§ 38. HET AVONDMAAL NOODIG.
Roomschon echter de kleine kinderen uitzonderen : voor dezen, zoolang zij niet tot de jaren van onderscheid en redegebruik zijn gekomen, wordt door hunne Kerk het Avondmaal niet noodig geacht, en wel âomdat zij door het bad des Doops wedergeboren en Christus ingelijfd en reeds kinderen Gods geworden zijn en deze genade in dien leeftijd niet kunnen verliezen
Maar eene betrekkelijke, voorwaardelijke noodzakelijkheid des Heiligen Avondmaals houden de Gereformeerden vast, in legenstelling zoowel tegen de overgeestelijke Mystieken a), die de zienlijke teekens voor niets achten, als tegen degenen die in deze zinnebeeldige gemeenschapsoefening der Christenen slechts zien eene tijdelijke verordening en eene nabootsing van Joodsch gebruik bij de feestmalen ter dankzegging voor Gods weldaden s).
De Gereformeerden ») erkennen de noodzakelijkheid des Heiligen Avondmaals en de verplichting der geloofsbelijders om het te gebruiken a. op grond van de eigene instelling door den Heere, met het gebod: Doet dat tot mijne gedachtenis (Luc. 22 : 19): eene openbare, gemeen-
') Tndentin. Sess. XXL De Communioue. Cap. IV : Saucta syuodus doeot parvulos usu raüonis carentes nullo obligari necessitate ad sacrainentalem oucharistiae communionem, siquidem per baptistni lavacrum regenerati et Christo iucorporati adeptam jam filiormu Dei gratiam iu illa aetate amittere non possunt. Vergel. Canon IV.
2) Vergel. hier voren § 6.
') Zoo //. Grotius in oone Dissertatie (1638) De Avondmaals-bedieuing zonder een Leeraar, en over de vraag An semper cominuniGundutn der Si/mbola (1638). Zijne (persoonlijke) beweegredenen daartoe ontdekt G. Voetius, zie bij De Moor, Communtar. V. p. 665. Vergel. Vitringa, Doctrina Pars VIII. Tom, I. p. 398.
'') March, Compend. en Merch XXXI, 15.
534
§ 39, DOOR WIE EN VOOR WIE.
schappelijke, plechtige viering van Christus' zoendood, ea wel totdat Hij komt (1 Kor. 11 : 26), feestmaal des Nieuwen Verbonds, gedenkteeken van de volbrachtte offerande, door de offers des Ouden Verbonds afgeschaduwd. De Gereformeerde bekent: Dat Christus mij en allen geloovigen tot zijne gedachtenis van dit gebroken brood te eten en van dezen drinkbeker ie drinken bevolen heeft (Heidelb. Catech. Vr. 75).
b. En gelijk het noodzakelijk is door het gebod des Heeren, zoo is hot dat ook wegens onze eigene behoefte waarin het gebod voorziet. Wij zijn niet enkel geestelijke maar ook zinnelijke wezens i). Dies heeft de goede God, acht hebbende op onze grovigheid en zwakheid, ons de
Sacramenten verordend--ook om dat geloof te voeden
en te onderhouden, â â om 't beter aan onze uiterlijke zinnen voor te stellen zoowel hetgene Hij ons belooft in zijn Woord als hetgene Hij inwendig doet in onze harten, bondig en vast makende in ons de zaligheid, die Hij ons mededeelt {Nederl. Belijd. Art. XXXIII).
c. En zoo is dan de noodzakelijkheid des Avondmaals ook gegrond in de natuur zelve van dit Sacrament, hier-voren beschreven, gegrond in geheel zijne beteekenis, doel en kracht, in al wat bet voor de Kerk wezen zal en voor den geloovige waarlijk is J).
§ 39. Door wie en voor wie.
1. Door wie is het Avondmaal te bedienen? De bediening des Heiligen Avondmaals komt alleen den
1) Calvin, Instit. IV. 14. 3. Vergel hiervoren § 3.
2) Zie Negentiende Hoofdstuk § 19.
535
§ 39. DOOR WIE EN VOOR WIE.
Leeraar toe, die wettig geroepen en geordend is door de Kerk tot de prediking des Woords en uitdeoling der Sacramenten.
Zoo houdt het de Gereformeerde Kerk en over het geheel ook de Luthersche'). Doch niet om dezelfde reden waarom de Roomschen alleen aan den geestelijken ambts-bekleeder de bediening toestaan *), namelijk wegens zijne priesterlijke waardigheid ; maar wegens het nauw verband, hetwelk de Profestant niet loslaat, tusschen Woord en Sacrament'). Schoon bijgestaan door Ouderlingen en Diakenen is de schikking van het stoffelijke, is toch de Dienaar des Woords de woordvoerder en dus de eigenlijke Bedienaar des Avondmaals; bovendien geen Avondmaal zonder prediking»).
Mag dan geen particulier het Heilig Avondmaal bedienen? Neen, evenmin als den Doop. De Schrift leert, dat er Dienaars of Herders moeten zijn om Gods Woord te prediken en de Sacramenten te bedienen {Naderl. Belijd. Art. XXX) : dit beide behoort onafscheidelijk bijeen e). Matth. 28 : 19. 1 Kor. 4:1.
Onze Gereformeerde Kerk eerbiedigt deze ordening Gods
1) Do Rooraschen beschuldigen Luther dat hij do bodieniug door particulieren in znkero gevallen goedkeurde. Ton ourocbte, zooals o. a. De Moor, Comment. V. p. 639 aantoont.
-) Tridentin. Süss. XIII, Do Eucbaristia Cap. VIII. Catech. Roman. Pars II. Cap. IV. Qu, 65, mot het opschrift: Proprius hujus Sacramonti minister est sacovdos.
3) Vergel. hiervoren in dit Hoofdstuk § 20 van de Bedienaren des Doops,
ïroffeude wenken over de rechte en vruchtbare bediening des Avondmaals geeft Calvin. Instit. IV. 17. 43.
5) Calvin. Instit. IV. 3. 6.
536
§ 39. DOOR WIE EN VOOR WIE.
en slaat de bediening des Avondmaals alleen aan den Dienaar des Woords toe en niet aan eenen particulier')
De bediening door iemand, die niet het kerkelijk leeraarsambt bekleedt, al is het een geloovig lidmaat, is tegen den regel der Schrift 2) en tegen de practijk der oude Kerk '). En dit gevoelen, dat ieder gcloovige bevoegd zou zijn om als voorganger het Avondmaal te bedienen of dat geloovigen zoo maar onder elkaar zonder Leeraar Avondmaal konden houden, vloeit voort uit onzuivere bronnen. Hetzij uit miskenning en verzaking van het
') March, Merch XXXI. 11. De Moor, Commentar. V. p. 638. sqq. G. Vitringa, Doctrina Pars VIII. Tom. I. p, 326. sqq. Bijzoudero govalleu wordon behandeld in de quaestiones van G. Voelius, ibid. p. 335.
quot;) Voorstanders van het recht aller geloovigon tot de bediening beroepen zich op 1 Kor. 10 : 16 : de drinkbeker der dankzegging, dien wij zegenen, â â het brood dat wij breken. Maar Paulus spreekt hier algemeen van hot Avondmaal als gemeenschapsmaal der geloovigen, niet van de manier der bediening, niet mot onderscheiding van bedienaar on bedienden. Meyer, z. d. St.: Die Plurale sind aus dem ChristUchen Gemeinschaftbeicusstsein gosagt, woboi os keinon Untorschied macht, wor in den einzi lnon I'üllen das administrirende Organ dor Gemoinschaft ist. â Kout do Apostel 1 Kor. 11 : 26 hot verkondigen van den dood des Hoeren aan alle goloovigon toe, zoo veronderstelt dit iuist de onderwijzing en prediking door de dienaren dos Woords, waarmede do dischgenooten zich vereenigen en instemmen. Men zie do Kantteek. te dezer plaats.
Noderl. Belijd. Art. XXXV; Wij ontvangen hel heilige Sacrament in de verzamelingen des volks Gods met ootmoedigheid en eerbieding, onder ons houdende een heilige gedachtenis des doods van Christus, onzes Zaligmakers, quot;met dankzegging, en doen aldaar belijdenis onzes geloojs en der Christelijke religie.
;l) De Moor, Commentar. V. p. 639. C. Vitringa. Doctrina Pars VIII. Tom. I. p. 331.
537
§ 39. DOOR WIE EN VOOR WIE.
sacramenteel karakter des Avondmaals, terwijl men het alleen voor dankzegging en belijdenisceremonie houdt, zooals bij de Socinianen1) en Remonstranten'1); of mede uit geringachting van het kerkelijk Leeraarsambt, gelijk bij de hedendaagsche Darhysten'), die van een bijzonder Leeraarsambt, na de Apostelen, niet willen
') S.icinus achtte de bediening dos Avondmaals door don Diemiar dor Kerk wol oorbaar, welstaanshalve, maar niet noodzakelijk. Naar hem zijn alle Christenen daartoe bevoogd. Hij zelde: Nihil est, cnr suspicari possimus, Coouam a quolibet Christi nomen profitontium coetu colebrari non posse. C. Vitringa, Doctriua Pars VI11. Tom. II. p. 1014. (Aldaar wordt door Martin. Vitringa p. 1014â1055 gehandeld De S. Coona Socinia-norum).
2) De Romonstranton zagen er geen bezwaar in, dat in geval van noodzakolijkheid, namolijii bij vorhindoring van openbare vergadering of bij ontstentenis van oen Evangeliedienaar, ge-loovigon onder elkander het Avondmaal vierden. Volgens de Apologia, waar zij vragen : Quid obstat, cur in casn necessitatis, cum vel cootus vol Pastor haberi non potest, â â inter fideles Coena Domini celebrari non possit ?
Evenzoo H. Grotivs in de Dissertatie, hiervoren bl. 534 n. 3 aangehaald; De Coonae administrationo ubi Pastores non sunt. De Moor, Coinmentar. V. p. 640 sq. C. Vitringa, Doctrina Pars VlII Tom. I. p. 328. sqq.
ü) W. Rohnert, Kiroho, Kirchen und Sekten. Leipz. 1888. S. 229. Van het Avondmaal dor Darhysten zegt hij S. 230: lm Abendmahl (die Darhysten nonnen os Brotbroehen) wird zwar nichts Busonderes empfangen, auch ist eino besondero Vorbe-reitung dazu völlig unnöthig; doch hat dassolbo eino sehr hohe Bodeutung, woil es sowohl ein Pest freudigor Danksagung für die empfangonen Gaben ist, wie auch eino Darstellung dor Einhoit des Leibos Christi. Die Abendmahlsfeior findot allsonn-taglich statt, und zwar der Art, dasz die Kommnnikanton schweigend um einen Tisch sitzeu und ohno vorhorige Konso-kration Brot und Woin unter sich herumgehen lassen.
538
§ 39, DOOR WIE EN VOOR WIE.
weten en het voor eene onbevoegde aanmatiging, voor een willekeurig menschenwerk en voor den eersten stap tot verval en afval der Kerk verklaren, terwijl zij alleen het geestelijk priesterdom (1 Petr, 2 : 5, 9) erkennen, krachtens hetwelk volgens hen ieder geloovige, waar de Heilige Geest hem er toe verwekt, hot recht heeft om te prediken en de Sacramenten te bedienen.
2. Voor wie is het avondmaal des ] leer en ingesteld? Ileidelb. Catech. Vr. 81. Eene gewichtige vraag, die in-tusschen veelal wordt misverstaan. Wij dienen wél te onderscheiden, wat deze vraag, zooals zij luidt, beteekent, en wat zij voorts bedoelt en inhoudt.
a. De heteekenis dezer vraag, zooals wij haar in onzen Catechismus lezen, is niet, zooals thans veelal wordt geleerd: Wie kunnen het Avondmaal met nut gebruiken? Hoe moet een Avondmaalganger gesteld zijn, om met zegen te genieten, en er vrucht en troost uit te trekken ? Dat zeggen de woorden niet, men geeft er dan eene andere beteekenis aan. Immers wanneer er een maaltijd is toegerecht en iemand vraagt: Voor wie is deze spijs opgezet ? dan beteekent deze vraag niet: Wie en hoedanigen zullen er met smaak en voordeel van eten ? maar de vrager wil weten: Voor wie is deze maaltjjd bestemd ?
Dat is dan ook de beteekenis van hetgeen in den Catechismus gevraagd wordt. Het zegt: Wie gaat het Avondmaal aan ? Wie zijn de geroepenen ? Wie raakt het bevel van Christus : Doet dat tot mijne gedachtenis ?
En in het Antwoord wordt duidelijk en beslist verklaard, wie dat zijn, zoo beslist, dat ten eenen male de gedachte wordt afgesneden, als waren er behalve dezen ook nog anderen voor wie het Avondmaal desgelijks bestemd zou
539
§ 39. DOOR WIE EN VOOR WIE.
zijn. Voor anderen is het niet; zij matigen het zich wederrechtelijk aan, hun zeiven ten oordeel. Het is naar den Catechismus, zakelijk, voor 1. een arm en ellendig volk, 2. maar die op den naam des Heeren vertrouwen en die 3. de heiligmaking najagen, wijl Hij die hen geroepen heeft, heilig is.
Dit ligt ook in den aard der zaak, in het wezen en doeleinde van dit Bondzegel. Want het Avondmaal zal eene voeding zijn van hot geestelijk leven: dies is het bestemd voor degenen, in wie een beginsel van dat leven is.
Nedeii. Belijdenis Art, XXXV : Wij gelooven en belijden dal onze Zaligmaker Jezus Christus het Sacrament des Heiligen Avondmaals verordend en ingesteld heeft, om te voeden en te onderhouden degenen, die Hij aireede wedergeboren en in zijn huisgezin, welke is zijne Kerk, ingelijfd heeft. Want het Avondmaal is niet om dooden levend te maken, om onhekeerden tot bekeering en geloof te brengen, maar om levenden te spijzigen en het geloof te sterken. Het is niet en wil niet zijn de eerste aanvang des nieuwen levens, maar voedsel en sterking voor het geestelijk en hemelsch leven in de tweede geboorte ontvangen, hetwelk niet gemeen is dan alleen den uitverkorenen Gods, hetwelk de geloovigen hebben.
Niet anders leert het Formulier van het Heilig Nachtmaal hetwelk uitdrukkelijk betuigt, dat Christus deze spijs alleen zijnen geloovigen verordineerd heeft.
De beteekenis der 81ste Catechismusvraag is dus niet twijfelachtig.
b. Zooals wij deze vraag lezen, is zij van P. Dathenus, die den Catechismus in het Nederduitsch heeft vertaald
540
§ 39. -DOOR WIE EN VOOU WIE.
(1560). In de oorspronkelijke, Hoogduitsche uitgave (van 1563) staat: Wie zullen tot de tafel des Heereti komen i) ? Dit dienen wij in aanmerking te nemen bij ile Verklaring, die Ursinus *), zelf medeopsteller van den Catechismus, op deze vraag geeft, en waaruit blijkt wat deze vraag voorts bedoelt en inhoudt.
Ursinus wjjst vooraf het rechte oogpunt aan, waaruit de 81ste Vraag moet worden beschouwd, en wel in onderscheiding van de 82ste.
De 81ste Vraag is: Wie tot het Avondmaal behooren te gaan. Deze vraag is gericht tot de gebruikers van het Avondmaal, tot de dischgenooten. De 82ste is: Wie al of niet tot het Avondmaal behooren toegelaten te worden. Dit raakt de gemeente en hare Opzieners.
De 81ste Vraag dringt de lidmaten tot zelfbeproeving ; de 82ste houdt den Opzieneren hunnen plicht voor om te waken en te oordeelen over het bestaan en den wandel der Avondmaalgangeren.
Is nu, gelijk boven gezegd, de beteekenis der 81ste Vraag geen andere dan deze : Voor wie is het Avondmaal des Heeren bestemd ? en worden zij, voor wie het verordineerd is, in het Antwoord door drie merkteekenen gekenschetst: zoo biedt dit juist aanleiding en stoffe voorde lidmaten om zich zeiven te beproeven : te weten, of zij zich mogen houden voor zoodanigen, voor wie het Heilig Avondmaal verordineerd is en dus mogen en moeten toegaan. En alzoo is het, dat deze Vraag voorts ook
') Wclche sollen zu dein Tische des Hernn kommen? Dit Urnen selbst urn xhrer Sünde willen miszfallen u. s. w. Het sollen is mogen eu moeten, hot zugt: behooren te komen.
â J) Zach. Ursinus, Schatbook. Goriucheiu 1736. II. p. 153.
51-1
§ 40. toelating.
bodoolt in inhoudt : JVte kunnen het met nut en troost gebruiken ?
J/ei Formulier van het Ihilig Nachtmaal zegt dan ook uitdrukkelijk : Opdat wij nu tot onzen troost des lleeren Nachtmaal mogen houden, is voor alle dingen ons van mode, Eerstelijk dat wij ons te voren recht beproeven. En daar worden dan zakelijk juist diezelfde drie stukken opgegeven, die in hel Antwoord op deze 81ste Vraag van den Catechismus staan.
§ 40. Toelating.
1. Wij moeten onderscheiden het. innerlijke recht voor God in liet eigen geweten om ten Avondmaal te gaan, en het uiterlijke recht daartoe voor de monschen, voor de Kerk. De Ueere kent degenen die de zijnen zijn (2 Tim. 2 : J9). Christus zegt: Ik ken de mijnen en word van de mijnen gekend (Joh. 10 : 14). En tot den mensch is het: Ken u zeiven! naar de spreuke van den wijzen Meiden der oudheid. De g^loovige kun en moet zich zeiven können, 2 Kor. 13 : 6: Onderzoekt u zeioen of gij in het geloof zijt, beproeft u zeiven. Of kent gij u zeioen niet, dal Jezus Christus in u is ? tenzij dat gij eenigzins verwerpelijk zijt.
Maar de Kerk kent de harten niet, de Opzieners kunnen over den zielsstaat van anderen niet onfeilbaar oordeelen, inzonderheid ook niet aangaande de drie kenmerken van den waren Avondmaalganger, in den Catechismus Vr. 8! en in het Formulier van het Heilig Nachtmaal voorgesteld. Want het leedwezen over de zonde wordt gevoeld in het hart en liet oerlrouweu zetelt in het bewustzijn, in den
542
§ 40, TOELATING.
vrede en de gerustheid der conscientie, Rom. 4 : 1, 5 : Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door omen Heere Jezus Christus. â Kn de hope beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, die ons is gegeven. Ook de begeerte naar wasdom in geloof en heiligheid is iets innerlijks.
Dat alles komt ook wel aan het licht en uit zich in onderscheiden mate en wijze, en naar dat uitwendige moeten anderen in liefde oordeelen. Maar dat oordeel kan jammerlijk falen. tVant het is niet gelijk de mensch ziet, want de mensch ziet aan wat voor oogen is, maar de Heere ziet het hart aan, 1 Sam. 16 : 7.
2. Hoe moet dan de Kerk, die de harten niet kent, hierin handelen? De gevoelens hierover verschillen ener is ook in onze Kerk niet weinig over getwist. Twee klippen. Te nauw en Te ruim, zijn hierbij voornamelijk te mijden. Het veiligst zullen wij varen, wanneer wij zeggen: De Kerk moet alle onergerlijke belijders toelaten, maar alleen de geloovigen en oprecht heilbegeerigen zijn de eigenlijk geroepenen tot de Tafel des Heeren ').
a. Te nauw is het ongetwijfeld, wanneer men stelt dat alleen degenen mogen worden toegelaten, van wie het
') Bralcel, Red. Godsd. I. p. 1019. Cap. XL. 36: Het moeten zijn ivare geloovigen. Da ware geloovigen alleen hebben voor zich zeiven recht aan de beloften, aan Christus, aan de gemeenschap der Heiligen, en zoo ook aan de Bnndteekenen. Maar da Kerk oordeelt niet van het inwenduje, de kennis van eens anders wedergeboorte is da grond niet, ivaarop zij iemand aan de Heilige Tafel laat gaan; maar zij laat ton allen die versttiadiga belijdenis doen van de ware leer des Evangeliams en die een leven leiden dat met de belijdenis overeenkomt.
543
§ 40. toelating.
bedoelt in inhoudt : Wie kunnen het met nut en troost gebruiken ?
Het Formulier van het Heilig Nachtmaal zegt dan ook uitdrukkelijk : Opdat wij nu tot onzen troost des Heer en Nachtmaal mogen houden, is voor alle dingen ons vlt;tn noode, Eerstelijk dat wij ons te voren recht beproeven. En daar worden dan zakelijk juist diezelfde drie stukken opgegeven, die in het Antwoord op deze Siste Vraag van den Catechismus slaan.
§ 40. Toelating.
1. Wij moeten onderscheiden het innerlijke recht voor God in het eigen geweten om ten Avondmaal te gaan, en het uiterlijke recht daartoe voor de monschen, voor de Kerk. De 11 eere kent degenen die de zijnen zijn (2 Tim. 2 : J9). Christus zegt: Ik ken de mijnen en word van de mijnen gekend (Joh. 10 : 14). Ãn tot den mensch is het: Ken u zeiven! naar de spreuke van den wijzen Meiden der oudheid. De gcloovige kan en moet zich zeiven kbnnen, 2 Kor. lei ; 6: Onderzoekt u zeiven of gij in het geloof zijt, beproeft u zeiven. Of kent gij u zeiven niet, dal Jezus Christus in u is ? tenzij dat gij eenigzins verwerpelijk zijt.
Maar de Kerk kent de harten niet, de Opzieners kunnen over den zielsstaat van anderen niet onfeilbaar oordeelen, inzonderheid ook niet aangaande de drie kenmerken van dea waren Avoudmaalganger, in den Catechismus Vr. 81 en in het Formulier van het Heilig Nachtmaal voorgesteld. Want het leedwezen over de zonde wordt gevoeld in het hart en liet vertrouwen zetelt in het bewustzijn, in den
54J2
§ 40. TOELATING.
vrede en de gerustheid der conscientie, Rom. 4 : 1, 5 : Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het (jeloof, hebben vrede bij God door omen Heere Jezus Christus. â Kn de hope beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, die ons is gegeven. Ook de begeerte naar wasdom in geloof en heiligheid is iets innerlijks.
Dat alles komt ook wol aan het licht en uit zich in onderscheiden mate en wijze, en naar dat uitwendige moeten anderen in liefde oordeelen. Maar dat oordeel kan jammerlijk falen. Want het is niet gelijk de inensch ziet, want de mensch ziet aan wat voor oogen is, maar de Heere ziet het hart aan, 1 Satn. 16 : 7.
2. Hoe moet dan de Kerk, die de harten niet kent, hierin handelen? De gevoelens hierover verschillen en er is ook in onze Kerk niet weinig over getwist. Twee klippen. Te nauw en Te ruim, zijn hierbij voornamelijk te mijden. Het veiligst zullen wij varen, wanneer wij zeggen: De Kerk moet alle onergerlijke belijders toelaten, maar alleen de geloovigen en oprecht heilbegeerigen zijn de eigenlijk geroepenen tot de Tafel des Heeren ').
a. Te nauw is het ongetwijfeld, wanneer men stelt dat alleen degenen mogen worden toegelaten, van wie het
1) lirahel, Red. Godsd. I. p. 1019. Cap. XL. 36: Het moeten zijn ware geloovigen. De wan geloovigen alleen hebben voor zich zeiven recht aan de beloften, aan Christus, aan de gemeenschap der Heiligen, en zoo ook aan de Bnadteekenen. Maar de Kerk oordeelt niet van het inwendige, de kennis van eens anders wedergeboorte is do grond niet, waarop zij iemand aan de Heilige Tafel laat gaan; maar zij laat toe (dien die verstandige belijdenis doen van de ware leer dus Evangeliums en die een leven leiden dat met da belijdenis overeenkomt.
543
§ 40. TOELATING.
kennelijk is dat zij bekeerd en het zaligmakend geloof deelachtig zijn, die niet slechts onberispelijk loven en belijdenis van de stellige waarheden doen, maar ook kunnen getuigen, dat zij genade hebben en met God in Christus verzoend zijn, en die dus verslag kunnen geven van het werk des Geestes in hunne harten.
Het is waar, eene ziel, aldus gesteld, kan met veel vrijmoedigheid en blijdschap toetreden, liefelijk leunende op haren Liefste (Hoogl. 8 : 5). Maar wordt dit, naar de wijze der Independenten, als noodzakelijk vereischto gevraagd, dan is het om te bedroeven die God niet bedroefd maar vertroost wil hebben, om de vermoeiden en belasten nog dieper neer te drukken en den hongerigen steen voor brood te geven.
b. Te ruim echter is het, wanneer men allen die gedoopt zijn, de hoofdzakelijke geloofswaarheden letterlijk kennen en met don mond belijden en onopsprakelijk wandelen, zonder meer voor gerechtigd en geroepen, naar Christus' bedoeling, tot het Heilig Avondmaal verklaart.
c. Hier moet men onderscheiden, hetgeen boven reeds is aangeduid, tusschen gerechtigd zijn voor God in eigen geweten en gerechtigd voor de Kerk.
Voor de Kerk hebben zedige lidmaten het recht om toe te gaan, evenals in Israël alle besnedenen, levietisch rein zijnde, het Pascha mochten eten. De Kerk oordeelt over het uitwendige, niet over het inwendige en verborgene (De occultis non judicat Ecclesia). De Opzieners zijn niet bevoegd zoodanigen te weren. De Kerk stelt echter bij monde van den Evangeliedienaar in prediking en Nachtmaalsformulier den lidmaten ook de innerlijke vereischten voor; kenteekenen, wie al en wie niet mogen toegaan.
544
§ 40, TOELATING.
Maar zulke uitwendig onberispelijke belijders zijn daardoor nog niet voor God ten Avondmaal gerechtigd en geroepen, noch kunnen in hun eigen geweten gegronde vrijheid hebben om toe te gaan quot;). Zij worden toegelaten, maar hun wordt als zoodanujen in hen zeiven gem recht toegekend.
3. Ergerlijke lidmaten moeten geweerd worden. Heidelh. Catech. Vr. 82 en 85. Formulier van het Heilig Nachtmaal. Formulier des Bans.
En wie zijn dat? Degenen die zich met hunne bekentenis en hun leven als ongeloovige en goddelooze menschen aanstellen. Openbare ketters, die onder den Christelijken naam onchristelijke leer voeren, die de grondwaarheden des Christendoms bestrijden en allerhande dwaalgevoelens voorstaan en drijven, en daardoor tweedracht, sekten en muiterij in Kerken en wereldlijke Regeeringen hegeeren aan te richten, gelijk het Formulier van het Heilig Nachtmaal uitdrukt. En die een schandelijk leven leiden en door hunne goddeloosheid toonen dat zij naar God en zijn gebod niet vragen, hoedanigen insgelijks het Nachtmaalsformulier opnoemt en teekent.
Zulke openbaar onchristelijke en goddelooze naamchristenen mag men tot het Avondmaal niet laten komen. Geeft het heilige den honden niet, zegt de Heere Jezus, Matth. 7 : 6. Want daardoor wordt het Verhond Gods ontheiligd; 't is dan alsof God in het verbond met de goddeloosheid stond en alsof Christus een dienaar en
') Brakel, Red. Godsd. I. p. 1030. Cap. XLI. 17. 18: Onhe-keerden mogen niet toetreden. Bekeerden mogen niet afblijven. Hierbij dieul men wél iu aanmerking te nomen, wat Brakel, volgens zijn eigene verklaring aldaar, ouder bekeerd en onbekeerd verstaat.
üravemeijcr, Gorof, Gel. leer. 111. 35
545
§ 40. TOELATING.
bevorderaar der zonde ware. En Gods toorn wordt er door over de gansche gemeente verwekt. De ware vromen worden er door geërgerd. En het kwaad is aanstekelijk: wordt het niet gestuit en blijven de boozen ongemoeid, anderen worden er door verdorven. En God onttrekt, zijnen zegen en komt met oordeelen. De Korinthische gemeente werd zwaarlijk getuchtigd met krankheden en sterfte, omdat zij ergerlijke zondaars toeliet tot het Avondmaal des Heeren (1 Kor. 11 : 30).
Daarom is de Christelijke Kerk schuldig, naar de ordening van Christus en zijne Apostelen, zulken â totdat zij betering huns levens bewijzen â door de Sleutelen des hemelrijks uit te sluiten. Matth. 18 : 17. 1 Kor. 5: 11â 13. {Heidelb. Cat. Vr. 82'). Op welke wijze en langs welken weg dit moet gedaan worden, leert de Catechismus Vr. 85 en wordt vertoond in het Formulier des Bans of der afsnijding van de gemeente en in het Formulier van Wederopneming der afgesnedenen in de Gemeente van Christus.
4. a. De Ruimen zijn het sterkst en scherpst vertegen-
') Franciscus Gomarus, Waerschoawingho. Leydon 1609. pag. 25. De Opzieners moeten de sleutelen des Hemelrijks en de Christelijke tucht trouwelijk gebruiken; als dienaars en niet als Heeren; tot stichting en niet tot verstoring; om uit en in te laten, niet naar hunnen ivü en die 't hun lust, maar naar Gods gebod en zoo het Dien behaagt, die de sleutelen Davids heeft, die opent en niemand sluit en sluit en niemand open doet (Oponb. 3:7), Daartoe moeten zij de gezonde schapen te zamen houden en bewaren, de zwakke te gemoet gaan en dragen: de schurftige afscheiden, totdat zij weder gezond worden, opdat zij de geheele en gezonde kudde niet zouden besmetten. Zoo moeten zij den ouden schadelijken zuuk-
deesem uitzuiveren, opdat hij het geheele deeg niet zuur
make (1 Kor. 5 ; 6, 7, 13. Gal. 5 : 9).
546
§ 40, TOELATING.
woordigd in de Erastianen, volgelingen in dozen van Thomas Eradus (f 1583^, die in Heidelberg tegen Caspar Olevianus ijverde. Erastus bestreed de zelfregeering (autonomie) der Kerk en wilde geheele onderwerping der Kerk aan de macht van den Staat (âErastianismequot;). De uitsluiting uit de gemeente, den kerkelijken Ban hield hij voor onbijbelsch en tiranniek: in de Presbyteriën, Kollegiën van Kerkregeerders met de macht en middelen der kerkelijke tucht zag hij gevaar van hiërarchie, priesterheerschappij, gelijk bij de Roomschen, en van een gewetensgerecht, als de Spaansche inquisitie'). liet Avondmaal was hem alleenlijk een teeken der belijdenis van Christus, en allen, ook goddeloozen mochten toegaan, wijl het ook als middel tot bekeering diende.
b. Als Nauwen staan bijzonder de La6arf/slt;ew J) bekend, dus genoemd naar Labadie (1674), volgens wie geen onwedergeboren mocht aangenomen en erkend worden als lid der zichtbare Kerk noch toegelaten tot het Avondmaal, en geen geloovige met onwedergeborenen Avondmaal mocht houden.
De Labadistische schapenkeur hebben onze gezonde geloofsleeraars te recht afgekeurd, als eene miskenning van de onzichtbare Kerk en van den gemengden staat
1) G. B. Lechler iu Horzogs Real-Encykl. IV. S. 121 ff. u cl. A. Krastus. De Moor, Cominentar. in Marck. V. p. G48.
-) üitvoorig behandeld, mot ruirao aanhaling der bronnen, door Martin. Vitringa, in C. Vitringa, Doctriua Christianae Roligionis, Pars VIII. Tom II. p. 1112â1137, alwaar de gevoelens van Labadie (Jean Do la Badie), Pierre Yvon, Pierre du Lignon, II. Sinter en Anna Maria Van Schurman naar hunne eigene verklaringen worden medegedeeld.
547
§ 40. TOELATING.
der zichtbare, als eene aanmatiging door kortzichtige menschen van een oordeel ook over het verborgene, hetwelk alleen Gode toekomt, en voornamelijk als strijdig tegen de Schrift zelve, tegen de Apostolische wijze van doen, volgens welke wie het geloof in Christus beleed en zich als Christen gedroeg, ten Avondmaal werd toegelaten, terwijl uitgesloten werden die in openbare zonden leefden (l Kor. 5 : 11).
c. Ofschoon echter alle onergerlijke beliiders tot het Avondmaal zijn toe te laten, moet toch worden vastgehouden, geleerd en openlijk betuigd, ter zelfbeproeving voor een ieder, dat, gelijk hiervoren is herinnerd, alleen de geloovigen en oprecht heilbegeerigen de geroepene gasten zijn.
Want het is een maaltijd. Daartoe worden hongerigen en dorstigen genoodigd, geen zatten. Eene verzade ziel vertreedt (zelfs) het honingzeem (Spreuk. 27 : 7). liet is een geestelijk maal, tot voeding van het geestelijke leven, genietbaar alleen door het geloof, hetwelk de hand en mond omer zielen is ') (Nederl. Belijd. Art. XXXV). De woorden des Heeren: Foor u gegeven, voor u vergoten (Luc. 22 : 19, 20) eischen geloof, gelijk ook Luther 2)
') Labadie en do zij non zoidou in do Verklaring des geloof i : Alloon de bovonnatunrlijko moiisch kan do homolscho en geheel bovenuatunrlijko spijs ontvangen. Zijn mond is het levendige en krachtdadige geloof; zijne maag is do lietdo, waarvan hij tot God en Christus brandt. C. Vitringa, Doctrina Pars VIII. Tom. 11. p. 1114.
4) Catechism. Major ed. Rechonb. p. 558 ; Do woorden der belofte worden niet tot steen of hout (saxis aut truncis,gt; gospro-kon, maar tot hoorenden. Non possant haoc alitor atque per
548
§ 40. TOELATING.
erkende. Desgelijks kan zonder alle geloofsleven niet geschieden de gebodene zelfbeproeving en de noodige onderscheiding van het lichaam des Heeren en in het geheel de bedoelde viering en verkondiging van zijnen dood 1 Kor. 11 : 26â29; die daartoe geroepen worden, zijn geen geestelijk dooden. En het is een Verhondsmaal : bondgenooten worden er toe geroepen door hun Hoofd en Koning.
Dies strekt zich de roeping des Heeren en de bevoegdheid voor Hem om ten Avondmaal te komen niet zoo ver uit als de geoorloofde toelating door de Kerk. , Al degenen die tot het Avondmaal behooren te gaan, behooren ook toegelaten te worden ; maar niet allen die wel moeten toegelaten worden, behooren daar te gaan, dewijl velen die conditiën niet hebben, die in de wettige dischgenooten van Christus vereischt worden lt;)â¢quot; Of het geveinsden zijn als Ananias en Sapphira, weet de Heere, en zij worden te zijner tijd wel openbaar.
5. De Grieksche Kerk geeft het Avondmaal ook aan kinderen, naar oudchristelijk gebruik 1). Werkelijk was dit in het begin der derde eeuw reeds opgekomen en werd onder anderen door den Kerkvader Gyprianus ijverig voorgestaan. Het was een gevolg van dat men reeds meer en meer het uitwendige der Sacramenten met het inwendige, het teeken met de boteekende zaak begon te verwisselen. Inzonderheid grondde men zich op het woord des Heeren
549
1
) Angusti, Haudb. der Christl. ArchSologie. liter Band. S. 632 C. Vitringa, Doctrina Pars VII. ïom. I. p. 619 sqq.
§ 40. TOELATING.
Marc. 10 : 14: Laat de kinderkens tol mij komen, euo\) Joh. G : 53, waar men hetgeen Christus van het eten zijns vleeschej en het drinken zijns bloeds zegt bepaald van het Avondmaal verstond en er uit besloot, dat zonder het genot des Heiligen Avondmaals niemand het eeuwige leven kon deelachtig worden '); voorts op het verband van het Avondmaal met den Doop : was de Doop het bad der wedergeboorte, dan moesten de wedergeborene kinderen ook de spijs des geestelijken levens ontvangen.
Eerst in de 12de eeuw werd het Kinderavondmaal in do Westersche, Latijnsche Kerk afgeschaft ^). De Oostersche, Grieksche Kerk houdt er streng aan vast en doet het Avondmaal aan do kleine kinderen bedienen en wel niet slechts éénmaal, onmiddellijk na den Doop, maar ook vervolgens herhaaldelijk even als bij de volwassenen. Dat het moet, wordt door de Roomsche Kerk veroordeeld *), dat het mag, door de Protestanten. Aan kleine kinderen mag het Avondmaal niet worden gereikt, wyl zij zich zeiven niet kunnen beproeven noch des Heeren dood kunnen gedenken s).
') Neander, Kirchongoscbichte. Ister Band. ist.o Abth. 1826. S. 392. Vter. Bd. 2te Abth. 1845. S. 663.
-) Kling ia Horzogs Roal-Enc. VII. S. 550. u. d. A. Kmder-communion.
â â ') tx (3pé$4/i, en wel zoo vaak als de ouders bet willen stww ol yovsï; [3ou?.ovtxi. Winer, Compar. Darstell. S. 204.
4) Tridentin. Sess. XXI. Do Communione. Canon IV.
5) Calvin. Coinmentar. in Job. 6 ; 35: Quod ad infantulos spectat, eos Cbristi institutio a Coenae participatioue arcet, quia nondum se ipsos probare, nondum coleve memoriam mortis Cbristi posaunt.
550
§ 41. ZWAKGELOOVIGEN.
§ 41. Zwakgeloovigeu.
1. Zonder geloof is het onmogelijk [Gode] te behagen, ook in het. Avondmaal. Want die tot God komt moet gelooven dat Hij is, en een helooner is dergenen die Hem zoeken, ook daar, aan de Verbondstafel. Hebr. 11 ; 6. Het geloof') grondt zich op de waarheid Gods, op den beloftevollen inhoud van het Evangelie, het Woord der verzoening. Door te gelooven aan het, Evangelie en door dit in Christus zeiven brengt met den dood des Heeren, zijne verzoenende offerande in toepassing tot zich zeiven. Vandaar de eisch: Bekeert u en gelooft aan het Evangelie ! De eisch is tevens gave. Die nu aan dezen eisch aanvankelijk beantwoorden en de belofte Gods gelooven, voor die past het Avondmaal: want dit bevestigt en bezegelt juist datzelfde wat God in het Woord belooft, met persoonlijke toeeigening. Waaruit volgt, dat wie de Evangeliebelofte; het Woord der verzoening en genade, der zondenvergeving en gerechtigheid voor God in Christus, niet gelooft, ook het zegel daarop niet kan ontvangen, te meer daar geheel de beduidenis des Avondmaals op hel Woord, op de mondelijke, ons in Schrift overgeleverde inzetting des Heeren berust.
Wie echter gelooft, diens geloof is nog nimmer â 1-maakt 2). Om daaraan te hulp te komen, biedt de Heere dit zienlijk teeken, hot Avondmaal, met zijne eigene bepaalde verklaring : â Dat is u een waarteeken en onderpand, als door mij zeiven u overhandigd, dat gij gemeenschap hebt aan mijn gekruisigd lichaam en aan mijn
') Vorgel. Veertiende Hoofdstuk § 10.
'-) Veertiende Hoofdstuk § 11.
551
§ 41. ZWAKGELOOVIGEN.
bloed, hetwelk ik vergoten heb tot vergeving der zonden.quot;
2. Mogen dan zwakgeloovigen toegaan ? Zij mogen, zij moeten; zy voornamelijk.
a. Ons voortreffelijk Formulier van het Heilig Nachtmaal zegt: De vereischten van de dischgenooten worden ons niet voorgehouden, om de verslagene harten der geloovigen kleinmoedig te maken. â â Want wij komen niet tot dit Avondmaal, om daarmede te betuigen, dat wij in ons zeiven volkomen en rechtvaardig zijn ; maar integendeel, aangezien dat wij ons leven buiten ons zeiven in Jezus Christus eoeken, zoo bekennen wij daarmede, dat rvij ') midden in den dood liggen. Daarom al is het dat wij nog vele gebreken en ellendigheid in ons bevinden, als namelijk, dat ivij geen volkomen geloof hebben, dat wij ons ook met zulken ijver om God te dienen niet begeven, als wij schuldig zijn, maar dagelijks met de zwakheid omes geloofs en de booze lusten omes vleesches te strijden hebben : nochtans desniettegenstaande, overmits dat ons door de genade des Heiligen Geestes zulke gebreken leed zijn en wij van harte begeeren tegen ons ongeloof te strijden en naar alle geboden Gods te leven, zoo zullen wij gewis en zeker zijn, dal geene zonde noch zwakheid, die nog tegen onzen ivil in ons overgebleven is, ons kan hinderen, dat ons God niet in genade zoude aannemen en alzoo deze hemelsche spijze en drank waardig en deelachtig maken.
552
Ja niet slechts niettegenstaande de zwakheid en gebrekkigheid, maar juist om deze moeten wij toegaan, als die
') Namelijk zonder Christus. Quum in vitam detur, intelli-gimus, nos sine ipso in nobis plano mortuos esse. Calvin, Instit. IV. 17. 42.
§41. ZWAKGEL00V1GEN.
hegeeren hun geloof te sterken en hun leven te beteren (Heidelb. Cat. Vr. 81). En voor wie kan de ruste liefelijk zijn, die Jezus belooft en geeft, dan voor vermoeiden en beiasten? Voor wie de troost der genade en vergeving begeerlijk en aannemelijk dan voor die over hunne zonden treuren ? Voor wie de spijzing en laving der ziel, voor wie de verkwikking en verzadiging met de vruchten van Christus' werk, dan voor die hongeren en dorsten naar de gerechttgheid ?
b. De goede Herder handelt teederlijk met zijne zwakke schapen. Naar het beeld, geteekent bij Jezaja 42 :3 : Het geltrookte riet zal Hij niet verbreken en de rookende vlaswiek die zal Hij niet uitblusschen. âDat is, het verwonde geweten, de verslagenen bij het gezicht van hunne zonden, de zwakken in het leven en in het geloof zal Hij niet wegwerpen, niet verdrukken, niet veroordeelen, maar opkweeken en verplegen, gezond maken en liefderijk omvattenquot; (Luther). Die zich zeiven behagen, bij wie nog niets gekrookt en geknakt is en die van geen verdonkering weten of van een klein licht als van eene flauw schijnende, slechts rookende wieke in eene lamp, maar in eigen kracht en eigen licht wandelen, voegen niet bij de tafel der genade en ontvangen niets, wijl zij niets begeeren. Maar de zwakken, die de last hunner zonden drukt, die met een verbroken hart tot den Heere naderen en met veel twijfelmoedigheid hebben te worstelen, dezen zal Hij niet door hardigheid tot vertwijfeling brengen, maar opbeuren en door zijne voorkomende liefde verkwikken. Hij is een Profeet, die met de bedroefden een woord ter rechter tijd weet te spreken ; een barmhartig Hoogepriester, die medelijden kan hebben met onze zwakheden ; een zachtmoedige
553
§41. ZWAKGEL00V1GEN.
Koning, die zijne banier over zijn lijdend en strijdend volk opheft en het ter overwinning voert.
Christus zelf heeft gezegd en dat is ook een woord voor den aangevochten, begeerigen maar schroomvalligen disch-genoot, Matth. 5:6: Zalig [zijn] die hongeren en dorsten [naar] de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. Dat zijn âdie met groote begeerte verlangen en trachten naar de ware gerechtigheid in Christusquot; (Kantteek.). Honger en dorst zijn ontwijfelbaar teekenen van leven'). Daar is dus iets wat eten en drinken kan, wat gevoed en gedrenkt kan worden.
Brakel ^ zegt: Men heeft niet van noode, eer men aangaat, eene volkomene, vaste, werkzame, van bekommernis vrije verzekering, dat men in den staat der genade is, en een wederkeeren op die verzekering; maar H is genoeg dat men overtuigd is van de uitgaande daden des geloofs en der bekeering, al durft men deze conclusie daaruit niet opmaken: ik geloof, ik ben bekeerd.
Ook bij wie niet van zijn geloof verzekerd is, er geen klare bewustheid van heeft, kan het toch als beginsel en vermogen aanwezig zijn, en kan er veel schuilen wat hem van onbekeerden onderscheidt. Wie smart en afkeer van
') Stier, Roden des Herru Je sa zu Matth. 5:6: Dit hongersji en dorsten is het levensteeken van, den uitgeboren nieuwen, van den uit den doodsslaap opgewekten inwendigen mensch, Pelaglaausch is echter wat dezelfde Schrijver daar vooraf beweert: Tie', tief in dern Gefallenen ist noch da (bij zijn valscheii honger en dorst) ein Fünklein des Sehnens und Verlangens nach Gerechtigkeit; dies glimmende Töchtlein facht die Gnadu znr hellen Flamme an, und das ist der Hunger und Durst, welcher in sich selbst schon die Gewiszheit trdgt, dasz es ihm nicht fehlen könne.
liedel. Godsd. I. p. 1021. Cap. XLI. 19.
554
§ 42. WAARDIGLIJK.
de zoude heeft, tiaar Jezus begeert, uitziet, roept en tot Hem als den Middelaar en Borg de toevlucht neemt om vrede bij God te verkrygen en het zoo schoon, zoo begeerlijk en heerlijk acht, God te dienen en kinderlijk met God te wandelen: gewis die mag, die moet toegaan tot de Tafel des Verbonds, al heeft hij de klare verzekering niet. Daar hapert het velen yeloovigen aan, of door onkunde van het Woord of door de zwakheid van het historisch geloof of door vrees dat zij zich bedriegen mochten of omdat zij bij zich nog zoo vele zonden zien. De zoodanigen mogen niet wegblijven, maar zijn verplicht om onder de feesthoudende menigte toe te treden, om door het gebruik van de teekenen verzegeld te worden van de beloften, die aan zulken gedaan zijn.
§ 42. Waardiglijk.
Wanneer z\jn wij dan recht gesteld om het Avondmaal waardiglijk, dat zegt, zooals het betaamt, te ontvangen ? Zeker niet, wanneer wij ons voor bijzonder waardige en wichtige gasten houden en eenen hoogen dunk van ons zeiven hebben. Integendeel, wanneer wij onze onwaardigheid voor God diep gevoelen, onze zonden betreuren, naar Jezus verlangen, den weg der waarheid kiezen en daartoe genade en sterking begeeren.
1. Ons Nachtmaalsformulier heft aan met de vermaning: Ten eerste bedenke een iegelijk bij zichzeloen zijne zonden en vervloeking, opdat hij zich zeiven mis hag e en zich voor God verootmoedige.
Alles wat in het Avondmaal gezien, gehoord, verricht wordt, getuigt van ouze zonde en strafwaardigheid. Het
555
§ 42. WAARDIGLIJK.
groote zoenoffer, daar afgebeeld, bewijst de grootte onzer schuld. Het bitter lyden en sterven van Gods Zoon tot verzoening der zonde stelt ons de zwaarte en strafbaarheid onzer misdaden voor oogen. Wie geen besef heeft van zijne zonde en vloekwaardigheid, moet bij alles wat in het Avondmaal geschiedt en wat hij daar doet, wel ongevoelig en onaangedaan blijven, het is hem eene vreemde zaak. Die zich zeiven niet mishagen wegens hunne zonden, kunnen geen waar behagen in dien Jezus hebben, die tot verzoening der zonde zijn lichaam heeft laten kruisigen en zijn bloed vergoten, en die gekomen is om zondaren zalig te maken.
Ook bij het Avondmaal, en daar vooral, geldt dit woord: Ziji met ootmoedigheid bekleed: want God wederstaat de hoovaardigen, maar den nederig en geeft Hij genade, 1. Petr. 5:5: Want alzoo zegt de Hooge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont en wiens naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die eens verbrijzelden en nederig en geestes is, opdat ik levend make den geest der nederigen en opdat ik levend make het hart der verbrijzelden, Jez. 57 : 15 : De Heere is nabij den gebrokenen van hart en Hij behoudt de verslagenen van geest, Ps. 34 : 19: De o/ferawrfew öods (Hem aangenaam) zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult gij, o God! niet verachten, zegt David Ps. 51 : 19.
Deze gevoelige overtuiging van onze onwaardigheid is zelf eene genadegift. God belooft die aan zijn volk, Ezech. 36 : 31 : Dan zult gij gedenken aan uwe booze wegen en uwe handelingen, die niet goed waren; en gij zult eene walging van u zeiven hebben over uwe ongerechtigheden en over uwe gruwelen. Zoo is het in den aanvang der bekeering
556
§ 42. WAARDIGLIJK.
en ook in haren voortgang, en zoo moet de dischgenoot des Heeren gesteld zijn; de bittere kruiden mogen ook bij het Paaschmaal des Nieuwen Verbonds niet ontbreken.
2. Dit maakt den Heere Jezus voor de ziel dierbaar en begeerlijk en doet haar naar Hem verlangen, in wien al de volheid woont, licht, vrede, leven. Zonder dat verlangen past men niet bij de Tafel des Heeren, zoomin als een verzadigde bij den maaltijd. Aan dat verlangen komt de Heere tegemoet met de zegelteekenen van zijne gemeenschap, waardoor Hij betuigt: Ik heb u verlost, ik ben de uwe, gij zijt mijn, geloof alleenlijk !
3. Tot de rechte gesteldheid bij de viering des Avond-maals behoort inzonderheid ook de begeerte naar heiligheid en het ernstig voornemen om als bondgenoot des Heeren voor Hem te leven. Zoo alleen houdt men het waardiglijk, betamelijk, overeenkomstig het doel der Instelling. Wél-gestelde dischgenooten zeggen met Paulus : Zoo dan laat ons feest houden, niet in den ouden zuurdeesem noch in den zuurdeesem der kwaadheid en der hoosheid, maar in de ongezuurde [broodenj der oprechtigheid en der waarheid, 1 Kor. 5 : 8. Waar de opperste Wijsheid roept: Komt, eet van mijn brood en drinkt van den wijn, dien ik gemengd heb, is het met de vermaning : Verlaat de slechtig-heden en leeft, en treedt in den weg des verstands, Spreuk. 9 : 5, 6. De oprechte Avondmaalganger kiest den weg der waarheid en gerechtigheid voor zijn voet en hand, wil zich houden aan Gods Woord en zegt: Vit uwe bevelen krijg ik versland, daarom haat ik alle leugenpaden, Ps. 119 : 104. En daartoe begeert hij genade en sterking, wijl hij zijne onmacht kent. Zijne gedurige verzuchting is: Maak mijne voetstappen vast in uw Woord, en laat
557
§ 43. 0NWAARD1GLIJK.
geene ongerechtigheid over mij heerschen, Ps. 119 : 133. De dischgenoot, bewust zijnde van zijne oprechtheid in dezen, krijgt ook vrijmoedigheid om toe te treden, naar het woord des Apostels: Geliefden, indien ons hart ons niet veroordeelt, zoo hebben wij vrijmoedigheid tot God, 1 Joh. 3 : 21.
§ 43. Onwaardiglijk.
1. De boosheid des menschen verkeert den zegen in een vloek. Men kan zich door het Avondmaal zwaar bezondigen, zich schuldig maken aan het lichaam en bloed des Heeren en zich een oordeel eten en drinken. Dat doet degene, die dit heilige maal onwaardiglijk geniet, waarvoor de Apostel Paulus de Korinthiërs zoo ernstig waarschuwt, 1 Kor. 11 : 27 : Wie onwaardiglijk i) dit brood eet (niet alle brood, maar dit, in het Avondmaal) of den drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren. 29. Die onwaardiglijk *) eet en drinkt, die eet en drinkt zich zeiven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren.
Dat woord is afschrikkend voor de roekeloozen, een vlammig Gherubszwaard om te bewaren den weg van
') ivx^iuq. Joh. a March. Disputatio thoologica do indigno nsu Coenae Sacrao. Bij De Moor, Commentar. Pars V. q. 652 sqq. {Van Marck word voor do voltooiing dezer Verhandeling door oeno doodelijke beroerte getroffen).
'l) oivx^iccg wordt hier door Lachmann en Tischendorf naar sommige codices weggelaten. Dan is (Sixnpivuv conditioneel: Die eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, wanneer hij niet onderscheidt het lichaam des Heeren.
558
§ 43. ONWAARDIGUJK.
den boom dos levens. Het is echter niet om de verslagene harten der geloovigen nog meer kleinmoedig te maken. Teedere, oprechte zielen, zich zelve onwaardig achtende, durven vaak wegens het gedreigde oordeel niet toegaan. Maar men dient te bedenken van welke onwaardigheid de Apostel spreekt.
2. Hij spreekt van onwaardiglijk eten en drinken, dus niet van den eter maar van diens eten, niet van den gebruiker des Avondmaals naar zyn persoonlijken staat, maar van de wijze hoe deze het gebruikt, a. Onwaardiglijk zegt onbetamelijk, onbehoorlijk, in strijd met het doel waartoe het Sacrament is ingesteld, lichtzinnig, roekeloos, zooals dit woord ook voorkomt (in de Staten-Overzelting) Ps. 107 : 11 van die gevargenen waren omdat zij weder-spannig waren geweest tegen Gods geboden en den raad des Allerhoogsten onwaardiglijk (op snoode, wrevelige wijze) verworpen hadden.
Als onwaardigen lt;) in ons zeiven, die niets verdiend hebben, moeten wij altijd tot de genadetafel komen. Maar niet onwaardiglijk. Dit kan geschieden door bekeerden en onbekeerden. De onbekeerde, dat wil zeggen, wie innerlijk vreemd is van God, slechts uiterlijk met de Christenen mede gaat en het Heilig Avondmaal neemt als een gemeen maal, doet het altijd onwaardiglijk. Maar ook de bekeerde geniet het onwaardiglijk, âwanneer hij zich zeiven daartoe niet behoorlijk heeft bereid of hot niet mot behoorlijke aandacht nuttigt.quot;
559
b. Hij zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des
') Calvin. Instit. IV. 17. 42. Zio hiorvoron § 42.
§ 43. ONWAARDIGLIJK.
Heeren ')⢠âNamelijk omdat hij het teeken des lichaams en bloeds van Christus door zulk misbruik smaadheid aandoet. Want de smaadheid, die men des konings zegel aandoet, wordt gehouden als of zij den koning zeiven aangedaan ware.quot; Hij onderscheidt niet het lichaam des Heeren : âhij maakt geen onderscheid tusschen het brood des Avondmaals, hetwelk een heilig teeken is van des Heeren lichaam, en algemeene spijs, daar hij het zonder beproeving en eerbiedigheid eet, gelijk ander algemeen brood.quot; (Kantteek).
Hij eet en drinkt zich zeiven een oordeel. Door het Avondmaal onvvaardiglijk te gebruiken maakt hij zich strafbaar en hij veroordeelt daardoor zich zelf'). De huichelaar bezegelt daardoor zijne verdoemenis, en de geloovige berokkent zich daardoor kastijdingen. In de slagen die de Korinthische gemeente troffen, zag Paulus reeds de straffende hand Gods.
3. De Apostel nu gebiedt den Korinthiërs niet, dat zij van het Avondmaal zouden afblijven of de Avondmaalsvieringen zouden staken. Neen, maar de misbruiken zouden zij wegdoen.
a. Het ging daar onbehoorlijk toe. Dat er dogmatische, leerstellige dwalingen over het Avondmaal heerschten, laat de Apostel niet blijken, hoewel althans degenen, die
1) De voorstanders van de Transsubstantiatie en ook die van de Consubstantiatio zoeken vruchteloos hierdoor hun gevoelen te staven. Daartegen Van March bij De Moor, V. p. 954 sq. Onze Kantteekenaars gevon eene gezonde verklaring.
3) Calvin. Instit. Instit. 17. 40: Ipsi sibi sunt accusatores; testimonium ipsi adversum se pronuntiant, damnatiouom ipsi suam obsignant.
560
§ 43. ON WAARDIGLIJK.
de opstanding loochenden (1 Kor. 15 : 12, 13), zeker ook van het Avondmaal des Heeren verkeerd oordeelden. De voornaamste oorzaak van het bederf was de heerschende partijzucht, die zich ook voordeed bij de gemeenschappelijke maaltyden (de dusgenoemde Agapen, liefdemaaltijden, Jud. 12), op welke het Avondmaal volgde. Ieder hield zich tot zijne partij, en de rijken, die spijs en drank bezorgden, deelden alleen aan de leden hunner partij mede, lieten de anderen derven en gaven zich zelfs aan onmatigheid over, zoodat sommigen dronken waren, wanneer het Avondmaal aanging. Dat was niet des Heeren Avondmaal eten, (1 Kor. 11 ; 20).
b. Van de bijzondere misbruiken en ongeregeldheden bij de Korinthiërs neemt de Apostel aanleiding om de Christenen in het algemeen voor ieder onwaardige viering des Avondmaals te waarschuwen, âHij betuigt: profanatie, ontheiliging, gemeenmaking van deze mysterie, van deze heilige verborgenheid, zal God niet ongestraft laten. Onwaardiglijk eten is door ons misbruik het reine en rechte gebruik verijdelen. Dies zijn er, zoo te zeggen, verschillende graden, trappen van onwaardigheid, en sommigen bezondigen zich zwaarder, sommigen lichter. Er kan zich een hoereerder indringen of een meineedige of oen dronkaard of een bedrieger, zonder boetvaardigheid ; doordat hij zoo stoutmoedig zich niet ontziet, doet hij Christus een gruwelijken smaad aan, en er is geen tvvijfe{ of hij ontvangt het Avondmaal tot zijn verderf, wie hij ook zijn mag. Een ander kan er komen, die wel geene in het oogvallende zonde bedrijft, maar toch niet zoo in zijn gemoed is voorbereid als het betaamde : deze onverschilligheid of nalatigheid is een bewijs van oneerbiedigheid
üi-avoiuuijoi', Gorot'. Gol. leur. 111. 30
561
§ 43. ONWAARDIGLUK.
en is daarom ook strafbaar voor God. Gelijk er dan in het onwaardigiijk eten verschillende trappen zijn, zoo kastijdt de Heere dezen lichter, terwijl Hij de anderen met scherper straffen slaat.quot; Aldus Calvyn gt;).
4. Vraagt men dus: Wie eet en drinkt onwaardigiijk? Wij moeten antwoorden : Dat doen degenen die er gedachteloos, wereldsch of uit bijgeloof toegaan en die in hun hart vijanden zijn van de waarheid en godzaligheid.
a. Reeds het gedachteloos Avondmaalhouden is strafbaar, wanneer men er alleen uit gewoonte toegaat, uit navolging van anderen, wijl het eenmaal zoo gebruikelijk is, het als een sleurwerk verricht en niet beseft dat het een Avondmaal des Heeren is, door Hem ingezet dat wij zulks doen zouden tot zijne (/erfac/i^enïs, gelijk dan het Formulier van het Heilig Nachtmaal eene handleiding geeft, hoe wij Zijns daarbij gedenken zullen 2).
b. Zwaarder bezondigt men zich wanneer men loereldsch toegaat, met een hart vol van wereld, tot wereldsch vertoon, met wereldschen opschik en ijdelen tooi, zo.ider zorg voor het bruiloftskleed der ziel.
c. Nog zwaarder, wanneer men toegaat uit bijgeloof, gelijk de Roomsche tot de Mis, als ware dit eten en drinken een magisch, tooverkrachtig middel tegen de zondenschuld, als konde men daarmede voldoen en zich daar maar zoo vergeving en een gerust geweten halen.
d. Alleromvaardigst handelen degenen, die huichelachtig het Avondmaal mede vieren, die als vrienden komen en
') Calvin Commentar. 1 Kor. 11 : 27.
') Calvin. Commontar. 1 Kor. II : 26: Est Coomi qaoddam (ut ita loquar) momorialo, quod perpotuo duraro iu Scclosia debet usque ad ultimum Cbristi adventuin.
562
§ 43. ON WAARDIGLIJK
zijn toch vijanden, als Judas die tot Jezus kwam en Hem kuste (Mare. 14 : 45), die uit allerhande oogmerken den schijn en naam van Christenen willen bewaren, maar in hun hart, hetwelk de Heere kent, afkeerig zijn van de waarheid en godzaligheid, Gods Woord niet eerbiedigen, inzonderheid het Evangelie van den Zone Gods niet gelooven en geestelijk leven als dweeperij verachten.
De hypocrieten en die zich niet met waren harte tot God bekeeren, die eten en drinken zich zeiven een oordeel (Heidelb. Gat. Vr. 81).
5. Naar de Roomsche leer ontvangt ieder Avondmaal-ganger het ware lichaam en bloed des Heeren, tengevolge van de Transsubstantiatie ; naar de Luthersche voorstanders van de Gonssubstantiatie (een overblijfsel van den Room-schen zuurdeesem) desgelijks, ook de onbekeerde en ongeloovige, voor wien het echter volgens hen niet ten zegen is maar tot een oordeel. De Gereformeerde leer is: de ongeloovigen ontvangen alleen het teeken, niet de beteekende zaak, alleen brood en wijn, niet het ware lichaam en bloed des Heeren: want dit kan alleen door het geloof worden ontvangen, hetwelk de hand en mond onzer zielen is ; de ongeloovige heeft geen hand en mond.
Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXXV : Hoewel de Sacramenten (de Sacramenteele teekenen) mei de beteekende zaken te zamen gevoegd zijn, (namelijk door de woorden dei-Inzetting) zoo worden zij nochtans met deze twee zaken van allen niet ontvangen '). De goddelooze ontnangt wel het Sacrament tot zijne verdoemenis, maar hij ontvangt niet de waarheid des Sacraments; gelijk als Judas en Simon de
') Latijngche tekst: utrumque tamon simul ab omnibus nou accipitur, zoo wordt nochtans ieder van beide niet tegelijk door
563
§ 43. ONWAARDIGLIJK.
toovenaar heiden wel het Sacrament ontvingen, maar niet Christus, die door hetzelve heteekend werd*) dewelkequot;1) den geloovige medegedeeld wordt.
G. Heeft Judas het Heilig Avondmaal, het Sacrament des Nieuwen Verbonds medegenoten ? Vele Kerkvaders beweerden het, voornamelijk Cyprianus. Hieronymus en Augustinus; met hen stemden de meeste Scholastieken in en over het algemeen de lioomsche en de streng Luthersche Godgeleerden, dezen inzonderheid om daardoor tegen de Gereformeerden hunne stelling te staven, dat ook onwaar-digen het lichaam en bloed des Heeren ontvingen, hetwelk er intusschen nog geenszins uit volgt. De Gereformeerden hielden in hunnen strijd met de Lutheranen over het Avondmaal meestal vast dat Judas het niet had genoten s). Caloyn *) echter nam het wél aan, gelijk ook enkele
allen ontvangen. Ieder van beido, namelijk do teekenen en r1e zaken. Vorgel. Ursinus, Schatboek over den Heidelb. (Jatech. Op Vr. 29 II. p. 136 v.v.: Wat de goddeloozen in het Avondmaal ontvangen.
') De gewone uitgaven hebben : beteekend wordt. Onnauwkeurig. Do Latijnsche tekst heoft significabatur, beteekend werd.
'-) lu du gewone, ook nieuwste uitgaven staat foutief hetwelk, dat taalkundig op niets slaat, en tegen den Latijnschen tekst is, die qui heoft: qui solummodo fidelibus cominunicatur. Dr. Doedes, Nodorl. Goloolsbelijd. 1880. p. 486 heeft te recht: die; doch beteekend wordt liet hij staau.
:!) Augusti, Handb. dor Christl. Archüol. II. S. 556 f. C. Vitringa, Doctrina Pars VIII. Tom. I. p. 817 sq. J. Muller in Horzogs Real-Euc. I. S. 23. u. d. Art. Abendmahl. De Moor, Commentar. Pars V. p. 565â569.
1) Calvin. Instit. IV. 17. 34. Doch terwijl hij in de Institutie Judas' deelneming zonder meer veronderstelt, verklaart hij ze alleen voor niet onwaarschijnlijk in de Harmon. Evaug. P. II. p. 807 ed. Tholnck (op Matth. 26 : 21): Probabile esse non nego,
564
§ 43. ONWAARDIGLIJK.
andere uitnemende Gereformeerde Godgeleerden na hem â¢).
Waarschijnlijkst is Judas, die het Pascha medegenoot, niet meer tegenwoordig geweest bij de Instelling des Avondmaals. Want toen hij de ingedoopte bete (namelijk bij het Paaschmaal, want bij het Avondmaal kwam geen indoopen te pas) ontvangen had, het door Jezus aangeduide kenteeken van zijn voorgenomen verraad, is hij terstond uit de zaal gegaan *), Joh. 13 : 26, 30. Matth. 26 : 23, 25.
Men brengt hiertegen in, dat Lukas 22 :21 de ontmaskering des verraders doet geschieden na het Avondmaal v. 19 en 20, door het woord des Heeren: Doch ziet, de hand desgenen, die mij verraadt, is met mij aan (naar den grondtekst op) de tafel s). Maar Lucas verhaalt hier zakelijk»), en niet naar de tijdsorde : het is hem niet te
Jüdam affnisso, quum corporis ot sangainis sul symbola Christus suis distribuoret.
') Do deelneming vau Judas aan het Avondmaal beweerden Ursinus, Bulling er, Coccejus, Maresius en andereu.
Daarentegen word Judas' aanwezigheid bij het Avondmaal ontkend of onwaarschijnlijk goacht door Musoulus, Zanchius, H. Alting, Gomarus, Hoornbeek, P. Van Mastricht, Joh. a Marck, Le Moor e. a.
Zie bij Wolf, Curae in Luc. 22 : 21 en bij De Moor, Commen-tar. V. p. 567 en Vitringa, Doctrina. Pars VIII. Tom. I. p. 347.
Bijzonder scherp kwamen de Labadisten er tegen op, dat Christus üet Nachtmaal zou gogevon hebben aan den verrader. G. Vitringa, Doctrina P. VIII. Tom. II. p. 1129.
'2) Aldus ook P. Van Mastricht, Godgel. III. p. 638.
â ') stti Tijs rpxTTS^ijï op of over de tafel. Vulgata: in mensa. Luther; über Tischo.
4) Ook Galvijn, Harmon. Ev. I.e., stamt toe, dat de plaatsing deaer woorden bij Lucas niot bepaalt de tijdsorde, temporis series, quam scimus saepe ab Evangelistis negligi. Daarentegen oordeelt Da Costa, Voorlezingen over de Vier Evangeliën II. p.
565
§ 43. ONWAARDIGLIJK.
en is daarom ook strafbaar voor God. Gelijk er dan in het onwaardiglijk eten verschillende trappen zijn, zoo kastijdt de Heere dezen lichter, terwijl Hij de anderen met scherper straffen slaat.quot; Aldus Calvyn ').
4. Vraagt men dus: Wie eet en drinkt onwaardiglgk? Wij moeten antwoorden : Dat doen degenen die er gedachteloos, ivereldsch of uit bijgeloof toegaan en die in hun hart vijanden zijn van de waarheid en godzaligheid.
a. Reeds het gedachteloos Avondmaalhouden is strafbaar, wanneer men er alleen uit gewoonte toegaat, uit navolging van anderen, wijl het eenmaal zoo gebruikelijk is, het als een sleurwerk verricht en niet beseft dat het een Avondmaal des Heeren is, door Hem ingezet dat wij zulks doen zouden tot zijne gedachtenis, gelijk dan het Formulier van het Heilig Nachtmaal eene handleiding geeft, hoe wij Zijns daarbij gedenken zullen 1).
b. Zwaarder bezondigt men zich wanneer men wereldsch toegaat, met een hart vol van wereld, tot wereldsch vertoon, met wereldschen opschik en ijdelen tooi, zender zorg voor het bruiloftskleed der ziel.
c. Nog zwaarder, wanneer men toegaat uit bijgeloof, gelijk de Roomsche tot de Mis, als ware dit eten en drinken een magisch, tooverkrachtig middel tegen de zondenschuld, als konde men daarmede voldoen en zich daar maar zoo vergeving en een gerust geweten halen.
d. Aileron waardigst handelen degenen, die huichelachtig het Avondmaal mede vieren, die als vrienden komen en
562
1
) Calvin. Commentar. 1 Kor. 11 ; 26; Est Cooua qaoddam (ut ita loquar) tnomoriale, quod perpetuo durare iu Ecclusia dobct usquo ad ultimum Christi adventum.
§ 43. ON WAARDIGLIJK
zijn toch vijanden, als Judas die tot Jezus kwam en Hem kuste (Mare. 14 : 45), die uit allerhande oogmerken den schijn en naam van Christenen willen bewaren, maar in hun hart, hetwelk de Heere kent, afkeerig zijn van de waarheid en godzaligheid, Gods Woord niet eerbiedigen, inzonderheid het Evangelie van den Zone Gods niet gelooven en geestelijk leven als dweeperij verachten.
De hypocrieten en die zich niet met waren harte tot God bekeeren, die eten en drinken zich zeiven een oordeel (Heidelb. Gat. Vr. 81).
5. Naar de Roomsche leer ontvangt ieder Avondmaal-ganger het ware lichaam en bloed des Heeren, tengevolge van de Transsubstantiatie ; naar de Luthersche voorstanders van de Gonssubstantiatie (een overblijfsel van den Room-schen zuurdeesem) desgelijks, ook de onbekeerde en ongeloovige, voor wien het echter volgens hen niet ten zegen is maar tot een oordeel. De Gereformeerde leer is: de ongeloovigen ontvangen alleen het teeken, niet de beteekende zaak, alleen brood en wijn, niet het ware lichaam en bloed des Heeren : want dit kan alleen door het geloof worden ontvangen, hetwelk de hand en mond onzer zielen is; de ongeloovige heeft geen hand en mond.
Nederl. Belijd, des Gel. Art. XXXV : Hoewel de Sacramenten (de Sacramenteele teekenen) met de beteekende zaken te zamen gevoegd zijn, (namelijk door de woorden der Inzetting) zoo worden zij nochtans met deze twee zaken van allen niet ontvangen '). De goddelooze ontnangt wel het Sacrament tot zijne verdoemenis, maar hij ontvangt niet de ivaarheid des Sacraments; gelijk als Judas en Simon de
') Latijnscho tekst: utruraque tarnen simul ab omnibus nou accipitur, zoo wordt nochtans ieder van beide niet tegelijk door
563
§ 43. ONWAARDIGLIJK.
toovenaar beiden wel het Sacrament ontvingen, maar niet Christus, die door hetzelve beteekend iverd1) dewelkequot;1) den geloovige medegedeeld wordt.
6. Heeft Judas het Heilig Avondmaal, het Sacrament des Nieuwen Verbonds medegenoten ? Vele Kerkvaders beweerden het, voornamelijk Gyprianus. Hieronymus en Augustinus; met hen stemden de meeste Scholastieken in en over het algemeen de Roomsche en de streng Luthersche Godgeleerden, dezen inzonderheid om daardoor tegen de Gereformeerden hunne stelling te staven, dat ook onwaar-digen het lichaam en bloed des Heeren ontvingen, hetwelk er intusschen nog geenszins uit volgt. De Gereformeerden hielden in hunnen strijd met de Lutheranen over het Avondmaal meestal vast dat Judas het niet had genoten s). Calvyn *) echter nam het wél aan, gelijk ook enkele
allen ontvangen. ledor van beide, namelijk de teekenon en de zaken. Vergel. Ursinus, Schatboek over den Heidelb. Catech. Op Vr. 29 II. p. 136 v.v.: Wat de goddeloozen in het Avondmaal ontvangen.
') Degowono uitgavou hobbon : heteelcend wordt. Onnauwkeurig. De Latijnsche tekst heeft sigmficabatur, boteekend werd.
'â ) In de gewone, ook nieuwste uitgaven staat foutief hetwelk, dat taalkundig op niets slaat en tegen den Latijnschen tekst is, die qui heeft: qui solumiaodo fidelibus communicatur. Dr. Doedis, Nederl. Gelooisbelijd. 1880. p. 486 heeft te recht: die; doch beteekend wordt liet hij staan.
