsche Rusland, onderwierp er oenige stammen der Slaven aan zijn macht en stichtte aldus in 864 oen vorstendom te Nowgorod (ten z. van Petersburg). Dit vorstendom, het begin van 't Russische rijk, werd onder Ruriks opvolgers langzamerhand uitgebreid en kreeg vervolgens Kieio (aan de Dnieper) tot hoofdzetel. Echter was het lang tot het binnenland en tot hot Noorden van hot tegenwoordige Rusland beperkt. Een zijner beheerschors, wladïmir de groote, nam in 988 bij zijn huwelijk met eon Byzantijnsche princes het Christendom, volgens de grondstellingen der Griokscho kerk (zie blz. 72), aan en legdo dus den eersten grondslag der beschaving. Nogtans zegepraalde het Christendom niet dan langzaam over de vreeselijke ruwheid des volks en der vorsten. Rusland, sedert 1015 in vele vorstendommen gesplitst, die slechts zeidon aan hel grootvorstendom Kim ondergeschikt wilden blijven, werd gedurende een lange reeks jaren door binnenlandsche onlusten en oorlogen met de Polen en met andere naburen geschokt en

-ocr page 113-

107

was langer clan twee eeuwen aan de Mongolen onderworpen. Omstreeks 1325 werd Moskau hoofdzetel.

De vermaarde unie van Kalmar (in 't z.o. van Zweden) werd in 1397 onder 't bewind van margarcïa, koningin der drie Scandinavische rijken, gesloten. Op deze bijeenkomst van aanzienlijke geestelijke en wereldlijke personen uit de drie wijken werd bepaald, dat deze staten in geval van oorlog onderling vast zouden zijn verbonden en voor altijd door één gemeenschappelijk gekozen koning worden geregeerd, maar tevens, dat elk rijk zijn eigen staatsregeling en wetten zou behouden. Geen lange duur drukte 't zegel op deze overeenkomst: kort na den dood van Margarëta, in 1412, vielen de bepalingen der unie in duigen en werden weldra niet meer nageleefd.

§ 56.

De opkomst en de hernieuwing der Monqoolsch-Tarlaarsche macht. — De verovering van Constantinopel door de Turken in 1453,

In 't begin der dertiende eeuw stond onder de Tartaarsch-Mon-goolsche horden in het tegenwoordige Sineesch-Tartarije, de voormalige woonplaats der Hunnen, een veroveraar op, tejioudschin gebeeten, die den titel tsciiinqisciian (algemeene aanvoerder) verkreeg. Onder zijn leiding en onder die zijner opvolgers deden de Mongolen verbazende veroveringstochten eerst in Azië, vervolgens naar Rusland, Hongarije en Polen. Zoo drongen in 1241 tallooze scharen van dit woeste volk tot in Silezië door, waar zij bij Liegnitz (ten n.w. van Breslau aan de Katzbach) wel de overwinning behaalden, doch door de dapperheid van de geestelijke ridders dor Duitsche orde, ten tijde van den derden kruistocht gesticht, toch zulk een groot verlies ondergingen, dat zij verplicht waren den terugtocht aan te nemen. Niet lang daarna verviel het ontzaglijke, maar zeer verdeelde rijk der Mongolen. In 't midden der veertiende eeuw herrees het op nieuw, sedert Ti mo er, veelal tameblan genoemd, allengs hun geheel voormalig gebied, behalve Sina, vermeesterde en zich tot uitsluitend beheerseher aller stammen opwierp. Hij verbeterde veel in 't binnenlamlsch beheer en deed onderscheiden veroveringstochten, oa. tegen Noord-Indië. Ook sloeg hij in 1402 den sultan der Ottomanische Turken. BAjazETir i, bij Angora (in 't midden van Klein-Azië). Maar na den dood van Timoer, in 1405, ging dit kortstondige wereldrijk even

-ocr page 114-

108

snel te niet, als het was ontstaan. De onderworpen volkeren wierpen het juk af, en er verrezen onderscheiden onafhankelijke staten, zooals die der Turkomannen in Perzië en die van den groot-mogol in Hindostan.

Ook de Turksche stam der Ottomanen, die zich onder zijn aanvoerder otman of osman i in 't begin der veertiende eeuw van bijna geheel Klein-Azië had meester gemaakt, werd, kort na het verdwijnen van het Mongoolscho rijk, machtiger. In het midden dier eeuw kregen zij vasten voet in Europa en beperkten al meer en meer het Byzantijnsche rijk, dat sedert de verdeeling (zie blz. 49) door de zwakheid van 't meerendeel zijner beheerschers, kerkelijke twisten, hoflntrigues en andere oorzaken zijn ondergang hoe langer zoo sneller te gemoet ging. Ware Constantinopel niet zulk een sterke stad geweest, de staat zou eerder zijn bezweken. Maar toen het Grieksche rijk ten laatste tot eenige eilanden, alsmede tot de hoofdstad, werd beperkt en ook deze hoofdstad reeds tallooze malen was belegerd, nam het een einde. Sultan moiiammed ii omsingelde in 1453 Canstantinopel met een leger van ten minste 158,000 man, gesteund door een groote vloot, en veroverde het stormenderhand. Keizer constantïnus ix overleefde den val van zijn rijk riet, doch sneuvelde dapper strijdende.

-ocr page 115-

CHRONOLOGISCH OVERZ1CHT.

MIDDELEEUWEN.

EERSTE TIJDVAK.

Van den val van 't Wesl-Rorneinsche rijk tol den dood van khalif Hanen al Raschid en van keizer Karei den groote, 476—809 en 814.

Jnrcn n. C.

§ 34. Het Oost-Goth'ische rijk. — Het Oost-llomeinsche rijk lot . 842. De val van hel Vandaalsche en van het Oost-Gothische rijk. — De Lonyobarden in Italië.

Theodërik, koning der Oosl-Gothen, verovert Italië en Sicilië

op Odoacer................ 490—493.

Theodërik, tevens boheerscher van do zuidelijke Donaulanden, 493—526. Justinianus keizer van het Oost-Romeinsche rijk . . . 527—5(55. Belisarïus maakt een einde aan het Vandaalsche rijk . . 534. Narses vernietigt het rijk der Oost-Gothen en wordt exarch

over Italië.— Ravenna exarchaat.......... 555.

Alboin, koning der Longobarden, maakt zich meester van het

binnenland van Boven- en Midden-Italië....... 568.

Leo Mi de Isauriër..............717—741.

Begin van den beeldenstrijd tusschen de beeldstormers en de beeldendienaars . . ................ 726.

Herstelling van den beeldendienst........... 842.

§ 35. De Arabieren. — Mohammed........ 571—632.

Mohammed, een zoon van Abdallah, uit het geslacht der Haschernieten en den stam Koreiseh, geboren te Mekka . . 571.

Hij verkondigt den islaam...........sedert 615.

De hedschrah. — Begin der Mohammedaansche tijdrekening 1G Juli 622.

Mokka valt in handen der Mohammedanen....... 630.

Mohammed sterft. — Arabië bekeerd en onderworpen . . . 632.

§ 36. De Arabieren onder de eerste khalif en, die uit het geslacht

der Ommyaden en de eerste Abbassiden..... 632—809.

De ondergang van het rijk der West-Go then in .... 711.

Aboe Bekr eerste khalif............ 632—634.

-ocr page 116-

110

Jaren n. C.

Omar................... 634—644.

Ali.................... 656—661.

Dc Ornrnyaden. — Moeawia I.......... 601—680.

Tarik overwint de West-Gothen niet ver van kaap Trafalgar.— Roderik verdwijnt. — De Gothen vluchten naar 't gebergte in 't n......•..............711.

Aboel Abbas brengt liet khalifaat in het geslacht der Abbas-sïden over.................. 750.

Abd Errahman grondvest een onafhankelijk emiraat (later khalifaat) te Cordtiva............... 756.

Haroen al Raschid.............. 786—809.

§ 37. Het Frankische rijk onder de Merovingi'érs en de Karolingische huismeiers tot het koningschap der Karolingiers 481—752.

De Sali'érs en de Ripuariérs hoofdstammen der Franken sedert de 4lt;le eeuw.

Clovis I..................481—511.

Hij verecnigt alle stammen onder zijn gebied en onderwerpt vele der aangrenzende volkeren. — Hij verslaat de Aleman-nen bij Zülpich................. 496.

Hij sterft als beheerscher van bijna geheel Frankrijk, een groot deel van Duitschland en de Nederlanden.......511.

De hofmeiers. — Pepijn van Heristal.

Karei MartelI behaalt tusschen Tours en Poitiers een schitterende zege op de Arabieren............ 732.

Hij sterft. — Pepijn de korte............741.

Zijn aanvraag aan paus Zacharias. — Childërik III wordt in een klooster gezet, Pepijn de korte te Soissons als koning gekozen.................... 752.

§ 38. Het leenstelsel en het Christendom onder de Duitsche volkeren. — Het pausdom en de scheuring der katholieke kerk.

Alodium. — Domein. — Beneficium. — De commendatio. —

Vazal. — Dominus. — Oorsprong van het leenstelsel. — Leen (beneficium). — Leenheer. — Leenman of vazal. — Vavazal.

Winfried of Bonifacïus, de apostel der Duitschers, bekeert de Hessen en de Thuringen, sticht het bisdom Fulda en wordt de eerste aartsbisschop van Maints. — Hij wordt door de Friezen bij Dokkuin gedood.......5 Juni 755.

De titel paus komt bij voorkeur aan den bisschop van Rome

sinds Gregorïus I den groote........ 590—604.

De katholieke kerk verdeeld in de Latijnsche en de Grieksche . 1054.

-ocr page 117-

Ill

Jaren n. O.

§ 39. Het Frankische rijk onder de Karolingische koningen Pepijn en Karei den groote. — De bekeering en de onderwerping der Saksen............ 752—768.

Pepijn de korte............... 752—7()8.

Hij bekrachtigt het bestaan van den Kerkelijken Staat, d. i. de

landen bij Bologna en Ancona......................755.

Karei de groote............... 768—814.

De Saksen. — Oorzaken van Kareis oorlogen tegen hen.

Zijn grootsch plan. — Begin dezer oorlogen. — Wittekind . 772.

Karei, door Hadrian us I ingeroepen, ontneemt Deside-rïus, koning der Longobarden, zijn rijk. — Desiderms

wordt monnik..................................774.

Rijksdag te Paderborn. — Karei verovert de Spaansche mark op

Abd Errahman..................................777.

Karei laat 4500 aanzienlijke Saksen neerhouwen. — Wittekind

gedoopt........................................785.

Volledige onderwerping en bekeering der Saksen..........804.

Paus Leo III kroont Karei op kerstdag als keizer en aanleiding hiertoe....................................800.

§ 40. Kareis binnenlandsch bestuur.

Gouwen. —■ Graven. — Marken en markgraven, — Kanselier, paltsgraaf. — Meivelden.

Karei sterft..................Jan. 814.

TWEEDE TIJDVAK.

Van den dood van Haroen al Raschid en van dien van Karei den groote tot den tijd van Gregortus VII, 1073—1085, en tot het begin der kruistochten. — Van 809 en 814 tol 1096.

§ 41. De Karolingische koningen van het rijk der Franken tot

hel afzetten van Karei den dikke..... 814—887 en 888.

Het verdrag van Verdun............ 843.

Lodewijk de vrome ............. 814—840.

Lode wijk de vrome geeft zich op het leugenveld aan zijn zonen

over. — Gregorïus IV............. 833.

Verdrag van Verdun................ 843.

De nakomelingen van Lotharïus sterven uit....... 875.

-ocr page 118-

112

Jaren n. C.

Karei de dikke vereenigt als keizer bijna het geheelo rijk van Karei den groote.......... 876—887 en 888.

Karei de dikke in Duitschland afgezet. — Arnulph van

Karinthië als koning verkozen.......... 888.

§ 42. De laatste Karolingiérs in Duitschland, Ital/ié en Frankrijk,

887—911, 923 en 987. Duitschland onder den Frankischen Koenraad I en de eerste vorsten uit het Saksische huis....... 911—973.

Arnulph.................. 887—899.

Hij vernietigt de Noormannen bij Leuven........891.

De Karolingische stam in Duitschland sterft met Lodewijk

het kind uit..................911.

De Karolingiërs in Italië sterven met Herengarïus van

Friaul uit.................. 923.

Karei de eenvoudige koning van Frankrijk . , . .898—923, 929.

liollo, thans Robert gehceten, wordt hertog van Nor mandié

en opperleenheer van Bretagne...........912.

De laatste Karolingische koning van Frankrijk, Lodewijk V de doeniet, sterft. — Hugo Capet......... 987.

Koenraad I. — De koningstitel gaat met Hendrik I op het

huis der Saksen over............. 919—936.

Nederlaag der Hongaren bij Mcrseburg......... 933.

Otto I of de groote.............. 936—973.

Zegepraal van Otto op de Magyaren op het Lechveld. . . . 955.

§ 43. Duitschland onder hel Frankische huis .... sedert 1024.

Twist van keizer Hendrik IV....... 1056—1106.

met paus Gregorius VII......... 1073—1085.

Het Saksische huis sterft uit. — Het Frankische of Salische huis 1024.

Koenraad de Saliër............ 1024—1039.

Hendrik lil. — Zijn doel betrekkelijk het binnenlandsch beheer.

Hendrik IV................ 1056-1106.

Gregorius VII, vroeger Hildebrand,....... 1073—1085.

Het Wormscr concordaat onder Hendrik V........1122.

Hendrik IV trekt naar het slot Canossa, waar de paus bij Mathi 1de van Toskane, weduwe van Godfried met den bult, vertoeft, en wordt voorwaardelijk van den ban ontslagen................... 1077.

Hendrik schenkt Zwaben aan Frederik van Buren of van

Hohcnstaufen.................. 1079.

-ocr page 119-

113

.laren n. C.

Grcgorïus vliedt eerst naar den Engelenburg, dan naar den vorst der Noormannen, zijn leenman, en sterft te Salerno . . . 1085.

§ 44, De Angelsassen in Britannié......... 449—827.

Engeland onder het bestuur der Angelsaksische koningen 827—1017.

Onder het Deensche huis.......... 1017—1042.

Onder de regeering van den Angelsaksischen Eduard III 1042—106G. Onder den eersten vorst uit hel Normandische huis 1066—1087.

Egbert eerste koning van Engeland.......... 827.

Alfred de groote .............. 871—901.

Kanut of Knoet, met den bijnaam de groote, beheerscher

van Engeland, Denemarken en Noorwegen..... 1017—1035.

Eduard III. — Harald verliest den slag bij Hastings . . . 1066. Willem de veroveraar ............ 1066—1087.

DERDE TIJDVAK.

Van het begin der kruistochten in 1096 lot hun einde in 1291 en tot de verkiezing van Rudolf van Habsburg als Roomsch of Duitsch koning in 1273.

§ 45. De eerste kruistocht............ 1096—1099.

Bedevaarten naar Palaestina sedert den tijd van Constantïnus den groote. — De Arabieren bezitten dit land . . . sedert 637.

De khalif draagt de wereldlijke heerschappij aan een emir al omra op................... 924.

De aanvoerder der Seldschukken wordt emir al omra .... 1055.

De Seldschukken veroveren Palaestina en laten Jeruzalem over

aan een woeste horde............... 1055.

Conciliën, door Urban us II te Piacenza en te Clermont go-houden ,................... 1095.

Peter van Amiëns en anderen begeven zich met groote scharen op weg naar 't heilige land, maar komen schier alle door het zwaard der Piongaren en der Seldschukken om. . 1096.

De aanvoerders van 't hoofdleger, op 6 of 700,000 menschen begroot, stellen zich in beweging: Godfried VI van Bouillon, hertog van Neder-Lotharingen, benevens zijn broeder Boudewijn; bisschop Ademar van Puy en Bohëmund van Tarente............ 1096.

Oorzaken, waardoor duizenden hunner omkomen. — Antiochïé

WiJNNE, Overzicht, 'Kide druk. 8

-ocr page 120-

114

.liii-en n. C.

na een beleg van 9 maanden ingenomen. Bohemuud sticht er een vorstendom................ 1098.

De kruisvaarders, ten getale van bijna niet meer dan 30,000 weerbare mannen, veroveren na een beleg van vijf weken Jeruzalem................15 Juli 1099.

Godfried, tot koning van Jeruzalem benoemd, noemt zich beschermer van het heilige graf en voert in staatszaken den titel hertog................. 1099—1100.

Boudewijn I zijn opvolger.............1100,

§ 46. De tweede kruistocht............ 1147—1149.

De derde kruistocht............ 1189—1192.

Duitschlnnd onder Frederik J Barbarossa uit het huis der

Hohenstaujen.............. 1152—1190.

Lode wijk VII en Koen raad III ondernemen den tweeden

kruistocht, maar keeren onverrichter zake terug . . . 1147—1149.

Jeruzalem opent haar poorten voor Saladijn, stichter van het

huis der Ejuhidcn en sultan van Egypte en Syrië.....1187.

Frederik I Barbarossa, Philips II Augustus en Richard Leeuwenhart rusten zich tot den derden kruistocht toe .... 1189—1192.

Het huis der Hohenstaujen beklimt, na het uitsterven van het Frankische huis, met Koenraad III den troon van Duitsch-land.....................1138.

Frederik I Barbarossa............ 1152—1190.

Vrede van Constants................1183.

Frederik Barbarossa trekt naar Jeruzalem, maar verdrinkt in

de Selef....................1190.

Richard Leeuwenhart en Philips II Augustus nemen, in vereeniging met de overige kruisvaarders. Acre bij verdrag in..................1191.

Wapenstilstand van Richard Leeuwenhart met Salamp;dijn , . . 1192,

§ 47. De vierde kruistocht............ 1202—1204.

De vijfde kruistocht............ 1228—1229,

De zesde kruistocht............ 1248—1254.

De zevende kruistocht.............. 1270.

Duitschland onder Frederik II uit het geslacht der Hohen-staufen................ 1215—1250.

Frankrijk onder de Capetingiérs Philips II Augustus en Lodewijk IX of den heilige......... 1180—1270.

Engeland onder Jan zonder land, koning uit het huis Plantagenet ,.............1199—121G.

-ocr page 121-

115

Jaren n. C.

Bonifacius van Montferrat en Bou tic wijn IX van Vlaanderen vereenigen zich met vele Fransche vorsten, al.smcdu met Hendrik Dandolo tot den vierden of Latijnschen kruistocht................. 1202—1204.

Oproer te Constantinopel. — De kruisvaarders maken een einde aan het Grieksche rijk.............. 1204.

Het Latijnsehe keizerrijk............. 1204—1261.

Frederik II koning van Duitschland en bezitter der Nonnan-dische staten in Beneden-Italië......... 1215—1250.

Hij krijgt op den vijfden kruistocht Jeruzalem voor tien jaren terug................... 1228—1229.

Lodewijk IX of de heilige onderneemt den zesden kruistocht ................... 1248—1254.

Hij neemt Daniiate in. — Wapenstilstand met den sultan van Egypte.................... 1250.

Terugkeer des konings naar Frankrijk......... 1254.

Hij onderneemt den zevenden of laat sten kruistocht en wendt zich tegen Tunis................. 1270.

Lodewijk en een groot deel zijner tochtgenooten bezwijken aan ziekten.................. 1270.

De Egyptenaren veroveren Acre. — Einde van de heerschappij der Christenen in Palaestina............1291.

Philips II Augustus koning van Frankrijk..... 1180—1223.

Het huis Plantagenet bestijgt, na de afstammelingen van Willem den veroveraar, den troon van Engeland......1154,

Jan zonder land koning van Engeland.......1199—1216.

De magna charta.................1215.

Lodewijk IX koning van Frankrijk........ 1226—1270.

VIERDE TIJDVAK.

Van het einde der kruistochten in 1291 en de verkiezing van Rudolf van Hahsburg in 1273 tot het einde der Middeleeuwen in 1500.

§ 48. Duitschland onder de koningen uit het Hahsburgsche en het

Luxemhurgsche huis. — Johannes llus..... 1273—1436.

Val van het huis der Hohenstaufen met Konrad ij n, wien Karei van Anjou van Beneden-Italië berooft en ter dood

laat brengen.................. 1268.

Het tusschenrijk in Duitschland.......... 1250—1273.

8*

-ocr page 122-

116

Jaren n. C.

Rudolf van Habsburg koning van Duitschland . . . 1273—1291.

Hij overwint 0 11 ö k a r, koning van Bohemen, op het Marchveld................... 1278.

Albrecht I................. 1298—1308.

Het Luxemburgsche huis. — Karei V, ook koning van Bohemen, .................. 1347—1379.

De gouden bul in 30 hoofdstukken.

Sigismund, ook koning van Hongarije,...... 1410—1437.

Kerkvergadering le Constants. — Haar doel........1414.

John W i c 1 i f f e predikt in Engeland tegen de iniebruikon der geestelijkheid.............sedert 1360.

Johannes Hus wordt in den ban gedaan. — Hij ondergaat met Hieronymus van Praag den dood......1415.

De Hussietenoorlog............... 1419—1436.

])e Bohemen erkennen Sigismund als koning....... 1436.

§ 49. Frankrijk onder de laatste koningen uit de rechte linie van het huis Gapet en onder die van de tweede linie of het huis Valois. — De langdurige oorlog tusschen Frankrijk en Engeland. — De maagd van Orl'eans...... 1285—1453.

Philips IV of de schoone........... 1285—1314.

Hij geraakt in oorlog mot Engeland.......... 1293.

Pieter de Coninck verslaat de Franschen in den sporenslag bij Kortrijk.................. 1302.

Clemens V heft de orde der tempeliers, kort na den eersten kruistocht gesticht, op. — De moeste tempeliers en hun grootmeester Jacob du Molay komen op den brandstapel om.

De eerste linie van Gapet sterft uit. — De tweede linie der

Capetingi'érs of het huis Valois. — Philips VI ... . 1328—1350.

De oorlog met Engeland begint op nieuw........ 1339.

Eduard III, koning van Engeland, wint den slag bij Crécy 1346.

Karei VI koning van Frankrijk.......... 1310—1422.

Jan zonder vrees laat Lodewijk van Orleans te Parijs vermoorden 1407.

De partij van Orleans of van Armagnac vermoordt Jan op do

Yonnebrug...................1419.

Philips do goede sluit met de Engelschen het verdrag van

Trqycs.................... 1420.

De dauphin Karei VII wordt koning........ 1422—1467.

Jeanne Dare of de maagd van Orleans.

De bevelhebber van Vaueouleurs voort haar naar den koning. —

Zij ontzet Orleans................ 1429.

-ocr page 123-

117

Jaren n. C.

Karei VII te Rheims gekroond............ 1429.

Jeanne Dare valt bij Compiègne in handen der Bourgondiërs, die haar aan de Engelschen vcrkoopen. — Ter dood veroordeeld, wordt zij te Rouaan verbrand.........1431.

Karei VII verzoent zich met Philips den goede. — Einde van den meer dan honderdjarigen kamp met Engeland. — Alleen Galais blijft aan de Engelschen........... 1453.

§ 50. Engeland onder de laatste koningen uit het huis Plantagenet, alsmede onder de geslachten Lancaster en York. — De oorlog der witte en der roode roos...... 1274—1485.

Eduard I.................. 1274—1307.

Eduard III................. 1327—1377.

Verdrag van Eduard III met David II Bruce..... 1357.

David sterft. — Robert II Stuart.......... 1370.

Richard II verdrongen door Hendrik IV uit hel huis Lancaster 1399.

Hendrik VI. — Richard van York protector.

Begin van den burgeroorlog tusschen de huizen Lancaster en York of tusschen de roode en de witte roos......... 1455.

Richard sterft. — Eduard IV van York....... 1461—1483.

Hij wint den slag bij Towton. — Hendrik VI gevangen. •— Margarëta vlucht...............1461.

Margarëta wederom overwonnen en gevangen gezet. — De jonge Eduard omgebracht. — Hendrik VI sterft in den Tower . . 1471.

Richard III ................. 1483-1485.

Slag bij Bosworth. — Richard HI sneuvelt. — Hendrik Tudor, graaf van Richmond, overwint........ 1485.

§ 51. Geschiedenis van Spanje ge.durende het tweede, het derde en het vierde tijdvak. — De opkomst en de ondergang der Ommyaden. — Het ontstaan en de bloei van nieuwe Christens ta ten.

Abd Errahman I emir van Spanje.

(Irooto bloei van 't Mohammedaansehe Spanje onder Abd

Errahman III, khalij en opperhoofd der geloovigen, . . 912—961.

Verval van 't rijk. — Oorzaken hiervan. — Hischam III wordt uit Cordova verjaagd.............1031.

Alphonsus VI, koning van Castilië, geeft aan Hendrik,

graaf van Bourgondië, het land tusschen de Minho en de Duero, Portugal, in leen.............. 1094.

Ferdinand III of de heilige........... 1230—1252.

-ocr page 124-

118

Jaren n. C.

Isabella van Castilië en Ferdinand II (V in Castilië) of de

katholieke van Arragon...........sedert 1474.

Granada bij Castilie ingelijfd..........................1492.

Einde van de heerschappij van het echte Bourgondische huis in

Portugal........................................1383.

Het onechte Bourgondische huis: Johan 1..................1386.

Hij verovert Ceüta................1415.

Hendrik de zeevaarder. — Madera ontdekt. — Kaap

Bojador omzeild..................................1439.

Kaap Verd omzeild................................1445.

Kaap Siërra Leona omzeild. — Hendrik de zeevaarder sterft . 1460.

§ 52. De Italiaansche staten gedurende de dertiende, de veertiende en ds vijftiende eeuw.

Venetië kiest een doge............... 697.

Do reeks van oorlogen tusschen Venetië en Genua eindigt. —

Begin van Venetic's luister.............1381.

Milaan bloeit onder de Visconti's......... 1311—1447.

Johan de Medici hoofd van Florence sedert het begin der vijftiende eeuw. — Roem van de Medici.

Sicilië komt aan Arragon ten gevolge van de Siciliaansche

vesper..................... 1282.

Johanna II, laatste bebeerscheres uit liet huis Anjou over Napels, neemt eerst Alphonsus V van Arragon, later Lode-wijk III van Anjou tot opvolger aan. — Zij sterft .... 1435.

Alphonsus V van Arragon zegepraalt over Lodcwijk II en beheersebt Napels.............. 1435—1458.

§ 53. Geschiedenis der Nederlanden gedurende de Middeleeuwen.

Drüsus. — Mislukte opstand van Claudius Civil is . 70 n. C.

Christenzendelingen. — Willebrord sterft...... 739.

Bonifacïus nabij Dokkutn vermoord......... 755.

Karei de groote onderwerpt de Friezen en dwingt hen het Christendom 'aan te nemen.

Vlaanderen. — Gent verbindt zich met Engeland. — Jakob van Artevelde vermoord ............ 1345.

De Gentenaars door hun graaf en zijn leenheer Karei VI bij Roozenbeekc verslagen............... 1382.

Reinald of Reinoud I van Gelder verliest den slag bij Weeringen tegen Jan I van Brabant....... 1288.

Gelderland wordt een hertogdom............ 1339.

-ocr page 125-

119

Jaren n. C.

Burgeroorlog van de Hekercns en Reinoud III tegen de Bronk-

horslen en Eduard.

Zegepraal van Eduard bij ïiel . . . . •.......1361.

Het huis Gulik.

Geschillen tussehen de Schieringers en de Vetkoopers in Friesland. Oorsprong van het graafschap Holland: Karei deeenvou-

•dige geeft Egmond en omliggend land aan Dirk I. . . . 922.

Het Hollandsche stamhuis............ 922—1299.

Willem II sneuvelt in den strijd tegen de West-Friezen . . 1266.

Dirk V moet het beleg van Utrecht opbreken . . ongeveer 1145.

Inval van de Vlamingen in Zeeland en in Holland .... 1303.

Floris III sterft op een kruistocht...........1190,

Willem I verovert Damiate.............1219.

Hij verleent de keuren van Middelburg.........1217.

Floris V door Gerard van Velzen en andere edelen vermoord. — Aanleiding hiertoe........................1296.

Het Henegouwsche huis............. 1299—1845.

Het Beiersehe huis............... 1345—1428.

Willem IV sterft. — Margarëta tot gravin aangesteld door Lode wijk van Beieren. — Tegenover haar staat Willem V.

Partijschappen der Hoekschen en Kabeljauwschen gedurende omstreeks 140 jaren.

Verzoening van Margarëta met Willem V................1354.

Willem VI sterft. — Jakoba staat Henegouwen, Holland en

Zeeland aan Philips den goede af..................1428.

Het Bourgondische huis............. 1428—1482.

Orde van het gulden vlies. — Algemeene staten sedert . ongev. 1465.

Karei de stoute..............sedert 1467.

Hij tast Ren6 en de Zwitsers aan en sneuvelt bij Nancy . . 1477.

Maria..................sedert 1477.

Maria sterft. — Maximiliaan voogd over Philips II of den

schoone. — Het Oostenrijksche huis....... 1482—1581.

Einde van den burgeroorlog der Hoekschen en Kabeljauwschen 1492.

Philips 11.................sedert 1494.

Hij huwt Johanna. — Hij sterft......................1506.

Maximiliaan voogd over Karei II (V)......sedert 1506.

§ 54. Geschiedenis van Polen en Hongarije gedurende de Middeleeuwen.

De Slaven bevolken Polen. — Piast wordt ais hertog aangesteld .................omstr. 850.

-ocr page 126-

120

Jaren. n. C.

Dc Piasten.................. 850—1370.

Miesko of Miecislav I gaat op aanraden van zijn gemalin

Dobrawka tot liet Christendom over.....omstr. 690.

Silezié wordt onafhankelijk van Polen.........1163.

Wladislaw I Loktiek laat zich te Krakau als koning kronen 1320.

Lodewijk I of de groote.............. 1370.

Hedwig. — Zij huwt Jagello, grootvorst van Litthauwen, . 1386. Hij wordt Christen en neemt den naam Wladislav II aan. —

Dc Jagellonen.

De Hongaren of Magijarcn bemachtigden Hongarije en Zevenbergen binnen een tiental jaren en erkennen Arpad als gemeenschappelijk opperhoofd............ 889.

Hertog Geisa................ 972—997.

Stephanus I of de heilige wordt koning........ 1000.

Het koningschap erfelijk verklaard in het huis der Arpaden 889—1301.

Andreas II vaardigt de qouden hul uit......... 1222.

Bela VI.

De mannelijke nakomelingschap der Arpaden sterft uit . . . 1301.

Het huis Anjou beklimt den troon...........1310.

Lodewijk de groote, tevens koning van Polen, de tweede koning uit dit geslacht.

MarTa als koning erkend, — Zij draagt haar rechten aan haar gemaal Sigismund op.............. 1387.

Johannes Hunyad gubernator van Hongarije .... omstr. 1450.

Matthias CorvTnus.............. 1458—1490.

Hij beschermt de wetenschappen, bevordert landbouw en nijverheid en sticht een hoogeschool te Ofen........ 1465.

§ 55. De Scandinavische rijken gedurende de Middeleeuwen. —• Oorsprong van Rusland.

Zege van 't Christendom onder Knoet. — Vele bewoners van

Zweden en Noorwegen nemen het Christendom aan omstr. 1000. Rurik, opperhoofd der Russen in Zweden, onderwerpt eenige

stammen der Slaven in Rusland.......omstr 860.

Hij sticht een vorstendom te Nowgiïrod..................864.

Wladïmir de groote wordt Christen....................988.

Rusland gesplitst in vele vorstendommen. — Kieuw grootvorstendom

sedert 1015.

Moskau hoofdzetel..............omstr. 1325.

Unie van Kalmar, gesloten onder 't bestuur van Margarëta, . 1367.

Margarëta sterft. —• De unie weldra niet meer nageleefd . . 1412.

-ocr page 127-

121

Jaren n. C.

§ 56. De opkomst en de vernieuwing der Mongoolsch- Tartaar-sche macht. — De verovering van Constantinopel door de Turken.................. 1453.

Temoudschin, die den titel Tschingischan verkrijgt, hoofd der Mongolen, staat in !t begin der dertiende eeuw op. — Veroveringstochten van dit volk. — Overwinning der Mongolen bij Liegnitz................1241.

Val van 't rijk. — Timoer of Tamerlan doet het herrijzen. —

Hij slaat Bajazeth I bij Angora........... 1402.

Timoer sterft. — Ontbinding van het rijk........ 1405.

De Ottomanen. — Otman of Osman I.

Mohammed II verovert Constantinopel met een leger van ten minste 158,000 man en een groote vloot. — ConstantT-nus IX sneuvelt................. 1453.

-ocr page 128-

NIEUWE GESCHIEDENIS.

EERSTE TIJDVAK.

VAN HET liEGIN DER NIEUWE GESCHIEDENIS TOT DI5N WESTPHAALSCITEN VREDE IN 1648 EN DIE VAN KOPPENHAGEN EN VAN OUVA IN 1060.

§ 57.

1gt;lt;: ontdekking van Amerika in 1492 en van den weg ter zee naar Oost-Indie. ■— De eerste reis rondom de wereld door F. Magelhan, van 1519 tol 1621. — F. Corlez verovert Mexiko en F. Pizarro Peru.

Van de verovering van Constantinopel dagteekent als 't ware de wedergeboorte van 's menschen geest. Reeds vóór de inneming dier stad ontstond in Italië een nieuw leven in de studie der Grieksche en Latijnsche letterkunde, en de geleerde Grieken, die vandaar naar Italië vloden, versterkten er de liefde en de geestdrift voor de studie der oude letteren. Hierdoor ontstond een algemeene beoefening der letteren en ontwaakte een geest van onderzoek, wien niets vreemd bleef. Deze herleving der letteren en wetenschap werd zeer bevorderd door de uitvinding der boekdrukkunst, met welke weldaad, naar men heeft gemeend. Coster te Haarlem het menschdom zal hebben begiftigd, doch die met meer recht schijnt te worden toegeschreven aan Johan Gutenberg, die omstreeks 1455 te Maints woonde. Zeker is het in allen gevalle, dat de algemeene verspreiding der boekdrukkunst het werk van Duitschers is geweest. Behalve deze belangrijke gebeurtenissen hadden er nog vele andere plaats, die zulk een krachtigen invloed oefenden op staat en kerk, op oorlog en handel, dat de geheele burgerlijke en kerkelijke maatschappij, handel en nijverheid, de onderlinge betrekking der staten, met één woord, 't geheele uitwendig en zedelijk leven zicli in een geheel ander licht vertoonde en men den sinds verloopcn tijd terecht als een nieuwe afdeeling der Algemeene Geschiedenis beschouwt. Als de kiemen van die nieuwe

-ocr page 129-

123

orde van zaken moet men inzonderheid de kerkhervorming aanmerken , waartoe Luther het sein gaf, alsmede de ontdekking van Amerika en van den weg ter zee naar Oost-Indië, waarover in de eerste plaats valt te spreken.

Op 't voorbeeld van Hendrik den zeevaarder (zie blz. 98) betrad menig Portugees de door hom aangewezen baan. In 1486 bereikte Bartholomaeus Diaz de zuidelijke spits van Afrika, die eerst het voor-gebergte der stormen, doch welhaast de Kaap de goede hoop werd genoemd. Vasco de ga ma ging verder, en het gelukte hem in 1498 te Calicut (in 't z.w. van Voor-Indiö op de kust van Malabar) te landen. Zóó leerde men, dat Afrika van 't n. naar 't z. steeds smaller wordt, en had men eindelijk een zeeweg naar Oost-Indiö gevonden. Tot dusver toch had men de kostbare waren uit die streken grootendeels over land, langs zeer bezwaarlijke wegen, naar Europa gevoerd. Koning Emanuel i of de groote benoemde een onderkoning over 't weldra in Indië verworven gebied, dat spoedig aanmerkelijk werd uitgebreid, en met de aangrenzende landen knoopte men handelsverbintenissen aan. Onder Emanuels regeering werd in 1500 nog Brazilië door Cabral ontdekt en later voor den koning van Portugal in bezit genomen. Intusschen was de bloei der Portu-geesche heerschappij slechts van korten duur.

In de vijftiende eeuw kreeg het denkbeeld, dat men, daar de aarde rond was, door een onafgebroken westelijken koers te houden in Indië moest komen, nieuwe kracht. Op deze gedachte bouwde christophörus columbus, die in 1456 te Genua was geboren en aan zijn ondervinding als zeeman een uitgebreide studie der zeevaartkunde paarde, het plan om een kortoren weg over zee naar Indië te openen. Daar het Portugeesche hof hem geenszins de middelen wilde verschaffen om zijn plan te verwezenlijken, deed hij hetzelfde aanzoek in Spanje, waar toen Ferdinand en Isabella (zie blz. 97) regeerden en vond, na ook hier eerst tevergeefs te hebben gevraagd, er eindelijk gehoor.

Nadat Columbus bij een behoorlijk verdrag gewichtige voordeden, alsmede de waardigheid van onderkoning over de te ontdekken landen waren beloofd, ondernam hij in 1492 met drie ranke vaartuigen zijn eersten tocht. Na een vaart van ruim twee maanden ontdekte hij het eiland Guanahani of Mayaguana, een der Bahama-eilanden, dat hij San Salvador noemde. Ook leerde hij de kust van Cuba kennen, benevens Hiupaniüla, thans St. Domingo of Haiti, een der groote Antillen. De tweede tocht, 1493—1496, geschiedde met zeventien sche-

-ocr page 130-

124

pen en had de ontdekking van vele der Caraïhische eilanden of kleine Antillen, als Dominica, enz., die van Jamaika en de stichting der stad Isabella op Hispanidla ten gevolge. Op den derden tocht, 1498— 1500, waarop het eiland Trinidad, het zuidelijkste der kleine Antillen, en het vasteland van Amerika werden gevonden, dwongen ziekte en uitputting Columbus voorloopig naar Hispaniola terug te keeren. Intusechen was koning Ferdinand als bestormd met brieven uit Amerika van Columbus' benijders en vijanden, gelijk mede van dezulken, die vruchteloos hadden gehoopt ia de nieuwe wereld schielijk en zonder veel moeite rijkdommen te zullen vergaderen, vooral van Roldan en zijn gezellen, die Columbus, niet geheel zonder grond, van onderdrukking beschuldigden. Toen zond Ferdinand een scheidsrechter, Bovadilla, met de uitgestrektste volmacht af; maar hij was die onwaardig en misbruikte ze om Columbus te vernederen. De koning herstelde hem wel in zijn eer, maar niet in zijn waardigheid van onderkoning. Nadat Columbus op een vierden tocht, 1502— 1504, bij de landengte van Panama vruchteloos een doorvaart naar de Indische Zee had gezocht, keerde hij naar Spanje terug, waar hij in 1506 overleed, meenende dat hij Indie had bereikt, maar ver van-te vermoeden, dat hij de ontdekker was van een nieuw werelddeel. Het mocht zijn nakomelingen niet gebeuren den naam des grooten mans in de benaming van het door hem ontdekte werelddeel vereeuwigd te zien. Dit heette eerst geruimen tijd de nieuwe wereld. Later kwam do naam Amerika algemeen in gebruik, ontleend aan den Florentijn Amerigo Vespucci, een tijdgenoot van Columbus, die verscheiden reizen naar dit werelddeel had gedaan en er 't eerst een beschrijving van gaf.

Het werk, dat Columbus niet had mogen voltooien, werd door Ferdinand mage lh an voortgezet, die (1519—1521) eerst langs de oostkust van Zuid-Amerika, vervolgens door de straat, naar hem genoemd, en verder door de stille Zuidzee stevende, totdat hij de Philippijnsche eilanden (ten n.o. van Borneo) bereikte; Hier kwam Magelhan om; doch zijn tochtgenooten, die om Afrika heen naar Spanje terugzeilden, volbrachten de eerste reis rondom de wereld. Allengs bemachtigden intusschen de Spanjaarden het grootste en schoonste deel van Amerika. Ferd. cortez landde in 1519 met een kleine bende in het door Montezuma beheerschte Mexikaansche rijk, veroverde de hoofdstad Mexiko en onderwierp weldra het gansche rijk. In 1531 namen frans pizarro en anderen de taak op zich het goudland Peru op te zoeken en aan de kroon van Spanje te hechten,

-ocr page 131-

125

hetgeen hun gelukte. —• Het grootste voordeel, dat Europa uit de nieuwe koloniën trok, bestond eerst in de edele metalen, later ook in de opbrengst der plantaadjès. In 't eerst leide men den zwaren arbeid in de bergwerken aan de inboorlingen, do Indianen, op. Dit was van den beginne aan den geestelijken een ergernis, onder wie vooral Las Casas, die op Columbus' tweeden tocht in Amerika kwam en in 1566 is overleden, met nadruk zijn stem tegen deze hardheid verhief. Toen men daarom voorsloeg de Indianen door negers uit Afrika te laten vervangen, hechtte Las Casas, alleen op zijn hoofdoogmerk bedacht, hieraan zijn zegel. Op die wijze ontstond dc onmen-sehelijke slavenhandel, nu zelfs nog niet geheel onderdrukt.

§ 58.

Karei V, van 1506 tot 1556, en zijn oorlog tegen Frans I, van 1521 tot 1544. —• Kareis tochten tegen dc Afrikannsche zeeroovers. — Soleiman II, sultan der Ottorna-nische Turken, van 1520 tot 1566.

Ofschoon Philips de schoone (zie blz. 103) de vruchten van zijn huwelijk niet zelf plukte, werd toch de toegenomen macht van het Habsburgsch-Oostenrijksch-Spaansche huis spoedig blijkbaar onder zijn zoon. Dit was ka kei. v, zooals hij steeds wordt genoemd, die in Spanje, Utrecht, Friesland en Overijsel de eerste, in Limburg, Brabant, Namen, Henegouwen, Holland, Zeeland, Groningen en Drente do tweede, in Gelderland, Luxemburg en Vlaanderen de derde, in Duitschland de vijfde vorst van dien naam is (zie blz. 104). In 1500 te Gent geboren, werd hij in 1506, door den dood zijns vaders, hertog van Brabant, graaf van Vlaanderen, alsmede onder verschillende titels souverein der overige Zuidelijke Nederlanden, toen zoovele zelfstandige staten. Tegelijk volgde hij hem op als graaf van Holland en Zeeland en werd na het overlijden zijns grootvaders, Ferdinand den katholieke (zie blz. 97), in 1516, koning van Spanje. Het duurde niet lang, of de keurvorsten van Duitschland boden hem, toen zijn grootvader Maximiliaan I (zie blz. 103) in 1519 was overleden, de rijkskroon aan in weerwil van de mededinging van frans i, koning van Frankrijk. Nadat ka rel v (1519—1556) een verkiezing8-capitulatie had bezworen, die den keizer schier van alle macht tegenover de vorsten van 't rijk beroofde, werd hij in 1520 te Aken (in Rijn-Pruisen, ten z.w. van Keulen) gekroond. De wrok, dien

-ocr page 132-

126

Frans hierover voedde, gevoegd bij andere geschilpunten, deed een vijandschap ontstaan, die zich door vier aclitereenvolgende oorlogen, 1521—1544, lucht gaf. Zij liepen bijna alle ongelukkig af voor Frans, die zelfs een tijdlang de gevangene van zijn tegenstander was en werd genoodzaakt bij den vrede van Crepy (ten n.o. van Soissons) hetgeen hij geëischt had op te geven.

Inmiddels had paus Clemens VII Karei in 1530 te Bologna (in 't n.o. van den Kerkelijken Staat) als koning van Italië en keizer gekroond, een plechtigheid, die in lang niet weer plaats zou grijpen. In de korte tusschenpoozen tusschen eiken oorlog had Karei V niet stil gezeten. Begeerig om aan de zeerooverijen der Mooren in Noord-Afrika paal en perk te stellen, stevende hij tweemaal derwaarts. In 1535 moest de beheerscher van Tunis de oppermacht van Spanje erkennen, en ten minste 10,000 Christenslaven werden in vrijheid gesteld. De tweede tocht, tegen Algiers gericht, geschiedde in 1541, maar liep vruchteloos af. In de laatste jaren van den langdurigen strijd met Frankrijk werd soleimHn ii, sultan der Ottomanische Turken (1520—1566), een bondgenoot van Frans. Eerst wendden de Turken zich tegen Hongarije. Daarop belegerden zij in 1529 met een ontzaglijk leger Weenen; doch tot geluk voor Europa dwong de heldhaftige bezetting deze vijanden der Christenheid tot den terugtocht. In weerwil van hun nederlaag verontrustte dit volk nog lang de Christenstaten.

§ 59.

Hel heg in der kerkhervorming in Duilschland en in Zwitserland in 1517. — Maarten Luiher, Philips Melanchthon en Ulrich Zwing li.

Al in de vijftiende eeuw werd de behoefte aan een verbetering der kerk in hoofd en leden (zie blz. 92) levendig gevoeld en vurig begeerd. Gedurende den loop der tijden toch waren velerlei misbruiken de Christelijke kerk binnengeslopen. Vele pausen jaagden tijdelijke oogmerken na en bekommerden zich te weinig om de geestelijke behoeften der Christenen. Zijzclven, de bisschoppen en de overige geestelijken leidden een leven, dat in menig opzicht met hun roeping in tegenspraak was. De kennis der meesten van 't Evangelie was zeer gering, 't Ontbrak dan ook niet aan mannen, die tegen de heer-schende gebreken optraden en ze des te vrijmoediger bestreden, hoe

-ocr page 133-

127

meer Imn geest door de op nieuw ontwaakte studie dor oudheid aan onderzoek en nadenken was gewoon geworden. In dezen zin werkten de Nederlandera Wessel Gansfort, Rudolf Agricola (Huisman) en inzonderheid Desiderius Erasmus; zij allen baanden den weg voor de hervorming. In tegenspraak hiermede bleek het, dat men van den kant der kerk niets liever deed dan werkeloos bij het oude volharden. Zóó kwam het ten laatste, in plaats van tot een hervorming, tot een scheuring in de kerk.

De naaste aanleiding hiertoe was deze: in 1517 besloot paus Loo X , geld noodig hebbende, zich dit door verkoop van aflaten bij de Duitschers te verschafïen. Deze aflaten, aanvankelijk slechts een afkoop der boetedoeningen, door de kerk voorgeschreven, waren geheel ontaard, zoodat men bij de onwetendheid dier tijden tot de dwaling verviel, dat ieder voor geld vergiffenis der zondenschukl zelve kon koopen. De pausen grondden de kracht dezer aflaten op de goede werken, welke de heiligen, boven en behalve die, waartoe zij waren verplicht, hadden verricht, en waarover de paus, als opperhoofd der kerk, de vrije beschikking had. In Saksen kwam Tetzel, een monnik, en dreef er den handel in aflaten op zeer uitgebreide schaal. Velen berispten deze handelwijze; maar maarten luther verzette zich er tegen. Hij beweerde, dat de aflaten, tegen de bedoeling van den paus, zóó werden voorgesteld en aangeprezen. Nog was het doel: hervorming en geen afscheiding.

Luther, in 1483 te Eisleben (in Pruisisch Saksen) uit niet zeer welgestelde, ofschoon geenszins behoeftige, ouders gesproten, begaf zich later naar de hoogeschool te Erfurt (ten z.w. van Eisleben) om er, gehoor gevende aan 't verlangen zijns vaders, de rechtsgeleerdheid te beoefenen. Maar het lezen van een Latijnschen bijbel, dien hij op de bibliotheek dier hoogeschool vond, gevoegd bij een zware ziekte, waardoor hij werd aangetast, en bij den plotselingen dood eens vriends, bracht een geheele omkeering in hem te weeg. Om rust te zoeken voor den angst, die zijn ziel voortdurend kwelde, ging hij in een Augustijnerklooster, waar hij ze echter niet vond. Vandaar werd hij als hoogleeraar in de godgeleerdheid naar Wittenberg (aan de Elbe) beroepen. In 1510 vertoefde hij voor aangelegenheden zijner orde eenigen tijd te Rome en leerde er de geestelijken niet van de gunstigste zijde kennen. Naar akadcmisch gebruik sloeg hij nu, bij de komst van Tetzel, den 31stequot; Oct. 1517, vijf-en-negentig stellingen over de kracht en de beteekenis van den aflaat aan de hoofdkerk te Wittenberg aan, in een van welke hij zich tegen de aflaten op den

-ocr page 134-

128

paus beriep. Ras werden zij door den druk verbreid, en Luther werd voor den paus gedaagd; maar toen Frederik de wijze, keurvorst van Saksen, voor hem in de bres sprong, droeg Leo achtereenvolgens aan verschillende mannen de taak op om den monnik tot zwijgen te brengen. Deze mannen redetwistten lang met Luther. Vruchteloos vorderde hij, dat men hem zijn dwalingen mocht aanwijzen, en beriep zich steeds op de Heilige Schrift. Hierop werd hij in den ban gedaan, en nu wierp hij den 10den December 1520 de pauselijke banbul en het canüniek (kerkelijk) recht voor de Elsterpoort van Wittenberg openlijk in 't vuur.

Kort daarna werd te Worms een rijksdag gehouden, waar Luther, van een vrijgeleide voorzien, verscheen. Op den 18den April 1521 sloot hij hier zijn verdedigingsrede aldus: „Tenzij ik met bewijzen uit de Heilige Schrift of met klaarblijkelijke en duidelijke gronden worde overwonnen en overtuigd, kan en wil ik niets herroepen, daar het niet veilig en raadzaam is iets tegen het geweten te doen. Hier sta ik, ik kan niet anders. God helpe mij, amen!quot; Dewijl hij zijn afval van de Roomsche kerk op die wijze plechtig bekend maakte, werd de rijksban over hem en zijn aanhangers uitgesproken; doch op zijn terugreis liet Frederik de wijze hem op den Warlburg (nabij Eisenach, ten w. van Erfurt) in veiligheid brengen, waar hij met de vertaling van den Bijbel een begin maakte. In 't volgende jaar keerde hij naar Wittenberg terug, waar zijn aanhangers zich aan groote wanorde, als aan 't vernielen van beelden en altaren, overgaven. Door zich een week lang in zijn predikatiën tegen deze handelwijze te verklaren herstelde Luther de orde. Een krachtigen medehelper en vriend vond hij in Philips Melanchton (Schwarzerd), een man, door zijn grondige kennis, aangename manieren en onvermoeide werkzaamheid beroemd, die een leerboek over het Christelijk geloof uitgaf. Door het voorbeeld en door de leerlingen dezer mannen vond de hervorming weldra ingang in Noord-Duitschland, vanwaar zij allengs tot de naburige landen doordrong. Gelijk Luther zelf Katharïna van Bora, een gewezen non, huwde, werd den geestelijken het huwelijk veroorloofd. Ten behoeve van 't onderricht in den godsdienst schreef hij in de landstaal zijn beroemden catechismus, 't Latijn werd bij het houden der godsdienstoefeningen door de Duitschc taal vervangen, de mis en het vasten afgeschaft.

Bijna gelijktijdig met Luther zette ulrioh zwingli, pastoor te Zürich, in dit kanton een hervorming door. Niet lang duurde het, of de hervorming behaalde ook in verscheiden andere Zwitsersche

-ocr page 135-

129

kantons dc zege over hot Roomsch-katholiek geloof. Zwingli's leer stemde over 't geheel overeen met de gevoelens van Luther, uitgezonderd in de leer van 't heilige avondmaal, waarbij deze hervormer aan de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus in 't brood en in den wijn vasthield. Alzoo heerschte van den beginne aan onder hen, die de hervorming aannamen, niet geheel dezelfde opvatting van liet Evangelie. Hierdoor ontstonden twee verschillende kerkafdeelingen, dc Lutheranen en de gereformeerden, d. i. de Zwinglianen en de Calvinisten (zie beneden § 65), welke in die dagen niet minder hevig tegenover elkander stonden dan tegen Rome.

§ 60.

De vorderingen der kerkhervorming tot den godsdienstvrede te Augsburg in 1555. — De Smalkaldische oorlog in 1546. — De dertigjarige oorlog, vvn 1618 tot 1648, lot den rijksdag te Regensburg in 1630.

