â¢L'
ÃKGB I
⢠tfquot;:
» W/. « '
111 111 'quot;J
T
, ,9' 477 //
SIR GEORGE TRESSADY.
it o im: a. nsr
VAN
IKS. HUMPHRY WARD,
Schrijfster van âMabcellaquot;, enz.
i
Uit het Engelsch
Mevrouw WILLEUMIER.
Eerste Deel.
8!bl'otheek der rijksuniversiteit UTRECHT;
HAARLEM. DE ERVEN F. BOHN. 1896.
n
v;
EERSTE HOOFDSTUK.
âZiezoo ; dat hebben we, Goddank! achter den rug!quot; De jonge man die dit zeide, haalde, al sprekend, door het raampje van het rijtuig het hoofd naar binnen. Maar in plaats van te gaan zitten, keerde hij zich met een vlugge, vroolijke beweging om, en lichtte met de eene hand het klepje op van het raampje achter in den landauer, terwijl hij, zich bukkend om er door te kijken, met de andere op den schouder van zijn metgezel leunde. Door dit kijkgaatje zag hij , onder het lustig voortdraven der paarden , de volksmenigte, in de hoofdstraat van Market Malford, nog steeds wuiven en juichen, den fantastischen gloed van een half dozijn fakkels op enkele gezichten van de wemelende menschenmassa, de gesloten winkels aan weerszijden , de ongeregelde daken en schoorsteenen, scherp afstekend tegen den winterhemel, en, in de verte, den verlichten klokketoren van het boven alles uitkomende stadhuis.
â't Verwondert me wezenlijk dat de paarden er zoo rustig onder zijn gebleven,quot; zei de aangesprokene. âMaar voor de bruine merrie moest 't niet veel langer geduurd hebben! Brr! .. 't Is goed dat we 't rijtuig hebben laten dichtmaken , 't is verbazend koud geworden Zeg, zou je niet gaan zitten?quot;
Lord Fontenoy maakte een beweging als wilde I. i
2
hij de hand op zijn schouder van zich schuiven.
De eigenaar er van liet zich met een woord van verontschuldiging op zijn plaats vallen, nam zijn hoed af, en slaakte een diepen zucht van vermoeidheid. Een uitdrukking van tegenzin verving eensklaps den glimlach, waarmeê hij zijn laatsten blik had geslagen op de menigte.
â't Is allemaal goed en wel â maar waar men na zoo'n zaakje behoefte aan heeft, is een moreele onderdompeling! De leugens die ik de laatste drie weken gedebiteerd heb! De bombast dien ik heb uitgekraamd ! â foei, 't is me, alsof ik heb staan wroeten in den modder! En 't ergste is nog; hoe je later je best ook doet het er af te wrijven, â- iets van al die vuiligheid blijft er hangen!quot;
Hij haalde een cigarette uit en stak ze met ietwat bevende hand aan die van zijn metgezel aan. Hij had een lang, fijn gezicht en blond haar; op het oog zou men hem tien jaar jonger geven dan den man naast hem.
âZeker â er blijft iets hangen,quot; zei de ander. âIn den tegenwoordigen tijd zien ze scherp toe of men zijn verkiezingsbeloften wel nakomt. Maar van bombast heb ik niets gehoord; onze partij doet daar niet aan. Dat laten we aan de Regeering over.quot;
Sir George Tressady, tot wien deze woorden gericht waren, haalde de schouders op. Zijn mond trilde nog van zenuwachtige overspanning. Doch naarmate zij verder reden, tusschen de donkere hagen door, â groen nog, al was 't reeds November â de natte takken glinsterend in het licht der lantarens , kreeg hij zijn ietwat cynische zelfbeheersching terug. Dien middag, tusschen twee en drie uur, was, na een heeten verkiezingsstrijd, de uitslag der stemming in het district Market Malford bekend gemaakt;
I
I
3
hij had daarna, als de gekozen candidaat, schoon met een zeer kleine meerderheid, een joelende menigte van het balcon van het GreyhoundAxot^i toegesproken ; had zich het gebruikelijk afspannen der paarden , en een zegevierenden optocht door de stad laten welgevallen, en keerde nu met Lord Fontenoy, den leider van zijn partij en die hem candidaat had gesteld, terug naar het groote kasteel van den Tory, waarvan hij dien morgen was weggereden, en dat, bijna zoolang de strijd geduurd had, Tressady's hoofdkwartier was geweest.
Opeens zei hij, met een kort lachje: âHeb je ooit iemand zoo terneergeslagen gezien als dien Burrows ?
O ö O
't Is dan ook 'n hard gelag, hoor! Ik geloof, hij dacht stellig dat hij er wel komen zou, eerstens door al zijn werken in het district; ten tweede door zijn invloed op de mijnwerkers. Maar dan komt er ter elfder ure zoo'n vreemde snoeshaan opduiken, en waarachtig, door 'n stuk of zeven domme stemgerechtigden wordt je 'r uit geknikkerd! 't Kostte hem moeite me de hand te geven, dat zag ik duidelijk. Ik bewonder dien kerel, â ik kan 't niet helpen ! Jij ook niet?quot;
Lord Fontenoy knikte even, en antwoordde, tamelijk onverschillig;
âHm, z'n speeches zaten goed in mekaar, dat valt niet te ontkennen, maar 't is van een genre dat we uit het Parlement moeten zien te weren, 't Spijt me dat je gemoedsbezwaren schijnt te hebben, Tressady; â 't is heusch onnoodig. Op dit oogenblik moeten of Burrows en de zijnen, öf jij en je partij de nederlaag lijden. Ditmaal is 't Burrows â met zeventien stemmen. Goddank! voeg ik er bij.quot; De spreker deed het raampje een eindje open om de asch van zijn sigaar weg te tikken.
4
Tressady antwoordde hier niet op. Maar andermaal rimpelde een half verdrietige, half peinzende trek zijn voorhoofd, dat, blank en glad en jongensachtig, zich welfde onder het recht afgeknipt blonde haar; overigens was het gezicht vol fijne rimpeltjes, bruin en verbrand door veel reizen en een afwisselende levensmanier. Neus en mond, hoewel niet uitmuntend door schoonheid, waren klein en fraai gevormd, terwijl de lange, spitse, ietwat vooruitstekende kin wie niet van hem hielden deed zeggen dat hij geleek op een der tallooze afbeeldsels van Philips IV, van en naar Velasquez, die men in alle schilderijen-verzamelingen van Europa aantreft. Maar, al viel de Habsburgsche kin niet te ontkennen, niets kon meer modern, intelligent, levendig zijn, dan al het overige van zijn persoon.
Het tweetal reed zwijgend voort, door een golvende landstreek, flauw uitkomend in het licht der sterren. Telkens zag men een hoogen heuvel, met lange schoorsteenen en een verwarden hoop gebouwen er naast of er op, waaruit bleek dat hier mijnen waren; terwijl de lichtjes, welke hier en daar begonnen te flikkeren, bewezen dat de streek zeer bevolkt was.
Eensklaps ratelde het rijtuig over de keisteenen van een dorp. Tressady keek uit het raampje.
âZeg Fontenoy, 'n massa menschen! Denk je dat ze 't al weten? Hé, Gregson is een anderen weg gereden!quot;
Lord Fontenoy liet zijn raampje neer, en herkende het kleine mijnwerkersdorp, Battage.
âWaarom ben je dezen weg gereden, Gregson?quot; vroeg hij den koetsier.
Deze, een Londonaar, keerde zich om en antwoordde met gedempte stem:
5
âIk was bang dat we in Marraby 'n opstootje zouden vinden, mylord. Maar ik zie nu dat we hier ook al de poppen aan het dansen hebben!quot;
Inderdaad, nauwelijks had hij dit gezegd, of hij moest zijn paarden inhouden. De dorpsstraat was van het begin tot het einde vol mijnwerkers, terug-keerend van hun werk. Fontenoy zag onmiddellijk dat de uitslag der verkiezing bekend was. De mannen stonden in troepen bij elkaar, te praten en te disputeeren, kennelijk opgewonden en boos; niet zoodra kregen zij de bekende liverei op den bok van het rijtuig van het nieuwe Parlementslid in het oog, of ze stoven er op af. Eenigen waren reeds hun huisjes aan weerskanten van de straat binnengegaan , maar bij het geraas van wielen, bij het rumoer, ijlden zij weer naar buiten. Een woest gehuil , een verward gegons van grommen en schelden werd gehoord, en in een oogenblik was het rijtuig omringd door een troep vuile, schreeuwende, gesti-culeerende mannen.
âZoo! Opgeblazen parasieten!quot; riep een jonge kerel aan den kant van Lord Fontenoy, terwijl hij zijn hand aan de kruk van 't portier sloeg, âwe zullen met jullie wel afrekenen voor je er bent! Wie heeft jullie gevraagd hier in Malford te komen, hè?quot;
âWe hebben zulke mooie jongens als jullie bent niet noodig om ons te vertegenwoordigen!quot; schreeuwde een ander, wijzend op Tressady. âKijk 'm daar zitten! Loopen kan-ie niet! Hij moet rijen, dat lieve jongentje! Heb je wel ooit 'n heelen dag gewerkt, hè? Kijk eens naar mijn knuisten! Dat zijn handen voor een eerlijk man! Hè? jongens? Wat zeg jullie?quot;
Er ging een goedkeurend gelach op onder de menigte ; een aantal vuile handen werden zwaaiend en wuivend omhoog gestoken.
6
George liet bedaard het raampje zakken, en stak, de armen op het portier leunend, het hoofd naar buiten. Hij richtte een paar schertsende woorden tegen eenige mannen die het dichtst bij hem stonden , en twee of drie antwoordden. Maar de meeste gezichten bleven hun norsche, toornige uitdrukking behouden; ook werd het gedrang hinderlijk voorde paarden.
âRijd door, Gregsongebood Lord Fontenoy uit het raampje.
âAls ze mij door willen laten, mylordantwoordde Gregson, met een bleek gezicht, terwijl hij de zweep ophief.
De paarden maakten steigerend een voorwaartsche beweging. De menschenhoop gilde, en twee of drie kerels grepen juist naar de koppen der paarden, toen eensklaps een geheel andere kreet opsteeg.
âBurrows !! . . . Daar heb je Burrows!! Hoera voor Burrows ! Hoera, hoera!quot;
En achter hen, aan den hoek der dorpsstraat, zag Tressady eensklaps een hoogen dog-cart komen aanrijden, met twee heeren. Reeds was het karretje door een vroolijk juichenden , opgewonden troep omringd , en een der heeren naar links en naar rechts aan 't handjes geven.
Lachend trok George het hoofd weer naar binnen, â't Is dramatisch ! Ze houden onze paarden tegen , en juist komt Burrows!quot;
Fontenoy haalde de schouders op. âOch, ze zullen ons nog een poosje uitschelden, en dan laten gaan. Burrows weet er wel orde onder te houden.quot;
âWat wou je nou toch eigenlijk, hè?quot; brulde een kolossale kerel, die op de trede van het rijtuig sprong, de zwarte vuist ballend tegen Tressady; âwat hoef jij je leelijke karkas te brengen waar je
7
niet gevraagd wordt, hè? Hem wonen we hebben, en voor hem hebben we gewerkt, 't Is hier 'n werklui-district, en op hèm hebben we recht! Hoor je 't?quot;
âHad hem dan zeventien stemmen meer gegeven zei George leukweg, de handen in de zakken stekend. âDat zijn de kansen van den strijd; de volgende maal is 't jullie beurt. Maar zeg, zou je die lui niet zeggen dat ze onzen koetsier laten doorrijden ? We hebben een langen dag achter ons en beginnen honger te krijgen. Aha,quot; â tegen Fonte-noy â âdaar heb je Burrows!quot;
Fontenoy keerde zich om, en zag dat de dog-cart naast hun rijtuig was blijven stilstaan, en dat een der heeren op de trede van het karretje stond, de hand op het hekje leunend.
Het was een flink, forsch gebouwd man; toen hij daar op het rijtuig neerkeek, en op Tressady, die half uit het raampje hing, viel het licht van een straatlantaarn op een fraai besneden gelaat, bleek van opgewondenheid en vermoeienis.
âKomt, vrienden ,quot; zei hij, zich met een enkel handgebaar tot de menigte richtend, âlaat Sir George in vrede naar huis terugkeeren. Hij heeft ons verslagen , en zoover ik weet, is 't van zijn kant een eerlijke strijd geweest, wat sommigen van z'n vrienden ook voor hem gedaan mogen hebben. Ik ga nü naar huis om wat te eten en me eens flink te was-schen. 'k Ben öp. Maar als jullie van avond in de club willen komen â om acht uur â dan zal ik een en ander van deze verkiezing vertellen. Nu , goedenavond, Sir George. We winnen 't u ook eens af, wees daar gerust op. Allo! Terug!quot;
Hij gaf een gebiedenden wenk aan de mannen, die de paarden vasthielden. Zij en de menigte gehoorzaamden hem terstond.
8
Het rijtuig reed door, gevolgd door de scheldwoorden en verwenschingen van het geheele dorp, mannen, vrouwen en kinderen, die nu aan weerskanten van de straat stonden.
â't Is duidelijk dat die Gregson hier niet thuis hoort,quot; zei Fontenoy ontstemd, zoodra zij het dorp achter zich hadden. âIk geloof dat de Wattons hem pas kort geleden hebben meêgebracht; of hij zou Marraby niet hebben laten liggen en door Battage gereden zijn.quot;
âBattage en Burrows hebben vroeger iets met elkaar te maken gehad, is 't niet? Ik heb vergeten wat.quot;
âJa zeker. Hij was jarenlang opzichter van de Acme-mijn, voor ze hem districts-secretaris van de Unie gemaakt hebben.quot;
âDaarom heb ik 't hier een veertien dagen geleden zoo hard te verantwoorden gehad! Juist... ik herinner 't me; 't eene verdringt tegenwoordig 't andere uit mijn hoofd. Nu, ik wed dat jij en ik nog heel wat te stellen zullen hebben met dien Burrows, voor 't uit is.quot;
Tressady geeuwde, en dook in zijn hoekje.
Fontenoy lachte, en hernam;
âJa, 't volgende jaar krijgen we weer een groote strike, let op hetgeen ik zeg. Dan zal vriend Burrows ons allemaal de handen vol eeven.quot;
âMij wel,quot; zei Tressady, onduidelijk, terwijl hij zijn hoed over de oogen trok. â't Volgende jaar kan Burrows of 'n ander mij voor mijn part in de lucht laten vliegen , als ze mij nü maar laten slapen.quot;
Intusschen â hij vond slapen zoo heel gemakkelijk niet. Alles aan hem klopte en tintelde, na de emoties van den dag en na het rumoer waar zij zich zooeven doorheen gewerkt hadden. Zijn geest flitste nu vooruit in de toekomst, dan terug naar de ge-
9
beurtenissen en de opwinding der laatste zes maanden , naar tooneeltjes uit den verkiezingsstrijd â èn naar eenige andere tooneeltjes, van gansch verschillenden aard , welke plaats hadden gehad op het landgoed waarheen hij en Fontenoy thans terugkeerden.
Maar hij deed zijn best zich te houden alsof hij sliep. Het eenige waaraan hij voor 't oogenblik behoefte had , was dat Fontenoy niet tegen hem praatte. Doch Fontenoy liet zich niet gemakkelijk beetnemen ; nauwelijks maakte George de geringste beweging onder den reisdeken, dien hij om zich heen geslagen had, of de ander verbrak het stilzwijgen.
âZeg, hoe vond je mijn verslag over 't wetsontwerp van Lord Maxwell ?quot;
George maakte onder zijn ottervel eene beweging van ongeduld en bromde iets tusschen de tanden.
Lord Fontenoy liet zich hierdoor niet afschrikken en begon een lange redenatie over enkele onbeduidende punten van de fabriekswet, met eentonige, vermoeiende stem en gebaren, waarover George een en al verbazing was.
Een paar minuten keek hij naar hem door zijn half gesloten oogen. Dit was dus zijn toekomstige leider.... de man die hem in 't Parlement gebracht had voor Market Malford.....
Acht jaar geleden, toen George Tressady in Ckristchurch kwam, had hij deze plaats van middelmatige geleerdheid vol tradities gevonden omtrent âDicky Fontenoyquot;. En welke tradities! â goede hemel!! â Later, bij alle mogelijke wedrennen , groote en kleine, in clubs, in theaters, en bij andere publieke vermakelijkheden, had de jongste student gelegenheid gehad den ouderen gade te slaan , en altijd met groote ingenomenheid, soms zelfs met bewondering. Hij zelf had volstrekt geen lust Fon-
IO
tenoy's voetstappen te volgen. In hem hadden andere elementen de overhand, die hem een gansch anderen weg uitvoerden. Maar er was iets kranigs in het vuur, of liever in de moedwilligheid, waarmeê Fontenoy zich hals over kop stortte in een maalstroom, welke tot zijn ondergang leiden moest. Het gaf wat te denken. Toen Tressady Fontenoy de laatste maal zag, ongeveer drie en halfjaar voor deze Market-Malford-verkiezing, eer hij zelf een groote reis in het Oosten ging maken, had hij gedacht dat het hem benieuwen zou wat er van âDickyquot; geworden zou zijn als hij terugkwam. De oudste zonen van pairs komen in den regel niet in het werkhuis te land, maar er bestaan aristocratische instellingen , die weinig minder onaangenaam zijn; George vreesde dat hij daaraan niet zou kunnen ontsnappen.
En nu â geen vier jaar nog! â en hier zat diezelfde Dicky Fontenoy te oreeren over vervelende bijzonderheden van verkiezingen, zijn keel heesch van al het spreken der laatste weken, met donkere randen om de holstaande oogen, van overspanning en overwerken, de schepper en leader eener politieke partij, die niet bestond toen Tressady Engeland verliet en thans aardig op weg was om den baas te spelen in het Engelsche gouvernement! De verrassingen van het lot en van karakters!
Tressady hield er in stilte allerlei bespiegelingen over, slaperig als hij was, maar de vermoeienissen van vele dagen deden zich gelden. Zelfs zijn metgezel moest hem weldra als toehoorder opgeven. Lord Fontenoy staakte zijn redeneeringen; toch, telkens als een schok van het rijtuig George de oogen deed opslaan , zag hij de breedgeschouderde gestalte naast zich in dezelfde rechte houding, zonder een zweem
van vermoeidheid, met denzelfden ietwatgemelijken
trek van strijdlust om oogen en mond.
* *
*
âKom, Tressady! word wakker: we zijn er!quot;
Er klonk een zweempje ongeduld en ergernis uit den toon. Gemakzucht was Fontenoy niet langer een welkom verschijnsel, hetzij in hemzelf of in een ander. George , opgeschrikt uit een kortstondigen maar diepen slaap, vloog overeind, grabbelend naar zijn portefeuilles en reisdeken.
Het rijtuig stond onder het zuilen portico van Halford House; de groote voordeur, aan beide zijden geopend, deed een marmeren binnentrap uitkomen en een zee van licht. George had zich nauwelijks, terwijl hij uit het rijtuig stapte , goed wakker geschud , en zijn zaakjes, die hij in de hand had , aan een lakei gegeven , of uit het huis klonk hem een verbazend lawaai tegemoet. Een aantal menschen â heeren en dames, de heeren hoera roepend, de dames in de handen klappend en lachend â ijlden de marmeren trappen af, hem tegemoet. Hij werd omringd, omhelsd, op den rug geklopt, en ten slotte in triumf de vestibule in gevoerd.
âLaat hem toch binnenkomen ,quot; zei een vroolijke stem, âen ga wat achteruit; zijn moeder kan niet bij hem!quot;
Het lachende troepje week op zijde en George, stralend, glimlachend, half met zijn figuur verlegen, vond zich in de armen van een levendig en zeer jeugdig dametje, met licht, kroezig haar en een figuurtje als van een zeventienjarig meisje.
âO, jou lieve, stoute jongen!quot; giegelde zij, met de stem â en de intonatie bovendien â eener zeventienjarige. âJe bent er dus gekomen! Je hebt
12
het gedaan gekregen! 'k Zou je ook niet meer hebben willen aanzien als 't niet zoo geweest was! En ik geloof, dat zou je toch niet heel plezierig gevonden hebben, van je eigen moeder! Wel, wel, wat is die jongen koud!quot;
Wederom overstelpte ze hem met kleine stac-cato-kusjes, telkens achteruit trippelend om hem te bekijken, en dan weer verrukt hem aan haar hart drukkend, tot George, wiens geduld opraakte, haar met een sterken arm afweerde en een: ,.,Nu, nu, mama, zoo is 't orenoegrquot;
O O
âZijn de anderen al lang thuis?quot; vroeg hij, zich wendend tot een jongmensch in een korte broek, die, de handen in de zakken, met een lachend gezicht, den held van den dag en heel het tooneeltje stond aan te kijken.
âO, al zoowat 'n half uur! Ze zeiden dat je wel moeite hebben zoudt om uit de klauwen van het volk te komen. We hadden je zoo vroeg niet verwacht.quot;
âHoe is 't met Miss Sewell's hoofdpijn ? Weet zij 't?quot;
De uitdrukking in de oogen van den jongen man, die op Tressady gevestigd waren, veranderde een weinig toen hij antwoordde:
âZeker, ze weet het. Zoodra de anderen terugkwamen is Mrs. Watton naar boven gegaan om 't haar te zeggen. Ze is niet aan 't lunch verschenen.quot;
âMrs. Watton kwam het mij vertellen, stoute jongen!quot; riep de dame, die George als zijne moeder aangesproken had, terwijl ze den spreker met haar waaier een tikje op den arm gaf. âMoeders eerst, als je blieft; vooral als ze slecht ter been zijn zooals ik, en niet met eigen oogen getuige wezen kunnen van den triumf van haar lievelingen! En ik ben 't aan Miss Sewell gaan vertellen!quot;
Zij hield het hoofd een weinig op zijde en keek
13
haar zoon ondeugend aan. Haar japon, een Parijsch kunstproduct, gaf veel van den hals te zien, en bovendien een rij prachtige paarlen. Het elegante figuur , de buste, kwamen voordeelig uit door een ceintuur style Empire; haar teint deed haar kamenier, en, wezenlijk! ook haar jaren eer aan!
George kreeg ietwat een kleur terwijl zijne moeder dit zeide, en wilde zich juist omkeeren, toen de heer des huizes zich van hem meester maakte: Squire Watton, een zachtzinnig, welbespraakt oud man, die, naar George's meening, zijn vreugde reeds te veel bewezen hebbend in het stadhuis, in den vorm van handjes geven en felicitaties , thans , geheel onnoodig, zich geroepen voelde dit nog eens dunnetjes over te doen. Lady Tressady accompagneerde dit vertoon met eenige uitroepen en gilletjes, de andere logés kwamen ook aan, en de held van den dag werd andermaal onhoorbaar en onzichtbaar door het mengelmoes van praten en lachen; â althans voor den jongen man in knickerbockers, die eenigs-zins afgezonderd van de anderen stond.
âIk ben benieuwd wanneer ze zich verwaardigen zal beneden te komen,quot; zei hij bij zichzelf, de oogen gericht op de punten zijner laarzen. âNatuurlijk was het enkel een gril, dat ze niet naar Malford ging ; ze deed het om te plagen.quot;
âHoort eens, nu moet ik me eindelijk eens warmen ,quot; zei Tressady luid, aan zijn lastige vrienden ontsnappend en naar het groote, open houtvuur loopend, waarvoor de jonge man stond. âWaar is Fontenoy?quot;
âO, die 's dadelijk, zoodra hij een kop thee gedronken had, naar boven gegaan om een paar brieven te schrijven,quot; zei het jonge mensch , wiens naam Bayle was; âhij heeft Marks bij zich laten komen.quot; (Marks was Lord Fontenoy's secretaris.)
14
George Tressady sloeg de handen in de lucht van verbazing.
âBelachelijk! Die Fontenoy gunt zich geen minuut rust! Als hij zich voorstelt dat ik van plan ben zoo te sloven en te zwoegen als hij, dan zal 't hem gauw spijten dat hij me in 't Parlement geholpen heeft. Foei, ik ben heelemaal stijf en zoo moe als 'n hond. Ik neem nog even een warm bad voor het eten.quot;
Toch bleef hij talmen, warmend de fijne handen boven den gloed van het vuur en telkens een blik slaand naar de galerij , die rondom de groote zaal liep. Bayle vertelde hem eenige incidenten van den dag. George antwoordde op goed geluk af. Hij zag er wezenlijk vermoeid uit, en er was iets ongedurigs en onvoldaans over hem.
Eensklaps ging er een gejuich op uit het troepje heeren en jonge meisjes, die, in het centrum van de zaal, gekheid stonden te maken.
âHé, daar heb je Letty! En zoo frisch als een roos !quot;
George keerde zich eensklaps om. Bayle zag dat hij een air van onverschilligheid aannam , hoewel zijn oogen flikkerden.
Een jong meisje zweefde langzaam de breede trappen af die naar de zaal leidden. Zij droeg een zwarte japon, van soupele stof, met een blauwzijden ceintuur en een toeije blauw aan den hals, âeen jeugdig gemaakt japonnetje, geheel in overeenstemming met de kleine mollige gestalte, met het krullende haar, en het handje dat langs de marmeren leuning gleed. Zij daalde zacht glimlachend naar omlaag, eiken stap met beslist overleg nemend, ten spijt van de half spottende uitroepen van vreugde, waarmede zij door hare vrienden beneden begroet werd. Hare heldere oogen dwaalden van den een naar den ander â van de spottende, verbaasde gezichten vlak onder
i5
haar, naar George Tressady, die bij het vuur stond.
Juist toen zij het voetje op de laatste trede zette, vond Tressady het noodig nog een blok op het vuur te leggen, dat reeds vrij hoog opgestapeld lag.
Intusschen stapte Miss Sewell regelrecht op het nieuwe Parlementslid af, en stak hem de hand toe.
âWelk een goede tijding, Sir George! Ik feliciteer u wel.quot;
George legde zijn houtblok neer, en bekeek toen zijn vingers met critischen blik.
..'t Spijt me. Miss Sewell, maar ik durf u niet aanraken! â Ik hoop dat de hoofdpijn over is?quot;
Miss Sewell trok ootmoedig hare hand terug, zag hem aan met een blik die alles behalve ootmoedig was, en sprak nederig;
âO, mijn hoofdpijn doet wat ik wil! Ik had mij vast voorgenomen, beneden te komen en u te felici-teeren.quot;
âDat merk ik,quot; prevelde hij, even het hoofd buigend. âIk hoop dat mijn kwaaltjes, als ik er ook krijg, even gehoorzaam zullen zijn. Dus heeft mama het u verteld?quot;
âMen hoefde 't mij niet te vertellen,quot; sprak ze bedaard. âIk wist dat alles goed afloopen zou.quot;
âDan wist u wat alleen den goden bekend was â want ik ben er gekomen door een meerderheid van slechts zeventien stemmen.quot;
âJa, dat hoor ik. 'tSpijt me voor Burrows.quot;
Ze zette een voetje op den steenen haardrand, lichtte met de eene hand het aardige japonnetje op en legde de andere op den schoorsteenmantel. De houding was onbeschrijfelijk bevallig, en het fijne stemmetje, in zijn verzuchting, paste uitnemend bij de hoeken van een mond, die tot lachen gevormd scheen, doch zelden hartelijk lachte.
i5
Haar opmerking over Burrows deed Tressady even glimlachen, waarna hij leukweg zeide:
âMijn voorgevoel heeft mij dus niet bedrogen; ik wist vooruit dat u medelijden hebben zoudt met Burrows.quot;
âNu, het is ook hard voor hem, vindt u niet? U zult niet kunnen ontkennen dat u mooi praten kunt ?quot;
âWaarom zou ik dat? Ik ben er trotsch op.quot;
Thans keek hij om zich heen. Het overige gezelschap had â niet zonder gefluister en onderdrukt gelach â hen alleen gelaten. Eenige dames waren reeds naar haar kamer om zich te kleeden. De heeren waren successievelijk beland in een kleine bibliotheek en in de rookkamer , die met de eerezaal correspondeerden. Alleen de Squire, op eenigen afstand in een grooten, gemakkelijken stoel gedoken, was verdiept in een locaal blaadje, waarin de jongste grappen over de verkiezingen voorkwamen.
Voldaan over hetgeen hij gezien had, stak Tressady de handen in de zakken en leunde tegen den schoorsteenmantel, zoodat geen trekje op MissSewell's gelaat hem kon ontgaan.
Eensklaps, toen hun oogen elkaar ontmoetten, vroeg bij:
âDeelt u altijd zoo weinig in den voorspoed uwer vrienden, als u het ditmaal bij mij doet. Miss Se-well?quot;
Zij trok even de lippen samen.
Toen, met haar voetje een duw gevend aan een blok in den haard, riep ze:
âWel, ik ben als een engel zoo lief geweest!quot;
George lachte.
âDan komen wij in onze opvatting van engelen al even weinig overeen als omtrent andere dingen.
17
Waarom is u niet komen luisteren naar het voorlezen van den uitslag der stemming, zooals u mij beloofd hadt ?quot;
âOmdat ik hoofdpijn had, Sir George.quot;
Hij antwoordde met een nauw merkbare buiging, alsof hij beleefdheidshalve hare verzekering aannam.
âMag ik vragen hoe laat uw hoofdpijn begonnen is ?quot;
âLaat eens zien zei ze lachend, âik geloof... direct na 't ontbijt.quot;
âJuist. U hebt er het eerst iets van gemerkt, als ik mij goed herinner, onmiddellijk na een paar opmerkingen van mij over een zekeren kapitein Addison ?quot;
Hij zag recht voor zich, quasi als dacht hij overluid.
âJa,quot; sprak Letty, peinzend, âeen vreemde toevalligheid, vindt u niet?quot;
Er volgde een oogenblik stilte. Toen barstte zij uit in een hartelijken lach, en zei, de hand op zijn schouder leggend:
âWeet u wel dat u een heel dwaze en onvoorzichtige man zijt? We kunnen prachtig met elkaar overweg, u en ik. We hebben een dol gezelligen tijd gehad, deze week; â en dan begint u op eens onaardige dingen te zeggen van mijne vrienden! â nog wel ten aanhoore van anderen! U verbeeldt u wezenlijk dat ik u aan tante Watton zal laten voorschrijven hoe zij met mij doen moet! U brengt me in een choas van moeilijkheden; â- ik zal weken noodig hebben om het kwaad, door u gedaan, goed te maken â; en dan verwacht u nog dat ik het als een lammetje zal aanhooren! Zeg, zie ik er uit als een lam ?quot;
Al dien tijd hield ze hem stevig bij den arm vast, en haar rond gezichtje, tintelend van ondeugd en joligheid, was zoo dicht bij het zijne, dat hij een
I. 2
i8
oogenblik een onweerstaanbaren lust in zich voelde opkomen om haar een kus te geven. Maar het was slechts een oogenblik. Hij en Letty Sewell kenden elkaar sedert drie weken. Zij waren niet geëngageerd â verre van dien. En dit â die hand op zijn arm en al 't overige â och ! dit waren zoo Letty Sewell's eigenaardige manieren.
In plaats dan van haar een kus te geven, nam hij haar van het hoofd tot de voeten op, en zei bedaard :
âNooit heb ik iemand gezien, zoo door en door stijfhoofdig en trotsch! Ik heb u 'n paar sterk sprekende feiten verteld van het karakter van een man dien ik ken, en dien u niet kent, en het gevolg daarvan is dat u een heelen dag uit uw humeur bent, uw beloften niet nakomt om in Malford te verschijnen, en, als ik terug kom, mij de les leest.quot;
Zij trok de wenkbrauwen samen en nam hare hand weg.
âNu, dan blijkt daaruit wel dat ik het mij heel verschrikkelijk aangetrokken heb, is 'tniet? Ik heb mij boven erg verveeld, ofschoon ik vellen en vellen volgeschreven heb aan eene intieme vriendin, allemaal over u â een zeer openhartig verhaal, ik zal 'teen beetje dienen te verzachten. A propos, gaat u nog geen toilet maken?quot;
George schrikte en keek op zijn horloge.
âWe zijn immers onder ons ? Er komt toch niemand van buiten af?quot;
âAlleen een paar âlocaliteitenquot;, ter eere van 't feest. Ik weet ten minste dat de dominé's-vrouw verwacht wordt; want ik hoor dat ze een japon van mij nagemaakt heeft en hoopt dat ik haar zeggen zal hoe ik die vind.quot;
George lachte.
âHet arme mensch!quot;
19
âIk geloof niet dat ik aardig tegen haar zal kunnen zijn,quot; zei Letty, spelend met een bloem uit een bouquet op den schoorsteen. âMenschen die zich zoo mal toetakelen maken me altijd slecht. Maar ik moet me gaan kleeden!quot;
Thans was het zijn beurt haar met de hand tegen te houden. Uit zijn heldere, grijze oogen was alle vermoeidheid geweken toen hij , zich over haar heen buigend, vroeg:
âHèbt u er spijt van?quot;
âWaarvan? Dat u er gekomen bent?quot;
Het gezichtje was een en al lachende vroolijkheid. Hij liet haar los. Zij haakte haar arm in dien van de dochter des huizes. Miss Florence Watton, die juist de zaal door liep, en het tweetal ging samen de trap op, vanwaar Letty, boven gekomen, hem nog een ondeugenden blik toewierp.
George keek haar na tot zij verdween. De uitdrukking van zijn gelaat was noch vriendelijk, noch boos. Er was iets over hem van quasi-zelfbe-heersching, waaruit bleek dat ook hij een rol gespeeld had, waarin hij zich misschien niet geheel op zijn gemak gevoelde.
TWEEDE HOOFDSTUK.
George Tressady kwam zeer laat beneden, en bemerkte dat hij hierdoor zijne gastvrouw wel wat ontstemd had. Mrs. Watton was een groote vrouw, met iets bevelends in hare hoüding; â was er iets dat haar niet beviel, dan stak ze het niet onder stoelen of banken. En dit feit kwam nog- al eens voor.
George beijverde zich haar met de gebruikelijke verontschuldigingen weder gunstig voor zich te stem-
20
men: hij meende dat hij nog ruim den tijd had; zijn horloge was niet in orde geweest, enzoovoorts.
Mrs. Watton, die, alles wel beschouwd, op dezen gewichtigen dag in het nieuwe Parlementslid den zichtbaren triumf van haar dierbaarste principes zag, hoorde deze verontschuldigingen aan, eerst koel en stijf, maar gaandeweg ontdooiend.
âO jou ondeugende jongen! Zoo te jokken!!quot; zei een vroolijke stem in Tressady's oor. ââIk meende dat ik ruim den tijd had!quot; Foei! Ik heb je wel gezien, ondeugd!quot;
En Lady Tressady fladderde van haar zoon weg, hem over haar schouder â een harer bekende poses â nog eens toelachend. Zij was in wit neteldoek, met een rood zijden onderjapon. Het lijf had moeielijk lager uitgesneden kunnen zijn aan hals en schouders; het rouge op hare wangen was te kwistig aangebracht, wat anders zelden gebeurde. George keerde zich haastig van haar af en richtte het woord tot Lord Fontenoy.
âWat een mal mensch is zij toch!quot; dacht Mrs. Watton, terwijl haar scherpe blik hare logée volgde. âZe zal nog maken dat George een hekel aan haar krijgt; en toch moet ze haar best doen dat hij haar schulden betaalt, of ze gaat bankroet. Wat?'t Eten al op tafel? Johan, wil jij Lady Tressady geleiden?
⢠Harding, jij mrs. Hawkins ?quot; â haar tweeden zoon eene dame in het zwart aanwijzend, die prenterig op een puntje van een divan zat. âMr. Hawkins zorgt wel voor Florence. Sir Georgequot; â zij maakte eene beweging met de hand naar den kant van Miss Sewell. âNu moet Lord Fontenoy zich nog over mij ontfermen; de jongelui zullen wel voor zichzelf zorgen.quot;
Terwijl het jonge volkje, meest neven en nichtjes ,
21
lachende haar bevelen opvolgde, bood Sir George Miss Sewell den arm aan.
Toen zij de eetkamer binnentraden, fluisterde hij: âIk heb heusch medelijden met u.quot;
âO,quot; zei Letty, onverschillig, âik wist van te voren dat het mijn beurt was. U weet wel, gisteren hebt u Florrie binnengebracht, en eergisteren tante Wat-ton.quot;
George nam op zijn gemak aan tafel plaats, en wendde zich toen tot zijn dischgenoote.
âZoudt u willen beginnen, Miss Sewell, met mij op de hoogte te brengen van hetgeen ik doen moet om u geen hoofdpijn te bezorgen? Sedert van morgen heb ik alle zelfvertrouwen verloren; â ik moet aanwijzingen hebben.quot;
âWel,quot; zei Letty, even nadenkend, âlaat ons beginnen met vast te stellen welke onderwerpen we bepraten mogen. U mag, bijvoorbeeld, spreken over Mrs. Hawkins.quot;
Zij gaf een bijna onmerkbaar teeken met het hoofd in de richting naar de spichtige dame tegenover hem, waar Harding Watton, een fattig heertje, weinig notitie van nam.
George keek haar strak aan en zei, beslist:
âNeen, dank u, dat onderwerp trekt mij niets aan; bovendien, 't zou in een oogenblik uitgeput zijn.quot;
âO, integendeel,quot; beweerde Letty, de bruine oogen tintelend van guitigheid, âik kan wel twintig minuten over haar redeneeren! Om te beginnen : Ze heeft mijn japon aan.quot;
âIk heb ze niet herkend,quot; zei George, andermaal de magere dame opnemend.
â't Zou mij niets kunnen schelen,quot; hernam Letty, op denzelfden peinzenden toon, âals Mrs. Hawkins zich maar niet verplicht voelde mij de les te lezen
22
omdat ze mijn japonnen namaakt. Als ik op iemand zooveel aan te merken had, geloof ik niet dat ik mijn meid naar haar kamenier zou zenden om haar patronen te leen te vragen.quot;
âIk moet zeggen dat u die lessen nog al kalmpjes opneemt.quot;
âOnverschillig, bedoelt u? Ja, dat is mijn ongeluk , ik ben erg ongevoelig. Ik verbeeld me altijd dat ik 't beter weet dan de menschen die alles afkeuren.quot;
âDus u vondt mij van ochtend een groote dwaas?quot;
âO, neen! Alleen â nu ja, ik was overtuigd,
weet u, dat ik 't beter wist. Ik was verstandig, ff
en. . ..
âOch, eindig dien zin maar niet viel Sir George haar in de rede, âen verbeeld u niet dat ik u ooit weer met raadgevingen zal lastig vallen!quot;
âZoo? Meent u dat?quot;
Hij ontmoette haar spottenden, uitdagenden blik zonder de oogen neer te slaan. Intusschen maalde hem steeds door het hoofd wat hij eens een vrouw had hooren zeggen van eene intieme vriendin. âHaar geest?. . . O; haar geest is een chaos!quot; Die woorden â dacht hij, half boos op zichzelf â gaven geheel weer wat er op dit oogenblik in hem omging. Want hij maakte zich niet wijs dat er veel diepte was in zijn gevoelens voor Miss Sewell, welke onvoorziene mogelijkheden het leven ook van tijd tot tijd te aanschouwen geeft; bijvoorbeeld , als zij dat rose japonnetje droeg van van avond, of als haar inpertinente stoutigheden haar even aardig afgingen als nu. Iets koels en critisch in hem was al dien tijd bezig haar te wikken en te wegen. Over tien jaar, dacht hij, zou al dat aardige van haar persoontje weg zijn. Terwijl nu, met dat frissche en bevallige, met die kleine handjes en voet-
jes, die lichte, luchtige bewegingen, met dat eénig-gracieuse in kleeding en in vormen, dat haar nooit verliet, al Letty Sewell's tekortkomingen wat vrouwelijk schoon betreft vergeten werden door het geheel, dat den meesten mannen het hoofd op hol bracht. In haar eigen kring althans was Letty nooit zonder cavalier, zonder iemand die haar het hof maakte, of wat het wezen mag dat voor een Jong meisje begeerlijk is, en ieder beweerde â ofschoon zij zelf zeer sterk van het tegendeel overtuigd was â dat Letty Sewell alles krijgen kon waar ze haar hart op zette. Ze had er haar hart op gezet, zooals de toeschouwers in dit speciale geval weldra ontdekten, den jongen George Tressady aan hare voeten te brengen. En dit was haar gelukt. Want zelfs deze laatste drukke dagen was het duidelijk merkbaar, dat zij en zijn verkiezing te zamen Tressady in beslag- namen, misschien nog met het voordeel aan hdre zijde. Doch wat de mate van haar succes betreft, dit was nog twijfelachtig â voor haar en, bovenal, voor hem.
Heden avond, evenwel, kon hij zich niet van haar losscheuren. Hij trachtte herhaaldelijk met het meisje aan zijn linkerhand te praten, een mooi type, kersversch van kostschool, die over drie jaar Letty Sewell overtreffen zou in schoonheid zoowel als in andere dingen. Maar het ging niet. De aanhoudende inspanning den heelen dag deed hem â door vermoeidheid en réactie â te meer behoefte hebben aan afleiding en aan de bevrediging van iets anders.
Hij wendde zich weer tot Letty, en het eene gerecht voor, het andere na, bleven zij babbelen en kibbelen, pratend over menschen, boeken, het too-neel, of liever, onder den dekmantel van dit alles, over allerlei onderwerpen die het vraagstuk der
24
liefde nauw raken, waardoor mannen en vrouwen den grond leggen tot een latere intieme verhouding; tot Mrs. Watton's scherpe, grijze oogen glimlachend toekeken van achter haar waaier, en de aandacht van haar buurman, Lord Fontenoy,âgeen welkome! â telkens en telkens tot het paartje aangetrokken werd.
Intusschen bleef, den halven tijd van het diner, een stoel vlak tegenover Tressady onbezet. Deze was bestemd voor den oudsten zoon des huizes; â zijn moeder zei op onverschilligen toon aan Lord Fontenoy dat zij âwel dacht dat hij als gewoonlijk in 't dorp zat.quot;
Evenwel, tegelijk met het verschijnen der fazanten , werd de deur der zaal geopend en een slanke jonge man, met donker haar, sloop onopgemerkt naar binnen. Zoo stil mogelijk nam hij zijn plaats in, met een glimlach zijn buurvrouw en George begroetend , en den knecht fluisterend bevelend hem als alle anderen te presenteeren van het nu komende gerecht.
Maar luid klonk de stem zijner moeder van het hoofdeinde der tafel: âGekheid, Eduard! wees toch niet zoo dwaas! Morris, breng die ^â as-entrée terug voor jonker Eduard, en de schapenbout.quot;
De nieuwaangekomene trok even de wenkbrauwen samen, glimlachte en onderwierp zich.
âWaar kom jij vandaan, Eduard?quot; vroeg Tressady. âIk heb je niet meer gezien na onze ontmoeting op 't stadhuis?quot;
âIk kom van een repetitie De volgende week is er een volksconcert, waarvan ik de leiding op mij genomen heb.quot;
âDie concerten zijn doorgaans slecht,quot; zei Mrs. Watton, knorrig.
Eduard Watton haalde de schouders op. Hij had
25
een zekere beschroomdheid over zich, waarin iets zeer innemends was, doch die een enkele maal weer sproken werd door een uitdrukking van vastberadenheid en geestdrift in de oogen.
âDes te meer reden om te repeteerenzei hij. âMaar wezenlijk, ditmaal zal het een vrij aardig concert worden.quot;
âEduard,quot; zei Mrs. Watton fluisterend tot Lord Fontenoy, âbehoort tot de jongelui die zich verbeelden dat men goede maatjes kan worden met het volk â met den minderen stand â door ze de hand te geven, schilderijen van Burne Jones te laten zien, en âde Messiasquot; met ze te zingen. Vroeger dacht ik het ook. Iedereen bijna, 't Was zoo iets als de mazelen. Maar verstandige menschen zijn daar nu overheen.quot;
âMerci, mama,quot; zei Watton, haar met een glimlachje toeknikkend.
Lady Tressady staakte haar gesprek met den squire aan het andere eind van de tafel, om te hoo-ren wat er gaande was. Ze was druk aan 't redeneeren geweest, met een schelle , geaffecteerde stem , met gesticulaties, zoo vrij en zoo Fransch, en haar gezicht zoo dicht bij het zijne, dat de zenuwachtige, bedeesde squire ieder oogenblik vreesde de spitse witte vingers in zijn oogen terecht te voelen komen. Het nam hem een pak van 't hart toen hij haar aandacht door iets anders geboeid zag.
âIs meneer Eduard daar bezig zijn radicale ideeën te verkondigen ?quot; vroeg ze, een met goud gemonteerd lorgnon aan het oog brengend, âdat lieve, ondeugende radicalisme? Ja, we weten allen wel hoe meneer Eduard daar aan komt!quot;
Heel de tafel lachte. Harding Watton vooral, scheen groote pret te hebben.
26
âEgeria is verleden week hier in de buurt geweest,quot; wendde hij zich tot Lady Tressady. âEduard is haar een visite gaan maken. Sedert dat bezoek heeft hij zich bij twee nieuwe vereenigingen aangesloten en zes nieuwe werken besteld over de arbei-dersquaestie.quot;
Eduard kreeg een kleur, maar ging rustig voort met eten, zonder te doen blijken wat er in hem omging-
âAls je Lady Maxwell bedoelt,quot; zei hij alleen , volstrekt niet op een boozen toon, âkan ik er nog bijvoegen dat het me spijt voor iedereen die haar niet kent.quot;
Hij hief het fraai gevormde hoofd op met een flinke, uitdagende houding, die hem zeer goed stond, doch zijne moeder een ergernis was.
âDie vrouw!quot; riep Mrs. Watton, met veelbetee-kenenden nadruk , terwijl ze van verbazing de handen in de lucht sloeg. Toen, zich tot Lord Fontenoy wendend, vroeg ze dezen, categorisch:
âBeschouwt u haar niet als de oorzaak van de helft van de verkeerdheden, in de laatste twee jaar door deze regeering tot stand gebracht?quot;
Een ietwat' minachtende glimlach vertoonde zich op Lord Fontenoy's gezicht toen hij antwoordde:
âOch, ik zou wezenlijk Lady Maxwell niet gaarne de zondebok van dit alles maken. Laat hen zelf de gevolgen dragen van hun verkeerdheden.quot;
âBovendien, wat kun je erger zeggen van Engel-sche ministers, dan dat ze aan den leiband loopen van eene vrouw?quot; zei Mr. Watton, van het benedeneind der tafel, met een pieperig stemmetje. âIn mijn jongen tijd zou zoo iets ongehoord zijn. â Neen, vrouwtjelief, wees maar niet boos, ik bedoel er niets mee, ik bedoel er niets mee,quot; liet hij er haastig op volgen, zijne vrouw aanziend.
27
Letty keek eens naar George, en hield haar zakdoek voor den mond om haar lachen te verbergen.
Mrs. Watton keek boos en zei knorrig;
âEen massa Engelsche ministers hebben zich in vroeger jaren door een vrouw laten leiden , en 't heeft niemand geschaad. Maar in vroeger dagen wist men wat men aan de menschen had. De vrouwen waren bedorven â met opzet â ter wille van haar echtgenoot, haar broers, haar zoons. Zij hadden iets voor iemand noodig â en ze kregen 'took. Tegenwoordig zijn ze bedorven â zooals Lady Maxwell â ter wille van wat zij de goede zaak gelieven te noemen, en dat zal de ondergang zijn van de natie.quot;
Hier volgde, van de zijde van Eduard Watton, een onvoorzichtig protest tegen het woord âbedorvenquot;, gevolgd door een luide tegenspraak van zijn moeder en broeder, wat heel de eetzaal door gehoord werd. Lady Tressady wierp telkens met een geaffecteerd stemmetje een cent in 't zakje, en deed alle moeite zich in het gesprek te mengen door een ijverig gebruik van haar waaier, het noemen van de sprekers bij hun doopnaam , en eenige onschuldige hatelijkheden tot elk op zijn beurt. Maar alleen Eduard Watton nam een enkele maal met een glimlach notitie van haar, de anderen negeerden haar totaal. Het was een kolfje naar hun hand, een afvallig schaap onder handen te nemen; zij hadden op het oogenblik geen ooren voor een ander.
âIk denk dat ik deze merkwaardige vrouw over een paar weken wel eens ontmoeten zal,quot; zei George tot Miss Sewell, profiteerend van het geschetter om hen heen. â't Is vreemd, ik heb haar nog nooit gezien.quot;
âWie niet? Lady Maxwell?quot;
âJa. U weet, ik ben vier jaar op reis geweest. Zij
28
was, geloof ik, het jaar vóór mijn vertrek in Londen , maar toevallig heb ik haar nooit ontmoet.quot;
âIk weet zeker dat u vreeselijk met haar ingenomen zult zijn,quot; verklaarde Letty. âTen minste, zoo gaat het mij als tante Watton kwaad van iemand spreekt. Ik zou later onmogelijk die menschen akelig kunnen vinden, hoe ik ook mijn best deed.quot;
âOho! van dien aard ben ik niet! Vergun mij u daar even attent op te maken, Miss Sewell! Ik ben maar een gewoon mensch; ik laat mijn vrienden wèl invloed op mij hebben.quot;
Hij keerde zich geheel naar haar toe, om zich andermaal enkel aan hdar te wijden.
âKom! u is volstrekt niet het zachte lammetje, zooals u uzelf afschildert!quot; zei Letty, haar hoofdje schuddend. âIntegendeel â u is de meest stijfhoofdige man dien ik ooit in mijn leven ontmoet heb; â u kunt nooit een onderwerp laten rusten als 't afgedaan is; â u weet nooit wanneer u de vlag hebt moeten strijken!quot;
âWanneer ik de vlag heb moeten strijken?quot;.... herhaalde George, peinzend, âvoor een hoofdpijntje ? Nu, daar is toch waarlijk geen schande in! Wie weet of wij niet nog eens een dag van strijd beleven ! U bedoelt toch niet dat u de oogen sluiten zult â moedwillig sluiten â voor al die massa feiten , die ik u van morgen ten opzichte van kapitein Addison heb voorgelegd?quot;
âIk zal u eens plezier doen, en ze vergeten! Maar luister nü naar tante Watton ! Dat is uw plicht. Tante Watton is gewend dat men naar haar luistert, en u hebt dit alles niet reeds honderde malen gehoord, zooals ik!quot;
Inderdaad, Mrs. Watton was aan haar eind van de tafel druk aan 't redeneeren over iets dat haar
29
zeer scheen op te winden. Minachting en antagonisme verleenden een uitdrukking van kracht aan een hoofd en een gelaat, op zichzelf reeds vol uitdrukking. Zoowel de vorm van hoofd, als van het gelaat, waren grof, toch niet ordinair. Het kap-seltje van antieke kant stond goed bij het golvende, grijze haar; het gaf haar een zekere deftigheid, waarvan zij zelve zich bewust was; de hand die op de tafel lag, was lang en mager, en in haar zenuwachtige bewegelijkheid vol uitdrukking. Mrs. Watton was een tyran, men kon het haar wel aanzien â maar een tyran met een kop.
âKennissen van hen , in Brookshire,quot; was zij bezig te vertellen, âhebben mij verleden week een allerzotst verhaal gedaan van haar manier van doen op Mei-lor. Ze was de erfgename van dat landgoed daarquot; â zij richtte zich tot den jongen Bayle, die, betrekkelijk een nieuwe kennis, verondersteld kon worden onkundig te zijn van feiten aan iedereen bekend â âeen oud kavalje van een huis, met de revenuen van ongeveer twee duizend 'sjaars. Zoodra ze getrouwd was, zette ze er een socialist in, een van de ergste soort, hoor ik. Die man heeft, zooals ze dat noemen , âstandaard-loonenquot; op het landgoed ingesteld â wat feitelijk neerkomt op het dubbele van 't gewone loon â; heeft al de pachters er toe gedwongen en iedereen in den omtrek woedend gemaakt. Heel het district moet op z'n achterste pooten staan van ergernis, 't Was daar altijd een paradijsje van rust en vrede, maar zij heeft er de poppen aan het dansen gebracht! Zij, getrouwd met iemand die dertig duizend pond 's jaars te verteren heeft, zij kan zich zulke grapjes veroorloven, maar anderen, die leven moeten van de opbrengst hunner landerijen, kunnen hun plezier wel op.quot;
3°
âZe heeft mij verteld dat het systeem, alles door elkaar genomen, uitstekend werkt,quot; zei Eduard W atton, wiens verhoogde kleur den onaangenamen indruk verried, welken zijn moeder's chronische aanvallen telkens op hem maakten, âen dat Maxwell het waarschijnlijk ook op zijn eigen bezittingen invoeren zal.quot;
Andermaal sloeg Mrs. Watton de handen in de lucht.
âZoo'n idioot!! Voor zijn huwelijk deed die man altijd even verstandig. En nu laat hij zich blindelings door die vrouw leiden, en, wat hij ook verzint, de Regeering moet naar zijn pijpen dansen, om de macht die hij heeft in 't Hoogerhuis.quot;
âÃn 't ergste van alles,quot; zei Harding Watton, met een onaangenamen lach, âwas zij niet zoo'n mooie vrouw, dan zou haar invloed niet half zoo groot zijn. Ze trekt partij van haar schoonheid op 'n schandelijke manier.quot;
»gt;Dat, geloof ik, is een groote onwaarheid quot; viel Eduard Watton met verontwaardiging hierop in , zijn broeder strak aanziende.
George Tressady mengde zich nu in het gesprek. Hij hield veel van Eduard Watton en kon Harding niet uitstaan. Zich ietwat naar voren buigend, wendde hij zich tot zijne gastvrouw en vroeg: âIs zij werkelijk zoo'n beauté?quot;
Mrs Watton verwaardigde zich niet hierop te antwoorden. Maar Lord Fontenoy, hoewel op kouden , onverschilligen toon, als trok het onderwerp hem niet aan , zeide:
âOch, ik hoorde een ouden diplomaat onlangs de opmerking maken dat zij, naar zijn smaak, de mooiste vrouw was die wij sedert de dagen van Lady Blessington in Londen gehad hebben.quot;
3i
âLady Blessington! Nu, 't is plezierig. â Lady Blessington!quot; riep Lady Tressady, met boosaardigen nadruk, â «geen prettige vergelijking, vindt u wel ? Niet vele menschen zouden graag voor de opvolgster van Lady Blessington aangezien worden.quot;
âIn ieder ander opzicht dan wat schoonheid betreft,quot; sprak Eduard Watton hoog, met denzelfden nadruk als zooeven, âzou de vergelijking natuurlijk belachelijk wezen.quot;
Harding haalde de schouders op, en zei fluisterend, zijn stoel een weinig achteruit schuivend, tot een verlegen jongmensch, dat naast hem zat:
âIk voor mij geloof dat het met graaf d'Orsay slechts een quaestie van tijd is! Maar daar moetje bij Eduard niet meê aankomen!quot;
Harding las mémoires, en vond zichzelf een jongmensch van algemeene ontwikkeling. De aangesprokene, die niets gedrukts las behalve de sportbladen, waardoor hij op de hoogte bleef van wat er omging in die wereld, en die in de verte niet wist wie Lady Blessington en graaf d'Orsay waren, glimlachte flauwtjes en zei niets.
âVrouwtje,quot; zei de squire, op klagenden toon, âvind je 't hier niet ontzettend warm?quot;
Er ging een veelbeteekenend gegiegel op onder de jongelui, van wie de meesten dergelijke kibbelpartijen tot vervelens toe bijgewoond hadden. Squire Watton, die het buskruit niet uitgevonden had, begreep hier niets van, en keek met vragenden blik de tafel rond. Doch Mrs. Watton verwaardigde zich den wenk te vatten en gaf het sein tot opstaan.
In het salon gekomen vervulde Mrs. Watton allereerst hare gastvrouwelijke plichten jegens Mrs. Hawkins , die, als dominé's vrouw, een vaste, ofhcieele
32
plaats bekleedde in den kring van Malford House, geheel buiten haar persoon om. Ongeveer tien minuten bleef zij met haar praten. Mrs. Hawkins was leelijk, verwaand, en bezat hoegenaamd niets aantrekkelijks voor Mrs. Watton, die zich in het minst niet aan haar gelegen zou laten liggen, ware zij niet de vrouw van den predikant, door haar man aangesteld. Doch van de beleefdheden en eerbewijzen waarop zij als zoodanig aanspraak mocht maken, werd haar geen enkele onthouden.
Hiermede echter stelde Mrs. Hawkins zich helaas! niet tevreden , die, een en al eerzucht, en ten gevolge van gebrek aan manieren een hatelijk gevoel van verlegenheid hebbend, plus een klein inkomen, zich telkens teleurgesteld zag. Zoodra de tien minuten om waren, en Mrs. Watton, die eigenlijk vervuld was van de politiek en het niet noodig vond de vrouw van den dominé als een vreemde te beschouwen , zich verdiepte in de avondbladen haar door een lakei gebracht, ging Mrs. Hawkins op Letty Se-well af. Zij was een en al dankbaarheid â ie dankbaar â voor de patronen haar door Miss Sewell's kamenier geleend.
âZoo, heeft ze u patronen gegeven ?quot; zei Letty, groote oogen opzettend. âOch kom, â dat wist ik niet.quot;
En onverschillig nam ze Mrs. Hawkins' nieuwe japon op, die, inderdaad , een dorpsnamaak was van het elegante japonnetje, waarin Miss Sewell dezen avond aan tafel verschenen was.
Mrs. Hawkins kreeg een kleur, en rammelde:
âIk heb mijn meid toch op het hart gedrukt, natuurlijk eerst aan ?/ permissie te vragen. Maar 'k geloof dat mijn meid en uw kamenier erge vriendinnen zijn. U begrijpt, mijn meid heeft overvloed van tijd om mijn japonnen te maken, met
33
slechts één kind van vier jaar om voor te zorgen, en . . en . .. och , weet u, men ziet nooit eens iets nieuws in zoo'n klein dorp ! Ik zou er anders heusch niet aan denken zoo indiscreet te zijn!quot;
Trots en mauvaise honte gaven iets heel onaantrekkelijks aan stem en manieren beide. Letty voelde denzelfden lust tot plagen in zich opkomen, die kleine jongens hebben wanneer zij een vlieg vangen.
Onverschillig klonk haar antwoord:
âO, ik vind het heel aardig, 't Is gemakkelijk en veel beter als men zijn goed thuis laat maken. Die meid van u moet een ware fénix zijn.quot;
Al dien tijd rustten haar oogen op een leelijke lijn in den snit, of op een wanstaltigheid in de garneering van het eigengemaakte product tegenover haar. Het oor der dominésvrouw, akelig-gevoelig in dkt salon vooral, ving een zweempje spotternij op uit ieder woord. Alles in haar vlamde op van boosheid; ze nam zich voor zich ook eens te laten gelden.
âGaat u nog meer uit logeeren ?quot; vroeg ze.
âJa, ik heb nog een paar invitaties,quot; zei Letty, onwillekeurig het fijne kopje omdraaiend. Zij had. voor tijdverdrijf, Mrs. Watton's schoothondje zitten plagen, dat nu op het groote haardkleed haar tartend stond aan te kijken.
âU brengt bijna heel het jaar met logeeren door, is 't niet?quot;
âJa; â althans 't grootste gedeelte,quot; zei Letty.
âVindt u 't niet erg jammer van uw tijd? Me dunkt, u kunt nooit een oogenblik besteden aan iets waar men wat aan heeft? O, ik geloof dat het mij vreeselijk lui zou maken!quot;
Mrs. Hawkins lachte; haar bedoeling was een lossen, schertsenden toon aan te slaan.
Letty bracht een klein handje naar haar gezicht
I- ' 3
34
om een geeuw achter te verbergen, die echter duidelijk zichtbaar was, en zei, met een brutale onverschilligheid , waar ze ditmaal geen doekjes om trachtte te winden:
âZoo? â Evelyn, zie dien hond toch! Vind je niet dat hij op Mr. Bayle lijkt?quot;
Zij wenkte het mooie, zestienjarige ding, dat aan tafel aan George Tressady's linkerhand gezeten had, nam, terwijl ze den hond riep, tusschen duim en vinger een hoopje rozenbladen, die uit een bouquet naast haar waren gevallen, en gooide hem er meê, steeds roepend; âSpits, Spits!quot; Maar in plaats van naar haar toe te gaan, zette de hond zich op zijn gemak neer op het warme haardkleed, legde den kop tusschen de voorpooten, en keek haar strak aan, als hield hij de wacht.
âGek, hij wil nooit goeie maatjes met je worden, Letty! Hoe zou dat toch komen ?quot; zei Evelyn lachend, terwijl ze zich bukte om den hond te streelen.
âOch, laat hem maar, er zijn honden genoeg. Heb je dien snoezigen, zwarten Spits van Lady Arthur gezien ? Ze heeft er mij een beloofd.quot;
En de nichtjes verdiepten zich in een gesprek over haar kennissen in den omtrek, meest allen rijk en tot de aristocratie behoorend, van wie Mrs. Hawkins weinig of niets wist. Evelyn Wat-ton , die een scherpen blik had en een edelmoedigen aard, trachtte herhaalde malen de dominésvrouw aan het gesprek te doen deelnemen. Doch Letty had vast besloten haar er buiten te houden. Zij leunde achterover in de canapé, druk babbelend, den blanken hals, het frissche teint voordeelig afstekend tegen het rood damast, het eene voetje los over het andere, wat de fraaie schoentjes met de stalen gespjes deed uitkomen. Zij schitterde van juweelen â
35
âte veel voor een jong meisjequot;, vond Mrs. Hawkins. Van het hoofd tot de voeten sprak alles van leven, van overdaad, van lokkende schoonheid, hoewel niet lokkend aan het adres van Mrs. Hawkins en de haren.
Deze zat, met een hoogroode kleur, kaarsrecht op haar stoel, na eenige vergeefsche pogingen het opgevend om zich in het gesprek te mengen, maar inwendig kokend van spijt en ergernis. Helaas, ze kön Letty Sewell niet minachten, daar Letty juist datgene bezat wat zij voor zichzelve zoo vurig wenschte. Maar er woelde nog iets anders in haar dan kleingeestige jaloezie. Toen Letty een alleraardigst kind was, in korte rokjes, had de dominés-vrouw, die bijna zes jaar ouder was, al haar best gedaan om bij Mrs. Watton's nichtje in de gunst te komen. Er was een korte tijd geweest toen zij âMadgequot; en âLettyquot; tegen elkaar speelden, zelfs nog nadat Letty âuitgingquot;. Maar nu â telkens als Mrs. Hawkins Letty bij den naam wilde noemen, bleef hij haar in de keel steken. Ze voelde zelf dat er geen een reden was voor zooveel familiariteit, terwijl Letty, bij ieder logeeren op Malford Hotise, haar vroegere vriendin meer in het oog loopend negeerde en Madge haar niet meer over de lippen kwam.
De heeren, die het druk hadden over een en ander wat bij de verkiezingen was voorgevallen, bleven, vooral in de oogen van het nieuwe Parlementslid, verbazendquot; lang in de eetkamer plakken. Toen zij eindelijk in het salon kwamen, deed George Tres-sady nogmaals een poging om met een andere dame dan Letty Sewell te praten, en wederom gelukte het hem niet.
âVertel me eens, wie is toch die Miss Sewell,quot;
36
zei Lord Fontenoy, na eenige oogenblikken, zacht tot Mrs. Watton. Hij had eenigen tijd zwijgend naast haar op de canapé gezeten, spelend met de couranten, die Mrs. Watton hem had afgestaan.
De gastvrouw keek op, volgde de richting van zijn oogen naar een divan in een hoekje van de kamer, en lachte.
âLetty ?. . O, Letty is een nichtje van me, de dochter van mijn broer Walter Sewell, van Helbeck. Ze wonen in Yorkshire. Mijn broer heeft het goed van mijn vader; een kleine bezitting, waar hij altijd getob heeft met de pacht. Ik begrijp dikwijls niet hoe ze dat kind zoo goed kleeden kunnen. Maar Letty heeft altijd haar zinnetje weten door te drijven, van dat ze een meter hoog was af. Wat mijn armen broer betreft: hij is al tien jaar ziekelijk, en hij noch zijn vrouw â o, dat is zoo'n onbeduidend mensch!quot; â wederom riepen Mrs. Watton's krachtige handen en oogen den hemel tot getuige â âheeft, geloof ik, ooit veel te zeggen gehad in Letty's opvoeding. Er is nog een meisje, een klein, teer, in zichzelf gekeerd ding, dat zich meer aan haar ouders wijdt. O, Letty is lang niet dom; ze is niet voor de poes, hoor! Ik geloof dat je je een beetje ongerust maakt over Sir George. Wees maar niet bang. Ze is tegen iedereen zoo.quot;
De openhartige tante zette het gesprek nog eenigen tijd voort op denzelfden toon, ietwat scherp, doch niet onwelwillend. Evenwel â toen het afge-loopen was, voelde Lord Fontenoy zich nog niet gerust. Hij was alleen naar Malford House gekomen om er den uitslag der stemming af te wachten, na den verkiezingsstrijd te hebben doorgemaakt in een ander gedeelte van het district. En nu, juist aan den avond van den dag waarop de zege behaald
37
was, ondervond hij plotseling een gevoel van teleurstelling, iets als van een koud-water-bad.
Toen men zich gereed maakte om naar bed te gaan, bleef Letty, nadat de andere dames reeds vertrokken waren, nog in het salon talmen, zoekend een paar kleinigheden die haar toebehoorden; zoodat, toen George Tressady jnet haar meeliep om op de galerij haar kaars aan te steken, zij alleen waren.
Hij was eensklaps stil geworden, wat haar met een onderzoekenden blik tot hem deed opzien terwijl zij den kandelaar aannam. De slanke, toch mannelijke gestalte, een goed eind boven haar uitstekend, het lang niet onbeduidend gezicht met de spitstoe-loopende kin, deden haar aangenaam aan. Sir George mocht leeiijk zijn â dat vond ze wel â toch had hij iets gedistingeerds over zich, en hij was lang geen suffert.
âIk geloof dat u doodmoe is,quot; richtte ze het woord tot hem. âWaarom gaat u niet naar bed?quot;
Zij sprak, met de vrijmoedigheid van iemand, gewoon onder haar mannelijke vrienden goeden raad uit te deelen. George lachte.
âWat? Ik vermoeid? Neen, zeker niet! Vóór het eten was ik 't wèl. Hoor eens, Miss Sewell, ik moet u even iets vragen.quot;
âGa uw gang.quot;
âU zoudt immers dezen gewichtigen dag niet voor mij willen bederven ? . .. Hebt u berouw van die hoofdpijn ?quot;
Zij keken elkaar aan met vroolijk lachende oogen, maar in de zijne was bovendien een dringend-vragende, ernstige uitdrukking.
Zij stak hem de hand toe en zei: âGoeden nacht, Sir George.quot;
38
Hij hield het handje vast en herhaalde, zich over haar heen buigend:
âHèbt u berouw?quot;
De situatie streelde Letty's eigenliefde ; zij deed niet terstond een poging om er een eind aan te maken.
âVraag mij dat over een maand, als ik het bewijs heb van 't geen u hebt .gezegd.quot;
âDus u denkt dat het maar een verzinsel was ?quot;
âIk denk niets,quot; zei ze vroolijk. âIk heb mijn vriend in bescherming genomen.quot;
âJa, door een anderen vriend verdriet en onrecht te doen! Zou het u aangenaam zijn als ik u zei dat ik u vandaag heel erg gemist heb in Malford?quot;
âDat zal ik u morgen vertellen â 't is nu zoo laat! Toe, laat mijn hand los.quot;
Hij lette niet op haar verzoek, en , hand in hand , zij hem meêtrekkend, naderden zij de trap.
âGeorge!quot;., riep aarzelend een schelle stem van boven.
George keek op en zag zijn moeder. Hij en Letty vlogen ontsteld uiteen; in een oogenblik was Letty uit het oog verdwenen.
âWat is er, mama?quot; zei George ongeduldig.
âKom je even hier?quot;
Hij liep de trap op, en merkte dat Lctdy Tres-sady een beetje geschrikt was, ofschoon geaffecteerd als altijd.
âO, George! 't was zoo donker, â ik zag niets! â ik wist niet wie daar was! Zeg, George, wil je morgen na het ontbijt een oogenblikje bij mij in mijn kamer komen? Och, George-lief, mijn beste, beste jongen! Je moedertje begrijpt er alles van!quot;
Zij legde de eene hand op zijn schouder, en wees veelbeteekenend met haar waaier in de richting waarin Letty verdwenen was.
39
George deed een paar stappen achteruit. âNatuurlijk wil ik morgen graag bij u komen , moeder. Wat het andere betreft: ik begrijp niet wat u bedoelt. Maar laat mij nu , als 't u blieft, naar bed gaan ; ik ben te moê om te praten. Slaap wel.quot;
Lady Tressady ging terug naar hare kamer, glimlachend , maar niet gerust.
âZe heeft hem gevangen! â zoo'n schaamtelooze coquette! 't Is voor mij niet alles. Maar misschien maakt het hem te meer edelmoedig; als... als ik mijn kaarten maar voorzichtig uitspeel.quot;
Intusschen was Letty Sewell aangeland in de kalme stilte van een weelderig ingerichte slaapkamer, waar ze terstond haar kamenier schelde om haar te ont-kleeden. Toen de kamenier vertrokken was, schafte zij, bij het vuur staande, raad met zichzelve: de stand van zaken; wat zij wenschte; wat de anderen voor hadden; hdar wil, en de kansen om dien er door te krijgen. Hare gedachten hielden zich met deze verschillende problemen bezig op slimme, zaakrijke manier. Aan een zekeren vorm van zelfonderzoek was Letty lang gewend; dit was een groote factor geworden in de ontwikkeling van haar karakter, zooals met een ander soort van zelf-onderzoek het geval is bij een ander genre van menschen.
Zij zelf ondervond de aangename sensatie eener ongewone aandoening. George Tressady had indruk op haar gemaakt, meer â zei ze tot zichzelf âja, ontegenzeggelijk meer dan ooit een van âde restquot;. Zij dacht aan âde restquot;; aan den een na den ander; dacht aan hen met minachting. Toch hadden zeer zeker weinig meisjes uit haar kring, en indestreek waar zij woonde, meer pleizier in haar jong leven gehad â weinigen, misschien , hadden den moed ge-
4°
toond voor zooveel avontuurtjes. Letty's moeder had haar altijd haar gang laten gaan, en zij zelve was nooit bang geweest âvoor de praatjesquot;. Danspartijen, picnics, wandelingetjes in den maneschijn; het genot van tot laat in den nacht buiten te zitten; warme wedstrijden met mooier meisjes; vrijpostigheden tegenover heeren die er niet op aankwamen, en aardige complimentjes tegenover heeren die wèl in de termen vielen â dit alles was dol prettig om zich te herinneren. Zij kon zichzelve niet verwijten dat ze één kansje ongebruikt gelaten had , één gelegenheid zich had laten ontglippen die haar wil haar had kunnen bezorgen.
En toch .... ja, 't verveelde haar! â ze gaf niet meer om haar jonge-meisjesleven en wat dit haar bood. Ze was naar Malford House gekomen, ietwat uit haar humeur; hetgeen misschien den onaangena-men toon verklaarde, waarop ze de arme Mrs. Hawkins onthaald had.
In het afgeloopen jaar had een zeker huwelijk â /iet huwelijk in haar omgeving â telkens binnen haar bereik geschenen. Zij had al hare kaarten uitgespeeld, alle; töch was het haar neus voorbijgegaan! En bovendien, op een vernederende manier. Want er wérd een bruid gekozen, uüt Letty Sewell, maar een van Letty's kennissen.