3) Augusti, Handb. der Christl. Archüol. II. S. 556 f. C, Vitringa, üoctrina Pars VIII. Tom. I. p. 347 sq. J. Muller in Herzogs Real-Enc. I. S. 23. u. d. Art. Abendmahl. De Moor, Commentar. Pars V. p. 565â569.
4) Calvin. Instit. IV. 17. 34. Doch terwijl hij in de Institutie Judas' deelneming zonder meer veronderstelt, verklaart hij ze alleen voor niet onwaarschijnlijk in de Harmon. Evang. P. LI. p. 307 i'd. Tholnek (op Mutth. 26 : 21): Probabile esse non nego,
564
§ 43. ONWAARDIGLIJK.
andere uitnemende Gereformeerde Godgeleerden na hem i).
Waarschijnlijkst is Judas, die het Pascha medegenoot, niet meer tegenwoordig geweest bij de Instelling des Avondmaals. Want toen hij de ingedoopte bete (namelijr. bij het Paaschmaal, want bij het Avondmaal kwam geen indoopen te pas) ontvangen had, het door Jezus aangeduide kenteeken van zijn voorgenomen verraad, is hij terstond uit de zaal gegaan *), Joh, 13 : 26, 30. Matth. 26 : 23, 25.
Men brengt hiertegen in, dat Lukas 22 : 21 de ontmaskering des verraders doet geschieden na het Avondmaal v. 19 en 20, door het woord des Heeren: Doch ziet, de hand desgenen, die mij verraadt, is met mij aan (naar den grondtekst op) de tafel 3). Maar Lucas verhaalt hier zakelijk â¦), en niet naar de tijdsorde : het is hem niet te
Jüdam affnisse, qnum corporis ot sanguinis sul symbola Christus suis distribueret.
') Do deelnoming van Judas aan het Avondmaal beweerden Ursmus, Bullinger, Coccejus, Maresius en anderen.
Daarentegen werd Judas' aanwezigheid bij het Avondmaal ontkend of onwaarschijnlijk geacht door Musculus, Zanchius, H. Alting, Gomarus, Hoornbeek, P. Van Mastricht, Joh. a Marck, Le Moor e. a.
Zie bij Wolf, Curae in Luc. 22 : 21 en bij De Moor, Commen-tar. V. p. 567 en Vitringa, Doctrina. Pars VIII. Tom. I. p. 347.
Bijzonder schei'p kwamen de Labadisten er tegen op, dat Christus hot Nachtmaal zou gegeven hebben aan den verrader. C. Vitringa, Doctrina P. VIII. Tom. II. p. 1129.
-) Aldus ook P. Van Mastricht, Godgel. III. p. 638.
â i) stti rijs TpxTrs^vis op of over de tafel. Vulgata; in monsa. Luther; über Tische.
Ook Calvi/n, Harmon. Ev. I.e., stemt toe, dat de plaatsing dezer woorden bij Lucas niot bepaalt de tijdsorde, temporis series, quam scimus saepe ab Evangelistis negligi. Daarentegen oordeelt Da Casta, Voorlezingen over de Vier Evangeliën II. p.
565
§ 43. ON WAARDIGLIJK.
doen om ons te doen weten, in welk oogenblik Jezus dit heeft gezegd, maar wat Hij heeft gesproken. En dat de Evangelist niet kan bedoeld hebben dat Jezus dit na het
Avondmaal sprak, blijkt uit de woorden zelve: de hand--
is met mij aan (op) de tafel. Dit past alleen bij het Paaschmaal, bij het nemen van de kenmerkende bete; na het Avondmaal, nadat ook de Avondmaalsbeker was rondgegaan, was de hand des verraders, al hadde hij nog mede aangezeten, niet meer met Jezus aan (op) de tafel.
Aangaande de woorden onzer Belijdenis Art. XXXV, boven aangehaald, heeft men herinnerd ') Daar wordt niet uitdrukkelijk gezegd, dat Judas en Simon de too venaar het Sacrament des Avondmaals hebben ontvangen. Daar wordt eerst van de Sacramenten in het algemeen gewaagd; Voorts, hoewel de Sacramenten met de beteekende zaken te samen gevoegd zijn, zoo worden zij nochtans met deze twee zaken van allen niet ontvangen. En wat er dan bijgevoegd wordt van Judas en Simon, zou men te verstaan hebben, niet van het Avondmaal, maar van een ander Sacrament, hetwelk zij uitdrukkelijk in de Schrift gezegd worden te hebben ontvangen, bij Judas was het Pascha, bij Simon van den Doop, waarvan dan echter de sluitrede en gevolgtrekking kon gemaakt worden aangaande de gebruikers van het Heilig Avondmaal.
282 v. v., dat Lucas ons de zAïiver-historische orde mededeelt en dus Judas mede aau het Avondmaal is geweest. Anders Ebrard, Wissenschaftl. Kritik dos evang. Gesch. 3te Aufi. S. 649; üie Eutlarvung Judii war offeabar noch wiihrend des Essens. Soiuit fiel sie vor die Einsetzung des h. Abendmahls (Luc. 22 : 20).
') Jac. Lydius en inzonderheid De Moor, Commentar. Pars V. p. 567.
566
§ 43. ONWAARDIGLIJK.
5G7
Maar hierbij valt iels aan te merken, a. Het XXXVste Art. onzer Belijdenis handelt toch bepaaldelijk van hel Heilig Avondmaal, b. En Simon, die gedurig hij Fhilippus bleef (Hand. 8 : 13), heeft ongetwijfeld ook met de geloovigen deelgenomen aan de breking des broods, c. Judas echter heeft zekerlijk hel Avondmaal niet genoten, en degenen, die beweren van wél, mogen hen die 't ontkennen, niet verdenken of bezwaren, waarvoor onze Godgeleerden ook hebben gewaarschuwd; vooral mag men dit niet doen met beroep op het gezag der Belijdenis, deels wijl deze het niet eens met ronde woorden zegt, deels omdat het een geschiedkundig en niet een leerstellig vraagpunt is quot;). d. Want al was Judas ook mede aan het Avondmaal geweest, dan zou hieruit nog niet volgen dat ook hij met de teekenen tevens de beteekende zaak ontving. Dit immers geschiedt niet met den mond des lichaams maar door het geloof.
Calvyn, die Judas' deelneming aan het Avondmaal stelde, kwam dan ook tegen degenen op, die beweerden,
') De Moor, Commentar. V. p. 567. Men viel ook Gomarus, Lid der Dordsche Synode, uiet lastig wegens zijne ontkenning van Judas' tegenwoordigheid bij hot Avondmaal. J. H. Scholten, Leer der H. Kerk. 4de uitg. I. p. 18. â Naar Schenkel heeft Jezus Judas aan het Avondmaal laten deelnemen en dit zou een afdoend bewijs zijn togen alle uitwendige tuchtmiddelen der Kerk! Zie Meyer, Kommentar zu Lukas 22:21- P. A. Philippi, Kircbl. Glaubenslehre V, 2. S. 483 : Wir vermogen der Prago naoh der Anweseuheit dos Judas beim eisten Abendmahle, obwohl dio-selbo nach der positiven Angabe von Lucas 22, 21 an zu nohmen ist, kein entschoidendes dogmatiscbes gewicbi bei zu legen. Die man-ducatio indignorum lEiszt sich nur dann daraus folgorn, wenn die manducatio oralis schou ohnedios fest steht.
§ 43. ONWAARDIGLIJK.
in het eerste Avondmaal had Petrus niets meer ontvangen dan Judas'); en hij haalt met instemming- het merkwaardig gezegde van Augustinus aan : De overige discipelen hebben het brood Christus gegeten, Judas daarentegen niets dan Christus' brood 2). Galvyn dringt vooral aan, dat men moet onderscheiden het Zienlijke en het Onzienlijke in het Sacrament: Christus' lichaam wordt hier niet gezien. De ongeloovigen hebben deel alleen aan het zichtbaar symbool, het uiterlijk teeken.
Wel is dit een waarachtig waarteeken van Christus' lichaam, en als zoodanig wordt het den boozen niet minder dan den goeden gereikt, en zoo blijft het een Sacrament en God blijft getrouw'). Maar de ongeloovigen en godde-
') Calvin. Oommontar. I Kor. 11: 27 : Multi hodie pertinaciter atqne adeo magnis clamoribus defeudunt nihilo plus rocopisso in prima Coena Petrum quam Judam.
â¢O Calvin. Ibid, en Instit. IV. 17. 34: Reliquos discipulos panem Dominum manducasso (den Heore zolven, die het brood des levens was), Judam vero nounisi panem Domini (hot brood van don Heero). De boozen ontvangen het Sacrament van do zaak, niet do zaak van het Sacrament. Zij ontvangen, leei't Augustinus, Christus in hot Avondmaal Sacramento tenus, naar hot Sacrament, alleenlijk zooveel het Sacrament aangaat, meer niet. En hij besluit: Het Sacrament van de zaak (rei Sacramontum), dat is van Christus' lichaam en bloed, wordt in het Avondmaal des Hoeren voorgesteld (proponitur) sommigen ton loven, den anderen ten verdorve, maar de zaak zelve van welke hot oen Sacrament is (res ipsa, cujus Sacramentnm est) allen ton leven, geenen ten vorderve, zoovolon haar deelachtig zijn geworden.
') Dit bevestigt Calvyn bijzonder nadrukkelijk in zijn Com-mentar. op 1 Kor. 11 : 27 en Instit. IV 17. 33 : Atquc haec est sacrameati integritas, quam violare totus mundus non potest, carnom et sanguinem Christi non minus vere dari indignis, quam eloctis Dei fidolibus: simul tarnen verum est, non secus atque
568
§ 44. VOORBEREIDING.
loozen erkennen en onderscheiden het lichaam des Heeren niet: dit ontvangen en genieten zij dus niet, maar alieen het zienlijk teeken, brood en wijn, hetwelk zij nemen als gemeene spijs en drank, terwijl het toch sacramenteel het lichaam en bloed des Heeren is, waaraan zij zich bezondigen doordat zij het verachten.
§ 44- Voorbereiding.
1. Ten einde het Heilig Avondmaal niet onwaardiglijk te gebruiken, moet er eene ernstige voorbereiding, in het bijzonder zelfbeproeving voorafgaan.
Iedere Godsdienstige handeling vereischt dat men zich er bedachtzaam toe bereide. Zoo het kerkgaan, Pred. 4 : 17: Bewaar uwen voet, als gij ten huize Gods ingaat. Tot buitengewoon Godsdienstwerk is ook bijzondere voorbereiding noodig. Toen Samuël te Bethlehem was gekomen om den Heere offerande te doen, sprak hij tot Izaï en de zijnen : Heiligt u en komt met mij ten offer, 1 Sam. 1G : 5. Voor het Pascha moest bij de Israëlieten eene zorgvuldige voorbereiding en toerusting voorafgaan, waartoe ook behoorde de afzondering des lams vier volle dagen voor het geslacht werd, âom aan gedurige overdenking, voor het gebruiken voorafgaande, gelegenheid te geven I)quot; (Exod. 12 : 3, 6). Heiligt u! was het gebod
pluvia super duram rupem decidens effluit, quia nullus in lapidem ingressus patet, ita inapios sua duritie ropelloro Dei gratiara quominus ad ipsos peuetret. Gelijk Calvyn hier hot beeld van den regen op rotsen gebruikt, zoo Soct. 40 van goede spijs in eene bedorven maag.
') Zoo te recht P. Van Mastricht, Godgel. III p. 659. Kurtz,
569
§ 44. VOORBEREIDING.
aan Levieten en volk voor het plechtige paaschfeest onder koning Jozia (2 Kron, 35 : 6). Inzonderheid moest de zuurdeesem worden weggedaan.
Zoo moet in hoogeren zin de gemeente zich heiligen en toebereiden voor het Paaschmaal des Nieuwen Ver-bonds, het Heilig Avondmaal (1 Kor. 5 : 7). Dit mag niet worden verzuimd. Want âeen ieder zal daar nauw bezien worden, of hij ook een bruiloftskleed aanheeft, dat is, in eene behoorlijke gestalte desharten aldaar verschijnt').quot;
2. Daarbij is vooral noodig dat men zich zeiven beproeve. De Schrift gebiedt het, 1 Kor. 11 : 28 : Maar de mensch beproeve1) zich zeiven, en eie alzoo van het brood en drinhe van den drinkbeker, namelijk indien zijn geweten hem van zijne oprechtheid getuigenis geeft. Anders blyve hy er af tot hij zich betert. Want evenwel toegaande, onwaardiglijk, maakt hij zich en de gemeente strafbaar (vs. 29 en 30); terwijl men door het zelfgericht het Goddelijke strafgericht voorkomt, vs. 31: Want indien wij ons zeiven oordeelden, zoo zouden wij niet geoordeeld worden. Komt echter de Heere met tijdelijke straffe, zooals te Korinthe, dan is dit voor de oprechten eene tuchtiging, eene vaderlijke kastijding, om hen van hunne verkeerdheden af te brengen, opdat zij niet eindelyk met de goddeloozen verdoemd worden (v. 32).
Nederl. Belijdenis des Geloofs Art. XXXV : Wij ontvan-
Dor Attestam. Opfercultus 1862. S. 317. Zie dit Twintigste Hoofdstuk § 30.
') Brakel, Red. Godsd. I. p. 1021.
â i) ïokiiix^stu è)£ xvOwn-os sxvtÃv. De Onzen hebben recht vertaald; 'SoxtfJ,x'(siv beloekent beproeven, onderzoeken, beoordeelen, nooit bekwaam maken.
570
§ 44. VOORBEREIDING.
gen het Heilige Sacrament in de verzamelingen des volks Gods met ootmoedigheid en eerbieding onder ons houdende eene heilige gedachtenis des doods van Christus, omes Zaligmakers, met dankzegging, en doen aldaar belijdenis omes geloofs en der Christelijke religie. Daarom behoort zich niemand daartoe te begeven, zonder zich zeiven eerst wel beproefd te hebben; opdat hij, etende van dit brood en drinkende uit dezen drinkbeker, niet ete en drinke zich zeiven het (gedreigde) oordeel.
3. By de openbare en gemeenschappelijke Voorbereiding van het Heilig Avondmaal was het van ouds in de gemeenten van Groningen en Friesland gebruikelijk, dat door den Leeraar aan het einde der predikatie vier Vragen aan de lidmaten werden voorgesteld, die zij staande aanhoorden en met eene buiging beantwoorden.
De Synodale Verordening van den 11 Juli 1817 bepaalde, dat dit voortaan overal zou geschieden«). Doch zij gaf eene nieuwe redactie der oude Vragen en de veranderingen *) daarin konden voor rechtzinnigen niet tot aanbeveling dienen. De verplichting om ze te gebruiken, is echter sedert 1 Febr. 1873 opgeheven, en het staat nu den Leeraren vrij om ze al of niet te gebruiken 3). Ook bij de Christelijke Gereformeerden is het aan elke gemeente vrijgelaten. Op den inhoud dezer Proefvragen, namelijk naar de oude redactie, valt niets aan te merken: want
') Kerkol. Wetboek van Dcmwes en Feitb (1889) p. 77.
-) Deze betreffen Gods Woord, de erfzonde en do verdiensten van Christus. Zij worden nader opgegeven door Scholten, Leer der H. Kerk I. p. 42 v.
^ Kerkel. Wetb. b. a. p. 61. Aanteek. 5 op Regl. v. d. Kerke-raden Artik. 14. 1quot;. En p. 69 Art. 22.
571
§ 45. VOORBERKIDING. VERVOLG.
die komt overeen met den Heidelh. Catech. Vr. 81 en met het Kort Begrip Vr. 61, gelijk ook met het Formulier van het Heilig Nachtmaal. De vier stukken, waarover de Vragen gaan, zijn voor iederen Avondmaalganger gewichtig en noodzakelijk '), en, terwijl wij de Roomsche Oorbiecht J) voor het gebruik van het Sacrament verwerpen, kunnen wij het openbare voorstel der Proefvragen voor het Avondmaal niet onbehoorlijk achten : immers wij doen aldaar belijdenis omes geloofs en der Christelijke religie (Nederl. Belijd. Art. XXXV).
§ 45. Voorbereiding. Vervolg.
1. Uit het wezen en doel des Avondmaals volgt, hoe men zich beproeven en voorbereiden moet.
a. Wij moeten onderzoeken, hoe wij met God en onze naasten staan. Wij moeten stil en ernstig tot ons zei ven inkeeren, ons hart op onze wegen zetten, inzonderheid hoe die sinds het laatst gehouden Avondmaal waren, ons beschouwen in den onbedriegelijken spiegel van Gods Woord, toetsen aan de Wet in hare heide Tafelen en aan het Evangelie. En wel als voor het aangezicht Gods, biddende. Daar is het gebed noodig ; Doorgrond mij, o Ood! en ken mijn hart; beproef mij en ken mijne gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en
1) Tot de Symbolen der Gereformoerde Kerk kunnen de Vier vragen echter niet geteld worden, vooral niet zoo alfi zij 1817 geredigeerd zijn. Van Oosterzee, Chr. Dogmatiek I. p. 42 oordeelde, van wél. Anders Scholten, Loer der H. K. I. p. 43. Vergel. Eerste Hoofdstuk § 28.
-) Zie daarover dit Twintigste Hoofdstuk § 6.
572
§ 45. VOORBEREIDING. VERVOLG.
leid mij op den eeuwigen weg, Ps. 139 : 23. 24. Een iegelijk moet bij zich zeiven nagaan, of hij naar de kenteekenen des Evangelies een waar lid van Christus is, met blijkbare beginselen van bekeering, geloof en liefde *). Naar Paulus' vermaning 2 Kor. 13 : 5: Onderzoekt u zeiven of gij in het geloof zijt, beproeft u zeiven. Of kent gij u zeiven niet, dat Jezus Christus in u is ? tenzij dat gij eenigszins verwerpelijk zijt.
b. Wij moeten belijdenis doen voor God van onze zonden. Ieder ernstig onderzoek van ons zeiven maakt ons tot schuldenaars voor den Heere en doet ons als arme zondaars uitkomen. Wij moeten onze zonden erkennen en bekennen, in het bijzonder de laatst geschiede overtredingen, met hare oorzaken en booze wortelen in het verdorven hart; moeten op het zoenoffer onzes Middelaars om vergeving smeeken en daarin aanhouden, totdat wij daarvan eenige verzekering bekomen; oin daarop het zegel in het Avondmaal van den Heere te ontvangen. Dan is het: Mijne zonde maakte ik ü bekend en mijne ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Jk zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Heere; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde, Ps. 32 : 5.
573
c. Tot behoorlijke voorbereiding ter waardige viering des Nachtmaals is ook bijzonder dienstig en aan te bevelen, dat men in de voorafgaande dagen Jezus' lijden en sterven en geheel het werk der verlossing in stille bepeinzing overdenke en op zijne troostrijke beloften, aan de belijders van zijnen naam gedaan, met aandacht lette. Brakel2)
') Calvin. Instil. IV. 17. -10. Eu Coinmeiitar. op 1 Kor. 11 : 28. -) Redol. Godsdienst. I. p. 1032 v.v. Evoaals Christ, ad For-
§ 45. VOORBEREIDING VERVOLG.
prijst dit te recht met nadruk aan en noemt het eene verwakkering van het Historisch geloof, en het Formulier van het Heilig Nachtmaal gaat ons daarin treffend voor. Daarbij past vooral een opmerkzaam lezen van de lijdensgeschiedenis onzes Heeren, door de Evangelisten beschreven, en inzonderheid van zijne laatste, beloftenvolle redenen tot zijne discipelen, door Johannes geboekt.
d. Tot de voorbereiding voor het Avondmaal des Heeren behoort ten slotte als doeleinde, dat wij ons oprecht aan zijnen dienst verbinden. Het is een Verbondsmaal. Als bondgenooten moeten wij toe gaan, ter vernieuwing des Verbonds, met de keuze in het hart om den Heere te dienen, met het wélberaden en vaste voornemen om tegen alle zonde te strijden, vooral om bijzondere, heerschende zonden af te leggen en in een godzalig leven te wandelen. Dus met eene opgewekte begeerte naar heiligheid, met eene erkentenis en bede als uitgedrukt is Ps.' 119 : 4,5: Heere, gij hebt geboden, dat men uwe bevelen zeer bewaren zal. Och, dat mijne wegen gericht wierden, om uwe inzettingen te bewaren !
2. Uit dit alles blijkt, dat eene behoorlijke Voorbereiding niet het werk is van eenige oogenblikken, maar dat men, wanneer de viering des Avondmaals te wachten staat, zich tijdig daartoe schikken moet. Intusschen is het ook als Brakeh) zegt: âHet gebeurt wel, dat een godzalige, de voorbereiding tot het laatst toe hebbende versloft, in een korten tijd zoo gevoelig kan inzinken in zijne walge-
turn (Profess, te Bern) iu zijne voortreffelijke Orationea Eticha-risticae. 1606. p. 74 sqq.
') Eedel. Godsd. I. p. 1022,
574
§ 45. VOORBEREIDING. VERVOLG.
575
lijkheid, nietigheid en zondigheid, en zoo levendig den Heere Jezus kan aannemen en vrije genade erkennen, en zoo ernstig kan opstaan uit zijn zondigen staat, dat hij in den geloove aangaat en wel vele gevoelige vertroostingen ontvangt, zoodat hij verwonderd staat en zegt: Heb ik ook hier gezien naar dien, die my aanziet ? (Gen. 16 : 13). Daarentegen gebeurt het wel, dat een geloovige, die veel werks van de voorbereiding gemaakt heeft, duister, troebel en zwakgeloovig blijft, of, zoo hij al licht in de voorbereiding gehad heeft, dat evenwel aan de tafel eene schielijke duisternis en doodigheid op hem valt, zoodat hy, die gemoedigd opging, droevig weder naar zijne plaatse keert. Doch of dit wel gebeurt, zoo moet daarom de voorbereiding niet worden verzuimd; want het is zijn plicht, hij heeft Gods weg in te slaan, en doorgaans geeft God op ernstige voorbereiding zegen, 't zij iets dat de geloovige beoogde, 't zij iets dat hem voor dien tijd nuttiger is. De belofte zal aan hem bewaarheid worden : Gij zult mij zoeken en vinden, wanneer gij naar mij zult vragen met uw gansche hart, Jerem. 29 : 13.quot;
Men behoort dikwijls (1 Kor. 11 : 26) Avondmaal te houden, tot versterking, verlevendiging en oefening des geloofs en der liefde. Doch hoe dikwijls, zegt de Schrift niet. De behoefte moet er toe dringen. Maar om dit Sacrament niet meer dan éénmaal in 't jaar te ontvangen daartoe is het waarlijk niet ingesteld. Bij de Boomschen ')
') Tridentin. Soss. XIII. Do Eucharistia. Canon IX: toder goloovigo is gehouden jaarlijks, ten minste op Paschen hot Sacra-mont to outvaugon : singulis aunis, saltern in Paschate. Saltern, ten minste, is er bijgevoogd om don schijn to vermijden als wierd
§ 45. VOORBEREIDING. VERVOLG.
is het gebruikelijk om Paschen. Calvyn noemt dit eenen vond des duivels â¢). De Reformator ijverde zeer voor een gedurig vieren. Daar het dagelijks niet kon, wilde hij dat ten minste wekelijks, op iederen dag des Heeren 1) de Tafel wierd aangericht. Wijl dit niet ging, wilde hij het althans maandelijks; maar ook dit kon hij te Genéve niet doorzetten, het bleef bij viermaal in 't Jaar 3). Neder-landsche Synoden») verklaarden zich voor aWetwee maanden; onze oude Godgeleerden 2) in 't gemeen voor gedurige
576
1
) Calvin. Instit. Lib, IV. Cap. 17. Sect. 43. Hij acht het moest betamelijk, dat de bediening des Avondmaals zeer dikwijls, ton minste om iedere week geschiede : Sic adrainistrari (Coeua) decentissime poterat, si saepissime et singulis ad minimum hebdomadibus proponeretur ecclesiae. En wederom Sect. 40: Singulis ad minimum hebdomadibus proponenda erat Christi-anorum coetui mensa Domini.
2
673 sq. C. Vitringa, Doctrina Pars VIII. Tom. I. p. 400 sqq.
§ 45. VOORBEREIDING, VERVOLG.
viering; de Synodale Verordening van 1817 bepaalde: vier malen in het jaar en wel om het vierendeel jaars, hetwelk ook bij de Christelijke Gereformeerden gebruikelijk is.
4. Calvijn was niet tegen de toediening des Heiligen Avondmaals aan kranken op. het ziekbed. Hij kon er niet over, dat aan geloovigen, die lang geleden hadden of wier einde nabij bleek, dit middel tot versterking des geloofs en verlevendiging dor hope wierd geweigerd. Slechts wilde hij, dat huisgenooten, verwanten, vrienden en geburen er bij tegenwoordig en deelgenoten waren, opdat het karakter van gemeenschappelijk maal bewaard bleef').
De Luthersche Kerk reikt zonder bezwaar het Avondmaal aan zieken in hunne huizen, ook ten gevolge van haar begrip van het Sacrament, hetwelk zij wel niet zoo als de lioomschen, maar toch als een eigenlijk genademiddel beschouwt. De Gereformeerden 5) daarentegen vonden het
') B. Ter Haar, Geschied, der Kerkhervorming. II. p. 92. Calvi/ns gevoelen is met diens eigene woorden uitvoerig medegedeeld door Mart. Vitringa in C. Vitringa, Doctrina, Pars VIII. Tom. I. p. 358.
2) Da Moor, Oommentar. V. p. 660 sq. G. Vitringa, Doctrina P. VIII. ï. I. p. 356â360. Kling, in Herzogs Real-Enc. V. 8. 588 f. u. d. Art. llauscommunion. Augusti, Handb. der Christl. ArchUol. 11. S. 642 zegt te veel, wanneer hij verzekert: Die Kranken-Coramunion ist zu allen Zeiton als die erlaubteste Art dor Privat-Communion von allen Kirchen-Partheien beibehalten worden.
In Bazel, waar iederen Zondag in eene van de vier hoofdkerken hot Avondmaal gevierd wordt, is ook do bediening aan kranken in gebruik sedert de tijden dor Hervorming. Herzag, in de Iteal-Euc. XIV. S. 127 u. d. Art. Schweiz,
Gravcmeijer, Gciof. Gel. leer. III. 37
577
§ 45. VOORBEREIDING. VERVOLG.
over 't algemeen bedenkelijk en, niettegenstaande Galvyns aanbeveling, kwam het bij hen niet veel in gebruik. De Neclerl. Belijdenis des Geloofs Art. XXXV zegt : Wij ontvangen het Heilig Sacrament in de verzamelingen des volks Gods.
5. Aangaande de uitwendige gebruiken bij het Avondmaal handhaafde Calvtjn de vrijheid der gemeenten, mits slechts alle bljgeloovlge, Roomsche manieren wierden geweerd en men zich gehoorzaam hield aan Gods Woord'). Aldus ook de Dordsche Kerkordening van 1619, Art. 62 : Een ieder Kerk zal zulke manier van bediening des Avondmaals houden, als zij oordeelt tot de meeste stichting te dienen. Welver staande nochtans dat de uitwendige Ceremoniën, in Gods Woord voorgeschreven, niet veranderd, en alle superstitie vermeden tvorde.
De Synode te Wesel 1568 Gap. VI. Art. 15 oordeelde, dat men het Nachtmaal mag gebruiken staande of zittende. De Nationale' Synode te Dordrecht 1578, Art. 69 achtte middelmatig in de bediening des Nachtmaals te slaan of te zitten; maar het knielen nam zij uit om der supstitie en des perikels wille van hel brood aan te bidden. Overigens zullen de Gemeenten die wijze gebruiken, die een iegelijk allefbekivaamst zal dunken te wezen. (De Provinciale Synode te Dordrecht 1574, Art. 76 verklaarde : Wij achten dut het staan in 't houden des Nachtmaals des Heeren het voegelijhle is). Doch het aanzitten aan eene tafel, bij de
') Calvin. Instit. IV. 17. 43. Van do verscliilleudo gowoouton der Roomsehen, Luthurschou, Goreformeordeu, Doopsgezinden, Herrnhuters enz. geeft een leerzaam verslag Mensinga iu do Jaarboeken voor wetouschappelijke Theologie van Van Oosterzee VII (1849) p. 730 v.v.
578
§ 45. VOORBEREIDING. VERVOLG.
579
Gereformeerden thans nagenoeg in algemeen gebruik, is ongetwijfeld het meest verkieslijk, als zijnde het minst storend, voor de stille aandacht bevorderlijk, voor ouden en zwakken noodig, en overeenkomende met het eerste Avondmaal en met den aard der plechtigheid : een rustige maaltijd met aanzittende gasten. Overigens geldt ook hier het gebod : Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden (1 Kor. 14 : 40).
|
, :,.v |
|
-â
EENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE LAATSTE DINGEN. (ESCHATOLOGIE).
§ 1. De Dood.
De Geloofsleer sluit voegzaam met de de Eschatologie, de leer van de Laatste Dingen. De Eschatologie handelt van het toekomende en is dus naar haren aard profetisch. Geheel de Geloofsleer heeft wel betrekking op de toekomst, evenzeer als op het verledene en het tegenwoordige. Want hare wortelen liggen in het verleden, in hetgene God voor dezen gedaan en gesproken heeft; zij dient voor het tegenwoordige, waar zij beoefend en beleefd wordt en hare vrucht draagt; en alles stelt zij in verband met de toekomst als doel, zij heeft eene teleologische strekking, zij wijst heen naar de laatste doeleinden bij al wat zij leert van Gods woorden en werken.
Maar de Eschatologie bepaalt zich afzonderlijk bij do toekomst: bij de Laatste dingen gt;). Dat zijn die gebeur-
1) tx tcrx^TX, nuar Sirach 7 : 38; In al uw doen gedenk aan
§ 1. DE DOOD.
tonissen en toestanden door Gods bcscliikking, die er voor den mensch, voor Kerk en wereld nog te wachten staan en die de eindvorvulling zijn van het alomvattend raadsbesluit Gods.
De Eschatologie behelst dus profetische leerstukkon. Bij de voorstelling en ontwikkeling van deze houdt de rechtzinnige Kerk zich getrouw en eenvoudig aan Gods Woord, evenals bij ieder ander deel der Geloofsleer. Aan de verbeelding mag geen vrije teugel worden gelaten lt;) in do schildering van de tooneelen der toekomst; eigendunkelijke ideeën en bespiegelingen over dingen, die ons te hoog en te wonderlijk zijn en waar wij niet bij kunnen, bieden geen grond voor de verwachtingen des geloof. Hier geldt alleen wat bewijsbaar en ontegenzeglijk leer der Heilige Schrift is.
De Laatste dingen zijn: de lichamelijke dood, het laatste van dit leven ; de staat der aflijvige zielen ; de opstanding ;
uw uiterste. Novissima, nltima. Van daar do naam Eschatologie. Vergel. Kling in Horzogs Real-Enc. IV. S. 154 ff. u. d. Art.
Eschatologie.
') Hiervoor 'waarschuwt ook Sc/'leicrmacher, DerChristl. Glaube § 859. 3te Ausg. S. 483, waar hij vooropstelt, dusz bei ctwanigen neuen Gestaltungen dieser Lehrcn (diesor prophutischeu Lülirstükke) die Fantasie â der doch (dies anheim fallt, ivas unserem dermaligen Erfahrungshre'se fremd als Gegenstand einer inöglichen künftigen (Erfabrung) aufgestellt ivird â um eine christliche zu bleiben sich unter den Schutz der Auslegungskunst stellen miisse, und mir den van dieser dargebotenen StoJ) zu verarbeiten habe, ohnc sich ei/iem Spiel der Willkilhr ader vermeintlichen neuen Offenbnrungen zu überlassen. Hadde echter do schoi'iio dialccticns or maar niet zoovoel «ingelogd!
582
§ 1. DE DOOD,
het laatste oordeel; voleinding der wereld; de tweede dood en het eeuwige leven.
1. De dood is het einde van dit aardsche loven. Voor ieder mensch, voor het gansche geslacht van Adam. Allen moeten de dootlsvallei in, 't is de weg der gansche aarde (Joz. 23 : 14). Alleen Henoch en Elias zijn naar Gods vrijmacht en wijsheid door Hem in den hemel opgenomen zonder den dood te zien. En zoovelen er bij Jezus' wederkomst nog leven, zullen wel niet ontslapen, maar toch eene verandering in het lichaam ondergaan (l Kor. 15 : 51), die als een sterven en opstaan tegelijk zal zijn' eene schielijke ontkleeding en overJcleeding, eene snelle omzetting van sterfelijk in omicdeVyk, ojnlat het sterfelijke van het leven verslonden worde (2 Kor. 5 : 4). En zoo iets is gewisselijk ook bij Henoch en Elias onder hun opvaren omgegaan. Doch zonder dat bij hen de ziel van het lichaam werd gescheiden, en in dezen zin zagen zij den dood niet: want de tijdelijke dood is eene scheiding der ziel van het lichaam.
583
Deze is niet te ontgaan. Wat man leeft er, die den dood niet zien zal ? die zijne ziel zal bevrijden van het geweld des grafs ? (Ps. 89 : 49). Hoe groot verschil er ook zij in de omstandigheden, in tijd en wijze van sterven, naar het raadsbesluit Gods en door de schikking zijner Voorzienigheidquot;), toch hebben allen het sterven met elkander gemeen. Dit behoeft geen bewijs, de dagelijksche ervaring leert bet en niemand ontkent het; maar wel is
') Zio Zevende Hoofdstuk § 9 on 10.
§ 1. DE DOOD.
het noodig het indachtig te maken. Memento mori, gedenk te sterven!
2, De dood is een gevolg van de zonde, is eene straf. Dit wordt ontkend door Pelagianen, Socinianen, Remonstranten, Rationalisten en Modernen, volgens wie de sterfelijkheid tot het wezen des lichaaras behoort en de natuurlijke (physische) dood eene noodzakelijke wet is voor de menschelijke creatuur, ook wanneer zij zonder zonde ware. Waaruit dan zou volgen, dat de dood van kleine kinderen, die immers geen dadelijke zonden hebben, niet ten bewijze strekte van de erfzonde, en dat Christus den dood niet als straf voor onze zonden onderging'). Naar de Socinianen inzonderheid is door de zonde niet eerst de dood over den mensch, maar alleen de bitterheid in den dood gebracht 1).
Lijden getuigt van schuld, veronderstelt dat er gezondigd is. De zonde is de oorzaak van alle leed. Waar geheel geen zonde is maar volkomen reinheid, daar kan geen dood, geen lijden zijn. De rechtvaardigheid Gods kan dit onmogelijk toelaten. Een zondelooze kan niet lijden, tenzij door vrijwillige overneming. Jezus' zondeloosheid is dan ook een bewijs van zijnen borgtocht, zijne plaatsbokleedings),
') Hiervan is nador gohaudold bij don Staat dor Rochthoid, Achtste Hoofdstuk § 9. Vorgel. P. Van Maslricht, Qodgcl. II. p. 109 v.v.
2) Negende Hoofdstuk § 28. Evonals do Socinianen leort Prof. Biedermam, Christl. Dogmatik § 675 : Storblichkoit gehort zum Woson des Leibos; daher konute nur die aubjectivo Empfindung dorsulben als oines Strafilbels, so wio dio im Weltlauf natiirliche Mehruug der Uobel durch die Silnde, als göttliche Stratfolge der Siinde bezoiclinot worden.
Twaalfde Hoofdstuk § 19. Fronmüller in Horzogs Eeal-Enc.
584
§ 1. DE DOOD.
De dood is als straf op de zonde gedreigd '), En alle menschen zijn door het rechtvaardig vonnis van God aan den dood onderworpen, omdat allen in Adam gezondigd hebben. De algemeenheid des doods hoeft haren grond in de algemeene zonde 2).
Nederl. Belijdenis des Gel. Art. XIV : De mensch heeft zichzeloen willens der zonde onderworpen, en overzulks den dood en der vervloeking, de oorc biedende den w oor de des duivels. Want het gebod des levens, dat hij ontvangen had, heeft hij overtreden, en heeft zich van God, die zijn ware leven was, door de zonde afgescheiden; hebbende zijne geheele nutuur verdorven: waardoor hij zich schuldig gemaakt heeft des lichamelijken en geestelijken doods. Afgescheurd van de fontein des lichts en levens, was nu de mensch aan duisternis en dood vervallen, en genade alleen kon de breuk herstellen en onverbreekbare gemeenschap met de levensbron verleenen. Rom. G : 23 ; bezolding (soldy, loon, vergelding, straf) der zonde is de dood, maar de genadegifte Gods is het eeuwige leven door Jezus Christus onzen Ileere.
3. Door deze genadegifte verandert do straf van een vertoornd Rechter in eene heilzame kastijding van een lievend Vader, de vloek in eene weldaad. Voor do godde-loozen, voor die niet in Christus zijn, is de dood in volle kracht eene straf, een vlock; wegstooting in den eeuwigen dood. Voor degenen, voor wie en in wie Christus het
XVI. S. 185 f. u. d. Art. Tod. Zie vooral Achtste Hoofdstuk § 9 bij hut Boold Gods : Oustorfolijkhoid, ou in wulken ziu. 1) Achtste'^Hoofdstuk § 11.
-) Negende Hoofdstuk § 17. (Rom. 5 : 12).
585
§ 1. DE DOOD.
loven is geworden, is de lichamelijke dood en alle tijdelijk lijden geen eigenlijk gezegde straf meer, maar een zegen, verbreking van alle verband met de zonde en met zondige toestanden, einde van alle lijden en strijden, verplaatsing uit do vreemdelingschap naar het Vaderhuis, overgang in zalige rust; vreugde, heerlijkheid. Paulus kon zeggen: liet leven is mij Christus (blijf ik nog, in het leven, ik zal het besteden ter eore en ten dienste van Christus), en het sterven is [mij] gewin â¢) (word ik gedood, dat zal mij geen schade, maar groot gewin toebrengen, alzoo ik voor de aarde den hemel en voor dit ellendig loven een gelukzalig eeuwig leven zal gewinnen, (Kantteek.).
Dat is wat anders dan bij de Heidenen het verlangen van velen naar don dood en de neiging tot zelfmoord, als uiterst en onfeilbaar heelmiddel tegen de ellenden des aardschcn levens daar zij den troost der overgeving en
to Qsi'j xpiftoz, axi to mttoOxvsÃ'J mp'èot;. Onze Staten-Ovorzelters hebben recht vertaald. Calvyn en anderen nomen Christus voor beide zinsneden als subject: Want Christus is mijn (of mij tot) gewin in het leven en m hot sterven, »Chiistus hebbende, is mij béiclo goed.quot; Men neemt dau to en to xttoöotvslv voor TTpO?1 of xutx to ou xttoÃxvsïv, tegen hot taaleigen. Ovorigens blijft het waarheid wat Calvyn aanteolfent; Christus alleen maakt ons in dood en leven zalig. Is Christus met ons, Hij zal ons leven zoowel als onzen dood zegenen, zoodat beide voor ons gelukkig en gewenseht zijn. Dat kende geen Wijze onder do Heidenen.
2) Euripides, Heracl. 59G: Ta Owsh kxküv ftiyivtov
Cpxpftzy.oy vofti^sTXi. Ndgelshach, Homer. ïheol. 2to Aufl. amp;. 376. Nachhomer. ïheol. S. 392 f. Vergol. ook Eerste Hoofdstuk van dit Leesboek § 19. (Stoïcijuen).
Epicurus, en naar hem Lucretius, ijvert zeer togon do vrees voor den dood, als waardoor de mensch zich zolven alle levens-
58(5
§ 1.. DE DOOD,
berusting in don wil eons gonadigon on wijzen Gods niet kenden, zoomin als do ontzaglijkheid des doods voor zondaren.
Die deel aan Gliristus hebben, overkomt do dood ook, 't is zekor, tor oorzaak van de zonde : Indien Christus in ulieden is, zoo is ivel het lichaam dood (aan den dood toegewezen en onderworpen1) mn der zonde xvil, Rom. 8:10; maar niet meer als bewijs dat God nog op hen vertoornd is, niet als moesten of konden zij daardoor zeiven nog voor hunne zonden voldoen, niet als straf, want Christus heeft de straf van hunne zonden volledig gedragen en, oen vloek voor hen gewerden, heeft Hij hen van allen vloek verlost.
4. Maar allen sterven toch ? Hieruit hebben Sociniaansch-gezinden eene booze gevolgtrekking gemaakt zoowel aangaande don dood als de voldoening. Zij zeggen : Christus heeft al de gevolgen der zonde weggenomen, hare werkingen gekeerd ; maar don dood heeft Hij niet weggedaan : dies was do dood niet een gevolg van do zonde maar van de natuur der monschen, en Christus' dood was geen plaats-bekleedond straflijden; maar geschiedde tot andere weldadige doeleinden. Maar de Schrift leert dat de mensch eerst na zijne schepping om zijne ongehoorzaamheid aan den dood is onderworpen i) en al ons gevoel schreeuwt het ook uit
genot bodorft cn vergalt. Om do vrees weg te nomen, kan hij ccbter alloon den troostloozeu troost dos niot-zijns bieden. Wat do volken van do kwalen der boezen in do ondcnvorold schilderen, verstaat hij zinnebeeldig, maar- 't heeft alleen iu dit leven plaats : in vita sunt omnia nobis. Dr. J. WoUjer, Lucretii Philosopbia 168 sqq.
') Zie Achtste Uuofdstulc § 9. § It. Ncrjendc Huofdstuh § 11.
587
§ 1. I)E DOOD.
dat de dood voor ons menschen iets onnatuurlijks is lt;); cn dat Christus don dood plaatsbeklcedonder wijze, borg-tochtelijk, ter genoegdoening aan Gods gerechtigheid onderging, lijdt naar den Woorde Gods geen tegenspraak, zooals voorheen is aangetoond s).
5. Het is tot staving van de plaatsbekleedende genoegdoening, dat de Heidelbergsche Catechismus de 42ste Vraag opwerpt: Zoo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het dat wij ook moeten sterven ? Immers, in wier plaats de Borg den dood heeft ondergaan en hunne schuld werkelijk afgedragen, die zijn rechtens zeiven vry van sterven : dies was Christus' dood geen plaatsbekleedende voldoening. Deze gevolgtrekking slaat de Catechismus af.
Zeker is het, voor wier zonden genoeg gedaan is, die behooren niet te sterven, te weten om zelven door den dood voor hunne zonden genoeg te doen. Maar hiertoe sterven wij niet, om voor onze zonden genoeg te doen; hoe zou dit kunnen, te meer daar bij don geheiligde ook het doodslijden zelf niet zonder zonde toegaat ? Integendeel om gansch andere redenen 3). Onze Catechismus zegt het bondig en afdoende : Onze dood is geene betaling voor ome zonden, maar alleen eene afsterving der zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.
üe afsterving der zonden vangt aan in de bekeering ; wordt voortgezet in de heiligmaking; voltooid in den dood,
') Delilzsch, Bibl. Psychologio 2to Aufl. S. 126.
-j Twaal/de Hoofdstuk § 17. 18. 19.
:l) Ursinus, Schutbook, op don Heidolb. Catoch. Vr. 42. I. p. 390. 1'iet et, Godgoloerdh. II. p. 2G4: vv. B rakel. Rod. Godad. II. p. 715.
588
§ 1. DE DOOD. 589
de aflegging des lichaams, de ontheffing aan alle zondige invloeden.
a. God kon, die Hij in Christus rechtvaardigt, ook aanstonds met eenmaal volkomen heilig maken. Maar dat doet Hij niet gt;); zij zouden dan ook in deze wereld niet kunnen verkeeren.
Hij kon hen onmiddellijk verheerlijken en zonder dood lichamelijk ten hemel nemen, gelijk Henoch en Elias ; het zou tegen zijne rechtvaardigheid niet strijden, aan welke immers door Christus' dood volkomen is genoeggedaan. Ja naar zijne gerechtigheid zou Hij hen van alle lijden kunnen verschoonen. Maar zulk eene openbare onderscheiding van zijne kinderen hier aireede heeft onze goede en alwijze God niet gemaakt, om hen zeiven en om der anderen wil. Wat zou 't zijn ? Ieder lijdende en stervende wierd daardoor dan hier reeds voor alle wereld als doemeling ten toon gesteld, ondragelijk voor vriend en maag, eene openbaarmaking, die voor den oordeelsdag is opbewaard en daar alleen voegt.
Vromen en onvromen, beiden doet God lijden en sterven. Ja, genen vaak zwaarder en bitterder dan dezen ; maar hoe bitter ook, hun is 't medicijn, 't werkt ten goede mede, 'I, is ter heerlijkheid Gods, opdat de Zoon Gods daardoor verheerlijkt worde (Joh. 11 : 4). In het lijden en bij het aankomen des doods wordt de vrucht der zonde het gevoeligst gesmaakt, maar ook de kracht der genade en verlossing het aandoenlijkst ondervonden; men leert er meer en dieper door verstaan het ontzaglijk lijden des
') Vorgol. hot Zestiende Hoofdstuk, Heiligmaking, inzonderheid 7 ou 8.
590 § 1. DE DOOD.
*
Zoons Gods voor zijn volk ; voorts gelijk de drukking der melk boter voortbrengt (Spr. 30 : 33), brengt de druk en persing der nooden wel een verborgen leven ten voorschijn, en menig ziek- en sterfbed wordt oen Godverlieorlijkend tooneel van lijdzaamheid, onderwerping en blijmoedige hope door de kracht des geloofs, dat alle bergen van bezwaar verzet. Zulks wierde hier niet gezien, zoo de kinderen Gods niet leden, niet stierven.
b. De dood van Gods kinderen is ot,. eene afsterving der zonden, met wier overblijfselen zij hun leven lang te strijden hebben, hetwelk dadelijk met de aflegging des lichaams eindigt. Niet alsof de zonde alleen in het lichaam zat en daarin haren grond en hare wortelen had en alleen in zinnelijkheid bestond '), zoodat met het lichaam vanzelf ook de zonde wegviel. De zonde wortelt in den geest der menschen, in de redelijke, bewuste, denkende, willende ziel. Vandaar uitgaande breidt zij zich over geheel den mensch uit. Zij maakt het lichaam, het huis en werktuig der ziel, voor zich dienstbaar. Door het lichaam, door de vijf poorten der zinnen staat de ziel in verband en in wederzijdsche werkingen en invloeden met en van de wereld die in het booze ligt. Door den dood wordt dit verband ten eenemnale afgesneden, en terwijl de ziel zelve door Gods Geest beademd en gezuiverd wordt, houdt met de verwijdering van hot lichaam alle verderfelijke invloed van buiten voor haar op. Het lichaam, door de zonde besmet en bedorven, wordt tot stof verbrijzeld, gelijk eertijds in Israël de melaatsche huizen werden gesloopt (Lev. 14 : 45); doch om eenmaal wederom te worden
') Negende Hoofdstuk § 9.
§ 1. DE DOOD.
opgebouwd, rein en heerlijk, gepast voor den zaligen geest.
/3. De dood ia voor Gods kinderen een doorgang tot het eeuwige leven. Een doorgang slechts. Niet om cr in te blijven. Voor de goddeloozen begint mot het sterven des lichaams de dood eerst recht in volle kracht en ontzaglijkheid ; dat is de tweede, do eeuwige dood, de rampzaligheid. Daarvan is de geloovige verlost, over dezen heett de tweede dood geene macht (Openb. 20 ; G) : er is geene verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn (Rom. 8 : 1). Door Christus' dood is voor hen do dood gedood, van de doodende, verdervende kracht ontdaan. De dood is voor hen geen dood meer, maar eene poort des levens, is eene ontbinding, eene vrijmaking des geestelijken levens dat tot daartoe gebonden was, dus geen afbreking van het ware leven dat eigenlijk alleen leven heeten mag, maar eindiging van een leven dat in zijn wezen niets is dan een gestadige dood. Naar Christus' woord Joh, 11 : 25 : Ik hen de opstanding en het leven; die in Mij gelooft (heeft een loven, hetwelk de dood niet dooden kan, hij) zal leven (niet slechts /terleven, opstaan, maar voortleven, zonder afbreking of stremming), al ivare hij ook cjestorven (ook wanneer hij (lichamelijk) zal gestorven zijn). 2G. En een iegelijk die leeft en in mij gelooft (die door het geloof tot een nieuw leven is opgestaan) «a? mV# sterven in der eeuwigheid (zal van den dood niet beschadigd worden, want dat leven is hot beginsel van hot eeuwige, is onvergankelijk, hetwelk do lichamelijke dood niet verwoesten of sluiten maar slechts bevorderen en verhootren kan). Gelooft gij dat, Martha V
5'Jl
§ 2. ONSTERFELIJKHEID DEK ZIEL.
§ 2. Onsterfelijkheid der ziel.
Met den dood houdt de mensch niet op te bestaan. Door Gods wil en werking is de ziel onsterfelijk, en zoo blijft ieder mensch eeuwig voortbestaan als dezelfde persoon niet bewustheid, geheugen en gevoel van vreugde of smart.
De Tweede Zicitsersche Belijdenis i) verklaart kort en bepaald het Gereformeerd gevoelen : Wij zeggen, de mensch bestaat uit twee en wel verschillende deelen, in één persoon, uit eene onsterfelijke ziel, die namelijk gescheiden van het lichaam noch slaapt noch vergaat, en een sterfelijk lichaam, hetwelk nochtans in het laatste oordeel van de dooden zal worden opgewekt, ten einde de gansche mensch vandaar af hetzij in het leven (de zaligheid) of in den dood (de rampzaligheid) eeuwig hlijve.
Dit is het ware, schriftuurlijke, Christelijke begrip van 's menschen onsterfelijkheid, namelijk onsterfelijkheid der ziel onder vooruitzicht van de herleving des lichaams en zijne hereeniging met de ziel. Hierdoor onderscheidt zich het rechte, Christelijke begrip van al de nevelachtige ideeën buiten het licht der Openbaring.
592
Het is den mensch natuurlijk zijne voortduring, hoedanig dan ook, te onderstellen ; de algemeenheid dezer onderstelling bij schier alle volken betuigt dit. Zyn er die er voor uitkomen te gelooven dat met den dood alles is afgedaan, wij mogen daarvan met den ouden Apologeet
') Confess. Helvet. Ilda Cap. VII. ed. 1566 fol. Tquot;. De Confessie voegt er bij: Damnamus omnes, qui irrideut ant subt.ili-bus disputationibus in dubium vocaut immortalitatom animarum aut animam dicunt dormiro ant partem esse Dei.
§ 2. ONSTERFELIJKHEID DEll ZIEL.
Minutius Felix zeggen: dat is meer een wenschen dan een dadelijk gelooven dat zij na den dood niets meer zijn zullen'): zg wenschen het niet-zijn, uit vrees voor verdiende straf, maar zijn toch van hunne zaak niet zeker, evenals die zeggen dat er geen God is.
De meest besliste bestrijders van de onsterfelijkheid der ziel zijn te allen tijde de Materialisten 2), Philosofen, die de materie, de stof, als het grondbeginsel van al wat is beschouwen en dienvolgens iedere zelfstandigheid en eerderheid des geestes loochenen. Zij behooren tot de Naturalisten, wier grondstelling is: Alles is Natuur; doch van dezen zijn zij de uitersten. En het zijn Sensualisten, voor zoover zij de zinnen voor de eenige bron onzer kennis houden. Hoofdman der Materialisten is Epicurus (omtrent 300 v. G.), wiens systeem reeds in het wezenlijke de volkomene uitdrukking en het voorbeeld is van alle later Materialisme, ook der nieuwere lijden.
Ten tijde van Christus' verschijning in de wereld waren onder de Joden de Sadduceën vertegenwoordigers van het Materialisme : zij loochenden de opstanding en in 't gemeen het bestaan van geesten, dus ook de onsterfelijkheid der ziel, terwijl de Farizeën beide beleden (3and. 23 : 8). De Esseners namen onsterfelijkheid aan, doch geene opstanding.
') Min. Felix (1ste helft der 3de oeuw), Octavius Cap. 34 : Nee ignoi'o plerosque conscientia meritoram, nihil se esse post mortem, magis optare quam credere.
-) F. Fabri in Herzogs Real-Enc. IX. S. 152 ff. u. d. Art. Materialismus. Vergel. Eerste üjofdstuh van dit Leesboek § 19.
Hoe Lucretius, Epicursus volgende, de onsterfelijkheid dei-ziel bestrijdt, toont Dr. ,/. Woltjer, Lucretii Philosophia. Gron. 1877. p. 71 sqq. Do ziel vervliegt ceu fumus in alias aeris auras.
Giavemoijer, Gcrof. Gel. loer. UI. 38
593
§ 2. ONSTERFELIJKHEID DER ZIEL,
Het stelsel der ontkenning is gedurig vernieuwd. Het is voortbrengsel van het verstand des vleesches en welkom bij den dienst der zinnen. In de 18de eeuw trad het Materialisme stelselmatig ontwikkeld op in Engeland (grondlegger John Locke f 1704) en in Frankrijk (Encyclo-paedisten. Het verst gingen de geneesheer La Mettne f 1751 en Baron t 1789 : Alles stof), üe moderne
Philosophie, de grondbeginselen van Hegel volgende, voltooide, met behulp der Natuurkunde, het gebouw des ongoloofs (bijzonder door J. Moleschott).
594
De ziel des menschen is onsterfelijk. God kon haar wel vernietigen als Hij wilde, maar God heeft eene eeuwige ordinantie gesteld, dat Hij het niet doen zal: zij kan door geen schepsel vernietigd worden, zij kan ook met door een 'inwendig beginsel van zelfvergaan: want zij is een geest. Zoo is zij dan eeuwig. Dien indruk heeft de mensch onuitwisschelijk in zich zeiven. Dit zegt God uitdrukkelijk en onwedersprekelijk in zijn Woord, zoo van de zielen der godzaligen als van de zielen der goddeloozen. Aldus kort en goed onze Bralcel ')â¢
.) Rod. Godsd. I. Cap. X. 21. Thans hoorfc mou ook van theologen andere taal, waarover zich met reden beklaagt Dr. O. II. Lamers, Nieuwe Bijdragen. Vde Deel. 0e stuk. 18. . Do Christelijke Zedeleer on/., pag. 61, waar hij zegt: Het schijnt mij een zeer veeg teehen voor de theologie van sommigen ook m ons vaderland - dat zij in hun stelsel geen plaats meer hebben voor het vast geloof aan da onsterfelijkheid. Ik wensehte wel dat men ophield ten minste in den kring der theologen te luisteren naar stemmen als van Büchner: .Ein Zustand cwigor, durch mchts aetvUbter Seligkcit und ewiger Anbetung Gottes, wie ihn dei from me christliche Glaube verlangt oder annimmt, ware fiir oin fühlendcs und denkendes Wesen kaum für einige Wochen,
§ 2, ONSTERFELIJKHEID DER ZIELEN.
God kon, wanneer Hij wilde, de ziel des menschen vernietigen, evenals Mij de dierenzielen doet ophouden te bestaan. De ziel des menschen heeft geene van haren Schepper onafhankelijke onsterfelijkheid. Zij is doordat Hij haar heeft doen zijn; zij blijft door dat Hij haar doet blijven. God is het die alleen onsterfelijkheid heeft, 1 Tim. 6 : 1G. Hij alleen is van zich zeiven, naar zijne natuur, naar zijn Wezen onsterfelijk; de zielen der menschen en ook de hoogere geesten, de Engelen zijn het door zijne kracht en onderhouding'). Onttrok Hij deze, zielen en Engelen zouden oogenblikkelijk in niet verdwijnen. Want in Hem leven wij en hen: eg en we ons en zijn wij, Hand. 17 : 28. De ziel, die inderdaad onsterfelijk is, is dat niet door haren aard, maar door Gods wil en werking; uit haren aard is zij, wyl geschapen, vergankelijk. Dat hebben de oudste Kerkleeraren tegen do philosopheerende Heidenen met nadruk geleerd ^).
goscliwoigo donn für oino Evvigkoit zu ortragon.quot; Of ook : »Küin Boitrag zum Lobcn tier Mouschhoit, mag or an sich noch so grosz odor noch so kloiu soin, kanu wieder verloren gehen, und dieses ist dio wahre Unsterblichkeit, im Vergleich mit wolcher die von so vielen getriiuinto individuello Portdauer als oin nichtiges Spiel der Phantasie erscheint.quot;
') Vergel. Zevende, Hoofdstuk § 3. (Onderhouding).
') Zoo Justmus Martyr (f 165 n. C.), wiens denkbeelden mot instemming voorstelt en ontwikkelt Bildordijk, Van do Onsterflijkheid dor Ziel. In do Nieuwe Mongoliugeu Ie Deel, 2di) dr. p. 231 v.v. Van hetzelfde gevoelen is Calvyn, Commentar. in 1 Tim. G : JG. Schroder, Das ersto Bueh Mose, S. 35. Fr. Delitzsch, Bihl. Psychol. S. 404. Vergel, ook De Moor, Commentar. Pars. 11. 10G7. Nitzsch, System. S. 400.
Do rationcele Bewijzen voor da onsterfelijkheid der Ziel worden, onvoldoende bevonden, deels wijl zij uitgaan van twijfelachtige
595
§ 2. ONSTERFELIJKHEID DER ZIEL.
Intusschen men houdt aan: De ziel is onstoffelijk, is een geest, eenvoudig, onsamengesteld wezen. De dood is eene oplossing, ontbinding van het samengestelde. Wat onstoffelijk is, is onontbindbaar, omdat het onsamengesteld is. Derhalve is de ziel onsterfelijk.
Maar aldus bewijst men te veel. Want ging dit door, dan moest ook de ziel van het dier, van klein en groot, van bij zoowel als van olifant, onsterfelijk zijn. Alleen dit ligt er in waarheid in, dat voor de ziel aan geen soort van lichamelijken dood, aan geen vergaan door ontbinding
voorondorstollingon (protnissen), deols wijl zij het niot tot oen persooulijk, zelfbewust voortbestaan brengen.
De voornaamsto zijn: het metaphysische, nader ontologisch bewijs, uit do onstoffelijlihoid (immatelialitoit) der ziel; hot teleologische, uit don aanleg des menschen voor een hooger bestaan on uit de noodzakelijkheid van zijne ontwikkeling; in verband hiermede het theologische, uit Gods wijsheid, goedheid on reoht-vaardigheid; hut moreele, zedelijke (argumentum ethonomicum), uit do volstrekt gebiedende zedenwet on do ovenzoo onuitwlsch-bare begeerte naar loveusgeluk (vvollevon hier in conflict met wel-ziju); ondersteund door het historische bewijs (conseusus gontium), on het phantastischo kosmologische: verhuizing naar do sterren, tot al hooger volmaaktheid.
Do gangbare Bewijzen voor de onsterfelijkheid der ziel zijn bijzonder bovattelijk voorgesteld door Dr. K. G. Bretschneider, Handb. der Dogmatik 11. Bd. 3to Aufl. S. 369 ff. J. I. Boedes, Leer van God 1871. pag. 99 v.v. Van Oosterzee, Chiistl. Dogm. 2do dr. Isto Doel. p. 503 v.v. Beknopt Ilase, Hutter. rediv. § 129. 3te Aufl. S. 389 f. Voorts H. Ulrici, in Harzogs Real-Enc. XXI. S. 401 ff. u. d. Art. Unsterblichkeit. Onder anderen zegt deze S. 40G : Aus der Wissenschaft des menschhchen Leibes ergibt sioh, dasz die Seele nicht eine Mosze Funktion des Gehirns, sondern ein bcsonderes Centrum besonderer Kr af te and damit als ein eigenthiimliches, von Leiba unterschiedenes Wesen anzuschen ist.
596
§ 2. onsterfelijkheid der ziel.
gedacht kan worden, waardoor echter niet uitgesloten is dat zij op andere wijze konde vergaan en dat God Almachtig, waar Hij gesproken heeft: Daar zij' ook wederom kon spreken; Daar zij niet! Het onvatbaar zijn voor ontbinding sluit dus geene noodwendige voortduring in gt;)⢠Wanneer men alzoo ook alle materialistische voorstelling van de ziel verwerpt 1) en haar bestaan geenszins tot het lichaam beperkt of van het lichamelijke organisme afhankelijk doet zijn, dan kan men evenwel (ontologisch) uit haar wezen alleen niet eens hare voortduring, veelmin hare eigenlijke onsterfelijkheid, voortbestaan met zelfbewustheid en gevoel 3) voldingend bewijzen.
Maar wat onder al de rationeele gronden voor de
597
1
) Dr. Biedermann, Christl. Dogmatik § 966 maakt zelfs de aanmerking: Die Vorstellung von der Einfacuheit der Seele, ivie sie den Nerv des ontologischen Beweises für ihro UnsterhUchkcit au smacht, ist trotz der dabei hehaupteten und gemeinten Immate-kialitüt der Seele vielmahr in ihrem letzten Grund eine abstraat-sinnliche d. h. abstract-matekialistische Anschauung.
â¢') Denn unter Unsterblichkeit im geivühnlichen Sinne des Worts ivird ui Jcemeswegs jede beliebige Art und Form der Existent:, sondern uur diejenige Fortdaner der Seele verstanden, trelche ihre SelbststcindigJceit, Hire Indwiduahtat und den wesentlichen Inhalt Hires Bewusztseyns uud Selbstbewusztseyns umfaszt und bewahrt. Ginge also das indwiduelle Selbstbewusztseyn mit der Trennung der Seele von ihrem Leibe unrettbar zu Grunde [ivie der Vernunft-Fantheismus Hegel's lehrt), ware jede Wiederherstellung desselben umnöghch, so könnte von Unsterblichkeit nicht die liede scijn, und kern noch so allgemeines Wallen der allgemeinen Ver nun ft kann ihr dieselbe verbürgen. Utrici, Herzogs Keal-Ene. XXI. S. 404.
§ 2. ONSTERFELIJKHEID DER ZIEL.
onsterfelijkheid der ziel het meeste gewicht hoeft, is de persoonlijkheid des menschen, zooals vroeger to zijner plaats ') is herinnerd, waarnaar wij hier verwijzen.
Do Heilige Schrift geeft geen redekunstig bewijs voor de onsterfelijkheid der ziel, maar zij onderstelt haar als eeno onbetwistbare waarheid en zij betuigt haar ten krachtigste door alles wat zij, beide in hot Oude en in het Nieuwe Testament; leert van zaligheid en rampzaligheid hier en namaals.
Rationalisten hebben wel in het Oude 1 estament aanduidingen van het tegendeel willen vinden, bijzonder in den Prediker Salomo's (waarin volgens De Wette Scepticisme en Epicurisme, volgens anderen droef Stoïcisme geleerd wierd), maar met geheele miskenning van doel, samenhang en geest des Books. Zoo Pred. 3:19: â de uitnemendheid der menschen hoven de beesten is yeene: want allen zijn zij ijdelheid. Do gelijkheid is : dat beiden naar den lichame sterven, on wol door het ophouden van den ademtocht. Dat Salomo hierrnodo geenszins don mensch over 't geheel met de beesten gelijk wil stellen, blijkt reeds uit vs. 11 van ditzelfde Hoofdstuk : God heeft hem de eeuw in het hart gelegd 1). En zegt hij vs. 20 : Menschen
598
1
-) Over Prod. 3 : 11 zie Eerste Hoofdstuk 4. Treffend G. II. Von Schuiert, Lchrb. der Mouschou- und Seoleukunde. Erlang. 1838. S. 1 ; Wenn auch der Mensch gam naoh Wunsche von den (Jutcm der der Welt gesdltigt ist, wenn er Alles hat was sein Lab hegchrt, so hleibt doch immer noch ein Bedürfmsz in ihm, das durch Speise und Tranh und alle Vergnügungen des Leihes nicht (jestdll
§ 2. ONSTERFELIJKHEID DER ZIEL.
en beesten, zij tjaan allen naar écue plaats, zoo zijn de lichamen bedoeld en de plaats waar zij komen is de aarde, blijkens hetgeen volgt: zij zijn allen uil het stof en zij keeren allen weder tol het stof. Even als Ps. 104 : 29.
Al wat in Prediker schijnbaar tegen de onsterfelijkheid voorkomt, wordt in het rechte licht gesteld door de verklaring 12 : 7: Dat het stof wederom tot de aarde keert, als het cjeweest is, en de cjeest weder tot God keert die hem yeyeven heeft. Rationalistische uitleggers moenen dat dit wederkeeren tot God zal te kennen geven een (pantheïstisch) vervloeien der ziel '), geheel strijdig tegen hetgeen de Prediker zoo nadrukkelijk en scherp van het onderscheid der rechtvaardigen en dor boozen en van het gerichte Gods leert, met welks aankondiging hot Boek plechtig sluit (vs. 14 2).
wird. Dieses Bedürfmsz tst jenes, das seine Seele nach einem Etwas hat, welches mit ihr von verwandter Art, ihr angehörig ist. Deun wie das Auge eines im Dunlceln sitzenden Mensehen mit all der Nahrung, die seinen Munde, mit der Ruhe, die seinen Gliedern geboten wird, noch nich befriedigt ist, sondern über das Alles doch immerhin nach dem Lichte verlangt, für das es gemacht war: so verlangt die Seele, die van ewiger Natur ist, nach einem Ewigen, an dem sic als an ihrem eigenthümlichan Element nnr allein ihre Beruhigung und Sattigung ünden kann.
) Zoo Ilitzig: Dasz diese zu individuelier Existenz losgetrennte Partikel des in der Welt ergossenen göttlichen Odemsvon Gott wieder au sieh gezogen werde, und so mit seinem Odem, der Welt seele, sich wieder vereinige.
-) Hengstenberg, Dor Prodigor Salomo ausgolegt. 1859, zu Tred. 3 : 19. 12 ; 7. Oehler iu Horzogs Kcal-Ene. XXI. S. 423. u. d. Art. Unsterblichkeit, Lehre des Alten Testaments. Dezelfde, Theologie dos A. T. I. § 78. S. 257, II. § 249. S. 321. Behoorlijke toelichting en staving der waarheid biedt ook P. Van Mastricht, Godgol. II. p. 85.
599
§ 2. ONSTERFELIJKHEID DER ZIEL.
Het voortleven der ziel na hare scheiding van het lichaam was ook den geloovige des Ouden Testaments ontwijfelbaar. Het lag reeds noodzakelijk in het Verbond des levenden Gods, een eeuwig Verbond, dat door den dood niet kon worden afgebroken. Sprak de Heer tot Mozes Exod. 3 ; G : Ik ben de God uws vaders, de God Abrahams, de God Izaaks en de God JaA:o6s; zoo was dit meteen een getuigenis, dat Abraham, Izaiik en Jakob, schoon zij naar don lichame lang gestorven waren, toch leefden : want God is niet een God van dooden maar van levenden, gelijk Christus verklaart Matth. 22 : 32. Lichamelijk leefden zij niet meer, derhalve naar hunne ziel.
Die in Christus gelooft, heeft het eeuwige leven en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven (Joh. 5 : 24). Hij blijft voortleven, al sterft hij (Joh. 11 : 25), Zalig zijn de dooden die in den Heere sterven, van nu aan, zoo haast zij sterven (Openb, 14 : 13). Van het vleesch ontbonden, zijn zij met Christus (Fil. 1 : 23). De Christen gelooft en belijdt dat zijne ziel na dit leven va7i stonden aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden (Heidelb. Catech. Vr. 57).
Dat de ziel onsterfelijk is, heeft de Heiland, de getrouwe Getuige , nadrukkelijk uitgesproken Matth. 10 : 28 : Vreest u niet voor degenen die het lichaam dooden, en de ziel niet kunnen dooden ; maar vreest veel meer Hem die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel, (die, nadat Hij gedood heeft, [ook] macht heeft in de hel te werpen, Luc. 12 : 5 '); eerst de ziel, die dus bestaan blijft, na de opstanding ook het lichaam.
') Ziu hierover Zesde Hoofdstuk § 19. Vorgcl. Nitzsch, System. § 219. S. 401.
coo
§ 3. DE AFLIJVIGE ZIEL. 601
En dat de ziel, van het lichaam gescheiden, bewustheid en gevoel heeft, leert de Heere Jezus overtuigend in het tafereel van den rijken man in de hel. Sterker kon hij het voortbestaan der dooden in hunne persoonlijkheid niet betuigen, dan Juist hierdoor dat Hij dezen man na zijn sterven zoo doet voorkomen als hadde hij zijn lichaam nog. Deze doode ziet, hoort, spreekt. Hij heeft bewustheid van zichzelven, hij zegt Ik, en bewustheid van hetgeen hij op de wereld heeft achtergelaten, hem heugt zijn gansche leven, hij denkt terug aan zijns vaders huis en aan de vijf broeders die nog leefden (Luc. 16 : 27, 28) ; hij lijdt smarten, hij voelt de pijn, hij, dat is dezelfde persoon die op aarde vroolijk en prachtig had geleefd, evenals de zalige in Abrahams schoot dezelfde Lazarus is, die arm en lijdende voor de poort des rijken had gelegen.
§ 3. De aflijvige ziel.
De mensch sterft naar het lichaam (§ 1), hij blijft leven naar de ziel (§ 2), die het lichaam verlaat. De ziel, dat is hij zelf, de persoon. De Schrift noemt de gestorvenen zoowel zielen als geesten. Openb. 6 : 9 rfe zielen {xi ipvX1*') dergenen die gedood waren ; 20 : 4; de zielen dergenen die onthoofd waren. Hebr. 12 : 23: de geesten (TTi/fü/cwme) der volmaakte, rechtvaardigen; 1 Petr. 3:19: de geesten die in de gevangenis zijn. Van sterven wordt zoowel gezegd: hunne ïiel gaat uit Gen. 35 : 18,
als hun geest (rTH) gaat uit Ps. 146 : 4. Dit uitgaan des geestes geschiedt met den laatsten ademtocht, in het oogenblik door God bestemd. Er is geen mensch, die
§ 3. DE AFLIJVIGE ZIEL.
heerschappij heeft over den geest, om den geest in te houden, hij heeft geene heerschappij over den dag des doods, Pred. 8:8.
En wat volgt op het sterven ? Do stervenden verschijnen voor hunnen Rechter en een ieder komt naar zijne eigen plaats. Wanneer de zilveren koord (de levensdraad) wordt ontketend en de gulden schaal (de aan de koord hangende lamp) in stukken gestooten en de kruik aan de springader gebroken en het rad aan den bornput in stukken gestooten, wanneer het levenslicht wordt uitgebluscht en ademhaling en bloedsomloop ophouden ') : dan is hot, Dat het stof
') Dit is ongetwijfeld do zin der beelden in hot algemeen, hoezeer men in do opvatting der bijzouderhoden vorscbilt. Naar onze Staton-Overzotters is a. do zilveren, koord hot merg in de rnggestrong, wit als zilver; b. do gulden schaal hot dunne, goadvorwigo huifken, volleken, waar de hersenen in liggen ;
c. do kruik aan de springader do voornaamste bloedader aan do lever; d. hot rad aan den bornput do long, die door hare gedurige beweging den adem nu van zich stoot eu dan wederom tot zich trekt, gelijk hot rad (de zwengel of wip) aan oenon waterput nu don emmer tot zich optrekt, dan van zich in den put noderlaat.
Anderen anders. Hengstenberg, Dor Prodigor Salomo 1859; a. De levensdraad, die CoutinuiUit des Daseijns. b. Het leven op zich zelf, als grond en stofio voor do bijzondere levonsvertoonin-gen, edol als goud wegens zijne gaven en bestemming, c. De kruik (emmer) het individuiiele loven, de springader het algemeene, waaruit alle individu's ontnomen wat tot hun bestaan noodig is.
d. Do bornput de wereld, hot rad do snollo beweging des levens. Dus hot leven onder vier zinnebeelden voorgesteld.