Karei V was afkeerig van dc hervorming. Dit was zoowel godsdienstige overtuiging als de berekening, hoe door een scheuring in de kerk de eenheid des rijks zou worden verbroken en de keizer van zijn macht verliezen. Maar dewijl hij den steun der Evangelische vorsten en rijkssteden tegen de Franschen en de Turken behoefde, trachtte hij vooreerst door rijksdagen en samenkomsten de kerkelijke geschillen bij te leggen. Tegen 't besluit, op den eerste dier rijksdagen genomen, waar verboden werd verdere nieuwigheden in den godsdienst in te voeren, kwamen de Evangelische stenden in verzet, of leverden, zooals men zeide, protest in, weshalve zij den naam protestanten kregen, welke naam ook van lieverlede op de gereformeerden of hervormden is overgegaan en thans, volgens 't gewone gebruik, alle Christelijke belijdenissen omvat, met uitzondering van de Roomsch-katholieke en de Grieksche kerk. Eindelijk moesten de godsdiensttwisten op een plechtigen rijksdag te Augsburg in 1580 worden bijgelegd. De genoemde stonden gaven hier hun geloofsbelijdenis, door Melanchthon opgesteld, de Augsburgsehe confessie, over, die in vele opzichten van die dor katholieke kerk afweek en waardoor zij zich voor een afzonderlijk kerkgenootschap verklaarden. Nu was do vredebreuk beslist, en do Luhersche stenden sloten in 1531 te Smalkalden (in Hessen-Kassei, ten n.o. van Fulda) een verdedigings-verhond. De vele zorgen, die don keizer drukten, noopten hem nog-

Wunne, Overzicht, 13de druk. 9

-ocr page 136-

130

maals tot'toegevendheid: zóó kwam in 1582 te Neurenberg (in 't n. van Beieren) een godsdienstvrede tot stand, houdende, dat er voorloopig vrijheid van geloof en godsdienstoefening zou bestaan.

In weerwil daarvan groeide de spanning meer en meer aan, totdat in 1546, Luthers sterfjaar, de Smalkaldisehe oorlog uitbrak. In 't leger der protestantsehe vorsten ontbrak het ton eenenmale aan eenheid en aan een vast plan. Karei, krachtig gesteund door Maurits, hertog van Saksen, een Lutheraan, zegevierde in den slag bij Mühl berg (in Pruisisch Saksen, ten z.o. van Torgau) (1547) over de protestanten. Maar onverwachts trad Maurits als tegenstander des keizers en beschermer der protestanten op. Eensklaps rukte hij met een leger naar Tyrol tegen den van troepen ontblooten Karei op. De godsdienstvrede te Augshurg in 1555 was hiervan 't gevolg. Hij gaf den Lutheranen vrije godsdienstoefening en liet don rijksstenden in 't vervolg de vrijheid of den katholieken, of den Luthersehen eeredienst te omhelzen, terwijl hij de onderdanen het recht toekende om het land, welks vorst slechts één godsdienst wilde dulden, te verlaten. Toch bleef de wrok tusschen de beide sekten bestaan.

Onder de vele pogingen, door de Roomsch-katholieke kerk ter bestrijding van het protestantisme aangewend, waren er geen krachtiger dan die van de orde der Jezuiten of het genootsehap van Jezus, dat door den Spanjaard Ignatius van Loyöla werd gesticht en in 1540 door den paus bekrachtigd. De voornaamste middelen, waardoor de Jezuiten alom invloed zochten te bekomen, bestonden in zendingen onder protestanten en heidenen, het schoolonderricht, het ambt van biechtvader, vooral bij vorsten, en het schrijven van boeken. Zwaar drukte op deze orde de blaam, dat zij ongeoorloofde doeleinden door nog ongeoorloolder middelen zocht te bereiken.

In 1555 cn in 56 legde Karei zoowel het bewind over zijn andere hinden als de Duitsche kroon neer, terwijl hijzelf zich naar het klooster Yuste (in 't n.o. van Estremadüra in Spanje) begaf, waar hij in 1558 is overleden. Op zijn aanbeveling werd zijn broeder Ferdinand i in 1558 door de keurvorsten tot zijn opvolger in Duitschland benoemd.

Aanhoudend klaagden de protestanten en de katholieken over elkander, totdat eindelijk de lang bedwongen verbittering onder Ferdinands kleinzoon matt hi as (1612—1619) losbarstte en uit een geringe aanleiding de dertigjarige oorlog ontstond. In Bohemen hadden de protestanten in 1609 van keizer Rudolf, Matthias' broeder, den majesteita-brief gekregen, waarbij hnn volledige godsdienstvrijheid en aan den

-ocr page 137-

181

stand der edelen en ridders, alsmede aan de koninklijke steden het recht om kerken en scholen te bouwen werd toegestaan. Eenige jaren daarna sloot men een protestantsche kerk te Braunau (ton n.w. van Glatz) en verwoestte die te Klostcr-grab (nabij Teplitz, in 't n. van Bohc-men). Toen 't beroep op den majesteitsbrief niet baatte, wierpen de protestantsche stenden, door den graaf von Th urn aangevoerd, de twee keizerlijke stadhouders, die het meest gehaat waren, Slawnta en von Martinitz, met hun geheimschrijver, uit een bovenvenster van 't slot te Praag in do gracht. Intusschen stierf Matthias en werd door zijn neef Ferdinand ii (1619—1637), een hevig katholiek, opgevolgd, wien Philips III van Spanje hulp beloofde. Nu kroonde Bohemen in zijn plaats frederik v, keurvorst van do Palts, als koning. Dit koningschap duurde echter kort: Maximiliaan , hertog van Beieren, versloeg Frederiks leger in 1620 voor de poorten van Praag, op den witten berg. Hij werd in den rijksban gedaan en nam de wijk naar de Nederlanden. De opstand der Bohemen werd bloedig gestraft, de majesteitsbrief verscheurd. Ook in Duitschland zelf hadden de verdere pogingen der protestanten beteren uitslag.

Toen het nu scheen, dat zich geen verdediger dor hervorming meer zoude opdoen, stolden de vorsten van Neder-Saksen in 1625 koning CHRISTIAAN iv van Denemarken aan hun hoofd. Maar aan den anderen kant vond de keizer een veel krachtiger steun in Albrecht von Waldstein, gewoonlijk Wallenstein geheeten. Deze buitengewone en in zichzelf gekeerde man wierf uit eigen middelen, ten dienste van Ferdinand, een groot leger en onderhield het op kosten van 't ongelukkige land, waar hij zijn legerplaats opsloeg. In 1626 bracht Tilly, een andere veldheer des keizers, aan Christiaan bij Lutter (in Brunswijk, ten z.o. van Hildesheim) een nederlaag toe, en Wallenstein drong hem naar zijn land terug. Hierop veroverde Wallenstein Mccklenbury, waarmede de keizer hem, ten koste der beide hertogen, die zich met Denemarken hadden verbonden, beleende, en drong in Holstein door, waarop Denemarken in 1629 vrede sloot. Terwijl do zegevierende veldheer op deze wijze al de kustlanden aan de Oostzee onderwierp, weerstond alleen Straalsund (in 't n.w. van Voor-Pommercn), dat hij, in weerwil van een langdurig beleg in 1628, niet kon innemen. De dankbare keizer overhoopte hem met belooningen: hij werd tot hertog van Friedland (in 't n. van Bohemen, nabij Reichenberg) verheven en tot generaal en admiraal der Ooslzee benoemd. Maar tegelijk gingen er van alle zijde luide klachten op over de afpersingen, waaraan zijn leger zich schier overal schuldig maakte.

'j*

-ocr page 138-

Daarom noodzaakten Maximiliaan van Beieren on de overige vorsten die van den trotschen Friedland een hevigen afkeer hadden, Ferdinand op den rijksdag te Regensburg (aan den Donau, in Beieren) in 1630 Wallenstein af te zetten.

§ 61.

De dertigjarige oorlog, van den rijksdag te Jiegcnsburg tot den Westphaalschen vrede, van 1630 lot 1648. — Wallenstein afgezet en vermoord in 1634.

Onder deze hachelijke omstandigheden daagde eindelijk van ver-schillende kanten krachtige hulp op voor de protestanten. Ten einde het Habsburgsche huis tegen te werken beloofde de kardinaal Richelieu, minister van Frankrijk, aanzienlijke geldsommen aan gustAaf ii adolf, koning van Zweden, indien hij het protestantisme in Duitschland wilde staande houden. Gustaaf Adolf landde toen in 1630 in Pommeren en verdreef de keizerlijken snel uit dit land en uit Mecklenburg. Daar echter de keurvorst van Saksen, Johan George, en die van Brandenburg een vereeniging niet den vreemden vorst van de hand wezen, kon Gustaaf Adolf alleen het niet verhinderen, dat Tilly in 1631 het met Zweden verbondene Maagdenburg (aan de Elbe, in Pruisisch-Saksen) overrompelde, dat door een geduchten brand bijna geheel werd verwoest. Doch toen Tilly vervolgens Saksen kwam brandschatten, riep men den Zweed-schen koning te hulp. Den ITquot;10quot; Sept. 1631 behaalde Gustaaf Adolf bij Breitenfeld (ten n. van Leipzig) ecu zoo schitterende zege op Tilly, dat daardoor de zaken een geheel andere wending namen. Terwijl de Saksen nu Bohemen bemachtigden, trok Gustaaf Adolf naar den Rijn, nam er een aantal steden in en bezette een deel van Beieren.

Intusschcn stierf Tilly, hetgeen den keizer drong zich wederom tot Wallenstein te wenden, die sedert zijn ontslag als een vorst op zijn goederen in Bohemen leefde. Maar eerst na herhaalde malen te zijn aangezocht en onder voorwaarden, die de rechten des keizers en van 't rijk zeer beperkten, aanvaardde do gekrenkte man liet onbeperkt opperbevel over een door hem te werven leger. Wallenstein verdreef eerst de Saksen uit Bohemen en trok hierop door Beieren naar Saksen. Daarheen volgde hem Gustaaf Adolf, en bij Lützen (ton z.w. van Leipzig) kwam het den Nov. 1632 tot een hevigen slag, waarin

-ocr page 139-

133

do protestanten hot veld behielden. En toch leden zij verreweg het grootste verlies, want Gustaaf Adolf, door een vijandeiijken kogel getroffen, eindigde hier zijn heldenloopbaan. Wallenstein trok naar Bohemen terug, maar bleef er steeds werkeloos en onderhandelde met Frankrijk, Zweden en Saksen, om öf de vijanden, öf don keizer te bedreigen en te verraden. Het laatste is thans zoo goed als bewezen. Zijn jaloerscho tegenstanders verklaarden dit dubbelzinnige gedrag voor verraad, waarop de argwanende keizer door verschillende middelen Wallensteins troepen van hem afkeerig maakte en hij den 25sttn Februari 1634 te Eger (in 't n.w. van Bohemen) door sluipmoord om 't loven kwam.

Kort hierna verloren do protestanten den slag bij Nördlingen (in 't w. van Beieren), on do keurvorst van Saksen sloot in 1635 vrede met den keizer. Maar nu trad Frankrijk openlijk tot bijstand der Zweden en dor Duitscho protestanten op. Richelieu verklaarde Spanje en Oostenrijk don oorlog en zond geld en legers. Een rij overwinningen herstelde weldra de zaak van 't protestantendom; doch gansch Duitschland was bijna verwilderd door den langdurigen kampstrijd, die eerst in 1648 eindigde. De vrede werd den 24sten October 1648 te Osnabrück en te Munster (in Westphalon) onderteekend. Do Augsburgsche godsdienstvrede werd bekrachtigd en tot de gereformeerden uitgestrekt. De keurvorst van Beieren behield do hom in 1620 geschonken Boven-Palts; maar do Beneden-Palts werd, als achtste keurvorstendom, aan Fredoriks zoon toegewezen. Frankrijk verkreeg het grootste doel van den Elzas, Zweden Voor-Pommoren met Stettin en het eiland Rügen.

§ 62.

De Nederlanden onder Karei V en Philips 11 tot aan het stadhouderschap van Maurits. — Van 1506 tol 1590.

Bij 't aanvaarden van 't bewind over een deel der Nederlanden streefde kar k l v (zie blz. 103, 104 en 125) terstond naar do heerschappij over Friesland, Utrecht, Overijsel, Groningen, Drente en Gelderland. Hierin slaagde hij naar wensch. Hoewel alle gewesten nu door één hoor werden geregeerd, stonden zij toch ieder op zichzelf, daar elk zijn bijzondere statenvergadering had. In 1548 bedong Karei bij het verdrag van Augsburg, dat alle Nederlandsche gewesten geheel onafhankelijk van Duitschland zouden zijn, maar onder de hoede van dit

-ocr page 140-

134

rijk staan, mits zij een zeker aandeel in de rijkslnsten droegen. In 1555 droeg Karei (zie blz. 130) aan zijn zoon philips, in do Nederlanden ui (1555—1581), (ii in Spanje, zie blz. 103), het bestuur der Nederlanden over. Philips vertrok in 1559 naar Spanje en benoemde zijn bastaardzuster Margarëta, hertogin van Panna, tot landvoogdes. Een van Margarëta's invloedrijkste staatslieden was de bisschop van Atrecht (in Artois) Antonius Perenot, later kardinaal Granvelle, een ijverig katholiek. De voornaamste tegenstanders van Granvelle waren: willem, prins van Oranje, een schrander, standvastig en buitengemeen bekwaam staatsman, stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht; Lamoraal, graaf van Eg mond (zie blz. 101), stadhouder van Vlaanderen en Artois, en de Montmorency, graaf van Hoorne (t.usschen de grenzen van Noordbrahant en de Maas, ten w. van Roermond). Philips verscherpte nog de plakkaten, door zijn vader tegen de hervormden uitgevaardigd, en gaf daarenboven, zoowel door het instellen van achttien bisschopszetels in plaats van drie, als anderszins, aanleiding tot menige grieve. De drie boven genoemde handhavers van 's lands vrijheden geraakten ten laatste in een zoo verregaande vijandschap met Granvelle, dat hij in 1564, op bevel van Philips, naar Italië moest vertrekken. Desniettegenstaande verbonden zich in 1565 vele misnoegde edelen en burgers, bij het zoogenoemde comprornismrn (gemeenschappelijke belofte), om de invoering der inquisitie op elke wijze togen te gaan. Den 5llequot; April 1566 kwamen zij, aangevoerd door Hendrik van Brederode cn Wil-loms broeder Lode wijk van Nassau, ten gehoore bij de landvoogdes te Brussel en boden haar een verzoekschrift aan ter matiging van de plakkaten, bij welke gelegenheid zij den naam geuzen (gueux, bedelaars) kregen. Intusschon vernielde hot volk de beelden in de kerken, en toen Philips hierop tijding van dien beeldenstorm (1566) kroeg, zond hij in 1567 Alvarez de Toledo, hertog van Al va (d.i. Al va de Tormes, in 't n.w. van Spanje, ten z.o. van Salamanca), weldra in plaats van Margarëta zijn landvoogd, af ten einde den opstand met gewold te bedwingen. Willem, zijn ontslag als stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht hebbende genomen, ging naar Duitschland en werd door velen gevolgd. Do graaf van Boussu werd bij voorraad als stadhouder over Holland aangesteld. Ook de landvoogdes nam haar ontslag en vertrok nog in 't zelfde jaar naar Italië.

Thans namen de wreedheden een begin: een raad van beroerte werd

-ocr page 141-

135

opgericht; al aanstonds werden Egmond en Hoorne op een vonnis van den bloedraad ter dood gebracht. Willem wapende zich, en de slagen bij Heiligerlee (ten w. van Winschoten, in Groningen), waar Lodewijk zegevierde, maar zijn broeder Adolf sneuvelde, en bij Jcmmingen (nabij Leer, in Oost-Friesland), dien Al va won, werden in 15G8 geleverd. Eenigen tijd daarna schreef Alva, om de grafelijke bede door vaste, algemcene belastingen te vervangen, drie belastingen uit; 1. een heffing voor eens van het honderdste der waarde of 1 p.e. van alle roerende en onroerende eigendommen, en verder, bij verkoop, 2. een heffing van tien ten honderd van de roerende (den tienden penning), en 3. van vijf ten honderd (den twintig sten penning') van de onroerende goederen. Doch het volvoeren van zijn voornemen werd hem weldra onmogelijk gemaakt. Ook de unie wilde later algemeene belastingen. Niettemin zijn zij provinciaal gebleven tot 1805, ofschoon de amalgame of ineensmelting der schulden in 1798 plaats greep en de gelden sinds dat jaar in één algemeene kas kwamen. Eerst de raadpensionaris Ruiger Jan Schimmelpenninck voerde in 1805 een algemeen stelsel voor 't geheele land in.

Terwijl Alva bezig was middelen te beramen om met geweld de invordering dor nieuwe belastingen tegen de weerstrevende burgerijen door te zetten, namen de Watergeuzen den lsten April 1572 Brielle (op 't eiland Voorne, in Zuid-Holland) in. De verrassing dezer stad was niet de vrucht van een vooraf beraamd plan, maar 't gevolg van het omloopen van don wind, die verhinderd had, dat men te Texel binnenliep. Dit belette niet, dat de uitgewekenen ze in bezit hielden. dat de inneming van Brielle de grondslag werd der vestiging van de onafhankelijkheid der Vereenig de Nederlanden en dat Blois van Treslong, de Rijk en de overige deelgenooten aan den tocht als de medegrondleggers van den staat in de dankbare herrinnering hunner landgenooten voortleven.

Zóó werd Brielle den lsten April ingenomen en de eerste steen gelegd van 's hands onafhankelijkheid. Uit eigen beweging stond vijf dagen later Vlissingen tegen do Spaansehe benden op en sloot de versterking, in dor ijl door Alva afgezonden, buiten haar wallen. Ook Veere werd voor de vrijheid gewonnen; Enkhuizen en andere plaatsen volgden. Nog in den zomer van 't zelfde jaar, den lO110quot; Juli, hielden de staten van Holland, met terzijdestelling van Alva's gezag, hun eerste vergadering, in welke Willem, prins van Oranje, als 's kunings wettige stadhouder van Holland, Zeeland, West-Friesland en Utrecht werd erkend. De teerling was geworpen, en de oorlog

-ocr page 142-

13G

begon, waarvan de slag bij Heiligerlee het voorspel was geweest. Wel werden Zutfen, Naarden en Haarlem door de Spanjaarden verschrikkelijk geteisterd; doch Alkmaar en Leiden hielden zich staande. In 1573 had Alva voor Don Louis de Requesens plaats gemaakt, die, bij zijn dood in 1576, voor even korten tijd door Don Jan van Oostenrijk, Philips' bastaardbroeder, werd opgevolgd. In plaats van Don Jan zond Philips in 1578 don hertog van Parma, Alexander Farnëse, Margareta's zoon, als landvoogd. In de Zuidelijke Nederlanden streed Parma met geluk en nam, na een lang beleg, den 17den Aug. 1585 Antwerpen in. Het verdrag van overgave verleende de hervormden geen vrijheid van godsdienst, maar nog een ongestoord verblijf van vier jaren. Duizenden maakten in dat tijdsverloop hun vastigheden te gelde en weken naar ons land, vooral naar Amsterdam. Van nu aan verliet voor de twee volgende eeuwen de zeehandel de haven van Antwerpen en keerden de Zuidelijke gewesten onder de gehoorzaamheid van Spanje's koning terug.

Vier hoofdgebeurtenissen in onze binnenlandsche geschiedenis waren de scheiding van 't Zuiden en 't Noorden voorafgegaan: de unie van Utrecht in 1579, de afzwering van Philips II in 1581, de onderlian-lineen over 't aannemen van Willem I als grondwettig vorst en heer, zijn vermoording in 1584.

Reeds in 1576 hadden de Zuidelijke en de voornaamste Noordelijke provinciën een overeenkomst aangegaan, bekend onder den naam van pacificatie of bevrediging van Gent, om de Spanjaarden den lande uit te drijven en zich op het stuk van godsdienst onderling te verstaan. Er volgde geen onderling verstaan. In tegendeel, grooter en grooter werd de klove, en de ontbinding der pacificatie scheen nabij: toen werd de unie van Utrecht den 23sten Jan. 1579 tusschen Holland, Zeeland, Utrecht, de Ommelanden en een deel van Gelderland gesloten , waarbij de overige Noordelijke provinciën en andere naburige steden zich vervolgens voegden. De unie moest do pacificatie niet vervangen, maar versterken; ook haar doel was de Spanjaarden te verdrijven. Tot dit doel vereenigden zich de bondgenooten, alsof zij maar één provincie waren, hoewel de onafhankelijkheid, de rechten en do vrijheden van lederen bondstaat ongeschonden bleven.

Deze overeenkomst, met een tijdelijk doel gesloten, is vervolgens als de grondwet van het statenverbond der Vereenigde Nederlanden gevolgd, ofschoon niet zonder afwijking en onuitgevoerde bepalingen, [n het onbepaalde en gebrekkige dier grondwet ligt de sleutel ter verklaring der gewichtigste gebeurtenissen onzer binnenlandsche ge-

-ocr page 143-

137

gchiedenis. Of do eindbeschikking bij de unie wns, vertegenwoordigd door de Staten-Generaal, of bij de staten der bijzondere provinciën, dit beslist, of Oldenbarnevelt terecht of ten onrechte, voor een rechtbank der unie is geroepen, of Willem II al of niet Amersterdam met geweld kon dwingen met de meerderheid te stemmen. Beide opvattingen hebben in 't eerste tijdperk onzer onafhankelijkheid haar voorstanders gehad, enkelen dit hun begrip van staatsrecht met gevangenis en dood geboet.

Lang was de strijd gevoerd niet tegen den koning van Spanje, maar tegen de Spaansche legerbenden en haar hoofden; doch Philips nam dit onderscheid niet aan, noch erkende in Willem I zijn stedehouder. Integendeel, hij kondigde in 1580 den ban tegen hem af en verklaarde liem vogelvrij. De wedenverking volgde. Den 2()ste'i Juli 1581 verklaarden de Algemeene Staten der Verccnigde Nederlanden Philips vervallen van het oppergezag en zwoeren hem af, dewijl hij zich als landsheer niet aan de bezworen voorwaarden had gehouden. Intusschen onderhandelde Holland voortdurend om Willem I als grondwettig vorst aan te nemen onder den naam „graaf van Holland en Zeeland.quot; Nog toefden Gouda en Zeeland met hun toestemming, toen de „vader des vaderlandsquot; den 10len Juli 1584 door den sluipmoordenaar Balthazar Gerard met een pastool doodelijk werd gewond enden geest gaf, uitroepende: „Mon Dien, mon Dieu, aycz pitié de moi et de ton pauvrc peuplequot; (Mijn God, mijn God, erbarm u over mij en uw arm volk).

Friesland benoemde Willem Lode wijk, een zoon van Willems broeder Jan van Nassau, tot stadhouder, maar uit hoofde van den ongunstigen toestand der zaken en van de jeugd vanMaurits, 's prinsen tweeden zoon, droegen de Staten-Generaal de oppermacht over deze landen aan Hendrik IIF, koning van Frankrijk, op. Zoowel Hendrik echter als ook Elizabeth, koningin van Engeland, wezen dit aanbod van do hand; doch deze vorstin zond in 1585, tegen zekere onderpanden, hulptroepen onder bevel van Robert Dudley, graaf van Leieester (in 't midden van Engeland), wion de Staten-Generaal terstond met de algemeene landvoogdij bekleedden. Terzeifdertijd was Maurits tot stadhouder van Holland en Zeeland aangesteld, terwijl Johan van Oldenbarnevelt, in de betrekking van advocaat van den lande van Holland, later raadpensionaris geheeten, de ziel was van den opkomenden staat. Nog was Leicester niet in 't land, of reeds waren de staten van Oldenbarnevelt er op bedacht om zijn gezag paal en perk te stellen, terwijl hij van zijn

-ocr page 144-

138

kant zich aan alle afhankelijkheid zocht te onttrekken. Dus verliep zijn tweejarig verblijf hier te lande onder voortdurende geschillen over de oppermacht en keerde hij in 1587 naar Engeland terug. In 1588 zeilde de Spaansche armada of onoverwinnelijke vloot onder 't opperbevel van den hertog Medïna-Sidonïa uit ten einde met één slag Engeland tc veroveren en Nederland weder onder 't juk te brengen. Doch de nadeelen, haar toegebracht door de vloot der Engelschen, ondersteund door die der Nederlanders, en een felle storm vernielden haar bijna geheel.

§ 63.

De Nederlanden van stadhouderschap van Maurits tot den vrede van Westminster. — Van 1590 tot 1654.

Thans helde de fortuin meer tot de zijde der unie over: maurits (1585—1625), nu ook stadhouder van Gelderland, Utrecht en Overijsel, verwierf door schitterende wapenfeiten den naam van den eersten veldheer zijner eeuw. Het verachteren zijner zaken in de Zuidelijke Nederlanden bracht Philips inmiddels op 't denkbeeld om de Nederlanden als bruidschat tc schenken aan zijn oudste dochter Isabella, die met Albert, aartshertog van Oostenrijk, in't huwelijk trad. Tegen hen, doorgaans de aartshertogen geheeten, leverde Maurits in 1600 den vermaarden slng bij Nieuwpoort (aan zee in West-Vlaanderen), waarin hij een schitterende zege behaalde. Onmiddellijk daarna, in 1602, werd de Oost-Indische compagnie opgericht, en in 1609 voerde de bij de beide partijen aanwezige geneigdheid tot vrede tot het twaalfjarig bestand. Gedurende dezen tijd ontstonden in de nauwelijks gevestigde Republiek hevige kerkgeschillen, die welhaast staatsgeschillcn werden. Zij liepen vooral over het leerstuk der prac-deslinatie of voorbeschikking. Go ma rus, hoogleeraar te Leiden, beweerde een volstrekte voorbeschikking van 's menschen lot; zijn ambtgenoot Arminius ontkende ze. De staten van Holland verlangden, dat de oneenigheden door onderlinge toegevendheid uit den weg zouden worden geruimd. De Arminianen, ook Remonstranten geheeten naar een door hen aan die staten ingediende remonstrantie of vertoog ter verklaring van hun gevoelen, waren 't gehoorzaamst aan 't gezag der staten en werden zóó ongevoelig hun gunstelingen. Diezelfde staten van Holland, het rijkste en 't mcestbetalende gewest van 't verbond, helden tot de algeheele oppermacht van iedere provincie tegenover de unie over. Dus werd Remonstrant gelijkbeteekenend met

-ocr page 145-

139

Hollandsch of voorstander der volle provinciale souvereiniteit en Contra-Remonstrant gelijk prinsgezind of voorstander van de overstemming in de unie en van de stadhouderlijke partij. Toen het bleek, dat men langs minnelijken weg hot niet eens zou worden over het houden of het achterwege laten eener algemeene synode, gingen de fStaten-Gcneraal, door Maurits' vaste houding gesteund, tot geweldige maatregelen over. Oldenbarnevelt en de geleerde Hugo de Groot, do hoofden der staatsgezinde partij, werden in 1618 in hechtenis genomen. De om zijn veelvuldige verdiensten eerbiedwaardige Oldenbarnevelt, door een rechtbank van vier-en-twintig rechters, door do Statcn-Goneraal benoemd, wegens hoogveraad ter dood veroordeeld, werd in 1619 onthoofd en H. de Groot in het slot Loovostein (bij de samenvloeiing van Maas en Waal, m 't z.w. van Gelderland) gevangen gezet, waaruit hij evenwel spoedig ontsnapte. Ondertusschen werd eon algemeene synode te Dordrecht (Nov. 1618—Mei 1619) gehouden. De gevoelens der Romonstranten werden veroordeeld en in den zin van Gomarus' stelsel een algemeene geloofsbelijdenis van de Neder-landsche hervormde kerk vastgesteld.

Bij 't overlijden van Willem Lodewijk in 1620 volgde hem zijn broeder Ernst Kasïmir in Friesland, Maurits in Groningen en Drente op. In plaats van Maurits werd zijn broeder frederik Hendrik (1625—1647) in de meeste provinciën als stadhouder verkozen, doch niet in Groningen en Drente, waar men den stadhouder van Friesland nam. Frederik Hendrik muntte inzonderheid in de belegeringskunst uit, getuige de verovering van 's Hertogonbosch in 1629. Sedert 1635, toen Frankrijk (zie blz. 132, 133) met de Nederlanden een aanvallend en verdedigend verhond togen Spanje sloot, smolt de tachtigjarige oorlog met den dertigjarigen ineen. Onder de schitterende overwinningen, zoo te land als ter zee op de Spanjaarden behaald, waarin onze geschiedenis van dit tijdperk zoo rijk is, bekleedt do zege in den zeeslag bij Du ins (oen roede nabij Dover, in 't z.o. van Engeland), in 1639 door den uitstekendon admiraal Maarten Harpentszoon Tromp bevochten, een eerste plaats.

Eén jaar nadat willem ii (1647—1650) zijn vader FVodorik Hendrik in zijn waardigheden, mode in het stadhouderschap van Groningen en Drente, was opgevolgd, werd ook de oorlog hier to lande door den Westphaalsehen vrede (zie blz. 133) geëindigd. De koning van Spanje erkende de Vereenigde Nederlanden als oen vrijen en onafhankelijken staat en moest zich het sluiten dor Schelde laten welgevallen. Nogmaals werd het tijdperk van vrede naar buiten door

-ocr page 146-

140

binnenlandsclie gcscliillon verontrust, die thans over het getal der af te danken troepen liepen. Holland, dat alleen meer dan de zes andere provinciën tezamen in de algemeene lasten droeg, wilde meer volk afdanken en stond pal tegenover de overigen. De Staten-Generaal en de stadhouder, steunende op het recht der unie en van de meerderheid, hielden van hun zijde hunne streng vast. Zes afgevaardigden tor dagvaart van Holland, hoofden van de staatsgezinde partij, van nu aan ook de Loevesteinsche factie geheeten, liet de stadhouder in 1650 op Loevestein (zie blz. 139) gevangen zetten; hij zond troepen af om Amsterdam te bezetten; alles, zooals het heette, op last der bondgenooten. Amsterdam, Holland gaf toe; maar 't verschil tusschen de voorstanders van 't hooggezag der Staten-Generaal met den stadhouder en die van de onverkorte souvereiniteit van elke provincie, door Holland vertegenwoordigd, had een wonde geslagen, die nooit is geheeld.

Na 's prinsen dood werd in 1G51 een groote vergadering van afgevaardigden van alle gewesten gehouden en besloten geen kapitein-generaal aan te stellen, zooals de meeste provinciën geen stadhouder benoemden. Nog bracht men aan de staten der gewesten het hooggezag in zaken van godsdienst, terwijl de oppermacht in 't stuk dor militie of krijgszaken wel aan de Staten-Generaal verbleef, doch te dien aanzien ann de provinciale staten meer macht werd toegekend dan voorheen. Deze regeling omtrent het beschikken over de troepen van den staat toonde den diepen indruk, dien do aanslag op Amsterdam op allen had gemaakt. De twintig volgende jaren, waarin Holland en de meeste provinciën geen stadhouder hadden, is het eerste sladhoudcrlooze tijdperk onzer geschiedenis. Gedurende dit tijdperk was jon an de witt de eerste staatsdienaar of minister der provincie Holland, onder den naam raadpensionaris. Maurits had het Neder-landsche leger tot het eerste van Europa gemaakt; de Witt verhief den staat tot een zeemogendheid, die Engeland en Frankrijk met roem het hoofd bood.

Alleen Groningen en Drente namen inmiddels in 1640 den Frie-schen stadhouder Willem Frederik, den tweeden opvolger van Errst Kasïmir, ook tot den hunnen. Weldra ontstond de eerde zeeoorlog met Engeland, 1652—1654. Michiel Adriaanszoon de Ruiter, de vermaardste onzer vlootvoogden, sloeg do Engelschcn in 1652 bij Plymouth (in 't z. w. van Engeland), en Tromp handhaafde in 1653 de eer onzer vlag, zoowel elders als in den onbeslis-ten slag bij ter He ij de (ten z. van Scheveningen), waarin hijzelf

-ocr page 147-

141

sneuvelde. De vrede kwam in 1654 te Westminster, een deel vnn Londen, tot stand, onder voorwaarde dat Holland verklaarde den jongen prins van Oranje, Willem Hendrik, den zoon van Willem II, nimmer tot stadhouder te zullen kiezen, noch, zooveel zijn stem aanging, te zullen toelaten, dat hij ooit als kapitein-generaal der unie werd aangesteld, hetgeen dat gewest bij een geheim artikel, de akte van sec In si e (uitsluiting), beloofde.

§ 64.

Spanje onder de koningen uit het Habsburgiche huis Philips II, III en IV, van 1556 tot 1665. — Portugal een gewest van Spanje, van 1580 tot 1640. — Portugal onder de regeering van het huis Braganza, sedert 1640.

Nadat Karei V (zie blz. 130 en 134) afstand van de regeering had gedaan, volgde hem zijn zoon philips ii (1556—1598) in Spanje op, een somber en streng katholiek, maar werkzaam vorst, wiens bewind werd gekenmerkt door een hevigen strijd tegen de Morisco's, de nakomelingen der sedert Ferdinand en Isabella met geweld tot het Christendom bekeerde Mooren. Hun gelastte do koning afstand te doen van hun taal en gebruiken. Toen tegenwerpingen niet baatten, grepen de Morisco's naar de wapens; doch na een tweejarigen kampquot;, 1568—1570, dempte Don Jan van Oostenrijk (zie blz. 136) den opstand. Het overschot van dit ongelukkige volk word naar andere streken van 't rijk verplaatst. In den ook onder Piiilips' bestuur voortdurenden (zie blz. 126) kamp tegen de Turken en de Noord-Afrikaansche zeeroovers behaalde Don Jan, aan 't hoofd der Spaansehe vloot, waarbij zich ook Venetiaansche en pauselijke schepen bevonden, in 1571 op de Turken een schitterende zege bij Lep an to (in de golf van dien naam, ten n. van Morea).

Op onverwachte wijze werden Philips uitzichten geopend op 't bezit van Portugal. Toen koning sebasïiaan, een achterkleinzoon van Emanuel I (zie blz. 123), in 1578 den slag bij Alkassar (in 't n.w. van Afrika) tegen de Mooren van Marokko was verdwenen en in 1580 de onechte Bourgondische linie (zie blz. 98) uitgestorven, nam Philips H, als zoon der oudste dochter van Emanuel, Portugal in bezit. Naar hen, die even wettige aanspraak op den troon meenden te hebben, luisterde hij in 't geheel niet.

Aan Philips' oudsten zoon Don Carlos heeft de zucht naar togen-

-ocr page 148-

142

stelling vele deugden geleend om het karakter zijns vaders te donkerder te doen uitkomen, deugden, die bij 't voortgaand onderzoek der geschiedenis meer en meer verflauwen. Vermits hij wegens majesteitsschennis was in hechtenis genomen en reeds in 1568, waarschijnlijk aan de gevolgen eener ziekte, in de gevangenis overleed, ging de kroon op 's konings tweeden zoon philips iii (1598—1621) over. In 't gevoel zijner zwakheid liet deze nietsbeteekenende koning het gehcele bestuur aan den hertog van Lerma over, onder wien 't verval des rijks steeds verergerde, vooral toen de Morisco's, ongeveer 800,000 vlijtige landbouwers en handwerkslieden, op aanhitsing der geestelijkheid uit Spanje werden verdreven. Ook onder philips iv, een zoon en opvolger van Philips III (1621—1665), nam dit voorval toe, hetwelk hoofdzakelijk uit de verkwisting van 't hof, stremming van handel en nijverheid, een slecht beheer en zware kosten voor vloot en leger voortsproot. Deze kosten toch waren aanzienlijk zoowel uit hoofde van den dertig- en tachtigjarigen oorlog, als om dien tegen Frankrijk (zie blz. 133, 146), welke zelfs met den Westphaalschen vrede niet werd gestaakt. Nog veel meer groeiden de moeilijkheden der regeering aan, toen verscheidene gewesten der Spaansche kroon, Catalonië, Portugal en Napels, wegens geweldige afpersingen van staatswege, tot openlijk verzet tegen den koning oversloegen. De opstand in Catalonië werd in 1652, die in Napels, waar Masaniello (Tomaszo Aniello) de oproermakers aanvoerde, in 1648 gedempt, een gebeurtenis, die in onze eeuw door de opera la Muelte de Portici in meer dan één land de gemoederen in beweging bracht. Maar Portugal onttrok zich in 1G40 aan 't gezag van Spanje, en joh an iv (1640—1656), uit hel huis Braganza (in 't n.o. van Portugal), werd als koning uitgeroepen. Spanje moest hierin eindelijk toegeven, en Portugal herkreeg onder Johans opvolger Brazilië, dat de Nederlanders niet krachtig genoeg hadden verdedigd en hun in 1661 tegen ƒ 8,000,000 overlieten.

§ 65.

Frankrijk onder de laalsle koningen uit hel huis Valois, van 1547 tol 1589, en onder de eerste koningen uit hel geslacht Bourbon van 1589 tol 1660. — Johan Calvijn. — De godsdiensloorlo-gen. — Hel beheer van Richelieu, en van Mazarin.

Reeds onder de regeering van Frans I (zie blz. 125) maakte de hervormde eeredienst vorderingen in Frankrijk, maar meer nog onder

-ocr page 149-

143

die van zijn zoon en opvolger hendrik ii (1547—1559). De leer, die men bovenal volgde, was die van jean chauvin of .7 on an oalvijn, die eerst pastoor was, daarna in de rechten studeerde, doch zicli sedert omtrent 1530 als hervormer deed kennen. Zich van dit tijdstip af bij uitsluiting aan die roeping wijdende, werd hij gedwongen in 1543 zijn toenmalige woonplaats Parijs te ontvlieden, vanwaar hij zich naar Bazel (in 't n.w. van Zwitserland) begaf. Hier schreef hij zijn beroemd werk, de Institution de. la religion Chrétienne fon-derricht in den Christelijken godsdienst), eerst in 't Fransch uitgekomen, weldra in 't Latijn. Het overige van zijn leven bracht hij als leeraar dor godgeleerdheid grootendeels te Genève door cn streed, op dit punt nog geheel doortrokken van den geest der Roomsche hierarchic (priesterheerschappij), zoo hij al niet den staat geheel onder de kerk bracht, ten minste onafgebroken voor haar voogdij. Zonder aanzien des per-soons handhaafde hij onafgebroken zijn zeer strenge stellingen van zedelijkheid, naar welker maatstaf hij kerkelijke wetten had vervaardigd. Eén daad is hem zwaar toegerekend en doet zien, hoe licht in geloofszaken vervolgden en vervolgers van rol verwisselen: het aandeel, dat hij had aan het ter dood brengen in 1553 vanServëde, een Spaansch geneesheer, die, hoewel een aanhanger der hervorming, in 't leerstuk der drieeënheid geheelenal afweek zoowel van de katholieke, als van de protcstantsche kerk. Deze man. eens door Genève reizende, werd door toedoen ven Calvijn gevangen genomen en door den raad dier stad tot den brandstapel verwezen.

Ook in Frankrijk verwekte de hervorming langdurige woelingen onder het bewind van Hendriks zonen, die achtereenvolgens den troon beklommen. Twee aanzienlijke huizen streefden naar den hoofdinvloed op den gang der zaken: dat der katholieke Guises, welke in dien tijd door Frans en Karei werden vertegenwoordigd, cn dat der Bourbons, destijds het eenige met den koning in de mannelijke linie verwante geslacht. Leden van dit huis waren destijds de twee broeders Antoine, een zwak man, die nu eens tot de sekte der protestanten, dan weer tot de katholieke kerk overhelde, door zijn echtgenoot loning van Navarre, en Lode wijk, prins van Condé (vroeger in Henegouwen, thans in Frankrijk, ten n.o. van Douai) en protestant. Op voorslag van den beroemden protestantschen admiraal Kas par de Coligny stelden zij zich aan 't hoofd der hervormden, hier hugenooten geheeten. Sedert 1560, toen krans n, Hendriks oudste zoon, overleed, nam de heerschzuchtige en sluwe Katharïna de Medici het regentschap waar voor haar jeugdigen zoon ka rel ix

-ocr page 150-

144

(1560—1474). In 1562 barstte, na langdurige spanning, een wreede burgeroorlog (1562—1598) met de onmensehelijkste verwoedheid los. Van toon af nam Katharïna, die zieb tot dusver min of meer in 't midden tusseben de twee kampende partijen bad gehouden, een eerste plaats in onder de heftigste vijanden en vervolgers der protestanten. Eenige jaren na den dood van Antoine, welke reeds bij de eerste vijandelijkheden omkwam, stelde zich zijn zoon Hendrik van Bóarn (in 't z.w. van Frankrijk), sinds 1572 koning van Navarre, aan 't hoofd der bugenooten. Dikwerf werd de strijd door een kortstondigen vrede afgebroken, waarbij men den bugenooten een beperkte godsdienstvrijheid en zekere voorrechten toestond; maar telkens schond de regeering de ingewilligde voorrechten weder.

Reeds vóór 1572 liet het hof een zoo gunstige gezindheid jegens de bugenooten blijken, dat in dit jaar oen huwelijk tot stand kwam tusschen Margarêta, een dochter van Kartharlna, en Hendrik van üéarn. Doch slechts zes dagen na de voltrekking van dat huwelijk greep de beruchte gebeurtenis plaats, bekend onder den naam Bartholomeumacht of Parijsche hloedbruilojt (23—24 Aug.). Nadat een sluipmoordenaar, door Katharïna en Hendrik van Anjou, 's ko-; nings broeder, jaloersch op Coligny's invloed, gebuurd om den admiraal van kant te maken, hem slechts had gewond, besloten zij, in overleg met een paar andere hoofden der katholieken, alle aanzienlijke bugenooten te vermoorden. Van den naar lichaam en geest zwakken koning werd de toestemming tot die euveldaad verworven, toen men hem door 't leugenachtige bericht eener samenzwering der bugenooten in erge mate had verontrust. Zóó begon dit afschuwelijk tooneel in den vroegen morgen te Parijs en breidde zich vandaar over de meeste gewesten van Frankrijk uit. Behalve de hoofden der bugenooten, wien men den dood had gezworen, vielen er duizenden, want nu men eens den vrijen teugel liet vieren aan de woede der katholieken, bedaarde zij niet spoedig. Het doorluchtigste der slachtoffers, welker aantal zeer uiteenloopend wordt opgegeven, 12,000, 30,000 of 70,000, was voorzeker Coligny, die door een bende moordenaars, onder aanvoering van Hendrik de Guise, een zoon van Frans, in zijn eigen woning om 't loven word gebracht. Hendrik van Navarre nam gedwongen de katholieke geloofsbelijdenis aan, die hij echter een paar jaren later weer afzwoor. Na den Bartbolomeusnacht ontstond zulk een erge tweedracht onder de katholieken zelvcn, dat hendrik i i i , de broeder en opvolger van Karei IX (1574—1589), zijn tegenstander Hendrik de Guise, ten tijde van de vergadering der rijksslmdcn te

-ocr page 151-

145

Blois (ten n.o. van Tours aan de Loire), in 1588 daar ter stede door sluipmoord uit den weg liet ruimen en hijzelf in 't volgende jaar door een Dominikanermonnik, Jakob Clément, om 't leven werd gebracht.

Even vóór zijn overlijden had hij Hendrik van Navarre, die bovendien de naaste aanspraak op den troon had (zie blz. 144), tot opvolger benoemd. Zóó kwam nu, met hendrik iv (1589—1610), In de plaats van het huis Valois de tweede zijtak der Capetingiërs, hel geslacht Bourbon. Hendrik zag in, dat hij, om algemeen te worden erkend, óf het gansche rijk voet voor voet op de katholieken moest veroveren, óf zelf tot dit geloof overgaan. Dit noopte hem tot het aannemen van den katholieken godsdienst, waarop het geheele land hem spoedig erkende. Aan zijn vroegere geloofsgenooten verzekerde hij bij hel beroemde edict van Nantes (niet ver van den mond der Loire) in 1598 zoo goed als geheele vrijheid van godsdienstoefening en toegang tot alle ambten. Ook mochten de hugenooten de hun vroeger toegestane veiligheidsplaatsen voorloopig behouden. Hendrik IV regelde 's rijks geldmiddelen en beurde landbouw en fabrieken in zijn door den langen burgeroorlog verarmde staten op; maar te midden zijner ijverige bemoeiingen werd hij in 1610 door Ra vailac, een dweepziek katholiek, vermoord. Voor zijn zoon lodewijk xiii (1610—1643), die hem opvolgde, traden, eerst wegens zijn jeugd, later om zijn ongeschiktheid voor 't bestuur, verschillende regenten op, totdat Ar mand Jean du PI ess is, heer van riche lieu (ten z.w. van Tours bij de Vienne), in 1624 aan de spits der regeering kwam. Deze kloeke en met een krachtigen geest begaafde minister bevestigde de eenheid van 't rijk en daardoor de onbeperkte macht van 't koningschap. Welke rol hij in de buitenlandsche politiek vervulde is boven gebleken (zie blz. 133 en 139). In Frankrijk zelf verbrak hij geheelenal de macht der grooten en ontwapende de hugenooten, wier bestaan als een staat in een staat met eigen legers en vestingen hem in strijd scheen met do eenheid en de veiligheid van het rijk, door een oorlog, 1627—29, waarin La Rochelie (ten n. van de Charente, aan zee) eerst na een zeer langdurig beleg haar poorten voor hem opende. Voor 't overige bleef Richelieu het edict van Nantcs handhaven. In 1642 stierf de scherpzinnige staatsman, en weinig tijds later volgde de koning hem in het graf.

Op Lodewijk XIII volgde zijn vijftigjarige zoon lodewijk xiv (1643—1715). Als plaatsvervanger voor zichzelf had Richelieu kardinaal mazarin aanbevolen. Hoewel niet den titel „eerste ministerquot;

WlJNNE, Overzicht. '13de druk. 10

-ocr page 152-

146

voerende, stond hij metterdaad aan 't hoofd van 't bewind en ging op den weg, door Richelien ingeslagen, voort. Zijn middelen waren echter veelal niet, gelijk die van zijn voorganger, krachtige maatregelen; maar hij bezigde list en sluw overleg. Hevige klachten over telkens hernieuwde belastingen, welker druk in weerwil van den voor Frankrijk gunstigen Westphaalschen vrede niet afnam, verwekten woelingen, die het land sinds 1648 ruim tien jaren lang in onrust hielden. Tegenover de partij van 't hof of van Mazarin stond die der frondeurs (slingeraars, vitters op de regeering), gelijk zij door de aanhangers van den minister werden genoemd. Deze burgeroorlog was vol wisselingen; doch Mazarin zegevierde: do adel en het ■parlement van Parijs, een lichaam, dat met de hoogste rechterlijke macht was bekleed, waren bedwongen; hijzelf regeerde in naam van den meerderjarig verklaarden koning. Met het oog op het overwicht, dat Frankrijk en Spanje vereenigd konden uitoefenen, ontwierp Mazarin een huwelijk tusschen Lodewijk XIV en Maria Theresïa, een dochter van Philips IV van Spanje. Er werden onderhandelingen aangeknoopt met dit rijk, waarmede men na den Westphaalschen vrede nog in oorlog was gebleven (zie blz. 133), die in 1659 tot den vrede van de Pyrenaéen voerden, waarbij Lodewijk Artois, op twee steden na, en vele gewichtige streken en vestingen in Vlaanderen, Henegouwen en Luxemburg, alsmede een paar landschappen ten n. van de Pyrenaeën verwierf. De infante deed bij voorraad bij akte plechtig afstand van do opvolging in de landen der Spaansche kroon, welke akte Lodewijk tevens bekrachtigde, terwijl hun huwelijk kort daarna, in 1660, werd voltrokken. Die afstand zou echter dan alleen van kracht zijn, wanneer de koning van Spanje vóór 't einde van bet jaar 1661 den bruidschat zijner dochter aan den koning van Frankrijk had betaald. In 't zelfde jaar stierf Mazarin.

§ 66.

Engeland onder het huis Tudor en het huis Staart tol de omwenteling en den dood van Karei I. — Elizabeth en Maria Stuart van Schotland. — Engeland als Republiek onder den protector Cromwell tot de restauratie. — Van 1609 tot 1660.

Onder do regeering van den zoon van Hendrik VII, hendrik vm (1509—1547), ontkiemde in Engeland de kerkhervorming, die eerst na hem tot volle ontwikkeling kwam. De koning, met paus Clemens VII

-ocr page 153-

147

in twist geraakt, scheidde zich met zijn rijk van Rome af, verklaarde zichzelf voor 't hoofd der Engelsche kerk en liet allo geestelijken den eed van trouw aan 's konings suprematie (oppermacht) afleggen. Uit de hevige vervolging der protestanten bleek echter, dat hiermede geen instemming mot de leer der hervormers werd bedoeld. Dat hij van de zes vrouwen, die hij achtereenvolgens nam, telkens de eene verstiet ten einde een andere te huwen, dit heeft zijn zedelijk karakter in een zeer ongunstig licht geplaatst. Zóó werd Katharïna van Ar rag on, een dochter van Ferdinand den katholieke, van hem gescheiden en Anna Bo ley n tor dood gebracht.

Binnen een kort tijdsbestek volgden Hendriks kinderen hom, de eer; na de ander op, allereerst eduard vr (1547—1553), gedurende wiens zesjarig bewind de hervorming allengs in de katholieke kerk werd ingevoerd, die zich, bij overeenstemming in de leer, daardoor van de Duitsche onderscheidt, dat de bisschoppen en een dool der kerkgebruiken bleven bestaan. Daar ook de koning een aanhanger was der protestantse he loer, liet hij, opdat niet zijn ijverig-katholieke zuster Maria hem zou opvolgen, de kroon na aan Johanna Gray, een kleindochter der jongste zuster van Hendrik VIII, die don protestantschen godsdienst beleed. En toch geschiedde wat hij had gevreesd: de meerderheid van 't volk verklaarde zich voor maria (1553—1558), een dochter van Katharïna van Arragon en echtgenoot van Philips II (zie blz. 141). Maria's eerste werk was het herstellen van den katholieken eeredienst en der verbintenis mot den stoel van St. Petrus. De vervolging der hervormden was 't onmiddellijk gevolg. Ook Johanna Gray moest in 1554 het kortstondig koningschap met het leven boeten.

Op de grondslagen, door Eduard gelegd, begon het gebouw der hervorming te verrijzen, toen ELizaBETH (1558—1603), een dochter van Hendrik en Anna Boleyn, den troon had bestegen. Zelve in 't protestantsch geloof opgevoed, liet deze met een krachtig karakter begaafde vorstin door 't parlement dc suprematie der kroon over de kerk erkennen en een nieuwe geloofsbelijdenis opstellen. Zóó ontstond de anglicaamche of episcopale (bisschoppelijke) staatskerk, nevens welke echter dissenters optraden, tot welke de puriteinen en de pres-bijterianen behoorden. Hoewel deze sekten, evenals de katholieken, de woede der vervolging ondervonden, breidden zij zich inzonderheid in Schotland uit, terwijl bijna dc geheele bevolking van Ierland katholiek bleef.

Zeer moedigde Elizabeth de neiging barer onderdanen voor handel,

10*

-ocr page 154-

148

scheepvaart en nijverheid aan en droeg daardoor veel bij tot de ontwikkeling der kiem van den lateren bloei van Engeland. Drake deed 1577—1580 de tweede reis om de wereld en bracht op een volgenden tocht uit Amerika de aardappelen naar Europa mede; in 1600 richtte men een Oost-Indische handelscompagnie op. Wat de oorlogsvloot vermocht ondervond zoowel de armada (zie blz. 138), als Cadix (in 't z.w. van Spanje aan zee), dat de Engelschen en de Nederlanders in 1596 veroverden.