Van avond â bijna voor het eerst â kon zij er aan denken; kon ze er zelfs om lachen. IJdelheid en eerzucht alleen waren er meê gemoeid geweest, en van avond waren deze wilde beestjes tot rust gebracht en in een verzoenende stemming.
Wel-is-waar, een aanzienlijk huwelijk was dit niet â als er iets van kwam. Al wat tante Watton van de Tressady's wist, had haar nichtje er sedert lang uit weten te halen. En Letty's slimme vragen aan
4i
Tressady zelf hadden veel licht gegeven. Ze wist bijna alles wat ze weten wilde. Geen twijfel of Ferth was een landgoed van gedecideerd tweeden rang; en nu die akelige mijnwerkers zoo lastig werden, kon zijn inkomen als eigenaar van kolenmijnen niet zoo groot zijn als dat van zijn vader geweest was â drie of vier duizend pond 'sjaars misschien, dacht ze, in goede jaren mogelijk meer.'t Was niet veel.
Toch â ze hield de handen voor de oogen â hij had een zekere distinctie. Hij zou in alle kringen welkom zijn.
âEn wij zijn niets gedistingeerd â dat is 't juist! Wij zijn een onbeteekenende familie , en we bewegen ons in een vervelenden kring, 't Heeft mij heel wat moeite gekost om er iets van te maken. Tante Wat-ton heeft toch geboft met zoo'n huwelijk ! Natuurlijk heeft zij gezorgd dat oom Watton haar vroeg; maar daarin is 't haar toch meêgeloopen. Papa zegt altijd dat niemand anders dat gedaan gekregen had!quot;
Ze dacht met heimelijk welgevallen aan haar schermutselingen met Tressady; er vielen kuiltjes in haar wangen van plezier. Die kapitein Addison ! Wat zou de goeie man verbaasd zijn als hij wist waarvoor ze zijn naam gebruikt had en zijn zeer twijfelachtige oplettendheden! Maar hij zou 't nooit weten, en in-tusschen was Sir George opgestoven, was hij wezenlijk jaloersch ! Zij lachte â een zacht lachje van louter plezier.
Ja â haar besluit was genomen. Met een zucht zette ze alle andere en eerzuchtiger plannen van zich. Ze geloofde dat ze geen geld genoeg had; of haar familie was niet aanzienlijk genoeg. Men moest de feiten flink onder de oogen zien. George Tressady zou haar maatschappelijk in een ander milieu brengen dan het hareen in een hooger. Ze maakte
42
zichzelve wijs dat ze zich altijd aangetrokken had gevoeld tot de leden van het Parlement, tot de politieke en eminente mannen. Waarom zou ze niet evenzeer opgang maken in die als in de Helbeck-wereld ? Natuurlijk zou ze opgang maken!
Wel was er zijn moeder â 'n mal, oud wijf, met haar blanketsel! Zij, natuurlijk, was de groote schaduwzijde. Tante Watton zei dat ze enorm veel geld verkwistte, en ze haar zoon nog zou ruïneeren als dat zoo voortging. Des te meer reden waarom hij daarvoor bewaard moest worden. Letty richtte zich trotsch overeind in haar eleganten , wit flanellen peignoir, tot zichzelve zeggend, dat zulk soort moeders op haar plaats moesten en konden gehouden worden.
Een huis in de stad, natuurlijk; â niet in War-zvick Square, waar het bleek dat de Tressady's een eigen huis hadden, dat verhuurd geweest maar nu wederom in Sir George's handen was. Dat kon dienen voor Lady Tressady â als ze, ten minste, zooveel kon bijbrengen wanneer haar zoon getrouwd was en niet langer voor haar zorgen kon.
Letty droomde, voor het vuur staande, rustig voort, en stelde zich het leven in Londen voor dat de toekomst haar brengen zou: het jonge Parlementslid, Lord Fontenoy's vriend en protégé; de. echtgenoote van het Kamerlid, zich gezien makend bij de grootelui, prettige, gezochte partijtjes gevend op Ferth... .
Alles goed en wel! Maar zeg, welke feiten kon ze van hèm aanvoeren ? Ze begroef het kleine kinnetje diep in de handen, terwijl ze, de wenkbrauwen gefronst, het gebeurde nog eens naging. Zeker, hij voelde zich wel tot haar aangetrokken, ze had hem ingepalmd. Ze had hem soms gadegeslagen en
43
gemerkt dat hij zijn best deed van haar weg te blijven; â de lipjes vertrokken zich tot een glimlach nu ze weer voelde den triumf, als hij eensklaps tot haar terugkeerde en zich gewonnen gaf. â Ze geloofde dat hij geen vroolijk humeur had, licht neergedrukt was met al zijn bedaardheid. Maar in hamp;ar gezelschap was hij nooit gedrukt geweest.....
Toch, zekerheid had ze nog niet. Al wat er tus-schen hen voorgevallen was, kon heel gemakkelijk zich oplossen in niets, als... ja, als zzj' verzuimde de rechte stappen te doen. Hij was geen kind meer, evenmin als zij; hij moest tal van amourettes, in soorten, achter den rug hebben... iemand als hij. Zulke mannen juist bedachten zich tweemaal eer ze den grooten stap deden, öf trokken zich eensklaps terug, â vooral als er de minste schijn gevonden werd van naloopen, van vervolging.. .
Ze dacht wel â ze was er haast zeker van â dat er morgen een réactie zou komen, misschien omdat zijn moeder hen te zamen betrapt had. Morgen ochtend zou de gedachte daaraan hem een beetje kunnen hinderen â zou 't hem misschien een onaangenaam gevoel wezen dat hij weer beginnen moest waar hij gebleven was. Zonder grooten tact en voorzichtigheid zou het geheele gebouw als een kaartenhuis ineen kunnen storten. Had zij den moed beletselen te doen ontstaan â een sloot tus-schen hen in te graven op den weg ?
Het was bijna middernacht toen Letty eindelijk het kinnetje ophief uit de handen en drukte op het schelknopje dat met de kamer van haar kamenier correspondeerde, maar voorzichtig, om geen der slapenden in huis wakker te maken.
âAls Grier al slaapt... Welnu, dan moet ze maar wakker worden.quot;
44
Na verloop van twee of drie minuten verscheen een dienstmaagd met verwarde haren, blijkbaar opgeschrikt uit haar eersten slaap, denkend dat hare meesteres ongesteld was.
âNeen, Grier; ik wou alleen zeggen dat ik van plan veranderd ben en niet tot Zaterdag blijf. Morgenochtend vertrekken we met den trein van 9.20. Zorg bijtijds voor een rijtuig, voordat je mij mijn ontbijt brengt.quot;
De kamenier, die haast geen kans zag in zoo korten tijd al de koffers te pakken, liet een woord van protest hooren.
Maar Miss Sewell's besluit stond vast.
âDat is allemaal niets; de meid zal je wel een handje helpen. Geef haar maar een flinke fooi. En ga nu gauw weer naar bed, Grier; 't spijt me dat ik je heb moeten roepen; je ziet er uit als een uil in doodsnood.quot;
Voor de groote psyché stond zij stil en bekeek zichzelf â de handen ineengeslagen voor zich uit.
âLetty is met den trein van 9.20 vertrokken,quot; zei ze luid, buigend en lachend tegen haar beeld in den spiegel. âGunst! Zoo onverwacht? Hoe vreemd!quot; â âOch ja, maar dat is net iets voor Letty!...quot; Dan moet hij mij schrijven; want ik zal hem per briefje, zéér in de vormen, verzoeken om het boek dat ik hem geleend heb. O, ik hoop dat hij zich gruwelijk verveelt met tante Watton en zijn mama!quot;
Zij barstte uit in een vroolijken lach, schuierde het lange haar naar één kant, en begon het vlug te vlechten voor den nacht. De vingertjes deden niet onder in snelheid voor den gang der gedachten, die het eene plan na het andere weefden voor een volgende ontmoeting met George Tressady.
45
DERDE HOOFDSTUK.
In diezelfde oogenblikken , welke voor Miss Sewell's kamenier een zoo weinig aangenaam einde namen, had Sir George Tressady een eigenaardig gesprek.
Na zijn haastig afscheid van Letty had hij zich in het rooksalon geëxcuseerd, onder voorwendsel van groote vermoeidheid, maar was slechts in naam naar bed gegaan. Ook hij vond het moeielijk zich los te maken van zijn gedachten en van het vuur, en nog was hij niet begonnen zich te ontkleeden, toen hij aan zijn deur hoorde kloppen. Op zijn âBinnen !quot; verscheen Lord Fontenoy.
âMag ik.... even, Tressady?quot;
âZeker.quot;
Toch keek George den binnentredende ietwat verbaasd aan. Zijn verhouding tot Fontenoy was niet wat men intiem noemt.
â't Doet me plezier dat je nog op bent, want ik heb iets op 'thart, dat ik je, voor mijn vertrek morgen, graag meedeelen wou. Kun je mij een minuut of tien aanhooren ?quot;
âZeker, zeker; ga zitten. Maar â ik kan niet ontkennen â m'n hoofd is verre van frisch. Als je mij iets gewichtigs te vertellen hebt, beloof ik niet dat het er in doordringt.quot;
Een oogenblik gai Lord Fontenoy geen antwoord. Zwijgend stond hij bij het vuur, turend op de cigarette die hij in de hand hield. George volgde al zijn bewegingen met stille ergernis.
Eindelijk begon Fontenoy, â langzaam volgden de woorden elkaar op â:
â't Is een heete strijd geweest, Tressady, en je hebt hem met eere gewonnen. Onze partij is over
46
't alg-emeen voorspoedig geweest met de verkiezingen. Maar die strijd van jou heeft, dunkt me, het meest van alle de aandacht getrokken. Jou speeches hebben geklonken als 'n klok, â dat blijkt duidelijk uit de manier waarop de pers ze bespreekt, al ben je in de politiek nog een nieuweling. In het Huis stel ik me voor dat jij onze beste spreker worden zult, â natuurlijk met-ter-tijd , en na eenige ervaring. Ik voor mij , als je mij veertien dagen tijd geeft om me te prepareeren, ja, dan zie ik wel kans iets voor den dag te brengen. Anders deug ik niet veel. Jij zult van den beginne aan je plaats innemen als debater. Trouwens â ik heb niet anders verwacht.quot;
De spreker zweeg. George, wriemelend in zijn stoel, deed er eveneens het zwijgen toe. Eensklaps hernam Fontenoy:
âJe zult me deze vraag wel ten goede houden, maar â herinner je je mijn brieven toen je in Indië waart ?quot;
George knikte toestemmend,
âZe hebben, vind ik, de puntjes op de i gezet, maar naar mijn idee nog niet genoeg. Dit miserabele kabinet houdt het roer in handen door tyrannie,â tyrannie van de Arbeiderspartij. Zij noemen zich conservatieven â feitelijk zijn 't socialisten, niets dan de kattepootjes van de revolutionnaire socialisten. Jij en ik zijn in het Parlement om, als wij kunnen, die tyrannie den kop in te drukken. Dit jaar en het volgende moeten beslissen. Als wij Maxwell en de zijnen een poos lang in bedwang kunnen houden ; als wij wat merg kunnen brengen in de partij van de vrijheid; als wij de macht, die wij in het land hebben, bijeen verzamelen kunnen, dan zijn we klaar. Dan zullen we een tegenwicht hebben; â wie weet of we bij de volgende verkiezing niet eveneens triom-
47
feeren â en de vrijheid â of wat er nog van vrijheid over is ! â zal weer een geslacht lang gered zijn. Maar om te slagen moet ieder van ons zich veel inspanning getroosten ; hij moet er een offer voor over hebben.quot;
Fontenoy wachtte even en zag zijn vriend aan. George lag, met de oogen dicht, achterover in een armstoel. Hoe drommel â dus waren zijn gedachten â had Fontenoy juist dit uur en dezen avond gekozen om al die overbekende waarheden te debi-teeren, die hij reeds in ontelbare speeches en in al zijn brieven verkondigd had?
â'k Geloof ook, dat 't geen kinderspel wezen zal zei hij , een geeuw onderdrukkend; â'k hoop dat er wat troef in me zijn zal na eens flink geslapen te hebben..Hij keek op en glimlachte flauwtjes.
Fontenoy wierp zijn cigarette in het haardvuur en stond een oogenblik, de handen achter op zijn rug, stil voor zich uit te staren, tot hij eindelijk hernam: âHoor eens hier, Tressady, je herinnert je hoe't met mij gesteld was toen je op reis gingt? Ik kende je eigenlijk weinig, maar ik geloof dat jij , als een massa van de juniores, vrij wat van mij wist?quot;
George gaf het teeken van instemming dat van hem verwacht werd, en zei, glimlachend:
âZeker; ik was een beetje van je op de hoogte. Heel moeielijk was dat niet!quot;
Ook Fontenoy glimlachte, maar het was geen vroolijke glimlach. Vroolijkheid was onmogelijk geworden voor een man, die altijd in een toestand van overspanning verkeerde en immer op heete kolen zat.
âJa, ik ben dwaas geweest,quot; begon hij, zeer snel sprekende, âdoor en door dwaas. Maar ik heb m'n leven genoten! Ik geloof niet dat iemand ooit meer
48
het jonge leven genieten kan dan ik het gedaan heb. Met eiken dag van mijn vroeger bestaan we-derlegde ik de bewering van de brave luidjes; geluk en deugd zijn één. Ik was lui; ik was verkwistend ; ik was losbandig en .... ik was een der gelukkigsten aller menschen. Mijn wedrennen en mijn paarden waren mij een voortdurende bron van genot. Ik kan nu niet denken aan die morgens op de heide â het draven van mijn hengsten, de variatie, de opwinding van dat alles â zonder een gevoel van verlangen dat die tijd terug kon komen! Toch heb ik nu sedert drie jaar geen paard bezeten , geen wedren bijgewoond, geen weddingschap aangegaan. Ik beweeg mij onder de menschen alleen ter wille van de politiek, en bijna geen wijn komt over mijne lippen. Ja , ik heb alles overboord gegooid wat mij eenmaal zoo geheel innam, zoo volkomen genot gaf, dat ik, misschien, wel eenig recht heb om de partij, die mij volgt, mijne overtuiging op te dringen dat, tenzij wij als een eenig man, evenals ik het gedaan heb, eigen genot en comfort opgeven , â tenzij we er ons bij neerleggen, evenals vroeger de Parnellisten, het Hoogerhuls en onszelven te vervelen â nacht en dag te werken â alles op te geven voor de goede zaak â wij evengoed ons aan allen strijd kunnen onttrekken, want het zal ons niets baten.quot;
George sloeg de handen om zijn knie ineen, en staarde met een kribbig gezicht in het vuur. Al dat gepreek was goed en wel, maar Foutenoy overdreef het; niemand behoefde te denken dat hij gedaan zou hebben wat hij gedaan had, indien het hem, alles bij elkaar genomen, niet meer geamuseerd had om het wèi dan om het niet te doen.
Eindelijk opziende, vroeg hij met een lach: ,.Maar waar wou je dan toch heen? Bedoel je â om iets
49
te noemen â dat ik ongetrouwd blijven moet?:'
Zijn losse toon verbloemde heel wat ergernis. Hij deed, in den blinde, een gissing naar 't geen er in Fontenoy omging, met het plan kort en bondig te verklaren dat hij zich niet de wet liet voorschrijven.
Fontenoy lachte ook, weinig vroolijk, als zooeven , en zette zich toen bedaard tot een bezadigd antwoord:
âJuist; dat bedoel ik. Als jij , pas gekozen âaan het begin van deze gewichtige zitting â je gedachten grootendeels geven gingt aan iets anders in de wereld dan den strijd dien we tegemoet gaan, dan zou ik je, voor het oogenblik ten minste, beschouwen als verloren, als deserteur.quot;
Het bloed steeg George naar de wangen , terwijl hij overeind vloog en uitriep:
âOp mijn woord, je lijkt wel een schoolmeester!quot;
Fontenoy wist niet hoe gauw hij een anderen toon zou aanslaan, en zei, sussend:
âMijn doel is enkel de machine te smeren!quot;
Eenige oogenblikken liep George zonder te spreken de kamer op en neer. Op eens stond hij stil en begon:
âHoor eens hier, Fontenoy ! Ik beschouw die dingen heel anders dan jij ;'t is misschien verstandiger elkaar daarin goed te begrijpen. Voor mij is deze verkiezing â ronduit gezegd â een doodgewone zaak. Ik neem ze aan, en al wat ze na zich sleept, als ieder ander. Ik heb me aangesloten bij jou partij; ik heb jullie programma onderschreven , en denk me daaraan te houden. Ik zie dat de politieke toestand moeielijk en spannend is, en ben niet van plan me daardoor te laten afschrikken. Maar ik ben evenmin van plan mijn private leven en belangen ten offer te brengen op het altaar der politiek, zooals mijn vader deed toen
5°
hij in 't Parlement zitting kreeg. Als de revolutie uitbreken moet, dan zullen jij noch ik dit kunnen verhinderen. Bovendien â als ik het zeggen mag â ik ben overtuigd dat jou manier van handelen op den duur onze partij niet ten goede komt. Geen man kan werken zooals jij, zonder een oogenblik rust of verpoozing. Je valt er op een goeien dag bij neer, en hoe moet het dan met âde goede zaakquot;?quot;
Lord Fontenoy nam den spreker op met een eigenaardig berekenenden blik. Het was alsof hij, met al de vlugheid waartoe zijn geest in staat was, een aantal voor en tegens tegen elkander opwoog, en ten slotte besloot het gesprek hierbij te laten, misschien niet zonder spijt dat hij het begonnen was.
âNu ja,quot; zei hij, âik begrijp zeer goed, dat hetgeen ik gezegd heb in jou oog louter bemoeizucht is. In dat geval hoop ik, zul je wel tot een ander inzicht komen en er me geen kwaad hart om toedragen. Ik kan niet anders dan het dringende van den toestand gevoelen. Ook jij zult dit inzien, evenals ik, wanneer je goed en wel in het gevecht bent. Er is iets in deze Arbeiderstyrannie, dat al de hartstochten in een man opwekt, goede en kwade. Is dit bij jou niet het geval, dan heb ik me zeer in je vergist. Wat mij betreft: wees over mij niet on-noodig bezorgd. Er zijn weinig mannen zoo sterk als ik. Ook vergeet je .. .
Er volgde een oogenblik van stilte. In de laatste jaren â ja, sedert zijn transformatie â had Lord Fontenoy zelden zijn teruggetrokken houding laten varen. Doch toen George nu opkeek, zag hij dat zijn bezoeker vervuld was van sombere gedachten, hem persoonlijk betreffende.
...âje vergeet,quot; hernam de spreker, âdat ik niets geleerd heb, noch in mijn schooljaren, noch aan de
5i
academie, en dat een man, die zich aan het hoofd wil stellen van een partij, den een of anderen dag voor dat kostbare voorrecht betalen moet. Toen jij op reis gingt, was het eenige waar ik, op het gebied van financieele zaken, verstand van had, een weddingschappen-boek. Ik wist niets van geschiedenis dan wat men opvangt door te leven onder menschen die de geschiedenis maken, en ik was te lui om zelfs daarvan te profiteeren. Het eenvoudigste economische gesprek was en bleef mij een raadsel; ik haatte iedere inspanning, van welken aard ook. Niets dan te werken als een galeislaaf kon mij in staat hebben gesteld dat te doen wat ik gedaan heb. Je zoudt verbaasd wezen als je soms quot;s avonds een blik in mijn kamer kondt slaan en zien wat ik doe â wat ik verplicht ben te doen , wil ik een beetje den schijn ophouden.quot;
George ontroerde. De toon van den spreker had plotseling een ongekunstelde waardigheid gekregen, ondanks, misschien juist wegens, de ietwat bittere zelfvernedering die er uit sprak.
Mogelijk wat links, doch van harte gemeend, zei hij: âJa, ja, je maakt een ander beschaamd. Maar, vertrouw mij gerust, ik zal mijn best doen.quot;
âGoeden nacht dan,quot; antwoordde Lord Fontenoy, en stak hem de hand toe. George had eeen beloften
O O
gedaan, en getoond dat het gesprek hem niet beviel. Toch was de vriendschap tusschen de beide mannen aanmerkelijk hechter geworden.
George sloot de deur achter hem dicht, en keerde naar het vuur terug om nog een kwartiertje te staan soezen. Voorzeker was het eene merkwaardiofe onder-
, o
vinding, deze bekeering van een speler en verkwister tot den hartstochtelijken aanvoerder van een veelom-
vattende zaak. Slechts één hoedanigheid was blijven bestaan, als een schakel tusschen den man van vroeger en den staatsman aan wien hij trouw gezworen had â diens met hart en ziel zich aan iets geven. Dicky Fontenoy, in zijn dwazen tijd, was evenmin een vroolijke als een aantrekkelijke kameraad geweest, maar zijn vaste wil, zijn overmoed, hadden hem een zekere heerschappij gegeven over mannen, wier aard meer plooibaar was dan de zijne. Die wil en die overmoed waren er nög, gestaald en geconcentreerd. Maar George Tressady was het menigmaal volstrekt niet met zichzelven eens in hoeverre hij zich daaraan zou willen onderwerpen.
Zijn persoonlijke omgang met Fontenoy was van betrekkelijk korten datum. Hij zelf had ruim vier jaar buiten Engeland doorgebracht; eerst drie maanden geleden was hij teruggekeerd voor de Market-Malford-verkiezing. Een brief van Fontenoy was feitelijk de aanleiding; vóór dien waren de beide mannen nog nimmer direct met elkaar in aanrakinsf g-ekomen.
O O O
De omstandigheden waarvan Tressady's lange afwezigheid een gevolg was, staan met zijn latere geschiedenis in verband, en mogen hier dus kortelijk vermeld worden. Zijn vader. Sir William , de eigenaar van Ferth Place, in West-Mercia, stierf in het jaar dat George, zijn eenig overgebleven kind, de zoon van zijn ouderdom, de universiteit verliet. De zoon, die weldra bevond dat zijn vader enorm veel schulden had , en wiens tegenzin in de rechterlijke betrekking waarvoor hij werd opgeleid, nu hij geheel vrij was om te doen wat hij wilde, dubbel groot werd , besloot terstond te gaan reizen. Reizen moest hij , wilde hij ooit een publieke betrekking bekleeden en in het Parlement komen, en voor geen anderen werkkring â verklaarde hij â voelde hij zich geschikt.
53
Bovendien, zuinigheid was zéér noodig. Gedurende zijn afwezigheid kon het huis in Londen verhuurd worden en Lady Tressady rustig te Ferth leven van een vast inkomen, terwijl zijn ooms een oogje hielden op zijn bezittingen in de mijnen.
Lady Tressady had hierin geen bezwaar , wèl in het cijfer, dat in het eerst genoemd werd als haar inkomen ; -â dit, verklaarde zij, was bespottelijk. De ooms, oude jonge heeren, mannen van zaken, begrepen niet waarom het jongere geslacht niet onmiddellijk de koe bij de horens zou pakken , gelijk zij dit gedaan hadden, zonder zooveel vieren en vijven; â maar George kreeg zijn zin, â en dit mocht waarlijk wel! Hij had aan de academie niet geluierd, al was zijn vlijt nooit buitengewoon geweest. Door aangeboren eerzucht en een flinken leermeester gedreven , had hij zich een vrij goeden naam gemaakt; hij was nu een man in wien allerlei ideeën gistten, in wien een nieuw leven en nieuwe opinies ontwaakten, te sterker â al kwam hij hier minder rond voor uit dan voor andere dingen â door het verlangen naar politieke onderscheiding. Terwijl hij nog aan de academie was, had hij zich â grootendeels ten gevolge van zijn vriendschappelijke verhouding met een zijner medestudenten â vooral aangetrokken gevoeld door een aantal Oostersche vraagstukken, betrekking hebbend op Engeland's toekomst in Azië; en niet zoodra had hij het heft in handen, om over zijn persoon en zijn matig fortuin te beschikken naar eigen goedvinden , of in hem vlamde de hartstocht op van den Engelschman om te zien, aan te raken, aan te pakken, gepaard met het natuurlijk verlangen van een jongen man om te gaan waar het gevaarlijk is en waar anderen zich niet begeven. Zijn vriend â de zoon van een eminent geograaf,
5 2
vattende zaak. Slechts één hoedanigheid was blijven bestaan, als een schakel tusschen den man van vroeger en den staatsman aan wien hij trouw gezworen had â diens met hart en ziel zich aan iets geven. Dicky Fontenoy, in zijn dwazen tijd, was evenmin een vroolijke als een aantrekkelijke kameraad geweest, maar zijn vaste wil, zijn overmoed , hadden hem een zekere heerschappij gegeven over mannen, wier aard meer plooibaar was dan de zijne. Die wil en die overmoed waren er nög, gestaald en geconcentreerd. Maar George Tressady was het menigmaal volstrekt niet met zichzelven eens in hoeverre hij zich daaraan zou willen onderwerpen.
Zijn persoonlijke omgang met Fontenoy was van betrekkelijk korten datum. Hij zelf had ruim vier jaar buiten Engeland doorgebracht; eerst drie maanden geleden was hij teruggekeerd voor de Market-Malford-verkiezing. Een brief van Fontenoy was feitelijk de aanleiding; vóór dien waren de beide mannen nog nimmer direct met elkaar in aanraking gekomen.
De omstandigheden waarvan Tressady's lange afwezigheid een gevolg was, staan met zijn latere geschiedenis in verband, en mogen hier dus kortelijk vermeld worden. Zijn vader. Sir William , de eigenaar van Ferth Place, in West-Mercia, stierf in het jaar dat George, zijn eenig overgebleven kind, de zoon van zijn ouderdom, de universiteit verliet. De zoon, die weldra bevond dat zijn vader enorm veel schulden had, en wiens tegenzin in de rechterlijke betrekking waarvoor hij werd opgeleid, nu hij geheel vrij was om te doen wat hij wilde, dubbel groot werd, besloot terstond te gaan reizen. Reizen moest hij, wilde hij ooit een publieke betrekking bekleeden en in het Parlement komen, en voor geen anderen werkkring â verklaarde hij â voelde hij zich geschikt.
53
Bovendien, zuinigheid was zéér noodig. Gedurende zijn afwezigheid kon het huis in Londen verhuurd worden en Lady Tressady rustig te Ferth leven van een vast inkomen , terwijl zijn ooms een oogje hielden op zijn bezittingen in de mijnen.
Lady Tressady had hierin geen bezwaar , wèl in het cijfer, dat in het eerst genoemd werd als haar inkomen ; -â dit, verklaarde zij, was bespottelijk. De ooms , oude jonge heeren, mannen van zaken, begrepen niet waarom het jongere geslacht niet onmiddellijk de koe bij de horens zou pakken , gelijk zij dit gedaan hadden, zonder zooveel vieren en vijven; â maar George kreeg zijn zin, â en dit mocht waarlijk wel! Hij had aan de academie niet geluierd, al was zijn vlijt nooit buitengewoon geweest. Door aangeboren eerzucht en een flinken leermeester gedreven , had hij zich een vrij goeden naam gemaakt; hij was nu een man in wien allerlei ideeën gistten, in wien een nieuw leven en nieuwe opinies ontwaakten, te sterker â al kwam hij hier minder rond voor uit dan voor andere dingen â door het verlangen naar politieke onderscheiding. Terwijl hij nog aan de academie was, had hij zich â grootendeels ten gevolge van zijn vriendschappelijke verhouding met een zijner medestudenten â vooral aangetrokken gevoeld door een aantal Oostersche vraagstukken, betrekking hebbend op Engeland's toekomst in Azië; en niet zoodra had hij het heft in handen, om over zijn persoon en zijn matig fortuin te beschikken naar eigen goedvinden , of in hem vlamde de hartstocht op van den Engelschman om te zien, aan te raken, aan te pakken, gepaard met het natuurlijk verlangen van een jongen man om te gaan waar het gevaarlijk is en waar anderen zich niet begeven. Zijn vriend â de zoon van een eminent geograaf,
54
wien het instinct van den ontdekkingsreiziger in het bloed zat â stond op het punt Engeland te verlaten en naar Klein Azië, Armenië en Perzië te reizen. George nam het besluit â een kort maar krachtig besluit â hem te vergezellen, en liet zijn ooms praten.
Evenwel â het jaar, dat de jongelui weg zouden blijven , ging voorbij; twee volgende jaren gingen voorbij ; een vierde was reeds eenige maanden heen, en nog altijd scheen George geen plan te hebben terug te kee-ren. Volgens zijn brieven naar huis had hij gezworven door Perzië, Indië en Ceylon; had hij overal vrienden en amusementen gevonden; op Ceylon had hij zelfs acht maanden de betrekking- waargenomen van
ö o
geheim-secretaris van den gouverneur, die zich zeer tot den jongen edelman aangetrokken gevoelde, en zijn vorigen secretaris, zijn onmisbare hulp , door een ongeval met een roeiboot verloren had. Vandaar trok hij naar China en Japan, nam van Peking uit een kijkje in Mongolië, landde op Formosa, maakte te Saigon kennis met een troepje Fransche zee-officieren, met wie hij de meest vroolijke, dolzinnige weken van zijn leven doorbracht; doorkruiste Siam, en keerde eindelijk terug, via Burma naar Calcutta, met het vage plan den een of anderen dag plaats te nemen op een boot naar Engeland.
Ondertusschen had hij, in de laatste maanden van zijn verblijf op Ceylon, eenige onderteekende artikelen gezonden aan een voornaam Engelsch dagblad, hetgeen, gevoegd bij de sympathie, welke vele invloedrijke personen, die hij in de Oost had leeren kennen, gevoelden voor een intelligent, veelbelovend jong-mensch , met een goede dosis hersens, een goede familie en goede manieren , onmiddellijk de aandacht op hem vestigde. De toon der artikelen was door
55
en door Engelsch en imperialistisch. Het eerste verscheen onmiddellijk voor zijn bezoek aan Saigon, en Tressady zegende zijn gelukkig gesternte dat zijn Fransche vrienden niet even diep schenen door te dringen in de letterkundige producten van een vreemd land , als in zijn genoegens en stoffelijke aantrekkelijkheden. Toch was hij trotsch op zijn eerste letterkundige proeven ; ze brachten helderheid in tal van gedachten en gevoelens, vroeger eer het uitvloeisel der vooroor-deelen van een reiziger, die gewoon is zijn natie overal den boventoon te zien voeren en door de autoriteiten goed ontvangen te worden, dan een beredeneerde politieke overtuiging. Terwijl hij voortging met schrijven , werd overtuiging gestaafd door feiten , werd zij een vast geloof, eindelijk een passie, tot hij, naar Engeland koers zettend, een philosophisch standpunt bereikt scheen te hebben, vast genoeg om er zijn verder leven naar te richten. Het was de gewone philosophie van den welopgevoeden, kieskeurigen opmerker, hoofdzakelijk neerkomend op het geloof in de grootheid van Engeland en het onbegrensde van Engeland's missie; op het recht om te regeeren van wie er de bekwaamheid toe heeft, in tegenstelling met hetgeen mogelijk geleverd zou kunnen worden door de democratie; op het aangeboren koningschap van een edeler ras; en op een diepgevoelde, persoonlijke bewondering voor den administrateur en den soldaat.
Nu behoeft men niet bang te wezen dat een man, in wien dergelijke begrippen vroegtijdig wortel schieten , ooit een volksregeering zal voorstaan. Tressady las zijn Engelsche couranten met toenemenden tegenzin. In die verwijderde gewesten hing alles af van dat kleine Engeland; en Engeland beteekende de Engelsche werkman, met zijn vleiers zoowel in de eene als in de andere partij. Thuis praat en zwetst
56
hij in zijn domheid, terwijl het keizerrijk, zijn dienaars en zijn verdedigers, waardoor alleen al dit gistende âstraatvolkquot; een dag lang leven heeft, in de verte met allerlei bezwaren en gevaren worstelen, ten einde aan de onredelijke fantasieën van een ontaard ras tegemoet te komen. Een innige haat aan volksregeering schoot wortel in Tressady, welke langzamerhand , gedurende zijn laatste drie maanden in Indië, het verlangen deed aangroeien om terug te keeren, zijn plaats in het gevecht in te nemen, en óok een woordje mee te praten. âDe regeering aan wie tot regeeren bevoegd zijn â niet aan Jan en alleman, niet aan den groeten hoopquot;, âdit zou men de quintessens kunnen noemen van Tressady's driejarige ondervinding.
Ook waren er persoonlijke belangen die hem tot terngkeeren deden besluiten. Hij was grondbezitter in een kolenmijnen-district, in West Mercia, en bezat een aantal mijnen op de grenzen van zijn landgoed. Zijn ooms, die er aandeelen in hadden, hielden hem gedurende zijn afwezigheid geregeld van den gang van zaken op de hoogte. Bij ieder kwartaal scheen het Tressady dat de berichten slechter, en de dividenden minder werden. Inderdaad â de brieven zijner ooms waren vol klaagliederen en bezorgdheid. Na een langdurige periode van vrede in den kolenhandel, zag het er wel naar uit alsof er een heete strijd zou uitbreken tusschen patroons en werkvolk. âOm de vijftien jaar hebben ze noodig eens flink onder handen genomen te worden,quot; schreef een der ooms, âen die tijd is bijna daar.quot;
De onredelijke eischen, de onbeschaamdheid, de brutaliteit van het werkvolk, de tyrannic van de Unie, de toenemende vrijpostigheid van het bestuur der Unie â weldra was er in Tressady's brieven van
57
huis sprake van weinig anders. En intusschen gaf Tressady's kasboek een zeer onaangename bevestiging van die brieven. De mijnen brachten bijna niets op; toch waren beide partijen nog niet genoeg voorbereid om eikaars krachten te meten.
Tressady talmde in Bombay â ofschoon men hem reeds op weg naar huis meende â toen Lord Fon-tenoy's brief kwam.
De schrijver zinspeelde even op hun vroegere kennismaking, en op een verre bloedverwantschap tus-schen hem en Tressady; wijdde eenige vleiende woorden aan hetgeen hem van vele kanten ter oore was gekomen over Tressady's politieke gevoelens en bekwaamheden; beschreef het ontstaan en de plannen der nieuwe Parlementaire partij, waarvan schrijver de stichter en het hoofd was, en drong ten slotte er op aan dat Tressady terstond thuis komen en zich candidaat stellen zou voor het Parlement, voor het district Market-Malford , waar Lord Fontenoy's familie grooten invloed had. Sedert de algemeene verkiezing, welke in Juni plaats gehad, en een gematigd conservatieve regeering aan het bewind gebracht had, lag het lid voor Market-Malford ongeneeslijk ziek. Ieder oogenblik kon de zetel vacant komen. Fontenoy hoopte dat Tressady zou telegrafeeren, en op de eerstvolgende boot plaats nemen.
Tressady was â door private mededeelingen , deels ook door de couranten â eenigszins op de hoogte van Fontenoy's verderen levensloop. De eerste politieke speech, dien hij ooit van Fontenoy gelezen had, maakte een ietwat comischen indruk op hem â Dicky moest zich liever houden bij zijn stoeterij ! De tweede las hij tweemaal over, en zoowel daaruit als uit eenige partij-manifestaties van dezelfde hand, voorkomend in de nieuwsbladen èn in den brief zoo-
58
even ontvangen , sprak iets, waarop hij, naar het hem scheen, voorbereid was geweest. De stijl was hoekig en slecht, toch hoorde Tressady er den toon en de kracht in van den leider.
Hij slenterde een uurtje door de straten van Bombay, om over de zaak na te denken; zond toen zijn telegram , en nam, op den terugweg naar huis om te lunchen, plaats op de eerstvertrekkende boot.
Ziehier, in hoofdtrekken, de aanleiding tot de nadere kennismaking der beide mannen. Sedert George's terugkomst waren zij bijna altijd samen geweest. Fon-tenoy had zich met al zijn kolossale werkkracht geworpen in den strijd voor den zetel voor Market-Mal-ford, en George had veel aan hem te danken.
Nadat hij dezen gewichtigen avond aan zichzelven overgelaten was, bleef Tressady langen tijd onrustig; hij kon niet slapen. Al was hij er niet van gediend geweest, Fontenoy's gebabbel en Fontenoy's persoonlijkheid hadden hem nolens volens tot zichzelf gebracht. Zijn eerzucht, en de eischen van het verstand deden zich wederom met kracht gelden. Zonder twijfel had Letty Sewell hem het leven de laatste drie weken zeer veraangenaamd, maar â alles wel beschouwd ... was het de moeite waard ?. . .
Haar figuurtje bewoog zich voor het oog van zijn geest, terwijl het vuur zachtkens verminderde; allerlei fragmenten van haar vroolijk gesnap schoten hem te binnen. Hij begon zich een beetje voor zichzelf te schamen. Fontenoy had gelijk. Het was er nu geen tijd voor. Zonder twijfel moest hij den een of anderen dag tot een huwelijk komen; ook was hij naar huis teruggekeerd met het vage voornemen te trouwen; maar de wereld was groot en de vrouwen waren velen. Dat hij weinig romantisch van aard was, had hij
59
waarschijnlijk van zijn moeder. Zijn ondervindingen, als kind, van haar karakter en van haar verhouding tot zijn vader, hadden, helaas! geen aanleiding gegeven voor de natuurlijke opvatting van een kind, dat alle groote menschen, vooral alle moeders, heiligen zijn. In Indië had hij veel plezier gemaakt, maar zijn avonturen hadden hem over het geheel in zijn jongensopvattingen bevestigd. Indien hij , wat hij an fond van de vrouw dacht, onder woorden had moeten brengen, de uitspraak ware weinig vleiend, misschien grof geweest. Dit verhinderde echter niet dat hij zeer sterk , levendig overtuigd was van het genot dat haar gezelschap geven kan.
Hij ontwaakte dus den volgenden morgen geheel in de stemming welke Letty, met hdar redenen , had voorzien. Het denkbeeld hinderde hem, dat hij nog twee of drie dagen met Letty Sewell op en neer moest gaan. Hij en zijn moeder zouden nog een dag of wat te Malford blijven , tot eenig werkvolk gedaan had in zijn eigen huis, dat een uur of zes verder lag, aan het uiterste eind van het district Market-Malford. Men had voor die dagen een paar jachtpartijen gearrangeerd, voornamelijk te zijner eere. Toch... waren er geen dringende zaken die hem naar de stad riepen ?
Tegen tien uur trad hij op zijn gemak de eetkamer binnen om te ontbijten. Alleen Evelyn Watton en hare moeder waren bij de hand ; de meeste heeren waren reeds op weg naar de plaats van bijeenkomst, die vrij ver af was.
âHa ha, Sir George, u komt ons zeker wat opvroo-lijken,quot; begroette hem Mrs. Watton, terwijl ze hem met een eigenaardige uitdrukking op het gezicht de hand toestak. âWe zitten hier als een paar uilen in doodsnood ! â De heeren allemaal weg; Florrie heeft
6o
kou gevat en komt niet beneden , en Letty is met den trein van half tien vertrokken.quot;
George's schrik, terwijl hij zijn kop koffie van haar aannam, ontging haar niet.
âHé, is Miss Sewell vertrokken?... Waarom zoo in eens ?quot; vroeg hij. âIk dacht dat zij hier tot het laatst van de week bleef?quot;
Mrs. Watton haalde de schouders op. âIk kreeg om half negen een briefje van haar, waarin ze schreef dat haar mama niet wel was en men haar thuis verwachtte. Ze is even binnen komen vliegen om goeden dag te zeggen, onder een aanhoudend geratel, waar men geen speld tusschen kon steken; iedereen werd omhelsd, en weg was ze. Ik hoor, dat ze ontbeten heeft en er een rijtuig voor haar was, â verder verdiep ik er mij niet in. Ik bemoei me nooit met de moderne vrouw.quot;
Daarna bracht ze haar loromon aan de ooeen en
ö O
nam Tressady nauwkeurig op. Maar er stond niets op zijn gezicht te lezen, en daar zij zeer onverschillig was voor hetgeen een ander dacht en deed, vergat zij spoedig haar nieuwsgierigheid.
Evelyn Watton, een visioen van frissche jeugd in haar morgenjaponnetje, wierp een paar malen een schuwen blik op den logé, terwijl ze hem bediende van geroosterde boterhammetjes en vleesch. Zij door-' leefde een oogenblik vol poëzie en gelukkige droo-men. Alle menschen werden door haar verheerlijkt, voornamelijk als zij jong waren. Letty viel niet in alle opzichten in haar smaak, was nooit een bijzondere vriendin geweest. Maar het kwade van iemand denken kon Evelyn niet, en haar jong hartje klopte natuurlijk van sympathie, in de tegenwoordigheid van hetgeen aan liefde en aan een huwelijk denken deed. Het was haar een blij genot geweest George en Letty
gade te slaan. Waarom zou Letty nu zoo op eens weggeloopen zijn? Zij vond, al dien tijd, terwijl zij daar met hun drieën zaten, dat George bleek was en treurig scheen.
Toch . .. George was treurig, of liever: hij verbeeldde zich dat hij het niet was. Zoodra hij ontbeten had, liep hij fluitend de bibliotheek binnen, en neuriede zacht:
«Er zijn er, die
De vleuglen kusten die hem gistren brachten,
En heden dank hun weten dat hij is gevlucht.»
Hij was er trotsch op, zoo goed thuis te zijn in de hedendaagsche dichters, en die regels vielen heden zeer in zijn smaak. Nauwelijks echter had hij opgehouden met neuriën of zijne moeder trippelde de kamer binnen, om het haar toegezegde gesprek te houden over zaken.
Na afloop daarvan was George stil en prikkelbaar. Zijn moeder's verkwisting was wezenlijk ongehoord! Vier jaar lang was hij nu bevrijd geweest van het dagelijks terugkeerend gemaal over geldelijke moeilijkheden, wat hem zijn jeugd vergald en allen eerbied voor zijn moeder onmogelijk gemaakt had. Het gevoel van vrijheid was een ware verademing geweest. Maar het bleek nu dat die juichkreet slechts een illusie gegolden had; dat integendeel de moeie-lijkheden gedurende zijn afwezigheid waren opgehoopt tot zijn terugkomst. Wat zij thans noodig had.â en hij begreep zeer wel dat er nog meer noodig was â zou alles, wac hij bij zijn bankiers liggen had, opslorpen.
Lady Tressady, van haar kant, was verontwaardigd, wanhopig. Zij vond dat George zich lang niet gedragen had zooals een eenig kind betaamt â vooral niet een eenige zoon die, na vierjarige afwezigheid, tot zijn moeder, eene weduwe, teruggekeerd is. Hoe
02
kön iemand denken dat er in vier jaar tijds geen schulden zouden zijn, â met zulk een miserabel in-komentje ?! Wel had hij haar een sommetje toegezegd, maar lang niet genoeg, en niet dadelijk. Hij moest eerst ârustig thuis alles nazienquot;. Lady Tressady was woedend, op zichzelf en op hem, dat het haar niet gelukt was hem te doen begrijpen hoezeer de nood drong.
Ja, nog moest ze hem aan het verstand zien te brengen, dat ieder oogenblik de bom zou kunnen losbarsten. Die akelige huurkoetsier, twee of drie naaisters, tegenover dezen had ze reeds sedert lang iedere list van den schuldenaar aangewend. Zelfs zij was ten einde raad.
Wat andere dingen betreft.... Maar neen, daaraan wilde ze niet denken. De kans moest verkeeren , nu of later, dat spreekt; â het moest! Deze zaak behoefde ze nu niet op het tapijt te brengen , zoolang George zoo akelig prikkelbaar was!
'tWas vreemd â 't was erg onaangenaam! Zelfs als kind was hij nooit aanhalig of gemakkelijk geweest gelijk andere kinderen. En nu, warempel!... Waarom nu juist haar zoon zoo wezen moest!
Doch, hoe ze ook manoeuvreerde, George liet zich niet verleiden tot hernieuwde discussies. Ze kon niets doen dan hem een boos gezicht vertoonen, dan nacht en dag haar hersens afpijnigen om een middel te bedenken hoe zichzelve te helpen.
Intusschen had Georgfe het leven nimmer zoo weinio-uitlokkend gevonden als deze dagen. Hij werd overstelpt met gelukwenschen, en volgens de couranten had heel Engeland, zooals Lady Tressady het uitdrukte, âden mond vol van hemquot;. Hij begreep zelf niet hoe het mogelijk kon zijn dat een man daar zoo onverschillig onder bleef. Toch hield de verve-
%
63
lende stemming aan; hij kön ze niet van zich schudden. Hij overlegde opnieuw met zichzelf of hij niet een reden kon bedenken om de jachtpartijen te ontloopen en te vertrekken. Maar men wilde van geen vroeger vertrek hooren; men drong er op aan dat hij blijven zou; en hij had groote verplichting aan de Wattons. Hij bleef dus; maar hij schoot zoo slecht dat zijn ontevredenheid met het heelal nog toenam, en de andere heeren meesmuilend bij zichzelven de opmerking maakten , dat het niet veel waarde had uit Indië den naam van een goed schutter te hebben meegebracht, als men nog geen Britschen fazant raken kon.
Dan weer zocht hij zijn toevlucht in werken. Hij trachtte eenige Parlementsverslagen te lezen, met tal van aanteekeningen van Fontenoy, door dezen bij hem achtergelaten. Doch het eind was dat hij alle paperassen van zich schoof, uit vrees van, in zijn tegenwoordige bui van alles af te keuren, zijn opinie te verliezen vóór hij zijn zetel had ingenomen.
Den dag vóór de laatste jachtpartij was er onder de brieven , welke de knecht hem vroeg in den morgen bracht, een dien hij driftig openscheurde, zonder op een der overige te letten.
Hij was van Miss Sewell, en bevatte, in zoo weinig mogelijk woorden, het verzoek, een boek dat zij hem geleend had, terug te mogen ontvangen.
âMama,quot; zoo schreef ze , âis zoo goed als hersteld van haar zware verkoudheid. Ik hoop dat de jachtpartijen u veel genoegen gegeven hebben, en dat u al Lord Fontenoy's BlauwBoeken gelezen hebt.quot;
George antwoordde nog voor hij naar beneden ging om te ontbijten, â een doodgewoon, onbeduidend briefje, in zijn oog het ordinairste vod dat hij ooit
64
geschreven had. Maar hij had er tweemaal een nieuwe pen voor noodig.
Toen ging hij in zijn eentje een groote wandeling doen, om met zichzelven tot klaarheid te komen wat hem bezielde. Had de kleine heks dan toch wezenlijk het oude gif in zijn bloed gedroppeld ? Dit althans was waar; sommige vrouwen maken het leven tot een paradijs van vreugde en vroolijkheid, terwijl anderen â zijn moeder en Mrs. Watton, bijvoorbeeld ! â het een last of een corvee doen zijn.
Van zijn jongenstijd afhad Tressady somtijds buien van zwaarmoedigheid gekend , dagen van tegenzin in alles, waarin hij alle dingen door een zwarten bril zag; dagen, wanneer zijn wilskracht als verlamd scheen , en hij zichzelf en zijn medemenschen haatte en minachtte. Misschien had onbewust de vrees dat deze ziekelijke neiging veld zou winnen , hem zoo sterk dat verlangen gegeven om te reizen en nieuwe tooneelen te zien. Het verklaarde veel vreemds, vele schijnbare wispelturigheden in zijn karakter. In den loop der drie weken, welke hij met Letty Sewell in een en hetzelfde huis had doorgebracht, had hij geen oogenblik dat addertje binnen in zich den kop voelen opsteken. En nu, vier dagen later, bemerkte hij dat hij vurig verlangde naar het geluid van haar stem, naar het ritselen van haar japonnetje, naar die tartende, tergende stoutigheden, die een man onophoudelijk op zijn qui vive doen zijn, â meer nog, naar haar zwijgende, glimlachend-afwachtende houding, als wilde ze probeeren hoever ze met hem gaan kon; naar de aanraking van het kleine, koele handje, dat in zijn groote mannenhand verdween.
Waarom was ze toch zoo in eens weggeloopen ? Hij geloofde geen jota van haar verontschuldigingen. Toch begreep hij er niets van. Voelde zij dat het
65
ernst tusschen hen begon te worden, en wilde ze dat niet? Zoo ja, wie of wat zou verhinderen dat het ernst werd ?
Wat Fontenoy aangaat. ..
Tressady verhaastte vol ongeduld zijn stap, toen hij zich den zwoegenden, slovenden Fontenoy voorstelde. Politiek of geen politiek, hij, Tressady, zou zijn leven leven! Bovendien, het zou beter wezen als hij trouwde! Hoe zou hij ooit met zijn moeder in één huis kunnen wonen? Hij had zich voorgenomen zijn plicht jegens haar te doen, maar zij verveelde en hinderde hem twintig maal per dag. Hij zou, getrouwd , zich oneindig gelukkiger gevoelen , veel beter zijn werk kunnen doen. Hij was niet hartstochtelijk verliefd â volstrekt niet. Maar â want het baatte niet of hij met zichzelf al verstoppertje speelde â hij verlangde, meer dan hij in den laat-sten tijd naar iets verlangd had, naar Letty Sewell's bijzijn. Hij wilde het recht hebben dat kleine speeldoosje, met al zijn vroolijke melodieën, met zich te nemen, om het in zijn eigen huis te laten spelen en hem in een opgeruimde stemming te houden. Waarom niet? Hij had er een goede plaats voor en zou er alle zorg voor dragen.
Wat het overige betreft, hij nam aan, zonder er veel over na te denken, dat Letty Sewell in stand en opvoeding met hem gelijk stond. Natuurlijk bezat zij uiterlijk al de goede eigenschappen, welke een man van beschaving in een vrouw kan verlangen. Nooit zou zij in de samenleving haar echtgenoot oneer doen. Integendeel, daar zou zij hem een groote steun wezen. En stellig had ze een zachten aard, een goed humeur, of dat lieve meisje, Evelyn Watton, zou niet zoo op haar gesteld zijn.
Intusschen ging datzelfde lieve meisje geheel op
I- 5
66
in een rolletje dat zij speelde. Tressady, die tot nog toe niet meer het woord tot haar gericht had dan de beleefdheid voorschreef, had op de een of andere manier gemerkt dat zij iets zeer sympathieks had â dat zij alleraardigst met hem praten kon over Letty. Na een weinig tegenstribbelen liet hij zich gaan, zoodat Evelyn 's nachts droomde van zijn confidenties, en ze in haar hartje, zonder dat ze 't wist, zich reeds illusies maakte over den tijd als een man haar aldus zou aanzien om haarzelve â niet ter wille van een ander. Ze vergat dat ze ooit iets aan te merken had gehad op Letty, dat ze Letty wel eens coquet en egoïstisch genoemd had. Ja, ze maakte op eens een heldin van haar; herinnerde zich allerlei goede, aantrekkelijke dingen van Letty, alleen opdat ze het nieuwe Lid in dat hoekje bij zich aan den praat zou houden, opdat ze nog wat langer onder de betoovering blijven mocht van het gevoel dat ze er alles van wist, dat ze âhetquot; bevorderde.
Na âde groote jachtquot;, bijvoorbeeld, toen de andere heeren stijf en slaperig waren, bracht George den ganschen avond door babbelend met Evelyn, of liever, hdar uitlokkend tot praten. Een paar malen fladderde Lady Tressady om hen heen, en hoorde ze de namen âLettyquot;, âMiss Sewellquot;, over en weer gaan, de een hem opvangend van den ander. Iedere kleinigheid waarin Miss Sewell betrokken was, werd uitgeplozen; bracht het gesprek hen op een onderwerp dat Letty niet betrof, onmiddellijk werd het losgelaten. De moeder ging haars weegs, glimlachend, ietwat bitter.
Ja, ze bewaakte, ze bespiedde haar zoon gelijk een kat, al deze dagen; haar best doend te weten te komen wat er eigenlijk gebeurd was â wat er in hem omging. Ze verlangde niets naar een schoon-
67
dochter, ja, ze was in die hoedanigheid haast bang voor Letty Sewell. Hoe het zij , â ze moest George ontzien, ze moest geholpen worden. Ze begreep dat ze de toekomst misschien bederven zou, maar het heden dreef haar voort.
Den volgenden morgen werd toevallig in een van Mrs. Watton's talrijke brieven melding gemaakt van het feit, dat Letty Sewell eerstdaags verwacht werd op een landgoed in Mercia, bewoond door eene Mrs. Corfield, een paar uur van Ferth Place, het landgoed der Tressadys.
âMijn schoonzuster is verbazend gauw beter,quot; zei Mrs. Watton, met een sarcastisch knipoogje. âKent u de Corfields, Sir George?quot;
âIn 't geheel niet. Wel heb ik bij andere families over hen hooren spreken. Het schijnt een aardig, vroolijk gezin te wezen. Miss Sewell zal er zich wel amuseeren.quot;
âCorfield?...quot; zei Lady Tressady, het hoofd op zijde, haar kopje in de met juweelen ringen versierde hand. âWat? Astasia Corfield! Gunst, George, dat is een heel oude vriendin van me!quot;
George lachte; â het korte, spottende lachje dat zijn moeder zoo dikwijls te voorschijn riep.
âPardon, mama, ik kan alleen voor mijzelf antwoorden. Zoover ik weet heb ik haar nooit ontmoet, noch op Ferth, noch ergens anders.quot;
âWel, Aspasia Corfield en ik,quot; hernam Lady Tressady, langzaam, als dacht zij overluid, âwe gingen altijd eender gekleed en hadden dezelfde modiste toen we achttien waren, 'k Heb haar in geen eeuw gezien! Maar o, 't was als jong meisje een snoes, die Aspasia, en doodelijk van mij!quot;
Ze zette het kopje neer met een zucht, bedoeld als een verwijt aan het adres van George. Doch de zoon was in zijn brieven verdiept.
68
Mrs. Watton keek, met een minachtenden blik van achter haar courant, moeder en zoon aan.
âIk zou wel eens willen weten,quot; dacht ze, âof die vrouw één enkele vriendin in de wereld bezit. Hoe houdt George Tressady het nog met haar uit!quot;
De Wattons waren jarenlang bevriend geweest met Tressady's vader. Doch na het overlijden van Sir William, tijdens George op reis was, had Mrs. Watton zich niet veel aan Lady Tressady gelegen laten liggen, waarin zij , geloofde ze, het voorbeeld volgde van heel westelijk Mercia. Maar nu George weder op het tooneel verschenen was als een veelbelovend staatsman , moest zijn moeder â zoolang hij niet trouwde â tot op zekere hoogte mèt hem geaccepteerd worden. Mrs. Watton had zich dus verplicht gevoeld haar tijdens de verkiezing te logeeren te vragen, eenigszins met het air van een martelares.
â't Mensch heeft me altijd gruwelijk verveeld, van het oogenblik dat ik haar voor de eerste maal achter Sir William zag aankomen,quot; stortte ze haar hart uit tegen Letty. âWaar hij haar toch vandaan gehaald heeft? 't Is wezenlijk 'n wonder dat ze haar fatsoen bewaart! Fatsoenlijk er uit gezien heeft ze nooit! Ik heb aan 't ontbijt altijd lust haar te vragen, waarom ze zich twaalf uur te vroegf voor het middagmaal kleedt!quot;
Even na het vluchtige gesprek over de Corfields ging Lady Tressady naar haar kamer, waar ze een poos zat te peinzen met haar blotter op de knie; â daarna schreef ze een brief. Ze wist drommels goed dat, nu George weer bij haar was, ze eene welkome logée zou zijn in tal van families, die de laatste jaren geen aanleiding schenen gevonden te hebben om haar te inviteeren. Ze nam dit zeer leukjes op. Het lag niet in haar aard zich boos te maken. Zij had
69
alleen het vaste besluit, op haar manier het leven zoo aangenaam mogelijk door te brengen. Keurden de menschen iets in haar af, tant pis potir eux; dit verhinderde haar niet den volgenden dag haar best te doen een beteren indruk op hen te maken, als ze er gelegenheid toe had en ze het der moeite waard vond.
âZiezoo!quot; zei ze bij zichzelf, terwijl ze den brief verzegelde en vol bewondering bekeek. âIk heb heusch talent voor zulke dingen. Ik wed dat Aspasia Corfield hem per omgaande een invitatie zendt, â en dan natuurlijk ook aan mij , al heeft ze mij vijftien jaar lang laten loopen. Ze heeft een heelen stoet dochters. Waarom eigenlijk ik Miss Sewell in de hand werk, begrijp ik zelf niet! Enfin, men moet iets wagen!quot;
Dienzelfden namiddag vertrokken moeder en zoon naar Ferth Place.
George, die sedert zijn terugkeer uit Indië slechts enkele weken op Ferth had doorgebracht, vond natuurlijk heel wat bezigheden in- en buitenshuis. Het trof hem dat de plaats er vervallen en onordelijk uitzag. Zoowel in de tuinen als over heel de bezitting waren verbeteringen dringend noodig. De toestand der mijnen was hoogst verward en zorgwekkend. En intusschen overstelpte Fontenoy hem met ellenlange brieven over politieke onderwerpen, welke op zichzelf reeds een groot deel van zijn tijd in beslag namen.
Toch wist hij zich door alles heen te slaan, behalve door zijn correspondentie met Fontenoy. Nog streed hij tegen de stille overtuiging, dat zijn luste-looze stemming enkel voortkwam uit een onvoldane behoefte aan het bijzijn van Letty Sewell. Misschien was hij onder den invloed van het Indische klimaat.
7°
Een Eng-elsche winter verleert men gauw; men moet hem, evenals een moeielijke les, telkens opnieuw leeren.
Ongeveer een week na hun aankomst op Ferth zat George in zijn eentje te ontbijten, toen zijn moeder de kamer binnenruischte, na een voorafgaand geluid van rammelende armbanden en het gekef van een paar schoothondjes.
Zij had eenige geopende brieven in de hand, vloog onmiddellijk op hem af, en legde de handen op zijn schouders.
âOwee,quot; dacht George met ongeduld, âze gaat weer aardig wezen.quot;
âJij dwaze jongen!quot; lachte ze, hem steeds vasthoudend, het hoofd op zijde. âWie is zoo boos en zoo onaardig geweest tegen zijn arm moedertje ? Wie moet eens een beetje opgemonterd worden, voor hij zich geheel in dat akelige werk verdiept? Wie zou graag met zijn moedertje gezellig gaan logeeren in een gezellig huis, als het hem heel lief gevraagd werd, hé ? zee ? wie ? . . .quot;
7 o
Zij kneep hem in de wangen vóór hij haar ontsnappen kon. Want George stond op om zich te bedienen van de ham en zei;
âWel mama, u is natuurlijk vrij om te doen wat u wilt, maar ik kan op 't oogenblik onmogelijk van huis.quot;
Lady Tressady glimlachte.
âNu, lees Aspasia Corfield's brief maar eens,quot; zei ze, hem den brief toestekend. âJe weet, 'tis daar geen kwaad logeeren. Ze hebben den chef de cuisine van de Dryburgles genomen, en Aspasia weet heel aardig haar logés bij elkaar te brengen.quot;
Aspasia!! Die patroniseerende, familiare toon! George bloosde, daar zijn moeder het niet deed.
7i
Toch nam hij den brief aan. Hij las hem, legde hem naast zich op de tafel, en drentelde naar het raam , waar hij bleef staan kijken naar een zwerm vogels, die op een bordje brood waren aangevlogen door hem in de sneeuw neergezet.
âNu,quot; zei zijn moeder, âga je?quot;
âAls u er op gesteld is .. antwoordde hij, ietwat verlegen, na een oogenblik zwijgens.
Lady Tressady's kuiltjes waren voortdurend in beweging , terwijl zij haar plaats innam en zich van een en ander bediende. Maar toen hij naar zijn stoel terugkeerde, deed een enkele blik op zijn gelaat haar zien, dat hij niet in een stemming was om gekheid te maken en hij niet van plan was zich tot vertrouwelijkheid te laten dwingen, al was ze slim genoeg om te raden hoe de zaken stonden. Zij wist zich dus te beheerschen, en begon weer over dc Corfields en hun logés te schetteren. Hij gaf behoorlijk antwoord, en toen het ontbijt afgeloopen was, waren zij betere maatjes dan sedert weken het geval was geweest.
Dien morgen ook, schreef hij een wissel om aan haar dringendsten nood tegemoet te komen, hetgeen haar â voor het oogenblik â overgelukkig maakte; zij overstelpte hem met tranen en omhelzingen van dankbaarheid, waaraan hij zich zoo goed mogelijk onderwierp.
In het begin van December gingen zij bij de Corfields logeeren. Ze troffen er een groot gezelschap, waaronder Letty Sewell, vroolijk en wel, het bedorven kindje van allen. Bij de eerste aanraking van het kleine handje, den eersten blik harer oogen, trok de wolk op van George's ziel.
âWaarom is u weggeloopen ?quot; vroeg hij , de eerste de beste gelegenheid.
72
Letty lachte, ontweek het antwoord op de vraag vier dagen lang, in welken tijd George zich geen minuut lusteloos gevoelde, en capituleerde toen. Ze liet zelfs genadiglijk toe dat hij haar ten huwelijk vroeg, en . . . schonk hem het jawoord.
De week daarop ging Tressady met Letty naar haar ouderlijk huis te Helbeck. Hij vond er een zie-kelijken vader, een zeer onbeduidende moeder, en een jongere zuster, Elsie, op wie, naar het hem toescheen , heel het huishouden neerkwam.
De vader, die aan een langzaam voortwoekerende, ongeneeslijke ziekte leed, gat blijk van vroegere scherpzinnigheid.
Hij toonde zich zeer ingenomen met Tressady als schoonzoon, hoewel deze, in de weinige oogenblik-ken als hij alleen met hem1'praatte over zijn bescheiden financieele omstandigheden, zijn best deed zich daaromtrent zoo duidelijk mogelijk uit te spreken. Letty vertoonde zich niet dikwijls in haar vader's kamer, maar kwam zij, dan ontving hij haar meer als een welkome gast dan als zijn dochter. Toch bleek duidelijk dat hij zeer trotsch op haar was â evenals de moeder â; zoodra hij zich een beetje wel voelde, wijdde hij tegenover George uit over haar mooi gezichtje en den opgang dien zij overal maakte.
Met de jongere zuster vond Tressady het niet gemakkelijk goede vrienden te worden.
Zij was leelijk, niet sterk, stil en in zichzelf gekeerd. Zij scheen smaak te hebben voor studie, en veel te lezen. Voor zoover hij dit kon beoordeelen was de verhouding tusschen de beide zusters niet intiem.
âWees niet boos dat ik haar kom weghalen,quot; zei
73
hij, toen hij afscheid nam van Elsie, over haar schouder heen naar Letty ziende, die op de trap stond.
Een oogenblik vertoonde zich een spottende trek op het altijd kalme gezicht. Doch zij bedwong zich, en zei vriendelijk:
âWe hebben ons nooit voorgesteld dat ze hier altijd blijven zou ! Adieu!quot;
VIERDE HOOFDSTUK.
âO, Tully, zie nu mijn mantel eens! Je hebt hem laten vallen! Houd mijn waaier even vast, wil je, en geef me den tooneelkijker.quot;
De spreekster was Miss Sewell. Zij zat naast een oude dame, in de stalfes der groote concertzaal, 6quot;/. James s Hall. Daar Joachim spelen zou, liep het in een oogenblik vol; bijna alle plaatsen waren reeds ingenomen.
Letty stond op , terwijl ze haar tooneelkijker vroeg, om het door alle zijdeuren naar binnen stroomende publiek te bekijken.
âNeen, â nog niet te zien! Zeker hebben ze hem in 't Huis aan den praat gehouden,quot; zeide zij boos. âHè, Tully, heb je nu nog al geen programma! Ik moet om alles denken!quot;
âMaar, kindlief,quot; protesteerde de ander, âje hebt niets van een programma gezegd!quot;
âO, moet ik je misschien alles voorzeggen? Natuurlijk wil ik een programma hebben. Is 'm dat? Neen! Hè, â vervelend!...quot;
âSir George zal opgehouden zijn,quot; waagde de ander stil voor zich heen op te merken.
âOch ja, hoe dom dat ik daaraan niet gedacht
74
heb! Wat ben je toch slim!quot; lachte Miss Sewell sarcastisch , terwijl ze weer zitten ging-.
De oude dame zweeg-, bij ondervinding wetend dat dit het verstandigst was, als Letty in een prikkelbare stemming verkeerde. Zij was eene Miss Tul-loch, vroeger gouvernante bij de Sewells, tegenwoordig veel gebruikt door Letty als zij in de stad was en eene chaperonne noodig had. Letty logeerde gewoonlijk bij eene tante in Cavendish Square, eene oude dame, die 's avonds niet uitging. Ze moest dus geleide zien te krijgen, en Maria Tulloch stond altijd voor haar klaar. Deze woonde ergens in West Kensington, en moest leven van een inkomen van zeventig pond 's jaars ! Letty ontzag zich niet, haar te gebruiken voor opera en comedie, voor concerten en schilderijen-tentoonstellingen , en gaf haar een enkele maal een japon cadeau, die ze niet noodig had. Miss Tulloch hield de kennis aan, als de eenige variatie in den dage-lijkschen sleur van het pensionleven , dat zij niet kon uitstaan, en gehoorzaamde aan iederen wenk harer voormalige pupil. Zij zag niets dat zij niet zien mocht, en éen woord was voldoende om haar te doen verdwijnen. Zij was van goede familie, en haar zwarte japon, met zorgvuldig onderhouden, oude kant gegarneerd, het fijn besneden, zachte gelaat, haar aangename, door en door vrouwelijke vormen, deden het schitterende meisje aan hare zijde geen oneer aan.
Toen het eerste nummer van het programma gespeeld was, stond Letty andermaal op, om, met haar tooneelkijker gewapend, onder de nakomenden den wegblijvenden vriend te zoeken. Zij knikte tegen vele kennissen, maar er was geen George Tressady te ontdekken, en zij ging eindelijk weer zitten, te ontstemd om te luisteren of te genieten, ofschoon de koning van den avond reeds aan den gang was.
75
âJe wilde Sir George juist over iets spreken, niet waar?quot; vroeg Tully, voorzichtig, toen er weer een pauze was.
âNatuurlijk,quot; snauwde Letty. âWat kan je toch malle vragen doen, Tully! Als ik hem van avond niet spreek, kan 't best wezen dat het huis in Brook-street hem ontgaat. Er is veel vraag naar, hoor ik.quot;
âEn vindt hij het te duur?quot;
âAlleen door haar. Als zij hem dwingt haarzoo'n belachelijk groot inkomen te geven , is het natuurlijk te duur. Maar ik zal wel oppassen dat dit niet gebeurt!quot;
âLady Tressady is vreeselijk verkwistend,quot; mompelde Miss Tulloch.
âOch, als ze maar niet zijn geld verkwist â ons geld, bedoel ik â kan het mij niet schelen,quot; zei Letty, âmaar ze zal niet haar fortuin èn ons fortuin opmaken, wat ze den laatsten tijd steeds gedaan heeft. Toen George op reis was, heeft hij haar op Ferth laten wonen, waar ze bijna heel hun inkomen zoek gemaakt heeft, behalve de vijf honderd pond die hij zelf noodig had. En toch heeft ze zoo schandelijk veel schulden gemaakt, dat hij niet weet hoe hij ze afbetaald krijgt! Met Kerstmis heeft hij haar geld gegeven, en, dit weet ik zeker, ook onlangs nog. Neen,quot; â Letty richtte zich recht overeind en zei snibbig â âdaar moet een eind aan komen. Ik geloof niet dat ik veel zal kunnen doen voor ik getrouwd ben, maar dit huis zal ik wel zorgen dat hij neemt.quot;
âIs Lady Tressady lief tegen je? Ze is immersin de stad?quot;
âO ja, ze is in de stad. Of ze lief tegen me is ?quot; herhaalde Letty, met een kort lachje. âZe kan me niet uitstaan!, â dat spreekt van zelf; â maar we zijn zeer in de vormen,quot;
76
âIk meende gehoord te hebben dat zij jullie tot mekaar gebracht heeft,quot; zei de confidente, die zich bovenal aangenaam wenschte te maken.
âNu ja, ze heeft gezorgd dat hij de invitatie van de Corfields aannam, dat heeft ze mij met ronde woorden gezegd. Waarom ze dat deed, begrijp ik niet. Misschien wilde ze iets van hem gedaan krijgen. Aha, daar is hij !quot;
En Letty stond op, wenkend en glimlachend, terwijl Tressady's groote, slanke gestalte zich een weg baande door de middenrij.
âDat akelige Parlement! Hoe ben je toch zoo laat ?quot; vroeg ze, terwijl hij tusschen haar en Miss Tulloch plaats nam.
George Tressady zag haar verrukt aan. De toornige rimpels in het gezichtje, welke Tully er eenige minuten geleden op had waargenomen, waren verdwenen , en de nauw zichtbare sporen, die er van gebleven waren, schenen George het toppunt van aanvalligheid. Zoodra zij hem naast zich had, schitterden de oogen van nieuwen gloed, verfden de wangen zich met een frisschen blos. Tevens was er geen spoor meer van het snibbige meisje van zooeven. Zij wist zeer wel dat hij niet hield van ingenues; in zijn bijzijn was ze noch zenuwachtig, noch sentimenteel.
âGeloof je dat ik éene seconde langer zou zijn weggebleven dan noodig was?quot; vroeg hij, lachend, het kleine handje drukkend, onder voorwendsel van het programma van haar aan te nemen.
De eerste tonen van een nieuw quartet van Brahms verspreidden zich, fijn en liefelijk, door de zaal. Het muzikaal gedeelte van het publiek, speciaal voor dit nummer van het programma gekomen, zette zich tot aandachtig luisteren en genieten.
George en Letty trachtten nog een enkel woordje
77
met elkaar te wisselen, voor zij gehoor gaven aan de algemeen heerschende stilte, maar een oude heer die voor hen zat, keerde het hoofd om en zag hen aan met een blik, zoo vol verontwaarding en woede , dat ze met een gesmoorden lach zich verder doodstil hielden.
Niet dat dit George onwelkom was. Hij was vermoeid , en stil te zitten, met Letty naast zich, was niet alleen rusten, was ook genieten. Bovendien, muziek gaf hem een eigenaardig, een gemengd genot. Muziek wekte in hem op de herinnering aan schilderijen , aan dingen die hij gelezen had, kortom, deed hem weldadig aan. Heden avond, terwijl zooveel heerlijke tonen om hem heen klonken, tooverde zij allerlei liefelijke visioenen voor het oog van zijnen geest: hij bevond zich in een bosch; op de rivier; hij zag bekende gestalten; fijne Corot-achtige boomen teekenden zich af tegen de lucht; â vroolijke, onaangename, smartelijke tooneeltjes, vreugde die zich oploste in niets. Door dat alles heen vlocht zich zijn eigen gevoelsleven: trots op het bezit van het reine schepseltje naast hem ; het bewustzijn van jeugd, van een nieuw beginnend leven , van een overvol tooneel, waar zijn rol juist beginnen zou., waarvoor zijn naam reeds afgeroepen was. Hij luisterde vol aandacht, verwelkomend ieder beeld dat aan hem voorbij trok, zich bewust dat hij er geheel in opging â wat hem zelden gebeurde. Hij ging niet geheel op in zijn liefde, volstrekt niet; de muziek wekte honderd andere heerlijke, zalige gewaarwordingen in hem. Toch waren deze dubbel heerlijk, omdat hij daar zat met Letty naast zich. Hij was volkomen tevreden over zichzelf en haar, volkomen overtuigd dat hij alles ten beste gedaan had. Al deze dingen deed de muziek hem in zekere mate gevoelen; zij gaf er klaarheid aan.