Detitzsch, liibl. Psychologie S. 228 f.: a. De levensdraad, of nauwkeuriger do ziol, die het lichaam als lovend houdt en draagt, waaraan het leven des liehaams hangt. b. Hot lichaam, c. De kruik (emmer) het hart. d. Kad aan den bornput de adem-halingstvorktuigen.
602
§ 3. DE AFLIJVIGE ZIEL.
wederom tot de aarde leeere als het geweest is, en de geest weder tot God keere '), die hem yegeven heefi2). Pred. 12 : 6, 7.
Do geest is de redelijke ziel der menschen. De ziel moet na hare scheiding van het lichaam voor Hem verschijnen van wien zij haren oorsprong heeft; namelijk om van Hem, haren Schepper, Wetgever en Rechter haar vonnis te ontvangen. Dat het zoo moet verstaan worden, blijkt uit den samenhang en de strekking van geheel dit 12de Hoofdstuk. Deze verwijzing naar do rekenschap voor God dient immers om klem te geven aan de vermaning vs. 1 : Gedenk aan uwen Schepper in de dagen uwer jongelingschap; ovenals het slot vs. 13 en 14; Vrees God en houd zijne geboden: want dit [betaamt] alle menschen. Want God zal ieder werk- in het gericht brengen, met al wat verborgen is, hetzij goed of hetzij kwaad.
Zoo algemeen deze uitspraak is dat de goest des menschen weder tot God keert, zoo groot is het onderscheid, hoe men voor Hem verschijnt of als een dienaar der ijdele wereld dan wel als een bekeerde, die de ware wijsheid heeft gezocht en in de vreeze des Heeren heeft geleefd ; en wat die God voor ons is, of een vertoornd Rechter
') Zondor grond beroepen zich mede hierop do voorstanders van do pracoxistentic (hot vooibestaan) der zielou (tegen Gen. 1 on 2), die in waarheid geono andere is dan in het raadsbesluit Gods (I's. 139 ; 1G. Jerom. 1 : 5). Vergel. Delitzsah, Bibl. Psychol. S. 36 t'. Von Schubert, Lehrb. der Mouschcn- nnd Soelenkunde § Si'. S. 159 11. Witsius, Ooconoiuia. Lib. III. Cap. XIV. 15.
'â¢!) Dit is stellig tegen het traducianismo ou vóór hot creati-aniaLiio. Vergel. Zesde Hoofdstuk § 21.
603
§ 3. DE At'UJVIGE ZIEL.
of van Rechter onze vriend en Vader door genade geworden.
Een ieder komt naar zijn eigen plaats, zooals van Judas gezegd wordt Hand. 1 : 25 : dat hij henen ging in zijne eigene plaats, dat is die plaats waar hij naar zijne geaardheid en handelwijs heen behoorde, de plaats der straf, de hel, die volgens Gods rechtvaardig oordeel den mis-dadigen dienaar van den vorst der duisternis toekwam '). Hij ging heen, hij zelf, dat is zijne ziel, want zijn lichaam kwam in Akeldama liggen.
De ziel gaat bij het sterven uit het lichaam, zij wordt in een oogenblik verplaatst. In den aangehaalden tekst Pred. 12 : 7 wordt het wederkeeren des geestes tot God gesteld tegen het keeren des lichaams tot de aarde ; dus niet slechts eene verandering van staat, maar mede van plaats 2). Brengt men in: Is de ziel een geest, hoe kan zij uitgaan ? dan dient herinnerd : het is een eindige geest, altijd, gelijk ook de Engelen, te eeniger plaats, en; schoon men niet zeggen kan dat zij bij 't sterven des menschen door eenig gedeelte van het lichaam uitgaat, met eene beweging als ware zij iets stoffelijks, zoo blijft bij al het onbegrijpelijke dit toch als onomstootelijke en erkenbare waarheid staan: de ziel is eerst in het lichaam, als haar
') Dat dit do zin is van TTopsuêijmt sh tov tottov rov 'fèiov lijdt geen twijfel en wordt ook door Meyer i. 1. erkend. De andere opvattingen, b.v. dat de plaats zou zijn de akker waar Judas omkwam en begraven werd (Hand. 1 ; 18, 19), zijn willekeurig. Een ms. heeft zelfs lizxtov in stede van 'fèiov; misschien verklarender wijzo, naar de beteekenis van dat woord; »wat iemand van rechtswege toekomt.quot;
2) Fr. Ridderus. Schriftuurlijk Licht. III. Deel. p. 98.
604
§ 3. DE AFLIJVIGE ZIEL.
605
woonhuis en werktuig, daarna, wanneer dit door verval of door geweld voor haar ongeschikt en onbruikbaar wordt en sterft, of in 't gemeen wanneer God haar oproept, verlaat zij het, en dan is zij buiten het lichaam.
Naar de leer van Joodsche Rabbijnen zou de ziel nog een tijdlang, en wel twaalf maanden met het lijk en daardoor met hef aardsche in eenig verband blijven, en hier omwaren. Vele Christelijke geleerden zijn van dat rabbijnsch gevoelen niet afkeerig en achten het niet onwaarschijnlijk, dat de ziel na den dood niet aanstonds geheel van het lichaam gescheiden zij '). Inzonderheid zou dit het geval zijn geweest met die gestorvenen, die wonderbaar werden opgewekt, hetwelk, met uitzondering van Lazarus, kort na hunnen dood geschiedde. Zoo de opwekking van den zoon der weduwe te Zarfath 1 Kon. 17 : 21 v.v. en van het kind der Sunamietische 2 Kon. 5 : 34 v. Zelfs meent men dat dit tot verklaring dient van het zeldzame wonder 2 Kon, 13 : 21 vermeld. Zoo ook de opwekkingen in het Nieuwe Testament, van het dochterken van Jaïrus Matth. 9 ; 23 vv., van den jongeling te Naïn Luc. 7, van Tabitha Hand. 9 : 40. Alleen Lazarus was vier dagen in het graf geweest, Joh. 11 : 17.
2) Delilzsch Bibl. Psychol. 2te Aufl. S. 44 tf. Fronmüller, iu Horzogs lioal-Enc. XVI. S. 186 u. d. Art. Tod. Odder, in Herzogs lioal-Enc. XXI. S. 412 u. d. Art. Unsterblichkeit, Lehre des A. Testaments, Olshausen, Commontar zu Luc. 7 : 11. I. S. 270. Ook Van Oosterzee, Levon van Jezus, Tweodo Doel 1848. pag. 319. â Daarentegou getrouwer aan de Heilige Schrift on niet gering te achten is D. Koenraat Mei, Bazuinen der Eeuwigheid. Eerste Deel, 2de dr. 1731. p. 302â314, waar hij al do doodonopwekkingen, in do Schrift vormold, behandelt.
§ 3. DE AFLIJVIGE ZIEL,
Wij dienen hierbij iets op te merken. Vooreerst, zij die opgewekt werden waren werkelijk gestorven. Eene gezonde en onpartijdige uitlegging kan dit bij ieder van de vermelde voorvallen staven. En op zich zelf is dit aannemelijker dan dat de zielen dergonen, die opgewekt waren, nog in liare lichamen zijn geweest, doch in eenen staat van rust en werkeloosheid. Want wat voor een wonderwerk zou dat geweest zijn, zielen weer op te wakkoren die nog in het lichaam waren ? dan was het althans geen opwekking van dooden.
Ten tweede. Zij die opgewekt werden waren zeker begenadigden. Want het is niet te denken, dat de Heere aan goddeloozen, aan voorwerpen zijns toorns deze proef van zijne almacht hoeft willen bewijzen. Aflijvig waren zij dan zalig bij God. Maar hoe voorts? Uit do zaligheid wederom teruggebracht naar dit tranendal ? Moest het hun hier nu niet ondragelijk zijn ? Zoomin als hot den Apostel Paulus hier ondragelijk was, nadat hij, 't zij in of buiten hot lichaam, opgetrokken was geweest tot in den derden hemel (2 Kor. 12 : 2 v.v.), waarvan hem eene levendige herinnering en een machtige indruk bijbleef. Bovendien, uit deze zielen kan bij haren terugkeer in het lichaam de herinnering door Gods werking zijn weggenomen; vandaar dan ook wel het zwijgen dor opgewekton over het ondervondene.
Dit is althans aannemelijker dan de stelling, ook door sommige Gereformeerden voorgestaan, dat de zielen der-genen, die opgewekt werden, gedurende hare scheiding van het lichaam zouden geweest zijn niet in de hel doch ook niet in den hemel, maar in eene bijzondere, buitengewone plaats, door God voor deze gevallen afzonderlijk
GOG
§ 4. GEEN ONBEPAALDE TUSSGHENTIJD.
beschikt ') ; waarbij men echter niet nalaat aan te merken, dat men hieruit geenszins mag opmaken (op zijn Roomsch) het bestaan van eene derde gewone plaats voor éénmaal stervenden, behalve hemel en hel, daar alleen bedoeld is een buitengewoon verblijf van de zielen dergenen, die door een wonder zijn opgewekt en wel bepaaldelijk slechts voor den korten tasschentijd van hunnen dood tot hunne herleving.
§ 4. Geen onbepaalde tusschenstaat.
1. Hetgeen aangaande den staat der zielen na den dood door menschelijke wijsheid buiten en boven Gods Woord is uitgedacht, mist allen grond van zekerheid. Zoo inzonderheid het denkbeeld van een onbesliston, veranderlijken middelstand tot den jongsten dag toe. Onze Kerk houdt zich in hare leer getrouw, bescheiden en eerbiedig aan de Heilige Schrift. En naar de Schrift geschiedt de beslissing van elks lot aanstonds met het sterven, of zalig of rampzalig.
607
De zielen der begenadigden, dat is V.ij zeiven, worden opgenomen in den hemel, in de plaats en den staat der zaligheid. De zielen der goddeloozen, zij zeiven, de personen, komen naar het rechtvaardig oordeel Gods in een
§ 4. GEEN ONBEPAALDE TUSSCIIENSTAAT.
608
andere verblijfplaats en een anderen staat, in tie hel, de plaats en staat van rampzaligheid.
En wel aanstonds, onmiddellijk na de scheiding van het lichaam. Dat leert ons de Heere Jezus nadrukkelijk door het voorbeeld van den rijken man en den armen Lazarus, Luc. 16 : 22, 23. Lazarus sterft en wordt door de Engelen gedragen in den schoot Abrahams; de rijke sterft en slaat zijne oogen op in de hel. Wel moet in geheel dit voorstel niet alles eigenlijk worden verstaan, âwant de ziel, een geestelijk wezen zijnde, heeft noch oog noch tong noch vingerquot; (Kantteek. â¢). Maar er kan van gestorvenen niet anders worden gesproken dan met uitdrukkingen en beelden van het leven in 't lichaam ontleend. Ook van de Engelen, die geesten zijn, spreken wij met de Schrift als van bezintuigde wezens, ja van God zeiven wordt gezegd dat Hij ziet, hoort, spreekt, en dit is waar en wezenlijk en bij Hem volmaakt, ofschoon wij niet begrijpen, hoe en op wat wijze2). Te meer kunnen er aan de gestorven menschen, ook zoolang de zielen van hare lichamen zijn afgescheiden, zintuigelijke werkingen en gewaarwordingen worden toegeschreven, wijl het haar zeiven misschien zoo is als hadden zij het lichaam nog»),en welzij het wederomslaan te ontvangen in de opstanding. Het gesprek tusschen den man in de
') Dit wordt ook toogestemd door Calvyn, Commentar. iu Luc. 46 : 23, ofschoon hij met sommige Kerkvaders oordoult, dat Jezus een werkelijk voorval verhaalt. Quamquam quibusdam simplex videtur esse parabola, quia tameu Lazari nomen exprimitur, potius rem gestam narrari arbitror (ad v. 19). a) Vergel. Derde Hoofdstuk § 4. Menschvormigheid Gods. ;') Vergel. dit Eenentwintigste Hoofdstuk § 2.
4. GEEN ONBEPAALDE TUSSGHENSTAAT.
hel en Abraham in den hemel is vanzelf eene verbeelde redeneering, dienende, om ons den aard en staat en de gevoelens van beiden onderscheidenlijk te doen kennen.
Maar dit blijkt ten klaarste: Lazarus, hij zelf, zijn persoon is na zijnen dood aanstonds in de hemelsche plaats van rust, vreugde en zaligheid en wordt door zynen God verzadigd met het goede van zijn huis, met het heilige van zijn paleis. En de rijke wereldling is na zijn sterven dadelijk in de hel, en aan de pijn, den angst, de benauwing, de brandende en folterende smart die hij voelt, en aan al dat akelige wat hij daar ontwaart, wordt hij, als uit eenen droom ontwaakt, met verschrikking gewaar, in wat plaats hij zich bevindt. Hij is tot bezinning gekomen, helaas te laat.
Evenzoo duidelijk wordt hier door Christus betuigd de overanderlijkheid van den staat der dooden. Uit den hemel is geen verstooting te vreezen, uit de hel geene bevrijding ooit te hopen, een overgang van de eene plaats tot de andere is onmogelijk : er is tusschen beiden eene groote klove gevestigd (Luc. 16 : 26).
De Apostel Paulus laat Fil. 1 : 23 op ontbonden te worden, op het opbreken van hier, dadelijk volgen met Christus ie zijn, onmiddellijk, zonder eenigen tusschen-stand. Dit doet den geloovige den schrik des doods overwinnen.
Openb. 14 : 13 hoort Johannes eene stem uit den hemel, die tot hem zegt: Schrijf: Zalig zijn de dooden (dat is : Zalig zyn na hunnen dood), die in den Heere sterven (niet: om des Heeren wil, als gold dit alleen de martelaren; maar in den Heere, allen die door het geloove in den Heere Jezus zijn ingelijfd), van nu aan (eene tegen-
Gravemoijer, Gorof. Gol. loer. lil. 39
609
610 § 4. GEEN ONBEPAALDE TUSSCHENSTAAT.
stelling niet tegen de vroegere bedeeling alsof toen geloovigen na hunnen dood niet zalig waren, maar togen eene verwijderde toekomst, de openbaring van het rijk der heerlijkheid: niet dan eerst zalig, maar aanstonds, onmiddellijk na het verscheiden). Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hunnen arbeid en hunne werken volgen met hen (hunne werken in God gedaan, in den dienst dos Heeren, gaan hun wel niet voorop, openen voor hen niet den toegang tot de zaligheid, maar blijven ook niet achter als waren zij niet geschied (Hebr. 6 : 10): zij volgen mede, dat duidt hunne genadige belooning aan, dadelijk na den dood, en niet eerst na den jongsten dag).
De gedachte van een onbepaalden tusschenstaat wordt ook ten eenenmale afgesneden door het woord van Christus tot den bekeerden moordenaar. Deze zeide tot Jezus: Heere, gedenk mijner, als gij in uw Koninkrijk zult gekomen zijn. En Jezus zeide tot hem: Voorwaar zeg ik u, heden zult gij met mij in het paradijs zijn. Luc. 23 : 42, 43. Heden, op dienzelfden dag van het kruis naar het paradijs. De gekruisigden leefden soms langer ; maar hier moest de beenbreking tot vervulling van Christus' belofte dienen. Tot zoolang moest de begenadigde kwaaddoener lijden, hetwelk Hij na den ontvangen zieletroost ook kon dragen. Maar dan dadelijk naar het paradijs, waar Christus' geest heenging, dus niet naar een vagevuur, ook niet om bewusteloos te slapen, maar om de zaligheid te genieten in het oord der zaligheid.
Bet paradijs is geen staat maar eene plaats. Het wordt rationalistisch tot een bloote idee gemaakt, wanneer men zegt: âOveral waar men met den Heere is, waar de zalige gemeenschap des menschen met God tot stand is gekomen
§ 4. GEEN ONBEPAALDE TUSSCIIENSTAAT.
en ondervonden wordt, daar is het paradijs.quot; Doch wel dient behartigd wat Calvyn quot;) aanmerkt: Over de plaats van het paradijs moet men niet nieuwsgierig en spitsvondig redetwisten ; ons zij genoeg, dat allen die door het geloof ingeplant zijn in het lichaam van Christus, zijns levens deelachtig zijn, en derhalve na hunnen dood de zalige en heuglijke rust genieten, totdat de volmaakte heerlijkheid des hemelschen levens volledig geopenbaard wordt bij de toekomst van Christus.
Calvijn herinnert wel nadrukkelijk; dat dit geen grond is voor scheuring tusschen anders rechtzinnige Kerken, wanneer de eene zonder twistlust, zonder stijfzinnigheid gelooft, dal de zielen uit de lichamen verhuizende terstond naar den hemel toevliegen (in coelum convolare), de andere echter niets waagt te bepalen omtrent de plaats, overigens nochtans vaststelt dat zij den Heere leven 2).
611
Over dit gezegde van Calvyn is verschillend geoordeeld. Intusschen men moet er bij nemen wat hij elders zegt: Indien de zielen, van de lichamen ontdaan, haar ivezen niet behielden en niet vatbaar waren voor de zalige heerlijkheid, dan hadde Christus tot den bekeerden moordenaar niet gezegd: lieden zult gij met mij in het paradijs zijn (Luc. 23 : 43). Aangaande de volkomene heerlijkmaking, ook naar het lichaam, verwijst ons de Schrift tot de wederkomst van Christus. In den staat der aflijvige zielen tot daartoe verder te willen indringen is noch oorbaar noch
') Commontar. in Luc. 23 : 43. Instit. III : 25. 6. -) CulvM. Instit. IV. 1. 12. Fr. Spanhemius, Controversiar. Eluuchus 169-1. p. 232. De Moor, Coaimcntar. iu Marck. Pars VI. p. 603. 605. 626. 653.
612 § 4. GEEN ONBEPAALDE TUSSCHENSTAAT.
nuttig. Laat ons tevreden zijn met de perhen van Godswege ons gesteld, en gelooven, dat de zielen der vromen, na volstreden strijd, in de zalige ruste gaan, waar zij gelukkig en blij de genieting der beloofde, volmaakte heerlijkheid verwachten, terwijl de verworpenen evenals de duivelen (Jud. 6) met eeuwige banden der duisternis bewaard worden tot het oordeel des grooten dags â¢).
De Christen heeft hieraan genoeg, dat hij getroost mag zeggen met den Heidelb. Catechismus Vr. 57 : Ik geloof, dat mijne ziel na dit leven van stonden aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden 1).
2. Naar de leer der lioomsche Kerk gaan de zielen der ongeloovigen en goddeloozen naar de hel; de geloovigen, die volkomen heilig en zonder eenige onvoldane schuld sterven, aanstonds naar den hemel, daarentegen die geloovigen, die nog tijdelijke straffen voor hunne rekening hebben, naar eene bijzondere doorgangsplaats, waar zij hunne achterstallige schuld moeten afdoen, eer zij tot den hemel worden toegelaten, dat is het Vagevuur, in nabijheid van de hel.
a. In het Vagevuur komen alleen geloovigen, leden der (Roomsche) Kerk, âdie in de gratie Gods sterven,quot; die kwijtschelding hebben van de eeuwige straf, maar nog tijdelijke straffen schuldig zijn, zoo voor hunne dood-
1
) Confess. Holvot. II. Cap. XXVI: Gredimus fidelos rocta a morte corporoa migraro ad Christum. â â Crodimns itom iu-fidelos rectü. praocipitari in tartara.
§ 4. GEEN ONBEPAALDE TUSSCHENSTAAT. 613
zonden als voor de vergefelijke zonden '). Want aangaande de doodzonden is de eeuwige straf wel door Christus voldaan en hun in het Sacrament der Boete (Penitentie) vergeven, maar daarbij zijn hun ook tijdelijke straffen en boetedoeningen door den priester opgelegd ; en op de vergeeflijke, dagelijksche zonden staat alleen tijdelijke straf. Wie daarmede niet in 't reine is gekomen gedurende zijn aardsche leven, die heeft in het reinigingsoord daarvoor te boeten en moet er voor lijden, totdat de laatste penning betaald is. Deze toestand is dus een eigenlijke middelstand tusschen hemel en hel, eene hel rnet uitzicht op den hemel.
Van het vuur hoeft de Roomsche Kerk niets vastgesteld. Doch naar het gemeen gevoelen harer vroegere theologen is het een werkelijk vuur, evenals in de hel 1). Het pijnigt en reinigt de zielen. Wanneer zij gereinigd zijn, worden zij naar den hemel overgebracht, in welken niets inkomt wat onrein is ; op zijn uiterst en in allen gevalle bij de opstanding der dooden. Na het laatste oordeel zullen er maar twee plaatsen zijn, hemel en hel.
1
) Winer, Compar. Darstoll. 1882. S. 218. Beliarmin., De Purgatorio II. 10. 4 zegt: Cortum est, in Purgatorio, sicut etiam in inferno, esso poenam ignis, sivo iste ignis accipiatur proprio sivo metaphorice. Doch Cap. 11 verklaart hij : Communis sentontia tboologorum est, verum et proprium osse ignem ojusdem speciei cum nostro olementari. De nieuwere Eooraschon, als Möhler, vatton het vuur geestelijk, zinnebeeldig. Ook de Kardinaal Wiseman spreekt van do pijniging in do mildste termen. Ch. Hodge, Systematic Theol. III. p. 751.
G14 § 4. GEEN ONBEPAALDE TUSSCHENSTAAT.
Intusschen kan de Kerk de lijdende zielen in liet Vagevuur te hulpe komen cn haar verzachting, verkorting of zelfs verlossing van hare smarten verschaffen lt;). En wel vooral door het Misoffer, hetwelk voor levenden en dooden dient en waardoor het lijden van Christus ook tot vermindering of bevrijding van deze, na de ontvangene zondenvergeving overgebleven tijdelijke straf wordt toegeëigend. Voorts door den Aflaat, daar de Kerk uit den schat der overtollige verdiensten van Christus en de heiligen ook de dooden kan bedoelen, terwijl de nagelaten verwanten en vrienden kunnen behulpzaam zijn om de vrijlating te verwerven, door gebeden, aalmoezen, giften aan de Kerk en andere goede werken, maar inzonderheid door voor hunne dooden tegen betaling gedurig zielmissen te laten houden.
b. Deze leer is, nadat reeds door Augustinus hel aloude denkbeeld van een reinigend vuur tot de aflijvige zielen
') Kling, in Horzogs Ileal-Enc. IV. S. 346. u. d. Art. Feg-feucr. l)r. Auq. Halm, Das Bekeuntn. dor evansel. Kircho. 1853. S. 145.
Do zielüu der goloovigen iu het Vagovuur ontvangen verlichting door do hulpbetooningen der geloovigen op aarde (fidelium sulïragüs), allermeest echter door het aangename offer des altaars (acceptabili altaris sacrificio). En da bisschoppen moeten zorg dragen, dat de hulpbetooningen der levende geloovigen, namelijk de
misoffers, gebeden, aalmoezen en andere werken der godsvrucht--
naar de verordeningen der Kerk vromelijk en aandachtig worden verricht, en dat datgene wat hun daarvoor naar testament of anderzins toekomt (quae pro illis ex testatorum fandationibus vel alia rationo debeutur), niet lichtvaardig (porfunctorie), maar door de priesters en dienaren der Kerk en anderen die daartoe verplicht zijn, zorgvuldig en nauwkeurig worde voldaan. Tridentin. Sess. XXV. Docretum de Purgatorio.
§ 4. GEEN ONBEPAALDE TtSSCHENSTAAT.
was overgebracht, vollediger ontwikkeld en met kracht voorgestaan en verspreid door den Roomschen bisschop Gregorius den Groote (f 604). Deze wordt bij Protestanten de «uitvinder van het Vagevuurquot; genoemd. En met reden : reeds hierom, wijl hij nadrukkelijk met het denkbeeld van bevrijding uit het vagevuur door voorbidding, offeranden en goede werken der levenden optrad en ijverig daarvoor uitkwam').
Op de Kerkvergadering te Florence 1439 werd dit leerstuk nader omschreven en als geloofsartikel openlijk erkend en vastgesteld ') en daarna door de Synode te Trente 1563 opnieuw bevestigd 3),
De verhandelingen met de Grieken tot minnelijke schikking (kompromis), door de Synode te Florence beproefd, bleef zonder gevolg. De Grieksche Kerk verwerpt, gelijk de Protestantsche, dit reinigingsvuur geheel en al»).
De Roomschen, schoon zij hunne leer voldoende gestaafd achten door de kerkelijke overlevering en de besluiten der Kerkvergaderingen, beroepen zich toch ook op de Heilige Schrift.
') Hagtnhacli, Lohrb. der Dogmengcscb. § 141. S. 301. iVflan-der, Kirchengescb. Zweiter Band. 1830. S. 471. llltor Bd. 1834. S. 118.
Over do voorbidding voor do oden zie Achttiende Hoofdstuk § 7.
2) Dr. A. Halm a. W. S. 183.
3) Trident in. Soss. VI. Canon XXX wordt het anathema, de vloek uitgesproken over dien, die beweert, dat eeu begenadigde geene tijdelijke straf moer beeft af te dragen, hetzij in deze wereld of in de toekomende in het reinigingsoord (purgatorium, bet vagevuur), alvorens de toegang tot het hemelrijk zich kan openen. Voorts nader Soss, XXV: Decretnm do Purgatorio. Catech. Roman. Pars 1. Cap. VI. Qu. 3. P. II. Cap. IV. Qu. 67.
Winer, Compar. Darstell. S. 217. 219.
615
GIG § 4. GEEN ONBEPAALDE TÃSSGHENSTAAT.
Onder anderen op Matth. 5 : 25, 2G, waar Je7,us vermaant: Hebt gij niet iemand iets uitstaande, wegens eene schuld of anderszins, waarover hij u voor het gericht trekt, zoek zonder uitstel, terwijl gij nog met hem op den weg zijt, vrede met hem te krijgen, opdat de zaak niet voor den rechter kome die u zou veroordeelen en u in de gevangenis werpen. Heeft de rechter uitspraak gedaan, dan wordt het strenge recht gehandhaafd. Zijt gij eenmaal in de gevangenis. Voortvaar zeg ik u, gij zult daar geenszins uitkomen, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben. Christus maakt een gevolgtrekking van het mindere tot het meerdere. Is de tijdige verzoening en schikking met een mensch, met eenen rechthebbenden schuldeischer noodzakelijk, hoeveel te noodzakelijker de verzoening met God, wiens rechtvaardigheid voor ieders overtreding zijner geboden straf eischt en die zelf de Rechter is en de onverzoende schuldigen zal vonnissen en ter gevangenis verwijzen.
Naar Roomsche opvatting zou de gevangenis zijn het Vagevuur, waar de gebleven schuld geheel moet worden afbetaald. Maar de gevangenis is do hel (1 Petr. 3 : 19), en aan een afdragen der zondenschuld door den schuldige zelf is niet te denken. Totdat de laatste penning betaald is, geeft eenen termijn aan die nooit bereikt wordt, duidt niet de eindigheid maar juist de oneindigheid der straf aan, daar het betalen, het afdoen der zondenschuld onmogelijk is voor dengene, die in deze gevangenis is. Veelmin kunnen anderen, nog levenden, hem er uit verhelpen, gelijk de Roomschen stollen. De mensch is arm voor God en heeft geen eersten noch laatsten penning om te betalen. Door genade alleen, door kwijtschelding, door tijdige
§ 4. GEEN ONBEPAALDE TUSSCHENSTAAT. 617
verzoening met God, terwijl hij nog op den weg is, wordt hij van zijne schuld ontlast in de vastgestelde orde van bekeering en geloof.
Voorts brengen de Roomschen bij Matth. 12:32: Zoo tvie tegen den Heiligen Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende. Hieruit blijkt, zeggen zij, er is eene vergeving na dit leven (alleenlijk van deze ééne zonde nief); die in den hemel zijn hebben geen vergeving noodig, die in de hel zijn hebben er geene te wachten : dies raakt de vergeving in de toekomende eeuw de zielen in het vagevuur. Maar deze eeuw beleekent standvastig den tijd vóór de komst des Messias, de toekomende den lijd na zijne komst. Nu echter was Christus gekomen: Hem is dus deze eeuw de tijd voor zijne tweede komst, maar de toekomende eeuw beginnende met zijne wederkomst ten oordeel (vergel. Luc. 18 : 30). Alzoo : van de lastering tegen den Heiligen Geest geene vergeving, namelijk voor de menschen op aarde, in al den tijd der tegenwoordige bedeeling; en evenmin bij Christus komst ten oordeel, ook dan geen vrijspraak. Het zegt dus : nimmermeer, noch hier noch namaals in hel uiterste oordeel'), gelijk onze Staten-Overzetters te recht hebben verklaard (verg. Mare. 3 :129). Dus geen de minste steun voor het Roomsche vagevuur, te meer wijl dit niet voor Goddelijke vergeving, maar voor eigene aiboeting der zonden zal dienen.
Maar Paulus spreekt 1 Kor. 'i'ASva.nbehoiidemvorden als door vuur. Is dat niet het het vagevuur ? 1) Neen. De
1
) Augustinus leert dit nog niot bepaald, doch leidt er wol
618 § 4. GEEN ONBEPAALDE TUSSGHENSTAAT.
Apostel spreekt niet van allerlei menschen, maar van leeraren onder het zinnebeeld van bouwlieden, en wel van zulken, die op het goede, eenige fundament bouwen, hetwelk door God zeiven gelegd is, namelyk Christus, doch die verschillend daarop voortbouwen. Het fundament is onmisbaar, er wordt verondersteld dal daarover geen verschil bestaat. Maar op het fundament laat zich velerlei bouwen. Edele metalen; oudtijds overtoog men zuilen in sommige tempelen met goud en zilver ; en kostelijke steenen, als marmer, porfier, jaspis en dergelijke. Maar ook hout, hooi, stoppelen in leemwanden. Gene zijn vuurvast; deze kunnen de proef niet bestaan, zij verbranden bij uitbrekend vuur. Do bouwer, nog bezig met zgn huis, zal zelf wel ontkomen, doch alzoo als door vuur heen, namelijk met verlies van zijn werk, van zijne moeite en have, 't welk door het vuur wordt vernietigd.
Geheel dit voorstel van bouw en bouwstoffen is zinnebeeldig: derhalve is ook het vuur geen eigenlijk vuur.
toe heon, Enchiridion ad Laurentium Cap. LXIX. In Cap. LX VIII deukt hij bij 1 Kor. 3 : 12â15 voor het naast aan loutering door lijdou en verdrukking in dit leven, namelijk van die geloovigen die nog aan het aardsche verkleefd zijn en niet alles voor Christus over hebben. Maar dan zegt hij Cap. LXIX: Zulk eene loutering, namelijk van zoodanlgen, wier lovensgrond Christus is, kan ook wel na dit leven plaats hebben, ofschoon het niet zeker is (forsitan verum est, zegt hij De Civit. Dei. Lib. XXI. Cap. 26. ed. Tauchn. Tom. II. p. 363); alzoo dat sommige geloovigen, naar gelang zij meer of minder de verrjan-kelijke goederen hebben liefgehad, des te langzamer of schielijkar door «en zeker reinigend vuur heen tot do zaligheid komon (por ignem quemdam purgatorium salvari). Neander, Kirchengesch. liter Band. 3ter Abth. 1831. S. 944 f. A. Halm, a. W. S. 159.
§ 4. GEEN ONBEPAALDE TUSSCIHENSTAAT. 619
zooals liet Roomsch vagevuur, maar oneigenlijk'). Voorts het vuur der Roomschen dient tot zuivering der personen van hunne onvereffende schuld, en dat nog wel bij wijze van eigene genoegdoening, maar het vuur bij den Apostel tot beproeving, ontdekking, openbaring en uitwijzing van de deugdelijkheid of nietigheid huns werks. Verder, bij de Roomschen wordt de persoon gebrand en daardoor gezuiverd, maar bij den Apostel hier wordt het werk verbrand, doch de persoon behouden, wijl hij toch op het rechte fundament bouwde (vs. 12). Eindelijk moet men in het oog houden, waarom en waartoe de Apostel zoo spreekt. Het is op aanleiding en tot bezadiging der partijschappen te Korinthe. Hij verklaart tot aller waarschuwing: God zal eens onpartijdig oordeelen. En het vuur is het vuur van Gods gericht, hetwelk te zijner tijd al het onhoudbare bouwwerk wegbrandt en juist daardoor als zoodanig kenbaar maakt.
Het fundament is Christus. De bouwlieden zijn leeraren. Hetgene zij op dat fundament bouwen zijn de leeringen die zij op den grondslag âChristus onze zaligheidquot; vestigen, in verband met hetgeen deze leeringen bij do hoorders uitwerken. Goud, zilver, kostelijke steenen zijn edele, zuivere, stichtelijke leeringen, onveranderlijke waarheden. Hout, hooi stoppelen zijn niet kettersche leeringen, waardoor het fundament wordt verworpen en verguisd, maar afdwalingen van minder gewicht, vreemdsoortige stellingen,
1) De Moor, Commentar. in Marck. Pars VI. p. 636. Fr. Spanhem., Uontroversiavum Elcucbus 1694 p. 77. Calvin. Com-moutar. op 1 Kor. 3 : 15 : Si figura est in vocabulis stipulao, fooui, auvi, argonti, sicuti uecosso est coucedant: qualis erit mombvorum congruontia, si in Ignis nomine nihil orit figuratnm ?
§ 4. GEEN ONBEPAALDE ÃUSSCHENSTAAT.
toevoegsels van eigen wijsheid, die wel het fundament niet aantasten of omstooten en vervalschen (blijkens v, 12), maar niet stichten en slechts noodelooze en nuttelooze zwarigheden en moeiten baren ').
Het vuur van Gods oordeel zal dat werk verdoen, zal het als ijdel broddelwerk veroordeelen. Blijft de werker zelf behouden, wijl hij het fundament behield, hij zal gewaar worden] dat hij er verkeerd en vruchteloos op gearbeid hoeft; indien niet eer, zekerlijk en ten volle en in 't openbaar op'den grooten dag (vs. 13. 1 Kor. 4 : 5, Rom. 2 : 6).
Het is onnoodig nog andere schriftuurplaatsen na te gaan, die de Roomschen aanvoeren, te meer, daar zij hunne leer voornamelijk op de Overleveringen en de Kerkbesluiten gronden.
c. De Protestant verwerpt, met verontwaardiging de Roomsche leer en praktijk van Vagevuur, zielmis en aflaat.
Luther verklaarde: Hel vagevuur met al wat er aanhangt, met al zijn praal, Godsdienst en handel is een louter spook van den duivel. Want het strijdt ook tegen het hoof dart ikelfidat Christus alleen en niet menschenwerk de zielen vrijmaakt. Ook is het zeker, dat aangaande de doodeti ons niets van Godswege bevolen is. Daarom kan men dat alles wat de Roomschen voor de dooden doen) veilig nalaten, ook al ware er geheel geene dwaling en afgoderij in 1).
G20
1
) Luthcr (1537) iu do Artic. Smalcald. cd. Eochonb. p. 308.
§ 4. GEEN ONBEPAALDE TUSSGHENSTAAT.
Calvyn gaat de Roomsche bewijzen ontzenuwen en zijne scherpe critiek laat geene plaats voor hot vagevuur over ').
De Tweede Zwitschersche Belijdenis (156G) zegt Gc;p. XXVI: Hetgeen sommigen leeren van een reinigend vuur (de igne purgatorio) is strijdig tegen het christelijke geloof] hetwelk belijdt: Ik geloof vergeving der zonden en een eemvig leven, en tegen de volkomene reinigmaking door Christus, en tegen deze uitspraken van den lieere Christus Joh. 5 : 24: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, die mijn woord hoort, en gelooft Hem, die mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven. Desgelijks Joh. 13 : 10: Die gewasschen is (gebaad,' in het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Geestes Tit. 3:5; gerechtvaardigd en aanvankelijk geheiligd 1 Kor. 6 : 11), die heeft niet van noode dan de voeten te wasschen (zich te reinigen van het vuil dat zich in den wandel weer aanzet; door voortgezette, dagelijksche bekeering, 2 Kor, 7 : 1), maar is geheel rein (zijn persoon, door de rechtvaardiging; ook door de heiligmaking, in alle deelen, geest en ziel en lichaam 1 Thess. 5 : 23, doch niet volkomen in ieder deel).
De geloovige komt wel in een vagevuur, maar hier op aarde. Dat ware vagevuur is de hitte [der verdrukking], die geschiedt tot verzoeking, 1 Petr. 4 : 12. Want het is alzoo, dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods, Hand. 14 : 22.
621
d. Behalve hemel, hel en vagevuur, de plaatsen der
') Calvin. lustit. III. 5. 6 sqq. en ia zijuo Commentaron gedurig.
622 § 4. GEEN ONBEPAALDE TUSSCHENSTAAT.
zaligheid, der rampzaligheid en der reiniging nemen do Roomschen nog een bijzonder verblijf voor de kinderen aan, die, eer zij eene dadelijke zonde hebben begaan, bloot in hunne erfzonde gestorven zijn. Dat is de Voorburg der kinderen (limbus infantum), die daar wel geen pijn des vuurs lijden doch de zaligheid missen i).
Bovendien stellen de Roomschen, dat er nog eene onderaardsche afzonderlijke bewaarplaats is geweest, nabij de hel, voor de zielen der geloovlgen uit de tijden vóór Christus, namelijk de Voorburg der vaderen (limbus patrum), die echter sedert Christus' nederdaling ter helle heeft uitgediend en geheel leeg staat, daar Hij de opgeslotenen er uit verloste en naar den hemel voerde s).
De Gereformeerden konden deze leer zonder bedenken verwerpen wegens hun klaarder inzicht in den aard der heilsbedeelingen onder het Oude en het Nieuwe Testament, als tusschen welke geen verschil in wezen, maar alleen in trap bestond 3). Calvyn noemt zonder meer de Roomsche
') Hiorvau is gehandeld iu het Twintigste Hoofdstuk § 19.
5) Zie Twaalfde Hoofdstuk § 30.
Door Thomas Aquinas (f 1274) is deze voorstelling gegeven en bij do Roomschen gewoon geworden ; In het middelpunt der aarde do hel; boven deze volgt als haar eerste ommekring het purgatorium, het vagevuur; weder over dit heen strekt, en wel aan eenen zoom (limbus) gelijk, de voorburg der kinderen (limbus infantum of puerorum), en dan, desgelijks als oen zoom, het eigenlijk middeloord tusschen hel en humel, de voorburg der vaderen, of (wegens de rust, in verwachting de heerlijkheid) schoot Abrahams (limbus patrum, sinus Abrahae). Güder, in Herzogs Ueal-Enc. VIII. S. 416. u. d, W. Limbus.
^ Calvin. Instit. II. 10. 2 : Patrum omnium foedus adeo substantia et re ipsa nihil a nostro differt, ut unum prorsus atque idem sit: administratio tarnen variat.
§ 4. GEEN ONBEPAALDE TUSSCHENSTAAT. 623
stelling een fabelDe Roomschen roepen wel eenige Schriftuurplaatsen ter hulpe '), die zijlwillekeurig uitleggen, doch gronden zich hoofdzakelijk op de onbeschreven Overlevering (traditie).
3. Verwerpelijk naar Schrift en rede is ook de leer van den Zieleslaap, namelijk dat met het sterven des menschen
') Instit. II. 16. 9.
2) Zoo Gen. 37 : 35: Jakob: Ik zal tot mijnen zoon in de scheool nederdalen. Maar do scheool is geen limbus. Scheool is altijd of graf, waarin ook do vromen komen, of hol, waarin do vromen niet komon. Do Onzen te recht: in het graf. 1 Sam. 28 : 14: Samuël uit de aarde opkomende. Niet de ware Samuöl, maar een enkele vertooning van hem (vergel. Zesde Hoofdstuk § 17. Zach. 9. : 11: uitlating beloofd der gebondenen Sions uit den kuil, daar geen water in is; bevrijding der verstrooide kinderen Israfils nit de gevangenis onder de Heidenen, die voor hen als een akelige moddorkuil is zonder verkwikking, tegelijk beeld van de hoogere vrijmaking uit de slavernij en ellenden der zonde. Voorts bijzonder 1 Petr. 3 :19 (waarvan zie Twaalfde Hoofdstuk § 30. Tegen Roomschen en Lutherschen). En Ef. 4 : 9: Christus nedergedaald in de nederste deelen der aarde. Dit ziet op zijno menschwordiug, vergel. Ps. 139 : 15. (Zie Twaalfde Hoofdstuk.)
Nog brengt men zoodanige gezegden dor Schrift bij, die den ingang in den hemel van alle menschen vóór Christus schijnen te ontkennen. Zoo Hebr. 9 : 8, waar gezegd wordt, dat de weg des Heiligdoms nog niet openhaar gemaakt was, zoolang de eerste tabernakel nog stand had. Dat beduidde de Heilige Geest hierdoor, dat in den Mozaïschen tabernakel en evenzoo daarna in den tempel het Allerheiligste was afgesloten en niemand daar mocht ingaan dan de Hoogepriestor en deze ook maar op éénen dag in het jaar, en niet zonder bloed. Do herhaling daarvan bewees dat de weg der zaligheid door do dierofferanden niet geopend werd en dat het rechte offor nog niet was gebracht; toen dat
§ 4. GEEN ONBEPAALDE TUSSGHENSTAAT.
zijne ziel in cenen toestand van bewusteloosheid, in diepen slaap zou geraken en zoolang zou slapen als het lichaam dood in het graf ligt en vergaat, maar ten jongsten dage
goschiodde, schourdo het voorbangsol on bot scliaduwwork moost ophoudou. Maar goonszliis boduiddo hierdoor do ïïülligo Goost, dat de yeloovigen in het Oude Testament voor Christus geenen toegang hadden tot dm hemel (zio Kantteek. op Hebr. 9 : 8). Maar zij haddeu duisterder weg, ouder de sohaduwon. Doch des te meor geloof. En het belette niet, dat een gemeen geloovige zoo na hij den hemel was als de Iloogepriester, mot vool vrijmoedigheid. Wie zou durven zeggen, dat de oude geloovigen deze vrijmoedigheid niet gehad hebben, daar alle Psalmen zoo vol van zijn ? {Fr. Rid-derus, Schriftuurl. Licht V. p. G12 op Hebr. 9 ; 8). Allou, die oudor hot Oude Verbond in het geloof ontslapen zijn, zijn in hot ware, hemelsche heiligdom ingegaan en aanstonds zalig geworden, maar alleen uit kracht van hot bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk door al hot vroeger offerbloed werd voorbeduid.
Ook Hebr. 10 : 20 geeft do weg, welken Christus ons heeft ingewijd, niet te kennen, dat er voor de geloovigen in den voortijd bij hun sterven nog goon ingang in den hemel was. De Apostel spreekt hier van het sterven niet, maar van het vrijmoedig toegaan in dit loven tot don troon dor genade, waartoe nu geono tusschonkomst van het bloed van dieren moor noodig is, nadat Christus zijn bloed heeft vergoten en in het homolsche heiligdom is ingegaan, waar Hij voor hot aangezicht zijns Vaders onze Voorspreker is.
Maar Hobr. 11 : 13? Daar wordt van Abraham, Izaiik en Jakob gezegd : Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, namelijk hier op aarde, gedurende hun loven. Hun oog was op hot toekomende gericht, niet twijfelende aan Gods waarheid eu trouw, dio do beloften van land en zaad on zegen dor volken zou vervullen. En daarin hadden zij ook zekerheid en troost genoog aangaande do verwachtingen voor hun eigen persoon, waarover zij op don weg huns geloofs al meor licht ontvingen. Toen Jakob stervendu zijuo zonen zegende
624
§ 4. CiEEN ONBEPAALDE ÃUSSCHENSTAAT.
met de opstanding des lichaarns zou worden opgewekt. Deze voorstelling kwam reeds vroeg, en wel in het Oosten op, bij Arabische en Armenische sekten en vond vervolgens
cn van hun aardsch lot on erfdeel in het land Kanaan sprak, zag en betuigde hij in het volle licht des geloofs, wat hij nu voor zijne eigene van do aarde scheidende ziel verwachtte: Op uwe zaligheid wacht ik, Heere (Gen. 49 : 18). Hij wachtte hier, ginds zou hij bezitten. Hij zou niet naar oenon Voorburg dor hel, naar eenon limbus gaan, om duar eeuwen lang op de zaligheid te wachten: maar tot zijnen God, om bij Hom te leven, in zijne zalige nabijheid en gemeenschap, in zijne woning, in do hemelscho stad (Hobr. 11 : 16).
Eindeljjk wil mon de vaderen tot op Christus buiten den homol sluiten met Hebr. 11 : 39, 40, waar de Apostel zegt van hen, die voor Christus' komst in het geloof gestorven: Deze allen, hebbende door het geloof getuigenis gehad (dat zij Godo behaagden), hebben evenwel) de belofte (de beloofde zaak) niet verkregen; Alzoo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt ivorden. Maar de belofte, die de vaderen niet hebben verkregen (namelijk in hun loven), is do vorschijuing van Christus (Luc. 10 : 23, 24) en do werkelijke verzoening dor zonden door zijn bloed, de vervulling dor schaduwen des Ouden Tostamonts: hot is hetzelfde wat de Apostel aanstonds daarop volmaakt worden noemt. »Door de belofte moet men verstaan Jezus iu den vlooscho en don geze-genden (botoren) staat der Kerk in hot Nieuwe Testament, waarnaar do golcovigen verlangden, doch dien zij niet gezien hebben met do oogon dos lichaams.quot; {Fr. Ridder us, Schriftuurl. Licht V. p. 655). Zij niet zonder ons volmaakt, dit zegt niet, dat do zielen der afgestorvene geloovigen des Oudeu Testaments tot do hemelscho zaligheid niet voor den tijd des Nieuwen Tostamonts ziju toegelaten en tot zoolang in don limbus waren, maar dat de oude geloovigen te gel ij kor tijd en door dezelfde oorzaak als de geloovigen des Nieuwen Testaments zouden volmaakt worden, dat is : beiden zouden ton zelfden tijde werkelijk verzoend, boidcr schuld te gelijk betaald worden, üo oude
Gravumoijoi', Gorof. Gel. leer. UI. -10
625
626 § 4. GEEN ONBEPAALDE TUSSCHENSTAAT.
ook in het Westen ingang â¢), doch kon door de Roomsche Kerk bij hare leer van hemel, hel en vagevuur niet anders dan veroordeeld worden. Dat Paus Johannes XXII (f 1334) dit kettersch gevoelen voorstond ,) en niet alleenlijk de volkomene zaligheid der zielen ontkende, is niet zeker').
Ten tijde der Reformatie waren het de Wederdoopers (Anabaptisten) die de leer van eigenlijken zieleslaap dreven â¦), waartegen Calvyn zijne Psychopannychia schreef (1534) 6). Vervolgens had deze leer hare voorstanders
goloovigon waren op groud vau Christus' zoenofferande zalig gestorven, maar de offerande was toen nog niet volbracht, hunne schuld was dus wel kwijt gescholden, maar nog niet metterdaad voldaan (Hebr. 9 ; 15). Daarom zegt de Apostel: Zij niet zonder ons volmaakt (verzoend, en dienvolgens geheiligd en gezaligd en eenmaal geheel verheerlijkt), maar door datgene wat in onze tijden en onder ons is geschied, namelijk de offerande van Christus, Hebr. 10 : 14. March, Compend. en Merch XXXIV. 8. De Moor, Commentar. Pars VI. p. 617 sqq. Tholuck, Komment. zum Br. an die HebrUer, zu 11 : 39, 40.
1) C'. F. Göschel, in Herzogs Real-Enc. XIV. S. 202. u. d. Art. Seelenschlaf.
2) Dr. G. Voigt, in Herzogs Real-Enc. VI. S. 759 u. d. Art. Johannes XXII, noemt het eine wunderliche Privatmeinung des Pahstes, Hij werd genoodzaakt zijn dwaalgevoelen openlijk te verwerpen.
3) Hagenhach, Dogmengeschichte § 207. n. 2.
4) Fr. Span/iem. Controversiar. Bleuchus. 1694. p. 129. De Moor, Commentar. in Marck. Pars VI. p. 595 sq.
s) In het Fransch en in het Latijn. Hagenbach, Dogmengesch. § 271. Phychopannychia is van KXS, ; ttxwuxio: is
den ganschen nacht durend. Het geeft eenen toestand te kennen van eeneu onafgebrokon nacht voor do ziel. Terwijl op aarde dag en nacht wisselen, is bot naar de Phychopannyohieien voor de aflijvige ziel tot aan don dag dor opstanding geheel nacht. Nog verder gingen do Thnetopsychieten, die niet slechts oenen
§ 4. GEEN ONBEPAALDE TUSSCIIENSTAAT.
bijzonder onder de Socinianen i) en Arminianen2) die intusschen aan de aflijvige zielen meestal slechts alle werkzaamheid naar buiten ontzegden. In de nieuwere tijden lieten zich wederom stemmen voor den zieleslaap verluiden s), ter oorzaak eener overdrijving van de af-
üeleslaap stolden, maar oeuen zielcrfoot?, dio dosgolijks zou duren tot aan den jougïteu dag, waar lichaam en ziel tegelijk zouden opstaan.
Luther stolt den zieleslaap niet als leerstuk voor, maar slechts als bescheiden gissing. Delitzsch, Bibl. Phychol. 2to Aufl. S. 419.
') Spanhern, a. W. p. 231.
'-) Spanhern. p. 414. De Moor, Commment. VI. p. 596 sq.
â ') Een en ander hiervan vermeldt Ilagenbach, Dogmengesch. § 304. S. 746 en Delitzsch, Bibl. Phychol. S. 420.
Tot de voorstanders telt Van Oosterzee, Dogin. 11. p. 531, ook liemhard eu Delitzsch. Edoch lieinhard nam wol eenon tijdelijken staat van verdooviug aan, waarin de ziel door de geweldige verandering bij de scheiding van het lichaam verzonk, echter niet zoo heel lang, niot tot aan het laatste Oordeel. Bretschneider, Handb. der Dogmat. 3to Aufl. II. S- 404.
Delitzsch is beslist tegenstander, blijkens zijne bibl. Phychol. S. 419 iï. Doch terwijl hij S. 432 f. A. Capadose, Gedachten over den staat der zielen (1845) beschuldigt van omduidingdes Ouden Testaments naar het Nieuwe, maakt hij zelf bepaald tusschon beiden eeno te grooto kloof.
Maar tot de besliste Zieleslapers behoort T. Itoorda, Zielkunde. 2de dr. p. 72 : Daar de mensch met de aflegging van zijn levensorgaan bij den dood ook de organen van zijn bewustzijn aflegt, zoo lean de toestand, waarin de mensch dan in die eene monade blijft voortleven, geen andere zijn dan die van den slaap, met â niet verloren maar â verdonkerd, slapend of sluimerend bewustzijn ; van een diepen slaap zonder droomen {want ook het droomen is niet mogelijk zonder de organen van het bewustzijn), zonder alle bewustzijn van verandering van toestand, en dus ook van tijdsverloop ; een diepen, gerusten, door niets gestoorden slaap, die duren zal, totdat hij tveer tot een nienw leven gewekt wordt. (Bij do ver-
627
628 § 4. GEEN ONBEPAALDE TUSSCHENSTAAT.
hankelijkheid der ziel van het lichaam, daar men naar een verfijnd Materialisme er op stond, dat alle werkzaamheden der ziel, haar denken en doen, door middel en tusschenkomst des lichaams geschieden, waaruit dan zou volgen, dat met de scheiding van het lichaam de ziel in eenen toestand van geheel bewusteloozen slaap zou verzinken.
Ten bewijze voor den zieleslaap beroept men zich op de Schrift zelve, die het sterven een ontslapen, den dood eenen slaap noemt en van gestorvenen spreekt als degenen die ontslapen zijn') (1 Kor. 15 : 20. 1 Thess. 4: 13 en andere plaatsen). De doode gelijkt naar het aanzien eenen slapende, de slaap is des doods broeder. Inzonderheid van eenen gestorven vrome is het een zacht, liefelgk, troostvol zeggen : hij is ontslapen, hij slaapt. Men zegt dan: hij en spreekt van den mensch, den persoon; maar daarbij moet men, gelijk in zoovele andere gezegden, wél onderscheiden, op welk deel van den mensch het eigenlijk ziet. Zoo gaat het slapen het lichaam aan, de rechtvaardige komt rusten op zijne slaapstede (Jez. 57 : 2), namelijk naar het lichaam, hetwelk er eenmaal uit zal worden opgewekt: want de ziel komt niet in het graf, de ziel zal niet uit het graf opstaan. Nergens zegt de Schrift dat de uit hare lichamen ontwekene zielen slapen, en hoewel zij den algemeenen toestand des gestorvenen met den slaap vergelijkt, zoo is uit deze vergelijking toch niet te besluiten dat de ziel in eenen staat van bewusteloosheid en gevoel-
auderiug van clezo Planeet, waarop toch de mensch te huis behoort). Aldus do Philosoof.
') al xsxoiiMiftèvoi.
§ 4. GEEN ONBEPAALDE TUSSCHENSTAAT. 629
loosheid zou overblijven, fe meer daar de ziel des slapenden wel uit de lichamelijk bemiddelde volle werkzaamheid van het wakend leven teruggeweken, maar toch geheel en al niet in bewustelooze en gevoellooze lijdelijkheid ontzonken is i). Het aangename beeld van den slaap duidt tevens de zalige ruste aan van alle aardsche moeite, zwarigheid en afmattenden arbeid, maar geene iverkeloosheid, Openb. 14 : 13.
De eigenlijke grond van de stelling, dat de aflijvige zielen slapen, lag wel steeds in de vaste gedachte, dat de ziel zonder lichaam niet kon werken.
Maar wij moeten hier werker en werktuig onderscheiden. Werker is het subject, de persoon, de redelijke ziel. Het lichaam is werktuig. Het lichaam leeft en werkt van de ziel, zijne regeerster. Met de scheiding der ziel van het lichaam staakt het leven en de werking in het lichaam: maar daarom houdt de ziel niet op te leven en te werken: omdat de ziel niet leeft door de samenvoeging met het lichaam, maar het lichaam leeft door de ziel. Zonder het lichaam kan de ziel wel geene organische, werktuigelijke verrichtingen volbrengen, die door middel van het lichaam geschieden en waartoe de tusschenkomst der zintuigen vereischt wordt; maar daarom houden niet alle werkingen der ziele op, die haar als geest eigen zijn en die zoomin door het lichaam worden veroorzaakt dat zij veelmeer door het lichaam bemoeilijkt en belemmerd worden. God heeft geen lichaam en Hij is het Leven zelf en werkt tot nu toe; de Engelen hebben geen lichaam, 't zijn Geesten
1) Dclitzsch, Bibl. Psychol. S. 422. Zie voorts in dit Hoofdstuk § 2.
§ 4. GEEN ONBEPAALDE TUSSCHENSTAAT.
on toch leven en werken zij in hunnen deele : zoo is hot dan ook niet te betwijfelen, dat de ziel hare geestelijke verrichtingen des te vrijer en volkomener uitoefent wanneer zij niet moer door het lichaam, zooals het thans is, bezwaard wordt'). Zelfs ontbreekt het niet aan voorbeelden van stervenden, wier geest al meer verhelderde, hoe losser reeds de band van het lichaam werd.
4. Bij de veronderstelling dat de ziel niet zonder lichaam leven en werken kan, is ook, waar althans haar voortbestaan na den dood erkend wordt, het gevoelen moer en meer opgekomen (vooral door Leibnitz), dat zij aanstonds na hare scheiding van het aardsche lichaam een nieuw overkleodsel, oen fijner orgaan, een aetherisch lichaam ontvangt 5). Daar de Schrift hierover zich niet nader verklaart, had de verbeelding ruimen teugel en men gaf zelfs plaats aan menigerlei voortbrengselen van dichterlijke phantasie, als van don dichter-theoloog Dunte. Beslist verwerpen moeten wij alle zoodanige voorstelling van een lichaam der ziele na den dood, waardoor de ontwijfelbare waarheid van de opstanding des gestorven lichaams en zijne wodervereeniging met de ziel verbogen of verdonkerd wordt. Daartoe behoort ook de stelling van een provisioneel, interimistisch lichaam, zullende dienen voor den tusschen-tijd s) van dood tot opstanding.
') De Moor, Commontar. ia Marck. Pars VI. p. G02.
2) Ook ülrici, in Herzogs Roal-Enc. XXI. S. 407 u. d. Art. Unsterhlichkeit, beweert, dasz voti ciuor Fortdauer dos Bowuszt-seyns und Selbstbewusztsoyns ohne loiblichen Organisraus nicht die Redo soyu kann.
:l) Daartegen verklaart zich ook Delitzsch, Psychol. S. 438.
630
§ 4. GEEN ONBEPAALDE TUSSCHENSTAAT. 631
Maar de Schrift gewaagt nergens van zulk eon tusschen-lichaam. Ook niet 2 Kor. ij : 1 : Want wij iveten dat zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, [maar] eeuwig in de hemelen. De Apostel spreekt van tweeërlei verblijf der ziel '): het eene aardsch, dat is het sterfelijk lichaam hetwelk zij gedurende dit leven bewoont en waaruit zij door den dood verhuist; het andere hemelsch, hetwelk zij na verlating van het eerste dra betrekt. Want hier is sprake van zulk eene eeuwige woning des geloovigen, lot welke hem door den dood de weg gebaand wordt, en niet eerst door de opstanding des lichaams. Paulus spreekt hier alleen van geloovigen. Wordt de hut huns lichaams afgebroken, hun hcmelsche woning is gereed, in welke zij, dat is hunne zielen intrekken, om hij den Ileere in te wonen (vs. 8). Dus is met het hemelsch gebouw zeker niet alleen en uitsluitend
Zijne voorstelling van eeno phdnomenelle Leibliclikeit der aflijvige ziel, van eeno kenbare gestalte die mot haar iimorlijk wezon overoenkorat, heerlijk of schandelijk, en waarin haar eigenlijk wezen zich afspiogolt, doch zonder werkelijke lichamelijkheid (Phychol. S. 434) komt, wél verstaan, nabij aan do Gereformeerde opvatting.
Van Oosterzee, Dogmat. II. p. 540 zegt: Misschien mag men zich voorstellen, dat de afgescheiden geest zich. een lichaam schept en vormt, ten gevolge der hem inwonende Godskracht, geschikt voor
den nieuwen bestaansvorm en waarvan het opstandingslichaam--
als het tvare het eindresultaat is.
Naar Nitzsch, Martensen en anderen. De uitdrukking, dat de geest zich een lichaam schept is verwerpelijk. Het is Erigena nagezegd, anima corpus suum creat. Daartogoa verklaart zich to recht Delitzsch, Psychol. S. 457.
') H. Witsius, Oeconom. Lib. III. Cap. XIV. § 23.
§ 4. GEEN ONBEPAALDE TUSSCHENSTAAT.
bedoeld het opstandingslichaam; maar ook niet een tusschenkomstig lichaam, hetwelk dienst zou doen tot aan de opstanding van het oude ')â¢
De Apostel vat hier saam geheel de zalige en heerlijke toekomst voor den Christen na den dood, voor de ziel aanstonds na het sterven, en eens ook voor het stoffelijke lichaam, eeuwig, hemelsch, verschillend van de dingen die men nu ziet en die tijdelijk zijn (2 Kor. 4 : 18).
Dus verstaan het ook, in navolging van Calvyn *), onze Gereformeerde Staten-Overzetters : namelijk xandehemelsche heerlijkheid in het algemeen, waarmede de ziel versierd en gelijk als bekleed wordt, zoo haast zij dezen tabernakel aflegt, en waarmede het lichaam daarna zal bekleed worden als het uit de dooden zal opgewekt zijn. Op de rechtvaardiging en heiligmaking hier volgt de geheele zaligheid en heerlijkheid namaals. Wie van het eerste ontbloot is, wordt het andere niet deelachtig'). De ziel des ge-
') De Moor, Commenlar. in Marck. Pars. VI. p. 610.
2) Calvin. Gommentar. 2 Kor. 5 : 1: Do breekbare tent is het sterfelijk lichaam. Daartegenover staat een gebouw van eeuwigen duur. Het is onzeker, of dit laatste betoekont den staat der zalige onsterfelijkheid, die de geloovigen na den dood wacht, dan wel het onverderfelijke en heerlijke lichanm, zooals het na de opstanding zijn zal. Beide opvattingen gövon geen ongepasten zm ; doch ik wil het liever dus nemen, dat het begin van dit gebouw zij de zalige staat der ziel na den dood, de voltooiing echter zij de heerlijkheid der laatste opstanding. Overigens verschillen de uitleggers zeer, blijkens Meijer z. d. St.
â ') Calvin. Comment, op 2 Kor. 5 : 3. Do Apostel beperkt hier ziju gezegde van do toekomende heerlijkheid tot de geloovigen, die in hun leven geestelijk bekleed en niet naakt gebleven zijn. Ilij onderscheidt eene dubbele kleeding die God ons aandoet, namelijk in dit leven de gerechtigheid van Christus en de heiligmaking
632
§ 4. GEEN ONBEPAALDE TUSSCHENSTAAT. 633
loovigcn wordt aanstonds verheerlijkt: zij wordt bekleed met het lange witte Meed â¢) waarvan de Openbaring van Johannes (6 : 11. 7 ; 13) gewaagt, hetwelk niet een aetherisch lichaam beteekent, maar symbool, zinnebeeld is van volkomen heiligheid door het bloed en den Geest van Christus, blijk van overwinning, van vrede, van blijdschap, van heerlijkheid. En het lichaam zal eens gelijkvormig worden aan het heerlijke lichaam van Christus (Fil. 3 : 21).
Overigens, wat den tusschenstaat betreft, waarschuwt Calvyn 1) ons wel ernstig voor meer daarvan te willen weten, van plaats en staat, dan God ons er van heeft willen zeggen, en vermaant ons, onze weetgier te matigen en ons te houden aan hel geen de Schrift betuigt van den verschillenden en on veranderlijken staat der zielen na den dood, van zaligheid voor degenen die in den Heere, van rampzaligheid voor die in hunne zonden sterven.
Ook is tegenover het bijgeloof van dooden-verschijningen te behartigen wat de Gereformeerde Tweede Zwitsersche Belijdenis (1566) Cap. XXVI verklaart: Belangende heigeen verhaald wordt van geesten of zielen der gestorvenen, die
des Gcestes (dat dit hier niot verro gezocht is, blijkt uit do vermolding van het onderpand des Geestes v. 5), echter van den dood af aan de onsterfelijkheid en heerlijkheid. Want die God voorgenomen heeft te verheerlijken, rechtvaardigt Hij verder. (De lezing bekleed, v. 3, èvdutra/tsvoi, ook door Lachmann, behouden, verdient ongetwijfeld do voorkeur boven sxSura/üfw; ontkleed. Zie Meyer).
') II. Witsius, Exorcitat. Sacr. in Symbolum. Apost. XXVI. 70. p. 403.
'-) Instit. III. 25. 6. Zie ook hiervoren ia dit stuk bl. 610 v.
§ 4. GEEN ONBEPAALDE TUSSCHENSTAAT,
soms aan levenden zouden verschijnen en van hen diensten hegeeren tot hunne ontlasting, wij rekenen die verschijningen tot de kluchten (fopperijen), kunsten en bedriegerijen des duivels i), die gelijk hij zich veranderen kan in eenen Engel des lichts, zoo altijd hezig is om het ware geloof of ie verwoesten of twijfelachtig te maken. De Ileere heeft in het Oude Testament verboden de waarheid te vragen aan dooden (Deut. 18 : 11) en eenig verkeer met de geesten te hebben. Den rijken man echter, aan de straffen overgegeven, rvordt zooals de Evangelische waarheid vermeldt (Luc. IC) de terugkeer (van eenen doode) «iyne iroerfers geweigerd, terwijl intusschen het Goddelijke orakel de uitspraak doet: Zij hebben Mozes en de Profeten; dat zij die hoor en. Indien zij Mozes en de Profeten niet hooren,
') Deputamus apparitiones oas inter ludibria, artes et decep-tiones dlaboli. Zoo oolc Calvyn, Sermon CIX sur Ie Deuteron. Cbap. XVIII (Corpus Eeform. Vol, V. p. 521); De duivel stelt zich lusschenheidc, zoodat het schijnt (na eone oproeping, bozwe-ring) dat zich een mensch (do opgeroepone) vertoont, en het is de duivel die zulke begoochelingen maakt. â Het is ons verboden gemeenschap te oefenen mat de dooden. Tout co qu'on a dit dos esprits qui rovionnent, n' ont óté quo tromperies de Satan. In en voor de Roomsche Kerk wordt dit bijgeloof gesteund.
Ook Luther verklaart do verschijning van zielen dor gostor-veuen voor goochelspel van boozo geesten. Artic. Sinalcald., De Missa. ed. Rcchenb. p. 308 sq.
Anders oordeelt Delitzsch, Psychol. S. 427 ff., overeenkomstig zijne meening van phanomenelle Leiblichlceit der aflijvige zielen, waarbij hij slechts gedacht wil hebben aan den vorm der lichamelijkheid met wegdenking barer stof (S. 431).
Van cn tegen het moderne Spiritisme handelt uitvoerig Wilh. Rohnert, Kirche, Kirchen und Sokten. Leipz. 1888. S. 260 ff. Verstandig oordeelt over dooden-verschijningon Bretschneidcr Handb. der Dogmat. II. S. 379 f.
634
§ 5. HET AARDSCHE LEVEN BESLISSEND. 635
zoo zullen zij ook, al ware het dat er iemand van de dooden opstond, zich niet laten gezeggen.
Dit leven is do eenige tijd welken God den mensclien geeft om hun zelfs zaligheid te werken in den weg zijns Woords, met den dood wordt de deur der genade voor de onbekeerden gesloten, dan komt de nacht waarin men niet werken kan. Nergens duidt de Schrift aan, dat de Heere na dit leven nog wederom eenen tijd van genade verleent. Daarom gelijk de Heilige Geest zegt: Heden indien gij zijne stem hoort, zoo verhardt uwe harten niet! Hebr. 3 : 7, 8.
§ 5. Het aardsche leven beslissend.
De onkerkelijke stelling van een onbepaalden middel-staat en eenen voortgang der genadebedeeling onder de dooden tot aan den jongsten dag toe is ook bij onze kerkleeraren, voor vreemden invloed te toegankelijk, haast algemeen aangenomen. Ten gunste van zoodanigen, die hier in bewust en hardnekkig ongeloof leefden en stierven, durft men wel niets veronderstellen. Maar voor hen, die geheel buiten hunne schuld het Evangelie niet, of ook slechts vervalscht kenden, zal er, beweert men, ook nog in den staat der afgescheidenheid gelegenheid bestaan om van den weg des levens te hooren. En die zich daar bekeeren en in Christus gelooven worden gered quot;).
') Aldus ook Van Oosterzee, Dogmat. 11. p. 532 v. Men zie hierover hot 'Twaalfde Hoofdstuk g 30. (Noderdaling tor hel), en Vijftiende Tloofdstuh § 12. (Geen vergeving na dit loven). Do Luthorscho Godgeloordon zijn do voorname voorstanders ou
636 § 5, HET AARDSGHE LEVEN BESLISSEND.
Maar men gaat hiermede buiten en boven de Schrift. Naar de Schrift is het aardsche leven beslissend voor de eeuwigheid. Hier de zaaiïng, en niet na den dood nog weer een zaaien; na den dood de maaiing, vergelding. Leerde de Schrift anders, dan moesten wij dat zonder bedenken aannemen. Maar het is bepaald tegen de Schrift, eenen staat van voorbereiding te stellen na den afloop dezes levens, van mogelijkheid en blijkbaarheid eener ware bekeering van zielen zonder lichaam en buiten de wereld. De Protestant houdt zich aan de Schrift gt;).
Naar de Schrift hangt het eeuwig wél of wee alleen van het aardsche leven af, en niet van de verhouding der zielen na den dood of van iets wat met dezen in den staat der aflijvigheid omgaat. Dit blijkt ontegenzeglijk hieruit, dat ook in het laatste oordeel beslist wordt naar het leven in het lichaam, 2 Kor. 5 : 10 : Want wij allen
verspreiders van deze leer. Zoo ook Dr. A. Hahn, Das Bekenntn. der Ev. Kircho S. 154 f.
') Onpartijdig beoordeelt en waardeert de Protestantsche Kerkleer de moderne Dr. A. E. Biedermann, Christl. Dogmat. 2te
Anfl. liter Band. S. 386 : Die Reformation setzte nicht--eine
Fortsetzung des christlichen Heilsprocesses der Seelen im lemeits, sondern {niit allem Recht, da nur das Leben in der Welt die Zeit des endlichen Processes ist) so fort das ewige Resultat dieses Processes. â â lm protestantischen Dogma ist der Zustand vom Tode des Einzelnen bis zum Ende der Welt weder ein Mittel-zustand zimsehen Ilimmel und Holle, noch ein vermittelnder zustand zivischen jetzt und dem Ende ; sondern er ist ein reiner Zwisciienzustand blossen SRELENZeJsns zwischen dem ganzen, geist-leibliciibn Leben in der Zeit und dem in der Ewigkeit, der aber seinen Inhalte nach die volle ewige fir.r.h'En-frucht des zeithchen Lébens, als ewiges Leben oder aber als ewigen Tod, in sich schliesst.
§ 5. HET AARDSCHE LEVEN BESLISSEND.
moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam ') [geschiedt], naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed hetzij kwaad. Er wordt niet gesproken van een vonnis en vergelding naar hetgeen de mensch na zijnen dood heeft gedaan, maar naar hetgeen van hem door het lichaam, dus op aarde, gedurende de vereeniging zijner ziel met het lichaam is geschied. En zegt de Apostel Hebr. 9 : 27, dat het den menschen gezet is éénmaal te sterven, en daarna het oordeel a), zoo voegt hij dood en gericht te zaam, waarbij hij (blijkens v. 28) op het laatste, openbare oordeel bij de wederkomst van Christus ziet en hij geeft te verstaan dat het oordeel gaat over het leven des menschen op aarde tot aan zijn sterven, en niet over de houding der ziel in den tusschenstaat, terwijl integendeel naar datzelfde leven het lot der ziel bij het sterven beslist is.
') tx quot;Six toü ffuf/,xt0g hetgeiie door middel van het lichaam, hot werktuig dor ziol, dus ia hot lichamolijk lovon door oon iodor gedaan is. Luther: bei Leibes Lebou.
2) [astx Sà toüto '/.phis sc. xttoksitxi, is gezet. Lüneniannt Kommontar. z. d. St. teokent te recht aan, dat ftstx toüto, daarna, eeno rekbare uitdrukking is en op zich zelf niet aanduidt, of het particuliere oordeel onmiddellijk na don dood, dan wel het algemeeno na de opstanding der lichamen bij 's Heeren wederkomst bedoeld is. Doch tot dit laatate leidt het verband met v. 28, gelijk ook Van March, Merch. XXXIV. 18 oordeelt, vergel. De Moor, Commentar. Pars VI. p. 70S. Intusschen het algemeene maakt het bijzondere openbaar en veronderstelt dit, terwijl het de lotsbeslissing van de ziel tot hot lichaam overbrengt. Onze Kante ekenaars vatten het dan ook saam ; Namelijk van elk een in het hijzonder terstond na den dood, en van allen in hel algemeen hier namaals ten uitersten dage.
937
§ 6. HET ONTZIELDE LICHAAM.