Elizabeth, als vrouw verre van onberispelijk, als koningin meestal groot, staat in de geschiedenis 't ongunstigst geteekend om haar handelwijze tegen Schotlands koningin maria stuaet (zie blz. 95), weduwe van Frans 11 (zie blz. 143). Elizabeths haat tegen deze vorstin ontsproot hoofdzakelijk hieruit dat Maria, met de Engelsche katholieken, de echtheid van 't huwelijk van Elizabeths ouders ontkende en daarom ook zelve den titel „koningin van Engelandquot; aannam. Toen Frans II was overleden en Maria in 1561 de regeering van Schotland had aanvaard, geraakte de lichtzinnige en ijverig katholieke vorstin weldra in geschil met haar onderdanen, die in 1568 zelfs tegen haar opstonden en haar gevangen namen. Uit de gevangenis ontsnapt, vlood Maria, bij gebrek aaneen ander toevluchtsoord, naar Elizabeth, die, in plaats van haar bloedverwant gastvrij te ontvangen, haar in hechtenis hield. Na een negentienjarige gevangenschap werd Maria eindelijk aangeklaagd van deelgenootschap aan een der vele samenzweringen, die de katholieken tegen Elizabeth smeedden, en daarom in 1587 onthoofd.

Na den dood van Elizabeth beklom het huis Stuart in 1603 met .takon i, reeds koning van Schotland, den troon van Engeland, en Engeland met Schotland vereend werd nu Groot-Britannie. Op Jakob volgde zijn zoon kabel i (1625—1649), die door zijn overhellen tot het catholieisme en zijn vasthouden aan de stelling dat de onbeperkte macht hem door God was verleend, in gevaarlijke tegenspraak kwam met den geest van 't Engelsche volk, en wel vooral met de republikeinsch-gezinde puriteinen. Daar Karei de gelden, die hij bij herhaling van 't parlement vroeg, niet kon verwerven, ontbond hij het een paar maal en regeerde elf jaren lang (1629—1640) zonder parlement Doch toen de Schotten, wegens 't invoeren eener met den katholieken eeredienst overeenstemmende liturgie of regeling der kerkgebruiken, in 1640 Engeland binnenrukten, moest Karei, door geldgebrek gedwongen, het parlement op nieuw li ij eenroepen. Dit was het zoogenoemde lange parlement, 1640—1649, met welks overdreven

-ocr page 155-

149

eischen Karei niet wilde instemmen. Daarom verliet hij Londen in 1642 en verzamelde een leger. Maar na tweemaal door Fairfax en Cromwell te zijn verslagen vlood hij tot de Schotten, die hem voor een zware geldsom aan zijn vijanden overleverden.

In 't parlement kregen de indcpendenten, lieden, die niet alleen een volstrekte onafhankelijkheid van geloof voorstonden, maar ze ook tot het staatkundige uitstrekten, weldra de overhand. Aan 't hoofd dezer sekte zoowel als van de troepen kwam weldra o li vier ck om-we i,l, die zich eensdeels als veldheer en staatsman door dapperheid en groote bekwaamheden onderscheidde, anderdeels door dweepzucht en gewelddadigheden. Op zijn bevel werden alle puriteinsche leden door soldaten uit het parlement geweerd. Nu bracht het lagerhuis een aanklacht van hoogverraad tegen den koning in en benoemde een gerechtshof, waarin ook Cromwell zitting nam. Dit veroordeelde Karei I ter dood, en den 20tcl1 Januari 1649 werd dit vonnis te Londen voltrokken. Ten einde de omwenteling te voltooien werd het hoogerhuis afgeschaft en de republiek afgekondigd. Hierop herstelde Cromwell binnen kort de rust in de drie koninkrijken

Naar buiten betoonde hij zich niet minder krachtig door tegen de Nederlanders een gelukkigen oerlog te voeren (zie blz. 140, 141), die bovenal ontsproot uit de weigering der Nederlanden om zich met de Engelsche Republiek tot een gemeenschappelijken staat te verbinden. Door de akte van navigatie, in Oct. 1651 uitgevaardigd, bracht hij nog vóór den oorlog een zwaren slag aan de vrachtvaart en den tusschen-handel der Nederlanders toe, wier koopvaardijvloot toen talrijker was dan de schepen van alle overige volken van Europa tezamen. Deze akte bepaalde, dat de schepen van vreemde natiën geen andere voortbrengsels dan die van hun eigen land in de Britsche havens mochten invoeren. In 1658 droeg men Cromwell met den titel „protector' de hoogste macht op. Tntusschen beletteden Cromwells verdiensten niet, dat er onophoudelijk samenzweringen tegen hem werden gesmeed, die hij ten koste van vele menschcnlcvens onderdrukte. In 1658 maakte de dood een einde aan zijn woelig loven. Zijn zoon Richard, dien men insgelijks tot protector benoemde, legde die waardigheid reeds in 1659 neer. Daarop bood een in 1660 bijeengeroepen parlement, door generaal Monk daartoe aangespoord, Karei II, een zoon van Karei I, de kroon aan, en de restauratie, de herstelling van 't koningschap, was hiermede tot stand gebracht.

-ocr page 156-

160

§ 67.

Het Noorden en het Oosten van Europa. — Gustaaf Wasa en zijn geslacht in Zweden tot 1654. — De oorlog van Karei X Gustaaf van Zweden tegen Polen, Denemarken en hun hondgenooten tot den vrede van Oltva en dien van Koppenhagen. — Van 1520 tot 1660.

Al vroeger (zie blz. 107) zagen wij, hoe zwak de bnnd was, die Denemarken, Noorwegen en Zweden moest samenhouden. Toeh dwong Christ taan ii, koning der drie rijken, de Zweden, die reeds vroeger de wapens togen hem hadden opgevat, in 1520 hem als koning te erkennen. Tegen zijn belofte liet hij in 't zelfde jaar vele der Zweedsche geestelijken, edelen en burgers te Stockholm ter dood brengen, welke gruweldaad het Stockholmsche bloedbad heet, en het moorden op 't platteland voortzetten. Maar gustaaf i erichson, met den bijnaam wasa (in 't o. van Zweden, in Upland) , uit een aanzienlijk geslacht gesproten en reeds vroeger als gijzelaar uit Denemarken ontvloden, kwam na langdurige omzwervingen en te midden van vele gevaren ten laatste in Dalekarlie (ongeveer in 't midden van Zweden gelegen). De moedige bewoners dier dalen riep hij tot den strijd voor de vrijheid op, en in korten tijd was de oorlog, dien Wasa, ondersteund door de stad Lubeck, tegen Denemarken begon, ten zijnen gunste beslist. Dus was de unie van Kalmar ontbonden , en in 1523 verkozen de Zweden den bevrijder van hun vaderland als koning. Hij voerde nu de Luthersche leer, die hij te Lubeck had leeren kennen, in zijn rijk in, met behoud evenwel van de bisschoppelijke inrichting, en bevorderde krachtig de welvaart zijner onderdanen. Intusschen zettcden ook de Denen Christiaan 11 in 1523 af en droegen de kroon op aan zijn oom fkederik i, hertog vau Sleeswijk-Ifolstein, die insgelijks de invoering der hervorming in zijn staten toeliet.

In Zweden volgden op Gustanf Wasa zijn nakomelingen, van welke zijn kleinzoon gustaaf ii a dolf (1611—1632) de ver-maardste is. Zijn gebied uit Esthland en Finland langs de kusten der Oostzee uitbreidende, verwierf hij van Rusland Karelié (ten o. van Finland) en Ingermannland (ten z. vandaar), van Polen schier geheel Lijfland. Langs dien weg werd Zweden de eerste der Noordsche mogendheden. Welk een belangrijke rol Gustaaf Adolf in den dertigjarigen oorlog vervulde hebben wij blz. 132, 133 gezien. Hij werd opgevolgd door zijn dochter Christina, een vrouw van wispelturigen aard, maar van veel geleerdheid en smaak. Wars van de regeering.

-ocr page 157-

151

stond zij in 1654 de kroon af aan haar neef ka rel x gust a af van Palts-Twcehruggen (het westelijkste gedeelte van de Palts) (1654— 1660). Deze roemzuchtige koning oorloogde gedurende zijn gansche bewind tegen Polen en [Denemarken, die zoowel door andere staten als inzonderheid door de Nederlanders werden bijgestaan. Wassenaar van Obdam bracht de Zweden ter zee een nederlaag toe, terwijl de Ruiter op het eiland Funen landde en Nijborg veroverde. In 1660 eindigde de oorlog door den vrede van Olïva (nabij Dantzig), dien Zweden met Polen sloot, en door dien van Koppenhagen, waarbij Denemarken verscheidene zijner gewesten moest afstaan. Een eerste rol in dezen oorlog speelde F r e d e r i k Willem, keurvorst van Brandenburg en hertog van Pruisen, mot den bijnaam de groote keurvorst (1640—1688), gesproten uit het huis Hohenzollern. Behendig trok hij partij van de oneenigheid tusschen de beide hoofdpersonen van den oorlog om zich hot souvoroin bezit van Oost-Pruisen , dat tot dusver leenroerig was aan Polen, te verschaffen. In aanzien geklommen door 's vorston huwelijk met Louise Honriette, do oudste dochter van Fredorik Hendrik, trad Pruisen eerst onder hem op onder de invloedrijke staten van Europa, doch altijd met die voorzichtige en berekenende staatkunde, waaraan het niet minder dan aan Frode-riks II geestkracht en veroveringen zijn rang onder de tegenwoordige groote mogendheden heeft te danken.

TWIiKDK TIJDVAK.

van den westphaalschen vrede in 1648 en van die van koppenhagen en van olïva in 1660 tot di3 erkenning der onafhankelijkheid van de verkenigde staten van noord-amerika bij den vrede van versailles in 1783 en tot den aanvang der eerste kransche omwenteling in 1789.

§ 68.

De oorlog van Lodewijk XIV legen Karei II van Spanje tot den vrede van Aken in 1668. •— Die van Lodewijk, verbonden met Karei II van Engeland en mei Zweden, tegen de Nederlanden en hun hondgenooten tot den vrede van Nijmegen van 1672 lol 1678.

Toen lodewijk xiv (zie blz. 146) na den dood van Mazarin zelf het bewind aanvaardde, was Frankrijk een zeer machtige staat. Bovendien had hij het geluk ten minste gedurende de eerste

-ocr page 158-

152

helft van zijn lange regeering schier in alle takken van beheer de nitstekendste mannon rondom zich te hebben. Colbert regelde het financiewezen, bevorderde krachtig handel en nijverheid en was de stichter dor Fransohe koloniën in Oost- en West-Indië. Do minister van oorlog, Louvois, die menige verbetering in hot krijgswezen bracht, schiep talrijke en welgeoefende legers, die door de voortreffelijkste veldheeron werden aangevoerd. Trotsch op dit alles, wilde de koning Frankrijk den eersten rang onder de rijken van Europa doon innemen on don Rijn tot do oostelijke grens van zijn rijk maken.

De eerste van Lodewijks oorlogen werd gevoerd tegen zijn zwager, den zwakken en jeugdigen koning van Spanje, k abel n (1665—1700), een zoon van Philips IV (zie blz. 141, 142, 146). Hem wilde Lodowijk de Spaansche Nederlanden als eon erfenis zijner gemalin (zie blz. 146) ontrukken in strijd met den vrede der Pyrenaeën. Binnen eonigo weken veroverden zijn legers onder Turenne en Con dé oen groot deel der Spaansche Nederlanden. Maar plotseling werd, uit hoofde van de vrees van Johan de Witt (zie blz. 140) en zijn landgonooton voor de onmiddellijke nabuurschap van Frankrijk, gevoegd bij die van de beide overige mogendheden voor 't evenwicht, van Europa, door de bemoeiingen van den Engelschon gezant W i 1-liam Temple en van den raadpensionaris in 1668 de triple alliantie (het drievoudig verbond) te 's Gravenhago gesloten tusschen Engeland, Zweden en de Nederlanden. Nu dwong de alliantie Lodewijk XIV bij den vrede van Aken (zie blz. 125), den 2den Moi 1668, zich te vergenoegen mot twaalf steden, grootendeels in die streek van Zuid-Nederland gelegen, welke later Fransoh-Vlaanderen is genoemd.

Niet lang rustten de wapens. Lodewijk wilde zich wegens hot sluiten der alliantie aanstonds op de Nederlanden wreken. Eerst wist hij Engeland aan 't verbond te onttrekken: Karei 11, loszinnig van aard, verbond zich tegen ruime beloften mot hem. Ook Zweden viel van 't verbond af en schaarde zich aan den kant van Frankrijk, terwijl verder met weinig moeite de keurvorst van Keuion en do bisschop van Munster, Bernard van Galen, als bondgenooton werden gewonnen. Al wat de Vereenigde Nederlanden aan Frankrijks ontzaglijke strijdkrachten konden tegonstellon was oen leger van slechts 21,000 man, de garnizoenen der vestingen, oen krachtige vloot en hun bondgenootschap met Frederik Willem van Brandenburg (zie blz. 151). Na onder nietige voorwendsels den oorlog te hebben verklaard trok Lodewijk zelf in 1672 met do door Condé en Turenno aangevoerde legermacht, omstreeks 120,000 man sterk, op de Neder-

-ocr page 159-

153

landen aan. Een aantal sterkten, op Nedcrlfinds grenzen gelegen, werd voetstoots ingenomen, Maastricht voorbij getrokken, en bij het tolhuis lamp; Lobith (in 't z.o. van Gelderland op de grenzen) stak de koning zoo goed als onverhinderd den Rijn over. Willem m werd wel op staanden voet tot opperbevelhebber der Nederlandsche troepen aangesteld; maar op 't eind van Juni waren Gelderland, Utrecht en eenige steden van Holland reeds in 's vijands macht. Tegelijk werden Overijsel en Drente door den bisschop van Munster overweldigd, Groningen door hem belegerd.

In weerwil der drukkende overmacht bezweek de Republiek niet. Eerst doorstak men de dijken der rivieren en beveiligde daardoor Holland. Dan werd de moed door Rabenhaupts kloekmoedige verdediging van Groningen aangewakkerd, die in Aug. 1672 van Galen noodzaakte met de Keulsch-Munstersche legermacht af te trekken, terwijl in Dec. Koevorden bij verrassing werd herwonnen. Hierbij kwam dat de voorgenomen medewerking der Engelschen, die een landing op de kust van Holland zouden doen, achterwege bleef. De natuur zelve belette dit in 1672 door een zeer hevigen storm uit het z.w. In 1G73 behaalde de eenige de Ruiter, na andere overwinningen, bij Kijkduin (nabij de Helder) een beslissende zege op de Engel-sche en de Pransche vloot onder de admiraals prins Robert en d'Estrees. In 't zelfde jaar sloten Leopold I, koning van Duitsch-land (1668—1705), en Spanje, gelijk weldra het Duitsche rijk, zich bij de Nederlanden aan en noodzaakte Willem door een koene onderneming, de verovering van Bonn (aan den Rijn, ten z.o. van Keulen), Condé ons land te ontruimen. Alleen Maastricht, dat mede in 1673 voor de overmacht had moeten zwichten, bleef in handen der Fran-schen. In 1674 moest de koning van Engeland, door de bedreigingen van 't parlement verschrikt, vrede sluiten, terwijl Munster en Keulen dit voorbeeld volgden. In de Spaansche Nederlanden, waarheen de Franschen aansionds na de ontruiming van ons land weken, streed Willem III met het vereenigde leger der Nederlanders, der Spanjaarden en der Duitschers in 1674 bij Senef (in 'tnoordoosten van Henegouwen) tegen Condé zonder beslissenden uitslag. Tevens verloren de Spanjaarden alle Zuid-Nedcrlandsche vestingen, op een vijftal na. Ook werd de oorlog nog naar de Middellandsche zee overgebracht, want Messïna (in 't n.o. van Sicilië), tegen Spanje in opstand, werd door Lodewijk XIV krachtdadig bijgestaan. Hierom zeilde de Ruiter in 1676 met de Nedcrlandsch-Spaansche vloot naar die wateren. Driemaal leverde men slag tegen den Franschen admiraal du Quosne.

-ocr page 160-

154

In de tweede ontmoeting, bij den Etna, zegepraalden de onzen, maar verloren den eersten vlootvoogd zijner eeuw.

Den l()den Aug. 1678 sloten Frankrijk en de Nederlanden, zonder zich om hun bondgenooten to bekommeren, te Nijmegen den door de hoofdpartijen verlangden vrede. Do Republiek, welker ondergang in 't begin van den oorlog onvermijdelijk scheen, trad uit den strijd zonder een enkel dorp te verliezen. Kort daarna moest Spanje, dat Franche Comté en veertien steden in de Spaansche Nederlanden aan Lodewijk afstond, alsmede de overige bondgenooten, insgelijks vrede sluiten.

§ 69.

De negenjarige oorlog van Lodewijk XIV tegen het verhond van Weenen tot den vrede van Rijswijk, van 1688 tot 1697. — De Spaansche erfopvolgingsoorlog tot den vrede van Utrecht en dien van Rastadt, ran 1700 tot 1714.

Slechts één jaar na den oorlog veroorloofde Lodewijk zich op nieuw een geweldige inbreuk op het volkenrecht. Plij richtte n.1. reunionskamers op, die hem verschillende steden in don Elzas, b.v. Straatsburg en andere, zooals Luxemburg, toewezen, welke hij dan snel met geweld in bezit nam. Toen hij verder in 1685, mede met goedvinden van de Main toon, eerst zijn minnares en sedert dit jaar in 't geheim zijn gemalin, het edict van Nantes herriep en de protestanten door de wreedste middelen trachtte to dwingen tot de Roomsch-katholieke kerk over te gaan, verlieten, naar de geloofwaardigste der uiteenlooponde opgaven, 4 of 500,000 grootendeels bemiddelde en nijvere menschen Frankrijk en vestigden zich in de Nederlanden, in Engeland, in Brandenburg en elders. Thans vreesde al wat protestant was voor het overwicht van den opvolger hunner geloofsgenooten en bracht de rustelooze tegenstander van den heerschzuchtigen vorst, Willem III, in 1686 to Augsburg een verhond tot stand, te Weenen bekrachtigd, tusschen den keizer, het grootste gedeelte van het Duitsche rijk en Spanje. Bij hen kwamen nog de Nederlanden, en in 1688 Engeland, waar Willem III (zie blz. 159) koning werd. Alzoo brak in 1688 de negenjarige oorlog los. Met afschuwelijke wreedheid verwoestten de Pranschen de Palts en de overige Rijnstreken: Worms, Spiers en vele andere bloeiende steden en dorpen werden als vernietigd. Louvois toch had besloten

-ocr page 161-

156

ter beveiliging der Fransche grenzen aan dien kant het Rijndal in een woestijn te veranderen.

De kamp zelf greep echter hoofdzakelijk in Italië en in de Zuidelijke Nederlanden plaats. Hier bracht Luxembourg aan Willem III, den aanvoerder van de troepen der bondgenooten, in 1692 bij Steenkerken (in 't n. van het tegenwoordige Henegouwen, ten n.w. van Senef) en in 1693 tusschen Landen en Neerwinden (in 't n.w. van het tegenwoordige Luik) een nederlaag toe, maar moest hem, hoewel geslagen, toch ontzien. Tevens werden Mons (Bergen), Namen en andere vestingen door den vijand ingenomen. Hoewel Lodewijk overal, behalve ter zee, met evenveel geluk streed, deden echter de uitputting zijns lands en nieuwe ontwerpen bij hem begeerte naar rust ontstaan. Daar ook de verbonden mogendheden niet veel kans hadden den overmachtigen vorst te bedwingen, werd in 1697 de vrede te Rijswijk (tusschen den Haag en Delft) gesloten. Lodewijk erkende Willem IH als koning van Engeland, gaf den keizer alles, buiten den Elzas, en aan Spanje alle veroveringen, behalve twee-en-tachtig plaatsen in de Zuidelijke Nederlanden, terug.

Lodewijk had zich gehaast den negenjarigen oorlog ten einde te brengen, toen hij de kans gunstig begon te zien door 't bezit van Spanje zijn invloed in Europa te vermeerderen. Karei H (zie blz. 152), de laatste koning van Spanje uit het huis Habsburg, afgeleefd vóór zijn tijd, scheen zijn einde nabij te zijn en was kinderloos. Behalve Lodewijk, die aan het grondwettig recht der dochters op de Spaan-sche kroon vasthield, ook omdat de koning van dit rijk de voorwaarden nopens de geldsom (zie blz. 146) niet had vervuld, maakte ook keizer Leopold aanspraak op den Spaanschen troon. Bij den dood van Karei II, in 1700, vond men een testament, dat hertog Philips van Anjou (een landschap, ten z.o. van Bretagne), den tweeden zoon van den dauphin, tot ecnigen erfgenaam der geheele Spaansehc heerschappij verklaarde. Keizer Leopold greep dadelijk naar de wapens en vond weldra steun bij het groote of Haagsche verbond van 1701, met Engeland en de Nederlanden gesloten, bij hetwelk zich ook Pruisen (zie blz. 160, 161), het Duitsche rijk, Portugal en de hertog van Savoye voegden. Tevens had Leopold het geluk den beroemden Eugenïus van Savoye, wiens diensten Lodewijk voorheen had versmaad, aan 't hoofd zijner legers te kunnen stellen. De oorlog was nog nauwelijks begonnen, of de bondgenooten leden een zwaar verlies door 't overlijden van Willem Hl, den 19den Maart 1702.

-ocr page 162-

156

1

Do oorlog, die in Itnlië, in Duitschland, in do Zuidelijke Nederlanden en in Spanje werd gevoerd, stortte Lodewijk van zijn hoogte neder. Terwijl het getal zijner uitstekende veldheeren was afgenomen, stond aan den kant der bondgenooten een rij groote mannen: John Churchill, graaf en daarna hertog van Marlborough (in Devonshire in 't z. van Engeland); de beroemde raadpensionaris van Holland, Antonie Heinsius, cn Eugenïus van Savoye. Deze mannen noemt men wegens hun gemeensehappelijke leiding der zaken het driemanschap in dezen oorlog. Van den aanvang aan leden de Franschen de eene nederlaag na de andere, o.a. in 1704 bij Höchstiidt (aan den Donau, in 't w. van Beieren), waar Marlborough en Eugenïus Mar-sin en Tall ar d beslissend sloegen. In Spanje stond het daarentegen slecht met de zaken van Leopolds tweeden zoon, aartshertog Karei, wien zijn vader Spanje toedacht. Tn den beginne maakte hij eenige vorderingen; maar Madrid, eerst door hein genomen, ging weldra weer verloren, cn niet vóór 1710 herkreeg hij het. Marlborough leverde in 1706 tegen Villeroi een slag bij Ramillies (in 't z.o. van Zuid-Brabant) en behaalde er een zoo volledige zegepraal, dat Brabant, Vlaanderen en een deel van Henegouwen hem toevielen. Eugenïus vernietigde in 't zelfde jaar bij Turin een groot leger der vijanden, dat door la Feuillade en Marsin werd aangevoerd. Gezamenlijk versloegen de beide groote veldheeren Ven domo in 1708 bij Oudenaarde (in Oost-Vlaanderen aan de Schelde) en Vill ars in 1709 bij Malplaquet (niet ver van Mons in Henegouwen). Hierop werden de Spaansche Nederlanden allengs geheel veroverd.

Inmiddels wendde zich Lodewijk XIV bij herhaling met aandrang tot Heinsius ten einde, op hoe nadeelige voorwaarden ook, den vrede te verwerven. Doch daar de overwinnaars hun eischen al hooger stelden en, op hun beurt overmoedig, zoo ver gingen, dat zij eischten, dat de grijze koning zelf zijn kleinzoon uit Spanje zou verdrijven, werden de onderhandelingen afgebroken. Toen alzoo de gezichtseinder voor Lodewijk met steeds dreigender wolken betrok, brachten twee gebeurtenissen hem redding aan. De een was de vroegtijdige dood van Leopolds opvolger en oudsten zoon jozef i (1705— 1711), wien zijn eenige broeder, karel vi (1711—1740), als keizer opvolgde. Nu drongen de zeemogendheden, Engeland en de Nederlanden, er niet langer op aan, dat men den beheerscher van zooveel landen nog de Spaansche monarchie zou toevoegen. De andere was de terugroeping van Marlborough en de val van het whig-ministeric (zie blz. 159), waarvan hij de ziel was.

-ocr page 163-

1.57

Dus nam dc oorlog een einde en behield philips v (1701—1746) bij den vrede van Utrecht (11 April 1713) Spanje en zijn bezittingen buiten Europa. De Nederlanders verwierven een voordeelig handelsverdrag en de barrière (deze sinds 1712), die hun het recht gaf om in Namen, Doornik en vijf andere vestingen, alsmede voor de helft in een achtste, bezetting te leggen. Frankrijk stond aan Engeland eenige landstreken in Noord-Amerika, Spanje Gibraltar af. Karei VI en hot Duitsche rijk zetteden den oorlog nog een korte wijl voort, doch moesten dien in 1714 insgelijks eindigen, toen de vrede van Rasladt (in Baden, ten z.w. van Carlsruhe) den keizer de Zuidelijke Nederlanden, Napels, Milaan eu 't eiland Sardinië, als zijn deel der Spaansche nalatenschap, toekende. Door deze kostbare oorlogen en door de aan 't hof heerschende weelde was de bloei van Frankrijk verdwenen en het land met schulden overladen. Bovendien daalden zoowel 's konings zoon, de dauphin, die hein moest zijn opgevolgd, als zijn zoon, de hertog van Bourgondië, en tevens de oudste zoon van dezen, de hertog van Bretagne, alle nog vóór den grijzen monarch ten grave, en de Maintenon (zie blz 154) had op alles, wat hij deed, grooten invloed. Dus was Lodewijks ouderdom treurig en eenzaam. Hij stierf na een lange regoering den lsten September 1715.

§ 70.

Engeland onder de koningen uit het huis Stuart Karei II en Jakob IT, alsmede onder Willem III van Oranje-Nassau, onder Anna uit hel huis Stuart en onder de koningen uit het llannoversche huis George I en George II. — Van 1660 tol 1760.

De regeering van ka eel ii (1660—1685) beantwoordde niet aan de verwachting, die men bij zijn herstelling op den troon had opgevat. Nauwelijks had hij de kroon van Engeland eenige jaren gedragen, of de tweede zeeoorlog tusschen dit rijk en de Nederlanden, 1665— 1667, ontstond. Deze oorlog is een dier merkwaardige zeeoorlogen, welke de zeventiende eeuw boven alle tijdperken der Oude en der Nieuwe geschiedenis onderscheiden. Naijver op den nog altijd grooteren handel en op de uitgebreider scheepvaart van Holland en Zeeland maakte hem voor de Engelschen tot een nationalen strijd, en hun aanvallen en veroveringen in andere werelddeelen gingen de oorlogsverklaring reeds een jaar vooraf. Ongelukkig was voor ons land

-ocr page 164-

158

het begin: den 13den Juni 1665 leed de Nederlandsche vloot een zware nederlaag in den slag bij Lowesthoff (op de o. kust van Engeland, ten z. van Yarmouth), haar door den hertog van York toegebracht. Kortenaar sneuvelde; de opperbevelhebber, de luitenant-admiraal Wassenaar van Obdam (zie blz. 151), vloog met zijn schip in de lucht; vele schepen werden genomen; lafhartigen namen de vlucht, en met moeite dekte men den terugtocht. In weinig weken — zoodanig was de veerkracht dier tijden — was de vloot hersteld en weder in zee. Eerst in 't volgende jaar echter herstelde een schitterende overwinning den gtkrenkten roem onzer zeemacht. Een geduchte vloot van meer dan 100 zeilen, met over de 21,000 koppen bemand, onder de Kuiters opperbevel, liep in 't begin van Juni uit. Don llden raakte zij bij Forel and (ten n.o. van Dover) slaags met de Engelschen onder Monk (zie blz. 149), door Karei II tot hertog van Albemarle (in Normandië, ten z.w. van Amiëns) verheven; den 12(len des morgens begon de strijd op nieuw; den ISd®11 werd hij hervat en eerst op den 14den Juni 1665 beslist, toen de Engelschen de wijk namen. Zwaar gehavend, maar met 3000 gevangenen, onder welke de vice-admiraal Ayscue, en metzes veroverde schepen keerde de Nederlandsche vloot nt.ar onze havens terug. Deze vierdaagsche zeeslag is ook in de latere gesel liedenis eenig gebleven, gelijk hij het in de vroegere was.

Minder gelukkig liep een volgend zeegevecht af, in Aug. van 't zelfde jaar nabij Duinkerken (ten o. van Calais) geleverd. Hier moest de Ruiter wijken, maar door vriend en vijand bewonderd. Ongelukkig voor den staat gaf dit den Engelschen gelegenheid 100 a 150 koopvaardijschepen in het Vlie (tusschen Vlieland en Terschelling) in brand te steken en een gedeelte van Terschelling te verwoesten. Dan de wraak toefde niet. In Juni 1667, toen de onderhandelingen reeds waren begonnen, drong de Hollandsche vloot onder de Kuiter, vergezeld door Cornelis de Witt, een broeder van Johan en gemachtigde der Staten-Generaal, do Theems binnen. De Engel-sche vloot werd veroverd of verbrand. Engelands hoofdstad met schrik en angst vervuld. Deze vermaarde tocht naar Chattam bespoedigde den vrede, die den 31sten Juli 1667 te Breda werd gesloten en aan elk liet wat hij op 't oogenblik van het sluiten des vredes in bezit had. Zóó kwam toen Nieuw-Nederland (in 't n.o. van Noord-Amerika), sinds New-York, aan Engeland, Suriname aan Nederland.

In 1671 trad in Engeland het beruchte ministerie op, dat doorgaans naar de eerste letters der namen van zijn vijf leden cahaalminiaterie

-ocr page 165-

159

wordt genoemd. Met den kon mg streefde dit kabinet bovenal naar de vestiging der onbeperkte koninklijke macht en naar de vernietiging-van het wettig gezag van 't parlement. De oude verdeeldheid, op deze wijze op nieuw aangewakkerd, schiep nu de namen torys en whig a, waarvan de eerste de aanhangers van 't hof, do tweede de partij van 't parlement aanduidt. Nadat Kareis laatste levensjaren door tegenstand van 't parlement, dat bij herhaling werd ontbonden, alsmede door samenzweringen en opstanden zeer waren verbitterd, stierf hij in 1685 als belijder van den katholieken godsdienst, dien hij gedurende zijn geheele regeering was toegedaan geweest, maar eerst in zijn laatste oogenblikken uitdrukkelijk beleed.

Niettegenstaande den afkeer, dien 't parlement reeds vroeger van Kareis broeder, den katholieken hertog van York, aan don dag had gelegd, verzette het zich niet, nu hij onder den titel jakob ii (1685—1688) den troon besteeg. Maar luide gaf zich een algemeene ontevredenheid te kennen, toen hij in vele opzichten zijn bevoegdheid te buiten ging. Zoodra nu in 1688 de tijding kwam, dat er een prins van Wales (titel van den oudsten zoon des konings, als erfgenaam der Engelsche kroon), was geboren, wanhoopte elk aan oen betere toekomst, indien Jakob en zijn huis bleven rogeeron. Terstond verbreidde zich tevens oen ongegrond gerucht, dat hot kind was ondergeschoven. Hierop landde Willem III, echtgenoot van de oudste dochter van Jakob II, Maria, daartoe aangezet door vele aanzienlijke Engelschen, in Engeland en trok terstond naar Londen. Soldaten, officieren, burgers en edelen ontstuwden hem, terwijl de van elk verlaten koning naar Frankrijk vlood.

In Februari 1689 kreeg de roemrijke omwenteling, gelijk de Engelschen haar noemen, haar beslag en werden willem ui (1689— 1702) en mabïa als koning en koningin van Engeland uitgeroepen. Tevens word bepaald, dat, zoo beiden kinderloos mochten overlijden, Maria's zuster Anna de kroon zou erven, hetgeen in 1702 plaats greep. Vruchteloos bloven do pogingen van Jakob II en zijn nakomelingen, de pretendenten, om de koninklijke waardigheid te herwinnen. Het bestuur van an na (1702—1714) was voor Engeland gewichtig door de vereeniging van dit rijk mot Schotland, die metterdaad reeds sedert lang (zie blz. 148) had bestaan, maar in 1706 door 't instellen van één parlement voor de beide dooien van Groot-Britannié geheel in werking kwam. Na Anna's dood kwam de kroon aan George Lode wijk, keurvorst van Hannover en achterkleinzoon van Jakob I, als koning geokge i (1714—1727) genoemd. Zijn

-ocr page 166-

160

voornaamste minister, die alles leidde, was Wal pole, een man, die bovenal den vrede in Europa handhaafde, en ook onder het bewind van 's konings zoon en opvolger george ir (1727—1760) aan 't roer bleef.

§ 71.

Duitschland onder den Habsburgschen keizer Leopold T, van 1658 tot 1705, henevens de oorlogen tegen de Turken, van 1663 tol den vrede van Karlowitz in 1699, — Pruisen wordt in 1700 een koningrijk onder hel huis Hohenzollern. — De Nederlanden en de verheffing van Willem III,

van 1660 tot 1702.

Gedeeltelijk hebben wij boven (zie blz. 154, 155) gezien, hoezeer het Westen van Duitschland door den oorlog leed, terwijl leopold i (](558—1705), die reeds vroeger als koning van Bohemen en van Hongarije was gekroond, den rijkszetel bekleedde, en niet beter ging het in het Oosten. Hier toch ontstond in 1663 weder een langdurige oorlog met. de Turken, die met een groot leger in Hongarije vielen. Na een zware nederlaag sloten zij in 1664 vrede. Doch doordien de Hongaren, tegen den keizer opgestaan, hun hulp inriepen, brak de oorlog in 1683 ten tweeden male los. De grootvizier Kara Moestapha begon dien met het aantasten van W e e n e n, dat hij twee maanden lang belegerde. Na de geduchte nederlaag bij die hoofdstad, hem in 1683 toegebracht door Karei V, hertog van Lotharingen, als bevelhebber van 't keizerlijk leger, en door Joh an III Sobieski, koning van Polen, moest hij het beleg opbreken. Voortdurend kampte 's keizers leger met geluk tegen de Turken, en Eugenïus van Savoye (zie blz. 155, 156) behaalde in 1697 de laatste, maar niet de minst schitterende zege bij Zenta (aan de Theiss, ten o. van Mohacz). De Porte, geheel uitgeput, sloot in 1699 den vrede van Karlówilz (aan den Donau, ten n.w. van Belgrado), waarbij Leopold I zijn aanzienlijke veroveringen behield. — In 1692 verhief Leopold Hannover tot een keurvorstendom, waardoor het getal keurvorsten tot negen aangroeide.

De opvolger van Frederik Willem, keurvorst van Brandenburg en hertog van Pruisen (zie blz. 151), was sinds 1688 zijn zoon frederik in, die keizer Leopold I overreedde hem bij een verdrag van den 16lllJI' Nov. 1700, onder den titel frederik i (1700—1713), als koning van Pruisen te erkennen. Daarvoor nam hij de verplichting

-ocr page 167-

ICl

op zich in den Spaanschen crfopvolgingskrijg 10,000 man voor het rijksleger te leveren.

De geschiedenis der Nederlanden is grootendeels reeds in het bovenstaande opgenomen, zoodat zij hier nog slechts met enkele bijzonderheden behoeft te worden aangevuld. Nederland speelde onder het raadpcnsionarisschap van de Witt eenige jaren lang een der eerste rollen in de staatkunde van Europa. Toen en nog lang daarna was 's Gravenhage het middelpunt van de onderhandelingen en overeenkomsten der staten van Europa. Onvermoeid was de Wilt werkzaam voor dc verheffing van den staat, van zijn zeemacht en handel, maar, in weerspraak met een groot deel der ingezetenen, even onverzettelijk in zijn afkeer van 't huis van Oranje en van de bevordering van den jongen prins tot de waardigiieden zijns vaders. Met de komst van Karei 11 tot den troon was de akte van seclusie (zie blz. 141) in 166U vervallen verklaard. Het duurde slechts eenige jaren na de vernietiging van dat stuk door de staten van Holland, of dezelfde staten bezwoeren in 1667 een overeenkomst, bekend onder den naam eeuwig edict, waarbij het stadhouderschap in Holland werd afgeschaft en in dc overige gewesten met het kapitein-generanlschap der unie onvercenigbaar verklaard. Doch dat geschrift was niet bestand tegen den aandrang der aanhangers van Oranje, toen Lode-wijk XIV zich tot den oorlog tegen de Republiek toerustte. Nog ccr de vijandelijkheden aanvingen, werd Willem Hendrik, de zoon van Willem II (zie blz. 139), als kapitein-generaal der unie voor den op handen zijnden veldtocht aangesteld. Bij den snellen voortgang van den vijand wist de geestdrift van 't volk de vernietiging van het eeuwig edict te bewerken, terwijl willem iii (1672—1702) ter zelfder tijd tot stadhouder eerst van Zeeland, toen van Holland werd benoemd.

In 1674 volgden Utrecht cn Overijsel, in 1675 Gelderland dit voorbeeld. Friesland, Groningen en Drente hadden Hendrik Kasïmir II (1664—1696) als stadhouder. Geenszins tevreden met de behaalde zege, rustten de tegenstanders der de Witten niet, eer deze beide mannen ten val waren gebracht. Tevergeefs legde de raadpensionaris den 4dcn Aug. 1672 zijn ambt neder: dc haat der verblinde volksmenigte kende geen grenzen. Een aanklacht van een lagen booswicht, Tichelaar, bracht Cornclis de Witt in de gevangenis. En toen J. de Witt zijn broeder diiar een bezoek bracht, had de zoo befaamde moord der beide broeders den 20sten Aug. plaats.

VVunnh, Overzicht, 13de ilnik. 11

-ocr page 168-

1(52 § 72.

Rusland onder de alleenheerschappij van Peter den groote uil het huis der Romanows. — Van 1689 tot 1725.

In Rusland (zie blz. 106), welks vorst in 1547 den titel czaar aannam, besteeg in 1613 een nieuw huis, dat der Romanmos, den troon. De beroemdste van de vorsten uit dit huis is peter i de groote, die door zijn halfbroeder iwan als mederegent werd aangenomen en sedert 1682 gezamenlijk met hem onder het regentschap van Iwans zuster Sophia regeerde. Peter groeide in het dorp Preobrasehenskoi (nabij Moskau) op te midden van een menigte jonge Russen uit de eerste familiën des lands, zonen van bojaren, en van een aantal vreemde gelukzoekers. Uit een paar honderd van hen stelde hij, ten einde aan zijn zucht voor wapenoefeningen te kunnen voldoen, een kleine compagnie samen, waarbij hij zichzelf tevens inlijfde en die later de kern van 't leger werd. De steun dezer compagnie kwam Peter uitmuntend te stade, toen de slechte verstandhouding, waarin hij steeds met Sophia had geleefd, in 1689 in volslagen vijandschap oversloeg en hij meende, dat Sophia het voornemen koesterde alleen het bewind te voeren, öogenblikkelijk nam hij zijn maatregelen. Sophia's regentschap werd opgeheven, zijzelve naar een nonnenklooster verwezen. Bij deze omwenteling van 1689 was onder de officieren, die hun degen ter beschikking van Peter stelden, een der eersten Lefort, iemand, die, van Genève afkomstig, een tijdlang in Neder-landschen en in Spaanschen krijgsdienst was geweest en later officier werd bij het Russische leger. Weldra won hij in ruime mate de gunst van Peter, hoofdzakelijk omdat hij aan 's vorsten drinkgelagen en ruwe uitspanningen ijverig deel nam en den czaar steeds getrouw bleef. Ofschoon Peter (1689—1725) thans de alleenheerschappij aanvaardde, voerde zijn broeder Iwan echter nog tot zijn dood in 1696 den titel van czaar.

Peters eerste zorg was zijn krijgsmacht op den voot der Euro-peesche legers te brengen, waartoe nog slechts de grond was gelegd. Dan moest de vorming eener zeemacht volgen. Hij zag wel in, dat het zonder 't bezit van kustlanden onmogelijk zou zijn beschaving, handel en nijverheid in Rusland te bevorderen. Vermits de kust der Witte zee de eenige was, die hem behoorde, richtte hij natuurlijk zijn blik naar de Oostzee en de Zwarte Zee. Daarom veroverde hij in 1696 de vesting Azow (in 't n.o. aan de zee van dien naam gelegen) op de Turken. Alzoo in 't bezit van dezen sleutel der Zwarte

-ocr page 169-

168

Zee, was hij in 1697 op 't punt de beschaaf de staten van Europa met eigen oogen te gaan aanschouwen, toen een samenzwering dit plan voorshands deed uitstellen. Deze samenzwering, door de lijfwacht der strelilzen uit bezorgdheid voor groote veranderingen, zoowel in 't krijgswezen als anderszins, gesmeed, had ten doel den czaar te vermoorden en zijn zoon Alcxëi, in alle opzichten het tegenbeeld zijns vaders, onder voogdij van Sophïa op den troon te plaatsen. Zij werd evenwel ontdekt en gestraft. Zelf nam Peter de samengezworenen in 't huis van den staatsraad Sokownin gevangen. Nog in 't zelfde jaar verliet hij zijn rijk en bezocht, zich onder 't gevolg van een groot gezantschap zooveel mogelijk onbekend houdende. Holland en Engeland. Overal nam hij, die onze taal reeds vroeg in den omgang met vele Nederlanders had geleerd, de werkplaatsen der kunstenaars en handwerkslieden nauwkeurig op en arbeidde zelfs als scheepstimmerman mede aan het bouwen van schepen een korten tijd te Zaandam , veel langer te Amsterdam, waar hij een fregat geheel hielp aftimmeren. Uit Holland stak hij naar Engeland over, doch keerde op de tijding van een nieuwen opstand der strelitzen naar Rusland terug. Hoewel deze opstand reeds vóór zijn aankomst in 1698 was bedwongen, doodde Peter, zelfs eigenhandig, de schuldigen met groote wreedheid en ontbond de geheele lijfwacht.

Thans zette de czaar zijn hervormingen voort, die, alle aan het buitenland ontleend, grootendeels op het stoffelijke waren gericht en met geweld werden ingevoerd. Na liet tot stand brengen van een regelmatig leger volgde weldra het bouwen van oorlogschepen. Mot gewold voerde Peter een nieuwe kleederdracht, die 't meest op do Hongaarschc geleek, en het scheren van den baard in, van welke maatregelen alleen de geestelijken, de boeren cn de Aziaten werden uitgezonderd. Het fabriekwezen, den berg- cn den landbouw bevorderde hij ijverig. Enkele volksscholen werden opgericht cn vreemdelingen, in eenig vak ervaren, aangespoord om hun talenten aan Ruslands belangen te wijden. In 1722 nam Peter den titel keizer aan, terwijl de senaat, het hoogste regecringscollegio in Rusland, hem in 't zelfde jaar met den titel „vader des vaderlandsquot; vereerde. In een zeer onaangename betrekking stond Peter voortdurend tot zijn zoon Aloxëi, dien de priesters aanhoudend tegen Peter opzetteden. Na een nieuwen ernstigen twist moest Alexci eindelijk in 1718 plechtig afstand doen van de Russische kroon en werd wegens verzet tegen zijn vader door een buitengewoon gerechtshof ter dood veroordeeld , niet tegen den zin van Peter, die met zijn nieuwe inrichtingen meer

11*

-ocr page 170-

1()4

was ingenomen, dat hij zijn zoon beminde. Twee dagen nadat het vonnis was geveld, bezweek Alexëi in de gevangenis aan de gevolgen der martelingen van do pijnbank, die hij een paar malen had verduurd.

§ 73.

Zweden onder Karei XII, koning uit het huis Palts-Tweebruggen, en de Noordsche oorlog tol den vrede van Nijstadt,

van 1697 tot 1721.

Gelijk Peter do grooto in Rusland, zóó was in Zweden zijn tijdgenoot kakel xii (1697—1718), een kleinzoon van Karei X Gustaaf, een man van zeer merkwaardige eigenschappen. Ongemeen eenvoudig in kleeding en levenswijze, buitengewoon dapper en tegen alle ontbering en inspanning bestand, wist hij te overwinnen; maar partij te trekken van de behaalde zege was zijn sterkste zijde niet. Door zijn eigenzinnigheid verloor Zweden den eersten rang onder de staten van 't Noorden, en Rusland nam dien welhaast in. Nauwelijks had Karei den troon van Zweden beklommen, dat (zie blz. 150) de meeste kustlanden der Oostzee beheerschte, of Peter, begeorig naar 't bezit dier kusten, verbond zich tegen hem met fbedebik i v van Denemarken en met Frederik Augustus I, keurvorst van Saksen en als Augustus II koning van Polen. Zóó ontstond de Noordsche oorlog, 1700—1721. Dadelijk deed Karei oen landing op See-land en noodzaakte den koning van Denemarken in 1700 zich aan hot verbond te onttrekken. Toen bracht hij in 't zelfde jaar met een veel kleiner leger den overmachtigen Russen bij Narwa (in 't n.o. van Esthland) een beslissende nederlaag toe. Zich vervolgens tegen zijn dorden vijand wendende, verdreef hij Augustus uit Polen en dwong den Poolschen rijksdag in 1704 Stanislaus Leszinsky, woywöde (d. i. eigenlijk aanvoerder in den oorlog, hier stedehouder) van Posen, als koning te verkiezen. Dan Karei rukte nu Saksen binnen, en Augustus bleef niets anders over dan het aannemen van een nadeeligen vrede in 1706, waarbij hij Stanislaus erkende.

Gedurende dezen tijd had Peter Ingermannland, benevens een deel van Lijfland en Esthland veroverd. Niettegestaande de groote bezwaren dor moerassige streek stichtte hij in 1703 aan den mond der Newa het later zeer vergroote en verfraaide Petersburg. Na op 't Russisch grondgebied te zijn getrokken wendde Karei zich naar de Ukraine [een landstreek aan de Midden-Dnieper, thans een deel van Klein-Rusland, dat onder de gouvernementen Pultawa, Kieuw en Tschernigow

-ocr page 171-

1G5

(ten n. van Kieuw) is verdeeld], waar een buitengewoon strenge winter en groot gebrek de arme soldaten vreeselijk teisterden. Eindelijk vernietigde Peter in 1709 het Zwecdschc leger gcheelenal bij Pultawa (ten z.o. van Kieuw). De koning van Zweden vluchtte overhaast naar Turkije, terwijl zijn vroegere vijanden hun verbond hernieuwden. Augustus heroverde Polen en verdreef Stanislaus; Peter voegde in 1710 zelfs Finland bij het vroeger in bezit genomene.

Door Karei aangespoord, stelde zich de sultan der Turken, a c h-met in, in 1711 in beweging en sloot Peter bij de Pruth (een bij-stroom van den Donau, thans ten deele de grensrivier van Bessarabiö en Moldavië) zóó in, dat hem alleen de keuze overbleef tusschen verhongeren of zich overgeven. Maar Katharïna, Peters gemalin, kocht den hebzuchtigen grootvizier om en bewerkte aldus een onverwachten vrede, waarbij Azow aan de Turken werd overgegeven. Vruchteloos zocht Karei de Turken tot vernieuwing van den strijd aan te sporen en verliet hun land eerst in 1714. Na zijn terugkomst in Zweden bevond hij, dat het getal zijner vijanden nog was vermeerderd, en zijn krijgsondernemingen werden met geen gunstigen uitslag meer bekroond. Hijzelf ging Frederikshald (in 't z.o. van Noorwegen aan zee) belegeren, doch werd in 1718, niet door sluipmoord, maar door een kogel uit de vesting in een loopgraaf voor die stad dood geschoten. In den radeloozen toestand, waarin Zweden thans verkeerde, sloot het achtereenvolgens zeer nadeelige vredesverdragen met al zijn vijanden. Zóó behield Rusland bij den vrede van Nijstiidt (in 't z. w. van Finland aan zee) in Sept. 1721, voor de geringe som van f 3,600,000, de schoone gewesten Lijfland, Esthland, Ingermannland, alsmede een deel van Karelië.

§ 74.

Frankrijk onder Lodewijk XIV, koning uil het huis Bourbon, van 171/) lot 1774. — Pruisen onder de koningen uit het huis Hohenzollern Frederik Willem I en Frederik II, van 1713 tot 1786. — De eerste Silezische oorlog, van 1740 tot 1742. — De oorzaken en het begin van den Ooslenrijkschen erfopvolgingsoorlog, van 1741 tot 1748.

Op Lodewijk XIV volgde zijn achterkleinzoon lodewijk xv (1715—1774), voor wien Philips, hertog van Orleans, een zoon van een broeder van Lodewijk XIV, tot 1723 als ra/mi optrad. Nadat de koning zelf, meer in naam dan inderdaad, de regeering had aanvaard en de regent was overleden, verkreeg Floury, weldra door

-ocr page 172-

166

den paus nog tot kardinaal benoemd, spoedig den meesten invloed. Sedert 1726 was hij metterdaad eerste minister, ofschoon niet in naam, daar Lodewijk op zijn raad dien titel had afgeschaft, en tot zijn dood in 1743 trachtte hij Frankrijks welvaart tc bevorderen en den vrede van Europa in stand te houden. Door Walpole (zie blz. 160) bijgestaan, slaagde hij hierin naar wenseh, hoewel het niet ontbrak aan aanleidende oorzaken tot geschillen.

In Pruisen volgde op Fredcrik I (zie blz. 160) zijn zoon frederik willem i (1713—1740), die in weerwil van zijn eigenheden, b.v. zijn jacht maken op groote menschen voor het leger, en van zijn somtijds groote strengheid, toch een voortreffelijk regent was en zijn gebied vergrootte. In geen zaak stelde hij zooveel belang als in zijn troepen, zoodat hij zijn zoon, behalve een goed voorziene schatkist, ook een talrijk, wel geoefend leger naliet. Deze zoon is de beroemde frederik ii (1740—1786), een vorst van zeldzame talenten, wetenschappelijk gevormd en rusteloos werkzaam. Hij stelde zich tot levenstaak Pruisen in de rij der mogendheden van den eersten rang te doen opnemen. Ook had hij in zijn jeugd de hardheid zijns vaders ondervonden, want toen die vader zijn ingenomenheid met het leger niet op den zoon kon doen overgaan, wien de studie der geschiedenis en het lezen van gedichten meer behaagden, behandelde hij hem zeer gestreng. Toen Frederik Willem zijn zoon vervolgens zelfs van do troonopvolging daclit uit te sluiten, vatte deze prins het voornemen op naar zijn oom George II van Engeland (zie blz. 160) te vluchten. De koning ontdekte evenwel dit plan en liet van de beide in 't geheim betrokken officieren den een, luitenant von Katte, te Küstrin (aan de Oder, ten n. van Frankfort) voor 't venster van liet gebouw, waar de prins gevangen zat, onthoofden. Frederik zelf werd door een krijgsraad ter dood veroordeeld; maar toen hij een tijdlang op de vesting had gezeten en verschillende invloedrijke personen zich zijner aantrokken, bedaarde de toorn zijns vaders en werd hij in vrijheid gesteld. Van toen af vervulde Frederik zijn dienstplichten nauwgezet en logde veel welgevallen in 't exereeeren en andere krijgsmansocfeningcn aan den dag. Tot belooning schonk zijn vader hom het slot Rhijnsberg (ten n.w. van Berlijn), waar hij zich met onderscheiden mannen van verdienste aan de baoefening van kunsten en wetenschappen wijdde. Na zijn troonbeklimming betoonde hij zich groot door een wijs bestuur en door 't bevorderen van handel, nijverheid, fabriekwezen, kunsten en wetenschappen, waardoor hij, ondanks zijn ingenomenheid met Frankrijks taai en gewoonten.

-ocr page 173-

1G7

de genegenheid zijns volks en de bewondering van Europa verwierf.