78
Toen het stuk uit was, en het applaus bedaarde, fluisterde Letty hem in het oor: âZeg, heb je al iets bepaald omtrent het huis ?quot;
Hij boog zich glimlachend tot haar over, niet hoo-rend wat zij zeide, maar bewonderend haar toilet: de niet-te-noemen détails van het wit zijden japonnetje ; de viooltjes, geurend bij elk harer bewegingen; de fijne vingertjes die den waaier hanteerden. Zelfs de manier waarop Letty zich kleedde, sprak tot hem. Er was altijd iets verrassends in, iets dat hem bezighield , dat stond tusschen hem en verveling.
Zij herhaalde hare vraag.
Een rimpel doorploegde zijn voorhoofd; de uitdrukking van zijn gelaat onderging eene totale verandering, toen hij met een zucht, ietwat gemelijk, antwoordde:
âOch ... 't Is zoo moeilijk te weten wat het beste is!quot;
Letty speelde met haar waaier; zwijgend.
âZou je dit huis zooveel liever hebben dan een van die andere?quot; vroeg hij.
Letty sloeg vol verbazing de oogen op, en zei, de wenkbrauwen optrekkend:
âWel, dit is een huis! Maar die andere...!quot;
âZijn huisyky? Nu ja, je hebt wel 'n beetje gelijk. Een klein huis in Londen is afschuwelijk. Misschien kan ik wel iets van de huur af krijgen.quot;
Letty schudde het hoofd, en verklaarde, op beslisten toon:
â't Is volstrekt geen duur huis.quot;
Nog steeds vertoonde zich de rimpel in zijn voorhoofd , met de uitdrukking van iemand, die herinnerd wordt aan iets dat hem gehinderd en hij van zich afgezet heeft.
âWelnu, lieveling, als jij er zoo op gesteld bent, dan is dit op eens een reden. Beloof me maar dat
79
je altijd lief tegen me zijn zult, ook al gaan we bankroet!quot;
âDan verhuren we kamers, en ik zal de menschen bedienen lispte Letty , even haar hand op de zijne leggend. âDenk maar: Iedereen zou graag in dat huis wonen. Natuurlijk nemen we alleen de oudste zonen van pairs! Zeg, zie je Lord Fontenoy daar wel zitten?quot;
Het was midden in de groote pauze ; ieder om hen heen was opgestaan om zijn buren te bekijken, of een praatje te maken. Ook Miss Tulloch stond.
George rekte zijn hals uit en zag, over het hoofd van Miss Tulloch heen, Fontenoy, aan de andere zijde van den doorgang, naast een dame zitten.
âWie is die dame?quot; vroeg Letty. âIk heb hem onlangs ook 's avonds met haar gezien in de Foreign Officer
George glimlachte.
âDat.... als je het heel graag weten wilt, kindlief â is Fontenoy's geschiedenis.quot;
âO, toe, vertel me die eens gauw!quot; commandeerde Letty. âMaar neen, hij heeft evenmin een geschiedenis als een hart. Hij is een en al politiek.quot;
âDat heb ik, tot voor een paar weken, ook gedacht. Maar ik weet nu heel wat meer omtrent meneer Fontenoy!quot;
âMaar wie is ze dan toch?quot;
âZe is eene Mrs. Allison. Vindt je dat witte haar niet mooi? En haar gezicht â net van een heilige, vind ik altijd; men zou haar aanzien voor de abdis van een klooster, een vroegere prinses. Heb je ooit zulke diamanten gezien ?quot;
George streek zijn knevel op, en grinnikte terwijl hij den kant van Fontenoy opkeek.
âToe, zeg het me gauw,quot; commandeerde Letty
8o
andermaal, met haar waaier op zijn arm tikkend. âIs 't een weduwe, en gaat hij met haar trouwen? Waarom heb je mij dat niet eerder verteld ? Waarom zei je daar niets van te Malford ?quot;
âOmdat ik het toen niet wist,quot; zei George lachend. âO, 't is een wonderlijk verhaal â veel te lang om je nu te vertellen. Ze is weduwe; maar er schijnt geen plan te wezen op een huwelijk. Ze heeft een volwassen zoon, onlangs aan de academie gekomen ; voor hèm laat ze 't. Als Fontenoy haar aan je wil voorstellen, vind het dan maar goed. Ze is eigenares van het kasteel Luton, en geeft dol prettige partijen. Ja, als ik te Malford geweten had wat ik nü weet!...quot;
En wederom lachte hij, zich herinnerend Fonte-noy's bezoek midden in den nacht en zijn doel daarmee. Wie had kunnen denken dat de zedepreker van toen ooit eene ernstige gedachte wijdde aan de vrouw en vrouwelijke kunstgrepen! â allerminst dat hij zelf de schepping en de slaaf eener vrouw was!
Letty's nieuwsgierigheid was opgewekt, en stellig zou ze niet opgehouden hebben George te vragen, had zij niet gezien dat Fontenoy eensklaps opstond en naar hen toekwam.
âGunst! daar komt hij! Waarom zou hij dat doen? Hij kan mij niet uitstaan.quot;
Doch Fontenoy â toen hij zich door de volte heengewerkt had â begroette Miss Sewell even vriendschappelijk als hij het ieder ander deed. Hij had met behoorlijk decorum George's bericht van zijn voorgenomen huwelijk ontvangen, en reeds een sierlijk cadeau gezonden aan de aanstaande bruid. Letty voelde zich echter nooit op haar gemak met hem, wat met meest alle vrouwen het geval was.
Hij stond een paar minuten met het jonge paar te praten; wisselde met Letty eenige banale opmer-
8i
kingen over de artisten en het publiek, en wendde zich toen tot George, met een gansch andere uitdrukking op het gezicht zeggend:
âVan avond zal er voor ons wel geen aanleiding wezen om terug te gaan naar het Huis?quot;
âWat â naar het Huis? O hemel, neen! Je kunt er gerust op zijn dat Grooby en Havershorn den ganschen avond aan 't zeuren blijven, zoo ik hoop tot verveling van niemand anders dan zichzelven. Het Gouvernement houdt zitting; meer niet. Heb jij weer den geheelen dag aan je speech gewerkt?quot;
Fontenoy haalde de schouders op.
âIk zal nooit kunnen zeggen wat ik zeggen wil. Komt u Vrijdag in het Huis, Miss Sewell?quot;
âVrijdag?...quot; zei Letty, verschrikt.
George lachte.
âIk heb je wel gewaarschuwd! Zeg maar dat je 't te druk hebt met je uitzet, en onmogelijk weg kunt!quot;
Zijn blauwe oogen lachten vroolijk, terwijl ze van Letty afdwaalden naar Fontenoy. Hij had reeds lang gemerkt dat Letty onmogelijk iets voelen kon voor zijn parlementaire loopbaan. Doch dit deerde hem niet. Integendeel, hij vond het wel grappig dat Letty, of ze er lust in had of niet, af en toe over de politiek zou moeten praten, onder anderen met mannen als Fontenoy.
âO, je bedoelt met je Resolutie?quot; riep Letty. â't Heet immers Resolutie? Ja, natuurlijk kom ik dan. 't Is eigenlijk bespottelijk, want ik begrijp er toch niets van. Maar George zegt; het moet; en zoo lang ik nog geen gehoorzaamheid beloofd heb, wil ik wel gehoorzaam zijn.quot;
Een grapje, evenwel, had geen vat op Fontenoy. Hoekig, stil als altijd, stond hij naast haar. Nu de vrouw in haar geen opgang maakte, moest ze wel I. 6
82
ten tweeden male het met de politiek beproeven. Ze vroeg dus:
âMen is van plan Mr. Dowson aan te vallen, is 't niet? U en George zijn erg verontwaardigd over een paar dingen van hem, niet waar ? Hij is immers de Home Secretary? Och ja, natuurlijk is hij dat! Hij heeft immers gemaakt dat de handel verliep, en den fabrikanten zooveel last gegeven? Toe, legt 't mij eens allemaal uit! Als ik het George vraag, zegt hij altijd dat ik het toch niet begrijp!quot;
âO, als je blieft,quot; smeekte George, âlaat dat onderwerp rusten! Ik kom hier om jou en om Joachim. Alleen dit wil ik je wel zeggen, Letty: ik zal haast geen tijd hebben om te trouwen als 'eenmaal Fon-tenoy's anti-MaxWell-campagne begint; en die zal wel aanhouden tot den Oordeelsdag!quot;
âWaarom anti-Maxwell?quot; vroeg Letty verbaasd. âIk dacht dat het Mr. Dowson was dien jullie gingen bestrijden ?quot;
George, ietwat ontstemd dat hij er toch niet buiten blijven kon, begon haar uit te leggen dat Maxwell, daar hij slechts âeen miserabele Pairquot; was, niets in te brengen kon hebben in het Lagerhuis, en Dowson er de officieele woordvoerder was der Maxwell-partij en der Maxwell-politiek. âDe handen waren Ezau's handen,quot; enz. Letty, al dien tijd het gevoel hebbend dat zij niet op haar voordeeligst uitkwam, kreeg een kleur , begon zenuwachtig met haar waaier te spelen ^ en te verlangen dat George er een eind aan maakte.
Fontenoy stak geen vinger uit om George met zijn lesje in de politiek te helpen. Hij staarde met een impassibel gezicht voor zich uit, tot hij eensklaps, over zijn naaste buren heenziende, zich tot Letty wendde met de woorden;
83
âIk zie dat de Maxwells er van avond ook zijn.quot; Hij maakte eene hoofdbeweging links, naar twee of drie banken achter hen. âU hebt haar wel ontmoet, niet waar, Miss Sewell?quot;
âO ja, dikwijls/quot; zei Letty, op een toon als sprak dit van zelf, toch nieuwsgierig op de teenen staande om te zien. âIk ken haar wel een beetje, maar mij vergeet ze telkens weer. Ze had Zaterdag in de Foreign Office zoo'n afschuwelijke japon aan; 't bedierf haar heelemaal.quot;
âAfschuwelijk?quot; herhaalde Fontenoy verbaasd.âEen schilder â zijn naam is mij ontgaan â was er in éene bewondering over; vond haar net een Floren-tijnsche schilderij â 'k ben vergeten wat hij precies zei â ik heb geen verstand van die dingen.quot;
Om Letty's mondje speelde een trekje van minachting. Het gaf te kennen dat zij, in deze zaak ten minste , wèl wist wat ze zei. Toch volgden hare oogen het donkere hoofd haar door Fontenoy aangeduid.
Lady Maxwell was op dit oogenblik het middelpunt van een grooten kring, meest heeren, die allen even begeerig schenen een woord van haar op te vangen; zij sprak zeer geanimeerd, en wendde zich van tijd tot tijd tot een groote, breedgeschouderde gestalte , met grijzend haar, die , zwijgend, met een glimlach om de lippen , ietwat op zij stond. Letty merkte op dat van het balcon tal van tooneelkijkers op ditgroepje gericht waren; dat ieder in hun buurt, of liever alle dames naar Lady Maxwell keken of trachtten haar in het oog te krijgen. Het jonge meisje had een heimelijke gewaarwording van jaloezie en tegenzin.
Eensklaps zag men het hoofd van een bekend ac-compagnateur boven de trap uitkomen, die van de artistenkamer naar het orkest leidde. De pauze was
84
geëindigd, en het publiek zette zich wederom tot luisteren.
Fontenoy boog en nam afscheid.
âZie je wel, hij heeft mij niet voorgesteld,quot; zei Letty, niet zonder ergernis, toen ze weder zitten ging. âHè, wat een leelijke man is hij toch! Telkens als ik hem ontmoet vind ik hem leelijker.quot;
George gaf flauwtjes een teeken van instemming, maar was het eigenlijk in het geheel niet met haar eens. Het is waar, Fontenoy had meer dan ooit het aanzien van iemand die zich overwerkt; de oogen waren haast geheel weggezonken; het breedgevorm-de, krachtige gelaat was rood en gerimpeld door te weinig slaap en ontspanning; het bruine haar werd onrustbarend dun en grijs. Toch was er voor een man nog veel aantrekkelijks in den leelijken kop, in het lange, magere lichaam; het getuigde niet van vrouwelijke scherpzinnigheid als ze daar geen oog voor had.
Na afloop van het concert â George en Letty stonden naast elkaar in de volgepakte vestibule â zei hij met een glimlachje:
âDus dat huis neem ik?quot;
âAls je lief wezen wilt,quot; zei ze kribbig, âvraag het mij dan niet. Doe het; neem het; en wacht dan tot ik weer in mijn humeur ben.quot;
âWelk een heerlijk vooruitzicht! Maar weet je wel dat ik, als je dit beeldige kapje opzet, een paleis zou willen huren om je te behagen ? En weet je wel dat mijn moeder ons vreeselijk verkwistend vinden zal ?quot;
âO, niet iedereen kan zuinig zijn!quot; zei Letty.
Het ontging hem niet hoe ze het hoofdje in den nek wierp en de lipjes opeenklemde. Het amuseerde hem. Al had hij tot nog toe nimmer met haar gesproken over zijne moeder en haar geldzaken, toch
85
begreep hij zeer goed dat hetgeen zij naar aanleiding van dit huis zeide, op zijne moeder doelde, en dat Letty en Lady Tressady hard op weg waren een hekel aan elkaar te krijgen. Welnu, waarom zou Letty haar gevoelens verbloemen ? Hij had er haar te liever om, dat ze geen doekjes wond om 'tgeen er in haar omging.
Er was eenige opschudding onder de menschen om hen heen , en opziende bevond Letty dat zij naast een lange dame stond, wier donkere oogen op haar gevestigd waren.
âDag, Miss Sewell.quot;
Letty, ietwat geschrikt, stak de hand uit en beantwoordde den groet. Lady Maxwell keek over haar heen naar den langen, jongen man, met het fijne, onregelmatige gezicht. George boog onwillekeurig. Zij groette even terug, en werd met haar gezelschap en met den stroom meegesleept.
âKomt uw rijtuig voor?quot; hoorde George iemand haar vragen.
âNeen, ik neem een hansom naar huis. Ik heb de paarden vandaag al zooveel laten loopen. Aldous gaat nog even naar zijn club, om te zien of hij iets van Devizes te weten kan komen.quot;
âO, over de verkiezing?quot;
Zij knikte toestemmend, kreeg haar man in het oog, die haar wenkte, en spoedde zich voort.
âWat een hoofd!quot; zei George, haar vol bewondering naziend.
âJa,quot; stemde Letty in , doch niet con amore. âVooral het haar is zoo mooi; â die lange, zwarte golvingen. Bespottelijk, te zeggen dat ze haar paarden te veel heeft laten loopen! Net iets voor Lady Maxwell ! Alsof ze geen vijftig paarden zou kunnen hebben als ze wou ! O, George, daar is Willem. Gauw, Tully!quot;
86
Zij bereikten den uitgang. In het gedrang sloeg George beschermend den arm om Letty heen. De aanraking van het slanke figuurtje, de nabijheid van het fijne gezichtje, brachten hem in verrukking. Toen haar rijtuig wegrolde en hij door Piccadilly naar huis wandelde, liep hij een poos afgetrokken door de lange straten, enkel zich bewust van een gevoel van groot, oneindig geluk.
Het was een milde Februari-avond. Na langdurige vorst en langzamen dooi was de wind naar het westen gedraaid; men voelde reeds iets van het naderen der lente. Tijdens het concert had het zonder ophouden geregend ; thans was het weêr opgeklaard ; de wegdrijvende wolken lieten groote plekken blauw achter, fonkelend van sterren.
Een malsche, zoele lucht woei door de straat. Toen George's bedwelming hem langzamerhand verliet, ondervond hij een fysiek welbehagen in het loopen tegen den wind in. Hoe heerlijk scheen hem het leven ! Hoe heerlijk, zich jong te gevoelen , met kennis toegerust, â hier, in dit rumoerige, veelzijdige Londen , â en dan de toekomst, met al wat zij in zich sloot! Onder anderen dit véél-belovend huwelijk â hoe gewoon misschien in veler oog â wat was hij blijde dat hij er de hand naar uitgestoken had ! Zijn toekomstig vrouwtje was geen heilige, evenmin een geleerde vrouw. Hij dankte er zijn gelukkig gesternte voor! Hij althans verlangde geen van beiden aan den huiselijken haard. âLof, blaam, liefde, kussen,quot; voor dit alles zou het leven met Letty gelegenheid geven; toch voor geen dezer in te ruime mate. Er zou tijd over wezen voor andere dingen, voor andere passies â voor zijn liefde voor het politieke leven, bij voorbeeld; tijd om te leeren omgaan met en te staan boven andere menschen. Hij, de
87
novice, de beginner, mocht hij spreken van âboven staanquot;! Toch voelde hij dat hij reeds den voet gezet had op de ladder. Fontenoy raadpleegde en vertrouwde hem meer en meer. Ondanks zijn engagement bracht hij zich op de hoogte van honderd strijdvragen, en die dagelijks terugkeerende, geestelijke inspanning had iets zeer opwekkends. Hun kleine partij in het Huis, klein maar krachtig, onvermoeid , onverschrokken, nam steeds toe in gewicht en in de aandacht welke zij het publiek wist af te dwingen. Deze aanval op Dowson â op een bemoeizieke, tyrannieke Home Office â zou hem zijn eerste groote kans bieden. Verschillende vak-vereenigingen, verbitterd door de administratieve energie van de Regeering, hadden zich met gejuich en geklaag bij Fontenoy aangesloten. Een zeker aantal liberalen, met name een flinke partij Whigs onder de fabrikanten, zouden aan de stembus waarschijnlijk met hen meegaan; â op de socialistische Arbeiderspartij , die op geen goeden voet stond met de Regeering, kon men thans niet rekenen. De aanval en de verdediging zouden waarschijnlijk twee avondzittingen innemen; want de Regeering had, ziende hoe ernstig de aanval was, er in toegestemd, in geval het debat Vrijdag niet gesloten werd, er ook den Maandag aan te wijden. Geen twijfel of de zaak zou éclat maken. George zou misschien den tweeden avond zijn maiden speech kunnen houden, waar hij feitelijk zeer van vervuld was, al had hij er tegen Letty luchtig over gesproken , er om gelachen, en niet gewild dat zij kwam luisteren.
Dan, na Paschen, kreeg men Maxwell's wet, en had men de poppen aan het dansen ! Arme kleine Letty! â Als wezenlijk die strijd uitbrak, zou ze
88
niet veel aan haar wittebroodsweken hebben! Maar eerst kregen zij Paschen en hun huwelijk, die éene korte veertien dagen , als hij haar mee zou voeren â zachte, gewillige buit! â naar buiten, waar hij een zonnig plekje zou weten te vinden voor hem en voor haar, en hij al haar kuurtjes zou inwilligen.
Hij sloeg de St. James' straat in , liep voorbij Marlborough House en bevond zich in de Mali, op weg naar IVarwtck Square, waar hij met zijn moeder woonde.
Eensklaps zag hij vlak voor zich, in de richting van het Buckingham-paleis , een massa menschen. Een hansom met een paard er voor stond dwars op den weg; de koetsier, vuurrood, zonder hoed, was druk aan het redeneeren met een agent, die iets opschreef, en midden uit de menigte klonk een klagend geluid.
Hij liep naar den menschenhoop toe en vroeg den agent, die juist zijn aanteekenboekje dichtsloeg:
âEen ongeluk gebeurd ?quot;
â'n Klein meisje overreden, meneer.quot;
âKan ik ook helpen? Komt er een berrie?quot;
âNeen, meneer. D'r zat 'n dame in den hansom. Ze is bezig 't kind te verbinden, en zal 'tzelf naar 't gasthuis brengen.quot;
George wipte op een bank onder de boomen, en keek over de hoofden naar de open plek in het midden , die door den anderen agent werd schoonge-houden. Een klein meisje lag op den grond, of liever op een hoop jassen ; een ander, van een jaar of zestien, stond naast haar te schreien; een dame ...
âHemel!quot; ontsnapte Tressady. Hij sprong van de bank af, tikte den agent op den schouder en vroeg, terwijl hij den man iets in 'toor fluisterde:
âKun je mij er door helpen? Ik geloof wel dat ik
89
hier van dienst zijn kan. Die dame . . fluisterend eindigde hij den zin.
De man raakte zijn hoed aan en gebood:
âTerug jullie! Laat meneer door!quot;
De menigte ging, schoon niet gewillig, uiteen. Doch op dit oogenblik geschiedde hetzelfde van binnen uit; een kleine processie kwam er door, geholpen door de beide politieagenten. Vooruit liep een agent met het meisje in de armen, een kind van ongeveer twaalf jaar. Het rechtervoetje lag stijf op zijn arm, recht gehouden door een geïmproviseerd verband van parapluies en zakdoeken. Onmiddellijk achter hem volgde de dame, die George in het oog gekregen had, met het andere meisje aan de hand. Zij had geen hoed op en was zeer gekleed. Haar avondmantel, met een grooten bonten kraag, bedekte een licht satijnen japon, die de sporen droeg van de modderige straat, en toen zij onder de lantaarn kwam, waarbij het rijtuig stond, schitterden de diamanten in haar braceletten. Terwijl zij door de menigte liep, bemerkte George dat eenigen haar herkenden en er een gefluister ging van mond tot mond.
Zij zelf lette daar niet op. George zag dadelijk dat zij, niet de politie, hier bevelen uitdeelde. Zij zeide, toen zij bij het rijtuig kwamen, op haastigen, gebiedenden toon wat men te doen had.
âDe koetsier is dronken,quot; hoorde George haar zeggen , âwie zal rijden ?quot;
âEen van ons, mevrouw.quot;
âWie? âje kameraad? Laat hem dan dadelijk op den bok klimmen, voor ik instap.'t Is een jong paard; het kon op eens doorrijden. Goed zoo. Nu , zoodra ik het sein geef, krijg ik het kind.quot;
Zij nam in het rijtuig plaats. George merkte dat de agent een oogenblik aarzelde hoe hij met het kind
9°
doen moest. Hij kwam hem te hulp, te zamen gaven zij het aan, en legden het voorzichtig op haren schoot.
Toen bleef George voor het geopende portier staan, en vroeg, met den hoed in de hand; âKan ik u verder in een of ander van dienst zijn, Lady Maxwell ? Ik zag u zooeven op het concert.quot;
Zij keerde zich ietwat verbaasd tot den spreker, bij het hooren noemen van haar naam, en zag hem aan. Op eens scheen zij het te begrijpen en antwoordde , langzaam, als dacht ze luid:
âIk weet niet .... Ja toch, u kunt mij helpen. Ik breng dit kind even naar het gasthuis. Maar dat andere meisje... Zoudt u hdar willen thuis brengen ? â Ze is zoo vreeselijk geschrikt. Maar neen! ga liever eerst met haar mee naar 't gasthuis. Ze zal willen weten waar 't zusje blijft.quot;
âGoed, ik zal een rijtuig zien te krijgen, en u zoodra mogelijk volgen.quot;
âGaarne, maar ik moet dat kleine ding even iets zeggen.quot;
Tressady duwde het schreiende meisje naar voren, en Lady Maxwell boog zich over het vrachtje op haar schoot heen, om haar een paar woorden toe te spreken â met een gansch andere stem â zeer zacht en bemoedigend. Het meisje begreep haar; het gezichtje klaarde op; zij ging nu gewillig met Tressady mee.
Een der agenten nam plaats op den bok, onder de spottende opmerkingen van het volk, waarna het rijtuig wegreed. In George's buurt werden een paar hoofddeksels afgenomen en er ging iets als een hoeratje op.
.,'k Heb 't dadelijk gezeid,quot; hoorde men er een, ,/k kende 'r dadelijk ; 'k heb honderden malen 'r
9i
portret gezien in de kranten en voor de winkels, 't Ts'n knap wijf, hoor! Zag je diejuweelen wel?quot;
âKomzei George, terwijl hij het meisje haastig in de vigilante stopte, waarmee de andere agent juist kwam aanrijden.
Een paar seconden later reden zij, zoo hard een vermoeid huurpaard loopen kan, achter Lady Maxwell's voertuig aan. George trachtte het meisje door een paar vriendelijke woordjes op haar gemak te zetten, en hierdoor aangemoedigd begon ze met droeve stem te vertellen hoe het ongeluk gebeurd was: dat een oudere zuster een kamertje bewoonde in Crawford Street, Tottenham Court Road, waar zij en de kleine te visite geweest waren; dat zij bij grootmoeder woonden, in Westminster; dat Lizzie werkte in een wasscherij , en een ander haar nu zou verdringen; dat de dame aan de omstanders gevraagd had om parapluies en zakdoeken, om Lizzie's been te verbinden â en meer bijzonderheden, die er op treurige, onsamenhangende manier uit kwamen.
George hoorde, maar luisterde niet. Hij was nog te zeer vervuld van het dramatische, ietwat comi-sche tooneeltje,-dat hij juist had bijgewoond. Want dramatisch was het â zij het van de goedkoope soort. Had hij, had iemand ooit meer karakteristiek kennis kunnen maken met deze eigenaardige persoonlijkheid ? Hij lachte in stilte als hij zich voorstelde hoe hij het aan Fontenoy zou vertellen. Die statige, schoone vrouw, met haar juweelen en haar satijnen japon in de modder knielend , om het been van een waschmeisje te verbinden ! â 't was zoo gehéel iets voor Marcella Maxwell , dat men er om lachen moest als bij een overdreven fraaiigheid in een comedie.
Wat toch maakte haar zoo schoon ? Het gelaat was
92
lang niet onberispelijk, maar wat kleur, uitdrukking-, fijnheid van trekken betreft, had het zijn wedergade niet! Aan den anderen kant â haar manieren . . . Neen ! â hij trok de schouders op. De herinnering aan de haast mannelijke â of was het meer jongensachtige ? â flinkheid deed hem niet aangenaam aan.
Ten slotte bleken zij niet ver achter den hansom aan te komen, want de portier van het gasthuis was juist bezig het gekwetste kind van Lady Maxwell aan te nemen, toen Tressady uit zijn rijtuig stapte, om te zien of hij helpen kon.
Maar, eenigszins tot zijn spijt, had men zijn hulp niet noodig. Lady Maxwell en de portier deden alles samen. Toen zij het gebouw binnengingen ving George een en ander op van hetgeen zij zeide, terwijl ze het beentje van het kind vasthield. Zij sprak snel, met kennis van zaken, en de man antwoordde evenals de agent met een eerbied en stille verstandhouding die â dit bleek duidelijk â niet enkel de voorname dame en haar schitterend toilet golden.
George begreep er niets van.
Hij en het zusje volgden naar de wachtkamer. De inwonende geneesheer en een zuster werden geroepen, die onmiddellijk een verband aanlegden. Het patientje schreeuwde en kermde aanhoudend. Tressady had groote moeite de andere stil te houden. Daarna namen dokter en zuster het kind op.
âZe brengen haar nu naar bed,quot; zei Lady Maxwell, zich tot George wendend. âIk ga mee naar boven. Zou u hier even willen wachten? Het zusjequot; â zij liet haar zaakrijken toon varen, en legde met een vriendelijk lachje de hand op den schouder van het meisje â âmag ook boven komen zoodra ze uitgekleed is.quot;
93
De kleine stoet verdween; George bleef alleen met het aan zijn zorg toevertrouwde meisje. Zoodra haar zusje weg was, begon zij van overspanning druk te redeneeren, afgebroken door tranen en snikken. Hij sloeg er weinig acht op. Hij liep met de handen in de zakken op en neer, ontstemd gelijk hij het zelden was. Hij vond dat een dame de beleefdheid van een vreemd heer wel wat hupscher kon aannemen.
Na verloop van een kwartier kwam een zuster het meisje halen. Tressady mocht ook meegaan als hij wilde. Het kind zag hem aan met een smeekenden blik, als vroeg ze hem haar in deze onbekende, ietwat griezelige omgeving niet aan haar lot over te laten. Zij volgden dus de verpleegster de blanke steenen trap op, door flauwverlichte gangen, waar men geen geluid hoorde, behalve eens, toen de schelle stem van een ijlende zieke tot hen doordrong, wat het bleeke kind haast nog bleeker worden deed.
Eindelijk legde de zuster den vinger op den mond, en deed een deur open. Wat George toen zag, deed hem aangenaam aan.
Zij stonden aan den ingang van de kinderzaal. Aan weerskanten stond een rij kribben, blauw-wit afstekend tegen de gele, met platen behangen wanden en den smetteloos reinen vloer. Aan het eind van de zaal brandde een groot vuur. Op een houten tafel in het midden, vol fleschjes en heelkundige benoodigdheden , stond een lamp met een kap; in den ledigen stoel had zeker de nachtzuster g-ezeten. In de kribben lasfen kin-
lt;-gt; O
deren van allerlei leeftijd te slapen, sommigen met het hoofdje in de kussens, als een marmot ineengedoken ; anderen lagen op den rug, pijnlijk stijf rechtuit en stil. Er was een warme doch aangename atmosfeer,
94
een zuivere carbollucht. Het eigenaardige schijnsel van het vuur, het gezellige van de groote zaal, de stille kleur, de orde en netheid, het getemperde licht om die flauw uitkomende gestalten in de bedjes,â het was als een gedicht, een gedicht van mensche-lijk medelijden.
Twee of drie bedjes rechts van hem stond Lady Maxwell met de nachtzuster. Het meisje was ontkleed, en lag doodstil, met een pijnlijk-treurig gezichtje, dat vol verlangen zich naar haar zusje keerde toen deze binnentrad. Het geheele tooneeltje was nieuw voor Tressady; het deed hem aan. Toch werd, na den eersten indruk, zijn oog onwederstaanbaar geboeid door Lady Maxwell, door haar alléén, en zag hij al het overige slechts in verband met haar. Zij had den zwaren mantel afgelegd, misschien om met het ont-kleeden van het kind te helpen. Daaronder droeg zij een fijn kanten doekje of cape, ter bedekking van den laag uitgesneden hals. De japon was licht groen ; de moddervlekken en spatten waren niet zichtbaar in het halve licht, en bij iedere beweging viel er een zachte gloed op de plooien van het mollige satijn. De poëtische waardigheid van het hoofd, sierlijk gekroond door het gitzwarte haar, van den fraai gevormden hals en de schouders, kwam geheel tot haar recht in die omgeving van bleeke kleuren, de strenge lijnen der zaal. Tressady had wederom datzelfde gevoel van iets dramatisch , iets bijzonders; toch stemde het hem niet zachter jegens haar.
Zij keerde zich bij hun binnentreden om en wenkte het zusje.
âKijk nu eens hoe heerlijk zij hier ligt! En geef dan aan de zuster je naam op en je adres.quot;
Het meisje trad schuchter nader. Terwijl zij met haar zusje en de verpleegster praatte, keerde Lady
95
Maxwell het hoofd om en ontwaarde ze Tressady, die, een eind van haar af, bij de tafel stond.
Een oogenblik vertoonde zich een uitdrukking van verbazing op haar gelaat. Hij zag, dat het ongeluk en de zorg voor de kinderen haar hem geheel hadden doen vergeten. Maar onmiddellijk herinnerde ze zich alles, en zei met een glimlach:
âDus wilt u haar thuisbrengen ? U is wel vriendelijk. De grootmoeder zal zoo blij wezen als iemand het haar uitlegt! Van nacht moet het beentje gespalkt blijven, morgen komt het in een gipsverband. Ik denk wel dat men haar niet langer dan drie weken zal kunnen houden, want 't is hier meer dan vol.quot;
âU schijnt geheel op de hoogte.quot;
âIk ben zelve eenigen tijd verpleegster geweest,quot; zeide zij , maar ietwat stijf, als gevoelde zij zich eensklaps de voorname dame in plaats van de verpleegster.
â't Is waar! Dat had ik kunnen weten. Eduard Watton sprak er laatst van.quot;
Zij zag snel op. Hij voelde dat zij voor de eerste maal hem aanzag.
âKent u Mr. Watton? Ik geloof dat u Sir George Tressady zijt, is 't niet? U is in November voor Market Malford gekozen ? 't Is waar! â Ik had niet veel sympathie voor uw speeches.quot;
Zij lachte. Hij lachte ook.
âJa; ik heb zitting genomen juist aan 't begin van een grooten strijd.quot;
Haar lach verdween.
Ernstig sprak ze: âEen akelige strijd!quot;
âHm. Dat ben ik niet met u eens. Het hangt er van af of men van vechten houdt, en in hoeverre men zeker is van zijn zaak.quot;
Zij aarzelde een oogenblik eer ze vervolgde:
96
âHoe kiln Lord Fontenoy zeker wezen van zijn zaak!quot;
Het zweempje ironie in haar toon deed hem even opstuiven.
âZegt niet iedere partij dat van haar tegenstanders?quot;
Wederom zag zij hem nauwlettend aan Hij scheen nog zeer jong â jonger dan zij was, meende ze. Maar heel zijn houding, de gemakkelijkheid waarmede hij zich bewoog, de zelfbewustheid die er uit sprak, in tegenstelling met het jeugdige van zijn uiterlijk, had iets aantrekkelijks voor haar. Onwillekeurig plooide haar mond zich tot een glimlach toen ze hernam:
âMisschien... Maar somtijds, begrijpt u, is er toch iets waars in! Enfin, we kunnen daarover hier niet discussiëeren om éen uur in den nacht; â de zuster geeft mij al een wenk om stil te zijn. Intus-schen dank voor uw vriendelijkheid. Als u Zondag in onze buurt wezen mocht, komt u mij dan eens vertellen hoe u daar alles gevonden hebt?quot;
âZeker ! Met het grootste genoegen zal ik u verslag komen doen van de wijze waarop ik mij van mijn opdracht gekweten heb.quot;
Zij stak hem een fijne hand toe. Het zusje, de oogen rood van het schreien, werd aan hem overgedaan , en weldra reed hij met haar in een cab door de slopjes van Westminster.
Welnu , was Maxwell erg te benijden ? Tressady kon er niet volmondig ja op zeggen. Zulk een vrouw, dacht hij, zou, met al haar schoonheid, zijn hart nooit sneller hebben doen kloppen.
97
VIJFDE HOOFDSTUK.
De week, aldus voor Tressady begonnen , beloofde zeer gewichtig te zijn voor allen die belang stelden of betrokken waren in hetgeen er omging in het Lagerhuis. Fontenoy's aanval op het Ministerie van Binnenlandsche Zaken (de Home Office) en, door den Minister van Binnenlandsche Zaken (de Home Secretary), op de Maxwell-partij en den invloed welke van deze uitging, was sedert lang tegemoet gezien, en â naar men wist â met zorg voorbereid. Men sprak druk over hetgeen daaruit zou kunnen voortvloeien. Al deed Fontenoy der tegenpartij afbreuk, men dacht niet dat zijn aanval van invloed zou zijn op den stand der partijen of de regeering zou ondermijnen. Maar na Paschen zou Lord Maxwell's fabrieks-wet â een speciale fabriekswet voor Oostelijk Londen, die voor de eerste maal den volwassen werkman betrof en huisarbeid in enkele industrieën verbood â ter tafel komen; diens tegenstanders zouden daarin aanleiding genoeg vinden voor een heftigen, roemrijken strijd. Van het begin tot het einde gaf zijn voorstel aanleiding tot discussies; het had reeds een Ministerie doen vallen; het werd sterk verdedigd en krachtig bestreden; van het lot van éen clausule kon leven of dood van het Ministerie afhangen , niet zoozeer om het intrinsiek gewicht van de zaak, als wel omdat men Maxwell in het Kabinet niet missen kon , en men wist dat noch Maxwell, noch zijn intieme vriend en partijgenoot Dowson, de Home Secretary, zouden gedoogen dat zij in een der hoofdpunten hun zin niet kregen.
De algemeene toestand was zeer eigenaardig. Twee jaar geleden had een sterke Tory-regeering, die lang
L 7
98
het roer in handen had gehad, moeten aftreden! Sedert was er enkel verwarring geweest in de Engel-sche politiek. Een zwak liberaal ministerie, ondermijnd door socialistische oproerkraaiers, had slechts korten tijd geduurd, en was opgevolgd door een even zwak Tory-kabinet, waarin Lord Maxwell, na zich een jaar of vier uit het politieke leven teruggetrokken te hebben, tot zijn partij terugkeerde, alleen om ze tot ontbinding te doen overgaan. Want het gelukte hem hen een motie te doen onderschrijven, waarin zijn innigste overtuiging en gevoelens waren neergelegd, en die gesteund werd door al de meest belangrijke arbeidersvereenigingen. Deze motie had den val van het ministerie ten gevolge, maar gedurende den korten tijd dien zij aan het bewind waren, had Maxwell een zoo machtigen indruk gemaakt op zijn partij , dat toen zij weder terug kwamen , hetgeen geschiedde met een grootere meerderheid, de motie-Maxwell een hoofdpunt uitmaakte in hun program, en deze op dit oogenblik als het ware het middelpunt mocht heeten waarom zich alles op het terrein der politiek bewoog.
Op dat politieke terrein heerschte in de oogen van wie de eerste jeugd voorbij waren, een wonderlijke wanorde. De oude liberale partij was nagenoeg van het terrein verdwenen, met uitzondering van een enkelen overblijver, voorstander van een program, waar niemand ooren voor had, aanheffer van een leuze, welke niemand het bloed sneller door de aderen deed vloeien. Een groote, onafhankelijke Werklieden- en Socialisten-partij vulde de ledige banken der Liberalen, â een revolutionnaire, enthousiaste hoop, voor wie het land een beetje bang was, en die, om de waarheid te zeggen, een beetje bang voor zichzelven waren. Zij hadden een program dat uit-
99
stekend in elkaar zat, en vertegenwoordigden een geweldige âdominantquot; in het Engelsche maatschappelijk leven. En dat Engelsche leven, in al wat den voortgang en ommekeer in de arbeidersquaestie betreft, verkeerde in een toestand van groote beroering en onzekerheid. Na een lang tijdperk van stilstand, rust, en betrekkelijken vrede op het gebied van het industriëele leven, waren er in Engeland , zoowel als op het vasteland van Europa, stormen uitgebroken, en een strijdmacht, zoowel van réactie als van revolutie, trad op in nieuwe vormen en onder het commando van nieuwe meesters.
Aan het hoofd der réactie-partij stond Fontenoy. Ongeveer vier jaren vóór deze zitting was een uitgebreide werkstaking â natuurlijk in verband met andere invloeden â de eerste aanleiding geweest tot zijn optreden in het publieke leven , en het breken met wedrennen en andere genoegens. De werkstaking had plaats op de uitgestrekte goederen zijns vaders, in Noordelijk Mercia; de stakers en hun leiders traden buitengewoon krachtig op, en Fontenoy, zeer tegen zijn zin genoodzaakt er zich mee te bemoeien ,â daar zijn vader, de ijverige en bekwame administrateur van een enorm fortuin, op dat oogenblik ziek lag, â nam er, toen de strijd reeds eenige weken aan den gang was, met hart en ziel deel aan, en bleek, toen de vrede geteekend was, een totaal ander mensch geworden. Het eigendom moest beschermd worden; het verzet en de hebzucht van den lageren stand moesten den kop ingedrukt. Dicky verkocht zijn renpaarden, en gordde zich van stonden aan tot het vormen eener nieuwe partij , met al het doorzettingsvermogen, met al de schranderheid en het durven, dat hij immer getoond had bij de intrigues en triumfen van het sportterrein.
IOO
Thans, in dit nieuwe Parlement, openbaarde zich zijn ontzettende werkkracht. De mannen, die zich bij zijn banier aansloten , waren toegenomen in quan-titeit en in qualiteit. Zij ook hadden een afschuw van een zoetelijk conservatisme en een plunderende democratie. Zij kwamen openlijk op voor geboorte en rijkdom; voor de Kerk; voor de deskundigen. Zij waren de apostelen van tegenstand en van weigering. Zij hadden zich verbonden verdere inmenging in den handel en in de persoonlijke vrijheid van patroon en arbeider te beletten, en, zoo mogelijk, iets van hetgeen reeds geschied was ongedaan te maken. Een academische strooming had onder hen de overhand, en gaf hun te meer een open oog voor de dwaasheden van mannen, die niet in Oxford of Cambridge geweest waren; terwijl anderen, zooals Tressady, de wereld rondgereisd hebbend, een Imperialistisch hart op de tong droegen. De partij bezat een sterke kracht in het debatteeren en in oratorische bekwaamheid ; nimmer had zij zoozeer aller oog tot zich getrokken als nu zij op het punt stond de motie-Maxwell aan te vallen.
Intusschen had de toestand voor de ingewijden in sommige opzichten een eigenaardige belangrijkheid. Lady Maxwell legde feitelijk op het gebied der politiek evenveel gewicht in de schaal als haar echtgenoot. Was haar positie een bewijs voor een nieuwe macht in vrouwenhanden, of slechts een voorbeeld van iets, even bekend ten tijde der Farao's als in de negentiende eeuw: dat een vrouw met een helder hoofd en een vasten wil haar zin weet door te zetten? Dat in dit bijzondere geval de wil van de vrouw toevallig overeenstemde met dien van haar man, deed het feit voor sommigen minder belangwekkend
lOI
zijn. Aan den anderen kant; haar duidelijk uitkomende, sterk sprekende liefde voor haar echtgenoot trok de aandacht van vele stillen in den lande, wien anders het zich bemoeien van een vrouw met de politiek een doorn in het oog zou zijn geweest; doch men zei algemeen dat Marcella Maxwell zoowel goed als schoon was; dat zij haar man liefhad, en de uitstekende moeder was van een aanvalligen jongen.
Haar sympathie voor het bewuste wetsontwerp werd door niemand betwijfeld, ja, was een ieder bekend. Men wist, dat zij haar man ijverig geholpen had in het opstellen zijner motie; persoonlijk had zij de werking der verschillende industrieën, welke ze betrof, nagegaan; zij had vrienden onder allerlei klassen van arbeiders, onder wie zij een groot deel van haar leven doorbracht, en zoowel onder dezen als in de salons der rijken streed zij onafgebroken voor de zaak van haar echtgenoot, gesteund door haar schoonheid , haar verstand, en nog iets anders â een vuur en een lieftalligheid, welke door den vijand mochten worden bespot en geminacht, doch die hij aan zijn kant miste.
Lord Maxwell, daarentegen, beteekende als redenaar niet veel; hij ging in de samenleving door voor een stille, in zichzelf gekeerde persoonlijkheid, met wien het moeilijk was om te gaan. Zijn vrienden evenwel beweerden dat er geen tweede was als hij , en zijn collega's in het Kabinet wisten zeer goed dat hij de hoeksteen was van het gebouw door hen opgetrokken. Maar de buitenwacht â hetzij tot de aristocratie of tot de plebejers behoorend â kenden hem betrekkelijk weinig, zoodat alles te zamen er toe bijbracht om de aandacht van het publiek geheel te bepalen
T02
tot de beginselen, het temperament en de schoonheid zijner vrouw.
Terwijl al deze persoonlijke of dramatische elementen aan het gisten waren, brak de Vrijdag aan, die door Fontenoy en zijn partij met zooveel spanning werd tegemoet gezien. Hij stond onmiddellijk op toen zijn interpellatie aan de orde kwam, en na een ietwat stijve, gewrongen inleiding, kwam er een rede voor den dag, die, ofschoon in den vorm hier en daar ruw en hakkelend, toch, wat bitterheid, scherpe critiek, onwillekeurig pathos en breede zeggingskracht aangaat, in haar genre een meesterstuk mocht heeten. Zij werd met onverdeelde aandacht, door heel het Lagerhuis, door alle partijen aangehoord. De daarop volgende verdediging, bij monde van den Minister van Binnenlandsche zaken van de politiek door zijn departement gevolgd, was, althans in de oogen der hoofden van zijn partij, alleszins overtuigend. Niettemin lag het zwaartepunt van den avond bij Fontenoy.
Nauwelijks waren de beide speeches ten einde, of Tressady spoedde zich naar boven om Letty op te zoeken, die, met Miss Tulloch, in de Presidentsloge zat. Alles aan hem trilde van verrukking, terwijl hij bij zichzelf prevelde; âPrachtig! Machtig mooi! In hem hebben we een man gevonden!quot;
Letty verlangde reeds naar zijn komst; terstond liepen zij te zamen den corridor in. Hij stopte de handen diep in de zakken, en zei, met een glimlach zich tot haar overbuigend: âWel?...quot;
Letty zag dat hij eenige woorden van lof en ingenomenheid verwachtte, en deed haar best, terwijl steeds zijn glimlach op haar rustte. Wat hem betreft: hij bemerkte zeer wel dat, wat ze zeide. haar niet
los
van harte afging. Ze had sedert haar engagement eenige politieke frasen opgevangen, en het amuseerde hem telkens als zij deze op haar aardige, grappige manier te pas wist te brengen. Zij babbelde, glimlachte, oreerde, geheel voor zijn plezier. Ze poseerde voor hem; de grijze oogen namen allerlei verschillende uitdrukkingen aan , enkel voor hèm. Hij vond haar het liefste, het prettigste speelgoed, dat men zich denken kan, ofschoon het hem soms even door het hoofd ging dat hij haar, als ze getrouwd waren, een beetje meer op de hoogte brengen zou.
âJa, ja, je vondt het mooi, â nu, dat is goed,quot; viel hij haar eindelijk in de rede. âWe hebben in elk geval een flink begin gemaakt. Maar er hoort moed toe na zoo'n speech Maandag het woord te nemen!quot;
âAlsof jij daar tegen op ziet! Kom , gekheid hoor! dat is een beetje te bescheiden. Zeg, weet je dat Lady Maxwell twee plaatsen van mij af zat?quot;
âZoo? En hoe vond zij Fontenoy?quot;
âZe bleef maar zitten, ze stond niet op toen hij klaar was. Ze drukte haar gezicht tegen dat akelige traliewerk en deed niets dan hem aankijken. Ik vond dat ze een erge kleur had â maar dat kan van de warmte geweest zijn; â 'k geloof ook dat ze erg uit haar humeur was,quot; voegde Letty er ondeugend bij. âIk heb even met haar gepraat over je avontuur.quot;
âEn herinnerde ze zich mij nog?quot;
âO hemel, ja! Ze zei dat ze je Zondag verwachtte. Ze vroeg mij niet of ik meekomen wou!quot; â Letty keek hem met een schalksch knipoogje aan. â âMaar och, van haar verwacht niemand dat ze beleefd en toeschietelijk zal zijn. Sommigen beweren dat dit uit verlegenheid is! Maar natuurlijk; je vrienden noemen âverlegenheidquot; wat eigenlijk lompheid is!quot;
io4
âZe is toch niet onbeleefd tegen jou geweest?quot; vroeg George, uiterlijk geschrikt, innerlijk vrij gerust. âZal ik Zondag liever met gaan?quot;
âO zeker, je moet wèl gaan! 't Is beter voor ons ze te kennen. Ze is aardiger in gezelschap van heeren dan met dames â dat is 't. Maar kom, krijgen we wat te eten? Tully en ik zijn letterlijk uitgehongerd.quot;
âGa dan maar meê; ik zal 't gezelschap bijeen zien te krijgen.quot;
George had een paar goede vrienden geïnviteerd om in het Huis met zijn aanstaande kennis te maken; onder anderen een neef en nicht Tressady, een ge-pensionneerd generaal met zijn vrouw. Men zou in de kamer van den griffier bijeenkomen, die aan vele Parlementsleden dergelijke gastvrijheid verleende en waarheen George ook thans voorging.
In de kamer gekomen vonden zij deze reeds vol menschen, allen druk aan 't redeneeren.
âEr is nog een partijtje!quot; zei George, een blik om zich heen slaande. âJa, Benson mag zoo iets wel.quot;
âZie je Lady Maxwell?quot; fluisterde Letty hem in het oor.
George keek rechts van zich en kreeg de dame in quaestie in het oog. Ook zij herkende hem terstond , en boog, maar zonder op te staan. Zij was het middelpunt van een troepje heeren en dames, die om haar en het tafeltje waarbij zij zat, geschaard stonden; zij waren zoo verdiept in hun gesprek, dat zij het binnenkomen van Tressady en zijn meisje nauwelijks opmerkten.
âLeven geeft een dinertje,quot; vertelde de griffier. âZe zouden in de kamer van Blaythwaite ontvangen worden; â hij kreeg op 't laatste oogenblik verhindering, en nu moest ik ze wel hier laten. Dit ge-
io5
â¢deelte van de kamer is voor jou, Tressady. Maar er is nog niemand van je gasten. In den winter is een dinertje in het Huis maar half werk, Miss Sewell. Voor zoo iets hebben we het Terras noodig.quot;
Hij bracht Tressady's meisje naar een canapé, achter in de kamer, en sloofde zich uit in beleefdheden â die hem gemakkelijk afgingen. Hij was een aangenaam mensch, op end' op een gentleman, onberispelijk in zijn kleeding. Letty was terstond op haar gemak met hem, en druk in de weer met haar gewone coquet-terieën en maniertjes.
âKent u Lady Maxwell ?quot; vroeg hij haar, met een knikje naar het andere gezelschap.
Letty antwoordde bevestigend, en terwijl zij samen praatten, sloeg George, die achter hen stond, de anderen gade.
Zij schenen in een druk gesprek. Lady Maxwell zat, de handen voor zich uit in elkaar gestrengeld, in ietwat gebogen houding te luisteren, met iets in de uitdrukking van het gezicht van iemand die een pijl heeft afgeschoten en in afwachting is van de gevolgen.
Blijkbaar was zij gericht op haar vis-d-vis, Sir Frank Leven, want deze boog zich tot haar over en gaf, zeer rad sprekend, op ietwat jongensachtigen toon, antwoord. Hij had reeds drie jaar zitting in het Huis, maar behield nog steeds het uiterlijk vaneen Etonsch student in zijn laatste jaar.
Lady Maxwell hoorde hem aan met stille verontwaardiging , een edele verontwaardiging, die zij echter trachtte niet te doen blijken. Toen Leven zweeg, ving George haar antwoord op.
âHij begrijpt het niet! â dat is 't eenige wat men er op zeggen kan. Hij heeft niet gezien en niet meê-gevoeld; dit blijkt uit ieder woord. Hoe kan men op zijn oordeel afgaan?quot;
io6
George's lippen trilden. Maar een glimlachje speelde om zijn mond, toen hij naast Letty op de canapé plaats nam en vroeg:
âHoorde je dat?quot;
â't Is over Fontenoy's speech,quot; zei de griffier, om zich heen ziend. âZe valt er Leven over aan, natuurlijk. Die is zoo veranderlijk als een windmolen, 't Zou me niet verwonderen als jullie hem eerlang op je hand kreegt.quot;
Hij knikte Tressady even toe, en stond toen op om een praatje te maken met een heer, die bij het andere gezelschap behoorde.
âCurieus!quot; fluisterde George, met zijn satirieken blik Lady Maxwell volgend. âHoeveel heeft die kliek âgezien en meegevoeldquot; van het zweet-systeem ? â van de arme tobbers die hun leven doorbrengen in de mijnen? Ze zien er nog al naar uit!quot;
âWie bedoel je?quot;
Letty spande haar oogen in om er achter te komen , maar voornamelijk met het doel om zich Lady Maxwell's zwarten hoed en japon goed in het hoofd te prenten.
âOch, Maxwell's vriendjes in het Huis; â de meesten zijn even ruim voorzien van familie en bezittingen als zij ; een troep philanthropen , idealisten , een en al hart voor het volk, die het eerst-van-al de trappen afgeschopt zullen worden als het volk de baas wordt. Die Frank Leven daar, hoor ik van Benson, staat niet heel vast meer in zijn schoenen. Als hij 't niet liet om zijn vrouw, eene intieme vriendin van Lady Maxwell, zou hij tot ons overloopen; â wie weet wat er nog gebeurt! Ha, daar heb je Bennett ook! Daar.... zie je niet? dat kleine ventje in een gekleede jas en een bril op. Hij is een der eerste werklieden die in 't Parlement
icy
zitting gekregen heeft; hij is er al sedert jaren, en heeft zich nu aangesloten bij de Independenten; wel wat contre coeur. Hij is een der groote steunpilaren van Lady Maxwell. Ik denk dat ze op hem rekent als de nood aan den man komt. Sakkerloot â luister eens!
Er werd inderdaad een hevige discussie gevoerd bij het andere gezelschap. Lady Maxwells's heldere doch niet harde stem klonk boven alle uit, en haar oogen , haar gelaat, terwijl zij van den eenen spreker zich tot den anderen richtte, waren beurtelings het mikpunt van de pijlen en de sympathie van de rest.
Tressady trok een lang gezicht.
âHoor eens, Letty, één ding moet je mij beloven.quot; Zijn hand zocht de hare. Tully keek bescheidenlijk een anderen kant uit. âBeloof me, als je blieft, datje, als je getrouwd bent, niet aan politiek zult doen.quot;
Letty trok ijlings haar handje weg; ze hield niets van lievigheidjes in het publiek.
âMaar, dat moet immers, George! â ik zal er niet buiten kunnen! Ik ken een massa meisjes en jonge vrouwtjes, die van alles uit de couranten weten â de gekste dingen; niet omdat zij er iets van begrijpen, of er een sikkepit om geven, maar omdat ze toevallig kennissen hebben onder de Leden; en als die een visite komen maken, moet men toch iets weten te praten.quot;
âKom!quot; zei George. âDat verbeeld je je maar. Alsof een man bij een dame gaat theedrinken om te praten over wat hem den ganschen dag al verveeld heeft!quot;
âEnfin,quot; zei Letty, op haar snibbige, wijsneuzige manier, alsof zij alleen 't aan 't rechte eind had. âIk weet het zeker, en ik zal net zoo doen. Ik zal ook maken dat ik op de hoogte ben.quot;
io8
âEi i* ⢠⢠⢠zul je dat wezenlijk ? Ja, dat geloof ik wel. Maar zeg, als ik eens met een heel gewichtige interpellatie kom, laat het een beetje den schijn hebben alsof ze van mij alleen is, hè ? â Geef mij, als je blieft, de eer er van!quot;
Letty lachte ondeugend.
âIk begrijp niet hoe je toch zoo'n hekel aan haar hebtzei ze, maar niet boos, eer gevleid, terwijl haar oog wederom afdwaalde naar Lady Maxwell. âSpeelt ze dan den baas over haar man?quot;
Tressady haalde ongeduldig de schouders op.
âDen baas over hem spelen? O hé, neen! Dat ook hoort alles bij de comedie, â echtelijke liefde en al die dingen meer. Waarom kan ze zich toch niet wat op den achtergrond houden ? We hebben die bemoeizieke vrouwen niet noodig.quot;
âMerci, merci! mijnheer mijn tyran!quot; spotte Letty, tegen hem buigend.
âHoeveel tyranniseeren zal er voor jou noodig zijn, eer je het met mij eens bent, stoutertje?quot; vroeg hij lachend, haar vol teederheid in de oogen ziende. Beiden doorstroomde even een gewaarwording vol zaligheid, doch op eens sprong George overeind.
âDaar zijn ze eindelijk! De generaal en de heele santenkraam. Nu zullen we dan toch eindelijk, hoop
ik, wat te eten krijgen!quot;
⦠*
*
Tressady moest natuurlijk zijn neef en nicht, en drie of vier politieke vrienden, aan zijn toekomstige vrouw voorstellen; te midden van de drukte en de soesah daaraan verbonden had het andere gezelschap onopgemerkt het vertrek verlaten. Toen Tressady's gasten de eetkamer binnentraden, uitkomend op het terras, en zij naar de verste tafel liepen, die voor
log
hen gereserveerd stond, was het diner van Leven en zijn gasten reeds een eind heen.
George's feestje liep zeer naar genoegen van stapel. De oude generaal en zijn vrouw bleken aangename, welopgevoede lieden, die behoorlijk George's gastvrijheid beloonden door hem af en toe een complimentje over Letty in het oor te fluisteren. Doch de manier waarop Tressady zoo iets aannam was altijd ietwat cynisch. Hij geloofde dat de menschen gewoonlijk het dubbele zeggen van wat ze bedoelen, hetzij lof of blaam , en zijn eigen opinie omtrent Letty bleef vrij wel dezelfde, wat anderen ook van haar mochten denken.
Dit zou hij ten minste beweerd hebben. Feitelijk deed het succes van zijn meisje hem ontzettend veel plezier. Letty was, inderdaad, op haar dreef. Deze politieke wereld, gelijk ze verwacht had, voldeed beter aan haar behoefte om te schitteren dan een der andere kringen waarin ze zich tot nog toe had bewogen. Ze had zich vast voorgenomen er opgang in te maken; ook scheen dit in 't geheel niet moeilijk te zullen zijn. George's vrienden vonden haar een allerliefst, vroolijk meisje, en toonden dezelfde neiging als alle andere mannen om zoo lang mogelijk in haar gezelschap te blijven. Zij wilde op allerlei punten ingelicht worden omtrent het Huis, hoe het daar toeging enz. Het was alles zoo nieuw voor haar, zeide zij. Maar uit haar onwetendheid sprak geen domheid: er was iets onbevangens, iets pittigs in haar vragen. Er v/erd hartelijk gelachen en er was altijd discours. Letty voelde dat zij den toon gaf aan tafel; haar eerzucht nam zoo mogelijk nog toe.
Eensklaps werd George's aandacht getrokken naar de tafel der Maxwells, die zich gereed maakten om te vertrekken. Hij zag hoe Lady Maxwell, op-
ï IO
staande, om zich heen keek, als zocht zij iemand. Haar blik ontmoette den zijnen ; onwillekeurig rees hij overeind en trad haar tegemoet, op hetzelfde oogenblik dat zij een stap deed zijn kant uit.
âIk wilde u even bedanken,quot; â ze stak hem de hand toe. âDat meisje en haar grootmoeder zijn u zeer dankbaar.quot;
âO zoo! â Ik moet u nog verslag komen doen. Zondag, hebt u immers gezegd?quot;
Zij knikte toestemmend. Toen, met een gansch andere uitdrukking, vroeg ze:
âWanneer spreekt u ?quot;
De vraag was zoo abrupt, ze verraste George.
âIk? Maandag, geloof ik, als ik aan de beurt kom. Maar ik denk wel dat het Britsche Rijk er geen dag korter om leven zal als het niet gebeurt!quot;
Zij sloeg een onderzoekenden blik op zijn fijn, beweeglijk gelaat, met den blonden knevel en het bruine teint. Maar ze antwoordde alleen:
âIk hoor dat u een goed redenaar zijt. â U is dus geheel op de hand van Lord Fontenoy?quot;
Hij boog even.
âU zult toch toestemmen dat er klem was in zijn betoog ? Het ergste is ...quot;
Eensklaps zweeg hij. Hij zag dat Lady Maxwell niet naar hem luisterde. Zij wendde het hoofd naar de deur, en liep zelfs zonder hem goeden dag te zeggen, haastig naar het andere eind van de kamer.
âHm, 'tis Maxwell!quot; zei Tressady bij zich zelf, de schouders ophalend, terwijl hij weer zitten ging âNiet heel vleiend â maar toch nog al aardig.quot;
Hij was getroffen door de verandering welke eensklaps in de uitdrukking van haar gezicht was gekomen, â een ommekeer, dubbel aantrekkelijk omdat ze geheel onbewust was.
11 ï
Inderdaad was Lord Maxwell de eetzaal binnengekomen om zijn vrouw te zoeken; te zamen vertrokken zij nu, terwijl het verdere gezelschap van Leven zich langzamerhand verspreidde. Ook Letty stond op om naar huis te gaan.
âIk moet even in de vergaderzaal loopen om te zien waar ze op 't oogenblik meê bezig zijn,quot; zei George; âtien tegen een dat ik er niet mee te maken heb; dan breng ik je thuis.quot;
Hij spoedde zich de kamer uit en was een minuut later reeds terug met het bericht, dat eenige onbeduidende Parlementsleden aan 't debatteeren waren en hij minstens een uur lang vrij man was. Letty, Miss Tulloch en hij begaven zich dus op weg naar Palace Yard. Een heldere maan scheen hen in het gelaat, zoodra zij zich bevonden in de frissche buitenlucht, die zacht en voorjaarsachtig hen tegenwoei, gelijk ze heel de week gedaan had.
âZeg â stuur Miss Tulloch in een cab naar huis en loop 'n eindje met mij om,quot; fluisterde George Letty in het oor. âLaat ons eens gaan kijken hoe de maan in de rivier schijnt. Ik zorg wel datje per rijtuig thuis komt.quot;
Letty zette een verbaasd, ontsteld gezichtje, en prevelde: âTante Charlotte zullen de haren te berge rijzen als het haar ter oore komt!quot;
George werd ongeduldig, en gevleid door zijn vurig verlangen om met haar alleen te zijn, stemde ze schoorvoetend toe. Tully, de inschikkelijkste aller duenna's, werd in een hansom gestopt en reed weg.
Toen het paartje dicht bij Palace Yard kwam, reed hen een eigen coupé voorbij, die even stilstond wegens de foule van rijtuigen en omnibussen.
âKijk!quot; fluisterde George, Letty's arm drukkend.
Zij keek even op, en daar het licht eener lantaarn juist in het rijtuig viel, zag ze de personen die er
112
in zaten. De gezichten waren naar elkaar toe gekeerd, als waren zij in intiem gesprek â meer zag ze niet. De handen der dame lagen op de knieën in elkaar; de heer had een portefeuille bij zich. In een oogenblik waren zij verder gereden, maar beiden , Letty en George, hadden denzelfden indruk â hadden het bewustzijn getuige te zijn geweest van een exquis moment in een menschenleven. George had dit gevoel dien avond reeds gehad, een paar minuten vroeger, in verband met ditzelfde vrouwengelaat.
Letty lachte.
George zag haar aan terwijl zij voortliepen , en zei, met trillende stem:
âSommige menschen schijnen het heerlijk te vinden samen te zijn. â Maar wat hoefden we ook te kijken liet hij er terstond op volgen, als ontevreden met zichzelf.
âJij dwaze jongen ! Dat konden we immers vooruit niet weten?!quot;
Zij liepen naar de brug, en daalden de trappen af naar den lageren oever, gelukkig in elkander, genietend van de frissche nachtlucht. Boven de rivier troonde de blanke, volle maan, en aan alles beneden haar: aan het kabbelende water, de lichten van het Charing Cross station; de lantaarns op de West-minster-brug en der voorbijtrekkende stoombootjes; aan een rij stilliggende schepen; zelfs aan den duisteren oever gaf zij een waas van schoonheid en poëzie. De groote stad had als het ware een sluier over haar grootheid en haar tragediën; vriendelijk en beschermend bood zij zich aan aan deze twee â aan hun geluk en hun jeugd.
George liet zijn meisje even stilstaan, terwijl hij zelf de lucht inademde, met honger bijna.
ii3
âDat wij in dit klimaat zooveel uren achtereen' ons opsluiten in afschuwelijke gebouwen als het Lagerhuis !quot;
De afkeer van den reiziger voor de eentonigheid van het leven in de stad en binnenshuis sprak duidelijk uit deze verzuchting. Letty trok de wenkbrauwen samen.
âNu, ik ben wat blij met mijn bonten mantel! Dank
je hartelijk! Weet je wel dat we midden in Februari
11}
zijn!
âDat doet er niet toe! Sedert maandag heb ik een gevoel alsof 't April is. A propos, heb je Mama vandaag gesproken?quot;
âZeker. Zij is mij na de koffie komen opzoeken; we hebben wel een uur lang gepraat.quot;
âArm kind! Ik had er bij moeten zijn om je te beschermen! Maar ze had mij vooruit gezegd dat ze je over dat huis onderhouden zou.quot;
Hij zag haar aan; in het flauwe licht hoopte hij de uitdrukking van haar gezichtje te kunnen waarnemen. Hij had aan het ontbijt een zeer onaangename scène met zijn moeder gehad. Zij had hem formeel de les gelezen over zijn onbezonnenheid dat huis in Brook Street te nemen. Onderwijl begreep hij zeer goed wat dit verstandige sermoen beduidde: als hij het huurde zou hij te minder in staat zijn haar te helpen aan hetgeen zij noodig had.
âOch, 't was weer 't gewone,quot; zei Letty onverschillig. âZe verzekerde mij dat we dadelijk in moeie-lijkheden zouden komen; dat ik geen begrip had van geld ; dat jij altijd erg verkwistend waart geweest; dat iedereen verbaasd zou zijn als wij zoo iets deden, etcetera, etcetera. Ik geloof â je vindt het toch niet akelig? â ik geloof dat ze een beetje huilde. Maar werkelijk bedroefd was ze niet.quot;
1. 8
ïi4
âEn wat zei je?quot;
âOch, ik zei dat als we getrouwd waren, wij en zij ieder er een kasboek op na moesten houden; en beloofde haar plechtig dat zij, als wij het hare zien mochten, ook het onze ter inzage hebben zou.quot;
George wierp schuddende van het lachen zijn hoofd achterover.
âEn toen ?quot;
âZe vreesde,quot; vervolgde Letty, met een quasi angstig stemmetje, âdat ik geen ernst genoeg had. Toen heb ik haar voorgesteld mee naar boven te gaan en mijn nieuwe japonnen te zien.quot;
âHa! Dat bracht haar zeker in een goed humeur?quot;
âO neen, volstrekt niet! Ze trok overal haar neus voor op, bij wijze van straf. Je begrijpt, zij was in een nieuw toiletje van Worth; â het derde sedert Kerstmis! Mijn eenvoudige uitzet-japonnetjes waren daar niets bij!quot;
âHm,quot; zei George peizend. En na een oogenblik gezwegen te hebben, prevelde hij : âIk ben benieuwd hoe mamaatje het zal aanleggen als we getrouwd zijn!quot;
Letty antwoordde hier niet op. Zij stapte flink door; de oogen, schitterend van een vast voornemen, staarden recht voor zich uit, het mondje was stijf opeengeklemd. In George's hoofd woelden intusschen tal van fragmentarische antwoorden op zijn eigen vraag. Zijn gevoel voor zijn moeder was zeer abnormaal ; hij was zich volstrekt niet bewust dat het niet paste op deze manier over haar te spreken â wat meer en meer een gewoonte werd tusschen Letty en hem â; hij nam zich voor, goed zijn stekken te steken tegen later. Toch bleef de verplichting van jarenlang bestaan: die lastige verantwoordelijkheid ten haren opzichte, door het overlijden zijns vaders
ii5
op hem overgegaan. Hij kon niet, met de hand op het hart, zichzelven een liefhebbenden zoon noemen; maar de band van een kind tot vader of moeder, al moge zij weinig innig wezen, doet zich toch nu en dan gevoelen, laat zich nimmer geheel verloochenen.
âEnfin,quot; zei hij, de onaangename gedachten, die hem zoo menig oogenblik vergalden, van zich schuddend, âwe zullen er ons wel doorwerken. Maar wat zijn we al ver!quot; â Zich omkeerend sloeg hij een blik in de richting van Charing Cross en den toren der Westminster-abdij. âHoe heerlijk zacht is het! We mogen nog niet omkeeren, Letty, en toch zul je moe worden als ik je zoo ver laat loopen. Kijk, daar staat een bank. Zou je durven... vijf minuutjes?quot;
Letty aarzelde.
â't Is al zoo laat! .. . Wat ben je toch een dwaze jongen, George! Stel je voor dat er iemand voorbij liep die ons kende.quot;
Hij zette groote oogen op.
âNu, wat zou dat? Maar kijk, er is geen enkel rijtuig, en bijna geen schepsel in 't gezicht! Toe, één minuutje!quot;
Hoezeer aarzelend, Letty liet zich overhalen. Zij vond het eigenlijk mal en onvoorzichtig; ook waren dwaasheden of waagstukken nu niet meer noodig. Sedert haar engagement was ze veel minder sterk in maatschappelijk durven dan vroeger.'t Had er wel wat van alsof, nu ze met haar durven en doorzetten haar doel bereikt had , andere, misschien aangeboren, karaktertrekken zich in haar ontwikkelden en de vroegere overheerschten. George hoorde haar soms met verbazing een ultra-conventioneelen toon aanslaan, dien hij zeker wist nimmer gehoord te hebben in de dagen hunner eerste kennismaking te Malford.
Juist wilden zij gaan zitten toen eensklaps iemand
116
hen haastig voorbij liep â een gebogen gestalte, een oude vrouw, in havelooze kleeren.
George keek haar verbaasd na. Waar kwam die vandaan ?
Geen van beiden had haar tot nog toe opgemerkt. Misschien had ze in de schaduw op zij van den weg gestaan. Thans, terwijl Letty en George haar met de oogen volgden, liep zij door tot zij aan een bank kwam, ongeveer honderd meters van hen af. Daar ging zij zitten, trok de havelooze kleeren om zich heen, en liet het hoofd op de borst zinken.
âZoo'n stakkerd!quot; zei George meewarig. âDaar blijft ze zeker slapen. Als het maar een beetje weer is, vindt men hier zelfs in dezen tijd van het jaar allerlei volk op de banken, den heelen nacht door.quot;
âToe, laat ons heengaan,quot; zei Letty scherp en reeds half opstaande, âik vind het niets prettig.quot;
Met tegenzin keek zij naar de vrouw.
Maar George hield haar tegen.
âNeen, â even nog. Tante Charlotte zal niets zeggen ; zij denkt dat je nog in 't Parlementsgebouw zit. En zij, dat arme mensch, zal ons geen kwaad doen. Ze zal wel hooren tot die luidjes, die Dowson ons geteekend heeft. Wat heeft hij er akelige tafe-reelen van opgehangen!quot;
In het maanlicht zag Letty een donkere wolk over zijn gezicht trekken, als was hij voor het oogenblik met zijn gedachten ergens anders. Nog steeds hield hij hare hand in de zijne, maar niet aan haar dacht hij. Gewoonlijk bleef Letty zeer koel onder zijn liefkozingen , â of ze kwamen of wegbleven , het was haar eender. Maar dezen avond voelde ze zich eensklaps gepiqueerd. Waarom anders had hij haar tot deze dwaze escapade overgehaald, als het niet was om een beetje lief met haar te zijn ? En nu was hij we-
ii7
zenlijk met zijn gedachten in het Huis, en met de politiek bezig!
âGeorgebegon ze, met een kleur, terwijl ze haar hand trachtte los te krijgen, âik moet heusch weg .
Doch hij viel haar in de rede.
â't Is onuitstaanbaar dat men hier altijd een heel anderen indruk krijgt! In Indië was 't allemaal doodgewoon. Maar Dowson's verhalen over dat beestachtige sloven en zwoegen, â 'k wist 't vroeger allemaal â maken me ziek. Wie weet of die vrouw niet oök een slachtoffer is. Ze schijnt niet jong meer en 'n fatsoenlijk slag.quot;
Hij wees met het hoofd in de richting van de bank.
âIk weet het niet, â ik weet heusch van die dingen niets af,quot; zei Letty scherp. âIk dacht datje zoo anti de regeering waart?quot;
Hij lachte.
â't Verschil tusschen hen en ons, mijn lieve schat, bestaat enkel hierin: zij denken dat de wereld beter kan worden door een wet van 't Parlement, en wij gelooven dat niet. Je kunt doen wat je wilt â zeggen wij â de wereld is en zal altijd zijn, een armzalige verblijfplaats voor de meerderheid van wie er in wonen; al die palliatieven dienen tot niets.quot;
Letty bleef zwijgen. Zij haalde snel adem. Zij begreep niet waarom hij haar absoluut houden wilde , als hij niets anders dan dit te zeggen had. Hij keek recht voor zich uit, in gedachten verdiept; het trof haar hoe strak, hoe treurig zijn gezicht stond.
Plotseling wendde hij zich tot haar met een gansch ander, een stralend gelaat.