Aanschouwelijk stelt Christus zelf ons dit voor oogen Matth. 25 : 35 v.v., waar Hij zegt, hoe Hij in het laatste oordeel vonnis zal spreken over allen naar de werken van het aardsche leven, als vrucht en uitdrukking van de gezindheid en van den innerlijken grond des harten, met vermelding als proeven van bijzonderheden, die alleen in dit tijdelijke leven voorkomen, namelijk al of niet gedane werken der barmhartigheid, als voeding, kleeding, berging van armen en verdrevenen, verkwikking van gevangenen, bijzonderheden, die bepaald naar het leven op aarde terugwijzen, daar zij eene belichaamde menschheid veronderstellen.
§ 6. Het ontzielde lichaam.
1. Bij de overweging van den staat der aflijvige ziel richt zich ons nadenken vanzelf ook op het lot van haar vroeger metgezel, het ontzielde lichaam. Wij vragen: Wat wordt er van het lichaam na den dood ? De Schrift geeft antwoord, en het begin met het einde samenvattende zegt zij: Het lichaam moet naar Gods bepaling en uitspraak tot de aarde wederkeeren waaruit het genomen is, doch het zal eenmaal weder opgewekt worden.
a. Uit de aarde is het genomen, namelijk het lichaam Adams, uit hetwelk alle menschelijke lichamen hunnen oorsprong hebben: de Heere God heeft het geformeerd uit het stof der aarde, Gen. 2:7'). Tot de aarde moet het wederkeeren, naar het vonnis Gods na den val Gen. 3 : 19: In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten,
1) Zesde Hoojdstuk § 20.
638
§ 6. HET ONTZIELDE LICHAAMâ¢
639
totdat gij tot de aarde tvederheert, dewijl gij daaruit genomen zijt: want gij zijt stof en gij zult tot stof u-ederkeeren. Niet, dat het sterven een noodzakelijk en natuurlijk gevolg was van 's lichaams oorsprong uit de aarde i); hadde de mensch niet gezondigd, hij behoefde niet tot stof weder te keeren. Maar nu is het allen menschen gezet, uitgenomen alleen Henoch en Elias en degenen die bij Christus wederkomst nog leven : het lichaam 't zij onverminkt en in zijn geheel in de groeve gelegd of gewelddadig vermorzeld, verslonden, verbrand en bij deelen en deeltjes verstrooid, het keert allerwegen weder tot stof, en, hoe verschillend ook, de aarde is het groote graf, dat de elementen aller lichamen bergt, om ten genen dage die van het menschelijke geslacht, wanneer de stem des Almachtigen ze roept, weer op te geven.
b. De geloovige verwacht de verlossing zijns lichaams. Hij verlangt er naar, en de Heilige Geest, die hem gegeven is en in hem woont, verzekert het hem en is hem een onderpand en waarteeken, dat, nademaal hier zijne ziel verlost is van den geestelijken dood, eenmaal ook het lichaam aan de macht des doods en der verderving, die het ondergaan moet, ontrukt zal worden. Daardoor wordt de verlossing voltooid, hetwelk na de gegeven beginselen niet uit kan blijven. Geheel de zichtbare schepping heeft een onbewust, natuurlijk verlangen naar vrymaking van de dienstbaarheid der verderfenis, waaronder zij zucht en als in barensweeën ligt, zegt Paulus Rom. 8 : 20â22, waarop hij dan vs. 23 laat volgen:
') Achtste Hoofdstak g 9. Negende Iloofdsluk § 11. Eu dit Eenentwintigste Hoofdstuk § 1,
§ 6. HET ONTZIELDE LICHAAM.
En niet alleen [dit], maar oolc wij zeiven die de eerstelingen des Qeestes hebben, wij ook zeiven [zeg ik] zuchten in ons zeiven, verwachtende de aanneming tot kinderen (het volle bezit der erve, waartoe het recht door God geschonken is) [namelijk] de verlossing onzes lichaams (vrijmaking des lichaams van verderfenis en ijdelheid en van alle gebreken en onvolmaaktheden, daar het gelijkvormig zal worden aan het heerlijke lichaam van Christus).
2. Tot het geloof der verlossing behoorde van den aanvang af nok de hope van het goede voor het lichaam. Doch met trapswijs klimmend licht, naar mate het inzicht n de verlossing duidelijker werd.
a. Dat de hope des eeuwigen levens en der opstanding des lichaams onder het volk der Oude bedeeling niet zou gekend zijn, is door velen ten onrechte beweerd. Integendeel zelfs waar het Nieuwe Testament er van spreekt, gebruikt dit meestal woorden uit het Oude Testament, bijvoorbeeld 1 Kor. 15.
Het Oude Testament') geeft geeno leerstellige ontwikkeling en bevestiging van de opstanding der dooden, maar het laat deze geheimzinnige, troostvolle waarheid doorschemeren, duidt ze aan, veronderstelt ze. Aldus, waar het van de verlossing des volks in nationaal, politiek, staatkundig en zedelijk, godsdienstig opzicht, of van de verlossing eens enkelen uit diepe ellende, als van eene levendmaking en opwekking uit de dooden spreekt, op
') March, Morch XXXIV. 13. Be Moor, Commentar. Pars VI. p. 662 sqq. Hengstenberg, Comnicutar iiber die Psalmon IV. 2. S. 318 ff. Delitzsch, Psychol. S. 411. Odder, Thool. dos A. T. II. S. 24:4:. 312. Kling, iu Herzogs Real-Euc. I. S. 595. u. d. Art. Auferslehuwj der Todten.
640
§ 6. HET ONTZIELDE LICHAAM.
grond van 's Heeren woord Deut. 32 : 39 : Ik dood en maak levend. Zoo Psalm 85 : 7, waar dc dichter den Heere voor het volk aanroept : Zult gij ons niet weder levend maken, opdat uw volk zich in u verblijde ? En David zegt Ps. 86 : 13: Utve goedertierenheid is groot over mij, en gij hebt mijne ziel uit het onderste des grafs uitgerukt. Zoo ook Ps. 71 : 20 en in vele andere plaatsen. Maar vooral Ezech. 37, waar do herstelling des diepgezonken en verstrooiden volks geschilderd wordt als eene levendmaking van dooden, zoo aanschouwelijk als alleen door eenen zoodanige kon geteekend worden, die van het geloof aan de eigenlijke opstanding der dooden doordrongen was. Daarmede is te vergelijken hetgeen reeds veel vroeger Hozea 13: 14 verkondigde, en Jezaja 26 : 19, en in alouden tijd Job 19 : 25-27, uit welke laatste plaats, trots alle tegenspraak, de gedachte aan do opstanding toch niet te verwijderen is. Eindelijk, om niet meer te noemen, spreekt Daniël 12:2,13 zonder beeld duidelijk van de opstanding der rechtvaardigen en der goddeloozen, als eene gebeurtenis die geschieden zal in het einde der dagen.
Onder de Makkabeën was do hope der opstanding bijzonder levendig en sterkte de martelaren. Zoo dien jongeling, den vierden dor zeven broederen, die, door koning Antiochus gevonnist, bij zijn sterven sprak, 2 Makk. 7 : 14: Dit is een groote (roost, dat wij hopen dat, als de menschen ons dooden, God ons weder zal opwekken, maar gij zult niet opgewekt tvordeti tot het leven (maar ter verdoemenis. Sommigen verstaan dit zoo dat dezen, Israels vijanden, geheel niet zouden worden opgewekt).
De Farizeën hielden er aan vast; doch met grofzinnelijke
Graveweijor , Gt-ref. Ciel. loer. III. 41
§ 6. HET ONTZIELDE LICHAAM.
voorstellingen, waartegen de materialistische Sadduceën, die van geen ander dan dit aardsche leven wilden weten, als ontkenners optraden (Matth. 22 : 23). Ook de Esseners, Spiritualisten, namen geene opstanding des lichaams aan â¢).
b. Christus, zelf de Opstanding en het Leven, gaf er met woord en daad, inzonderheid door zijne eigene opstanding, getuigenis en zekerheid van, en in zijnen Geest verkondigden de Apostelen de opstanding der dooden als eene onomstootelijke waarheid.
642
Die te Korinthe de opstanding der dooden loochenden, (l Kor. 15 : 12), waren waarschijnlijk philosophisch gevormde uit het heidendom overgekomene Christenen, zij die zeiden: Wij zijn van Christus'1). Zij namen aanstoot aan de leer der opstanding, als zijnde te zinnelijk. Uet waren reeds voorloopers van de latere sekten der Gnostieken, die leerden dat men de opstanding alleen geestelijk moest verstaan, van hot nieuwe leven in Christus. Als zoodanigen noemt Paulus 2 Tim. 2 : 17, 18 ook zekeren Hymeneüs en Philetus (in Klein-Azië ; Paulus schreef naar Efeze), die van de waarheid waren afgeweken en leerden dat de opstanding aireede geschied was. Hymeneüs was reeds, met eenen anderen dwaalleeraar, Alexander, van de kerkgemeenschap uitgesloten, geëxcommuniceerd (1 Tim. 1 : 20), maar de dwaling bleef voortkruipen als de kanker. Deze dwaling stond niet afzonderlijk op zich zelve, maar had eenen dieperen grond, weshalve de Apostel er voor als iets gevaarlijks waarschuwt. Er lag bij ten gronde eene miskenning van het wezen en den oorsprong der zonde.
') C. Vitringa, Doctriua Christ. Uolig. Pars IV. p, 111. 2) Zie Negentiende Hoofdstuk § 11.
§ 6. HET ONTZIKLDE LICHAAM.
de stelling namelijk dat de zonde uit het lichaam voort komt en niet uit de ziel zelve, uit het hart. Vandaar verachting van het lichaam als de bron van alle kwaad, en de bewering dat het vernietigd zal worden ; en daarmede gepaard misbruik des lichaams tot losbandigheid. Daarentegen erkent de geloovige de achtbaarheid van het lichaam, hetwelk wel als zetel en werktuig der zondige ziel verderven moet, maar eens verheerlijkt op zal staan.
3. Het is Kerkleer. Tot de Twaalf Artikelen onzes algemeenen en ongetwijfelden Ghristelljken geloofs behoort ook: Wederopstanding des vleesches. De belijdenis van Niceèn heeft: Wij verwachten de opstanding der dooden. De Belijdenis naar Athanasius genoemd zegt, dat bij Christus komst alle menschcn zullen opstaan met hunne lichamen. Do Nederlundsche Belijdenis des Geloofs Art. XXXVII verklaart: Al diegenen die gestorven zullen wezen, zullen uit de aarde verrijzen, de zielen te zamen gevoegd en vereenigd zijnde met haar eigen lichaam, in hetwelk zij zullen geleefd hehhen. De geloofsbelijder betuigt in den Heidelb. Catechismus Vr. 45 : De opstanding van Christus is ons een zeker pand onzer zalige opstanding '). En Vr. 57, van den troost der opstanding des vleesches: Dat niet alleen mijne ziel na dit leven van stonden aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vleesch, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijne ziel vereenigd en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.
643
Do Tweede Zwitzersche Belijdenis (van 1566) Gap. XXVI wijst daarbij uitdrukkelijk op de verplichting orn
') Zio Dertiende Hoofdstuk § 7.
§ 6. HET ONTZIELDE LICHAAM.
de lichamen der geloovigen welvoegelijk zonder bijgeloovige verrichtingen te begraven, om reden dat zij tempelen des Heiligen Geestes zijn en ten laatsten dage weder op zullen staan â¢).
4. De opstanding der dooden is een wonder, voor ons onbegrijpelijk. Geen wonder dus dat alle wonderschuwen er niet van willen weten, hoewel zij anders toch zooveel als werkelijk aannemen wat zij niet begrijpen, ook hun eigen leven.
Vele tegenwerpingen 2) gronden zich op eene grofzinne-lyke opvatting, zooals men dikmaals eene waarheid eerst mismaakt, om ze dan te verachten. Dus deden die Sadduceën Malth. 22 : 23 v.v., die, om de opstanding bespottelijk te maken, de aan de zinnelijke voorstelling der Farizeën ontleende vraag opwierpen, wiens vrouw in de opstanding die weduwe wezen zou, die achtereenvolgens met zeven broeders, na elkander gestorven, was gehuwd geweest a); waarop de Heere Jezus dezen en
') Fidolium corpora, ut Spiritus Sancti templa et qnao iu ultimo dio rocte creduutur resurrectura, jubet Scriptura houosto absque superstitione hmuo maudare. Voorts vermaant de Confessie, eerzame melding te maken van degenen, die heilig in don Heere zijn ontslapen, eu jegens hunne nagelatenen, bij name weduwen eu woezon alle diensten te bewijzen, waartoe do godsvrucht verplicht. Meer niet, aliam non docemus pro mortuis curam gorere.
'2) De gewone tegonbodenkingen vermeldt uitvoerig on bevattelijk Brctschneidcr, Haiulb. dor Dogmat. II. S. 449 ft'., die do waarheid dor opstanding aanneemt. Desgelijks beknopt Uase, Hult. red. § 130. S. 345 f.
:1) Waarschijnlijk was dit werkelijk ouno twistvraag onder do Farizetin. Als gevoelen van sommigen wordt bij do Rabbijnen vermeld ; I^ono vrouw, die twoe mannen gehad hoeft iu dozo
644
§ 6. HET ONTZIELDE LICHAAM.
allen Sadduceën den mcnd stopt, daar IIij hunne betwijfeling van de opstanding aan hunne onkennis van de Schriften en van de kracht Gods wijt, terwijl Hij tevens verklaart dat bij de opstanding geen trouwen te pas komt, waardoor Hij met eenmaal de farizeesche verzinnelijking van de Goddelijke waarheid verwijdert. Maar Hij vergeestelijkt de opstanding niet, het is Hem eene werkelijke opstanding, opstanding der dooden, vs. 30 en 31.
De opwekking der dooden is zaak des geloofs en niet des verstands, moet geloofd en kan niet begrepen worden.
De dooden zullen opstaan. Het is eene opstanding, niet eene Sociniaansche schepping van nieuwe lichamen, maar opwekking en vernieuwing der oude lichamen in onverderfelijkheid. Op staat wat gevallen is. Vele lichamen van menschen zijn echter door beesten verslonden of ook door anderei menschen opgegeten, vele bij deeltjes en stofjes verstrooid. Daaruit zal elks eigen lichaam worden hersteld. Wie zal 't begrijpen ') ? Maar het geloof zegt:
wereld, wordt aau den eersten wedergegeven in de toekomende wereld Meyer, Kommentar zu Matth. 22 : 30. Von Gerlach, zu Matth. 22 : 28.
') Ook Luther, bij zijn vast geloof aau do opstanding, zag de bezwaren voor het vorstand niet voorbij. Hij zegt er van ; Linon fresson dio wildon Thiero, den anderen friszt das Suhwert; dieser hlszt oin Bein in üngarn. jener wlrdmitPeuer verbrant; den verzehron die Würmer In dor Erde, jonen die Fiscbe im Wasser u. s. w. Da wills sebwer seyn, zu glaubon, dasz der Mensch wiedorum loben soli, und des Menschen Glioder, die so weit von einandor zorstrouet, zu Aschon und Pulver gomacht werden, im Pouor, Wasser, Erdo, wiedorum zusaminen kommen sollen. â Wenn mans uach der Vernunft ausrechnon will, so lüszt siohs ansubon, als sny dieser Artikel von der Auforstohmig
645
§ C). HET ONTZIELDE LICHAAM.
Dit leert en bewijst ons dat do herstelling des lichaams niet door natuurlijke oorzaken, niet door eene langzame, voortgaande ontwikkeling van een nieuw lichaam uit het oude geschiedt, maar door eene daad van Gods almacht ')⢠Voorts is daarbij iedere grofzinnelijke verbeelding verre te houden en wél te bedenken dat de staat der opgewekte onsterfelijke lichamen ganschelijk verschilt van den tegen-woordigen toestand in de sterfelijkheid.
Alle twijfelingen moeten wijken voor de Schriften en de bezwaren verdwijnen voor de kracht Gods (Matth. 22 ; 29), bij wien alle dingen mogelijk zijn, namelijk die Hij wil; en Hij wil de dooden opwekken naar luide van zijn eigen onfaalbaar Woord. Zou Hij 't niet kunnen ? Hij die geheel de wereld uit niet heeft geschapen, die Adams lichaam uit het stof der aarde. Eva uit eene rib van Adam heeft geformeerd, en die jaarlijks in de lente het gelaat des aardrijks vernieuwt en in planten en dieren voortgaande wisselingen en overgangen werkt
der Todton ontwedor gar nichts, oder docb ganz ungowisz. Walch. Ausg. VIII. S. 989.
') Do niouwero opvattingen teokont Ilasc, Hutt. red. 3te Aufl. S. 2-1:0 aldus : Die llationaliston und dio klrchlich-pliiloscphischen Dogmatiker halten dio Auforstehnngslehre bei Christo ftir Accommodation oder volksthümlichos Bild der Unstorblichkeit, bei Panlo für phamtliscbcs Dogma; überall nur Sinnbild einos roin geistigon Fortlebons oder eines sogloich mit dem Tode sich entwickelnden vollkommoncn Organs der Seele.
Biedermann, Dogmatik § 995 oordeelt : Die Wahrheit in der Lohre von der Auferstchung des Leibes ist : Subject der Seligkelt oder Unsellgkeit ist zwar nur das leb als Geist; aber das Suh-strat, Ausdruk und Organ, des ewigen Lebens is dio Totaliteit des natürlicbon, sinnlicben, rüumlicb-zeitlicbou Daseinsprocesses dos Menschcn.
646
§ 7. GELIJKTIJDIGE OPSTANDING.
on leven uit den dooden doet ontstaan ? Wij mogen dan wel met Paulus (Hand. 2G : 8) vragen: fVat? wordt het hij ulieden ongeloofelvjk geoordeeld, dat God de dooden opwekt ?
§ 7. Gelijktijdige opstanding.
1. De dooden zullen gezamenlijk opstaan bij de wederkomst van Christus ten oordeel. Slechts ée'ne eenige zichtbare wederkomst van Christus is er te wachten, namelijk om te oordeelen de levenden en de dooden; en Dij komt niet ter aarde neer, om hier als Koning met zijne heiligen te regeeren, maar op de wolken komt Hij als Rechter. En komende, wekt Hij al de dooden op en verandert de levenden in onverderfelijkheid. Dus eéne wederkomst des Ileeren en ééne opstanding der dooden.
Dat is de oud-protestantsche leer, besliste tegenspraak tegen de droomerijen der Chiliasten gt;), die, grof of fijn, een duizendjarig rijk dor levende en der in de eerste opstanding opgewekte vromen stellen, terwijl Christus, do Koning, hier dan zelf op aarde lichamelijk aanwezig zou zijn.
Naar do gezonde leer hebben wij wol de zegoviorendo uitbreiding van het Godsrijk over de goheelo aarde te wachten, maar ten eerste geene afzonderlijke opstanding van martelaren en andere rechtvaardigen, en ten tweede geen lichamelijk verblijf van Christus bij hen op aarde eeuwen lang als zichtbaar Koning.
') Over do Wederkomst vau Christus is gehandeld bij Zijne Verhooging, Dertiende Hoofdstuk § 20. Over het Chiliasme bij Zijn Koninkrijk, Elfde Hoofdstuk § 37.
647
§ 7. GELIJKTIJDIGE OPSTANDING.
In onze dagen is het Chiliasme wijd verspreid, niet alleen bij allerhande sekten, maar ook in kerkelijke kringen ')i hoe onkerkelijk het ook is {Elfde Hoofdstuk § 37). Sedert J. A. Bengel heeft het zich meer en mcer) hoewel verschillend gewijzigd, onder tal van Theologen gevestigd, en de moderne Orlhodoxio hoeft het op voorgewende schriftuurlijke gronden in de Eschatologie weten in te voegen. Philosopliische Theologen hebben er dan op menigerlei wijze over gephantaseerd. Bij het algemeen eclrcr heeft hot voornamelijk ingang gevonden in dien vorm, in welken het door Kurtz, Dachsel en Mühe is voorgesteld ^1).
Ook ran Oosterzee is in dit spoor getreden. Hij ziet in de Schrift meer dan ééne opstanding voorspeld, eerst cene gedeeltelijke, daarna eene volstrekt algemeene, deze van rechtvaardigen en onrechtvaardigen s). De eerste opstanding geschiedende gelijktijdig met Christus' wederkomst, eene wederkomst op aarde, waar [lij als Koning wordt ingehaald »). Dan het Duizendjarig rgk : zegevierend
') IK. llohnert, Kircbo, Kirehcu und Sokten. Loipz. 1888. S. 274 f.
â¢0 Dezelfde, S. 277â280.
â¢'') Van Onsterzee, Christel. Dogmatiek 11. p. 540.
') De zei dc, p. 555. De gelouvigeii die deze verschijning van Christus op aarde beleven, worden zonder sterven veranderd, en da gestorvenen, die opgewekt zijn, leven en heerschnn nu met Christus op aarde. Kn het schijnt dat deze uitgelezenen zeiven, in wat vorm ook, mede deel hebben aan het doorloopend gericht, dat de verheerlijkte Koning van het Godsrijk bij en door zijne verschijning voltrekt. Aldus Van Oosterzee. Naar do Duitschcrs. Vorgel. Dr. J. T. Beek, Dio Volloudung dos Roiches Gottos. Horaufgug. vou Jul. Linden-mcyer, Güttorsloh 1887. S. 52 ; Die erste Auferstehung (Apokal.
648
§ 7. GELIJKTIJDIGE OPSTANDING.
Godsrijk op aarde vóór het einde ')⢠Vóór het iaatsle oordeel de tweede volstrekt algemeene opstanding van goeden en boozen i).
2. Maar do Schrift spreekt nergens van twee lichamelijke opstandingen, nergens van eene lichaams-opstanding der rechtvaardigen vóór de algemeene opstanding. De plaatsen, die men er voor bijbrengt, bewijzen het niet.
a. Zoo Luc. 14 : 14: Wat gij mot zelfverloochening uit liefde aan iirmen doet, het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen. Niet in het minst duidt Christus daar aan, dat dit eene opstanding is die de algemeene voorafgaat; de tijdsopvolging kwam hier geheel niet in aanmerking ; hier waar Hij heenwijst op de genade en eere voor degenen, die Hem in zijne armen hebben geëerd, kwam alleen te pas, de opstanding dor rechtvaardigen te noemen, waarin zij deelen; met tegenstelling en onderscheiding, niet in tijd maar in aard en vrucht, van de gelijktijdige opstanding der goddeloozon. Joh. 5 : 29.
b. Ook dient opgemerkt, dat 1 Kor. 15, waar anders uitvoerig van de opstanding wordt gehandeld, geheel niets gewaagt van eene dubbele opstanding des vleesches. Vers 23, waarop men zich beroept, is er niet vóór maar togen. Allen, zegt Paulus v. 22, ztdlen in Christus levend gemaakt worden. 23. Maar een iegelijk in zijne orde, de eersteling Christus (als eersteling is Christus levend gemaakt), daarna (zullen levend gemaakt worden) die van Christus zijn in
20 ; 5) kann nicht anders als von leibliuher Auferstehung verstanden werden. Diese erste Auferstehung erfolgt eben als Einleitung der tausendjahrigen Regierung init Christo.
') Van Oosterzee, a. vv. p. 556.
2) p. 559.
649
§ 7. GELIJKTIJDIGE OPSTANDING,
zijne toekomst. Hier wordt bepaald geleerd, dat de opstanding der geloovigen eerst geschiedt in verband met de wederkomst van Christus, en dit is zijne komst ten laatsten dage, blijkens vs. 24 en v. 2G. Dus eerder heeft de opstanding der rechtvaardigen geen plaats dan bij de algemeene; zelfs dat in die algemeene opstanding de vromen vóór de goddeloozen worden opgewekt, kan men uit 's Apostels woorden niet afleiden. Hij spreekt, hier, naar zijn doel, tot bemoediging der Christenen, alleen van de opstanding der rechtvaardigen. Hij vermaant tot geduld. Iemand kan zeggen: Christus is wel uit het graf opgestaan, maar u-ij verrotten er. Paulus antwoordt: God heeft een orde gesteld; het zij ons genoeg, dat xvij nu in Christus den eersteling hebben ; voor ons zal echter zijne komst de tijd zijn om ojj te slaan*). Geheel willekeurig is hot, wanneer de Chiliasten tusschen v. 23 en 24 het duizendjarig Rijk inschuiven.
c. Ook 1 Thess. 4 : 10 bewijst niet maar weerspreekt de vermeende opstanding dor rechtvaardigen vóór de algemeene. Immers de Apostel verbindt ze ten duidelijkste mot de wederkomst van Christus ten oordeel. Ook hier, waar hij do bedroefde en rouwdragende Christenen er mee wil troosten, spreekt hij alleen van de opstanding der rechtvaardigen en laat die dor goddeloozen ter zijde *). Want de lleere zelf zal met een geroep, met de stem des Archangels en met de bazuine Gods nederdalen van den hemel, en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst op-
') Calvin. Commentar. op 1 Kor. 15 : 23.
2) Do reprobis tacet, quia uihil hoo ad piomm cousolaliouoai, in qua uuuc vorsatur. Calvin. Coiumuut. op 1 Thess. 4 : 1(!.
650
§ 7. GELIJKTIJDIGE OPSTANDING.
staan. Dit zegt niet eens dat alsdan de Christenen vóór de goddeloozon opstaan; neon, maar xóór dc verandering der dan nog levenden, blijkens v. 17, en deze heeft plaats bij de algemeene wedergeboorte (Matth. 19 : 28), bij do vernieuwing van hemel en aarde.
d. De voorstanders van eene opstanding vóór de algemeene opstanding gronden zich voornamelijk op Openb. 20 : 4â6, de eenige plaats, waar de uitdrukking de eerste opstanding (v. 5 en 0) voorkomt.
In het profetisch gezicht v. 1â3 wordt voor de vervolgde en lijdende Christenen op handtastelijke wijze, namelijk door het vertoon van de binding des Satans gedurende duizend jaren, de verzekering gegeven, dat er na de hitte der verdrukking een tijd van verkoeling en verademing zou komen.
Maar wat hadden die daarvan en wat was het deel van hen, die nog vóór dezen tijd, nog inmiddels onder de vervolgingen stierven ? Zoo mochten zij wel vragen, die nu in de verdrukking waren en voor wie het dagelijks was schrik van rondsom. Hun ten troost dient v. 4 âG, eene tusschenvertooning van het leven en de heerlijkheid der vermoorde en aller in den Heere gestorvene geloovigen: daartoe zouden ook zij, bij getrouwheid worden verheven. In eene plechtige gerechtszitting wordt de uitspraak gedaan, dat de getrouwe getuigen met Christus zullen leven en heerschen.
Johannes ziet tronen, rechterstoelen, op welke zich rechters plaatsen, vertegenwoordigers der Kerk, aan wie de de rechterlijke volmacht is gegeven om over de strijders en lijders te oordeelen en don getrouwen hunnen genadeloon toe te wijzen. De beoordeeling, het onderzoek gaat
651
§ 7. GELIJKTIJDIGE OPSTANDING.
over de martelaren, de bloedgetuigen, die onthoofd waren om *de getuigenis van Jezus en om het Woord Gods, voorts over alle getrouwe belijders, die het Beest en deszelfs beeld niet aangebeden hadden en die het merkteeken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hunne hand.
En wat is het lot dat dezen wordt toegewezen ? Zalig leven en heerlijkheid. Johannes ziet het, zij worden hem in dit gezicht zoo vertoond: zij leefden en heerschten als koningen met Christus de duizend jaren. Zij, te weten de onthoofde martelaren en al de in den Ueere gestorvene getrouwe belijders, zij leefden ; niet: werden levend, niet: zij ontvingen wederom een lichaam, maar: zij leefden, met nadruk gezegd van liet ware leven, zij leefden zalig, en wel van het oogenblik huns doods aan, want als pas gestorvenen worden zij hier voorgesteld. Zij leefden zalig, in den hemel bij Christus (want dat zij met dezen op aarde waren, wordt in het minst niet aangeduid) en heerschten vandaar met Hem als koningen gedurende de duizend jaren, want de leden des Hoofds deelen in zijne regeering, daar zijn wil ook hun wil is.
Zoo diende dit gezicht van Johannes voor degenen, die alsnog in de verdrukking waren, tot krachligen genoeg-zamen troost: na hunnen dood wierd hun ten deel zalig leven, eer en heerlijkheid. Het wordt vertoond als reeds geschied.
852
Vers 5. Maar de overigen der dooden werden niet tveder levend (naar de rechte lezing '): leefden niet), totdat
i \ «i * 1) met
§ 7, GELIJKTIJDIGE OPSTANDING.
de duizend jaren geëindigd waren. Dat zijn de gestorven goddeloozen ; dezen waren verstoken van liet leven, van het ware, zalige leven der leden van Christus, van wie gezegd was : zij leefden. Zij waren niet vernietigd, maar waren in de hel, waar het geen leven is ; totdat de duizend jaren geëindigd waren, hetwelk niet zegt dat zij daarna wél (zalig) leefden, neon, zij hadden nu hunne voorloopige straf (naar de ziel), in afwachting van de laatste beslissing (ook naar het lichaam), die vs. 12 v.v. beschreven slaat.
Van den gelukstaat, tot welken Johannes de bloedgetuigen en trouwe belijders vs. 4 verheven ziet, zegt hij vs. 5 : Deze is de eerste opstanding, en vs. 6 : die deel hebben in de eerste opstanding, over dezen heeft de tweede dood geene macht.
De eerste opstanding is geene lichamelijke opstanding, maar zinnebeeldig dus genoemd : 't is de overgang dor getrouwen aanstonds na hunnen dood tot het zalig homolieven, namelijk met hunne ziel, terwijl het lichaam achter blijft, 't is hunne verhooging uil de smadelijke nederigheid en doodelijke ellende tot don staat van zaligheid en heerlijkheid. De eerste opstanding wordt zij genoemd, wijl het de overgang is tot de eerste stadie van zaligheid, waarna eens mot de eigenlijk genoemde opstanding, namelijk des lichaams, do tweede stadie, de heerlijkmaking van den ganschen mensch volgt.
653
Hel tegengestelde van de eerslo opstanding is de tweede dood, dat is naar vs. 14 de rampzaligheid in de hel, in den poel des vuurs ').
') Hengslenhen], Diü Offoubai'ung dos II. Johanues II. 1. S. 369 f. S. 381 ff.
§ 7. GELIJKTIJDIGE OPSTANDING.
Zoo wordt dan voor do martelaren en trouwe belijders, voor alle geloovig gestorvenen toegezegd de dadelijke overbrenging hunner zielen in hot zalig en heerlijk hemel-leven, waarop daarna ook de heerlijkmaking des lichaams volgt, terwijl de andere gestorvenen, de goddeloozen, van het hemelleven verstoken blijven en aan den tweeden
Ouder anderen erkent ook Van Marei:, March XXXII. 28 do zinnebceldigo botcokcnis van de eerste opstanding. De duizend jaren zijn bom een lauge en omtrent duizendjarige tijd, welks begin volgons hom verschillend kan worden bepaald, van Con-stantijus hoorschappij of vroeger, wanneer de Satan meer dan te voren door Christus is gebonden geweest, dat hij op de oude wijze de volkeren niet verleidde, en wanneer de bloedgetuigen en andere geloovigen ten aanzien van hunne zielen met Christus ïN den hemel HEBBEN GEiiEEiisCHT, zonder uitsluiting van de volgende eeuwigheid, terwijl de anderen ook in dezen gelukkigen tijd niet weder levend wierden, of door bekeering hier op aarde of door gelukzaligheid in hunnen dooi), die een rechte voob.bode is van eene voLZALXGE opstanding. Dit wordt nader aangetoond door March, Commentar. ia Apocalyps. XX. § 15. 16 ; Op het zalig leven der ziel volgt ten jongsten dage het andere leven, dat van den gamchen mensch, ivaar door de herstelling des lichaams de geheele mensch uit de verderfenis uitgerukt zal u'orden ; dies boot de overgang tot het eerste leven te recht de eerste opstanding, voorspel en zeker onderpand van de tweede. â
Door de eerste opstanding te verstaan do bekeering, de opstanding uil den dood der zonde (aldus ook on/.e Kantteelcenaars) past hier niet, hoe gewoon anders ook in de Schrift door o/wto't-ding do overgang tot een nieuw, geestelijk leven wordt beteokend (Efez. 5 : 14 en elders). Immors de bloedgetuigen hadden door hunnen dood hunne trouw bezegeld, waren bekoeld en uit den geestelijken dood opgestaan, en bet loven, dat bun hier toogokend wordt (v. 4: zij leefden), is hot leven na hunnen lichamehjkou dood, het zalige, heerlijke in den bemol.
654
§ 1. GELIJKTIJDIGE OPSTANDING.
dood, de eeuwige verdoemenis worden overgegeven, waarlegen de gezaligden beveiligd zijn ').
Geheel dit voorstel heeft ten dool, de Christenen in hunnen harden strijd en bij het dreigen van den marteldood tot onwrikbare standvastigheid en trouw te bewegen door de verzekering en vertooning van het zalig on heerlijk leven dat hen, zoo zij ten einde too volhardden, in don hemel wachtte. Van eene lichamelijke opstanding der rechtvaardigen vóór de algemeene opstanding is geen sprake.
En dit is het punt, waarop hot ons hier aankwam en om welks bevestiging het ons te doen was, daargelaten overigens do verschillende opvatting dor Duizend jaren 1).
655
1
) Eenigen nemen deze duizend jaren (als eou onbestemd getal) voor den geheelen tijd van de eerste komst van Christus tot zijne tweede, vennoldon (afkeurend) onze Kantteekenaars op Openb. 20 : 3 ; also das game Erlösungszeitalter mit der groszen Man-nigfaltiglceit vieler einzelner Kreignisse, Entwickelungen und Begehen-heiten zogt W. liohnert, Kirche, Kirchon und Sekten- 1888. S. 285. Sommigen, ondorstellondo, dat in do profetische taal oen dag staat voor een jaar, nomen aan dat hot zoogouaamde millennium moet duren 3(35000 jaren zegt Ch. Hodge, Systomat. Theol. III. p. 859. Waartegen Hengstenberg, Ofl'enb. .loh. II. 1. S. 35o aan eigenlijke duizend jaren (waarvan zesmaal wordtgewaagd) vasthoudt, doch zonder scherpe begrenzing van begin en einde.
§ 7. GELIJKTIJDIGE OPSTANDING.
Onze Staten-Ooerzetters teekenen dan ook op Openb. 20 : 1 te recht aan: Het strijdt tegen het artikel van de opstanding uit de dooden, dat zoovele millioenen van martelaars, als er in de ivereld zijn geweest, in het hegin van deze duizend jaren alleen zouden opstaan, en in deze wereld zonden blijven leven, gelijk sommigen nteenen, of tol Christus in den hemel met hunne lichamen alleen zouden opgenomen worden, gelijk anderen van hen gevoelen : alzoo de Schriftuur alom getuigt, dat al de dooden tegelijk, en eerst ten laasten dage, zullen opstaan. Joh. 5 : 28. 6 : 44. 11 : 24. 1 Kor. 15 : oi. 1 Thess. 4 : IC. Openb. 20 ; 12, 13,
Ondor dogenon, die de duizend jaren (of daaromtrent) letterlijk uomou, stellen soinmigon zo ala roods gepasseerd. Zoo de oudprotestantsche Kerkleoraren, bijzonder de Luthersche; niet zoo algemeen do Gereformoerde {Wolf Curae V. p. 567 ad Apooal. XX.), doch wél ouzo korkolijko Slaten-Overzetters. In-tusscben beerscht daarbij voel onzekerheid en verschil, van waaraan men hot begin dor du'zend jaren moot rokenen. Ook onze Staten-Overzetters beslissen niet, blijkens hunne Kautteekening op Openb. 20 : 3, doch bollen er toe over het begin te stellen onder Gonstantijn den Groote (aanvang der 4de eeuw), lleng-slenberg, Ofionb. Joh. II. 1. S. 353 rekent van 800 aan, van de kroning van keizer Karei den Groote, tot omtrent 1800.
Auderen houdon hot millennium voor nog toekomstig, en dat zijn do eigenlijke Chiliasten, hetzij met eono grofzinnelijko, materialistische of eono meor geestolijko on subtiele voorstelling. Do Engelsman W. Whitton, Ariaansch Theoloog, in do mathesis leerling van Isaac Newton, stelde het begin van het lOOOjarig rijk nog voor 1766; J. A. Dengel rekende op 1836 ; naar Dachsü zal de wereldsabbat in deu jare 1995 beginnen.
Met Auberlen, Holmann en anderen houdt ook Luthardt do j4oo vast van eou toekomstig duizendjarig rijk nog vóór do vol-
656
§ 8. ALGEMEENE OPSTANDING.
§ 8. Algemeene opstanding-
1. Opstaan zullen allen die gestorven zijn. Dus Henoch en Elias niet, want dezen zijn niet gestorven. Ook niet die bij het aanbreken van den jongsten dag nog leven (§ 9), want dezen sterven niet en worden niet tot stof, maar ondergaan eene plotselinge verandering tot onverderfelijkheid. Desgelijks niet de opgewekte heiligen (Matth. 27 : 52, 53), wier graven bij het scheuren der steenrotsen, waarin zij gehouwen waren, geopend werden toen Christus stierf, en die na zijne opstanding in Jeruzalem kwamen en, om den geloovigen kennis van dit wonder te geven, aan velen zijn verschenen: ook dezen zullen niet onder de opstandelingen zijn van den grooten dag, te weten, indien
einding dor oeuwen on verklaart ook in zijn Kompondium § 78. 4 :
Es ist unmöglich, dieses Reich in die Varganyenheid zu verlegen. Doch het staat te vragen, zegt hij, of de eerste opstanding alleen op de martelaren zich uitstrekt, zooals velen aannemen, dan mei op alle geloovigen, hetwelk juister is; voorts, of de opgewekten in den hemel, naar de gewone voorstelling, dan wel op aarde, hetgeen richtiger is, met Christus vereenigd zijn, ivaaruit trouwens zwarigheden ontstaan, welker oplossing thans nog niet mogelijk is.
Het laatst gestolde goval is geheel verwerpelijk. Dan immers zou de zogopralonJe Kerk of althans oen doel van haar op do vernieuwde aarde zich veroonigou met de strijdende, wier ledeu nog in hot sterfelijke lichaam wandelen â door Hengstenberg, Offonb. Joh. II. 1 S. 379 to recht genoemd eine ganz monströse Vermischung des Unvereinharen.
Naar Dr. Ed. Böhl, Dogmatik. 1887 S. 429 is de binding dos Satans Oponb. 20 : 1â4 reeds geschied en geschiedt voort-gaaudo daar waar het quot;Woord regeert en het blood van Christus als hot ware paschabloed op do deurposten des harten is gebracht. Bogonnon na de verwoesting Jeruzaloms. S. 597 : Es Gravemcijor, Gorof. Gel. leer. III. 42
657
§ 8. ALGEMEENE OPSTANDING.
zij niet weer gestorven maar te zijner tijd met hunne opgewekte lichamen naar den den hemel opgenomen zijn. Hierover is verschil van gevoelen, Mattheus zegt noch het eene noch het andere. Edoch in de woorden: zij kwamen in de heilige stad en zijn velen verschenen ligt wel eenigs-zins eene aanduiding, dat zij daarna spoedig weer zijn verdwenen.
Calvijn zegt: Dat zij lang onder de menschen hebben verkeerd, is niet waarschijnlijk: immers het behoefde maar een kort vertoon van deze herleefde dooden, om de levendmakende kracht van Christus af te spiegelen. Daar echter God bij de levenden de hope des hemelschen levens wilde bevestigen in hun persoon, zoo is er niets ongerijmds in, wanneer wij zeggen, dat zij, na deze taak te hebben volbracht, wederom zijn ontslapen. Waarschijnlijker nochtans is dit, dat het leven waarmee zij zijn begiftigd, hun daarna niet weer is ontnomen: want ware het sterfelijk geweest, dan kon het geen bewijs zyn van wezenlijke opstanding i).
gibt hein anderes tausendjahriges Reich, als das, in dem wir seit Christi sieghafter Ilimmelfahrt schon leben.
Wij morken Mor alloen nog dit aan. 1. Duizend jaren Openb. 20 is symbolisch gozogd, van eene grooto tijdruimte. Itnmors geheel dit voorstel is vol van zinnebeelden : sleutel, keten, zegel, merkteeken aan voorhoofd en hand, wie zal dat letterlijk vatten ?
2. De heerlijkheid der duizend jaren vijzelt men te hoop op; dies vindt men dit vrederijk niet in 't verleden en verwacht van de toekomst wat deze niet brengt.
3. De Openbaring van Johannes is geene kroniek dor toekomst, geen geregelde naar tijdsorde voortloopende profetische historie, maar bestaat uit zelfstandige tafereelen, die elkander aanvullen en den strijd en de zegepraal van het Rijk Gods schetsen, troostboek, zondagsboek voor de verdrukte geloovigen.
') Calvin. Commentar. in Matth. 27 ; 52.
658
§ 8. ALGEMEENE OPSTANDING.
2. Overigons zullen al de dooden opgewekt worden, van alle volk, geslacht, ouderdom en staat, beiden de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen. Dat belijdt onze Kerk. Alle memchen, zoowel mannen als vrouwen en hinderen die van den beginne af tot het einde toe zullen geweest zijn. â â Al degenen die gestorven zullen wezen, zullen uit de aarde verrijzen, de zielen te zamen gevoegd en vereenigd zijnde met haar eigen lichaam, in hetwelk zij zullen geleefd hebben. Nederl. Belijd. Art. XXXVII. Dat leert de Schrift met eene beslistheid die
Brakel, Red. Godsd. 11. p. 716 zondert van de toekomondo opstanding beslist uit degenen, die na Christus' opstanding uit de graven zijn opgestaan. Aldus ook March, Compend. XXXIV. 15 (doch in het Merch XXXIV. 15 zegt hij: waarschijnlijk); hij voegt er ook Mozes bij, zie De Moor, Commontar. VI. p. G42, die het niet onwaarschijnlijk acht dat do getuigen van Christus' doodsoverwinning levende met den lichamo in den hemel zijn opgenomen (p. 641). Vergel. Delitzsch, Bibl. Psychologie S. 414, die ook de opneming stelt.
Andoren oordeelen dat zij wederom gestorven zijn. Zoo reeds Euthymius Zigabenus : sptpxviTÃévTss ttxKu sxoiftyOyvxv. Aldus ook Fr. Ridderus, Schriftuurl. Licht IV. Deel p. 368, op Matth. 27 : 52. Desgelijks Dr. A. Kuyper, Heraut. 1889 No. 594. Maar het is misverstand wanneer men deze »heiligenquot; uit den voortijd gelijk stelt mot hen, die kort na hun sterven werden opgewekt en aan hunne lieven wedergegeven, als Jaïrus' dochter, de jongeling te Naïn, Lazarus. Dozen zijn ongetwijfeld op hun tijd weer gestorven.
Rationalisten, ook Meyer in zijnon Kommentar houden geheel dit verhaal voor een verdicht vertelsel, mythus, als belichaming van de waarheid der zegepraal over den dood door Christus. Olshausen i. 1. wijst daartegen op die grosze Zeitnahe, die die Aushildung von Mythen vor Zeitgenossen nicht zuldst. Voorts worden belangrijke apologetische wenken gegeven door Van Oosterzce, Levon van Jezus III. Dool (1851) p. 369. v.v.
659
§ 8, ALGEMEENE OPSTANDING.
geen tegenspraak lijdt. Het behoorde tot het geloof van den rechtzinnigen Israëliet, waarvan Paulus in zijne verantwoording voor Felix belijdenis deed; Hand. 24 : 15. Hebbende hoop op God â â dat er eene opstanding der dooden wezen zal, beide der rechtvaardigen en der onrecht-vaardigen. Ook de opstanding der onrechtvaardigen, der vijanden van Gods Rijk en volk is een voorwerp van de hope des geloovigen, wegens het oordeel dat er op volgt. Johannes zag Openb. 20 : 12 de dooden, klein en groot, (geringen en machtigen) staande (dus opgewekt) voor God â â en zij werden geoordeeld naar hunne werken. Christus zelf heeft verkondigd dat de rechtvaardigen en de goddeloozen samen zullen opstaan. Joh. 5 : 28, 29: Be ure komt, in ivelke allen die in de graven zijn, zijne stem zullen hooren, En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis.
Ten tijde der Apostelen was er onder de Farizeën, die tegen de Sadduceën de opstanding krachtig voorstonden, eene nieuwe partij, die, volgens Josephus, beweerde, alleen de rechtvaardigen zouden tot eene opstanding des lichaams geraken, en het kan zijn dat Paulus Hand. 24 : 15 juist daarom zoo nadrukkelijk de opstanding beide der rechtvaardigen en der onrechtvaardigen belijdt i).
Ook bij de latere Joden is hierover verschil van gevoelen.
660
Sommige Rabbijnen leeren dat alleen de rechtvaardigen zullen opstaan 1) terwijl de goddeloozen dood blijven, naar
1
) Fr. Spanheim, Controversiar. Eleuchus. 1694. p. 611. sq. Eisenmenger, Entdecktos Judonthum II. S. 910. ff.
§ 8. ALGEMEENE OPSTANDING.
Ps. 1 : 5. Jes. 26 : 14. Aldus ook de beroemde David Kimchi (f 1232).
De Socinianen willen niet gerekend worden voor loochenaars van de opstanding «). Doch daar hun de dood is eene nietaanwezigheid, ontkennen zij metterdaad de wederopstanding des lichaams, want hetgene niet meer aanwezig is kan niet wederopstaan; dies stellen zij de schepping van nieuwe lichamen. Sommigen sluiten de kleine kinderen en alle ongeloovigen en goddeloozen hiervan uit2).
Ook de Remonstranten 3) zijn het hierover onderling niet eens. Sommige nemen aan, dat wel die goddeloozen, die het Evangelie gehoord maar hardnekkig verworpen hebben, zullen opstaan ter eeuwige pijn, maar niet degenen die zonder kennis van het Evangelie en van de beloften des eeuwigen levens zijn gestorven, zullende dezen eeuwig dood blijven. Andere Remonstranten houden eene volstrekt algemeene opstanding vast, ook van alle goddeloozen i).
Voor eene opstanding der boozen en ongeloovigen is er vanzelf ook geene plaats bij de leer der zoogenaamde conditioneele onsterfelijkheid, onsterfelijkheid onder conditie van bekeering en geloot in Christus, dus afhankelijk van het gedrag des menschen, waarnaar de ziel dergenen die zich blijvend tegen Christus verharden, niet onsterfelijk zou zijn maar vernietigd worden. Eene Sociniaansche
') Catoch. Racov. ed. Oeder. p. 954.
*) Spanhem. Elenph. q. 252 sq. P. Van, Mastricht, Godgol. IV. p. 511. Brakel, Red. Godsd. II. p. 737. v.
â 1) De Moor, Commentar. in Marck. Pars VI. p. 683.
4) Zoo bijzonder, met klom van redenen Phil, 'a Limborch, ïheol. Christ. Lib. VI. Cap. XI. 9. sqq.
661
662 § 9. DE LEVENDEN VERANDERD.
idee, nieuwelings weer opgenomen en aangeprezen door zoodanigen, die de vernietiging van millioenen zielen, persoonlijke wezens waarschijnlijker achten dan een eeuwig lijden van zoo velen. Tegen de nadrukkelijke getuigenissen van Gods Woord, inzonderheid tegen Christus ontzaglijke uitspraak Joh. 5 : 28, 29, boven aangehaald, van de opstanding ten leven en ter verdoemenis.
§ 9. De levenden veranderd.
Christus zal komen om te oordeelen de levenden en de dooden, zooals 'm de Twaalf geloofsartikelen na.Sir de Schr'dl (2 Tim. 4:1) door de Christelijke Kerk beleden wordt. Met de opgewekten zullen degenen, die dan nog op de aarde in leven zijn, te zamen voor Hem vergaderd worden. Maar aan dezen zal iets bijzonders gebeuren. Met het wonder van de opwekking der dooden zal een ander verbazend wonder gepaard gaan, eene plotselinge verandering van de lichamen der levenden van verderfelijk in onverderfelijk, zonder te sterven.
Dit geheim had de Heere aan Paulus ontdekt en deze deelt het ons mede 1 Kor. 15 ; 51: Ziet, ik zeg u eene verborgenheid, eene zaak aan geen Profeet of Apostel, aan geen mensch tot nog toe bekend, eene gedachte in God, een voornemen, een raadsbesluit in den Allerhoogste, voor geen schepsel uit te denken, en kenbaar alleen door bijzondere openbaring : Wij zullen wel niet allen ontslapen, maar ivij zullen allen veranderd worden â¢). 52. In een
') TrtivTh ph ou xoiwêyiaó/Asêtx., TTCCVTS? Sà xhXtoyyamp;oftsix. Aldus do gewone lezing, dio de moeste getuigen hoeft, ook door
§ 9. DE LEVENDKN VEHANDERD.
punt [des tijdsj, in een oogenblik, met de laatste bazuin, want de bazuim zal slaan, en de dooden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden.
Paulus leert hier uitdrukkelijk, dat degenen die bij de toekomst van Christus leven, niet zullen sterven, maar veranderd worden.
Dit strijdt niet tegen Hebr. 9 : 27, dat het den menschen gezet is éénmaal te sterven. Want dit is gezegd van de gewone wet der natuur gedurende den loop der tijden en niet van hetgeen in het laatste van de wereld, in het einde des tijds. God aan sommigen zal willen doen. Ook zal deze verandering derzulken wezen in plaats van den dood (Kantteek.). Het zal een soort van dood zijn, wijl de verderfelijke natuur zal vergaan; het zal geen eigenlijke dood, geen ontslapen zijn, wijl de ziel niet uit het lichaam zal gaan: maar het zal een plotselinge overgang zijn van uit de verderfelijke natuur tot de zalige onsterfelijkheid').
Paulus spreekt hier tot en van de geloovigen, die het Koninkrijk Gods zullen beërven: zij zullen het beeld van Christus dragen. Hem gelijkvormig. Ook de lichamen der ongeloovigen en goddeloozen zullen onvergankelijk worden, maar niet heerlijk (§ 13). Van deze handelt de Apostel hier niet, het was hem om de geloovigen te doen.
Tischendorf aangeuomen (doch met weglating van [/.sv).
Geheel afwijkend de Vulgata: Omnes quidem resurgemus, sed non omnes immutabimur, volgens dien sommige Latynsche Kerkvaders en vele Roomschen stellen, dat allo meuschen, ook die bij de woderkomst des Heeron leven, voor oen korten tijd zullen sterven, ten einde aldus allen kunnen opstaan, blijvende do heerlijke verandering ouder dezo opsLaanden alleen het voorrecht dor vromou. De Moor, Commentar. in Marck P. VI. g. 680.
) Calvin. Commentar. 1 Kor. 15 : 51.
663
§ 9. DE LEVENDEN VERANDERD.
De verandering zal geschieden in een punt [des tijds], in een oogenhlik. Dus bij allen tegelijk ; ook sluit dit de gedachte uit, dat de levenden eerst nog zouden sterven ; en het duidt aan, dat de opwekking der dooden en de verandering der levenden gelijktijdig zullen plaats hebben en dat de levenden niet zullen vóórkomen degenen die ontslapen zyn, 1 Thess. 4 : 15. Dit blijkt ook hieruit dat het geschieden zal met de laatste bazuin (krijgssignaal tegen den laatsten vijand, den dood 1 Kor, 15 : 26; en vergaderingsteeken voor al de volken), ivant de bazuin zal slaan, 1 Thess. 4 : 16 : Want de Ileere zelf zal met een geroep, met de stem des Archangels en met de bazuine Gods nederdalen van den hemel; hetwelk is de stem des Zoons Gods welke allen die in de graven zijn hooren zullen Joh. 5 : 28, de stem des Almachtigen, die tot allen doordringt, het commando {y-sKsurr^ot), des grooten Konings, dat levenden en dooden gezamenlijk oproept om voor Hem te verschijnen').
En dan, in dienzelfden oogenhlik, zullen de dooden onverderfelijk opgewekt worden en wij zullen allen veranderd worden.
664
Wij zegt de Apostel, in tegenstelling tegen de dooden. Wij, die nu leven, namelijk zoovelen van ons dan nog tot de levenden behooren en niet tot de dooden, wij zullen niet opgewekt maar veranderd worden. Hierin ligt niet, dat Paulus dacht de wederkomst des Heeren te zullen beleven en dus niet te zullen behooren tot degenen die uit de dooden opgewekt worden. Immers 1 Kor. 6 : 14 zegt hij : God heeft ook den Heere opgewekt, en zal ons
') Vorgel. Dertiende Hoofdstuk § 22.
§ 9. de levenden veranderd.
opwekken door zijne kracht. Maar de Apostel kon zoo spreken, alsof hij en zjjne tljdgenoolen nog leven zouden bij de verschijning van Christus, zoo omdat zij toch reeds in de âlaatste dagen,quot; in de laatste bedeeling waren, als wijl geen schepsel wist wanneer de groote dag zou komen gt;)⢠En eindelijk, al beleefden zij het niet, hij en zijne geloovige tijdgenooten staan hier dan als vertegenwoordigers van de allerlaatste geloovigen die dan op aarde zijn zullen en van hen getuigt de Apostel: zij zullen veranderd worden.
Hij bevestigt de noodzakelijkheid dezer verandering, v. 53: Want dit verderfelijke (dit lichaam dat wij nu dragen) moet onverderfelijkheid aandoen (als een nieuw kleed, 2 Kor. 5 : 2 v.v.) en dit sterfelijk [moet] onsterfelijkheid aandoen. En de reden daarvan heeft de Apostel v. 50 verklaard: Doch dit zeg ik, broeders, dat vleesch en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid [niet.
665
De Apostel leert: Vergankelijke en onzuivere lichamen passen niet in het onverderfelijke Godsrijk, in don heerlijken staat des eeuwigen levens. Niet anders alzoo zal ons de ingang in het rijk van Christus openstaan, dan wanneer Christus ons naar zijn beeld zal hebben vernieuwd. Vleesch en bloed moet men dus verstaan van den tegen-woordigen staat des lichaams : met een lichaam, zoo als het nu is, kunnen wij niet ingaan in het rijk der heerlijkheid, voor de verheerlijkte ziel voegt ook alleen een
') â ut fideles omnibus horis parati essent. Calvin. Com-mont. 1 Thess. 4 : 15. En dio de verschjjning des Heoreu liefhebben, zullen haar niet verre stellen.
§ 9. DE LEVENDEN VERANDERD.
666
verheerlijkt lichaam: ook ons vleesch zal dan de heerlijkheid Gods deelachtig zijn, maar nadat het vernieuwd en levend gemaakt zal zijn door den Geest van Christus '). Want de zaligen zullen geen schimmen zijn, maar een lichaam hebben, doch verheerlijkt. Geen nieuw lichaam maar het oude vernieuwd: dat blijkt uit het aandoen: dit verderfelijke lichaam, dat wij hier op aarde hebben, zal zijne oude en sterfelijke conditie (hoedanigheid) afteggen en de onsterfelijkheid als een nieuw kleed en sieraad aandoen. En dit zal de verandering zijn, waarvan te voren is gesproken (Kantteek.). De levenden, die veranderd worden, zullen samen met degenen die opstaan, opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet in de lucht. 1 Thess. 4 : 17. Deze opening zelve duidt de verandering aan: de lichamen worden opgeheven en zweven omhoog, ontrukt aan de boeien van het aardsche en stoflelijke. Dan geschiedt de uitspraak des Rechters over al de voor Hem vergaderden, de bekroning der rechtvaardigden, de inleiding der gezegenden des Vaders in het Rijk der heerlijkheid. En alzoo verheerlijkt zullen wij altijd met den Heere wezen. Altijd, eeuwig, en niet slechts duizend jaren, herinnert Calvyn.
') Calvin. Oommontar. 1 Kor. 15 : 50. In zijnou Commont. op 1 Thess, 4 : 16 zegt hij : In nihilum redigitur haec caro, ut nunc est corruption! obnoxia. â â Qui dormiunt aliquo temporis spatio corporis exuunt substantiam: qui autoin subito innovabuntur, nonnisi qualitatom exuent. De gewone dood is eone scheiding der ziel van het lichaam, aflijvigheid; bij de verandering blijven ziel en lichaam vereenigd.
§10. DOOR DE ALMACHT GODS IN CHRISTUS. 667
§ 10- Door de Almacht Gods in Christus.
1. De dood scheidt ziel en lichaam. Na den dood is de ziel aflijvig. De opwekking is vernieuwende herstelling van elks eigen lichaam en hereeniging met de ziel. Nu is de vraag: in welk verband staat het nieuwe met het oude en hoe komt het tot stof geworden lichaam tot opstanding ? Dit is begrijpelijk dat over deze onbegrijpelijke zaak de gedachten zeer uiteenloopen. Wij staan hier voor een wonder. Zooveel is zeker: Niet door natuurlijke ontwikkeling uit eene kiem van het oude lichaam wordt de opstanding bewerkt, maar door een wonder der Almacht, door de kracht Gods in Jezus Christus.
a. Deze opstanding zal niet veroorzaakt worden door de natuur, alsof na verloop van zoo een tijd, door zulke bewegingen, verwisselingen en veranderingen, de lichamen wederom levend gemaakt zouden worden. Ook kan die niet teweeggebracht worden door Engel of eenige creatuur (veelmin kan de ziele zelve zich haar lichaam scheppen) gt;): maar 't is een werk der Almachtigheid, en daarom zal het geschieden door God, den Schepper van hemel en aarde, Die de dooden levend maakt en roept de dingen die niet zijn alsof zij waren, Rom. 4 : 17. En gelijk de Vaderde dooden opwekt en levend maakt, alzoo maakt ook de Zoon levend, die Hij wil. Joh. 5 : 21 1). 1 Kor. 6 ; 14 : En God heeft ook den Heere opgewekt, en zal ons opwekken door zijne kracht. Christus heeft zelf verklaard dat hij
1
) Brakel, Rod. Godsd. II. p. 735, Vorgel. dit Looeboek Dertiende Hoofdstuk § 22.
668 § 10. DOOR DE ALMACHT GODS IN CHRISTUS.
zal opwekken ten uitersten dage, Joh. G : 40. En dat de Heilige Geest daarbij werkt, leert Paulus Rom. 8:11, dezelfde Geest die in de geloovigen woont en hunne geestelijke vernieuwing wrocht. Immers in alles werkt de Zoon van den Vader door den Heiligen Geest.
b. Dus is de opwekking der dooden het werk van den Drieëenigen God, maar bij uitnemendheid het werk van Christus als den Middelaar en uitvoerder van Gods raad.
De Lutherschen stellende dat aan Christus' menschelijke natuur de Goddelijke eigenschappen zijn medegedeeld, vanwege de eenheid zijns Persoons, leeren, dat zijne menschheid door de haar medegedeelde Almacht de dooden zal opwekken. De Gereformeerden erkennen wel dat Christus als Godmensch de opwekking zal werken, naar beide naturen in hare onscheidbare vereeniging, zoowel naar Zijne menschheid, die immers zichtbaar en hoorbaar zal zijn, als naar zijne Godheid, die alleen de kracht bezit om levend te maken ; maar verwerpen het Luthersche gevoelen dat aan Zijne menschelijke natuur zou zijn medegedeeld de Almachtigheid van den Goddelijken Persoon en dat Hy daardoor de dooden zou opwekken i).
Dies past het te zeggen; het wonder der opstanding zal gewrocht worden door de kracht Gods in Christus. Zonder Christus geene opstanding. Hij, de Godmensch, zal door zijne Goddelijke en alvermogende kracht de opwekking der dooden en de verandering der levenden teweegbrengen, Fil. 3 : 21.
c. Dat de opstanding haren grondslag heeft in Christus,
') P. Van Mastriaht, Godgel. IV. p. 501. 513 v. C. Vitriuga, Doctrina Chriatianae Eelig. Pars IV. p. 148 aqq.
§ 10. DOOR DE ALMACHT GODS IN CHRISTUS. 669
leert Paulus nog nadrukkelijk 1 Kor. 15 : 22: Want
gelijk [zij] allen in Adam sterven, alzoo zullen [zij] ook in Christus allen levend gemaakt tvorden. Door Adams ongehoorzaamheid zijn alle menschen aan den dood onderworpen, den geestelijken, lichamelijken en eeuwigen dood; in Adam is er geen leven, is er niets dan dood ; in Adam zijn allen geestelijk dood, worden lichamelijk dood en, die in hem ten einde toe blijven, verzinken in den eeuwigen dood. In Christus is het leven. Die in Hem gelooven, zijn geestelijk levend, de lichaamsdood is hun geen dood meer en zij gaan door dood en graf het eeuwige leven in, met het levend gemaakte en verheerlijkte lichaam.
Paulus spreekt hier blijkens het voorafgaande wel voor het naast alleen van degenen die in Christus gelooven en op Christus zijn hopende en dienvolgens door Hem opgewekt worden. Maar dit: allen zullen in Christus levend gemaakt worden, raakt ook de goddeloozen, in zoover wijl zij hierom levend gemaakt worden (niet heerlijk, doch onverderfelijk), ten einde Christus zich aan hen als Rechter betoone.
Al de dooden zullen dus wel opgewekt worden door Christus, maar met onderscheid van wijze en einde: de geloovigen door Christus als hunnen Middelaar en Zaligmaker krachtens die vereeniging, welke zij met Christus hebben, die hun leven is (Koï. 3 : 4) en die dat leven hun dan volmaakt mededeelt; de ongeloovigen door Hem als God en Rechter, eene opstanding der verdoemenis i). Joh. 5 ; 29.
) quae (rosurrectio) invitos trahat ad tribunal Christi, quom nunc audiro magistrum ot doctorom recusant. Calvin Instit. III. 25. 9.
G70 § 10. DOOR DE ALMACHT GODS IN CHRISTUS.
2. De opstanding is dan een wonderwerk der Goddelijke Almacht, der kracht Gods in Jezus Christus. En wel, het is eene werking des Heeren van buiten de dooden aandoende in één oogenblik: door het Woord zijner kracht, door Zijne stem, door Zijn machtig commando. Dit moeten wij vooral vasthouden, tegenover degenen die eene inwendige werking in de gestorvenen stellen, eene ontwikkeling en uitbrenging van eene in de gestorvenen reeds aanwezige levenskiem. Zonder grond beroept men zich hiervoor op Rom. 8:11: God zal uwe sterfelijke lichamen levend maken door Zijnen Geest die in u woont; alsof dit eene voortgaande levendmakende werking des Geestes ware, die zich in de opstanding des lichaams voltooide. De Apostel bedoelt: de nu in de geloovigen wonende Geest is hun een innerlijk onderpand «) van de zalige opstanding huns lichaams. De lichamen, die tempelen des Heiligen Geestes waren, zullen niet dood blijven.
Voor de leer van eene Kiem a) meent men bijzonder grond te vinden in hetgeen Paulus zegt van het graan, 1 Cor. 15 : 35 v.v. Maar van een kiem spreekt de Apostel
') De rechte lezing in Rom. 8 : 11 is: §/amp; to svoikoïiv xvtoü Trveü/AX êv vftïv, wegens zijnen in u wonenden Geest. Ook do Vulgata heeft: propter inhabitantem Spiritom ejus iu vobis. Meyer z. d. St. merkt aan : Die Auferstehung â â und auch die Verwandeling der Lebenden ist â â kein von innen heraus entwickelter Process, sondern ein von aussen (auf den Schall der letzten Posaune) im Nu bewirlcter Erfolg.
2) Bij de niouwereu schier algemeen. Ook Van Oosterzee, Dogm. II. p, 541 acht het aannemelijk. Zie hiervoren bl. (331. Juist als Von Gerlach zu 1 Kor. 15 : 38. Togen de ontwikke-lingstheorio komt ook te recht op Dr. Kuyper, Heraut 1889, No. 592.
§ 10. DOOR DE ALMACHT GODS IN CHRISTUS. 671
daar geheel niet. De kiem is geenszins het punt der vergelijking. Veelmeer hij wil bewijzen dat het dwaas is de mogelijkheid van de opwekking der dooden te loochenen, daar wij aan het gezaaide graan voor oogen hebben, dat God machtig is om uit hetgeen gestorven en vergaan is, nieuw leven te doen opkomen 'J. Mocht men de gelijkenis van de zaadkorrel in alle bijzonderheden toepassen, dan moesten uit één lichaam wie weet hoe vele lichamen onstaan, 30, 60, 100 (Matth. 13 : 8. Jozef zag in den droom zelfs zeven aren op éénen halm, vol en goed, Gen. 41 : 22).
') Aldus ook Calvin. Commentar. i. 1. Tantum enim abesso docet (Apostolus), ut naturae adveraotur reaurrectio, ut specimen ejus luculentum nobis qnotidie in ipso naturae oursu appareat, in fructuum proventu. â â Sequitur ergo, nimium nos malignos esse et ingratos in aestimanda Dei potentla si illi detrahimus quod jam ante oculos nostros patet. Dr. Philippi. Kirchl. Glaubenslehre VI. S. 110 heeft het vergelijkingspunt recht gevat: Das tertium comparationis ist eben nur die Möglichkeit, dasz durch Gottes Allmacht aus Tod und Verwesung neues Lehen hervorgerufen werden könne. Hier heeft ook goed gezien Br et Schneider, Handb. der Dogm. II. Bd. 3te Anfl. S. 424: Paulas will damit nur zoigen, dasz die Auflösung des jetzigen Körpers in der Erdo kein Hindernisz der Auferstehung seyn werde, und keinen Zweifel an ibrer Wahrhoit begründen könne. Bretschneider beroept zich vooral hierop, dat volgens den Apostel hot tegenwoordige, zichtbare lichaam zal veranderd worden (Til. 3: 21), on herinnert: Es ist nun aber weit leichter zn denken, dasz Gott einst den Staub unsers Erdenleibes zu einer edlern Masse verwandie, als dasz der jotzige Leib natürliche Keime eines zukünftigen Leibes enthalte.
Daarentegen Böhl, Dogmatik. 1887. S. 601: Der verkliirte Leib wiichst heraus aus ciiiem irgendwio erhaitenon Samenkom des verwoston Leibes.
672 § 10. DOOR DE ALMACHT OODS IN CHRISTUS.
En waar Christus van het tarwegraan spreekt, dat sterven moet, zal het vrucht voortbrengen. Joh. 12 : 24, waarmee Hij in de eerste plaats zich zeiven bedoelt, daar duidt Hij niets aan van eene kiem, maar betuigt alleenlijk de noodzakelijkheid van zijnen dood om der wereld het leven te geven; en toen Hij, de eersteling uit de dooden en voorbeeld der opstandelingen, opstond, was dit niet eene ontwikkelde kiem, maar Hij zelf, de gansche Jezus kwam uit het graf.
Joodsche Rabbijnen leeren, dat er in den mensch een onvergankelijk beentje is, Luz (tl^) genaamd, in het onderste van de ruggegraat, en dat God bij de opwekking der dooden uit dat beentje voor een ieder een volkomen lichaam formeert, waarbij door sommigen wordt aangenomen dat de lichamen van die Israëlieten die buitenslands zijn gestorven, onder de aarde gewenteld worden naar het land Israels en daar de ziel weder ontvangen en opstaan â¢).
Emanulil Swedenborg (f 1772) beweerde: de mensch heeft twee lichamen, een uiterlijk en een innerlijk, een stoffelijk en een onstoffelijk; in den dood wordt de onstoffelijke lichamelijkheid ontbonden van haar stoffelijk omhulsel, van het aardsche lichaam: en dat is de opstanding, eene andere opstanding is er niet te wachten 1).
De schriftuurlijke waarheid dat het gestorven lichaam zal opstaan en wederom met de ziel zal worden vereenigd,
1
) Vergel. Dr. J. Hamberger in Horzogs Iloal-Euc. XV. S. 275. u. d. Art. Swedenhorcj. Bij Christus maakte bij eouo uitzoudo-riug: die hooft volgous hem uiets vau zijn lichaam iu hot graf achtergelaton, maar is geheel verhoorlijkt opgestaan.
10. DOOR DE ALMACHT GODS IN CHRISTUS. 673
wordt ook verdonkerd door het dwaalbegrip van een tiisschenlichaam «) na den dood tot aan den jongsten dag. En daarbij vervalt men tot de zonderlingste voorstellingen van voortgaande ontwikkeling en lichaamsvervorming. Zoo neemt Nitzsch aan, dat de ziel in den dood het aardsche lichaam afleggende, niet lichameloos blijft, maar van het aardsche lichaam scheidende, dadelijk eene met hare individualiteit overeenkomende lichamelijkheid bezit en behoudt ; eene lichamelijkheid, die haar overeenkomstig de cosmische sfeer, aan welke zij nu telkens het naast toebehoort, en naar de momenten harer eigene innerlijke vorming tot daarheen veranderd ivordt, ivaar zij den eindtoestand bereikt (namelijk in de vernieuwde en verheerlijkte wereld J). Dus eene wandeling der ziel door verschillende bestaanskringen en voortgaande ontwikkeling der lichamelijkheid, en wel naar en door de haar vormende ziel! Ook hier ligt weer de idee der organische eenheid van lichaam en ziel ten gronde.
Deze en soortgelijke voorstellingen zijn bepaald strijdig tegen hetgeen de Schrift en naar de Schrift de Christelijke Kerk leert van de opstanding des vleesches uit het stof, een wonder der Almacht, hetwelk door Jezus Christus in
') Zio Mervorcn § 4.
2) Nitzsch, System. § 217. Aum. 2. S. 325. Hij verzekert:
Wer sich vor der Endauferstehung die Abgeschiedenen LKIBLOS denkt, hat an der bloszen Asche des verwesten Leibes schwerlich noch cinen Anknüpfungspunt für die Identiteit gewesener und künftiger Leiblichkeit. Ook R. Kübel, in Herzoga Real-Enc. 2to Aufl. S. 7GG u. d. A. Auferstehung der Toten, acht niet noodig, eine stofllicli.e Verwandtschaft der Bestandteile des neuen Leibs mit denen des alten anzunehmen. Maar dau is hot geeuo opstanding! Gravomoijor, Gorof. Gel, loer. III. 13
§ 11. WEER HET EIGEN LICHAAM.
één moment, in een punt des tijds, in een oogenblik zal worden volbracht. Hy spreekt, en het is er; Hij gebiedt en het staat er.
§ 11. Aan iedere ziel weer haar eigen lichaam.
1. De mensch is persoon, en hij behoudt zijne persoonlijkheid. Onder alle wisselingen blijft hij één en dezelfde persoon. Hij bestaat echter op aarde uit ziel en lichaam. Deze zijn wezenlijk onderscheiden. De ziel is onstoffelijk, het lichaam is stoffelijk. De ziel is niet uit het lichaam, het lichaam is niet uit de ziel. De ziel is in het lichaam, zij beheerscht het en gebruikt het als haar huis en werktuig : het lichaam is bezield, en de ziel is belichaamd. De ziel is dus met het lichaam vereenzelvigd: de mensch uit ziel en lichaam bestaande is één persoon. Maar de persoonlijkheid is gegrond alleen in de redelijke ziel.
De dood scheidt ziel en lichaam. Maar de persoonlijkheid blyft. De mensch, van het lichaam ontdaan, is en blijft dezelfde persoon als vroeger met het lichaam. Hij mist nu echter het eene deel, dat tot zijn volledig wezen behoort, het lichaam, in hetwelk hij geleefd heeft en dat zijn eigen was; maar hij moet het weer hebben wegens den vasten samenhang van het toekomende leven met het tegenwoordige. Omdat hij dezelfde persoon is moet hij ook weer hetzelfde lichaam hebben.
Daar komt nu het Woord Gods en zegt ons wat geen schepsel zeggen kon: dat lichaam zal hersteld en aan de ziel wedergegeven worden, datzelfde lichaam, wel anders maar niet een ander, zoodat een ieder weten en bekennen zal: ik ben het zelf, weer met mijn eigen lichaam.