In 1740 overleed Karei VI (zie blz. 157) zonder zonen na te laten. Vóór zijn dood had hij in de pragmatieke sanctie (letterlijke daadwerkelijke bekrachtiging, hier staatsverdrag), die hij zoowel den rijks-stonden als aan buitenlandsche mogendheden tor onderteckening voorlegde, zich een waarborg zoeken te verschafïen voor de opvolging zijner dochter marïa thekesia, de gemalin van Frans Stephanus, hertog van Toskane, in de gezamenlijke Oostenrijksche erflanden. Nauwelijks was hij overleden, of Frederik II liet Marïa Theresïa (1740—1780) vragen, of zij zijn aanspraken op vier Silezische vorstendommen, die Oostenrijk reeds vóór geruimen tijd aan zich had getrokken, wilde erkennen, in welk geval hij beloofde de pragmatieke sanctie te handhaven, die zijn vader had onderteekend. Tegelijk rukte hij het onvoorbereide Silezië binnen en noodzaakte Marïa Theresïa tot het afstaan van bijna geheel Opper- en Neder-Silezie, waarmede de eerste Silezische oorlog, 1740—1742, eindigde. Hiertoe werd zij gedwongen doordien er inmiddels tegen haar een andere oorlog was ontstaan, dc Oostenrijksche erf opvolging soar log , 1741—1748. In strijd toch met de bepalingen der pragmatieke sanctie weigerde een deel der mogendheden van Europa, onder welke zich ook onderteekenaars dezer oorkonde bevonden, de aartshertogin Marïa Theresïa als erfgename der Oostenrijksche monarchie te erkennen. Dc voornaamste dezer vijanden waren Karei Albrecht, keurvorst van Beieren, Philips V van Spanje en Lodewijk XV van Frankrijk. Alleen op do uitmuntende trouw en geestdrift der Hongaren, alsmede op de ondersteuning van Engeland en de Nederlanden kon Marïa Theresïa rekenen.

§ 75.

Hel vervolg van den Oostenrijkschen erfopvolgingsoorlog van 1741 lot den vrede van Aken in 1748. — Dc tweede Silezische oorlog tot den vrede van Dresden, van 1744 tot 1745. — Dc zeeoorlog tusschen Engeland en Spanje, van 1739 tot 1748. — De zevenjarige oorlog tot den vrede van Hubcrtsburg,

van 1756 lot 1763.

Binnen kort veroverde Karei Albrecht Praag en liet zich hier in 1741 als koning van Bohemen en in 1742 te Frankfort aan de Main als keizer karei, vu (1742—1745) kronen. Marïa Theresïa daarentegen veroverde geheel Beieren en oorloogde voor 't overige niet ongelukkig. Dit maakte Frederik II bezorgd voor zijn onlangs verworven Silezië en deed den ticeeden Silezischen oorlog. 1744—1745,

-ocr page 174-

168

uitbarsten, waarin Frederik meer clan één roemrijke zegepraal behaalde. Zoo sloeg hij in 1745 den Oostenrijkschcn bevelhebber Karei van Lotharingen, een broeder van Frans Stephanus, bij Hohenfried-borg (ten z.w. van Breslau). Nog in 't zelfde jaar, waarin ook Karei VII overleed, eindigde de tweede Silezisehe oorlog met den vrede van Dresden, waarbij Frederik II Silezië behield en den inmiddels tot keizer verkozen echtgenoot van Marïa Theresïa frans i (1745—1765) in deze waardigheid erkende.

De Oostenrijksche erfopvolgingsoorlog bepaalde zich gedurende de laatste jaren grootendeels tot de Zuidelijke Nederlanden. Hier verloor het pragmatieke leger, uit Oostenrijkers, Engelschen en Nederlanders samengesteld, onder den hertog van Cumberland (het noordwestelijk graafschap van Engeland) in 1745 den slag van F on ten ai (in Henegouwen, bij de Schelde) tegen de Franschen, die door Maurits van Saksen werden aangevoerd en daarop schier de gnnsche Oostenrijksche Nederlanden veroverden. Gelijktijdig met dien over de erfopvolging werd een andere oorlog, en wel ter zee, gevoerd tusschen Engeland en Spanje, 1739—1748, waaraan ook de wederzijdsche bondgenooten deel namen. Maar in 1748 maakte de vrede van Aken, den 18den Oct. ondertcekend, een einde aan de beide oorlogen, waarbij Marïa Theresïa bijna haar geheele erfenis behield.

Marïa Theresïa evenwel kon het haar met geweld ontrukte Silezië niet vergeten en berokkende Pruisen, dat wegens zijn aanwas aan veclvuldigen nijd bloot stond, een oorlog met Oostenrijk, Frankrijk, augustus in, koning van Polen en als Frederik Augustus II keurvorst van Saksen, elizabeth. Peters dochter en keizerin van Rusland (1741—1762), Zweden en het Duitschc rijk. Don moedigen Frederik II stond schier alleen George II van Engeland ter zijde. Bijna elk jaar van dezen kampstrijd werd door geduchte veldslagen gekenmerkt. In 1757 opende Frederik den veldtocht met den slag bij Praag, waar hij de Oostenrijkers onder Karei van Lotharingen en Browne versloeg; doch hijzelf werd kort daarop bij Kollin (ten o. van Praag aan de Elbe) door don Oostenrijker Daun overwonnen. Intusschen werd Saksen bedreigd door een Fransch leger onder den prins de Soubise, vereenigd met de troepen van het Duitsche rijk onder den prins van Sak sen-Hildburghausen (in Saksen-Meiningen-Hildburghausen, ten n. van Beieren). Deze legers trok Frederik snel te gemoet, en door een meesterlijke beweging, gevoegd bij de onstuimige dapperheid van Seydlitz, een generaal der ruiterij, behaalde hij in een veldslag van een paar uren bij Roszbach

-ocr page 175-

Iü9

(ten z.w. van Mersebnrg) eon sohitteronde zege op den driemaal sterkeren vijand. Welhaast verdreef hij de Oostenrijkers uit Silezie door den merkwaardigen veldslag bij Leut hen (ten w. van Breslau), waarin hij Karei van Lotharingen en Daun versloeg.

In 1759 wendde Frederik zich tegen do Russen, die Pruisen waren binnengerukt en het als een wingewest behandelden. Bij Kuners-dorf (ten z. van Küstrin) raakte hij slnags met don Russiseher. veldheer Soltikow, met wien de Oostenrijker Laudon zich had ver-eenigd, en zegepraalde, ondanks het ongunstige terrein, over den linkervleugel der Russen. Nu zette hij echter, tegen den raad van vele zijner generaals, mot zijn door don marsch vermoeide soldaten den slag voort; doch door deze hardnekkigheid verkeerde do kans. Den koning werden twee paarden onder het lijf dood geschoten, het Pruisische leger, gelijk nooit tevoren, gebeelenal verslagen en tot een ongeregelde vlucht genoodzaakt. In 't begin van 17G1 was Frederiks toestand bijna hopeloos, terwijl Oostenrijk vasten voet had in Sileziö en in Saksen. Zijn eigen legers Avaren grootendeels ongeoefend en zijn kas uitgeput, en Engeland betaalde geen ondorstandsgelden meer. Dus scheen het, dat één veldtocht Pruisen ten slotte den doodeiijken slag zou toebrengen; maar onverwachts kwam er uitredding, evenals dit in den Spaansehon erfopvolgingsoorlog met Lodewijk XIV had plaats gegrepen (zie blz. 156). Elizabeth vnn Rusland overleed in 1762, en haar opvolger, peter iii, was een vurig bewonderaar van Frederik den groote. Op 't onbaatzuchtigst sloot hij aanstonds vrede en gaf aan Pruisen alle veroveringen terug. Zweden volgde dit voorbeeld. Dewijl ook de overige mogendheden alle evenzeer naar het einde van den oorlog haakten, werd in Febr. 1763 te 1 tuberIshurg (een jachtslot, ten z.o. van Leipzig) de vrede geteekend, waardoor ieder weder-kreeg hetgeen hij voor den zevenjarigen oorlog had gehad.

§ 76.

De zeeoorlog lusschen Frankrijk en Engeland, geëindigd met den vrede van Parijs van 1756 tot 1763. — Portugal onder de verdere koningen uit hel huis Braganza en het bestuur van Pombal, van 1750 tot 1777. — Jozef II, koning van Duitschland uil het huis Lotharingen of Habsburg-Lotharingen, en zijn hervormingen, van 1780 tot 1790.

Gelijktijdig met den zevenjarigen oorlog ontstond tusschon Frankrijk on Engeland een zeeoorlog, 1756—1763, waarin Frankrijk door

-ocr page 176-

170

Spanje, Engeland door Portugal werd bijgestaan. Deze oorlog, dio grootendeels ten nadeole van Frankrijk word gevoerd, eindigde in 1763 met den vrede van Parijs, waarbij Faankrijk en Spanje vele van hun buitonlandsehe bezittingen verloren.

In weerwil van do vele betrekkingen, waarin Portugal stond tot de Engclschen, een verlicht en nijver volk, bleef het in onkunde en traagheid kwijnen en kwam onder de koningen uit het huis Braganza (zie hlz. 142) niet weder tot zijn vorigen bloei. Koning jozef emanuel (1750—1777) liet het bewind geheel over aan zijn minister Sebastiaan Jozef van Carvalho, meest bekend onder den titel markies Pom bal (ten z. van Coimbra), Hij bezat den wil en de kracht om do noodzakelijke hervormingen in het land in te voeren; doch, gelijk krachtige karakters meestal, was hij driftig en voortvarend, hierdoor niet altijd gematigd en rechtvaardig. In eens wilde hij misbruiken afschaffen, en door hun van oudsher bestaande voorrechten aan te tasten kwetste hij zoowel den adel als de geestelijken, vooral de Jezuïten. Toen nu de laatsten de aardbeving, die in Nov. 1755 bijna geheel Lissabon verwoestte, als een gevolg van Gods toorn over den minister voorstelden, zette zich bij Pombal een diepe afkeer van deze orde. Na eerst hun invloed aanmerkelijk te hebben beperkt bracht hij hun eindelijk den laatsten slag toe door de orde in 1759 in geheel Portugal op te heffen. Dit voorbeeld werd weldra door Frankrijk, Spanje en andere landen gevolgd, en in 1778 hief paus Clemens XIV (vroeger Ganganelli geheeten) de orde der Jezuïten eindelijk plechtstatig op.

Na den dood van Frans I (zie blz. 168) werd zijn zoon jozef ii (1765—1790) keizer en in de Oostenrijksche erflanden mederegent van Maria Thercsïa, hoewel hij desniettemin in dezelfde ondergeschikte betrekking tot zijn moeder bleef, als waarin zijn vader had gestaan. Maria Theresïa overleed in 1780, cn Jozef II werd alleenheerscher. Met hem kreeg het huis Lotharingen of Hahsburg- Lotharingen de regeering over de Oostenrijksche landen in handen. Ijverig en wijsgecrig, legde hij zich zeer op de verbetering van de binnenlandsche aangelegenheden zijner staten toe; doch te ongeduldig wilde hij alles, wat hij ontwierp, ook terstond verwezenlijkt zien. Aan elke sekte kende hij vrijheid van godsdienstoefening en gelijkheid in 't burgerlijke toe; con menigte kloosters hief hij op en schafte de lijfeigenschap af. Daar ook de handel alleszins een voorwerp zijner zorgen was, wcnschto hij de Schelde ten behoeve der Oostenrijksche Nederlanden te openen. Toen do Republiek der Nederlanden zich krachtens de bepalingen

-ocr page 177-

171

van den Westphaalschen vrede hiertegen verzette, beproefden een paar Oostenrijksïche schepen het om zonder tol te betalen de Schelde af to varen. Ofschoon deze poging mislukte, moest de Republiek, weerloos gelijk zij was, 't behoud van haar recht met ƒ 9,500.000 betalen. De minste goedkeuring vonden 's keizers maatregelen in de Zuidelijke Nederlanden. Hier deden zijn hervormingen in 1788 een gevaarlijk oproer uitbreken, dat zijn opvolger eerst stilde door aan de eischon der opstandelingen te voldoen.

§ 77.

De oorlog voor de onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, geëindigd met den vrede van Versailles, van 1775 tot 1783. — George Washington en Benjamin Franklin. — De Republiek der dertien Vereenigde Staten.

Na den vrede van Parijs (zie blz. 170), toen Engelands staatsschulden tot een hoog bedrag waren aangegroeid, besloot het Engelsche ministerie onder georgk iii (1760—1820, zie blz. 160) de inkomsten van den staat te vermeerderen door Amerika mede in do belastingen te doen deelen en ging des te eerder tot dien maatregel over, omdat de zeeoorlog, ten dcele in Kaniïda gevoerd, naar het beweerde, in 't belang van Noord-Amcrika was ondernomen. In dit werelddeel waren onder Elizabeth en Jakob I menigvuldige koloniën aangelegd, die door 't vervolgen der nict-episcopalen in 't moederland later aanmerkelijk waren toegenomen. Onder meer stichtte de vrome kwaker William Penn in 1681 den staat Pennsylvanië, met de hoofdstad Philadelphia. Zoodra het ministerie in 1|74 in Amerika ecnigc handelsartikels met inkomende rechten begon te belasten, openbaarde zich hier een algemeene ontevredenheid, vermits de vrijheidlievende Amerikanen gewoon waren zeiven zich belastingen op te leggen en wetten te geven. Inzonderheid betwistten deze volkplanters het Engelsche parlement, waarin geen Amerikaan zitting had en dat zij dus niet als hun vertegenwoordiging erkenden, het recht om hen te belasten. Desniettemin werden thee, glas, papier en verfstoffen belast, wanneer men deze waren uit Groot-Britannië in Amerika invoerde. Het hevige misnoegen hierover, gevoegd bij de schade, die Engelands handel er door leed, bewoog den minister al deze belastingen weder in te trekken, uitgezonderd die op de thee. Toen vervolgens een aantal Engelsche schepen mot thee in 1773 de haven van Boston (in

-ocr page 178-

172

Massachusetts) waren binnengeloopen, bestegen oenigo gewapenden, ills Indianen verkleed, de vaartuigen en wierpen de geheele lading, groot 842 kisten, over boord, 't Sluiten van de haven van Boston was de straf.

Het vuur was ontstoken: de afgevaardigden der Amerikaansche provinciën kwamen den Sept. 1774 te Philadelphia bijeen, en 't congres werd geopend. De eerste schrede dezer vergadering was het volledig staken van alle handelsverkeer met Engeland. Spoedig volgde do toerusting tot den oorlog, 1775—1783. In 1776 verklaarden zich de dertien sinten onafhankelijk. Destijds bezat Amerika twee groote en edele mannen, george Washington en benjamin franklin. Washington was eerst afgevaardigde bij het congres en werd nu tot opperbevelhebber van 't Amerikaansche leger benoemd. Hij aanvaardde dien post en kwam met beradenheid de velerlei bezwaren te boven doordien hij uitnemend partij wist te trekken van Amerika's grond-gesteldheid. Franklin, een man uit den nijveren burgerstand, tot boekdrukker opgeleid, en jaren lang als drukker en schrijver werkzaam, bekleedde later allengs de aanzienlijkste ambten, werd alom bekend door 't uitvinden van den hliksemajleider en vuurde met mond en pen zijn landgenooten aan om hun zelfstandigheid te handhaven. Als afgevaardigde van 't congres te Parijs bewerkte hij in 1778 een verbond met Frankrijk, welke natie reeds door de hulp van la Fayette, die tegen den zin van 't hof in stilte naar de kampplaats vertrok, en van anderen groote belangstelling in Amerika had betoond. In 1780 groeide het getal van Engelands vijanden, waartoe ook Spanje behoorde, met nog een, n.1. de Nederlanden, aan; maar die vermeerdering strekte Engeland zeer tot voordeel. Het eiland St. Eustatüis, .een Nederlandsche bezitting (een van de eilanden boven den wind in de Caraïbische zee), was vooral de stapelplaats voorden toevoer aan het opgestane Amerika. Om deze en andere redenen verklaarde Engeland ook aan de Republiek den oorlog. Verscheidene koloniën der Republiek in West-Indië violen den Engelschen nu in handen; doch de zeeslag bij Doggersbank (in de Noordzee, ten o. van Engeland) in 1781 tusschen Parker en Zoutman bleef onbeslist. De vrede werd in Jan. 1783 te Versailles (ten z.w. van Parijs) gesloten, en Groot-Britannië erkende de onafhankelijkheid dor Voreenigde Staten van Noord-Amerika. De Nederlanden moesten in 1784 aan Engeland Negapatnam (op de kust van Madras, tegenover Ceylon) afstaan, waarvoor zij de overige verloren gegane bezittingen terug erlangden.

-ocr page 179-

173

De stichter van de onafhankelijkheid der dertien Vereenigde Staten van Noord-Amerika werd ook haar bevestiger: van 1789 tot 1797 bekleedde hij als president van 't congres do hoogste waardigheid des lands, waarop hij na 't genieten eener korte rust in 1799 overleed. Engeland vond voor 't verlies zijner volkplantingen in Amerika vergoeding in Oost-Indië, waar het op do puinhoopen van de heerscnappij dor Mongolen en der Pranschen een uitgebreid gebied had gevestigd en dit meer en meer vergrootte.

§ 78.

Rusland onder Peter III en Kathanna II, van 1762 tot 1796. —

Stanislaus Poniatowski, koning van Polen van 1764 tot 1795. — De eerste, de tweede en de derde deeling van Polen in 1773, in 1793 en in 1795. — Russisch-Turksche oorlogen,

van 1769 tot 1774 en van 1787 tot den vrede van Jassij in 1792.

Pet er in verloor binnen kort de pas verworven kroon (zie blz. 169): nog in 't zelfde jaar, waarin zijn regeering begon, liet zijn gemalin Katharïna hem gevangen nemen, en kort daarna werd hij vermoord. Te ontkennen is het niet, dat katharïna ii (1762— 1796) Rusland tot een der hoofdmogendheden van Europa verhief, gelijk Peter I het in de rij der Europeesche staten had geplaatst. Door Frederik II ondersteund, dwong zij door middel van een groot aantal troepen den Poolschen rijksdag stanislaus poniatowski, een barer vroegere gunstelingen, als koning (1764—1795) te verkiezen. Sedert dit tijdstip was eigenlijk de Russische gezant te Warschau koning. Vele Polen, over zulk een smaad vergramd, sloten in 1768 onderling een verbintenis (confoederatie) en vatteden de wapens op tegen de Russische legers, die in Polen stonden. Turkije verleende hun krachtigen bijstand en verklaarde Rusland den oorlog, 1769— 1774, welke zeer rampspoedig voor de Porte afliep. Gedurende dien oorlog had in 1773 de eerste deeling van Polen plaats, waarbij Rusland , Pruisen en Oostenrijk zich elk een groot deel van dien staat toekenden en het met geweld in bezit namen.

Nogmaals verklaarde de Porte, de vele smadelijke verliezen betreurende, aan Rusland, dat door Jozef II als bondgenoot werd bijgestaan, den oorlog, 1787—1792. Aan 't hoofd der Russische troepen stond Gregorïus Potomkin, wegens zijn buitengewoon geluk merkwaardig, van gewoon ruiter tot oppermachtig minister en gebie-

-ocr page 180-

174

dor zijner keizerin opgeklommen en met den eerenaam de Tauriër vereerd, dewijl hij het opperbestuur bekwam over de in 1783 door Turkije afgestane Krim of Taurië. Niet minder noodlottig dan de vorige was ook deze oorlog voor de Turken, die in 1792 bij den vrede van Jassy (in Moldavië nabij de Pruth) Ruslands gebied aan de Zwarte Zee met dat van Oczakow (aan de Zwarte zee, ten w. van den mond der Dniester) tot de Dniester moesten zien vergrooten.

Intusschen had de partij der vrijheidlievende Polen niet stil gezeten, maar het Russisch leger in 1790 gedwongen hun grondgebied te ontruimen. Doch haar legers, grootendeels aangevoerd door tiiad-daeus KosciuszKO, een der edelste Polen, die voorheen onder Washington had gediend, waren op verre na niet bestand tegen do Russen en de met hen verbonden Pruisen. Daarom volgde in 1793 een besluit van Rusland en Pruisen, waarbij een tweede deeling van Polen noodzakelijk werd verklaard, zoodat de beide genoemde staten elk wederom een deel van Polen in bezit namen. Thans verhieven zich de kampvechters voor de onafhankelijkheid huns lands nog eenmaal met de kracht der wanhoop uit het stof der verdrukking. In do lente van 1794 stak men de vaan der onafhankelijkheid op, en een kleine zege van Kosciuszko ontvlamde aller gemoederen zoozeer, dat men de Russische troepen snel uit Warschau verjoeg, hetwelk zij bezet hielden. Maar dit blijde begin wisselde spoedig af met een treurig einde. Pruisen, Rusland en Oostenrijk zonden talrijke troepen. Kosciuszko werd den 10don Oct. 1794 door den Rus Persen bijMaciejo-wice (ten z.o. van Warschau ann de Weichsel) geslagen ongevangen genomen. Vervolgens werd bet geheele land onderworpen, en Stanislaus kreeg in 1795 van zijn beschermster bevel de kroon neer te leggen. Van nu aan bestond er geen Polen meer: de drie mogendheden gingen in 't zelfde jaar tot de derde deeling over. Kort hierna stierf de voornaamste bewerkster van Polens ondergang, Katharïnall, door heerscherstalenten uitstekend, doch in haar bijzonder leven berispelijk. Haar zoon, paul i (179()—1801), volgde haar op.

§ 79.

De Nederlanden sedert den dood van Willem III tot de kom»t der Pruisen. — Willem IV, de gouvernante en Willem V. — Van 1702 tot 1787.

Na den dood van Willem III (zie blz. 155, 159, 161) in 1702 begon in de Nederlanden voor de meeste provinciën het tweede stad-

-ocr page 181-

houderlooze tijdperk. In Friesland cn in Groningen had men echter sedert 1696 Johan Willem Priso als stadhouder, die in 1711 aan den Moerdijk (tusseïien Willemstad cn Geertruidenberg) verdronk. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Willem Karei Hendrik Friso, eerst in Friesland alleen, in 1718 ook in Groningen, in 1722 in Gel-deland en in Drente. Sedert den dood van den raadpensionaris Hein-sius (zie blz. 156), in 1720, was het hoofdstreven der Republiek, zich veilig wanende achter haar barrière, zooveel mogelijk het deel nemen aan oorlogen en alle botsing te vermijden. Uit zucht naar rust spruit werkeloosheid, werkeloosheid baart minachting. Welhaast onderhandelden de Europeesehe mogendheden, geheel anders dan vroeger, zonder ons, ja zelfs niet zelden tegen onze belangen. Toen ons land in den Oostenrijkschen erfopvolgingoorlog Maria Thereeïa's partij koos, deed Lodewijk XV in 1745 een inval op 't grondgebied der Republiek en veroverden de Franschen in 1747 Bergen-op-Zoom (in Noord-Brabant). Intusschen had dit nijpend gevaar do stadhouderlijke partij ten prikkel verstrekt om Willem Karei Hendrik Friso, van nu aan gewoonlijk willem iv (1747—1751) geheeten, nog tot stadhouder van Holland, van Zeeland, van Utrecht en van Overijsel, alsmede tot kapitein-admiranl-generaal der unie te doen verheffen. Hij was geen nakomeling van Willem IH, maar toch zijn erfgenaam, vermits deze vorst zijn rechten aan den vader van Willem IV had vermaakt. Weldra verklaarde men alle waardigheden, waarmede de nieuwe stadhouder was bekleed, erfelijk in zijn nakomelingschap, ook in de vrouwelijke linie. Dit gebeurde mede met hel opperdirecteur-gouvcrneur-schap van O. en W. Indië, den prins door de beide compagniën opgedragen.

Willems bedieningen gingen over op zijn nog jongen zoon willem v, voor wien de weduwe van Willem IV, anna, als gouvernante het regentschap bekleedde. Zij werd in deze moeielijke taak bijgestaan door hertog Lodewijk van Brunswijk-Wolfenbuttel, die den prins als kapitein-generaal vertegenwoordigde. Onder haar bestuur en onder dat van Wolfenbuttel, die sedert Anna's dood, in 1759, alleen de voogdij waarnam, werd de sinds lang bestaande klove tusschen de staatsgezinden, welke zich thans bovendien als Franschgezinde partij deden gelden, en de andere, nu Engelsehgezinde, partij steeds wijder.

In 1766 aanvaarde willem v (1766—1795, overleden 1806) de waardigheden van zijn vader. Sinds den oorlog, voor do onafhankelijkheid der Vereenigde Staten van Noord-Amerika gevoerd (zie blz. 171), vernieuwde zich onder onze voorvaderen de oude verdeeldheid

-ocr page 182-

176

onder nieuwe namen. De oorlog met Engeland was van onze zijde roemloos gevoerd: de slag bij de Doggersbank (zie blz. 172) was genoegzaam hot eenige feit van beteokenis geweest. Honderden koopvaarders waren den vijand in handen gevallen. Den stadhouder, als kapitein-generaal-admiraal, beschouwde men als de oorzaak van de werkeloosheid onzer zeemacht. En meer en meer herleefden de oude partijschappen, die van de staatsgezinden ol Locvesteinsche factie, nu patriotten oi met verachting keczen, en die van de voorstanders van den stadhouder, nu gewoonlijk prinslui, of in platte taal Oranjeklanten, Oranjekraaiers genoemd. De onaangename bejegening, die Willem V voortdurend van den kant der staten van Holland ondervond, noopte hem zich voorloopig naar Gelderland te begeven.

Voorboden van een burgeroorlog schenen te zijn, dat men zich in alle steden vlijtig in den wapenhandel oefende en er in Holland een paar vliegende legertjes, uit patriotten bestaande, werden opgericht. Zelfs had reeds hier en daar bloed gestroomd, toen in 1787 Willoms gemalin op de grenzen van Holland, bij de Goejanverwelleduk (ten o. van Gouda), door de commissie van defensie werd verzocht haar reis naar Holland te staken en haar broeder fre der ik willum n, koning van Pruisen en opvolger van Frederik II, hierin een ge-wenschte aanleiding vindende, dit als een hoon opnam en voldoening vorderde. Kort daarna zond hij een leger onder Karei Ferdinand, regeerend hertog van Brunswijk-Wolicnbuttel, naar de gewesten, hetwelk den stadhouder in zijn gezag herstelde en vele patriotien uit den lande deed wijken. Een vreemde mogendheid, Pruisen, bad de stadhoudersgezinden doen zegevieren en deze zegepraal de verbanning der patriotten ten gevolge gehad. De wederwerking bleef niet achter. Acht jaren later keerden de verbannen patriotten terug, op bun beurt door een vreemde mogendheid, door Frankrijk, geleid, cn door haar ondergang bezegelde de Republiek de oude spreuk: eendracht maakt macht, tweedracht verstrooit.

-ocr page 183-

177

DERDE TIJDVAK.

van het begin der eerste franschb omvventeijng tot den aanvang der nieuwste geschiedenis. — van 1789 tot 1815.

§ 80.

Frankrijk sedert hel begin der eerste omwenteling of de opening der constitueerende nationale vergadering tot de eerste zitting der wetgevende vergadering. — Van 1789 tot 1791, 1 Oct.

Zeer ellendig was in Frankrijk de toestand der financiën, waartoe Lodewijk XIV door zijn zucht tot pracht en zijn vele oorlogen den grond had gelegd en die later door de spilzucht en de zedeloosheid van 't hof van Lodewijk XV, gelijk mede dooreen slecht beheer, buitengemeen was verergerd. De zware schuldenlast was voor den burgerstand des te drukkender, dewijl dc bevoorrechte standen, adel en geestelijkheid, bijna niets tot de behoeften van den staat bijdroegen. Op Lodewijk XV (zie blz. 165) volgde zijn kleinzoon lodewuic xvi (1774—1792), zeer achtenswaardig als mensch, maar als regent wankelmoedig en in buitengewone tijden te zwak, gehuwd met een dochter van Maria Theresïa, Maria Antoinette, welke na 1789 bij het meerendeel der Franschen gehaat was. Wel begon hij zijn regeering met menige heilrijke hervorming; doch de ontzaglijke schuldenlast groeide nog steeds aan, en alom openbaarden zich verwarring en oneenigheid.

Hierdoor zag zich Lodewijk XVI gedrongen in 1788 den door 't volk beminden Neckcr als controleur-generaal het beheer der financiën op te dragen en op zijn raad de algemeene staten bijeen te roepen. De koning opende de vergadering, die uit 300 adellijken, 300 geestelijken en G00 leden van den derden of burgerstand bestond en te Versailles bijeenkwam. Ten gevolge van oncenigheden, die zicli weldra openbaarden, verklaarde de derde stand zich den 17(lori Juni 1789 tot constitueerende nationale vergadering en legde een paar dagen later in een kaatsbaan te Versailles den eed af niet te zullen uiteengaan, voordat Frankrijk een nieuwe staatsregeling had bekomen. Welhaast kwam het tot gewelddadige tooneelcn. Door het samentrekken van een leger in de omstreken van Parijs en door het ontslag van Necker, gevolgd door zijn verbanning, was de gisting onder het volk tot een gevaarlijke hoogte geklommen. Daarom werd er een nationale garde of burgermilitie opgericht, waarover la Fayette

WiJNNE, Overzicht, lliilo duik. 12

-ocr page 184-

178

(zie biz. 172) weldra het bevel kreeg. Den 14den Juli 1789, eer nog die krijgsmacht goed was geregeld, bestormde en sloopte een opgewonden volkshoop, die zich met geweld van geweren had voorzien, de bastille, een kasteel te Parijs, berucht als een staatsgevangenis, dikwijls ter beschikking van de grilligste willekeur.

Nu weken velen van 't hof en van den adel uit, o.a. de jongste broeder des konings, de graaf van Artois, terwijl de nationale vergadering, waarin de graaf de Mirabeau door zijn welsprekendheid en andere talenten zich onderscheidde, haar hervormingswerk begon en zich binnen kort naar Parijs verplaatste. Zij hief alle voorrechten des ad cis op, voerde gelijkheid van belastingen voor alle standen in en verklaarde alle burgers evenzeer gerechtigd om staatsambten te bekleeden. Vervolgens ontnam zij de geestelijkheid de tienden en trok zoowel baar goederen als die des konings, benevens de kloosters, in. Op deze bezittingen, thans een eigendom des volks, gaf men assignaten, aanwijzingen op den staat, af, die door hun overgroot getal spoedig alle waarde verloren. Dit papieren geld heette assignaten, omdat deze stukken inderdaad aanwijzingen waren op de waarde dier ingetrokken onroerende goederen en, zooals men zich voorstelde, later bij don verkoop dier goederen als baar geld zouden worden aangenomen. Om de eenheid van Frankrijk te vestigen en zooveel mogelijk de sporen van 't provincialisme uit te wisschen werd ten laatste Frankrijk in 83 (thans 86) departementen verdeeld. Meer en meer ontaardden de edele beginselen van 't begin der omwenteling en verviel de zaak der natie in de willekeur van een teugelloos grauw.

In de nieuwe vergaderzaal, nabij de Tuileriën gelegen, namen de afgevaardigden der volkspartij plaats ter linkerzijde van het gestoelte van den president, hun tegenstanders ter rechterzijde. De hevigsten der linkerzijde namen de hoogste banken in en werden deswege de bergpartij genoemd. Op de hoogste plaats van den berg zat Robespierre, afgevaardigde van Atrecht (zie blz. 134). Op de galerijen bevond zich het gepeupel, dat niet zelden door een oorverdoovend gedruisch en geschreeuw een gebiedenden invloed op de vergadering oefende. Dit grauw zelf werd bestuurd door de klub der Jakobijnen, oen staatkundige vereeniging van onstuimige volksmannen, tot welke zelfs L o d e w ij k Philips, hertog van Orleans, een achterkleinzoon van den regent (zie blz. 165), behoorde, die weldra uit eigen beweging den naam „Eg a li téquot; (gelijkheid) aannam. ïe midden van den stroom der omwenteling speelde de koning, wien men niet eens de oefening zijner uitermate besnoeide rechten toestond, een beklagens-

-ocr page 185-

179

waardige rol. Daarom ontvlood hij in 1791 met zijn familie de hoofdstad, in de richting van Luxemburg; doch te Varennes (ten o. van Rheims) werd hij aangehouden en met de overigen als gevangene naar Parijs teruggebracht. Wel behield hij zijn waardigheid; maai al zijn gezag was verlamd. In Sept. was eindelijk de nieuwe of eerste staatsregeling voltooid, en de vergadering ging uiteen.

§ 81.

Frankrijk sinds de opening der wetgevende vergadering. — De nationale conventie. — De oorlog van Oostenrijk en Pruisen tegen de Fransche Republiek in 1795. — Voortgang der omwenteling, terdoodbrenging van Lodewijk XVI en het schrikbewind. —

Van den Isten Oct. 1791 tot in 1794.

De vergadering, die den lsten October 1791 haar eerste zitting hield, heette de wetgevende en bevatte, behalve gematigden en Jacobijnen, de partij der Girondisten, die, meestal afkomstig uit het departement Gironde (d. i. van de Garonne, vereenigd met de Dordogne), met de Jakobijnen naar 't omverwerpen der monarchie en 't oprichten eener republiek streefden, maar hierbij met eenige matiging te werk gingen, terwijl de Jakobijnen de buitensporigste eischen deden en zich op de laagste wijze deden gelden. Intusschen stroomden steeds nieuwe scharen emigranten, uitgewekenen, over de grenzen, inzonder-heid naar Coblents, die begeerig waren naar een kamp met het Jakobinisme en ook bij buitenlandsehe hoven gehoor vonden. Immers Frederik Willem II (zie hlz. 176) en frans ii, koning van Duitschland (1792—1806, overleden 1835), sloten in 1792 een verdediging sverhond. In Frankrijk, waar de hoofden der partijen zeiven den oorlog wenschten, moest Lodewijk XIV, zichzelven geweld aandoende, Frans II den oorlog verklaren.

Ten einde hun doel, de afzetting des konings, met den moesten spoed te bereiken bewerkten de Jakobijnen den 10llen Aug. een aanval van 't gemeen op 't paleis, nadat 's konings standvastigheid, bij een vroegere bezending van 't laagste gepeupel, de booze bedoelingen der aanhitsers van de heffe des volks had verijdeld. Thans zocht de koning met zijn familie steun bij de wetgevende vergadering. Maar in plaats van hem dien te verloenen hield men hem gevangen, ontnam hem zijn waardigheid en zette hem en de zijnen in den tempeltoren, een gebouw der voormalige tempeliers. Bij de

12*

-ocr page 186-

180

Tuileriën boetten vele manschappen der Zwitsersche lijfwacht met hun leven voor hun trouw. Zóó geraakte 't gezag al meer en meer in handen der meest verwoede partijhoofden. De guillotine of valbijl, dus genoemd naar den arts Guillotin, die het eerst de aanwending van een dergelijk onthoofdingswerktuig had aangeraden, werd opgericht, en in de Septemberdagen, 2—7 Sept. 1792, vermoordde het losbandig gepeupel vele weerlooze gevangenen in de kerkers. In stede van de wetgevende vergadering koos het volk nu leden voor de nationale conventie {de tweede staatsregeling), die den 21stequot; Sept. 1792 voor 't eerst bijeenkwam.

Gedurende dien zelfden tijd waren de Pruisische en de Oostenrijk-sche troepen de grenzen van Frankrijk overgetrokken, maar, door ziekten en gebrek verzwakt, weldra teruggeweken. Daarop veroverde de Fransche generaal Dumouriez bijna geheel België op de Oostenrijkers. Intusschen had de nationale conventie het koningschap voor vervallen en Frankrijk voor een ondeelbare Rejmbliek verklaard. Opgewonden door den voorspoed barer wapens, ging zij verder. Lode-wijk XVI moest voor haar terecht staan, en den 21stei1 Januari 1793 viel zijn hoofd onder de guillotine. Dit bespoedigde tevens den v.al der Girondisten, die allengs meer hun voormaligen invloed verloren en in Juni vogelvrij werden verklaard. Inzonderheid vermeerderden de schrikkelijkste tooneelen, toen de conventie den 28Kte» Aug. bekend maakte, dat de Republiek voorloopig in omwentelingstoestand zou blijven. Hiermede begon een schrikbewind {terrorisme), waarbij niemand zeker was van leven en bezittingen, indien men maar den minsten argwaan omtrent zijn gezindheden koesterde. Als hoofd van het comité (raad of afdeeling) van openhaar welzijn, dat onlangs was opgericht en met onbeperkte macht bekleed, trad Robespierre, een ware dictator, op. In geheel Frankrijk werden comités opgericht, die de guillotine overvloedig werk gaven. Te Parijs werden do koningin en de gevangen genomen Girondisten onthoofd. Opdat niets meer aan de oude orde van zaken mocht herinneren kwam wetenschap en al wat met de beschaving in verband staat in den ban, en eindelijk sloeg men ook een roekelooze hand aan den openbaren ^eredienst: de Christelijke godsdienst werd afgeschaft en de dienst der rede daarvoor in plaats gesteld. In 1794 stond het schrikbewind op zijn hoogte: het geheele menschcngeslacht moest meenen tot een geweldigen dood te zijn bestemd. Doch ten laatste kwam er verdeeldheid onder de leiders zeiven. Den 28«ten Juli ondergingen Robespierre en zijn aanhangers den dood.

-ocr page 187-

181

§ 82.

De oorlog van de cerate coalitie tegen de Framehe Republiek gedurende de jaren 1793 tot 1795. — De burgeroorlog in de Vendée en die in de Zuidelijke departementen van Frankrijk, van 1793 tot 1795. — De derde eonstititutie of die van het directoire, den 28sten Oct. 1795.

Terwijl Frankrijk aldus zichzelf vaneen reet, toonde het naar buiten een kracht, die menigeen verbaasde. Op den lstori Febr. 1793 verklaarde liet den oorlog aan Groot-Britannië, alsmede aan den erfstadhouder der Nederlandscho gewesten (zie blz. 175), kort daarna aan karei, iv, koning van Spanje, dewijl deze mogendheden zoowel andere buitensporigheden der omwenteling, als inzonderheid het ter dood brengen des konings luide hadden afgekeurd. De Engelsche minister Pitt bracht nu de eerste coalitie (vereeniging) van de meeste van Europa's staten tegen de conventie tot stand. Het hoofdtooneel van den strijd was in de Oostenrij ksche Nederlanden. In 1794 sloeg Jourdan Josïas, prins van Koburg, opperbevelhebber van 't leger der bondgenooten, bij Fleurus (in 't n.o. van Henegouwen) zóó beslissend, dat hier aan geen weerstand meer viel te denken. Terwijl de minderheid der conventie alleen tegen de Engelsche zeemacht duidelijk bleek, trok de Fransche generaal Piehegru, door een groote schaar patriotten ingeroepen en omstuwd, in 1795 over de bevrozen wateren onze grenzen binnen. Willem V, tegen wien de oorlog eigenlijk was gericht, achtte het raadzaam tc wijken en scheepte zich met zijn familie naar Engeland in. Tegelijk onttrokken zich Pruisen en Spanje, door 't sluiten van afzonderlijke vredesverdragen, aan den krijg.

Op tweederlci wijze gaf de omwenteling aanleiding tot burgeroorlog in Frankrijk. Vooreerst vatteden de eenvoudige en arbeidzame bewoners der kuststreek van het voormalige Poitou, de Vendée, de wapens op. Spoedig bedwongen stonden zij op nieuw op en breidde zich de strijd mede over Bretagne uit; maar in 1795 werd de Vendée door den moedigen generaal Hoc he ten onder gebracht. Ten anderen verhieven zich de zuidelijke departementen op de tijding van den val der Girondisten (zie blz. 179, 180) tegen de dwingelandij der bergpartij. Marseille, Bordeaux, Lyon en Toulon waren de voornaamste steden, die door de conventie werden beoorloogd. Toulon

-ocr page 188-

182

riep den zoon van Lodcwijk XVI, L ode wijk XVII, als koning uit, een kind, dat in 1795 in een ellendigen toestand naar lichaam en geest in de gevangenis stierf. Immers het is zeer onwaarschijnlijk, dat hij, gelijk door sommigen wordt beweerd, wist te ontvluchten en diegene was, welke zich onder den naam „Lodewijk XVIIquot; achtereenvolgens in verschillende steden van Europa ophield en in 1845 te Delft overleed. Spoedig bezweken de drie eerstgenoemde steden; doch Toulon, dat met Engelschc hulptroepen werd bezet, bood eerst langen tijd heldhaftig weerstand, en alleen aan den adelaarsblik van Napoleon Bonaparte, commandant der artillerie, had men het te danken, dat deze stad in Dec. 1793 werd ingenomen.

Intusschen begon zich de openbare meening, ook in 't leger, meer en meer tegen de wreedheden van het bewind te verklaren, zoodat de partij der orde zich ten laatste met haar zegepraal kon geluk wenschen. De nationale conventie maakte nu in Oct. 1795 de derde constitutie, die van het directoire, bekend, volgens welke de uitvoerende macht aan vijf directeuren werd opgedragen. Hoewel de conventie hierop uiteen ging, bracht zij de herkiezing barer leden in 't volgend bewind tot stand door een bloedige zege, die Napoleon Bonaparte met gewapende benden op de burgers van Parijs behaalde.

§ 83.

De oorlog ter/en dc Fransche Republiek in Ztdd-Daitschland en in Italië gedurende 1796 en 1797 tot den vrede van Campo Formio, den 17dei1 Oct. 1797. — De door Frankrijk opgerichte Republieken.

Voor het jaar 1796 had de Fransche Republiek een grootsch plan beraamd. More au en Jour dan moesten van den Rijn, Bonaparte uit Italië tegen Oostenrijk oprukken. De beide eerste veldheeren drongen diep in Zuid-Duitschland door, maar werden door den dapperen Karei, aartshertog van Oostenrijk, een broeder van keizer Frans, tot terngkeeren gedwongen. Napoleon slaagde beter in het hem opgedragen derde gedeelte der taak. Napoleon Bonaparte of Buonaparte, in 1769 te Ajaccio (in 't z.w. van Korsika) geboren, muntte boven allen uit door een zeldzaam veldheerstalent en door een bekwaamheid om over menschen te gebieden, gelijk weinigen ze hebben bezeten. Thans begon zijn schitterende loopbaan. Na de ontmoedigde Fransche soldaten in onvergelijkelijke krijgslieden te hebben

-ocr page 189-

183

herschapen noodzaakte hij eerst den koning van Sardinië voor menige opoffering den vrede te koopen. De onvcrwnehto afval van dezen bondgenoot verplichtte de Oostenrijkers tot een overhaasten terugtocht over de Po, de Tesslno en eindelijk over de Adda, waar het beroemde gevecht bij de brug van Lodi (ten z.o. van Milaan) werd geleverd. Welhaast onderwierpen zich de thans weerlooze 'orsten van Italië, de hertogen van Parma en Modëna, paus Pius VI en Ferdinand iv, koning van Napels. Allen moesten zware geldsommen opbrengen en kostbare schilderijen en boeken afstaan.

In Juli 1796 sloeg Napoleon het beleg voor Mantua, de eenige plaats, die Oostenrijk nog in Italië had behouden. Viermaal trachtte de vijand het te ontzetten; doch na vele schermutselingen en veldslagen, zooals dien bij Ar co le (ten n.o. van Mantua), waarAlvinzi een nederlaag onderging, gaf Mantua zich in 1797 over. Hierop kwam de stad Venetië den 17'lcn Oct. 1797, hij den vrede van (Jampo Formio (een slot ten n.o. van Venetië), benevens het meerendeel van haar gebied op 't vasteland, aan Oostenrijk: de oude Republiek hield op te bestaan. De Oostenrijksche Nederlanden vervielen aan Frankrijk. Milaan, Mantua en het overige gedeelte van Lombardije stond Oostenrijk aan de Cisalpijnsche Republiek af, welke Napoleon, alsof hij niet generaal, maar dictator was, uit deze en nabij gelegen streken had gevormd. Even tevoren was door hem te Genua een dergelijke, de Ligvrisehe Republiek, gesticht. En in 1798 werd de Kerkelijke Staat eveneens in een Romcinsche, het Zwitsersche eedgenootschap in een Helvelische Republiek veranderd.

§ 84.

De tocht van Napoleon naar Egypte in 1798. — De oorlog der tweede coalitie tegen de Fransche Republiek, van 1798 tot den vrede van Luneville in 1801 en dien van Ami'éns in 1802. — Het bewind der consuls in Frankrijk. — Napoleon wordt keizer der Franschen en koning van Italië. —

Van 1798 tot 1805.

In 1798 scheepte Napoleon zich in met het voornemen om Egypte te veroveren en er een Fransche volkplanting te vestigen ten einde vandaar Engelands bezittingen in Oost-Indië te bedreigen. In Egypte geland, dat in naam aan de Forto behoorde, maar inderdaad door een bey, als onafhankelijk opperhoofd, werd bestuurd, nam Bona-

-ocr page 190-

184

parte Alexandrië stormenderhand in en onderwierp na een zege bij de pyramiden (ten \v. van Cairo), schier geheel Egypte. Maar de Fransehe vloot werd bij Abükir (ten o. van Alexandrië) door den beroemden Engelschen admiraal Nelson geslagen en vernield. Ook de belegering van Acre (zie blz. 87), dat door een Turksche bezetting werd verdedigd, mislukte en daarmede de verovering van Syrië. Vermits Napoleon echter begreep, dat de gevaarlijke toestand van zijn vaderland en de onvermijdelijke val van het directoire hem juist nu tot het vervullen eencr belangrijker rol riepen en dat zijn kans beter stond te Parijs dan in Egypte, droeg hij het opperbevel aan generaal Kleber op en kwam in 1799 in Frankrijk terug.

De gevaren, die de Fransehe Republiek bedreigden, ontsproten uit een hernieuwden oorlog van bijna gansch Europa tegen het directoire , daar op Pitt's aansporing in 1798 de tweede coalitie was tot stand gekomen tusschen Groot-Britannië, Oostenrijk, Rusland, de Porto, Napels en Toskane. Op 't einde van 1799 hadden de Oostenrijksche generaal Kray en de Russische opperbevelhebber Suwarow Italië heroverd , er de pas ontstane Republieken vernietigd en in 1800 een nieuwen paus. Pi us VII, doen kiezen. Engeland en Rusland deden in 1799 een poging om de Bataafsche Republiek insgelijks aan 't oppergezag van Frankrijk te onttrekken. Hun troepen landden in Noord-Holland nabij den Helder; doch de tegenstand, dien de Fransehen en de Nederlanders hun boden, gevoegd bij de weinige deelneming, welke de onderneming hier te lande vond, deed ze mislukken.

Onmiddellijk na zijn terugkomst in Frankrijk wierp Napoleon het inwendig verdeelde, door allen gehate en verachte directoire omver. De nieuwe of vierde slaatsreyeling werd den 25stei1 Dee. 1799 afgekondigd: drie consuls stelden zich aan 't hoofd van den staat, napoleon met eenhoofdig gezag, de beide anderen als raadslieden. Dewijl intusschen de tweede coalitie-oorlog nog verre was van geëindigd, ondernam Bonaparte zelf den stouten tocht over den grooten St. Bernhard en verscheen onverwachts in Italië. Door den merkwaardigen slag bij Marengo (een dorp ten o. van Alessandria), in 1800, ging het overwicht in Noord-Italië op eenmaal weer op Frankrijk over. Doordien Mor eau bovendien de Oostenrijkers bij Ho henlinden (ten n.o. van München) versloeg, was men in Oostenrijk ten einde raad. Daarom werd den 9(len Febr. 1801 de vrede van Luneville (ten w. van Straatsburg) gesloten, waardoor de linker Rijn-oever aan Frankrijk kwam. Hierop sloot Frankrijk achtereenvolgens vrede zoowel met de overige staten als met Rusland, waar Alexander i

-ocr page 191-

185

(1801—1825) na zijn vader Paul (zie blz. 174), die door eamcngezwo-renen was vermoord, den troon had beklommen. Ook met de Porte eindigde Frankrijk den oorlog door Egypte te ontruimen, en 't laatst met Groot-Britannië bij den vrede van Amiéns (in 't n.o. van Frankrijk aan de Soinmc) in Maart 1802. Engeland gaf de Bataafsche Republiek alle veroveringen, behalve Ceylon, weder. Een betere toekomst seheen zich voor ons land zoowel als voor geheel Europa te openen.

Sedert de invoering van het bewind der consuls neigde in Frankrijk, door bet hernieuwen der oude vormen, alles meer en meer tot een eenhoofdig bestuur. Nadat Napoleon in 1802 tot levenslang consul van Frankrijk was benoemd, werd hem den 18don Mei 1804 bij de uitgestrekte macht, die hij reeds bezat, nog de hoogste titel toegekend, want een senaatsbesluit verhief hem als napoleon i tot erfelijk keizer der Franschen. Hij kroonde zich en zijn gemalin joséphinb zelf, en paus Pius VII zalfde hen. In 1805 werd aan de keizerskroon nog de ijzeren koningskroon van Italië toegevoegd, waar de kort tevoren opgerichte Italiaansche Republiek voor 't koninkrijk Italië plaats maakte.

§ 85.

De derde coalitie-oorlog. — De vrede van Presburg. — Napoleon richt rijken op voor zijn bloedverwanten. — Het Rijnverbond. — Hernieuwde oorlog van Pruisen tegen Frankrijk tot den vrede van Tilsit, — Het continentaalstelsel. — Van 1805 tot 1807.

Zóó hoog verhief zich die buitengewone man. Thans stelde hij zich tot taak Frankrijk tot hoofd van het Europeesche statenstelsel te verheffen. Dit oogmerk kon alleen worden bereikt door 't vernietigen van de onafhankelijkheid der volkeren; hierom zien wij hem van nu aan met onvermoeide inspanning kampen om zich van de heerschappij over geheel Europa meester te maken. Dit belet niet, dat zijn rustelooze werkzaamheid van een anderen kant veel goeds tot stand bracht: de wetgeving regelde hij met wijsheid; orde en rust werden hersteld; de godsdienst kwam weer in het bezit zijner rechten; vele bedrijven vonden, waar zij ze behoefden, ondersteuning. Middelerwijl bracht Pitt in 1805 de derde coalitie tusschen Groot-Britannië, Oostenrijk, Rusland en Zweden tot stand. Met verrassende snelheid drong Napoleon in Duitschland door en bezette Weenen. De beslissende veldslag van den 2den Dec. bij Austerlitz (ten z.o. van

-ocr page 192-

186

—t

Briinn, in Moravië), waar de Pranschen over dc Oostenrijkersen den Rnssisehen generaal Kutüsow zegevierden, dwong keizer Frans zich van de coalitie los te maken. Hij sloot den 26sten Dec. met Napoleon den vrede van Presburg (in Hongarije aan den Donau, ten o. van Wecncn), waarbij Oostenrijk verschillende landen afstond aan de vorsten van Beieren en Wurtemberg, Napoleons bondgenooten, wier staten hij, 1 Jan. 1806, tot koninkrijken verhief.

Zijn eigen macht meende de keizer der Franschen te bevestigen door landen en kronen aan zijn bloedverwanten en gunstelingen uit te declen. Zijn oudste broeder Jozef was in 1805 koning van Napels geworden in plaats van den Bourbon Ferdinand IV (zie blz. 188), die het vasteland van Napels verliet, en in 1806 werd zijn tweede broeder Lode wijk koning van Holland. In Duitschland stichtte Napoleon in 1806 onder de zuid- en midden-Duitsche vorsten het Rijnverbond, waarvan hijzelf in naam protector (beschermer), metterdaad gebieder werd. Bij dit Rijnverbond sloten zich zoowel andere Noord-Duitsche vorsten aan, als ook frederik augustus i van Saksen, die zijn titel „keurvorstquot; met dien van koning verwisselde. Nu loste zich het Duitsche rijk op: Frans H legde den 6(,fm Aug. 1806 de Duitsche keizerskroon neer na reeds in 1801, als frans i, den titel erfelijk keizer van Oostenrijk te hebben aangenomen. In Oct. 1806 verklaarde frederik Willem iii van Pruisen (1797—-1840) wederom den oorlog aan den geweldigen man, die de rechten van zijn rijk herhaalde malen had geschonden. Deze krijg liep zeer rampspoedig voor Pruisen af. In den slag bij Je na (in Saksen, ten o. van Weimar) zegevierde Napoleon den 14dlt;!n Oct. 1806 over den vorst van Hohenlobe (vroeger een vorstendom in 't n. van Wurtemberg). De meeste vestingen gaven zich met ongehoorde snelheid aan de Franschen over, die reeds in 't laatst van Oct. Berlijn bezetteden. In 1807 werden de met de Pruisische troepen vereenigde Russen, aangevoerd door Beuningsen, bij Fried land (ton z.o. van Königsberg, in Oost-Pruisen) verslagen.