âMaar voor ons zal het geen rampzalige verblijfplaats zijn, is 't wel, lieveling? Wij, mijn schat, zullen er een warm nestje in maken; we zullen vergeten wat we niet veranderen kunnen ; we zullen zoo
118
lang mogelijk het geluk dwingen â is 't niet, Letty ?quot;
Hij sloeg zijn arm om haar heen. Hij maakte zich meester van beide hare handjes.
Letty had intusschen een vervelend gevoel, dat het belachelijk was , laat in den nacht hier op een bankje te zitten, als een dienstmeisje met haar vrijer. Tevens voelde ze zich geagiteerd, onrustig; de aanraking van zijn hand deed den beker overvloeien, en kribbig antwoordde ze:
âNatuurlijk zullen we gelukkig zijn; maar ik begrijp je niet altijd, George. Ik wou dat ik wist wat er eigenlijk in je omging.quot;
âJij!!quot; lachte hij, en trok haar dicht tegen zich aan. âZeg eens, Letty, ben jij gelukkig geweest toen je een kind waart? Ik heb zoo'n akelige jeugd gehad! â nog ben ik dien tijd niet te boven. Vertel eens hoe het bij jou was.quot;
Zij glimlachte en stak de roode lipjes naar voren.
âIk heb het altijd goed gehad. Ik geloof dat ik het goede genomen heb, als anderen 't niet geven wilden. Ik ben geen liefkind geweest, hoor! â alles behalve. Ik vond niet dat het de moeite loonde lief te zijn. Ik heb mijn gouvernantes geplaagd, en mama de wet gesteld; van mijn negende jaar af heb ik den baas gespeeld over mijn kleeren, en mij gekleed zooals ik het wilde. Ja, ik geloof zelfs dat ik daarom nooit met Elsie heb kunnen opschieten , omdat zij heel anders was.quot;
George was verrukt van de ondeugende uitdrukking op het lieve gezichtje; hij had grooten lust het met kussen te bedekken. Maar een politieagent, die blijkbaar zijn tournée deed, kwam langzaam nader, en Letty stond er nu wezenlijk op naar huis te gaan.
âElsie . . .quot; prevelde hij onder het loopen , âdie goeie Elsie! Waarom praten we toch zoo weinig over haar ?
119
Als we goed en wel op orde zijn, kind, moeten we ze een flinke poos bij ons in de stad te logeeren vragen, â hè? Vind je ook niet? Ze ziet er zoo teertjes uit; net alsof ze eens opgevroolijkt moet worden.quot;
Hij sprak vriendelijk, gelijk hij voelde. Van zijn eerste en tot dusverre eenige visite in Letty's ouderlijk huis, bewaarde hij een gevoel van medelijden met Letty's bleeke,in zichzelf gekeerde zuster. Blijkbaar had ze een slechte gezondheid. Ook had het hem getroffen dat heel het huisgezin op haar scheen te rusten, niettegenstaande duidelijk bleek hoe zwak ze was.
Doch zijn voorstel vond heden avond geen gunstig onthaal. Letty's gezichtje betrok, en aarzelend zei ze :
âOch____ik weet het niet. Elsie is thuis veel beter.
Ze voelt zich niets op haar gemak met vreemden. Dat kun jij zoo niet weten. Ze maakt zelden een goeden indruk. Ik zou me erg bezwaard met haar voelen.quot;
George schrikte een oogenblik, maar spoedig kwam zijn gewone leukheid weer boven. 'tWas ook dwaas een jong vrouwtje de poëzie van haar eerste huwelijksmaanden te willen benemen!
Maar nadat hij haar aan den hoek van de brug veilig in een hansom gezet, en glimlachend afscheid genomen had, wandelde hij in een ietwat teleurgestelde stemming naar het Huis terug. Was Fonte-noy's speech eigenlijk wel zoo erg mooi geweest?.. . Was de politiek â was iets in het leven â wel de moeite waard ? .. . Het scheen hem dat alle gewaarwordingen luttel beteekenden, dat alle keerpunten teleurstelling met zich brachten.
120
ZESDE HOOFDSTUK.
Den volgenden Zondag, tegen vijf uur, schelde George aan aan het hotel der Maxwells, in St. James s Square. Het was een zeer mooi huis ; terwijl hij op de stoep wachtte tot hem opengedaan werd, nam hij met een kritischen blik den voorgevel op.
Hij veroorloofde zich hetzelfde eens of tweemaal in de vestibule , toen een zwijgende, welgedane lakei hem zijn jas hielp uittrekken, een tweede, even sprakeloos en even onberispelijk in kleeding en uiterlijk, hem op de trap opwachtte, en hij, in een gang aan het eind der vestibule, twee lakeien in roode liverei met theebladen zag loopen.
âAls men een vriend van het volk is,quot; dacht hij, terwijl hij de trap opliep, âbehoeft men zich dan alleen te beperken in het gebruik van zijn paarden? Ziet het niet op z'n bedienden ? Dit geeft wat te denken!quot;
Hij werd eerst in een deftig gemeubileerd salon gelaten, met een antiek ameublement, style Lo7ns X/V, en een paar kapitale schilderijen ; toen lichtte de butler een fluweelen gordijn op, noemde den naam des bezoekers, ernstig en gewichtig als zijn uiterlijk was, en trad op zijde om George binnen te laten.
Hij bevond zich op den drempel van een fraaie kamer op het westen, waarin het Februari-zonnetje op dit oogenblik haar laatste stralen wierp. Aan de zachtgroene wanden hingen gravures en etsen. Een groot schrijfbureau, beladen met allerhande papieren, stond in het midden, op een blauw Smyrnasch tapijt. Hier en daar zag men lage, porceleinen schotels met hyacinthen en narcissen, die een heerlijken geur verspreidden door het ruime vertrek. Boekenkasten liepen langs het benedengedeelte van den wand, en
121
bij een haardvuur aan het eind stond een kring met hoezen bedekte stoelen , van allerlei grootte en vorm, lokkend tot gezelligen kout. Over het geheel gaf het losse, bijna onordelijke, in vergelijking met het deftige salon dat er aan grensde, een prettigen, gezelligen indruk; men voelde, zoodra men binnenkwam, dat men als een vriend van den huize beschouwd werd.
Toen Tressady werd aangediend zaten er een zestal heeren en dames bij Lady Maxwell. Zij stond op, begroette hem zeer vriendelijk, stelde hem voor aan de kleine Lady Leven, een fee-achtig schepseltje in een wolk van blond haar, en wees hem met een vroolijk âde anderen kent uquot; een stoel aan naast zichzelve en de theetafel.
De âanderenquot; waren Frank Leven; Eduard Wat-ton; Bayle, de griffier van het Lagerhuis, die ten tijde van Tressady's verkiezing op Malford House logeerde; en Bennett, â het âkleine, donkere mannetjequot;, dat George in het Huis aan Letty uitgeduid had als een afgevaardigde van de Arbeiderspartij , â benevens een intieme huisvriend van de Maxwells.
âWel,quot; vroeg Lady Maxwell haar nieuwen kennis, toen zij hem een kopje thee aanbood, âis u even ingenomen met de grootmoeder als zij het was met u ? Ze vertelde dat ze ânooit zoo'n vrindelijke meneer gezien had, die zóó alles voor 'n arm mensch doen
gt;gt; m
wou !
George lachte. âIk zie hieruit dat ik met mijn verslag eigenlijk te laat kom!quot;
âJa, ik ben er geweest. Ik heb in die menschen helaas een âgevalquot; ontdekt! Het oudje â ik geloof dat zij al zéér oud is â en het oudste dochtertje â werken beiden voor den Joodschen schoonzoon op de eerste verdieping, â huiswerk van de ergste soort. Als het zoo voortgaat is dat meisje in een jaar dood.''
122
George had op eens tweeërlei tegenstrijdige gewaarwordingen: van blijdschap en van ergernis; van ingenomenheid met de lange, slanke gestalte, met de blanke handen en al de verdere in het oog vallende vrouwelijke schoonheden; en van ergernis, dat ze van 't eerste oogenblik af met hem over âzakenquot; begon. Kon men dan nooit ontsnappen aan die dorre, altruïstische gesprekken!quot;
Maar hij behoefde zich niet alleen er door te werken , want Lady Leven keek terstond op en riep:
âOch, Mr. Watton, wilt u even Lady Maxwell's kopje wegnemen, als ze nog ééns het woord âgevalquot; durft noemen? We hebben haar vooruit gewaarschuwd.quot;
Lady Maxwell klemde dadelijk beide handen om haar theekopje.
âBetty! .. We hebben het wel twintig minuten lang over de opera gehad.quot;
âJa, met gevaar voor ons leven!quot; zei Lady Leven. âNog nooit heb ik zóó gauw gepraat. Men heeft hier een gevoel alsof men al wat men van Melba en De Reszkes zeggen wil, zoo gauw mogelijk er uit flappen moet â of de gelegenheid is voorbij; en die komt niet weerom.quot;
Lady Maxwell lachte, maar vroeg, een kleur krijgend, terwijl ze met een zucht de handen in den schoot liet vallen: âBen ik dan zoo vervelend?quot; En zich tot Tressady wendend;
âLady Leven maakt het heusch erger dan het is! We hebben heel den middag het woord fabriekswet zelfs niet genoemd^
Lady Leven wipte op van haar stoel. âDè,t geloof ik graag!! Alleen omdat wij het niet wilden gedoo-gen ! We hebben een verbond gesloten;â is't niet Mr. Bennett? Zelfs u is toegetreden.quot;
123
Bennett glimlachte.
âLady Maxwell vergt te veel van zich zeil; dat weten wij allemaal,quot; zei hij, terwijl zijn blik vriendelijk, belangstellend, toch verlegen, van Lady Leven naar zijn gastvrouw zwierf.
âO, heb met haar als 't u blieft geen medelijden!quot; riep Betty. âGeef haar niet toe! â Daarin ligt onze eenige hoop.quot;
âVindt u niet dat men op Zondag wel eens vrijaf mag nemen en doen wat men wil ?quot; vroeg Tressady, zich met een glimlach tot Lady Maxwell keerend.
âOch, ik persoonlijk praat even graag Zondags over hetgeen mij interesseert als op andere dagen,quot; klonk het openhartige antwoord; âmaar 't is heel goed dat men mij een beetje onder appèl houdt; ik zou vervelend worden.quot;
Frank Leven stond op van de canapé, waarop hij zijn gemak genomen had , en riep verontwaardigd :
âVervelend? We zijn allemaal vervelend! We zijn vervelend gfeworden zoodra de menschen 't in hun hoofd hebben gekregen zich te bemoeien met â zooals ze het noemenâ âsocialen arbeidquot;. Waarom zou ik mijn naaste liefhebben ? Ik haat hem veeleer! Ik doe 't meestal.quot;
âHangt niet alles er van af,quot; zei Tressady, âof hij in staat is ons, op zijn beurt, onaangenaam te zijn?quot;
âPrecies,quot; riep Betty Leven vol vuur. âIk ben het geheel met Frank eens â 't is belachelijk dat âliefhebbenquot; van iedereen! Ik kan er me zóo boos over maken ! Wij , Frank en ik, zitten iederen Zondag in de kerk te luisteren naar een dominé, die't altijd heeft over de liefde. âDe L-ie-f-de!quot; â zóo zegt hij 't, met een langen uithaal â. In de politiek moet âliefdequot; zijn; als we boodschappen doen, moeten we âde liefdequot; betrachten; hè, als hij zoo aan den gang
124
is, zou ik mijn medemenschen wel kunnen steenigen ! Ik zou dol graag eens op een prettige manier wreed zijn; iets leelijks doen, iets wat mij interesseert. Ik zou, bijvoorbeeld, mijn kamenier flink willen prikken met een speld; maar ongelukkig is het voor haar, zooals ze mij meer dan eens verteld heeft, veel gemakkelijker het mij te doen!quot;
âU zoudt in den tijd van Miss Austen's romans willen leven,quot; zei de jonge Bayle, zich met zijn aan-genamen glimlach naar haar toe buigend, âtoen zelfs de geestelijkheid nog geen missie had.quot;
âOch, 't zou toch niets helpen,quot; zuchtte Lady Leven, âals 2ij er was!quot;
Zij stak haar gastvrouw een miniatuur-handje toe. Iedereen lachte.
Tot nu toe had Lady Maxwell achterover in haar stoel liggen luisteren ; om den fraai-gevormden mond speelde een onwillekeurige glimlach, doch de oogen getuigden, meende Tressady, van heel andere gedachten , van een gesprek dat zij in stilte met zich-zelve voerde. Zij zou, meende hij, uitstekend fun-geeren als profetes. Toch, â die eerste indruk van haar, dien hij van het tooneeltje in het gasthuis bewaarde , verflauwde, werd althans ietwat verstoord.
Zij stemde even in met het gelach; toen, met een knikje naar haar plaaggeest, zei ze tot Eduard Wat-ton , die rechts van haar zat:
âU' doet er niet aan, dat weet ik.quot;
âO, als je bedoelt dat ik me inlaat met âgevallenquot; en zelfs âoorzakenquot;,quot; riep Lady Leven, haar in de rede vallend, ânatuurlijk doe ik dat! Ik kan geen umcuni zijn! Ik moet meehuilen met de wolven.quot;
âWaarmeê ze zeggen wil,quot; kwam haar man droogjes tusschen beiden, âdat ze voorverleden week twee dagen achtereen spuitwaterfleschjes is gaan vullen,
Ã25
en verleden week een dag uit hemdennaaien is geweest. Den eersten keer was ik gewaarschuwd dat ze waarschijnlijk thuis zou komen met een blauw oog, aangezien ze in 't minst geen ondervinding heeft van zulke dingen, en absoluut niet weet wat ze zeggen of zwijgen moet. En dan den tweeden keer!.. . Als ik denk aan de beschrijving die ze mij , toen ze thuis kwam, gegeven heeft van de spelonk waarin ze gezeten had, en aan de hoofdpijn die ze den volgenden dag had, zou 't me niet verwonderen of ze had typhus onder de leden. Woensdag zijnde veertien dagen eerst om.quot;
Er ontstond een algemeen gelach en gevraag.
âHoe hebt u dat aangelegd, en wie hebt u omgekocht?quot; vroeg Bayle aan Lady Leven.
âIk heb niemand omgekochtwas het verontwaardigde antwoord. âJullie weet er niets van! Goede vrienden hebben er mij gebracht.quot;
En ze gaf hun een volledig verslag van haar bevindingen als winkelwerkster, waarin haar man zich telkens mengde met een sarcastische opmerking, alles tot groot vermaak van de jongere heeren, die hun stoelen dichterbij geschoven hadden, om geen woord te verliezen. Betty Leven was in gezelschap zeer in trek, om haar aardig gebabbel en grappige uitvallen.
Doch Lady Maxwell lachte niet om de opmerkingen van Frank Leven. Eer hing er, terwijl hij sprak, een wolk over haar gezicht, alsof sombere visioenen aan haar voorbijtrokken.
Ook Bennett lachte niet. Hij keek eenige oogen-blikken met zijn goedig gezicht de Levens aan; toen schoven hij, Lady Maxwell, Eduard Watton en Tres-sady onwillekeurig dichter bijeen.
âGelooft u dat Lord Eontenoy's speech van Vrijdag
120
veel indruk gemaakt heeft op het platteland ?quot; vroeg Bennett, zich tot Lady Maxwell wendend. Tressady, die hem eens goed opnam, zag dat hij in zijn klee-ding geheel de werkman âop z'n Zondagschquot; was; ook herinnerde hem een uitdrukking van de oogen aan hetgeen men van Bennet zei, dat hij in zijn jonge jaren een welbekend lokaal-prediker was geweest.
Lady Maxwell glimlachte en zei, op Tressady wijzend :
âHier ziet u Lord Fontenoy's eersten luitenant.quot;
Bennett keek George aan en zei:
âDan zou ik gaarne van Sir George hoeren hoe hij er over denkt.quot;
âMet genoegen,quot; antwoordde George zonder aarzelen. âWij voor ons dan gelooven dat de speech een warme ontvangst heeft gehad, te oordeelen naar de couranten, de massa's brieven, en de petities die er in aantocht schijnen te zijn.quot;
Lady Maxwell's oogen schitterden. Een oogenblik zag zij Bennett aan en vroeg toen :
âVindt u 't niet merkwaardig, hoeveel schijn van deugdelijkheid men kan geven aan een onmogelijke zaak?quot;
âDat is onvermijdelijk,quot; antwoordde Bennett, even de schouders ophalend. âDeze sociale proeven van ons zijn zoo jong, men kan er een massa tegen aanvoeren, en dat zal nog jaren zoo blijven.quot;
âGoed,quot; zei George, âdus dan zijn wij, vitters. ook onvermijdelijk. Val ons niet aan â prijs ons liever; zooals u zelf erkent, hebben wij evenzeer een rol in het spel als u.quot;
Bennett glimlachte even, maar eigenlijk volgde hij Tressady niet. Lady Maxwell nam weder het woord.
âJa, natuurlijk, critiek moet er zijn; natuurlijk moet
T27
er oppositie wezen. Maar het is zoo moeilijk zijn rol, zooals u het uitdrukt, te spelen met een vroolijk gezicht, wanneer men van nabij de levens ziet die er bij op het spel staan. Weet u of Lord Fontenoy persoonlijk bekend is met de industrieën waarover hij sprak ? Dat zou ik zoo dolgraag weten.quot;
George was de vraag onaangenaam; ook de wijze waarop zij gedaan werd. Koel klonk zijn antwoord:
âIk geloof dat Fontenoy volkomen bevoegd is er over te oordeelen. Ik meen wel dat hij zijn best gedaan heeft zich met eigen oogen te overtuigen van de waarheid van hetgeen hij zei. Trouwens â dit was eigenlijk niet noodig; de lieden wien het aanging â die u meent te protégeeren â waren zeer bereid ons inlichtingen te geven.quot;
Lady Maxwell kreeg een kleur.
âEn u denkt, dat het daarmeê uit is? â als de mindere man er genoegen mee neemt zich te laten verminken en uitzuigen ? Maar ieder oogenblik is de Engelsche wet tusschenbeide gekomen om dit te verhinderen , en telkens is iedereen er dankbaar voor geweest.quot;
â't Is alles natuurlijk een quaestie van wat het zwaarste is moet het zwaarste wegen,quot; zei Tressady. âMoet men toelaten dat een handvol dwaze menschen zich dood werken, of moeten duizenden hun vrijheid verliezen ?quot;
Zijn blauwe oogen waren met een harde, koele uitdrukking op het schoone, hartstochtelijke gelaat gevestigd. Inwendig kwam hij meer en meer in opstand tegen die âafschuwelijke vrouwenregeeringquot;, en tegen den invloed, op de meest complexe, economische problemen, van een persoonlijkheid als die tegenover zich.
Maar het woord âvrijheidquot; pakte. De zachtere uit-
128
drukking verdween van het gelaat; haar oogen vlamden op, scherp en hard als de zijne.
âVrijheid? Weet u wel wat Cromwell daarvan zei ? âIedere partijman roept: âO, schenk mij vrijheid!quot; Maar doe dit, en zoolang zijn krachten het toelaten zal hij ze aan niemand anders geven Zoo is het ook met den onverschilligen, gevoelloozen werkgever; schenk hem vrijheid, en niemand anders zal ze krijgen.quot;
âSlechts in beeldspraak â niet feitelijk,quot; zei George, stug volhoudend. âZoo lang de menschen geen slaven zijn door de wet, hebben zij altijd kans op vrijheid. In ieder geval: wij komen op voor vrijheid als doel, niet als middel, 't Is niet aan den Staat de menschen gelukkig te maken, alles behalve! Zoo ten minste denken wij er over. Maar de Staat moet wèl zorgen dat zij vrij blijven.quot;
âJuist,quot; stemde Bennett in, diep ademhalend, âdaar slaat u den spijker op den kop, â dat is het verschil tusschen ons.quot;
George knikte. Lady Maxwell sprak niet dadelijk. Maar George voelde dat men op hem lette, dat hij gewogen werd. Hun blikken ontmoetten elkander een oogenblik, in antagonisme, zoo niet in tegenzin.
Eensklaps vroeg ze hem:
âSedert hoe lang is u uit Indië terug?quot;
âOngeveer een half jaar.quot;
âEn u is, meen ik, lang buitenslands geweest?quot;
âBijna vier jaar. Maakt u daaruit op dat ik niet veel tijd gehad heb om na te denken over dat waarover ik mijn stem uitbrengen zal ?quot; vroeg de jonge man lachend. âDat ben ik niet met u eens. Over de ingrijpendste politieke quaesties kan men zich even goed een opinie vormen in Azië als in Europa, â beter misschien.quot;
129
âOver het Keizerrijk, is mogelijk â èn over En-geland's positie in de wereld. Daarover, moet ik ronduit bekennen, kan ik niet oordeelen. U vindt, dat Engeland's bestaan afhangt van een regeerende klasse, en dat ivij en de democratie deze te veel verzwakken ?quot;
âZoo ongeveer, ja. En wat de democratie betreft, hebt u gelijk. Maar u â u zijt verraders!quot;
Doch zijn aanval lokte haar niet tot verdediging. Zij glimlachte slechts, en begon naar zijn reizen te vragen. Zij deed dit met veel tact, zoodat hij langzamerhand weer in zijn humeur kwam, zijn toon beleefder werd, en hij weldra op zijn gemak en tot groot genoegen zijner hoorders zat te vertellen. Zijn algemeene ontwikkeling bleek nu eerst rechtâzijn verborgen enthusiasme, zijn geest, zijn eerbied voor macht, voor kennis; ook zijn pessimistische opvatting van het leven en het lot der menschen.
Bennett, die rustig zat te luisteren, deed mede zijn best hem aan den praat te houden. Frank Leven scheidde zich af van het gezelschap bij de canapé, en kwam luisteren. Tressady werd steeds spraakzamer; hij gaf zich geheel. Lady Maxwell's mooie oogen, haar statige houding, kregen gaandeweg iets meer menschelijks, de profetes verdween, en zij had weer dat eigenaardig-sympathieke over zich, waardoor meest ieder zich tot haar aangetrokken gevoelde. Ook gaf ze blijk van een buitengewoon helder verstand, naar aanleiding van al wat Tressady zeide. Niet voor niets had ze vijf jaren lang in de hooge politiek geleefd ; onwillekeurig, ja feitelijk zeer tegen zijn wil, bemerkte Tressady aldra dat hij tot haar sprak alsof zij een man en zijn gelijke was, terwijl hij zich tevens meer voor haar uitsloofde dan hij ooit voor een man gedaan zou hebben.
I. 9
13°
âNu, u hebt enorm veel gezien!quot; riep Frank Leven ten slotte, met een zucht, als benijdde hij hem.
Bennett's eenvoudig gezicht werd vuurrood, toen hij, zonder er bij te denken, uitriep:
âAls Sir George in zijn vaderland zijn oogen maar even goed gebruiken wil ..Eensklaps zweeg hij. Weinig mannen drukten zich moeielijker en onhandiger uit in een alledaagsch gesprek dan hij, die toch in het Parlement tot de beste sprekers behoorde.
Greorge lachte en antwoordde:
âIk geloof dat men het meest oog heeft, voor wat het meest tot ons spreekt,quot; maar meteen voelde hij dat hij zich eenigszins bloot gaf voor de tegenpartij.
Lady Maxwell's lip trilde. Hij zag aan de uitdrukking van haar gelaat wat er in haar omging. Doch zij zweeg.
Alleen, toen hij opstond om heen te gaan, sprak ze den wensch uit, dat hij niet vergeten zou dat zij 's zondags thuis was. Hij prevelde hierop een ietwat koel en vormelijk antwoord, onderwijl denkend: âWaarom zegt ze niets van Letty, die ze toch kent, en van ons huwelijk, als ze de kennis wil aanhouden ?quot;
Toch verliet hij het huis met het gevoel van iemand, die geen gewoon bezoek heeft gemaakt. Hij had zich laten gelden ; hij had gezegd waar het op stond. En wat hóar aangaat: ondanks de opwellingen van tegenzin een enkele maal, nam hij een sterken indruk meê van iets levendigs, iets hartstochtelijks, dat hij niet licht zou vergeten. Of waren het alleen de oogen en de houding, was het die eigenaardig-mooie kleur, het klassieke in heel haar optreden, dat zij, zei men, van een Italiaan in haar voorouders had ? Zeer waarschijnlijk. Hoe dit zij, bij haar vond men minder van de gewone vrouwelijke coquetterie dan hij verwacht had. Hoe prettig zou het geweest zijn
I3i
met die boodschap, die zij niet had meeg'eg-even, bij Letty te komen! Hij vond dat zij voor een verstandige vrouw wat meer tact moest hebben.
' Nauwelijks was de deur achter Tressady gesloten, of Betty Leven wierp een snellen blik naar de deur, en vroeg fluisterend, zich naar haar gastvrouw buigend:
âWie ? .. . Breng me eens gauw op de hoogte! Toe.quot;
âEen van Fontenoy's kliek,quot; zei haar man, nog voor Lady Maxwell kon antwoorden. âEen nieuw Lid, en zoo scherp als een naald. Hij is naar ül de plaatsen geweest waar ik heen wou, Betty, als jij me maar permissie geven wilde.quot;
Hij keek quasi-boos zijn vrouwtje aan. Betty stak alleen een blank kinderpolsje uit en zei;
âKnoop mijn handschoen eens dicht en houd je even stil. Ik heb Marcella een massa te vragen.quot;
Leven kweet zich ietwat knorrig van hetgeen van hem verlangd werd, terwijl Betty doorging :
âHij is immers geëngageerd met Letty Sewell ?quot;
âJa,quot; zei Lady Maxwell, haar vriendin vragend aanziend. âKen je haar?quot;
âEn ze is een nichtje van Mr. Watton, â is 't niet?quot; wendde ze zich tot dezen. âIk heb haar eens bij uw mama ontmoet.quot;
âJa zeker, zij is mijn nichtje,quot; antwoordde Eduard Watton; âmet Paschen trouwen zij. Zooveel weet ik er van, hoewel ik haar veel minder ken dan de anderen thuis.quot;
âO zoo,quot; zei Betty, de handjes ineenvouwend op haar schoot. âDit beteekent, dat Miss Sewell geen favoriet nichtje is van Mr. Watton. U vindt het toch niet onplezierig om over uw familie te praten? Van de mijne moogt u zooveel kwaadspreken als u wilt. â Is 't een lief meisje?quot;
âWie? Letty ? Wel, natuurlijk is ze lief!quot; zei Eduard lachend. âAlle jonge meisjes zijn lief.quot;
âOch och !quot; â Betty schudde de blonde lokken, â âVan z'n familie moet men 't toch maar hebben!quot;
âDat is ondeugend, Lady Leven,quot; riep Watton, opstaand om te vertrekken. âWaarom u niet tot Bayle gewend ? Die weet alles. Vergun mij u aan hem over te doen. Hij zal u al mijn nichtje's lof bezingen..quot;
âMet vreugde,quot; zei Bayle, eveneens opstaande. âMaar tot mijn spijt moetik dadelijk naar Wimbledon.quot;
Hij was op end' op een secretaris, goed gekleed , glad geschoren, en hoogst bedaard toen hij Lady Leven met een deftige buiging de hand toestak
âOch, die secretarissen!quot; zei Betty, zich pruilend van hem atkeerend.
âSchaf ons als 'tu blieft niet af,quot; pleitte hij. âWij moeten ook leven.quot;
âJe ne vois pas la nécessité!quot; riep Betty den vertrekkende over haar schouder na.
âBetty! wat stel je je toch kinderachtig aan!quot; riep haar man, toen Bayle, Watton en Bennett verdwenen waren.
âVolstrekt niet,quot; beweerde Betty. âIk wilde van den een of den ander de waarheid hooren. Want de waarheid is dat Miss Sewell.. .quot;
âNu?...quot; zei Leven, die, zooals Lady Maxwell wel opmerkte, een en al bewondering was van de frischheid en bevalligheid zijner vrouw.
âEen heks is!quot; vulde Betty aan, haar groote blauwe oogen nog grooter makend; âeen ondeugende â tamelijk lief uitziende â ongevoelige â coquette heks!quot;
âHeusch, Betty?quot; viel Lady Maxwell in âHoe weet jij dat? Waar heb je haar gezien?quot;
133
âO, ik heb haar verleden jaar herhaaldelijk ontmoet, bij de Wattons en bij anderen,quot; antwoordde Betty doodbedaard. âEn jij net zoo goed, mevrouwtje! Ik herinner mij een keer, toen ze met Mrs. Watton meêkwam bij de Winterbournes, waar jij en ik ook waren, en ze honderd uit redeneerde.quot;
â't Is waar. Dat had ik vergeten.quot;
âNu, je zult spoedig verplicht zijn je haar te herinneren, dus hoefje niet zoo hautain haar op een afstand te houden! Want ze trouwt met Paschen, en als je met hèm de kennis wilt voortzetten, kun je haar niet blijven negeeren.quot;
âGaan ze met Paschen trouwen ? Hoe weetje dat ?quot;
âIn de eerste plaats: Mr. Watton heeft het gezegd; in de tweede: er zijn couranten. Maar natuurlijk, zulke onbeduidende dingen lees jij niet! â ik wel.quot;
âFoei, Betty,-je bent vandaag niets lief tegen me!quot; â Lady Maxwell zag haar vriendin aan met een quasi-smeekenden blik.
â't Is allemaal voor je welzijn, kind. Ik weet heel goed dat je nergens aan denkt, dan hoe je dien heer Tressady zult kunnen innemen voor Maxwell's wetsontwerp. En ik wou je aan 't verstand zien te brengen, dat hij vrij wat meer denkt aan zijn aanstaand huwelijk dan aan fabriekswetten. Zie je, Mar-cella, jou huwelijk heeft een beetje afgehangen van het toeval. Maar het gaat niet met iedereen zoo! En! o lieve schat, je weet zoo weinig van menschen die niet in armoedige huizen wonen. Neen , verdedig je maar niet!quot;
En zich over haar oudere vriendin heen buigend, voorkwam ze een antwoord door een hartelijke omhelzing.
âMaar nu moeten we gaan. Frank; jij moetje speech schrijven, en ik hem nog kopieeren. Niet
134
boos worden ! Je weet, dat je de volgende week twee heele dagen hebt om te kolven. Adieu, Marcella! Compliment aan Aldous; zeg hem uit mijn naam dat hij een volgende maal, als ik bij je theedrink, niet zoo laat thuis komen mag.quot;
En weg was ze, maar nog even ging de deur weer open , en stak ze een guitig gezichtje naar binnen.
âZeg; Tressady heeft ook een moeder, vertelt Frank. Z'n dames schijnen z'n zwakke punt te zijn; maar daar zij zelfs geen f 2.50 in de week verdient â eer het tegendeel, helaas! â vertel ik er je nu niets van, want je vergeet het toch. Een ander maal dus. Adieu!quot;
Toen Marcella Maxwell eindelijk alleen was, begon zij langzaam de groote kamer op en neer te loopen, wat zij meer deed.
Zij dacht aan George Tressady, aan de persoonlijkheid die uit zijn spreken gebleken was.
âMacht is hem alles; is hem het hoogste in de wereld. . . . Hij spreekt alsof hij niets om de menschen gaf en geen hart had. Maar hij poseert; ik weet dat hij poseert! Hij is interessant; hij zal zich wel ontwikkelen. Hoe graag zou men hem uit eigen oogen laten zien!quot;
Na nog een paar minuten aldus te hebben loopen peinzen, stond zij stil bij eene photografie op haar schrijftafel. Ze was van haar man â een lang, gladschoren gezicht, met vriendelijke oogen, gewone trekken, in de ongedwongen houding van een En-gelsch landedelman. Terwijl zij er naar keek, ontspande zich onbewust, als altijd, haar gelaat, werd het verhelderd door een heimelijk, groot geluk....
i35
ZEVENDE HOOFDSTUK
Toch had het eenigen tijd geduurd, eer Marcella Maxwell zoowel zichzelve als hem de overtuiging had gegeven, dat zij den man, die nu haar echtgenoot was, liefhad.
Toen Marcella Boyce de eerste maal haar woord schonk aan Aldous Raeburn, zooals hij toen was â de kleinzoon en toekomstigfe erfo-enaam van den ouden
O O
Lord Maxwell â deed zij dit enkel als een middel om tot een doel te geraken. Zij was toen-ter-tijd een mooi jong meisje, ongevormd, van het type dat men in onze moderne wereld veel aantreft: door geboorte behoorend tot den landadel, en, door toevallig een paar jaren in Londen een cursus te hebben bijgewoond, tot die jonge lieden, die niets willen aannemen op gezag, die alles toetsen â al het bestaande â de regeering, de kerk, de macht van geboorte en rijkdom, â die zich in hun oordeel alleen laten leiden door een groot, maatschappelijk medelijden, en dit medelijden slechts schenken aan éene soort, aan éen vorm van bestaan. Haar vader â een man met een lang niet onberispelijk verleden, waarvan niemand, scheen het, minder op de hoogte was dan de dochter, die, jaren op kostschool geweest zijnde, ver van haar ouders was opgevoed â erfde onverwacht het familiegoed in Brookshire. Marcella begon het leven in de provincie vol afkeuring van, vol minachting voor de maatschappij en hare instellingen ; en deze werden er niet beter op toen zij ontdekte dat, wegens het verleden van den vader, haar moeder en zij zelfs niet werden opgenomen in
den kring1 der oude vrienden in Brookshire. Geen
lt;_gt;
wonder dat een jong meisje in een dergelijke positie
136
geplaatst, toch al dien tijd zich bewust door schoonheid en verstand uit te munten boven menig ander, haar nieuwe leven stormachtig begon, âgeen wonder ook dat zij zich leelijk in de vingers sneed.
Niettemin was het eerste wat zij bijna onmiddellijk deed, zich te verzekeren van de beste partij in het graafschap, en toen haar overwinning te genieten met ijskoude onverschilligheid, geheel overeenkomend met haar trotsch karakter, waardoor ze zich bij Raeburn's vrienden niet bemind, ja, hun wantrouwen gaande maakte. Want Raeburn, die, haast van het eerste oogenblik dat hij haar ontmoette, een hartstochtelijke liefde voor haar had opgevat, welke nimmer uitslijten zou, was geen landedelman van de gewone soort; hij wekte bij de enkelen die hem goed kenden, niet weinig liefde en bewondering. Hij was zeer knap), zeer in zichzelf gekeerd, had zeer weinig zelfvertrouwen. Hij was de eenige vertegenwoordiger van een beroemd geslacht, en van zijn vroegste jeugd af grootgebracht in de schaduwen van droefheid en verantwoordelijkheid. Hij had den aard van den dichter en den denker, en hij beminde Marcella Boyce met al de kieschheid, al den idealiseerenden eerbied, welke de hartstocht doet geboren worden in een zoo hooggestemde, krachtige natuur. Terzelfdertijd was hij verre van levendig of vroolijk; hij hield zijn stand hoog en had een aangeboren afkeer van verandering, gevoelens waartegen zijn streng zedelijk bewustzijn telkens opkwam ; ook legde hij zich gemakkelijk neer â misschien uit onverschilligheid â bij tal van geijkte vormen en vooroordeelen..
Dat zulk een man geen blijvenden indruk kon maken op de Marcella Boyce van die dagen, had men van den beginne aan kunnen voorzien. Zij nam
137
hem gedeeltelijk uit een meisjesachtig gevoel van trots, als bewijs van haar persoonlijken triumf in Brookshire; gedeeltelijk om het genot van zooveel mogelijk den strijd te kunnen aanbinden tegen allerlei bestaande toestanden. En toch vond Raeburn zich telkens gewroken door den aard van Marcella's karakter. Want tot het einde toe een zelfzuchtige, hartelooze rol spelen, dat kon zij niet. Met al haar uiterlijke eigenzinnigheid was haar ware natuur meegaande , een-en-al liefde, evenals een ander vrouwentype, hoewel schijnbaar zachtzinnig en toegevend, in werkelijkheid tot zelfzucht en liefdeloosheid geneigd is.
Maar natuurlijk â het eerste engagement kwam tot een tragisch einde. Onnoodig te vertellen op welke wijze. Raeburn en Marcélla waren het op een zeker punt oneens, en scheidden in dier voege, dat Marcella, toen zij den band verbrak, voor de eerste maal de grootheid gevoelde van Raebrun's veelzijdig karakter, terwijl bij hem gekwetste waardigheid gevoed werd door jaloezie en hij geen pogingen aanwendde om haar te behouden.
Marcella ging daarop, in haar ontevredenheid met zichzelve, naar Londen, wijdde zich met hart en ziel aan het verplegen van zieken, en kreeg haar straf â om zoo te zeggen â van het leven zelf. De omstandigheden kastijdden en leerden haar: de leerschool van het gasthuis; het leven onder de armen; de pogingen om tot een resultaat te komen omtrent het probleem der armoede; de invloed van enkele vrienden. De romantische eigenliefde van haar jonge-meisjes-période verdween; zij leerde zichzelve, en hierdoor ook anderen, beter beoordeelen; ja, er waren zelfs oogenblikken van nadenken, wanneer het verwoeste geluk van een man, die een wereld van
13»
wonderbare toewijding aan hare voeten gelegd had, haar zwaar op het hart woog-, als geen kleinigheid, als geen gewone fout.
Maanden verliepen ; nieuwe ervaringen werden opgedaan en behoorden weer tot het verleden. De man, die in Brookshire Raeburn's jaloezie had opgewekt , ontdekte Marcella Boyce in Londen, en overlegde met zichzelf, als een kansrekening van winst of verlies, of hij zich van haar schoonheid zou trachten te verzekeren. Zij voelde zich soms op een onverschillige manier, soms met koortsachtigen gloed, tot hem aangetrokken; er was zelfs een oogenblik dat het in zijn kraam te pas kwam haar ijverig het hof te maken, en zij, uit verdriet en eenzaamheid, bijna zijn vrouw was geworden. Maar het Lot ontfermde zich over haar. Al dien tijd â door gezamenlijke vrienden, die zij bleven behouden â zag zij Aldous Raeburn nu en dan. De eerste maal, dat zij hem ontmoette, had zij enkel een pijnlijk gevoel van wroeging. Ze zou gaarne op vriendschappelijken voet met hem hebben omgegaan, en hem, van een geheel nieuw standpunt, hebben willen bewegen haar te vergeten en te trouwen. Maar hij, die haar nog liefhad en nog steeds de oude jaloezie gevoelde, hij wilde niets van wat zij zwijgend hem bood. De beslistheid waarmede hij weigerde haar vriend te zijn, deed eindelijk in haar de belangstelling en het verlangen ontwaken, die zijn liefde nimmer had opgewekt. Er had een en ander plaats dat haar al het nobele van zijn karakter deed kennen, hem deed zien in een geheel nieuw licht, en tevens zijn medeminnaar voor goed uit haar hoofd en hart deed verdwijnen.
Op hetzelfde oogenblik, terwijl ze zich losmaakte van den ander, begreep ze het nieuwe gevoel dat
139
in haar ontwaakt, dat over haar gekomen was; en thans scheen het haar, in haar woeste wanhoop, dat ze alles verloren had.
Toen traden dood en verandering tusschenbeide.
Want Aldous Raeburn, die zich gaf aan zeer enkelen , had in den loop van het leven één waren vriend gemaakt. Deze, een man van zeldzamen , fijnbewerk-tuigden aanleg, was altijd een leidsman geweest voor den krachtigen Raeburn, hoezeer hij zelf een voort-durenden strijd had te voeren om de machine van zijn fysiek in werking te houden. Eduard Hallin's invloed wekte den meer tragen aard van Raeburn op, en vervulde diens aangeboren Toryïsme van dat rusteloos zoeken, dat de grondtoon wezen moet van elk nobel bestaan. Hallin was econoom, en hield lezingen; men had op zijn graf kunnen beitelen, dat hij âzijn vrienden liefhad en zijn leven liet in den dienst van den Engelschen werkmanquot;. Wat hiervan zij â Hallin stierf jong; trouwens, Raeburn had het nimmer mogelijk geacht dat hem een lang leven was weggelegd.
Hallin gevoelde voor Marcella Boyce, tijdens het engagement, een toenemend wantrouwen, meer en meer tegenzin. De breuk kwam , en door een zonderlingen samenloop van omstandigheden, leerden Hallin en Marcella elkaar veel beter kennen er na dan er voor. Hij bezat de gave der heiligen: zijn reine, strenge beginselen hadden een invloed op Marcella's hartstochtelijk karakter, waartoe geen liefde tot nog toe bij machte was geweest. Zoodra zijn laatste korte ziekte begon , vervoerde men hem naar het kasteel op de heuvelen van Brookshire, hetwelk Raeburn, toen Lord Maxwell, kort geleden door erfenis in eigendom verkregen had. Het toeval wilde, dat ook Marcella in de buurt was. Zij en Raeburn ont-
140
moetten elkaar weder, in een atmosfeer van aandoenlijke schoonheid en weemoed. Want Hallin's dood â de dood van âden wijzequot;, in de oude, bij-belsche beteekenis âhad niets schrikwekkends. Dien zachten, onherroepelijken overgang gade te slaan, n
was te weenen en vertroost te worden.
Toen volgden er misverstanden en twijfel, â de natuurlijke eb en vloed van een liefde, geboren uit een worsteling. Doch al dien tijd kwam, wat wezen moest, dag aan dag nader, tot eindelijk een dier gelukkige toevallen gebeurde, welke het deel zijn der geluksvogels. Eene rijpere, eene teederder Marcella ontplooide zich voor een onveranderden minnaar,
en het meisje, dat eenmaal al wat hij haar geven kon, met minachting afgewezen had, wierp zich aan Maxwell's hart, met een hartstochtelijke zelfovergave, met een berouw, welke aan haar gerijpt karakter en haar verrukkelijke schoonheid een be- »
dwelmende kracht gaven.
* *
*
Ziehier de liefdesgeschiedenis der Maxwells. Zij waren nu ruim vijf jaar getrouwd, â ongeloofelijk gelukkige jaren. Het huwelijk in zijn hoogste beteekenis: het gelijk-op leven van man en vrouw; de dagelijks voorkomende, vrijwillige opofferingen; de diep-ingrij pende, van-zelfgeleerde lessen der liefde; de vurig begeerde zegen van het vader- en moederschap ; de voortdurende geestelijke inspanning tot een nobel doel, â dit alles had harmonie gebracht in het opbruisend karakter der jonge vrouw, had den ietwat pessimistischer! , angstvalligen aard van den man gewijzigd.
Niet dat voor Marcella het leven altijd gemakkelijk was. Ook thans was zij, evenals vroeger, op zede-
ï4i
lijk gebied een en al vuur en krachtig willen; ook thans werd zij gekweld door allerlei idealen, welke niet verwezenlijkt konden worden, altijd zichzelve en anderen voortjagend om ze te bereiken. Menig-
* maal leed zij onder wat ze Maxwell's lauwheid noemde tegenover menschen of toestanden, waarvoor zij vrijwillig geleden zou hebben, had ze er meê kunnen helpen; terwijl hij zichzelven nu en dan in stilte afvroeg , hoe lang dit enthousiasme duren zou, en hij misschien, zonder het zichzelven te bekennen, snakte naar een tijd van rust, die nimmer aanbrak.
Maar indien Marcella hen, die haar lief hadden, altijd, in zekeren zin, door stormen scheen te willen leiden, diezelfde stormen brachten o, zulke liefelijke oogenblikken met zich ! Geen vrouw, die zoozeer het vermogen had om den man dien zij beminde al de diepte en teerheid der echtelijke liefde te openbaren.
⢠Zij was zoo vrouwelijk, zoo zwak zelfs âvoor hem! â ondanks al haar maatschappelijke quaesties; wanneer het leven en zijn eischen hem drukten, kon zij zoo terstond de profetes en hervormster op zijde zetten, en weder kind worden en bruid, dat Maxwell al de onrust die zij aanbracht, al de raadselen en moeielijkheden, waarmede zij hem altijd aankwam, er dubbel en dwars voor over had. Doch op die manier had hij er zelf nimmer over gedacht. Marcella's gebreken waren Marcella, en zij was het licht van zijn leven.
Na hun huwelijk hadden zij eenigen tijd het deftige huis in Brookshire bewoond, het eigendom der Maxwells; en Marcella had zich aangegord tot het besturen van een groote huishouding en een uitgestrekt landgoed, met karakteristieke energie en in eigenaardigen vorm. Zij had de proef genomen om op een andere manier haar bedienden te huren
142
en te behandelen; een nieuwe manier om de armen het leven te veraangenamen en Maxwell Court het centrum te maken niet voor éen stand, maar voor alle standen. Zij maakte tal van fouten, doch geen enkele maal zondigde zij tegen de kieschheid, nimmer was zij vulgair. Haar natuur was vindingrijk en poëtisch, en de ruime vervulling van haar persoonlijke wenschen deed haar te meer begeeren om te geven en te dienen.
Maxwell's oude tante, die voor zijn grootvader het huishouden bestierd had, zocht haar toevlucht in een villa aan het eind van het park, en de oude butler, die dertig jaar lang Miss Raeburn's trouwe steun was geweest, trok met haar mede, een en al verbazing over âde nieuwigheden van Myladyquot;. Miss Raeburn, de eerzame, oude jonkvrouw, die, in de dagen van Marcella's strijd met Aldous, bang voor haar was en niets van haar hield, had zich voorgenomen zich blijmoedig onder het nieuwe bestuur te schikken ; maar toen het zóo erg liep, dat zij , in gezelschap van haar waschvrouw, in het park op de thee gevraagd werd , voelde zij dat deze vooruitgang haar te kras werd, en zij vertrok. Marcella zuchtte; verweet zichzelve dat zij eene ondragelijke dweepster werd, en voelde zich daarna voor de eerste maal baas in haar eigen huis.
Intusschen was het hotel in de stad, dat jarenlang der familie toebehoord had, verkocht, en gedeeltelijk door de geboorte van haar zoon, en de menigvuldige plichten die ze, buiten, op zich genomen had, voelde Marcella geen behoefte aan Londen. Maar tegen het eind van het tweede jaar bemerkte zij â al sprak hij zelf er niet van â dat haar man steeds een drang, een aantrekkingskracht voelde naar het vroegere politieke leven en al wat daar-
*45
mede in verband stond. Wijlen Lord Maxwell had in meer dan een conservatief ministerie zitting gehad , en zijn kleinzoon had , na een roemvolle loopbaan in het Lagerhuis, een ondergeschikte plaats in de regeering aanvaard, slechts eenige maanden voordat zijn grootvaders dood hem zijn plaats aanwees in het Huis der Lords. Na deze gebeurtenis had zijn nauwgezet geweten Aldous genoopt het bestuur over zijn landgoed voortaan te beschouwen als zijn werkkring, en een dien hij met ernst ter harte nemen moest. De Premier kwam tot hem met een vleiende opdracht; zijn vrienden pruttelden; niettemin had hij het terrein der politiek vaarwel gezegd en zich op zijn landgoed begraven.
Thans echter, na drie jaar hard en ijverig gearbeid te hebben, verkeerde het goed in een uitstekenden toestand; de ânieuwighedenquot; van de nieuwe eigenaars waren flink aangepakt, en beiden. Maxwell en Marcella, hadden geschikte tusschenpersonen gevonden, aan wie zij de zaken konden overlaten. Bovendien broeide er op het oogenblik iets op politiek gebied, iets van veel beteekenis voor de idealistische en denkende natuur van den man. Zijn vrienden en zijn buren, buiten, begrepen niet waarom; want het betrof enkel eenige verbeteringen in de fabriekswetten. Eenige leiders onder de werklieden drongen bij volk en regeering aan op een speciale, beperkende fabriekswet voor zekere wijken en industrieën in oostelijk Londen, welker bepalingen, ten opzichte van werkuren en overwerken , voor de eerste maal den volwassen man zoowel als vrouwen en kinderen betreffen zouden. Tevens wilde men, dat twee of drie bijzonder laag staande en slecht betaalde industrieën, in diezelfde wijken, ten eenenmale als huisindustrie verboden en slechts
144
toegelaten worden zouden in fabrieken van een zekere grootte, volgens fabrieks-bepalingen. De voorgestelde verandering was hoogst belangrijk, en stellig en zeker slechts een voorspel tot meer ingrijpende wijzigingen.
Maar, hoe gewichtig ook, Maxwell was er op voorbereid. In de laatste jaren van het leven van zijn vriend Hallin, hadden de beide mannen onophoudelijk , met onverflauwden animo, met ernst, de gevolgen eener volksregeering besproken op industrieel gebied. Beiden meenden dat het niet alleen onvermijdelijk, maar tevens de liefste wensch van het volk was, dat de volksregeering steeds meer orde en verbetering brengen zou in den arbeid van den werkman. Toch geloofden geen van beiden een oogen-blik, dat een der groote, beschaafde naties ooit den Staat den eenigen grondeigenaar en den eenigen kapitalist zou zien, of dat collectivisme, als systeem, inderdaad vooruitzichten heeft of verdient te hebben. Voor beiden was bezit â privaat en persoonlijk bezit â van het eerste speelgoed van het kind, of het tuintje, waar het zijn met belangstelling gevolgde zaden zaait, af, tot het beheer van een landgoed of het bestuur van een zaak, een der eerste en voornaamste elementen in de opvoeding van den mensch, waaraan niemand kan ontsnappen, dan alleen ten koste van zooveel verarming en rampspoeden, dat de mensch-heid den stap slechts doen zou â stel de mogelijkheid dat zij hem deed â om er onmiddellijk op te rug te komen.
In zijn hart evenwel was Maxwell veel minder vervuld van deze overtuiging, hoe innig hij ze ook was toegedaan, dan van die, welke in nauw verband er mede staat: de beperking van privaat bezit, op gezag van het algemeen geweten. Dat wij onszelven
H5
niet toebehooren, is waarlijk niet het eerst door Las-salle of Marx ontdekt! Maar als gij hem tot spreken hadt kunnen bewegen, zou hij gezegd hebben â het denkende gelaat een en al leven en bezieling â dat de verbazende vooruitgang op industrieel gebied in de laatste eeuw ons op reusachtige schaal heeft getoond, welk een kracht er aan het werk is in de evolutie van het maatschappelijk leven. Het sterke toenemen van den wil en de macht van het individu, door de wetenschap in de laatste honderd jaren der menschheid geschonken, was hem steeds een bron van vreugde â een onderpand voor de gren-zenlooze vooruitzichten van den mensch. Aan den anderen kant; de strijd van de maatschappij, van aangezicht tot aangezicht gesteld tegenover deze groote uitbreiding der macht van het individu, gedwongen er rekening mee te houden ter wille van haar eigen hoogere en geheime doeleinden, ze beter en humaner te maken, opdat ze niet zichzelve en den Staat tevens zou vernietigen; de langzame wijze waarop het aan het moderne gemeenschapsleven gelukt is zich te doen gelden tegenover het individu, door de zwakken te beschermen tegen hun zwakheid, de armen tegen hun armoede; door de vrouw en het kind te verdedigen tegen de forsche eischen van het kapitaal; door aan elk gebied van den handel het axioma op te dringen, dat geen man het recht heeft zijn rijkdom te bouwen op uitputting en verlaging van zijn medemensch â al deze dingen deden zijn zedelijkheidsbewustzijn te luider spreken. Neen, meer. Tegelijk met al de andere groote feiten, welke den langdurigen strijd kenmerken van 's menschen ethisch en sociaal leven, behoorden zij tot de eenige âgetuigenissenquot; van godsdienst, aan welke zijn kritische geest recht van bestaan gunde, â waren zij de sterkste I. 10
146
bewijzen van iets âgrooter dan wij wetenquot; werkend in het stof en in al het onoogelijke van ons dage-lijksch leven. Val rijkdom aan qua rijkdom, bezit qua bezit, en het is uit met de beschaving. Maar Iaat de kracht van het maatschappelijk geweten, zoo zwaar en zoo hard als gij kunt, neerkomen op de verschillende werkzaamheden van fabriek en huisgezin, van buitenplaats en kantoor, en gij zult zien dat het resultaat slechts een nieuw bewijs is van de goddelijke wet: dat de mensch zijn leven moet verliezen om het te behouden, dat hij moet geven om te ontvangen.
Dit, althans, was Maxwell's overtuiging , ofschoon hij, praktisch man als hij was, natuurlijk toegaf dat men tijd en omstandigheden in aanmerking moest nemen. En langdurige omgang met hem deed ook in Marcella dezelfde overtuiging wortel schieten. Met de gewone zelf-ingenomenheid der schrandere vrouw zou ze misschien beweerd hebben, dat haar sociale begrippen enkel voortkwamen uit eigen nadenken en gezond verstand, uit de ervaringen in Londen opgedaan, uit haar lectuur, enz. enz. Feitelijk vloeiden zij voort uit een reine liefde. Zij had dit geloof geleerd, terwijl zij Aldous Raeburn leerde liefhebben; en niemand zal zich verwonderen dat, hoe meer haar ideeën over het leven gewijzigd werden, louter door den invloed van en door geluk in het huwelijk, hoe vlugger ze er in geworden was ze met haar verstand te verdedigen. Zij kon beter redeneeren en beter denken; maar in den grond â dit viel niet te ontkennen â waren het Maxwell's argumenten en Maxwell's gedachten.
Zoodat, toen deze nieuwe strijd begon, en hij op zijn kalme manier onrustig werd, zij evenmin rust had. Zij haalden de oude, versleten portefeuilles met
147
Hallin's papieren en brieven voor den dag, en snuffelden er in, avond op avond, als zij samen in de groote bibliotheek van Maxivell Coicrt zaten. Zoowel Marcella als Aldous herinnerde zich de dagen dat vele van deze tallooze wetsontwerpen geschreven werden, met lange aanteekeningen bij enkele punten, â zij konden de gedachte soms niet van zich zetten aan de inspanning, de moeite, door een stervende er aan besteed. Ze herinnerden Marcella tevens aan de vele vrienden onder de werklieden, die zij in haar pleegzuster-jaar had gemaakt; terwijl Maxwell dacht aan 't geen hij, persoonlijk, gewerkt had, aan zijn persoonlijke onderzoekingen, toen hij onder-secretaris was. Een nieuw liberaal gouvernement was op het punt te vallen. Mocht er een conservatief ministerie volgen, en hem daarin een plaats worden aangeboden, wat dan? Moest men die gelegenheid aangrijpen ?
Op zekeren avond in Mei, tusschen licht en donker , éven voor het eten, toen zij te zamen het breede terras op en neer liepen, aan den voorkant van het kasteel, stond Aldous eensklaps stil, keek op naar het statige huis, dat hoog boven hen uitstak , en zei, half lachend, half ongeduldig de schouders ophalend:
âWat helpt het over al die dingen te praten, zoolang wij hier wonen?quot;
Marcella lachte, en zei â het hoofd tegen zijn schouder leunend â :
âAch, arme slak! Zucht hij wel meer onder het groote huis, dat hij te torschen heeft ? Maar we kunnen het immers een poosje op zij zetten ? Laat ons dat doen!! â Wacht, ik heb een idee. Ik weet wat â we zullen een huis huren in Mile Eiid Road!quot;
148
Ze liet haar man los, en zocht een brief in de fluweelen reticule, die aan een zilveren ketting om haar middel hing. Het was een brief van een barer socialistische vrienden, van een flink, eenvoudig man, thans bediende bij een boekhandelaar in de City.
Deze schreef haar, dat hij en zijn vrouw een huis gehuurd hadden in het oostelijk gedeelte van Londen, in Mile End Road, en dat zij, als zoovelen uit den burgerstand, hun huur hoopten te betalen door commensalen te houden. Daar hijzelf, zooals hij het uitdrukte, nog âgebruiktquot; werd, vond hij het niet meer dan billijk dat hij anderen âgebruiktequot;; ânatuurlijk tot den tijd wanneer een dergelijk ver-v/enscht systeem vervallen zou zijn. Maar Lady Maxwell kende zijne vrouw als een knap wijf, en zij wist dat hij niemand te veel zou afnemen. En Lady Maxwell's vrienden waren zoo talrijk â van den werkman af, tot den hoogsten adel â dat, als zij John Armingford en zijn vrouw aan commensalen wilde helpen, zij maar één woord zou behoeven te spreken. Zij had slechts hier en daar er een wenk van te geven , en zij waren geholpen. Zij verwachtten niet â schreef hij schertsenderwijs â dat Lady Maxwell hun voorname heeren en dames sturen zou; maar zij had evenveel invloed bij de lui, die zij hebben moesten, als bij mylords en my ladies.
Armingford had op een gelukkig oogenblik met zijn verzoek aangeklopt. Acht dagen na de ontvangst van dezen brief waren Lord en Lady Maxwell zeiven ingekwartierd in zijn huis in de Mile End Road, en had de wereld andermaal reden om zich over hen te verbazen
Wel hadden zij gezorgd dat alles zoo stil mogelijk in zijn werk ging en er geen ruchtbaarheid aan ge-
149
geven ; maar eenmaal in het East End hun anker neergelegd hebbend, was er geen verstopperij mogelijk, hoe Marcella ook pruttelde. Zij hadden reeds een groot aantal vrienden onder hen die werkzaam waren in oostelijk Londen, zoowel op maatschappelijk als geestelijk gebied. Iedere fabrieksopzichter kende hen, en het kleine, eenvoudige huis werd weldra het vereenigingspunt voor lieden van allerlei soort en van allerlei stand. Leden van het Parlement, leden van schoolcommissies, sociale hervormers, geestelijken , afgevaardigden van werklieden-vereenigingen, wijkverzorgers, onderwijzers â allen werden er ontvangen , zonder onderscheid des persoons, allen met eenzelfde vriendelijkheid. Op sommige avonden stond de smalle gang vol fabriekswerksters, van allerhan-den aard, deze verlegen, die te vrijmoedig, wie Marcella beurtelings moest uitlokken of het stilzwijgen opleggen, door tactvolle kunstgrepen, welke ze zich in vroeger dagen had eigen gemaakt. Of diezelfde deur werd geopend voor vuile, zwartoogige fabrieksmeisjes , voor vreemdsoortige joden, uit alle hoeken en gaten van Europa, met wie Marcella gewoonlijk met behulp van een tolk praatte en voor wie zij of haar oude kamenier koffie schonk van een kwaliteit, waar ze verrukt van waren.
Eindelijk begon heel Mile End Road deze twee te kennen, â dit ijverige echtpaar. Het zag hen 's morgens naar den tram of naar het spoorwegstation gaan; het zag hen 's avonds terugkomen, meestal op verschillende uren en van verschillende kanten, en men had er vooral schik in te zien hoe de mevrouw â stel dat zij het eerst thuiskwam â er een poosje later weer op uitging om haar man van den tram te halen. Menige vrouw, althans, liep naar het raam als zij voorbijkwam â- die groote, statige gestalte, in
ISO
haar donker serge japon en zwarten hoed, voortstappend met vasten, toch lichten tred, met iets waardigs in haar houding, waarvan zij zelve zich ternauwernood bewust was; menig oog volgde haar de lange straat door, zag haar stilstaan en op den tram wachten; zag den tram aankomen en een heer in een grijze overjas er uitstappen ; zag hoe de vrouw, met een lachend gezicht, een deel van de boeken en papieren overnam, waarmede haar man gewoonlijk belast en beladen was, en het tweetal vroolijk babbelend door de straat naar huis terugkeeren.
âEn ze zeggenredeneerde de vrouw van den kleermaker met haar buurvrouw, âze zeggen dat de man duizend pond daags te verteren heeft, en zondags nog wat meer; en 'n huis om in te wonen, zóo groot, â je zoudt er Charrington's heele bierbrouwerij in kunnen zetten en 'r niets van merken. Waarom blijven ze niet waar ze hooren ? En twee meiden uit 't werkhuis om d'r te bedienen! Nou hoor, 't is me wat!quot;
Dat het âme wat wasquot; â^ hieromtrent stemde heel Mile End overeen. En ware er een zweem van pa-troniseeren bij gekomen, of hadden ze zich als martelaars aangesteld, zeker zou het gedeelte Mile End, dat zich âfatsoenlijkquot; noemde, een vijandelijke houding hebben aangenomen. Maar het ging niet aan iets kwalijk te nemen van twee eenvoudige, altijd bezige menschen, die geheel opgingen in wat zij deden , en, zoo het scheen, er niets bijzonders in vonden. Wel had Maxwell iets stijfs en verlegens over zich. Maar gelukkig â althans in Mile Endâsprak er uit die schuwheid geen trots. De leiders dervak-vereenigingen â wie hij telkens zocht â betrapten er zich menigmaal op dat zij , na tien minuten met hem gepraat te hebben, hun best deden hem op zijn
I5T
gemak te zetten en de inlichtingen te geven die hij verlangde.
Wat Marcella betreft: deze weinige maanden behoorden tot de gelukkigste van haar leven. Zij kon het niet helpen dat zij veel meer gaf om deze kleermakers , bontwerkers, machinisten , hemdennaaisters, die haar in het oostelijk deel omringden, dan om heeren en dames, die in prachtige huizen woonden en kostbare toiletten droegen. En zoodra Marcella zich bevond in een kring, die haar sympathie had, was ze onweerstaanbaar; dan voelde ze zich gelukkig en wist ze dit gevoel aan anderen mee te dee-len. Ook kostte het haar daar, in Mile End Road, geen moeite te geven al wat er van haar gevraagd werd. De eenige plicht, wier vervulling Marcella moeite en strijd kostte , â wat ze zelf de eerste was te bekennen â was die , welke een bekend redenaar genoemd heeft âde plicht tegenover onze gelijkenquot;; welnu, zoolang ze in Mile End woonde liet deze haar met rust.
De schaduwzijde voor haar was het feit, dat ze er niet toe besluiten kon den kleinen Hallin, haar eenig kind, uit het kasteel over te plaatsen in de wereldstad. Het was vroeg in 't voorjaar; de bos-schen van Maxwell Court tooiden zich reeds met een frisch groen waas. Marcella kon het niet over zich verkrijgen den knaap weg te halen van zijn bloemen, uit de weldadige buitenlucht; steeds hoorde ze een droef-waarschuwende stem, als ze de bleeke wangetjes zag der kinderen in en om Mile End. Maar eiken vrijdagavond zeiden zij en Maxwell het kleine burgerhuis en de Duitsche vrouw die voor hen zorgde, vaarwel, en keerden met den jongen uit Mellor, die hun schoenen poetste en de messen sleep, en de vroegere kamenier van Marcella's
moeder, terug naar Brookshire. In den regel kon men dan ook des zaterdags morgens den kleinen Hallin aan zijn vriendjes onder de tuinmansjongens hooren vertellen , dat âMoesje thuis gekomenquot; was, en hij dus niet zooveel met hen spelen kon als anders. Hij vertelde dat hij Moesje â'n hééleboel dingenquot; moest laten zien: âde twee jonge katjes; het vogelnestje in de haag; het bergje, dat ze op 't kerkhot gemaakt hadden boven Tom Collins, uit 't armenhuis; de kale plek op den rug van den pony; het gat, dat Moesje's paard in de staldeur getrapt hadquot;, en meer dergelijke curiosa. Om het kind zooveel mogelijk te vereenzelvigen met de plaats en haar bewoners, had Marcella hem eene kindermeid uit het dorp gegeven. En daar het dorp slechts een uur of zes sporens van Londen lag, vond men er geheel het Londensche dialect weer, â een taaltje, door den erfgenaam der Maxwells spoedig tot het zijne gemaakt. Marcella zuchtte hierover, maar Hallin babbelde er lustig op los, haalde zijn klinkers uit, en liet zijn medeklinkers weg als de minste East Ender.
O, hoe verrukkelijk waren die zaterdag en zondagen voor moeder en kind ! Den geheelen morgen, tot vier uur in den middag, waren zij onafscheidelijk, doolden ze samen door velden en bosschen, zij een der koninklijkste vrouwen, hij een doodgewoon kind â een klein, rond, kereltje, met verbazend groote, zwarte oogen , dikke, verbrande wangetjes en een vrij grooten mond.
Maar later op den middag, helaas! vond Hallin de wereld niets prettig. Want, geheel tegen zijn goedvinden, liet âMoesjequot; zich door Annette, de kamenier, in groot gala kleeden; rijtuigen kwamen aanrijden van den trein van 5.10; en later, in
153
den langen avond, wemelden de groote lawns van het kasteel van allerhande gasten; of het roode salon, met zijn Romneys en Gainsboroughs, was getuige van drukke gesprekken en hartelijk gelach rond Moesje aan de theetafel; zoodat het eenige wat Hallin overbleef was zijn plaatsje op moeders knie, zijn groote donkere krullebol zich verbergend tegen haar borst; zijn duim vertroostend in den mond â waar geen flinke jongen toe te bewegen zou zijn geweest, zoolang er maar iemand te vinden was, die zich bereid verklaarde voor 'n spelletje.
Marcella zelve was dan in haar hart niet minder oproerig gestemd; ze zou niets liever gedaan hebben dan in haar wekelijksche vacantie, met Hallin van de lente te genieten. Maar zooals thans de maatschappij is ingericht, moeten de plannen, welke in Mile End of Shoreditch uitgebroeid zijn , door Mayfair, of wat met Mayfair gelijkstaat, goedgekeurd worden; of ze vinden een weinig roemrijk graf in de portefeuille, waar ze uit voortkwamen. Wij hebben nog, zoo het schijnt, een âtoongevende klassequot;, die zich niet laat wegredeneeren , hoezeer de democratie zich ook roeren mag. Maxwell wist dit maar al te goed; hij beschouwde deze zondagen enkel als behoorend tot de weekdagen in Mile End. Marcella bewonderde en steunde hem; maar soms verwenschte ze die dames, die deze pairs en staatslieden, deze administrateurs en journalisten meebrachten; en hoewel het haar gelukte persoonlijk met allerlei menschen op een vriend-schappelijken voet te komen, toch was ze voortdurend bang iets te verzuimen of verkeerd te doen, waardoor ze ten slotte Aldous zou benadeelen.
Evenwel, door nauwlettend zich in acht te nemen, had ze hem tot nog toe niet noemenswaard kwaad gedaan. Al den tijd, dien ze in't van Londen
154
woonden, scheen het dat een liberaal ministerie, onder den druk van groote plannen, welke het de kracht niet had tot uitvoering te brengen, met ras-sche schreden zijn einde naderde. Toen het viel, kwam er voor korten tijd een zwak conservatie! ministerie aan, waarin Aldous Maxwell een voorname plaats bekleedde. Hun leus was âsociale hervormingquot;, en bij wijze van hun eigen partij en het land op de proef te stellen, maakten zij de fabriekswet voor oostelijk Londen tot de hunne. De wet bracht verdeeldheid in de partij, maar het ministerie had den moed haar portefeuille neer te leggen en de kiezers te laten beslissen over een programma, waarvan de Maxwell-wet een hoofdelement was. De vak-vereeni-gingen steunden hen; partijen, zoowel van reactie als van vooruitgang, vochten voor hen op vreemd-soortig-verschillende wijzen , en met een kleine meerderheid kwamen zij weer aan de regeering. Lord Ardagh , de veteraan-leider der partij , werd; Maxwell werd President of the Council, terwijl zijn oude vriend en bondgenoot, Henry Dowson , Minister van Binnenlandsche Zaken {Home Secretary) werd, en de lang verwachte wet in het Lagerhuis moest verdedigen.
Zoo kreeg Maxwell dus zijn kans.
* *
*
Deze kans was het, die voor het oogenblik de gedachten van Maxwell's vrouw geheel vervulde, en haar den zondag van Tressady's bezoek lang deed nadenken over het karakter en de gesprekken van den jongen man, terwijl ze afgetrokken stond te staren op het portret van haar echtgenoot.
i55
Sedert hun optreden in de politieke wereld had zij voortdurend de kracht van deze Fontenoy-par-tij â vooral van Fontenoy zelf â gevoeld, en zich er aan geërgerd. Eens of tweemaal, toen zij met hem in gezelschap was , had ze haar best gedaan met hem in aanraking, in gesprek te komen. Maar Fontenoy was voor vrouwen ongenaakbaar, â behalve voor ééne vrouw, die een krachtigen geest, een doorzettenden aard had, wier wensch en overtuiging geheel het tegenovergestelde waren van die der Maxwells. Het was Marcella niet gelukt. Lord Fontenoy had haar slechts zijn vierkant gezicht, zijn roodgerande oogen toegekeerd, met de loome, doffe onverschilligheid, die Marcella zeer goed kende als een masker, doch die hem niettemin een schild was tegen haar welsprekendheid en bekoorlijkheid beide. De andere leden van de partij waren jeugdige aristocraten , ultra-exclusief, öf sportliefhebbers. Zij had het ook bij hen geprobeerd, met even weinig goed gevolg. En eens of tweemaal, toen zij den aanval van te nabij beproefde, had ze eensklaps een gewaarwording van iets beleedigends in haar tegenstander â van een vluchtigen blik, brutaal en zinnelijk , die de vrouw in haar angstig deed terugdeinzen.
Maar deze jonge Tressady, met al zijn bekrompenheid en bitterheid, was van ander maaksel, â althans dit meende zij.
Wederom liep ze peinzend de kamer op en neer, tot ze na een paar minuten bleef stilstaan voor een langen Louis Quznze-spiegel, de handen ineen voor zich uitgestoken, de oogen, haast onbewust, turend naar wat ze voor zich zag.
Haar schoonheid deed haar altijd aangenaam aan , ofschoon zelden om de redenen die andere vrouwen er voor hebben zouden. Ze gevoelde als bij in-
156
stinct dat deze haar gemakkelijker door het leven deed gaan dan anders mogelijk ware geweest; dat hierdoor elk spel, dat zij mocht wenschen te spelen, haar beter afging en terstond eenig voordeel deed behalen; dat, zelfs onder de werklieden, de leiders der vakvereenigingen , onder allen die werkzaam waren in East End, ze haar altijd geholpen had de punten te behalen waar ze haar hart op gezet had. Zij was gewoon dat men naar haar keek, dat zij het middelpunt was, dat alles voor haar zwichtte; en zonder er lang bij stil te staan, wist ze zeer goed wat het was dat ze won met dezen âuiterlijken schijnquot;, met dat oog, dien mond, die gestalte. Het gaf haar een gevoel alsof voor haar niets onmogelijk was; het verleende haar een oneindig zelfvertrouwen.
Er raakte iemand aan den deurknop. Zij keek met een glimlach op en wachtte.
Een lang man, in een grijs pak, kwam binnen, liep vlug de kamer door en sloeg de armen om haar heen. Zij leunde het hoofd tegen zijn schouder, en zei, hem zacht de wang streelend :
âWat kom je laat! Betty zei, ik moest je eens flink gaan beknorren.quot;
âIk heb gewandeld met Dowson. En op weg naar huis ben ik door een paar lui opgehouden, Rashdell onder anderen.quot; (Lord Rashdell was Buitenlandsche Zaken.) âEr zijn belangrijke telegrammen uit Parijs; ik heb ze voor je gekopieerd.quot;
Engeland zat op dat oogenblik midden in een van zijn telkens terugkeerende moeielijkheden met Frankrijk. Er waren allerlei verwikkelingen, die heel wat onrust gaven in het Departement van Buitenlandsche zaken. Marcella stak den zilveren bouilloir weer aan, en zette opnieuw een kopje thee voor haar man , terwijl hij haar van alles op de hoogte bracht en zij
157
de telegrammen, waarvan hij de kopieën had meê-gebracht, bespraken met het vuur en de camaraderie van vrienden. Daarna zei ze;
âIk heb een aardig bezoek gehad. De jonge Tres-sady is er geweest.quot;
âZoo ? Ik hoor, hij is iemand waar wat in zit en dat hij ons veel kwaad kan doen. Hoe vond je hem ?quot;
âO, heel knap en heel bekrompen , â vol vooroor-deelen,quot; zei ze, lachend. âNooit heb ik wonderlijker mengelmoes gezien van kennis en domheid.quot;
âHoezoo ? Kennis van Indië, van de Oost ? â meen je van dien aard?quot;
Zij knikte.