674
§ 11. WEER HET EIGEN LICHAAM.
Dat belijdt onze Kerk. Nederl. Belijd. Art. XXXVII: Want al degenen die gestorven zullen wezen, zullen uit de aarde verrijzen, de zielen te zamen gevoegd en vereenigd zijnde met haar eigen lichaam, in hetwelk zij zullen geleefd hebben. Heidelb. Catech. Vr. 57 : â dat ook dit mijn vleesch, door de kracht van Christus opgeivekt zijnde, wederom met mijne ziel vereenigd en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.
2. Vragen wij dan: Met welke lichamen zullen de dooden opstaan ? Het antwoord moet zijn : Iedere ziel zal wederom haar eigen lichaam ontvangen.
Wel kunnen wij ons van de opstandingslichamen geen klare voorstelling vormen; wij vermogen niet duidelijk te omschrijven waarin de eenzelvigheid of identiteit van de lichamen in hun vernieuwd aanwezen met die van vroeger zal bestaan: maar dat het dezelfde lichamen zullen zijn en dat ieder doode met zijn eigen lichaam, in hetwelk hij op aarde heeft geleefd, weder op zal staan, dit staat naar de Schrift onwrikbaar vast')) en hieraan hebben wij ons, bij alle bezwaar dat er tegen opkomt, onbeweeglijk te houden.
a. Reeds door de namen en uitdrukkingen, die de Schrift van do groote wondergebourtenls gebruikt, wordt de eenzelvigheid des lichaams aangeduid en betuigd. Het is een wederopstaan, hetwelk niets anders kan beteekenen dan een verrijzen van hetzelfde dat gevallen is, dat is komen liggen, en niet van een geheel ander, nieuw voorwerp; wederopstaan kan men niet zeggen van iets dat in dit,
') Calvin. lustit. Hf. 25. 8. P. Van Maslricht, Godgol. IV. p. 512 v. March, Merch XXXIV. 16. Da Moor, Commoutar. VI. j). 093 sq. Brakel, llud. Godsd. II. p. 739 v.v.
675
§11. WEER HET EIGEN LICHAAM.
oogenblik eerst geschapen wordt, maar alleen van iets, dat, al is het uit de zichtbaarheid verdwenen en in het verborgen liggende, toch, onder welke vormen ook, nog wezenlyk bestaat. Eene geheele vernietiging van het oude lichaam en de schepping van een ander geheel nieuw lichaam is niet vereenigbaar met het Woord van Christus Joh. 6 : 39: Dit is de ivil des Vaders â â dat al wat Hij mij gegeven heeft, ik daaruit niet verlieze, maar hetzelve optvekke ten uitersten dage.
Het is een opgewekt worden, als uit den slaap. Noemt de Schrift het sterven een ontslapen, den dood eenen slaap, dit ziet op het lichaam (zie hiervoren § 4. bl. 628). Wat opgewekt wordt, is hetzelfde dat sliep, geen ander.
b. Het is een uitgaan uit de graven, Joh. 5 : 28, 29: Allen die in de graven zijn, zullen Christus' stem hooren, En zullen uitgaan. In de graven zijn niet de zielen maar de lichamen : dezen zullen er uitkomen, dezelfde lichamen die er in gelegd en stof geworden zijn, geen andere daarvoor in plaats, geene uit den'hemel of van elders daarin gebrachte, geene die daar nooit geweest zijn, maar dezelfde die daar begraven zijn geweest (vergel. Matth. 27 : 52, 53).
c. Nog nader en uitdrukkelijker bevestigt de Schrift, dat het dezelfde lichamen zullen zijn, waar zij zegt: Het [lichaam] wordt gezaaid in verderfelijkheid, het (datzelfde lichaam) wordt opgewekt in onverderfelijkheid ; en wederom: Dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen, 1 Kor. 15 : 42, 53. En het is ons vernederd lichaam, wat de Heere Jezus Christus veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan zijn heerlijk lichaam, Fil. 3 : 21.
676
§ 11. WEER HET EIGEN LICHAAM.
d. Ook volgt het uit de overeenkomst met Christus' verrijzenis. Hij, de eersteling uit de dooden, oorzaak en voorbeeld van de toekomende opstanding, is met hetzelfde lichaam opgestaan, dat aan het kruis gehecht en begraven was geweest. Anders was het immers ook geene opstanding. Met handtastelijke bewijzen overtuigde Hij hiervan zijne twijfelende discipelen. Ziet mijn handen en mijne voeten, sprak Hij, want Jk hen het zelf, tast mij aan, en ziet: want een geest heeft geen vleesch en heenen, gelijk gij ziet dat Ik heb, Luc. 24 : 39. Wat van den eersteling geldt, geldt van heel den oogst.
e. Voorts de rechtvaardige vergelding eischt en veronderstelt hetzelfde lichaam : opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam [geschiedt], naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed hetzij kwaad, 2 Gor. 5 : 10. Christus sprak Matth. 10 : 28 : â â Vreest Hem, dien God, die heide ziel en lichaam kan verderven in de hel, niet een ander lichaam, maar dit lichaam waarin de ziel is en na de opstanding wederom zijn zal. In hetzelfde lichaam, dat tot zonde en ongerechtigheid misbruikt werd, zal de godde-looze lijden; en hetzelfde lichaam, in en aan hetwelk de rechtvaardige om Christus en der gerechtigheid wille geleden heeft, zal verheerlijkt worden, Fil. 3 : 21 boven aangehaald. En de volledigheid der verlossing, door Christus aangebracht en in het Evangelie beloofd, brengt het mede : daartoe immer behoort ook de verlossing des lichaams, Rom. 8 : 23»), hetwelk door Doop en Avondmaal wordt bevestigd 1).
') Zie hiervoren § 6.
2) Zegt Delitzsch, Bibl. Psychol. S. 459: Es ist die Wirkung
677
§11. WEER HET EIGEN LICHAAM.
f. Al do bijgebrachte bewijsredenen voor do waarheid der opstanding geiden metoen voor de eenzelvigheid des lichaams en sluiten deze in: want anders kan er van opstanding des lichaams geen sprake zijn.
3. Zegt men : het is onmogeliik. Wij antwoorden : niet bij God, en wijzen met Paulus op den akker met het zaad, 1 Gor. 15 : 37, 38: Hetgeen gij zaait, [daarvan] zaait gij het lichaam niet dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt, van tarwe of van eenig der andere [granen]. Maar God geeft hetzelve een lichaam gelijk Hij wil, en een iegelijk zaad zijn eigen lichaam. .Lichaamquot; van het gezaaide noemt Paulus do plant in welke het opgaat: 't is de gelede en knoopige halm met de aar er op, waarin zaadkorrels schuilen â¢) van dezelfde soort als het gezaaide : van tarwe komt tarwe en geen haver, van gerst komt gerst en geen rogge enz. Zoo krijgt ieder zaaisel zijn eigen lichaam, naar zijnon aard.
Aldus heeft God het gewildquot;1) en geordend bij do schopping en Hij wil en werkt het voortdurend door zijne Almacht: God is het die nog telkens aan ieder zaad zijn eigen lichaam geeft. Doet nu God zulks aan de graankorrel, die in do aarde verborgen wordt en daar tot ontbinding overgaat, zou die Almachtige hot verstorven lichaam dos
der sacramcntlichen Gabon, class die Leiber nicht ohm Aussicht auf Wiederherstcllung Hires Wesens verwesen, zoo luidt die Wir-hmg wol wat Lnthorsch, doch vooraf noomt hij do sacramon-tolijko gavon oon dio vollo thatsilchlicho Leistung vcrhürgendes Angeld.
') Mot vermaak on bowondering spvookt daarvau ook Cicero, Cato Major. Cap. XV.
-) 1 Kor. 15 : 38 staat Wh.yvev.
678
§ 11. WEER HET EIGEN LICHAAM.
monschen, datzelfde, niet kunnen levend maken en doen opstaan ? Het zou dwaas zijn (vs. 36) dit te ontkennen. En dit is het punt waarom het den Apostel te doen is en wat hij wil inscherpen. Men dwaalt, wanneer men de gelijkenis van het zaad tot alle bijzonderheden wil uitrekken (zie boven § 10 bl. 671 v.) Zoo vooral, wanneer men dit er in legt: gelijk als uit het gezaaide zaad deszelfs lichaam, de plant, het nieuw gewas zich ontwikkelt: alzoo uit het verstorven lichaam des menschen zijn nieuw lichaam. Maar de Apostel herinnert: God geeft het (vs. 38), waardoor hij ook zelfs bij het zaad ons van de natuurlijke ontwikkeling (die daarmede niet ontkend wordt) doet afzien en ons geheel bij de werking Gods bepaalt. En de ongelijkheid blijkt slaande hieruit, dat de opstanding der dooden, die tot dat oogenblik toe dood zijn, op de stem des Heeren in een punt des tijds zal geschieden en niet in den weg van langzame ontwikkeling.
4. Op het geloof der Ouden aan de opstanding huns lichaams is hiervoren reeds heengewezen (§ 6 bl. 640 v.) In de zorgvuldigheid der vaderen voor hunne dooden en voor hunne eigene begrafenis ziet Galvyn te recht een blijk van hunne verwachting dat hetzelfde lichaam zou worden opgewekt: want hadden zij zich de bekleeding der ziel met een nieuw lichaam voorgesteld, waartoe dan hunne bestellingen aangaande het stof dat te niet zou gaan gt;) ?
679
Een uitnemend getuigenis van dat geloof, als een
') Calvin. lustifc. III. 25. 8, van Jakob (Gen. 47 : 30): Quaoso, si novo corpore iudueudus orat, nonne ridiculum dodissofc mandatum do pulvero in nihilam redigondo ?
§ 11. WKER HET EIGEN LICHAAM.
schitterend edelgesteente op donkere foeli, heeft de Christelijke Kerk erkend in het aloude boek van Job, dat ons in den patriarchalen tijd verplaatst, namelijk Job 19 : 25â27 : Ik iveet, mijn Verlosser (Goël) leeft, en Hij zal (als) de laatste (als overwinnaar, vergel. Jez. 44 : 6) over het stof (der graven) opstaan (om het recht aan het licht te brengen en de eer des rechtvaardigen te handhaven). En als zij (de knagers, de wormen) na mijne Imicl dit (het overige des lichaams) doorhnaagd zullen hebben, zal ik uit mijn (hersteld, vernieuwd) vleesch ') God (in zaligheid)
uit mijn vleesch. Zoo do Onzen te recht, waartegen
taalkundig niets valt in to brengen. Evonzoo liosenmuller, Kose-garten, Umhreit (1840, later veranderd) en anderen in dozen zin : Nadat ik dit mijn lichaam zal bobben afgelegd, zal ik van uit mijn vleesch (namelijk uit hot herstelde, verheerlijkte) God aanschouwen.
De nieuweren nomen in de beteekenis zonder. Ook Eivald.
Ausführl. Lehrb. der Hebr. Sprache, 8to Ausg. S. 556: ohne, zonder mijn vleesch, daarvan ontdaan. Ook Delitzsch: ledig meines Fleisches. Intusschon toekent Delitzsch, Das Buch Job, 1864, S. 221 daarbij aan: »Wir fragen, ob Diejenigon dom Toxte Genügo thun, welche ihn von einom schlechthin leibloson jenseitigen Schauen Gottes verstehen. Wir bezweifoln es. Job sagt ja nicht blos, dass er, sondern dass seine Augen Gott schauen werden. Er denkt sich also den Geist statt des alten verweslon Loibes mit oinem nouon (?) geistlicben angethan, jodoch nicht so, dass diesor goistliche Leib, diese jensoits schauondon Augen mit dom gegenwürtigen vorwesonden Fleischesleibe in Verbindung gebracht würdon (!). Aber der Glaube is hier auf goradom Woge zuv Auferstehungshoffnung, wir sohen dioso keimeu und sich ans Licht ringon.quot; Hier was ook Delitzsch op den rechten wog, doch ging niet ver genoeg.
Uitnemend practicaal handelt van dit geloofsgetuigenis Jobs Calvyn in zijne Sermons sur le livre de Job (Corpus Reform.
680
§ 11. WEER HET EIGEN LICHAAM.
aanschouwen. Denwelken ik voor mij (ten mijnen beste, tot mijne eeuwige vreugde) aanschouwen zal en mijne ooyen zien zullen, (ik zelf) en niet een vreemde (of niet een ander). Waarmede Job niet alleenlijk zijne drie weder-partijders en bestrijders bedoelt, die God niet voor zich, ter hunner verdediging en rechtvaardiging zouden zien optreden. Niet een vreemde, of niet een ander zegt meer. Wegens het onmiddellijke verband met het voorafgaande : ik zal uit mijn vleesch God aanschouwen kan de zin geen ander zijn dan deze : âMet geen ander lichaam of oogen zal ik Hem aanschouwen, dan met deze mijne eigene: gelijk ik ook met mijn eigen lichaam opstaan zal en niet met een ander vannieuws geschapen. Ziet 1 Kor. 15 :53quot; (Kantteek.) Naar dat zalig aanschouwen Gods verlangden zijne nieren zeer in zijnen schoot.
5. De eenzelvigheid der toekomende lichamen met de tegenwoordige, of dat in de opstanding iedere ziel haar eigen lichaam wederom zal ontvangen, sluit niet in en vereischt niet, dat dit lichaam geheel dezelfde stofmassa, alle dezelfde deeltjes tot de geringste korrel toe weer zal hebben, zonder eenige vermeerdering of vermindering en omvorming. Dit is ook door onze oude Godgeleerden wél
Galvini Opera Volum. XXXIV. p. 127 sqq.) Hij zegt wel, dat Job uiot uitdrukkelijk en rechtatreoks van de opstanding spreekt (p. 129: II est vrai qn' 11 no parlo point ici oxpressemont et simploment do la resurrection), maar zijn vast vertrouwen op God betuigt ook waar niets dan nood en dood te zien is en alles verloren schijnt (Voila un homme qui surmonte los choses presentes, roept Calvyn uit): daarin editor erkent Calvyn tevens de hope der opstanding des lichaams (Vergel. Instit. III. 25. 4). Kort en bondig H. Witsius, Oecon. L. III. Cap. II. § 19â24. De Moor, Commentar. in Marck. P. VI. p. 664. 692.
681
§11. WEER HET EIGEN LICHAAM.
opgemerkt'). Dit volgt noodzakelijk reeds hieruit, dat de dooden in onverderfelijkheid opgewekt en de levenden van verderfelijk in onverderfelijk veranderd worden.
Wij moeten onderscheiden het zichtbare lichaam en het eigenlijke lichaam ; niet twee lichamen, maar hetzelfde in onderscheiden opzicht. Het zichtbare lichaam des menschen verandert gedurig van stoffe. Het neemt toe, het neemt af. Het weegt op den eenen tijd niet zooveel als op den anderen, zelfs zijne vaste deelen blijven niet onveranderd. De beenen van een jongeling, van een man, van een grijsaard zijn anders dan ze in zijne kindsheid waren, maar toch zal hij niet zeggen: het zijn mijne beenen niet. Het zijn dezelfde als voor 10, 20, 60 jaren, maar veranderd.
âEen bewerktuigd lichaam is, zoolang het leeft; aan gestadige stofwisseling onderworpen. Het behoudt wel, wanneer het tot volkomen ontwikkeling geraakt is, gedurende korteren of langeren tijd denzelfden vorm, maar het zijn niet dezelfde stofdeeltjes, waaruit het is samengesteld. â â Het is niet meer hetzelfde bloed van gisteren, dat heden ons door hart en aderen stroomt, en de hardste deelen zelfs worden, misschien op zeer weinige uitzonderingen na, eveneens gedurig vernieuwd *).quot; Men neemt aan dat alle zeven jaren het lichaam veranderd is van stoffe. Maar bij al deze omzettingen en wisselingen, bij dit onophoudelijk ontstaan en vergaan, hetwelk de mensch aan zijn leemen huis ondergaat, blijft hij dezelfde
1) Marde, Compond. ou Merch XXXIV. 16. De Moor, Com-montar. VI. p. 699. Vergol. Dr. A. Kutjper, Heraut 1889. No. 596.
2) Prof. J. van der Hoeven, Het Dierenrijk (in üilkens, Vol-maakth. dea Scheppers. III. Deel) p. 6.
682
§ 11. WEER HET EIGEN LICHAAM,
mcnsch en ook het huis zijn zelfde huis, hoezeer ook veranderd, hij weet niet alleen dat hij nog dezelfde persoon 's, maar ook dat hij in geen ander lichaam woont en door geen ander lichaam werkt dan zijn eigen, hetwelk hij altijd heeft gehad. En dit, het lichaam aangemerkt buiten de veranderingen en met afzien van alle wisselingen, is het lichaam naar zijn ivezen, is het eigenlijke lichaam.
En dit eigenlijke lichaam, het lichaam naar zijn wezen, hetwelk God alleen weet te onderscheiden, wordt in de opstanding wedergebracht en hersteld, maar dan onverderfelijk.
Delitzsch zegt: âBinnen de eenmaal geschapen] wereld gaat immers geen enkel atoom (stofdeeltje) ooit geheel te niet. De grondstoffen waaruit het nu vermolmde lichaam bestond, zijn dus nog voorhanden, en de Alwetende weet waar zij zijn en de Almachtige kan ze weder zamelen Juist zooals Brakel1), waar hij antwoordt op deze tegenwerping : Veler lichamen zyn verbrand, door beesten en menschen zelfs gegeten: daarom is het onmogelijk, dat dezelfde lichamen wederom zouden opstaan. âAntwoord : Gij dwaalt, niet toetende de Schriften noch de kracht Gods (Matth. 22 : 29). God is alwetend, en weet waar ieder stofje gebleven is, en Hij is almachtig om die wederom samen te brengen, al kunnen wij het niet begrijpen.quot;
Onbegrijpelijkheid is geen grond voor ontkenning. Wat moest men anders niet al ontkennen ? Brakel haalt een voorbeeld aan. âNeemt een pond kleingeveild staal, mengt
683
1
) Redol. Grodsd. II. p. 742. Augustims, Enchiridion ad Laur. C. LXXXVIII: Non porit Deo terrena materies, de qua mortalium croatur caro.
684 § 12. GEEN ANDER, MAAR ANDERS.
het onder twintig pond kleingevijld koper, tin, lood, zand. Zal een onkundige wel begrijpen, hoe men zonder smelten en zonder het uit den bak te nemen, in korten tijd al dat staal uit al de andere stoffen, waaruit het niet te onderkennen is, zal kunnen afscheiden en bij elkander brengen ? Zal hij niet zeggen het is onmogelijk ? En nochtans is het licht en ras te doen met een zeilsteen (magneet) in die vermengde stoffe omgewenteld, welke alleen het staal zal naar zich trekken, zoodat men het tot zijn gewicht wederom bij elkander vergaderen kan.quot;
6. Met de wederbrenging der lichamen gaat gepaard de h.reeniging van iedere der aflijvige zielen met haar eigen lichaam. In hetzelfde oogenblik, wanneer door het machtwoord des Heeren de lichamen uit het stof worden hersteld, worden de zielen uit hemel en hel verplaatst en iedere met haar eigen lichaam wederom vereenigd, door dezelfde Almacht, die bij de schepping der wereld Adams lichaam uit het stof der aarde formeerde en het dan bezielde, hoewel met dit onderscheid, dat God Adams lichaam nu voor het eerst deed ontstaan en in dat lichaam de ziele schiep «). De opstanding is herstelling van de gansche persoonlijkheid des menschen: zijne ziel is dezelfde als vroeger, maar hij heeft dan ook zijn lichaam weer, hoewel veranderd.
§ 12. Geen ander, maar anders.
Het eigen lichaam van iederen doode wordt dan naar het vorengezegde (§ 11) door de opwekking wedergebracht.
') Vergol. Zesde Hoofdstuk § 21.
§12. GEEN ANDER, MAAR ANDERS.
hersteld. Het zal bij allen hetzelfde lichaam zijn als het tegenwoordige. Hetzelfde, namelijk in zijn wezen, en ieder ook met zijne tot het wezen behoorende eigenaardigheid, want anders zou er geene onderscheiding en herkenning mogelijk zijn. Doch met andere hoedanigheden, zoodanig als met den toekomenden staat overeenkomt, zoowel dei-rampzaligen als der zaligen.
1. Waar het Nieuwe Testament in bijzonderheden van de opstanding spreekt, wordt vanzelf, wijl het voor de geloovigen is, doorgaans de opstanding ten leven bedoeld.
Zoo, waar Paulus de vernieuwde lichamen teekent, met kenmerkende trekken ter onderscheiding en in tegenstelling van hetgeen diezelfde lichamen vroeger waren, 1 Kor. 15 : 42â53.
De Apostel begint en sluit met de onverderfelijkheid. Het opgewekte lichaam zal zijn onverderfelijk en onsterfelijk. Dies wordt het getal der opgewekten niet verminderd : de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch gekrijt, Openb. 21 : 4; dies zal er bij hengeen echtstaat zijn tot onderhouding van het menschelijke geslacht gelijk op aarde : Want zij kunnen niet meer sterven, ivant zij zijn (daarin) den (onbelichaamden) Engelen gelijk, naar het eigen woord van Christus Luc. 20 : 35. Het lichaam deelt in het eeuwige leven der ziel. Een vergankelijk lichaam ware daar eene tegenstrijdigheid. Dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen en dit sterfelijke[moet] onsterfelijkheid aandoen, 1 Kor. 15 : 53 ; âeen openbaar bewijs, teekent Galvyn daarbij aan, dat wij in hetzelfde vleesch zullen opstaan, hetwelk wij nu dragen, aan hetwelk de Apostel de nieuwe eigenschap van onverderfelijkheid als bekleeding toekent.quot; De verdorvenheid is er uit; gelijk uit de ziel,
685
§12. GEEN ANDER, MAAR ANDERS.
het bederf is er af, het is aan geen verval en vergankelijkheid meer onderhevig, het is dan geen gras dat verdort, geene bloem die verwelkt, 't is enkel leven, eeuwig leven. Het [lichaam] wordt gezaaid (begraven) in verderfelijkheid (in den staat van bederf), het wordt opgewekt in (den staat van) onverderfelijkheid.
Gezaaid in (een staat van) oneer (een lijk; weldra afzichtelijk en walgelijk, nadat de ontbinding er reeds in is begonnen), opgewekt «n(âschoon en blinkende. Kantteek.) Gezaaid in zwakheid (in eenen staat van volslagen krachteloosheid, daar er in het doode lichaam geen vermogen, in al deszelfs leden geenerlei kracht meer is); opgewekt in kracht (volkrachtig, met verhoogde en veredelde vermogens).
In plaats van nog meer bijzonderheden op te noemen, wijst de Apostel nog op ééne fundamenteele eigenschap van het lichaam thans en toekomstig, in welke al de andere gegrond en samen begrepen zijn, vs. 44: Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt ').
Hetgeen begraven wordt, is een natuurlijk, naar den
') Schijnbaar spreekt de Apostel van twee lichamen : een natuurlijk en een geestelijk. Maar Calvyn, Comraentar. i. 1. herinnert : wij moeten niet vergeten, dat het één wezen is en dat hier alleen de hoedanigheid wordt bedoeld : unam esse substan-tiam corporis, ac tantum hic agi de qualüate. Dit stemt ook Meyer z. d. St. toe: Der Selbigkeit des Leibes ist dies nicht entgegen, aber ein ganz anders qualiücirles steht auf; cin â ^vyjy.óv hat man begraben, ein TrysupxTiyJv geht hervor. â â Der Ausdruck aber, der die Verschiedeuheit wie zwei Subjecto hinstellt, ist starker und siguificauter, als weun man tuit Hof-mam fasst: gcsiiet wird esj als ein suelichor Leib u. s. w.
686
§12. GEEN ANDER, MAAR ANDERS.
Griekschen grondtekst psychisch, ziellijk ') lichaam : door de ziel levend en ademend, doch met behoefte en door tusschenkomst van vele hulpmiddelen, spijs, drank, kleeding, slaap en dergelijke meer ; door de ziel geregeerd, bestuurd in al zijne bewegingen en werkingen ; door haar gevoelig voor alle zinnelijke aandoeningen, voor honger en dorst en verzadiging, voor gebrek en voldaanheid, voor lust en smart. Maar door de verdorvenheid der ziel ten gevolge van Adams val is het zielsbestuur over het lichaam en ook dit lichaam zelf verdorven en daarom verderfelijk: wij dragen daarin het beeld van den aardschen Adam, â een aardsch lichaam voegende voor het aardsche leven.
Hetgene opgewekt wordt, is een geestelijk, pneumatisch lichaam a). Dit zegt niet wat Origenes en nieuwere Theologen er van hebben gemaakt: een atherisch lichaam ').
') (TÃftx \pv%ixóv. Luther hoeft te recht en treffend vertaald : ein natUrlieher Leib. Hem zijn onze Ovorzettera gevolgd. Calvyn heeft corpus animale. De ziel, psyche, die ook, doch zonder redelijkheid, in de dieren is, beteekent hier het beginsel des zinnelijken en vergankelijkon levens; het aardsche lichaam is haar daartoe ingericht en gepast orgaan. Luther's Glosse zegt: Natürlich ist der Leib, der isset, trinket, schlafet, dUuet, zu- nnd abnimmt, Kinder zeuget n. s. w. Oeistlich, dor solches keines darf, vind doch ein wahrer Leib vom Goisto lobondig ist. Vergol. Meyer zu 1 Kor. 15 : 44. Dezelfde zu 1 Kor. 2 ; 14. Cremer, Wörterbuch u. d. W. \puxiM?.
â¢2) crciftx Trnsu^xTinóv.
3) Origenes (f 254 n. 0.) loochende niet do opstanding, maar verdedigde haar togen Colsus. Doch, om spotters den mond te stoppen, vorgeestigde hij haar on hot bleef bij hem geen oigon-lijko opstaudiug. Ieder lichaam, loerde bij, moet overeenkomen met do hem omgevende wereld. Wildon wij in het water leven, wij moesten als de visseheu gebouwd zijn. Zoo oischt do homolscho
687
§12. GEEN ANDER, MAAR ANDERS.
Dat zou eon lichaam zijn dat geen lichaam is. En de tegenstelling tegen ziellijk gedoogt deze opvatting niet: zoomin als ziellijk lichaam zegt een lichaam dat ziel is, zoomin geestelijk een lichaam dat geest is. De Apostel spreekt niet van het wezen, van de substantie, maar van de verschillende hoedanigheid deszelfden lichaams nu en namaals.
Geestelijk zal het lichaam zijn : een werkelijk lichaam, maar van den Geest Gods doordrongen en geregeerd, een gepast, volgzaam, willig, gedienstig werktuig des Heiligen Geestes â een hemelsch lichaam, geschikt voor het hemelsch leven. Niet als bleve de ziel niet eeuwig en als name de Geest de plaats en taak der ziele in ; neen, juist in de ziel woont en werkt Gods Geest, en de ziel is met het licht en de kracht des Geestes vervuld, en de aldus verheerlijkte ziel regeert en gebruikt ter verheerlijking Gods het verheerlijkte lichaam, dat haar volvaardig dient.
âDe zaligen zullen lichamen hebben niet gelijk Adam had, maar gelyk Christus de Heere nu heeft. Gelijk Hij nu na de opstanding een geestelijk lichaam heeft, dat onsterfelijk en onverderfelijk is, zoo zal Hij ook
staat Gon horaelsch lichaam, xióépiov.
Men heeft hem de ongerijmdheid toegedicht, die trouwens zijne latere volgelingen hebben aangekleefd, dat hot hemelsche lichaam bolvormig (tr^xiposihès) zou wezon, als zijnde dit de volmaakste vorm. Ook Ch. Hodge, Systematic Theology III. p. 781 laat Origenes gelooven that, because the circle is the most perfect figure, the future hod;/ will be globular. Volgens boter ingelichten berust deze verdenking op ééno enkele plaats bij Origenes (De Oratione), waar hij zich echter aan vreemde autoriteiten aansluit, llageahach, Dogmongesch. 3tü Aufl. § 76, S. 177.
G88
§ 12. GEEN ANDER, MAAR ANDERS.
zoodanige lichamen geven aan al degenen die van Hem afkomstig zijn, niet door natuurlijke voortteling, maar door eene bovennatuurlijke wedergeboorte. Want elke Adam deelt zijnen nakomelingen mede zulks als hij heeft.quot; (Kantteek,)
Van den eersten Adam is het natuurlijke lichaam en leven, van Hén laatsten Adam het geestelijke. Dit gaat van Hem uit, die geworden is tot eenen levendmakenden Geest (1 Kor. 15 : 45): het is zijne verdienste, zijn werk; het is het gevolg van de gemeenschap met Hem. Gelijker-wijs ivij het beeld des aardschen (Adams) gedragen hebben, [alzoo] zullen wij ook het beeld des hemelschen (Christus) dragen (vs. 49).
Zou iemand vragen: Waarom geeft Christus zoodanig geestelijk. Hem gelijkvormig lichaam niet aanstonds aan den mensch, zoodra deze wedergeboren wordt ? De zoodanige konde op aarde niet meer verkeeren, en de Apostel herinnert: alles moet naar orde geschieden, het natuurlijke moet voorgaan en daarna het geestelijke volgen (vs. 40), gelijk het volmaakte volgt op het onvolmaakte. Zoodra iemand wedergeboren wordt, begint hij het beeld van Christus te dragen en wordt daarin van dage tot dage al meer omgevormd (2 Kor. 4 : 16); maar dit gaat in de ziele om, en het oefent ook zijnen heiligenden invloed op hare regeering over het lichaam, doch verandert dit niet. In de opstanding echter komt ook het lichaam aan de beurt, dan wordt ook dit aangedaan met de heerlijkheid van Christus, dan zal de zalige zoowel in het lichaam als in de ziel het beeld van Christus dragen. Dan is herstelling van den gevallen en verdorven mensch voltooid en wij zullen metterdaad en in werkelijkheid bezitten hetgeen
Oiavemeijer, Gcref. (iel. leer. 111. ii
689
§ 12. GEEN ANDER, MAAR ANDERS.
wij alsnog hopen '). Al de leden van Christus zullen Hem, den Hoofde, gelijkvormig, zijne heerlijkheid deelachtig zijn, doch alzoo dat Hij als de zon allen overstraalt en boven
allen uitblinkt.
2. Dit moet ons genoeg zijn. Men kan aangaande den toekomenden staat des lichaams veel vragen, en ook met recht, doch weinig antwoorden.
a. Zoo, of de dooden met hun sexuëel, geslachtelijk onderscheid zullen opstaan. Sommige Ouden stelden, meldt Auguslinus, de vrouwen zouden tot mannen worden, en men beriep zich op Efeze 4:13: Wij allen zullen komen â tot eenen volkomen man, tot de mate der grootte der volheid van Christus, en hierop, dat God alleen den man uit het stof der aarde, maar de vrouw uit den man had geschapen 1). Enkele latere scholastieken namen dit gevoelen over; Johannes Duns Scotus (f 1308) zonderde alleen de Gelukzalige Maagd uit en liet deze vrouw blijven s).
De Gereformeerden nemen met Augustinus het blijvend onderscheid der beide geslachten aan â »), en vinden zulks met dezen Kerkvader ook verondersteld en aangeduid in Christus' antwoord aan de Sadduceën Matth. 22 ; 30, waar Hij niet zegt, wat anders gepast en afdoende zou
C90
1
) Augustinus, De Givitate Dei. Lib. XXII Cap. 17.
§ 12. GEEN ANDEU, MAAK ANDERS.
zijn geweest: er zullen geen vrouwen meer zijn, maar met duidelijke onderscheiding van mannen en vrouwen : In de opstanding nemen zij niet ten huwelijk (dit ziet op de mannen), en worden niet' ten huwelijk uitcjeyeven ') (dat zijn vrouwen), maar zij zijn (daarin) als Engelen Gods in den hemel. Dus er zullen mannen en vrouwen zijn, maar geen huwelijken.
Het geslachtsonderscheid zit diep in het wezen des menschelijken individu's : geheele wegneming daarvan zou het wezen des menschen raken en wel niet vereenigbaar zijn met de identiteit of eenzelvigheid der personen. In hoever dit zich in het uiterlijke des lichaams zal vortoonen, wie zal 't zeggen ? Maar dat er onderscheiding zal zijn, wie zal 't loochenen ? Doch het zal zijn tot lof van de wijsheid en goedertierenheid Gods. God schiep man en vrouw onderscheiden ; de verdorvenheid, door de zonde er in gekomen, zal Hij er uit verwijderen 2). âHet onderscheid van geslacht zal dan in geenen deele ophouden. En gelijk dusdanig onderscheid den staat van onschuld en onnoozelheid, daar onze eerste ouders voor den val in
') Ouze kundige Staten-Ovorzetters hebben ya.iMUTiv en èxyxfti^ovTxi nauwkeurig vertaald. Het eerste behoort aan mannen, het tweede aan dochters die door hare ouders worden uitgehuwd,
') Augustinus 1. c.; Erunt membra feminea, non accommodata
usui veteri sed decori novo, quo---Dei laudetur sapientia
atque dementia, qui et quod non erat fecit et liboravit a cor-ruptione quod focit. Vergel. Delitzsch, Bibl. Psychol. S. 459. 400. Stier, Iteden des Herrn Jesu. liter Theil. 1844. S. 460. zu Matth. 22 ; 30. â Dat Adam eerst geslachteloos was, is eeue willekeurige stelling, ook door Delitzsch, Bibl. Psychol. S. 102 aangenomen. Vergol. dit Leesboek, Zesde Hoofdstuk § 20.
691
§12. GEEN ANDER, MAAR ANDERS.
waren, niet onvolkomen of onvolmaakt maakte, zoo zal 't ook in den hemel zijn i),quot;
b. Of dan het lichaam met al zijne leden zal worden hersteld ? s) Ongetwijfeld, de wijsheid en almacht Gods zal den mensch met al de wezenlijke deelen zijns lichaams weder voor den dag doen komen, het geestelijke opstandingslichaam zal al de wezenlijke deelen des natuurlijken lichaams vernieuwd bezitten, maar verheerlijkt, tot sieraad en tot hoogeren dienst. Het zal een volledig menschelijk lichaam zijn, waaraan niets van hetgeen tot zijn wezen behoort, zal ontbreken.
Maar zegt Paulus niet 1 Kor. 6 : 13: De spijzen zijn voor den huik, en de huik voor de spijzen; maar God zal beide dezen (buik) en die (spijzen) te niet doen? Namelijk bij de opstanding; de Apostel bedoelt niet het tijdstip des doods. Dit blijkt deels uit vs. 14, deels uit het tenietdoen ook van de spijzen. Hij spreekt echter van de vernietiging des buiks niet op zich zelf en over het geheel, maar betrekkelijk, ten opzichte van de spijzen,
') K. Mei, Bazuinon der Eenwigboid I. Deel. p. 320.
2) Bijzonder door Tertullianus (Do Resnrrectione carnis) volgehouden, met de herinnering, dat de lichaamsleden ook op aarde hoogere bestemming hebben, b.v. mond en tanden, dienende niet alleen tot het eten, maar ook tot het spreken en bijzonder tot lofvorheffing Gods. Dc Moor, Commentar. in Marek. VI. p. G97. e.1. 694. Delitzsch, Bibl. Psychol. S. 459. Hagenbach, Dog-mengesch. § 76. bl. 176.
Massief Prudentius, Apotheos. 1061 sqq ; Nosco meum in C/ir 'sto corpus resurgere. â â Veniam â Et totus veniam: nee enim minor aut alius, quam Nunc sum, restituar; vultus, vigor et color idem. Qui modo vivit, erit, nee me vel dente vel ungue Fraudatum removet patefacti fossa sepulcri. Doch zonder allo zwakheid of gebrek. Qui jubet ut redeam, non reddet debile qindquam. %
692
§12. GEEN ANDER, MAAR ANDERS.
dus van het gebruik: âniet ten aanzien van zijn wezen, dat een deel van het lichaam des menschen is, die geheel zal opstaan, maar ten aanzien van zijn gebruik in dit tijdelijke en natuurlijke leven, hetwelk dan niet meer noodig zal zyn. â Openb. 7 : 16, 17.quot; (Kantteek).
In het tegenwoordige leven dient de buik met maag en darmen om het voedzame der spijzen in bloed te veranderen en het onvoedzame af te scheiden en uit te werpen (Matth. 15 : 17); hiertoe, namelijk tot werkplaats (laberatorium) voor spijsvertering, zal in het toekomende de huik niet meer zijn. Want de aardsche spijzen zijn in het rijk der heerlijkheid te niet gedaan. Daar is andere spijs, hooger genot. Hoedanig ? Wie kan 't vatten ?'). Alles is daar verheerlijkt. Maar de buik zelf als wezenlijk deel en sieraad des lichaams kan aan den opgevvekten mensch, hoewel verheerlijkt, niet ontbreken : wat zou het anders voor eene figuur z\jn ? en ware het anders wel eene opstanding des lichaams ?
693
c. Of er geene onvolmaaktheid aan de opgewekte of veranderde lichamen ziin zal ? Onze oude Geloofsleeraren
') Dr. Besser, Bibelstunden VHIter Band zn 1 Kor. 6 : 13, 14, S. 316 stelt zich voor: lm Reiche dor Herrlichkeit wird man also essen und trinken (Matth. 26 : 29 ?) dasz das in geistliches Leben verklarto Floisch und Blut mit Lobonsspoise sich durch-dringt, wie die Luft mit Sonnenstrahlon zum Heil- und Warm-werden sich süttigt. â â Nachdom allo irdische Spoiso binge-richtet (vernichtet) seyn wird, werden die Lebonsbilumo am Lobensstromo der Gottesstadt none Frtlchts tragen (Offenb. 22 : 2) und des Gew'ichs des Weinstocks wird nouen Trank gebon ; dom neuon himmlischon Wesen solchor Spoiso wird das noue himmlische inuorloiblicho Organ entsprechen, wolcb es nicht mehr Bauch heiszt. Dit is Bosser's gedachte ; behoudens boter.
§ 12. GEEN ANDER, MAAR ANDEhS.
stemmen met Augustinus in quot;), dat de lichamen der heiligen geen gebreken zullen hebben, geen lid te veel nog te weinig, geene wanstaltigheid, en misvormigheid, hetzij hun aangeboren of hun gedurende hun leven op eenige wijze toegebracht, niets wat ontsiert of misstaat ;i).
d. Zullen allen die lichaamsgrootte hebben, die zij hadden toen zij stierven ? Wij weten het niet, geen mensch kan 't zeggen. Intusschen wij mogen en moeten er wel eene gedachte over hebben. En verschillend heeft men er over gedacht'). Augustinus*) zegt: âMen vraagt: of de kindertjes, die vroeg sterven, zoo klein zullen opstaan dan wel met een volwassen lichaam ? Dit vinden wij in de Schriften niet bepaald. De belofte is: de lichamen zullen onverderfelijk en onsterfelijk opstaan. Maar wordt do kleine gestalte teruggeroepen, daarom dan ook de zwakheid? Zullen zij klein zijn, moeten zij dan liggen en zullen zij niet kunnen gaan ? Evenwel geloofelijker, waarschijnlijker en redelijker neemt men aan, dat zij volwassen opstaan, zoodat hun bij gunste wordt gegeven, wat mettertijd (waren zij blijven leven) hun stond aan te groeien s). Want wij zullen niet gelooven dat ook de
') Augustinus, Euchirid. ad Laar. Cap. XUI. Synopsis Pur. Thool. Disput. LI. 38. March, Compend. eu Morch XXXIV. 16. De Moor, Commontar. VI. p. 684 sqq.
2) Over do litteekenoa in Christus' lichaam zio Dertiende Hoofdstuk § 17.
3) C. Vitringa, Doctrina Pars IV. p. 142.
4) Sermon. (Do Tomporo, CCXLII. Cap. 2, 3). De Moor, Commontar. in Marck VI. p. 685. 700.
5) â â ut roddatur munere, quod accussurum orat tempore. Evon/.oo Do Civitato Dol Lib. XXII. Cap. 14: Quid do infanLi-bus dicturi sumus, nisi quia nou in ca rosurrocturi sunt corporis
694
§12. GEEN ANDER, MAAR ANDEflS.
ouderdom kuchend en krom zal opstaan. Ten slotte, neem de verdorvenheid weg en dan voeg er bij wat gij wilt.quot;
Augustinus was van gedachte, dat de dooden als vol-krachtige jeugdige menschen, naar het voorbeeld van Christus, zouden opstaan«), terwijl intusschen de gelijkvormigheid met Hem niet in evengelijke grootte zou bestaan, maar een ieder weer zijne eigene maat zou hebben, welke hij of gehad heeft in zijne jeugdige jaren, al is hij ook oud gestorven, of gehad zou hebben, ingeval hij het leven vroeger heeft afgelegd '). â âAllen zullen dus opstaan zoo groot van lichaam als zij of waren (bij leven), of (bij vroeg versterf) zouden zijn in den jeugdigen leeftijd. Edoch zal 't niets hinderen, wanneer ook de lichaamsgestalte die van een kind of van een grijsaard zal zijn, indien maar noch aan den geest noch aan het lichaam
exiguitate, qaa mortui; sed quod eis tavdius accessuruin orat tempore, hoc sunt illo Dei opero miro atquo celerrimo receptuvi ? Voorts wijst aldaar de Kerkvader zinrijk hierop, hoe hot kind zijne vólle gestalte, grootte en al de deelon dos lichaams, b.v. ook de tanden, reeds heeft in den aanleg (in ratione, non in mole): het kind is in den grond reeds een korte of lange mensch, die kort of lang wezen zal.
') â in ea aotate et robore, usque ad quam Christum hie porvonisse cognovimus. Angustinus, De Civ. DoiL. XXII Cap. 15.
2) Ibidem: Restat ergo, ut suam recipiat quisque monsuram, quam vel habuit in juventute, etiamsi sonex est mortuus ; vel tuerat habiturus, si ante est defunctus. Juventus is do rijpe, jeugdige, volkrachtige leeftijd, van 20 tot 40 jaren. Augustinus deukt, met het oog op Christus, bijzonder aan 30 jaar. (Bij do Romeinen rekenden sommigen vijf leeftijden (aetates), ieder van 15 jaren : pueritia ; adulescentia, van 't IGdo jaar af: juventus van hot 31ste enz. G. Lahmeyer, zu Cicero, Cato Major. 1877. § 4. S. 15).
695
§ 12. GEEN ANDER, MAAR ANDERS.
zelf eenigerlei zwakheid zal overig zijn. Staat echter iemand er op, dat een iegelyk in dezelfde lichaamsmaat, waarin hij gestorven is, weder op zal staan, men dient daarover niet hard te twistenquot; ') â zegt de Kerkvader, en wij met hem.
Doch ons aansluitende aan Augustinus stellen wij ons het aldus voor, dat het ideaal van iederen mensche Gods ook naar den lichame zal worden verwezenlijkt; met behoud van individuëele eigenaardigheid ook in tronie en gestalte, waardoor onderscheiding en onderkenning mogelijk zal zijn, maar zonder eenig overblijfsel en spoor van vroegere onvolmaaktheid : de volkomene verwerkelijking van hetgeen hij op aarde in zijnen bloeitijd, volwassen, ontwikkeld en gerijpt iets, doch altijd slechts gebrekkig vertoond heeft, of, stierf hij jong, bij leven zou vertoond hebben.
Hetzelfde mogen wij aannemen van degenen die nog op aarde zijn wanneer de Heere komt, wier lichamen veranderd worden.
Geen grond is er voor de singuliere meening van sommigen *), dat eerst alle opgewekten en de nog levenden in hunne oude gedaante, goeden en kwaden gemengd, voor den rechterstoel zouden verschijnen en dat eerst na het gesproken vonnis de heerlijke verandering der uitverkorenen zou geschieden.
') Hom Cap. 16. Euchirid. ad Lnur. Cap. XC.
2) Fr. Ad. Lampe od Dan. G er des, bij 6. Vitrimja, Doctrina Para IV. p. 143.
696
§13. ONGELIJKHEID.
§ 13. Ongelijkheid.
1. In één opzicht zullen alle lichamen, der zaligen en der rampzaligen, gelijkheid hebben : allen zullen zij onverderfelijk en onsterfelijk zijn. Maar overigens zal zich er een ontzaglijk onderscheid openbaren: het lichaam der goddeloozen zal een afgrijzen zijn, het lichaam der rechtvaardigen een verheerlijkt vleesch.
Dit volgt uit den aard der zaak; uit den verschillenden geestelijken toestand. Voor de heilige, zalige, verheerlijkte ziel past niet dan een schoon en volmaakt lichaam, beide gereinigd door het bloed en den Geest van Christus, waar het herstelde beeld Gods, de heerlijkheid van Christus, uitblinkt; hetwelk ook de witte kleederen in de Openbaring van Johannes (7 : 13) te kennen geven. Het tegendeel is te denken van het lichaam der rampzaligen: het zal beantwoorden aan hunnen jammerlijken staat'): hun goddeloos wezen en hunne woede en wanhoop zullen zich er zeker in uitdrukken.
De Schrift getuigt er van. De stem der Openbaring sprak tot Daniël 12 : 2, 3 : En velen van die, die in H stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven en genen tot versmaadheden [en] tot eeuwige af grijzing. De leeraars nu zullen blinken als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk.
697
Hier (vs. 2) wordt niet zinnebeeldig gesproken van de bevrijding der Israëlieten uit de Babylonische ballingschap,
') Origenes dacht zich do lichamen dor verdoemden zwart. Hagenbach, Lehrb. der Dogmengesch, § 78. S. 180. 183.
§13. ONGELIJKHEID.
gelijk sommigen aannemen, noch, volgens anderen (ook Grotius) van de herstelling des volks na de vervolgingen door Koning Antiochus, noch ook (naar Coccejus) van den geestelijken opgang en bloei der Kerk des Nieuwen Testaments in het laatste der dagen door de bekeering van velen uit Heidenen en Joden ; maar van de algemeene opstanding der dooden bij de wederkomst van Christus.
Dat blijkt uit de woorden zelve, die kennelijk de opvatting in hun eigenlijken zin eischen. Coccejws verklaart: de slap enden in het stof der aarde zijn geestelijk dooden; het ontwaken is de bekeering ; en voor die ontwaken is het eeuwige leven, maar de overigen, die niet zullen ontwaken, dat is die zich niet zullen bekeeren, zullen tot smaad en afgrijzing zijn ')⢠Maar openbaar wordt hier geheel de menigte der ontwakenden gescheiden in twee deelen; een deel ten eeuwigen leven, het andere deel tot versmaadheden en eeuwige afgrijzing. Dies kan men het niet van geestelijke, maar alleen van de algemeene lichamelijke opstanding verstaan.
Wel wordt hiertegen ingebracht, dat er niet staat:
die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, maar velen van die 2). Maar daaruit volgt niet, dat hier eene partiëele, gedeeltelijke opstanding zou zijn bedoeld 3). Wel
') Joh. Coccejus, Observationes in Dauiol. Cap. XII. p. 69 sq.
2 nav mm D^-i
T t - ; - â¢â¢â¢â¢;⢠⢠-
:l) Dit orkont ook C. Fr. Keil, Commontar. Z. d. St. S. 400. â Onzo oudo Godgeleerden hebben, en met reden, met deze Schri';-tuurplaats nog al moeite gehad. Vergel. Witsius, Oeconom. Lib. III. Cap. II. 25. sqq. Idem, Exercitat. in Symbol. Apostel. § 38 sqq. De Moor, Comment, in Marck. Pars VI. p. 666 sqq. p. 681.
698
§ 13. ONGELIJKHEID.
beteekent velen niet allen. Dat kon, wanneer er stond : De velen die, maar het is: Velen van die. Allen zijn wel velen, maar velen van die zijn niet allen. De woorden moeten hunne beteekenis behouden. Eet natuurlijkst zal wel zijn, dat er bij Velen van die al terstond gedacht moet worden aan de daarop vermelde scheiding der zaligen en der rampzaligen en dat met het oog hierop aldus is gesproken. Dies zal de zin zijn: Velen van die in het stof der aarde slapen, zullen ten eeuwigen leven, de overigen, ook velen, tot versmaadheden en eeuwige afgrijzing ontwaken. Ontwaken zullen dus allen, maar ontzaglijk verschillend.
Hier is dus geene tegenstrijdigheid tegen hetgeen de Schrift elders van de algemeene opstanding leert. Christus zelf geeft ons het rechte licht over de plaats bij Daniël in zijne uitspraak Joh. 5 : 28, 29, waar Hij kennelijk op de woorden bij den Profeet toespeelt, getuigende ón van de algemeene opstanding én van het onderscheid dergenen die opstaan. Hij zegt uitdrukkkelijk, dat allen die in de graven zijn, zijne stem zullen hooren. En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tol de opstandiny des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis.
Uitblinken in heerlijkheid zullen de leeraars (v. 3), dat zegt, niet alleen die liet leeraarsambt bekieeden, maar naar den grondtekst de verstandiyen, waarvan bij den Profeet reeds Hoofdst. 11 : 33â35 was gesproken, verlichte voorgangers en wijze leidslieden des volks, die in tijden van nood en vervolging dapper en onverschrokken voor de waarheid en gerechtigheid uitkwamen en door onderwijzing en voorbeeld het volk voorlichtten, onder de
699
§ 13. ONGELIJKHEID.
verdrukkingen tot trouw en standvastigheid opwekten en hun geloof en getuigenis ook wel met hunnen dood bezegelden. Dezen, die in den strijd des levens velen den weg der gerechtigheid door daad en woord, door hun voorbeeld en leere, hebben gewezen, zullen in de onver-gangelijke hemelsche heerlijkheid uitblinken.
Door het oordeel Gods zijn dan de rechtvaardigen van de goddeloozen gescheiden: de rechtvaardigen verheven tot het eeuwige leven, de goddeloozen veroordeeld tot ver smaadheden [en] tot eeuwige af grijzing, tot eenen toestand, zoo jammerlijk, zoo afzichtelijk, zoo akelig, dat een ieder die hen zou zien, er van zou moeten walgen van afkeer en rillen van schrik.
Af gr ijzing. Datzelfde woord was reeds uitgesproken door den Heere Jezaja G6 : 24; En zij zullen henen uitgaan en zij zullen de doode lichamen der lieden zien, die tegen mij overtreden hebben, ivant hun worm zal niet sterven en hun vuur zal niet uitgehluscht ivorden, en zij zullen allen vleesche eene af grijzing wezen. Hier hebben wjj hoogzinnebeeldige taal. Het gericht over de Godverachters vervolgers was voorgesteld als de overwinning over vijanden in eenen veldslag, v. 16: Met vuur en met zijn zwaard zal de Heere in het recht treden, en de verslagenen des Heeren zullen vermenigvuldigd zijn. Daarom wordt er v, 24 van doode lichamen gesproken. Sion, de gemeente des Heeren, is verlost en vrij en viert bestendig Sabbat. De heiligen gaan uit de Godsstad en zien daarbuiten de doode lichamen der verslagenen des Heeren liggen, gelijk Israël eens de Egyptenaren dood aan den oever der zee zag (Exod. 14 : 30). Van deze vervolgers is niets meer te vreezen. Hunne Igken worden deels door
§13. ONGELIJKHEID.
het gewormte geknaagd, deels door het vuur verbrand. Afgrijselijk om aan te zien. â De Heere Jezus neemt deze hartverplelterende woorden over en herhaalt zo driemaal, Mare. 9 : 44, 46, 48, om te betuigen de eeuwige pijn der goddeloozen in de hel, waar zij in het lichaam lijden zullen voor hetgeen zij door het lichaam gezondigd hebben.
âZü zullen opstaanquot;, zegt Augustinus, âeen ieder met zijn vleesch, maar om met den duivel en zijne engelen gestraft te worden. â â Naar de hoedanigheid des lichaams van hen, wier eeuwige verdoemenis zeker is, behoeven wij niet lang te vragen; noch ook, hoe hun lichaam onverderfelijk zal zyn, wanneer het zal kunnen lijden, of verderfelijk wanneer het niet zal kunnen sterven. â â Waar den rampzalige niet toegelaten wordt te sterven, sterft zoo te zeggen de dood zelf niet; en waar de onophoudelijke pijn niet doodt maar teistert, heeft het verderf zelf geen einde. De Heilige Schriften noemen dit den tweeden dood «)quot; Een dood, een sterven zonder uit te sterven; de rampzaligen zijn onsterfelijk stervende.
701
2. Daarentegen het lichaam der zaligen zal zijn een verheerlijkt vleesch. Wel kunnen vleesch en bloed, lichamen zooals zij thans zijn, verdorven en verderfelijk, in het rijk der heerlijkheid niet komen (1 Cor. 15 : 50), maar de verderfelijkheid is er dan uit, zij, dezelfde lichamen naar het wezen, zijn in hoedanigheden veranderd, onverderfelijk in den vollen zin des woords, dus niet slechts onvergankelijk (dat zijn ook de lichamen der rampzaligen), maar heerlijk.
') Augustinus, Eachirid. ad Laurent. Cap. XCII.
§ 13. ONGELIJKHEID,
Wij mogen den toekomenden, hemelschen staat onzes lichaams niet naar den tegenwoordigen, aardschen afmeten. God kan dezelfde substantie in verschillende vormen, in onderscheiden trappen van volmaaktheid met behoud van hare eigenaardigheid doen bestaan. Dat zien wij met onze oogen in de sterfelijke natuur; welk eene rijke bewonderenswaardige verscheidenheid van vormingen !
Daarop wijst ons Paulus 1 Kor. 15 : 39 vv. Tenblijke dat er zoowel een heerlijk als een nederig vleesch zijn kan, doet li\j ons opmerken, dat er reeds op aarde verscheidenheid is van vleesch : vs. 39: Alle vleesch is niet hetzelfde vleesch, maar een ander is het vleesch der men-schen en een ander is het vleesch der beesten en een ander der visschen ') en een ander der vogelen. Werpt dus iemand tegen, om de opstanding te bestrijden : âHet opstandingslichaam is alzoo toch vleesch ?quot; De Apostel antwoordt: Ja, zeker; maar er is vleesch en vleesch, alle vleesch is niet eender; ook onder do schepselen op aarde is er verscheidenheid, zij allen hebben vleesch, maar een ieder naar zijnen aard: zoo is er in hoedanigheid verschil tusschen 's menschen lichaam nu en namaals, hoewel het naar het wezen hetzelfde is. Daarom wordt ook het verheerlijkte lichaam nog vleesch genoemd, en wij gelooven en belijden âWederopstanding des vleesches J)het toekomstig lichaam is ook vleesch, doch anders behoedanigd
1) Paulus spreekt ook van het vleesch der visschen ; oene nota voor do Roomschen, die in hunne vasten geen vleesch meenen to eten, terwijl zij wel visch smullen. Bengel, Gnomon i.1.: Qui piscibus vescuntur, carno vescuutur; idquo lautius, variotato doloctante.
2) Vorgel. hier voren § 6.
702
§ 13. ONGELIJKHEID.
dan het tegenwoordige, zinnelijke, daar het de zuivere afspiegeling zijn zal van den reiner, geest der rechtvaardigen. Christus had na zijne opstanding ook vleesch : vleesch en beenen, zeide Hij zelf, Luc. 24 ; 39 i).
De Apostel vervolgt 1 Cor. 15 : 40: En daar zijn hemelsche lichamen (ook aan het zaad schreef hij een lichaam toe vs. 38 ; zoo neemt hij hier lichaam in een ruimeren zin. 't Zijn niet de Engelen, dezen hebben geen lichaam Hebr. 1 : 14, maar zon, maan en de andere sterren vs. 41, de hemellichamen) en daar zijn aardsche lichamen (die op de aarde en van aardsche natuur zijn); maar eene andere is de heerlijkheid (de glans) dor homolsche (der hemellichamen) en eene andere (de schoonheid) der aardsche (bij voorbeeld der leliën, Matth. 6 : 28, 29).
En ook wederom onder de hemellichamen zelve is een onderscheid van heerlijkheid : vs. 41 : Eene andere is de heerlijkheid der zon en eene andere is de heerlijkheid der maan en eene andere is de heerlijkheid der sterren (der overige sterren: âwant ook de zon en de maan zijn sterren,quot; (Kantteek.): want de [eene] ster verschilt in heerlijkheid van de [andere] ster. 42. Alzoo zal ook de opstanding der dooden zijn.
703
Hiermede wil Paulus niet zeggen, dat er onder de heiligen na de opstanding verschillende trappen van eere en heerlijkheid zullen zijn ; dit is wel zeer waar, en de Schrift betuigt het elders, maar hier bedoelt de Apostel dat niet. Hier leert hij niet, hoedanig een onderscheid van staat er onder de heiligen na de opstanding zijn zal, maar wat onderscheid er is tusschen onze lichamen zooals
') Zie Dertiende Hoofdstuk § 4.
§ 13. ongelijkheid.
zij tegenwoordig zijn en zooals wij ze eens iveder zullen ontvangen ')⢠Aldus vatten het ook onze Kantteekenaars: âGelijk er onderscheid is tusschen vleesch en vleesch, en tusschen lichamen en lichamen in heerlijkheid, zoo zal ook in de opstanding onderscheid zijn tusschen de hoedanigheden onzer lichamen, die wij nu hebben op de aarde en die wij hebben zullen na de opstanding in den hemel.quot;
Uit het gezegde van Paulus aangaande de verscheidenheid van vleesch (1 Kor. 15 : 39) blijkt, dat wij wel degelijk van opstanding des vleesches mogen spreken, maar tevens ook, in welken zin. Velen laten deze uitdrukking niet toe, maar alleen opstanding des lichaams. Intusschen zij is kerkelijk. De Twaalf Geloofsartikelen hebben Wederopstanding des vleesches, In de Geloofsbelijdenis van de Synode te Aquiléja1) in Opper-Italië 381 n. G., waar 32 bisschoppen vergaderd waren, met Ambrosius als voorman, is uitdrukkelp gezegd: Ik geloof de Wederopstanding van dit vleesch s). En in den Heidelb. Gatech. Vr. 57 : â dat ook dit mijn vleesch, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijne ziel vereenigd en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden. Dus hetzelfde vleesch in substantie, maar in hoedanigheid veranderd, verheerlijkt.
Beide uitdrukkingen zijn vast te houden : samengevoegd duiden zij de zaak volledig aan. Opstanding des lichaams geeft te kennen, dat de mensch in toekomst niet bloot als
704
1
) Guil. Gave, Scriptor. Ecclos. Historia literaria. Pars II. 1699. p. 77.
§ 13. ONGELIJKHEID,
geest zal bestaan, maar met zijn lichaam ; opstanding des vleesches, dat dit lichaam levend, weer bezield, en aldus de mensch, naar geheel zijne wezenheid en individualiteit vernieuwd zal zijn
Dat is wat anders dan de wijzen der Heidenen in de oudheid leerden. Bij hen, verstoken van het licht der openbaring, kon de gedachte aan opstanding, aan weder-belichaming der dooden en herstelling van heel den mensch niet opkomen. Naar Uomcrus waren en bleven de dooden slechts schimmen, niet te vatten, niet te tasten, noch te pakken, krachtelooze, vvezenlooze gestalten, als een rook, als een droombeeld1).
Maar Israël kon lot God spreken Jez. 26 : 19: Uive dooden zullen leven, [ook] mijn dood lichaam, zij zullen opstaan. Waarbij onze Staten-Overzetters aanteekenen: âMet deze woorden verklaart de Kerk s) in 't gemeen en elk geloovige in 't bijzonder een vast vertrouwen van de zalige opstanding uit de dooden tot de heerlijkheid des eeuwigen levens, waarvan de verlossing uit de Babylonische
') Nitzsch, System. § 217. Aum. 1. Anders Delitzsch, Bibl. Psychol. S. 460.
â ^) Als Odyssous, ia hol doodenrijk afgedaald, zijne moeder aldaar wil ombelzeu, is zij niet te vatton. Driemaal strekt hij naar haar zijne armen uit, maar driemaal vliegt zij weg uit zijne handen, als eene schaduw, als eon droombeeld. Homer. Odyss. XI. 205 sqq. Vergil. Aen. II 792 sqq. C. F. Von Nagelsbach, Homer. Theol. 2to Aufl. S. 399. G. Hermann, Das Jensoits vom Gesichtspunkte der Vollkoramenheit ans. In; Beweis des Glaubens. 1889. Juli. S. 264 ff.
â ') Ook Odder en Delitzsch nemen dit als eene aanspraak der Gemconto tot God, Van der Palm oordeelf, dat God hier sprekendo wordt ingevoerd.
üravemoijoi', Goref. Gol. leer. III. 45
705
§13. ONGELIJKHEID.
gevangenis een voorbeeld zoude zijn en daarom van de Joden met vertrouwen was te verwachten.quot; Waald op en juicht, gij die in het stof woont, want uw dauw zal zijn [alsj een dauw der moeskruiden*), en het land zal de overledenen uitwerpen i).
Zalig, wie met zulke hope uit dit leven scheidt, zooals de grijze Daniël scheiden kon, naar het Woord (12 : 13), waarmede de Heere nu zijnen ouden dienstknecht liet gaan in vrede: Maar gij, ga henen tot het einde, want gij zult rusten en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen.
') rrm ba Niouweron vertalon; dauw der lichten, of levensdauw. Zonder noodzaak. Van der Palm heeft: dauw der moeskruiden. Zoo ook Winer, Lexic. en Gesenius, Handwörterbuch. De levende, werkende kracht Gods vergeleken bij den dauw dio op dorre kruiden daalt.
Togen Hofmann, dio in deze Schriftuurplaats geen eigenlijke opstanding der doodon vindt, maar alleen eon beold van de herstelling Israëls, komt te recht Dclitzsch op, Commentar über Josaja, 2te Ausg. S. 307, on Bibl. Psychol. S. 414 f. Hier ou ook Ezoch. 37 : 1â14 is hem do opstanding dor doodon, dio de Profeet schouwt, moor dan cou beold van de wederbrenging dos volks dat in do ballingschap als begraven was. lutusschen koot DeliUsch daarmede weer tot de »eerste opstandingquot;: Die Be-kenner Jahve's in den Grabern werden au f er wekt, urn mit den noch in Leibesleben Befindlichen Eine heniiche Gemeinde zu bildsn. Zulk oen mengelmoes zou wel oono wondorheerlijko gemeente zijn!
2) Luther vroeger: Uad das Land wird die Todten eraus werfen. Later, verkeerd: Aber das Land der Todten ruirst du stürzen.
706
14. HET LAATSTE OORDEEL.
§ 14. Het Laatste Oordeel.
1. Er komt een dag, die de laatste zal zijn in de lange, lange reeks der dagen, maar de eerste moet wezen in de gedachten van ons hart, een dag, die den loop der tijden sluit en na welken er geen tijd meer zijn zal ; een dag, op welken er in de hemelen en op aarde dingen zullen gebeuren die alle schepsel verbazen, waar het wonderlijk zal toegaan, waar alles om en om zal keeren : de dag des gerichts over alle volken, der eindbeslissing van aller lot, der geheele afzondering van tarwe en onkruid, der eeuwige scheiding tusschen de kinderen Gods en de kinderen des Boozen.
Dat is de groole en doorluchtige dag des Heeren, lang voorspeld en gedurig ter waarschuwing aangekondigd. In het Oude Testament het QevslAoor Henoch, A\e, de zevende van Adam, geprofeteerd heeft van de homst des Heeren met zijne veel duizenden heiligen, om gericht te houden tegen allen en te straffen alle goddeloozen onder hen van wege al hunne goddclooze werken, die zij goddelooslijk gedaan hebben en van wege al de harde fwoordeti] die de goddelooze zondaars tegen IJem gesproken hebben (Jud. 14, 15); ten laatste door Maleachi 4 : 15 : Ziet, die dag komt brandende als een oven â â die groole en die vreeselijke dag des Heeren. En door den geheelen inhoud des Ouden Testaments breidt zich deze voorzegging uit, in aankondigingen van tijdelijke oordeelen, telkens met hot laatste oordeel in 't verschiet.
Christus zelf heeft er gedurig en ten stelligste van gesproken en Hij gaf er ton slotte eene verhevene en indrukkelijke schildering van (Matth. 25 : 31 â 46), Het
707
§ 14. HET LAATSTE OORDEEL.
behoorde tot de onderwerpen der Apostolische prediking (Hand. 10 : 42. 17 : 31. 24 : 25), de Zendbrieven der Apostelen getuigen er voortgaande van en de heenwijzing naar het toekomende oordeel gaf klem aan hunne verkondiging. Het laatste Bijbelboek stelt het ons eindelijk nogmaals levendig voor oogen (Openb. 20 ; 11 â 15).
Van dit oordeel, het oordeel des grooten days (Jud. 6), is reeds gehandeld bij 's Verlossers Verhooging, wier laatste trap immers is zijne Wederkomst om te oordeelen de levenden en de dooden, de luisterrijkste en algemeenste openbaring van zijne macht en heerlijkheid {Dertiende Hoofdstuk § 20 vv.).
De Schrift leert dan niet slechts over 't geheel eene toekomstige vergelding van goed en kwaad, ook verzekert zij niet alleen dat aanstonds met den dood voor de ziel de vergelding begint en door Goddelijk oordeel haar lot wordt beslist. (Zie hiervoren § 3 en 4) zonder dat anderen er van gewaar worden; maar ten duidelijkste staat er geschreven, dat er een openbaar, algemeen, plechtig gericht zal worden gehouden over de levenden en de dooden door Jezus Christus'). Want ivij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden, Rom. 14 : 10. Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam [geschiedt], naar dat hij gedaan heeft hetzij goed hetzij kwaad, 2 Kor. 5 : 10. Hand. 17 : 31.
708
2. Het groote werk des oordeels gelijk alle andere Goddelijke werken naar buiten komt aan den Drieëenigen God toe. De Vader en de Heilige Geest zijn daarvan niet
') Zie Dertiende Hoofdstuk,
§ 14. HET LAATSTE OORDFSL.
uitgesloten. De Schrift noemt dan ook doorgaans in het algemeen God als Rechter. Want God zal ieder werk in het gericht brengen, met al wat verborgen is, hetzij goed of hetzij kwaad, Pred. 12 : 14.
a. Maar de Vader doet het door den Zoon in de kracht des Heiligen Geestes. Christus heeft gezegd: De Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven. En heeft Hem macht gegeven ook gericht te houden, omdat Hij des menschen Zoon is. Joh. 5 : 22, 27. Niet dat God den mensch Jezus daartoe gevolmachtigd heeft, in Sociniaanscheft zin â¢) ; neen, het is de Zoon Gods, eens Wezens met den Vader, aan vvien de Vader het gericht heeft opgedragen, de Zoon in het voorafgaande, ook nog v. 26, genoemd : Hem {uvrü) heeft de Vader deze macht gegeven, en wel omdat Hij Zoon des menschen, mensch geworden is: Zoon Gods en Zoon des menschen, dus Godmensch. Zijne Koninklijke heerlijkheid en rechtermacht is gevolg en loon van zijne menschwording en gehoorzaamheid (Fil. 2 : 6âll1). Hij werd nu niet eerst daartoe verkoren. Hij was er toe geordineerd (Hand. 17 : 31); reeds Daniël (7 : 13, 14) wist het, daar hij den Messias met de wolken des hemels zag komen als eens menschen zoon en de macht en heerschappij ontvangen.
b. Christus heeft dus zelf verklaard, waarom Hij hel oordeel zal houden : het is, omdat Hij, de Zoon Gods, Zoon des menschen is. De grond is alzoo zijne menschwording, dat wil zeggen: zijne vrijwillige vernedering, met
') Ook Bretschneider, Handb. der Dogm. II. S. 436 vindt in hot N. T. (Job. 5 : 22, 27 on o. pl.) allooulijk dit: Das Goricht worde Christus, als Messias und Bevollinüchtigtor Gottos, halten.
â ) Zie Twaalfde Hoofdstuk § 3.
709
§ 14. HET LAATSTE OORDEEL.
met al wat Hij in zijne aangenomene menschheid voor zijn volk gedaan en ondergaan hoeft.
Omdat Hij in den staat der vernedering de zaligheid voor de zijnen heeft verworven, zal Hij zelf ze hun ook in de laatste beslissing volledig toepassen.
13. Omdat hij van menschen geleden heeft, door menschen onteerd, verguisd en verworpen is, zal Hij, dit eischt het Recht, dit verlangt zijne eer, tot hunne beschaming en verschrikking in zijne heerlijkheid als Koning en Rechter komen en hen richten, veroordeelen en straffen.
y. En de geloovigen konden geen 'beteren Rechter begeerer, dan Hem die zelf in hunne plaats alle gerechtigheid heeft vervuld. De Rechter is hun vriend, hun Zaligmaker. Het aanschouwen van Hem stelt hen aanstonds gerust en verwekt bij hen aanbiddende bewondering en onuitsprekelijke blijdschap. En nu reeds is dit de troost des geloofs: Dat ik in alle droefenis en vervolging met op gericht en hoofde even denzelfde, die zich te voren om mijnentwille voor Gods gericht gesteld en al den vloek van mij weggenomen heeft, tot eenen Rechter uit den hemel verwachte {Heidelb. Cat. Vr. 52).
§. Het zal een openbaar gericht zijn ; daartoe wordt een Hechter vereischt die gezien kan worden: Christus kan het docr dat Hij mensch geworden is, zichtbaar vertegenwoordiger van den onzienlijken God.
f. Maar die allen zal oordeelen, moet ook allen kennen, moet nauwkeurige en onfaalbare kennis hebben van alles wat in den ganschen duur der wereld door een ieder te aller plaats in elk oogenblik is gedaan en ook van de verborgene raadslagen des harten; voorts onkreukbare, onwrikkbaie, zuivere, volmaakte rechtvaardigheid: daarbij
710
§ 14. HET LAATSTE OORDEEL.
het recht om zulk een vonnis te spreken, van hetwelk men niet appelleeren, zich niet op een hooger beroepen kan, en eindelijk macht om dat vonnis te voltrekken. Dat alles bezit Christus door zijne Goddelijke natuur, door dat Ilij, de Persoon, die de menschelijke natuur heeft aangenomen de Zoon Gods, dus waarachtig God is, alwetend, allerrechtvaardigst, almachtig.
Hij zal gezien worden in dat lichaam, hetwelk aan het kruis is geklonken geweest, maar nu verheerlijkt is gt;). Of met de lidteekenen van zijne vijf wonden ? 2) De Schrift zegt dit niet, ook niet Openb. 1:7: Alle oog zal Hem zien, ook degenen die Hein doorstoken hebben, want daar staat niet, dat zij zijne ivonden, maar dat zij Hem zullen zien, ook zij, die Hem âgekruisigd en gedood hebbenquot; (Kantteek.) Vertoond Hij ze echter, zij zullen dan niet meer nat zijn van bloed als op Golgotha, maar blinkende eereteekens, merkteekenen van Zijnen volstreden strijd, allen zichtbaar, voor de zijnen lot troost en verheuging, voor de vijanden tot verschrikking.
3. En wanneer de Zoon des menschen komen zal in zijne heerlijkheid, en al de heilige Engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den troon zijner heerlijkheid, Matth. 25 : 31.
711
a. Op de wolken des Hemels zal Hy verschijnen in den glans zijner majesteit, begeleid van zijne veelduizenden Engelen. Deze hemelsche heirscharen, die bij Bethlehem Efrata God loofden, toen het heilige Kind in de kribbe lag, wier legioenen den Lijder in Gethsémané, zoo Hij
') Vorgol. Dertiende Hoofdstuk § 20. â ) Zio daarover Dertiende lloofdstuh § 17.
§ 14. HET LAATSTE OORDEEL.