Dit voerde tot den vrede van Tilsit (ten n.o. van Königsberg) in 1807, waarbij Pruisen al het land tusschen den Rijn en de Elbe verloor. Hieruit, uit Hessen-Kassei, uit Brunswijk en uit een deel van Hannover werd het koninkrijk Westphalen voor Napoleons jongsten broeder Jéröme (Ilieronymus) saamgestcld. Ter zee had de keizer der Franschen bij al dien voorspoed ongelukkig gestreden. De En-gelsche admiraal Nelson vernietigde den 21sten Oct. 1805 bij kaap Trafalgar (ten z. van Cadix) bijna de geheele Fransch-Spaanschc zeemacht onder de vlootvoogden Villeneuve en Gravïna, maar

k

-ocr page 193-

187

vond er ook liet einde van zijn heldenloopbaan. Wrevelig over de geleden nederlaag, verordende Napoleon in 1806 het conlincntaalstelscl, d. i. ,de uitsluiting der Engelsehen van het vasteland, waardoor hij allen handel met Groot-Britannië verbood en al wat Engalsch was voor goeden buit verklaarde.

§ 86.

Napoleon neemt Portugal en Spanje in bezit. — Jozef wordt koning van Spanje, Murat koning van Napels. — De oorlog tegen Napoleon in Spanje. — Vernieuwde krijg van Oostenrijk tegen Frankrijk tot den vrede van Weenen of van Sch'ónbrunn. —

Napoleons oorlog met Alexander I en zijn tocht naar Rusland. — Van 1807 tot 1812.

In 1807 nam Napoleon bezit van Portugal, in 1808 van Spanje, welks kroon hij den Bourbon, koning ferdinand vii, een zoon van Karei IV (zie blz. 181), ontrukte en ze zijn broeder jozef gaf, die Napels aan Napoleons zwager joachim murat overliet. Vol haat verhieven zich de Spanjaarden tot een hardnekkigen en held-haftigen kamp om het vreemde juk af te werpen. Dit was een ware volksstrijd, die het eerst Napoleons maeht begon te ondermijnen, inzonderheid sedert George III, koning van Engeland (zie blz. 171), zich met Spanje verbond en een leger zond onder Arthur Welles-ley, sedert 1809 hertog van Wellington (in Somerset). In 1809 verklaarde Oostenrijk Bonaparte op nieuw den oorlog. Aartshertog Karei won wel den slag bij Aspern (ten n.o. van Weenen aan den Donau); die bij Wagram (ten n.o. van Aspern) viel daarentegen tot zijn nadeel uit. Hoe moedig ook de in massa opgestane Tyrolers onder Andreas llofer en anderen voor Oostenrijkers belangen en hun eigen vrijheid streden, dwong toch do loop der gebeurtenissen keizer Frans I tot den nadeeligen vrede van Weenen of van Sch'ónbrunn (een slot nabij die stad), Oct. 1809. Kort daarna liet de keizer der Franschen zich van zijn gemalin Josephine scheiden cn huwde de aartshertogin Maria Louise, een dochter van Frans I, uit wolk huwelijk in 1811 een zoon werd geboren, wien Napoleon den titel koning van Rome schonk en die in 1832 te Weenen is gestorven.

Daar Napoleon begreep, dat ook Rusland moest worden vernederd, trok hij in Juni 1812 met een geducht leger van ruim een half mil-lioen manschappen, gedeeltelijk uit hulptroepen der meeste Euro-

-ocr page 194-

188

pcesche staten bestaande, over de Niemen, de westelijke grensrivier van Rusland, dit rijk binnen. Eenige malen versloegen de Franschen de Rassen, die niet veel boven de 250,000 man sterk waren en steeds terugtrokken. Een hevig gevecht viel voor bij Smolensk (aan do Dnieper, ten z.o. van Witebsk); maar de bloedigste slag was die bij Borodino (ten w. van Moskan), ook wel die aan de Moskwa geheeten, welken Kutüsow in Sopt. verloor. Den 14don Sept. trok Napoleon het door de inwoners verlaten Moskau binnen om in deze aloude hoofdstad van Rusland den czaar den vrede voor te schrijven. Onverwachts stond de groote stad in brand en moest Napoleon den 17den Oct. den terugtocht aanvaarden, en wel langs denzelfden weg, waarop hij, alles verwoestende, was binnengedrongen. Doch de vroegtijdig invallende vreeselijkc koude, nijpend gebrek en bestendige aanvallen der kozakken en der thans zeer talrijke en door bitteren haat tegen den vijand bezielde Russische legers losten weldra alle tucht en orde bij de Franschen op. Het geheele hoofdleger werd, inzonderheid bij den rampspoedigen overtocht over de Berezina (een bijstroom van de Dnieper naar 't w.), den 26—28sten Oct. vernield, zoodat van de schier ontelbare menigte menschen, die vijf maanden tevoren Rusland was binnengerukt, ten minste 300,000 man in dit land omkwamen. Napoleon zelf verliet kort daarna het leger en kwam op een bóeren-slede te Warschau aan. Vandaar ijlde hij naar Parijs ten einde zich op nieuw ter voortzetting van de vijandelijkheden toe te rusten.

§ 87.

De oorlog der bondgenooten en de slag bij Leipzig. — Napoleons val en zijn vertrek naar Elba. — Lodewijk X VIII (Bourbon) koning van Frankrijk. — Het congres van Weenen. — De terugkomst van Napoleon en zijn laatste oorlog tegen de bondgenooten. — Napoleons val en de tweede Parijsche vrede. —

Van 1813 tot 1815.

Deze onvoorziene rampspoed van den man, die tot hiertoe bijna geheel Europa beheerschte, gaf de volkeren een krachtigen wenk, die bij hen de overtuiging opwekte, dat het uur hunner verlossing had geslagen. Het eerst snelden de Pruisen, opgeroepen door hun koning Frederik Willem III, met zeldzame geestdrift te wapen. Middelerwijl had Napoleon nieuwe scharen bijeengebracht, waarbij zich de Saksen aansloten, wier koning, getrouw aan zijn eens gegeven woord, zich

-ocr page 195-

189

niet, gelijk zoovele anderen, van het Rijnverbond losrukte. Alsnu begonnen de vijandelijkheden van Frankrijk tegen Rusland, Pruisen, Oostenrijk, Engeland en Zweden met hernieuwde krachtsinspanning. Eerst leden Napoleons maarschalken in 1813 do eene nederlaag na de andere; Oudinot werd bij Grosz-beeren (ten /,.w. van Berlijn) door Bernadotte, een gewezen generaal van Napoleon, later kroonprins en koning van Zweden, Macdonald bij de Katzbach (een bijstroom der Oder, ten n.w van Breslau) door den Pruisi-schen generaal Blücher geslagen. Eindelijk trokken de oorlogvoerende partijen haar troepen op do uitgestrekte vlakten van Leipzig bijeen, waar een driedaagsche bloedige volkerenslag (den 16dtn, ISden en I9den Oct.) ten nadeele van Napoleon afliep. Toen was Duitschland tot den Rijn bevrijd, en het Rijnverbond verviel. Oud-Nederland stond op, waar Gijsbert Karei van Hogendorp en anderen zich aan 't hoofd stelden, en waarheen de erfprins van Oranje, een zoon van Willem V, den 30tei' Nov. 1813 uit Engeland terugkeerde. Tot de volledige bevrijding van dit land werkte de Pruisische generaal Bülow mede. Ook Spanje was reeds na Wellingtons groote overwinning bij Vit tor ia (in de provincie Ala va, ten w. van Pamplona), den 21sten Juni 1813 op koning Jozef en Jourdan behaald, voor Frankrijk verloren gegaan.

In 1814 trokken de bondgenooten onder aanvoering van den Oos-tenrijkschen opperbevelbebber, den vorst van Schwarzenberg, en onder Blücher over den Rijn na vooraf Napoleon tevergeefs den vrede te hebben aangeboden, met de voorwaarde dat de Rijn, de Alpen en de Pyrenaeën Frankrijks grenzen zouden zijn. Zij zette-den hun marsch voort, bestormden de hoogten van Montmartre (ten n. van Parijs) en verplichtten deze hoofdstad tot capitulatie, waar keizer Alexander I (zie blz. 184, 185) en Frederik Willem III den 31stei1 Maart hun plechtigen intocht hielden. De Fransche senaat verklaarde toen Napoleon Bonaparte van den troon vervallen, terwijl hij het eiland Elba (ten n.o. van Korsika) met ruime inkomsten voor zich en de zijnon verkreeg. Den 4den Mei, den dag, waarop Napoleon op Elba landde, trok de oudste broeder van Lodewijk XVI, lodewijk xviii (Bourbon) (1814—1824), Parijs binnen en aanvaardde het bestuur.

De beheerschers van het meerendeel van Europa's staten en de gezanten van de overige kwamen vervolgens, van den lsten Nov. 1814 tot den lüd™ Juni 1815, op het congres van Wccnen bijeen ten einde de verwarde aangelegenheden van dit werelddeel in orde te brengen.

-ocr page 196-

190

Nog beraadslaagde het congres, toen Napoleon den lsten Maart 1815 bij Cannes (ten z.w. van Nizza) landde. Vele steden openden bera haar poorten, en de troepen, tegen Napoleon afgezonden, schaarden zich aan zijn zijde. Hij trok den 20sten Maart Parijs binnen, waaruit Lodewijk XVIII naar Gent was gevlucht. Maar het congres van Weenen had hom reeds den 13dl)n Maart als verstoorder van de rust der wereld in den ban gedaan, en de oorlog begon op nieuw.

In de Zuidelijke Nederlanden stonden welhaast twee hoofdlegers der bondgenooten: het eene, uit Engelschen en Nederlanders bestaande, onder den hertog van Wellington, en het Pruisische, door den grijzen Blücher aangevoerd. Den 16den Juni werden de Pruisen bij Ligny (ten zo. van Brussel) geslagen, evenwel slechts zóó, dat zij hun troepen nog tot een geregelden aftocht bijeentrokken. Middelerwijl wns maarschalk Ney den 16lt;lcn Juni door den erfprins van Oranje bij Quatre-Bras (een klein gehucht bij een kruisweg) teruggedrongen. Eindelijk had den 18den Juni 1815 de groote veldslag plaats, die naar Waterloo (ten z. van Brussel), naar Belle-Alliance (een pachthoeve in de nabijheid dier stad), ook naar het dorp Mont St. Jean zijn naam draagt. Reeds waren de Engelschen op 't punt om te wijken, toen de plotselinge verschijning der Pruisen onder Bülow den slag tegen den avond ten nadeele der Fran-schen besliste.

Deze volledige nederlaag maakte een eind aan de zoogenoemde regeering der honderd dagen. Want Napoleon deed den 22stei' Juni ten tweeden male afstand van do kroon en gaf zich kort daarna aan de Engelschen over, toon de vloot dezer natie hem de voorgenomen vlucht naar Amerika had belet. Volgens een besluit der mogendheden bracht men hem nu als gevangene naar St. Helena (in den Atlan-tischen Oceaan, ten n.w. van het Kaapland), waar hij door den Engelschen generaal Hudson Lowe werd bewaakt en den 5den Mei 1821 overleed. Dc tweede vrede van Parijs, den 20sten Nov. 1815, bracht Frankrijk, waarover Lodewijk XVIII het bewind weder aanvaardde, binnen de grenzen van 1792 terug. Wat dc overwinnaars betreft, nog gedurende hun verblijf te Parijs sloten zij, met name keizer Alexander, keizer Frans I en koning Frederik Willem III, den 26ste,1 Sept. 1815 het heilige verbond. Hierbij beloofden zij, zoowel onder elkander als met betrekking tot hun onderdanen, gelijk ware huisvaders de voorschriften der gerechtigheid, der liefde en des vredes te zullen opvolgen. Aan dit verbond sloten de meeste Euro-peesche mogendheden zich aan.

-ocr page 197-

191 § 88.

De Nederlanden onder Willem V. — De Bataaf ache Repulliek. — Ruiger Jan Schimmelpenninek. — Lodewijk Napoleon koning van Holland. — De Nederlanden als deel van Frankrijk. — De Nederlanden en België als koninkrijk onder Willem I. — Van 1787 tot 1815.

't Pruisisch leger (/.ie blz. 176) en de wil van een groot deoi dor Nederlandsche natie herstelden will km v in al zijn waardigheden en rechten. Pruisen en Engeland waarborgden in 1788 bij een overeenkomst, met de Republiek gesloten, het erfstadhouderschap. Velo heilzame pogingen werden aangewend, vooral door den raadpensionaris van de Spiegel, om de Republiek op te beuren. Maar de gebreken in 't staatsbestuur waren vele; zij waren verouderd. En bij den omkeer van zaken had men niet vergeten en vergeven: scharen patriotten, van de amnestie uitgesloten, weken naar Frankrijk; velen werden van hun ambten ontzet, anderen den lande uitgebannen. Tweespalt en vijandschap bleven voortwoelen, en het einde van den staat naderde.

Vruchteloos streden Willems zonen, Willem Prederik en Prederik, met moed en beleid aan 't hoofd onzer scharen, die een deel uitmaakten van 't leger der bondgenooten. Weldra kwamen Pransche legioenen, door vroeger uitgeweken patriotten onder Daen-dels geleid, naar ons land afzakken. Willem V vertrok eerst naar Engeland (zie blz. 181), vervolgens in 1800 naar Brunswijk, waar hij den O1161' April 1806 is overleden. Thans bezweek de oude staat om bij hel Haagsche verdrag van Mei 1795 plaats te maken voor de Bataafsche Republiek, die onzen landgenooten evenwel op zware offers kwam te staan. Beide partijen hadden de spreuk der vaderen: „con-cordia res parvae crescuntquot; (eendracht maakt macht) vergeten, en met 100,000,000 gl., het voortdurend onderhouden van 25,000 man Pransche troepen, den afstand van Maastricht, Venlo en Staats-Vlaandcren en het toelaten van Pransche bezetting in Vlissingen moest het vaderland den schijn van onafhankelijkheid van Prankrijk betalen. Bovendien verklaarde Engeland uit hoofde van deze verandering aan de Republiek den oorlog en ontnam haar bijna al haar buitenlandsche bezittingen.

Onder het goede, dat uit den druk der tijden werd geboren, was dit, dat bij de nieuwe staatsregeling, die eerst na lange en hevige

-ocr page 198-

192

onoenigheden den lsten Mei 1798 word afgekondigd, het Gemeenebest één en ondeelbaar werd verklaard, zoodat de zeven souvereine staten of provinciën, benevens do vroegere generaliteitslanden of veroveringen en het bondgenootschappelijk landschap Drente van nu aan maar één staat vormden. De provinciale naijver en tegenkanting weken nu langzamerhand voor een toenemende nationale eenheid, waarvan de gelukkige gevolgen zich ten minste in meer algemeene ontwikkeling vertoonden. In 1801 verving een nieuwe constitutie die van 1798. In April 1805 maakte, altijd onder Frankrijks invloed, deze constitutie weder plaats voor een derde meer eenhoofdige staatsregeling, waarbij mr. Rutger Jan Schimmelpenninck, onder den naam raadpensionaris (onder den ouden regeeringsvorm de titel van den leidsman der staten-vergadering, zoowel in de provincie Holland als in Zeeland) van het Bataafsche Gemeenebest, met een bijna vorstelijk gezag werd bekleed, dat hij, zooveel hij vermocht, eenig ten algemeenen nutte aanwendde, zooals dan ook de daadwerkelijke regeling van het lager-onderwijs, het invoeren van algemeene in plaats van de vroegere provinciale belastingen, commissiën van landbouw en andere instellingen gunstig voor zijn bewind getuigen.

Maar de machtige en alles beheerschende geest van Napoleon duldde ook deze zwakke schaduw van een onafhankelijk republiek slechts kort. Een vierde staatsregeling volgde in Juli 1800, en lodewijk napoleon werd koning van Holland. Waar Lode wijk als koning zijn eigen weg kon bewandelen, poogde hij het goede tot stand te brengen; doch de bevelen zijns broeders bonden hem meestal de handen. Een onvoorziene ramp trof daarenboven onder zijn regeering ons land: den r2aen Jan. 1807 sprong te Leiden een kruitschip, waarbij 152 menschen het leven verloren. Aan grondgebied werd de staat bij den vrede van ïilsit (zie blz. 186) uitgebreid, doordien Je ver (thans in 't n.w. van het groothertogdom Oldenburg) en Oost-Friesland, tegen den vollen afstand van Vlissingen en zijn tafel, dat aan Frankrijk kwam, met het koninkrijk Holland werden verecnigd. Een aanvankelijk wèl geslaagde, maar spoedig toch mislukte landing der Engelschen op Walcheren in 1809 deed het den keizer vervolgens raadzaam achten het koninkrijk Holland ter beveiliging van Frankrijk te verkleinen. Geheel Zeeland, Brabant, een gedeelte van Gelderland en een klein deel van Holland kwamen aan Frankrijk, zoodat de Waal Neerlands grens in 't z.o. werd.

Inmiddels bespeurde Lodewijk meer en meer, dat de bedoeling zijns broeders eigenlijk hierop neerkwam om Holland wol in naam

-ocr page 199-

11)3

als koninkrijk, maar metterdaad als wingewest van Frankrijk te doen bestaan. Daarom legde hij den lsten Juni 1810 de kroon neer ten behoeve van zijn jeugdigen zoon; doch in plaats van de regcering. ons land door Lodewijk toegedacht, werd het bij hetgroote kei/.crrijk ingelijfd. Le Brun kwam als algemeen stedehouder in de Nederlanden. De provinciën, vroeger reeds in departementen veranderd, werden Fransche departementen met prefecten als bestuurders. De renten der staatsschuld werden getiéreeerd, d. i. tot op een derde verminderd; de conscriptie of gedwongen opschrijving tot don krijgsdienst ingevoerd: de vrijheid der drukpers vernietigd; een argwanende en strenge politie vernieuv/de de herinnering aan de inquisitie uit vroegere dagen; het openbaar onderwijs werd naar dat van Frankrijk gewijzigd. Tot overmaat van ongeluk viel de laatste onzer koloniën, Java, in handen der Engel-schen, terwijl de verordeningen van het continentaalstelsel onzen zeehandel geheel vernietigden en alle verkeer onmogelijk maakten. Taal- en letterkunde dreigde een volkomen verval.

Ternauwernood was dan ook de mare van Napoleons nederlagen in Rusland en bij Leipzig tot de Nederlanden doorgedrongen, of (zie blz. 189) men wierp in 't laatst van 1813 het juk der overheerscbing af en dreef de Franschen het land uit. De graaf van Limburg-Stirum, van der Duyn van Maasdam en van Hogendorp waren de voornaamste bewerkers dezer bevrijding. De beide laatstgenoemden namen met Kemper het bestuur des lands op zich tot de komst van den zoon van den in ballingschap overleden Willem V (zie blz. 191), willem van oranje, die den 2llequot; Dec. als souve-reine vorst werd uitgeroepen. Hij verwisselde in 1815 deze waardigheid met die van (Willem I), koning der Nederlanden, een rijk, dat het congres van Weenen deed ontstaan door de Belgische provinciën, benevens Luik, met den staat der Nederlanden te vereenigen. Luxemburg, dat als een van de 39 staten tot hel Duitsche verhond behoorde, werd als groothertogdom aan Willem I toegewezen.

Wijnne, Overzicht) i3de tlrnk.

-ocr page 200-

CHRONOLOGISCH OVERZICHT.

NIKUWK GESCHIEDENIS.

EERSTE TIJDVAK.

Van het begin der Nieuwe Geschiedenis tot den Wcstpliaalschen vrede in 1648 en die van Koppenhagen en van Oliva in 1660.

Jaren n. C.

§ 57. De ontdekking van Amerika.........in 1492.

en van den weg ter zee naar Oost-Indi'é. — De eerste reis

rondom de wereld door F. Magelhan......1519—1521.

F. Cortez verovert Mexiko, F. Pizarro Peru.

Herleving der letteren en wetenschappen. — De boekdrukkunst waarschijnlijk door Johan Gutenberg te Maints uitgevonden ..................omstr. 1455.

Bartholomaeus Diaz bereikt de Knap de goede hoop . . . 1486.

Vasco de Gama landt te Calicut........... 1498.

Emanuel I of de groote.

Cabral ontdekt Brazilië .............. 1500.

Christophörus Columbus geboren te Genua.......1456.

Columbus' eerste tocht met 3 schepen. — San Salvador, de kust

van Cuba, Hispaniola, thans St. Domingo of Haiti .... 1492.

Columbus' tweede tocht met 17 vaartuigen. — Dc Cardibische eilanden of kleine Antillen, Jamaika. —hahclla gesticht 1493—1496.

Zijn derde tocht. —• Het eiland Trinidad en liet vasteland van

Amerika gevonden. — Roldan. — Bovadilla . . . 1498—1500.

Columbus' vierde tocht............. 1502—1504.

Zijn dwaling en dood............... 1506.

De naam Amerika ontleend aan Amerigo Vespucci.

Ferd. Magelhan doet de eerste reis rondom de wereld. — Hij bereikt dc Philippijnsche eilanden en komt om .... 1519—1521.

Ferd. Cortez landt in bet door Montezuma beheerschtc Mexiko en onderwerpt het ganscbe rijk........1519.

Frans Pizarro en anderen landen in Peru en veroveren het . 1531.

Las Casas overleden................ 1566.

-ocr page 201-

195

Jaren n. C.

§ 58. Karei V................ 1506—1556.

Zijn oorlogen tegen Frans I......... 1521—1544.

Kareis tochten tegen de Afrikaansche zeeroovers. — Solei-man II, sultan der Oltomaniache Turken .... 1520—1566.

Karei I, II, III, V, geboren tc Gent......... 1500.

Hij wordt heer der Zuidelijke Nederlanden, alsmede van Holland en Zeeland................ 1506.

Ferdinand de katholieke sterft. — Karei wordt bezitter der

Spaansehe monarchie...............1516.

Maximiliaan I sterft. — Karei V keizer van Duitschland 1519—1556.

Hij bezweert een verkiezings-caprtulatie en wordt te Aken gekroond ....................1520

Oorlogen tusschen Frans I, koning van Frankrijk, en Karei, geëindigd met den vrede van Crepy,........ 1521—1544.

Clëmens VIT kroont Karei V te Bologna als koning van Italië en als keizer.................. 1530.

De beheerscher van Tunis erkent de oppermacht van Spanje en schenkt aan ten minste 10,000 Christenslaven de vrijheid 1535.

Kareis onderneming tegen Algiers mislukt........1541.

Verbond van Frans met Soleiman II, sultan der Ottomanische Turken,................. 1520—1566.

De Turken moeten het beleg van Weenen opbreken . ... 1529.

§ 59. Het begin der kerkhervorming in Duitschland en Zwitserland 1517. Maarten Luther, Philips Melanchthon en Ulrich Zwing li.

Leo X laat aflaten bij de Duitsehers verkoopen. —Beteekenis en kracht dier aflaten. — Tetzel in Saksen .... . . 1517.

Maarten Luther geboren in Eisleben......... 1483.

Hij studeert te Erfurt. —■ Hij wordt Augustijnernionnik. — Hij wordt hoogleeraar in de godgeleerdheid te Wittenberg. —

Zijn verblijf te Rome...............1510.

Hij slaat 95 stellingen aan de hoofdkerk te Wittenberg aan

31 Oct. 1517.

Luther wordt in den ban gedaan; maar hij werpt de banbul en het canonieke recht voor de poorten van Wittenberg in 't vuur

10 Dec. 1520.

Luthers afval van de Roomsch-katholieke kerk op den rijksdag te Worms...............18 April 1521.

Luther herstelt de orde te Wittenberg......... 1522.

Philips Melanchthon.

Ulrich Zwing!! zet een hervorming te Zurich door.

■Ui*

-ocr page 202-

196

Jaren n. C.

§ GO Dc vorderingen der kerkhervorming tot den godsdienstvrede

te Augsburg..................................1555.

De Smalkaldische oorlog........................1546.

De dertigjarige oorlog, van 1618 tot. 1648, tot den rijksdag te Regensburg............................1630.

Rijksdag te Augsburg. — Dc Augsburgsche confessie .... 1530.

Verdedigingsverbond der Lutherschc stenden te Smalkalden . . 1531.

Godsdienstvrede te Neurenberg..........................1532.

Luther sterft. — De Smalkaldische oorlog loopt ongunstig voor

de Lutheranen af.............. 1546—1547.

Godsdienstvrede te Augsburg............................1555.

Ignatius van Loyola sticht de orde der Jezuïten of het genootschap van Jezus, en de paus bekrachtigt het..........1540.

Karei V legt de Duitsche kroon neer....................1556.

Hij sterft in het klooster Yuste........................1558.

Ferdinand I keizer van Duitschland.......sedert 1558.

MatthTas..................1612—1619.

De protestanten in Bohemen verwerven den majesteitsbrief . . 1609.

Ferdinand II................ 1619—1687.

Ferdinand V, keurvorst van de Palts, als koning van Bohemen

gekroond...................1619.

Maximiliaan, hertog van Beieren, verslaat Frederiks leger op

den witten berg..................................1620.

De vorsten van Neder-Saksen stellen Christiaan IV, koning

van Denemarken, aan hun hoofd....................1625.

Albrecht von Waldstein of Wallenstein.

Tilly verslaat Christiaan IV bij Lutter..................1626.

Vrede van den keizer met Denemarken..................1629.

Straalsond weerstaat Wallenstein........' . . 1628.

Maximiliaan en andere vorsten noodzaken Ferdinand II op den rijksdag te Regensburg Wallenstein af te zetten. ■—- Aanleiding daartoe..................................1630.

§ 61. De dertigjarige oorlog, van den rijksdag te Regensburg tot

den Westphaalschen vrede.......... 1630—1648.

Wallenstein afgezet en vermoord....................1634.

Gustaaf II Adolf, koning van Zweden, door Richelieu overgehaald tot den oorlog tegen den keizer. — Hij landt in

Pommeren..................' 1630.

Maagdenburg door Tilly veroverd en door brand verwoest . . 1631.

Overwinning van Gustaaf Adolf op Tilly bij Breitenfeld 17 Sept. 1631.

-ocr page 203-

197

Jaren n. C.

Wallcnstein ten tweede male, en thans onder bijzondere voorwaarden , opperbevelhebber.

De protestanten overwinnen Wallenstein bij Lützen. — Gus-taaf Adolf sneuvelt............16 Nov. 1G32.

Wallenstein wordt te Eyer vermoord.......25 Febr. 1634.

Vrede gesloten tussehen den keurvorst van Saksen en den keizer 1635.

Vrede te Osnabrück en te Munster........24 Oct. 1648.

§ 62. De Nederlanden onder Karei V en Philips II tot het stadhouderschap van Maurits.......... 1506—1590.

Verdrag van Augsburg............... 1548.

Philips II of III............... 1555—1583,

Margarëta landvoogdes. —Antonius Perenot, later kardinaal Granvclle.

Willem, prins van Oranje, graaf van Nassau, stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht.

Lamoraal, graaf van Egmond, stadhouder van Vlaanderen en Artois. — De Montmorency, graaf van Hoorne, admiraal

Granvelle vertrekt op bevel van Philips naar Italië .... 1564.

Het eompromissum................. 1565.

Optocht onder aanvoering van Hendrik van Bred erode en Lode wijk van Nassau ter aanbieding van een verzoekschrift aan de landvoogdes. — Geuzen .... 5 April 1566.

De beeldenstorm.................. 1566.

Alvarez de Toledo, hertog van Al va, weldra 's ko-

nings landvoogd alhier, komt in de Nederlanden .... 1567.

Willem neemt zijn ontslag als stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht en gaat naar Duitschland, Margarëta naar Italië. — De graaf van Boussu bij voorraad als stadhouder over Holland aangesteld............ 1567.

De raad van beroerte. — Egmond en Hoorne ter dood go-

bracht. — Slagen bij Hciligerlee en Jemmingen..... 1568.

Al va schrijft drie belastingen uit, den honderdsten, den tienden en den twintig sten penning.

De Watergeuzen nemen den Briel in.......1 April 1572.

Eerste vergadering van de staten van Holland buiten Spaansch gezag. — Willem, prins van Oranje, als 's honings wettige stadhouder van Holland, Zeeland, West-Friesland en Utrecht erkend.................19 Juli 1572.

Don Louis de Requësens. —- Hij sterft..... 1573—1576.

Don Jan van Oosten rij k.......... 1576—1578,

-ocr page 204-

198

Jaren n. C.

De hertog van Panna, Alexander Farnese, .... 1578.

Parma neemt Antwerpen in.........17 Aug. 1585.

Pacificatie van Gent................ 1576.

De unie van Utrecht tussohen Holland, Zeeland, Utrecht, de

Ommelanden en een doel van Gelderland gesloten . 22 Jan. 1579.

Philips kondigt den ban af tegen Willem I en verklaart hem

vogelvrij................... 1580.

De Algemeene Staten der Vereenigde Nederlanden zweren

Philips af............... 26 Juni 1581.

Willem I valt door het schot van Balthazar Gerard 10 Juli 1584.

Willem Lode wijk stadhouder van Friesland.

Hendrik Hl weigert de oppermacht over deze landen. — Elizabeth weigert ze ook, maar zendt Robert Dudley,

graaf van Leicester, tegen zekere onderpanden. — De Staten-Generaal dragen hem de algemeene landvoogdij op 1585.

Maurits stadhouder van Holland en Zeeland. — Joh an van Oldenb ar nevelt advocaat van den lande, later raadpensionaris geheeten, van Holland........... 1585.

Leicester keert, naar Engeland terug.......... 1587.

De Spaansche armada onder Medina-Sidonïa..... 1588.

§ 63. De Nederlanden van 't stadhouderschap van Maurits tot

den vrede van Westminster......... 1590—•1654.

Maurits ook stadhouder van Gelderland, Utrechten Overijsel 1590—1625.

Philips schenkt de Nederlanden aan Isabella en Al bert us, aartshertog van Oostenrijk.

Maurits verslaat de aartshertogen bij Nieuwpoort...... 1600.

De Oost-Indische compagnie opgericht.......... 1602.

Het twaalfjarig bestand............... 1609.

Verschil in opvatting van eenige belangrijke leerstukken, vcoral van dat der praedestinatie, tusschen Gomarus en Armi-n ï u s.

Oldenbarnevelt door een rechtbank van 24 rechters wegens hoogverraad ter dood veroordeeld..........1618.

Oldenbarnevelt ter dood gebracht...........1619.

H. de Groot ontsnapt uit Loevcstein. — De algemeene synode te Dortrecht. — De gevoelens der Remonstranten veroordeeld

Nov. 1618—Mei 1619.

Willem Lodewijk sterft. — Ernst Kasïmir stadhouder van Friesland, Maurits van Groningen en Drente..... 1620.

Maurits sterft. — Frederik Hendrik........ 1625—1647.

Ernst Kasïmir stadhouder van Groningen en Drente .... 1625,

-ocr page 205-

199

Jaren u. C.

Fredcrik Hendrik verovert 's Hertogenbosch....... 1629.

Aanvallend en verdedigend verbond van Frankrijk en de Nederlanden tegen Spanje............... 1635.

Nederlaag bij Duins, den Spanjaarden toegebracht door Maarten Harpertszoon Tromp............ 1639.

Willem II, tevens stadhouder van Groningen en Drente, 1647—1650.

De Westphaahche vrede............24 Oct. 1648.

Geschil over 't getal der af te danken troepen.

Willem II sterft................. 1650.

De groote vergadering van ruim 300 personen.......1651.

Johan de Witt.

Groningen en Drente nemen den stadhouder van Friesland, Willem Frederik, tweeden opvolger van Ernst Kasjmir,

ook als den hunnen.

Eerste zeeoorlog met Engeland........... 1652—1654.

Mi chiel Adriaansz. de Ruiter slaat de Engelschen bij

Plymouth................... 1652.

Tromp levert den onheslisten slag bij ter Heide en sneuvelt . 1653.

Vrede te Westminster. — De akte van seelusie ton nadeele van Willem Hendrik door Holland aangenomen..... 1654.

§ 64. Spanje onder de koningen uit hel Hahshurgsche huis Philips

II, III en IV..........• . . .1556—1665.

Portugal een gewest van Spanje........ 1580—1640.

Portugal onder de regeering van het huis Braganza sedert 1640.

Philips II koning van Spanje.......... 1556—1598.

Don Jan van Oostenrijk bedwingt do Moriscoi's . . . 1568—1570.

Zege van Don Jan, alsmede van de Venctiaanschc en de

pnuselijke vloot, op de Turken bij Lepanto......1571.

Sebastiaan, koning van Portugal, verdwijnt in den tegen

Marokko gelevcrdcn slag bij Alkassar......... 1578.

Philips II neemt Portugal in bezit...........1580.

Don Carlos sterft in de gevangenis........■ . 1568.

Philips III................. 1598—1621.

Dc hertog van Lerma.

Philips IV................. 1621—1665.

Oorlogen tegen Frankrijk...........sedert 1635.

Einde van den dertigjarigen en den tachtigjarigen oorlog door

den Westphaalschen vrede..........24 Oct. 1648.

Do opstand in Catalonië bedwongen.......... 1652.

Oproer te Napels onder Masaniello (de Muel.le de Por (iet).—•

Het wordt gedempt............... 1648.

-ocr page 206-

200

Jaren n. C.

Johan IV, uit hel huis Braganza, als honing van Portugal uitgeroepen ................. 1640—1656.

Nederland laat Brazilië tegen f 8,000,000 aan Portugal over . 1661.

§ 65. Frankrijk onder de laatste koningen uit het huis Valais 1547—1559. en onder de eerste koningen uit het geslacht Bourhon 1589—1660. Johan Calvijn. — De godsdienstoorlogen. — Het beheer van Richelieu en van Mazarin.

Hendrik M koning van Frankrijk......... 1547—1559.

Johan Calvijn treedt als hervormer op. . . . sedert omstr. 1530.

Hij gaat van Parijs naar Bazel............ 1534.

Hij wordt prediker en leeraar der godgeleerdheid te Genève. — Servède ter dood gebracht............ 1553.

De Guises Frans en Karei. — De Bourbons: Antoine, door zijn echtgenoot koning van Navarre, en Lode wijk, prins van Condé en protestant. — Coligny. — Hugenooten.

Koning Frans II sterft............... 1560.

Karei IX.................. 1560-1574.

Katharïna de Medici regentes.

Uitbarsting van den burgeroorlog tusschen de hugenooten en de

katholieken................ 1562—1598.

Antoine sterft. — Hendrik van Béarn koning van Navarre . 1572.

Huwelijk van Margarëta met Hendrik van Béarn .... 1572.

De Bar Ih o lorn a cusnach t of Parijsche bloedbruiloft . 24—26 Aug. 1572.

Hendrik III................. 1574-1589.

Vergadering der rijksstenden te Blois. — De koning laat Hendrik de Guise in deze stad door sluipmoord uit den weg ruimen.................... 1588.

Hijzelf wordt gedood door Jakob Clément na Hendrik van Navarre tot opvolger te hebben benoemd...... 1589.

Hendrik IV uit het hui* Bourbon......... 1589—1610.

Hij wordt katholiek. — Edict van Nantes........ 1598.

Hij wordt door Ravaillac vermoord.........1610.

Lodewijk XIII................1610—1613.

Armand Jean du Plessis, heer van Richelieu, komt

aan de spits van 't bestuur............1624.

La Roebelle wordt belegerd en opent haar poorten. . . 1627—1629.

Richelieu sterft.....................1642.

Lodewijk XiV................ 1643—1715.

Mazarin, hoewel niet den titel „eerste ministerquot; voerende,

staat aan 't hoofd van Frankrijk.

De frondeurs.

-ocr page 207-

201

Jaren. n. C.

De vrede der Pyrenaeen. — Lodewijk XIV huwt Maria The-resïa.................... 1659.

Mazarin sterft.................. 1660.

§ 66. Engeland onder het huis Tudor en het huis Stuart tot de omwenteling en den dood van Karei I. — Elizabeth en Mafia Stuart van Schotland. — Engeland als Republiek onder den protector Cromwell tot de restauratie . . 15U9—1660.

Hendrik VIII................ 1509—1547.

Hendrik verklaart zichzelf voor 't hoofd der Engelsche kerk. —• Eed van suprematie. — De protestanten vervolgd.

Hendriks zes gemalinnen. — Hij scheidt van Katharina van Arragon. — Anna Boleyn ter dood gebracht.

Eduard VI................. 1547—1553.

De hervorming allengs ingevoerd.

MarTa, echtgenoot van Philips II, ....... 1553—1558.

Zij herstelt den katholieken eeredienst en do verbintenis met den stoel van St Petrus, — Johanna Gray ter dood gebracht .................... 1554.

Elizabeth................. 1558—1603.

De vestiging der anglicaansche of episcopale staatskerk. — De dissenters, tot welke de puriteinen en de presbijterianen behoo-ren, die zich inzonderheid in Schotland uitbreiden. — De bevolking van Ierland blijft grootendeels katholiek.

Drake doet de tweede reis om de wereld...... 1577—1580.

De Oost-Indische handelscompagnie opgericht....... 1600.

De armada. — Cadix door de Engelschen en de Nederlanders veroverd................... 1596.

MarTa Stuart aanvaardt de regeering van Schotland .... 1561.

De Schotten staan tegen haar op........... 1568.

Zij vliedt naar Elizabeth, die haar gevangen houdt, .... 1568.

Maria Stuart onthoofd............... 1587.

Het huis Stuart beklimt met Jakob I den troon van Engeland .................... 1603.

Karei I.................. 1625—1649.

Hij ontbindt het parlement eenige malen en regeert zonder parlement................sedert 1629.

De Schotten rukken Engeland binnen......... 1640.

Het lange parlement.............. 1640—1649.

Karei verlaat Londen............... 1642.

Fairfax en Cromwell verslaan hem tweemaal. — Do Schotten leveren hem aan hot parlement uit.

-ocr page 208-

202

.1 ai-en n. C.

De independen ten. — Olivier Cromwell.

Karei I onthoofd..............30 Jan. 1649.

Het hoogerhuis afgeschaft. — De republiek afgekondigd.

Weigering der Nederlanden om zich ract de Engelsche Republiek te verbinden. — De akte van navigatie .... Oct. 1651.

Oorlog met de Nederlanden.

Cromwell protector................ 1653.

Cromwell sterft.................. 1658.

Richard Cromwell protector.......... 1658—1659.

Monk. — Het parlement biedt Karei II de kroon aan. —

De restauratie................. 1660.

§ 67. Hel Noorden en het Oosten van Europa. — Gustaaf Wam

en zijn geslacht in /weden..........tot 1654.

De. oorlog van Karei X Gustaaf van Zweden tegen Polen, Denemarken en hun hondgenooten tot den vrede van O Ilea en dien van Koppenhagen.......... 1520—1660.

Christiaan II, koning der drie rijken, dwingt de Zweden hem te erkennen................ 1520.

liet Stockholmschc bloedbad. — Het moorden op 't platteland voortgezet................... 1520.

Gustaaf Erichson Wasa komt in Dalekarlié.

De unie van Kalmar ontbonden........... 1523.

Gustaaf Wasa als koning verkozen........... 1523.

De Luthersche leer met behoud der bisschoppelijke inrichting in Zweden ingevoerd. — Christiaan II in Denemarken afgezet. — Frederik I, hertog van Sleeswijk-Holstein. — De hervorming in Denemarken en Noorwegen ingevoerd . . . 1523.

Gustaaf Adolf koning van Zweden........ 1611—1632.

Hij breidt zijn gebied uit Esthland en Finland uit en verwerft van Rusland Karelié en Ingermannland, van Polen schier geheel Lijfland. — Zweden wordt de eerste der Noordsche mogendheden.

GhristTna................. 1632—1654.

Karei X Gustaaf van Palts-Tweebruggen wordt koning van Zweden .................. 1654—1660.

Zijn oorlog togen Polen en Denemarken, die zoowel door andere staten als door de Nederlanden worden bijgestaan. — Wassenaar van Obdam.

Vrede van Olim en Koppenhagen. — Denemarken verliest verscheidene zijner gewesten............. 1660.

Frederik Willem, de groote keurvorst, uit hel huis

-ocr page 209-

203

•larcii ii. C.

Iluhenzollern, keurvorst van Brandenburg cn hertog van

1640—1688.

Pruisen

Hij is gehuwd met Henriëtte Louiso, de oudste dochter van

Frederik Hendrik.

Hij verwerft het souverein bezit van Pruisen.

TWEEDE TIJDVAK.

Van den Wcslphaalschen vrede in 1648 en die van Koppenhagen en van Olioa in 1660 tot de erkenning der onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika hij den vrede van Versailles in 1788 en den aanvang der eerste Fransche omwenteling in 1789.

§ 68. De oorlog van Lodewijk XIV tegen Karei 11 van Spanje

tot den vrede van Aken............in 1668.

Die van Lodewijk, verhonden met Karei H van Engeland en met Zweden, tegen de Nederlanden en hun bondgenooten tot den vrede van Nijmegen......... 1672—1678.

Colbert. — Louvois.

Karei II koning van Spanje........... 1665—1700.

Turennc en Condé veroveren een groot deel der Spaan-sche Nederlanden.

Willem Temple en Johan de Witt bewerken de triple alliantie tusschen Engeland, Zweden cn de Nederlanden . . 1668.

Vrede van Aken...............2 Mei 1668.

Lodewijk trekt met omstreeks 120,000 man onder Condé en Turenne bij het tolhuis te Lobith over den Rijn..... 1672.

Willem III opperbevelhebber der Nedcrlandsche troepen.

Gelderland, Utrecht cn ecnige steden van Holland in de macht der Franschen, Overijsel cn Drente door den bisschop van Munster overweldigd.............Juni 1672.

Rabenhaupt noodzaakt van Galen met do Kculsch-Mun-sterschc legermacht het beleg van Groningen op te breken

Aug. 1672 Dec. 1672.

Hij laat Koevorden verrassen

Hevige storm uit het z. w............Juli 1672.

Prins Robert en d'Estrées worden bij Kijkduin door de

. . 1673. 1658—1705. Juni 1673,

Ruiter overwonnen......

Leopold I koning van Duitschland Do Franschen nemen Maastricht in

-ocr page 210-

204

Jaren n, C.

Willem neemt Bonn in en noodzaakt Condé om ons land, met uitzondering van Maastricht, te ontruimen.......1678.

Engeland, Munster en Keulen sluiten vrede.

Onbesliste slag bij Senef tusschen Willem III en Condé . . 1674.

Drie gevechten tusschen onze vloot en du Quesne. — De Ruiter sneuvelt bij den Etna........... 1676.

Vrede te Nijmegen tusschen Frankrijk en de Nederlanden. — De overige mogendheden sluiten insgelijks vrede. . 10 Aug. 1678.

§ 69. De negenjarige oorlog van Lodewijk XIV tegen het Weener-

verbond tol den vrede van Rijswijk....... 1688—1697.

De Spaansche erfopvolgingsoorlog lol den vrede van Utrecht en dien van Rastadt........... 1700—1714.

Reunionskam ers.

De Maintenon. — Herroeping van 'lt; edict van Nantes . . 1685.

Verbond te Augshurg tusschen Leopold, het grootste gedeelte van het Duitsehe rijk en Spanje........... 1686.

Willem III koning van Engeland. — Engeland voegt zich

bij het verbond................. 1688.

Willem III wordt bij Steenkerken door Luxembourg overwonnen.................. 1692.

Hij wordt tusschen Landen en Neerwinden op nieuw door

Luxembourg verslagen.............. 1693.

Vrede te Rijswijk.......•......... 1697.

Karei II van Spanje kinderloos. — Hij sterft. — Philips van An jou bij testament tot eenigen erfgenaam der kroon van Spanje benoemd............... 1700.

Hel groote of llaagsche verbond tusschen Leopold, Engeland en

de Nederlanden gesloten..............1701.

Pruisen, het Duitsehe rijk, Portugal en de hertog van Savoye voegen zich hierbij.

Eugenïusv an Savoye opperbevelhebber van Leopolds legers.

Willem III sterft..............19 Mrt. 1702.

Hel driemanschap: John Churchill, graaf en daarna hertog van Marlborough, Antonie Heinsius en Eugenïus van Savoye.

Marlborough en Eugenïus verslaan Mar sin en Tallard bij Hochstadt................... 1704.

Madrid gaat weer voor aartshertog Karei verloren . . . 1706.

Hij herkrijgt het.................1710.

Marlborough overwint Villeroi bij Ramillies...... 1706.

Eugenïus zegepraalt bij Turin over La Feuilladc eu Marsin 1706.

-ocr page 211-

205

Marlborough en Eugenïus verslaan Vendóme bij Oudenaarde . 1708. Villars wordt door dezelfden bij Malplaquet overwonnen . . 1709.

Jozef I keizer van Duitsehland.......... 1705—1711.

Karei IV keizer van Duitsehland......... 1711—1740.

Philips V koning van Spanje.......... 1701—1746.

Vrede te Utrecht.............11 April 1718.

Vrede te Rnstadt.................1714.

Lodewijk XIV sterft...... ......1 April 1715.

§ 70. Engeland onder de koningen uit het huis Stuart Karei 11 en Jakob II, alsmede onder Willem III van Oranje-Nassau,

Anna uit de dynastie Stuart en de koningen uit het Hannover sche huis George I en George II......1660—1760.

Karei II.................. 1660-1685.

1665.

1666.

1666.

Tweede zeeoorlog tusschen Engeland en de Nederlanden . 1665—1667. Wassenaar verliest den slag bij Lowesthoff togen den hertog van York................

De Ruiter raakt met een vloot van meer dan 100 zeilen, met over de 21,000 koppen bemand, in den vierdaagschen zeeslag bij Foreland slaags met Monk, hertog van Albemarle,

11 Juni

De strijd begint op nieuw..........12 Juni

Hij wordt hervat.............13 Juni

Hij wordt door het wijken der Engelschen beslist . 14 Juni De Engelschen steken in het Vlio 100 il 150 koopvaardijschepen in brand en verwoesten een gedeelte van Terschelling Aug.

Tocht van de Ruiter en Cornelis de Witt naar Chattam

Juni 1667.

Vrede te Breda..............13 Juni 1667.

Cabaalministerie in Engeland.............1671.

Torijs en whigs.

Karei II sterft katholiek.

Jakob II.................. 1685—1688.

Er wordt een prins van Wales geboren......... 1688.

Willem Hl landt in Engeland. — Jakob vliedt naar Frankrijk. — Einde van de roemrijke omwenteling . . . .Febr. 1689.

Willem III en MarTa............. 1689—1702.

Anna................... 1702—1714.

Zij stelt een parlement in voor de beide deelen van Groot-

Britanmè................... 1706.

George Lodewijk, keurvorst van Hannover, als koning

van Engeland George I........... 1714—1727.

Walpole minister. — George II......... 1727—1760.

-ocr page 212-

206

Jaren n. C.

§ 71. Didtschland onder den Habshurgschen keizer Leopold 11658—17U5. De oorlogen tegen dc Turken tot den vrede van Karlöwilz 1663—1699. Pruisen wordt een koningrijk onder hel huis llohenzollern. 1700. De Nederlanden en de verheffing van Willem III . 1660—1702.

Leopold I, reeds vroeger als koning van Bohemen en Hongarije gekroond,.............. 1658—1705.

Oorlog tegen de Turken in Hongarije....... 1663—1664.

Tweede oorlog.................. 1683.

Kara Mo es tap ha belegert Weenen......... 1683.

Karei V, hertog van Lotharingen, en Johan III Sobieski

verslaan hein bij Weenen............. 1683.

Eugenïus van Savoye behaalt een zege op de Turken bij

Zenta.................... 1697.

Vrede van Karluwitz................ 1699.

Hannover wordt een (het 9de) keurvorstendom....... 1692.

Frederik III keurvorst van Brandenburg en hertog van

Pruisen.................. 1688—1700.

Verdrag van Frederik I met Leopold I......16 Nov. 1700.

Frederik I koning van Pruisen.......... 1700—1112).

De akte van seclusie vervallen verklaard........ 1660.

Eeuwig edict der staten van Holland. — Dc staten der overige gewesten verklaren het stadhouderschap onvereenigbaar met

het kapitein-generaalschap der unie.........16(17.

Opheffing van het eeuwig edict. — Willem III stadhouder

eerst van Zeeland, dan van Holland....... 1672—1702.

Utrecht en Overijsel kiezen Willem Hl als stadhouder . . . 1674.

Zoo ook Gelderland................ 1675.

Hendrik Kasïmir II stadhouder van Friesland, Groningen

en Drente................. 1664—1696.

Johan de Witt legt zijn ambt neder.......4 Aug. 1672.

Moord der dc Witten............20 Aug. 1672.

§ 72. Uusland onder de alleenheer schappij van Peter den groote

uit het huis der Romanows......... 1689—1725.

De beheerscher van Rusland neemt den titel czaar aan . . . 1547.

Het huis der Romanows...............1613.

Iwan czaar. — Peter I de groote mederegent. —• Sophia

regentes . . . ...............................1682.

Sophia in een klooster. — Peter I alleenheerscher . . 1689—1725.

Iwan sterft......................................1696.

Verovering van Azow op de Turken....................1696.

-ocr page 213-

207

Jaren n. C.

Een samenzwering der strelitzen onderdrukt. — Alexêi. . . 1697. Peters eerste reis naar Holland, inzonderheid naar Zaandam, en

Engeland......................................1(598.

Tweede opstand der strelitzen bedwongen................1698.

Peter wordt keizer en „vader des vaderlandsquot; geheeten . sedert 1722.

Hij sterft....................1718.

§ 73. Zweden onder Karei XII, honing uit hel huis Palts-Twee-hruggen, en de Noordsche oorlog lot den vrede van Nijstadt,................ 1697—1721.

Karei XII koning van Zweden.......... 1607—1718.

De Noordsche oorlog.............. 1700—1721.

Karei landt op Zeeland en noodzaakt Frederik van Denemarken zich aan het verbond te onttrekken............1700.

Karei overwint de Russen bij Narwa....................1700.

Hij verdrijft Augustus uit Posen. — De Poolsche rijksdag verkiest Stanislaus Leszinsky, woywddc van Polen, tot

koning........................................1704.

Peter verovert Ingermannland, benevens een deel van Lijfland

en Esthland. — Hij sticht Petersburg..................1703.

Peter vernietigt het Zweedsche leger bij Piütawa..........1709.

Peter verovert Finland...............1710.

Sultan Achmet III sluit Peter bij de Pruth in......1711.

Vrede, bewerkt door Katharina,...........1711.

Karei verlaat Turkije................1714.

Karei XII belegert Frederikshald en wordt voor die stad dood

geschoten...................1718.

Vrede te Nijstadt................Sept. 1721.

§74. Frankrijk onder Lodewijk XV, koning uit het huis Bourbon, ................. 1715-1774.

Pruisen onder de koningen uit het huis Hohenzollern Frederik Willem I en Frederik II........ 1713—1786.

De eerste Silezische oorlog.......... 1740—1742.

De oorzaken en het begin van den Oostenrijkschen erfopvolging soor log .............. 1741—1748.

Lodewijk XV................ 1715—1774.

Philips, hertog van Orleans, regent........ 1715—1723.

Lodewijk XV aanvaardt zelf de regeering. — Fleury . 1726—1743.