âKennis van alles, behalve van hetgeen waarvoor hij thuis gekomen is om in het strijdperk te treden! Weet je , Aldous. ...quot;
Zij zweeg. Zij zat op een laag stoeltje naast hem, haar arm op zijn knie.
âOf ik wkt weet?quot;____vroeg hij. Zijn hand zocht
de hare.
âOch,. .. . ik heb een gevoel dat wij dien man zouden kunnen winnen. Dit moest althans mogelijk zijn.quot;
Maxwell lachte.
âDan zou Fontenoy minder slim wezen dan gewoonlijk! Ik hoor, hij beschouwt Tressady als hun grootste aanwinst.quot;
âDat komt er niet op aan. Ik wou dat je je best deedt met hem in kennis te komen.quot;
Maxwell bediende zich intusschen van eenig mos-covisch gebak, en antwoordde hier niet op. De enkele keeren dat hij Tressady ontmoet had, was deze hem â om de waarheid te zeggen â eenigszins antipathisch geweest.
Marcella dacht even na en hernam toen:
158
âHm, â neen, eigenlijk geloof ik niet dat hij in jou smaak zal vallen. Laat hem liever aan wz/over, ik zal zien wat ik doen kan.quot;
Meteen stond zij op, met haar eigenaardigen, half schertsenden, half liefdevollen glimlach; en liep de kamer uit om Hallin te halen. Maxwell zag haar na; nauwelijks lettend op wat zij zeide, enkel zich bewust van hdar, van hare stem, van den atmosfeer van leven, van de onweerstaanbare bekoorlijkheid die haar omgaf.
* »
*
Intusschen verliep de tijd; de tweede avond van Fontenoy's debat brak aan. George Tressady zocht op zijn tijd den Voorzitter in het oog te krijgen, en stak een vrij aardige maiden speech af, die hem veel meer lof bezorgde, zoowel van zijn partij als van de pers, dan hij , ontstemd als hij er over was, mogelijk achtte. Hij had de helft van zijn aanteekeningen niet kunnen vinden; volgens zichzelf haspelde hij het hoofdpunt geheel door mekaar. Hij zei later tegen Fontenoy dat hij zich liever moest ophangen, en wandelde na de stemming naar huis, blijde althans over één ding â dat hij Letty niet had laten komen.
Feitelijk had hij in geen enkel opzicht schade gedaan aan den naam dien hij reeds begon te maken. Fontenoy was tevreden; en de kleine meerderheid waarmede de Resolutie verworpen werd, verzwakte aanmerkelijk de kansen op de Maxwell-wet, die na Paschen aan de orde zou komen, en deed de tegenstanders dubbel op hun qui-vive zijn.
159
ACHTSTE HOOFDSTUK.
âWel wel, wat is 't hier leelijk! Er mag wel dadelijk vijfduizend pond aan besteed worden om 't een beetje bewoonbaar te maken!quot;
De verzuchting- was van Letty Tressady. Meteen diep verslagen gezichtje stond ze op de lawn van Perth het ouderwetsche huis te bekijken , waar George haar circa vijf dagen geleden gebracht had. Zij waren nu veertien dagen getrouwd , en zouden nog ééne week buiten blijven, voor zij naar Londen en naar het Parlement terugkeerden. Maar Letty had zich reeds vast voorgenomen, dat Perth van buiten en van binnen geheel vernieuwd worden moest, of ze zou het er geen dag uithouden.
Zuchtend zette ze zich in een gemakkelijken tuinstoel, steeds turend naar het huis. Het was een stijf, kazerne-achtig gebouw, te hoog voor de breedte, in het begin der vorige eeuw gebouwd door een architect, die, toen hij merkte dat er slechts een nietig sommetje voor zijn werk beschikbaar was, wijselijk besloten had alles te besteden ter verfraaiing van het inwendige. Vandaar dat van binnen het huis er vrij aardig uitzag, ofschoon Letty nu niet in een stemming was om zelfs dit weinige toe te geven ; het houtwerk, de schoorsteenen, de deuren, uit al deze bijzonderheden sprak de man van smaak. Maar behalve dit scheen het eenige wat men had willen samenstellen, te zijn: een kolossaal gebouw, vrij hoog opgetrokken om het aantal kamers te krijgen dat men verlangde, en om tevens fundamenten en ruimte uit te winnen; een buitenmuur, waarin met angstige regelmaat ramen waren aangebracht; een hoog dak, waar de oorspronkelijke, warm gekleurde dakpan-
i6o
nen door leelijke leien uit Wales vervangen waren , en twee lage, ontsierende zijvleugels, bestemd voor het personeel en de keukens. Wetst7u, waarmede het huis van meet af bedekt was geweest, was zwart door den invloed van den tijd, door het weder en den rook van Tressady's mijnen. Alles bij elkaar genomen â deels door zijn vuile kleur, zijn kleine ramen , zijn fabriekach-tigen vorm en bouw, â had Ferth ontegenzeggelijk iets sombers en terugstootends, dat door de onmiddellijke omgeving nog verergerd werd. Want het stond op den top van een hoogen heuvel, waar slechts enkele, door den wind gehavende boomen groeiden; terwijl wegen en voetpaden een en al zwart waren van het stof der kolen. De tuin achter het huis was klein en verwaarloosd; noch de boomgaarden, noch de moestuin, noch het park had karakter, of muntte uit door schoonheid; alles droeg den stempel van vroegere bezitters, die zoomin geld als fantasie bezeten hadden, die zich tevreden hadden gesteld met een bescheiden leven op een bescheiden schaal.
Perth's nieuwe meesteres dacht vol bitterheid aan hen, terwijl ze zat te turen naar hetgeen zij hadden tot stand gebracht. Wat was er met zulk een buiten te beginnen? Hoe kon ze hier haar vrienden uit Londen te logeeren vragen? Wel, er zou zelfs onder de kameniers eene werkstaking uitbreken ! En ik bid u: wat had men aan een buiten, zonder dat wat het buitenleven veraangenaamde ? wat er bij hoorde ?
En reeds begon ze de behoefte aan geld te gevoelen. Van binnen was het huis hier en daar wat opgeknapt. Ze had George geholpen behangsels en gordijnen uit te zoeken voor de kamers, die speciaal voor haar ingericht zouden worden, toen zij voor
i6i
Paschen te zamen in Londen waren. Maar ze wist, dat George een zeker oogenblik plan gemaakt had veel meer te doen dan feitelijk geschied was; hij had zich den dag van hun komst daarover verontschuldigd, geheel op de manier van iemand die in de wittebroodsweken is.
âLieveling,quot; had hij lachend gezegd, âik had dolgraag honderde mooie meubeltjes voor je aangeschaft! Maar de tijden zijn slecht â o, zoo slecht! We zullen het nu maar gaandeweg doen; â dat vind je ook goed? hè?quot;
Toen had ze haar best gedaan hem te doen vertellen , waarom hij eenige plannen ter verbetering had opgegeven , die â dit wist ze zeker â hij in zijn hoofd had in de eerste weken van hun engagement. Maar hij was niet zeer spraakzaam op dit punt geweest, en had grootendeels de schuld gegeven aan die âbeestachtige mijnenquot;, aan de zeer lage dividenden welke ze den laatsten tijd gaven.
Doch Letty bliefde er niets van te gelooven dat de ietwat treurige toestand hunner financies, waar ze reeds in de wittebroodsweken over peinsde, gedeeltelijk, neen voornamelijk een gevolg was van den toestand der mijnen. Ze klemde de kleine tandjes op elkaar, terwijl ze driftig bij zichzelf verklaarde, dat het niet kwam door de mijnen, maar door Lady Tressady. George was nü aan handenen voeten gebonden, omdat zijn moeder zich niet geschaamd had hem het laatste half jaar aanhoudend lastig te vallen. Letty â George's vrouw â moest allerlei genoegens, allerlei moois missen; Letty zou niet haar kennissen te logeeren kunnen vragen, zou niet de plaats in de wereld kunnen innemen , die haar rechtens toekwam, omdat George's moeder â 'n mal oud wijf, dat zich blankette, dat coquetteerde en de
L ii
t62
Fransche mode volgde, terwijl ze zich op den achtergrond behoorde te houden, met een muts op en in een gemakkelijken stoel! â onophoudelijk beslag legde op zijn vrij matig inkomen, en nam waar ze geen recht op had.
âIk weet zeker dat er iets achter steekt,quot; zei Letty bij zichzelf, terwijl ze naar het leelijke huis zat te staren, â âiets waar ze zich over schaamt en bij George niet méê voor den dag durft komen. Ze kan onmogelijk al dat geld aan haar kleeren uitgeven. Ik geloof dat 't een slecht mensch is; â er komen zulke vreemde dames op haar partijen!quot;....
Het fijne, meisjesachtige gezichtje stond strak, hard, van inwendige boosheid, terwijl ze voor de honderdste maal Lady Tressady's wandaden naging.
Doch eensklaps werd het tuinhek geopend, en het hoofdje opheffend, zag ze George aan den ingang, haar met de hand toewuivend. Hij had haar dezen morgen â voor de eerste maal sedert zij getrouwd waren â een uurtje verlaten, om met zijn hoofdopzichter te spreken over den stand van zaken.
Zoodra hij iets naderbij kwam, zag zij dat hij er moê en ontstemd uitzag. Maar het zien van haar deed den rimpel uit zijn voorhoofd verdwijnen. Hij wierp zich op het gras aan hare voeten, drukte de lippen op het fijne handje dat op den schoot lag, en vroeg:
âHeb je me gemist, kind?quot;
Vervuld als ze was van gedachten, kon Letty niet anders dan blozen en glimlachen, want zijn blik zei haar duidelijk, dat hij behagen in haar vond, dat hij opmerkte hoe ze een mooi japonnetje had aangetrokken voor den lunch , en dat het koesteren en vertroetelen , wat zijn afwezigheid haar een paar uur had doen missen, terugkeeren zou. Andere vrouwen
I63
â¢â min of meer van haar type â hadden voor dezen zijn omgang onweerstaanbaar gevonden. Want 1 res-sady beschouwde den omgang met dames als een kunst; hij had zijn eigen, vaste begrippen omtrent de wijze waarop men haar moet behandelen: niet te streng en niet te sentimenteel, maar bovenal . .. nimmer eender!
Hij herhaalde zijn vraag thans met aandrang, haar diep in de oogen ziende, waarop Letty, half plagend, half lachend, steeds denkend aan het huis, antwoordde ;
âNeen, ik ben niet van plan je ijdel te maken! Bovendien, ik heb erg veel te doen gehad!quot;
âZoo! Zul je me niet ijdel maken? Maar ik wil ijdel worden! Ik ga den heelen middag weg, als je me niet dadelijk ijdel maakt! Zoo! Zoo is 't beter! Weet je wel, dat daar in dat halsje een allerliefst zijden krulletje hangt, en dat je haar van ochtend de zon gevangen heeft?quot;
Letty bracht werktuigelijk de hand aan het hoofd om de haarlok weg te stoppen. Maar hij wist er zich bijtijds van meester te maken en riep uit:
âDat kun je begrijpen! Je raakt er niet aan , hoor! Zoo'n kleine Wandaal!! â Zeg, wat heb je uitgevoerd van morgen ?quot;
âO, ik ben met Mrs. Matthews het heele huis rond geweest,quot; vertelde Letty. Haar stem klonk nu heel anders. â âMaar, George, 't is vreeselijk, zoo véél als er gedaan moet worden! Ik weet zeker: we zouden geen twee families tegelijk te logeeren kunnen hebben, al zochten we 't nog zoo te schikken! En dan de bovenverdiepingen! Luister eens, George!quot;
In haar vuur hield ze zijn hand vast, terwijl ze een lange opsomming begon van alles wat er wezen
164
moest: nieuwe meubels, nieuwe gordijnen, nieuwe haarden; een nieuwe warm-water-inrichting; de zijvleugels moesten opgetrokken, en-zoo-voorts , tot ze aan de verbouwing der stallen kwam en het opnieuw aanleggen van den tuin. Nauwelijks was zij met de lijst barer bezwaren begonnen, of de trek van vermoeidheid op George's gelaat keerde terug. Hij stond op van het gras en ging naast haar op de bank zitten.
Toen zij eindelijk zweeg, moe van het spreken, zei hij ; met een treurigen blik naar de geminachte bakermat van zijn geslacht â
â t Spijt me, kind, dat je er zoo'n ongunstigen indruk van hebt. En toch, je hebt volkomen gelijk â t ziet er niet vroolijk uit! Doch 't ergste van alles is, mijn lieveling, ik zie geen kans om al die dingen te doen, die je daar opnoemt. Ik breng, helaas, geen goede berichten van de mijnen mee.quot;
Eensklaps keerde hij zich tot haar. De gedachte vloog hem door het hoofd : zou men hem kunnen verwijten dat hij haar getrouwd had onder een schijn van rijkdom, dien hij niet bezat? Maar neen, als eerlijk man, met ronde woorden, had hij alles aan haar vader verteld, en dus ook aan haar. Want Letty wist alles wat zij weten wilde; ze had van kind af over haar ouders den baas gespeeld.
Letty bloosde bij zijn laatste woorden en vroeg met vuur:
âJe wilt toch niet zeggen dat er onder die men-schen sprake is van een werkstaking?quot;
âIk ben er bang voor. We hebben minder loon moeten uitbetalen om niet met verlies te werken; en nu dreigen die kerels, waarachtig, dat ze staken zullen.quot;
âHm, ze willen zeker dat je hun de mijnen cadeau
I65
geeft,quot; zei Letty boos. ,;Hè, de verhalen, die ik gehoord heb van hun luiheid en verkwisting,! Mrs. Matthews zegt: ze koopen altijd het beste vleesch; ze hebben allemaal een harmonium of een piano; hun huisjes staan vol meubels, en ze geven een massa geld uit aan weddingschappen op hun honden, met football en ik weet niet wat meer. Ten slotte zullen ze zeker liever zichzelven en ons ruïneeren, dan maken dat jij een behoorlijke winst trekt.quot;
âJuist,quot; zei George, zijn arm op de leuning van de bank leggend, âzoo is het.quot;
Een oogenblik heerschte er stilte. Beider oogen waren gericht op het mijnwerkersdorp, dat beneden hen lag, aan den voet van den heuvel. Uit den hoog liggenden tuin kon men, over de vallei en de verspreid liggende huisjes heen, de mijnen zien, de heuvelenrij in de verte; de rechte, zwarte streep van de âbankquot;, de lage karretjes, de hooge schoor-steenen, afstekend tegen de lucht. Links zag men hier en daar, van den heuvel tot in het dal, dergelijke schoorsteenen en âbankenquot;, terwijl rechts de vallei, in hooge, met bosch bedekte glooiingen, uitliep in een blauwige vlakte, in de verte door de heuvelen van Wales begrensd. De onmiddellijke omgeving van Perth bezat, voor een mijndistrict, zooveel bosschen, zooveel romantisch natuurschoon, dat, wie er voor het eerst kwam, er altijd verbaasd over was. Men vond er bosschen, waarin nog nooit de bijl van den houthakker weerklonken had ; men vond er kleine riviertjes; heuvels, met mos en varens begroeid ; alle zich handhavend, ondanks de steeds toenemende hoogten van âbuitquot;, uit de mijnen gehaald. Alleen de dorpjes waren zonder onderscheid leelijk. Zij vertegenwoordigden de moderne scheppingen van de steenkolen; zij hadden dus geen geschiedenis,
166
bezaten niets oorspronkelijks. De eentonige rijen roodoi huisjes deden denken aan de overblijfsels van eene vuile voorstad; zelfs de vele van steen gebouwde herbergen verbraken de strakke eentonigheid niet.
Dit gezicht van de hoogte van Ferth had, hoelang George het ook gekend had, niets aantrekkelijks voor hem. Als knaap had hij niet van het familie-goed gehouden, en zich weinig met het dorp en de menschen bemoeid. Zijn moeder had eenvoudig een hekel aan het buiten en aan de menschen beide. Zij was zeer jong getrouwd â om geld en om een positie â met zijn saaien, ouden vader, die echter zijn wereldsche vrouw in bedwang had weten te houden door een zwijgende, onverzettelijke tyrannic, welke een sterker wil dan dien van Lady Tressady gebogen zou hebben. Zij hamerde er voortdurend op van Ferth weg te komen; hij om er-haar te doen blijven. Geen oogenblik had de man rust als hij zijn bezitting, zijn mijnen alleen liet; de echtgenoote daarentegen voelde zich tien jaar jonger worden, zoodra ze den rug toekeerde aan het zwarte, sombere huis op den heuvel.
En ze wist haar indrukken van Ferth op haar zoon over te planten: ook George was immer blijde als hij Ferth en zijn omgeving vaarwel zeggen kon. In zijn oog waren de mijnwerkers een brutaal slag, grof in hun genoegens, hun spelen; hun godsdienst zelfs stond hem tegen. Wat hun vermeende grieven en verongelijkingen betrof: als jongen reeds voelde hij zich overtuigd, dat de mijnwerker ruim kreeg wat hij verdiende, zoowel van zijn chef als van de maatschappij.
Eindelijk, uiting gevend aan hetgeen er in hem omging, begon hij: âIk heb wezenlijk dikwijls ge-
167
wenscht, dat mijn grootvader die kolenmijnen in 't geheel niet ontdekt had! Op den duur, geloof ik, hadden we 't veel verder gebracht zonder die lastige mijnen. We zouden, ten minste, niet opgescheept zijn geweest met die ruwe bende hier, met wien evenmin te redeneeren valt als met een blok van hun eigen steenkolen.quot;
Letty gaf geen antwoord. Zij had zich omgekeerd naar den kant van het huis. Op eens barstte ze uit, op een toon die hem schrikken deed:
âGeorge, wat moeten we toch met dit huis beginnen ? 't Is voor mij een nachtmerrie! En 't merkwaardigste is: niets is goed onderhouden. Heeft je mama hier wezenlijk gewoond, terwijl je op reis waart ?quot;
Kr vertoonde zich een wolk over George s gelaat toen hij antwoordde:
âIk heb ten minste altijd gedacht dat zij hier woonde. Dit was onze afspraak. Maar ik begin langfzamerhand te vreezen dat ze meer in Londen was dan hier. 't Is trouwens niet te verwonderen; â ze heeft altijd een hekel aan Ferth gehad.quot;
âNatuurlijk was ze in Londen,quot; dacht Letty bij zichzelf, âgaf ze handen vol geld uit; maakte ze overal schulden, en liet ze 'thuis vervallen. Hm; t linnen zelfs is in geen jaren gestopt!quot;
Luid sprak ze:
âMrs. Matthews zegt, dat een werkvrouw en een jonge meid uit het dorp maandenlang alleen in het huis waren, en natuurlijk precies deden wat ze wilden. â Niemand die op ze lette, terwijl
je weg waart!quot;
George keek zijn jonge vrouw aan. Toteenig antwoord sloeg hij zijn arm om haar middel.
Een poos later begon hij weer:
i68
âO, lieveling', je weet niet hoeveel gemaal ik den heelen morgen gehad heb! Laat ons, als je blieft, thuis die akelige onderwerpen laten rusten. Alles wel beschouwd ts het toch prettig hier met ons tweetjes te zijn, is 'tniet? En we zullen er ons wel door redden ! â we zullen niet van honger omkomen. Wie weet, of t ten slotte niet met een sisser afloopt met de mijnen; t is haast niet te denken dat die kerels zoo gek zullen zijn; en verder â enfin, die lieve moeder van me kan ons niet blijven plukharen, zooals ze tot nog toe gedaan heeft. Laat ons alleen een beetje geduld hebben; misschien kan ik eerstdaags een stukje land verkoopen, â dan hebben we wat contanten, en kan dit kleine ding scharrelen en dit huis opknappen zooveel ze wil. Maar intus-schen, TnctdciTne vta fcwivzc, moet ik er UED. even aan herinneren, dat George Tressady je gewaarschuwd heeft dat hij geen goede partij voor je was!quot;
Letty herinnerde zich opperbest al zijn cijfers en getallen; maar ze had er altijd aan gedacht met het optimisme van een meisje, dat absoluut wil trouwen. Ze had voor de minder aannemelijke feiten, welke hij haar genoemd had, de oogen gesloten, of ze tot een minimum teruggebracht. Neen, ze kon niet zeggen dat ze niet gewaarschuwd was; niettemin â het eind scheen heel anders te worden dan ze zich voorgesteld had.
Doch zoolang ze den arm van haar echtgenoot beschermend om zich heen voelde, ging het niet aan in een slecht humeur te blijven en â ze gaf zich gewonnen. Ze slenterden samen het bosch in, dat een eind verder den heuveltop sierde; zij co-quetteerend, hij op honderde manieren haar eigenliefde streelend, haar het hof makend. Haar nieuw, soepel japonnetje, het frissche, het fijne van haar
i óg
persoontje, brachten zijn gevoelsleven weer in harmonie met den Aprildag, met de parende vogels, met de geuren, die overal om hen heen opstegen uit veld en woud; met het fijne groene waas over het lage kreupelhout, dat de zwarte strepen der kolenmijnen verzachtte. De illusie van de wittebroodsweken keerde terug. George gaf er zich aan over met hart en ziel, als een die hongert. Al werd Letty in den grond van haar hartje onophoudelijk gekweld door de gedachte dat zij den tijd ongebruikt liet voorbijgaan, â ze moest zich wel onderwerpen.
Maar toen de bel voor het luncheon geluid had, en zij naar huis terug drentelden, dacht hij er op eens weer aan en zei, de wenkbrauwen fronsend:
âWeet je wat, lieveling, Bailing zei vanmorgenquot; (Dalling was de hoofdopzichter van de Tressadys), âdat hij ons in ons belang aanraadde te zien hier enkele menschen op onze hand te krijgen. De Unionisten zijn â of waren â in dit gedeelte van 't graafschap niet zoo sterk als in andere. Daarom is die Burrows, â akelige vent! â hier onlangs komen wonen, 't Zou misschien mogelijk zijn de verstandig-sten naar rede te doen luisteren. Mijn ooms zijn â schijnt het â wat streng en hoog opgetreden; wat ik eigenlijk heel natuurlijk vind! Het volk is een ruw, ondankbaar slag; ze komen met de onmogelijkste eischen aan en zullen nooit denken aan wat men al voor hen gedaan heeft; maar ten slotte, â als ze het middel voor ons zijn om te kunnen leven, dan is 't toch verstandig ons best te doen te leeren hoe met ze om te gaan én wat ze eigenlijk willen. Hoe zou je 't vinden, kind, als we ons van middag eens samen in 't dorp vertoonden?quot;
Letty trok een bedenkelijk gezichtje; ze scheen er
170
niet veel zin in te hebben, en trachtte er aan te ontkomen met te zeggen:
âIk kan eigenlijk niet goed praten met arme men-gchen, George, 't Is wel niets aardig van me, ik weet het, maar och ... ik ben geen Lady Maxwell! dat weet ik maar al te goed! Natuurlijk, de armen bij ons, thuis, maken een groot verschil;âdie zijn allen even beleefd, ze weten waar ze staan moeten. Maar ik hoor van Mrs. Matthews dat ze hier erg onafhankelijk zijn, en er niets in vinden heel lomp en onbeleefd te wezen zoodra je de eer niet hebt ze te bevallen.quot;
George lachte.
âAls jij naar ze toegaat in dat japonnetje ... ik verwed er m'n nieuwen hoed onder, dat ze niet lomp tegen je zijn! Bovendien â ik ben immers bij je om je te beschermen?! We gaan natuurlijk niet naar de ultra-Unionisten. Maar er zijn 'n paar gezinnen â mijn oude kindermeid, bij voorbeeld, van wie ik altijd veel gehouden heb, een brandweerman, en nog een enkele, dat zijn werkelijk aardige types. Ik wed dat je plezier in ze hebben zult.quot;
Letty was overtuigd dat van âplezierquot; geen sprake wezen kon. Evenwel, ze stemde nolens volens toe ,
en zij traden het huis binnen om te lunchen.
* *
*
Zoo ging dus in den namiddag het jonge echtpaar er te zamen op uit. Letty had een gevoel alsof ze een vuurproef doorstaan moest, en vond George erg dwaas dit van haar te verlangen. Intusschen, ze deed haar best een vroolijk gezicht te zetten, en had, om hem plezier te doen, het mooie Parijsche japonnetje aangehouden, al zei ze bij zichzelf dat heten-
i7i
zinnig was met dat fijne goed te loopen door een dorpsstraat, waar enkel mijnwerkers en hun vrouwen haar zien konden.
âWat 'n ramp toch,quot; zei George eensklaps, toen ze hun heuvel afliepen, âdat die kerel, die Burrows, nu juist hier moet komen wonen.quot;
âJa, hij heeft het je in Malford al lastig genoeg gemaakt, is 'tniet?quot; zei Letty. âIk begrijp nog niet wat hij nu weer hier te maken heeft!quot;
George legde haar uit dat, omstreeks het vorige jaar Kerstmis, de partij der Unionisten in het district Ferth tijdelijk zeer verzwakt was. Een groot aantal mijnwerkers hadden zich in stilte afgescheiden ; er was â wat men op elk gebied ziet gebeuren â twijfel gerezen omtrent het beheer der fondsen, en het had er veel van alsof de partij verloopen zou. In allerijl zond het Centraal-comité Burrows er heen om den boel bijeen te houden. De flinkheid, waarmede hij tegenover Tressady was opgetreden bij de Market Malford-verkiezing, had hem prestige gegeven; hij bezat zoowel uiterlijke gaven als de macht van het woord. Hij had vier maanden in Ferth doorgebracht; overal had hij gesproken ; thans, in plaats van zich af te scheiden van de Unie, was men in stroomen zich komen aansluiten , en men was hier even vol vuur om de proef te wagen wie de sterkste was: de patroon of de werkman, als hun kameraden in andere gedeelten van het graafschap.
âEn vóór Burrows ons met rust laat, zal hij de patroons honderd duizenden gekost hebben. Ja, die kerel kost ons wat 'n geld!quot; besloot hij , op quasi-luchtigen toon.
Hij was werkelijk vol van Burrows en van wat hij dien morgen door zijn agent gehoord had; toch
172
had hij zijn best gedaan er aan den lunch niet over te spreken. Letty had een eigenaardige manier om den brenger van slechte tijding het gevoel te geven, dat het eigenlijk zijn eigen schuld was dat de dingen zoo waren en niet anders; en hoe kort ook getrouwd, George begon reeds iets van die eigenschap in haar op te merken.
âWat ik niet begrijp,quot; hernam Letty kribbig, âis: waarom men zulke menschen als Burrows rustig laat begaan. Waarom het hun niet belet?quot;
George lachte, maar onderdrukte niettemin een opwelling van ergernis. Een onbekookt gezegde van een vrouw, die er goed uitzag, ontlokte hem doorgaans een vroolijken glimlach, maar die Burrows-zaak ging hem te na aan het hart.
âOch, je begrijpt,quot; gaf hij ten antwoord, âwe leven hier in een vrij land, en Burrows en de zijnen hebben het nu eenmaal op ons voorzien. Maxwell en Co. staan in 't lemoen; Burrows zit op den bok en zet het span aan. Het vreemde van de zaak is eer, dat men geen oog heeft voor den persoon. De menschen hier weten zeer goed dat Burrows drinkt; dat de vrouw, met wie hij leeft, niet zijn wettige vrouw is...
âGeorge!!quot; viel Letty hem in de rede, âschei uit! Hoe kun je zulke dingen zeggen!quot;
â't Spijt me, kindlief, maar de wereld is nu eenmaal niet anders! Hij heeft haar hier of daar opgedaan â men zegt, ze was amp;.lt;tvxo\m wamp;vi een commis-voyageur, die in een hotel hem op den hals geschoven is. Hoe het zij , ze is niet wettig gescheiden , en de man leeft. Ze ziet er uit als een wandelend geraamte en zal wel niet oud worden. Toch beweert men dat Burrows doodelijk van haar is. En, wat mijn persoonlijke gevoelens betreft â schrik niet, kindje! â
173
ik kan 't niet helpen , dat ik juist om dat zaakje een gunstigen indruk krijg van Burrows. Maar â ik behoor niet tot de vromen, zooals de lui hier. Evenwel , zij breken daar hun hoofd niet meê; om zijn drinken bekommeren ze zich niet; ze weten dat hij hun geld uitgeeft aan prachtige diners in hotels, en ook dat laat hen koud. Ze trekken zich noch het een noch het ander aan; ze schreeuwen zich heesch zoodra Burrows spreekt; ze zijn er trotsch op als hij hun de hand geeft; toch vertellen ze achter zijn rug allerlei leelijke dingen van hem, en 't heeft er veel van alsof ze dubbel met hem ingenomen zijn omdat hij een schobbejak is. 't Is zonderling, maar 't is een feit. Intusschen , we zijn er; houd je nu goed , lieveling, want je kunt er op aan dat je van alle kanten aangegaapt wordt.quot;
Zij hadden de dorpsstraat bereikt, en als door een teeken der vrij-metselaars scheen heel Ferth Magna te weten dat het jonggetrouwde paar in aantocht was. Hier en daar werd voorzichtig een deur geopend en zag men een werkman, zwart van de kolen, hen aanstaren; de vrouwen en kinderen waren moediger, zij gingen flink op de stoepjes hunner woningen staan kijken; uit de winkeltjes kwam men met pakjes en mandjes in de hand uitloopen om te zien. De mannen, die een vroegschoft gewerkt hadden, waren juist uit de mijnen teruggekeerd; de vrouwen waren bezig hun zwarten heer en meester te was-schen vóór het gezin zich aan den maaltijd zette. Maar wasschen en eten â men vergat alles, zoolang de eigenaar van Ferth Place en de nieuwe Lady Tres-sady zichtbaar waren. Niets ontging het oog der dorpsbewoners; alles merkten zij op: het onberispelijke zomerpak van den jongen man, zijn fijne trekken , gebronsd gelaat en blonden knevel; de grijze
174
japon der jeugdige echtgenoote; het toefje rose bloemen aan haar hals; den wrong van het glanzende bruine haar, waar het hoedje op rustte; tot de gespen van haar schoentjes toe. Daarna trok het dorp zich weer in zijn respectieve huisjes terug en ving het gebabbel aan. Niet overal waren George's groeten met hartelijkheid beantwoord, doch Letty meende te hebben opgemerkt dat de vrouwen hóar hadden aangestaard met een brutaliteit, waarin bijna iets vijandigs lag.
âMary Batchelor's huisje moet hier ergens zijn,quot; zei George, een zijstraatje inslaand, wezenlijk met een gevoel van verluchting. âIk hoop dat ze thuis is! Ha, daar zie ik ze al! â Je kunt niet zeggen dat de begroeting van die menschen heel hartelijk is, vind je wel ?quot;
Zij bevonden zich nu vlak voor eenige steenen huisjes. Van alle stond de voordeur open. In het eene was een flinke mijnwerkersvrouw aan het wasschen; bij een ander wachtte de agent van de naaimachines op de wekelijksche huur; en op den drempel van een derde zag men een oude, vervallen vrouw, met de hand boven de oogen tegen het zonlicht, te kijken wie toch die menschen zouden wezen, die op haar afkwamen.
âZoo, Mary,quot; riep George haar toe; âje kent mij toch nog? Ik kom je mijn vrouw brengen om eens kennis te maken.quot;
Met jongensachtige gemeenzaamheid stak hij haar de hand toe.
Maar het oudje staarde hen beiden verschrikt aan. Haar gezicht, met de lange, spitse kin, den scherp uitkomenden neus, was bleek en strak; het grijze haar hing hier en daar onder het oude, zwarte mutsje uit; de zwarte japon viel haar slordig om het lijf.
1 75
zoodat het zelfs George's aandacht trok. Toch had Mary Batchelor, zoolang hij haar kende, hetzij als zijn oude kindermeid of, in later dagen, als de evange-liste van het dorp, in zijn herinnering geleefd als iemand met een zekere waardigheid, onberispelijk in alles, ook in haar uiterlijk.
âMary, scheelt er iets aan ?quot; vroeg hij, haar de hand toestekend.
âKom maar binnen,quot; antwoordde de oude vrouw, hem bij den arm nemend, zonder acht te slaan op Letty. âHij 's weg â hij zal niemand bang maken
â hij 's hier dagen geweest voor ze hem begraven hebben â ik wou hem niet laten gaan â maar 't is nu al drie weken dat ze 'm weggebracht hebben.quot;
âMaar wat is er, Mary? Toch niet Jacob â niet je zoon?quot; vroeg George, die zich liet meetroonen, het huisje in.
âJa, zeker, 'tis Jacob â't is m'n zoon !quot; herhaalde ze somber. âWil je niet gaan zitten, enquot; â zij keek vragend rond, eerst naar Letty, toen naar den natten vloer, dien ze met haar zwakke krachten bezig was te schrobben, â âmisschien wil de mevrouw ook wel 'n stuitje zitten, 'k Ben aan 't werk, maar 'tis alsof ik 's morgens niet vórt kan â niet sedert ze 'm weggehaald hebben.quot;
Meteen viel zij zelve met een diepen zucht in een stoel, â haar bezoekers, zoo het scheen, vergetend
â de groote, beenige handen, vereelt door een lang leven van hard werken, uitgespreid op de knieën.
George bleef een oogenblik zwijgend naast haar staan, tot hij eindelijk, met zachte stem, begon:
âHet spijt me dat ik bekennen moet, dat ik nergens van gehoord heb, Mary. Je zult zeggen: ik had het moeten weten. Maar 'kwist er niets van. Ik ben
176
in Londen geweest en heb 't erg druk gehad den laatsten tijd.quot;
âJa,quot; zei Mary, zonder op te zien, â âja; en je bent getrouwd. Ik wist wel dat 't geen onhartelijkheid van je was.quot;
Toen zweeg ze weer. Doch eensklaps, met een schuwen blik, bracht ze haar boezelaar aan het gezicht en veegde zich de oogen af, die er uitzagen als stonden ze altijd vol tranen.
Achter in de hut zat een knaap van ongeveer veertien jaar. Hij had zich juist gewasschen en rustte nu uit bij het vuur, lezend in een beduimelden/W-óa//-almanak. Hij was niet opgestaan, toen Sir George en Lady Tressady binnenkwamen, en terwijl zijn grootmoeder sprak bewogen zijn lippen zich voortdurend, in 't optellen van de scores. De jongen had een ziekelijk, terugstootend voorkomen; een harde, verstompte uitdrukking in de oogen.
âLaat mij buiten wachten, George,quot; fluisterde Letty, niets op haar gemak.
Als bij instinct was ze bang voor de arme moeder en haar verhaal. Maar George vroeg haar te blijven, en zenuwachtig van angst ging ze bij de deur zitten, het fijne japonnetje zorgvuldig omhoog trekkend, opdat het niet in aanraking komen zou met den natten vloer.
âVertel mij eens wat er gebeurd is,quot; zei George, zich naast de bedroefde moeder nederzettend en vriendelijk naar haar toe buigend. âIs het in de mijn gebeurd? Jacob hoorde niet bij ons werkvolk, dat weet ik. Werkte hij voor Mr. Morrison?quot;
Vrouw Batchelor knikte toestemend. Toen, eensklaps , lichtte ze het hoofd op, en George aanziend met een gezicht verwrongen door het lijden, riep ze uit:
177
â'tis Jan Burgess z'n schuld! Jan Burgess heeft 'm vermoord. Maar hij 's'r zelf ook meê heengegaan, dus 'k zeg niets meer,'k zeg niets meer.'t Was Jacob z'n eerste week om te hakken; hij had drie jaar lang met de kolen gereden, alleen van tijd tot tijd had hij 'n schoft gehakt; â en nu, vijf weken geleeën nam Jan Burgess hem aan â hij was butty bij Mr. Morrison, weet je! in de ouwe mijn âbijverdiende vier gulden per dag. Hij was zoo blij! je kon het lezen op z'n gezicht zoo blij als-i was! Nu, 't was 'n dinsdag toen-i naar de middagschoft ging. 'k Zag 'm gaan ; hij was niet vroolijk. En ik begon te schreien toen 'k hem de straat door zag loopen, want 'k begreep 't waarom-i niet vroolijk was, en 'k vroeg aan onzen Lieven Heer hem te helpen. En zoowat om zes uur komen 'r 'n paar hierheen loopen â en zeggen dat 'r 'n ongeluk gebeurd is; en ze brachten hem thuis â en i leefde nog â dus 'k moest me goed houën. Ze hadden 'm op z'n knieën vinden liggen, met z'n arm in de hoogte, en de bijl in z'n hand â net zooals de kolendamp op 'm gekomen was. En z'n rug, z'n rug .. . o God! was 'm van z'n lijf afgeschroeid , weggeschroeid! . ..quot;
Een rilling voer haar door de leden. Maar ze herstelde zich en ging voort, Tressady steeds aanziend, de uitgeteerde hand opgeheven, als om zijn aandacht te boeien:
âEn ze brachten 'm binnen, en ze leiën 'm op die bankquot; â ze wees naar de bank, die bij het vuur stond â â'r kwam geen dokter, goddank !âze konden toch niets doen â ze lieten me met 'm alleen. Maar 'n oogenblik later, toen ze weg waren , kwam-i bij, en 'k zei tegen'm: âHoe is't gebeurd , Jaap ?quot; â En i zei: âMoeder, 't is de schuld van Jan Burgess ; hij heeft m'n lampje opengemaakt om 't zijne aan an I. 12
178
te steken, dat uit gegaan was â meer weet ik niet.quot; En een oogenblikje later, zei-i weer: âWees er niet akelig over, moeder, â ik ben er blij om dat'k niet blijf leven, â 'k heb den drankduivel in me gekregen.quot; En toen haalde-i 'n paar keer diep adem, net als iemand die geen adem krijgen kan â en ik gaf 'm 'n zoen . .. .quot;
Zij zweeg, het rimpelig gelaat pijnlijk vertrokken , de bevende handen vaster de magere knieën omklemmend. Letty voelde haar oogen vol tranen schieten , van een deelneming, die haar in zichzelve verraste.
âEn met Augustus zou-i een-en-twintig geworden zijn .... zoo'n knappe jongen! . . . 'n ieder hield van 'm .. . van dat-i 'n klein kind was af... Toen-i daar zoo lag, zei ik tegen mezelf: âDat's de derde, dien ik door de kolen verloren heb.quot; â En 'k dacht aan m'n vader, en aan m'n oom â die ook, allebei tegelijk, thuis gebracht werden toen 'k 'n kind van dertien jaar was; geen schrammetje hadden ze op 'r lijf, â niets dan een kriezeltje bloed had vader op z'n voorhoofd, â maar ze waren allebei dood, hoor, hardstikke-dood, van den kolendamp. D'r zijn met die uitbarsting zes en dertig man heen gegaan ; â 'k herinner me nog hoe de oude Mr. Morrison â meneer Walter's vader â aan iedereen 'n doodkist stuurde, en hoe de menschen ingingen omdat 't geen goeie waren. Geeneen die de mijn in wou voor d'r betere gemaakt waren ! Als 'n man 't leven uit z'n lichaam persen laat, zeiën ze, dan was wel 't minste dat de bazen doen konden te zorgen dat ze 'n fatsoenlijke kist kregen om in naar 't kerkhof te gaan. Maar nee', niemand hielp me met m'n Jaap , â 'k heb 'm heelemaal alleen begraven , en 't was alles van 't beste.quot;
179
Ze droogde de betraande oogen, met een zucht vol onuitsprekelijke droefheid. George sprak haar vriendelijk toe, haalde zooveel troostwoorden aan als hij bedenken kon. Terwijl hij zich tot haar over boog, legde Mary andermaal de hand op zijn arm en prevelde:
âJa, ja; 'k wist wel dat je er meê te doen zoudt hebben ... En je vrouw . ..quot;
Even wendde ze het hoofd om, naar Letty, trachtend met de gezwollen, door tranen verduisterde oogen te ontdekken van welk maaksel George's jonge rouw wezen zou. Eéne seconde rustten de doffe oogen op het kleine, elegante persoontje, dat in den hoek zat; op het toefje rozenknopjes, sierend den breed-geranden hoed; op de frissche wangetjes onder het witte voiletje, op de braceletten om de polsen â met vreemden, vagen blik, als kwam hij van verre. Eensklaps scheen een gansch andere gedachte in haar op te leven. Ze dacht niet langer aan Letty. De magere hand sloot zich krampachtig rond George's arm, terwijl ze met een snik weer begon:
â'kMoet altoos denken aan wat-i van den drank zei. Nooit nog had-i 'n druppel gedronken, tot, verleden winter, 't net was alsof-i er niet af blijven kon ; â de drankduivel sloop 'm langzaam in 't lichaam; menigmaal in den laatsten tijd was-i op betaaldag stomdronken thuis gekomen, en-i wist dat 'k er verdriet van had. En wiens schuld was 't? â vraag ik u,of 'n ander â wien z'n schuld?quot;
Haar stem verhief zich; ze schreeuwde George de vraag toe bijkans.
âZ'n vader is 'r meê heen gegaan, en daar vóór z'n grootvader. Z'n grootvader hebben ze midden op den weg dood vinden liggen, nadat ze'm eerst goed zat gemaakt hadden in de herberg van den ouwen
i8o
Morse, waar de butty met hem en z'n kameraads afrekende. Maar nooit zou-i uit z'n eigen aan den drank geraakt zijn, als ze 'r 'm niet toe angezet hadden ; want van dien aard was-i niet. Maar de biitty, die 'm werk gaf, hield meteen de herberg, en wie niet dronk, die kreeg geen werk. Je moest je ziek drinken zaterdag avond, wou je maandag ochtend werk hebben. âNee, blijf jij maar thuis,quot; zeiën ze dan, âals je zoo'n verdomde jonge juffrouw bent.quot; Neem me niet kwalijk, meneer, dat 'k't woord voor u uitspreek, maar zóo noemen ze 't. 'k Heb den ouwen Jan dikwijls hooren zeggen, dat hij den biitty met plezier 'n shilling van z'n loon teruggegeven had, als-i daarmee van 't drinken af geweest was. En Willem â m'n man â dacht er net eender over ; de dokter zei me zelf, toen Willem op sterven lag, dat 't in 't bloed zat. En dat had Jaap gehoord â ik weet het, want'k betrapte 'm toen-i op de trap stond te luisteren .. .quot;
Wederom zweeg zij, verliezend den draad harer gedachten in een nevel van onsamenhangende herinneringen. Langzaam drupten de tranen neer op de blauwe schort. . .
Na een oogenblik van stilte zei George: â hij wist zelf nauwelijks wat hij zeggen ging â
âWe hebben erg met je te doen, Mary, mijn vrouw en ik: we zouden allebei je zoo graag helpen. Helaas, zal het je geen troost zijn â 't maakt het misschien nog erger? â als je bedenkt dat er nu zooveel zeldzamer een ongeluk voorkomt dan vroeger â dat er al veel gedaan is. Toch is er veel verbeterd, is 't niet?quot;
Vrouw Batchelor gaf geen antwoord.
George zat haar aan te kijken, gevoelend, gelijk hij zelden deed, zijn jongheid, zijn onhandigheid; zich bewust ook van Letty's bijzijn, op een vreemde.
i8i
manier, haast als hinderde hem haar tegenwoordigheid, als zette deze een domper op zijn aandoeningen , als deed ze hem zich schamen dat hij ze toonde
Hij kon enkel het armzalige deuntje voortzetten van verbetering, van betere tijden; van het langzaam verminderen der vroegere misbruiken, der âbuttiesquot; en âtommy-shopsquot; ; van de meerdere zorg voor het leven van den mijnwerker; van de verzekering tegen ongelukken ; de inspecteurs, enz. Hij bemerkte dat hij eindelijk welsprekend werd; toch had hij al dien tijd een gevoel alsof hij met een medelijdend glimlachje van uit de verte naar zichzelven keek.
Mary Batchelor luisterde een poosje, met gebogen hoofd, met de onderworpenheid van de vroegere gedienstige, tot iets, dat hij zeide , wederom die rilling te voorschijn riep, die uitdrukking van protes-teerende zielesmart.
âJa, 't zal wel alles goed zijn zooals't is, Mr. George, ik wil 't graag gelooven. De inspecteurs zijn heel knap, en 't loon wordt op z'n tijd uitbetaald. Maar, â je mag zeggen watje wilt â ik heb 'n zoon bij de spoorwegwerken , aan de kanten van Lichtield, altijd klaagt-i over z'n langen werktijd, ze vermoorden 'm, zegt-i; en ik zeg 'm altijd: âWees maar blij dat je daar bent, Hendrik; dank God op je knieën dat je niet in de mijnen hoeft te werken.quot; Nooit krijgt-i van mij éen woord van beklag. En soms word ik vroeg in den morgen wakker; dan denk ik aan de mannen die daar onder me, in 't donker, voortkruipen, vlak onder m'n bed misschien; â want ze zeggen, de mijnen loopen nu heelemaal onder het dorp door â, en dan denk ik bij m'n eigen: âHoe lang zal 't nog duren voordat jullie, arme kerels, daar ook liggen, net als m'n Jaap?quot; U hebt misschien gelijk, meneer, â wat aangaat dat er minder onge-
182
lukken gebeuren, â maar ik weet zeker, als u hier in 't dorp van huis tot huis wilt gaan onderzoeken, 't zou net wezen als er in den bijbel staat â 'k heb menigmaal aan de woorden gedachtââWant er was geen huis waarin niet een doode wasquot;.quot;
Zij liet het hoofd wederom hangen, zacht prevelend in zichzelve. George maakte er met moeite uit op, dat zij het eene visioen had na het andere â van branden , verwondingen, plotselingen dood. Een paar dezer overdenkingen â fragmentarische bijzonderheden, die ze zich, zonder bijvoeging van naam of plaats, ontvallen liet â deden hem het bloed in de aderen stollen. Hij werd bang dat Letty haar verstaan zou, en stak juist de hand uit naar zijn hoed, toen vrouw Batchelor zich weder van zijn arm meester maakte, haar gelaat, met zijn doodelijke bleekheid, zijn scherp uitkomende trekken, verhelderd door een akeligen glimlach.
âZeker, â de arbeiders zouden precies 't zelfde zeggen wat u me vertelt. âKom, kom , vrouw Batchelor,quot; roepen ze altijd, âje bent in de mijnen net zoo veilig als in de kerk;quot; en ze zouën me uitlachen â Jaap heeft me ook soms uitgelachen. Maar de vrouwen , meneer George, de vrouwen, die weten 't, â die hun lichaam afwasschen ...quot;
Wederom die rilling. Instinctmatig stond George op, met een wenk aan Letty om heen te gaan. Ook zij stond op, maar ze ging niet heen. Bij de deur bleef ze staan, haar groote grijze oogen, als was ze betooverd, op de spreekster gevestigd, terwijl achter haar, op de straat, een troep kinderen de mooi-ge-kleede dame stonden aan te gapen.
Mary Batchelor had voor niets of niemand oogen dan. voor Tressady, dien zij steeds bij den arm hield, onafgebroken starend in zijn gelaat.
183
âJa, â maar ik heb m'n Jaap met rust gelaten, hoor! Neen, neen, ik heb 'm z'n ouwe jas laten aanhouden, die ze in de mijn over 'm heen gegooid hadden 'k Had z'n rug niet durven aanraken â neen, dat durfde ik niet! Maar 'k heb zelf z'n lijkkleed genaaid; 'k lei het over z'n vuil werkpak heen, en 'k waschte z'n gezicht, z'n handen en voeten; en toen zoende ik 'm, en ik zei: âJaap, je moet aan Onzen Lieven Heer zeggen, dat je altijd je best gedaan hebt, hoor, en dat Hij 't niet goed met je gemaakt heeftquot;. Neen, dat 's de waarheid ! â Hij heeft 't niet goed met 'm gemaakt.quot;
Zij snikte hoorbaar. Een oogenblik liet ze het hoofd in de handen rusten, streek toen de grijze haren uit het gezicht, stond op en zei, haar best doend kalm te zijn:
âJa, ja, meneer George, â 't is goed, ik zal u niet langer ophouën.quot;
Maar met hartstocht greep ze de hand, die hij haar toestak, en vervolgde zacht:
â'k Heb den vicar gezegd dat ik niet langer den Bijbel verkondigen kan. Er is iets in me gebroken sinds Jaap gestorven is. Ik moet die dingen voor me houën â ik weet geen goed meer tegen de menschen te zeggen â ik ben altijd boos op den Heer. Goeien dag met je beiën â goeien dag!quot;
Haar stem was onverschillig geworden, als dacht ze aan iets anders. Doch toen George haar vroeg, bij het verlaten der hut, wie die jongen was, die bij het vuur zat, betrok haar gezicht onheilspellend. Driftig kwam ze mee tot aan de deur en fluisterde: â't Is 'n kind van m'n dochter, â m'n dochter bij m'n eersten man. Z'n vader en moeder zijn dood; hij 's uit West Bromwich bij mij gekomen om hier thuis te zijn. Maar 'k heb niets aan 'm. Hij let op
184
geen mensch, en geeft nergens om. Hij zat precies zoo, met z'n footóall-hoék]e, toen Jaap lag te sterven. Voor mijn part kon-i gerust weggebleven zijn. Maar och, 'k moet 'm wel houën.quot;
Letty was intusschen naar den jongen gegaan, nam hem nieuwsgierig van het hoofd tot de voeten op en vroeg:
âWerk jij ook in de mijnen?quot;
De knaap staarde haar een poos aan, en antwoordde toen alleen:
âJa.quot;
âVind je 't nog al prettig?quot;
âEen ruwe lach was het eeniy antwoord.
âOf 'k 't prettig vind ? Dat is me nog nooit ge-vraagd!quot; â Hij draaide haar zijn rug toe en hervatte zijn almanak-lectuur.
* â¦
*
âBrr,quot; rilde George, toen ze weer in de dorpsstraat waren, âlaat ons geen visites meer maken! Ik vind dat dorp verschrikkelijk! We kunnen een anderen dag onzen plicht doen. Laat ons een eindje verder het dal in wandelen, en zien dat we die huisjes kwijt raken.quot;
Letty vond dit goed, en ze liepen het dorp uit; zij vrijmoedig in de openstaande huisjes turend , als in antwoord op de nieuwsgierige blikken waarmede zij en George wederom van alle kanten begroet werden.
Na eenige oogenblikken begon ze:
âDie huisjes zien er wezenlijk heel aardig uit! Terwijl jij met vrouw Batchelor praatte, heb ik eens in haar achterkamertje gekeken, en 't was precies zooals Mrs. Matthews me verteld had : een net kleed op den vloer; gordijnen; een paar kasten; een serafientje; platen aan den muur en bloemen voor de ramen. Wat zijn eigenlijk âbuttiesquot;, George?quot;
I85
âButtiesquot; zijn tusschenpersonenverklaarde hij, afgetrokken, â't Zijn de mannen die met de eigenaars der mijnen contracteeren voor de kolen, op groote of kleine schaal, tegenwoordig meestal op kleine. In sommige mijnen huren en betalen zij de mijnwerkers ; in andere geschiedt dit direct door de eigenaars.quot;
âEn wat is een âtommy-shopquot;?quot;
âTommyquot; is het lokale woord voor âtruckquot;; voor 't betalen in goed in plaats van in geld. Vroeger waren de butties en de bezitters der mijnen tevens gezamenlijk eigenaars van de herbergen en de winkeltjes; in vroeger jaren was het enorm zooveel loon als die kerels in handen kregen! Men dwong hen hun bier te halen bij den butty , hun eetwaren bij den butty â natuurlijk hingen ze geheel af van wat de butty rekende â en de btttty hield dit van hun loon af. O, 't was een schandelijke boel! Maar natuurlijk, dit is lang afgeschaft!quot;
âNatuurlijk,quot; stemde Letty in, verontwaardigd. âDie menschen zullen nooit denken aan al wat men voor ze gedaan heeft! Zag je wel hoe keurig er hier en daar in die huizen gedekt was? â En dan die jonge meisjes! de hoeden vol veeren ! Gunst, ik zou er niet over denken zooveel veeren tegelijk te dragen!quot;
Ze was wederom zichzelve, levendig, druk. Alle spoor van tranen, waarover ze zelve verbaasd was geweest toen Mary Batchelor vertelde van den dood van haar zoon, was verdwenen. Haar bijna-booze oogen keken naar rechts en links, wenschende door te dringen in de geheimen van het dorp.
âEn zulke menschen praten van gebrek lijden!quot; hervatte ze met minachting, zoodra ze 't dorp uit waren. âIedereen ziet immers duidelijk . ..quot;
George ontwaakte plotseling uit zijn mijmeringen, en viel met iets vreemds in zijn toon, haar in de rede :
186
âVind jij dat hun huisjes zoo slecht niet zijn ?... Men is zoo licht geneigd zich er over te verwonderen â vind je niet? â als de armen 't goed hebben. Men rekent het haast zichzelf toe als een eer; â ten minste, daar betrap ik me zelf gedurig op. âDaar zouden ze toch wel buiten kunnen,quot; denkt men dan; âdaar had tk plezier van kunnen hebbenquot;. Och, wat heb ik veel voor een ander over!quot;
Hij lachte.
âNu, zóo meen ik het niet,quot; zei Letty protes-teerend.
âNiet? Enfin, mijn lieve schat, je behoeft gelukkig niet in die huisjes te wonen, al zien ze er nog zoo propertjes uit; en je hoeft niet te schrobben en te wasschen. Ferth moge een akelig gat van'n dorp zijn, het kan, met dat al, een massa van deze huisjes bergen; en ik mag zoo arm wezen als Job, toch kan ik je twee meiden geven. Zeg eens, âwaarom loop je zoo ver van mij af?quot;
Ondanks haar tegenstribbelen nam hij haarband, stak ze door zijn arm en hield ze daar, terwijl hij voortging:
âKijk mij eens aan , lieveling. Hoe kan iemand ons zien , met al die boomen en die hooge muren ? Ik wil weten hoe lief en frisch jij er uitziet! â ik wil dat arme schepsel en haar verhaal vergeten. Weet je wel dat ergens, diep binnen in mij , iets is als een zwarte poel ? Zoodra er een of ander gebeurt dat daar roering in brengt, dan heb ik een oogenblik een opwelling.. . dan zou ik een eind aan mijn leven kunnen maken .. . dan schijnt de wereld mij zoo allerakeligst !. .. Zooeven is er in geroerd , â niet terwijl ze zat te praten , de stakker, maar toen ik even omkeek en die ouwe ziel in haar deur ons zag staan nakijken, 't Placht zoo'n aardig, vroolijk mensch te
I87
zijn ! â altijd gelukkig in haar bijbel â en in Jaap, weet ik nd, â vast verzekerd dat ze naar een gelukzaligen Hemel zou gaan, waar ze alleen een beetje zou moeten wachten op Jaap, tot Jaap er bij haar kwam. Ze scheen geheel op de hoogte van de plannen van Onzen Lieven Heer met haar en met ieder ander. Haar aan-den-drank-verslaafde man was dood; mijn vader had haar een klein legaatje vermaakt, â als ik me goed herinner heeft een van mijn ooms het ook gedaan. Ze praatte en preekte, en bad met en tegen iedereen. En nu zal ze zoo blijven treuren en wegkwijnen van verdriet, tot het uur van haren dood ; haar vertrouwen op den Hemel heeft haar verlaten, en in plaats van Jaap heeft ze dien wezenloozen jongen, dien gevoelloozen lummel aan haar hals hangen , om haar nog een paar jaar te trappen en te martelen ! En nu?... Geloof jij heusch wel eens dat iets van dien aard ons allen op z'n tijd overkomen zal ? â iets akeligs â iets pijnigends â iets dat ons zou doen wenschen nimmer te zijn geboren? O foei, lieveling, ben ik een dwaas? een dolzinnige dwaas? Toe, blijf hier op dit donkere plekje even stilstaan en geef me een kus!quot;
Hij dwong haar stil te staan in een schaduwrijk laantje, tusschen twee boschjes eiken-hakhout, met een klaterend beekje op zijde van het pad. Hij sloeg zijn arm om haar heen , bukte zich , en kuste de roode lipjes met hartstochtelijk vuur. Toen, nog steeds den arm om haar middel, keek hij door de boomen naar de hoogere gedeelten van de vallei, met de verspreid liggende huisjes, naar de hooge schoorsteenen, en de toestellen boven de mijnen.
âDat heeft zoo'n indruk op me gemaakt. . . wat ze zei van die kerels onder onze voeten. Ze zijn hier nu onder ons aan 't werk, Letty, gebukt, moe en
188
bezweet. Waarom zijn zij daar, en jij en ik hier? Ik ben heel blij dat 't zoo is, en niet anders, jij ook, hè? Maar niemand hoeft mij te vertellen dat het er niet op aankomt. Laat ons in 's hemels naam geen huichelaars worden, wat we verder ook wezen mogen !quot;
Letty was verbaasd, ze wist niet wat te zeggen. Nog eenmaal had hij een dergelijke bui gehad â-dien avond, toen ze zich niets prettig, niets op haar gemak gevoeld had; toen hij haar overgehaald had met hem op dat bankje bij de rivier te zitten. Als hij zoo was, kreeg ze een anderen indruk van , een ander gevoel voor hem. Toch agiteerde het haar tevens; het wekte iets in haar op dat nog sluimerde â een opwelling, een verlangen om hem te beschermen ... gewaarwordingen, haar vroeger onbekend.
Eensklaps streek ze met haar handje over zijn haar en zei:
âWat praat je toch wonderlijke dingen, George. Soms ben ik heusch bangquot; â ze lachte vroolijk, ondeugend â âdat je op een goeien dag overloopt naar Lady Maxwell en haar vriendjes!quot;
George haalde minachtend de schouders op en riep luchtig:
âDe Hemel beware me voor die kwakzalvers! Dan maar liever een huichelaar zijn. Kijk eens, vrouwtjelief! Er komt een bui opzetten. Zullen we naar huis gaan ?quot;
Zij wandelden naar huis terug, vroolijk babbelend en lachend. In de vestibule kwam de butler George tegemoet met een telegram. Hij' scheurde het open en las:
âMoet 21 raadplegen over iets zeer gewichtigs. Kom te Ferth 9.30.
Amelia Tressady.quot;
189
Letty, die over George's schouder meê-gelezen had, uitte een kreet van schrik.
Doch om zich goed te houden voor den butler, die overal oogen en ooren had, liepen zij terstond het rooksalon binnen, waar ze de deur achter zich dichtsloten en Letty, met een gezichtje vol boosheid en ergernis, riep:
âO George, ze komt stellig weer om je geld af te troggelen!quot;
âEnfin, kindlief, ze kan geen bloed uit een steen persen,quot; antwoordde George, het telegram verfrommelend en in de papiermand werpend. âAlleen vind ik 't wel wat erg van Mama, ons die eerste weken van ons huwelijk al lastig te komen vallen. Maar er is niets aan te doen! Je zegt wel dat ze voor de logeerkamer zorgen?quot;
NEGENDE HOOFDSTUK.
âNu, George, me dunkt je mocht wel eens bedenken, dat het je moeder is die hier tegenover je zit!quot; â De spreekster nam een waaier, die op haar schoot lag, en begon zich met veel drukte te waaien. âNatuurlijk zie ik heel wel, dat je mij lang niet behandelt zooals 't hoort. Over Letty beklaag ik me niet, ik heb haar misschien een beetje overrompeld â hoewel ik zeggen moet dat haar ontvangst gisteren avond alles behalve hartelijk was. Neen, hartelijk is anders! Mijn kamer leek wel een ijskelder; â Justine vertelde me trouwens: in maanden heeft er niemand geslapen; â toen ik kwam, was 't vuur pas aangelegd. En geen bloemetje op het toilet, geen enkele attentie, niets! . .. Ik zeg alleen : ik ben het anders gewend, 'k Heb me ook niet goed kun-
190
nen houden. Justine kan je vertellen hoe ze mij gevonden heeft. De tranen kwamen haar in de oogen toen ze mij zoo zag.quot;
Lady Tressady zat in kaarsrechte houding op de leeren sofa in George's rooksalon. George, die aanhoudend de kamer op en neer liep, ontwaarde met schrik, als hij een enkele maal haar aankeek, hoe oud en vervallen zij er uitzag. Ze had een reep witte kant los om het hoofd geslagen, in de plaats van hetgeen zij doorgaans met veel zorg en overleg der wereld te bewonderen gaf. Haar japon â een studie in purper-kleuren â was een wonder van smaak geweest, maar nu oud, verschoten zelfs; de kanten hingen slap en slordig om de magere handen ; het penseel was nog niet onder de nog immer mooie oogen geweest. George had, door de ingehouden boosheid van zijn vrouw en de dwaasheden van zijn moeder, reeds menig onaangenaam uur gesleten sedert Lady Tressady's komst, en trachtte op dit oogenblik andermaal een juist inzicht in hare zaken te krijgen.
âU vergeet. Mama,quot; zei hij bedaard, in antwoord op Lady Tressady's klacht, âdat het huis niet ingericht is op logés, en dat u onverwacht gekomen is!quot;
Doch hij rilde inwendig bij de herinnering hoe Letty zich den vorigen avond had aangesteld.
Lady Tressady nam een minachtende houding aan en zei op hoogen toon:
âLaat ons daarover liever zwijgen. Ik dacht dat jij en Letty mij genoeg kenden om te weten dat ik jullie in de wittebroodsweken niet zou hebben lastig gevallen zonder geldige reden. O George!quot; âhaar stem beefde, het kanten zakdoekje werd naar de oogen gebracht â âik ben een ongelukkig schepsel, en als je mij niet helpt dan.... ja, dan weet ik niet wat er met je arme moeder gebeuren moet!quot;
i9i
George hoorde dien wanhoopskreet kalmpjes aan; waarschijnlijk had hij hem meer gehoord. Hij bleef op en neer loopen.
âJa, Mamalief, â aan al die algemeenheden heb ik niets. U hebt mij van morgen beloofd te zeggen waar 'top stond. Als u mij nu dadelijk, zonder verdere omwegen , vertellen wildet wat er gebeurd en hoe groot het cijfer is, zou mij dit wel zoo aangenaam zijn.quot;
Lady Tressady aarzelde, de kant op haar borst ging onstuimig op en neer. Toen, in haar wanhoop, deed ze haar bekentenis, schoorvoetend eerst, doch langzamerhand met een woordenstroom, die niet te stuiten was.
In de laatste jaren, vertelde ze, was ze voor de eerste maal haar geluk gaan beproeven in . . . met... nu ja, met speculeeren ! .. .
âMet speculeeren?quot; riep George, haar verbaasd aanziende. âWaarin? â Toch niet in effecten?quot;
Lady Tressady deed haar best hare waardige houding te handhaven. Zij had, zeide zij, gespeculeerd in effecten. Ze had het gedaan, evenzeer ter wille van Georofe als van zichzelve, ten einde haar positie een weinig te verbeteren en hem minder tot last te zijn. Iedereen deed het. Verscheidene intieme vriendinnen van haar waren er zoo knap in als de beste man van zaken; sommigen verdubbelden er haar jaarlijksch inkomen door. Zij had het natuurlijk gedaan op raad van deskundigen. George wist dat ze in de city vrienden had, die alles â alles â voor haar over hadden. Maar helaas, nu . . . .quot;
Hier zweeg ze even. De voet in het hooggehakte Fransche laarsje schoof zenuwachtig op het voetbankje heen en weer.
.. nu was ze in handen gevallen van een slang â ziedaar! Geen ander woord was goed voor dien ke-
192
rel! â een soort van zaakgelastigde, die haar allerschandelijkst behandeld had. Ze had hem een onbepaald vertrouwen geschonken, en het gevolg daarvan was dat zij thans dien slang, die, om haar naam, om haar zoon en om haar aristocratische kennissen, geld voor deze waagstukken voorgeschoten had, een som schuldig was....
âNu ja, om je de waarheid te zeggen: ik durf er niet voor uitkomen hoeveel,quot; zuchtte Lady Tres-sady, voor het eerst op natuurlijke wijze angstig, en het zakdoekje met een bevende hand aan de oogen brengend.
âWelnu,quot; zei George, met zijn cigarette in de hand voor haar stilstaande, âhoeveel is 't?...quot;
âNu dan.... vierduizend pond,quot; bekende Lady Tressady, onwillekeurig met de oogen knippend toen zij hem aanzag.
âVier duizend pond!!quot; riep George. âOntzettend!quot;
En den arm uitstekend, wierp hij driftig zijn cigarette in het haardvuur, en hervatte zijne wandeling, de handen diep in de zakken gestoken.
Lady Tressady volgde met tranen in de oogen de lange, ranke gestalte, toen hij zich van haar verwijderde; doch zelfs op dit critieke oogenblik vloog de gedachte haar door het hoofd, dat hij iets van haar gratie geërfd had.
âGeorge! ..
âJa, â dadelijk.quot; Toen keerde hij zich om, bleef vlak voor haar staan, en zei beslist;
âMoeder, ik zal u maar dadelijk zeggen dat het mij op dit oogenblik totaal onmogelijk is u die som te bezorgen.quot;
Lady Tressady kreeg een vuurroode kleur, als een kind dat zich gedwarsboomd ziet, en zei:
âHeel goed; zooals je wilt. Dan volgt er een ban-
193
kroet. 'k Hoop dat jij en Letty er veel plezier van hebben zult!quot;
âDus dreigt hij met een bankroet?quot;
âDenk je dan, dat ik hier gekomen zou zijn als dat er niet achter stak ? Lees zijn brieven maar eens!quot;
Meteen haalde zij een verfrommelde rol papieren uit de reticule, die aan haar arm hing, en reikte ze hem toe. George ging in een gemakkelijken stoel zitten en trachtte een overzicht te krijgen van den inhoud der brieven, onder een aanhoudend geschetter en geklaag van Lady Tressady, waarvoor hij zijn best deed de ooren te sluiten.
Voor zoover hij uit een vluchtige inzage opmaken kon, betroffen de papieren een reeks gewaagde handels-ondernemingen â- beursspeculaties van de gevaarlijkste soort â, waarvan de luttele winsten sedert lang waren opgegaan in de schromelijkste verliezen. De verregaande onbezonnenheid van sommige dezer speculaties, en het enorme bedrag der daaruit voortvloeiende verliezen, maakten hem inwendig razend. Het was de eerste escapade van dien aard, welke hij zich van zijn moeder kon herinneren, en, haar karakter in aanmerking genomen , zag hij hierin een nieuwe ramp voor zichzelven zoowel als voor Letty.
Op eens viel hem iets in, en midden in zijn lectuur ophoudend , vroeg hij , ietwat verbaasd:
âMaar hoe ter wereld hebt u zooveel verstand gekregen van effecten? U hebt er mij nimmer over gesproken. Ik heb nooit gedacht dat u in zulke dingen belangstelde.quot;
Inderdaad meende hij, dat zijn moeder verstandelijk totaal onbevoegd was om speculaties te ondernemen als die hier genoteerd stonden. Hij kon zich niet herinneren dat zij, zoo oud als ze was, ooit een goede
I. 13
194
berekening gemaakt, een eenvoudig sommetje juist opgeteld had ; dit was hem menigmaal een excuus geweest voor haar schulden maken Toch sprak hier en daar uit de brieven een financieele handigheid, waarop een zwendelaar in de city trotsch had kunnen zijn, -â althans voor zoover hij bij een vluchtige inzage er over kon oordeelen.
Lady Tressady richtte bij deze opmerking trots het hoofd op, ofschoon niet zonder eene trilling van de oogleden, welk hem niet ontging.
âO natuurlijk, ik heb altijd wel gemerkt dat jij je moeder voor een onnoozel schaap hieldt! Maar een feit is 't: al mijn vrienden vinden dat ik een heel helder verstand heb.quot;
George kon zich niet weerhouden luidkeels te lachen.
âAls zij dit zien ?...quot; Meteen hield hij een pakje brieven omhoog, bevattende Mr. Shapetsky's laatste groote rekening; tal van missives, in gebiedenden toon geschreven, van den âgeroutineerden prakti-zijnquot;, â die George toevallig wist dat een slechten naam had â, benevens herhaalde en duidelijke verzekeringen zoowel van den zaakwaarnemer als van den advocaat, dat, als Lady Tressady niet terstond een termijn vaststelde, waarop minstens de helft van Mr. Shapetsky's rekening zou worden voldaan â ongeveer achttien maanden geleden door haar ontvangen â en wanneer de tweede helft zou volgen, men tot de wet zijn toevlucht zou nemen.
Eerst beantwoordde Lady Tressady het sarcasme van haar zoon met een minachtend stilzwijgen, daarna barstte ze uit in een schel geschetter over âde schurkerij van dien Shapetskyquot;. Hoe kon een fatsoenlijke vrouw, iemand die zich in de eerste kringen bewoog, zich hoeden voor zulke onmenschen !
George liep naar het raam, en keek naar het April-
195
zonnetje in den tuin. Eensklaps keerde hij zich om en viel zijn moeder in de rede:
âIk zie uit die papieren, Mama, dat u al bijna twee jaar met dit spelletje aan den gang zijt. Weet u wel dat u , toen ik u met Kerstmis die groote som gaf, mij zeide dat u nu ânagenoegquot; geholpen waart? En toen ik u een maand geleden opnieuw een flinke som gegeven heb , waart u er heelemaal uit! En toch ontvingt u al dien tijd deze brieven, en waart u dien kerel bijna evenveel schuldig als nu. Vindt u het mooi mij op die manier te hebben bedrogen ?quot;
Hij leunde tegen het raam, met de vingertoppen trommelend op het vensterkozijn. Het contrast tus-schen de jeugdige gestalte en het ön-jeugdige in gelaat en stem, was merkwaardig. Misschien voelde Lady Tressady vaag dat hij in zijn uiterlijk een knaap en in zijn spreken een man en haar meerdere was,â althans haar eigenliefde was gekwetst en ze stoof op:
âWie geeft je het recht, George, zoo'n toon tegen mij aan te slaan ? Ik heb alles ten beste geschikt, altijd ben ik er op uit te doen wat goed is! Het is mijn ongeluk dat ik zoo . . . zoo vertrouwend ben, zoo vol illusies! Ik heb behoefte mij aan iemand over te geven; â dat juist doet mijn vrienden zoo veel van mij houden. Jij en Papa zijn altijd heel anders geweest dan ik ...quot; En ze verdiepte zich onder tranen in een vergelijking tusschen haar karakter, en dat van haar man en zoon âwaarbij zij , natuurlijk, er niet slecht afkwam.
George lette er niet op. Hij staarde het raam uit, zijn eigen gedachtengang volgend. Hoe hij de zaak ook bekeek: het geld, althans het grootste gedeelte van de som, moest gevonden worden. De man â dit leed geen twijfel â was een schurk, maar van het soort, dat zich binnen de palen der wet weet
196
te houden, en Lady Tressady's verregaande dwaasheid had hem in haar een gemakkelijke prooi doen vinden.
Tressady begreep terstond dat hij zou moeten opdokken , al was hij nog zoo verontwaardigd. Dit beteekende dat zijn en Letty's levensmanier , wel twee of drie jaar lang, er onder zou lijden, er de gevolgen van zou dragen. Als hij dacht aan de vele opofferingen, die hij zich ter wille van zijn moeder getroost had, aan het flinke inkomen waarop zij rekenen kon, aan haar onverbeterlijke ijdelheid en hebzucht, en daarna aan de zeer natuurlijke illusies van zijn jonge vrouw, dan kwam alles in hem in opstand.