't bogoordc, ten dienste stonden, deze zullen getuigen zijn van de hoogste machtoefening des grooten Ronings en deze krachtige helden en snelle boden zullen zijne dienaars zijn bij het gericht, de maaiers, de verzamelaars bij den oogst. De heilige Engelen zijn geesten, zonder lichaam, maar alsdan zullen zij zeker in eene zichtbare gedaante verschijnen, hun door de almacht des Heeren verleend. Evenals de Engel bij Christus' opstanding: Zijne gedaante teas gelijk een bliksem en zijne kleeding wit gelijk sneeuw, Matth. 28 : 3; en bij de hemelvaart verschenen den Apostelen twee Engelen, als mannen in witte Ideedlng, Hand. 1 : 10. Eens zag Jakob een geheel heirleger van Engelen Gods, te Mahanaïm, Gen. 32 : 1, 2: en Eliza's dienaar zag den berg bij Dothan omgeven van Engelen in vurige gedaanten, 2 Kon. G : 17. Maar welk een schitterende glans en majestious verschijnsel zal het zijn, wanneer de Heere komt en al de heilige Kngelen met Hem, blinkende gestalten iti de schoonste orde geschaard.
Op eene glanzende wolk als op oenen troonwagen zal Hij uit de hoogste hemelen nederdalen, en Hij zal zitten op den troon zijner heerlijkheid. Dit is niet slechts zinnebeeld. Uet zal een troon zijn, iets werkelijks, zichtbaar, even zoo werkelijk als de Zoon des menschen die daarop gezeten is, gevormd bij de algemeene beweging : want de krachten der hemelen zullen bewogen worden ; een wonderwerk der Almacht, een groote tuitte troon (Openb. 20 : 11), met een pracht en luister zonder weerga, waarbij al wat anders troon en heerlijkheid genaamd wordt niet in vergelijking komt.
b. En voor Hem zullen al de volkeren vergaderd worden, Matth. 25 : 32a. Al de volken, alle menschen, goeden en
712
§ 14. HET LAATSTE OORDEEL. 713
kwaden, zoo die dan nog leven als die van de schepping der wereld af aan geleefd hebben, van Adam af lol den laalst geborene toe, onlzaglijke scharen, onlelbaar als de halmen en aren, met onkruid en distelen daartusschen, op een onmetelijk, dicht bezet korenveld, over hetwelk van eene hoogte af het oog kan weiden, maar welks einden de blik niet bereikt. Welk een looneel! Allen die tegen den jongsten dag nog bij levenden lijvo zullen zijn, in een oogenblik veranderd; en al de de dooden wier lichamen reeds lang tol stof waren vergaan, opgewekt door het machtwoord des lleeren, alle dooden, klein en groot: geringen en aanzienlijken, armen en rijken, bedelaars en koningen : de zee, gelijk de aarde, zal hare dooden geven die in haar zijn, en de dood en de helle zullen de dooden opgeven die daarin zijn om geoordeeld te worden naar hunne werhen, (Openb. 20 : 12, 13), en âaan welke plaatsen ook de doode lichamen verstrooid mogen zijn, gelijk het vuur, de lucht, de vogelen en hel wreed gedierte vele lichamen hebben verslonden, die allen zullen door Gods macht te voorschijn gebracht worden, waar zij ook mogen zijn. Want die alles uit niet heeft geschapen, zal ook lichtelijk uit al de elementen der wereld de lichamen bijeen vergaderen, die ooit in de wereld zijn geweestquot; (Kantteek.).
In gemengde hoopen zullen zy eerst daarslaan, gelijk tarwe en onkruid op den akker. Want de lichamen der goddeloozen en der rechtvaardigen liggen in de aarde door elkander heen gezaaid en uit dezelfde kerkhoven, ja uit dezelfde graven komen kinderen Gods en kinderen des Boozen op.
c. Doch een oogenblik slechts, en de Koning maakt
714 § 14. HET LAATSTE OORDEEL.
eene scheiding. En Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de hokken scheidt. En Hij zal de schapen tot zijne rechter!handj zeiten, maar de hokken tot [zijne] linker [hand], Matth. 25 : 32b, 33.
Bokken zijn mannetjes van geiten, gelijk rammen van schapen. Geiten en schapen, bokken en rammen werden begrepen onder den naam van klein vee en weiden samen (Ezech. 24 : 17). Daarom hebben sommigen gt;) gedacht, dat Christus met de bokken geveinsden bedoelde, die in de zichtbare Kerk op aarde met de vromen zijn vermengd geweest, maar alsdan volledig worden uitgescheiden (vergel. Matth. 13 : 41). Maar de tegenstelling is algemeener, en de eigenzinnige, dartele, stootsche geitebokken zijn geen beeld van geveinsden, maar van halstarrigen, hoogmoedigen, kwaden, terwijl de schapen verbeelden de nederigen, onderworpenen, volgzamen (Joh. 10 : 27), de geloovigen.
Hierbij doen de duizenden heilige Engelen dienst, daartoe met de noodige kennis en kracht uitgerust. Wat tarwe is zullen zij niet voor onkruid aanzien en geen onkruid voor tarwe. En zullen ook niet de rechtvaardigen reeds door den lichtglans van hunne verheerlijkte lichamen kenbaar zijn ? Dezen volgen gewillig, de boozen moeten volgen, als door een onweerstaanbaren tocht voortbewogen; en dus worden allen in een oogenblik geplaatst voor den rechterstoel van Christus, de goeden rechts de boozen links voor den troon die hoog in de wolken is opgericht, in de lucht, âwaar Christus zijn gericht zal houdenquot;
!) Joh. a Marde, Morch XXXIV. 22. Ook Vo/i Gerlach zu Matth. 25 : 32.
§ 14. HET LAATSTE OORDEEL.
{Kantteek. op 1 Thess. 4 : 17). Het is dus niet. gelijk sommigen ') voorstellen, dat âdo kwaden op de aarde staan blijven,quot; in tegendeel allen, rechtvaardigen en onrechtvaardiger), moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, 2 Kor. 5 : 10. Wat Paulus 1 Thess. 4 : 17 zegt, ziet op de laatste uitkomst, de opneming der rechtvaardigen tot den lleere in de heerlijkheid, zonder aanmerking van de volgorde. Evenals Openb. 20 : 11 Johannes zegt: Ik zag eenen cjrooten witten troon en dengene die daarop zat, van wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden, en geen plaats is voor hen gevonden, als of de ondergang der wereld aanstonds bij Christus' verschijning op don troon plaats had, terwijl toch eerst het oordeel stond gehouden to worden (vs. 12 vv.).
Alle geloovigen, ook de Apostelen zullen voor den Rechter staan in hunne opgewekte lichamen; daarna, nadat zij eerst door Christus zijn geoordeeld, zullen zij, bij name de Apostelen, Hem als tot bijzitters zijn in het verdere gericht. Want de heiligen zullen de wereld, ja zullen de Engelen, die gezondigd hebben, oor-deelen, 1 Kor. 6 : 2, 3 ; niet met rechterlijke autoriteit, maar wegens hunne vereeniging met Christus, daar zij âals leden zullen deel hebben aan de heerlijkheid en het werk van hun Hoofd J),quot; en, zei ven van zonde en dwaling
') Brakel, Red. Godsd. II. Cap. LX. 9. Ook Bengel, Gnomou 1 Thosa. 4 : 17 : Impii in terra remauobuut: pil, absoluti, as-sessores fient judicii. Hot twoode is waar, liet eerste niet.
â 2) Van March, Merch XXXIV. 20. Brakel, Red. Godsd. II. Cap. LX. G. Pictet, Godgol. TI. p. 308. Van der Palm op 1 Kor. G : 3; Dat wij de Engelen zullen richten; «Wanneer wij, in bet
715
§ 14. HET LAATSTE OORDEEL.
volkomen gereinigd, ook zoo oordoelen als Christus oordeelt en erkennen en bekennen dat zijne oordeelen waarachtig en rechtvaardig zijn.
Allen moeten ten gerichte verschijnen. Schaamte, angst en wanhoop zal de goddeloozen aangrijpen. Konden zij, zij zouden zich verschuilen en wel willen in den grond zinken om verborgen te zijn voor het aangezicht desgenen die op den troon zit en voor den troon des Lams (Openb. 6 : 1G), maar er is geen ontkomen aan, geen verberging mogelijk.
d. De boeken worden geopend â¢). Het oordeel gaat over de gedachten, woorden en werken Paulus betuigt Rom. 2 : 16, dat naar het Evangelie, hetwelk hij verkondigde, ook dit vast stond J) : In dien dag zal God de verborgene dingen der menschen oordeelen door Jezus Christus; en Hand. 17 : 31 :Ilij zal den aardbodem recht-vaardiglijk oordeelen, dus alle menschen, ook die, wien het Evangelie nooit is gepredikt, ook die, die de geopenbaarde Wet niet hebben gehad. Rom. 2:12: Want zoo velen als er zonder Wet gezondigd hebben, zullen ook zonder Wet verloren gaan (geoordeeld naar die Wet die geschreven is in hunne harten en overtuigd door hun
algomeeno oordooi, doolgonooton van Jozus' hoorschappij zullen zijn.quot;
') Ziu Dertiende Hoofdstuk § 23: Het Oordooi.
'2) Aldus is y.XTx tc svuyysMov to verstaan, gelijk ook Calvlnus, Commeutar. i. 1. het hoeft opgevat. Evonzoo Pictet, Godgoleordh. II.. p. 308 on lirakei, Rod. Godsd. II. Gap. LX. 11. Anderen, ook Meyer: dat God zal oordeelen naar het Evangelie als regel; hetwelk niet past op die velen, die het Evangelie niet hobben gehoord.
716
§ 14. HET LAATSTE OORDEEL.
eigene conscientie v. 15); en zoo velen als er onder de Wet (jezondigd hebben, zullen door de Wet geoordeeld worden. Voor die onder het Evangelie geleefd en zich niet bekeerd hebben, zal het oordeel te zwaarder zijn, Het zal Tyrus en Si don verdragelijker zijn in den dag des oordeels dan hun lieden, Matth. 11 : 22.
üe Heere zal oordeelen zonder aanzien des persoons. Alles komt daar aan het licht. Een ieder zal daar in zijne ware gedaante openbaar worden, naar gezindheid, hartens-grond en gedrag. Daar zullen met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid, wier leven verborgen was mei Christus in God (Kol. 3 : 3, 4); maar geopenbaard ook in de schande hunner naaktheid allen die bij zich zeiven rijk en verrijkt waren en van hunne ellendigheid en armoede niet wilden weten (Openb. 3 : 17, 18). Openbaar wordt al wat er goeds gedaan is gedurende het leven in den lichame, in nederigheid en ootmoed, dcor de verborgene werkingen der genade, ook bij schemerende kennis en onbewust geloof; maar ook wordt aan hot licht gebracht alle bedekt kwaad en openlijk beschaamd alle veinzing en huichelarij. Menigeen, die bij de menschen geacht werd iets te zijn, zal dien dage gezien worden ter linkerhand, terwijl anderen die voor niets gerekend werden, maar in wie toch een hooger leven schuilde, blijken zullen geschreven te zijn in het Boek des levens des Lams.
De mensch wordt gerechtvaardigd en zalig niet door de werken maar uit genade door het geloof in Christus (Rom. 3 : 24. Ef. 2 : 8). Maar hel waar geloof is door de liefde werkende (Gal. 5 : 6). De Heere noemt, als een voorbeeld van die weiken die Hem behagen, bijzonder de werken der barmhartigheid jegens de broederen, jegens
717
§ 14. HET LAATSTE OORDEEL.
zgne arme en verdrukte volgelingen, als vrucht en bewijs van levend geloof, Matth. 25 : 35 vv.
De vrijspraak der geloovigen en hunne verkrijging van het eeuwige leven geschiedt wel alleen op grond van de hun toegerekende gerechtigheid des Verlossers; evenwel het cjoede dat zij gedaan hebben, schoon zij zeiven het niet rekenen, blijft niet onopgemerkt, en hoezeer het enkel genade en gave was, het wordt hun toegerekend door den goeden Koning en mist zijnen loon niet, zelfs de geringste dienst en hulp, aan den minstgeachten discipel bewezen, tot eenen beleer koud tvaters toe, Matth. 10:42. Want God is niet onrechtvaardig, dat Hij uw werk zoude vergeten en den arbeid der liefde, die gij aan zijnen naam bewezen hebt, als die de heiligen gediend hebt en [nog] dient, Hebr. G : 10.
e. Of Christus in het oordeel de zonden der geloovigen wereldkundig zal maken ?
Van onze Gereformeerde Godgeleerden zeggen sommigen : Ja'); anderen: Neen1); nog anderen: Wij weten het niet de dag zal het verklaren s). Ook de Roomsche Kerkleeraren zijn niet eenstemmig. De volgelingen van Petrus Lombardus ontkennen, die van Thomas Aquinas bevestigen dat de zonden der rechtvaardigen zullen openbaar worden.
') Zoo Andercas Rivetus, Disputatie LI. Thcsa. 52, ia do Synopsis Par. Theol. ed. Dr. //. JBavinck, p. 650. Joh. a Marck, Morch XXXIV. 22. With, a Brakel, lied. Godsd. II. Cap. LX. 11. v.
') Aldus Ben. Pictet, Godgcl. II. p. 309.
:l) Zoo Herm. Witsius, Exorcit. in Symbol. Apost. XXII, § 25â27.
718
§ 14. HET LAATSTE OORDEEL.
Door de Lutherschen, slechts weinigen uitgezonderd, wordt het ontkend»).
Wat is er van te denken ? Do Schrift laat ons niet in het onzekere. Zij zegt beslist, dat alle personen en al hunne werken, goede en kwade, in het gericht gebracht en geopenbaard zullen worden (Pred. 12 : 14. 2 Kor. 5 : 10). Dit is afdoende. Er wordt niets uitgezonderd. Het is dus niet te betwijfelen, of de zonden van Gods volk worden openbaar. En zal door een iegelijk rekenschap moeten gegeven worden over zyn doen en laten : dit sluit openbaarmaking in. Over recht en onrecht ook onder geloovigen wordt in dat gericht finaal en publiek beslecht: wie recht gehandeld, maar ook wie den broeder verongelijkt heeft, komt daar aan het licht.
Paulus spreekt Rom. 14 : 10, 12 bepaald tot en van geloovigen: Maar gij, wat oordeelt (jij uwen broeder ? Of ook gij, wat veracht gij uwen broeder ? Want wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden. Zoo dan een iegelijk van ons zal voor zich zeiven Gode (dat is den Heere Christus die Gods gericht houden zal) rekenschap geven. In het bijzonder ook de voorgangeren, leeraars en opzieners der gemeente (tlebr. 13 : 17). Leeraars en gemeenten, en allen die in betrekking tot elkander hebben gestaan, kerkelijk en burgerlijk, regenten en onderhoorigen, ouders en hunne kinderen, heeren en hunne dienstbaaren, mannen en hunne vrouwen, broeders en zusters zullen rekenschap moeten geven hoe zij jegens elkander hebben gehandeld.
719
Maar, zegt men, de zonden zijn den geloovigen
') C. Vitringa, Doctrina Ohr. Rel. Pars IV. p. 166.
§ 14. HEIT LAATSTE OORDEEL.
vergeven, de Heere heeft ze alle achter zijnen rug geworpen (Jes. 38 : 17), Hij hoeft beloofd: Ik zal hunner zonden niet meer gedenken (Jerem. 31 : 34). Ja, Hij wAalhunne zonden in de diepte der zee werpen (Mich. 7 : 19). Zou Hij ze ten jongsten dage dan toch weder ophalen ?
Intusschen door het niet gedenken der zonden en dergelijke uitdrukkingen en beloften voor de geloovigen wordt hun verzekerd, dat God hunne zonden aan hen niet zal straffen en hen er niet om zal verdoemen, maar geenszins dat ze bij Hem vergeten zouden zijn, of dat Hij hen zeiven er nimmermeer aan zou doen gedenken. Zijn er immers geen zonden van geloovigen zelfs in de Heilige Schrift geboekt tot een blijvend aandenken ?
Het gansche leven, geheel het bestaan en al het doen van ieder geloovige mot al zijne onreinheid, ongerechtigheid en misdaden zal ten genen dage hemzelven voor oogen gesteld en voor anderen openbaar worden.
/3. Maar is dat niet om hem terneer te slaan en te verpletteren ? Neen, de barmhartigheid roemt tegen het oordeel. De geloovige weet, dat zijne zonden hem vergeven zijn, verzoend door Christus, die daar als Rechter op den troon is gezeten maar zelf zijn Borg, zijn Verlosser, zijn getrouwe Zaligmaker is. Hij ziet en voelt daar dan nog eenmaal de gansche schuld van geheel zijn leven, maar met de bewustheid dat zij hem is kwijtgescholden, en klaarder en indrukkelijker dan ooit erkent hij dat het enkel genade is waardoor hij zalig wordt.
y. Nog werpt men tegen, dat Christus zelf bij zijne verkondiging van hot laatste oordeel Matth. 23 : 33 vv. alleen van de goede werken der rechtvaardigen en niet van hunne zonden gewaagt. Maar men moet bij Matth.
720
§ 14. HET LAATSTE OORDEEL.
25 niet blijven staan, men moet daarbij nemen wat blijkens het hierboven voorgestelde de Schrift aan andere plaatsen van het oordeel zegt. Matth. 25 geeft de Heere Jezus geen eigenlijke, volledige beschrijving van het gericht, maar wijst bepaaldelijk op twee bijzonderheden. Deze zijn: de werkdadige broederliefde als hoofdkenmerk van waar geloof, en de openbare, eeuwige scheiding der menschheid in twee deelen zonder een tusschenbeide; uitgesproken in het vonnis des Rechters.
f. Het vonnis '), de rechterlijke uitspraak geschiedt eerst tot de rechtvaardigen, om hen te midden der ontzaglijke verschijnselen van alle vrees te bevrijden en hen terstond van hunnen gelukstaat te verzekeren en hen met zaligen vrede en onuitsprekelijke blijdschap te vervullen. Tot hen, tot de schapen ter rechterhand, zal de Koning, de goede Herder zeggen: Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld, Matth. 25 : 34.
Zij hebben het niet door hunne werken verdiend, het was hun hereid aleer zij geboren waren, naar de Goddelijke verkiezing door de vrijgunstige eeuwige liefde des Vaders, die hun den Middelaar gaf en hen tot kinderen aannam. Als kinderen Gods erven zij het Rijk, naar de bepalingen van het eeuwige Testament; het is louter zegen van den Vader.
Daarop volgt de sententie des Rechters over de anderen. Dan zal Hij zeggen tot die ter linkerhand : Gaat weg van wiji 'jij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid is*), Matth. 25 : 41.
') Dertiende Hoofdstuk § 24: Het Vonnis.
2) Ovor dit bereid zio Vijfde Hoofdstuk § 9.
Gravemeijor, Goref. Gel, leer, 111. 4ö
721
§ 14. HET LAATSTE OORDEEIi.
Tot de gezegenden des Vaders is het: Komt! Tot de anderen: Gaat iveg van mij! Vervloeiden noemt Jezus hen, in tegenstelling van de gezegenden. Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het hoek der wei om dat te doen, Gal. 3 : 10. De geloovigen zijn door Christus verlost van den vloek der wet en in Hem de zegening Abrahams deelachtig geworden. Buiten Christus zijn en blijven alle zondaren onder den vloek, de toorn Gods blijft op hen. De jongste dag zal op de vreese-lijkste wijze openbaar maken, hetgeen in de Schrift zoo dikmaals en aandringend was betuigd, dat op de zonde de vloek Gods volgt, de wegstooting van voor zijn heilig aangezicht. De goddelooze die in zijn leven de zonde blijft dienen, en de ongeloovige die in eigengerechtigheid Christus verwerpt en niet hoort naar de bede der liefde en genade : Laat u met God verzoenen (2 Kor. 5 : 20), hij wordt door het vloekvonnis getroffen. Dan is het : Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot den zegen, zoo zij die verre van hem (Ps. 109 : 17).
Het is beslist; voor eeuwig ; bij het gevelde, tweevoudige vonnis blijft het, het is onherroepelijk, onveranderlijk.
722
Oogenblikkelijk volgt de executie, de uitvoering â¢). En wel eerst aan die Ier linkerhand. Matth. 25 : 46; Dezen zullen gaan in de eeuwige pijn. De verschrikking Gods valt op de veroordeelden, zij worden weggestormd en huilende verdwijnen zij met den duivel en zijne engelen in de hel, de plaats hunner pijniging, het akelige oord der rampzaligheid, des eeuwigen doods.
') Dertiende Hoofdstuk,
§ 14. HET LAATSTE OORDEEL.
Maar die ter rechterhand, de rechtvaardigen, gaan juichende in het eeuwige leven, in den staat van volkomen zaligheid en heerlijkheid naar ziel en lichaam, die Christus als hun Verlosser en Hoogepriester hun heelt verworven, als Profeet hun heeft beloofd en nu als Koning hun beschikt.
4. Het laatste oordeel staat in noodzakelijk verband met Christus' wederkomst. Het eene is niet zonder het andere. Want hij zal komen om te oordeelen de levenden en de dooden. Wie het eene loochent, ontkent ook het andere. En naardat men zich zijne wederkomst denkt, lichamelijk of alleen geestelijk, eigenlijk of zinnebeeldig, stelt men zich ook het laatste oordeel voor.
Door Origenes (f 254) werd de teekening daarvan in de Schrift allegorisch, als beeldspraak, geduid. De wederkomst van Christus was hem alleen een voortgaand komen in den Geeste, en het oordeel een innerlijk gericht«). En deze invloedrijke Alexandrijnsche Kerkleeraar had daarin vele navolgers met onderscheiden wijzigingen tot heden toe.
De rechtzinnige leeraren hielden zich over het algemeen aan de letter der Schrift, en in de eerste tijden des Christendoms stelde men het oordeel door Christus bijzonder tegen de Grieksche fabel van de doodenrechters in de onderwereld. Minos, Rhadamanthus en Aeacus a).
Onder de nieuwere, Protestantsche Theologen open-
') Bretschneider, Dogmat. II. § 171. S. 442.
2) Naar don mythus bij Plato, Gorgias p. 534 A. oordoolt Rhadamanthus do dooden uit Aziü, Aeacus die uit Europa, terwijl, waar dezen twijfelachtig zijn, Minos beslist. In dier voege had Zeus het werk onder deze zijne drie zonen verdeeld ha ms liy.xiOTxr/i â¢/! Kpkit; y Trsp) Tropslxt; roïg avópclnrcis
723
§ 14. HET LAATSTE OORDEEL.
baarde zich eene voortschrijdende afwijking van de Schrift, by name onder de Duitschers. Sommigen bleven het laatste oordeel nog voor eene persoonlijke zichtbare, uitwendige handeling van Christus houden en konden niet ontkennen, dat hierbij niet slechts in 't algemeen aan vergelding te denken viel, maar aan een openbaar vonnissen, en dat door de vermelding van een bepaalden tijd (een gestelden dag Hand. 17 : 31) en van de plaats (de wolken), van den Rechter (niet in het algemeen God, maar den uit de dooden opgewekten Christus), van de vergaderde volken en van de dienende Engelen, â dat door dit alles ontegenzeglijk de opvatting van het geheel als enkel zinnebeeld wierd uitgesloten. Maar de beschrijving van den vorm des gerichts, de bijzonderheden ontleend aan de menschelijke wijze om gericht te houden, aarzelde men eigenlijk te verstaan, doch twijfelde hoever de beeldspraak ging. Zoo de Dogmatici Michaëlis, Döderlein, Morus, Reinhard, Schott.
Anderen gingen verder en lieten het gericht zelf varen, verklaarden geheel het voorstel van Jezus voor eene symbolische, zinnebeeldige afschetsing van de idee der toekomstige vergelding, waarin Hij zich had geschikt naar de beeldsprakige Joodsche leerwijs. Aldus Henke, Ecker-mann, Ammon, Wegscheider, De Wette en hunne talrijke volgelingen. Dezen en al de verdere Rationalisten en philosophische Dogmatiekschrijvers willen van eene uitwendige, openbare, formeele gerichtshandeling niet weten. Het tafereel daarvan in de Heilige Schrift is hun alleen een beeld van de in de geschiedenis zich betoonende Goddelijke gerechtigheid, naar het woord van Schiller: De wereldgeschiedenis is het ivereldgericht (Die Weltge-
724
§ 14. HET LAATSTE OORDEEL.
schichte ist das Weltgerichte), of oen symbool van de zegepraal des Rijks Gods, en van de beslissing onzes eeuwigen lots naar de regelen van het Christendom »), of een zinnebeeld van de volledige feitelijke scheiding der goeden en boozen *) zonder openbare rechtspraak. Maar de Schrift legt juist op het openhaar worden van allen en van alles grooten nadruk, en zij laat niet toe het laatste oordeel anders op te vatten dan als een zichtbare en hoorbare gerichtshandeling.
Doch hiermede is niet gezegd, dat men lederen trek in Christus' schildering van het oordeel, iedere bijkomstige bijzonderheid zinnelijk naar de letter moet nemen. Zoo is toch niet te denken, dat de redewisseling tusschen den Rechter en die ter rechter- en ter linkerhand (Matth. 25 : 35 vv.) met dezelfde woorden (en in welke taal dan ?) zal geschieden als de Evangelist vermeldt. De redewisseling tusschen den rijken man in de hel en Abraham in den hemel (Luc. 16 : 24 vv.) is bepaald zinnebeeldig, verbloemd ; beiden konden niet eigenlijk met elkander spreken: er was immers tusschen hen eene groote klove; Christus
') De moderne Biedermann, Christel. Dogmatik liter Band § 997 reduceert het wereldgericht op dit: Jeder Mensch als sol-cher trügt den Maasstab seiner absoluten Werthbestiinmung darin in sich, wie cr das Princip wahron Geisteslebcns, das in der Persönlichkeit Jesu sich woltgoschichtlich geoffenbarfc bat, in sich selbst subjectiv verwirklicht, und zwar ein jeder unter don concroten individuelleu Bedingungen seines endlichen Welt-daseis.
'l) Schleiermacher, Der Christl. Glaube II. S. 493. § 162 : Die Vorstellung vom jüngston Gericht, wozu die Elemonte sich in don Heden Christi vorfindon, will dio glluzliche Scheidung der Kirche von der Wolt darstollen, soforu dio Vollondung dor orsten allo Einwivkungon der lotzteron ausschlioszt.
725
§ 14. HET LAAtSTE OORDEEL.
wilde door deze verbeelde redeneering beider staat en gevoelens op eene nadrukkelijke en beweeglijke wijze doen kennen.
Maar dit neemt niet weg, dat er op den grooten ge-richtsdag werkelijk gesproken zal worden. De Koning, de Rechter zal spreken; koninklijk, rechterlijk. Dat zal eerst een spreken zijn, majestueus, ontzaglijk, aldoordringend. Hoedanig een stemgeluid dat zijn zal, weten wij niet; maar de mogelijkheid en werkelijkheid is niet te betwijfelen. Immers God kan spreken en heeft gesproken. Van de afkondiging der Tien geboden zegt de Schrift: Toen sprak God al deze ivoorden (Exod. 20 : l. Deut. 4 : 32, 33), zoodanig dat geheel het volk beneden aan den berg het kon verstaan'). Op den gerichtsdag zal de Godmensch spreken. In Hem zijn Goddelijk vermogen en menschelijke vorm vereenigd. Dat zal in zijne rechtspraak blijken, die Hij allen zal doen hooren, gelijk Flij zich aan allen zal doen zien.
Vanzelf heeft hiertegen het natuurlijk verstand, gebonden aan de denkvormen van tijd en ruimte, allerhande bedenkingen.
Het is ondenkbaar, zegt men, dat al de millioenen menschen, die ooit geleefd hebben, aan ééne plaats zullen te zamen staan, zoodanig dat allen den Rechter kunnen zien. Dit zou zgn, wanneer het eene plaats op de aarde ware. De Joden *), sommige Kerkvaders en Roomschen. s)
') Vergel. Zeventiende Hoofdstuk § 5.
'l) Eisenmenger, Entdocktos Judouthum II. S. 976. vcrgol. S. 962 f.
3) C. Vitringa, Doctrina IV. p. 174. Hagenbach, Dogmengesch. § 205. S. 489.
726
§ 14. HET LAATSTE OORDEEL. 727
stellen uit misverstand van Joël 3 : 2, 12, dat het gericht zal gehouden worden in het dal Jozafats '). Zooveel is zeker, de opstanding zal geschieden over de geheel de aarde, overal waar dooden zijn, en wanneer de Zoon des menschen zal zitten op den troon zijner heerlijkheid, zullen voor Hem al de volkeren vergaderd worden (Matth. 25 : 31, 32). Dit wijst ons bepaald naar boven: want zijn troon zal in de hoogte zijn, en daar worden allen van den geheelen aardbodem voor Hem geplaatst. In welke hemelstreek? Dit is niet te zeggen. Meent iemand dat
') Joël 3 : 2: Dan zal ik alle Heidenen vergaderen en zal ze afvoeren in het dal Jozafats; en ik zal met hen aldaar rechten, van ivege mijn volk en mijn erfdeel Israël, dat zij onder de Heidenen hebben verstrooid en mijn land gedeeld. 12: De Heidenen zullen zich opmaken en optrekken naar het dal Jozafats: maar aldaar zal ik zitten om te richten alle Heidenen van rondom. Dit ziet niofc op hot laatste, algemeono oordeel, maar op de vordelging vau do vijandou des volks Gods. Do Heere wil voor zijn volk in hoogor zin doen wat Hij eons voor koning Jozafat dood 2 Kron. 20 : 22 v.v., voor wion Hij de verbondene vijandige volken door honzelven versloeg, waarover Israel den Hoero loofde in het dal ten zuiden van Jeruzalem gelegen, hetwelk daarvan den naam ontving dal Boracha, dal des Lofs. Bij Joël wordt het genoemd dal Jozafats, zoo ter gedachtenis van den koning, dien God eens zoo heerlijk had geholpen als wijl de naam Jozafat (â¡ÃB'irV) heteekent; De Heere oordeelt. Deze, bij den Profeet
t t ;
zinnebeeldige naam dal Jozafats, werd vervolgens aan het dal Beracha gegeven. Het is het Kedrondal tusschen don tempelberg en den Olijfberg, strekkende zuidoostelijk naar de Doode zeo toe. Winer, Realwörtorb. u. d. W. Josaphat. Oehler, Theol. des A. T. II. S. 225. Vaihinger in Herzogs Real-Ene. VII. S. 16 u. d. A. Josaphat. H. Witsius, Exero. in Symbol. Apost. XXII. 36â39.
'2) Marck, Compond. en Merch XXXIV. 23.
§ 14. HET LAATSTE OORDEEL.
Christus in zijne heerlijkheid zal verschijnen tegenover Kanaiin, het land zijner vernedering, de Schrift duidt het niet aan, maar spreekt alleen van de lucht en de wolken !)â¢
Maar kunnen dan de menschen in de lucht of op de wolken staan ? Zoowel als Christus daar zitten kan op den troon; Hij, die alle macht heeft, kan 't bewerken; en de lichamen zijn reeds anders hehoedanigd.
Ook over den duur des oordeels loopen de gedachten uiteen. Naar sommigen duurt het eenige jaren, naar anderen ettelijke dagen, naar nog anderen éénen dag, of één uur, of zelfs maar een oogenblik. De meeste Christelijke leeraren bekennen te recht de onmogelijkheid eener stellige bepaling 1).
Zonder grond heeft men echter tegen het gericht zelf ingebracht, dat, wanneer een ieder uit de ontelbare scharen afzonderlijk zou geoordeeld worden, duizenden jaren daarmede zouden verloopen s). Zelfs Thomas van Aquino, die anders het laatste oordeel zinnelijk genoeg afmaalde, herinnerde, dat het gericht mentaliter, innerlijk zou geschieden, wijl tot het mondelijk verhoor en de verantwoording van ieder afzonderlijk te veel tijd wierd vereischt. Maar wegens de alwetenheid des Rechters is
728
1
) C. Vilringa, Doclrina. Pars IV. p. 171 sq.
â¢'') Zoo heoft mon beweerd, dat, zou ieder enkele in hot bijzonder geoordeeld worden en wierd het getal vau allen te zamen ook maar op 300 milliarden (oen milliard is duizend millioon) gerekend, het gericht honderdduizend jaren duren moest. â Ook heeft meu willen uitcijferen, op hoe groot eone vlakte geheel de vermoedelijke menschemnassa in hot gericht zou kunuon staan. Onnoodig en nutteloos. Vergel. Brethscheider, Handb. dei-Dogmat. II. S. 458.
§ 14. HET LAATSTE OORDEEL.
729
er geen lang ondorzoek noodig, en, hoe het zij, de Schrift leidt er niet toe om aan eene uitgestrekte tijdruimte te denken. Het is naar de Schrift een âdag des oordeels,quot; een vastgestelde gerichtsdag (Hand. 17 : 31 ; dies dicta), een bepaalde termijn, waarin de alwetende en almachtige Koning alles snel afdoet gt;). En het ligt in den aard der zaak, dat het laatste oordeel niet zeer lang (naar Srafcei 2) zelfs wel duizend jaren of nog meer) zal duren: want anders moest een gedeelte zoo lang op hunne lotsbeslissing en de eerst geoordeelden op hunne overbrenging naar de hun toegewezene verblijfplaats wachten, hetwelk geheel in strijd is met de voorstelling bij Mattheüs 25, waar de rechterlijke uitspraak tot die ter rechter- en dan tot die ter linkerhand dadelijk geschiedt en de uitvoering der sententie aan dezen en dan aan genen aanstonds en wel niet bij gedeelten, maar aan hen gezamenlijk volgt. Ook moest anders de ondergang en vernieuwing der wereld zoolang uitblijven, hetgeen geheel ondenkbaar is. De ontzaglijke gebeurtenissen volgen op dien grooten dag snel en onmiddellijk na elkander.
De Nederlandsche Belijdenis, opgesteld in oenen tijd van zware verdrukking en bloedige vervolging der ge-loovigen sluit haar Artikel XXXVII, Van het laatste Oordeel, met deze hoogernstige betuiging: De gedachtenis dezes Oordeels is met recht schrikkelijk en vervaarlijk voor de boozen en goddeloozen, en zeer wenschelijk en troostelijk voor de vromen en uitverkorenen, dewijl alsdan hunne verlossing volbracht zal tvorden, en zullen aldaar ontvangen
') Zie Dertiende Hoofdstuk §21: De Dag. s) Rodel. Godsd. II. Cap. LX. 17.
§ 14. het laatste oordeel.
de vruchten des arbeids en der moeite, die zij zullen gedragen hebben; hunne onnoozelheid zal aan allen hekend worden, en zij zullen de schrikkelijke wrake zien, die God tegen de goddeloozen doen zal, die hen getiranniseerd, verdrukt en gekweld zullen hebben in deze wereld ; dewelke overwonnen zullen worden door het getuigenis hunner eigen conscientiën, en zullen onsterfelijk worden, doch in zulker vbege, dat het zal zijn om gepijnigd te worden in
het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijne engelen
bereid is, en daarentegen de geloovigen en uitverkorenen zullen gekroond worden met heerlijkheid en eere. De Zone Gods zal hunnen naam belijden voor God zijnen Vader en zijne uitverkorene Engelen ; alle tranen zullen van hunne oogen afgewischt worden ; hunne sake, die nu tegenwoordig van vele Richteren en Overheden als kettersch en goddeloos verdoemd wordt, zal bekend worden de zake des Zoons Gods te zijn, en tot eene genadige vergelding zal hen de Heere zulk eene heerlijkheid doen bezitten, als hei hart eens menschen nimmermeer zoude kunne7i bedenken. Daarom verwachten wij dien grooten dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods, in Jezus Christus, onzen Heere.
Maar van Hem is dan ook tot ons de vermaning: Zijt heilig, want Ik ben heilig. En indien gij tot eenen Vader aajiroept dengene, die zonder aanneming des persoons oordeelt naar een iegelijks werk, zoo wandelt in vreeza den tijd uwer inwoning. Wetende dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uwe ijdele wandeling, die [u] van de vaderen overgeleverd is: Maar door het dierbaar bloed van Christus als eens onbestraffelijken en onbevlekten Lams (l Petr. 1 : 16â19).
730
§ 15. voleinding der wereld.
§ 15. Voleinding der wereld.
1. Na het Oordeel zal de tegenwoordige, zichtbare wereld door vuur vergaan, en er zal eene nieuwe aarde opkomen met nieuv/e hemelen, in welke gerechtigheid woont, het erfdeel dor zaligen.
Naar het algemeen, gevoelen der Protestantsche geloofsleeraren, enkelen uitgenomen, zal do wereldbrand niet vóór, maar na het laatste Oordeel intreden. Naar vele Roomschen niet na, maar vóór, in navolging van Thomas van Aquino; volgens anderen onder hen vóór het oordeel bij gedeelten in de aarde beginnende, doch na de alge-meene opstanding, gedurende het Oordeel voortgaande, maar daarna over geheel de wereld zich uitbreidende «).
Onze Nederlandsche Belijdenis, Art. XXXVII zegt: Ten laatste gelooven tvij volgens het Woord Gods, dat als de tijd, van den Heere verordend (die allen creaturen onbekend is) gekomen en het getal der uitverkorenen vervuld zal zijn, ome Heere Jezus Christus uit den hemel zal komen, lichamelijk en zienlijk, gelijk Hij opgevaren is, met groote heerlijkheid en majesteit om zirh te verklaren een Richter te zijn over levenden en dooden, deze oude wereld in vuur en vlam stellende om dezelve te zuiveren. En alsdan zullen -persoonlijk voor dezen grooten Richter verschijnen alle menschen.
731
De Belijdenis gewaagt hier van den wereldbrand vóór het Oordeel. Doch zekerlijk niet om de tijdsorde te bepalen, in welke de groote gebeurtenissen op elkander zullen volgen. Het is hier slechts om deze gebeurtenissen
') C. Vitringa. Doctrina Christ. Relig. Pars IV. p. 202 sq.
§15. VOLEINDING DER WERELD.
zelve, om de zaken en niet om hare volgorde te doen. En het Artikel spreekt vervolgens eerst van de algemeene opstanding der dooden. Deze echter, gelijk de verandering der levenden, moet noodzakelijk vóór den wereldbrand geschieden : immers anders zouden de lichamen verbranden. En met de opstanding gaat gepaard de vergadering voor den Rechter. Over het Gericht, als zijnde de hoofdzaak, gaat daarop de Belijdenis breeder uitweiden.
Zooals de Belijdenis de zaken stelt, doet ook de Schrift zelve, Openb. ÃO : 11 vv. â¢). Ongetwijfeld is deze Schriftuurplaats hier voor oogen geweest en nagevolgd. Daar wordt desgelijks het vergaan der wereld, het wegvlieden van aarde en hemel eerst vermeld (vs. 11), dan het Oordeel (vs. 12), daarna de opstanding (vs. 13). De tijdelijke volgorde dezer gebeurtenissen wordt hier niet in aanmerking genomen, maar alleen het zakelijke '^).
2. Dat de tegenwoordige wereld eens zal vergaan en vernieuwd zal worden, leert de Heilige Schrift klaarlijk.
a. Reeds Gen. 8 : 22, na den Zondvloed, wordt door den Heere van al de dagen der aarde gesproken; eene aanduiding dat de aarde, zooals zij sedert den grooten vloed is, hare bepaalde dagen heeft en dat eens haar laatste dag zal komen. Deut. 11 : 21 wordt gewaagd van de dagen des hemels op (boven) de aarde. Job. 14 : 12 wordt gezegd dat eens de hemelen niet meer zullen zijn, terwijl dan eerst, wanneer deze zullen voorbijgaan, de opstanding der dooden zal geschieden.
') Vergel. hiervoren § 14.
2) Zoo verstaat hot ook Hengstenberg, Die Offenbarnng des h. Joh. II. 1 § 328 zu 20 : 11. Desgelijks Philippi, Kirchl. Glaubenslehre VI. S. 228.
732
§15. VOLEINDING DER WERELD,
Psalm 102 : 26, 27 spreekt de verdrukte tot den Heere : Gij hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het iverk uwer handen. Die zullen vergaan, maar gij zult staande blijven, en zij allen (hemel en aarde, met al wat er in is) zullen als een kleed verouden, gij zult ze veranderen als een gewaad (Hebr. 1 : 12 : als een dekkleed zult gij ze ineenrollen) en zij zullen veranderd zijn. Hij, die hemel en aarde uit niet geschapen heeft, kan en zal ze doen vergaan, zoo lichtelijk als men een gewaad aflegt. Maar Hij zelf is onvergankelijk.
Op deze plaats grondt zich Jez. 51:6: Heft ulieder oogen op naar den hemel en aanschouwt de aardebeneden: want de hemel zal als een rook verdwijnen en de aarde zal als een kleed verouden en hare inwoners zullen van gelijken*) sterven', maar mijn heil zal in eeuwigheid zijn, mijne gerechtigheid zal niet verbroken worden. Bij denzelfden Profeet 65 : 17 spreekt de Heere: Zie, ik schep nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet [meer] gedacht worden en zullen in het hart niet opkomen.
733
b. Hetgeen het Oude Testament heeft aangekondigd, wordt in het Nieuwe bevestigd en aanschouwelijk vertoond. Christus heeft verklaard Matth. 24 : 35 : De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijne ivoorden zullen geenszins voorbijgaan. De Heiland spreekt daar niet alleen de mogelijkheid uit des ondergangs van hemel en aarde,
Velen vertalen in navolging van Lad. deDieu; als muggen. Men neemt dan 13 voor Singularis van O'iS, het-gene Deliizsch afkeurt.
§15. VOLEINDING DER WERELD.
noch by veronderstelling of voorwaardelijk, in dezen zin: Al vergaan ook hemel en aarde, mijne woorden blijven vast; maar stellig, als van iets dat eens werkelijk zal geschieden, zegt Hij : zij zullen voorbijgaan. Dit blijkt ook ontegenzeglijk uit vs. 30 en 31 en uit vs. 36 en 37, waar Christus van zijne laatste toekomst spreekt.
Onder de getuigenissen der Apostelen munt uit 2 Petr. gt;) d : 7 : De hemelen die nu zijn en de aarde zijn door het woord Gods als een schat weggelegd en worden ten vure bewaard tot den dag des oordeels en der verderving der goddelooze menschen. 10. Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in ivellcen de hemelen met gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken die daarin zijn zullen verbranden. 12. â â de hemelen door vuur ontstoken zijnde zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten. 13. Maar wij verwachten naar zijne belofte nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid ivoont.
Johannes zegt Openb. 20 : \ \ : Ik zag eenen grooten witten troon en dengene die daarop zat, van wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden en geene plaats is voor die gevonden. En 21:1: Ik zag eenen nieuwen hemel en eene nieuwe aarde: want de eerste hemel en de eerste aarde tvas voorbijgegaan, en de zee was niet meer.
Hiertoe behoort ook hetgeen Paulus Rom. 8 : 19â22 ten bewijze-der zekerheid en grootheid van de toekomende
') Do autheutioitoit vau dozen Brief is door volen betwijfeld of ontkend, doch in do nieuwste tijdon weer door Godgeleerden van name verdedigd, door Thiersch, Slier, Dietlein, llofmann, Wiesinger, Schott, Weiss en anderen.
734
§15. VOLEINDING DER WERELD.
735
heerlijkheid der kinderen Gods bijbrengt, ten einde zij er des te gewilliger om lijden en er voor strijden, en er naar verlangen en zich er op verblijden ; geen Ghiliasmu?, maar een volkomen staat van heerlijkheid, waarnaar ook al het schepsel reikhalst. Vs. 19: Want het schepsel, [als] met opgestoken hoofd venvacht de openharing der kinderen Gods. 20. Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen; niet gewillig, maar om diens wil, die het [der ijdelheid] onderworpen heeft; 21. Op hope dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid en verderfenis tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. 22. Want wij weten dat het gansche schepsel te znmen zucht en te zamen [als] in barensnood is tot nu toe.
Intusschen het is de vraag wat de Apostel met het schepsel bedoelt. Volgens sommigen hot levenlooze, onbezielde. Naar anderen het bezielde, levende. Maar wat dan van het levende ? Sommigen oordeelen: de gansche menschheid, even als Marc. 1G ; 15 waar in het Grieksch
') Voor y ixTTCKxpx'Soyjx heeft ouzo taal een treffend woord reikhalzen, reikhalzend verlangen. Het is een gespannen afwachten, hetwelk al voortgaat, totdat het einde bereikt is. Luther heeft: Denn das angstliche Harren der Creatur viartet auf die Offenbarung der Kinder Gottes. Mr. M. Fr. Roos, Einloit. in die bibl. 'Jeschichten. 1835. I. § 101. S. 179 teekent aan, dat, volgens eone uiting van Bengel, Luther had vertaald : das endliche Harren, en dat das üngstiche Harren eene drukfout was, in de Duitsche Bijbels ingeslopen. In eene uitgave van Luther's Nieuw Testament van 1583 had Mr Roos werkelijk gevonden : das endliche Harren. Opmerkelijk is, dat Luther in zijne Kirehen-Postille liter Band. S. 361. zura 4ten Sonntag nach Trinitatis, Ausg. von Dr. J. Fr. Bahnmair, 1836, overzet: das endliche Harren. Doch S. 358 aldaar staat: angstlich.
§ 15. VOLEINDING DER WERELD.
hetzelfde woord als hier staat ()i ktItis). Anderen: de nog onbekeerde Heidenen. Anderen: de nog niet bekeerde Joden. Anderen; de bekeerde Heidenen of Joden.
Het zal ons verder brengen, wanneer wij letten wat de Apostel hier niet kan bedoelen.
Het schepsel is niet alle schepsel zonder uitzondering. Namelijk het zijn niet de goede of de booze Engelen, evenmin de goede of de booze menschen. Want de goede Engelen zijn niet onderworpen aan de ijdelheid en dienstbaarheid der verderfenis; en de booze Engelen wel, maar niet tegen wil, niet zonder hunne schuld; ook hebben zij geen hope dat zij zullen vrijgemaakt worden, en verlangen niet reikhalzend naar de openharing der kinderen Gods, zij schrikken er voor. Om deze reden kunnen ook de booze, goddelooze menschen niet gemeend zijn. Maar ook de goede, geloovige en vrome menschen niet, want dezea worden van het schepsel onderscheiden, daar het schepsel juist de openbaring der kinderen Gods in heerlijkheid verwacht.
736
Wijl nu hetgeen hier van het schepsel wordt gezegd, niet op Engelen of menschen past, zoo blijft er niet anders te denken dan aan het overige geschapene. En zoo moeten wij hier door het schepsel verstaan de zichtbare schepping, de . levenlooze en ook de levende maar redelooze creatuur »), in tegenoverstelling tegen ons menschen, het geheele stelsel der natuur, en wel bijzonder van deze benedenwereld, deze geheele zichtbare schepping met de onbezielde, levende en gevoelende schepselen
1) Aldus ook Luther, Kirchon-Postillo, a. St., on Galoinus, Commentar. i. 1.
§ 15. VOLEINDING DER WERELD.
buiten ons menschen. De Apostel noemt ze samenvattende het schepsel, wijl hij ze als één ineengeschakeld geheel beschouwt en wijl zij, in hetgeen hij daarvan zegt, te gader overeenstemmen.
Paulus spreekt wel niet uitdrukkelijk van den ondergang en de vernieuwing der wereld, maar de zaak duidt hij genoegzaam aan. Hij geeft te kennen, dat een geheele verandering in de natuur zal plaats hebben. Tegenwoordig gaat er een zuchten op van het schepsel onder de macht des doods en der verderfenis ten gevolge van het goddelijke strafvonnis na den zondenval (Gen. 3 : 14 vv.) en onder het menigvuldig en schrikkelijk misbruik door den mensch, zoodat, het schepsel, kon het spreken, zich tegen den mensch beklagen zou, gelijk Bileam's ezelin, toen hij haar met zijnen stok sloeg.
Het schepsel wordt eens vrij, namelijk bij de openharing der hinderen Gods, bij de volkomene mededeeling van de hun toegedachte heerlijkheid en hunne openbare verschijning in die heerlijkheid, in de zalige opstanding, de verlossing huns lichaams (vs. 23) uit alle macht des doods, en in het openbare Oordeel, bij de wederkomst van Christus.
Dan begint de vrijheid der heerlijkheid der hinderen Gods (vs. 21), eene vrijheid, die aan deze heerlijkheid eigen is en haar nog verhoogt en die door de kinderen Gods tot zijne verheerlijking gebruikt wordt.
Dit aardsche leven is altijd voor den Christen een staat van gebondenheid en dienstbaarheid ; maar in de heerlijkheid is vrijheid. De verheerlijkten zullen vrij van alle zonde zijn en van al hare gevolgen, bevrijd van alle booze menschen, vrij van alle vrees en zorg, van alle
Gravomoijor, Geiof. Gol. leer. III. 47
737
§15. VOLEINDING DER WERELD.
moeite en last, vrij van alles wat hen hier bindt, beperkt en bezwaart. Geen beperking, dwang, afmattende inspanning, geen worsteling met hindernissen zal in die vrijheid der heerlijkheid meer plaats hebben : het goede, dat zij willen, zullen zij ook kunnen, en wat zij wenschen, zullen zij ook hebben en genieten, en in werk en genieting God verheerlijken.
Gelijk nu met den jongsten dag de kinderen Gods in hunne gansche heerlijkheid openbaar zullen worden: zoo zal ook alsdan eerst (en niet reeds in een duizendjarig rijk vooraf) de schepping herschapen, vernieuwd, geheel vrij worden van de dienstbaarheid der verderfenis en in haren aard mede deelachtig worden de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. Dat is wederoprichting aller dingen (Hand. 3:21), de der wereld (Matth.
19 : 29); dan wordt vervuld wat de belofte zegt van den nieuwen hemel en de nieuwe aarde,
3. De idee van het vergaan dezer wereld, inzonderheid der aarde door vuur, wordt ook bij Natuurkundigen om verschillende redenen niet onaannemelijk geacht â¢). Reeds bij de volken der oudheid hebben Wijzen en dichters
') Men heeft hiervoor redenen willen vinden in de ligging van de loopbanen der homellichamen in de ruimte van het zonneatelsol, â \vaarin door do algeraeune aantrekkingskracht veranderingen zouden ontstaan die vroeg of laat tot verwoesting leiden moesten. Doch daartegen komt o. a. ook F. Kaiser op in J. A. Uilkens, Volmaakthed. van don Schepper I. 1. p. 191 v.v. Meer grond bieden do waarnemingen van den naar binnen toe-nemondon hittegraad dor aarde en do werkingen der vulkanen, tusschon welke er zelfs gemeenschap bestaat E. M. Bema, in Uilkens, a, W. I. 2. p. 230 v.). Vergol. Bretschneider, Dogmatik II. S. 465. Anm. 299.
738
§15. VOLEINDING DER WERELD.
daarvan geleerd en gezongen, en in den nieuweren tijd is de waarschijnlijkheid er van nog verhoogd.
Doch deze bloot natuurlijke beschouwers denken daarbij slechts aan eene natuurlijke toedracht, aan een voortgaand proces der geheimnisvolle krachten en eene eindelijke gewelddadige uitbarsting. Daarvan onderscheidt zich de Schrift, die de groote gebeurtenis verbindt aan de wederkomst van onzen Heere Jezus Christus. Ook verschilt vanzelf de natuurlijke voorstelling van de Schriftuurlijke ten opzichte van het doeleinde en de uitwerking.
Naar de leer der oude Perzen, welke men afleidt van Zoroaster die omtrent 560 v. G. als Reformator zou zijn opgetreden, wordt door den wereldbrand eindelijk alles gezuiverd. De gesmolten metalen zullen eenen grooten gloeienden stroom vormen, door welken alle menschen heen moeten. De reine gaat er door als door een warmen melkstroom, de booze, hoe weerwillig, moet er evenwel door, ten einde ook hij rein worde. Zoo wordt eindelijk alles, ook de Aartsbooze (Ahriman), goed. De opheffing van het Dualisme is immers eene grondidee van het systeem').
Naar de oude Stoïsche Wysgeeren (sedert begin der derde eeuw v. C. te Athene) is het ten gevolge van de optering aller vochten door de zonshitte dat heel de wereld eindelijk in brand raakt en vuur wordt, waarop dan eene nieuwe wereldvorming begint. En zoo beurtelings al voort naar hun denkbeeld ï) met iedere nieuwe wereld: telkens
') Br et schneider, Dogmat. II. S. 427. Spiegel, in Herzogs Rcal-Enc. XI. S. 121.
2) â ovontnrum putant ld â â ut ad extromum omnis muudus ignoscerot, quum Immoro cousumpto ucquc terra all
739
§ 15. VOLEINDING DER WERELD.
na verslorping en verlering van alle vocht verbranding en dan wederom nieuwe formeering: alles ontstaande uit het vuur, hetwelk hun het Wezen Gods is, alles terug-keerende tot het vuur en op nieuw voortgebracht door het vuur: een bestendige wissel des Goddelijken Wezens tusschen zichzelf te ontvouwen en weer in zich terug te trekken.
Onder de Christenen werd het denkbeeld van ook zedelijke reiniging door het vuur voornamelijk door de Alexandrijnsche Kerkleeraren, bijzonder door Origenes voorgestaan, in verband met hun dwaalgevoelen van de âwederbrenging aller dingen,quot; de wederoprichting van al het gevallene.
Hetgeen de Schrift aankondigt van het vergaan en de vernieuwing der wereld kan men niet, zooals sommigen hebben gewild, alleen figuurlijk, oneigenlijk«) verstaan
posset neque remearet aer (ware er geen water meer, dan kende er ook geene lucht zijn): ita relinqui nihil praetor ignem ; a quo rursum animante ac Deo (het vuur als bezield en bezielend Wezen en God) renovatie mundi fieret atque idem ornatus (dezelfde pracht als te voren) oriretnr. Cicero, De Nat. Deor.
II. 46. Al wisselende ytvsais en TrxXiy/EVstrix of s ktt u p a amp; i s xorfiov.
') Hiertegen is gericht de Verhandeling van Camp. Vitringa, Observ. Sacr. Lib. IV. Cap. 16. p. 1116 sqq., waar hij bewijst dat 2 Petr. 3 niet spreekt de Excidio Ilierosolymorum per Romanos, maar do Adventu Christi novtssimo ad omnes judicandos mortelles et Conflagratione hujus Mundi speet ah'dis. (Voornamelijk tegen het gevoelen van Engelschen, als Ligtfoot, Owen, Cave, Hammond en anderen). En De Moor, Disput. Theol. de Adventu Christi memorato 2 Petr. 1, 16. ïhes. II. In zijn Commentar. in Marck. Pars. VI. p. 766 sqq. CA. Hodge, Systematic Theology
III. p. 851 neemt 2 Petr. 3 ook eigenlijk.
740
§15. VOLEINDING DER WERELD.
van groole politieke, maatschappelijke, godsdienstige en zedelijke omkeeringen. Volgens enkelen zouden deze voorzeggingen zelfs niet verder zien dan op de nabijzijnde verwoesting van Jeruzalem en van den Joodschen Kerken burgerstaat en de geestelijke vernieuwing der menschen-wereld door het Christendom.
Maar afdoende hiertegen is alleen reeds 2 Petr. 3 ; 7â13, waar aan geene enkel zinnebeeldige opvatting te denken is. Want de Apostel stelt daartegen elkander over het vergaan der wereld door het water des Zondvloeds in de dagen Noachs en het vergaan door vuur in den dag des Heeren. Dit laatste is evenzoo eigenlijk gezegd als het eerste. De wereld zal vergaan.
4. Vernietigd of veranderd ? âHoe dit voorbijgaan of vergaan van hemel en aarde geschieden zal, daarover zijn er verscheidene meeningen, zoo van oude als van nieuwe Leeraars. Sommigen meenen, dat de substantie of het wezen zelf der wereld ten eenen male zal vergaan en vernietigd worden. Anderen, dat alleen hare hoedanigheden zullen vergaan en veranderd worden, en de substantie of het wezen zal blijven; welke meening wel de algemeenste en waarschijnlijkste is. Zie Ps. 102 : 26; 27. Rom. 8: 19.quot; Kantteek. op 2 Petr. 3 ; 10.
In de Christelijke Kerk der eerste eeuwen was het heerschende denkbeeld gt;): geen vernietiging maar zuivering; niet eene nieuwe wereldschepping uit niet, maar omvorming
') Joh. Casp. Smcerus, Symbolum Nic.-Constantinop. 1718. Cap. V. III. 4. p. 115 sq. Inter ea (accidentia mundi) est. in-teritus ejus, quern voteres summo consensu, non xxt'oiktIxv, sed KOiTx TTOiir^Txq fanturum dicunt. Waarvoor Saicer dan vele getuigen bijbrengt, Ircnaeus voorop.
741
§ 15. VOLEINDING DER WERELD.
dezer zelfde wereld, die nu is, in eene nieuwe, heerlijke. Nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde, nieuw, evenals ook de uit het stof opgewekte lichamen, hetwelk immers dezelfde, menschelijke, eigene, lichamen zyn zullen als voor den dood, maar vernieuwd.
Ook onze oude Gereformeerde Geloofsleeraren stellen meestal geene vernietiging van het geheele wezen der wereld, maar verandering van staat en hoedanigheid'). Slechts enkelen onder hen, als Theod. Beza, Andr. Rivetus en anderen, vinden in de Schrift meerder grond voor de vernietiging *).
Onder de oude Luthersche Godgeleerden verklaren zich voorname woordvoerders voor de vernietiging s). Zoo Joh. Gerhard (f 1637), Abr. Galov (f 1686), J. A. Quenstedt (f 1688) en het scherpst Dav. Hollaz (f 1713). Niet zonder invloed was hierbij hun dwaalgevoelen nopens de alomtegenwoordigheid van Christus' menschelijke natuur. Om deze staande te houden beweerden zij, dat een lichaam niet noodwendig eene plaats vereischte om aanwezig te zijn en zij kwamen tot het droombeeld van een overal-tegenwoordigen en onlichamelijken hemel, een hemel
1) Anton. Walaeus in do Synopsis Pur. Thool. Disp. LIL Thoa. LVII. ed. Dr. JI. Bavinclc p. 668. P. Van Mastricht, Godgol. IV. p. 504. Brakel, Red. Godsd, II. p. 758 v.v.
Naar Calvi/n, Commentar. in 2 Potr. 3 : 10 : â â r.ova qualitas man onto substantia. Idom in Eom, 8 : 21 : â Deus simul cum humano gouere orbom nunc collapsum in integrum reatituot. Nederl. Belijd. Art. XXXVII: â â deze oude vjereld in vuur en vlam zettende, om dezelve te zuiveren.
2) O. Vitringa, Doctrina Chr. Rol. Pars IV. p. 194.
3) G. Vitringa a. W. Pars IV. p. 169 sq. Dr. Fr. Ad. Filippi, Kirchliche Glaubenslohre VI. S. 143â148.
742
§ 15. VOLEINDING DER WERELD.
niet als plaats maar slechts toestand i). Dies zou volgens hen deze wereld na afloop van het Laatste Oordeel vernietigd worden.
Daartegen Luther zelf leert niet vernietiging der sub-staniie, maar verandering der hoedanigheden 1). Hij placht te zeggen : De hemel heeft thans zijn werkdagshleed aan maar dan zal hij zijn zondagskleed aandoen'). Hem volgen meer of min de nieuwere Lutheranen.
De Roomsch-Katholieken nemen meestendeels geene
743
1
sie sammt ihnen geandert und erneuert werde. â â Um deszwillen schreiet die ganze Kreatur; Ach, ach, will denn nicht schier des Jammers ein Ende werden und die Herrlichkeit der Kinder Gottes angehen ?
§15. VOLEINDING DER WERELD.
vernietiging, maar alleen eene zuivering aan. De Socinianen«) en de Remonstranten 1) vernietiging.
De sterke uitdrukkingen 2 Petr. 3 : 10; 12 duiden wel eene geheele ontbinding aan, maar geen volslagen vertering, zoodat er van de wereld niets zou overig blijven. De vergelijking des Apostels van het vergaan dezer wereld door vuur met het vergaan (vs. 6) der eerste wereld door water leidt noodzakelijk tot eene andere gedachte s). De eerste wereld wordt gezegd te zijn vergaan, maar zij is niet vernietigd. Zoo zal dan ook de wereld die nu is vergaan zonder te worden vernietigd.
Waarbij komt dat verbranden geen vernietigen is, gelijk ouden en nieuwen te recht hebben aangemerkt. âAl wat in de wereld vergaat, verbrandt, versmelt, blijft ten opzichte van de stof in wezen; de staat, de hoedanigheden veranderen, het wordt in zijne elementen ontdaan, maar het wordt in de stoffelijkheid niet vernietigd: zoodat men uit de uitdrukkingen bij Petrus niet besluiten kan, dat hemel en aarde vernietigd zullen worden «)quot;.
744
1
) In hunne Confmio Cap. 19 § 3, on in de Apologia. Daarentegen Phil, a Limborgh, Theol. Christ. Lib. VI. Cap. XX. § 30 sq. acht de vraag niet noodig, of do wereld naar haar wezen (secundum essentiam suam) zal vergaan on geheel vernietigd wordon dan wel naar hare hoodanighedon en alleenlijk vernieuwd. Vergel. Vitringa a. W. p. 199 sq.
§15. VOLEINDING DER WERELD.
Gelijk echter het vuur gansch anders en geweldiger werkt dan het water: zoo zal de wereldbrand na het Laatste Oordeel onvergelijkelijk ingrijpender, krachtiger en doordringender werken dan de Zondvloed. Toen kon de Arke nog op de wateren driven, toen behield de aarde nog hare bergen. Maar dan raakt alles in brand, aarde en lucht (gassen) ontvlammen, en heel het samenstel barst in den gloed uiteen.
5. Hoever de omkeering zich zal uitstrekken, laat zich uit de Schrift niet ontwijfelbaar opmaken. Vandaar dan ook hierover verschil van denkbeelden. Sommige Theologen denken alleen aan de aarde; volgens andere raakt het echter het heelal, volgens nog andere het zonnestelsel').
Auguüinus verstond onder den hemel, die met de aarde zal vergaan, den luchthemel, niet hoogera). En dit gevoelen heeft bij de Christelijke leeraren wel den meesten ingang gevonden. Doch h Mark zegt: âHet Vergaan der wereld moeten wy allezins mede uitstrekken tot de zichtbare hemelen, maar niet tot den hoogsten hemel, die nooit door eenige zonde is bezoedeld s).quot;
') Zie bij Br et Schneider, Handb. der Dogmat. II. S. 464. Anm. 297. G. Vitringa, Doctrina P. IV. p. 201 sq.
2) Augustinus, De Civit. Dei Lib. XX. Cap. 24: â â salvia illis superioribus et in sua integritate manentibns, in quorum firmamento sunt sidera constituta. Dezelfde Cap. 18 van den Zondvloed, die geheel de wereld trof, welke toen was, niet alleen den aardbodem, maar ook den hemel, namelijk den luchthemel, den benedensten homel (coelos aörios, imos, non illos supremos, ubi sol et luna et sidera constituta sunt), die geheel in vocht (in humidam qualitatem) werd omgezet. Deze zelfde hemel en aarde, dat is die wereld, die in plaats van die door den Zond-vlood is vergaan, nu ten vure wordt bewaard.
3) Marde, Morch XXXIV. 30. Dezelfde, Leerrede, De vor-
745
§15. VOLEINDING DÃR WERELD.
Sommigen stellen dat ook de hoogere gewesten des hemels door de zonde besmet zijn, door die Engelen namelijk, die hun beginsel niet bewaard, maar hunne eigene woonstede verlaten hebben (Jud. 6), en dat daar verwoestingen, sporen van hunnen afval zijn gebleven en zullen zijn tot het oordeel des grooten dags, waartoe deze rebelleerende geesten met hun hoofd bewaard worden (2 Petr. 2:4»). Maar de hoogste hemel, nooit door eenige zonde besmet, de woning van Gods heerlijkheid, zjjn Troon genoemd (Jes. 66 : 1), de zetel des zegepralenden Zaligmakers en de gelukzalige verblijfplaats der volmaakte rechtvaardigen, kan geen onderwerp van eenige verderving of eindelijken ondergang zijn.
6. Na en door het vergaan der wereld, die nu is, volgt de vernieuwing van hemel en aarde. Evenzoowel als het vergaan, is de vernieuwing iets werkelijks, eigenlijks, en niet enkel een zinnebeeld. Tot eene geheel zinnebeeldige opvatting is nieuwelings weer Dr. Böhl vervallen. De ondergang der wereld is hem eene vernietiging en âde nieuwe hemel en de nieuwe aardequot; slechts eene verbloemde, overdrachtelijke uitdrukking voor het bestendig inwonen der zaligen bij den Heere Jezus. Aan eene vernieuwing of wedergeboorte der zichtbare wereld na de wederkomst van Christus is volstrekt niet, meent hij, te denken 1).
wadhte Vornieuwiug dor Wereld. Uit 2 Petr. 3 ; 13. Achter Het Merch, uitg. 1730. p. 1004: â â wordende de ondergang der tegenwoordige wereld bepaald tot de zichtbare hemelen der lucht en der sterren die de zondige aarde hebben gediend,
') Hengstenberg, Die Offenbar. des h. Joh. II; 1. S. 398, zu Gap. 20 : 11.
2) Dr. Ed. Böhl, Dogmatik. 1287. S. 610 f. Hem is kt hu;
746
§15. VOLEINDING DER WERELD.
Tegen Schrift en Kerkleer, blijkens, het hiervoren verhandelde.
a. Zoo zeker echter de vernieuwing is, zoo onmogelijk is het voor ons, haren aard in alle deelen te bepalen. Vragen wij: waarin zal eigenlijk de nieuwheid bestaan ? Niemand kan 't zeggen. Slechts dit mogen wij in het algemeen als zeker aannemen, alles zal heerlijk zijn en schoon: reine hemelen en eene zuivere aarde, waarin gerechtigheid woont (2 Petr. 3 : 13). Is nu nog niettegenstaande den vloek der zonde de naam des Heeren heerlijk op de gansche aarde (Ps. 8 : 10), hoe heerlijk zal het dan hier zijn! Al het zondige en besmette, alle verderf is dan weggedaan, alles is dan wederom tot zijne oorspronkelijke volmaaktheid gebracht, ja tot hoogere verheven gt;).
Ongetwijfeld wordt daarbij vervuld, hoe min wij het begrijpen, wat Paulus Rom. 8 : 21: Dai ooh het schepsel, ook het redelooze (zie boven bl. 736) zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. De creatuur lijdt om en met den mensch en wordt met en om den mensch verheerlijkt. Waarbij Calvyn aanteekent: âNiet dat de
Rom, 8 ; 19 vv. de HoidBuwerold, niet do Natuur of redelooze Schepping. Ook Openb. 21 en 22 is hom niot do voleindiging en volmaking, maar bohoort nog tot het duizendjarig rijk, hetwelk volgens hom met de verwoesting van Jeruzalem, met de wederkomst van Christus ten oordoelo over zijn afvallig volk is begonnen.
Geheel anders, met vele redenen, BraJcel, Red. Godsd. Dorde Deel. p. 346 vv.
') Corruptio coeli et torrae igno purgabitur. Calvin, Com-montar. in 2 Petr. 3 ; 10. March, Loorrede b. a, achter liet Merch p. 1004.
747
§15. VOLEINDING DER WERELD.
creaturen dezelfde heerlijkheid verkrijgen als de kinderen Gods, maar de Apostel wil zeggen, dat zij naar haren aard deelen zullen in den beteren staat, wijl God tegelijk met het menschelijke geslacht den nu vervallen aardbodem volmaakt zal herstellen. Hoedanig echter deze volkomenheid zijn zal zoo in dieren als in planten en metalen, is noch nuttig noch oorbaar nieuwsgierig na te vorschen. W\jl het vergaan een voornaam deel der verderfenis is, vragen spitsvondige maar min bedachtzame lieden, of dan ieder geslacht van dieren onsterfelijk zal zijn. Wanneer men aan zulke speculatiën den teugel viert, waarheen zullen zij ons eindelijk vervoeren ? Laat ons dus met deze eenvoudige leer tevreden zyn: er zal zulk eene regelmatigheid en zulk eene sierlijke orde wezen, dat er zich niets wanstaltigs of vervallends voordoet«).quot;
Ook Brakel*) betoomt de nieuwsgierigheid en wijst als zotte vragen af: Of God nieuwe menschen zal scheppen, en dezen het beter zullen maken dan Adam en niet zullen zondigen, en of dit dan is : er zal gerechtigheid wonen (2 Petr. 3 : 13)? Of er dieren zullen zijn? en versterf in dieren en gewassen? enz.
b. Wat betreft de bestemming en het gebruik van de nieuwe aarde met de nieuwe hemelen, daarover weten vanzelf ook de verlichtste Godgeleerden niets vast te stellen. Het is niet in bijzonderheden geopenbaard. Doch te recht heeft men daaruit niet durven besluiten, dat er geheel geen gebruik van wezen zal.
748
Sommigen houden zonder meer de nieuwe wereld voor
') Calvin. Commentar. in Rom. 8 ; 21. 2) Bedel. Godsd. II. Cap. LX. 27.
§15. VOLEINDING DER WERELD.
de bestendige verblijfplaats der zaligen; de verheerlijkte wereld de woonplaats der verheerlijkte kinderen Gods gt;). Doch onze oude Gereformeerde Kerkleeraren houden er voor dat dat de woonplaats der zalige geloovigen namaals niet buiten den hemel zal zijn, maar dat zij in den hemel hunne vaste woning zullen hebben 1),
Intusschen is het naar hun oordeel zeker, dat hemel en aarde, zijnde de vernieuwde wereld, er niet vergeefs zullen zijn, dat zij zullen zijn tot verheerlijking van den Schepper door Engelen en menschen, die wel hunne vaste woning in den hoogsten hemel zullen hebben, maar wien het misschien niet verhinderd zal worden, nu en dan ook op de aarde zich te komen verlustigen. De hervorming of gedaanteverandering der oude wereld strekt dan tot volmaaktheid van het heelal; zooveel daarvan door de zonde is verdorven geworden en mismaakt, is dan weer gezuiverd, heilig en heerlijk, een bewonderenswaardig prachtwerk des Almachtigen').
Johannes had er een gezicht van en hij beschreef het, om door het voorstel van den toekomenden staat der heerlijkheid de verdrukte Christenen te troosten, Openb.
749
1
') Zoo o.a. de Luthersohe Dr. Philippi, Kirchliche Glaubens-lehre VI. S. 140 if. En do Geroformeerde Ch. Hodge, Systematic Theology. III. p. 854.
§15. VOLEINDING DER WERELD.
21 en 22. Want dat hij dien staat bedoelt, blijkt aanstonds uit 21 : 1â4.
Openb. 21 : 1 zegt hg : Ik zag eenen nieuwen hemel en eene nieuwe aarde: want de eerste hemel en de eerste aarde was voorhij gegaan, en de zee was niet meer.
Vooraf (20 : 11) was gezegd, dat van het aangezicht desgenen die op den grooten witten troon zat, de aarde en de hemel wegvloden, en geene plaats is voor die gevonden. Daarom is het hier: de eerste hemel en de eerste aarde is voorhij gegaan, en dit wordt er nu uitdrukkelijk bij gezegd: de zee is niet meer i).