Frederik Willem I koning van Pruisen....... 1713—1740.

Frederik II................. 1740—1786.

Karei VI sterft. — De pragmatieke sanctie........ 1740,

-ocr page 214-

208

Jaren n. C.

MarTa TheresTa, gemalin van Frans Stephanus, hertog van Toskane,................. 1740—1780.

De eerste Silezische oorlog............ 1740—1742.

De Oostenrijksche erfopvolgingsoorlog......... 1741—1748.

§ 75. Hel vervolg van den Oostenrijkschen erfopvolgingsoorlog tot

den vrede van Aken............ 1741—1748.

De tweede Silezische oorlog tot den vrede van Dresden. 1744—1745. De zeeoorlog tusschen Engeland en Spanje .... 1739—1748. De zevenjarige oorlog tot den vrede van Hubertsburg. 1756—1768.

Karei Albrecht van Beieren verovert Praag en wordt als

koning van Bohemen gekroond............1741.

Hij wordt als keizer Karei VII te Frankrijk aan de Main gekroond .................. 1742—1745.

Tweede Silezische oorlog.............. 1744—1745.

Frederik II verslaat Karei van Lotharingen bij Hohen-

friedberg................... 1745.

Karei VII sterft. — Vrede van Dresden......... 1745.

Frans I.................. 1745—1765.

Het pragmatieke leger onder den hertog van Cumberland verliest den slag bij Fontenai tegen de Franschen onder MauritsvanSaksen............. 1745.

Zeeoorlog tusschen Engeland en Spanje....... 1739—1748.

Vrede van Aken...............18 Oct. 1748.

Verbintenis van Oostenrijk, Frankrijk, Augustus Hl, koning van Polen, en, als Frederik Augustus II, keurvorst van Saksen, Zweden en het Duitsche rijk tegen Pruisen.

Elizabeth keizerin van Rusland.......... 1741—1762.

George II bondgenoot van Frederik II.

Frederik H behaalt bij Praag een zege op Karei van

Lotharingen en Browne........... 1757.

Daun overwint Frederik bij Kollin......... 1757.

Frederik en Seidlitz verslaan de Franschen onderden prins van Soubise en het Duitsche rijksleger onder den prins van Saksen-Hildburghausen bij Roszbach..... 1757.

Frederik II verslaat Karei van Lotharingen en Daun

bij Leuthen.................. 1757.

De Russen behandelen Pruisen als een wingewest..... 1759.

Frederik II zegepraalt bij Künersdorf eerst over den linkervleugel der Russen, doch wordt weldra geheelenal verslagen door Soltikow en Laudon............. 1759.

Hopelooze toestand van Frederik II..........1761.

-ocr page 215-

209

Jaren n. C.

Elizabeth van Rusland sterft. — Peter III haar opvolger . . 1762. Vrede van Rusland en Zweden met Pruisen.

Vrede te Ifuherlshurg..............Febr. 17G3.

§ 76. De zeeoorlog lusuchen Frankrijk en Engeland, geëindigd.

met den vrede van Parijs,......... 1756—1763.

Portugal onder de verdere koningen uit het huis Braganza

en het bestuur van Pomhal......... 1750—1777.

Jozef II, koning van Duitschland uit het huis Lotharingen

of Ilahshurg-Lotharingen, en zijn hervormingen . . 17S0—1790.

Zeeoorlog tusschen Frankrijk en Engeland...... 1756—1763.

Vrede van Parijs................. 1763.

Jozef Emanüel koning van Portugal....... 1750—1777.

Se bas tl a an Jozef van Carvalho, later markies Po nabal, minister. — Aardbeving te Lissabon .... Nov. 1755.

Do orde der Jezuïten in Portugal opgeheven....... 1759.

Frankrijk, Spanje en andere landen volgen dit voorbeeld. —

Clemens XIV (Ganganelli) beft de orde plechtig op . . 1773. Jozef II, als mederegent der Oostenrijksebe landen, onderge-

gescbikt aan Maria Theresïn.......... 1765—1790.

Begin van de regeering van hel huis Lotharingen of Hahshurg-Lotharingen. — Oproer in de Zuidelijke Nederlanden. —

Jozefs opvolger geeft toe............. 1788.

§ 77. De oorlog voor de onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, geëindigd met den vrede van

Versailles,............... 1775—1783.

George Washington en Benjamin Franklin. — De Republiek der dertien Vereenigde Staten.

George III koning van Engeland ........ 1760—1820.

William Penn sticht Pennsylvanië en Philadelphia .... 1681. Het ministerie begint eenige handelsartikels in Amerika met

inkomende rechten te belasten........... 1764.

Een lading thee, groot 342 kisten, door Amerikanen te Boston

over boord geworpen............... 1773.

Het congres te Philadelphia geopend.......4 Sept. 1774.

De oorlog begint............... 1775—1783.

De dertien Staten verklaren zich onafhankelijk...... 1776.

George Washington en Benjamin Franklin.

Franklin bewerkt een verbond met Frankrijk. —La Fayette 1778.

Oorlog tusschen Engeland en de Nederlnnden....... 1780.

Wi.inne . Ouerzicht, 13de druk. W

-ocr page 216-

210

Jaren n. C.

Oabesliste zeeslag bij Doggersbank tusschen Parker en Zoutman ....................1781.

Vrede te Versailles...............Jan. 1783.

De Nederlanders staan oan Engeland Negapatnam af. . . . 1784.

Washington president van 't congres........ 1789—1797.

Washington sterft . ... ............. 1799.

Engeland vestigt een uitgebreid gebied in Oost-Indië op de puinhoopen van de heerschappij der Mongolen en der Franschen,

§ 78. Rusland onder Peter III en Katharma II ... 1762—1796. Stanislaus Poniatowski, koning van Polen .... 1764—1795. Deeerste, de tweedecn de derde deeling van Polen, 1773,1793 en 1795.

Russiseh-Turksche oorlog.......... 1769—1774.

Russisch-Turksche oorlog tol den vrede van Jassy . . 1787—1792.

Peter III door Katharina gevangen genomen en gedood . 1762.

Katharina II................ 1762—1796.

Zij en Prederik II dwingen den Poolschen rijksdag om Stanislaus Poniatowski als koning te verkiezen..... 1764—1795.

Conjoederatie van vele Polen tegen Rusland....... 1768.

Rampspoedige oorlog van Turkije tegen Rusland . . . 1769—1774. Eerste deeling van Polen tusschen Rusland, Pruisen en Oostenrijk 1773. Oorlog tusschen Turkije en Rusland, dat door Jozef II wordt

bijgestaan,................ 1787—1792.

Gregorïus Potemkim de Tauriër.

Vrede van Jassy................. 1792.

De vrijheidlievende Polen dwingen liet Russische leger hun

grondgebied te ontruimen............. 1790.

Thaddaeus Kosciuszko.

Tweede deeling van Polen.............. 1793.

De vaan der onafhankelijkheid wordt wederom in Polen opgestoken ................... 1794.

Persen verslaat Kosciuszko bij Maciejowice . . 10 Oct. 1794. Polen bestaat niet meer. — Derde deeling tusschen de drie

mogendheden................ 1795.

Katharïna II sterft. — Paul I ......... 1796—1801.

§ 79. De Nederlanden sedert den dood van Willem III tot de komst der Pruisen. — Willem IV, de gouvernante en Willem V............... 1702—1787.

Willem II sterft. — liet tiveede stadhouderlooze tijdperk voor de

meeste gewesten................. 1702.

-ocr page 217-

211

Jaren n. C.

Joh an Willem Friso stadhouder van Friesland en Groningen .................. 1696—1711.

Hij verdrinkt aan den Moerdijk............1711.

Willem Karei Hendrik Friso volgt hem in Friesland op 1711.

W. K. H. Friso stadhouder van Groningen.......1718.

W. K. H. Friso stadhouder van Gelderland en Drente . . . 1722.

Heinsius sterft.................. 1720.

De Franschen veroveren Bergen-op-Zoom........ 1774.

W. K. H. Friso wordt als Willem IV ^adhouder van Holland, Zeeland, Utrecht en Overijsel en kapitein-generaal-admiraal der unie.................. 1747—1751.

Willem V. — Anna prinses-gouvernante ....... 1751—1759.

Lodevvijk van Brunswij k-Wolfenbuttel vertegenwoordigt den prins als kapitein-generaal.

Anna sterft. — Wolfenbuttel regent.......... 1759.

Willem V............ 1766—1795, overl. 1806.

De commisie van defensie verzoekt Willems gemalin bij

Goejanverwellessluis haar reis naar Holland te staken . . . 1787.

Frederik Willem II, koning van Pruisen, zendt Karei Ferdinand, regeerend hertog van Brunswijk-Wolfenbuttel, die den stadhouder in zijn gezag herstelt en vele patriotten doet uitwijken................. 1787.

Weder werking .................. 1795.

DERDE TIJDVAK.

Van hel begin der eerste Fransche omwenteling in 1789 tol den aanvang der Nieuwe Geschiedenis in 1815

§ 80. Frankrijk sedert het begin der eerste omwenteling of de opening der constitueerende nationale vergadering tot de eerste zitting der wetgevende vergadering .... 1 Oct. 1789—1791.

Lodewijk XVI koning van Frankrijk........ 1774—1792.

Hij is gehuwd met Marie Antoinette.

Do koningin gehaat bij het meerendeel der Franschen . sinds 1789.

Necker controleur-generaal der financiën................1788.

Bijeenkomst der rijksstenden te Versailles.

Do derde stand verklaart zich tot constitueerende nationale vergadering.................17 Juli 1789.

Bestorming en slooping der bastille........14 Juli 1789.

Uitwijking van velen, o. a. van den graaf van Artois.

-ocr page 218-

212

Jaren n. C.

Dc graaf Mirabeau. — De vergadering verplaatst zich naar Parijs. — Assignaten. — Frankrijk verdeeld in 83 (thans 86) departementen; doel dezer verdeeling.

De vergadering houdt haar zittingen in een zaal nabij de Tui-leriön. — De linker- en de rechterzijde. — De hergpartij. — Robespierre. — De klub der Jakobijnen. — Lodewijk Philips, hertog van Orleans, achterkleinzoon van den regent. — Hij neemt weldra den naam „Egalitéquot; aan.

De koning vlucht met zijn familie, wordt te Varennes aangehouden en naar Parijs teruggebracht.........1791.

De nieuwe of eerste staatsregeling voltooid. — De nationale

vergadering gaat uiteen............Sept. 1793.

§ 81. Frankrijk sinds de opening der wetgevende vergadering. — Dc nationale conventie. — De oorlog van Oostenrijk en

Pruisen tegen de Fransehe Republiek.......in 1792.

Voortgang der omwenteling, terdoodbrenging van Lodewijk

XVI en het schrikbewind..........1 Oct. 1791.

tot in 1794.

Dc wetgevende vergadering.........sedert 1 Oct. 1791.

Dc Girondisten.

Stemming der emigranten te Coblents.

Frans II koning van Duitschland .... 1792—1806, overl. 1835.

Frans II en Frederik Willem II sluiten een verdedigings-verbond.................... 1792.

Lodewijk XVI moet Frans 11 den oorlog verklaren.

Aanval van 't grauw op de Tuileriën. — Hij wordt herhaald

10 Aug. 1792.

De koning zoekt met de zijnen steun bij de wetgevende vergadering. — Hij wordt gevangen gehouden, van zijn waardigheid ontzet en naar den tempeltoren gevoerd. — Vele Zwitsers sneuvelen.

De guillotine. — De Septemberdagen......2—7 Sept. 1792.

De nationale conventie of tweede staatsregeling . . . . 21 Sept. 1792.

D u m o u r i e z verovert bijna geheel België op de Oosten rijkers.

De conventie verklaart het koningschap vervallen en Frankrijk

voor een ondeelbare republiek.

Lodewijk XVI staat terecht voor de conventie. — Hij wordt

ter dood gebracht............'21 Jan. 1793.

De Girondisten vogelvrij verklaard.........Juni 1783.

De Republiek in omwentelingstoestand verklaard . .28 Aug. 1793.

-ocr page 219-

213

.laroh ii. C.

Schrikbewind of terrorisme. — Robespierre aan 't hoofd van hel comité van openbaar welzijn.

De koningin en vele Girondisten onthoofd ....... 1793.

Verdeeldheid onder de leiders: Robespierre en zijn aanhangers ondergaan den dood............28 Juli 1794.

§ 82. De oorlog van de eerste coalitie tegen de Fransche Itc-

publiek................ 1793—1795.

De burgeroorlog in de Vendee en die in de Zuidelijke

departementen van Frankrijk......... 1793—1795.

De derde constitutie of die van het directoire . . 28 Oct. 1795.

Frankrijk verklaart den oorlog aan Groot-Britannië en aan den erfstadhouder der Nederlanden........1 Febr. 1793.

Het verklaart Karei IV, koning van Spanje, den oorlog.

Pitt en de eerste coalitie.

Jourdan overwint Josïas, prins van Koburg, bij Fleurus . . .................. 1794.

Pichegru, door patriotten ingeroepen en omstuwd, trekt de Nederlanden binnen............... 1795.

Willem V scheept zich met zijn familie naar Engeland in.

Pruisen en Spanje sluiten vrede met de Fransche Republiek . 1795.

De bewoners der Vend'ee vatten de wapens op.

Hoche onderwerpt de Vendée............ 1795.

Lodewijk XVII sterft in de gevangenis (althans zoo hij niet diegene is, die onder den naam „Lodewijk XVIIquot; eerst in 1845 te Delft overleed).............. 1795.

Toulon door de Engelschen bezet. — Napoleon Bonaparte —

Toulon ingenomen.................Dcc. 1793.

De derde constitutie, die van het directoire. — Vijf directeuren Oct. 1785.

§ 83. De oorlog tegen de Fransche Republiek in Zuid-Duitschland

en in Italië .............. 1796, 1797.

De vrede van Campo Forrnio.......17 Oct. 1797.

De door Frankrijk opgerichte republieken

Mo re au en Jou r dan rukken van den Rijn, Bonaparte uit

Italië tegen Oostenrijk op............. 1796.

Karei, aartshertog van Oostenrijk, dwingt de beide eerste veldheeren tot terugkeer.

Napoleon Bonaparte of Buonaparte geboren te Ajaccio . . 1796.

Hij dwingt den koning van Sardinië tot vrede.

De Oostenrijkers trekken achter de Po, do Tes.sïno en de Adda terug. — Gevecht bij Lodi.

-ocr page 220-

214

.Taien n. C.

De hertogen van Parma en Modöna, Pi us VI en Ferdinand IV van Napels onderwerpen zich.

Napoleon slaat het beleg voor Mantüa.......Juli 1796.

Napoleon verslaat Alvinzi bij Arcole. — Mantua geeft zich

over..........................................1797.

Vrede van Campo Formio. — Dc Cisalpijnsche Republiek. — De

Ligurische Republiek............17 Oct. 1797-

Dc Romelnsche en de Helvctische Republiek................1798.

§ 84. Dc toch! van Napoleon naar Egypte................1798.

Dc ocrlog der tweede coalitie tegen de Fransehe Republiek

tol den vrede van Luneville en dien van Ami'éns 1798—1801.

en 1802.

Het bewind der consuls in Frankrijk.

Napoleon wordt keizer der Franschen en koning van

Italië................. 1798—180ö.

Napoleon scheept zich naar Agypte in..................1798.

Bonaparte neemt Alexandrië stormenderhand in............1798.

Zege op den bey bij de pyramiden. — Onderwerping van Egypte. 1798.

Nelson vernielt de Fransehe vloot bij Abükir............1798.

Napoleon draagt het opperbevel aan KI eb er op. — Hij landt in Frankrijk...................1799.

De tweede coalitie komt tot stand tusschen Groot-Britannië, Oostenrijk, Rusland, de Porte, Napels en Toskane..........1798.

Kray en Suwarow heroveren Italië..................1799.

De pas ontstane republieken afgeschaft. — Pi us VII wordt

paus..........................................1800.

Poging van Engeland en Rusland om de Bataafsche Republiek aan 't oppergezag van Frankrijk te onttrekken. — De onderneming mislukt..................................1799.

Napoleon werpt het directoire omver....................1799.

Dc vierde constitutie: drie consuls, Napoleon met eenhoofdig

gezag,.................25 Dec. 1799.

Bonaparte wint den slag bij Marengo..................1800.

Moreau verslaat de Oostenrijkers bij Hohenlinden .... 1800.

Vrede te Luneville..............9 Febr. 1801.

Paul I vermoord. — Alexander I keizer van Rusland . 1801—1825.

Napoleon sluit vrede, zoowel met de overige staten, als met Rusland...................1801.

Vrede met do Porte................1801.

Vrede te Ami'éns met Groot-Britannië........Mrt. 1802.

Napoleon wordt levenslang consul van Frankrijk............1802.

-ocr page 221-

215

Jaren n. C.

Napoleon I wordt erfelijk keizer der Franschen . . .18 Mei 1804. Hijzelf kroont zich en Joséphine. — Pius VII zalft hen.

Napoleon krijgt de ijzeren koningskroon van Italië..... 1805.

§ 85. De derde coalilie-oorloy. — De vrede van Presburg. — Napoleon schept rijken voor zijn bloedverwanten. — Het Rijnverbond. — Hernieuwde oorlog van Pruisen tegen Frankrijk lot den vrede van Tilsit. — Het eontinentaal-stelsel................. 1805—1807.

De derde coalitie door Pitt tot stand gebracht tusschen Groot-

Britannië, Oostenrijk, Rusland en Zweden....... 1805.

Napoleon bezet Weenen.............. 1805.

De Oostenrijkers en Kutusow hij Austerlitz door de Franschen verslagen..............2 Dcc. 1805.

Vrede van Presburg tnsschen Napoleon en Frans. . . 26 Dec. 1805. Beieren en Wurtemherg worden koninkrijken .... 1 Jan. 1806. De Bourbon Ferdinand IV van Napels afgezet. — J o z e f B o-

n a p a r t e koning van Napels............ 1805.

Lodewijk Bonaparte koning van Holland....... 1806.

Het Rijnverbond met Napoleon ix\a protector........ 1806.

Frederik Augustus I, vroeger keurvorst, nu koning van Saksen-

sen, voegt zich bij het Rijnverbond,

Het Duitsche rijk lost zich op. — Frans I erfelijk keizer van

Oostenrijk................sedert 1804.

Frans II legt de Duitsche keizerskroon neer.....6 Aug. 1806.

Frederik Willem III koning van Pruisen...... 1797—1840.

Hij verklaart weder den oorlog aan Napoleon .... Oct. 1806. Napoleon overwint den vorst van Hohenlohc bij Jena

14 Oct. 1807.

De meeste vestingen geven zich aan de Franschen over, o. a.

Berlijn..................Oct. 1806.

De Pruisen en Benningscn hij Friedland verslagen .... 1807.

Vrede van Tilsit. — Het koninkrijk Westphalen voor Jéróme

(Hieronymus).................. 1807.

N e 1 s o n vernietigt bij Trafalgar de Fransch-Spaansche zeemacht onder Villeneuve en Gravina . . . .21 Oct. 1805.

Napoleon verordent het continentanlstelsel......... 1806.

§ 86. Napoleon neemt Portugal en Spanje in bezit. — Jozef wordt koning van Spanje, Murat koning van Napels. — De oorlog tegen Napoleon in Spanje. — Vernieuwde krijg van Oostenrijk legen Frankrijk tot den vrede van Weenen of van Sch'ónbrunn. — Napoleons oorlog met Alexander I en zijn tocht naar Rusland........... 1807—1812.

-ocr page 222-

216

Jaren n. C.

Napoleon neemt bezit van Portugal.......... 1807.

Hij ontrukt de kroon van Spanje aan den Bourbon Ferdinand VII. — Jozef koning van Spanje. — Joachim Murat

koniny van Napels................ 1808.

De Spanjaarden staan tegen Napoleon op.

George III, koning van Engeland, verbindt zich met Spanje en zendt een leger onder Arthur Wellesley, sedert 1810 hertog van Wellington. Oostenrijk verklaart Bonaparte op nieuw den oorlog............... 1809.

Aartshertog Karei wint den slag bij Aspern....... 1809.

Hij verliest dien bij Wagram............. 1809.

Andreas Hofer.

Vrede van Weenen of van Schünhrunn........Oct. 1809.

Napoleon scheidt van Josephine. — Hij huwt met Maria Louise. — Hij krijgt een zoon, den koning van Rome, . . 1811.

De koning van Rome sterft te Weenen......... 1832.

Napoleon trekt met bijna een half millioen manschappen over de Nicmen.................Juni 1812.

Hevig gevecht bij Smolensk. — Kutusow verliest den slag bij Borodino of aan de Moskwa.........Sept. 1812.

Napoleon trekt Moslcau binnen.........17 Oct. 1812.

Overtocht over de Berezina......... 26—28 Oct. 1812.

§ 87. De oorlog der hondgenooten en de slag bij Leipzig. — Napoleons val en zijn vertrek naar Elba. — Lodewijk XVIII (Bourbon) koning van Frankrijk. — Het Weener congres. — De terugkomst van Napoleon en zijn laatste oorlog tegen de hondgenooten. — Napoleons val en de tweede Parijsche vrede.................1813—1815..

De Pruisen staan het eerst op. — Frederik Willem III verklaart Frankrijk den oorlog, — De koning van Saksen sluit zich bij Napoleon aan. — Vele andere vorsten rukken zich van het Rijnverbond los.

Vernieuwde oorlog van Frankrijk tegen Rusland, Pruisen, Oostenrijk, Engeland en Zweden.

Oudinot bij Grosz-Beeren door Bernadotte, Macdonald bij de Katzbach door Blücher overwonnen........1813.

Veldslag bij Leipzig, verloren door Napoleon 16, 18 en 19 Oct. 1813.

Het Rijnverbond lost zich op.

Dc erfprins van Oranje keert uit Engeland naar de Nederlanden terug.............30' Nov. 1813.

Wellington overwint Jozef en Jour dan bij Vittoria. —

Spanje gaat voor Frankrijk verloren......21 Juni 1813.,

-ocr page 223-

217

Jaren n. C.

])e vorst van Schwartzenberg en Blüchor trekken over den Rijn.................1814.

Alexander I cn Frederik Willem III houden hun intocht te Parijs................31 Maart 1814.

De senaat verklaart Napoleon Bonaparte vervallen van het keizerschap, — Hij verkrijgt Elba met ruime inkomsten.

Lodewijk XVIII (Bourbon) trekt Parijs binnen . 4 Mei 1814—1824.

Napoleon landt op Elba............4 Mei 1814.

Congres van Wecnen.......1 Nov. 1814—10 Juni 1815.

Napoleon landt bij Cannes...........1 Mrt. 1815.

Lodewijk XVIII wijkt naar Gent.

Napoleon trekt Parijs binnen.........20 Mrt. 1815.

Het congres van Weenen doet hein in den ban ... 13 Mrt. 1815.

Het leger der Engelschen en der Nederlanders staat onder Wellington, het Pruisische onder B1 ü c h e r.

Napoleon verslaat Blücher bij Ligny. — Geregelde aftocht der Pruisen...............16 Juni 1815.

Ney wordt bij Quatre-Bras door den erfprins van Oranje teruggedrongen..............1(1 Juni 1815.

Veldslag bij Waterloo, Belle-Alliance of Mont St. Jean. —

Bulow beslist dien ten nadeele der Franschen . . 18 Juni 1815.

Einde van de regecring der honderd dagen, — Napoleon doet

ten tweeden male afstand van de kroon .... 22 Juni 1815.

Hij geelt zich aan de Engelschen over. — Hij wordt naar St.

Helena overgebracht. — Hudson Lowe. —Napoleon sterft

5 Mei 1821.

Tweede vrede van Parijs............20 Nov. 1815.

L o d e w ij k XVIII aanvaardt weder het bestuur over Frank rij k.

Alexander, Frans I en Frederik Willem Hl sluiten hel heilig verhond................26 Sept. 1815.

§ 88. De Nederlanden onder Willem V. — De Bataafsehe Republiek. — Rutger Jan Schimrnelpenninck. — Lodewijk Napoleon koning van Holland. — De Nederlanden aU deel van Frankrijk. — De Nederlanden en België' als koninkrijk onder Willem. I.........1787—1815.

Willem V.

Overeenkomst met Pruisen en met Engeland, waarbij het erfstadhouderschap wordt gewaarborgd,......... 1788.

Van de Spiegel raadpensionaris.

De Franschen en de patriotten onder Da end cis zakken naar ons land af. — Willem V vertrekt naar Engeland .... 1795.

-ocr page 224-

218

Jaren n. C.

Hij gaat naar Brunsvvijk..............................1800.

Hij sterft.................9 April 1806.

Haagsch verdrag. — De Bataafsche Republiek.....Mei 1795.

Nieuwe staatsregeling.............1 Mei 1798.

Deze staatsregeling door een andere vervangen......1801.

Op bevel van Napoleon wordt een nieuwe constitutie, de derde, afgekondigd. — Ru tg er Jan Schimmelpenninck raadpensionaris ................April 1805.

De vierde consitutie. — Lodewijk Napoleon koning van Holland. — Zijn bewind.............Juli 1806.

Ramp van Leiden .............12 Jan. 1807.

Vrede van Tilsit..................................1807.

Landing der Engelsclien op Walcheren..................1809.

Zeeland, Noord-Brabant, benevens een gedeelte van Gelderland

en een klein deel van Holland komen aan Frankrijk. Lodewijk Napoleon legt de kroon neer ten behoeve van zijn

zoon................. . 1 Juli 1810.

De Nederlanden bij Frankrijk ingelijfd. — Le Brun algemeen stedehouder.

Do Franschen worden uit de Nederlanden verdreven .... 1818.

De graaf van Limburg Stirum, van der Duyn van

Maasdam en van Ho gen dorp.

De beide laatsten en Kemper nemen voorloopig het bestuur des lands op zich.

Willem van Oranje souverein vorst.......2 Dec. 1813.

Willem I, koning der Nederlanden, waartoe van nu aan ook

België en Luik behooren,.............1815.

liet groothertogdom Luxemburg, een van de 30 staten van het Duitsehe verbond, aan Willem I toegevoegd.

-ocr page 225-

KORT OVERZICHT DER NIEUWSTE GESCHIEDENIS.

l/an 1815 fot 1890.

5 89.

Spanje en Portugal.

Voortdurend streefden de volkeren van Europa veelal door herhaalde opstanden naar verbetering van hun toestand. Vooral was dit het geval in Spanje, waar ferdinand vii (zie blz. 187) na den val van Napoleon de regeering wederom had aanvaard. Tegen den wensch der natie hief de koning in 1814 de door de Gortez (afgevaardigden van 't volk) in 1812 ingevoerde staatsregeling op, welke het koninklijk gezag zeer beperkte. Door de toenemende ontevredenheid des volks aangemoedigd, kondigde do luitenand-kolonel Riëgo, bij wien Quiröga, zich aansloot, den lsten Jan. 1820 de constitutie van 1812 weder af, en Ferdinand werd genoodzaakt ze te bezweren. Door toedoen van Metternich, den eersten minister van Oostenrijk, werd in 1822 een congres der Europeesche hoofdmogenheden (e Verona (aan de Etsch) gehouden, waar men Frankrijk gerechtigd verklaarde gewapenderhand in Spanje tusschenbeide te komen. Met behulp van een Fransch leger gelukte het aldus aan Ferdinand VII de constitutie op nieuw af te schaffen en de onbeperkte heerschappij te herstellen. Duizenden werden nu in den kerker gezet, duizenden ter dood gebracht, o. a. Riëgo. Nog tans duurden de woelingen in Spanje steeds voort, zoodat de welvaart van dezen staat nog meer afnam en de toestand zijner geldmiddelen bijna reddeloos werd.

Daar Ferdinand de Salische wet, die het vrouwelijk geslacht van de troonopvolging uitsloot, in Maart 1830 had opgeheven, volgde hem, na zijn dood, den 29ston Sept. 1833, zijn onmondige dochter Isabella ii op onder het regentschap barer moeder Marïa Christina, een dochter van Frans I (zie blz. 223), Ferdinands vierde gemalin. Hierdoor ontstond in de Baskische gewesten, in Navarre, in Catalonië, in Arragon en in Castilië een bloedige burgeroorlog van den kant der aanhangers van Ferdinands broeder don

-ocr page 226-

220

Carlos, die den titel „Karei V, koning van Spanje,quot; aannam. Door ilen steun der streng katholieke partij en der geestelijkheid, alsmede door de overwinningen van zijn ervaren en dapperen generaal Zumala-Carreguy zag Don Carlos zijn partij, de Car listen, weldra in kracht toenemen en geraakten Isabella's zaken in een hachelijken toestand. Maar sedert den dood van Zumala-Carreguy, in 1835, en nadat Espartëro als hoofd van Isabella's partij, de Chrislmo's, was opgetreden, daalde de gelukszon van Don Carlos, zoodat hij in 1889 naar Frankrijk vlood. Gedurende dezen burgeroorlog was de regentes door 't volk en door de soldaten genoodzaakt de constitutie van 1812, hoewel aanmerkelijk gewijzigd in 't voordeel der kroon, weder in te voeren. Espartëro, die bij het einde van den burgeroorlog den bijnaam hertog der overwinning kreeg, werd thans eerste minister en weldra, door den invloed van Groot-Britannië, regent, toen Christina, die de vrijzinnige zienswijze van Espartëro omtrent belangrijke punten dar staatsregeling afkeurde, in 1840 het regentschap nederlcgde en naar Frankrijk vertrok.

Intusschen bleef Spanje's toestand treurig: de financiën verkeerden in volslagen wanorde; de soldij van het leger en de bezoldiging der ambtenaren werden niet uitbetaald, waarvoor zij zich door allerlei afpersingen schadeloos stelden; aan volksonderricht werd schier niet gedacht; rooverbenden doorkruisten het land; de rechterlijke macht was omkoopbaar. Telkens barstten nieuwe oproeren los, en in 1843 moest Espartëro wijken voor Christina's aanhanger, Narvaez. den leider der tegenpartij en ;t hoofd der gematigden. Espartëro ging naar Engeland. Narvaez werd voorzitter van 't ministerie, en de in 1844 meerderjarig verklaarde Isabella huwde in 1846 haar neef Frans van Assis, terwijl Maria Christina in 1844 naar Spanje terugkeerde. Uit dit huwelijk sproot in 1857 een prins, Alphonsus XII. Ofschoon Spanje onder het ministerie Narvaez, hertog van Valencia, een betere toekomst scheen te gemoet te gaan, ondernam een bejaard priester. Merino gehecten, in 1852 een aanslag op het leven der koningin, die echter mislukte. Kort daarna ontstonden nieuwe woelingen van de partij van vooruitgang, met Espartëro aan de spits, die sinds 1854 weder aan 't hoofd van 't ministerie werd geplaatst. Nevens hem oefende later O'Donnell, van wien een oproer was uitgegaan, veel invloed en stond weldra aan 't hoofd der zaken, totdat Narvaez op zijn beurt in 18(55 weder aan 't bewind kwam. Thans zijn beide overleden, terwijl Prim en andere generaals, vroeger door Isabella verbannen, haar in Oct. 18GS de kroon ontrukten en noodzaakten

-ocr page 227-

'221

naar Frankrijk de wijk te nemen. Na een voorloopig bewind van ruim twee jaren werd prins Amadëus, hertog van Aosta (in 't n.w. van Italië, ten n.w. van Turijn), de tweede zoon van Victor Emanuel II, bij meerderheid van stemmen door de Cortoz tot koning verkozen. Met Januari 1871 aanvaardde hij, onder den titel Amadëus I. het bewind. Even voordat hij zijn intocht te Madrid deed, werd Prim, die de ziel was geweest de voorloopige rogeering, in 't laatst van December 1870 bij het verlaten van de vergaderzaal der Cortez door eenige schoten van sluipmoordenaars zwaar gewond en stierf kort daarna.

Van zeer korten duur was de regeering van Amadëus I. Sedert Maart 1872 hervatte de partij der Carlisten den burgeroorlog. Aan haar spits stond, daar Don Carlos of Karei V en zijn zoon Don Carlos, graaf von Montcmolin, die zich „Karei VIIquot; noemde, waren overleden, een kleinzoon van den ccrstgenoemden Don Carlos, de hertog van Madrid, die zichzelf den naam karei, v i i gaf. Ziende, dat hij met de hem ten dienste staande middelen het door innerlijke verdeeldheden geschokte land niet kon regeeren, deed Amadëus in Februari 1873 afstand van den troon en scheepte zich naar Italië in. Van dat oogenblik af werd Spanje een Republiek, waarin de eene president den andoren verdrong, totdat in December 1874 do zoon van Frans van Assis en van Isabella, alphonsus xii, prins van asturik, als koning werd uitgeroepen.

Niet veel beter dan in Spanje ging het met Portugal. Koning joh an vi bleef in hot door hem tot een koninkrijk verheven Brazilië, waarheen hij zich in 1807 (zie blz. 187) had begeven, en in zijn naam oefende de Engelsche maarschalk Beresford in Portugal een bijna onbeperkt gezag. Doch een ook hier bestaande vrijzinnige partij bewerkte een omwenteling, zoodat Beresford zich moest verwijderen en de Spaansche constitutie in 1821 mede in Portugal werd ingevoerd, terwijl Johan VI naar dit land terugkeerde. In 1822 scheurde zich Brazilië van Portugal los en vormde sedert 1824 een onafhankelijk keizerrijk onder Johans oudsten zoon peter i. Na den dood van Johan VI, in Maart 1826. schonk Peter aan Portugal de vrijzinnige Braziliaansche staatsregeling en deed afstand van do kroon ten behoeve zijner dochter Maria da gloria, onder voorwaarde dat zij zijn broeder Miguel huwde, tewijl hijzelf keizer van Brazilië bleef. Maar Miguel, tevens regent gedurende de minderjarigheid van Maria, hief, in weerwil van den door hem afgelegden eed, in 1828 de constitutie op en liet zich door de Cortez tot onbeperkt koning van Portugal verklaren.

-ocr page 228-

222

Terwijl Miguel vreeselijke gewelddadigheden tegen zijn tegenstanders beging, kwamen dc constitutioneelen of voorstanders der staatsregeling in 1830 op Terceira (een der Azorische eilanden) bijeen, waar zij een regentschap voor koningin Maria instelden. Aan het hoofd hiervan plaatste zich haar vader Peter, toen hij, na de kroon van Brazilië ton behoeve van zijn onmondigen zoon, peter ii, te hebben nedorgelegd, in 1832 naar Europa was teruggekeerd. Oporto opende hem haar poorten, en na eenige beslissende overwinningen op Miguel te hebben behaald hield hij in 1833 zijn intocht te Lissabon. Onmiddellijk daarna moest Miguel Portugal verlaten, en nu aanvaardde marïa ii, na den dood haars vaders, in 1834 de regeering. Zij huwde hierop met den prins van Lclichtenberg, den oudsten zoon van Napoleons stiefzoon Eugenius Beauharnais, en, na zijn dood, in 1836, met prins Ferdinand van Saksen-Koburg. Met behulp van de gematigde liberalen of chartisten, d.i. voorstanders der staatsregeling van Peter, slaagde de koningin er in om in 1842 deze staatsregeling in plaats van die van 1821, haar kort tevoren opgedrongen, te stellen. Da Cost a Cabral, het hoofd dier partij, werd nu minister van binnenlandscho zaken. Doch zijn willekeurige maatregelen, gevoegd bij do verkwisting van 's lands inkomsten, gaven aanleiding tot verschillende opstanden, tengevolge waarvan hij in 1851 uit Portugal moest vluchten. Toen trad de maarschalk Saldanha (overleden in 1876) aan 't hoofd van een nieuw ministerie op en bracht met moeite eenige orde in 't beheer der geldmiddelen. In 1833 overleed koningin Maria, waarop dc koning het regentschap aanvaardde voor zijn in 1837 geboren zoon peter v, die sedert 1855 als koning van Portugal de kroon droeg en met wien dus het huis Bra-ganza-Kóburg begon. Zijn regeering duurde slecht kort. Reeds in 1861 stierf hij. Op hem volgde zijn broeder lodewijk i, op dezen in 1889 zijn zoon ka rel onder den naam dox carl os i.

§ 90.

Italië.

Evenals Spanje en Portugal werden verschillende staten van Italië door oproeren geschokt. Een geheim genootschap van de volkspartij, Carbonari geheeten, dewijl zijn leden zich van de zegswijzen der kolenbranders bedienden, trachtte vooral in Napels en in Piëmont naar omverwerping der bestaande orde van zaken, die echter in 1821 werd

-ocr page 229-

hersteld door de Oostenrijksche troepen, welke op last van 't heilig verbond Italië waren binnengerukt. In Napels of in 't koninkrijk der heide Sicilien volgde in 1825 op Ferdinand I (vroeger Ferdinand IV, zie bl/,. 183) zijn zoon frans i, na wiens dood (1830) zijn zoon Ferdinand ii den troon beklom. In 't eerst viel dezen koning in ruime mate de liefde des volks ten deel als belooning voor de vele maatregelen, die hij ter bevordering van den bloei des land nam. Maar weldra wisselde dit blijde begin met stormachtige tijden af: od Sicilië ontstonden bij herhaling gevaarlijke oproeren, die eerst in 1840 werden gedempt. Sinds dien tijd als een wingewest behandeld, leed dit eiland, behalve door de vervolging der staatsmisdadigers, veel door aardbevingen en door een uitbarsting van den Aetna in 1852. Ferdinand II overleed in 1859 en werd opgevolgd door frans ii.

Zeer kort duurde het bewind van dezen jeugdigen koping. Ternauwernood had hij den troon bestegen, of Giuseppe (Jozef) Garibaldi, een Italiaan, die vroeger in Zuid-Amerika in de oorlogen voor de vestiging der republieken in dat werelddeel (zie beneden § 95) medegestreden en sinds 1849 als aanvoerder eener schaar repu-blikeinsche krijgslieden in Italië tegen Oostenrijk naam gemaakt had, verliet zijn woonplaats, het kleine rotsachtige eiland Caprëra (tus-schen Sardinië en Korsika), stelde zich in Mei 1860 aan 't hoofd van een bende in haast bijeengebracht krijgsvolk, landde in 't rijk van den koning van Napels en ontrukte het hem. Den 7llen Nov. 1860 werd het koninkrijk der beide Siciliën krachtens een volksstemming met Sardinië vereen igd.

In Sardinië regeerde na karel f.elix (1821—1881) karel ai.bert, met wien een nieuwe tak van lid huis van Savoye, die van Carignan (ten z. van Turijn), op den troon kwam. Gedurende de regeering van dezen vorst was geheel Italië ter prooi aan woelingen, welker oorzaak deels in den afkeer van Oostenrijks opperheerschappij over de Lombardijnsch-Venetiaansche staten, deels in de bij een groot deel der bevolking weerklank vindende hevig republikeinsche gezindheid van Giuseppe Mazzïni, een advokaat uit Genua, overleden 1872, en van andere volksleiders is te zoeken. Gelijk echter de Oostenrijksche veldmaarschalk Radetzky alom met krachtige hand de rust herstelde, zoo overwon hij ook, toen er een oorlog was ontstaan tus-schen Oostenrijk en Sardinië, in 1849 bij Novara (in Sardinië, ten w. van Milaan) Karei Albert, die hierop de kroon aan zijn zoon, victor emanüel ii, afstond en kort daarna te Oporto (in Portugal) overleed. De ziel van zijn bewind was graaf camillo ren so van

-ocr page 230-

224

'Cavour, in 1810 geboren te Turijn, die van November 1852 tot zijn dood, in Juni 1861, het hoofd was van zijn ministerie. Onder zijn leiding vocht een goed doel van Italië zich vrij van de heerschappij van Oostenrijk en had de aanhechting van Midden- en Zuid-Italië aan het koninkrijk Sardinië plaats.

Paus Pius VII (zie blz. 184), die de orde der Jezuïten in 1814 herstelde, overleed in 1823, en 't bestuur zijner opvolgers, bovenal dat van Gregorius XVI, werd door menige worsteling met hun onderdanen, de bewoners van den Kerkelijken Staat, gekenmerkt. In 184B overleed Gregorius, en Ferretti, die bij 't woeden der cholera, in 1836, Napels' reddende engel was geweest, werd als Pi us IX paus. De nieuwe paus heette Joh an M aria en was in 1792 gesproten uit het huis der graven Massaï-Ferretti. In den beginne nam hij vele vrijzinnige maatregelen; doch sedert Rossi, een Italiaan, even afkeerig van de priesterheerschappij, als van een volksregeering, in September 1848 aan 't hoofd van zijn ministerie optrad, sloeg men den tegengestelden weg in. Hierop viel Rossi in 't zelfde jaar door sluipmoord; een geweldig oproer barstte los, en de paus vluchtte naar Gaëta (in 't n.w. vanNapels, aan zee). Eerst in 1850 keerde hij naar Rome terug cn aanvaardde de regeering weder, voortdurend ondersteund door een Fransch leger, dat Rome steeds bezet hield, maar in 't laatst van 1866 is vertrokken, hoewel in 't volgende jaar voor kort op nieuw door een ander vervangen.

Gelijk in 't koninkrijk der beide Siciliön hebben in de laatste jaren ook in Noord-Italië groote veranderingen plaats geprepen. In Maart 1860 werden Toskane, Panna en Modena met Sardinië ver-eenigd. Verder breidde deze staat zijn grondgebied uit door een oorlog, dien het, bijgestaan door Frankrijk, tegen Oostenrijk voerde. Bij •dc vredespraeliminairen van Villa-Franca (ten z. van Verona), bekrachtigd door den vrede van Zurich, den 10,len Nov. 1859 gesloten, verkreeg Sardinië Lombardije, met uitzondering van een deel der provincie Mantua, waardoor Oostenrijk van zijn Italiaansche bezittingen alleen het gebied van Mantua en dat van Venetië behield. Eindelijk breidde de reeds zoo aanmerkelijk vergroote staat zijn grenzen nog uit ten koste van den Kerkelijken Staat, welks provinciën in 1860 grootendeels bij Sardinië werden ingelijfd. Slechts wat ten w. ligt van de Appennijnen werd den paus gelaten.

In vergelijking met deze belangrijke aanwinsten was het verlies van grondgebied gering te achten, dat Sardinië in Maart 1860 leed door Savoye en Nizza aan Frankrijk af te staan. Te lichter was dit ofier,

-ocr page 231-

225

-^aartlx ook datgene, wat de vrede van Zürich nog aan Oostenrijk had gelaten, door den loop van den korten, maar beslisscnden oorlog, in den zotner van 18G6 tusschen Oostenrijk en Pruisen gevoerd, aan Sardinië is gekomen, of liever aan hel koninkrijk Italië, zooals sedert 18(11 het rijk van Victor Emanuel II heet. Van nu af werd Florence de hoofdstad van het nieuwe rijk en bleef dit tot December 1870, toen hetgeen er nog overig was van don Kerkelijken Staat aan 't gcheele rijk Italië werd toegevoegd en Rome, na in September door de troepen van Victor Emanuel te zijn vermeesterd, de plaats van Florence verving. Dus was dan, sinds het begin van 1871, de eenheid van Italië voltooid en de paus van al zijn wereldlijke macht beroofd, terwijl de gang van den oorlog tusschen Frankrijk en Pruisen in 1870 en in 1871 voor goed een einde maakte aan alle ininen-ging van de zijde van Napoleon III en van Frankrijk. Als hoofd der katholieke kerk heeft evenwel do paus in het Vaticaan zijn zetel behouden. Na den dood van Pius IX in Februari 1878 is ook zijn opvolger, kardinaal Pecci, die den naam Leo XIII aannam, het gaan bewonen. Eén maand vroeger. Januari 1878, was dc koning van Italië, Victor Emanuel II, overleden, in wiens plaats zijn oudste zoon, Humbert I, den troon beklom. In Juni 1882 stierf Garibaldi.

§ 91.

Duitschland, Zwitserland, Denemarken.

In Duitschland hcerschten sedert 1815 twee hoofddenkbeelden, waarvoor velen zeer ijverden; eenheid van 'lt; vaderland en regeering hij vertegenwoordiging der enkele staten. Op 't voorbeeld van het naburige Frankrijk ontstonden in 1830 en in de volgende jaren in verscheidene staten, zooals in Keur-Hessen, in het groothertogdom Hessen, in Brunswijk, in het koninkrijk Saksen en elders, onlusten, die gedeeltelijk door het toegeven aan de eischen der ontevredenen werden gestild, gedeeltelijk met geweld bedwongen. De volgende troonsveranderingen hadden in Duitschland plaats: Oostenrijks kroon ging in 1835, naden dood van Frans I (zie blz. 179 en 186), op zijn oudsten zoon Ferdinand i over, door wien zij in 1848 aan zijn neef frans jozef i werd afgestaan. Fred er ik willem iv volgde in 1840 in Pruisen op Frederik Willem III (zie blz. 186). Na zijn dood besteeg zijn broeder, willem i, in 1861 den troon, na sinds 1858, gedurende de langdurige ongesteldheid van Frederik Willem IV, als regent het rijk Wijnne, Oucrzicht, i3dc druk, '15

-ocr page 232-

22ö

te hel)bon bestuurd. Hij overleed in Maart 1888 en werd opgevolgd door zijn zoon F red krik iii, niet alleen als koning, maar ook (zie blz. 241) als keizer. Reeds in Juni van 't zelfde jaar overleed ook Frederik. Hem volgde op zijn zoon willem ii. In Maart 1890 trad von Bismarck af als rijkskanselier en als hoofd van 't Pruisisch ministerie. Hij werd vervangen door Caprivi. Koning Frederik Augustus I van Saksen (zie blz. 186) werd in 1827 door zijn broeder Anton, deze vorst in 1836 door zijn neef, fredeuik augustus ii, opgevolgd, die in 1854 is overleden en zijn broeder joh an i tot opvolger had, na wiens dood, in October 1873, zijn zoon, albert i, den troon beklom. Beieren kreeg in 1862, na 't overlijden van MAXiMiLiAAN i jozef, zijn zoon, LODEWUK i, als koning, op wien in 1848 zijn zoon maximiliaan ii jozef volgde, die in 1864 wederom werd opgevolgd door zijn zoon lode wijk ii die in 1886 overleed. Als regent voor zijn minderjarigen zoon Lode wijk trad nu op prins Lu it po ld. In 1816 liet frederik i de kroon van Wurtem-berg na aan zijn zoon, willem i, die in 1864 werd vervangen door zijn zoon, ka rel i. Karei I overleed in 1891 en had tot opvolger zijn neef Willem, als koning willem ii.

In 1848 trachtte Heek er en Struve in Baden een omwenteling te bewerken, waarin zij echter spoedig werden gestuit. Iets dergelijks greep in de meeste andere staten plaats, In Oostenrijk trad in 't zelfde jaar de grijze minister Metternich af, en nu gaf de keizer aan veler verlangen toe, zoodat de staat een grondwet kreeg. Desniettegenstaande moest de keizer wegens een gevaarlijken opstand Weenen weldra verlaten, dat op 't eind van 1848 door Windischgriitz werd ingenomen. Den 2den Dcc. legde Ferdinand de kroon neer en kreeg zijn neef, frans jozek i, een zoon van den tweeden zoon van Frans I, tot opvolger. Eer hij nog het bewind had aanvaard, brak ook een oproer in Hongarije los, waar Lode wijk Kossuth aan 't hoofd stond en Arthur Georgci, Klapka en Bem als generaals de troepen aanvoerden. Vruchteloos bestreed hen Windischgriitz met Jellaehich, han (bestuurder) van Kroatië, en met andere zijner onderbevelhebbers. Alom zegevierden de Hongaarsche wapenen, en eerst toen de keizer van Oostenrijk door een groot Russisch leger onder Paskewitsch werd ondersteund en hij Hay na u aan 't hoofd zijner eigen krijgsbenden plaatste, moest Hongarije zich onderwerpen. Vele edele Hongaren boetten met hun leven voor den mislukten kampstrijd.

Het jaar 1848 zag ook Pruisen door den stroom der omwenteling

-ocr page 233-

0,27

medcgesleept: de lioofdstad Berlijn zelve stond op en werd slechts met geweld van wapenen bedwongen. Te midden van al deze onrust werd, 184S—1849, te Frankjort aan de Main, onder 't voorzitterschap van Hendrik von Gagern, een vergadering van afgevaardigden uit geheel Duitschland gehouden, die Joh an, aartshertog van Oostenrijk, als rijksbestuurder verkoos en liierdoor de eenheid vaa het Duitsche rijk trachtte te herstellen. Maar zij ging uiteen zonder haar taak te hebben volbracht, waarop Johan zijn waardigheid weldra weer nederlegde.

Sedert 1830 was ook Zwitserland het tooneel van oproerige bewegingen, die hier des te aanhoudender voortduurden, doordien dit land een vrijplaats schonk aan de vluchtelingen, om redenen van staat van elders verdreven, welke er onder de namen „het jonge Duitschland „het jonge Italiëquot; en dergelijke hun vereenigingen stichtten. Gelijk die van Bern werden de staatsregelingen der meeste kantons meer in den geest der volksregeering gewijzigd. Een tweede oorzaak van verdeeldheid kwam in Zwitserland uit de .lezuïten voort, die er overal het protestantisme zochten te verdringen. In 1847 ontstond zelfs een burgeroorlog tusschen de protestantsche en de katholieke kantons, waarin de generaal der eersten, D u fo u r, de benden der tegenparij bij herhaling overwon en do Jezuïten dien ten gevolge het land moesten verlaten.

Een buitenlandschen oorlog voerde Duitschland ter ondersteuning van Sleeswijk-Holstein, dat na den dood van ciikisïiaan viii, koning van Denemarken (1839—1848), met zijn zoon en opvolger, fredebik vu, in strijd was geraakt. Twee veldtochten ondernamen de Duitschers tegen Denemarken, een in 1848, een ander in 1849, beide zonder gewichtige gevolgen. Toen vervolgens Pruisen en Oostenrijk geheel met de eischen van Denemarken overeenstemden, bleef er voor Sleeswijk-IIolslein niets over dan zich in 1851 aan Frederik VII te onderwerpen. Maar in 18G3 begon de strijd op nieuw. Ternauwernood was Frederik VII overleden en zijn neef chbistiaan ix hem opgevolgd, of Pruisen en Oostenrijk namen er weldra deel aan en werden de hoofdvijanden van Denemarken, dat in 1864 werd gedwongen vrede te sluiten en zoo goed als geheel Sleeswijk-Holstein, benevens Lauenburg, aan de overwinnaars af te staan.

Doch thans moest over het toekomstige lot van de afgestane landen worden beslist. Weldra openbaarde zich hierover verschil van zienswijze tusschen Pruisen en Oostenrijk. Dit gaf nieuw voedsel aan de oude verdeeldheid, die nopens de vraag bestond, welke dezer beide

-ocr page 234-

228

mogendheden de eerste in Duitschland zou zijn. Zóó ontbrandde in den zomer van 18G6 de oorlog tussehen Oostenrijk, bijgestaan door Beieren, door Wurtemberg, door Hannover, door Saksen en door andere Duitschc staten, en Pruisen, hetwelk door het koninkrijk Italië werd ondersteund en verheugd was een gelegenheid te vinden om het gehate Oostenrijk te kunnen aanvallen. In een oogwenk bezette Pruisen Hannover, Dresden en Hessen-Kassei. Ook Prankfott aan de Main bezweek in 't midden van Juli 1866.

Middelerwijl wonnen de Pruisen, aangevoerd door den kroonprins en door 's konings neef, in Bohemen een reeks van slagen. Eindelijk leverden zij den 4,loil .Juli tussehen Koniggriitz en Sadöwa (in 't o. van Bohemen, ten n. van Pardubitz) den hoofdslag, waarin zij den bevelhebber van het Oostenrijksche leger. Benedeck, een verpletterende nederlaag toebrachten. Do man, wien Pruisen al die overwinningen is verschuldigd, is generaal von Moltke, een Deen, die het geheele plan had ontworpen en in 1891 is overleden. Naast hem heeft Pruisen de alom behaalde zegepralen te danken aan het hoofdwapen zijner soldaten, het naaldgeweer, dat met verbazende snelheid de schoten op elkander laat volgen en op verre afstanden treft. Het leger van het Duitschc verbond deed niets.