Vandaar dat hij â ofschoon wetend dat capitu-leeren onvermijdelijk was â er op dit oogenblik niet toe komen kon zijn moeder iets te beloven.
Doch eindelijk keerde hij zich om en zei:
âZooveel kan ik u al vast zeggen, Mama: ik zie geen kans om die zaak in orde te krijgen. Hoe we dien kerel betalen zullen â ik weet het waarachtig niet. Zelfs al was ik er toe in staat â waar geen sprake van is â door zelf een tijd lang krom te liggen, â ik zou er geen vrijheid toe hebben. Mijn vrouw en haar wenschen hebben nu de eerste rechten op mij.quot;
âZeer wel,quot; zei Lady Tressady trots, doch zij bracht het kanten zakdoekje aan den mond om te verbergen hoezeer haar lippen trilden. Niet dat zij eenigszins wanhoopte. Zij was slim genoeg om overtuigd te zijn, dat George, om allerlei en geldige redenen, verplicht zou wezen haar te helpen. Maar een tooneel als dit maakte haar zenuwachtig, en ze had moeite niet openlijk uiting te geven aan haar haat tegen haar schoondochter, die, sedert het ge-
197
beurde den vorigen avond, een dreigende verhouding aannam.
Op afgemeten toon vervolgde hij:
âLaat mij u er tevens aan herinneren, dat heel het huis in een treurigen toestand verkeert â behalve de paar kamers, die wij onlangs opgeknapt hebben â en dat er veel geld in gestoken moet worden. Tegenover Letty is het niet meer dan billijk dat dit gebeurt. Laat mij u bovendien er aan herinneren, dat u grootendeels aansprakelijk zijt voor dien vervallen toestand.quot;
Lady Tressady begon onrustig op haar stoel heen en weer te schuiven. George had weer zijn gewonen, ietwat nonchalanten toon aangenomen , en een nieuwe cigarette opgestoken. Maar zijn oog hield haar op haar stoel.
âU herinnert u, dat u mij beloofd hadt, terwijl ik buitenslands was, hier te blijven wonen en een oogje op alles te houden. Op die afspraak heb ik mijn geldzaken met u, en andere zaken, gebaseerd. Maar het blijkt nu dat, in de vier jaar die ik ben weg geweest, u hier, alles bij elkaar, ongeveer drie maanden hebt doorgebracht. Toch hebt u tegenover mij den schijn aangenomen alsof u hier waart; als ik mij niet vergis, waren zelfs uw brieven âFerth Placé' gedateerd.quot;
âWie heeft je al die leugens verteld!quot; viel Lady Tressady hem met krijschende stem in de rede. âIk ben hier veel langer geweest.quot;
Maar een vuurroode kleur verfde, wat ze er ook tegen deed, de nog altijd fijne huid, en haar oogen, beurtelings halsstarrig hem aanziend en hem ontwijkend, trachtten zich los te maken van de zijne.
Wat George betreft â terwijl hij daar onverschillig stond te rooken, trof hem, of liever: zijn cri-
198
tische geest werd getroffen door het lage, het... mindere, dat dergelijke zorgen, als zijn moeder zich op den hals gehaald had, aan het uiterlijk van een mensch geven. Hij kreeg weer datzelfde gevoel van tegenzin, dat hij zoo dikwijls ondervonden had. Hoeveel akelige scènes over geldzaken had hij in zijn jongensjaren niet bijgewoond tusschen zijn vader en moeder! En later â in Indië â wat had hij vrouwen al niet zien doen ter wille van geld of van haar toilet! Minachtend krulde zich zijn lip toen hij zich eene kennis uit Madras herinnerde, eene intriguante, die geld bij hem geleend had . . . wier baljaponnen hij betaald had; en eene andere, wier verkwistende zelfzucht een der beste mannen Pferuï-neerd had. Waren alle vrouwen eenigszins van dit maaksel, hoe poëtisch hare verschijning, haar uiterlijk, ook wezen mocht?...
Luid sprak hij , bedaard, in antwoord op zijn moe-der's protest:
âToch geloof ik niet dat u er veel tegen in zult kunnen brengen. We hebben hooren vertellen, dat
een werkster -..... die juist geen bijzonder goeden
naam heeft â met een veertienjarig nichtje doorgaans het huis bewaarden en zich het leven zoo aangenaam mogelijk maakten. Van een oud huis, dat vier jaar lang verwaarloosd wordt, komt natuurlijk niet veel terecht. Ik noem deze feiten niet om er u een verwijt van te maken, maar alleen om u 't bewijs te geven, dat ik op het oogenblik enorm veel onkosten heb. En dan, als dat eenmaal gedaan is, vindt u het dan wel niet een beetje hard dat ik verplicht zal zijn mijzelf aan handen en voeten te binden , dat ik mijn vrouw niet de kleine genoegens en comforts zal kunnen geven , die ik haar zoo graag gunnen zou, omdat ik dergelijke schulden heb af te doen ?quot;
199
Onwillekeurig sloeg hij met de hand op de papieren , die op den stoel lagen waar hij gezeten had.
Lady Tressady rees thans ook overeind en riep, half schreiend:
âGeorge, als je zulke driftige uitvallen doet tegenover je moeder, dan is 't beter dat ik heenga. Maar wie heeft â dit wou ik wel eens weten ? â zulke praatjes over mij in de wereld gebracht?quot;
âU herinnert u Ruth Matthews wel, die vroeger op de hoeve woonde ? Zij is hier nu huishoudster, 't Blijkt dat zij zich altijd op de hoogte gehouden heeft van wat er gebeurde.quot;
âO, als Letty met haar dienstpersoneel over mij gebabbeld heeft, dan weet ik waar ik aan toe ben !quot; riep Lady Tressady, met bevende handen waaier en zakdoekje van de canapé nemend, â'k Heb dadelijk, van 't eerste oogenblik af, gezegd dat zij je tegen mij zou opzetten. Ik geloof niet dat ik ooit beloofd heb wat je daar vertelt. Hoe kan iemand, met een beetje gezond verstand, eischen dat ik... dat een vrouw, die in haar uiterlijk zooveel... zooveel aantrekkelijks heeft. . . zich twaalf maanden achtereen op een afgelegen landgoed zal begraven? 'k Heb 't nooit beloofd! 't Is een leugen! Hoe het zij , mijn vrienden hebben het niet willen gedoogen; en ik . .. ik ben zwak geweest... ik heb me laten verbidden. Dat is het zwakke punt in mijn karakter... ik heb behoefte aan iemand die voor mij zorgt, die mij een beetje vertroetelt,.. Jij en Papa hebben dat nooit gedaan!...quot;
âIk zou me liever goed houden, mama, als ik in uw plaats was,quot; zei George, wien het stadium van tranen â waar ze inmiddels toe gevorderd was â totaal koud liet. Hij had van te voren geweten, dat er nu of later tranen komen zouden. âMe dunkt .als
200
u even over de feiten nadenkt, zult u moeten erkennen dat Letty en ik meer reden hebben om treurig te zijn dan u. En nu vindt u 't zeker wel goed dat ik haar eens ga opzoeken ; ik geloof dat 'k haar den tuin in heb zien gaan.quot;
Zijn moeder wierp hem een boozen blik toe, en hij verliet de kamer.
* *
*
Toen hij door de lange, met eikenhout beschoten gang liep , die naar den tuin leidde, ontwaakte in hem een eigenaardig gevoel van medelijden met zichzelf. Dit allerakeligste tooneeltje zooeven, en nu een onaangenaam oogenblik met Letty, dat hij door moest, waren dit de vreugden der wittebroodsweken?
Letty was niet in den tuin. Doch toen hij het boschje in liep, verder den heuvel op, zag hij haar met een handwerkje onder een boom zitten, tegen de hoogte aan. Het Aprilzonnetje scheen vroolijk door de groenende boomen Een lariks, een eind voorbij Letty, stond reeds in t blad, de takken van den eik waaronder zij zat, kregen in het zonlicht een bruin-rooden gloed. Overal om haar heen was de grond bezaaid met primula s en anemonen; een rank maagdepalm viel hier en daar op haar japon. Zij zat met het hoofd naar beneden; het kleine handje ging snel, driftig, op en neer.
Het contrast tusschen deze frissche jeugd te midden der komende lente, en die onsympathieke, onaantrekkelijke ouderdom, die hij een oogenblik geleden in het rooksalon had achtergelaten, maakte indruk op den jongen man. Zijn gezicht verhelderde.
Zoodra ze zijn stap hoorde, keek ze vragend op en zei, haar werk neerleggend:
âWel?...quot;
201
Hij ging naast haar op het gras liggen.
âLieveling, ik weet er nu alles van. Het is heel erg â erger dan we ons voorstelden. .
Toen deed hij haar het geheele verhaal. Zij kon zich haast niet goedhouden, terwijl ze luisterde, vooral niet toen hij het bedrag noemde van de schuld. Ze had moeite hem niet in de rede te vallen, maar vroeg allereerst, toen hij zweeg:
âEn wat heb je gezegd?quot;
George aarzelde even, eer hij ten antwoord gaf:
âWel, ik heb natuurlijk gezegd dat het de grootste ongerijmdheid was, te denken dat wij die som betalen konden.quot;
Letty werd gejaagd, onrustig. Zijn toon, zijn houding voldeden haar alles behalve.
âNatuurlijk! 't Zou de grootste ongerijmdheid zijn! En weet je waardoor ze die schulden gemaakt heeft ?quot;
George keek haar verbaasd aan. Heel het gezichtje trilde van inspanning om kalm te zeggen wat ze te zeggen had.
âNeen, zeker niet. Weet jij 't?quot;
âJa, ik weet er alles van. Ik heb gisteren avond aan mijn kamenier gezegd â daar vind je, hoop ik, niets in, George? âje weet, ik heb Grier al jaren; ze is in al mijn geheimen ingewijd â dat ze zien moest op een goeien voet te komen met je mama's kamenier om haar een beetje uit te hooren. Ik vond, dat lag op onzen weg; dat moesten we doen uit zelfverdediging. En natuurlijk heeft Justine haar de geheele geschiedenis van a tot z verteld. Dat wist ik vooruit. Die Justine is zoo'n onnoozel schaap; en ze gaat bij je mama vandaan, dus 't kon haar niet schelen een en ander te vertellen. Nu, 't is precies allemaal zooals ik dacht. Lady Tressady is niet met dat speculeeren begonnen voor zichzelve,
202
maar voor. .. voor iemand anders! Herinner je je dien belachelijken tenorzanger, die âeen muzikale voordrachtquot; hield, toen je mama dat partijtje gaf in Eccleston Squared â in Februari?quot;
George was eensklaps gaan verzitten; hij zat nu een eindje van zijn vrouw af, de oogen naar den grond gericht. Maar op haar vraag knikte hij toestemmend.
âJe herinnert je? Welnu hernam Letty triumfante-lijk, âdie man is de spil waar alles om draait. Ik wist wel dat er zoo iets achter steken moest! 't Schijnt dat hij jarenlang geld van haar krijgt; dat hij, toen jij weg waart, toen ze in dat kleine huis in Burton Street woonde, urenlange visites maakte â ik wed dat jij er nooit van gehoord hebt ? â; dat hij haar vleide en ophemelde, complimentjes maakte over haar uiterlijk, allerlei kleinigheden voor haar bezorgde â en, natuurlijk, op haar kosten leefde! Hij arrangeerde, bijvoorbeeld, haar partijen.Justine zegt, hij wist haar zelfs over te halen om den wijn te bestellen waarvan hij 't meeste hield; â die wijnkoopersrekeningen moeten kolossaal geweest zijn ! Hij heeft hier of daar een vrouw en kinderen; 't spreekt van zelf dat de geheele familie onderhouden werd met 't geld van je mama. Hij heeft haar 't eerst op 't idee van speculeeren gebracht. Justine zegt, dat hij daardoor zijn eigen kapitaaltje geheel 6p gemaakt heeft, en dit is waar, âleenenquot; kon je mama hem niet! Hij heeft haar toen in aanraking gebracht met dien akeligen vent, dien... Shapetsky, â zoo heet hij immers? Ziedaar, dat's nu de heele geschiedenis. Als er ooit een winstje geweest is, zal hij dat wel hebben ingepalmd en haar met de gebakken peren hebben laten zitten. Justine zegt dat er in de laatste maanden over niets
203
gepraat werd dan over geld, en zij kan het weten, want ze hielp met bedienen als er een dinertje was. Zooveel menschen als daar niet kwamen! .
Zij zag hem aan, eindelijk verwonderd over zijn houding, zijn stilzwijgen, verwachtend eene opmerking, een woord van waardeering van haar slimheid om dit alles uit te vinden.
Maar hij uitte geen woord, geen syllabe; Letty begreep er niets van. De boosaardige, triumfantelijke uitdrukking harer oogen werd flauwer. Ze stak de hand uit en raakte hem aan.
âWat is er, George? Ik dacht... ik vond het in ons beider belang de volle waarheid te weten.quot;
Hij zag even op.
âAl deze bijzonderheden is jou kamenier dus door Justine te weten gekomen? Heb je er haar naar gevraagd ?quot;
Letty was verbaasd, beleedigd , door den toon van zijn stem. Ze klonk zoo koel, zoo vreemd; â-bijna zelfs, meende zij , minachtend.
Boos, kribbig klonk haar antwoord:
âJa zeker, ik heb er naar gevraagd. Ik vond, dat ik daar alle recht toe had. We moeten voor onszelf zorgen.quot;
Wederom zweeg hij. Heel zijn ziel kwam in opstand â hoe hij zich ook verzette â tegen hetgeen zij gedaan had , tegen haar toon, haar handelend optreden , waaruit gemis aan vertrouwen sprak in hèm , gemis aan vrouwelijke kieschheid, aan vrouwelijke ingetogenheid.
Eindelijk sprak hij onverschillig:âzij hield inmiddels de oogen niet van hem af â âme dunkt, we moesten zooveel mogelijk buiten de praatjes van de dienstboden zien te blijven ; ik vind dit altijd het laatste, het minste, waar men toe vervallen kan.quot;
204
Zij nam haar werk op en legde het weer neer; haar lippen trilden.
âDus jij laat je liever beetnemen en bedriegen?quot;
âJa, ik iaat mij liever bedriegen dan luistervink te spelenantwoordde hij, een luchtigen toon aannemend , die echter onmiddellijk iets schampers kreeg. âBovendien, 't is geen nieuws. Lieden zooals mijn moeder hebben altijd een avonturier of avonturierster op den achtergrond; â vroeger was 't precies eender. Zij heeft het zoo erg niet bedoeld ... eerst hebben ze haar geplunderd, en nu komen wij aan de beurt. Mijn vader had aanhoudend werk met den een of anderen bedrieger het huis uit te jagen. Nu schijnt het mijn beurt te worden.quot;
Ditmaal was het Letty die zweeg. Snel ging de naald op en neer. George zag haar aan, met iets vreemds in zijn blik, stond toen op en kwam bij haar staan, tegen een boom leunend.
Op eens begon hij, zijn knevel opstrijkend:
âJe begrijpt, Letty, we zullen het toch moeten betalen...quot;
Letty liet een gesmoorden uitroep van schrik hoo-ren; de naald werkte dubbel zoo vlug.
Hij ging weer naast haar op het gras zitten, maakte zich van een handje meester en lispte zacht:
âBen je boos op me, kind?quot;
âNatuurlijk â, als jij me beschuldigt van luistervink spelen,quot; pruilde Letty, terwijl ze hare hand terugtrok, hijgend van boosheid.
Hij voelde een minachtenden lach bovenkomen, maar wist zich te beheerschen en deed zijn best weer bij haar in de gunst te komen. Midden in zijn betuigingen van liefde keerde Letty zich plotseling tot hem en verzekerde half schreiend:
âIk weet het heel goed .. .je denkt dat ik het deed
205
uit eigenbelang, omdat ik graag nieuwe meubels en een mooi toilet hebben wil. Maar dat is het heusch niet, George; ik wil jou beschermen van zoo geplunderd . . . zoo geplukhaard te worden! .. . Hoe zul jij allerlei dingen kunnen doen, waartoe je als Lid van 't Parlement zedelijk verplicht bent? Hoe zullen wij buiten schulden blijven , als . .. als .. . O, hoe kun je zeggen dat je 't betalen wilt!quot; barstte ze eindelijk uit, de oogen vlammend van toorn.
âNu ja, je weet...quot; begon hij, aarzelend â âje weet; gisteren sprak ik er van een stukje land te verkoopen om 't huis van binnen een beetje op te knappen. Ik zie nu wel aankomen dat ik het zal moeten verkoopen om dien schavuit te betalen â gedeeltelijk althans. Natuurlijk zou ik 't liefst van alles hem â en dien ander â op staanden voet op-knoopen, en op de pijnbank leggen er bij. Maar ik kan niets meer doen dan. de zaak van mijn moeder overnemen, ze in handen geven van een flin-ken advocaat en zien dat ik er zoo goed mogelijk afkom.quot;
Letty rolde met veelbeteekenende drukte haar werk ineen; twee dikke tranen â van boosheid en ergernis â rolden haar over de wangen terwijl ze met bevende stem riep:
âZij moest er onder lijden! Zij moest er de gevolgen van dragen 1quot;
âBedoel je dat we haar bankroet moesten laten gaan ?quot; liet hij hier vrij koel op volgen. âJa, dat zou voor hódr heel heilzaam zijn, âzonder twijfel. Maar ik vrees, dat het voor óns onaangenamer wezen zou dan voor haar. Laat ons den toestand eens nagaan. Twee jonge menschen, pas getrouwd; een allerliefst huis; 'n aardig, jong vrouwtje; de man juist den voet gezet op de politieke ladder. Ieder komt ze
206
vriendelijk tegemoet. In Brook Street hebben ze nu en dan een lekker, fijn dinertje, Fransche keuken ; over 't jonge vrouwtje is maar één roep. Den volgenden morgen vertelt de Times dat de mama van den gastheer failliet verklaard is. âHé ... hij is immers haar eenige zoon, is 't niet? En hij moet er goed in zitten. Ik hoor, hij geeft enorm veel uit. Maar och, zoo gaat het in de wereld; een moeder!., en nog wel een weduwe ... Neen, dat bevalt me niet. Bij zulke lui eet ik niet meer!quot; â Zie je, kind, zóo zal t gaan. Wou je heusch al het dons van onzen perzik wrijven?quot;
Nauwelijks had hij dezen kleinen speech geuit of hij verbaasde er zich over en vroeg zichzelven vol ergernis:
âIs het al zoover met mij gekomen ?. .. Spreek ik
zoo tot haarfquot;
Maar Letty scheen niets verbaasd en zei, door haar tranen heen:
âIedereen zou 't begrijpen, dat jij weigerde je te ruïneeren door die ontzettende schulden te betalen. Ik weet zeker dat er wel iets op te vinden is.quot;
Tressady schudde het hoofd.
âMaar niet iedereen zou het willen begrijpen. De brave wereld houdt van een schandaaltje; â vindt het niet noodig welwillend te oordeelen over wie er pas in komt kijken. Jij zoudt een heel slecht begin maken, kindlief, â en iedereen zou Mama beklagen.quot;
âO, als je alleen denkt aan wat de menschen zeggen zullen!quot; riep Letty.
âNeen, dat volstrekt niet,quot; hernam George, bedaard maar ietwat beleedigd. ââDe menschenquot; kunnen voor mijn part naar de maan loopen. Ik kan mezelf veel beter op mijn nommer zetten dan zij. Och, mijn lieveling, je bent veel te optimistisch! Als je toch
207
maar gelooven wondt, evenals ik , dat het in de wereld feitelijk een nare boel is, dan zou je niet zoo verbaasd opkijken wanneer zulke dingen gebeuren als we nu beleven. Maar zeg, kleintje, is het deze veertien dagen ook een nare boel geweest?quot;
Hij legde zijn wang tegen haar schouder, en wreef ze zacht op en neer. Evenwel ... achter zijn lief-koozing schuilde iets hards en minachtends â iets waar hij niet in wilde doordringen.
âDus heb je aan je mama gezegd,quot; vroeg Letty een oogenblik later, nog immer recht voor zich uit starend, âdat je haar helpen zoudt?quot;
âVolstrekt niet. Ik zei dat we niets doen konden. Dat ik alles besteed had aan reparatie van 't huis. Maar al dien tijd voelde ik drommels goed dat, als die kerel in zijn recht is, we den dans niet ontspringen kunnen. En 'k geloof dat Mama dat ook wel geweten heeft. Je kunt je buiten een ieder's schulden houden, behalve die van je moeder â daar komt het ten slotte op neer. 'n Gek ding, de beschaving! Enfin...quot; â hij rees vlug overeind â âlaat ons naar huis gaan, kind, en er een eind aan maken.quot;
Letty stond eveneens op, en zei snibbig:
âIk kom niet aan den lunch. Ik wil haar niet zien Gaat ze met den -trein van drie uur weg?quot;
â'k Zal er wel voor zorgen,quot; zei George.
Zwijgend liepen zij te zamen het boschje door. Toen zij het huis naderden begon Letty's gezichtje weer te beven van ingehouden drift â of van tranen. George, wiens sang-froid hem nooit lang verliet , was voor 't oogenblik tot kalmte gekomen, gelaten onder hetgeen niet te veranderen was; bovendien had zijn geduld met de vrouwelijke zwakheden weer de overhand, welke verschillende levenservaringen
2o8
hem hadden doen kennen en verontschuldigen. Hij-deed al wat hij kon om haar op te vroolijken. Misschien, wie weet, als hij een zeker stukje land kon verkoopen, dat hij ergens bij een groote stad had, als hij er een goeden prijs voor maakte, â men had hem meermalen een bod gedaan â wie weet of hij dan niet èn zijn moeder helpen, en Letty haar zinnetje geven kon met het huis. Kom, ze moest alles niet zoo donker inzien; hij zou zijn best doen. Wat ten gevolge had dat Letty, toen zij in het salon kwamen, haar handje even in de zijne liggen liet.
Zij was echter niet te bewegen aan den lunch te komen. Maar Lady Tressady â nadat ze al Sha-petsky's paperassen en alle verantwoordelijkheid op George overgedragen had â was zoo vriendelijk genadiglijk te zeggen, dat ze best begreep dat Letty ontstemd was, en ze haar geen oogenblik tot last wilde zijn. Daarna riep ze Justine om haar te friseeren, kleedde zich in een hoog-blauwzijden japon, met zacht-rose front, pas uit Parijs gekomen, en voegde zich bij haar zoon aan de lunch-tafel, in een allerbeminnelijkste stemming. Ze sloeg geen acht op zijn kortaf ja en neen, gaf hem in de vestibule, â terwijl de butler bescheidenlijk zich verwijderde â met tranen in de oogen een afscheidskus, en zei dat ze overtuigd was-geweest dat hij wel zoo edelmoedig zou zijn om zijn arm moedertje te hulp te komen.
âToch zult u mij plezier doen, Mama, met het niet te spoedig weer te probeeren,quot; was het ironische antwoord van den zoon, terwijl hij haar in het rijtuig hielp
2og
Dien middag was Letty kwijnend en neerslachtig. Zij wilde niet over andere dingen praten, en George had een zenuwachtigen angst voor een vernieuwing der gesprekken van dien morgen. Eindelijk ging ze, met een romannetje bij zich, wat op een sofa liggen en gaf hem verlof er alleen op uit te gaan.
Het trof hem, met stille verbazing, toen hij vlug den heuvel afliep, genietend van de heerlijke lentelucht, dat hij het prettig vond alleen te zijn. Toch deed hij geen poging om die gedachte onmiddellijk van zich te zetten, zooals menig jong echtgenoot gedaan zou hebben. De gebeurtenissen , de gevoelens van den morgen, waren alle even pijnlijk en akelig geweest; hij wilde ze vergeten.
Maar dit kon niet in eens. Een nieuwe, onverwachte schuld van ongeveer vier duizend pond is geen kleinigheid voor iemand die, betrekkelijk, het overleggen moet. Ondanks al zijn philosophi-sche beschouwingen moest hij, ter wille van Letty, weer op nieuw zichzelf pijnigen met te denken over zijn geldzaken, met berekeningen en plannen maken. Hoeveel van die verrassingen zou zijn moeder hem nog bereiden, en hoe zou hij haar kunnen controleeren ? Thans eerst voelde hij iets van het juk dat zijn in zichzelf gekeerde, oude vader getorscht had â een kruis, hemzelven bespaard gebleven door zijn herhaalde afwezigheid, op school, daarna aan de universiteit, later door zijn reizen. Waarop zou hij bij haar kunnen werken ? Maar het scheen wel alsof ze een leeg vat was, zijne moeder, â zonder wil, zonder geweten zelfs. Hij dacht aan de vrouwen in de sprookjes, waar men doorheen kijkt.
Toen, onmiddellijk daarop, zei hij tot zichzelf dat hij dien tenorzanger van 't tooneel moest schoppen, en een seconde later, dat hij met geen tang een der
1. i4
2 IO
intiemen van zijn moeder zou willen aanraken. Ofschoon hij in het publiek nooit met zijn idealen voor den dag kwam â hij was al zijn leven eenigszins een moreel epicurist geweest; âmoraalquot; bestond voor hem meer in naam, dan dat hij er veel aan hechtte. Hij had zijn best gedaan zich niet te bezoedelen door den omgang met een zekere klasse van .. .ja, vooral van mannen. Ten opzichte van de vrouwen was hij minder critisch, minder kieskeurigf afeweest.
7 ö o
Wat die onaangename verhouding tusschen zijn moeder en zijn vrouw betrof â reeds lang lachte hij er niet meer mee. Nu zijn huwelijk een voldongen feit was, bleek maar al te zeer welk een dagelijks terugkeerend verdriet dit voor hem zijn zou. En wie anders moest er al den last van dragen dan hij ? Hij zag zichzelven reeds tusschen die twee in â altijd er op uit den vrede te bewaren . . . Zijn gezicht betrok.
Als Letty die zaak nu maar aan hèm wilde overlaten ! Als zij er slechts buiten blijven wilde! Kon hij haar maar overhalen die Grier weg te zenden, een brutaal, onbeschaafd schepsel, die zich altijd bemoeide met wat haar niet aanging!
Toen, even de fijne schouders ophalend, zette hij met kracht alle onaangename gedachten van zich.
Hij zou naar het dorp gaan, hij zou zoo mogelijk overal achter zien te komen, het volk polsen , hoedanig de geest was onder hen , kortom , doen wat anders zijn zaakwaarnemer deed. Zijn moeielijkheden als mijneigenaar schenen hem niet gering te zullen worden; toch grepen ze niet zoo diep in een mensch in als familie-onaangenaamheden. Dergelijke dingen moest een ieder op zijn tijd door; 't was hem reeds een verluchting dit te bedenken. . . .
211
Toch was zijn tournée door het dorp niet opwekkend.
Allereerst ging hij een paar van de oudste âhakkersquot; opzoeken, mannen die jarenlang bij de Tres-sadys gewerkt hadden. Twee of drie waren juist thuis van de vroeg-schoft; hun vrouwen althans waren vereerd en ingenomen met George's bezoek. Maar de mannen zaten , terwijl hij sprak, als een blok, als een stuk steen op hun stoel. Er was bijna geen woord uit hen te krijgen. Tressady voelde zich in een atmosfeer van storm, voelde dat hem van alle kanten gevaren omringden , al waren ze nog niet losgekomen â evenals de kwade gassen in de mijnen onder zijn voet.
Hij hield zich uitstekend, wist een waardige houding te bewaren en zijn trots te beheerschen , zoodat hij op luchtigen , toch bezadigden toon kon spreken over den alpfemeenen toestand in den handel, over de verhou-dingen der kolenindustrie in het district Westelijk Mercia; over de positie van de eigenaars, de gedrukte verslagen van een of twee groote mijnondernemingen in het district, enzoovoorts. Maar eindelijk voelde hij toch dat hij nijdig werd over dat norsche zwijgen van de mannen. Hun bleek gelaat, de oogen verzwakt door jarenlangen mijnarbeid, had weinig uitdrukking, maar het weinige dat er op te lezen stond sprak van oorlog.
Ook was hij niet veel gelukkiger met zijn bezoeken aan wat men zou kunnen noemen zijn eigen partij.
Een stevige âbrandweermanquot;, dien George altijd beschouwd had als een steunpilaar van wet en orde, gaf met veel omhaal van woorden uiting aan zijn blijdschap, dat hij zijn heer zag. Zijn vrouw haastte zich met den theemaaltijd, en George at en dronk, met zooveel vertoon van eetlust als na zijn pas verorberd luncheon mogelijk was, in gezelschap van
212
Macgregor en zijn knappe vrouw en kinderen. Mac-gregor had zijn afkeuring van de Union en haar leider niet meer onbewimpeld kunnen uiten. Burrows vond hij een âdronken lapquot;, âeen gemeene schurkquot;, die zijn brood verdiende met kwaad en onheil stoken; de Union zou zich leelijk in de vingers snijden als ze 't volhielden de voorstellen, door âde heerenquot; gedaan, af te wijzen; als de herbergen maar van de baan waren en 't maandag-houden ophield , dan was er geen man in Ferth, die niet ruim bestaan kon, met io^/o minder loon en al. Toch wond hij er geen doekjes om dat hij een strijd voorzag, die uitbarsten zou, indien niet nu, dan stellig in den nazomer of in den herfst, 't Begon reeds een moeilijke tijd te worden voor de lui die zich niet aansloten. Het aantal leden van de Union nam geducht toe; dien morgen nog was er een opstootje geweest aan de mijn waar hij bij hoorde; die van de Unie hadden niet in denzelfden bak willen neerdalen met de knoeiers. Hij en zijn maats zouden nog heel wat moeten aanhooren. Best, 't kon hun geen zier scheler ! Al gingen ze nog zoo cin, 't raakte hun kouwe klee-ren niet.
Niets had voor een chef aangenamer kunnen zijn dan dergelijke woorden, die geheel overeenstemden met zijn eigen gedachten. Maar George was niet een chef als een ander; zijn critische natuur liet hem geen rust.
Matigheid is zonder twijfel zeer prijzenswaard, maar niet zoodra had hij in den mijnwerker het eigenaardige afschafferstaaltje meenen te herkennen , of diens geredeneer boeide hem niet langer. Het mocht al pleiten voor iemands karakter als hij over Burrows een ongunstig oordeel uitsprak, dit moest althans op goede gronden geschieden. George had geen rust
213
meer op zijn stoel, toen Macgregor met de gewone praatjes aankwam van ellenlange hotel-rekeningen, die uit Burrows' jaszak staken en door een nieuwsgierige volksmenigte gelezen werden; en zijn geestelijke onrust bereikte den climax, toen Macgregor besloot met te zeggen:
âEn dóór gaat het lieve geld heen ! Niet naar vrouwen en kinderen die honger lijden , wier mannen dien kerel z'n weelde bezorgen! 'k Heb 't altijd gezeid. Waar zijn de verslagen? Nooit nog heb ik'n balans onder m'n oogen gehad, nooit!quot; herhaalde hij met klem. âZe zeggen dat er een is. Maar waar?quot;
âNatuurlijk is er een balans, Macgregor,quot; zei George, met een zenuwachtig lachje, terwijl hij opstond om te vertrekken; âal de groote Unions brengen verslag uit.quot;
De vast opeengeklemde mond en de stijve haarstoppels van den mijnwerker drukten nog sterker twijfel uit, toen hij hernam;
âNu, ik zou er dan niets van gelooven, al doen ze 't. 'k Heb nooit van m'n leven 'n balans gezien, en 'k zal 't ook wel nooit. Nu , goeien dag, Sir George, bedankt voor uw bezoek. Wees er zeker van, als 'r geen herberg was, zou de werkman wel wat minder loon kunnen lijën en had de patroon een betere winst.quot;
Hij keek met stille zelfvoldoening zijn net huisje rond, en naar zijn gezonde, goed in de kleeren zijnde kinderen.
Maar George was ontstemd, en zei bij zichzelf terwijl hij verder wandelde;
âHm, zijn loon wordt nooit verminderd!quot; â Want het loon van den âbrandweermanquot; , wiens werk groo-tendeels bestaat in het toezicht houden op brandgevaar, hangt niet af van den toestand in den handel,
214
â âEn wat een gebazel over die verslagen!quot;
Zijn laatste bezoek was het minst aangenaam van alle. De brandweerman, waar hij nu kwam, Mark Dowse, Macgregor's grootste vijand in het dorp, was een vurig radicaal; George vond hem met zijn courant, zich verkneukelend over de nederlaag vandenTory-candidaat bij een County Council-verkiezing, waarvan de uitslag dezer dagen bekend geworden was. Hij ontving zijn heer met een uitdrukking van verbazing waarin George bijna iets beleedigends vond. Een gesprek over de politiek volgde, waarin Dowse's Yorkshiresche aardigheden menigmaal ook op zijn chef gemunt waren. Inderdaad geneerde Dowse zich in het geheel niet. Hij was op het punt examen te doen om onder-opzichter te worden, waarna hij bij een andere maatschappij in dienst hoopte te komen. Er was dus geen reden voor hem om âsivoe-plê te spelenquot;; hij kon zeggen wat hij wilde tegen een jongen âploertquot; , die zich aan de réactie verkocht had. George werd inwendig woedend, schaamde zich over zichzelf, maar deed zijn best met eere den aftocht te blazen.
Doch toen hij het dorp doorliep was hij er volstrekt niet zeker van of dit hem gelukt was. Waartoe diende het toch, goede maatjes te worden met die kerels? Hij had niets met hen gemeen, hetzij hij tot hun partij behoorde of tegenover hen stond. Anderen mochten al de gave hebben met zulke menschen om te gaan, 't was voor hem misschien wijzer terstond te erkennen dat hij ze miste. Fontenoy had gelijk. Alleen een vijandelijke verhouding had recht van bestaan â nu eens verbloemd , dan openlijk uitkomend.
Welke stemmen hoorde hij daar, op de hoogte boven zich ?
Hij was een weg ingeslagen, die langs zijn eigen
215
mijnengroep liep. Aan zijn linkerhand lag een groote berg afval, voor een deel met gras en onkruid begroeid , eindigend in de âbankquot;, waarop het gebouwtje stond met de machine en het windas. Volgde men een voetpaadje dat het bergje opliep , dan kwam men aan den gewonen ingang der mijnen, voor de mannen die aan het andere eind van het dorp woonden , in de alleenstaande huisjes.
Halverwege het bergje zag hij twee kerels in een hevigen woordentwist. De een was Madan, zijn opzichter, een man, uitstekend voor zijn vak en een vurig Tory; de ander was Valintijn Burrows.
Toen Tressady dat gedeelte van den weg bereikte waar het voetpad begon , gingen de mannen elk huns weegs: Madan verder de hoogte op , naar den ingang van de mijn; Burrows liep het paadje af.
Toen hij, bij het hekje komend,. Tressady op den weg zag, riep hij ;
âSir George Tressady!quot;
George stond stil.
Burrows kwam met vluggen stap naar hem toe; zijn gezicht was vuurrood.
âIs het op order van u, Sir George, dat Madan mij beleedigt en uitscheldt, als hij mij een onschuldig praatje ziet maken met een van 't volk in uw machineloods ?quot;
âMisschien was Madan niet zoo zeker als jij, Burrows , dat het een onschuldig praatje was,quot; antwoordde George, koeltjes, maar op luchtigen toon.
Burrows beet zich op de lippen, voelend dat hij zich voorbijgepraat had.
Driftig hernam hij :
âO, wees niet bang, Sir George, dat ik 't mij zal aantrekken wat Madan van mijn doen of laten denkt. Maar ik waarschuw u: als hij me nog een-
2l6
maal durft uitschelden, zooals hij 't de laatste weken 'n paar maal gedaan heeft, dan klaag ik 'm an.quot;
âNu, dat zou hij denkelijk wel te boven komen,quot; zei Tressady. âMaar hoe zou je dat aanleggen? Je bent in den laatsten tijd niet op een al te besten voet met de justitie, is 't wel?quot;
Hij had zich in zijn volle lengte opgericht, â een slanke, lenige gestalte; hij had schik in deze ontmoeting, die hem gelegenheid gaf eens uit terazen.
Burrows wierp hem een woedenden blik toe.
âU denkt zeker dat u me daarmeê iets heel onaangenaams zegt, is 't niet, Sir George? Misschien zal er een tijd komen â hij is niet ver af â dat de justitie niet langer uw handlangers zijn maar de onze. Dan spreken we elkaar nader.quot;
âOch ja, profeteeren is gemakkelijk werk,quot; zei George. âTroostje er meê, als je er plezier in hebt.quot;
De beide mannen zagen elkaar diep in de oogen, metend, als 't ware, elkanders kracht.
Toen kwam op eens â na zich door deze uitbarsting verlucht te hebben â het philosophisch element in Tressady boven, dat zoo wonderbaar vermengd was met zijn andere eigenschappen. En een stap nader tredend, sprak hij, op gansch anderen toon:
âHoor eens hier, dit is allemaal nonsens. Als Ma-dan zijn plicht uit het oog verloren heeft, zal ik er werk van maken. Maar ondertusschen: dunkt jou ook niet dat het ónze plicht is, als redelijke men-schen , nu we elkaar toevallig ontmoeten, samen een ernstig woordje te spreken over de toestanden hier in 't district? Jij en ik hebben in Malford als eerlijke mannen gevochten â dit heb ik je althans zelf hooren verklaren. Kunnen we ook hier niet als eerlijke mannen tegenover elkaar staan?quot;
217
Burrows zag hem aan als vertrouwde hij de zaak nog niet. Zwaar leunde hij op zijn knuppelstok, langzaam tot adem en tot kalmte komend. George merkte op dat hij, sedert de Malford-verkiezing, ouder geworden was en vervallen. De uitdrukking der oogen , de kleur van zijn vel verrieden den dronkaard. Toch sprak uit zijn houding, zijn bouw, nog de kranige athleet. Hij was nu een kerel van ongeveer twee en dertig; als jongen had hij vier a vijf jaar het mijnwerkershouweel gehanteerd, en was in dien tijd een der meest bekende voetbal-spelers van het graafschap. George wist dat hij nog het ideaal bleef van de locale clubs, en, als hij nuchter was, de merkwaardigste bewijzen gaf van kracht en volharding.
âOch . ..quot; klonk het eindelijk , langzaam , van Burrows' lippen, âik wil wel eens met u praten . . .quot;
âGoed, loop dan een eindje mee op,quot; zei George.
En te zamen wandelden zij voorbij het hek van Ferth, den weg naar 't station op , dat een goed half uur buiten 't dorp lag.
Ongeveer een uur later keerden ze langs denzelfden weg terug. Beiden hadden iets gespannens; beiden waren bleek.
âNu,quot; sprak George, staan blijvend bij het hek van zijn buiten, âhet komt dus hierop neer: je erkent dat voor ons het een kwade tijd is , met slapte in den handel, vermindering van winst onder den druk van vroeger gemaakte contracten, en al die dingen meer.â Toch blijf je weigeren het geringste deeltje van onzen last meê te dragen? Je wilt in den goeden tijd zien te halen wat er te halen valt, en in den kwaden niets, niets terugdoen ?quot;
âPrecies,quot; antwoordde Burrows, bedaard, beslist, âzoo is 't. We willen niets onzekers. Wij geven onzen
arbeid, en daarvoor moet de werkman zich een be-
2l8
staan verzekerd zien. Laat de verbruiker betalen, of betaal jullie uit je goeie jaren.quot; Hij keerde zich onwillekeurig naar het kazerneachtige huis op den heuvel, â't Kan ons geen lor schelen wie het is; â maar kom niet aan bij een man , die zijn leven waagt en werkt als een galeislaaf, vijf dagen in de week, voor een armzalig loontje van vijftien gulden of daaromtrent , om te betalen; â want hij doet het niet. t Begint m te vervelen. Ten minste niet zoolang jullie hem niet dwingt door 'm te laten verhongeren.quot;
George lachte.
âEen van de besten in 't dorp heeft mij van middag nog verzekerd , dat er niet éen in dat dorp isquot; â hij wees er naar â âdie niet leven kan en ruim zou kunnen leven â ja, en van morgen af zich neerleggen bij de voorwaarden van de eigenaars â als 't niet was om den drank.quot;
Zijn scherpe blik nam Burrows op van het hoofd tot de voeten.
âHm, 'k weet wie dat is,quot; hernam Burrows met een minachtend schouderophalen. âWelnu, dan zal ik u eens vertellen hoe de overigen in 't dorp er over denken, namelijk: dat de man in dat dorp, die niet drinkt, 'n lafbek is, die z'n eigen vleesch en bloed verkoopt aan de kapitalisten. Ha ha ha! Preek maar toe, Sir George, tot je je heesch gepraat hebt! Drinken zullen we, tot we ons eigen werk onder eigen beheer hebben. Want, kijk eens! zoodra wij ophouden met drinken, zoodra wij brave jongens worden , en op alles wat de patroons voorstellen ja en amen ze?g'en gt; wordt 't 'n heel ander leven; 't loon wordt verminderd en jullie besteedt, wat wij voor 'n glas bier uitgeven, aan je champagne. Neen, dank je beleeld, Sir George ; maar wij zijn nog niet zoo onnoozel als we er»
uitzien, en t staat ons zoo «zV/aan. Goeien middag!quot;
ö
219
Waarna hij even zijn hoedje aanraakte, in antwoord
op George's hoofdknik, en er van door ging.
* *
*
George klom langzaam zijn eigen heuvel op. De heerlijke Aprildag neigde ten einde; de ondergaande zon hulde in het westen het vlakke land in een zee van licht. Tal van kraaien vlogen in breede kringen om den heuveltop, de lucht vervullend van hun gerekt, krassend geschreeuw. Dicht in zijn buurt liet een koekoek zijn roepstem hooren ; heel de atmosfeer van den vallenden avond was vol lentegeuren , geuren van ontluikende boomen, van versch jong gras, van gevallen regen. Aan zijn voet bruischte een beekje in een eikenboschje beneden hem ; en uit de verte kwam het bekende geraas en gestamp uit de mijnen.
George bleef een oogenblik stilstaan onder een groepje oude dennen, â een der weinige dingen op Ferth, die voor hem persoonlijk waarde hadden â en keek over de grens van Cheshire naar de heuvelenrij van Wales in de verte. De opwinding, waarin zijn gesprek met Burrows hem gebracht had, begon te luwen, en maakte plaats voor zijn gewone kalme stemming. Hij zou aan zijn ooms zeggen, dat er niets anders opzat dan de zaak uit te vechten. Bloed moest er vloeien , de een of de ander moest de baas zijn.
Wat waren de besten onder de werklui toch on-noozele sukkels! â hoe weinig zicht hadden ze op een ermtig vraagstuk! Ze zagen niet verder dan hun neus lang was; ze leefden bij den dag! Moest hij zijn leven doorbrengen in een chronischen strijd met zulke lui! â een troep half beschaafde barbaren, landge-nooten in geen ander opzicht dan in naam! En voor welke zaak? onder welke leus-? Opdat hij, door de
220
in het zweet huns aanschijns werkenden in deze groote vallei, een zeker elegant huis in Brook Street zou kunnen handhaven, en het middel vinden om zijn moeders schulden te blijven betalen! â Schulden van het genre waarvan hij thans met de bewijzen liep in zijn zak!! . . .
Eensklaps rees met pijnlijke helderheid het beeld voor hem op van Mary Batchelor, zooals hij ze aan haar deur had zien staan, half blind van het schreien , van verdriet, â en van den armen jongen, gestorven in den bloei van het leven. Waren deze twee figuren de realiteit, de basis der dingen? â vertegenwoordigden ze den gemeenschappelijken arbeid, de genegenheid, de smart, waaruit de wereld bestaat?...
Zijn eigen leven kwam hem haast armzalig en min voor nu hij daar weer aan dacht. De Socialist â Burrows â zou natuurlijk zeggen dat hij, Letty en zijn moeder alleen leefden voor hun plezier, alleen dachten aan mooie kleeren en lekker eten; dat ze hun bedienden, hun prachtige rijtuigen betaalden uit den arbeid en het lijden van anderen; dat Jaap Batchelor en de zijnen hun krachtig jong leven in gevaar brachten en verdierlijkten, opdat Lady Tressady en de haren heel hun leven konden ârijen en rossenquot;.
Voorzeker, een dom, onwaar fanatismus, toch... hij kon zich heden niet zoo gereedelijk als anders verschuilen achter de groote woorden van zijn partij. Fontenoy's geliefkoosde argumenten hadden voor het oogenblik hun kracht verloren, konden het gevoel van geestelijke walging niet wegnemen.
âIk begin langzamerhand te merken dat het 'n vervloekte stommiteit was, me met de zaken te bemoeien ,quot; bromde hij, terwijl hij daar onder de boo-men stond.
221
Werkelijk ging Tressady gebukt onder den nieuwer toestand; â haast was hij verbaasd over zichzelf dat hij er niet krachtiger tegen optornen kon. Tot aan zijn terugkeer naar Engeland toe â tot op dit oogenblik bijna â was hij slechts in naam patroon en eigenaar van kolenmijnen geweest. Anderen waren voor hem opgetreden, hadden zijn moeielijkheden voor hem opgelost. Toen had een voorbijgaande opwelling hem naar het vaderland teruggedreven; had hem Fontenoy's aanbod doen aannemen ; â 't was hem alles tegengevallen! â Letty uitgezonderd. Het opwekkende, hoopvolle, wat hemzelf betrof, zijn nieuwe werkzaamheden, en zijn vooruitzichten in het Parlement, waar hij in Londen steeds van vervuld was geweest, schenen hem, in deze gedrukte stemming, het toppunt van dwaasheid Wat er thans feitelijk in hem omging â hij wist het â was een lafhartig terugdeinzen voor het leven en zijn beproevingen ; hij bekende zichzelven dat hij in den grond zwak was, geen vaste overtuiging bezat, geen persoonlijkheid heeten mocht.
Toen, naarmate hij zijn snellen gedachtengang volgde, gaf deze hem de overtuiging dat twee dingen mannen van zijn aard behoeden tegen gemis aan geestelijk weerstandsvermogen ; aanhoudende verandering van omgeving, wat de wereld omzet in een schouwtooneel, èn de liefde. Hij dacht met be-geerig verlangen aan zijn reisjaren, zoo zelfs, dat dit een oogenblik het feit van zijn huwelijk op den achtergrond drong.
Maar slechts een oogenblik. Nauwelijks een paar weken geleden had eene vrouw zich geheel en al aan hem gegeven. Nog trilde zijn ziel van verschillende aandoeningen, van verbazing bijna. Allerlei teedere, weeke gedachten bestormden hem. Zijn kleine Letty!
222
Had hij zich ooit voorgesteld dat zij volmaakt was, vrij van de natuurlijke wenschen en zwakheden van iedere vrouw ? Dwaasheid ! Moest hij hooge eischen stellen aan karakter ? . . .
Hij keek op zijn horloge. Wat had hij haar lang alleen gelaten! Hij zou gauw naar huis loopen en zich weer gelukkig gevoelen!
Maar juist toen hij zich omkeerde, werd zijn aandacht getrokken door iets, dat op den heuvel tegenover hem plaats had. Het licht uit het westen viel op een wit huisje, en op een hellend tuintje er achter. Dit behoorde aan den Wesleyaanschen dominé van het dorp, en was door Burrows voor een half jaar gehuurd. Juist wilde George weggaan, toen Burrows de voordeur uitkwam met iets in zijne armen, een kind, of een vrouw, niet veel grooter dan een kind. Hij droeg haar naar een gemakkelijken stoel, op het grasveldje. De gestalte verdween er bijna geheel in, en bleef onbewegelijk zitten terwijl Burrows kussens en een laag stoeltje ging halen. Toen kwam er een klein kind op het gras spelen, en Burrows boog zich over den stoel heen, en zeide iets tot de persoon die er in zat.
âZou ze sterven?quot; prevelde Tressady medelijdend. âArme kerel! Hij moet toch aan iemand zijn haat koelen!quot;
* *
*
Hij liep met flinken tred den heuvel op en vond Letty nog op de sofa, aan de laatste bladzijden van haar boek. Zij scheen hem zijn lange afwezigheid niet kwalijk genomen te hebben en niet veel-eischend te zijn, waarvoor hij haar in stilte dankbaar was. 1 och, van het eerste oogenblik dat hij binnen kwam en zij de oogen opsloeg, zag hij dat, al was
223
ze niet boos dat hij haar zoo lang alleen gelaten had, zij omtrent andere punten nog evenzeer in opstand was zoowel tegen hem als tegen het lot, en zijn opgewekte stemming verdween. Hij gaf haar een uitvoerig verhaal van wat hij doorleefd had, maar zij was niet belangstellend, het kon haar niet schelen; heel den avond toonde ze een prikkelbare koelheid, die het genot van hun tête d tête bedierf. Iemand die Letty lang gekend had zou zeker gevraagd hebben , waar dat dartele, levendige schepseltje gebleven was, met die aardige maniertjes, die ondeugende antwoorden, waardoor zij bij huneerste ontmoeting zooveel indruk op George gemaakt had. Zoodra zij geëngageerd waren, had hij daar minder van gemerkt. Was het bij haar als met de vogels of de bloemen , die zich tooien tegen den paartijd, en terugzinken in betrekkelijke dofheid als deze voorbij is?
Feitelijk was Letty dezen avond verdiept in sombere bespiegelingen over Lady Tressady's gedrag en haar eigen nietige vooruitzichten. Weer ging ze na het eten wat liggen , â het slanke, teere lichaam en het mooie, blonde haar op hun voordeeligst uitkomend tegen de kussens, â bladerende in haar boek, terwijl George zijn couranten las. Somtijds keek zij hem met een schuinschen blik aan , de lippen zacht opeengeknepen; maar onaangenaamheden uitlokken deed ze niet licht.
Dien avond ging hij ietwat laat naar zijn kleedkamer.
Toen hij binnentrad hoorde hij Letty druk redeneeren met haar kamenier. Onwillekeurig bleef hij in de duisternis van zijn eigen kamer even staan luisteren. Welk een contrast tusschen deze Letty en de Letty van het salon! Zij rammelden onafgebroken voort; ze hadden het over Lady Tressady;
2 24
Lady Tressady's toilet, Lady Tressady's geldelijke moeielijkheden. Welk een animo, welk een boosaardigheid, welk een vrouwelijke scherpzinnigheid en slimheid! Na het een paar seconden aangehoord te hebben, kreeg hij een gevoel, alsof er van alle kanten een akelig, leelijk licht op zijn moeder geworpen werd, ja, op heel de menschheid. Hij sloop stil weg, zonder dat een van beiden hem gehoord had.
Toen hij terugkwam, was het bijna donker in de kamer, en vond hij Letty, hoog tegen de kussens steunend, op hem wachten. Nadat ze haar kamenier weggezonden had, had ze zich eensklaps heel ongelukkig en verlaten gevoeld, was ze in tranen uitgebarsten , en had â zelf begreep ze niet waarom â verlangend liggen luisteren naar George's voetstap. Toen hij binnenkwam sloeg zij de betraande oogen naar hem op en verweet hem zacht dat hij zoo laat kwam.
In het gedempte licht, omgeven door het reine wit, gehuld in zachte, mollige kant, was zij een liefelijk visioen gelijk; George kwam naar haar toe, liefkoozend en teeder.
Maar die zwarte diepte binnen in hem , waarvan hij haar gesproken had, â die hij door zijn huwelijk gehoopt had te zullen dempen, â bleef bestaan en deed zich wederom gevoelen. Voor de eerste maal sedert Letty hem het jawoord gegeven had, dacht hij niet, of zeide hij niet tot zichzelf, als hij haar aankeek , dat hij een gelukkig man was en het goede deel gekozen had.
225
TIENDE HOOFDSTUK
En zoo, met welke hoop, of met welke illusies George Tressady in het huwelijksbootje gestapt was, aan het eind der wittebroodsweken waren ze reeds vrij wel aan het tanen. Zijn liefdedroom was tamelijk nuchter geweest, vrij alledaagsch. En nog had hij niet lang mogen duren . ..
Evenwel, zulke indrukken en gewaarwordingen zijn tijdelijk. Het feit van het huwelijk overleeft ze, overstemt ze in het eerst, wijzigt ze gaandeweg.
Letty althans â toen zij naar Londen terugkeerden , â trachtte haar groote nederlaag in de wittebroodsweken te vergeten in de vreugde van het huis in Brook Street in orde te maken. Dit is zeker; met al haar groote woorden tegen Miss Tulloch en anderen â in haar eerste schermutseling met Lady Tressady, had Lady Tressady met glans den strijd gewonnen. Letty had vergeten rekening te houden met de harde werkelijkheid der verplichtingen van een kind tegenover zijn ouders; zij kon nu niets doen dan zich er bij neerleggen , verbitterd, wanhopig.
Lady Tressady, integendeel, was voor het oogen-blik in een onderworpen stemming; toen de jongelui in Londen terugkwamen, deed ze zelfs haar best goede maatjes te worden met Letty. Doch in Letty's oogen was hetgeen zij gedaan had voor geen vergeving vatbaar. Voor het oogenblik echter bestond er uiterlijk eene vriendschappelijke verhouding, wat voor Letty hoofdzakelijk zeggen wilde dat zij voelde hoe al hare aankoopen voor het huis, hare manier van de huishouding enz. in te richten door schoonmama aan een nauwlettende critiek werden onderworpen ; dat bovendien, in haar gezellige afternoon-teas
1. 15
2 20
met enkele intiemen, of met wie zij op intiemen voet wenschte te komen, gedurig stoornis werd gebracht door het binnentreden der opzichtig gekleede, ge-blankette oude dame, die eerst de bezoekers op de vlucht joeg en dan boos was omdè.t zij vluchtten.
George vo.nd ondertusschen de Shapetsky-zaak zeer onaangenaam en lastig. Hij nam een bekend advocaat in den arm, maar een Shapetsky laat zich niet licht overbluffen en er was weinig aan het geval te doen. Ook werd het humeur van den schuldeischer er niet beter op door een ietwat onvoorzichtigen brief van George, in een oogenblik van overijling uit Ferth geschreven; uit alles bleek dat de schuldeischer de wet haren loop zou laten en de puntjes op de i gezet wilde hebben.
Tevens kwam George, als ieder ander grondeigenaar, tot de ontdekking, hoe gemakkelijk het is te praten over den verkoop van land, hoe moeielijk het is het te doen gebeuren. De kooper, die had willen koopen , liet niets van zich hooren ; de enkelen die er op afkwamen, bleken natuurlijk meer bedacht op hun eigen beurs dan op die van Tressady; George kreeg een vuurroode kleur van verontwaardiging toen zijn gemachtigde hem eenige aanbiedingen voorlegde. En door de betaling van een eersten termijn aan Shapetsky uit zijn gewoon inkomen, kreeg hij zelf reeds gebrek aan contanten, juist nu de uitgaven om het huis in Brook-Street aan te kleeden in vollen gang waren.
George werd merkbaar door geldzorgen gedrukt. Ze ontwikkelden in hem eigenaardigheden van karakter, die hij van zijn vader scheen te hebben geërfd. De oude Sir William had in het beheer zijner geldzaken een angstvallige zuinigheid getoond. Zijn bezittingen uitbreiden kon hij niet, daarvoor
227
scheen hij geen hersens, geen goed oordeel te hebben ; tegen verliezen zelfs had hij zich niet weten te vrijwaren, althans George vond vele en groote schulden â hypotheken op de mijnen, enz. â toen hij het goed erfde. Maar als hoofd van het geslacht legde Sir William groote vasthoudendheid en flinkheid aan den dag in het beschermen van zijn klein vermogen; en de dwaze verkwisting van de vrouw, door wie hij zich in een oogenblik van dolzinnige verliefdheid had laten inpalmen, verergerde niet weinig een aangeboren hebbelijkheid.
George geleek in zooverre op hem, dat hij, op school zoowel als aan de academie, bekend had gestaan als een bedaard , voorzichtig jongmensch. Misschien ook hadden zijn moeders avonturen hem reeds vroeg het vernederende leeren gevoelen van schulden maken. Althans, in de vier jaar welke hij reizende, buitenslands, had doorgebracht, had hij nimmer meer verteerd dan het bescheiden sommetje dat hij bij het verlaten van zijn vaderland zichzelven had toegedacht , en zooveel zuinigheid waar het eigen genoegen betrof, had hem niet weinig in de achting doen rijzen van hen die bevoegd waren een oordeel te vellen over den jongen edelman.
Desniettemin â aan de intrede van zijn echtelijk leven was hij nog piepjong en onervaren in geldzaken ; hij had er bijvoorbeeld nimmer over nagedacht of zijn eenigszins onzeker inkomen van plus minus vier duizend pond voldoende zou blijken voor zijne en Letty's behoeften; voor een huishouden; voor de opvoeding van kinderen â als er kinderen kwamen â; voor uitgaven, die zijn politieke loopbaan zou meebrengen, zoowel als voor die bijkomende cadeautjes aan zijne moeder, die hij meer en meer als onvermijdelijk ging beschouwen. Thans echter, â door
228
de moeite die het hem kostte om met Shapetsky klaar te komen, door wat Letty noodig had voor het huis, en ^ijn voortdurende onrust over hetgeen zijne moeder nü weer zou bedenken, plus de toestand der mijnen â kwelde hem steeds meer een heimelijk gevoel van angst voor een naderend onheil, uitvloeisel eenigszins van een temperament dat nooit bijzonder levendig of luchthartig geweest was.
Somtijds, als die angst zich van hem meester maakte, liep hij 's woensdags of's zaterdags eensklaps uit het Lagerhuis, wandelde naar Warwick Square, en verscheen onverwachts in zijn moeders salon, alleen om te zien welk soort van bezoek â welke harpijen misschien ! â zij daar bij zich had. Eens of tweemaal trachtte hij den tenor de kamer mt te kijken; â een man die de eerste jeugd achter den rug had, met een wit, paffig gezicht en lange haren, zonder iets van beenderen naar het George voorkwam, zonder pit, fysiek en moreel. Met dat al, de man liét zich niet wegsturen. Ja, mijnheer de tenor trad den jeugdigen wetgever tegemoet met een mengeling van eerbied en artistieke welwillendheid, waarin iets komisch was of iets om razend te worden van ergernis â al naar men het wilde opvatten. En eens, toen George wilde pro-beeren zijne moeder met ronde woorden te zeggen hoe de zaken stonden, kreeg Lady Tressady het op de zenuwen, en verzekerde ze hem bij hoog en bij laag dat zij zich niet van haar vrienden zou laten scheiden, zelfs niet door de schandelijke bejegening van jonggetrouwden,, die alles hadden wat zij be-geeren konden , terwijl zij, eene ongelukkige weduwe , in de eenzaamheid haar dagen doorbracht, en een droevig, eentonig leven leidde.
Feitelijk was het zaakje onschuldig, maar door en
229
door min. Mr. Fullerton â zoo heette de kerel â had behoefte aan weelde, aan allerlei kleine genoegens , en nu en dan aan een sommetje ter leen; Lady Tressady had behoefte aan gezelschap, aan 4 complimentjes, en aan âmuzikale voordrachtenquot; op
hare eenvoudige âthésquot;. Mrs. Fullerton toonde zich evenzeer bereid als haar man om aan de beide eerste eischen tegemoet te komen , en zelfs de kinderen, een blond-harig, ziekelijk troepje, â Tressady vond dat zij veel hadden van den beenderloozen vader â deden het hunne om zooveel te halen als zij konden van Lord Tressady's mama. Ondertusschen poseerde Lady Tressady als de weldoende engel van het genie, dat door de Fortuin wordt verwaarloosd, en beweerde bovendien dat âdie goeie, beste Fullertonquot; in geen enkel opzicht verantwoordelijk was voor de rampen van den laatsten tijd. De âslangquot;, alleen fl Shapetsky âdie slang!quot;, was de schuldige.
Na een dezer schermutselingen met zijne moeder keerde George, ontstemd en kriebelig naar huis terug, waar hij Letty druk bezig vond met het kiezen van zijden overgordijnen voor hun salon.
âGelukkig dat je komt!quot; riep ze, zoodra hij binnenkwam ; ânu kun je me helpen kiezen, 't Is zoo'n werk!quot;
Zij troonde hem meê naar het salon, waar hier en daar een lap rose en groene zijde tegen den muur gespeld was.
J George bewonderde kleur en stoffage, en stemde
I voor een zeker groen. Toen bukte hij zich om op het
etiquet den prijs te lezen, en zijn gezicht betrok.
âHoeveel zou je ongeveer noodig hebben, Letty?quot;
âVoor die twee kamers? O, zoowat vijftig meter was het onverschillige antwoord van Letty, terwijl ze een nieuw pak stalen opende.
i
230
âEn 't is vijftien gulden zestig de meter!quot; riep George, ietwat verschrikt. Hij was erg vermoeiden zocht zijn troost in een ge makkelij ken stoel.
âJa, 't is nog al duur! Maar och , 't is zoo'n goede kwaliteit, we zullen er jaren en jaren plezier van hebben. Me dunkt, voor dit canapétje moesten we er ook van nemen,quot; voegde ze er bij, als dacht ze overluid.
George gaf geen antwoord.
Eensklaps keek Letty op en riep:
âGeorge!... Wat is er, George? Jij wilt toch immers ook graag iets moois hebben voor deze kamer ? Je toont ook nooit belangstelling!quot;
âIk dacht alleen, kind, dat de behangers wel gauw schatrijk zullen worden!quot; zei hij, de hand voor de oogen.
Letty kreeg een kleur en trok een lipje. Een oogenblik later kwam ze bij hem zitten, op den rand van zijn stoel. Zij was gekleed â wel wat te gekleed â in een lichtblauw japonnetje, waarvan de volle ruches en kanten haar critisch oog zeer behaagden. George, die de items op zijn moeders rekeningen langzamerhand een beetje begon te kennen, sloeg de schrik om het hart toen hij naar de elegante verschijning naast zich keek. Hij begreep dat dit een quaestie van guinjes was, van veel guinjes. Doch het volgende oogenblik had hij een hekel aan zichzelf dat hij niet enkel bewondering was, bewondering van zijn klein vrouwtje in haar nieuwste toiletje. Wat scheelde hem toch? Dat vervloekte geld had hem heelemaal in de war gebracht!
Letty was slim genoeg om te begrijpen wat er aan haperde. Zij beet zich op de lip ; het huilen stond haar nader dan het lachen toen ze met zachte, maar duidelijke stem begon :
231
â't Is toch wezenlijk wel hard dat we niet eens in een paar kleinigheden onzen zin kunnen doen â als men bedenkt waarom niet!quot;
George nam haar hand, kuste ze vol innige liefde en zei smeekend:
âToe kindje ... 't is maar voor kort. . . tot ik uit de klauwen van dien schurk ben. Er is tegenwoordig zulk mooi,goedkoop goed te krijgen, â is'tniet, kind?quot;
âO, zeker! Als je een minder soort van salonameublement wilt hebben,quot; viel Letty hier kribbig op in, âmet neteldoeksche gordijnen van vier stuivers de el, en allemaal namaak, zeker, dan kun je je geld in je zak houden! Maar dan heb ik liever dadelijk stoelen met paardehaar, en een mahoniehouten tafel in 't midden!quot;
âAls jij dan maar geen katoenen japonnen draagt, hoor!quot; zei George lachend, âdat is 't eenige wat ik je nooit vergeven zou! Maar och, als jij ze draagt, zullen ze toch goed staan!quot;
En hij hield haar op armslengte van zich, om haar te beter in haar nieuw japonnetje te bewonderen.
Letty liet zich echter door geen mooie praatjes van wat haar toekwam â van haar gordijnen â afleiden, opdat Lady Tressady's schulden des te gauwer betaald zouden zijn. Zij begon een formeele ruzie met George, half scherts, half ernst, en wist ten slotte vrij wat meer van hem gedaan te krijgen dan zijn goedkeuring wat betreft de bewuste zijden gordijnen, die de aanleiding waren tot het dispuut.
Na afloop daarvan ging George naar zijn kamer, geplaagd door de stem van zijn geweten, tevens half boos op Letty. En toch.... Waarom boos? Het lag nu eenmaal in den aard der vrouw behoefte te hebben aan opschik, aan weelde; het was de prijs dien de mannen over moesten hebben voor het ple-
232
zier van haar gezelschap. Hij had precies diezelfde methode, die nu op hem toegepast was, meermalen waargenomen in een of meer Engelsch-Indische gezinnen , waar hij familiaar aan huis kwam, en 't had hem altijd geamuseerd. Toch scheen zulk comedie-spelen, naar zijn eigen huis en haard overgebracht, wel iets van de bekoring te verliezen.
Met dat al, bij twee jonge menschen beneden de dertig, die juist de gewichtige tweede akte van het levensdrama beginnen, dat ons allen öf tot iets maakt óf ten onder doet gaan, waren oogenblikken van ontstemd zijn en van neerslachtigheid (zelfs met Shapetskys en Lady Tressadys op den achtergrond) slechts enkele vlekjes in een leven van zonneschijn.
George was wederom in het zog van het Parlement geraakt, zoodra hij in de nabijheid van het Lagerhuis en met Fontenoy in aanraking was gekomen. De band die hem verbond met zijn wonderlijken partijleider, werd dagelijks sterker, als zij te zamen den heeten strijd meemaakten naar aanleiding van de crediet-aanvragen der regeering, waarin hun steeds ijverig, dikwijls zegevierend groepje zich nu eens schaarde aan de zijde van het Gouvernement, dan aan die der Oppositie. George werd Fontenoy op honderderlei wijzen noodzakelijk; want de jonge man wist â- in tegenstelling met den ander â- overal van, â gevolg van degelijker studie en van vier jaren reizen en goed uit de oogen kijken, waarvan bij Fontenoy geen sprake was geweest. Menigmaal wist George zijn chef er voor te bewaren een bok te schieten, en niemand had daar meer van harte dankbaar voor kunnen zijn dan Fontenoy. Aan den anderen kant had deze, in George's oogen, in het Lagerhuis zijn gelijke niet wat scherpzinnigheid be-
233
treft. Zelden of nooit bedroog hij zich in een persoon , of in de punten waar het in een zaak op aan kwam. Zijn partijgenooten zouden het nimmer in hun hoofd gekregen hebben zijn oordeel in twijfel te trekken omtrent de taktiek die men volgen moest. Blindelings gingen zij met hem mede, en, zonden de goden hun de nederlaag, niemand gaf de schuld aan Fontenoy. Maar in geval van slagen was zijn gemompel van goedkeuring of gelukwensching de grootste belooning voor de zwierige aristocraatjes, die de kern van zijn partij vormden, en geen der zijnen zou hem ooit ongestraft tegenspreken of weerstaan. Hij zwaaide den scepter als een prins van den bloede, en hoe meer vervallen en onbeteekenend zijn uiterlijk voorkomen was, hoe meer ingrijpend zijn zedelijk overwicht gevoeld werd.
Doch eene teleurstelling hadden hij en zijne partij in de weken tusschen Paschen en Pinksteren Zij verlangden vurig den strijd aan te gaan, en het beste van den strijd werd hun voor het oogenblik onmogelijk gemaakt, want, door het debat over de Cre-diet-aanvrage en over een paar zaken van onmiddellijk belang, werd de Tweede Lezing van de Maxwell Bill tot na Pinksteren uitgesteld, wanneer zij direct aan de orde zou komen. Er was heel wat gepruttel in het Lagerhuis, door Fontenoy begonnen , maar het Gouvernement antwoordde alleen dat het niet anders kon en dat de tegenpartij niet méér kon verlangen om te vechten dan zij om bestreden te worden.
Het leven was dus, wat de publieke zijde betreft, ofschoon niet zoo belangrijk als het weldra wezen zou, nog altijd rijk en vol afwisseling. En intusschen kwam de wereld het jeugdige echtpaar vriendelijk te gemoet. Letty's huwelijk had haar voor het oogen-
234
blik zeer gezien gemaakt onder hare kennissen. Haast zou men kunnen zeggen: zij had succes, ofschoon geen schitterend succes. Deels dus door George's relaties in het publieke leven en onder de leden van het Parlement, deels door de officiëele bezoeken, de visites van persoonlijke vrienden en de tusschenkomst van Mrs. Watton, die zich vast voorgenomen had haar nichtje te âlanceerenquot;, kon Letty altijd voldaan zijn als zij, in haar nieuwen coupé van haar visites thuiskomend, een blik op de tafel in haar vestibule sloeg en deze vol kaartjes zag. Zij liet ze met op-zet liggen, opdat George ze zien zou als hij thuis kwam, en niets was haar zoo aangenaam dan als Lady Tressady in dien tijd een bezoek bracht.
Ondertusschen woonden zij tal van diners bij, en maakten zij kennis met de grooten der aarde. Letty's ijdel hartje zwol op van vreugde als zij de lijst harer invitaties inzag. Toch keerde zij dikwijls met een gevoel van teleurstelling van haar diners terug. Ze vond niet dat ze vorderingen maakte, en met verbazing en ergernis merkte ze op hoe veel meer gezien andere dames waren. Wat was er niet goed aan haar? Haar toilet was onberispelijk, en onder den prikkel van deze groote, luidruchtige wereld, haalde zij al de aardige, coquette maniertjes weer voor den dag waar George tegenwoordig bijna niets meer van merkte. Maar telkens ondervond zij dat men haar niet die aandacht wijdde die ze meende dat haar toekwam, terwijl de onbeduidendste opmerking, of het uiterlijk van een gelukkige in een eenvoudig toilet de macht had om den drom van hoffelijke, complimentjes-makende heeren tot zich te trekken, waar Letty te vergeefs naar hunkerde.
De Maxwells behoorden tot de eersten die een bezoek brachten aan het jonge paar; zij lieten zelfs
235
met hun kaartjes eene uitnoodiging achter om te komen dineeren. Maar tot Letty's groot verdriet hadden zij en George voor dien datum hun woord reeds gegeven, en toen zij op een zondagmiddag hun opwachting maakten in St. James's Square, waren de Maxwells buiten. Een paar malen konden Letty of George in een overvolle kamer een vluchtig praatje maken met Lady Maxwell, en opperde Marcella een plannetje om elkaar te zien. Maar nu was de een, dan de ander bezet. Kortom, wat zij ook voorstelde, alles mislukte.
âNu, dan na Pinksteren,quot; hoop ik, zeide zij met een vriendelijk lachje tot Letty, op zekeren avond, toen zij op een officiëele partij een paar beleefdheidstermen gewisseld hadden over het niet thuis vinden. âIk zal u buiten wel iets van mij laten hoo-ren als ik mag. Ferth Place immers?quot;
âNeen,quot; zei Letty, met een air van triumf, âdaar komen we niet â althans vooreerst niet. We gaan een dag of wat naar Mrs. Allison, op Luton.quot;
âZoo? Nu, daar zult u heerlijk gelogeerd zijn! 't Is een prachtig, ouderwetsch kasteel!quot;
En Lady Maxwell verdween, echter niet zoo snel of ze vond gelegenheid, eer ze het huis verliet, met Tressady een enkel woordje over de politiek te wisselen.