Door de Zee verstaan sommigen de zee der volken J), de booze, onrustige, omstuimige wereld der menschen die elkander verslinden. Doch gelijk de aarde hier niet oneigenlijk is op te vatten, evenmin de zee. Het vuur heeft haar verteerd. Bij de opstanding heeft de zee de dooden opgegeven, die daarin waren, en nu wordt gezegd : de zee is niet meer. Dit ziet dus ontegenzeglijk op het einde der wereld, na de opstanding en het Laatste Oordeel. Degenen dwalen dus, die den nieuwen hemel en de nieuwe aarde mitsgaders het nieuwe Jeruzalem zoo duiden, als of de vervulling vóór het einde der wereld plaats had en in eenen voorafgaanden voortreffelijken staat der Christelijke Kerk bestond s).
') x») y\ ökXkvitx ovk 'évriv 'én.
â 2) Zoo Hengstenberg, Die Offeubarung, z. d. St. Naar Augustin. De Civ. Dei Lib. XX. Cap. XVI oxtr.: Jam ouira tuucnou erit hoc saeculum vita mortalium turbulentura et procollosum, quod maris uomino (Johanuos) figuravit.
3) Zoo zelfs C. Vitriaga. Vorgel. ook hiervoreu bl. 169. Daar-cutegeu Bengel, Gnomou. i. 1.: Non lautam novlssimi temporis
750
§ 15. VOLEINDING DER WERELD.
Ongetwijfeld is hier dus sprake van den staat na het oordeel. Op de nieuwe aarde is dan geene zee meer. Thans beslaat de zee het grootste gedeelte der aarde, scheidt landen en volken, is voor de menschen een ontzaglijk tooneel en getuige van Gods almacht en heeft tevens moeten dienen om de sluimerende krachten der aardbewoners te wekken en te ontwikkelen. Hoe geheel anders zal de nieuwe aarde er uitzien, op welke geen zee meer zijn zal! Van eene nieuwe zee spreekt de Schrift niet').
Openb. 21 : 2: i£w «A:, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als eene bruid die voor haren man versierd is. De triomfeerende Kerk wordt zichtbaar. Niet dat zij zich op de vernieuwde aarde blijvend ter woon komt vestigen i). âMaar dit wordt gezegd ten aanzien van het gezicht dat Johannes daarvan heeft gezien en ten aanzien van de kracht Gods van boven, door welke dit alles is teweeggebracht (Hebr. 11 : 10. Openb. 3 : 12), waardoor zij op de aarde wordt vergaderd en ten laatsten dage verheerlijkt.quot; (Kantteek.) s).
ecclosiam, sod plane nova omnia et perfecta in aeternum, de-scribit Johannes hoc loco.
') Van eene.n nieuwen hemel en eene nieuwe aarde lezen wij maar van eene niouwe zee herinner ik mi] niet ergens iets gelezen te hebben, zegt Augustinus. De Civ. Dei. Lib. XX. Cap. XVI.
2) Hengstenberg, Die Offenbarung II. 2. S. 8 noemt een werkelijk noderdalou der Stad op do aarde aan. Mit der Wandlung des sterblichen Leihes in den Leib der Herrlichkeit kommt das Reich Gottes vom Himmel {dem vorlUufioen Bergimgsorte der Gldubigen) auf die Erde hinah.
:l) Augustin. Do Civ. Dei L, XX. C. XVII: Do coolo descen-
751
§15. VOLEINDING DEK IVERELD,
Immers de stad daalde wel neder van God uit den hemel, maar er staat niet bij: op de aarde. Ook vs. 10 is het alleen: nederdalende uit den hemel van God, en er staat wederom niet bij: op de aarde. Voor Johannes, die in den Geest was, daalde de stad van boven neder, ten einde hij haar konde bezien. En zy kwam al nader voor zijne oogen, opdat hij haar nauwkeurig konde beschouwen en in al hare deelen opnemen. Dat blijkt klaariijk uit vs. 9 en 10, waar hij zegt: Eén van de zeven Engelen sprak met mij, zeggende: Kom herwaarts, ik zal u ioonen de Bruid, de vrouw des Lams. En hij voerde mij weg in den geest op eenen grooten en hoogen herg, en hij toonde mij de groote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit den hemel van God. Dan volgt de omstandige beschrijving. 21 : 11 tot 22 : 5 toe.
Dat hier de heerlijke staat na het laatste oordeel bedoeld wordt en geen vroegere, blijkt uit vs. 3. En ik hoorde eene groote stem uit den hemel, zeggende: Zie, de tabernakel Gods is hij de menschen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volk zijn, en God zelf zal bij hen [en] hun God zijn. 4. En God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen; en de dood zal niet meer zijn;
dere ista Civitaa dicitur, quoniam coolestis ost gratia, qua Deus earn fecit. Do Stad Gods daalt, zegt verder de Kerkvader, wd van haar begin uit den hemel neder, sinds gedurende den tijd dezer wereld door het had der wedergeboorte in den van den hemel gezondenen Heiligen Geest hare burgers achtereenvolgens aangroeien. Maar in het laatste Oordeel door Jezus Christus zal zij in zoo groote en zoo nieuwe heerlijkheid verschijnen, dat er geene sporen van oudheid overblijven, nademaal ook de lichamen uit de oude verderfelijkheid en sterfelijkheid tot nieuwe onverderfelijkheid en onsterfelijkheid zullen overgaan.
752
§ 15. VOLEINDING DER WERELD.
noch rouw noch gekrijt noch moeite zal meer zijn : want de eerste dingen zijn weggegaan.
Dit kan niet gezegd zijn van het duizendjarig rijk of in 't gemeen van eenen voor het laatste oordeel voorafgaanden tyd, maar alleen van de toekomende wereld en van den verheerlijkten staat der heiligen : want aldaar en alsdan alleen zullen deze dingen, tranen, dood, rouw, gekrijt en moeite, niet meer zijnquot;). Dit mogen wij als zeker en onweersprekelijk aannemen.
Maar evenzeer moeten wij toestemmen, dat Johannes niet bepaalt, waartoe de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zullen dienen. Hij zegt niet, dat de gezegenden des Vaders op die nieuwe aarde zullen wonen. Uit Openb. 21 : 2 en 10, uit het nederdalen der Stad heeft men dit willen besluiten, en men neemt dan aan, dat Johannes Openb. 21 en 22 beschrijft den staat der heerlijkheid van de zaligen op deze nieuwe aarde. Doch zulks ligt in de woorden niet, gelijk hiervoren (bl, 751 v.) is herinnerd, maar Johannes wil er mee zeggen, dat hij een profetisch gezicht kreeg van de heilige, hemelsche Stad Gods, dat God hem deze stad van nabij kwam vertoonen, ten einde hij haar duidelijk bezien en beschrijven konde. Dus de staat der heerlijkheid in den oppersten hemel kwam in eene vertooning van boven af voor Johannes' geestesoogen. Alzoo deze is 't die hier geteekend wordt. En dit is de eigenlijke vaste woning der zaligen, dit de verwachting aller geloovigen.
753
fe Zouden do zalige zielen wel tot aan het laatste oordeel den hemel tot hun verblijf hebben, maar daarna de
') Augustin. Do Civ. Dei L. XX. Cap. XVII. Gravemoüor , Gorof. Oe). loer. III.
48
§16. DE HEL.
vernieuwde aarde ter woning ontvangen, dan, herinnert Walaeus lt;), zouden die geloovigen, die tegen het einde der wereld sterven, slecht een weinig tijds in den hemel zijn, en die de jongste dag levend vindt, zouden geheel niet in den hemel komen, hetgeen ongerijmd is en tegen de waarheid der Goddelijke beloften.
§â¢16. De Hel.
Door het Laatste Oordeel worden goeden en boozen, tarwe en onkruid ten eenenmale gescheiden en blijven in staat en plaats eeuwiglijk onderscheiden en van elkander afgezonderd. Voor de rechtvaardigen is het leven en de hemel, voor de goddeloozen de dood en de hel. De De rechtvaardig gesprokenen en gezegenden des Vaders beërven het Koninkrijk, hetwelk hun bereid is van de grondlegging der wereld. De veroordeelden en vervloekten gaan in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid is (Matth. 25 : 34, 41).
Waar? en hoe? Dat is een diep geheim, waarvan de Schrift slechts in beeldspraak spreekt. Het verblijf der rampzaligen, en wat zij daar lijden, wordt ons door de Goddelijke Wijsheid tot heilzamen afschrik geteekend en vertoond in beelden van het allertreurigste en pijnlijkste, van het akeligste en afgrijselijkste, dat er op aarde onder de menschen bekend is. De hel is het volslagen tegendeel van den hemel.
754
1. Door het woord Hel worden in ons Nieuw Testament twee Grieksche, zeer ongelijke woorden vertaald.
!) Synopsis Par. Theol. Disp. LH. Thos. 36.
§ 16. DE HEL.
a. Het eene heet Geënna'), hetwelk beteekent dal Hinnom en de naarn was van een eens bloeiend dal ten zuiden van Jeruzalem. Onder de goddelooze koningen sedert Achaz was het de hoofdzetel geworden van den afschuwelijken Molochsdienst met de ontnenschelijke kinderoffers.
Door koning Jozia werden de afgodische altaren en offerplaatsen verwoest, en sinds werd het dal Hinnoms eene walgelijke vuilnisplaats, waar de lijken van geoordeelde misdadigers en de krengen van gestorven dieren werden heengeworpen, tot welker verbranding steeds vuur werd aangehouden. Dit werd in Israël zinnebeeld van het helsche vuur, van de hel des vuurs 1), de strafplaats der verdoemden, Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgehluscht wordt (Mare. 9 : 44).
b. Het andere Grieksche woord is Hades, hetwelk overeenkomt met het Hebreeuwsche Scheool »). Waar in
755
1
) Matth. 5 : 22 ; ^ ysèvvx too Trupó?.
') Hades 'o cföys beteekent de Onzichtbare; saamgetrokken uit (Irjslv en x privativum), hetwelk bij Homerus voor
komt. Het was bij do Grieken oorspronkelijk do naam van den God dor ondorworold, don boheerschor dor doodon; dan het rijk dor doodon zelf, het land dor onzichtbaarheid en duisternis, hetwelk onzichtbaar is on waar mon niet zien kan, ondor do aardo, waarheen nooit oen zonnestraal doordringt. C. Fr. Vort Ndgelsbach, Homer. Theol. S. 405.
Door vertalon LXX het Hebr. feminin., van
§ 16. DE HEL.
het Oude Testament in het Hebreeuwsch Scheool staat, heeft de Grieksche Overzetting der Zeventigen Hades. De Hades-leer is in nieuweren tijd wederom zeer belangrijk geworden en door de voorstanders van eenen middelstaat der aflijvige zielen tot steun voor hun gevoelen gebruikt. Men neemt dan aan, dat bij de Joden algemeen heerschende was de voorstelling van de Scheool of den Hades als een onderaardsch verblijf van alle dooden; doch dat er twee afdeelingen in waren, eene lagere en eene hoogere, waarvan de hoogere voor de vromen was bestemd en het Paradijs heette. In de gelijkenis Luc. 16, zegt men, was de rijke man niet alleen, maar ook Lazarus met Abraham in de Scheool, in den Hades, hoewel in ongelijke plaatsen. Maar Luc. 16 : 23 staat geheel de Hades als oord der pijniging uitdrukkelijk over tegen den schoot Abrahams en is dus de hel. De dood is altoos voor alle gerechtvaardigden de dadelijke besliste overgang naar den hemel in de zalige gemeenschap Gods, en voor de goddeloozen naar de hel; zoo is het onder het Nieuwe Testament, en niet anders was het onder het Oude (Zie hiervoren § 4). En de Scheool des Ouden Testaments is altijd èf het
vorderen, wijl het doodenrijk al wat leeft onverbiddelijk
eischt en onverzadelijk verslindt. Winer, Simouis Lex. p. 934. Hengstenberg, Commentar über die Psalmen IV. 2. S. 321, Naar
eeno andere, min natuurlijke afleiding van zou het be-
teekenon holle, diepte. Gesenius, Handwörterb. u. d. W.
Oehler, Theol. des A. T. I. S. 259.
Verschillende gevoelens over den Hades vermeldt Güder in Herzogs Real-Enc. V. S. 44!). f. u. d. W. Hades.
756
§16. DE HEL.
graf, waarin ook de rechtvaardigen dalen óf de hel waarin geen vromen komen.
In het Nieuwe Testament is het Grieksche Hades, hetwelk er elfmaal voorkomt, door de Onzen telkens te recht overgezet Hel, en het beteekent de plaats des verderfs, nergens alleen het graf'), ook niet Hand. 2 : 27, 31 J). Hades is in het nieuwe Testament hetzelfde als Geënna»).
2. De hel is niet slechts een staat en toestand â¦), zonder bepaling tot een zekere plaats naar de meening van sommige Ubiquitisten (alomtegenwoordigheid-drijvers) en zoogenaamde Conscienliariërs, volgens wie zij niets anders zou zijn dan de wroegende conscientie, het kwaad gewetens). De hel is niet alleen in de verdoemden, maar de verdoemden zijn in de hel; zij bestaat niet bloot in het geweten, maar is een oord, waar de rampzaligen met hun geweten zijn. De hel is zoowel eene plaats als de hemel, eene ruimte die eene zekere uitgestrektheid en bepaalde grenzen heeft. Dit hebben onze rechtzinnige kerkleeraren steeds vastgehouden, naar de duidelijke doorgaande getuigenissen van Gods Woord. En het kan niet anders. De aflijvige zielen, zalige en rampzalige, even als de lichamelooze Engelen, heilige en booze, zijn als
') Hengstenberg, Dio Offcnbarung I. S. 339. zo 6:8. Phüippi, Kirchliche Glaubonslohro VI. S. 57.
2) Vergel. Dertiende Hoofdstuk § 1.
3) Hot woord yesvvx komt bij Johannes, ook in do Openbaring, goheel niot voor, maar alleen cföyi;; in do drio eerste Evangeliën wel. Hengstenberg. Offenbarung II. 1 S. 348. Bengel, Gnomon in MattL 5 : 22.
^) Dus meende reeds Origenos. Bretschnaider, Dogmat. 11. S. 499.
6) C. Vih inga, Doctrina Pars II. p. 309. 311. Pars IV. p. 176.
75?
§16. DE HEL.
persoonlükliodcn ergens, zyn tot eenige plaats bepaald ; en eens ontvangen de zielen hare lichamen weder, menschelijke lichamen, die noodzakelijk eene ruimte beslaan. De Schrift noemt de hel uitdrukkelijk eene plaats. De Heere Jezus zelf legt Luc. 1G ; 28 den rijken man inde hel de woorden in den mond : â â opdat ook zij (de vijf broeders) niet komen in deze plaats der pijniging.
De hel is de strafplaats der goddeloozen. Tot aan den jongsten dag voor hunne zielen, na het laatste oordeel ook voor het lichaam. Derhalve zal de hel bij opvolging tweeërlei gedaante hebben. Namelijk tot aan het einde der wereld ontvangt zij de zielen aller dergenen, die in hunne zonden sterven; want dezen komen aanstonds met het sterven in de hel, zooals de Heere Jezus ' in de Gelijkenis van den rijken man leert (Luc. 1G : 23). Dit is de gevangenis (1 Petr. 3 : 19) der rampzalige zielen. Daarin blijven zij opgesloten tot de wederkomst van Christus en de opstanding aller dooden. Dan wordt de gevangenis geopend, de hel geeft hare dooden op (Openb.
20 : 13), het lichaam wordt hun hergeven, onverderfelijk maar tot afgryzen'). Belichaamd worden zij mede vergaderd voor Christus, die ten gerichte zit. De vloek hunner zonden wordt aan hen openbaar, en zij worden veroordeeld ter pijne des vuurs, worden geworpen in den poel des vunrs, hetwelk is de tweede dood. (Openb. 20 : 15), in den poel die daar brandt van vuur en sulfer (Openb.
758
21 : 8), in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid is (Matth. 25 : 41). Was tot dusverre de ziel rampzalig, van nu aan ook hel lichaam. AVas het tot
'} Zie hiorvoren § 13.
§ 16. DE HEL.
daartoe eene voorloopige en gedeeltelijke rampzaligheld, nu wordt zij definitief en voltooid. Christus heeft dit zelf uitdrukkelijk betuigd. Hij sprak Luc. 12 : 4, 5: Ik zeg u, mijne vrienden : Vreest niet voor degenen die het lichaam dooden en daarna niet meer hunnen doen ; Maar Ik zal u toonen wien gij vreezen zult: vreest dien ')i die, nadat Hij gedood heeft [ook] macht heeft in de hel te werpen (Matth. 10 : 28 : die heide ziel en lichaam kan verderven in de hel); ja ik zeg u, vreest dien.
3. Maar waar is de hel ? en waar zal zij na de opstanding zijn ? Allen moeten bekennen : wij weten het niet. Het is dan ook nutter te vragen hoe men wandelen moet om er niet in te komen.
a. Men kan uit Efez. 6 : 12 niet afleiden dat de hel in de lucht, noch uit Matth. 8 : 32, dat zij in de diepte der zee is. Maar wel ligt voor ons in hel en hemel eigenaardig altijd de tegenstelling van heneden en hoven. Waarin ook de Schrift ons voorgaat. Spreuk. 15 : 24 : De iveg des levens is den verstandige naar boven, opdat hij afwijke van de hel heneden. De naam âhemelquot; doet ons dadelijk naar boven denken, âhelquot; naar onderen; âhemelquot;' geeft de gedachte van bovenaardsch, âhelquot; van onderaardsch. Deze voorstelling is ook aan de Schrift eigen.
759
Doch dit biedt geenen grond voor zulke nadere, gewaagde bepalingen en beschrijvingen a\s de Boomschen er van geven, die de hel in het middelruim binnen de aarde stellen, noch ook als de moeste Lulhersche schriftuitleggers en geloofsleeraren, in verband met hunne leer van Christus'
') Dat is God, niot dc daivcl. Zio Zesde Hoofdstuk § 19.
§16. DE HEL.
Nederdaling tor helle i), van zijn werkelijk verblijf, naar hunne meening, in de Scheool, den Hades, het doodenrijk) âonder en midden in de aarde,quot; zoodat hij aldus âin het huis des sterken ging, om hem daar te binden ï).quot; Deze wijde, verborgene ruimte »), zegt men, nam tot op Christus' zegepraal over de macht des doods alle zielen der gestorvenen tot zich (goede en kwade, doch in afzonderlijke plaatsen), gelijk het graf de lichamen, en ook nog vooreerst allen die niet in den lleere sterven; en zij ligt tverlcelijk naar de Schrift des Ouden en des Nieuwen Testaments, die in dezen slechts het algemeene oude volksgeloof bevestigt, in het binnenste der aarde, beweert men «).
760
§16. DE HEL.
Bij de Lutherschen heeft dit gevoelen vcle; daaronder zeer besliste voorstanders'). De Gereformeerden wachten zich den ouden geloovigen zulke denkbeelden toe te schrijven, op grond van uitdrukkingen voor een andere uitlegging vatbaar (zie b.v. Kantteek. op Job 38 : 17), gedachtig aan het Woord des Heeren tot Job âbestraffende zijne onwetende vermetenheidquot; 38 : 16, 17 : Zijl gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee? en hebt gij in't onderste des afgronds gewandeld ? Zijn u de poorten des doods ontdekt? en hebt gij gezien de poorten van de schaduwe des doods?
b. Na de opstanding en het groote gericht begint voor de veroordeelden ook de pijniging des lichaams, in de hel (Matth. 5 : 30. 10 ; 28), in het eeuwige vuur (Matth. 25 : 41), in den poel des vuurs (Openb. 20 : 12â14). Waar zal dan deze zijn ? Men heeft gedacht aan het binnenste der uitgebrande aarde en het vuur aangemerkt als blijvende, onuitblusschelijke voorzetting van den
doch vorzwjsweise als bee auf das Steuben folgende Zustand überhaupt gedacht seijn, welcher selber wieder â â ein relativ seliger oder relativ unseliger ist, utid je nachdem an unterschiedliche Raume mit entsprechender Benennung vertheilt ivird. Voel vorder gaat Stier, A-asleg. des Briefes an die Epheser, zu Eph. 4 : 9. Vergel. Twaalfde Hoofdstuk § 30.
') Zoo Mr. M. Fr. Hoos, Einleit. iu die bibl. Gescb. I. §53. ed. 1835. S. 82 : Die Holle wird hier (Job 38) wie in andern Orten der heiligen Schrift so heschriehen, wie sie unter dem Meer im Abt/rund in der Mitte der Erde ist. Olshausen, (Jommentar. zum Briefe an die Kötner, zu 10 : 5â8. S. 364 : Die Hebracr dachten sich die Todtenwelt in der Tiefe der Erde. Dersolbe, Commontar. zu Eph. 4 : 9. Desgelijks Delitzsah, Bibl. Psychologie S. 408. Oehler, Theol. des A. T. I. S. 259.
761
§16. DE HEL.
wereldbrand i). Men heeft zelfs vermoed, dat de aarde in eenen poel of zee van vuur en zwavel, als door het gericht over Sodom en Gomorra, veranderd zal worden, tot verblijf en eeuwige straf der goddeloozen, tot een blijvend tooneel van Gods straffende gerechtigheid. De tegenwoordige aarde zou alzoo de hel worden, waar de eeuwige dood met al zijne kwalen en verschrikkingen heerscht1). Nog anderen plaatsen de hel buiten de zichtbare wereld, vanzelf met de betuiging van de onmogelijkheid eener nadere bepaling. Dit gevoelen van vele Luthersche Godgeleerden wordt ook door Gereformeerden niet verwerpelijk geacht s).
762
1
') Stier, Reden des Herrn Josu. 1844 II. S. 613 zu Matth. 25 : 41â43. Voorts zegt hij S. 615, zu Matth. 25 : 46 : M-st Offenh, 20 : 15, â dann ühcr dam umschlossenen Ahgrunde des Feuerpfuhl» die neue Welt für die Seligen Offenb. Kap. 21 un.d 22. Hiernach allein ist zu verstehn Kap. 21 : 4 von uirrn Augen d. h. der Seligen. â Vs. 5. Alles neu d. h. in dieser neuen Welt. Doch Dezelfde, Jesaias, nicht Psoudo-Jesaias 1850. S. 887 zegt : Ob dieser Ort â â schlieszlich im Kern der Erde bleibt {was indtsz beinahe zu bezweifeln) oder wo sonst in der Schöpfung ein soldier angelegt wird, versteken wir jetzt nicht, selbst wenn es (wie ivahrscheinlich) irgendwo verborgen im Wort gesagt ware.
§ 16. DE HEL.
4. Hiermede staat in verband de vraag, wat wij te verstaan hebben door liet vuur der hel gt;). Naar de Roomsehen een eigenlijk, matoriëel vuur. Waarmede sommige Godgeleerden van andere gezindten instemmen 1) Daarbij volgens onkelen wel een eigenlijk dus genoemd vuur, doch verschillend van het vuur dat by ons bekend is. Van onze Kerkleeraren nemen sommigen het woord vuur bepaald zinnebeeldig, figuurlijk, als uitdrukking van de allerzwaarste pijniging s); de meesten schorten hun oordeel op *) en volgen daarin Augusünus na. Deze Kerkvader zegt: Na het oordeel loorden zij, die niet geschreven zijn in het hoek des levens, in het eeuwige vuur verzonden; hoedanig en in welk deel der wereld of der dingen dit vuur zijn zal, geloof ik, iveet geen mensch,
763
1
) Ook Phil, a Limborch, Theol. Christl. Lib. VI. Cap. XIII. 18, die, daaa de Schrift overal uitdrukkelijk van hot vuur gewaagt, geen reden vindt om a verborum proprietate af te gaan.
:l) Aldus ook onze Kantteekenaars op Mare. 9 : 44 : Hun worm d. i. hunne wi'oogende consoiuntie; het vuur d. i. de straf van Gods toorn, vuur genoemd, omdat do pijn van het vuur onver-dragelijk is, onuiibiusschclijk, omdat dozo straf nimmer moor ophoudt.
â ') Zoo ook de Leidsche Professoren: Synopsis Pur. Thool. Disp. Lil. Thes. LI, ed. Dr. H. Bavinck p. 666. Piclet, Chr. Godgel. II. p. 317.
§16. DE HEL.
tenzij misschien de Goddelijke Geest het aan iemand toont. (De Civ. Dei XX. 16).
Christus heeft daarvan bij herhaling de uitspraak gedaan: Waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitjebluscht wordt, Mare. 9 : 44 v.v. Het is niet denkbaar dat hun worm (genomen voor wormen of gewormte) hier in eigenlijken zin bedoeld zou zijn. Immers het lichaam ook der rampzaligen zal onverderfelijk zijn : dit sluit knagend en azend gewormte er van uit. Ook de samenvoeging met vuur laat de letterlijke opvatting van worm niet toe. Is echter hun worm oneigenlijk te verstaan, dan noodzakelijk ook het vuur. Maar beide uitdrukkingen samen verzinnebeelden dat wat de Schrift het eeuwig verderf noemt, van de onsterfelijke ziel en het onverderfelijke lichaam. Christus heeft geboden, alleen Hem te vreezen, die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel (Matth. 10 : 28). Worm en vuur raken beide, niet het eene alleen de ziel, het andere het lichaam, maar deze twee in één. Want in de opstanding zijn zij wederom persoonlijk onscheidbaar vereenigd, en lichaam en ziel zullen in den hemel te zamen de vreugde des levens genieten, of in de hel te zamen al de kwalen des eeuwigen doods ondervinden.
Run worm en het vuur zijn dan wel beelden, maar geen ledige ijdele beelden. Zij zijn iets, zij beteekenen iets reëels, iets werkelijks, te weten een werkelijk pijn lijden inwendig en uitwendig en duiden tegelijk aan waardoor dit wordt veroorzaakt. Zij dienen, om met nadruk te verstaan te geven, dat er in de hel, waarheen de veroordeelden worden verwezen, eene werkelijke pijniging der ziel en des lichaams zal worden ondergaan, niet alleen der ziel maar ook des lichaams, een lijden waarvan de
764
§ 16. DK HEL.
werkende oorzaak deels innerlijk in hen zeiven ligt, hun worm, deels van buiten komt, het vuur. Hun worm: hoe men dit ook duide, voornamelijk wijst het ongetwijfeld op het knagend, bijtend, wroegend zelfverwijt der verdoemden over hun verloren leven en verbeurde zaligheid. Het vuur is de krachtigste, scherpste en gevoeligste uitlating van Gods toorn, die zich in geheel den toestand der rampzaligen, ook in hun lichaam openbaart.
5. Het is dan niet alleen eene straf van gemis (poena damni) maar ook van gevoel (poena sensus). Van God verstooten, ontvangen zij daar geenerlei blijk meer van zijne goedgunstigheid, geen troost, geene verkwikking (geen drup waters om de tong te verkoelen Luc, 16:24), geen licht, geen zweem van hope op verlossing : daar zal weening (gehuil) zijn en knersing der tanden (Matth. 13 : 42), uitdrukkingen van bittere smart en woedende, wanhopige, machtelooze spijt â schrikkelijke geluiden van zoo vele ellendigen, hoe verschillend van de liefelijke tonen der hemelingen, de verrukkelijke lofzangen der zaligen (Openb. 5 : 9. 14 : 3)! Het samenzijn der verdoemden vermeerdert en verzwaart hunne jammeren en doet hunne kwaadheid te meer uitbreken. In de hel komt alles te zaam wat goddeloos, onrein en gruwelijk is. En niets weerhoudt en beteugelt daar het uitbarsten hunner vurige driften. Zij zullen zich zeiven en de anderen, die tot hun verderf hebben medegewerkt, vervloeken en tegen elkander woeden. Opgesloten in de vuile, walgelijke krocliten der hel, gepijnigd in ziel en lichaam, gefolterd door ondraaglijke angsten en benauwdheden zuilen zij God lasteren : want zij haten Hem, want zij weten. Hij is het die hen dit alles doet ondergaan, zij voelen, het is zijn
765
§16. DE HEL.
toorn die hen om hunne zonden straft en hen in dezen lijdensbrand gevangfen houdt.
6. Of er echter in de hel trappen zullen zijn ? Ongetwijfeld. Hoe grooter schuld, hoe zwaarder straf. De Schrift leert het. Voor Sodom en Gomorra zal het in den dag des oordeels verdraaglijker zijn dan voor de verwerpers van het tot hen gebrachte Woord, Matth. 10 : 15. En die dienstknecht, welke geweten heeft den wil zijns heeren, en [zich] niet bereid noch naar zijnen tvil gedaan heeft, die zal met vele [slagen] geslagen worden. Maar die [denzelven] niet geweten heeft, en gedaan heeft [dingen] die slagen waardig zijn, die zal met weinige [slagen] geslagen worden, Luc. 12 : 47, 48. De eene heeft (/roofe/-zonde dan anderen')â Joh. 19 : 11. Zijn er trappen in de zonde, dan ook in de straf. Opdat een iegelijk ivegdrage hetgeen door het lichaam [geschiedt] naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed hetzij kwaad, 2 Kor. 5 : 10. God is rechtvaardig. Zijne gerechtigheid eischt, dat die zich zwaarder bezondigd hebben ook zwaarder straf ontvangen. Wel is de straf van alle verdoemden hierin gelijk, dat zij allen verstooten zijn van Gods aangezicht, allen zijne zalige gemeenschap derven, allen zijnen toorn ondervinden, gepijnigd in ziel en lichaam, maar in de mate dezer straf zal er een onderscheid zijn naar de mate hunner schuld 1),
766
1
) Vergel. Negende Hoofdstuk § 23.
§ 17. EEUWIGE STRAF.
767
mogelijk ook wel lot dat einde een onderscheid van plaatsten en veelheid van afdeelingen en samenvoegingen in het eenige, maar wijde helleruim. Doch geen verschil in duur: niet aldus, dat wellicht sommigen, gebeterd, nog eens vrijgelaten wierden. De hel is geen verbeterhuis, geen herstellingsoord, geen doorgangsplaats, maar eindeloos, onveranderlijk verblijf aller verdoemden.
§ 17. Eeuwig© Straf.
Zal er voor de rampzaligen ooit een eind aan 't lijden komen ? Zal de hel eens niet meer zijn ? Velerlei heeft men van verschillende zijden tegen de eeuwigheid der helsche straf ingebracht ')⢠Onder anderen dit: Er is geene proportie, geene evenredigheid, geene overeenkomst tusschen tijdelijke zonden en eeuwige straffen; de straf kan tot betering leiden ; bij intredende betering is het doel der straf bereikt en vervalt de straf; de schepping en onderhouding van eeuwig ongelukkige wezens is onvereenigbaar met de goedheid en wijsheid Gods. Maar deze en soort-gelpe tegenwerpingen berusten op miskenning van het wezen der zonde en van het doel der straf, en op eene eenzijdige en averechtsche opvatting van de eigenschappen Gods. En men volgt daarbij zijne eigene gedachten en natuurlijke gevoeligheid, in plaats van zich ootmoedig te buigen onder het gezag der Schrift die duidelijk en nadrukkelijk de eeuwigheid der helsche straffen leert.
1. De aard der zonde leidt er toe. Hoe dan ? voor de
') Do bezwaren togou absolute oemvighoid der holsche straffen vermeldt Bretschneider, Handb. dor Dogru. II. S. 507 fif.
§ 17. EEUWIGE STRAF.
zonden van dit korte leven eeuwige straffen ? Zeker. Want de schuld, de mate der strafbaarheid wordt volgens het recht der Wet ook al onder de menschen niet alleen bepaald naar den tijd, hoe lang het misdrijf heeft aangehouden â een moord en menig andere grove misdaad wordt in een oogenblik volbracht â maar naar de hoedanigheid en zwaarte van overtreding en naar de waardigheid van hem tegen wien men de misdaad pleegt. Wanneer kinderen elkander slaan, het is kwaad en strafbaar, maar veel strafbaarder is het, wanneer zij hunne hand tegen hunne ouders opheffen. Wat iemand tegen zijne gelijken misdoet, wordt strafbaarder wanneer men dezelfde beleediging zijnen koning aandeed; tegen den koning op te staan, 's konings persoon aan te tasten is schennis van zijne majesteit.
De zonde nu is beleediging van den Koning des heelals, den Heere des hemels en der aarde, is verzet tegen de Allerhoogste Majesteit, tegen God, en verdient daarom de hoogste, en dat is eeuwige straf. Oneindig verheven is die God, tegen wien gezondigd wordt; geheel niet berekenbaar, niet af te meten het kwaad, dat er in elke zonde ligt, oneindig groot is de schuld; daarom eindeloos de straf voor hem, die in zijne zonden sterft. Heidelb. Catechismus Vr. 11 : God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig: daarom zoo eischt zijne gerechtigheid, dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit, Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straffe aan lichaam en ziel gestraft worde. Kwetsing der oneindige Majesteit vordert oneindige straf. Maar do oneindige straf kan intensiet, in hare volle kracht het eindige schepsel niet dragen, de vaten des toorns kunnen
768
§17. EEUWIGE STRAF.
den ganschen toorn niet bevatten, de volle toorn des Oneindigen kan zich daarin niet op eenmaal uitstorten : dies kan voor het eindige schepsel de verdiende straf niet anders dan extensief oneindig zijn, dat is eindeloos, eeuwig«).
2. De straf kan niet eindigen, waar de misdaad niet ophoudt. De rampzaligen blijven zondigen^ ja de zonde, hier op aarde nog beteugeld, breekt in de hel ten volle uit; en is als olie in het vuur, doet het vuur des toorns Gods voortgaande branden. En hoe kan het anders, waar het lijden niet verbetert maar verbittert? Er wordt van de aanhangers van het Beest onder het strafgerichte Gods gezegd Openb. 16 : 10, 11 : Zij kauwden hunne tongen van pijn, En zij lasterden den God des hemels vanwege hunne pijnen en vanwege hunne gezweren, en zij bekeerden zich niet van hunne werken. Veel minder zal in de hel zich iemand bekeeren, waar alle genademiddelen, gelegenheden en opwekkingen tot bekeering ontbreken ï). De goddelooze, die op aarde wel den wil, maar, wegens den tusschen-komenden dood, geen tijd had om in zijne zonden voort te gaan, zou, ware hij op aarde eeuwig blijven leven, hier ook eeuwig hebben voortgezondigd. Zondigen is zijne natuur. Hij zet het in de hel voort. Dies ligt de grond van de eeuwigheid der helsche straf evenzeer in den zondaar zeiven die voortgaat te zondigen als in de onveranderlijke heiligheid en gerechtigheid Gods die de zonde eeuwig blijft haten. En hoe zou er dan nog her-
') Fr. Ad. Lampc, Dissertat. Vol. 11. p. 48. De Moor, Com-inont. P. III. p. 348.
'2) Lampe, Dissert. Vol. 11. p. 2G sqq. Twaalfde Hoofdstuk vau dit Loesbook § 30. ou dit Eenentwintigste Hoofdstuk § 4. Gravemojjei', Goref. Gol. leor. 111. -19
769
§ 17. EEUWIGE STRAF.
stelling mogelijk zijn, daar Christus het Koninkrijk den Vader heeft overgegeven en alzoo het einde der verlossingen en wedergeboorten is gekomen ?
3. Gods Woord, hetwelk alleen beslissend gezag heeft, betuigt tot aller waarschuwing met de sterkste uitdrukkingen de eeuwige during dor helsche straf.
Wel wordt in de Schrift het woord eemvicj ook gebruikt van tijdelijken duur. Maar dan is dit uit het verband en uit den aard der zaak kenbaar. Zoo bijvoorbeeld Exod. 21 : 6 : de knecht wien het oor doorboord is, zal zijnen heer eeuwiglijk dienen, dat is levenslang. Waar daarentegen van de toekomende rampzaligheid wordt gespróken, daar beteekent eeuwig ontegenzeglijk eene volstrekt eindelooze during.
Alle tegenspraak moet reeds zwichten voor Matth. 25 : 4G. Christus heeft daar het Laatste Oordeel geschilderd, en Hij sluit met de uitdrukkelijke betuiging, dat het gevelde vonnis onherroepelyk zal zijn, en dat het twee eeuwige toestanden en plaatsen zijn, in welke de mensch-heid dan wordt verdeeld en overgebracht: Deze zullen gaan in [de] eeuwige pijn, maar de rechtvaardigen in [het] eeuwige leven '). Daar stelt Christus de eeuwige pijn tegen het eeuwige leven over; zoolang dus het leven der rechtvaardigen duurt, zoolang duurt ook de pijn der
') Kx) uttsxeiktovtxl 0vt0i f/V kóïmtiv xluviov, o't Sè l'mxioi s]c xluviov. Zelfs Meyer, z. d. St. bokort; Der absolute
Begriff der Ewigkeiï in Betreff der Höllenstrafen (yergl. V. 41) â â steht hier {vergt. 3 : 12. 18 : 8) durch das entgegen-gesetzte x'imviov, ivomit das endlose Messiamsche Lehen ge-
meint isl, exegetisch fest. Phüippi, Kirchl. Glaubouslohro. III. S. 390 f.
770
§ 17. eeuwige strap.
veroordeelden, beide eeuwig. De pijn der vervloekten zal even zoo eindeloos zijn als het zalig leven der gezegenden des Vaders.
Hooren wij hierover den Kerkvader Augustinus. â Wat is het, zegt hij, de eeuwige straf slechts voor een tijdelijk, langdurig vuur te houden en het eeuwige leven voor eindeloos, daar Christus in ée'ne en dezelfde uitspraak heide eeuwig heeft genoemd? Noemt Hij beide eeuwig, voorzeker dan moet men het dus verstaan of dat heide langdurend met een einde of dat beide zonder einde voortdurend zijn. Maar dat Christus hier in éénen adem eeuwig in tweeërlei heteekenis zou zeggen: het eeuwige leven zal zonder einde zijn, de eeuwige straf zal een einde hebben, is zeer ongerijmd. Bij gevolg, wijl het eeuwige leven der heiligen zonder einde zijn zal, zal ook de eeuwige straf voor degenen die ze zal treffen ongetwijfeld geen einde hebben ')â¢quot;
771
Mare. 9 : 44 v.v. doet de Heere Jezus driemaal na elkander de ontzaglijke uitspraak van de hel: Waar hun worm niet sterft en hel vuur niet uitgehluscht wordt 2). Men heeft gezegd : hier wordt alleen de eeuwigheid der hel geloerd, niet hot eeuwig blijven in de hel, dus niet de eeuwigheid der straf. Maar ten eerste: zouden de straffen zelve eens ophouden en do straflijdenden vrij worden, dan hadde de eeuwigheid der strafplaats niets te beteekencn en hare plechtige bevestiging geenen zin; en ten tweede, bij icorm staat hun, Christus zegt hun worm
') Augustimis, Do Civitato Dei Lib. XXI. Cap. XXIII. -) Zie biorover dit Eenentwintigste Hoofdstuk g 13. § l(j.
§ 17. EEUWIGE STRAF.
sterft niet gt;), dat is de worm in de straflijdenden, een bewijs dat dozen er zijn J).
Wie kan er iets op afdingen wanneer de Schrift zegt Joh. 3 : 36 : Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het lev n niet zien, maar den toorn Gods blijft op hem? Wie kan deze ontzaglijke waarheid, dat er eene eindelooze rampzaligheid is, ontkennen tegen hetgeen geschreven staat Openb. 20 : 10: En de duivel die hen (de vijanden van God en zijn volk) verleidde (en aanvoerde), werd geworpen in de poel des vuurs en sulfers, alwaar het Beest is en de valsche Profeet; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid ? Ware het anders, dan zou Jezus ook niet van den verrader Judas gezegd hebben: Het ware hem goed, zoo die mensch niet geboren ware geweest, Matth. 26 : 24. Want wierd de rampzalige ooit ontslagen en eenmaal nog zalig, dan ware het hem toch goed geboren te zijn, dan konde hij zich toch eens in zijn aanwezen verheugen s).
') b VKUhyl; avTuv ou TsXsurcf,.
2) Dit wordt toegestemd zelfs door Bretschneider, Handb. der Dogm. II. S. 501.
'A) De talrijke getuigenissen der Schrift van de eeuwigheid der holsche straffen worde u tot acht klassen gebracht, uitvoerig toegelicht en gestaafd door Fr. Ad. Lamde, Disputatio theologica de poenarum aeternitate. In zijne Dissertationes Philologico-
theologicae. En wel 1. Het enkele eeuwig dSI^, cudvio? pag.
2â6. 2. Versterkte uitdrukkingen: ik (to'j?) xiwvxs (rüv) xlclivuv p. 6â10 3. Plaatsen, die de eindiging der straffen uitdrukkelijk ontkennen, pag. 10 â14. é. Gelijkstelling van do eeuwigheid dor verdoemenis mot de eeuwigheid der zaligheid, pag. 14â19. 5. Uitspraken, dio alle hopo van verlossing uit
772
§ 17. EEUWIGE STRAF.
4. Genoeg, Gods Woord leert de eeuwigheid der helsche straffen en zij wordt op dien grond beleden door de Gereformeerde, Luthersche, Roomsche en Grieksche Kerken; ook door de meeste Remonstranten lt;)â¢
De Socinianen nemen do hel weg en stellen eene vernietiging der goddeloozen: de eeuwige dood is hun zoo veel als eeuwige nietaanwezigheid. Zij achten het onge-rymd, te beweren, dat ook de goddeloozen onsterfelijk zullen zijn. Alleen de vromen en geloovigen zullen uit de dooden opstaan, de anderen blijven dood, zij worden vernietigd. Dit was het oorspronkelijke Sociniaansch gevoelen, latere Socinianen durfden het niet volhouden a).
Op andere wijs is door verschillende Godgeleerden beweerd, dat eens alle helsche straffen zullen ophouden.
Volgens sommigen door herstelling aller verdoemden, ook der duivelen. Zoo dacht inzonderheid Origenes')
de hel zonder meer afsnijden, pag. 19â30. G. En die voor de booze engelen alle hope op herstel wegnemen, pag. 31â40. 7. Do noodzakelijkheid van het losgeld des Zoons Gods van oneindige waarde voor de zonde bewijst do oneindigheid der verdiende straf, pag. 40â42. Eindelijk amp;. die gezegden die de oorzaak van gerechtigheid en zaligheid eoniglijk aan Christus' verdienste toeschrijven, niet aan reiniging door eigen lijden.
') G. Vitringa, Doctrina. Pars II. p. 320 sqq.
2) Spanhemius, Elench. Controv. 1694. p. 236. Phil, a Limborch, Theol. Christ, p. 772 sq.
3) Neander, Allgem. Geschiehte dor Chr. Hel. u. K. Erster Bd. 1826. S. 732. Lampe, Disssrtat. Vol. II. p. 65 sq. Vitringa, Doctrina. B. II. p. 314.
Origenes werd intussehen door zijn overspannen begrip van de wilsvrijheid en veranderlijkhoid van geschapen wezens vervoerd tol de stelling, dat de gezaligden toch weer tot hot kwade konden vervallen en dat tot loutering on wederbrenging dei-gevallen wezens nieuwe werelden noodzakelijk waren. Dus een
773
§ 17. EEUWIGE STRAF.
(f 254 n. G.), âde vader der wederbrengersquot;, stellende, dat het laatste einde der wegen en werken Gods zou zijn de verlossing van alle zondaren, de opheffing en wegruiming van alle kwaad, de algemeene terugkeer tot de oorspronkelijke eenheid des Goddelijken levens, de herstelling van al het verdorvene tot eenen staat als vóór de komst dor zoude, ja tot veel hoogere volmaaktheid en gelukzaligheid. Dit wordt genoemd de Apohatdstasis, de Wederbrenying aller dingen, eene uitdrukking, ontleend uit Hand. 3 : 21, waar Petrus van Ghristus zegt: Welken de hemel') moei ontvangen tot de tijden der wederoprichling aller dingen i), die God gesproken heeft door den mond aller zijner heilige Profeten van [alle] eeuw. Maar deze wederoprichling aller dingen is niet die wederbrenging, die Origenes stelde en die door Mystieken en Pantheïsten gedurig werd vernieuwd en waarvoor in de 18de eeuw Joh. Willi. Petersen (f 172'/) zoo bijzonder ijverde: terechtbrenging aller verdoemden, ook der gevallene Engelen aan het einde dor dagen. Want ten eerste, daarvan heeft God door geen Profeet gesproken. Niet alles wat gevallen is zal weer opgericht, hersteld worden, maar alles wat God te herstellen beloofd heeft. Ten tweede, Petrus spreekt niet van éénen tijd, maar van iijden der
bostondigo Irooslolooze wissel van afval ou verlossing. Vergel. Vijfde Hoofdstuk van dit Leesboek § 12.
In zijne rodenon voor hot volk hield hij zich aan do gowono voorstolling van eeuwige straffen dor hel. Hagenbach, Dogmon-gosch. § 78.
') Niet: Wellce den hemel. Zie Dertiende Hoofdstuk § 15. 2) ov èd oupxvbv (juv quot;bs^xuóxi xxP' %póvm xTroKXTxvTxvsus
TTXVTiïV, ZlV è'/M'A^7£V 0 ósós Oett.
774
§17. EEUWIGE STRAF.
wederoprichting, niet van één tijdstip waar alles weer opgericht zal zijn, maar van tijden, voortgaande tijdruimten in welke de wederoprichting van het rijk Gods geschiedt, die niet met éémaal maar allengs volbracht wordt (Hand. 1 : 6, 7). Gedurende deze tijden gaat de wederoprichting voortquot;) ; bij de wederkomst van Christus wordt zij voltooid. Petrus wil dus zeggen: Christus blijft in den hemel tot zoo lang de tijden duren 1), in welke alles tot stand komt, wat naar de profetiën nog eerst geschieden moet, dat zegt, totdat vervuld zijn al de voorzeggingen der Profeten van het Rijk Gods, van deszelfs vestiging en uitbreiding onder de volken, van lijden en strijden, van vervolging en verdrukking, van onverdelgbaarheid en overwinning. Door bekeering en geloof wordt men deelgenoot van dat Rijk.
Volgens andere Godgeleerden zouden ettelijken in de hel tot bekeering en geloove komen en zalig worden, maar de anderen meer en meer zich zeiven verderven en eindelijk alle geheel verharden als onverbeterlijken vernietigd worden, nadat, zoo te zeggen, alle moeite aun hen te vergeefs was besteed. Van dit gevoelen was reeds Anwbius 3), rhetor te Sicca in Afrika (in het begin der 4de eeuw).
77.j
1
) Aldus is »x?' te verstaan. Vergel. Hand. 20 : 6; xyjquot;; â /ipspüv ttsvts in vijf dagon. Zoo zeggen de Grieken : xxp' durante vita.
§17. EEUWIGE STRAP.
leermeester van Lactantius. Onder de nieuweren hellen weer sommigen daartoe overquot;).
Eene niet minder willekeurige stelling is ook deze: God had eeuwige hellestraffen alleenlijk gedreigd, om de lichtzinnigheid der menschen tegen te gaan en hen van de zonde af te schrikken. Dit gevoelen werd onder de Gereformeerden in Engeland bijzonder voorgestaan en geleerd door John Tillotson, Aartsbisschop van Canterbury (f 1694), een der zoogenaamde âLatitudinariërsquot; (rekkelijke theologen). Hij redeneerde aldus: Beloften verbinden; die belooft, is verplicht zijne belofte te houden ; doet hij 't niet, dan wordt de partij, aan welke de belofte is gedaan, verongelijkt. Maar geheel anders is het met dreigementen. Hij, die dreigt, de machthebber, behoudt het recht van te straffen aan zich zeiven en is niet ver-
') Beslist R. Rothe, Theol. Ethik. Bd. II. S. 332. 602.
Ook Nitzsch, System. § 219. S. 402 f. is er nietvroomd van, ofschoon volgons hem die Schrift eine eiuige Verdanmnisz mensch-licher Einzelwesen lehrt. Hij verklaart: Entweder ist die ewige Verdammisz nur Hypothesis und als solche die unbedingte Noth-wendigkeit cdlgemeiner Bekehrung, oder das absolute Nichtsein, ader ein begriffloses Sein im Nichtsein, oder aber eln individuelies Sein mit schlechthia passivem und privativem Bewusztsein van der Erlosung und dem Reiche Gottes, ebenso jeder guten wiejeder bösen Thatigkeit beraubt, eine Ruine, die zugleich das tèiegs-Denkmal der heiligen wahrhaftigen Liebe ist.
Daartegen Delitzsch, Bibl. Psychol. S. 471 : Der Mensch ist und bleibt, er wird nicht vemichtet, denn ebensowenig als Apokatastase der Bösen, lehrt die Schrift deren schliessliche Vernichtung. Die menschliche Vernunft mtiche gern so oder so den Dualismus auf heben, mit dem die Weltgesohichte abschliesst. â â Die Schrift lehrt ewigen persönlichen Fortbestand aller 2)ersünlichen Wesen, und zivar einen durch das was sie zeitlich geworden princlpiell bedingten.
776
§17. EEDWIGE STRAP.
plicht om hotgone hij gedreigd heeft uit te voeren verder dan de inzichten en het oogmerk der regeering vereischen, en hij mag zooveel van de straf, die hij gedreigd heeft, als hem behaagt, verminderen en kwijtschelden, waarover hij niet is te berispen als dede hij onrecht en ongelijk en als ware hij minder dan zijn woord : want dus doende is hij beter dan zijn woord'). â Dus bestaat er uitzicht op vermindering, ja eindiging der helsche straf. Eene voorstelling, die op averechtsch denkbeeld van God en zijne Eigenschappen berust en vlak tegen de Schrift staat.
5. Voor iederen Gereformeerde, die naar de Schrift de Praedestinatie, dat zegt Verkiezing én Verwerping gelooft, kan er van de dusgenaamde wederbrenging geen sprake zijn. De Lutheranen en alle Universalisten, voorstanders van algemeene verzoening, moesten, bij behoorlijke consequentie, bij getrouwheid aan hun beginsel, de wederbrenging, de toekomende algemeene zaliging eigenlijk aannemen 2).
Wat men uit de Heilige Schrift er voor bijbrengt, is hetzelfde als wat men voor eene algemeene Verkiezing en tegen de Verwerping 3) aanvoert, en levert bij nadere beschouwing geen bewijs tegenover zulke duidelijke uitspraken als hiervoren (bl. 770 vv.) van de eeuwigheid
') Joh. Tillotson, Predikatiën. Tweedo Dool. Ovor do Eeuwigheid dor helsche pijnen, Matth. 25 : 46. bl. 49 v.v.
O Zoo als Schleiermacher doet, Der Christl. Glaube § 163. 3to Ausg. II. S. 505, waar hij gerechtigd acht do voorstolling, dasz durch die Kraft der Erlösung der el ast eine allgemeine Wieder-herstellung aller menschlichen Seelen erfolgen toerde.
3) Zie Vijfde Hoofdstuk § 10: Verwerping. § 12: Goen alge-moono Verkiezing.
777
§17. EEUWIGE STRAF.
der helsche straffen zijn aangehaald i). âHel zal dan wel zoo zijn als de Wederbrengers leeren, indien menschelijke gissingen meer zullen gelden dan wat God gezegd heeft,quot; herinnert Augmtinus 1).
Er is eene eeuwige verdoemenis en straf zoo gewis en noodzakelijk als er in eeuwigheid geen gedwongene heiligheid van persoonlijke wezens en in eeuwigheid geen zalige onheiligheid zijn kan '). Want heiligheid is liefde, is een willen van het goede, kan dus niet buiten den wil om, door pijniging of in 't gemeen door dwang worden teweeggebracht; en zonder heiligheid kan geen mensch zalig zijn, want de zaligheid is liefdegemeenschap met den Volzalige, de zonde echter scheiding van en vijandschap tegen God.
6. Na dit: Gaat iveg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur (Matth. 25 : 41), En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn (v. 46), volgt er geen âKomt tot Mif' ooit weder. Dewelke zullen [tot] straf lijden het eeuwig verderf van het aangezicht des Heeren en van de heerlijkheid zijner sterkte, 2 Thess. 1 : 9.
Eeuwig verderfquot;), eeuwige dood, eeuwig sterven zonder ooit te sterven. Hier kan men in wanhoop zich verdoen,
778
1
) Delitzsch, Bibl. Psychol. S. 470: Es gibt keine der heiligen Schrift in uuverantwortlicherer Weise ividersprechende Lehre, wie die von der sogenannten Apokatastasis.
§ 17. EEUWIGE STRAF,
gelijk Achitofel, gelijk Judas, daar niet. Eeuwig verderf, een bestendig verderven zonder vernietiging, een verteren zonder te vergaan, onder do inwendige kwelling wroeging en knaging van het tot wanhoop ontwaakte geweten en onder het gevoel van Gods toorn en door de booze begeerlijkheden en driften, die daardoor niet worden uit-gedelgd maar gedurig ontvlammen en machteloos en onverzadigd den rampzalige kwellen.
Onder alles, wat men tegen de eeuwigheid der helsche straffen inbrengt, heeft wel den meesten schijn van gewicht het beroep op Gods goedheid. Men zegt: Het is met zijne goedheid volstrekt onbestaanbaar, dat Hij eenige gt;) zijner schepselen eeuwig zou doen lijden.
Maar dan beschouwt men zijne goedheid eenzijdig en ziet zijne heiligheid en rechtvaardigheid voorbij. Blijft men alleen bij zijne goedheid staan en denkt men daarbij
') Het bezwaar wordt niet weggenomen wanneer men met Hodcje, Systematic Theology III. p. 879 v. geloofelijk oordeelt, dat het getal der rampzaligen onbeduidend zal zijn in vergelijking met het getal der verlosten, that the number of the finally lost iu comparison with the whole number af the saved will be very inconsiderable. Dit volgt echter althans niet hieruit, dat »onze gezegende Heere, omgeven van de ontelbare schare der verlosten zal verheerlijkt worden als de Salvator hominum, de Zaligmaker der menschen, als het Lam, dat de zonde der wereld wegneemt,quot; waarop Hodge zich beroept. Zie daartegen Twaalfde Hoofdstuk § 42.
Johannes zag wel eene groote schare die niemand tellen kon, Openb. 7 : 8. Maar Hengstenberg z. d. St. herinnert te recht:
Die â â die Zald hier ins Ungeheuerliche ausdehnen,--ver-
irren sich aus dem Gehiete der Schriftansicht van den Bedingungen der Seligkeit in das der Welt, die Alles selig spricht. Matth. 7 : 13, 14.
779
§17. EEUWIGE STRAP.
zelfs wel bloot aan goedigheid, dan volgt, er kan geheel geen lijden in Gods schepping zijn. Maar het is er, het is er geweest sinds Adams val. Is God dan niet goed ? Is er onrecht bij den Almachtige? Dat zij verre!
Doch alle pogingen om de zonde en ellende, tijdelijke en eeuwige, te verklaren met redenen buiten de Schrift, zijn vruchteloos. Eerst namaals zal er voor de gezaligden het volle licht over opgaan. Staande aan de glazen zee die voor den troon is; zullen de overwinnaars God verheerlijken, zeggende: Groot en wonderlijk zijn uwe u-erken, Heere, Gij almachtige God: rechtvaardig en waarachtig zijn uwe wegen, Gij koning der heiligen. Wie zoude U niet vreezen, Heere en uwen naam [niet] verheerlijken? Want Gij zijt alleen heilig. Openb. 15 : 3,4.
Wy moeten ons eenvoudig en ootmoedig houden aan hetgeen ons in Gods Woord is geopenbaard. Naar dat Woord gelooven wij, dat niets geschiedt zonder zijne ordinantie, hoewel nochtans God noch auteur is noch schuld heeft van de zonde. â En aangaande 't gene Hij doet boven het begrip des menschelijken verstands, hetzelve willen wij niet curieuselijlc onderzoeken, meer dan ons begrip verdragen kan: maar wij aanbidden met alle ootmoedigheid en eerbieding de rechtvaardige oordeelen Gods, die ons verborgen zijn, ons tevreden houdende, dal wij leerjongens van Christus zijn, om alleen te leeren 't gene Hij ons aanwijst in zijn Woord, zonder deze palen te overtreden (Belijd, des Geloofs Art. XIII).
7. Men wil zich aan Gods Woord niet onderwerpen en stelt eigene gedachten of het zeggen van menschen boven hetgene God zegt. Vandaar alle dwaling. En de Booze styft den mensch in de leugen. Nog spreekt de Slang,
780
§17. eeuwige straf.
als tot Eva: Gijlieden zult den dood niet sterven (Gen. 3:4); nog zegt de stem der verleiding: Het zal zoo erg niet zijn ; God is goed: zou Hij een gedeelte van zyne schepselen, al waren 't dan ook maar betrekkelijk weinigen in getal, eeuwig ongelukkig doen zijn en hen eindeloos pijnigen ?
Maar niet den dood vallen alle gronden van zelfbedrog weg. Dan helaas is het te laat.
Men wil liefst alleen van Gods goedheid, niet van zijnen toorn weten. Maar onze Kerk belijdt de waarheid: Hij vertoornt zich schrikkelijk heide over de aangeboren en werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardi'j oordeel tijdelijk en eeuwiglijk straffen, alzoo Hij gesproken heeft: Vervloekt is een iegelijk, die niet plijft in al hetgene geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. En : God is ivel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig; daarom zoo eischt zijne gerechtigheid, dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straffe aan lichaam en ziel gestraft worde. (Heidelb. Cat. vr. 10 en 11).
Van den toorn des heiligen en almachtigen Gods spreekt niet alleen het Oude maar ook het Nieuwe Testament met de sterkste uitdrukkingen. En om er ons eenen diepen en hartdoordringenden indruk van te geven, wordt hij bij de vervaarlijkste dingen vergeleken: bij het brullen van een leeuw, bij den donder, bij eenen watervloed, bij eenen storm, bij een vuur. Mozes roept uit: Wie kent de sterkte uws toorns, en uwe verbolgenheid, naar dat gij te vreezen zijt! Ps. 90 : 11. En het Nieuwe Testament betuigt: Vreeselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods,
781
§18. de zaligen.
782
Hebr. 10 : 31. Want onze God is een verterend vuur, Hebr. 12 : 29.
Het is niet onverschillig, of men de eeuwigheid der helsche straf al dan niet erkent. Bij deze waarheid toch blinkt de zaligmakende genade Gods en de verlossing die in Christus is in vollen luister uit. Zoo alleen verstaan wij wat de zonde in heeft en wat het zegt tegen God te rebelleeren en zijne wetten te verbreken, en welke allerverschrikkelijkste jammeren het zijn, waarvan Christus redding heeft aangebracht, die ons verlost van den toekomenden toorn (1 Thess. 1 : 10). Zoo alleen peilt de geloovige eenigszins de diepte van het lijden, van de onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helsche kwale, in welke de Zoon Gods in der zijnen plaats is gezonken geweest, waardoor Hij mij van de helsche benauwdheid en pijn verlost heeft {Heidelb. Catech. Vr. 44).
§ 18, De Zaligen.
1. Door het laatste oordeel maakt God scheiding tusschen het licht en de duisternis, tusschen goed en kwaad, volkomene, finale, plaatselijke scheiding. De uitnemende Da Casta zong : Als de Heere God in allen, en in alles alles is, Zal het licht zijn eeuwig licht zijn, licht uit licht en duisternis i). Maar naar de Schrift zal het zijn : èn licht èn duisternis ; licht in de Stad Gods, in het hemelsch Rijk, duisternis daarbuiten, naar Christus'
') Hiertegen verklaart zich ook Delilzsch, Bibl. Psychol. S. 4G2. Ook Wuttke, Haudb. der Christl. Slttoalehre (1875) II. § 214. S.^183 553;
§18. DE ZALIGEN.
eigene getuigenis (Matth. 8 ; 12 en dikmaals), die geen tegenspraak toelaat.
De macht des Boozen is dan bedwongen, is geheel overwonnen. Doch de triomf over het kwaad eischt geene vernietiging, maar dat het onder de voeten ligt: anders moesten al de boozen hunne existentie verliezen, want het booze bestaat niet buiten hen. Vernietigd echter worden zij niet, zooals hiervoren is aangewezen. Van vernietiging spreekt de Schrift niet, maar van uitbanning, uitwerping uit het koninkrijk der hemelen : De Zoon des menschen zal zijne Engelen uitzenden in de voleinding der wereld, en zij zullen uit zijn Koninkrijk vergaderen
AL DE ERGERNISSEN EN DEGENEN DIE DE ONGERECHTIGHEID DOEN,
En zullen dezelve in den vurig en oven werpen: daar zal (de) weening zijn en (de) knersing der tanden. Matth. 13: 41, 42. Dus inkerkering, tot volslagen machteloosheid en tot het ondergaan der verdiende straf.
Al de boozen zijn dan in de hel besloten. Al de rechtvaardigen zijn samen vergaderd in den hemel.
2. Zullen de zaligen elkander kennen i)? Ongetwijfeld ook die elkander te voren nooit hadden gezien.
') Brakel, Redel. Godsd. II. p. 765. Marck, Merch XXXIV. 26. De Moor, Commontar. VI. p. 720. Loorzaam Bretschneider, Haudb. dor Dogm. II. S. 361. 483 ff. Hodge, Systematic. Thool. III. p. 781.
Zinnelijk, ten voorbedde voor vele nieuweren, is het wederzien der geliefden en hot zien van Apostelen, Profeten, martelaren enz. geschilderd door Gyprianus, De mortalitate p. 16G, aangehaald ook door Ilagenbach, Dogmongesch. S. 182.
Merkwaardig is Cicero's woord: O praoclarum diem, cum ad illud divinum animoram concilium coetumque proficiscar, cum-quo ex hac turba et colluvione discedam. Cato Major Cap.
783
§ tB. DE ZALIGEN.
*
Ook de aflijvige zalige zielen hebben zekerlijk kennis van elkander. Want dat ook lichamelooze geesten elkander kunnen kennen, zooals de Engelen, is zoo gewis als da/ zy, de een van den ander, persoonlijk onderscheiden zijn. Hoe veel te meer na de opstanding, wanneer een iegelijk wederom zijn eigen lichaam zal hebben, in hetwelk zich zyne individueele eigenaardigheid uitdrukt en afspiegelt.
a. Dies zal ieder gezaligde zijne mede gezaligde vrienden en magen en bekenden herkennen. En het wederzien der geliefden en de hereeniging met hen, nu in volmaaktheid en heerlijkheid, door geen vleeschelijk inmengsel verontreinigd, zal de zaligheid onuitsprekelijk verhoogen. Het gemis echter van zoodanigen, met wie men op aarde door banden des vleesches nauw was verbonden maar die in hunne zonden zijn gestorven en van de zaligheid verstoken gebleven, zal zekerlijk niet worden gevoeld en dus de hemelsche vreugde niet verminderen.
b. Maar ook die op aarde elkander nooit met oogen hebben aanschouwd zullen elkander kennen. De zalige zal wel niet in eens al de hemellingen kennen ; daartoe is hun getal te groot en het hemelsche vaderland te uitgestrekt. Maar die op aarde in den dienst van God, ook in lijden en strijden hebben uitgeblonken, de Heiligen des Ouden en des Nieuwen Testaments, Profeten en Apostelen zullen aan allen ras bekend zijn. En voortgaande zal een ieder zalige al meer van de ontelbare schare kennen.
784
Want daar zal gemeenschap zijn, innige vereeniging
XXIII. 84. Cicero spreekt daar bij monde van Cato blijmoedig en schoon vau bet sterven als een tebuiskomon. Maar van zotulo üu verlossing is vanzelf bij den Heiden geen sprake.
§18. DE ZALIGEN.
785
onderling van alle Gods kinderen, van al de gczegenden des Vaders, van al de verlosten des Zoons met hunne linigde zielen en vernieuwde lichamen, geheiligd en geheel doortrokken van den Heiligen Geest. Daar zal n: )ts zijn wat scheidt, afzondert, verwijdert, een zelfde heilige liefde leeft in allen. Het is niet te denken, dat een ieder afzonderlijk voor zich zeiven slechts zal bezig zijn in de beschouwing en den dienst van God, maar veelmeer, dat de hemellingen âals menschen, doch verheerlijkte, met elkander zullen verkeeren en met elkander God verheerlijken,quot; zooals uit. de Openbaring van Johannes (7 : 9 en dikwijls) blijkt en üit de alom betuigde eenheid aller geloovigen volgt. Want alle geloovigen uit den ouden dag en uit den tijd na Christus' verschijning maken samen één volk Gods, éëne gemeente uit, eene algemeene vergadering, Hebr. 12 : 22, 23 i), en oefenen gemeenschap met elkander, dus kennen elkaar.
Voorts geeft de Schrift hiervan nog menigerlei nadere aanduiding. Zoo heeft Christus gezegd, dat velen zullen komen van Oosten en Westen, en zullen met Abraham, Izak en Jakob aanzitten in hel Koninkrijk der hemelen (Matth. 8 : 11): dies zullen zij dezen kennen, zij zullen weten, dit is Abraham, dat Izak en gene Jakob. En wat van dezen geldt, geldt ongetwijfeld ook van anderen. De drie discipelen kennen Mozes en Elias, die {in heerlijkheid Luc. 9 : 31) op den heiligen berg verschenen en met Jezus samenspraken, Matth. 17 : 3. De viome armen kennen hunne vrome weldoeners, daar zij dezen ontvangen en blijde en dankbaar begroeten en verwelkomen in de
') Hierover zie Negentiende Hoofdstuk § 3. Gravemeyor, Geref. Gel. leer. III.
50
§19. DE ZALIGHEID.
786
eeuwige tabernakelen, Luc. 16 : 9. Adam kende in het aardsche paradijs door Goddelijke openbaring zijne vrouw, die hij te voren niet had gezien : hoe veel te meer zullen in het hemelsche paradijs de zaligen, in wie het beeld Gods, dat onkunde uitsluit, volkomen hersteld is, de een den ander kennen, ook die elkander in het aardsche leven in tijd en plaats verre stonden.
3. Het onloochenbare onderlinge verkeer der zaligen als menschen met elkander en de gemeenschappelijke verheerlijking en lofverheffing des Drieëenigen in hunne plechtige vergaderingen, veronderstelt noodzakelijk, dat zy zullen spreken, waartoe zij immers als volkomen menschen het vermogen zullen bezitten. Doch ivelke taal ? Zeker niet velerlei talen (vergel. 1 Kor. 13 : 8). Want daar zal niet meer zijn eene scheiding der volken, maar uit alle volk zijn dan de erfgenamen des levens tot één volk vergaderd, ééne kudde onder den eenigen Herder. Dus ééne taal. Men heeft aan hot Hebreeuwsch gedacht. Ook Brakel, die intusschen toch ook eene nieuwe taal, onderscheiden van en verheven boven alle aardsche taal mogelijk acht lt;). Wij dienen vast te houden; alles is daar verheerlijkt, dus ook, en vooral, de spraak en taal, in toon, rijkdom en kracht.
§ 19. De Zaligheid.
Na dit een en ander aangaande de zaligen te hebben overwogen, dienen wij nog op de zaak zelve nader in te gaan. Wij vragen: Waarin zal de zaligheid bestaan? Wij
') Erakcl, Hod. Godsd. II. Cap. LXI. 8.
§19. DE ZALIGHEID.
kunnen antwoorden, in het algemeen: 't is het afwezen van alle kwaad en hot bezit en genot van het hoogste goed. In het bijzonder: Rein van zonde en vrij van vrees en smart, heerlijk naar ziel en lichaam zullen de verlosten God in Christus door den Heiligen Geest volmaakt kennen, liefhebben, genieten en dienen, met verzadiging van vreugde â een waarachtig leven in een eeuwig Godsrijk, waar God alles zal zijn in allen.
1. De zonde is dan in de hel ; in den hemel geen zondaar, geen onreine (1 Kor. 6 : 9, 10. Openb. 21:8, 27), maar eene gemeente die geen vlek of rimpel heeft of iets dergelijks, maar heilig zal zijn en onberispelijk (Efez. 5 : 27).
Zij icorden daar niet eerst gereinigd, maar zij zijn het. Zij brengen in zich niets zondigs mede in den hemel over. Van al het zondige zijn zij vooraf ontdaan. En hoe? Niet door een vagevuur. Niet in eenen middelstaat i) ; niet door voortgaande heiligmaking en ontwikkeling na den dood. Ook niet door den dood op zich zelven, of, bij de nog. levenden ten genen dage, door de verandering huns lichaams. Want door den dood wordt de ziel wel van het lichaam ontbonden en door de verandering dei-overlevende geloovigen alle gebrek en zwakheid uit het lichaam van dezen verwijderd, maar daardoor wordt de zonde nog niet weggedaan : want de zonde zit niet principieel in het stoffelijk lichaam, maar in het geestelijke deel des menschen 1).
787
1
) Vergel. Negende Hoofdstuk, § 9, ou dit Eenentwintigste Hoofdstuk § 1.
§19. DE ZALIGHEID,
Hoe dan ? ') Ongetwijfeld door eene bijzondere genadewerking Gods. Van de schuld zijn allen, die in den hemel komen, onllast door de rechtvaardiging. Daarmede is tevens hunne heiligmaking begonnen. Maar deze blijft hier onvolkomen, de zonde wordt in dit leven niet met, wortel en tak uitgeroeid. Dat geschiedt in het sterven door de maclitige; wonderbare werking des Heiligen Geestes, die de heiligmaking voltooit. En in de opstanding ontvangt de geheiligde ziel haar vernieuwd lichaam weder, volkomen gepast tot woning en werktuig voor haar. Dan geen zonde meer. O zaligheid!
2. Waar geen spoor van zonde is, kan ook geen ellende zijn '). Rein van zonde, zullen dan de verlosten ook vrij zijn van vreeze en smart. Vrij van den dood, vrij van alle vrees voor mogelijk verlies van het goede en voor eenig dreigend kwaad. Waarvoor zouden de zaligen vreezen, daar zij geheel in Gods liefde leven? Daar is in de liefde geene vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vreeze huiten: want de vreeze heeft pijn, en die vreest
') Vorschillond heeft men hierover gedacht. Vergel. Delüzsch^ Bibl. Paychol. S. 416 f., die echter de reiniging te zeer in don mensch scelt, wanneer hij aannemelijk acht, daamp;s das durch Wort und Sacrament in uns gewirkte und genahrte Geisleslehen an sich schon kraftig genug ist, um alsdann â â mit soldier Intensitat hervorzuhreehen, dass es die menschlichen Wesen noch inhaftendc Sünde bis auf die letztc Spur Hirer Folgen hinausstösst. â Daarenboven houdt Delitzsch Vcist aan eenen middelstaat. Beter Philippi, Kirchliche Glaubenslohre VI. S. 7 f.
2) Sommige Godgeleerden (Reinhard en anderen) wagen de zonderlinge stolling, dat do zaligheid niet geheel zonder inmengsel van euvel en smart zal zijn, als onmisbaar ter gelukzaligheid van geschapen geesten, om don smaak van het goede fo ver-hoogen. Bretschneider, liandb. der Dogm. II. S. 467.
788
C; 19. DE ZALIGHBID.
is niet volmaakt in de liefde (1 Joh. 4 : 18), Daar is geen schrikachtig en bevend hart, maar rust in de bewustheid van voikomene onverstoorbare veiligheid. Vrij van smart wegens eenig tegenwoordig leed. De heiligen in hot licht zullen nooit hebben te treuren over verdonkerde, ingetrokkene genade, over afnemende verkwikking ; nooit te klagen over onbekwaamheid tot het goede, over kwijnende deugden; nooit over pijn of hinder aan hun onverderfelijk lichaam of over droefheid en kommer in hunne zalige ziel.
Zij zijn dan in ziel en lichaam ') verheerlijkt: verheven boven dien staat van nederigheid, zwakheid, ellendigheid, waarin zij hier op aarde waren. Zij deelen in Christus' verhooging, Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde zijnen heerlijken lichame, naar de werking waardoor Hij ook alle dingen zich zeiven kan onderwerpen, Fil. 3 : 21.