Slechts over den anderen vijand, de Italianen, zegevierde Oostenrijk, zoowel te land bij Custozza (ten z.w. van Verona), als ter zee bij Lissa (een eiland in 't midden van de Adriatische zee). Intus-schen rukten de Pruisen voort en stonden reeds tot dicht voor dc poorten van Weenen, toen de vrede tot stand kwam. Hij werd in Augustus te Praag gesloten cn behelsde de volgende voorwaarden: de vernietiging van het Duitsche verbond; de toestemming van Oostenrijk tot zijn uitsluiting uit Duitschland en tot de oprichting van een Noord-Duitsch verbond, waarvan Pruisen het hoofd is; afstand der rechten van den keizer van Oostenrijk op Slcesvvijk en op Hol-stein aan den koning van Pruisen, Weldra sloten nu ook dc overige oorlogvoerende mogendheden vrede. Ten behoeve van het koninkrijk Italië (zie blz. 225) zag Oostenrijk van Venetië en van Mantua af. Het liet deze steden aan den keizer van Frankrijk over, waarop een volksstemming besliste, dat zij met het koninkrijk Italië zouden worden vercenigd. Reeds in October lijfde de rijkskanselier von Bismarck Hannover, Hessen-Kassei, Nassau en Frankfort aan dc Main bij Pruisen in, terwijl hij Saksen zoo nauw aan Pruisen verbond, dat het zijn zelfstandigheid zoo goed als geheel verloor.

-ocr page 235-

229

§ 92.

Zn-eden, Groot-Brilanni'è, Rusland en Turkije. — Grieken lands bevrijding. — De oorlog van Itmland tegen Turkije en tegin de verbonden mogendheden, 1858—1856. — De oorlog van Rusland legen Turkije, 1877—1878.

In '/weden, waarmede Noorwegen sedert 1814 is verbonden, besiecg Bcrnadotto (zie blz. 189) in 1818, onder den titel kakel xiv jan, den troon, en na hem in 1844 zijn zoon oskvr i. Den l8'™ Januari 1849 werd de rogeering over Noorwegen aan een onderkoning, later kroonprins Karei, opgedragen, die sinds don 8sten Juli 1859, het tijdsti]) van den dood zijns vaders, als kabel xv do kroon droeg. Hij overleed in 1872 en werd opgevolgd door zijn brooder Oskar II.

Toen George III (zie blz. 171) in 1820 was overleden, volgde hein geo koe iv, als koning van Groot■Britannié, op. Voortdurend word in dit rijk aan de verbetering der constitutie gewerkt. Zoo zette Wellington als minister in 1829 de emancipatie of gelijkstelling in rechten der katholieken door, welke wet ook op Ierland werd toegepast door dc bemoeiingen van O'Conne 11, een eenvoudig zaakwaarnemer, die onder de Ieren, voorheen aan traagheid en dronkenschap overgegeven , een aanmerkelijke hervorming te weeg bracht. In 18o3 ging de wetsvoordracht van Stanley door, waardoor de slavernij in do Engelsche volkplantingen word afgeschaft. Do nieuwe begrippen van staathuishoudkunde, die zich deden geldon, haddon hel afschalJ'en der inkomende en der uitgaande rechten op het koren tengevolge, een maatregel, waardoor de uitstekende minister Robert Peel zich in 18-1(5 groote verdiensten jegens zijn vaderland verwierf.

Inmiddels was George IV in 1830 overleden on door zijn broeder Willem iv opgevolgd. Deze koning liet in 1837 dc kroon na aan zijn nicht victoria, die in 1840 met prins Albert van Saksen-Koburg huwde, terwijl sedert Willems dood zijn broeder, ernst august, in Hannover regeerde, waar do salisehc wet omtrent do opvolging gold, bij wiens dood, in 1851, zijn zoon george v cr het bewind aanvaardde. Onder de beroemdste ministers, die na Peel optraden, behooron Russell en Palmerston te worden genoemd wier beheer mot vele moeilijkheden had to kampen, inzonderheid doordien Ierland zeer was verarmd en door landverhuizing ontvolkt. In 1850 en in 1852 verloor Engeland twee zijner groote staatsmannen.

-ocr page 236-

280

Pcol cn Wellington, in 1861 den prins-generaal Albert. Gedurende Victoria's bewind voerde Engeland Tniitenlandsehe oorlogen tegen Afghanistan en tegen Pendsjab, van welke landen hot eerste, hoewel slechts voor kort, werd bedwongen, het tweede in 1849 onderworpen; tegen Sina, dat in 1842 een nadeeli gen vrede sloot, en tegen de Kaffers in Z. Afrika, die in 1853 weiden bedwongen. Zijn bandels-en fabricksgrootheid ontvouwde Engelsand op dc eerste wereld-tentoonstelling, in 1851 in het kristallen paleis te Londen gehouden, gevolgd door een tweede in 1862. In 1857 had het een goduchten opstand te bestrijden in Indic. Sinds echter Delhi (in bengalen), de hoofdzetel van 't oproer, in Sept. 1857 voor de kracht der Britseho wapens bezweek, gelukte het de regeering het land allengs weer aan zich te onderwerpen. Ruim twintig jaren daturna, in 1878, ving Engeland op nieuw een krijg aan in Azië tegen. Afghanistan, na kort tevoren in 't z. van Afrika de Transvaalsehe Republiek te hebben ingelijfd. In don loop van 1881 herkreeg echter deze Republiek bijna geheel haar zelfstandigheid.

In Rusland besteeg nikot,aas i, na den dood zijns broeders Alexander (zie blz. 184, 185), in 1825 den troon. Den 14den April 1S28 verklaarde bij aan mahmoud ii, sultan van Turkije(1808—1839), den oorlog. De Russische veldheer Wittgen stein bezette Moldavië en Wal-lacbije. Zijn opvolger Diebitseh trok over den Balkan en veroverde Hadrianopel. Bij den vrede van Hadrianopel, den 14den Sept. 1829, stond Turkije niet alleen do eilanden aan den. mond van den Donau aan Rusland af, maar gunde ook aan dit rijl-c een overwegenden invloed op Moldavië cn Wallachijc. Ook tegen Pexzië voerde Rusland een gelukkigen oorlog, die in 1828 eindigde. .Zoowel uit den pas gevoerden oorlog als anderszins was het verval vsin het Turksche rijk zichtbaar. Tevergeefs zocht Mahmoud II den toestand van Turkije te verbeteren door dc Janitscharen in 182('gt; over de kling te jagen en door menige hervorming, die den staat meer in o-vereenstemming bracht met het overige Europa. Bovenal vertoonde zdch de zwakheid der Porto in haar herhaalde oorlogen met MeheirM.ed Ali, sedert 1806 pascha of stedehouder van Egypte. Zoo gelukkig streed Mehcmed Ali tegen den sultan, dat de Porte don steun der gr-ootc mogendheden van Europa moest inroepen om Mehemed Ali te noodzaken in 1841 de opperhoogheid van Turkije weer te erkennen en zich met het erfelijk stedehouderschap over Egypte te vergenoegen, Reeds vroeger, in 1839, was Mahmoud II overleden en zijn oudste zoon abdul medschid hem opgevolgd, die tot 1861 regeerde. NT a hem aanvaardde Mahmouds

-ocr page 237-

231

zoon, Abdul A/, is, het bo wind, die in 187(1 werd onttroond. Sedert Augustus van 't zelfde jaar regeert als sultan Abdul II a mid. Gelijk zijn voorgangers bad ook Abdul Azis aanhoudend te strijden tegen do zucbt naar onaibankelijkbeid van den onderkoning van Egypte, Ismaël, onder wiens bestuur, in 1869, de doorgraving van hel kanaal van Suez volgens 't ontwerp van de Lesseps is voltooid. In 1879 werd Ismaël door den sultan afgezet en vervangen door zijn zoon, Tcwfik, die in 1892 overleed en werd opgevolgd door zijn zoon aijbas.

Een der gewichtigste gebeurtenissen uit deze eeuw is de herstelling van bet oude Griekenland als een zelfstandigen staat. Sedert de Grieken, Christenen zijnde, onder het juk der Turksch-Mohammedaansehe heerschappij zuchtten, hadden zij dit herhaalde malen vruchteloos trachten af te werpen. Wederom rustten zij zich sedert 1814 door bet oprichten eener groote vereeniging, de helaeric der onderling hc-vrienden, toe om zich aan dc heerschappij der Turken te onttrekken. In 1821 begon de strijd, en in Jan. 1822 kondigde een congres der Grieken te Epidaurus (in 't n.o. van Morca) de onafhankelijkheid der Grieksche natie af en voerde een republikeinsche staatsregeling in. Voorspoedig streden de Grieken jaren achtereen in eigenlijk Griekenland, waaruit zij onder dappere aanvoerders, als Odysseus en Miaulis, bijna overal de Turken verjoegen. Ter bevestiging der nog wankelende onifbankelijkiieid stelde men in 1827 graaf Capo d'Istrias als voorzitter van Griekenland aan. Toen een Egyptisch leger in 1825 onder den hard vocht igen Ibrahim, den stiefzoon van Mehemed Ali, in Morea landde en de zaak der vrijheid, mede door de oneenigheid der Grieken, op nieuw in groot gevaar word gebracht, kwamen dc groote mogendheden eindelijk het verdrukte volk te hulp. De Engclscho minister Canning overreedde Rusland en Frankrijk om te dien behoeve in 1827 met Groot-Britannic het verdrag van Londen te sluiten. Den 20tl!n Oct. 1827 vernietigden nu de verecnigde vloten der drie mogendheden onder bevel van den admiraal Codring-ton de Turkscb-Egyptische vloot in de haven van Navarïno (in 't z.w. van Morea), en oen Franscb leger noodzaakte in't volgende jaar de Egyptenaren dit schiereiland te ontruimen.

Kort daarna werd Griekenland door de verbonden mogendheden voor een van de Porto geheel onafbankelijkon staat verklaard, waarvoor zij prins Leopold van Saksen-Koburg, een oom van Albert (zie blz. 229), tot souvereinon vorst bestemden. Hij sloeg evenwel do bom toegedachte waardigheid af. Nog lang bleef Griekenland echter ten prooi aan verdeeldheden. Zelfs werd Capo d'Istrias in 1881

-ocr page 238-

232

door zijn tegenstanders uit den weg geruimd. Tn 't volgende jaur wezen de staten, die de herstelling van Griekenland op zich haddon genomen, den troon van Griekenland toe aan prins otto van beieren, uit het huis Willelshach, die de kroon droeg tot 1862, toen het volk ze hem ontrukte. Tn 1863 verkoos de nationale vergadering George i, een zoon van Christiaan IX, koning van Denemarken, als koning van Griekenland, met welk land de Ionische eilanden tevens werden vereenigd.

Evenzeer is voorzeker een der hoofdgebeurtenissen van deze eeuw de Russiseh-Turksche oorlog, in de tweede helft van 1853 begonnen. Toen keizer Nikolaas door zijn gezant Mentschikow het patronaat of beschermheerschap over alle Gricksche onderdanen der Porto vroeg en andere eischen deed, waaraan de Turken, wilden zij hun zelfstandigheid behouden, meenden niet te kunnen voldoen, barstte de krijg weldra los. Ruslands troepen rukten Moldavië en Wallach ijc binnen en gedroegen zich daar als heeren des lands. Na lange onderhandelingen verklaarden Frankrijk en Engeland den czaar in 1854 den oorlog, en in 't zelfde jaar dwong Oostenrijk de Russische troepen de Donau-vorstendommen te ontruimen. Hierop onttrok Oostenrijk zich aan den oorlog; maar het getal van Ruslands vijanden werd in Jan. 1855 met Sardinië vermeerderd. In den winter 1854—55 hielden gezanten van de oorlogvoerende mogendheden te Wcenen een conferentie om den vrede te treffen, doch zonder gewenscht gevolg.

Den 14jcquot; Sept. 1854 landden de legers der geallieerden in de Krim, waarop alhier de vijandelijkheden begonnen met den slag bij de Alma (20 Sept.), dien do bondgenooten wonnen, gelijk mede dien bij Inkermann, den 5den Nov. Inmiddels had men van den 17dei1 Oct. af bet beleg geslagen voor de vesting Sebastopol, welker zuidelijk gedeelte, na een hoogst moeielijk beleg en na tallooze offers van weerszijden, den 8sten Sept. 1855 werd ingenomen. Onder de duizenden gevallenen bchooren do Fransche maarschalk de Saint-Arnaud, die kort na den slag bij de Alma aan de cholera overleed, en de Engelscho opperbevelhebber Raglan te worden genoemd. Na de Saint-Arnaud voerde Canrobert de Fransche legerbenden aan. in wiens plaats Pélissier later kwam, die er in slaagde de sterke en door Tott-leben met bewonderingswaardige volharding en beleid verdedigde vesting in te nemen. Aan 't hoofd der Engelscben stond na Raglan Simpson, terwijl de Turken door Om cr-Pa scha, de Sardiniërs door de la Marmora, de Russen door Gortsehakoff werden aangevoerd. Te midden van den oorlog overleed keizer Nikolaas I, den

-ocr page 239-

233

2Jen Maart 1855. Zijn zoon on opvolger a lex ander ii erfde met liet rijk dezen oorlog, die echter don 30sten Maart 1856 bij den vrede te Parijs eindigde, waarbij het protectoraat van Rusland over do Donau-vorstendommen werd opgeheven en hun een zelfstandig bestaan gewaarborgd.

Een nieuwe Russisch-Turksche oorlog brak uit in 1877. Hij eindigde ten nadcele van Turkije met den vrede Ie Berlijn, 13 Juli 1878, die den band verbrak, welke tot dusver had bestaan tusschen Turkije en verscheidene omliggende vorstendommen en een deel van Bulgarije (ten z. van don Donau, ten w. van de Zwarte Zee) tot oen zelfstandig vorstendom maakte onder de leenhoogheid van Turkije. In dat vorstendom koos men in 1879 Alexander !, uit Hessen-Darmstadt, als vorst, die in 1886 afstand deed en in 1887 werd opgevolgd door Ferdinand 1 uit Sakscn-Koburg-Gotha. Ln Rumenië, dat in 1878 een onafhankelijk vorstendom werd, regeert ka rel ii uit het huis Hohenzollern, die sedert 188] den titel „koning van Rumeniëquot; voert.

Ruim twee jaar na den vrede viel de keizer van Rusland als het offer van een lagen aanslag op zijn loven in Maart 1881. Zijn oudste zoon, Alexander ui, volgde hem op en regeerde tot 2 November 185)4, toen hij door oen ziekte werd weggenomen en vervangen door zijn oudsten zoon Nikola as II.

§ 93.

Frankrijk en de omwentelingen van 1830 en van 1848. — I)c opstand en de afscheiding van België. — De Nederlanden. — De oproeren van Polen.

In Frankrijk volgde den ]0'luquot; Sopt. 1824 op Lodewijk XVIII (zie blz. 190) zijn broeder karel x (1824—1830, overl, 1836), vroeger graaf van Artois (zie blz. 178), geheeton, wiens zoon, de hertog van Berry (een eeretitel, ontleend aan een landstreek, ten z. van Orleans, welke vroeger dien naam droeg), in 1820 door sluipmoord was gevallen. In strijd met de wensehen van het meerondeel der natie zochten de Bourbons de oude monarchie en dc heersehappij der Jozuïten te herstellen. Tevergeefs boden do weinige betergezinden in en de vele dusdanigen huiten dc kamer, na vruchteloos op het verderfelijke van zulk oen stelsel te hebben gewezen, een steeds sterker wederstand. Desniettegenstaande benoemde Karei X in 1829 een ministerie, dat het stolsel der Bourbons uitsluitend was toegedaan, aan 't hoofd waarvan de prins van Polignac stond en dat door don oud-

-ocr page 240-

234

minister Talleyrand „het onmogelijke ministeriequot; werd genoemd. Tegen dit ministerie verklaarden zich 221 van de 402 leden van de kamer der afgevaardigden in hun antwoord op de troonrede (Maart 1830). De kamer werd hierop ontbonden, een nieuwe verkiezing uit-gesehreven. Hoewel intusschen een Franseh leger onder den minister van oorlog Bourmont den 5doquot; Juli Algiers veroverde, welks dey den Franschen consul zwaar had beleedigd, viel toch de keuze van nieuwe afgevaardigden geheel ten nadecle van het ministerie uit.

Thans veranderde de regeering op grond van een artikel der staatsregeling van 1814, hetwelk den koning veroorloofde de verordeningen uit to vaardigen, die noodig mochten zijn tot de uitvoering der wetten en voor de zekerheid van den staat, eigenmachtig de grondwet. Dc beruchte drie ordonnantiën van den 26sten Juli 1880 verschenen, waardoor de nog niet vergaderde kamer der afgevaardigden werd ontbonden, de kieswet gewijzigd, de vrijheid der drukpers opgeheven. Deze ordonnantiën kostten Karei en zijn geslacht de kroon. Dc bevolking van Parijs begon een driedaagschen strijd, den 27—2i)stotl Juli, tegen do troepen dos konings, die deels overliepen, deels de hoofdstad moesten ontruimen. Karei X, die vruchteloos afstand deed van de kroon ten behoeve van den hertog van Bordeaux, een zoon van den hertog van Berry, begaf zich eerst naar Schotland, later naar Praag en stierf in 1836 te Gorz (aan de Isonzo, in Illyric).

Reeds den 7clon Aug. 1830 benoemden dc beide kamers lodewi.ik philips, een zoon van Égalité (zie blz. 178), hertog van Orleans, een zijtak der Bourbons (1830—1848). Bodewijk Philips handhaafde zich lang op den troon in spijt van menigen opstand, zoowel van de aanhangers der Bourbons, als van de republikeinsche partij. Bovendien had hij het zeldzame geluk aan herhaalde aanslagen op zijn leven, zooals aan dien van Fieschi in 1835, te ontkomen. Tot zijn beroemdste ministers behoorden Casimir Périer, die in 1832 stierf, Bodewijk Adolf Thiers en Frans Pie ter Willem Guizot. Zeer belangrijk werd de Fransche kolonie Algiers, die zich door voortdurende veroveringen op de hoofden der Bedoeïenen, inzonderheid op den dapperen, in 1847 als gevangene naar Frankrijk overgebrachten Abd-el-Kader, meer en meer uitbreidde. In den steeds voortdurenden oorlog tegen de N oord-Afrik aanschc stammen verwierven Bugeaud, Eu genius Cavaignac, Changarnier en andere veldheeren grooten roem. Abd-el-Kader bleef in Fransche gevangenschap tot 1852, toen Bodewijk Napoleon hem de vrijheid schonk.

-ocr page 241-

235

In weerwil van den glans der krijgstochten was de binncnlandscho toestand van Frankrijk hoogst onrustbarend. De zware schuldenlast, die het land drukte; het ongenoegzame van 't volksonderieht; do grove onzedelijkheid en andere ondeugden, waarmede velen, zelfs onder de hoogste standen, waren bchebt, — dit waren eenige van do talrijke oorzaken, die veler bekommering wekten. Daarom zag men voortdurend reikhalzend uit naar hervormingen, vooral van het kiesstelsel , en toen zij langs minnelijken weg niet schenen te bekomen, brak zich de lang bedwongen ontevredenheid met geweld baan. Den 23sten Fehr, 1848 barstte te Parijs een oproer los, waardoor Lodewijk Philips, na van de kroon afstand te hebben gedaan, werd gedwongen naar Engeland te vluchten, waar hij in 1850 is overleden.

Dadelijk herschiep men Frankrijk in een Republiek, en een vocr-loopig bestuur werd benoemd. Dit maakte in Mei plaats voor een nationale vergadering en voor een uitvoerend bewind. Intusschen was de rust op verre na niet hersteld, en liet kostte den tot dictator benoemden Cavaignac de grootste moeite het gevaarlijke Juni-oproer te dempen. Den 10den Dcc. 1848 werd Lodewijk Napoleon, waarschijnlijk de derde zoon van koning Lodewijk (zie blz 192), door stemming van het geheele volk als president der Republiek met een beperkte macht verkozen. Maar hij verbrak den 2(iun Dec. 1851, met behulp van 't hem toegedane leger, op trouwelooze wijze de banden, die hem knelden, en wist te bewerken, dat hem den lsten Dcc. 1852 de titel „napoleon iii, erfelijk keizer der Franschen,quot; werd opgedragen. In Jan. 1853 huwde de keizer Eugenie dc Montijo, gravin van Tiieba, die den IC)'1011 Maart 1856 een zoon ter wereld bracht, Napoleon Eu genius Lodewijk Joh an Jozef gehee-ten. — Naar 't voorbeeld van Londen, in 1853 door New-York gevolgd, hield men in 1855 een derde wereldtentoonstelling te Parijs, in 1867 en later andere op zeer groote schaal.

De Julidagen, gelijk de Fransche omwenteling van 1830 gewoonlijk heet, oefenden schier alom in liet buitenland, het naast op België en op Polen, hun invloed. In België, dat volgens besluit van 't Wccner-congres (zie blz. 193) in 1815 met Nederland was verbonden, had reeds sedert lang verschil van godsdienst, van taal, van karakter en van belangen een steeds toenemende onvergenoegdheid over de niet vrijwillige vereeniging met de Nederlanden doen ontstaan. Dewijl deze geest van tegenstand door de katholieke geestelijkheid en andere ontevredenen nog meer werd aangezet, ontstond er don 25stf'11 Aug. 1830 een driedaagschc geweldige opstand van het volk te Brussel.

-ocr page 242-

230

Nadat do troepen in haar poging oin deze stad te hernemen (den 23— 27sten Sept.) niet waren geslaagd, nam het gansehe land doel aan dit oproer, dat een geheele afscheiding van de Noordelijke Nederlanden bedoelde. De Belgen riepen een nationaal conyrcs bijeen, dat het land een vrijzinnige eonstitutie gat', en stelden een jwovisioneele regeering in. Reeds had men het huis Oranje-Nassau van den troon uitgesloten, en nu werd den 4lle11 Juli 1831 prins leopold van saksen-k on uiig (zie blz. 231) als koning van de Belgen verkozen, die zich met Louise, een dochter van Lodcwijk Philips, in den echt verbond. Gedurende al de jaren van zijn bewind, waaronder België steeds in bloei toenam, werd Leopold als het toonbeeld van een constitutioneel vorst geroemd. Hij overleed in Dec. 1865 en werd opgevolgd doorzijn oudsten zoon, leopold ii.

Intusschen had zich willem i tot de vijf groote Europeesche mogendheden, als leden van 't Weener-eongres, gewend, welker gezanten deswege oen conferentie (bijeenkomst) te Londen hielden en door hun dralen koning Willem tot het besluit brachten om zijn recht met het zwaard te handhaven. Noord-Nederland snelde op 's konings roepstem te wapen. Maar toen rukte een Franseh leger onder maarschalk Gerard België binnen en stuitte den zegevierenden inarsch van Willem, erfprins van Oranje, die gedurende den tien-daagschen vcldtochl, 3—13 Aug. 1831, de Belgen door do slagen bij Hasselt (den 8st011 Aug.) en bij Leuven (den 12dun Aug.) van hun minderheid had overtuigd. Hierop ontrukte Górard door overmacht den Nederlanden hun laatste bezitting in België, de door generaal Chassé en den schout bij nacht Koopman dapper verdedigde citadel ran Antwerpen (den 23sten Dec. 1832). Hoewel de groote mogendheden reeds meer dan een jaar tevoren het koninkrijk België en koning Leopold hadden erkend, bleef do eindbeslissing nog steeds hangende, omdat Willem I in den voorslag der oppermacht niet wilde toestemmen.

Na een langdurig en zeer kostbaar bestand noodzaakte de uitputting der Nederlanden den koning nogtans den 19cl011 April 1839 de bepalingen der conferentie van Londen in te willigen, waardoor de betrekking tusschen de Nederlanden en België werd geregeld. In 1840 brachten verschillende redenen Willem 1 tot hot besluit om afstand van de kroon te doen ten behoeve van zijn oudsten zoon, willem ii, die den 28sten Nov. te Amsterdam werd gehuldigd. Hijzelf huwde onder den titel „graaf van Nassauquot; met gravin d'Oultremont en vestigde zich metterwoon in Berlijn, waar hij in 1843 is overleden.

-ocr page 243-

'237

Het bewind van den door zijn volk zeer geliefden Willem II werd gekenmerkt door buitengewone, in de gevolgen heilzame finaneieele maatregelen. Tevens legde hij door een herziening der grondwet in 1848 den grond tot hervormingen in vrijzinnigen geest, die onder zijn zoon werden voortgezet.

Na het overlijden van Willem II volgde hem in 1849 willem iii op, onder wiens regeering het droogmaken van 't Haarlemmermeer, een in Juni 1848 aangevangen reuzenwerk, in 1853 werd voltooid. In 't zelfde jaar werd in Nederland het bisschoppelijk bestuur weder in de katholieke kerk ingevoerd. Een groote vrijheid van in- en uitvoer, afschaffing van belemmerende rechten, deed den handel bloeien en wakkerde vooral den scheepsbouw en de zeevaart aan, terwijl tevens de geldmiddelen des rijks zich voortdurend verbeterden. In 1857 werd een nieuwe wet op liet lager-onderwijs, in 1S78 door een andere vervangen, in 1863 een op middelbaar onderwijs, in 1871) een op het hooger onderwijs gegeven. In den herfst van 1825 en in Maart 1855 werd Nederland door hevige overstroomingen geteisterd. Zware verliezen leed ons land door den dood van prins maurits in Juni 1850, door dien der koningin, prinses sophia vnn Wur-temberg, in Juni 1877, door dien van prins hkndrik, 's konings broeder, in Januari 1879, door dien van den kroonprins, willem, in Juni 1879, eindelijk door dien van kroonprins alexandek in Juni 1884. In Januari 1879 hertrouwde de koning met prinses emma uit Waldeck-Pyrmont. in 1880 sproot uit dit huwelijk prinses wilhelm in a iielena paulina maria. Hoewel minderjarig, volgde zij haar vader op, toen Willem Hl in November 1890 overleed. Van dat oogenblik af trad koningin Emma als regentes op. Groothertog van Luxemburg werd adolk van nassau.

In 1871 stond Nederland do kust van Guinea (in 't w. van Afrika) voor een som geld aan Groot-Britanniö af. In Maart 1873 brak ter zake van zeerooverij een oorlog los tegen den sultan van Atjeh (op de westkust van Sumatra), die nog niet geëindigd is.

Ook dc Polen zochten den 29stequot; Nov. 1830 door een opstand te Warschau, die zich spoedig over het geheele land uitbreidde, hun onafhankelijkheid op Rusland te herwinnen. Inzonderheid was de Russische grootvorst Konstantijn, die dit land bestuurde, 't voorwerp van hun volkshaat. Toen keizer Nikolaas (zie blz. 230) de Polen voor rebellen verklaarde, sloot de Poolsche rijksdag het huis Roma-now van den troon uit. Ecnige dagen daarna, den 5llon Febr. 1831, begonnen de vijandelijkheden; een sterk leger Russen ouder

-ocr page 244-

238

veldmaarschalk Dichitsch rukte hot land binnen. De Polen kampten in onderscheiden gevechten met wanhopigen moed; doch ten laatste bezweken zij voor de overmacht, inzonderheid na den moorddadigen slag van den 26stc,1Mci 1831 bij Ostrolcnska (ten n.o. van Warschau). Na de bestorming van Warschau door Paske-witsch (zie biz. 22G), den opvolger van den inmiddels overleden Diebitsch, den 6llu11 en den 7don Sept., gaf deze hoofdstad zich bij verdrag aan de Russen over. Thans werd Polen bij Rusland ingelijfd, en Faskewitseh aanvaardde er als stedehouder het bestuur. In 1863 barstte op nieuw een opstand in Polen uit, dien Rusland niet dan na groote krachtsinspanning in 1864 heeft kunnen dempen.

§ 94.

De onrlnc] van Frankrijk tegen Pruisen in 1870 en in 1871.

Nadat Frankrijks gezant te Berlijn, Benedetti, gedurende een paar weken een geschil had gevoerd met de regeering van Pruisen over de vraag, oogenschijnlijk van niet overwegend belang, of een der prinsen uit het huis Hohenzollern de kroon van Spanje zou dragen, werd te dier zake den 19,len Juli door den keizer der Franschen de oorlog verklaard aan den koning van Pruisen. Het bleef geen oorlog tusschen twee vorston of staten, maar werd er weldra een tusschen, gelijk men pleegt te zeggen, twee nationaliteiten, want geheel Duitsehland, niet alleen het Noord-Duitsehe verbond, maar ook Beieren en Wurtemberg sloten zich bij Pruisen aan.

Binnen kort bleek het, dat Duitsehland gereed was, Frankrijk niet. Wel had dit rijk een groot aantal kanonnen van een bijzonder maaksel, mitrailleuses geheeten, te zijner beschikking; doch ook deze stukken wogen, evenmin als de afdeelingen troepen, ÏWco's geheeten, waarvan de kern uit Afrikanen bestond, op tegen de algeheele inrichting van de Pruisische en van de Beiersche legers, die in alle opzichten voortreffelijk was. Den 4(lel, Augustus werd de reeks der groote zegepralen van de Duitsche wapenen geopend. Op dien dag won de Pruisische kroonprins, Frederik Willem, den slag bij Weissen-burg (in Beieren, ten n. van Straatsburg) op den rechtervleugel van 't leger van maarschalk Mac Mahon, die daarop den 6|1':I1 geheel-enal werd verslagen bij Woerth (in de nabijheid van Weissenburg, naar 't z.w.) door de troepen zoowel van den kroonprins, als van 's konings neef, Frederik Karei. Den 12'lcn namen de Duitsehers

-ocr page 245-

239

bezit van Nancy, do oude hoofdstad van Lotharingen, na reeds vroeger met do insluiting van Straatsburg een aanvang te hebben gemaakt.

Sedert dit oogenblik hing het lot van Frankrijk af van de vraag, of het aan 't leger van Frans Achilles Bazaine, bij Metz ingesloten, zou gelukken zich door te slaan en of hij zich zou kunnen vereenigen met Mac Mahon, die het bevel voerde over de krijgsbenden in de legerplaats bij Chalons (aan de Marne), waar vroeger Attihi zich met zijn Hunnen had opgehouden. Deze vereeniging werd vooral verhinderd door den grooten slag bij Gravelotte (ten w. van Metz), waar de koning van Pruisen in persoon de Duitschers aanvoerde en waardoor het leger van Bazaine (overleden 1888) don 18den naar do legerplaats bij Metz werd teruggedrongen en van Parijs geheel afgesneden.

Intusscbcn had Mac Mahon de versterkte legerplaats bij CluUons verlaten en richtte zich naar 't Noorden. Op hom behaalde Willem I don lstequot; Soptember een schitterende zege in don slag onder de muren van Sedan (aan de Maas, ton n.w. van Verdun, op de grenzen van Luxemburg), waarin Mac Mahon werd gekwetst, 'tOnmiddellijk gevolg dier nederlaag was, dat Napoleon III, die zich bij het leger bevond, zijn degen en zijn persoon ter beschikking stolde van den koning van Pruisen en dat het gansche overschot van 't Franscho leger, nagenoeg 100,000 man, in krijgsgevangenschap geraakte. Den keizer der Franschen word liet slot Wilholmshöhe (nabij Kassei) als verblijfplaats aangewezen.

Thans kon niets meer do sluiting van Parijs in don weg staan Do koning vestigde zijn hoofdkwartier te Versailles. Klaarblijkelijk was het voornemen der Duitschers de groote wereldstad, door don toevoer van levensmiddelen geheel af te snijden, tot capitulatie te noodzaken. In zoover hooft de uitkomst de verwachting der Duitschers bedrogen, dat dit middel is gebleken alleen niet voldoende te zijn. Langer dan vijf maanden heeft Parijs de noodlottige ontknooping, die toch eindelijk moest komen, pogen af te wonden. Groote zelfbe-heersching en bezadigdheid heeft do bevolking in die moeielijke weken aan den dag gelegd. Maar do ontknooping word en in do hand gewerkt èn als telkens een stap naderend uitgeduid door verschillende kleinere andere rampen, die hot zwaar geteisterde Frankrijk achtereonvolgons trollen.

Inmiddels was men bij de opeenstapeling van zooveel onheilen te Parijs niet lijdelijk gebleven. Na den slag bij Gravelotte was

-ocr page 246-

'2'10

Trochu door den keizer tot gouverneur van Parijs en tot opperbevelhebber van de krijgsmacht dier stad benoemd. En na de geduchte nederlaag bij Sedan had er een gcheele omwenteling plaats. Toen drong een deel van de bevolking met geweld de vergaderzaal van liet wetgevend lichaam binnen. Aan dien aandrang kon geen weerstand worden geboden. Alzoo werd den ^10quot; September de keizer van zijn waardigheid vervallen verklaard en de republiek bij openbare afkondiging ingesteld. Keizerin Eugénie vluchtte naar Engeland. Als leden van een provisioneele regeering, het bewind der nationale verdediging, namen Jules Favre (overl. 1880), Gambetta (overl. 1882) en een tiental anderen zitting. Vruchteloos was ook de inspanning dezer mannen. Tevergeefs brachten zij een leger van 't Noorden, een leger van de Loire, enz. op de been. Hot ontbrak die legers aan de noodige uitrusting, aan voldoende oefening, aan een behoorlijke leiding: grootendeels bestonden zij uit nationale en uit mobiele garden. Van nog minder gehalte waren de benden franc-lireurs of vrijschutters, die allerwege verrezen. Ook de hulp, die Garibaldi aanbracht, was niet in staat het verderf van Parijs af te wenden.

Van de ongelukken, die Frankrijk gedurende het beleg van Parijs had te verduren, waren het verlies van Straatsburg en de val van Metz degene, die de meeste beteekenis hadden. Straatsburg gaf zich, na weken lang te zijn gebombardeerd, den 28stcquot; September over. Metz bezweek den 27stcn October. Daar de bezettingen van die beide steden zich naar Duitschland moesten begeven, beliep het getal der krijgsgevangenen, die in dit rijk hun verblijf vestigden, over de 800,000 man.

Wat Parijs betreft, ook hier was de fortuin den Franschen niet gunstig. Bij herhaling werd zoowel het leger van het Noorden, als dat van de Loire, welker roeping was de stad te ontzetten, geslagen. Een paar uitvallen op groote schaal, door Trochu ondernomen, mochten evenmin baten. Zóó kwam het ten laatste tot een einde, toen het bombardement, dat men lang had gevreesd, doch ook menigeen voor onmogelijk had gehouden, sedert Januari 1871 toonde Parijs meer nadeel te kunnen toebrengen dan velen hadden vermoed. Op 't laatst dier maand dwong de tegenspoed Frankrijk het hoofd in den schoot te leggen.

Dus zag zich dan het gedeelte van 't voorloopig bewind, hetwelk te Parijs zijn zetel had, verplicht eerst een wapenstilstand aan te vragen. Deze werd toegestaan. Om de tegenkanting van Gambetta en van die leden, welke te Bordeaux waren gevestigd, bekreunde men

-ocr page 247-

241

zich niet. Don tijd van don wapenstilstand maakten zich de Franschen ten nutte ten einde een regeering te bekomen, waarmede de vijand kon onderhandelen, oin leden te kiezen voor de nationale vergadering, die met Thiers, als hoofd van 't uitvoerend bewind, weidra bijeenkwam. Hot bewind der nationale verdediging trad alsnu af.

Den 2()3tei1 Februari 1871 werd men het te Versailles eens over de vredespraellminairen, die een einde maakten aan dezen gruwelijken oorlog, waarin, van den kant der Duitschers, behalve de koning van Pruisen, von Bismarck, de minister van oorlog von Hoon en Moltko wederom de hoofdpersonen waren geweest. De hoofdinhoud dier praoliminairen komt hierop neer, dat Frankrijk den Elzas met Straatsburg en Duitsch Lotharingen met Metz aan Duitschland afstaat en binnen drie jaren vijf milliarden, d.i. vijfduizend mülioenen, franca betaalt. Tot het tijdstip der volledige afbetaling van de gansche som werd Duitschland gerechtigd verklaard een deel van Oostelijk Frankrijk bezet tc houden, loopende ongeveer van Rouaan tot Dijon. Nog werd vastgesteld, dat de onderhandelingen om tot den eigenlijken vrede te geraken zouden worden geopend te Brussel. De bekrachtiging der vredcspraeliminaircn zoowel door Willem I, als door de nationale vergadering, liet zich niet lang wachten. Tevens sprak deze vergadering de vervallenverklaring van den troon uit van Napoleon 111 en zijn huis. Onmiddellijk na die bekrachtiging verliet de gewezen keizer der Franschen het kasteel Wilhelmshöhe en begaf zich naar Engeland, waar hij den 9dl!l1 Januari 1873 is overleden. Vermits te Brussel de onderhandelingen niet recht wilden vlotten, werden zij sinds Mei 1871 te Frankfort aan de Main gevoerd en hier in die maand, op den grondslag der praeliminairen, de vrede gesloten.

Behalve de vele andere gevolgen van dezen krijg, die mettertijd aan don dag zijn gekomen, dood hij Duitschland een krachtige schrede voorwaarts zetten op de baan der eenheid. Op voorslag n.1. van den koning van Beieren trad ook Zuid-Duitschland toe tot het verbond, dat sinds 18G6 voor 't Noordon van dat rijk bestond, en viel Willem I, mot behoud van den titel „koning van Pruisenquot;, do titel keizer van Duitschland ton deel, aan von Bismarck die van rijkskanselier. Zóó hoopt men de eenheid van al wat Duitscher is te zullen verkrijgen. iets waarvan de wereld, ook ten tijde van het voormalige keizerschap, nog nooit het schouwspel heeft gezien.

Terwijl Duitschland op die wijze hot voorbeeld gaf van een stroven naar nadere aaneensluiting, leverde Frankrijk een tafereel op van innerlijke verdeeldheid, hetwelk maar al te /oor aan de tooneolen

Wi.inni'j Overzicht, lilde druk. 10

-ocr page 248-

van 1789 on volgende jaren herinnerde. Nadat eenige afdeelingen der Duitsche troepen gedurende de drie eerste dagen der maand Maart een deel van Parijs hadden bezet gehouden, brak er een oproer uit van de manschappen der nationale garde en van do hevige republi-keinschge/,inden, dat gericht was tegen de nationale vergadering. Eindelijk zegevierde, nadat de opstandelingen allerlei wreedheden hadden begaan en een groot deel van Parijs in brand gestoken, in do maand Mei de partij der orde door den krachtigen bijstand van het leger) aangevoerd door Mac Ma bon.

Nog twee jaren na de herstelling der orde stond Thiers aan de spits van 't bewind der Franscho Republiek. Toen, in Mei 1873, nam hij zijn ontslag on werd mac mahon voor zeven jaren tot president der Republiek benoemd. Den October van 't zelfde jaar hield de krijgsraad, voor welken Bazaine werd gedaagd, zijn eerste zitting in het slot Trianon to Versailles. De aanklacht luidde, dat hij door bet onderteekenon der capitulatie te Metz, zonder tevoren het, uiterste te hebben beproefd, tegen do eer en den plicht van den krijgsman had gehandeld. In December werd hij ter dood veroordeeld, doch deze beschikking door Mac Mahon veranderd in twintigjarige inkerkering op het eiland St. Marguerite (nnbij Cannes, in 't z.o. van Frankrijk), uit' welke gevangenis de maarschalk reeds in Augustus 1874 ontsnapte. In Januari 1878 deed Mac Mahon uit eigen beweging afstand van zijn waardigheid en werd Grévy tot president benoemd. Hetzelfde jaar kenmerkte zich door een wereldtentoonstelliny te Parijs, Herbenoemd in 1885, trad Grévy af in 1887 en overleed in 1891. In zijn plaats word gekozen Sadi Carnot, een kleinzoon van een der vijf directeuren (zie blz. 182). In Juli 1894 werd Carnot vermoord en vervangen door Casimir Pkrikr, een kleinzoon van den vroegeren minister (zie blz. 234), die reeds in Januari 1895 zijn ambt neerlegde. In zijn plaats werd gekozen Félix Faure.

§ 95.

Omwentelingen in Amerika. — De Vereenigde Staten

Terwijl in Europa de aangeduide groote omkeeringen plaats hadden, grepen er in de nieuwe wereld niet minder gewichtige veni nderingen plaats. Daar hadden in de 18do eeuw de Engolsche volkplantingen, de latere Vereenigde Staten, het eerste voorbeeld gegeven van een met goeden uitslag bekroonden kampstrijd voor vrijheid cn onafhan-

-ocr page 249-

248

kelijkhckt togen 't moederland. Hoe meer zij sedert dien tijd door akkerbouw, nijverheid en handel bloeiden, des te verleidelijker moest het gegeven voorbeeld voor de koloniën der overige Europeesche natiën zijn. In Amerika was St. Domingo, thans weder Haiti gchec-ten, na de Vereenigde Staten de eerste staat, die zijn onal'hankelijk-heid herkreeg. Nadat do Spanjaarden sinds Columbus' tijd dit groote en vruchtbare eiland hadden bezeten, word in 161)7 de westkust aan Frankrijk overgelaten. In 1795 verwierven de Fransehen het geheel-enal en verklaarden de negers vrij. Maar toen barstte er een vreselijk oproer der vroeger erg mishandelde slaven tegen hun blanke meesters los. De door Napoleon ter herovering van Haïti gezonden troepen moesten deze poging opgeven, zoodat Frankrijk was genoodzaakt in 1825 de onafhankelijkheid te erkennen van den vrijen neger- en muleii-ten (d. i. lieden, gesproten uit de verbintenis van Europeanen met negers)-.s'/rta/, die onder den president li oyer was opgericht. Later werd hij in twee rijken gesplitst: een neger-keizerrijk, het westelijk gedeelte, Haïti genoemd, ou een Republiek, het oostelijk gedeelte, Domingo of Dominica geheeten. Sedert 1858 is het keizerrijk Haïti weder in een Republiek van dien naam veranderd, terwijl het andere gedeelte, Dominica, zich sinds 1861 bij Spanje liet inlijven. Dit is zóó gebleven tot Juli 18()5, toen Spanje het op nieuw voor een onafhankelijke Republiek hooft verklaard. Ten laatste werd, ten gevolge eener volksstemming, in 1870 het geheele eiland aan do Vereenigde Staten aangeboden, doch is tot dusver niet aangenomen, zoodat hot steeds als Republiek blijft voortbestaan.

Een dergelijke wisseling ondergingen do uitgebreide Spaansche koloniën op het vasteland van Zuid-Amerika (zie lilz 123, 124). Het moederland hield deze rijke streken in strenge afhankelijkheid. Maar sedert 1810 geraakten verscheidene koloniën in openbaren opstand tegen Spanje. Venezuela verklaarde zich reeds in 1811 voor een onafhankelijke Republiek en kampte tot in 1821, het jaar zijner volledige bevrijding, onder Simon Bolivar, met den bijnaam den bevrijder, die in 1830 stierf, wakker tegen het Spaansche krijgsvolk. Op die wijze verloren do Spanjaarden allengs al hun bezittingen in Znid-Amerika en verrezen er alom Republieken, als Nieuw-Granada, Beneden-Peru en Opper-Peru, dat den naam Bolivia aannam. Chili, de Vereenigde gewesten aan de 1'lata en Paraguay. In 1891 werd Brazilië, na zijn keizer Peter II (zie blz. 222) te hebben verdreven, oveneens een Republiek. Ook Mcxiko werd onafhankelijk van Spanje. In weerwil van dit alles efkende dit rijk niet vóór 18G3 de onafhankelijkheid

•Iti*

-ocr page 250-

244

zijner voormalige koloniën in Amerika, waarvan vele sinds dien tijd voortdurend aan binnen)andsche oncenigheden ten prooi zijn.

Inmiddels nam do bloei der Vereenigde Staten snel toe. De zoogenoemde leer van Monroe, president der Republiek (181(5—1825), volgens welke do Vereenigde Staten gecnerlei bemoeiing der Euro-peesehe mogendheden met de zaken van bet vasteland van Amerika dulden, is steeds bet richtsnoer van Amerika's regeering geweest. Een dor grootste kwalen, waaraan do Republiek lood, was het geschil over de slavernij, die de Zuidelijke staten voor hun voortdurend bestaan onontbeerlijk schoen, terwijl zij de staten van 't Noorden een gruwel was. Van 1846 tot 1848 hadden de Vereenigde Staten een oorlog to voeren tegen Mexiko, die in elk opzicht gunstig voor hen afliep en 't grondgebied der Republiek niet weinig vergrootte. Mexiko ging sinds den vrede gebukt onder de rampen van aanhoudenden burgeroorlog en geldgebrek. In 1864 verkoos een daartoe bijeengekomen vergadering van notabelen maximii.iaan, een broeder van Frans Jozef en aartshertog van Oostenrijk, als keizer van Mexiko. Maar bij kon zich, hoewel gesteund door een Pransche krijgsmacht, niet staande houden tegen juauez, die hom gevangen nam on in Juni 1867, overeenkomstig een vonnis van do krijgsraad, liet dood schieten.

Na lange spanning brak eindelijk in 1861 tusschon do Noordelijke en de Zuidelijke Staten van Noord-Amerika een oorlog uit, die van weerszijden met groote verbittering word gevoerd en in 1865 ton gunste van het Noordon eindigde. In Maart 1869 word als president dor Republiek gekozen ulysses Sidney grant, daarop herbenoemd in November 1872. Sedert 1877 stond aan 't hoofd der Unie, die in 't jaar 1876 door het houden eenor ivereld-tentoonslclling te Philadelphia baar honderdjarig bestaan vierde, de president ha yes, sinds Maart 1881 garfield, die in September van 't zelfde jaar overleed aan de gevolgen van een aanslag op zijn leven, gedaan door een lagen moordenaar. In zijn plaats kwam de vice-presidcnt Arthur, die in 1886 werd vervangen door Cleveland, gelijk Cleveland in 1889 door haurison, Harrison in Maart 1893 wederom door Cleveland en deze in Maart 1897 door William Max Kinly. Het getal dor staten van de Unie is thans 45.

-ocr page 251-

CHRONOLOGISCH OVERZ1CI IT.

xii:i;\vsti: giosciiikdknis.

Van 1815 tol ongeveer het einde der eeuw.

§ 89. Spanje en Portugal.

.laren n. ('.

Voordurend streven der volkeren van Europa.

Ferdinand VII aanvaardt wederom de regeering in Spanje.

Hij heft de door de Cortez in 1812 ingevoerde staatsregeling op 1814.

Riêgo roept de oude constitutie weer uit. —- Quiroga sluit

zich bij hera aan. —■ Do koning bezweert deze constitutie 1 Jan 1820.

Door toedoen vau Metternich wordt te Ver ma een congres der hool'dmogendheden van het heilig verbond gehouden. — Besluit, daar genomen.............. 1822.

Met behulp van een Fransch leger schaft Ferdinand VII de constitutie af. — Duizenden in den kerker gezet, duizenden

ter dood gebracht, o. a. Ricgo.

Ongelukkige toestand van Spanje.

Ferdinand VII heft de salischc wet op......Maart 1830.

Hij sterft................28 Sept. 1833.

Isabella II. — Maria Christina regentes.

Don Carlos noemt den titel „Karei V, koning van Spanje,quot; aan. — Burgeroorlog in de Baskischc gewesten, Navarre,

Catalonië, Arragon en Castilië.

Aanwas der Carlisfen. — Zumala-Carreguy. — Zumala-

Carreguy sterft................. 1835.

Espartëro hoofd der Christino's. — Don Carlos vliedt naar

Frankrijk................ . . 1839.

Do regentes gedurende den burgeroorlog genoodzaakt do constitutie van 1812, hoewel eenigszins gewijzigd, weder in te voeren.

Espartëro, hertog der overwinning, wordt eerste minister en weldra regent. — Christina vertrekt naar Frankrijk . 1840.

Noodlottige verschijnselen van volslagen wanorde in Spanje. — Oproeren.

Espartëro verdrongen. — Hij gaat naar Engeland..... 1843.

Narvaez president van 't ministerie.......... 1843.

-ocr page 252-

246

Jaren n. C.

Isabella meerderjarig verklaard............ 1844.

Zij huwt Frans van Assis..............184G.

Alphonsus XII geboren............... 1857.

Maria Christina keert naar Spanje terug......... 1844.

Betere toestand van Spanje onder 't ministerie van Narvaez,

hertog van Valencia.

Merino's aanslag op hot leven der koningin mislukt .... 1852.

Espartëro, het hoofd der partij van roorwitc/ang, weer aan de

spits van 't ministerie.............sinds 1854.

O'Donnell verwekt een oproer. — Hij krijgt veel invloed en staat weldra aan 't hoofd der zaken.

Narvaez weder aan 't bewind............ 1864.

Dood van O'Donnell en van Narvaez.

Prim en andere generaals ontrukken de kroon aan Isabella en

noodzaken haar naar Frankrijk do wijk te nemen . . Oct. 1868.

Prim vermoord................1870.

Amadèus I aanvaardt het bewind als koning.....Jan. 1871.

De hertog van Madrid, Karei VII, hervat aan 't hoofd der

Carlisten den burgerkrijg..........Maart 1872.

Amadëus legt het bewind neer.........Febr. 1873..

Spanje wordt een Republiek.

Alphonsus XII koning.............1874.

Johan Vl koning van Portugal en van Brazilië. — Hij blijft in het door hem tot oen koninkrijk verhoven Brazilië, waarheen hij zich in 1807 had begeven. — Beresford oefent een bijna onbeperkt gezag in Portugal uit.

Omwenteling, door de vrijzinnige partij bewerkt. — Beresford verwijdert zich. — De Spaansche constitutie in Portugal ingevoerd. — Johan keert naar Portugal terug 1821.

BrazilP scheurt zich van Portugal los......... 1822.

Het keizerrijk Brazilië onder Peter I.......sedert 1824.

Johan VI sterft...............Maart 1826.

Peter schenkt Portugal de vrijzinnige Braziliaansche staatsregeling. — Hij doet afstand van de kroon ten behoeve van Maria da Gloria, onder voorwaarde dat /.ij Miguel huwt. —

Miguel tevens regent.

Miguel heft de constitutie op en wordt door de Cortez tot onbeperkt koning van Portugal benoemd.......... 1828.

De constitutioneelen stel len op Terceira een regentschap in voor M aria 1830.

Peter I doet afstand van Brazilië ten behoeve van Peter II. —

Hij keert naar Europa terug............ 1832.

Oporto opent haar poorten voor hem, als regent zijner dochter. — Mij houdt zijn intocht te Lissabon....... 1833.

-ocr page 253-

247

.laren n. C.

Miguel verlaat Portugal. — Peter I sterft. — MarTa II aanvaardt de regeering.................. 1834.

Zij huwt met den prins van Lelichtenberg. — Hij sterl't. — Zij huwt mot Ferdinand van Saksen-Koburg. . . . 1836.

Met behulp van de gematigd-liberalen of char Listen voert Maria de constitutie van Peter, in plaats van die van 1821, weer in 1842.

Da Costa Cabral, het hoofd der chartisten, wordt minister van binnenlandsche zaken. —■ Opstanden en aanleiding hiertoe. — Hij vlucht uit Portugal...........1851.

Saldanha aan 't hoofd van een nieuw ministerie. —Hij brengt eenige orde in 't beheer der financiën.

Marïa sterft................... 1853.

Ferdinand regent voor Peter V, geboren in 1837. — Peter treed als koning op............... 1855.

Peter V sterft — Zijn broeder Lodewijk I volgt hem op . . 1861.

Lodewijk overlijdt. — Zijn zoon volo;! hem op als don Carlos I................... 1889.

§ 90, Italic.