Letty pronkte met hare uitnoodiging op Luton, in het zalig bewustzijn dat zij tot de weinige bevoorrechten behoorde. Niets had tot nog toe in haar Lon-densche période zoozeer haar eigenliefde gestreeld als Mrs. Allison's bezoek en Mrs. Allison's uitnoodiging. Want ofschoon Letty, de enkele malen als zij deze deftige oude dame met het mooie witte haar ontmoette, zich geen oogenblik op haar gemak gevoeld had, toch twijfelde ook zij niet of Mrs. Allison
236
was, in de uitgaande wereld, het type van een beschaafde, gedistingeerde vrouw. Waar zij zich ook vertoonde, op alle partijen, trok zij de menschen tot zich. Ofschoon bekend als Fontenoy's intieme en raadgeefster, als streng kerkelijk en op end'op aristocrate, er ging een fijne, onweerstaanbare bekoring van haar uit, waardoor het enkelen vrouwen gegeven is den toon te voeren zonder zich hierdoor vijanden op den hals te halen. Zelfs zij die het meest overtuigd waren dat de Mrs. Allisons van deze wereld de voorname beletselen zijn op den weg van den vooruitgang, namen een uitnoodiging op het kasteel Luton in beraad en bezweken â schoon protestee-rend. En in zekere deftige, beschaafde kringen, ontwikkeld, streng van beginselen, was zij een welbekende , hoogst interessante persoonlijkheid , die de al-gemeene belangstelling wekte om al wat zij ondervonden had en al wat met haar verleden in verband stond.
Toen dus haar kaartje in de vestibule lag met dat van haar zoon. Lord Ancoats, èn een klein briefje, geschreven met een niet-Engelsche hand â- Mrs. Allison had in Parijs haar opvoeding genoten â had Letty kunnen dansen van vreugde. âMet een paar goede vrienden,quot; stond er. Natuurlijk dus een van de partijen! Letty was overtuigd dat Lord Fon-tenoy er de hand in had gehad. Men zei dat hij op Luton gevraagd kon krijgen wie hij wilde. In ieder geval deed deze overtuiging Letty veel vriendelijker zijn tegen den beschermheer van haar echtgenoot; â tot Fontenoy's niet geringen schrik.
De week voor Pinksteren was voor Tressady bijzonder onaangenaam. De berichten van Ferth luidden steeds ongunstiger; alle pogingen om land te ver-koopen mislukten, en het werd hem meer en meer duidelijk dat, wilde hij in Londen op denzelfden
237
voet blijven leven â als hij èn Shapetsky tevreden stellen zou, èn Letty haar zin geven in de verbeteringen welke ze op Ferth wilde âdat hij dan eenige van de weinige veilige effecten, hem doorzijn vader nagelaten, van de hand zou moeten doen. De meeste jonge mannen zouden, in zijn plaats, gemakkelijk hiertoe zijn overgegaan; George Tressady wikte en woog'. Bij zichzelf zeide hij : âIk begin mijn kapitaal te gebruiken als inkomen. In Juli breekt de werkstaking los; 't volgende jaar zullen de mijnen zoo goed als niets opbrengen; de pacht die ik krijg beteekent niet veel; Letty heeft allerlei behoeften. Hoe kort zal het duren of ik zit tot over de ooren in de schulden, precies als mijn moeder, nu eens van A. dan van B. leenend?quot;
Dan bezwoer hij zichzelven dat hij zuinig wezen zou, doch om zich straks te laten overrompelen door Letty's vast voornemen precies te hebben wat een ander had , bovenal â nimmer te zullen gedoogen dat zij zich zouden bekrimpen omdat George zoo dwaas was geweest zich aansprakelijk te stellen voor zijn moeders schulden. Zij uitte er zich weinig over; of zei dit weinige vroolijk lachend, als een jong vrouwtje dat op haar rechten staat. Maar dit volhouden, en haar herhaalde weigering om in zijn vertrouwen te worden genomen en zijne zorgen met hem te dee-len, deden haar man zich diep ongelukkig gevoelen naarmate de weken kwamen en gingen.
âNeen,quot; zei ze bij zichzelf, nog steeds vol ergernis over hetgeen er op Ferth voorgevallen was, ..als ik hem er met mij over laat praten, zal ik toegeven , en me door haar laten vertrappen! Als George zoo zwak en onmannelijk wil zijn, goed, dan moet hij maar weten hoe hij aan 't geld komt! Natuurlijk kan hij daar wel een middeltje op vinden! ik ben
238
volstrekt niet verkwistend. Ik doe net wat een ander doet, â meer niet!quot;
Intusschen was deze toestand niet geschikt om Lady Tressady welkom te maken in Brook Street, en er kwam een ander soort van grieven en kibbelarijen. Lady Tressady hoorde dat de jongelui reeds een paar malen een dinertje gegeven hadden, en op geen daarvan was zij genoodigd.
Op zekeren dag, toen George naar Warzmck Square moest om met haar over zaken te spreken, werd hij eensklaps op dit punt met verwijten overstelpt.
âLetty vindt zeker dat ik niet op haar partijtjes hoor! Wie weet of ze zich niet voor mij schaamt! .. .quot; â Lady Tressady liet een akelig lachje hooren. â âNu, 't is goed, als ik 't maar weet! Maar dit kan ik je wel zeggen, George: ik werd in mijn tijd vrij wat meer bewonderd dan Letty ooit behoeft te denken dat hdar gebeuren zal!quot;
En George's moeder, gekleed in een avondtoilet van zachtgele zijde, leunde achterover in haar lagen stoel, trillend van drift en aandoening. George suste haar, door op vriendelijken toon te zeggen dat hij en Letty zeer wel wisten dat zijn moeder veel opgang gemaakt had, waarop Lady Tressady met tranen voor den dag kwam, verklaarde dat zij wel wist dat het niet lief van haar was zoo te spreken â zeker was het dit niet â maar, als men door zijn eigen zoon en zijn vrouw zóo onaardig behandeld werd, dan moest men toch een enkele maal zich een beetje laten gelden!
George troostte haar zoo goed hij kon en gaf, toen hij thuis kwam, op eene voorzichtige manier aan Letty te kennen, dat hij geloofde dat ze zijn moeder veel pleizier zouden doen, als ze ook haar
239
vroegen op een eenvoudig dinertje dat ze plan hadden a. s. vrijdag te geven.
âGeorge!quot; riep Letty, met schitterende oogen, âhoe krijg je 'tin je hoofd; we kunnen haar onmogelijk er bij vragen! Ik vind het naar om iets leelijks van je mama te zeggen, maar je ziet toch wel dat ze niets gezien is! â ze takelt zich zoo bespottelijk toe! en dan haar manieren !!... 't Zal de menschen afschrikken om bij ons te komen. Ik vind het verschrikkelijk dat. .
Eensklaps wendde zij snikkend het hoofd af. George kuste gauw de traantjes weg en zei dat zij gelijk had; 't is waar, hij zelf was geen oogenblik op zijn gemak wanneer zijn moeder in de kamer was. Maar het wijder worden van de kloof, door Letty's weigering veroorzaakt, maakte zijn positie tusschen de twee vrouwen in steeds onaangenamer, â hij, een man wiens ideaal van huiselijk geluk was dat men in zijn eigen huiselijken kring altijd zeker wezen kon van rust en vrede en welbehagen.
Den dag van hun bezoek op het kasteel Luton had er 's morgens een kleine huiselijke scène plaats. Letty, die een weinig vermoeid was van een of ander feestje den vorigen avond, had haar ontbijt bij zich op de slaapkamer laten brengen ; en toen George halfweg den morgen even naar boven liep om haar iets omtrent de reis te vragen, vond hij haar, in een langen, over den grond sleependen, licht rose peignoir, met de armen op den rug de kamer op en neer loopen. Zij was zeer bleek; de fijne lipjes waren stijf opeengeklemd.
Verbaasd zag hij haar aan, en vroeg:
âWat is er, lieveling?quot;
âO, niets,quot; zei Letty sarcastisch , haar best doende een onverschilligen toon aan te nemen. âNiets bij-
240
zonders. Ik ben zooeven er juist achter gekomen op welke manier je mama tegen haar kennissen over mij spreekt. Ik mag wel vereerd zijn, wezenlijk, dat ze zooveel notitie van mij neemt! Maar ik vrees dat ik je zal moeten vragen, George, haar vriendelijk te verzoeken haar logeeren op Ferth nog wat uit te stellen, 't Kan voor ons s^een van drieën heel aanee-
O ö
naam wezen.quot;
George bleef eerst een paar seconden zijn knevel staan opdraaien en deed toen , als naar gewoonte, zijn best haar door kussen en schertsen tot bedaren te brengen. Bovenal wenschte hij niet te weten wit Lady Tressady gezegd had. Maar Letty had zich voorgenomen dat hij 't wèl weten zou. âIemand heeft haarquot; â begon zij snikkend,hem steeds vasthoudendââiemand heeft haar in een kamer vol menschen, hooren zeggen, gisteren, dat ik âeen heel lief gezichtje had, ja, nog al lief; maar o, zoo ordinair! â en zoo provinciaal! 't Was doodjammer dat die goeie George niet gewacht had tot hij eerst een paar maanden in Londen had gewoond. Maar och, men moest er zich nu in schikken !quot; quot;
Letty bootste haar schoonmoeder's lijzige, stem na terwijl zij dit aanhaalde. Een roode vlek brandde op beide wangen, de teere vingers omklemden George's arm.
â'k Geloof er niets van dat ze dit gezegd heeft,quot; zei George koel. âVan wie weet je 't?quot; De arm, die om haar heen geslagen was, viel slap naast hem neer. Letty wierp het hoofdje in den nek.
âDat komt er niet op aan! Ik moet zulke dingen weten; hoe ik er aan kom doet niets tot de zaak af. Ze heeft het gezegd; dat 's genoeg.quot;
âJa, het komt er wèl op aan,quot; wederlegde George haar terstond, naar een ander gedeelte van de kamer
241
loopend. âO Letty, als je die Grier, dat akelige mensch, woudt laten gaan! â Je weet niet hoeveel gelukkiger we zouden zijn!quot;
Hij zag haar aan met een mengeling van liefde en waardigheid, die haar trof, verbaasde en... . en . . . nog iets anders. Zij sloeg de groote, blauwe oogen naar hem op en riep:
âGrier? Mijn oude kamenier, waar ik zóó op gesteld ben?... En waarom, als ik vragen mag?quot;
George had den moed in zijn eisch te volharden, waarvan het gevolg was een hevige scène â hun eerste werkelijke boosheid â die eindigde dat Letty in tranen de vlucht nam naar boven en verklaarde dat zij niet meê ging. Hij kon naar Luton gaan als hij er zin in had; zij was veel te zenuwachtig en te moe om in een huis vol vreemden te komen.
De onvermijdelijke verzoening, met de gewone gevolgen van hoofdpijn en eau de cologne, nam veel tijd; ze moesten zich ten slotte reppen om klaar te komen en hun trein te halen.
Maar de storm had Letty's pleizier bedorven, en 't was voor George thans dubbel een vermoeiende corvée. Letty zat bleek en stil in een hoekje van den coupé, zich opetend van spijt dat ze geen dikkere voile had voorgedaan om de verwoestingen van den morgen te bedekken; terwijl George zat te bladeren in een politieke brochure, en hoe hij er ook tegen streed, telkens met zijne gedachten schuil ging in dien donkeren hoek diep in zijn binnenste . ..
âU bent de eersten,quot; zeide Mrs. Allison , terwijl zij op de lawn van het. kasteel Letty een stoel naast den hare aanbood. âAlleen Lady Maxwell en haar jongentje loopen hier of daar rond. De anderen konden eerst met een lateren trein komen. We hebben dus nog I. 16
een rustig uurtje samen , wat mij recht aangenaam is.quot;
âLady Maxwell ?quot; prevelde Letty. âIk wist niet dat u haar ook wachtte. â Wat een prachtigen dag hebben we toch ! En wat is het hier mooi!quot; riep ze luid , terwijl ze plaats nam en om zich heen keek. Het kleurtje keerde op de wangen terug; zij vergat haar voornemen om de voile neer te laten en sloeg ze reeds op.
Mrs Allison glimlachte.
âIn Mei is 't hier wel op zijn mooist! De rivier is dan zoo hoog en de zwanen zoo zuiver wit. â O, ik zie, Edgar heeft Sir George al meegenomen om ze brood te geven!quot;
En over de groene lawn heen, zag Letty een snel stroomende rivier en een troepje blanke zwanen, waaraan haar echtgenoot en een jongmensch in een licht zomerpak stukjes brood stonden uit te deelen â zeker Lord Ancoats, de gelukkige eigenaar van al dien rijkdom. Links van hen was een steenen bruggetje, met een hooge borstwering, aan den overkant der rivier staken groene heuvelen en bosschen af tegen een schitterend blauwe lucht. Rechts dat prachtige, antieke kasteel, met zijn gelige steenkleur. Letty begon het met veel uitroepingen en veel omhaal van woorden te bewonderen, haar best doend de juiste en mooiste bewoordingen te kiezen , ja, eigenlijk herhalend wat zij van anderen er over had opgevangen.
Haar gastvrouw hoorde met een vriendelijk glimlachje dien lof aan. Vriendelijkheid, ja, een droeve vriendelijkheid, sprak uit heel Mrs. Allison's persoon. Alles aan en om haar scheen daartoe mede te werken â het fijngevormde, grijze hoofd, de rimpels in het gelaat, de kleine gestalte, de eenvoudige zwarte japon, de witte handjes, die uit de kanten manchetten te voorschijn kwamen. Hare vrienden verge-
243
leken haar uiterlijk bij dat van een heilige. Wat hiervan zij, - ze had iets anders dan een ander, een eigenaardige etherische deftigheid, wat menigeen in gezelschap, die anders geen verlegenheid kende, tegen haar deed opzien. Letty had haar van het begin af aan gevonden om tegen op te zien.
Toch kon men zich geen grooter eenvoud in manieren denken. In antwoord op Letty's enthousiasme sprak zij dadelijk van haar eigen voorliefde voor het huis, en noemde de redenen waarom het vóórhaar zooveel aantrekkelijks had.
âIk zeg precies hetzelfde tegen allen die hier voor het eerst komen,quot; besloot zij lachend âIk ben niet knap genoeg om het thema een beetje te variëeren. Maar mijzelf verveelt het nooit. Kijk , dit front is in den stijl der Tu-dors; het zuidelijk front dateert van honderd jaar later; beide gevels moeten , volgens de mannen van 't vak, bijzonder mooi zijn. Is het niet merkwaardig dat twee personen, die honderd jaar na elkaar geleefd hebben, elk zoo iets bijzonder moois hebben tot stand gebracht ? De een heeft den ander geïnspireerd. En dan wij... armzalige, nieuwerwetsche luidjes! wij komen na hen en mogen wat zij ons hebben nagelaten zooveel mogelijk in eere houden, 't Is een groote verantwoordelijkheid, vindt u niet, in een mooi huis te wonen?quot;
âIk moet bekennen dat ik er niet veel verstand van hebzei Letty lachend: âwij wonen in zoo'n leelijk huis.quot;
Mrs. Allison scheen verbaasd en hernam;
âO, maar leelijke huizen hebben karakter; öf ze zijn mooi van binnen, öf menschen van wie men veel houdt, hebben er in gewoond. Dat alleen reeds zou van elk steenen gebouw een Mooi Huis maken ! â U woont immers bij Ferth?quot;
244
âJazei Letty, en ze liet er met een van haar liefste lachjes op volgen: âu zult het wel heel erg van mij vinden dat ik het zeg , maar heusch , er is aan dat huis geen zweempje mooi te bekennen ! 't Is net een zwarte steenklomp, die op een heuvel overeind gezet is. En dan zijn de dorpjes er om heen zoo leelijk!quot;
âJa,quot; sprak Mrs. Allison ernstig, âik ken die kolen-streek wel. En het soort van menschen ken ik ook. Begint u u al een beetje thuis te gevoelen onder dat volkje?quot;
âO, we zijn er alleen nog een paar weken na ons huwelijk geweest,quot; antwoordde Letty. âGeorge denkt dat er de volgende maand een formeele werkstaking zal uitbreken. Daarom zijn ze nu erg tegen ons; â op straat kijken ze ons bijna niet aan. Maat natuurlijk zullen we met Kerstmis toch wel een uitdeeling houden.quot;
Mrs. Allison's lip trilde, en zij zag het jonge vrouwtje aan met een blik, waaruit, hoe lief en zacht zij wezen mocht, de vrouw sprak , die naast een ruimen gezichtskring veel menschenkennis had. Wat een vreemd, hard gezichtje verborg die Lady Tressady onder dat perzikachtig waas! En welk een toilet! Mrs. Allison was niet afkeerig van een mooie japon, maar het omslachtige, men zou haast zeggen het opzichtige van Letty's kleeding maakte geen aangenamen indruk. Wat een tijd moest ze daaraan besteed hebben!
Luid vervolgde zij :
âJa, de werkstaking... Ik vrees ook, dat die onvermijdelijk is. Ancoats heeft er, niet ver van u, eenig land, dus hooren we er nu en dan van. De stakkers! Als die akelige agitators maar wegbleven, die hun allerlei moois in de toekomst voorspiegelen ! â Maar och, laat ons er liever niet over praten. Kijk, daar komt Lady Maxwell aan.quot;
245
En Mrs. Allison wuifde met de hand naar een fiere vrouwengestalte in het wit, die, met een kind achter haar aan dribbelend, in de verte zichtbaar werd.
âIs Lord Maxwell er ook ?quot; vroeg Letty.
âLord Maxwell komt later, 't Lijkt misschien een beetje vreemd dat hij Zondag hier is , want wij wachten morgen Lord Fontenoy, en de groote strijd zal al spoedig beginnen. Maar toen ik merkte dat zij geen andere afspraken hadden, en dat Lord Maxwell wel lust zou hebben te komen, heb ik er gauw van geprofiteerd om hen te vragen. Gelukkig kunnen bij ons, in Engeland, de heeren, die in de politiek tegenover elkaar staan , zelfs in dagen van crisis op onzijdig terrein samenkomen zonder dat men bang hoeft te wezen dat ze elkaar in 't haar zullen vliegen. Bovendien, Maxwell is een verre neef; hij is voogd geweest over mijn zoon; â een hartelijke, nauwgezette voogd ! Afgescheiden van zijn politieke beginselen stel ik hem zéér hoog. En haar ook. Ach, waarom toch zijn het altijd de beste menschen die het meeste kwaad doen!quot;
Bij het noemen van Lord Fontenoy was het Letty's beurt een vluchtigen blik op Mrs. Allison te werpen. Maar de naam werd zoo rustig, zoo natuurlijk mogelijk uitgesproken; toch, als men goed op den toon harer stem lette, klonk er iets ongewoons uit, zij het al niet alsof er een geheim achter stak.
âIs Lady Maxwell èok een vroegere vriendin van u?quot; vroeg Letty, die gaarne nog wat over dit onderwerp had blijven doorpraten en spijt had dat moeder en kind reeds zoo dichtbij waren.
âNeen, haar ken ik pas sedert haar huwelijk. De omgang tusschen haar en Maxwell is zoo boekachtig mooi! Alleen moest ze wat minder hartstochtelijk met hem meeleven in al wat hij doet en wenscht op politiek
246
terrein. Maar daarin is ze voor geen rede vatbaar! Ze is een tweede Maxwell in vrouwenkleeren. En dat, zeg ik, is zoo oneerlijk! Maxwell zonder schoonheid en zonder vrouwenkleeren is al erg genoeg in den strijd! Kijk dien kleinen jongen met zijn bloemen! Wat een allergrappigst kind toch!quot;
Toen verhief zij haar stem:
âMijn lieve Marcella, is dat loopen! Wat zul je moe zijn! Kom hier gauw wat in de schaduw zitten en drink een kopje thee!quot;
Tot antwoord hield Marcella lachend een bosje koekoeksbloemen en goudsbloemen omhoog, terwijl de kleine Hallin, met de eene hand zich aan haar rokken vasthoudend, in de andere een dito ruiker ophief ter bewondering. Het donkere gelaat der moeder had een kleur van gezonde vermoeidheid en van genot. Terwijl zij over het grastapijt liep, de witte japon in mollige plooien afhangend op den grond, de bloemen in haar hand, het kind naast haar, was zij een beeld van schoonheid, de lieftalligheid in persoon, lieftallig in al wat van haar uitging. Kracht en blijmoedigheid, vrede met zichzelve en met de wereld, reinheid van hart â wóar Marcella zich ook vertoonde, deze bracht zij met zich Het was als zag men hun vage, hemelsche gestalten om haar heen zweven.
Noch Letty noch Mrs. Allison konden de oogen van haar afhouden. Misschien gevoelde zij het. Maar al ware dit zoo, het bracht geen verandering in haar houding, in haar voorkomen.
Vriendelijk begroette zij Letty.
âU had niet verwacht mij hier te zullen zien, is 't wel. Lady Tressady? Ja, wat men 't minst verwacht, ziet men soms gebeuren!quot;
Toen legde zij de hand op Mrs. Allison's schou-
247
ders, boog zich naar haar kleine gastvrouw en riep vroolijk:
âWat een verrukkelijke dag en wat een verrukkelijk oord! Hallin en ik zijn steeds heuvel-op heu-vel-af gehold. En hij wordt zoo'n botanicus, die kleine ondeugd! Hij vond het niets goed dat ik den naam van een bloem vergeten had dien we gisteren in 't plantenboek opgezocht hebben quot;
âMoesje zei 'twas âKruip-door-den-tuinquot;, maar dat 's niet waar, 'tis Lieve-Vrouw-Bedstroo,quot; zei Hallin ernstig, een paar bloemen omhoog houdend.
Mrs. Allison schudde het hoofd, als wilde zij zeggen dat dit een groote fout was, en voegde er bij;
âJa, Moesje moet haar les beter onthouden, dat vind ik ook! Kijk, ga eens naar Lady Tressady en geef haar een handje.quot;
Hallin gehoorzaamde met den grootsten ernst. Toen, op één voetje staande, ietwat voorover gebogen van ter zijde haar aanziende, stak hij een klein, vuil vingertje uit en zei, op haar japon wijzend:
âGaat u naar een partij ?quot; . ..
âHallin,quot;'riep zijne moeder eensklaps, âkom gauw een glas melk drinken.quot; Daarop wendde ze zich tot Letty, en zei, met dien onweerstaanbaren glimlach, die Maxwell reeds zoo menigen vriend bezorgd had;
âIk schaam me heusch om het te zeggen, Lady Tressady, dat hij mooie kleeren niet kan uitstaan. Hij wilde niet met mij gaan roeien, voor ik mijn kanten mantille afgedaan en aan een struik gehangen had. En ik weet vooruit, dat hij niet eer lief en handelbaar wordt voor we beiden ons weer in onze oude plunje hebben gestoken, waarin we thuis er als een paar vogelverschrikkers uitzien.quot;
248
âOch, kinderen voelen zich altijd het meest op hun gemak als ze niet netjes behoeven te zijn op hun goed,quot; zei Letty, beleefd, die het prettig vond op een zoo familiaren voet te zijn met de beide dames. âWat heeft hij mooie bloemen ! Hij schijnt dol op bloemen 1quot;
Meteen ging zij naast Hallin zitten, en nam alle middelen te baat om goede maatjes met hem te worden, wat echter niet gemakkelijk scheen Want toen zij zijn bouquet prees, was het eenige wat Hallin zeide, met een mond vol tulband: âO, die van moes is veel grooter! ; als zij hem een koekje aanbood, duwde het kind het geregeld van zich , hield haar arm vast, een eind van zich af, tot zijn stomme blik over de tafel heen zijn moeder een toestemmend knikje had ontlokt; en ten slotte, toen zij hem aan het praten wilde krijgen, door hem de namen te vragen van al de bloemen die hij geplukt had, was tot haar verbazing zijn eenig antwoord, terwijl hij zich nauwelijks den tijd gunde om een woord te spreken:
âWie is... wie is dat? Bill Stichers?quot;
âWie Bill Stichers is?quot;... herhaalde Letty. âWat meen je daarmeê, ventje?quot;
Zelfs zijne moeder keek verbaasd.
Maar Hallin, die Letty strak bleef aankijken, en gauw een stukje naar binnen slokte om te kunnen praten, herhaalde zijn vraag.
âWie is dat, Bill Stichers? Waarom wordt hij ver... vervolgd ?quot;
Hij kon het vreemde woord nauwelijks uitspreken. Marcella lachte hartelijk en legde Letty uit dat Hallin, toen zij 's morgens door Londen reden, met van het raampje was af te slaan, en alle advertentieborden en aankondigingen had willen lezen. Zoo het scheen had âBill Stichersquot; toen zoo-
2 49
veel indruk op hem gemaakt, dat hij om geen uitleg had kunnen vragen maar er steeds over was blijven soezen , tot hij nu, in de tegenwoordigheid van die vreemde dame in haar mooie japon, plotseling zijn hartje lucht gaf.
Letty vond het een vervelend, bedorven kind; ze gaf het eindelijk op te trachten hem voor zich te winnen, zeer tot Hallin's blijdschap. Hij drong zich steeds dichter tegen zijn moeder aan, stopte de handjes in haar zak, en liet zich de menigvuldige lekkernijen goed smaken, die Mrs. Allison hem bood.
âWat komen ze laat!quot; zei Marcella, op haar horloge kijkend. âNoem mij nog eens op wie je wacht.quot; Vriendschappelijk legde zij de hand op Mrs. Allison's knie. âJe weet je gasten altijd zoo aardig bij mekaar te brengen.quot;
Op Mrs. Allison's gelaat vertoonde zich even een blosje, als deed dit compliment haar plezier. Lachend begon ze eenige namen te noemen.
âLord en Lady Maxwell ...quot;
âO ho,quot; viel Marcella haar in de rede, âhoe minder je daar van spreekt, hoe beter! Verder.quot;
âLord en Lady Cathedine.quot;
Marcella trok een gezicht.
âDat arme mensch! Ik denk als ik haar zie altijd aan de koningin uit âAlice in het Tooverlandquot;. Een beetje vriendelijkheid en papillotten zouden haar goed doen. Ze is zoo slap, zoo magertjes, zoo somber! En haar man! Zeg, is er niet een race, een of andere wedstrijd, waar we hem heen kunnen sturen ?quot;
Mrs. Allison legde den vinger op haar mond met een dreigend:
âIk noem verder geen een van mijn gasten, als je zooveel aanmerkingen hebt!quot;
250
Marcella maakte zich van de fijne, zachte hand meester en beloofde:
âIk zal heel zoet zijn! Waarom heb je hier ook zoo'n opwekkende lucht? Ze stijgt de menschen naar 't hoofd!quot;
Lady Tressady hoorde dit schermutselen aan, een en al verbazing. Nooit had zij gedacht dat Lady Maxwell zoo kinderlijk opgewonden kon zijn. Maar Letty kon ook niet weten dat Mrs. Allison een der weinigen was tegen wie Marcella zich dus ongekunsteld uitte.
âSir Philip Wentworth,quot; vervolgde Mrs. Allison, glimlachend. âZeg van hem iets onaardigs, als je kunt!quot;
âBreng me liever niet in verzoeking! Wat een geluk dat ik een deeltje van zijn âIndische Studiënquot; meegenomen heb! Ik ga een beetje vroeg naar boven en lees ze voor het eten nog eens door.quot;
âMadeline Penley en Elisabeth Kent!quot;
Onwillekeurig ontsnapte Marcella een gebaar van afkeuring. Toen richtte ze zich in haar volle lengte overeind, legde de handen op haar schoot ineen en zei deemoedig;
âLuister eens. Ben je van plan mij dezen keer tegen Lady Kent in bescherming te nemen? Want de vorige maal heb je mij schandelijk aan mijn lot overgelaten!quot;
Mrs. Allison lachte hartelijk.
âIntegendeel. We vonden die schermutselingen van jullie in November zoo aardig; we zullen ze in Mei stellig weer uitlokken.quot;
Marcella schudde het hoofd.
âIk heb heusch op 't oogenblik de kracht niet zelfs met een vlieg in het strijdperk te treden! En Aldous! . .. Zeg, je moogt zijn dame aan tafel wel
waarschuwen dat er alle kans is dat hij zijn hoofd op haar schouder legt en indommelt!quot;
âArm schepseltje!quot; Mrs. Allison stak haar meewarig de hand toe. âIs ze zoo moê? Maar waarom ook wil je de heele wereld 't onderste boven keeren !quot;
Marcella nam even de hand tusschen beide de hare, en vroeg:
âWaarom kant jij je altijd tegen verbeteringen?quot; De oogen der beide vrouwen ontmoetten elkaar, niet zonder een opwelling van ernstigen hartstocht. Toen liet Marcella de hand los en zei lachend: â't Kasteel Luton is nog niet vol. Wie nog meer?quot; âOch, nog een paar jongelui, â Charlie Na-seby.quot;
âEen aardig jongmensch, heel aardig, â niet half zoo dom als hij er uitziet. En dan de Levens! â dat de Levens komen, weet ik! Betty heeft me zelf verteld dat ze zich gauw van twee andere invitaties afgemaakt hebben toen de uwe kwam.quot;
âZoo ? ... Dan nog Mr. Watton; â Harding Watton.quot; Mrs. Allison keerde zich, nu zij dezen naam noemdet meer naar Lady Tressady.
De uitroep op Lady Maxwell's lippen werd teruggehouden door iets dat zij op het gezicht harer gastvrouw zag, terwijl Letty vol vuur er op inviel:
âKomt Harding?... mijn neef? Dat vind ik aardig! Ik mag zoo iets misschien niet zeggen , maar o, 't is zoo'n knappe, aardige jongen! Maar 'tis waar, u kent de Wattons, Lady Maxwell?quot;
Marcella was druk bezig met voor Hallin een glas melk in te schenken. Zij wendde het hoofd om. keek Letty vlak in het gelaat, en antwoordde:
âIk ken Eduard Watton, ja. Die is een groot vriend van mij.quot;
âO, maar Harding is veel knapper!quot; zei Letty.
252
En blijde dat zij den bal van het gesprek in de hand had, en in de gelegenheid was een harer familieleden op te hemelen in deze wereld zoo ver boven de hare, begon zij op een overdreven manier â met alle mogelijke bijvoegelijke naamwoorden en superlatieven â te vertellen van Harding Watton's voortreffelijkheden, wat Lady Maxwell zwijgend aanhoorde.
âIn 't geheel geen tact!quot; dacht Mrs. Allison, die zich vreeselijk ergerde, doch geen kans zag den woordenstroom te stuiten. Feitelijk was het haar geheel ontgaan dat zij Lord Fontenoy verlof gegeven had Harding te inviteeren, en het ontstemde haar nu dat hij met de Maxwells onder één dak zou zijn. Want Harding Watton was kort geleden Lord Fontenoy's helper en woordvoerder geweest in een courantenartikel, waarin èn de Bill, èn Maxwells persoon aangevallen werden op een wijze die zelfs Mrs. Allison afkeurde en veroordeelde. Enfin, het was buiten haar schuld gebeurd. Maar Lady Tres-sady had beter moeten weten, had beter op de hoogte moeten zijn dan zoo door te slaati. Zij wilde juist iets zeggen, toen Marcella de hand ophief met een:
âDaar hoor ik de rijtuigen!quot;
De gastvrouw liep gauw naar huis, gevolgd door Marcella met Hallin aan haar rokken. Letty zag Lady Maxwell na met dezelfde mengeling van bewondering en jaloersche afgunst die zij zoo dikwijls voelde. âIk geloof nooit dat ik met haar zal opschieten,quot; prevelde zij ongeduldig. âMaar 't kan mij ook eigenlijk niet schelen George heeft het met haar wel bij 't rechte eind gehad.quot;
Een gedeelte van deze stille overpeinzingen was niet volkomen waar. Letty's eerzucht zou zéér gevleid
253
zijn geweest zoo zij had kunnen âopschietenquot; met Lady Maxwell.
* *
*
Juist was Letty gekleed voor het diner, en Grier, hare kamenier, uit de kamer verdwenen, toen George bij haar binnentrad. Zij stond voor een psyché de laatste hand te leggen aan haar toilet â hier iets gladstrijkend, daar een speld stekend, nu naar dezen dan naar dien kant zich keerend. Zelt ongezien , stond George haar te bekijken ; â het gezichtje, nu eens met een uitdrukking van ongeduld en boosheid, dan van tevredenheid; het bevallige figuurtje zich verliezend in de glanzende plooien van de prachtige trouwjapon waarin ze zich getooid had.
Hij echter was evenmin gelukkig als opgewekt. Toch was hij gekomen met het gevoel dat hij iets doen moest, dat hij véél moest doen, wilde hij hun jong huwelijksleven weer zoo zacht en heerlijk maken als hij eens gedacht had dat het altijd wezen zou, â wat nu zoo moeielijk scheen. Als het onmogelijk bleek', â wat dan? Hij deinsde verschrikt terug, haast boos op zichzelf. Hij zou het zichzelf nooit vergeven! Wat had hij niet dikwijls gelezen dat het eerste jaar in het huwelijk het moeielijkste is. Natuurlijk was het moeielijk. Twee verschillende karakters kunnen niet zonder wrijving, zonder warmte één geheel worden. Laat hij slechts zijn best doen.
Hij liep dus naar haar toe en sloeg zijn armen om haar heen.
âO, George! Mijn haar! Pas op mijn bloemen!quot;
âDat komt er niets op aan,quot; zei hij, bijna ruw. âLeg dat hoofdje daar eens neer! Zég eens gauw dat je 't akelig vindt wat er vandaag gebeurd is.
254
net als ik! Zeg eens gauw dat er nooit een tweede moment zoo komen mag! Beloof 'tme!quot;
Zij gevoelde het kloppen van zijn hart onder haar wang. Maar zij zweeg. Zijn dringende stem, zijn ongewone aandoening, verlevendigden in haar al de ergernis en boosheid die zij nimmer geheel van zich kon afzetten. Alles was goed en wel; maar waarom moesten zij het zoo overleggen en zich bekrimpen ? Waarom moest iedereen â Mrs. Allison, Lady Maxwell, en honderd anderen â rijker zijn, meer kunnen doen, ruimer zich bewegen dan zij? 't Was gedeeltelijk zijne schuld.
Zij trok dus voorzichtig haar hoofdje terug, duwde hem met het gehandschoende handje een eind van zich af, en zei pruilend:
âNu ja, ik vind al dat gekibbel óok heel vervelend. Maar och!... Toe George, laat ons er nu liever niet meer over praten! Kijk eens hoe je mijn haar in de war hebt gebracht, stoute jongen!quot;
Maar al noemde ze hem âjongenquot;, ze trok met een knorrig gezicht de handschoenen uit, om goed te maken wat hij bedorven had.
George begroef zijne handen in zijne zakken , liep naar het raam en wachtte tot zij klaar was. Toen hij achter haar sleep aan de breede staatsietrap afdaalde, wenschte hij het kasteel Luton met al zijn gasten naar de maan. Welk plezier was er toch in dat malle gebuig en geposeer op die buitenpartijen! En nu hoorde hij van Letty dat de Maxwells er ook waren!
Wat 'n gêne voor iedereen!!
2 5 5
ELFDE HOOFDSTUK.
âDie dame naast Sir George ? â Wat zegt u ? Lady Maxwell ?. . . Die aan den anderen kant ? .. . O , dat 's Lady Leven. Kent u haar niet? 'n Alleraardigst vrouwtje!quot;
De jonge man, met zijn roode wangen en donkere oogen, die naast Letty zat, knikte en glimlachte over de tafel heen naar Betty Leven, als om deze aan zijn bestaan te herinneren. Zij hadden elkaar voor het diner begroet op de manier van oude vrienden.
Daarna keerde hij zich, als herinnerde hij zich plotseling de eischen van het decorum, tot deze Lady Tressady, die hij naar de eetzaal had moeten geleiden.
â'n Aardig kopje, maar nog al... ja, nog al ordinair!quot; had hij bij zichzelf gezegd, op koel criti-seerende manier, gevolg van veel omgang met het beste van de Kermis der IJdelheid. Hij was in Eton Ancoats' intimus geweest, en genoot thans zijn leven als Garde-officier, maar nog meer â gelijk Letty natuurlijk dadelijk begreep â als lid van dè uitgaande wereld der Engelsche aristocratie. Zij wist dat hij een Lord Naseby was, en eenmaal markies wezen zou. Derhalve was zijn hoofd omgeven door een stralenkrans. Door langdurige ondervinding wist zij hoe met de mannen om te gaan, en nu zij zijn eigenliefde wilde streelen, geschiedde dit slechts indirect door steeds taquineerend , aanvallenderwijs , te werk te gaan, wat hem voortdurend zich met haar bemoeien deed.
âU lijkt wel een levende Almanac de Gothaquot; riep zij eindelijk, toen hij haar een korte biographic had gegeven, eerst van Lord Cathedine, die
256
tegenover haar zat, en daarna van al de leden van het gezelschap. âIk wou dat ik u ?an mijn waaier kon hangen als ik naar een diner ga.quot;
âOch,quot; klonk het laconiek, âu zult eens zien hoe gauw u weet wat u weten wilt.quot;
âNeen, zeker niet! Hoe zouden eenvoudigfe York-shiresche menschen den weg weten in deze voorname wereld? U hangt allen zóó verschrikkelijk aan en in mekaar! Ten eerste: u trouwt onder elkaar.quot;
âKom, doen we dat heusch ?. . . Ofschoon ik niet begrijp wie u met âuquot; bedoelt! Maar men moet toch met iemand trouwen, zou ik denken, en met een nichtje is 't verreweg 't gemakkelijkst.quot;
Onwillekeurig dwaalden de oogen van den spreker naar een mooie blondine tegenover hem in een prachtige zwart zijden japon. Het jonge meisje maakte veel gebruik van een grooten, zwart veeren waaier, die het haar en het frissche teint wonderwel deden uitkomen; soms lachte zij hartelijk, ietwat zenuwachtig, om de grappen van Sir Frank Leven.
Letty ontging die blik niet. Vlug klonk haar antwoord :
âMaar u hebt uw sporen nog niet verdiend, alles behalve! Dat is immers Lady Madeleine PenleyPIs zij familie van Mrs. Allison ?quot;
âJa, ze is een nichtje. Die dame, daar, naast den armen Ancoats, is haar moeder, Lady Kent. Dat is me een gewikste! Als 't diner afgeloopen is, weet ze haarfijn alles van Ancoats wat ze weten wil, plus het hoe en waarom.quot;
âIs Lord Ancoats dan zulk een merkwaardigheid.'' ' vroeg Letty, met een vluggen blik het zwarte front den scherpen neus, den van juweelen schitterenden hals opnemend eener ietwat luidruchtige, alles behalve sympathieke oude dame, die rechts van den gastheer zat.
257
De uitdrukking die hare vraag op het gezicht van den jongen Naseby te voorschijn riep, wekte haar nieuwsgierigheid op. Het was als onderdrukte hij eene opmerking die hij had willen maken ; toen zei hij terloops:
âOch, iedereen is een merkwaardigheid in de oogen van Lady Kent.quot;
Maar het ontging Letty niet dat zijn oogen nu eens afdwaalden naar Lord Ancoats, dan weer naar Lady Madeleine. Hij scheen hen steeds te observee-ren, en Letty was slim genoeg om te begrijpen waarom. Zeker was dat mooie, aristocratische meisje hier om âde revue te passeerenquot;. Wie weet met hoeveel jonge dames dit gebeurde, eer deze jeugdige sultan een keus deed! â Tusschen twee haakjes: hij moest vrij wat ouder wezen dan George dacht. Zeker was hij al een jaar of wat van de academie. Wat 'n vreemd uiterlijk! Een klein ineengedrongen gezicht, met uitpuilende, blauwe oogen; roodachtig krulhaar, in een zware kuif boven het bleeke voorhoofd opgekamd; een spitse kin en puntig uitstaande knevels, wat hem gelijken deed op een oud Fransch portret Hij was klein van gestalte, maar tevens gespierd en lenig. Een paar mooie, ouderwetsche ringen trokken de aandacht tot de fijne handen; in zijn manieren trof haar iets ontevredens, iets prikkelbaars. Letty zag onwillekeurig met zekeren eerbied tot hem op, meer als de zoon van Mrs. Allison dan als de eigenaar van het kasteel Luton, met een jaarlijksch inkomen van vijftig duizend pond. Maar ware hij niet de heer van het kasteel Luton geweest, misschien zou ze dan gedacht, en het ook uitgesproken hebben, dat hij een ongunstig voorkomen had, een Bohémientype.
âKent u Lady Kent dan nog niet?quot; vroeg Lord
I. 17
258 â
Naseby, den draad van het gesprek weer opvattend.
- Hij was eigenlijk te traag om een gesprek gaande te houden. â âHoe is 't mogelijk! Ik dacht dat zij iemand was wie iedereen in het Vereenigde Koninkrijk kende!quot;
âJa, ik heb haar natuurlijk vroeger wel ontmoet gaf Letty onverschillig ten antwoord, â helaas! niet naar waarheid. âMaar u zult haast niet willen ge-looven dat ik maar driemaal een kort seizoen in Londen heb meêgemaakt; tweemaal bij een oude tante in Cavendish Square, die in 't geheel niet uitging, â 't goeie mensch! â en eens bij Mrs. Wat-ton van Malford.quot;
âO, Mrs. Watton van Malford,quot; herhaalde Lord Naseby, afgetrokken. Eensklaps merkte hij dat Lady-Leven, aan den overkant van de tafel, hem wenkte. Hij boog ietwat naar voren, en er ontstond een paar minuten een kruisvuur van plagerijen, waar Letty niets van begreep.
Letty was diep beleedigd; ze vond dit hoogst ongepast, wierp het hoofdje in den nek, en nam haar anderen buurman eens op, een ex-Gouverneur. Zij zag het gele, verouderde type en het vroeggrijze haar van iemand die het slachtoffer is geweest van het klimaat in de tropen , toch een mooie kop, met een innemenden glimlach. Bij Sir Philip Wentworth geen nood van de jongensachtige pietlutterigheid van Lord Naseby! Hij bemerkte niet zoodra dat een aardig jong vrouwtje graag met hem praten wou, of hij kwam terstond haar wenschen tegemoet. Bovendien hoorde hij dat zij de vrouw was van âdien krani-gen, veelbelovenden Tressadyquot;, dien hij in Indië gekend, en met wien hij zooeven â voor het diner
â de kennis alleraangenaamst hernieuwd had.
Hij sprak dus tegen de echtgenoote met ingeno-
259
nienheid over Tressady's kunde en Tressady's toekomst. Letty vond het in 't eerst plezierig. Langzamerhand echter maakte een vreemd, onaangenaam gevoel zich van haar meester.
Haar oogen dwaalden af naar het boveneind der tafel, waar George zat te praten â ja! wezenlijk druk zat te redeneeren, en met een gezicht alsof hij 't prettig vond â met Lady Maxwell, die, met haar prachtig hoofd en fraai-gevormden hals, boven een zilverwit satijnen japon uitkomend, niet onder deed voor een grooten Van Dijck, eene markiezin Balbi, uit Genua, die achter haar hing.
Ei! ... spraken en dachten andere menschen op die manier over George ? Letty voelde een oogen-blik, met een zweempje zelfverwijt, dat zij zelve zich daar niet veel om bekommerd had sedert haar huwelijk, of neen, eigenlijk niet sedert haar engagement. Zij had dit beschouwd als iets dat van zelf sprak, dit feit dat hij âongewoonquot; was; â 't was de hoofdreden waarom ze hem genomen had. Evenwel , 't was haar alsof ze tot nog toe nooit één oogen-blik met hare gedachten had stilgestaan bij die zijde, bij die elementen van zijn leven, die de menschen over hem praten deed gelijk deze oudgast.
Gordijnen, kleeden, toiletten, meubels; verbeteringen op Perth; de plaats door haarzelve in de wereld in te nemen; de beste manier om Lady Tressady op een afstand te houden, aan al zulke dingen had zij gedacht, en véél gedacht. Maar George's nobele illusies voor zijn toekomst, de achting welke hij van een ieder genoot, de plaats die hij zich zou veroveren in de politieke wereld â aan dergelijke gedachten was haar bekrompen geest in het geheel niet gewend. Even prikte er iets binnen in haar, even liet haar geweten flauw zijne stem hoo-
200
ren, toen werd zij bous, ontstemd tegen iedereen.
Toch kon ze niet laten telkens eens naar George te kijken. . . Hij zag er bleek en vermoeid uit, hoe druk hij ook zat te praten... Welnu, zij zag zelf waarschijnlijk óok bleek. Een paar uitdrukkingen en zinnetjes uit hun gekibbel van dien morgen stonden haar eensklaps voor den geest. In deze prachtige zaal, vol schilderijen van beroemde kunstenaars en vol historische herinneringen, te midden van zooveel weelde en kunst, was die scène dubbel onaangenaam om aan te denken. Onder de oogen van Van Dijck's Marchesct zou men zichzelve zoo gaarne voorstellen in een altijd waardige, deftige houding, altijd elegant, en zichzelve beheerschend.
Eensklaps keerde het blaadje bij Letty om. Ze lachte zichzelf uit en dacht:
âAlsof al die menschen niet eveneens wel eens boos zijn en kibbelen over geld! Natuurlijk zij net zoo goed als een ander! En doen ze't niet â welnu,, iedereen zal me toestemmen dat 't niet moeielijk is altijd lief en goed te wezen met een inkomentje van vijftig duizend pond.quot;
* *
*
Na afloop van het diner bracht Mrs. Allison hare gasten naar âde Groene Zaalquot;. Deze, aan alle kanten behangen met familieportretten van Gainsborough , was het neusje van den zalm op het kasteel. Marcella vooral was een en al verrukking en riep bij het binnentreden tot Mrs. Allison:
âWat een gelukkige menschen! Nooit kom ik in deze zaal, of ik vraag mezelf af of ik wel geschikt gezelschap voor hen ben! Ik kan 't niet laten even naar mijn japon te kijken; ik ben bang dat wat ik
2ÃI
doe of zeg niet geheel onberispelijk is; ik zou de menuet willen dansen . .
âHè ja!quot; stemde Betty Leven in, naar een groot schilderij loopend, een familiegroep, die bijna geheel den wand aan het eind der zaal innam. âWat voelt men zich toch min en onbeduidend zonder zoo'n kanten mutsje of dat gepoederde haar! âzonder die prachtige lubben, die groote kragen, die uitstaande rokken! Toe, Mrs. Allison, mag mijne kamenier hier morgen eens komen kijken terwijl wij aan tafel zitten, en het patroon van die manchetten nemen? Neen, neen, wees maar niet bang! 't Zou heiligschennis zijn, ik weet 'twel!quot; â dit laatste was tegen een der figuren op het schilderij gericht, een jong meisje in het wit, fijn van armen en hals, die zoo sterk naar voren kwam, dat het bijna was als stond zij buiten de lijst en in de kamer. âToe, kom jij hier eens wat met mij praten. Denk nu eens niet aan je vader en moeder daar bij je. je hebt hen nu al honderd jaar lang gehoorzaamd, die suffe, vervelende menschen! Toe, vertel ons eens eenige geheimen. Vertel ons wat je in deze kamer gezien hebt; van dwazen die verliefd waren, van treuri-gen die afscheid namen ..
Betty lag op een laag stoeltje geknield, de fraai geronde armen op de gebeeldhouwde leuning, de oogen half lachend, half met weemoed op het aanvallige meisje van het schilderij gevestigd.
Eensklaps trad Lady Maxwell op haar toe. Letty hoorde haar zeggen, terwijl ze de hand op Lady Leven's arm legde:
âBetty! houd je toch stil! Hier, in deze zaal, heeft hij haar gevraagd, hier ook heeft hij afscheid van haar genomen. Maxwell heeft 't me dikwijls verteld. Ik geloof zelfs dat ze hier nooit komt; â al-
202
leen officieel, en als ze veel gasten te gelijk heeft.quot;
Op het levendige gezichtje van Lady Leven kwam eensklaps eene uitdrukking van schrik, terwijl ze een schuwen blik wierp naar Mrs. Allison. Deze zat alleen, recht voor zich uit starend, de handen op den schoot ineengestrengeld. Betty ging er dadelijk heen en zat een oogenblik later op een laag stoeltje naast haar druk te babbelen, om afleiding te geven aan haar gedachten.
Intusschen stelde Marcella Lady Tressady voor bij haar op de canapé te komen zitten onder het groote familiestuk.
Letty volgde, schikte haar satijnen japon in de bevalligst mogelijke plooien, zette een der kleine voetjes op een Louis Quinze voetbankje â dat er voor gemaakt scheen â en liet zich toen op een slimme manier op de hoogte brengen van het kasteel en het geslacht.
Aan 't begin van het gesprek bleek duidelijk dat Lady Maxwell wenschte op een aangenamen voet te komen met het jonge vrouwtje. Een vriend, die haar had kunnen gadeslaan, zou uit hare houding begrepen hebben dat zij haar best deed een vreemde zich op haar gemak te doen gevoelen in een huis en in een kring, waar zij zelve een familiare gast was. Betty Leven, die, van een ander gedeelte der zaal, het tweetal in het oog kreeg, zeide bij zichzelf, in stilte er om lachend, dat Marcella bezig was âde vrouw te peilenquot;.
Wat hiervan zij, een poos lang sprak Marcella druk en levendig, met animo zelfs, tot haar nieuwe kennis. Allereerst vertelde zij een en ander van de gastvrouw.
Dertig jaar geleden was Mrs. Allison, dochter en erfgename van een Leicestershireschen graaf, gehuwd
203
met Henry Allison , tweede zoon van den ouden Lord Ancoats, een jong kapitein van de Garde. Drie gelukkige jaren brachten zij met elkaar door; toen riepen de plichten, dieâ-volgens de opvatting van twee hooggestemde naturen â de soldatenloopbaan met zich brengt, Henry Allison naar een onbekende Afri-kaansche kust, om in een der tallooze kleine oorlogjes van zijn land mede te vechten. Hij viel, door een vijandelijke speer getroffen , op een verkenningstocht door een moerassige streek; en een paar dagen later doorboorden de woorden van een telegram van het Ministerie van Oorlog het hart eener verlangende echtgenoote.
De dood van den ouden Lord Ancoats, die een paar maanden later volgde, werd verhaast door den schok van het overlijden zijns zoons; eer dat jaar om was stierf ook de oudste zoon, die ziekelijk was en ongehuwd , en Mrs. Allison's jongen, een tweejarige knaap, werd de eigenaar van het kasteel Luton. De moeder begreep dat voortaan haar eerste plicht was niet aan haar droefheid toe te geven, een eind te maken aan haar vroom en afgezonderd leven, en haar kind te brengen naar het koninkrijk waar hij over heerschen zou om hem daar op te voeden.
âEn twee-en-twintig jaar heeft zij hier een merkwaardig leven geleid,quot; aldus Marcella. âZij is feitelijk koningin over een geheele provincie, doende wat zij goed vindt om te doen, de moeder en vriendin en heilige van een ieder. Het is alles heel moederlijk en mooi geweest en... afschuwelijk Tory-achtig en tyranniek! Vele menschen juichen dat, geloof ik, zeer toe. Ik niet. Maar och, ik weet wel dat ik onmogelijk een tiende part het zoo oneens kan zijn met haar als zij het is met mij!quot;
264
âO neen, zij is vol bewondering voor u!quot; riep Letty met vuur. âZij vindt dat u alles zoo edel opvat!quot;
Marcella zette onwillekeurig groote oogen op; ze begreep niet wat Lady Tressady daarvan weten kon, en antwoordde, ietwat droog:
âJa, een hekel hebben we niet aan elkaar, niettegenstaande de politiek. En mijn man is Ancoats' voogd geweest.quot;
âHè!quot; riep Letty. âDat moet niet gemakkelijk geweest zijn vijftig duizend pond 's jaars te admini-streeren!quot;
Marcella gaf geen antwoord; eigenlijk luisterde ze niet. Haar oog was afgedwaald naar Mrs. Allison â met een uitdrukking van liefde en weemoed, in 't geheel niet bestemd voor Lady Tressady. Maar Letty merkte het op en zei;
âIk geloof dat zij dol op hem is.quot;
Marcella zuchtte.
âIk heb het nooit zoo gezien ! Men wordt er wezenlijk akelig van.quot;
âEn dat is dus de reden waarom zij niet met Lord Fontenoy trouwt?quot;
Marcella schrikte; zij schoof een weinig van Letty af en antwoordde stijf:
âIk weet het niet; â ook denk ik niet dat iemand het haar ooit heeft durven vragen.quot;
Letty liet zich echter niet uit het veld slaan en ging vroolijk voort: âIedereen zegt het toch! Dat maakt het juist zoo aardig hier te komen, als men Lord Fontenoy zoo goed kent.quot;
Marcella hoorde dit met een ontmoedigend stilzwijgen aan.
Doch Letty had zich vast voorgenomen ditmaal indruk te maken. Beurtelings veroorloofde zij zich een levendige, soms gedurfde opmerking over ieder-
205
een in de kamer, deed allerlei intieme of impertinente vragen, en toch zelden wachtend op Marcella s antwoord, zoozeer was zij er op gesteld te toonen dat zij ook wel wat wist en te zeggen wat zij vond. Zij gaf Marcella niet onduidelijk te kennen , dat zij allerlei vermoedens had ten opzichte van die mooie Lady Madeleine, 't Was vreeselijk interessant, zeker, maar... was Lord Ancoats niet een klein beetje een vroolijk heer? â zij boog zich naar voren en fluisterde Marcella iets in 'toor; â dacht men dat hij zich gauw een beetje zou rangeeren? Waren er niet allerlei akelige praatjes in omloop van vriendinnen in de theaterwereld en meer dergelijke? Trouwens â wat kon men ook anders van hem verwachten?! Alsof een jongmensch in zijn positie niet een beetje plezier in zijn leven hebben mocht! Daar moest zijn moeder zich in zien te schikken! Eenmaal kwam het wel terecht. Zie maar Lord Cathedine!
En met een air als was ze geheel op de hoogte ging ze Lord Cathedine's leven na, op slimme manier uitwerkend allerlei kleinigheden, die Lord Naseby haar aan het diner had verteld of had laten doorschemeren. Die arme Lady Cathedine ! Ze zag er dan ook uit als een wandelend geraamte, met dien vreemden , melancholieken trek op haar gezicht! En zoo mager! Enfin, 't was wezenlijk geen wonder ! En als men daarbij hun financieele moeielijkheden rekende!
Lady Tressady haalde medelijdend de blanke schouders op.
Intusschen dwaalden Marcella's zwarte oogen zoekend door de kamer, als zocht ze een middel om te ontsnappen Betty zag het van uit de verte , en begreep dat ze met het âpeilenquot; reeds tot een resultaat gekomen was. Een oogenblik later stond zij met
206
een gltmlach het hoofdje schuddend, van haar plaats op en kwam hare vriendin te hulp.
Ook Mrs. Allison, gevoelend dat zij in haar gastvrouwelijke plichten te kort schoot, stond op , om Lady Tressady voor te stellen aan eene dame in een eenvoudig grijs toilet, die stil in een hoekje platen en photographieën zat te kijken , â steeds in haar eentje, vreesde Mrs Allison. Marcella , die ook haar plaatsje op de canapé verlaten had , stak Betty de hand toe en de beide dames drentelden te zamen de zaal door.
Op den dorpel van een groot raam, op zijde van de kamer, dat wijd open stond, bleven zij staan. Een breede, hooge stoep leidde naar een op Hol-landsche wijs aangelegden tuin. Tallooze kleine bloemperken staken, in het heldere maanlicht, stijf er prenterig af tegen het witte kiezel. Men kon zelfs de kleuren der tulpen en hyacinthen onderscheiden, die de stille avondlucht van hun geuren vervulden. Aan het eind van dezen ietwat stijven tuin-aanleg deed een groep slanke cypressen en hulsten, zwart afstekend tegen de lucht, aan Italië en aan het Zuiden denken, en door de taxis-hagen die het tuintje insloten, zag men hier en daar, door een als poort gesnoeide opening, groote, uitgestrekte En-gelsche lawns en , heel in de verte, de rivier glinsteren.
âWel ?quot;. . . zei Betty lachend, haar arm door dien van Marcella stekend, toen zij voor quot;het open raam stonden, ânu heb je toch wezenlijk eens je plicht gedaan! Je verdient een prijsje, hoor! En dubbel, omdat ik wel merk dat je juist niet verrukt bent van Lady Tressady. Maar je moest heusch je gezicht wat zien te beheerschen, kindlief! Ik, die aan 't andere eind van de zaal zat, weet precies hoe je over de persoon denkt met wie je praat.quot;
267
âZoo?quot;... zei Marcella verschrikt. âDat spijt me erg!
â'k Begrijp het best; want het helpt de politieke dame niet om te hooren wat ze hooren wil. Maar och, ik geloof niet dat Lady Tressady er reeds achter is dat je op hiar niet bijster bent gesteld. Ze heeft geen dunne huid ! Als je met zoo'n gezicht tegen mij gesproken hadt, ik zou je wel!... Maar, hoe vindt je ze nu ?quot;
âOch, ik weet het niet,quot; antwoordde Marcella, ontstemd, de schouders ophalend. âZe deed me aanhoudend pijn. Ik smachtte er naar weg te komen, 'k Geloof niet dat ik ooit weer een woord tegen haar zal kunnen zeggen.quot;
â'k Geloof het ook,quot; zei Betty, peinzend. âWeet je wat het is? Ze is... 'tis geen gentleman! Neen, laat me even uitspreken ! Ik weet wel wat ik zeg, â ze is geen gentleman. Ze is in staat allerlei dingen te zeggen en te doen, waar een gentleman zich voor schamen zou. â O, ik kan zulke wonderlijke fantasieën hebben over dat genre van menschen! In mijne verbeelding zie ik ze in haar nachtjapon .... zonder al die mooie kleeren aan . .. niets dan hun armzalige, zwarte ziel tusschen de dekens....quot;
âEn jij durft mijn critiek scherp vinden !quot; lachte Marcella, haar vriendin in den arm knijpend.
âKindlief, 'k heb al meer dan eens gezegd: ik ben geen vrouw van gewicht, die zich aangordt voor een politieke campagne. Als jij beter je belangen kende , zou je op een goeden voet trachten te komen met den Mammon der ongerechtigheid in de gedaante van Lady Tressady Ik kan doen wat ik wil; ik heb alleen een man om in 't gareel te houden!quot;
Betty zuchtte even, wat Marcella aanleiding gaf haar deelnemend op den schouder te kloppen met de woorden:
268
âArme Betty! Is Frank nog altijd niet tevreden?quot; âGisteren heeft hij mij verkondigd dat zijn leven hem niets waard was, en dat hij er ernstig over dacht te onderzoeken of men in de Serpentine verdrinken kan. Ik zei hem dat er niets op mij aan te merken was, en dat hij 't nooit gedaan zou krijgen zonder mij. Ik zou de politie op een afstand houden, terwijl hij een goed plaatsje uitkoos. Dit heeft hem doen beloven mij mee te nemen; â dat is dus in orde.quot; Thans begon Betty in ernst te zuchten, en vervolgde: âMaar zie je, gekheid maken is goed en wel, maar ik ben met dat al de dupe! Frank zegt dat ik zijn leven bedorven heb; dat ik veel te eerzuchtig ben; dat hij als oeconoom een goed figuur gemaakt zou hebben, als ik hem niet had overgehaald zich met de politiek te bemoeien. Nog al plezierig hè, voor een model-vrouw als ik?quot;
âJe zult hem zijn zin dienen te geven,quot; zei Marcella glimlachend; âik denk niet dat Frank ooit vrede zal hebben met het rumoer en geharrewar van een stad.quot; Betty balde de kleine vuistjes en riep:
âNeen, laat ons er niet langer over praten ! Ik heb nooit beloofd dat ik een ruwen sportliefhebber tot man nam, en nog kan ik mijzelf zoo niet vernederen ! Laat ons er over zwijgen. Ik hoop nu maar dat hij de volgende maanden meêstemt Maar de gedachte dat hij de geheele maand Augustus blijven moet, kan hem nü al boos maken. â Ha! daar zijn ze â de kwelgeesten van het menschelijk geslacht!quot; â Dreigend hief zij den vinger op tegen den binnenkomenden stroom heeren. âNu zal ik je eens wat voorspellen, Marcella; let goed op. Lady Tressady zal hier twee vrienden maken: Harding Watton, â'tis waar, dat vergat ik, hij is een neef! â en Lord Cathedine. Let op mijn woorden. A proposquot; â Betty
269
greep Marcella bij den arm en fluisterde haar haastig iets in het oor. De oogen dwaalden intusschen over Marcella's schouder af naar Lady Madeleine en hare moeder, die in een ander gedeelte van de zaal zaten.
Marcella's blik volgde dien van Betty, maar zij antwoordde niet veel op Betty's vragen. Toen Letty die zonderlinge opmerkingen omtrent Madeleine Pen-ley had gemaakt, trachtte Lady Maxwell haar dergelijke gedachten uit het hoofd te praten door een trotsche, minachtende houding aan te nemen, die de meeste vrouwen tot zwijgen zou gebracht hebben. Niet alzoo dit jonge vrouwtje! En zelfs nu, tegenover Betty, een vriendin van Madeleine Penley, was Marcella niet vertrouwelijk, doch toen Betty door Lord Naseby werd in beslag genomen, die haar opzocht zoodra hij de zaal binnentrad, bleef zij no^ een oogen-blik bij het raam staan kijken naar de jonge dame over wie zij gesproken hadden , met zachten , ernstigen blik.
Maar de zachtheid verdween. Een kleinigheid bracht verandering teweeg. Want zij zag Lady Kent, die naast haar dochter zat, met een enormen waaier Lord Ancoats bij zich roepen. Hij kwam, aarzelend, niet van harte, en zij zeide iets tot hem, lachend. Lady Madeleine zat intusschen met een hoogroode kleur, op gedwongen manier een plaatwerk te bekijken. Ancoats bleef een oogenblik naast haar staan , de wenkbrauwen fronsend, zijn knevels opstrijkend. Op eens keerde hij zich, met een enkel woord tot Lady Kent, om, en ging naast Lord Cathedine op de canapé zitten. Lady Madeleine's hoofd boog zich lager over het boek, het prachtige roode haar was als een plek van vuur in de zaal. Marcella zag de uitdrukking van haar profiel en op haar eigen gezicht kwam een pijnlijke trek. Zij zou naar
2/0
dat.meisje toe hebben willen gaan, en bij haar zijn gaan zitten om door een woord , een handdruk, haar sympathie te uiten. Maar die Gorgone, Lady Kent, wier gezicht vlamde van woede, weerhield haar; bovendien waren er reeds andere jongelui de plaats komen innemen waar Lord Ancoats waarschijnlijk voor bedankt had.
Letty zag intusschen met vreugde de heeren binnenkomen. Zij had zich verschrikkelijk verveeld onder het gesprek met de dame aan wie Mrs. Allison haar had voorgesteld. Miss Paston, de zuster van Lord Ancoats' rentmeester, was een vijf-en-dertig jarige, ongehuwde dame, met een prettig gezicht, maar in stemmige grijze zijde gekleed. Het was haar aan te zien dat zij een beschaafde, ontwikkelde vrouw was. Doch Letty had in 't minst geen verlangen om met ontwikkelde vrouwen te praten. Daarvoor was ze niet op het kasteel Luton komen logeeren !
Het gesprek was dus niet levendig. Letty geeuwde een paar maal en maakte een druk gebruik van haar waaier, tot de komst der heeren het kleurtje terugbracht op haar wangen en de oogen weer deed schitteren. Dadelijk richtte ze zich overeind, vurig hopend dat men op haar letten, dat zij opgang maken zou. Mrs. Hawkins, des vicars vrouw te Malford, ware gewroken geweest, had zij haar vroegere tyran kunnen zien in omstandigheden die deze een toontje lager deden zingen.
Harding Watton liep toen hij zijn nichtje in't oog kreeg, de zaal door naar haar toe en nam op de canapé naast haar plaats. Letty ontving hem met een vriendelijk lachje, ofschoon een beetje teleurgesteld dat het niet Lord Ancoats of Lord Cathedine was. Toen ze even een blik door de kamer sloeg, eer
271
ze zich met hem in een gesprek verdiepte, zag ze George met Lord Maxwell en Sir Philip Wentworth, den ex-Gouverneur, bij het open raam staan. Zij praatten druk over Indië; Sir Philip stond met zijn hand op George's arm; ze hoorde hem zeggen:
âJa, ik heb Dalhousie zien gaan; ik was nog maar een jongen van twintig, maar nog doet het me aan als ik er aan denk. Toen hij te Hooghly aan de landingsplaats op krukken van boord kwam, wou het hoera niet over de lippen ; â nooit vergeet ik die plotselinge stilte ! In den tijd van acht jaren had hij een nieuw Indië geschapen, en daar zagen we hem nu â onzen jongen held â pas zes-en-veertig jaar oud, voor onze oogen sterven ....
âMaar ik had niet durven denken dat een man als u, zoo jong nog, zooveel belangstelling hebben en zoo op de hoogte wezen zoudt van dien tijd! 't Is mij machtig aangenaam geweest er met u over te praten!quot;
De veteraan drukte even Tressady's arm, en ging toen verder.
Tressady knikte van uit de verte zijn vrouwtje vriendelijk toe, met een blik als vroeg hij hoe ze 't maakte. Letty zond hem een harer liefste glimlachjes terug; ze had eensklaps een prettig gevoel dat men zoo aan haar dacht. Terwijl haar oogen die van haar echtgenoot ontmoetten, zag zij Marcella Maxwell , die nog steeds bij het raam stond, zich naar hem omkeeren en iets tot hem zeggen. George trad dadelijk op haar toe. Een oogenblik later drentelden hij en Lady Maxwell langzaam de stoep af en verdwenen in een der schaduwrijke lanen
âDie groote dame en George schijnen eindelijk en ten laatste goede maatjes te wordenzei Harding Watton lachend tot Letty, met gedempte stem. âIk wed dat ze hem voor hun partij zal trachten te win-
nen ! Nu, ze heeft gelijk! Over een paar weken zal de regeering er leelijk inzitten met die Wet; zelfs haar âschoonequot; zal ze er niet uit helpen. Maxwell kijkt van avond zoo korzelig als een uil in doodsnood.quot;
Letty lachte. Haar ijdelheid voelde zich bovenmate gestreeld. De gedachte dat Lady Maxwell vernederd en verslagen werd â gedeeltelijk door George's toedoen â kon niet anders dan haar aangfenaam wezen. Waaruit men misschien zou kunnen opmaken dat zij , ten slotte , fijner bewerktuigd was, althans
een scherper blik had dan Betty Leven beweerde.
* *
*
Intusschen slenterden Marcella en George Tressady langzaam naar de rivier, over een paadje dat dwars door de groote lawns sneed. Voor hen uit baadden zich de uitgestrekte grasvelden in een zilveren zee van licht en van lucht, tot ze zich oplosten in de donkere schaduw der majestueuse boomen, in den frisschen , vollen bladerentooi der Junimaand. Omlaag wierpen die boomengroepen scherpe omtrekken op het witte gras, als uitstekende kapen en voorgebergten ; omhoog staken hun ronde kruinen zwart-plek-kend af tegen een blauwen, lichtgevenden hemel. Ginds kwam de rivier uit het donkere bosch; de toren van een kerkje weerspiegelde zich in het water. Hier en daar zag men een zwaan voortglijden of onder een bruggetje verdwijnen. De lucht was frisch , zonder de scherpheid der vroege lentedagen. 'tWas de laatste week van Mei; men stond aan den vooravond der volle zomerweelde; een hemelsche profetie was te speuren in bosch en veld.
En zelfs Tressady's vooroordeel â dat reeds aan het afnemen was â verhinderde hem niet in de
273
schoone vrouw die naast hem ging, de uiting, de verpersoonlijking te zien van een dergelijke omgeving.
Hedenavond zeide hij tot zichzelf dat, wat de men-schen ook zeggen mochten, men erkennen moest dat Lady Maxwell zich gaf gelijk zij was. Aan tafel had zij hem steeds duidelijker doen gevoelen dat zijn gezelschap haar aangenaam was; thans had haar houding iets vriendschappelijks, iets vertrouwelijks, dat geen man met onbeleefdheid had kunnen beantwoorden , het allerminst iemand jong en eerzuchtig. Maar tevens merkte Tressady andermaal op, wat hem een vorigen keer kregelig had gemaakt, dat men bij haar geen enkele van de gewone kunstgrepen en co-quetterieën der vrouw vond. Ja, na hun drukke gesprekken aan tafel begon hij haar, in weerwil van zichzelf, niet alleen een intelligente vrouw te vinden
â dit had hij van het eerste oogenblik af gevoeld
â maar wezenlijk een alleraangenaamste, innemende persoonlijkheid. Hij kreeg een gewaarwording van prertig, vriendschappelijk samenzijn, wat hem een oogenblik ruimer deed ademhalen. Vele hinderlijke, pijnlijke zorgen en bemoeiingen der laatste weken, zelfs de vernederende herinneringen aan dien morgen, werden als het ware van hem afgenomen.
Toch riep hij zich al dien tijd toe, bij zichzelven glimlachend, dat hij voorzichtig wezen moest! Zij hadden aan tafel niet met ronde woorden over de Wet gesproken, 't was telkens op het kantje, ze hadden er om heen gezweefd. Het was duidelijk merkbaar dat de Maxwells persoonlijk niet op hun gemak waren, en George wist dat de toestand van het Ministerie met den dag lastiger, onhoudbaarder werd. Onder hun eigen vriendjes was er een merkbare verkoeling waar te nemen ten opzichte van de wet; men beweerde zelfs dat een of twee
I. 18
274
Londensche Parlementsleden, die eerst waren meegegaan , thans terugkrabbelden; en de campagne, dezer dagen door Fontenoy en Watton op het touw gezet , tegen twee der voornaamste artikelen , in een Lon-densch dagblad met dit doel voor hun partij gekocht, had veel kwaad gedaan. Inderdaad stond de zaak niet rooskleurig; Maxwell had alle reden om bleek te zien.
Met dat al had Tressady in Marcella's stemming geen zweem van verbittering kunnen opmerken. Eer scheen zij hem eenigszins opgewonden, zenuwachtig, met een zweempje droefgeestigheid. Over 't geheel had zijn gesprek met haar hem zeer voor haar ingenomen , hij zou niet hebben kunnen zeggen waarom. âWij winnen,quot; zei hij bij zichzelf, âdat voelt zequot;. Toch deed dit bewustzijn voor de eerste maal hem geen bijzonder plezier.
Onder het loopen babbelden zij nog wat over enkele onderwerpen die zij aan den maaltijd behandeld hadden , zoowel op politiek als op sociaal terrein, tot Lady Maxwell, eensklaps een heel anderen toon aannemend , uitriep:
âIk hoorde u zooeven met Sir Philip Wentworth praten. Hoe anders voelt u wanneer u over Indië spreekt!quot;
âWat u daarmee bedoelt, begrijp ik heuschniet,quot; zei George, glimlachend. âU vindt mij misschien, wanneer ik niet over Indië spreek, maar over den Engelschen arbeider, of over de armen, een ongevoelige lomperd ?quot;
âZoo zou ik het niet graag uitdrukken,quot; gaf zij bedaard ten antwoord. âMaar wanneer u over Indië spreekt, en over mannen als de Lawrences of als Lord Dalhousie, dan eerst blijkt het wèt wezenlijk uw sympathie heeft, wat tot u spreekt, wat uw gevoel opwekt.quot;
275
âWelnu, keurt u dit dan af ? Moet ik niet dankbaar wezen aan de menschen die ons land gemaakt hebben tot wat het is?quot;
Lachend zag hij haar aan, zich wel bewust dat zijn ijdelheid zich gestreeld voelde. Te worden nagegaan en beoordeeld door zulk een criticus, was de meest vleiende lof.
âDie ons land gemaakt hebben ?quot; herhaalde zij, echter niet zonder een zweempje ironie. Toen zweeg zij.
George stak beide handen in zijn broekzakken en wachtte af wat zij verder zeggen zou.