Wel zullen er trappen 1) in de heerlijkheid zijn. Er zullen wezen, die boven anderen uitblinken, niet tot een verdiend loon, maar tot vrijgunstige belooning om hetgeen zij op aarde boven anderen voor de naam des Heeren gewerkt en verdragen hebben. Echter heerlijk zullen allen zijn, aan geen zal er iets ontbreken. Dan blijkt ten volle wat Ps. 45 : 14 zegt: Des Konings dochter is geheel verheerlijkt inwendig {Salomo's bruid in hare vertrekzalen 3),
789
§19. DE ZALIGHEID.
in het koninklijk paleis waar zij is binnengeleid; de gemeente des Heeren in hare hemelsche woningen), naar het woord van den meerderen Salomo Iloogl. 4:7: Geheel zijt gij schoon, mijne Vriendin, en daar is geen gebrek aan u.
Deze heerlijkheid zal zich uitbreiden over den geheelen mensch, inwendig en uitwendig. Zij sluit in eene verhooging en volmaking van do vermogens, krachten en werkingen der ziel en des lichaams, met verfijning en veredeling der zinnen, inzonderheid van het gezicht en het gehoor. Want hoe zouden anders de zaligen genot hebben van al dat heerlijke, daar te zien, te hooren, te smaken, wanneer zij niet de bekwaamheid daartoe hadden? Maar dan zullen oog en oor en hart in staat zijn om te zien en te hooren en te gevoelen al dat schoone, liefelijke, welluidende en aangename, hetgene God bereid heeft dengenen die Hem liefhebben, hetgene op aarde het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord en in het hart des menschen niet is opgeklommen (1 Kor. 2 : 9).
790
3. Doch te midden van al de heerlijkheid en de wonderheden, die de hemelsche wereld aan hare erfgenamen zal bieden, zouden, zij toch altijd nog iets missen en onvoldaan blijven, zoo zij niet kwamen tot Hem die het Begin en het Einde is van alles, tot God zeiven, uit wien, door wien en tot wien alle dingen zijn, tot dat eeuwige Wezen, dat alle heerlijkheid in zich bevat en de fontein is van alle goed. Want waarheid is de Bekentenis des Kerk-
hiordoor eonc vorborgouo, geestelijko heorlijkheid aangeduid vluden, waartoe ook ouzo Staten-Vertalers, in strijd tegen hunno letterlijke verklaring, overgaan.
§19. DE ZALIGHEID.
vaders voor God: Wijl (jij ons tot U hebt geschapen, is ook ons hart onrustig tot het in U rust l).
De zaligen zullen in innige gemeenschap met God komen. Naar Bijbeltaal: zij zullen God zien. Eene uitdrukking, die vertrouwelijkheid en gemeenzamen omgang te kennen geeft als van bevoorrechte onderdanen en geëerde en geliefde dienaren bij een aardsch en inzonderheid een Oostersch vorst, of ook van priesters die tot God in het heiligdom mochten gaan. Des zullen al de zaligen verwaardigd worden (Openb. 7 : 14). Als priesters zullen zij in zijne nabijheid zijn en Hem dienen, gelijk Johannes zegt, sprekende van het nieuwe Jeruzalem Openb. 22 : 3, 4: Be troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en zijne dienstknechten zullen Hem dienen, En zullen zijn aangezicht zien en zijn naam zal (als bij den Hoogepriester in Israël) op hunne voorhoofden zijn. â Overigens wordt in de meeste talen zien ook gezegd van erkennen en geestelijk ondervinden ; evenzoo in de Heilige Schrift. Er worden immers ook vele dingen door het gezicht genoten.
Altoos duidt het zien van God eene innige gemeenschap en nabijheid aan. De zaligen zullen God zien: zij zullen de heerlijkheid van dat allerhoogste, eeuwige, onbegrijpelijke Wezen in den glans zijner Majesteit klaarlijk aanschouwen en zeiven daarvan overstraald worden. God te zien, dat is de volmaking en het toppunt van zaligheid en tevens de hoogste volmaaktheid waarvoor het schepsel vatbaar is.
791
Het is dus nog iets hoogers dan wat de geloovige op
') Augustinus, Confess. Lib. I. Cap. 1 on dikmaals: Quia fecisti nas ad te, et inquietum est cor nostrum donee requiescat in te.
§19. DE ZALIGHEID.
aarde in die heilige, wonderbare, heldere oogenblikken ondervindt, waar een buitengewoon gevoel van Gods genadige tegenwoordigheid de ziel vervult.
Intusschen zullen de verheerlijkten eeuwiglijk van God verscheiden blijven. God blijft God, bet schepsel blijft schepsel, volstrekt afhankelijk : in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, dat wordt daar eerst recht verstaan en gevoeld. Pantheïstische gedachten zijn hierbij verre te houden. De verheerlijkten zullen nimmer God zelf zijn noch in het Goddelijk wezen overgaan of vervloeien. Dat wordt juist uitgesloten en beslist ontkend door deze uitdrukking : zij zullen God zien.
Over dit zien is verschillend gedacht: of het lichamelijk of alleen geestelijk zal zijn, en, indien geestelijk, hoedanig dit dan.
792
a. Dat God met lichaamsoogen zou worden gezien, was het gevoelen der kettersche Anthropomorphieten t). Onder de Kerkvaderen waren slechts enkelen die het beweerden, vooral Epiphanius (f 404), bisschop op Cyprus. Ook Auyustinus neigde er toe, dat de verheerlijkten God zouden aanschouwen met de oogen huns geestelijken lichaams. Toch kwam het bij hem uit op een geestelijk zien van God zooals Hij zich in alles zou openbaren. Hij zeide: Waarheen wij de (jeestelijke oogen onzer lichamen zullen keeren, zullen wij den onlichamelijken God, die alles regeert, ook door middel van onze lichamen zien. â â Alzoo zal God ons hekend en zichtbaar zijn, dat Hij gezien wordt met den geest door elk onzer in elk onzer, in iederen andere, in Zich eelven, in den nieuwen hemel en de nieuwe
') Derde Hoofdstuk § 4. God onzienlijk; § 3. Goziou ; § 4,
§ 19. DE ZALIGHEID. 793
aarde en in alle creatuur die er dan zijn zal; maar gezien ook door middel van de lichamen in alle lichaam ivaarheen ook de oog en des geestelijken lichaams den blik zidlen richten').
Deze voorstelling hebben anderen gewijzigd overgenomen, leerende, dat de zaligen niet hunne lichaamsoogen, door het âlicht der heerlijkheidquot; (lumen gloriae) bestraald. God zullen zien.
Zoo vooral sommige Luthersche Godgeleerden van vroeger en thans J). Met beroep op vele plaatsen uit het Oude Testament, voornamelijk Job 19 : 26: Ik zal uit mijn vleesch God aanschomven s), waarbij men echter in het oog moet houden wat Job vooraf van zijnen Verlosser sprak. Op grond van dezen samenhang verklaren onze Kant-teekenaren te recht: â God aanschouwen: Namelijk den Heei e Christus, God geopenbaard in den vleesche, en zichtbaarlijk in groote majesteit ten oordeele verschijnende. Uit het Nieuwe Testament wordt ten bewijze van het aanschouwen Gods met de oogen des lichaams, inzonder-
i
') Augustinus, De Civit. Dei. Lib. XXII. Cap. 29. od. Tauchn. Tom. II. p. 421.
2) Aldus J. A. Quenstedt (f 1688), Dm. Hollaz (f 1713). Onder de niouweren spreekt ook Delitzsch, Bibl. Psychol. S. 463 van oen geistleiblich Schauen Gottes. Denn erst mit dem seligen geistleiblichen Schauen Gottes vollendet sich die Doxa der Gerechten, mdem die Doxa des Dreieinigen sich ia ihnen, den Schallenden, abpragt (1 Joh. 3 : 2. Vergel. Joh. 17 : 24). Phüippi, Kirchl. (Jlaubenslehre VI. S. 50: Gott wird dann, wie bis dal dn mit verhlartem Geistesauge, auch mit verhtartem Auge des Leihes geschaut werden, von welcher vollendetan geist-leiblichen Anschamng es 1 Joh, 3 : 2 heisit: o'l'Sx^sy cett.
') Zie dit Eenentwintigste Hoofdstuk § 11.
â *
§19. DE ZALIGHEID.
heid gewezen op 1 Joh. 3:2: Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als [Hij] zal geopenbaai d zijn, wij Hem zullen gelijk wezen: want wij zullen Hem zien gelijk Hij is. Maar wij zullen Hem zien is gezegd van Christus : wij zullen Christus in zijne volle heerlijkheid zien. De Apostel wil zeggen : Wij, gcloovigen, zijn kinderen Gods. Van de heerlijkheid, die ons als zoodanigen wacht, is, zoolang wij in deze wereld verkeeren, nog weinig blijkbaar. Maar wij weten waarin zij zal bestaan, namelijk in gelijkvormigheid met Christus: wanneer Hij zal geopenbaard zijn (1 Joh. 2 : 28. Kol. 3 : 4), dus na zijne wederkomst ter opwekking der dooden en ten oordeel, zullen wij Hem gelijkvormig wezen, in heerlijkheid naar lichaam en ziel: want wij zullen Hem zien gelijk Hij is, Hem in den glans zijner heerlijkheid met onze oogen aanschouwen, dus met en bij Hem zijn en alzoo in zijne heerlijkheid deelen. Van Christus spreekt Johannes, ook zonder Hem bij name te noemen, in het voorafgaande Hoofdst. 2 : 28, 29; desgelijks wederom in het volgende Hoofdst. 3 : 5â7.
b. Onze oude Gereformeerde GoAgdaeYfon lt;) toonen zich over het algemeen, enkelen uitgezonderd, voorstanders van het gevoelen, dat de zaligen na de opstanding God niet zullen zien met de oogen huns lichaams. En wel wegens zyne geestelijkheid en oneindigheid, en wegens de uit-
i) Synopsis Pur. Theol. Dispat. LIL {Anton Walums). Thes. XIV. ed. Dr. H. Bavinck p. 656. Brakel, Red. Rodsd. 11. Gap. LXI. 15. March, Compend. on Merch Cap. XXXIV. 26. De Moor, Commont. Pars VI. p. 719. C. Vitringa, Uocti'iua. Pars IV. p. 18 sqq.
794
§19. DE ZALIGHEID.
drukkelijke verklaringen der Schrift, dat God onzienlijk is, dat niemand God gezien heeft of zien kan. Exod. 33 : 20: Mij zal geen mensch zien, en leven. Joh. 1 : 18: Niemand heeft ooit God gezien. 1 Tim. 1 : 17: de Onzienlijke. 6 ; 1G: Die alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht bewoont, denwelken geen mensch gezien heeft noch zien kan. Namelijk met de oogen des lichaams.
Maar zien zullen de zaligen God met de oogen des geestes, des verlichten verstands. En hierin stemmen met de Gereformeerden de meeste Eoomsche Theologen overeen. Desgelijks de Bemonstranten ').
Dus een geestelijk zien. Intusschen hoedanig dit dan ? Hierop antwoorden de onzen: niet abstractief, niet enkel door redeneering, gevolgtrekking, sluitredenen uit Gods werkingen; maar intuïtief, onmiddellijk aanschouwend, wel innerlijk, een inwendig zien, echter werkelijk, daar het Goddelijke Wezen Zich aan de ziel vertegenwoordigt.
Christus zullen de verheerlijkten met hunne lichaams-oogen zien. En welk een zaligheid zal dat voor de zaligen zijn, hunnen dierbaren Zaligmaker in zijne heerlijkheid te aanschouwen! In Christus echter openbaart zich hun door het licht des Geestes de verborgenheid des Vaders. (Matth. 11 : 27).
4. De verlosten zullen dan God in Christus door den Heiligen Geest volmaakt kennen, liefhebben, genieten en dienen. Volmaakt, zooverre zij als eindige schepselen daarvoor vatbaar zijn:
795
a. De kennis van God en de Goddelijke dingen in het
') Vitnnga, Doer. P. IV. p. 19. Phil, a Limborch, ïhool. Christl. Lib. VI. Cap. XIII. § 8.
§ 19. DE ZALIGHEID.
tegenwoordige en in het toekomende leven vergelijkt Paulus met de kennis van een kind en een volwassen man en met het gezicht van het beeld in eenen spiegel en het aangezicht zelf. 1 Gor. 13:9: Want wij kennen ten deele en wij profeteeren ten deéle. 10. Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen dat ten deele is') (het stukwerk) te niet gedaan worden. 11. Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind; maar ivanneer ik een man geworden ben, zoo hek ik te niet gedaan, hetgeen eens kinds was. 12. Want wij den nu door eenen spiegel in eene duistere rede1) {door eenen spiegel: hetgeen men in den spiegel ziet, schijnt achter dezen te staan; de spiegels der ouden, van metaal, waren donkerder dan de hedendaagsche; in eene duistere rede, eene raadselrede. Het woord der zaligheid is wel klaar en gewis, maar toch, vooral aangaande het toekomende, veelszins raadselachtig en vol van verborgenheden, daar het meest beelden geeft van hetgeen namaals wezen zal), maar alsdan [zullen wij zien] aangezicht tot aangezicht. (Wat zien ? Al de goederen des toekomstigen levens, die dan niet meer slechts beeld, symbool, hope, maar werkelijkheid zullen zijn en door ons zullen genoten worden. Maar bovenal God zeiven, dien wij zoo zullen kennen als of wij Hem met onze lichaamsoogen -iagen. Hier wandelen ivij door geloof [en] niet door aanschouwen, 2 Gor. 5:7); nu ken ik ten deele, maar alsdan zal ik kennen gelijk ook ik gekend hen.
Prediking des Woords en bediening der Sacramenten
') TO h itspou:;.
;) BhSTTOftsv yxp xpn 5(' êtóirTpou h xhly^xri.
796
§19. DE ZALIGHEID.
zijn dan voor Gods gemeente niet meer noodig. Johannes zag in de stad Gods geenen tempel (namelijk hoedanig er in het aardsche Jeruzalem was): xvant de Heere, de almachtige God en het Lam, dat zegt, God in Christus, is haar tempel. De heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en hel Lam is hare kaars. Openb. 21 ; 22, In Christus kennen, aanschouwen en bewonderen de zaligen bij het licht des Geestes de volmaaktheden des Allerhoogsten, Want alle openbaring des Vaders wordt in eeuwigheid door Christus gegeven die het volkomen, Gode even gelijke beeld des Vaders is.
En aldaar zal geen nacht zijn, Openb. 22 : 5. In den nacht zien wij niet; wordt het duister, het is als of wij voor eenen tijd blind worden. Alleenlijk helpt men zich nog met lampen en kaarsen. Ook voor een geloovige op aarde wordt het dikmaals donker en verdwijnen vaak do vermakelijkheden des geestelijken gezichts. Maar daar zal geen nacht meer zyn, geen donker uur, want Jezus is daar in zijne heerlijkheid tegenwoordig. De dingen die geen oog hier gezien heeft, ziet men daar altoos. Onkunde dwaling is daar niet, men tast daar nimmer mis. En hier moet men het licht nog door middelen zoeken, daar wordt de ziel onmiddelbaar verlicht met Goddelijke kennis.
b. De zaligen. God alzoo kennende, kunnen niets anders dan Hem liefhebben. God is en blijft het hoogste voorwerp hunner liefde. Zij hebben Hem lief om Zijns zelfs wil, omdat Hij God, omdat Hij die God is, omdat Hij zoo liefwaardig is en al wat liefde verwekken kan in Hem is: ivant God is liefde (1 Joh. 4 : 8). Al hunne genegenheden zijn naar Hem. Dat zal eerst een liefhebben zijn met geheel het hart, met geheel de ziel en met geheel
797
§19. DE ZALIGHEID.
het verstand (Matth. 22 : 37), ongedeeld, door niets afgetrokken. De zaligen zullen ook elkander volmaakt liefhebben, maar in God, niet buiten Hem, dus met eene heilige liefde. De ontelbare weldaden en zegeningen van God ontsteken wel hunne liefde, maar Hij zelf blijft het hoogste, het eigenlijke voorwerp hunner liefde, en zij hebben Hem lief niet slechts om zijne weldaden, maar om Hem zeiven, omdat Hij het hoogste goed en zoo allerbeminnelijkst is. En dit voorwerp hnnner liefde, den volzaligen God zullen de zaligen door het licht des Heiligen Geestes aanschouwen in het aangezicht van den Heere Jezus Christus, die naar zijne Goddelijke natuur het afschijnsel is van de heerlijkheid des Vaders en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid, maar de menschelijke natuur heeft aangenomen, om zijn volk zalig te maken van hunne zonden, aan het kruis heeft gehangen maar nu verheerlijkt op den troon is gezeten. Met onuitsprekelijke liefde en bewondering zullen hunne oogen op Hem zien. Want al wat aan Hem is, is gansch begeerlijk. (Hoogl. 5 : 16).
c. In dien staat zullen de zaligen God genieten, het voorwerp hunner liefde. Op aarde betuigt de geloovige: Mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen (Ps. 73 : 28). Maar ook: Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen; alzoo schreeuwt mijne ziel tot u, o God' Mijne ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen? Ps. 42 : 2, 3). Hier is het nog dikmaals met de aan den Heere verloofde ziel als met de Bruid in het Hooglied 3 : 1: i/c zocht des nachts op mijn leger Hem, die mijne ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet.
798
§19. DE ZALIGHEID.
Maar namaals zullen de verlosten de zalige nabijheid Gods onafgebroken ondervinden. Hij zal zich aan hen op eene wijs en in eene mate, waarvan men op aarde nog geen denkbeeld heeft, te genieten geven, zal aan hen zijne heerlijke volmaaktheden van nabij vertoonen en hen zijne vriendelijkheid, gunst en toegenegenheid bijblijvend doen gevoelen. Daar is het eerst in volle werkelijkheid : Smaakt en ziet, dat de Heere goed is (Ps. 34 : 9).
d. De zaligen zullen God volmaakt dienen. Hun wil is dan geheel vereenigd met zijnen wil. Gods wil is hun wil. Zij hebben dan niet meer als in dit leven een klein beginsel van gehoorzaamheid, maar zijn in allen deele naar het evenbeeld Gods vernieuwd en tot die volkomenheid geraakt, die hun hier was voorgesteld (FJeidelb. Catech. Vr. 115). Het doen van Gods wil is hun lust. Met al de vermogens en krachten van ziel en lichaam dienen en verheerlijken zij den drieëenigen God, zonder afmatting of vermoeienis. Zij loopen en worden niet moede, zij wandelen en worden niet mat.
Van welken aard de werkzaamheden ') daar zullen zijn,
') Vergel. Hase, Hutt. rediv. S. 352. Bretschneidor, Dogmatik. II. S. 476. Delitzsch, Bibl. Psychol. S. 372, Dr. J. T. Beek, Die Vollendimg des lleiches Grottes. Herausgeg. von Jnlina Lindenmeyer. 1887. S. 100.
G. Hermann, Das Jeuseits vom Gezichtspunkte der Vollkom-menheit ans. In Boweis des Glanbons, August. 1889. S. 305, zegt van den toestand der zaligen : Was die Erde bietet an Sehönheit â â Musik-Freude, Anhetuiig, Wonne, â â das alles ist da, aher nur immer, Cihnlich wie die Leiblichkeit, nicht mehr mit Sündltchem oder Matenellem gemischt, sondern völlig gereinigt, erhaben, verklart und verherrheht. â â Dein entsprechend konnte ein sehriftgelehrter Mann sagen; man voerde sich im Himmel über
799
§ 19. DE ZALIGHEID.
800
wie zal hot zoggen? De overspannen Spiritualist, die alles nevelachtig vergeestelijkt, geeft evenzoomin het rechte antwoord als de Materialist en Mohammedaan. Zooveel is zeker: de zaligen zullen volmaakte, maar ware menschen zijn, met ziel en lichaam. Zij zullen hunne taak hebben naar hunnen aard, zoowel als de Engelen die hebben naar hunnen aard. Maar alles inheerlykheid. Wereldsche bezigheden zullen daar niet zijn, geen vermoeiende of vervelende en verdrietende arbeid, met lichaam of geest, maar een aangenaam, liefelyk werken. Hoe het zij, lediggang of beuzeling zal daar niet zijn, maar een gemeenschappelijk werkdadig dienen van God, en daarin de zaligste rust, een werken met het hoogste vermaak en genoegen.
e. In dien staat wordt dan reine, zielverzadigende vreugde gesmaakt. Dan wordt ten volle genoten wat David voor den Heere betuigde: Verzading der vreugden is hij uw aangezicht, liefelijkheden zijn in uwe rechterhand eeuwiglijk, Ps. 16 : 11. Terwijl de zaligen in het licht van Gods
beides wundern : wie aiiNLicn dem auf Er den es da sei, und wieder wie so ganz unIIhnlich â beides, dit Aehrdichkeit und die Unahnlichkeit in weit höharem Masze, als man es je gedacht. Aeiinlich, deun auch die Erde ist von Gott geschaffen und darum voll von Anfdngen, Keimen, Vorbildern, Typen uud Weissagungen des Zühunfligen. UnShnlich aber, weil die Erhöhung und Verklarung doch so iiber alle Begriffe und Ahnungen hoch hinausgeht, dasz alles als ganz neu und unerhört erscheint: was hein Auge gesehen, hein Ohr gehort, was in keines Menschen llerz gekommen ist, das hat Gott hereitet denen die thn Uehen. Ook L. J. Van lihyn, De laatste dingen (Uit het Duitsch van K. Rohr), Nijmegen 1888, biedt zoo iets, bl. 133. Intusschen dient men voorzichtig te zijn met de overbrenging van het aardsche naar het hemelsche.
§19. DE ZALIGHEID.
aanschijn wandelen en werken, omschenen met de heerlijkheid des Heeren, met zijne liefde omvangen en naar al hunne heilige begeerten uit de schatten zijner algenoeg-zaamheid overvloedig begiftigd, en daarbij volkomen zeker van hunnen gelukstaat en van het eeuwigdurend bezit hunner voorrechten en goederen: hoe kan het anders, of eene onuitsprekelijke blijdschap, zooals zij op aarde nooit hebben gevoeld, zal daar hunne harten vervullen, waarvan ook de verrukkelijke lof- en dankzangen getuigen, die Johannes in de Openbaring (5 : 8 vv. en elders) de hemellingen met citers en reukschalen in hunne handen tot verheerlijking Gods en des Lams hoorde aanheffen.
f. Zoo zal het daar dan geen schijnbaar leven als van schimmen zijn: maar een ivaarachtig leven der verlosten in een eeuwig Godsrijk. In de onafgebroken gemeenschap met God in Christus door den Heiligen Geest geniet dan al het volk Gods die Goddelijke rust, waarvan op aarde slechts voorsmaken waren ontvangen, dien eeuwigen Sabbat, die hier nog overblijft en naar Gods belofte te wachten staat (Hebr. 4 : 9). Eene rust, die geenszins zal zijn een nietsdoen: want dat is geen leven, maar dood; integendeel het is de ruste Gods (Hebr. 4 : 10). God rustte van zijne werken, van de werken der schepping. Toch werkt Hij, zonder dat dit zijne ruste stoort. Mijn Vader werkt tot nu toe en ik werke [ook], zeide Jezus (Joh. 5 : 17). Zoo zullen ook de zaligen werken, zonder alle onrust, in dat werk, hetwelk gedurende de onrustige en woelige dagen hunner levensweek slechts onvolkomen was begonnen, namelijk in den werkdadigen dienst en de verheerlijking van den drieenigen God. Zoo zullen alle gezaligden den eeuwigen sabbat vieren.
Gruvomoljor, Gerf. Gel. Iccr. III. 51
801
§19. DE ZALIGHEID.
En dit niet slechts ieder voor zich afzonderlijk, maar ook gemeenschappelijk als een vereenigd, heilig volk in eeuwig Godsrijk, in dat Koninkrijk, in hetwelk Christus ten laatsten dage zijne verlosten inleidt, naar zijn woord Matth. 25 : 34: Komt, gij gezegenden mijns Vader, beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld. Dat is het Rgk der heerlijkheid, waarin de Vader in Christus door den Heiligen Geest met zijne liefde en genade al zijne naar zijn beeld herschapene kinderen zal regeeren en alles zal zijn in hen allen'), 1 Kor. 15 : 28. Niet in alle menschen, zooals Pantheïsten en voorstanders der algemeene zaligmaking (Apokatastasis) leeren, maar in zijn heilig en heerlijk volk. Immers, Paulus spreekt daar geheel niet van het lot der ongeloovigen, maar alleen van de geloovigen. Christus heeft dan hot Koninkrijk, dat Hij nu als Middelaar bedient, den Vader overgegeven en heeft zich zeiven aan den Vader onderworpen J), voleindigd hebbende het werk dat de Vader Hem gegeven had om te doen, namelijk de verlos sing ^ vergadering, heiliging, regeering, bewaring en bescherming zyner gemeente en eindelijk hare verheerlijking. Christus blijit haar Hoofd; Hij verwijdert zich niet van haar: de Openbaring spreekt telkens van God en het Lam. God zal dan in Christus door den Heiligen Geest alles zijn in allen, in al de zaligen, in hun verstand, wil, genegenheden, gewaarwordingen en begeerten. Hij zal hen allen naar hunne mate met zijne heerlijkheid vervullen, zoodat
') ï'vx j? o Ti» ttxvtx sv tt xt tv. {Lctchmann en Tischendorf later tx weg).
') 1 Kor. 15 : 24 â 28. Zie vooral Dertiende Hoofdstuk § 25.
802
§19. DE ZALIGHEID.
zij niet naar iets anders en meerders verlangen, maar allen voldaan, allen, ook bij het onderscheid van trappen in de heerlijkheid, volkomen zalig zullen zijn en ook in geheel hun bestaan en doen door geen anderen invloed zullen worden aangedaan, bewogen en bestuurd, dan door Gods Geest die hen bezielt en in hen woont en door wien zij eeuwiglijk leven en geregeerd worden, zoodanig dat zij niet zullen kunnen zondigen.
5. Zal er toeneming, wasdom, voortgang zijn in kennis en heerlijkheid?») Velen zijn van die gedachte. âDe ondoorgrondelijke diepte des goddelijken Wezens en de onbereikbare hoogte der Goddelijke heerlijkheid maken het mogelijkquot; zegt men. Maar een eindelooze voortgang in kennis en gelijkvormigheid Gods is met de eindige natuur van schepselen niet vereenigbaar. vele woningen (Joh. 14 : 2 maken het tvaarschijnlijk,quot; beweert men. Maar dit duidt niet aan, dat men van de eene tot de andeie, nog hooger en heerlijker, zal overgaan. Integendeel, Christus bemoedigt de versaagde discipelen: gunt de overste dezer wereld u geene plaats op aarde, in het groote huis des Vaders, in den hemel, is ruimte genoeg voor u en voor alle geloovigen. Zelfs vindt men in Openb. 22 : 2 in de maandelijksche vruchten van het geboomte des levens in het nieuwe Jeruzalem eenen werkelijken bloei en wasdom. Maar dat het geboomte, of de eenige boom des levens (beeld van Christus), die langs
') Bretschneider, Handb. der Dogra. II. S. 475. 476. 477. Deiitzsch, Bibl. Psychol. S. 472 ff. Dr. J. T. Beek, Vollendung det lleiches öottes. 1887. S. 101. Nitzsch, System. 5te Aufl. S. 406. Ook Von Gerlach, zu Offenbar. Joh. 22 : 2 neemt aan ein ewiges Werden und Wac/isen.
803
§19. DE ZALIGHEID.
804
geheel de rivier der Stad zijne wortelen van onderen en zijne takken van boven uitstrekt, iedere maand nieuwe vruchten brengt, geeft te kennen, dat de genieting en vreugde des zaligen levens onafgebroken voortgaat on onophoudelijk door de levendmakende invloeden dos Heeren versch en krachtig zonder eenige verslapping of verzwakking onderhouden wordt. Maar het is geen bewys van âeeuwig worden en wassen.quot; Ook uit de trappen der heerlijkheid wil men besluiten, dat er eene promotie, eene bevordering, verheffing van den eenen trap tot den anderen, in verband met de âvele woningen,quot; kan en zal plaats hebben.
Zeker zal daar geen werkelooze stilstand zijn, maar ook geen zoekend, rusteloos streven naar een nog verwijderd doel, naar iets wat nog gemist wordt, in kennis, heiligheid, genot. De zaligen genieten de zaligste rust en verzading der vreugden, zooals boven is aangetoond, in de onmiddellgke, bestendige gemeenschap met God. Dan is het Openb. 21:3: Ziet, de tabernakel Gods is bij de menschen, en Hij zal bij hen iconen en zij zullen zijn volk zijn en God zelf zal bij hen [en] hun God zijn ')⢠Openb. 7 : 16, 17 : Zij zullen niet meer hongeren en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen noch eenige hitte. Want het Lam, dat in het midden des troons is, zal hen weiden en zal hun leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal al hunne tranen van hunne oogen afwisschen.
') Over Oponb. 21 ; 1â4. Zio dit Eenentwintigste Hoofdstuk g 15. bl. 172 v.v.
805
Hiermede sluit het Leeshoek over de Gereformeerde geloofsleer, waarvan het Eerste Stuk in het jaar 1876 verscheen. Boven eigene en tegen anderer verwachting heb ik met Gods hulp onder de gestadige afhankelijke bede Leid mij in Uwe waarheid en leer mij, mijne laak mogen afwerken. Gode zij dank ! Hij doe het werk voor velen tot zegen zijn !
Ik eindig met het slot van den Kerkvader Augustinus op zijne Stad Gods: Degenen, voor wie het werk te kort en onvoldoende of voor wie het te uitvoerig is, mogen dit mij ten goede houden : immers alle menschelijk werk is onvolmaakt. Die zich er echter mede vergenoegen, mogen, terwijl zij in hun hart mij met de voltooiing gelukwenschen, niet mij, maar evenals ik zelf, Gode daarvoor dankzeggen. Amen').
T
DE SCHRIJVER.
') Augustin. De Civit. Dei Lib. XXII fin. Videor mihi debitum ingentis hujus Operis, adjuvante Domino, reddidisse. Quibns parum, vel qnibus uimium est, mihi ignoseant. Qaibus autera satis est, non mihi, sed Doo mocum gratias congratulantes agant. Amen.
VERBETERINGEN.
Doel I blz. 79. Lev. 11. moet zijn: Lev. 11 : 5 v.v.
» » » 208. Matth. 13 ; 13. » » : Matth. 13 : 11.
» » » 804. Matth. 10 : 29, 33. » » : Matth. 10 : 29, 30.
» II » 10. Hoz. 6:7 » » : Hoz. 7 : 6.
» » » 225. 1 Kron. 26 : 3. » » : 1 Kron. 23 : 3.
» » » 249. Joh. 6 : 33. » » :Joh. 6 : 63.
» III » 270. 1 Kor. 12 :17, 2,0. » » : 1 Kor. 12 :17, 21.
» » » 302. Eom. 11 : 33. » » : Rom. 11 : 34.
» » » 543. Bom. 4 : 5, 1. gt; » :Rom. 5 : 1, 5.
1 â i v: â ' â¢
'quot;:ï â¢,......â â , -.Vv-.V. â .....
SÃ â â ' '
â â
I â
IH
â â m ⢠I
.
REGISTER
VAN
ï. Schriftuurplaatsen,
Heidelbergschen Catechismus, Nederland-sche Geloofsbelijdenis en Dordsche Leerregelen ,
III. Zaken,
IN HET
Leesboek over de Gepeformeerde Geloofsleer
DOOR
Dr. E C. ORAVEMEIJER.
' 1 ITOPftw'
â â '.â â 'iquot; ..... _ .
REGISTER.
I. Plaatsen uit de Heilige Schrift.
II. Aanhalingen uit den Heidelbergschen Catechismus, de Nederlandsche Geloofsbelijdenis en Dordsche Leerregelen.
III. Zaken.
Het RomeinschG cijfer wijst hel deel, het Arabische cijfer de bladzijden aan
I. Plaatsen uit de Heilige Schrift.
|
Genesis. |
Deel. bladzijden. |
Genesis. |
Dool. bladzijden. |
|
1: 1 |
I. 324, 427, 430, |
1:20,21,24 |
I. 757. |
|
638, 639, 700. |
1: 21 |
I. 733. | |
|
1: I v.v. |
I. 323 v.v., 427, |
1: 25 |
I. 733. |
|
430, 6G8, 702. |
1: 26 |
I. 747,853. | |
|
1: 2 |
I. 429, 527, 529, |
1: 26 v. |
I. 431, 747, 853, |
|
640, 650. |
863. | ||
|
1: 3 |
I. 639, 660, 703. |
1: 26,27 |
I. 664, 747, 853. |
|
CO lt; |
I. 660. |
1 : 27 |
I. 735, 736, 756, |
|
1: 5 |
I. 317. |
863,868,873. | |
|
1: 8 |
I. 317. |
II. 10. | |
|
1 : 9 |
I. 702. |
1: 28 |
I. 739, 864. |
|
1 : 9; 10 |
I. 702. |
II. 59,348. | |
|
1: 10 |
I. 317, 702. |
III. 57. | |
|
1 : 11 |
I. 788. |
1: 28-30 |
I. 121. |
|
1: 12 |
1. 733. |
|
4 PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
f'LAATSKN UIT DE HE1UGE SCHRIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
O
|
6 PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
PLAATSEN DIT DE HEILIGE SCIHRIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
8 PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
PLAATSEN UIT 1)E HEILIGE SCiHRIf't. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
B
|
10 |
PLAATSEN UIT DE |
HEILIGE SCHRIFT. | |
|
Dontronom. |
Deel. Bladzijden. |
Deutronom. |
Deel. Bladzijd |
|
11:21 |
III. 732. |
32: |
I. 211. |
|
12: 6-8 |
i. 149. |
32:4 |
I. 605. |
|
12: 8, 32 |
I. 243. |
III. 71. | |
|
II. 863. |
32:6 |
III. 166. | |
|
13: 3 |
I. 371. |
32:17 |
I. 302. |
|
16: 2 |
III. 471. |
32: 39 |
III. 641. |
|
16: 3 |
III. 465. |
33: 1 |
II. 245. |
|
16: 5, 6 |
III. 455. |
33:3 |
I. 388. |
|
18: 11 |
III. 634. |
33: )0 |
III. 42. |
|
18: 15 |
I. 149. |
34: 10 |
II. 208. |
|
II 157, 206, 208, |
Jozua. | ||
|
210. |
7:11 |
I. 369. | |
|
18: 18 |
II. 310. |
7:25 |
II. 406. |
|
18:18,19 |
II. 208. |
10: 13, 14 |
I. 246. |
|
18: 19 |
II. 309. |
10:24 |
II. 583. |
|
19:4-6 |
I. 809. |
14:2, 15 |
1. 124. |
|
19: 5 |
III. 56. |
23: 14 |
III. 583. |
|
19: 17 |
I. 329. |
24:2 |
I. 145; |
|
21: 5 |
11. 244. |
24: 26 |
I. 152. |
|
21:22,23 |
II. 408. |
Richteren. | |
|
21:23 |
II. 413,419. |
3: 15 |
II. 574. |
|
23: 2 |
III. 409. |
6:25 |
I. 368 |
|
25: 1 |
II. 709. |
6:37 |
III. 307 |
|
25: 4 |
I. 231. |
9:8, 15 |
II. 33, 188 |
|
28: 12 |
III. 169. |
13:17 |
L 314 |
|
28: 15 v.v. |
II. 464. |
20: 16 |
II. 574 |
|
29: 10 v.v. |
III. 401. |
Ruth. | |
|
29: 29 |
I. 384. |
1:8 |
II. 437. |
|
II. 690. |
1 Samuel. | ||
|
30: 6 |
II. 669. |
2: 6 |
II. 439. |
|
30: 11-14 |
I 258. |
2: 10 |
II. 184. |
|
30: 19 |
II. 621. |
3: 10 |
I. 275. |
|
31:26 |
I. 162. |
3: 18 |
I. 385. |
|
PLAATSEN UIT ÃE HEILIGE SCHRIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
12 PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
13
|
PLAATSEN UIT Dfi HEILIGE SCHRIKT, | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
14 PLAATSEN UIT UE HEILIGE SCHRIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Deel. Bladzijden.
I. 397.
III. 151.
III. 118.
I. 273.
III. 152,
II. 274,561,562,
|
599. | |
|
I. |
537. |
|
III. |
348. |
|
II. |
251. |
|
I. |
621. |
|
III. |
641. |
|
II. |
114. |
|
III. |
75,81. |
|
I. |
5. |
|
III. |
798. |
|
II. |
671. |
|
I. |
785. |
|
I. |
381. |
|
I. |
329. |
|
III. |
641. |
|
I. |
313. |
|
I. |
303. |
|
III. |
148. |
|
III. |
641. |
|
II. |
439. |
|
III. |
583. |
|
I. |
345. |
|
II. |
148. |
|
I. |
348. |
|
I. |
137. |
|
III. |
781. |
|
II. |
341. |
|
plaatsen uit de heilige soitrift. 1 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
PLAAtSEN UlT DE HEILIGE SCHRIFT.
|
Deel. Bladzijden. I. 788. III. 181. II. 624. II. 368. I. 893. I, 539. II. 786. I. 822. II. 73. III. 77. I. 311. I. 475. I. 766. II. 620. III. 557. II. 311. I. 188. III. 52. I. 813. I. 294. III. 759. III. 118. I. 823. I. 575. I. 805,806. II. 709. III. 154. I. 805. III. 142. I. 810. I. 825. I. 822. |
Spreuken. 27: 7 28: 1 28: 9 30:4 30:7-9 30:9 30:33 Prediker. 1:2 3: 11 3: 19 4: 17 7:16 7: 17 7: 20 7: 29 8:8 12:6,7 12: 7 12: 13, 14 12: 14 Hooglied. 1:4 1:5 2: 16 3:1 3: 1-4 3: 6 |
Deel. Bladzijden. III. 548. I. 27,736. III. 118. I. 313. I. 243. III. 152. III. 73. III. 590. I. 4. I. 5. III. 598. III. 598. III. 569. I. 815. I. 814. I. 814. I. 851. II. 821. III. 602. III. 603. III. 599,604. I. 4. III. 603. III. 599,709,719. I. 843. II. 669,679. III. 815. II. 651, 784. III. 798. III. 145. II. 564. |
|
|
17
C
|
18 PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT. 19 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT.
20
|
Deel. Bladzijden. I. 171. II. 293, I. 187. III. IC. III. 149. II. 359. III. 32. I. 704. II. 589. II. 307,589. III. 709. II. 122. II. 186. I. 126. III. G99. III. 697. III. 641. 111. 706. II. 646. 1. 767. 1. 66. I. 359. III. 142. II. 504. 11. 844. II. 35. II. 10. II. 633,844. II. 681. II. 676. I. 333. III. 465. |
|
PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT.
|
Habakuk. 2 :4 Zefanja. 3: 12 Haggaï. 1: 6 2 : 4 2:8-10 Zacharias. 1:12 2:3 3 : 1 v.v. 3:3-7 4; 14 6: 11, 12 6 : 13 8 : 19 9 : 11 12 : 1 12 : 10 13; 1 14:9 14 ; 20, 21 Maleachi. 1:23 1 : 6 2:7 2 : 10 3:1 |
Deel. Bladzijden. II. 700. III. 176,201. III. 142. I. 780. II. 124. II. 124. II. III. I. II. II. II. II. 11. III. III. I. 11. II. III. II. III. I. II. 267. 135. 691. 267. 774. 301. 182. 201. 71. 621. 758. 48. 571, 589. 113. 727. 340. 76. 870. I. 600. III. 166. III. 282. III. 166. II. 125. |
Meleachi. 3:6 4:6 4:15 Apocrij-phen. 1 Makka-beën. 1:1 1:60,61 4:46 9:27 14:41 2 Makka-beën. 2: 4 v.v. 2: 13 7:14, 7:28 12: 43 v.v. 14:37 4 Ezra. 14:21 v.v. Tobias. 3 : 8 v.v. Sirach. 38: 1 v.v. 51: 13 Wijsheid. 11 :21 13: 1 Mattheus. 1:1-16 1 : 18-22 |
Deel. Bladzijden. I. 363. II. 355. III. 707. I. 239. I. 224. I. 166,240. I. 166,240. I. 166,240. I. 163. I. 164. UI. 641. I I. 660. I. 239. I. 239. I. 237,238. I. 238. I. 820. I. 240. I. 808. I. 309. II. 121. II. 354. |
22
|
PLAATSEN UIT L)E HEILIGE SCHRIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
PLAATSEN UIT DÃ HEILIGE SCHRIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
23
|
24 PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT. 25 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
D |
|
26 PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
27
|
PLAATSEN DIT DE HEILIGE SCHRIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
28 PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT. 29 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT.
30
|
|
|
PÃAATSEN UIT DÃ HEILIGE SCHRIFT. 31 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
32 PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT.
33
|
Bladzijden. 515. 479. 602. 476. 164, 173, 320, 336.347. Johannes. 17: 3 17: 2, 24 17: 4 17: 5 Deel, I. II. II. I. II.
|
|
PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT.
34
|
|
PLAAtSEN UlT DE HEILIGE SCItRlPt.
35
|
Handelingen. 7:52 7: 55, 59 7:56 7 : 59 7 : 60 8: 8:1, 3 8:5, 35 8:12 8: 12, 13 8: 12-17 8 : 13 8:13,21 8 : 16 8 : 17 8 : 22 8:29 8 :34,35 8:35-38 8:38 8 :40, 43 9: 9 : 10 9:14 9: 15 9:18 9:31 9:40 10: 10: 10 |
Deel. Bladzijden. 11. 208. 11. 56a. II. 554. III. 129. II. 711. II. ft71. III. 227. III. 387. III. 401. III. 351. III. 344. III. 567. II. 657. HL 393. III. 313. II. 738. III. 119. I. 500. III. 458. III. 352. III. 387. I. 81. I. 126. III. 282. I. 533. III. 129. I. 600. III. 297,388. III. 227. III. 605. III. 282,352. I. 126. |
Handelingen. 10: V2 10:25,26 10:34, 35 10:37, 38 10:40,41 10:42 10:43 10:44 10:47, 48 10:48 11:12 11: 18 11:20 12:8 12:23 13:1 13:2 13:23 13:32-34 13:33 13:35 13:38,39 13:46 13:48 14: 15 14: 16 14:16, 17 ! 14:17 | |
Deel. Bladzijden. I. 81. III. 150. I. 78, 79, 80; 82. II. 196. II. 518. III. 708. I. 558. II. 109. III. 210. III. 363. III. 297,388. 1. 80. III. 388. III. 419. I. 173. II. 523. 1. 696. III. 228. I. 500,800. III. 228. I. 481. II. 526. II. 503. II. 713. I. 585. II. 683. I. 592. II. 481. III. 282. I. 561,812, I. 37,38. III. 1G9. |
|
36 PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
PLAATSEN UIT DE |
HEILIGE SCHRIFT. |
37 | |||
|
Hande |
Deel. |
Bladzijden. |
Romeinen. |
Deel. |
Bladzijden. |
|
lingen. |
2:25 |
III. |
262. | ||
|
7:31,34 |
II. |
848. |
2:28, 29 |
III. |
194, 261, 357, |
|
8:5 |
III. |
55. |
372. | ||
|
8: 16, 20 |
III. |
60. |
3: 2 |
I. |
168, 215, 241. |
|
domeinen. |
3:4 |
II. |
821. | ||
|
1:2 |
I. |
118. |
3:9 |
II. |
91. |
|
1:3 |
II. |
433. |
^1 1 O co |
II. |
36, |
|
l: 3,4 |
11. |
525. |
3: 10 |
II. |
627. |
|
1:4 |
II. |
434,513. |
3: 19 |
II. |
88, 92, 481. |
|
1: 16 |
I. |
228. |
III. |
92. | |
|
III. |
281,373. |
3:20 |
II. |
88. | |
|
1: 17 |
II. |
700. |
HL |
107. | |
|
1: 18 |
1. |
400. |
3: 20-28 |
II. |
741. |
|
1 : 18,19 |
II. |
87. |
3: 21, 22 |
II. |
758. |
|
1 : 19, 20 |
I, |
19,20, 323. |
3:23 |
11. |
2,42. |
|
1:18-25 |
I. |
29, 30, 31. |
3: 24 |
II. |
739. |
|
1: 20 |
I, |
328,767. |
III. |
717, | |
|
1: 25 |
I. |
309. |
3:25 |
I. |
404. |
|
1 : 26 |
1. |
836. |
II. |
261,388,444, | |
|
1:28 |
I. |
310. |
468. | ||
|
O* co |
I. |
399. |
3: 26 |
11. |
740. |
|
11. |
GO GO CO cT Oi |
3:28 |
II. |
746. | |
|
2:2 |
I. |
392. |
3:31 |
III. |
12, 83, 87. |
|
2:4 |
I. |
389. |
4: 2 |
II. |
746. |
|
2: 5, 6 |
1. |
393,401. |
4: 2 v.v. |
II. |
700. |
|
2:6 |
I. |
393. |
4:2,6 |
II. |
742. |
|
III. |
620. |
4:3 |
II. |
763. | |
|
2: 12 |
III. |
4,716. |
4:4 |
II. |
868. |
|
2:12,15,16 |
III. |
717. |
4: 5 |
II. |
636, 654, 745, |
|
2: 14, 15 |
I. |
21,880. |
760. | ||
|
III. |
3. |
4:6 |
II. |
753. | |
|
2: 15 |
I. |
392,829. |
4: 6, 11 |
i IL |
710. |
|
2: 16 |
III. |
716. |
1 |
i | |
38
|
PLAATSEN UIT DE ItEIUGE SCHRIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
40 PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
PLAATSEN UIT 1)E HEILIGE SCHRIFT. 41 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
F |
|
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT.
|
PLAATSEN UIT DE |
HEILIGE SCHRIFT. 43 | ||
|
1 Korinthen |
Deel. Bladzijden. |
1 Korinthen |
Deel. Bladzyden. |
|
12:13 |
III. 183, 299. |
15 :22 |
I. 875. |
|
12:17,21 |
III. 270. |
II. 58. | |
|
12:20 |
III. 201. |
III. 649,669. | |
|
12:27 |
III. 183. |
15: 23 |
III. 649. |
|
12:28 |
III. 275. |
15:24, 26 |
III. 650. |
|
12: 30 |
III. 274. |
15:24,28 |
11 601. |
|
13: 1 |
III. 274. |
15:25, 26 |
II. 568. |
|
13:2 |
II. 659,847. |
15:27 |
11. 579,582. |
|
13:6 |
III. 72. |
15 : 28 |
11. 602. |
|
13:8 |
III. 786. |
15:32 |
I. 188. |
|
13:9-12 |
III. 796. |
15:35 |
III. 233,670. |
|
14: |
11. 312. |
15:37,38 |
III. 678. |
|
14:2 v.v. |
III. 274. |
15 :39 v.v. |
III. 702. |
|
14: 12 |
111. 272. |
15:40,41,42 |
111. 703. |
|
14: 16 |
III. 157. |
15: 42,53 |
111. 676. |
|
14:24 |
III. 273. |
15:42-53 |
Ill, 685. |
|
14:33, 40 |
111. 389. |
15:43 v.v. |
II. 524. |
|
14:40 |
I. 257. |
15:44 |
II. 522. |
|
III. 219,579. |
III. 686. | ||
|
15;3 |
II. 389. |
15:45 |
I. 737. |
|
15:5 |
II. 517. |
111. 689. | |
|
15:3, 4 |
II. 417. |
15:47 |
I. 738,763. |
|
15:6.8 |
II. 517. |
II. 310,342,559. | |
|
15:8 |
11. 544. |
15: 49 |
II. 805. |
|
15:3,4 |
11. 417. |
111. 689. | |
|
15: 12 |
III. 221. |
15:50 |
II. 521. |
|
15;12, 13 |
III. 561. |
111. 665,701. | |
|
15:14,17,20 |
11. 529. |
15:51 |
III. 583. |
|
15:20 |
III. 628. |
15: 51, 52 |
II. 595. |
|
15:21 v.v. |
II. 34. |
III. 662. | |
|
15:22,26 |
11. 533. |
15:52 |
II. 591,594. |
|
III. 664. |
111. 656. | ||
|
. |
15: 53 |
III. 665,681,685. | |
|
44 PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
. Bladzijden. 487, 607. 621.
676.
722.
405.
458.
397.
93.
354.
808,850. 808,850. 621.
628.
60.
329,361.
673.
197.
652.
34.
126.
55:2.
551.
606.
697.
144.
154.
433.
624.
653.
573.
542.
214.
|
Plaatsen uit de heilige schriPT. 45 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ll
gt; iamp;ari
I
46
|
PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHUIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT. 47 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
48 PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
PLAATSEN UIT DE
49
HEILIGE SCHRIFT.
|
3: 11 3: 14 3: 15 3: 16 4: 11 4: 14 4: 15 4: 16 IThessalon. 1: 2-4 X: 5 1: 10 2: 13 2: 16 4: 7 4: 13 4: 15,16 4: 16 4: 17 Kolossensen Deel II. III. III. III. II. II. I. III. III. I. II. II. II. III. II. II. III. III. I. III. II. III. II. I. I. II. I. II. III. I. 5: 2 5: 9 5: 18 5: 19 5: aS 5; 27 2Thessalon. 1: 3 , Bladzijden. 132. |
270. 83. 154. 287. 181. 200, 228. 228. 626. 641. 251. 625. 361. 482. 856. 628. 664. 705. 650, 656. 562. 650, 666, 715. 594. 578,602. 844. 730. 742. 794. 621. 268. II. 652. |
2Thessalon, 1: 6v.v. 1: 9 2: 2 2: 3,4 2: 3, 4, 8 2:6-8 2: 13 2: 13-15 2: 15 3: 10 3: 17 1 Timo-theus.
2:5 2:6 2: 14 3:6 3:16 4: 8 |
Deel. Bladzijden. II. 599. III. 778. I. 250. III. 212. II. 593. III. 215. I. 468. I. 623, I. 2 54. III. 415. I. 250. III. 83. III. 105. II. 732. II. 636. I. 347,362. III. 642. II. 285. I. 381,593. II. 623. I. 722. II. 174,270,478. II. 490. II. 11,34. I. 718. I. 57,58,512. II. 137, 174,430, 544, 570, 586, 694. III. 290. III. 51. |
G
PLAATSEN UIT DE
HEILIGE SCHRIFT.
|
Deel. Bladzijden. III. 53. I. 207. I. 114. III. 252. III. 239. III. 152. II. 292. I. 283,291,877. II. 858. III. 595. I. 544,587. II. 619,692. III. 181. I. 875, II. 653. III. 252. III. 263. I. 404. II. 133. III. 642. III. 194, 217. III. 542. III. 220. I. 254. 1. 55. I. 119, 188, 217, 245. I. 178,217. II. 333,527. II. 818. III. 662. II. 232. |
2Timotheus 4:18 Titus. 1:2 1: 12 2:8 2: 12 2:14 3:4 3:5 3:5,6 3:10 Philemon. 10:18, 19 14: Hebreen. 1:1 1:2 1:2,3 1:3 1:5 1:6 1:7 1:8 1: 10 V.V. 1:12 |
Deel. Bladzijden. I. 206. I. 411. I. 315. III. 252. II. 860. II. 278,474,855. III. 176. I. 406. II. 791. III. 621. III. 372. II. 304. II. 266. I. 828. I. 53. II. 217. III. 66. I. 773. II. 276. I. 425, 472, 529. II. 329,567,572, 605,858. I. 480. I. 533. II. 581. III. 507. II. 329. II. 577. I. 529. III. 733. |
|
|
|
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
53
|
54
|
PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
PLAATSEN UIT DE
56
HEILIGE SCHRIFT.
Deel. I.
I. III.
II. I.
I.
II. III.
III. II.
I. I.
II. III.
III. III. III.
I. III. 111. III.
II. II.
II. II.
I.
II.
II. III. III.
III. II.
III.
Bladzgden. 284.
246.
Deel. II. III.
I. 115.
I. I.
III.
I. III.
I.
II. 1.
111.
I. I.
I.
II.
II.
III.
I. III.
I n.
i I.
III. 1.
III.
I. III.
II. I. I.
2 Johannes. 1
10
3 Johannes.
13
Judas.
4
6
9 12
14
14, 15 Openbaring
2:7 2:23 2:23, 18 3: 5 3: 7
3
4
4.5
5.6 7
9
10 18
19
20
1 v.v.
579.
715.
708.
705.
561.
254.
104.
142.
707.
268.
333.
447, 495, 533.
318,701
543, 571,589.
711.
154.
45.
507.
194, 195.
290.
195.
228.
891.
228.
585.
621.
195,516.
Openbaring 3; 10 3:14 3: 17,18 3: 18 4:8 4: 11 5:6 5:6, 12 5: 8 v.v. 5:9 5: 11 5: 11, 12 6:2 6:9 6:11 6: 16 7:9 7: 11 7: 13 7: 14 7: 16, 17 8:3 8: 3,4 11: 15 12: 5 12:9
12: 11
13:8 14: 3 14: 6 14: 13
Bladzijden. 136.
195, 478.
717.
385.
391.
645,653. 543, 571.
459.
801.
489.
692.
724.
305, 577.
601.
633.
716.
188, 203,785.
692.
633,697. 459,791.
693.
316.
268.
306.
543.
720.
9, 34, 101.
856.
459.
459.
765.
430.
600, 609, 629.
|
PLAATSEN UIT DE HEILIGE SCHRIFT. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
II. Aanhalingen uit den Heidelbergschen Catechismus, de Nederlandsche Geloofsbelijdenis en de Dordsche Leerregelen.
Heidelbergsche Catechismus.
|
Vraag |
Deel. Bladzijden. |
Vraag |
Deel. Bladzijden. |
|
en Antvv. |
en Aatw. | ||
|
1 |
11. 651. |
24 |
I. 647. |
|
III. 262. |
25 |
I. 414. | |
|
4 |
III. 83. |
III. 130. | |
|
5 |
III. 84. |
26 |
1. 780. |
|
6,8 |
II. 76. |
26, 27, 28 |
I. 775,846. |
|
6 |
I. 849. |
29,30 |
II. 183. |
|
7,8 |
II. 789 |
31 |
II. 200,210,290. |
|
8 |
11. 37,76. |
32 |
I. 865. |
|
9 |
II. 83. |
11. 317. | |
|
10 |
II. 468. |
III. 217. | |
|
10,11 |
II. 90. |
33 |
III'. 165. |
|
11 |
II. 461. |
35-44 |
11. 338. |
|
III. 768. |
36 |
II. 460. | |
|
12 |
II. 132,452. |
III. 518. | |
|
15-17 |
II. '32. |
37 |
II. 479. |
|
lü |
II. 127,320. |
37, 44 |
11. 422. |
|
20 |
II. 610,639,642, |
38 |
II. 384. |
|
720. |
39 |
II. 408. | |
|
21 |
II. 641. |
40 |
II. 387. |
|
III. 287. |
|
|
aanhalinoek uit den meidelbergschen catechismüs.
60
|
AANHALINGEN UlT DEN UEIDÃLBERGSGHEN CATECHISMUS, | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Nederlandsche Geloofsbelijdenis.
|
Deel. Bladzijden. I. 9. III. 130. I. 36. I. 205. I. 229. I 244. I. 232,250. III. 214. I. 414,495. III. 130. I. 433,495. I. 472,476. II. 577. III. 128,165. I. 488. I. 711, 765. III. 134,176. I. 835,846. III. 780. I. 849,874. II. 2, 38, 40. III. 585. II. 46, 50, 52, 68. I. 566. II. 312,620. II. 159,341,342. Artikel. I II III V VI VII VIll IX X XI XII XIII XIV XV xvi XVII XVIII |
Artikel. XIX XX XXI XXII XXIII XXIV XXVI XXVII XXVIII XXIX XXX XXXI |
Deel. Bladzijden. II. 108,335,411, 520. II. 463. III. 10. II. 25^,463,469. II. 459,673,711, 764. II. 711,720,743, 767. II. 718,774,860, 862, 868. III. 287. II. 273, 580, 586. III. 131, 136. II. 291. III. 181, 193, 194. 197, 201,202, I 203,222, 259. I II. 317. III. 201, 249, 255. II. 825. III. 53,205,245. II. 304, III. 277,536. II. 232,284. III. 54,278. |
62 AANHALINGEN UIT DE NEDÃRLANDSGHE GELOOPSBEUJDÃNIS.
|
Deel. Bladzijden. Artikel. II. 290,304. XXXV III. 54. II. 53. III. 293, 295, 329, 535. II. 50,51. III. 290, 338,354, XXXVI 3G4, 370,371, 395, 398, 436, XXXVII 447. |
Deel. Bladzijden. II. 783. III. 467,499,514, 515,519,525, 535, 540. 54-8, 563, 566,567, 570,572, 578. II. 303. III. 53,213. II. 318,587,596, 597. III. 191,643,659, 675, 729,731. |
Dordsche Leerregelen.
|
Hoofdst. Art. |
D?el. E!adz\jden. |
Hoofdst. Art. |
Deel. Bladzijden. |
|
I 3,7,8,9 |
II. 693,694. |
Ill, IV 15 |
II. 677. |
|
I 11 |
I. 616. |
III, IV 16 |
II. 678,806. |
|
[ 1 |
I. 600. |
III, IV 17 |
II. 852. |
|
I 2,6 |
I. 617. |
III, IV 3 |
II. 660. |
|
I 3 |
II, 633. |
III, IV 6 |
ITT. 288. |
|
I 6 |
I. 567. |
III, IV 8 |
11. 675. |
|
I 9 |
I. 606. |
III, IV 9 |
11. 498. |
|
I 10 |
I. 599. |
III, IV 11,12, | |
|
I 12 |
I. 624. |
16 |
I. 842. |
|
I 13 |
I. 624. |
III, IV 14 |
II. 661. |
|
I 15 |
I. 583. |
III, IV 15 |
III. 193. |
|
I 17 |
III. 402. |
III, IV 16 |
II. 40. |
|
II 1,2 |
II. 447. |
V |
II. 837. |
|
II 4 |
II. 264,757. |
V 2 |
II. 827. |
|
II 6 |
II. 483,610. |
V 4,5,6,7 |
II. 828, 829, |
|
II 8 |
II. 479,479. |
830. | |
|
III, IV 1 |
I. 869. |
V 8 |
II. 827. |
|
III, IV 1,2 |
II. 2. |
V 14 |
II. 852. |
|
nr.iv 4 |
II. 87. |
V 1,2 |
II. 814. |
|
III, IV 5 |
II. 88. |
V 3 |
I. 617. |
|
III, IV (i |
II. 98. |
V 4 |
II. 737. |
|
III, IV 8 |
II. 686. |
V 6 |
II. 737. |
|
III, IV 9 |
II. 683. |
V 10 |
11. 716,720. |
|
III, IV 11,12 |
II. 681. |
V 11 |
1 II. 717. |
|
III, IV 12 |
II. 789,799. |
III. Zaken.
|
.A. Aanbidding van den Heere Jezus . . . Aanroeping der heiligen...... Aardsclie leven , beslissend..... Adam........ Afval, geen â do;- heiligen..... Afwijkingen, binnen het Christendom . . Algemeenheid der zonde...... Almacht Gods.......... Alomtegenwoordigheid Gods..... Alwetendheid Gods ........ Ambten van Christus....... Anlhropomorphisme........ â Apocatas'asis........ Antichrist........ Atheïsten........ Avondmaal.......... , Instelling....... _ -----------Teekens....... , Teekens c-n beteekendo zaak â --------- , Noodig........ , Door wie en voor wie . , ---------, Toelating tot...... --â , Waardig gebruik .... , Onwaardig gebruik .... , Voorbereiding tot hel . . . |
Deel Bladzijden. III, 127. III. 134. IJL 635. 1. 730,737. II. 11,55,58,65. IL 828. I. 82. II. 42. I. 408. I. 349., I. S67. II. 199. I. 760. III. 733. III. 21.6. I. 27. III. 450 v.v. III. 4b7. III. 474. III. 498. III. 530. III. 535. III. 542. III. 555. III. 55S. HI. 569. |
ZAKEN.
65
|
B Barmhartigheid Gods....... Beeld Gods........... Bekeering.......... Benedenvaldrijvers (infralapsariërs) . . . Besluiten Gods......... -, Eeuwige........ -gt; Vrije......... .Wijze......... , Onveranderlijke...... , Geen voorwaardelijke , . . . â, De voorwerpen van . . . . Bewijzen voor het bestaan van God .⢠. Besnijdenis, Instelling....... Beteekenis...... Besprenging . ;....... â -Beteekenis....... Bezoldiging der zonde....... Bidden............ â , Noodig......... Bidgestalte........... Bloed van Christus........ Boom des levens.......... Bovenvaldrijverc (supralapsariers) . . . O Christendom is exclusief...... Christus, Ambtsnaam....... â- , Begrip van den naam .... -Leer van........ Creatianisme.......... |
Deel. Bladzijden. I. 387; 1. 858. II. 629. I. 610. I. 540. I. 543. I. 545. I. 547. I. 549. II. 554. I. 559. I. 32 v.v. III. 330. III. 334. IlIL 361. IlII. 365. II. 89. III. 111. |m. H7. III. 140. II. 607. III. 491. I. 889. I. 610. i I. 77. III. 183. II. 186. : II. 226. I I. 758, 760. |
1
66 ZAKEN.
3D
|
Dag des Heeren......... Dagen, Scheppings-........ Decretum horribile........ Dood............. ââ, Lichamelijk, Geestelijk, Eeuwig â, van Christus........ Loop ... .......... , Instelling......... , Teeken van Kerkgemeenschap . . -------, Wal er.......... , Boleckenis......... -----, Verplichting........ --Noodzakelijkheid....... - , Kinder-.......... Verwerping van den Kinder- . . , Hoofdgrond van den..... Driecenheid Gods......... _ --------, Naam...... ------------------, Eene verborgenheid ------------, In het O. ï..... ------- . , In het N. T..... -----------, Noodzakelijkheid van de leer der..... Duivel ................. . Duizendjarig rijk......... |
Deel. Bladzijden. I. 676. I, 668 v.v. I. 184 noot. III. 582. I. 56. II. 387. III. 030 v.v. III. 337. III. 353. III. 357. III. 360. III. 867. HI. 378. III. 896. III. 414. III. 426. I. 413 v.v. I. 416. I. 419. I. 424. I. 440. I. 535. I. 713 v.v. II. 9, 103. II. 293,294. III. 647. |
JE
I. 737,811.
I. 343 ,
Eenheid van het menscholijk geslacht Eenvoudigheid of enkelheid Gods .
ZAKEN.
67
|
Eeuwigheid Gods...... Eigenschappen Gods (attributa divina) --, Onmededeelbare ---, Mededeelbare Ellendigheid des menschen . Engelen, (wat zij zijn en wat zij doen) ------, (Wanneer geschapen) ---, (Goed geschapen) --------, (Niet alle goed gebleven) Erfschuld....... Erfsmet........ Erfzonde (in alle menschen) . â Door den doop niet ganschelijk te niet gedaan noch geheel uitgeroeid F Formulieren, verbindende kracht der lt;3- |
I. 97. |
|
Gebed ...... -, en wet .... -, Het â tol den Vader ---, Het â des Heeren. Geboden, De tien . Geënna ...... Geest, De Heilige . . . -----, Persoonlijke eigenschap des Heiligen â ----, Godheid des Heiligen â . . . -, Goddelijke eigenschappen des Heiligen â........ -â , (Goddelijke eer des Heiligen â) Gehoorzaamheid van Jezus Christus (Dadelijke) |
|
ZAKEN.
68
|
Gehoorzaamheid van Jezus Christus (Lijdende) Geloof, (Zaligmakend) â ââ , (Historisch) . (Tijd -) . ----, Wonder â) -ââ en bekeering, Gods werk â--, (als deugd?) --, (Kenteeken van Genadewerkingen Geweten .... Gezalfde .... Gezang .... Goddeloozen . Goedheid Gods . Goede werken God âGoedquot; . God, (Naam) Godsdienst (De Christelijke) -â-, (Grond van den) Godskennis, (Bronnen van onze) , (Natuurlijke) â, (Aangeboren of ingeschapen , (Verkregen natuurlijke) , (Het onvoldoende der natuurlijke) |
Deel. Bladzijden. II. 461. II. 635. II. 653, II. 655. II. 658. II. 677. II. 767. II. 859. II. 610. I. 22. II. 187. I. 484. II. 285 v.v. I. 830. I. 386. II. 862. I. 7. I, 322. I. 56. I. 6. I. 9.quot; I. 12 v.v. I. 31 v.v. I. 31 v.v. I. 40 v.v. |
Hades.....
Heerschappij van Christus Heidenen .... Heiligheid Gods Heiligmaking'
III. II.
I. I.
II.
755.
581.
71.
389.
773-870.
ZAKEN.
69
|
Heiligmaking, (Begrip der) â, (Geen eigenwerk) Heilsbelofte...... Hel (Nederdaling) .... , Strafplaats der Goddeloozen Hemel ....... Hemelvaart van Christus . -------(Waarheid van) . -------- (Getuigen der) . â--(W\jze van) - (Doel en Vrucht) . Herstelling aller dingen Hoogepriesterlijk Ambt van Christus Infralapsariërs .... Infralapsarisme .... Ingeving, (Inspiratie) . . Jacobus over rechtvaardiging Jezus (eigennaam) . Jehova ...... K Kerk (Naam) (Deelen) . (Triumfeerende) (Strijdende) . (Leden der Strijdende) (Onzichtbare) . |
|
|
70 ZAKEN. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ZAKEN.
71
|
Messias, Jezus de Middelaar . . Namen Gods . . . â, noodig â, belangrijk â--, des Verlossers Natuurlijke Godskennis Nieuwe mensch ⢠Noodiging tot Christus 3sr |
|
Onafhankelijkheid Gods . Onbegrijpelijkheid Gods . Onderhouding aller dingen
Onmacht.....
Onsterfelijkheid Ontvangen van den Heiligen Geest Onveranderlijkheid Gods Oordeel Het ....
Openbaring, Goddelijke . Opperwezen .... Opstanding, van Christus -, der dooden
----- , Algemeene .
Orde des heils Overal tegenwoordigheid Gods
|
I. |
341. |
|
I. |
280. |
|
I. |
778. |
|
11. |
76. |
|
I. |
874. |
|
II. |
339. |
|
I. |
361. |
|
II. |
596. |
|
III. |
707. |
|
I. |
120. |
|
I. |
280 v.v. |
|
II. |
500, |
|
II. |
594, 604. |
|
III. |
657. |
|
II. |
604. |
|
I. |
349. |
ZAKEN.
72
|
I» Pascha .......... Paaschlam, een offer..... Paaschfeest, doel van het .... Pelagianisme ........ Persoon des Verlossers..... Plaatsbekleeding....... Praedestinatie ....... Proefgebod ........ Profetisch Ambt van Christus ⢠IR Raadsbesluit Gods...... Rechtheid, Staat der ..... Rechtvaardigheid Gods..... Rechtvaardiging....... -----------------, Geen Roomsche heilig making .... â--â, Een rechtspraak . â â, Oorzaak en grond der , Niet uit de werken . Roeping......... , door Woord en Geest . ---ââ , tot Christus..... S Sacramenten........ -â--â, beteekenis en doel . Kenmerken der ware ----, Twee...... Satan , zie Duivel...... Schepper ......... |
Deel. Bladzijden. III. 450. III. 454. III. 462. II. 83. II. 97, 178. II. 258 v.v. I. 563. I. 880. II. 206 v.v. I. 561 v.v. I. 847-893. I. 392. II. 689. II. 704. II. 709. II. 739. II. 74.0. II. 618. II. 6!21. II. 633. III. 269-579. III. 288. III. 300. III. 306. I. 641. |
|
ZAKEN. Deel. Bladzijden. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
\
ZAKEN.
74
|
Trappen van Verhooging van Christus --- -â a. Opstanding .... --â h. Hemelvaart .... ----â c. Zitting aan Gods rechterhand --d. Wederkomst ten oordeel Toerekening......... |
|
TT
|
11. |
599. |
|
I. |
597. |
|
II. |
485. |
Uitverkorenen Universalisten
V
|
Vader, God de ........ |
I. 464. |
|
III. 164. v.v | |
|
Val des menschen |
II. 1. |
|
â , Eerste blgke van den |
II. 24. |
|
Verantwoordelijkheid des menschen . . |
II. 682. |
|
Verleider ......... |
II. 8. |
|
Verleiding, begin der...... |
11. 13. |
|
Verlosser ......... |
II. 97 v.v. |
|
---------, God |
II. 139. |
|
â-, Mensch . ...... |
II. 154. |
|
---â, Des â Namen en Ambten |
11. 179-318 |
|
â----, Des â Staten: Vernedering . |
II. 319. |
|
Verhooging . |
11. 500 v.v |
|
Verkiezing en verwerping..... |
1. 563. |
|
Verkiezing, eeuwige...... ⢠|
1. 586. |
|
, geen algemeene .... |
1. 588. |
|
, Persoonlijke . ⢠⢠. . |
1. 599. |
|
- -........... , Belang en nut .... |
1. 627. |
ZAKEN.
75
|
Verwerping........ Verzoening........ Vleeseh......... Voorbijgang, geen verwerping . Voorbeeldingen....... Voldoening van Christus .... Voorbidding ........ Voorzienigheid . . ..... ââ---, Wat zij is â Vrijheid des menschen..... Vrijmacht Gods...... . W Waarheid , getuigen der .... -------------- , Dragers der..... Wederdoop, geen...... Wedergeboorte...... Wederkomst van Christus .... Wereld ⢠........ -----, voleinding der..... Werken, goede....... Wet . ......... , de geopenbaarde ..... , De burgelijke en ceremoniëeie . , der Zeden ....... Wettafel, eerste....... ââ-â, tweede . ...... Wet, Christus is de ..... . ââ, en de geloovige..... â, Verschillende verhoudingen tot de Wil Gods......... , Besluitende..... â, Wetgevende..... |
Deel. Bladzijden. I. 582. II. 394. I!. 45,83,798. I. 582. II. 110. II. 251. II. 235. I. 769-846. I. 769. I. 556 v.v. 825. II. 16. I. 411. I. 87 v.v. I I. 139. lit 434. II. 778. II. 587. II. 486 v.v. III. 731. II. 862. III. 1-107. III. 5. III. 7. 111. 11. III. 25. III. 49. III. 84. III. 89. III. 95. I. 377. I. 383. i I. 384. |
ZAKEN,
76
|
Wonderwerken........ Woord, Het onbeschreven . ⢠⢠. ⢠Wysheid Gods....... Z Zaad der vrouw Zaligheid, Geen â buiten Christus . -, De â..... Zaligen, De â ....... Zaligmakende Kerk ...... Ziel, Zorg voor de...... --_t van waar de â..... Zoendeksel (kapporet)..... Zoenoffer .... ..... Zonde . ......... é --, Erf - ....... -, Dadelijke....... â, Niet Gods werk , . . ⢠. , Val........ , Eerste â, Wezen der...... Zondaars, allen Zoon van God Zoon des menschen ...â¢â¢â¢ I II. 101, 102, 321. |
Deel. Bladzijden. II. 222. I. 127. I. 376.
|
'⢠^ â ' ' V â ⢠gt;'â¢â¢â¢ â¢
-
-. '⢠⢠â¢lt; â .......
f I
â r
lï'w â
i.
rt '
-
-
: M
- â : v
â r : - - iW* :.
sm
|
1
I
^ :r
...
gt; â f
â¢â .-v
V^.;.
'-tr;;;
,
f
f
I-
1
.f
. £*. '
f.
â j;!W,
vvVe