Doel der Carbonari in Italië, vooral in Napels en Piëmont. —

Op last van 't heilig verbond herstellen Oostenrijksche troepen de orde sedert.................1821.

Napels. — Ferdinand I (vroeger IV) sterft. — Frans I . . . 1820.

Frans 1 sterft.. — Ferdinand II........... 1835.

Hij geniet eerst de liefde des volks. — Later verandert dit. — Oproeren op Sicilië gedempt............ 1849.

Sicilië lijdt door aardbevingen en door een uitbarsting van den

Aetna.................... 1852.

Ferdinand II sterft................. 1859.

Frans II. — Gisuseppe Garibaldi ontrukt hein zijn rijk

Mei 1860.

Het koninkrijk der beide Siciliën niet Sardinië vereenigd 7 Nov. 1860.

Karei Fel lx koning van Sardinië......... 1821—1831.

Begin van de linie Savoye-('arignan. — Karei Albert . 1831—1849.

Afkeer der Italianen van Oostenrijks opperheerschappij. — Mazzini. — Woelingen.

Oorlog tusschen Oostenrijk en Sardinië. — Kadetzky overwint

Karei Albert bij No vara............. 1849.

Karei Albert staat de kroon af aan Victor Emanüel II en sterft te Oporto................. 1849.

Camillo 15 en so van Cavour. — Hij wordt geboren te Turijn....................1810.

w

|

-ocr page 254-

248

.laren n. (*.

Hij is liet hoofd van 't ministerie sinds.......Nov. 1852.

Hij overlijdt.................Juni 1861.

De. Kerkelijke Staal. — Paus Pi us VII herstelt de orde der

Jezuïten...................1814.

Pius sterft........................................1823.

Perretti redt Napels bij 't woelen der cholera............1836.

Gregorius XII sterft. — Ferretti wordt als Pius IX paus 1846.

Geboorte van Johan Maria Mastaï-Ferretti................1792.

De paus neemt vrijzinnige maatregelen. — Rossi aan 'thoofd

van 't ministerie..............Sept. 1848.

Rossi vermoord. — De paus vlucht naar Gaëta............1848.

Pius IX keert naar Rome terug. — Een Fransch leger bezet Rome 1850.

Het vertrekt......................................1866.

Het wordt aldaar door een ander vervangen..............1867.

Toskane, Panna en Modena met Sardinië voreenigd . Maart 1860.

Oorlog van Sardinië, met Frankrijk verbonden, tegen Oostenrijk.

Vredes-praeliminarren van Villa-Franea, bekrachtigd door den vrede le Ziirich. — Sardinië verkrijgt Lombardije, met uitzondering van een deel der provincie Mantua. — Oostenrijk behoudt slechts het gebied van Mantua en Venetië

10 Nov. 185!). '

De provinciën van den Kerkdijken Staat grootendeels bij Sardinië ingelijfd.................1861.

Sardinië staat Savoye cu Nizza aan Frankrijk af . . Maart 1860.

Het gebied van Mantua en Venetië komt aan het koninkrijk Italië 1866.

Florence wordt de hoofdstad van dit rijk.....tot Dcc. 1870.

Het nog overige deel van den Kerkdijken Staat aan Italië toegevoegd, Rome de hoofdstad van het rijk .... Jan. 1871.

Dood van Victor Emanuel. — Humbert I volgt hem op Jan. 1878.

Dood van Pius IX. — Leo XIH paus......Febr. 1878.

Dood van Garibaldi....... ......Juni 1882.

§ 91. Dwitschland, Zwitserland, Denemarken.

Twee hoofddenkbeelden in Duitschland......sedert 1815'.

Onlusten in sommige staten, die op verschillende wijzen worden bedwongen..............sedert 1830.

Frans I, keizer van Oostenrijk, sterft. Ferdinand I . . . 1835.

Ferdinand staat de kroon af aan Frans Jozef I..........1848.

Frederik Willem Hl, koning van Pruisen, sterft. — Frederlk

Willem IV....................................1840.

Willem I regent..............sedert 1858.

Frederik Willem IV sterft. — Willem I koning.....1861.

-ocr page 255-

249

Jaren n.

Dood van Frederik III. — Willem II........Juni 1S88.

Von Bismark treedt af. — Caprivi.......Maart 1890.

Frederik Augustus I, koning van Saksen, sterlt. — Anton . . 1827.

Anton sterft. — Frederik Augustus II.........183ö.

Frederik Augustus II sterft. — Johan I........ 1854.

Johan I overlijdt. — Albert I..........Oct. 187o.

Maximiliaan I Jozef, koning van Beieren, sterft. — Lode-wijk I.................... 1825.

Lode wijk I sterft. — Maximiliaan II Jo/.ef....... 1848.

Maximiliaan II Jozef sterft. — Lodewijk II....... 1864.

Lodevvijk 11 overlijdt. — Luitpold regent voor Lodewijk. . 1886.

Frederik I, koning van Wurtenaburg, overlijdt. — Willem I 1816.

Willem I sterft. — Karei I............. 1864.

Karei I overlijdt. — Willem II............1891.

Heeker en Struve worden in hun pogingen tot omwenteling

in Baden gestuit................ 1848.

Metternieh treedt af. — De keizer van Oostenrijk geeft een grondwet................... 1848.

Oproer te Weenen. — Windischgriitz neemt de stad in . 1848.

Ferdinand legt de kroon neer. — Frans Jozef I . . 2 Dec. 1848.

Opstand in Hongarije onder Lodewijk Kossuth en onder de generaals Arthur (feorgei, Klap ka en Hem.

Windischgriitz en zijn onderbevelhebber .lellachich, han van Kroatië, bestrijden hen vruchteloos.

Paskewitsch, met een Russisch leger, en Ilaynau onderwerpen Hongarije.

In Pruisen staat Berlijn op. — De opstand bedwongen . . . 1848.

Vergaderhifi van afgevaardigden uit geheel Duitschlandte Frankfort aan de Main onder 't voorzitterschap van Hendrik von Gagern . .............. 1848—1.S49.

Johan, aartshertog van Oostenrijk, rijksbestuur der. —Hij legt zijn waardigheid weldra neer.

Zwitserland. — Oproerige bewegingen.......... 1830.

Vereeniging van politieke vluchtelingen.

In Bern en in de meeste andere kantons komt verandering in democnttischen zin in de staatsregelingen. — Tweede oorzaak van verdeeldheid.

Dufour, de generaal der protestantsche partij, overwint de tegenpartij bij herhaling.............. 1847.

De -lezuïten uit Zwitserland verdreven.

Christiaan VIM koning van Denemarken...... 1839—1848.

Frederik VII zijn opvolger.

-ocr page 256-

'250

Jaren n. O.

Veldtochten dor Dnitschers tegen Denemarken ter ondersteuning

van Sleeswijk-Holstein........... 1848 en 1849,

Pruisen en Oostenrijk stemmen geheel overeen met de eisehen

van Denemarken. — Sleeswijk-Holstein onderwerpt zich . . 1851.

De strijd begint op nieuw..............I860.

Prederik VII sterft. —- Christiaan IX.........1868.

Pruisen en Oostenrijk worden de hoofdvijanden van Denemarken. — Bij den vrede staat Denemarken zoo goed als geheel Sleeswijk-Holstein en Lauenhurg aan de overwinnaars af . 1864.

Oorlog tussehen Oostenrijk, bijgestaan door Beieren, Wurtem-herg, Hannover, Saksen en andere Duitsche staten, en Pruisen, dat door Italië wordt ondersteund. — Oorzaak . . . 1866.

Pruisen bezet Hannover, Dresden en Hessen-Kassei.

Frankfort aan de Main bezwijkt..........lull 1866.

De Pruisische kroonprins en 's konings neef winnen in Bohe-men een reeks van slagen. — Zij verslaan Benedeek tussehen Königgriitz en Sadöwa.........4 Juli 186G.

Von Moltke (overleden 1891). — Het naaldgeweer.

Werkeloosheid van liet leger van het Duitsche verbond. —

Oostenrijk zegeviert over de Italianen te land bij Custozza en ter zee bij Lissa.

De Pruisen voor de poorten van Weenen.

Vrede k Praag. — Vernietiging van liet Duitsche verbond. — Oostenrijk stemt toe in zijn uitsluiting uit Duitschland en in de oprichting van een Noord-Duitseh verbond, waarvan Pruisen het hoofd is. — Do keizer van Oostenrijk staat zijn rechten op Sleeswijk en op Holstein aan den koning van Pruisen af................Aug. 1866.

Oostenrijk Inat Venetië en Mantua aan den keizer aan Frankrijk over. — Een volksstemming beslist, dat zij inet Italië zullen worden vereenigd.

Von Bismarck lijft Hannover, Hessen-Kassei, Nassau en Frankfort aan de Main bij Pruisen in en verbindt Saksen zeer nauw

aan Pruisen................Oct. 1866.

§ 92. /weden. Grool-Britanni'é, Rusland en Turkije.— Griekenland* bevrijding. — Ik oorlog van Rusland legen Turkije en de verbonden mogendheden.

Noorwegen verbonden met Zweden........sedert 1814.

Bernadotte onder den titel Karei XIV Jan koning van Zweden 1818. Karei XIV Jan overlijdt. — Oskar I......... 1844.

Noorwegen door Karei als onderkoning geregeerd sedert 1 Jan. 1849.

-ocr page 257-

Jaren n. C'.

Oskar stcrl't. — Karei XV...........8 -luli 185i).

Karei XV overlijdt. — Oskar II......................1872.

George III, koning van Groot-Britannic, sterft. — George IV 1820' Wellington zet als minister de emancipatie der katholieken

door..........................................1829.

Door de bemoeiingen van O'Gonnell wordt deze wet op Ierland toegepnst.

De wetsvoordracht van Stanley schaft de slavernij in de

Engelsche koloniën af..............183!].

Robert Peel schaft de inkomende en dc uitgaande rechten op

't koren af......................................1846.

George IV sterft. — Willem IV........................1830.

Willem IV sterft. — Victoria........................1837.

Victoria huwt met Albert van Saksen-ivoburg . . . . 1840.

Ernst August koning vnn Hannover. . ...... 1837—1851.

George V zijn opvolger............sedert 1851.

Ministers na Peel; Russell en Palmers ton.

Moeilijkheden vnn wege Ierland.

Peel sterft........................................1850.

Wellington sterft..................................1852.

Albert sterft...................1861.

Onderwerping van Afghanistan, hoewel slechts voor kort, en

van Pendsjab aan Engeland...........in 1849.

Oorlog van Engeland en Sina geëindigd........in 1842.

De Kaiïers in Zuid-Afrika bedwongen..................1853.

Eerste wcreld-tentoonsteUitu/ in liet kristallen paleis te Londen . 1851.

Tweede were ld-ten toons telling te Londen..................1862.

Opstand in Indiö.................1857.

Delhi onderworpen..............Sept. 1857.

Oorlog van Engeland tegen Afghanistan..................1878.

Inlijving der Transvaalschc Republiek. — Zij verkrijgt haar

onafhankelijkheid................1881.

Alexander, keizer van Rusland, sterft. — Nikolaas I. . . . 1825.

Mahmoud II sultan van Turkije......... 1808—1839.

Rusland verklaart Mahmoud II den oorlog. ... 14 April 1828. Wittgenstein bezet Moldavië en Wallachije.

Diebitsch trekt over den Balkan en verovert Hadrianopel.

Vrede van Hadrianopel. — Turkije staat de eilanden aan den mond van den Donau aan Rusland af en gunt aan dit rijk een

overwegenden invloed op Moldavië en op Wallachije 14 Sept. 1829.

Rusland voert een voorspoedigen oorlog tegen Perzië .... 1828. Verval van het Turksche rijk.

Mahmoud 11 jaagt de .Tanitscharen over de kling..........1820.

-ocr page 258-

Jaren n. C.

Me he meel A li pascha van Egypte.......sedert lSO(i.

Hij geraakt in oorlog met den sultan.

De grooto mogendheden van Europa dwingen Mehemed Ali om de opperhoogheid der Porte te erkennen en zich met liet erfelijk stedehouderschap te vergenoegen........J841.

Mahmoud II sterft. — Abdul Medschid........1889.

Abdul Medschid sterft. — Abdul Azis.........1861.

Abdul Azis afgezet.................187().

Abdul Hamid................Aug. 1876.

ismaël onderkoning van Egypte.

Het kanaal van Suez onder de leiding van de Lesseps

voltooid....................1S69.

Ismaël vervangen door Tewfik............ 1879.

Dood van Tewfik. — Abbas.............1892.

Drukkende heerschappij tier Turken over Griekenland

De hetaerie der onderling he vrienden........sedert 1814.

De strijd begint..................1821.

Congres der Grieken te Epidaurus. — Republikeinsche slaats-regeling...................)an. 1822.

Odysseus en Miaulis verdrijven de Turken bijna overal uit eigenlijk Griekenland.

Capo d'Istrias als voorzitter van Griekenland aangesteld . . 1827.

Ibrahim landt niet een Egyptisch leger in Morca .... 1825.

Canning overreedt Rusland en Frankrijk om met Groot-

Britnnnië hel verdrag van Londen te sluiten....... 1827.

De vloten der drie mogendheden onder Co dring ton vernietigen de Turksch-Egyptische vloot in de haven van Nava-rïno..................20 Oct. 1827.

Een Fransch leger noodzaakt de Egyptenaren Morëa te ontruimen.

Leopold van Saksen-Koburg door de mogendheden tot souverein vorst van Griekenland bcitemd.

Capo d'Istrias door zijn tegenstanders uit den weg geruimd 1831.

Otto van Beleren, uit het hais Wittelsbach, koning van Griekenland ....................1832.

Hij wordt verdreven................ 1862.

George I als koning van Griekenland verkozen...... 1863.

De Ionische eilanden met Griekenland vereenigd..... 1863.

De Russisch-Turksehc oorlog begonnen in de tweede helft van 1853.

Oorzaak. — Mentschikoff. — Ruslands troepen trekken Moldavië en Wallachije binnen.

Frankrijk en Engeland verklaren den czaar den oorlog . . . 1854.

Oostenrijk dwingt de Russische troepen do Donau-vorstendom-

men te ontruimen................1S54.

-ocr page 259-

253

Jaren n. C'.

Oostenrijk onttrekt zich aan den oorlog. — Sardinië voegt zich

bij Ruslands vijanden ............Jan. 1855.

Conferentie van Woenen............. 1854—55.

De legers der geallieerden landen in de Krim. . . 14 Sept.. 1854.

De bondgenooten winnen den slag bij de Alma . . 20 Sopt. 1854.

Zij winnen dien bij Inkermann.........5 Sept. 1845.

Beleg van Sebastopol. -— Het zuidelijk gedeelte dezer vesting ingenomen..........17 Oct. 1854—8 Sept. 1855.

Do Saint-Arnaud sterft kort na den slag bij de Alma aan do cholera. — Uaglan insgelijks. — Canrobert vervangt de Saint-Arnaud. — Pélissicr komt in plaats voor Canrobert en neemt Sebastopol in.........8 Sept. 1855.

Opvolger van Raglan Simpson. — Omer-Paseha. — Do la Mar mora. — Gortschakoff.

Nikolaas I sterft. — Alexander II.......2 Mrt. 1855.

Vrede te Parijs. — Het protectoraat van Rusland over do Donau-vorstendommen opgeheven. — Hun wordt oen zelfstandige rogeering gewaarborgd...... .... 80 Mrt. 185G

Russisch-Turksche oorlog begonnen...........1.S77.

Vrede te Berlijn. — De bond verbroken tusschen Turkije en verscheidene omliggende vorstendommen. — Een doel van Bulgarije wordt een zelfstandig vorstendom onder de leen-hoogheid van Turkije............13 Juli 1878.

Alexander I vorst van Bulgarije. — Hij doet afstand. . . 1866.

Zijn opvolger is Ferdinand I uit het huis Saksen-Koburg-Gotha.

Rumenië een onafhankelijk vorstendom......... 1878.

Karei I, uit het huis Hobenzollern, koning van Rumenië . . 1881.

Alexander II van Rusland gedood. — Alexander III . Mrt. 1881.

Dood van Alexander III. — Nikolaas II.....2 Nov. 1894.

§ 93. Frankrijk en de omwentelingen ran 1830 en 1848. — De opstand en de afscheiding van België. — De oproeren in Polen bedwongen. — De Nederlanden.

Lodewijk XVIII, koning van Frankrijk, sterft . . 16 Sopt. 1824.

Karei X............. 1824—1830, overl. 1836.

De hertog van Berry valt door sluipmoord...... 1820.

Het streven dor Bourbons. — Tegenstand der betergezindon.

Karei X benoemt het ministerie Polignac of het „onmogelijke ministeriequot; ................ 1829.

221 van de 402 afgevaardigden vorklaren zich togen dit ministerie ..................Maart 1830.

Do kamer ontbonden. — Een nieuwe verkiezing uitgeschreven.

-ocr page 260-

Jaren n. C.

Bounnont verovert Algiers, — Aanleiding hiertoe . 5 Juli 1830

Do nieuwe afgevaardigden zijn togen do regeering.

De regeering verandert eigenmachtig tic constitutie.

Dc drie ordonnantiën.............26 Juli 1830.

Driedaagsche opstand der bevolking van Parijs. — Dc Juli-dagen...............27—29 Juli 1830.

Karei X doet tevergeefs afstand van de kroon ten behoeve van den hertog van Bordeaux.

Hij gaat eerst naar Schotland, later naar Praag, en sterft tc

Görz.....................183(5.

Lodewijk Philips I, hertog van Orleans, koning der Franschen

7 Aug. 1830—1848.

Hij handhaaft zich in spijt van menigen opstand en van vele

aanslagen op zijn leven, zooals van Fieschi...... 1835.

De niinnister Casimir Péricr sterft......... 1832.

Lodewijk Adolf Thiers en Frans Pi et er Willem G uizot.

De kolonie Algiers breidt zich uit.

Abd-cl-Kader als gevangene naar Frankrijk gevoerd . . 1847.

Bugoaud, Eugenius Cavagnac, Changarnior.

Lodewijk Napoleon schenkt Abd-el-Kader de vrijheid . . . 1852.

De binnenlandsche toestand van Frankrijk zeer onrustbarend. — Oorzaken.

Oproer te Parijs en aanleiding, — Lodewijk Philips doet afstand

van de regecring en vlucht naar Engeland ... 23 Febr. 1848.,

Hij sterft aldaar................. 1850.

Frankrijk wordt een Republiek. — Voorloopig bestuur

23 Febr.—Mei 1848.

Nationale vergadering. — Uitvoerend bewind......Mei 1848.

Di dictator Cavaignac dempt bet Juni-oproer

Lodewijk Napoleon president der Republiek ... 10 Dec. 1848.

Hij verandert zijn beperkte in een onbeperkte macht . 2 Dec. 1851.

Hij wordt als Napoleon III erfelijk keizer der Franschen 1 Dec. 1852.

Hij huwt Eugenie de Montijo, gravin van Theba, Jan, 1853.

Zij brengt een zoon ter wereld. Napoleon Eugenius Lode wij k Jo ban Jozef ...........10 Mrt. 1856.

Tweede wereld-tentoonstelling te New-York........ 1853.

Derde wereld-tentoonstelling tc Parijs.......... 1855.

Wereld-tentoonstelling te Parijs............ 1867.

Invloed der Julidagen op het buitenland. — Onvergenoegdheid in België over de vereeniging met de Nederlanden. — Oorzaken. — De geest van tegenstand opgehitst door de katholieke geestelijkheid.

-ocr page 261-

255

.laren n. ('•

Driedaagsche opstand van het volk te Brussel . . 25 Aug. 1830.

De troepen kunnen de stad niet hernemen . . .23—27 Sopt. 1830. Nationaal congres. — Provisioneele regeering. — Vrijzinnige con-stitntie.

Het huis Oranje-Xassau van den troon uitgesloten.

Leopold van Saksen-Koburg als koning der Belgen verkozen

4 Juni 1831.

Hij verbindt zich met Louise, een dochter van Lodewijk Philips, in den echt.

Hij overlijdt. — Leopold II ..........Dcc. 1865.

Willem I wendt zich tot do vijf groote Europeesche mogendheden. —- Conferentie van Londen. — Besluit van Willem I.

Tlendaagsche veldtocht............3—13 Aug 1831.

Willem, erfprins van Oranje, verslaat de Belgen bij Hasselt

8 Aug. 1831.

Hij overwint hen bij Leuven.........12 Aug. 1831.

Gerard rukt België met een Franseh leger binnen. — Hij ontrukt den Nederlanden de citadel van Antwerpen. —

Chassé. — Koopman...........23 Dcc. 1832.

De groote mogendheden erkennen België nis koninkrijk en

Leopold als koning...............1831.

Willem I willigt eindelijk de bepalingen der conferentie van

Londen in...............19 April 1S3(.gt;.

Willem 1 doet afstand van de kroon..........18-10.

Willem II gehuldigd te Amsterdam......28 Nov. 1840.

Willem I huwt als „graaf van Nassauquot; met gravin d'Oultre-

mont. — Hij sterft te Berlijn........................1843.

Buitengewone (inancieelc maatregelen onder Willem H. — Her

ziening der grondwet..............................1848.

Willem IL sterft. — Willem III........................1849.

Droogmaking van 't Haarlemmermeer.....Juni 1848—1853.

Het bisschoppelijk bestuur weder ingevoerd..............1853.

Wet op het lagcr-onderwijs..........................1857.

Nieuwe wet op het lager-onderwijs......................1878.

Wet op het middelbaar onderwijs......................1863.

Wet op het hooger-ondcrwijs..........................1876.

Overstrooming in Nederland........Maart 1825 en 1855.

Dood van prins Maurits.............hini 1850.

Dood van koningin Sophia...........Juni 1877.

Dood van prins Hendrik............Jan. 1879.

Dood van den kroonprins.............Juni 1879.

Dood van prins Alexander............luni 1884.

De koning hertrouwt met Emma..........Tan. 1879.

-ocr page 262-

256

Jaren n. C.

Geboorte van prinses Wilhelmina......................1880.

Dood van Willem III. — Wilhelmina koningin. — Koningin

Emma regentes...............Nov. 1890.

Adolf van Naussau groothertog van Luxemburg.

Afstand van dc kust van Guinea aan Engeland......1871.

Begin van den oorlog tegen den sultan van Atjeh . . Maart 1873.

Opstand der Polen te Warschau.........29 Nov. 1830.

De volkshaat rieht zich inzonderheid tegen Konstantijn.

Keizer Nikolaas verklaart dc Polen voor rebellen. — De Poolsche

rijksdag sluit het huis Romanow van den troon uit.....1831.

Diebitsch rukt Polen binnen..........5 Febr. 1831.

De Polen verslagen bij Ostrolenka........26 Mei 1831.

W arscbau geeft zich bij verdrag over na door Paskewitsch

te zijn bestormd.............6—7 Sept. 1831.

Paskewitsch stedehouder van Polen.

Hernieuwde opstand................................1863.

11 ij wordt gedempt................................1864.

§ 94. De oorlog van Frankrijk tegen Pruisen in 1870 en in 1871.

Benedetti Frankrijks gezant te Berlijn. — De vraag, of een der prinsen uit het huis Hohenzollern de kroon van Spanje zal dragen.

Dc keizer der Franschcn verklaart tc dier zake den oorlog aan

den koning van Pruisen...........19 Juli 1870.

liet Noord-Duitsehe verbond, alsmede Beieren en Wurtemberg sluiten zich bij Pruisen aan.

Mitrailleuses. — Tnrco's.

Fr ede rik Willem wint den slag bij Weissenburg op Mac

Ma bon...................4 Aug.

M ac Mahon gehcelenal verslagen bij Woerth door Frederik Willem en door Frederik Karei..........6 Aug.

Dc Fransehen vermeesteren Nancy..........12 Aug.

Frans Achilles Bazaine te Metz. — Mac Mahon bezet de legerplaats bij Chfüons.

De verceniging van Bazaine met Mac Mahon verhinderd door

den slag bij Gravelotte.............18 Aug.

Zege van Willem 1 bij Sedan op Mac Mahon. die wordt

gekwetst...................1 Sept.

Napoleon lil geeft zich over en gaat naar Wilhelmshohe. — Nagenoeg 100,000 man der Franschcn gaan in krijgsgevangenschap.

-ocr page 263-

257

.laren ii. C.

quot;Willem I vestigt zijn hoofdkwartier te Versailles. — Insluiting van Parijs.

Trochu wordt gouverneur van Parijs na den slag bij Gra-velotte.

Na den slag bij Sedan omwenteling te Parijs: de keizer vervallen verklaard, de Republiek ingesteld. — Eugénie vlucht naar Engeland. — liet bewind der nationale verdediging. . 4 Sept.

Jules Favre, Gambetta, enz.

Dood van Gambetta................1882.

Het leger van 't Noorden en dat van de Loire, grootendeels samengesteld uit nationale en uit mobiele garden. — Frane-tireurs. — Garibaldi.

Straatsburg geeft zich over............2S Sept.

Metz bezwijkt.................27 Oct.

Over de 300,000 man krijgsgevangenen bevinden zich in Duitschland

Het leger van het Noorden en dat van de Loire bij herhaling geslagen. — De uitvallen van Trochu afgeslngen.

Het bombardement van Parijs begint.......Jan. 1871.

Het gedeelte van 't voorloopig bewind, hetwelk zijn zetel heeft te Parijs, vraagt een wapenstilstand aan. — Gambetta en de leden, die te Bordeaux zijn gevestigd, zijn er tegen.

De Franschen kiezen leden voor de nationale vergadering. — Thiers hoofd van 'lt; uitvoerend bewind. — Het bewind der nationale verdediging treedt af.

Von Bismarck, von Roon en Moltke, van den kant der Duitschers, de hoofdpersonen in dezen oorlog.

De trredespraeliminairen te Versailles vastgesteld . . . 26 Febr. 1871.

Hoofdinhoud dier praeliminairen: Frankrijk staat den Elzas met Straatsburg en Duitsch Lotharingen met Metz aan Duitschland af en betaalt 5 milliarden francs. — Duitschland houdt een deel van Oostelijk Frankrijk bezet, ongeveer vim Rouaan tot Dijon. — De onderhandelingen over den eigenlijken vrede zullen worden geopend te Brussel.

De praeliminairen bekrachtigd door Willem I en door de nationale vergadering. — De nationale vergadering verklaart Napoleon Hl en zijn huis vervallen van den troon. — Napoleon begeeft zich naar Engeland.

Hij overlijdt................9 Jan. 1873.

-Zuid-Duitschland treedt toe tot het verbond van 't Noorden. —

Willem 1 neemt, met behoud van den titel „koning van Pruisen,quot; den titel keizer van Duitschland aan, Bismarck dien van rijkskanselier.

WijNM . Overzicht, 'Kiile duik. 17

-ocr page 264-

2öS

Jaren n. C

Jüenige afdeelingen der Duitsclie troepen bezetten een deel van

Parijs.................^gt;2,8 Maart,

Tc Parijs breekt een oproer uit van de nationale garde en van de hevige republikeinschgezinden.

De partij der orde zegeviert.............Mei.

De vrede niet Pruisen op vroeger vastgestelde voorwaarden ge-

teekend te Frankfort aan de Main..........Mei.

Thiers neemt zijn ontslag. — Mac Mahon president der

Republiek.................Mfi 1873.

Bazaine ter dood veroordeeld..........Deo. 1873.

Hij ontsnapt uit den kerker op liet eiland St. Marguerite Aug. 1874.

Mac Mahon doet afstand van zijn waardigheid.— Grévy Jan. 1878.

Wereldtentoonstelling te Parijs ........................1878.

Grévy herbenoemd................................1885.

Grèvy treedt af. — Sadi Carnot........Deo. 1887.

Carnot vermoord. — Casimir Périer........Mi 1894.

Péricr treedt af. — Félix Faure........Jan. 1895.

§ 95. Omwentelingen in Amerika. — De Vereenigdc Staten.

Bloei der Vereenigdc Staten door akkerbouw, nijverheid en handel.

St. Domingo, thans weder Haiti geheeten, behoort sinds (Jolnm-

bus' tijd geheel aan Spanje...........tot 1697.

De Franschen verwerven de westkust van Haïti...... 1697.

De Fransehen verkrijgen het geheelenal........ 1795.

Dc negers vrij verklaard. — Oproer der slaven tegen hun meesters. — Napolen zendt tevergeefs troepen.

Frankrijk erkent de onafhankelijkheid van den onder den president Boy er opgerichten vrijen neger- en mulaltenstaat . . 1825..

Deze staat splitst zich in een neger-keizerrijk, het westelijk gedeelte . Haiti, en een mulatten-republiek, het oostelijk gedeelte, Domingo of Dominica geheeten.

Haïti weder een Republiek............. 1858.

Dominica bij Spanje ingelijfd............1861.

Spanje verklaart Dominica voor een onafhankelijke Republiek

Juli 1865.

Het geheelo eiland aan dc Vereenigdc Staten aangeboden , doch

niet aangenomen................ 1870.

Verscheidene Spaansche koloniën geraken in opstand tegen

het moederland..............sedert 1810.

Venezuela verklaart zich voor een onafhankelijke Republiek . 1811.

liet vecht zich vrij................1824.

-ocr page 265-

259

Jaren 11. C.

Simon Bolivar, de bevrijder, sterft........1S30.

Er verrijzen nog andere Republieken: Nieuw-Gmnada, Bcneden-Pem, Opper-Peru, dat den naam Bolivia aanneemt. Chili, de Vereenigde gewesten aan de Plata, Paraguay. — Mexiko wordt onafhankelijk. —

Brazilië verdrijft zijn keizer Peter 11.

liet wordt een Republiek..............1891.

Spanje erkent de onafhankelijkheid van al zijn voormalige koloniën in Amerika. — Haar toestand.......... 1863.

Monroe president der Vereenigde Staten...... 1817—1852.

De leer van Monroe 't richtsnoer van Amerika's regeering tot 1849.

Verschil van denkwijze over de slavernij in Amerika.

Gelukkige oorlog, door Noord-Amerika tegen Mexiko gevoerd

1846—1848.

Ongunstige toestand van Mexiko.

Een vergadering van notabelen verkiest Maximiliaan als keizer

van Mexiko......................................1864.

Juarez neemt hein gevangen. Hij wordt dood geschoten Juni 1867. Oorlog tusschen de Noordelijke en de Zuidelijke staten van

Noord-Amerika.................1861.

Hij eindigt ten gunste van het Noorden..................1865.

Ulysses Sidney Grant.........sedert Maart 1869.

Hij wordt herbenoemd.............Nov. 1872.

1 londerdjarig bestaan der Unie. — Wereld-lenloonstelling te Phi-

ladelphia......................................1876.

Hayes president der Unie............sinds 1877.

Carfield president der Unie...........sinds 1881.

Dood van Garfield...............Sept. 1881.

De vice-president Arthur............Sept. 1881.

Hij wordt vervangen door Cleveland..................1885.

Cleveland wordt vervangen door Harrison..............1889.

Harrison wordt vervangen door Cleveland.....Maart 1893.

Cleveland wordt vervangen door Kinley.....Maart 1897.

liet getal der staten van de Unie is 45 ..................1889.

-ocr page 266-

1 X II O TT D.

Inleiding............

OUDE GESCHIEDENIS.

1. 2.

3.

4.

5.

6.

KKHSTE APDEELING.

Sina en Indië...................

Assyrië cn Babylonië.............. ' ■

Aegypte...................

De Israëlieten............... 10.

Phoenieië..................^ •

Medic en ......................!-•

Itlz. 1.

15.

§ 7. § 8.

15.

16.

18, 19. 21. 22.

24.

27.

28.

9.

10. § 11.

§ 12. § 13. § 14.

§

§ 15. § 16.

T WEKD E A F DE ELI N G.

Griekenland...............' ' '

Van den vroegsten tijd tot de vestiging der Heracliden en der Doricrs in de Peloponnesus. — Van ongeveer 1800

tot omstreeks 1000 ...............

De vestiging der Heracliden cn der Doricrs in de Peloponnesus. — De volkplantingen der Grieken . . .

De Grieken in 't algemeen..........

Sparta.................

Athene .................

De Perzische oorlogen. — Van 493 tot 387 ....

Pericles. — De Peloponnesische oorlog, van 431 tot 404 ...........................

Socrates.................

Van 't einde der Perzische oorlogen tot de onderwerping van Griekenland nan Macedonië. — Van 387 tot 338 .

DERDE AFDEEIJNG.

Alexander de grootc, van 336 tot 323. De uit het Perzisch-Maccdonisch rijk voortgekomen staten ....

§ 1'

30.

-ocr page 267-

201

T

VIERDE AFUEEUNG.

151z.

§ 18. Italië....................32.

Sj 19. Stichting cn oudste bewoners van Rome.......32.

§ 20. Rome onder de koningen. — Van 753 tot 509..... 34.

§ 21. De oorlogen, van Rome tegen de verdreven Tarquiniussen.— De plebejers erlangen allengs volkomen gelijkstelling in staatsburgerlijke rechten met de patriciërs. — Van 509 tot 287. 35.

§ 22. Oorlogen van Rome met de Galliërs, de Saiunieten, de Latijnen en met andere volkeren. — Beneden-Italië aan Rome onderworpen in den oorlog met Tarente en met koning Pyrrhus. — Van 390 tot 272 v. C.......36.

§ 23. De eerste Punische oorlog. — Van 2G4 tot 241 v. (J. . . 37.

§ 24. De tweede Punische oorlog. — Van 218 tot 201 v. C. . . 38.

§ 25. Uitbreiding van Rome's heerschappij in het Oosten en in

Spanje. — De derde Punische oorlog, van 149 tot 146 v. C. 40.

§ 26. Van de Gracchusscn tot den dood van Sulla. —- Van 133

tot 78 v. C..................41.

§ 27. Gnaeus Pompejus. — Het eerste driemanschap. — De tweede burgeroorlog en G. Julius Caesar. — Van 78 tot 44 v. C..................42.

§ 28. Het tweede driemanschap. — Van 43 tot 31 v. C. . . . 44.

§ 29. Augustus. — Van 31 v. O. tot 14 n. C. — Het Christendom 45.

§ 30. De keizers uit het geslacht van Augustus, de Flaviussen en de overige vorsten tot ConstantTnus den groote. — Van 14 tot 323 .................. 46.

§ 31. ConstantTnus de groote, van 323 tot 337, en het Christendom in zijn tijd................47.

§ 32. De Germanen. — Do volksverhuizing sedert 375. — De

verdeeling van liet Romeinsche rijk in 395 ...... 48.

§ 33. Het West-Romeinsche rijk in oorlog met de Gothen en

niet de Hunnen tot zijn ondergang. — Van 395 tot 476. 49.

*

I)

MIDDELEEUWEN.

EERSTE TIJDVAK.

§ 34. Het Oost-Gothische rijk. — Het Oost-Romeinsche rijk tot 842. — De val van het Vandaalsche en van het Oost-

Gothische rijk. — De Longobarden in Italië.....61.

§ 35. Do Arabieren. — Mohammed. — Van 571 tot 632 . . . 63.

-ocr page 268-

262

Dlz.

§ 86. De Arabieren onder de eerste khalifon, die uit het geslacht der Ommyaden en de eerste Abbassiden. — Van 632 tot 809. — De ondergang van het rijk der West-Gothen in 711 65.

§ 37. liet Frankische rijk onder de Merovingiërs en onder de Karolingische huismeiers tot het koningschap der Karo-lingiërs. — Van 481 tot 752 ........... 67.

§ 38. liet leenstelsel en het Christendom onder de Duitsche volkeren. — Het pausdom en de scheuring dor katholieke kerk....................69.

§ 39. Het Frankische rijk onder de Karolingische koningen Pepijn en Karei den grootc. — Dc bekeering en de onderwerping der Saksen. — Van 752 tot 814'.......72.

S 40. Kareis binnenlandsch beheer...........74.

TWEEDE TIJDVAK.

41. De Karolingische koningen van het rijk der Franken tot het afzetten van Karei den dikke, van 814 tot 888. — Het verdrag van Verdun in 843 .......... 76.

§ 42. Dc laatste Karolingiërs in Duitschland, Italië en Frankrijk, van 887 tot 911, 923 en 987. — Duitschland onder den Frankischcn Koenraad I en onder de eerste vorsten uit het Saksische huis, van 911 tot 973 ........ 78.

§ 43. Duitschland onder het Frankische huis, sedert 1024. — Twist van koning Hendrik IV, van 1056 tot 1106, met paus Gregorius VM , van 1073 tot 1085 ....... 80.

§ 44. De Angelsakscn in Britannië, van 449 tot 827. — Engeland onder het bestuur der Angelsaksische koningen, van 827 tot 1017; onder het Deensche huis, van 1017 tot 1042; onder de regeering van den Angelsaksischen Eduard Hl en onder den eersten vorst uit het Normandische huis, van 1066 tot 1087 ............... 82.

DERDE TIJDVAK.

§ 45. De eerste kruistocht. — Van 1096 tot 1099 ...... 84.

§ 46. De tweede kruistocht, van 1147 tot 1149. — De derde kruistocht, van 1189 tot 1192. — Duitschland onder Fre-derik I Barbarossa uit het huis Hohenstaufcr;, van 1152 tot 1190 .................. 86.

§ 47. De vierde, de vijfde, de zesde en de zevende kruistocht, van 1202 tot 1204, van 1228 tot 1229, van 1248 tot 1254 en in 1270. — Duitschland onder Frederik II, uit het

-ocr page 269-

263

r

geslacht der Holienstaufen, van 1215 tot 1250. — Frankrijk onder de Capetingiörs Philips IT Augustus en Lodewijk IX of den heilige, van 1180 tot 1270. — Engeland onder Jan zonder land, koning uit het huis Plantagenet, van 1199 tot 1216................88.

VIERDE TI ID VAK.

§ 48. Duitsohland onder de koningen uit het Habsburgsche en hot Luxomburgsehe huis. — Johannes Hus. — Van 1278 tot 1458 ................ 90.

§ 49. Frankrijk onder de laatste koningen uit de rechte linie van het huis Gapet en onder die van de tweede linie of van het huis Valois. — De langdurige oorlog tusschen Frankrijk en Engeland. — De maagd van Orleans. — Van 1285 tot 1458 .............. 92.

§ 50. Engeland onder de laatste koningen uit het huis Plantagenet, alsmede onder de geslachten Lancaster en York. — De oorlog der witte en der roode roos. — Van 1274 tot 1485 ................ 95.

§ 51. Geschiedenis van Spanje gedurende het tweede, het derde en het vierde tijdvak. — De opkomst en de ondergang der Ommyaden. — Het ontstaan en de bloei van nieuwe Ghristen-staten aldaar.............96.

§ 52. De Italiaansche staten gedurende de dertiende, de veertiende en de vijftiende eeuw..........98.

§ 53. Geschiedenis der Nederlanden gedurende de Middeleeuwen 99.

§ 54. Geschiedenis van Polen en Hongarije gedurende de Middeleeuwen .................104.

§ 55. De Scandinavische rijken gedurende de Middeleeuwen.—-

Oorsprong van Rusland............106.

§ 56. De opkomst en de hernieuwing der Mongoolsch-Tartaar-sche macht. — De verovering van Constantinopel dooide Turken in 1458 .............. 107.

NIEUWE GESCHIEDENIS.

EERSTE TIJDVAK.

§ 57. De ontdekking van Amerika in 1492 en van den weg ter zee naar Oost-Indië. — De eerste reis om de wereld door F. Magelhan, van 1519 tot 1521. — F. Cortez verovert Mexiko cn F. Pizarro Feru.........122.

gt;

-ocr page 270-

•204

lilz.

§ 58. Karei V, van 150(1 tot 1556, on zijn oorlogen togen Frans I, van 1521 tot 1544. — Kareis tochten togen de Afrikaansche zeeroovers. — Soleimaa II, sultan der Ottoraanischo Turken, van 1520 tot 156(1............125.

§ 59. Het begin der kerkhervorming in Duitsohland en in Zwitserland in 1517. — Maarten Luther, Philips Me-lanchthou en Ulrich Zwingli........., . 126.

§ 60. Do vorderingen der hervorming tot den godsdienstvrede te Augsburg in 1555. — Do Smalkaldisoho oorlog in 1546. — De dertigjarige oorlog, van 1(11lt;S tot 1648, tot don rijksdag te Regensburg in 1630 ........ 129.

§ 61. De dertigjarige oorlog, van don rijksdag te liogensburg tot don Westphaalsohen vrede, van 1630 tot 1648. — Wallenstoin afge/.et en vermoord in 1634 ...... 132.

§ 62. De Nederlanden onder Karei V en onder Philips 11 tot

hot stadhouderschap van Maurits. — Van 1506 tot 1590 133.

§ 63. De Nederlanden van 't stadhouderschap van Maurits tot

don vrede van Westminster. — Van 1590 tot 1654 . . 138.

§ 64. Spanje onder do koningen uit hot Habsburgscho huis Philips II, Ml en IV, van 1556 tot 1665. — Portugal een gewest van Spanje, van 1580 tot 1640. — Portugal onder de regeoring van het huis Braganza, sedert 1640 . 141.

§ 65. Frankrijk onder do laatste koningen uit het huis Valois, van 1547 tot 1589, en onder de eerste koningen uit liet geslacht Bourbon, van 1589 tot 1660. — Johan Calvijn. — De godsdienstoorlogen. — Het beheer van Richelieu ou van Mazarin............- . . . . 142.

§ 66. Engeland onder het huis Tudor en het huis Stuart tot de omwenteling en tot den dood van Karei 1. — Elizabeth en Maria Stuart van Schotland. — Engeland als Republiek onder den protector Cromwell tot de restauratie. — Van 1509 tot 1660 ........... 146.

§ 67. Hot Noordon on hot Oosten van Europa. •—■ Gustaaf Wasa en zijn geslacht in Zweden tot 1654. — De oorlog van Karei X Gustaaf van Zweden togen Polen, Denemarken en hun bondgonooten tot den vrede van Olïva en dien van Koppenhagen. — Van 1520 tot 1660 . . . 150.

TWKEDJO TIJDVAK.

§ 68. De oorlog van Lodewijk XI V togen Karei II van Spanje tot den vrede van Aken in 1668. — Die van Lodewijk,

-ocr page 271-

'265

ni/.

verbonden met Karei II van Engeland on met Zweden,

tegen de Nederlanden en hun bondgenootcn tot den vrede van Nijmegen, van 1672 tot 1678 ......... 151.

§ 69. Do negenjarige oorlog van Lodewijk XIV tegen het Weener-verbond tot den vrede van Rijswijk, van 1Q88 tot 1697. — De Spaansche erfopvolgingsoorlog tot den vrede van Utrecht en dien van Rastadt van 1700 tot 1714. 154.

§ 70. Engeland onder de koningen uit het buis Stuart Karei II en Jakob II, alsmede onder Willem III van Oranje-Nassau, onder Anna uit liet huis Stuart en onder de koningen uit het Hannoversehe huis George I en George II. — Van 1660 tot 1760 ......... 157.

§ 71. Duitschland onder den Habsburgsehen koning Leopold I, van 1658 tot 1705, benevens de oorlogen tegen de Turken, van 1663 tot den vrede van Karlowitz in 1699. — Pruisen wordt in 1700 een koninkrijk onder het huis Hohen-/.ollern. — De Nederlanden en de verhelling van Willem III, van 1660 tot 1702 .............. 160.

§ 72. Rusland onder de alleenheerschappij van Peter den groote,

uit het huis Romanow. — Van 1689 tot 1725 . . . . 162.

§ 73. Zweden onder Karei XII , koning uit het huis Palts-Tweebruggen, en de Noordsche oorlog tot den vrede van Nijstiidt, van 1697 tot 1721 ........... 164.

§ 74. Frankrijk onder Lodewijk XV, koning uit het huis Bourbon, van 1715 tot 1774.—Pruisen onder do koningen uit bet huis Hohenzollern Frederik Willem I en Frederik 11, van 1713 tot 1786. — De eerste Silozisehe oorlog, van 1740 tot 1742. — Do oorzaken en het begin van den Oostenrijksehcn erfopvolgingsoorlog, van 1741 tot 1748 . 165.

§ 75. Hot vervolg van don Oostonrijkschen erfopvolgingsoorlog, van 1741 tot den vrode van Aken in 1748. — De tweede Silozisehe oorlog tot den vrede van Dresden, van 1744 tot 1745. — De zeeoorlog tusscben Engeland en Spanje, van 1739 tot 1748. — Do zovenjarige oorlog tot den vrede van Hubertshurg, van 1756 tot 1763 ..... 167.

§ 76. De zeeoorlog tusschen Frankrijk en Engeland, geëindigd met den vrede van Parijs, van 1756 tot 1763. — Portugal onder bet bestuur van Pombal, van 1750 tot 1777.—

Jozef II, koning van Duitschland uit hot huis Lotharingen of Habsburg-Lotharingen, en zijn hervormingen, van 1780 tot 1789 .......quot;.......169.

§ 77. De oorlog voor de onafhankelijkheid van de Vereonigdo

-ocr page 272-

2()G

Staten van Noord-Amcrika, geëindigd met den vrede van Versailles, van 1775 tot 1783. — George Washington en Benjamin Franklin. — De Republiek der dertien Ver-eenigde Staten................171.

§ 78. Rusland onder Peter 111 en onder Katharïna II, van

1762 tot 1796. — Stanislaus Poniatowski, koning van Polen, van 1764 tot 1795. — De eerste de tweede en de derde deeling van Polen in 1773, in 1793 en in 1795. — Russiseh-Turksche oorlogen, van 1769 tot 1774 en van 1787 tot den vrede van Jassy in 1792 ....... 173.

§ 79. De Nederlanden, sedert den dood van Willem ill tot de komst der Pruisen. — Willem I V, de gouvernante en Willem V. — Van 1702 tot 1787 ......... 174.

DEHDK TIJDVAK.

§ 80. Frankrijk sinds het begin der eerste omwenteling ot de opening der constitueerende nationale vergadering tot de eerste zitting der wetgevende vergadering. — Van 1789 tot 1791, 1 Oct..............177.

§ 81. Frankrijk sinds de opening der wetgevende vergadering. — De nationale conventie. — De oorlog van Oostenrijk en van Pruisen tegen de Fransche Republiek in 1792. — Voortgang der omwenteling, terdoodbrenging van Lode-wijk XVI en hot schrikbewind. — Van den lsten Oct. 1791 tot in 1794 ............... 179..

§ 82. De oorlog van de eerste coalitie togen de Fiansche Republiek gedurende de jaren 1793 tot 1795. — De burgeroorlog in de Vendee on die in de zuidelijke departementen van Frankrijk, van 1793 tot 1795. — De derde constitutie of dio van het directoire, don 28sten Oct. 1795. 181.

§ 83. Do oorlog togen do Fransche Republiek in Zuid-Duitsch-land en in Italië gedurende 1796 en 1797 tot den vrede van Campo Formio, den 17dun Oct. 1797. — De door Frankrijk opgerichte Republieken......., . 182.

§ 84. De tocht van Napoleon naar Egypte in 1798. — De oorlog der tweede coalitie tegen de Fransche Republiek, van 1798 tot den vrede van Luneville in 1801 en dien van Amiëns in 1802. — Hot bewind der consuls ia Frankrijk. — Napoleon wordt keizer der Franschen on koning van Italië. — Van 1798 tot 1805 ...... 183.

§ 85. Do derde coalitie-oorlog. — De vrede van Presburg. —

-ocr page 273-

267

Biz.

Napoleon schept rijken voor zijn bloedverwanten. — Het Rijnverbond. — Hernieuwde oorlog van Pruisen tegen Frankrijk tot den vrede van Tilsit. — Het continent aalstelsel. — Van 1805 tot 1807........... 185.

§ 8G. Napoleon neemt Portugal en Spanje in bezit. — Jozef wordt koning van Spanje, Murat koning van Napels. — De oorlog tegen Napoleon in Spanje. — Vernieuwde krijg van Oostenrijk tegen Frankrijk tot don vrede van Wcenen of van Schönbrnnn. — Napoleons oorlog met Alexander I on zijn tocht naar Rusland. — Van 1807 tot 1812 . . . ...............187..

§ 87. De oorlog der bondgenooten en de slag bij Leipzig. — Napoleons val en zijn vertrek naar Elba. — Lode-wijk XVIII (Bourbon) koning van Frankrijk. — Het Weener-congrcs. — De terugkomst van Napoleon en zijn laatste oorlog tegen de bondgenooten. — Nopoleons val en de tweede vrede van Parijs. — Van 1813 tot 1815 . 188..

§ 88. De Nederlanden onder Willem V. — De Bataafsche Republiek. — Rutger Jan Schimmelpenninck. — Lode-wijk Napoleon koning van Holland. — De Nederlanden als deel van Frankrijk. — De Nederlanden en België als koninkrijk onder Willem I. — Van 1787 tot 1815 . . . 191..

NIEUWSTE GESCHlEDENIS.

§ 89. Spanje en Portugal..............219'.

§ 90. Italië................... 222.

§ 91. Duitschland, Zwitserland, Denemarken....... 225..

§ 92. Zweden, Groot-Britannië, Rusland en Turkije. — Grie-kenlands bevrijding. — Do oorlog van Rusland tegen Turkije en tegen de verbonden mogendheden, 1853 — 1856, — De oorlog van Rusland togen Turkije, 1877—1878. 229..

§ 93. Frankrijk en de omwentelingen van 1830 en 1848. — De opstand en de afscheiding van België. — De Nederlanden. — De oproeren in Polen......... 233.

§ 94. De oorlog van Frankrijk tegen Pruisen in 1870 en in 1871. 238.

§ 95. Omwentelingen in Amerika. — De Vereenigde Staten, , 242.

-ocr page 274-

UITGAVEN VAN J. 1!. WOIjTEES, TE GRONINGEN.

Dr. J. A. Wijnnk, Algeineeno geschiedenis, 1. IOde druk f 2,90 Dr. J. A. Wi.innk, Algomoene geschiedenis, II. Tdedntk - 2,90 Dr. J, A. Wijnxk, Algemeenegeschiedenis,III. Hstedruk - 2,90 Dr. ,T. A. Wijnne, Algemeene geschiedenis, IV. 7de druk - 2,90 Dr. J. A. AVijnnk, Handboek der Algemeene geschiedenis, ............~dc druk - .'',90

Dr. J. A. Wwxxk , Overzicht dor Algomoene geschiedenis, ............13de druk - 1,90

Dr. J. A.Wi.inxk, Geschiedenis v. h. vaderland, SVedruk - 3,90 Dr. .T. A. Wi.ixxe, Beknopte geschiedenis van het

vaderland,...........Tide druk - 1,90

Dr. J. A. AVijxne, Geschiedenis van de Nederlanden, 1 - 4.90 Di'. J. A. AVijxxe , Geschiedenis (verspreide en nieuwe

opstellen),...............-3,75

Dr. .1. A. WijxXE, Binnenlandsche geschiedenis van

frankrijk,...............- 2,90

Dr. J. A. Wijxxe, Oostersche volken on Griokonhind, - 4,50

Dr. J. A. Wijnne, Historische waarheid,.....- 0,50

Dr. .1. A. Wijnne, Wot op hot lloogor Onderwijs on

de Algemeene Geschiedenis,........- 0,40

Dr. .1. A. Wijnne, Eenige opmerkingen over W. Ihne,

Romische Qeschichte,...........- 0,75

Dr. .1. A. Wuxne, De historiën van Marcius Coriolamis,

Spurius Cassius Vecollinns en Spurius Maelius,. . - 0,75

i

ci

-ocr page 275-

jij

- ■ ■

«^vt-

-quot;quot;•' k«»«

IMN-*quot;' •• «''Mpi ■■0i' ^.'-..ijÉrii

.....■ . - - ■:. ■ ' ■ ■ ■ Wff-j . . ^ ,

■ ' ■- ■ ■ ■ • ■ - gt;■

- /

'

. .

■■ — ' V-' ■■ ■ ■

'■^■v^pm-'i- '■*§amp;

-ocr page 276-