Doch toen zij bleef zwijgen, vroeg hij:
âWelnu?.... Ik ben in afwachting li te hooren bewijzen dat de Dalhousies en de Lawrences niets
voor Engeland gedaan hebben in vergelijking van----
van .... wel, laat ons zeggen van den een of anderen Trade Union secretaris, dien gij speciaal bewondert.quot;
Zij lachte; maar hij kreeg zijn antwoord nog niet. Zij stonden nu aan den oever van het riviertje; voor het bruggetje. Marcella liep het op, bleef halverwege stilstaan en keek over de borstwering. Tres-sady volgde haar voorbeeld en beiden verdiepten zich in de beschouwing van het huis. Daar rees het van uit het gras omhoog, een ivoorgele massa, door den Tudorschen bouwmeester, die tevens goudsmid was, heerlijk uitgehouwen en versierd.
Uit de in lood gevatte vensters schitterden lichtjes als fonkelende diamanten; de volle, donkere boomen , door een kunstenaarshand hun plaats aangewezen, hulden het gebouw in diepe duisternis of weken op een afstand, juist zooals het oog het wilde, en op de oogverblindende lawns, met hun zachte schaduw-plekken , bewogen zich hier en daar de gestalten van heeren en dames, zwartgerokt of met lang sleepende gewaden.
276
Nu en dan klonk er een lach oi een uitroep, en door het openstaande raam kwamen de tonen van een viool.
âBrahms!!quot; riep Marcella verrukt. âAlleen hij en de muziek kunnen uitdrukking geven aan een avond als deze, aan dat riviertje, aan het tooverachtig effect van een dergelijke omgeving. .
Terwijl zij dit zeide was het George als voer er een stroom van welbehagen, van poëzie over hem. Het was alsof gevoelens , die lang in hem gesluimerd hadden, lang tegengehouden waren, verslapt door de kwellingen van het leven, eensklaps vol vreugde ontwaakten en heel zijn wezen deden trillen van genot. Hij keek van het gelaat naast hem naar hun omgeving, de zachte avondlucht drong diep in zijn longen door Wat scheelde hem toch? â Hij wist alleen dat hij, na vele weken, zich gelukkig voelde, van levenslust bezield!
Doch Lady Maxwell maakte zich weldra los van de muziek en van het maanlicht, en herhaalde, langzaam de woorden articuleerend;
âDie ons land gemaakt hebben ... Natuurlijk spreekt ook op die manier het kasteel tot u. Beroemde personen hebben er in gewoond, â menschen die aan de geschiedenis behooren. Maar in mijn oog wordt het land gemaakt door menschen die men niet ziet, op zolderkamertjes, in werkplaatsen en kolenmijnen, door menschen die elke minuut sterven, onopgemerkt , vergeten , bij hoopen weggeveegd als de bladeren in den herfst, menschen , wier leven den grond vormt voor het geslacht dat na hen komt. Gisteren, bijvoorbeeld, heb ik een geheelen morgen doorgebracht , met te trachten een vrouw, die ik ken, aan het eten te krijgen. Zij is een hemdennaaister, en heeft vier kinderen; haar man is aan de dokken en heeft geen werk. De stakker had zich ziek en half
2/7
blind genaaid. Ze kon niet eten en niet slapen. Maar haar kinderen kon ze in 't leven houden! â en haar man! Over een paar maanden wordt haar levenslampje uitgeblazen; maar het leven van de kinderen zal wortel gevat hebben, en de man weer aan 't verdienen en aan 't eten zijn. Wat zouden uw Dalhousies en Lawrences Engeland baten, als het hdar niet had en de honderdduizenden gelijk zij?quot;
âEn toch zoudt u,quot; riep George, die zich niet in kon houden nu zij hem zoo uitlokte om te praten â âtoch zoudt u diezelfde vrouw het vermogen willen ontnemen voor de behoeften harer kinderen te zorgen en den man voor ondergang te redden, en zoudt u, in de armzalige poging om het lot van één te verbeteren , de groote massa benadeelen. Hoe kunt u zulk een voorbeeld aanhalen ! Daar ben ik verbaasd over.quot;
âDat moet u niet verbazen. Ik kan mijn voorbeeld gebruiken voor een ander doel, op een andere manier. U denkt natuurlijk aan de Wet? Maar't eenige wat wij doen is, dat we tegen enkelen van die stakkers zeggen; .Jullie offer, zooals nu de zaken staan, is te kostbaar; de Staat wil, in haar eigen belang, het niet langer eischen of toestaan. We zullen je helpen de gemeenschap te dienen op een wijze, waardoor zij minder uitgeput en verminkt raakt.quot;
âEn , als eersten stap , jullie netjes in het werkhuis brengen!quot; liet George er op volgen. âVergeet dat niet, Lady Maxwell.quot;
âVele individuen moeten lijden ,quot; ging zij op vasten toon voort. âMaar er zullen vrienden wezen die helpen , â vrienden, die alles in zullen spannen om te helpen.quot;
Er sprak een hart uit den toon harer stem, uit den nadruk waarmede zij sprak. Bijna voor de eerste maal in hun gesprekken van dien avond kwam het
278
hartstochtelijke van haar karakter uit, â het zuidelijke, impulsieve van haar aard, wat zoovelen haar deed uitlachen of tegen haar innam. Onder het kanten doekje dat zij, toen ze den tuin inliepen, had omgeslagen , zag hij het hijgen harer borst; vast ineen gestrengeld rustten de handen op de steenen borstwering van het bruggetje. Daar was weer dat pro-fetes-achtige ! Ook hedenavond moest hij er om lachen, maar verschoonend, zacht.
âEn dus verklaart u zelf dat gij uw naaister in bescherming zult nemen, zelfs ten koste van uw land? Ik heb medelijden met uw dilemma!quot; zei hij lachend.
âEnfin,quot; â zij haalde met een zucht de schouders op â âwij zullen er niet langer over praten. Daarvoor is de zaak te ernstig â te treurig â te overweldigend. En dat met de weken die ons wachten!quot;
George, die naast haar over het bruggetje leunde,, voelde dat een geschikt antwoord te geven hem niet goed zou afgaan, en zweeg dus. Een minuut of twee was het als konden zij de stilte van den nacht hoo-ren, het zacht voortkabbelende water, het ritselen der boomen. Beneden hen zwom een zwaan onder het bruggetje door; uit de bosschen in de verte schreeuwde een uil.
Op eens stak Marcella een blanken vinger uit en zei, op het huis wijzend:
âBetere vergelijking is er niet. Dit is zoo goed als de Staat, â grootsch, indrukwekkend, vol waardigheid en ernst. Maar wij vrouwen, die een dergelijk huis in orde houden, wij weten waarvan alles afhangt. Alles hangt af van een paar vermoeide keukenmeiden ; van jongens die de schoenen poetsen; van meisjes die niets doen dan kamers aan kant houden , en porcelein en glaswerk omwasschen, slovende,
279
zwoegende schepsels , waar een logé niets van merkt, doch op wie feitelijk alles neerkomt. Ik weet het, want ik doe mijn best ze meer op den voorgrond te brengen, ze te organiseeren, te zorgen dat zij niet flauw vallen van den honger, terwijl wij ons vergasten aan tal van lekkernijen. Maar het is ongeloofe-lijk moeielijk; de eene helft van de menschheid verbeeldt zich te zijn geboren om de andere helft het leven te veraangenamen. Zij vinden dat het vanzelf spreekt zich in het zweet te werken, terwijl wij lui in een gemakkelijkeH stoel zitten. Wat zij niet willen is, dat wij trachten er verandering in te brengen.quot;
âGoede hemel!quot; zei George, zijn moustache opdraaiend , âik moet zeggen dat ik mijzelf niet herken in uw teekening van den ongevoeligen meester.quot;
âDat geloof ik graag. U hebt alleen te maken met het hoofd van het dienstpersoneel, die altijd een erger tyran is dan zijn heer,quot; klonk haar antwoord, op een toon, waarin een vreemde mengeling lag van spot en aandoening. âIk spreek van de menschen, die men niét ziet in uw volmaakte maatschappij, zooals modistes en naaisters.quot;
â't Kan wezen dat u gelijk hebt,quot; stemde George toe. âMaar ik moet eerlijk bekennen - als ik ronduit mijne meening zeggen mag â dat ik u niet de bevoegde persoon vind om er over te oordeelen. Ik wil althans, vóór ik de schaal doe overslaan ten voordeele van mijn Dalhousie of van uw naaister, eerst die menschen hooren, wier gevoel nog niet bedorven is door een ziekelijk . . . medelijden !quot;
âMedelijden!...quot; riep zij, â haar lip trilde in weerwil van haar zelve. âNoemt u medelijden een ziekte ?quot;
âZooals u, en anderen, er uiting aan geven, ja,quot; was zijn zaakrijk antwoord, terwijl hij haar flink in
280
het gelaat zag. âHet dient nergens toe; men kan de wereld niet verbeteren door medelijden. In mijn oog althans is het leven een groote corvée, waar men zich doorheen moet zien te slaan, tant bien que mal, of men t aangenaam vindt of niet. Als we te precies, te pietlutterig zijn, als wij te veel kijken naar onzen buurman, dan marcheert de boel niet. Maakt men veel praatjes, dan zegt de Demiurge, die de machine aan den gang brengt, âik groetjequot;, en de machine staat stil. Dan valt de natie uit elkaar; â tot een schurk, die geen gewetensbezwaren heeft, den boel weer in elkaar zet.quot;
âWat bedoelt u met de Demiurge?quot;
Hij lachte.
âOwee! moet ik u tekst en uitleg geven van mijn dwaze uitvallen? Welnu, â ik denk daarbij aan de van nature demonische macht in al wat bestaat, een macht die alles aan den gang houdt, iets anders is dan wij zelf, in niets op ons gelijkt, en zich niets aan ons gelegen laat liggen.quot;
Zijn zacht stemgeluid kreeg, terwijl hij dit zeide, Ji_ iets zeer krachtigs.______
âJa. . .quot; hernam Marcella peinzend. âAls men er zoo over denkt, dan begrijp ik het. Maar zelfs al geeft die macht, die op den achtergrond staat, niets om ons, dan nog zou ik het beschouwen als tartte zij ons beter zorg te dragen voor elkander. Zou ik zoo vrij mogen zijn u een paar vragen te doen? Kent u de Londensche armen persoonlijk? Ik bedoel; hebt u er vrienden onder, in wier levensloop u belangstelt?quot;
âZeker; ik houd Fontenoy gezelschap als hij deputaties ontvangt van al die naaisters en modistes en werkvrouwen , voor wier belangen u opkomt. De verdrukte weduwe, die komt smeeken dat men
28i
haar met rust laat, is dan schering en inslag.quot;
Marcella liet een minachtend lachje hooren.
âOho! u vindt: dat beteekent niets!quot; hernam George gebelgd. âIk maak me sterk een teekening te leveren van ieder type van weduwe dat Londen oplevert; ik ken ze door en door.quot;
Zij schudde het hoofd.
âLonden laat ik los. â In het noorden van 't land dan. U hebt immers kolenmijnen? Kent u uw mijnwerkers?quot;
âJa, en ik verfoei ze allemaal1quot; viel George er op in; âellendig tuig is het! De volgende maand zijn ze van plan te staken; dan zal mij mijn wettig inkomen onthouden worden, tot de heeren terug believen te komen. Heb liever medelijden met mij, Lady-Maxwell, niet met hen!quot;
âDat heb ik ook,quot; viel zij vol vuur er op in, âwanneer u de menschen haat die u doen leven!quot;
Er volgde een stilte. Toen hernam George op eens:
âMaar soms, dat wil ik niet ontkennen, dwingen de lui het je af, je medelijden, of je wilt of niet Verleden week zag ik eene moeder... Wat dunkt u, zullen we een eindje opwandelen? Ik zou graag eens het punt zien waar de rivier uit het bosch komt.quot;
Zij liepen het bruggetje af en sloegen het pad weer in langs de rivier. George deed, op zijn ietwat-ironische manier van spreken, het verhaal van Mary Batche-lor, toch zoo, dat Marcella een paar malen een rilling door de leden ging. Langzamerhand, als deed het hem goed zich te uiten, ging hij over in een half humoristische, half ernstige bespiegeling van zijn positie als mijn-eigenaar en van zijn moeilijkheden als zoodanig. Gaandeweg, haast zonder dat hij het zelf wist, vloeide er vrij wat in van zijn eigen geschie-
282
denis: zijn leven als kind; zijn moeder; de verschillende vraagstukken op maatschappelijk gebied, die hem sedert zijn terugkeer uit Indië in beslag genomen hadden, zelfs zijn verhouding tot Letty. Eens of tweemaal vloog hem door het hoofd dat hij bezig was zijn geheele leven open te leggen voor eene vrouw die hij besloten had op een afstand te houden. Maar die gedachte bracht hem daarom niet tot zwijgen. De verrukkelijke avond, de eenzaamheid , deze beminnelijke persoonlijkheid , die zoo vriendelijk , zoo sympathiek naast hem ging â dit alles trok hem aan; drong in hem door, deed zijn voor-oordeelen verdwijnen.
Ook bij haar ging alles eenvoudig, natuurlijk, in zijn werk. Bij hun eerste ontmoeting reeds had zij zich tot hem aangetrokken gevoeld; zij had besloten zijne vriendschap te winnen en bemerkte dat dit haar zou gelukken. Toen hij zich aldus voor haar open legde, kreeg zij een wonderlijke gewaarwording van deernis met hem. Haar vrouwelijk instinct zeide haar duidelijk, dat hij in den grond van zijn hart zich eenzaam gevoelde, dat hij feitelijk alléén door het leven ging. Was het wonder, met dat nare, hartelooze schepsel tot vrouw ? Had zij hem in haar netten weten te vangen, of had hij zich aan haar vergooid in roeke-loozen overmoed, uit afkeer van overdreven gevoeligheid , wat een parti-pris bij hem scheen te zijn ? Hoe het zij, het scheen dezer gelukkige echtge-noote toe, dat hij ééne noodlottige, onherstelbare fout had begaan; â het deed haar innig leed. Ook scheen hij haar zoo jong. Voorzoover zij uit hetgeen hij zeide kon opmaken, was hij ongeveer twee jaar jonger dan zij ; voor haar gevoel echter was het verschil veel grooter.
Maar â dit spreekt van zelf â de geheele situ-
283
atie â Maxwell, Fontenoy â al wat die namen zeggen wilden voor hem en voor haar, deed aanhoudend geheime snaren trillen in beider hart. Zij verloor haar man en zijn moeielijkheden geen oogenblik uit het oog, terwijl in George's hoofd en hart Fontenoy's nuchtere persoonlijkheid onwrikbaar had postgevat. In de gegeven omstandigheden kon het niet anders of door temperament en door haar sympathieën trachtte zij haar metgezel te boeien eerst, toen indruk op hem te maken en invloed op hem te oefenen. En tevens kon het niet anders of telkens méér zwichtte hij voor de bekoorlijkheden van deze vrouw, al bleef hij vol minachting voor haar politieke gevoelens.
Van lieverlede kwamen zij weer op Londen terug en op het vraagstuk van den dag, tot ze eindelijk uitbarstte:
âMaar u moet die menschen persoonlijk 'zien! â en niet in uw huis, maar in hun eigen omgeving. Of.... wilt u ze liever eerst bij mij ontmoeten?quot;
âWaarom, als ik vragen mag, vindt u St. James Square een Paleis der Waarheid, vergeleken bij Carlton House Terr ace fquot; vroeg hij ondeugend. â Fontenoy's huis had den naam Carlton House Terrace. â
âIk inviteer u niet in St. James's Square,quot; gaf zij bedaard ten antwoord. âDaar ben ik alleen thuis voor enkele dingen. Op dit oogenblik woon ik er eigenlijk in het geheel niet. Ik woon in Mile End Road!'
George gaf te kennen dat hij hier gaarne meer van hooren zou, en zette groote oogen op toen zij hem vertelde, hoe zij nog altijd haar dag verdeelde tusschen Oosteinde en Westeinde en vast een of twee avonden per week doorbracht met ambachtslieden
284
en werkvolk, die zij steeds nader had leeren kennen , voor wier belangen zij thans met zooveel kracht en vuur in het strijdperk trad.
âMaxwell komt er tegenwoordig niet,quot; vertelde zij. «Hij heeft het te druk; bovendien is zijn werk daar afgedaan. Maar ik ga, omdat ik van die menschen houd; omdat men, door een gedeelte van de week in hun midden te verkeeren, â met hen te praten enz., â zich goed bewust blijft van hetgeen men wil en waarom men dat wil. Nu,quot; â uit den toon der stem klonk een vriendelijk lachje â âkomt u ? Mijn oude kamenier zal u een kopje koffie inschenken, en u vindt een kamer vol kleermakers en naaisters. U zult eens zien hoe de menschen er uitzien; â niet op een prentje! â die veertien uur achtereen hard gewerkt hebben in een vertrek, waarin u en ik geen adem zouden kunnen halen.quot;
âZeer aangenaam!quot; â Hij maakte een ironische buiging. âNatuurlijk ziet u mij verschijnen.quot;
Zij waren in de duisternis van een groep beuken blijven stilstaan, en keerden zich om om een blik te slaan op den door de maan verlichten tuin en het huis. Eensklaps zeide George, op een heel anderen toon, haast als durfde hij niet:
âMag ik eens ronduit iets zeggen ? Men kan niemand tegenwoordig bekeeren op politiek terrein.quot;
In de duisternis was het niet zichtbaar dat zij een kleur kreeg. Maar hij hoorde, door haar quasi-luch-tigen toon heen, een mengeling van spijt en gs-krenkten trots.
âDat weet ik. Wie herinnert zich den tijd toen men door een ernstig doordachte redevoering de stemming in het Lagerhuis deed omkeeren ? Men moet zich haast verwonderen hoe iemand zich nog
285
de moeite geven wil te spreken! Zullen we hier terngg33-0? O, een paar zijn ons gevolgd , mijn man en Ancoats!''
Meteen verdwenen twee gestalten, wier donkere schaduwen een oogenblik afstaken tegen het hel verlichte grasveld, in de duisternis van het zware bosch.
âWat zijn jullie afgedwaald!quot; riep Maxwell, toen hij de witte japon zijner vrouw herkende. âMaar is 't wel veilig loopen op dit donkere pad ? Laat ons liever ergens anders gaan.quot;
Inderdaad stroomde het riviertje, met een heel steilen oever, vlak naast hen, en de zware takken boven hun hoofd onderschepten het maanlicht. Maxwell nam vol bezorgdheid zijn vrouw onder den arm , en bleef met haar op dezelide plek staan, tot zijn oogen aan de duisternis gewend waren en hij het pad zien kon. Intusschen liepen Ancoats en Tres-sady vlug de lawn op, Ancoats druk redeneerend en lachend, harder dan hij gewoon was.
De Maxwell's deden het langzamer. Toen zij het boschpad uit waren, liet Marcella hare hand in die van haar man glijden. Zoo liep ze altijd met hem wanneer ze alleen waren. De fijne, doch krachtige vrouwenhand verloor zich zoo gaarne in de zijne, terwijl voor hem de aanraking dier zoekende vingers het symbool was van al wat zij hem bracht, een der tallooze onuitputtelijke uitingen van een liefde , waarin iets geniaals lag.
âToe, laat ons nog niet naar huis gaan!quot; vroeg ze smeekend. âWaarom zouden we?quot;
âJa! Waarom zouden we?quot; herhaalde hij zuchtend. âAch waarom zijn we hier? â dat vraag ik mezelf den heelen avond. En nu meer dan ooit sedert mijn wandeling met dien Ancoats!quot;
286
âVertel er me gauw eens van,quot; zei ze vol animo. âHeb je niets uit hem kunnen krijgen ?quot;
Maxwell haalde de schouders op.
âNiets. Hij verzekert mij dat er niets op hem te zeggen is; hij weet heel wel dat een troep lasteraars tegen hem âschelden en blaffenquot;, en wou dat zij en zijn moeder hem met rust lieten.quot;
âZijn moeder!quot; riep Marcella verontwaardigd.
âJa, iets van dien aard zei ik ook. Maar 't baatte niets. Hij lachte maar, en redeneerde druk over alle mogelijke andere dingen, â zijne renpaarden, nieuwe comediestukken , de politiek, de hemel weet wat die jongen al niet met de haren er bij sleepte! Hij is in een erg opgewonden stemming, â zenuwachtig, rusteloos en, mij dunkt, niet gelukkig. Maar over zijn eigen zaken kon ik er niets uit krijgen. Zelfs mij wou hij niets vertellen.quot;
âHoeveel denk je dat zij weet?quot;
âZijn moeder? Niets, zou ik zeggen. Telkens als ze over hem spreekt hoor ik uit haar stem hoe ongerust ze is, en telkens krijg ik denzelfden indruk alsof ze aan iets denkt, alsof ze iets aan hem merkt misschien, dat haar meer dan ooit dit huwelijk doet wenschen. Toch geloof ik niet dat zij nog iets van al de praatjes gehoord heeft. En nu is daar dit arme jonge meisje; â zelfs mij is het van avond in 't oog gevallen dat hij haar met opzet vermijdt.quot;
Marcella voelde dat ze een kleur kreeg van ergernis , terwijl ze uitriep:
âEn als men dan denkt aan zijn gedrag van den winter!quot;
Zij drentelden een pad op aan den zoom van het bosch, druk pratend over de zaak, die de voorname aanleiding was geweest van hun logeeren op Luton. Hoe aangenaam , betrekkelijk, de verhouding tusschen
287
politieke tegenstanders ook was, noch Maxwell, noch Marcella zouden het verkozen hebben bij Charlotte Allison te logeeren in een tijd dat haar huis feitelijk het hoofdkwartier was van een hevige, krachtige oppositie tegen Maxwell's staatkunde, terwijl zelfs de aanvoerder van die oppositie er waarschijnlijk wezen zou. Maar een dag of veertien voor Pinksteren was Maxwell eensklaps een en ander omtrent den jongen Ancoats ter oore gekomen, wat ten gevolge had dat hij, den allereersten keer dat hij Ancoats' moeder sprak, voor zichzelven en Marcella â tot Mrs. Allison's groote verwondering â op het kasteel belet vroeg.
Want de jonge man was Maxwell's pupil geweest, en Henry Allison de intieme vriend en speelkameraad van Maxwell's vader. En Maxwell's liefde voor zijn vader en voor zijn vader's vrienden was van dien aard dat hij zijn plichten als voogd steeds ernstig had opgevat. Hij had voor den knaap gedaan wat hij kon , en ook nadat Ancoats meerderjarig geworden was, hield hij nog een oogje op hem.
In den laatsten tijd echter had Ancoats zich niet veel om zijn voogd bekommerd, of om het hoofdschudden van zijn voogd. Hij scheen het er op gezet te hebben de oude vrienden zijner moeder zooveel mogelijk te ontwijken; in maanden hadden de Maxwells , wat zij ook deden om hem bij zich te zien, niets van hem gemerkt. Maxwell begon om meer dan eene reden allerlei slechte dingen te vermoeden omtrent het jonge mensen, zijn vriendenkring en zijn genoegens. Toch had hij geen houvast gehad, tot nu eensklaps allerlei praatjes de ronde deden, en Ancoats' naam genoemd werd in verband met een bekende actrice, wier avonturen reeds herhaaldelijk stof gegeven hadden voor de kolommen van zekere couranten.
288
Toen werd Maxwell, wien persoonlijk de roodharige knaap niet veel schelen kon, werkelijk bezorgd ter wille van de moeder. Want in Mrs. Allison's geval zou een dergelijk schandaal als waarvan sprake was, een tragedie wezen. Haar liefde voor den eenigen zoon was op zichzelf reeds een tragedie, zoo sterk spraken niet alleen de gevoelens van de moeder, maar ook die van de Christelijke vrouw
voor wie âde zondequot; geen spel is, maar een ramp.
⦠*
*
Toch, zooals Marcella zeide: het was hard voor hem dat hij zich juist nu met Ancoats' liefdesaangelegenheden moest bemoeien.
âKom, denk er maar niet meer aan,quot; besloot ze eindelijk, â't Is allerakeligst; alsof je nog niet genoeg hadt!quot;
Maxwell stond stil, glimlachte, legde den arm om haar hals en zeide:
âWie weet, mijn schat, of ik niet heel spoedig allen tijd heb om aan Ancoats' belangen of wat ook te denken. Wil ik je eens vertellen welk plannetje ik van morgen gemaakt heb, als we de nederlaag lijden? Wat zou je er van zeggen als we in 't najaar een reis maakten naar de Australische koloniën? Die heb ik altijd zoo verlangd te zien!quot;
Zij liet een zachten kreet van schrik hooren.
âWaarom ben je toch zoo gedrukt van avond, Aldous? Heb je slechte tijding?quot;
âJa. 't Komt hierop neer: de zaken staan steeds slechter voor ons, en steeds beter voor hèn. In ieder geval zal 't een harde dobber wezen, misschien is 't 'n kwestie van 'n paar stemmen.quot;
En hij gaf haar in hoofdzaak een getrouw verslag van zijn gesprek, na tafel, met Lord Cathedine, een
289
warm partijgenoot van Fontenoy in't Hoogerhuis, een niet minder slimme, gewikste kerel, omdat hij toevallig een akelige vent was.
Marcella hoorde met verbazing en verontwaardiging van een of twee die hen weer afvallig geworden waren In de duisternis liet zij het hoofd rusten tegen de borst van den man dien zij liefhad; onstuimig klopte haar hart. O, hoe kon de wereld hem zoo misverstaan , hem zoo dwarsboomen! En wat kon zij doen? Honderden plannen vlogen haar door het hoofd; zij wilde zich niet onderwerpen ... wilde hem niet de vlag zien strijken .. . verslagen ..
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Voor Lord Ancoats was deze partij een ware cor-vée. Met groote moeite had zijn moeder hem overgehaald op het kasteel te blijven, niet weg te loopen; zijn boosheid en tegenzin hadden haar verwonderd en pijn gedaan.
Zoo gij er met Maxwell over gesproken hadt,zou hij u gezegd hebben, dat de tegenwoordige zorgen van Mrs. Allison grootendeels te wijten waren aan Ancoats' opvoeding. Hij â Maxwell â had zijn best gedaan, maar ... hij had niet tegen den stroom op gekund.
Ten eerste: â en voornamelijk â Ancoats had niet de openbare school bezocht. Dit was geen gewoonte in de familie, en Mrs. Allison was niet te bewegen geweest met de traditie te breken. Hij had dus een paar gouverneurs gehad, op wier kerkelijke rechtzinnigheid niets aan te merken viel. En Ancoats gaf een tijd lang blijk te zijn een knaap, voor indrukken vatbaar, dweepend, geheel eenswil-I. 19
290
lend met zijn moeder. Zijn toetreden tot de Engel-sche kerk was een gewichtig feit in de familie , en als zeventienjarig jong mensch kon zijn moeder hem in den vastentijd slechts met moeite bewegen althans zooveel te eten als voor zijn gezondheid noodig was. Maxwell had er zich wel eens ongerust over gemaakt wat hiervan het eind zou zijn; toen, nauwelijks in Cambridge geïnstalleerd, de omkeering, die hij tegemoet gezien had, kwam.
Eerst na een tweejarig studentenleven bracht An-coats de Maxwells op Maxwell Court een bezoek. Maxwell kon zijn oogen en ooren nauwelijks geloo-ven. Dezelfde jongen, die in zijn negentiende jaar het hoogste woord had over kerkmuziek en kerkelijke gebruiken, had, nog vóór zijn een-en-twin-tigste, den mond vol van het tooneel, van niets dan het tooneel en Fransche bric-d-brac. quot;Zijn gesprekken liepen voortdurend over acteurs, over zangers en balletdanseressen, en wel die welke alleen de ingewijden kenden.
Het waren de minsten van de minste theaters. Onder hen was Ancoats een god; volstrekt niet, zooals hij zijn familie telkens weer vertelde, omzijn rang en zijn rijkdom, maar omdat ook hij artist was, omdat hij kon zingen, schrijven, dansen, vroolijk zijn als de beste.
Een tijd lang kon Maxwell Mrs. Allison troosten met het historische feit, dat meer dan één zoon der Oxfordsche Alma Mater in hartstocht voor het tooneel een gemakkelijk middel had gevonden om den Engelschen Puritein te ergeren. Doch toen het jonge mensch het in zijn hoofd kreeg zelf gewaagde come-diestukken te schrijven èn, met groote kosten, te doen opvoeren, toen kon het niet langer en moest men tusschenbeiden komen.
291
Het gelukte Maxwell, met groote moeite, hem te overreden het studentenleven te Cambridge er aan te geven en op reis te gaan. Ancoats stemde toe, mits met een vriendje; en het tweetal bleef in Parijs hangen , waar Ancoats een tijd lang zijn onbeduidend bestaan voortsleepte in een manie voor Louis Quinze bibelots en in het patroniseeren van twee of drie theaters van den derden of vierden rang. De koning te zijn van een eersten avond , applaudisseerend en bou-quetten werpend van uit zijn loge op het tooneel, scheen voor hem het nee plus ultra van genot; toch werd zijn ijdelheid ook zeer gevleid door de complimentjes van... laat ons zeggen, van Monsieur Tournonville, den bekenden antiquaar op den Qtiai Voltaire, die voor den jongen Engelschman stond te buigen als een knipmes, met een bewonderend: âMon Dien! milord, que vous êtes Jin connaisseur/quot; terwijl achter in het magazijn een winkeljongen stond te ginnegappen over den onnoozelen edelman.
Eindelijk, toen hij vier en twintig was, moest hij wel naar Engeland terug om meerderjarig te worden volgens het testament van zijn grootvader en diens landgoed in bezit te nemen. Onder den kalmeerenden invloed van deze gebeurtenissen scheen het een oogenblik alsof zijn eigen stand en zijn moeder hem weer terug zouden krijgen. Hij liet een aantal kamers op Luton nieuw meubileeren, en maakte vooral veel werk van zijn eigen vertrekken, die vol hingen met gravures van Boucher, Greuze en Watteau, volgepropt waren met miniaturen en snuisterijen, terwijl men telkens tegen portefeuilles met teekeningen aanliep, welke hij niet licht in zijn moeders bijzijn zou laten bekijken.
Bovendien was hij weer hartelijk tegen zijn moeder, zelfs ging hij nu en dan weer met haar naar
292
de kerk. Het aangeboren instinct van den En-gelschen aristocraat kwam weer kijken door de zotternijen van den petit maitre heen; de arme Mrs. Allison begon dus weer hoop te krijgen. De blonde Lady Madeleine ontving eene uitnoodiging om bp het kasteel Luton te komen logeeren. Lord Ancoats maakte haar gehoorzaam het hof. Hij maakte schetsen van haar, componeerde liederen voor haar, verzon Fransche charades om met haar op te voeren; hij ging zelfs zoo ver haar te vergelijken, haar vol geestdrift te vergelijken , bij de laatste, ieders bewondering wekkende âSaloméquot;, die juist in die dagen geëxposeerd was in het Salon, van een der meest in trek zijnde Jonge, impressionistische schilders. Gelukkig echter had Lady Madeleine het schilderij niet gezien.
Tot, op zekeren morgen , Ancoats eensklaps, zonder vooraf van zijn plannen kennis te geven, naar de stad ging en daar bleef. Een poos later volgde zijne moeder hem. Ancoats schrikte toen hij haar zag; ook bleef zij niet lang, ofschoon lang genoeg om de Maxwells en anderen te doen begrijpen dat zij haar hart gezet had op Lady Madeleine als schoondochter.
Ziehier â met uitzondering van de verhalen die nu in alle couranten de ronde deden â de toestand. Het spreekt van zelf dat â wat het jonge mensch zeer goed begreep, en wat hem een dagelijksche ergernis was â Ancoats en wat hij had uitgehaald, meest al de gasten van zijne moeder grootendeels bezighield, hetzij in hunne gedachten of gesprekken.
Een voorbeeld:
âZeg .... Ben jij een brave jongen?quot; richtte Betty Leven zich eensklaps tot den jeugdigen Lord Naseby, midden op den Zondagmorgen. âBen je in een zachtzin-
2Q3
zinnige, menschlievende, nederige, vertrouwende stemming? Zoo niet, dan ga ik weg; â ik heb meer dan genoeg van Lady Kent!quot;
Charlie Naseby lachte. Hij zat op een der lawns van het kasteel, onder een grooten bruinen beuk, te lezen. Een oogenblik geleden had hij zitten kijken naar Betty Leven en Lady Kent, die een eind van hem af, onder een ceder zaten te praten. Lady Kent was met heel haar krijgshaftige persoon in het gesprek; haar muts, haar kin, haar neus, haar breede , indrukwekkende schouders, alles deed meê. En uit haar gebaren maakte de jonge Naseby op, dat ze tegenover Betty Leven meer onomwonden dan ze gewoon was hare meening geuit had.
Hij was een beetje nieuwsgierig naar het tête-a-tête. Zoodat hij, toen Betty de oudere dame alleen liet en over de lawn naar het huis trippelde, zich uit zijn lui-liggende houding overeind richtte en glimlachend knikte, als vroeg hij haar even een praatje te komen maken. Betty gaf aan de zwijgende roepstem gehoor, en deed toen, vlak voor hem staande, de reeds g-enoemde vragfen.
O O
âOf ik een brave jongen ben?quot; herhaalde de jonge edelman. âVerre van dien! Ik ben niet naar de kerk gegaan, en heb in een Fransch romannetje zitten lezen, waarvan ik zelfs jou den titel niet noemen durf.quot;
Hij stopte het geel gekafte deeltje gauw in een jaszak.
âHm,quot; zei Betty peinzend , âwat zou erger wezen : het Vierde Gebod te verbreken of het Negende? Lady Kent heeft ze, natuurlijk, allebei overtreden! Maar aan 't Negende bezondigt ze zich vooral! Zij noemt dat; âhet naadje van de kous willen wetenquot;.quot;
âEn wiens kous heeft ze van ochtend te pakken gehad?quot; vroeg Naseby.
294
Betty keek even om, zag dat Lady Kent het huis in gegaan was, en liet zich met een zucht op een hoekje van Naseby's bank vallen.
âPhh! . . . Men krijgt een gevoel alsof men een groote bulhond is, die met een inbreker worstelt. Ik heb met kracht en geweld de geheimen van mijne vrienden moeten bewaren; tot ze eindelijk George Tressady bij de haren greep en mij allerlei leelijke dingen van zijn moeder ging vertellen.quot;
âGeorge Tressady!. . . Wat drommel kan zij tegen de Tressadys hebben? 'k Geloof dat zij hem hiervoor 'teerst ontmoet!quot;
Betty klemde de lippen op elkaar. Zij en Charlie Naseby hadden reeds vriendschap gesloten toen zij elk met een slabbetje voor in den tafelstoel naast elkaar zaten.
âMen behoeft daarom niet tot den wortel van de dingen te gaan,quot; hernam zij ernstig, âmaar z'n oogen mag men gebruiken! Heb je wel opgemerkt dat An-coats bijzonder gesteld is op Sir George ? â dat hij gister den heelen avond met hem heeft zitten praten , en van morgen weer den heelen ochtend met hem gewandeld heeft, in plaats van met â nu ja! in plaats van met 'n ander! â zooals âmenquot; hoopte ? Waarom stellen die mannen zich toch zoo mal aan ?! Vrouwen, dat spreekt van zelf. Maar mannen! Net een forel, die je niet aan den haak kunt krijgen! En waar dient het toe ? 't Is enkel verlenging van lijden.quot;
âVolstrekt niet,quot; zei Naseby lachend. âEr is altijd kans dat hij beet krijgt!quot; Op eens werd zijn levendig gezicht ernstig en hij vervolgde, driftig haast: âMaar 't wordt tijd dat Lady Kent ophoudt met haar pogingen om Ancoats aan den haak te krijgen. In de eerste plaats: 't dient nergens toe. Hij zal zich niet laten vangen tegen z'n zin. Ten tweede .. och,quot;
295
â hij viel zichzelven eensklaps in de rede â âdit weet ik wel: als ik een zuster had, die op't oogen-blik op Ancoats verliefd was, ik bracht haar op staanden voet naar de Noordpool, liever dan dat ik haar naam hoorde noemen tegelijk met den zijnen.quot;' Betty zette groote oogen op en riep:
âDus dan is er toch iets waars in die verhalen! Frank zei natuurlijk weer dat er niets van aanwas! De Maxwells, ook, hebben er geen woord van gerept. Nil begrijp ik het waarom Lady Kent er aanhoudend op terugkwam â o, wat ik dankbaar was dat Mrs. Allison goed en wel in de kerk zat! â dat Ancoats veel beter zou doen jong te trouwen. âGeloof wat ik je zeg, kindlief, dat 's voor hem nog 't éénige wat ze doen kunnenquot;!quot; Betty bootste Lady Kent's stem en manieren na. âDaar hadt je z'n grootvader. . . . Die z'n vrouw heeft een leven gehad! â van hem zou ik je dingen kunnen vertellen! â en van haar öok trouwens. Maar zelfs Henry Allison .. .quot;Je begrijpt, dat ik hier er een eind aan maakte!quot;
âZoo'n ouwe feeks!quot; mompelde Naseby, met de diepste minachting. âZe weet het dus. En toch . .. Goeie hemel! hoe komt dat wijf aan zoo'n allerliefste dochter!quot;
Hij tikte de asch van zijn cigarette, en bracht ze met ietwat bevende vingers weer terug naar den mond.
âZij weet?... Wè.t weet ze?quot; vroeg Betty. Er was een blosje , misschien van schrik , op de frissche wangen, doch de oogen zeiden duidelijk dat, al zou ze misschien iets onaangenaams hooren, ze 't er op moest wagen.
Naseby aarzelde. De van zelf sprekende stilzwijgendheid van den eenen jongen man omtrent den ander weerhield hem. En hij was Ancoats' vriend. Maar hij was zeer ingenomen met Lady Madeleine, en
296
haar moeders leelijke manoeuvres onder de oogen van goden en menschen maakten hem woedend.
Eindelijk begon hij:
âDus hebben de Maxwells jou nergens van gesproken? Toch maak ik me sterk, dat Maxwell om geen andere reden hier is komen logeeren. Wat drommel anders allait-il faire dans cette galère? Kijk hem en Fontenoy eens! Wel een uur lang loopen ze die lindenlaan op en neer. Wie heeft ooit zoo iets gezien! Natuurlijk is er wat aan 'thandje.quot;
Betty volgde zijn oogen, en zag tusschen de boo-men de gestalten der beide mannen heen en weer bewegen: Fontenoy's massieve kop half verdwijnend tusschen de breede schouders, de handen op den rug ineen; Maxwell's langere en slankere gestalte naast hem. Fontenoy was dienzelfden morgen uit de stad gekomen, iets te laat om Mrs. Allison en hare logés naar de kerk te vergezellen; Maxwell en hij waren met elkaar alleen geweest sedert het oogen-blik dat Ancoats, na zijn gast in den tuin gebracht te hebben, met Tressady een loopje was gaan doen.
âAncoats en Tressady kwamen hier langs terug,quot; ging Naseby voort. âAncoats bleef met zijn handen in de zijden die twee staan aankijken. Zijn gezicht stond alles behalve vriendelijk. âEr broeit iets,quot; zei hij tegen Tressady â^kWed dat Ancoats die leelijke grijns van zijn acteurs-vrienden heeft; geen van ons zou 't hem zonder oefening nadoen. â âZullen we 't opperhoofd er uit helpen ?quot; Maar zij deden 't niet. Ancoats keerde zich op z'n hielen om, en liep met een knorrig gezicht het huis in.quot;
â'k Ben dankbaar dat ik dat jongmensch niet op het rechte pad hoef te houden.quot; zei Betty, ernstig. âMaar misschien geef ik niet genoeg om hem om 't te willen probeeren! Maar zijn moeder is een
297
engel! Als hij haar ongelukkig maakt verdient hij dat ze hem ophangen!quot;
âZij weet van niets, â geloof ikquot; â liet Naseby er haastig op volgen.
âVreemd!...quot; riep Betty. En ze vervolgde: âOf het de moeite waard zou wezen een engel te zijn ? .. Ik zal alles van mijn zoon weten als hij zoo oud is!quot;
âOch kom!., wezenlijk?quot; zei Naseby spottend, haar met een ondeugenden blik aanziende.
âZeker, mylord, zeker zal ik dat! Jullie geheimen zijn niet zoo moeielijk om achter te komen als men ze weten wil. Maar de hemel bewaar me, dat ik moeite zou doen voor die van jullie eer Bertie volwassen is' Toe, vertel me nu eens alles. Welk meisje is het?quot;
âDe hemel bewaar mij dat ik het jou vertel!quot; zei Naseby droog.
âKom, nu geen gekheid meer,quot; â Betty legde de hand op zijn arm, â âgauw gaat de kerk uit.quot;
âNu dan... maar namen noem ik niet!quot; zei Naseby, aarzelend. âNatuurlijk is 't een actrice, een zeer onbeduidende. En natuurlijk is 't een schuine dame en is ze mooi quot;
âDat vind ik volstrekt niet natuurlijk,quot; riep Betty, â't eene zoo min als 't andere!quot; Ook zij had goede bekenden in de tooneelwereld; ze wilde er geen kwaad van hooren.
Naseby protesteerde dat, als eerst het ethisch element van het tooneel besproken moest worden, vóór hij zijn verhaal doen kon, er niet veel tijd voor overschieten zou. Hiermeê werd Betty tot onderwerping gebracht; zij nam eene aandachtig luisterende houding aan, de handen in den schoot. Doch het verhaal had niet veel om 't lijf, kwam feitelijk neer op het gewone; het eenige misschien wat het van de
2g8
meeste andere onderscheidde was dat er een tweede pretendent bestond, met wien Ancoats het reeds eenmaal in 't publiek aan den stok had gehad, en waarschijnlijk niet voor den laatsten keer; dat, met iemand van Ancoats' karakter, men de ergste , meest opzienbarende feiten kon verwachten, die zijn moeder ter oore moesten komen; en dat Mrs. Allison . .. Mrs. Allison was.
âIs het mogelijk dat hij haar trouwt?quot; vroeg Betty snel.
âGoddank, neen! Er is ergens in Chili een soort van echtgenoot. Dus is er geen gevaar dat Mrs. Allison van Luton verdreven wordt. Maar.. . och, tusschen ons gezegd en gebleven â 'tzou jammer zijn, Ancoats zoo'n mooi kansje te geven den verkeerden weg op te gaan, wat stellig gebeurt als dit vrouwspersoon hem te pakken krijgt. Hij mocht eens niet terug kunnen keeren.quot;
Betty zat eenige oogenblikken stil voor zich heen te kijken. Alle vroolijkheid was van haar gezichtje geweken. De blauwe oogen vlamden.
Eindelijk barstte ze uit:
âEn daarvoor brengen wij ze groot!... Om telkens weer al die slechte, leelijke, domme dingen te doen ! Neen, ik denk niet zoozeer aan zedelijkheid en dat alles!quot; â Zij wendde zich tot Naseby met tartenden blik. â âIk denk aan de schandelijke wreedheid, de schromelijke gevoelloosheid!quot;
âTegenover z'n moeder?quot; . . . Naseby trok de schouders op.
Betty veroorloofde zich andermaal de weelde om flink haar gevoelen te zeggen over de jonge mannen van den tegenwoordigen tijd. Het kleine handje lag te trillen in haar schoot.
Naseby antwoordde er niet op. Niet dat hij 't oneens
299
met haar was, â verre van dien. Onder het jeugdige, het onverschillige, in uiterlijk en in manieren, was hij reeds iemand die zijn levensweg afgebakend vóór zich zag, die zeer sterk zijn overtuiging had omtrent de plichten, die een mensch, vooral een man, heeft tegenover zichzelf. Maar nu het langzamerhand de mode werd om met getrouwde vriendinnen te praten als met een ander, vond hij dat de vrouwen zich wel wat te warm maakten over dit punt.
Betty was echter spoedig zichzelve weer, gekalmeerd gelijk een bergstroom wam.eer de Föhn voorbij is. Een levendig, praktisch gesprek volgde. Wie was er die invloed had op Ancoats? Welke man}.. Na-seby schudde het hoofd, 't Verschil in leeftijd tus-schen Ancoats en Maxwell was te groot; de karakters liepen bovendien te zeer uiteen. Hij zelf had gedaan wat hij kon, maar te vergeefs, en Ancoats vertelde hem nu niets meer. Overigens geloofde hij dat Ancoats, al mocht hij ,,'n zee van kennissenquot; hebben, weinig ware vrienden bezat, en dat de enkelen die hij had, tot de derde-rangs-tooneelmen-schen behoorden, waar men in dit geval niets mee doen kon.
âIk heb hem, sedert hij van Eton vandaan is, bij geen man uit z'n eigen stand zich zoo zien aansluiten, als nu, deze twee dagen, bij George Tres-sady. Maar dat beteekent niets, 't spreekt van zelf; â dat 's te jong.quot;
Het tweetal bleef zwijgend naast elkaar zitten. Eensklaps zei Naseby, lachend, op heel anderen toon:
âDit is wezenlijk een interessante partij! Kijk daar eens!quot;
Betty keek, en zag George Tressady, met de handen in de zakken, druk redeneerend naast Marcella Maxwell een paadje op en neer loopen.
3°°
âWelnu!quot; zei Betty, âwat zou dat?quot;
Naseby stak zijn lippen naar voren en zei:
âNiets . ..; 't is alleen 'n beetje vreemd. Zooeven liepen ze me bijna omver! 'k Was met Hallin aan't gooien met den bal. â 'n Aardig ventje, die jongen ! â Nooit heb ik twee lui zoo in hun gesprek verdiept gezien. Natuurlijk is hij sous le charme! â we zijn 't allemaal. Ons Engelsch politiek leven staat 'n beetje wrak! Ze hebben op dit verrukkelijke landgoed geen Zuid-Amerikaansche republiek noodig. Ze houden meer van de jacht quot;
âEn dat vind jij zeker een veel beter toestand? Wacht maar tot het meer ons huis en onzen haard raakt dan de fabriek!quot; zei Betty, met haar jonge-vrouw-tjes-wijsheid. âMaar in allen geval: Lord Fontenoy is een ernstig man.quot;
âO, zeker, Fontenoy is een ernstig man. Tres-sady ook. En Maxwell ook, goeie hemel! Zeg, de kerk is uit; daar heb je ze.quot;
En uit een zijdeur in een eerbiedwaardig dikken muur, waarboven een klein kerktorentje uitstak, kwam een stoet heeren en dames te voorschijn: Mrs. Allison, Lady Cathedine en Madeleine Penley, geflankeerd door den grijzen Sir Philip, vooraan; daar achter Lady Tressady, tusschen Harding Watton en Lord Cathedine.
âCathedine!quot; riep Naseby, een en al verwondering. âIs Cathedine naar de kerk geweest?!quot;
âIk denk om de arme Laura teleur te stellen, die hem misschien kwijt hoopte te worden,quot; zei Betty scherp, kribbig âNeen! â als ik Mrs. Allison was zou ik bij Lord Cathedine de streep trekken.quot;
âNiemand hoeft meer van Cathedine te zien dan hij wil,quot; liet Naseby hier doodleuk op volgen, âen natuurlijk zorgt hij wel dat er hier niets op hem te
3° i
zeggen valt. Bovendien, 't schijnt dat er, wat z'n hersens betreft, geen vrees meer voor hem is. Ik hoor dat Fontenoy in 't Hoogerhuis veel aan hem hoopt te hebben.quot;
âA propos,quot; zei Betty, zich geheel naar hem om-keerend, âweetje wel waar je bent?quot;
âGoddank, ja, ik ben niet in 't Parlement!quot; was het lachende antwoord. âVraag dus, als je blieft, niet naar mijn opinie. Ik heb er geen. Behalve dat â in 't algemeen â ik Lady Maxwell graag gunnen zou wat ze wenscht.quot;
Betty keek hem van ter zijde aan, in stilte zich afvragend of ze hem zou durven plagen met het nieuwtje dat Marcella haar van hem verteld had.
Ze had er echter geen gelegenheid toe, want Mrs. Allison kwam op hen af.
âWat scheelt haar toch... Madeleine?... Hun allemaal ?quot; dacht Betty.
Want Mrs. Allison, bleek en gejaagd, beantwoordde Lady Leven's groet niet, ja, lette er nauwelijks op. Zij liep hen haastig voorbij, en zou dadelijk het huis ingegaan zijn, had zij niet, toen ze even op zij keek. Lord Fontenoy gezien, die uit de linden allee haastig op haar toetrad. Blijkbaar deed ze zich geweld aan om zich te beheerschen en ging hem tegemoet , zwaar leunend op den zilveren knop van haar stok.
De anderen bleven staan waar zij waren; niemand wist, zoo het scheen, iets te zeggen; ieder was met zijn figuur verlegen. Letty wroette met de punt van haar parasol in het zand; Sir Philip maakte een telescoop van zijne handen in de richting van Maxwell, die langzaam de lawn over kwam, terwijl Lady Madeleine met haar mooie oogen Betty verschrikt aankeek.
302
âBetty troonde haar meê naar een perkje bloemen , quasi om deze te bewonderen, en vroeg:
âWat is er toch?quot;
âIk weet het niet. Er is onder weg iets akeligs gebeurd. Een meisje . .
Plotseling zweeg ze. Ancoats had juist het tuinhek geopend en gesloten, en liep naar zijn logés toe.
âArm schepseltje!quot; dacht Betty bij zichzelf, vol innig medelijden. Want het was alsof Lady Madeleine in eens veranderde zoodra zij Ancoats in 't oog kreeg. Zij wendde het hoofd naar hem om, ondanks zichzelve, als in gespannen verwachting wat hij doen zou.
Ancoats liet vlug het oog gaan over het groepje.
âHij denkt dat wij over hem gesproken hebben,quot; dacht Betty terstond; en zij sloeg de plank niet ver mis. Want eensklaps ging er een wolk over het gelaat van den jongen man ; regelrecht liep hij op Lady Tressady af, wie hij tot nu toe slechts de hoogst noodige beleefdheid had bewezen, en vroeg of zij lust had de oranjerieën en den rozentuin te zien.
Letty was verrukt over deze in het oog vallende onderscheiding, zei met haar vroolijkste stemmetje âjaquot; en trippelde terstond met Ancoats meê. Hij liep vrij hard; het.duurde niet lang of zij waren onder de hooge boomen verdwenen.
Madeleine volgde hen met de oogen. Betty, die het niet kon uitstaan dat het arme kind zich aldus verried tegenover mannen als Harding Watton of Lord Cathedine â een bezorgdheid die echter alleen een gevolg was van zenuwachtige overspanning â trachtte haar meê te troonen. Maar Lady Madeleine scheen haar niet te begrijpen. Werktuigelijk stond ze haar lange handschoenen los en weer vast te knoopen , met een âja, ik ga meêmaar zij bleef waar ze stond.
303
Op eens zag Betty Lord Naseby naar haar toe komen. Het scheen haar dat het zonnige gezicht van den jeugdigen aristocraat een uitdrukking had van medelijden en verontwaardiging.
âHebt u dien mooien , bloeienden hagedoorn al gezien, Lady Madeleine?quot; hoorde zij hem zeggen. âZoudt u mij 't genoegen willen doen hem eens met mij te gaan bekijken? We hebben nog wel den tijd vóór den lunch.quot;
Het meisje keek den spreker aan. Zelfs de toon van zijn stem ademde hulde, verontschuldiging. Een diepe blos verfde hare wangen en gedwee liep zij naast hem voort.
Intusschen stapten Ancoats en Letty naar de oranjerieën en de ommuurde bloementuinen. Letty had moeite haar metgezel bij te houden, toch stond haar mond geen oogenblik stil. Bij iederen omdraai was zij een en al lof en bewondering, en was er een oogenblik niets nieuws om op te hemelen, dan deed ze allerlei ongepaste, nieuwsgierige vragen omtrent zijn tuinlui, zijn landgoed, zijn zaken.
Ancoats luisterde in het eerst bijna niet. Een afdoend ja of neen, nu en dan, scheen hem meer dan voldoende. Weldra echter kon hij zich genoeg losmaken uit den stroom zijner gedachten om iets op te vangen van hetgeen zij zeide. Zijn prikkelbare aard stoof in stilte op: Wat is die Tressady toch begonnen ? Zoo'n vervelend , onopgevoed schepsel!
Hij werd steeds stijver, koeler; hij liep recht als een paal voor haar uit, nauwelijks zijn gastheersplichten vervullend en haar praatjes zooveel mogelijk afwerend, terwijl Letty, van haar kant, al spoedig het bekende gevoel van vernedering en van op-eenafstand-gehouden-te-worden kreeg. Waarom âvroeg
304
ze zichzelve af, inwendig boos âwaarom vroeg hij haar met hem meê te gaan als hij geen lust had in praten ?
Aan het eind van de lindenlaan kwamen zij Mrs. Allison en Lord Fontenoy tegen. Toen zij elkaar voorbij liepen , sloeg de doodsbleeke moeder met een bevenden glimlach de oogen op naar haar zoon.
Ancoats beantwoordde dit niet, evenmin groette hij Fontenoy. Hij rende met zijne dame door, tot zij zich in een doolhof bevonden van ommuurde tuinen , alle met elkaar correspondeerend , ieder op zichzelf keuriger in orde en van weelderiger bloemen en vruchten voorzien dan zijn buurman.
âIk begrijp niet hoe u hier den weg weet!quot; lachte Letty. âEn wie moet dit allemaal opeten?quot;
âIk weet het heusch niet,quot; viel Ancoats ruw hierop in, terwijl hij de deur van de tiende drui-venkas opende. âZegt u 't mij eens.quot;
Letty trok de wenkbrauwen op, met een zacht protesteerend;
âMaar 't maakt de heele omgeving toch zooveel mooier; het completeert alles!quot;
âWat is er voor moois in, te veel te hebben ?quot; snauwde Ancoats. âIk voor mij geloof, dat die groote landgoederen , met al dien vervelenden omslag van serres en oranjerieën, afgedaan hebben.quot;
Alsof hij er zich ooit aan gelegen liet ⢠liggen, aan zijn tuinlui, zijn druiven, zijn bloemen! Hij was in een stemming om heel zijn prachtig erfdeel als een centenaarslast om den hals te voelen hangen. Toch gaf het declineeren van zijn rijkdom hem een prettig gevoel van den artist te spelen.
âHebt u dè.t met Lord Fontenoy bepraat?quot; vroeg zij ondeugend.
â'tZou mij nog al de moeite waard zijn!quot; bromde hij , met onverschilligen trots. âAha!quot; â Letty's ijdel-
305
heid werd een gevoeligen schok toegebracht door zijn onwillekeurigen toon van verlichting â âdaar zie ik uw man en Lady Maxwell.quot;
Marcella en George kwamen naar hen toe, langzaam slenterend langs een breeden bloemenrand, op dat oogenblik een en al bloeiende pioenrozen in allerlei schakeeringen van rood, hier en daar afgewisseld door een hooge, gul bloeiende kamperfoelie, Marcella stond gedurig stil, 't zij om den geur der kamperfoelie te genieten, of om haar metgezel attent te maken op de verrukkelijke schoonheid der volle, weelderige pioenen. Hallin trippelde om hen heen, nu eens vertrouwelijk zijn handje in Tressa-dy's groote mannenhand leggend, dan aan zijn moeders rokken trekkend, op dit oogenblik een St. Bernard streelend, die hen gevolgd was. George, de handen in de zakken, liep met hen meê of stond met hen stil, en al dadelijk trof het Letty dat hij meer op zijn gemak was, zelfs vroolijker praatte, dan zij hem in lang gehoord had.
Ja, het was waar wat Harding gezegd had â de verhouding was zeer vriendschappelijk geworden. Voor de eerste maal had Letty, zoodra zij hen zag, eene aanvechting van jaloezie. Zij was boos op Lady Maxwell om haar schoonheid, en op George omdat hij in een prettige stemming was. Op end' op iets voor een voorname dame om de vrouw te negee-ren en beslag te leggen op den man! George had waarlijk wel eens de moeite mogen nemen om te komen zien of zij al uit de kerk terug was!
Terwijl dus Ancoats stijf een paar woorden met Marcella wisselde, liet de jonge mylady haar gemaal, ofschoon schertsend, verstaan, dat zij niet tevreden over hem was.
âMaar, kindlief, ik heb geen oogenblik gedacht
1. 20
3o6
dat die kerk zoo vroeg uit zou gaan !quot; trachtte George zich te verontschuldigen. âHeusch, die goeie man verdient zijn tractement niet half!quot;
âKom, je wist heel goed dat ze hier erg High Church zijn, haast allemaal ceremonies!quot; beet Letty hem toe, nog niet tevreden gesteld. âMaar natuurlijk . . .quot;
Zij was op het punt eene jaloersche opmerking te maken, doch werd hierin verhinderd door de komst van Sir Philip Wentworth en Watton , die in eens uit een zijpad te voorschijn traden.
âAha, goed geraden!quot; zei Sir Philip. âIk dacht wel dat we u bij de pioenrozen zouden vinden. Hebt u ooit zoo'n verrukkelijke collectie gezien, Lady Tressady? Zeg, Ancoats, is je tuinman, ik bedoel de chef natuurlijk, op zondag te spreken? Ik vraag het met vreezen en beven, want er bestaat geen grooter pronkjuweel in de heele schepping Maar als ik den man kon bereiken, om een paar vragen te doen over een orchidee, die ik gisteren in een van je kassen zag, zou 't me veel plezier doen.quot;
âKom dan maar meê in dén tuin hier naast,quot; zei Ancoats, âwaar de orchideeënkassen zijn. Als hij daar niet is, zullen we hem laten halen.quot;
âDan hoop ik dat u met me meegaat, Lady Tressady,quot; zei Sir Philip hoffelijk. âIk ben 't niet met hem eens over een naam, dien hij er bij geschreven heeft; en u weet wat Dizzy beweert â een tuinman is niet gemakkelijk te overtuigen dat hij 't mis heeft! Gaat u ook mee, Lady Maxwell ?quot;
Marcella schudde ontkennend het hoofd en zei lachend:
âNeen, dank u, ik houd niets van broeikassen!quot;
âMijn lieve Mylady, verlang op het kasteel Luton niet naar het leven volgens de natuur!quot; zei Sir Philip, met opgeheven vinger. âDe beste broeikassen
307
zijn die waarin men zich sterk voelt aangegrepen, zooals door al wat goed en schoon is in het leven.''
Marcella haalde de schouders op.
âNeen, ik word meer aangegrepen door deze pioenen!quot;
Sir Philip lachte, en nam Watton en Letty meê, die, nu haar ijdelheid zich wederom gestreeld voelde , haar vroolijkheid terugkreeg, terwijl Ancoats, blijde met een voorwendsel om zich uit de voeten te maken, den oppersten der tuiniers, Mr. Newmarch, ging zoeken.
âEr moeten zulke prachtige irissen bloeien in den Monnikentuin,quot; zeide Marcella. âZullen we er eens heengaan ? Mrs. Allison zei dat 't wel de moeite waard
was. Ik ea eens onderzoeken of ik ze vinden kan. En «_gt;
Hallin verlangt naar den goudvisschen-vijver.quot;
De heeren betuigden hunne instemming en zij wees den weg, door tal van kronkelpaden , toen eensklaps een gejuich klonk van Hallin, en het meest romantische plekje tuin zichtbaar werd. Tusschen de ruïnen van eenige kloostergangen, eenmaal behoord hebbend tot het voormalige Cisterciaansche klooster, op welks terrein het kasteel gebouwd was, wemelde het van bloeiende planten en bloemen: irissen, in allerlei lokkende tinten van purper, paarsch, en geelgoud; tapijten, als het ware, van narcissen en witte lelies, den grond bedekkend tot in elk hoekje en spleetje van den muur. Gele rozen en witte clematis slingerden zich om de brokkelige muren, of omlijstten de open vensters, en, waar de ruïne eindigde, volgden glad geschoren hagen, waarin tal van vogels hun nest hadden gemaakt. De aldus ineesloten bloemenmassa werd in het midden ver-broken door een ouden vijver, en als men op het steenen bankje plaats nam, had men, door een ope-
308
ning in de boomen, het gezicht op de blauwe rivier en de heuvelen
Inderdaad een verrukkelijk plekje. Toch gaf Mar-cella het niet de aandacht die het verdiende. Zij zette zich op het bankje bij den vijver, en wendde zich op eens â Hallin was in de goudvisschen verdiept â tot Tressady met de vraag:
âü kende Ancoats niet, niet waar, vóór u hier kwaamt logeeren ?quot;
âNeen, alleen heel oppervlakkig. Fontenoy had mij in de club aan hem voorgesteld.quot;
Marcella zuchtte. Zij scheen met zichzelve omtrent een of ander in tweestrijd. Eindelijk begon ze weer, met een vluchtigen blik naar den ingang van den tuin: âU weet, geloof ik, dat zijn vrienden reden hebben om zich ongerust over hem te maken?quot;
Toevallig had Watton dienzelfden morgen Tressady een artikel in de courant laten lezen, waarin de Britsche pair, zijn kleeding, zijn levenswijze, en zijn genoegens werden gehekeld. Hoewel het stuk geen namen noemde, zelfs geen initialen gaf, was het een teekening van Lord Ancoats en van wat hij gedaan had, die Harding Watton, van alle schandaaltjes op de hoogte, geheel naar waarheid noemde. George had er niet veel op gezegd, maar had, toen hij later Mrs. Allison naar de kerk zag gaan, haar met een blik van deernis gevolgd.
Toen dus Marcella aarzelend hem die vraag deed, gaf hij terstond ten antwoord;
âIk weet wat de couranten zeggen ... Ik bedoel, ik heb dat artikeltje gelezen . . .quot;
âO, die couranten!quot; viel ze hem ontstemd in de rede. âWe zijn allen bang dat hij een dwazen stap zal doen, en worden dergelijke praatjes gevoed, dan zal dit er nog toe leiden. Niemand kan hem controlee-
309
ren, en in den laatsten tijd tracht hij zelfs niet de dingen te verbergen.quot;
âEr is iets zeer gedécideerds in zijn gezicht,quot; zei George. âIk vrees dat hij zijn gang zal gaan. Hoe komt het toch dat hij zoo heel anders is dan z;jn moeder?quot;
âHoe komt het toch, dat liefde en toewijding doorgaans weinig door kinderen gewaardeerd worden ? ...quot; zei Marcella, op een toon vol droefheid. âHet beste van haar leven heeft ze hem gegeven .. .quot;
En vlug schetste ze hem de opvoeding van den knaap, de toewijding der moeder.
George luisterde zwijgend Toen zij ophield met spreken zei hij alleen:
âArme Mrs. Allison! . .. Maar och, er moeten ook verflenste rozen wezen in de tuinen van de grooten der aarde!quot;
Een oogenblik zag zij hem verbaasd aan en hernam toen;
âDe grooten? Waarom noemt u haar groot ? Zou niet iedere moeder lijden als zij? Ten eerste: hij is zeer veranderd; het is moeielijk te weten wat er in hem omgaat; zijn vrienden zijn heel anders dan de hare; hij gaat op in zijn Londensche genoegens; zijn landgoed laat hem totaal onverschillig. Het godsdienstige , dat hij vroeger had, waar zij zich altijd zoo in verheugde, is geheel weg. En nu bedreigt hij haar met deze. . hoe zal ik het noemen?quot; â haar lip krulde zich minachtend â âdeze ellendige geschiedenis. Als hij het doorzet, hoe zullen we verhinderen dat haar verdriet haar te machtig wordt ?! Arm schepsel! Arme moeders!quot;
De fijne, blanke hand werd even opgeheven en viel op haar schoot. â een dier losse, spontane gebaren, die bij hare schoonheid als behoorden.
31°
Maar George wilde zich niet laten meesleepen door die weeke stemming, en zei:
âKom j Ancoats zal er zich wel doorheen slaan, net zoo goed als andere mannen. En dat moet zij ook; zij moet het zich niet zoo aantrekken. Haar verdriet mag haar niet te machtig worden.quot;
Marcella zweeg. Een oogenblik later vatte hij den draad van het gesprek weder op en vroeg;
âVindt u dat ongevoelig? Maar als ik zeggen mag â het leven, gemoedsrust, een goed humeur, zijn wezenlijk niet zoo broos als de vrouwen ze maken ! Waarom leggen ze al haar eieren in dat éene mandje dat zij haar liefde noemen ? Het leven heeft nog zooveel meer â wezenlijk! 't Is een bewijs van gebrek aan geestkracht.quot;
Hij lachte, nam een keisteentje op en wierp het met kracht tusschen de goudvisschen.
âAch!...quot; zuchtte Marcella. En zacht het hoofdje van haar jongen streelend, die naast haar stond , in bewondering van de vlug heen en weer schietende vischjes, zei ze: âHallin mag moeder geen kus meer geven! Sir George zegt, dat het gebrek aan geestkracht verraadt.quot;
âNee...quot; zei Hallin. Maar er lag geen behoorlijke minachting of afkeuring van die bewering in zijn âNee...quot;, want de goudvischjes, geschrikt van Sir George's steentje, schenen niet tot rust te kunnen komen, en zijn donkere oogen volgden vol belangstelling hun schichtig gespartel.
Beiden lachten; George kwam niet op haar verzuchting terug. Doch op Marcella hadden zijne woorden een pijnlijken indruk gemaakt; haar medelijden van den vorigen avond werd er door versterkt. Dezen jongen man, pas getrouwd, te hooren protesteeren tegen overmaat van gevoel! â het scheen haar half
311
tragisch, half grotesk! Natuurlijk vond zij er de verklaring van in de eigenaardigheden van dat kleine persoontje in een Parijsch toiletje, thans hier of daar rondfladderend met Sir Philip!
Maar terwijl ze er nog over dacht hoeveel jonger hij was dan zij, hoeveel minder ervaring hij had, vatte hij bedaard het gesprek weer op omtrent An-coats, redeneerend met veel gezond verstand, met een scherpen blik, en inderdaad meteen fijn gevoel, dat in het eerst haar verbaasde, en tevens hem meer en meer in haar vriendschap deed rijzen. Zij betrapte er zichzelf op dat zij hem steeds meer haar vertrouwen gaf; dat ze zijn oordeel, zijn meening vroeg; dat het haar plezier deed als iets wat ze zei dat humoristische trekje om den mondhoek te voorschijn riep, of die blauwe oogen â zeldzaam moment! â deed schitteren van een sympathie, welke hij niet verbloemen kon.
En wat hem betreft voor hem waren het heerlijke oogenblikken , ofschoon hij er nu geen seconde lang bij stilstond. De lijnen van hare slanke gestalte, toen zij met onbestudeerde waardigheid naast hem zat, haar prachtige oogen , de buigingen van het hoofd , de zachte klank harer stem, het bewustzijn van een nieuwen band, waarin niets onedels was, niets om zich over te schamen; daarbij het aardige kind, dat hem telkens op zijn ongekunstelde manier aanhaalde, en het zuiver fysiek genot van dezen éenigen Meimorgen, met de zwaar drijvende wolken boven hen, de lekkere geuren van bloemen en gras, â dit alles werkte mede om émoties op te wekken, die hij niet onder woorden had kunnen brengen zelfs al had hij het gewild.
Vooral deed het hem pleizier dat zij, in deze nieuwe periode van toenemende vriendschap, tot nog
312
toe zoo weinig over de politiek, of over welke quaes-tie ook gesproken had. Thans kon hij zich zooveel gemakkelijker losmaken van, â neen ! wegdoen uit zijn herinnering! â^ dien eersten onsympathieken indruk van haar â hoe had hij zich zoo kunnen vergissen! â bij hun kennismaking op straat, bij het overreden kind en in het gasthuis. Toch, onbewust misschien, bleek door alles heen â hetzij in hare opinie over personen, of door een los daarheen geworpen woord, waaruit men karakter en smaak leert kennen â hare belangstelling in het lot der menschen , haar idealen, haar illusies op sociaal gebied, en op een wijze, gelijk hij nooit had gedacht het bij eene vrouw te kunnen aantreffen zóó oprecht gemeend, zóó verstandig opgevat, â ja, deze ruime blik op de dingen was het wel wat haar zoo bezielend maakte! Had zij getracht hem tot hare opinie over te halen, hij zou onwrikbaar als altijd op zijn stuk zijn blijven staan. Maar zoolang ze alle strijdvragen met rust liet, kon het niet anders of haar persoon, of de vrouw sprak onbewust in haar voordeel en maakte aan vroegere vooroordeelen een eind.
Ten minste .. . zoolang hij Maxwell's aandeel daarin vergeten kon! Dat was echter niet lang mogelijk. Want de liefde der echtgenoote straalde, niettegenstaande een nobele terughouding, door al haar doen en zeggen heen, op een wijze, die haar nieuwen vriend beurtelings ontroerde en prikkelde.
Neen, laat hem niet vergeten dat Maxwell's opvatting van de dingen er niet minder verkeerd om
was, al was zij het die er over sprak.
* *
*
Na het luncheon zat Betty in haar eentje in een hoekje van de Groene Zaal. Aan het andere uiteinde
313
zaten Mrs. Allison en Lord Fontenoy te praten; een eindje verder zat Sir Philip Wentworth. Lord Fontenoy deed verslag van zijn week in het Parlement. Betty, die hem kende en altijd zooveel mogelijk ontweek, zette een paar malen groote oogen op, toen zij de bezielde stem hoorde , de eigenaardige korte lachjes, de levendige beschrijvingen, welke het bijzijn zijner Muze altijd aan dezen minst aes-thetischen harer aanbidders wist te ontlokken. Inderdaad was zijn verhaal één lange gevoelsuiting, en het grijsgelokte vrouwtje, in den lagen easy-chair, deed haar best de Melpomene te spelen. Zij sprak met zachte stem. Doch Fontenoy voelde er zich door aangegord tot nieuwen strijd; en hij was nimmer zoo geducht dan wanneer hij kersversch van Luton kwam.
Betty's gedachten dwaalden echter spoedig af van hare onmiddellijke omgeving en hielden zich bezig met wat in haar oog veel belangrijker was â met Madeleine Penley's gemoedsstemming, en met de listen en lagen van die demonische vrouw in Londen, die men als een klis van Ancoats moest zien te weren â toen Marcella met den hoed in de hand binnentrad.
âWaar moet het heen?quot; riep Betty terstond, âkom hier eens wat praten.quot;
âHallin loopt bij de rivier te spelen, ik ben zoo bang dat hij er in valt. ..quot;
âWelnu, dan zal Sir George hem wel opvisschen! Maar ik heb Sir George en Ancoats er samen op uit zien gaan, met Hallin bij zich. Ik hoorde Maxwell zeggen dat hij meê mocht.quot;
Marcella aarzelde, en sloeg een blik naar den kant waar Lord Fontenoy en Mrs. Allison zaten te praten. Maar zoodra Maxwell's gemalin de zaal binnentrad, had Maxwell's antagonist de politiek laten rusten. Hij stond nu Sir Philip een portefeuille schetsen van Mrs.
3i4
Allison te laten zien , met een stille bewondering, die een vriendelijk glimlachje te voorschijn riep om Marcella's mond. Eigenlijk had Fontenoy geen oog en geen oor voor kunst; bovendien sprak hij slecht Fransch en kende hij geen enkele andere taal; over 't algemeen was hij op letterkundig gebied weinig ontwikkeld. Maar zoodra Mrs. Allison's talenten op 't tapijt kwamen: voor teekenen , voor handwerken, â meer nog: haar prachtig Fransch en Italiaansch, de boeken die zij had gelezen, de gedichten die zij van buiten kende, â had hij de grootste waardeering, haast zou men kunnen zeggen : dè.n voelde hij het meest.
âWaar is Madeleine?quot; vroeg Betty, toen Marcella naast haar plaats nam.
âIk geloof dat ze met Lord Naseby wandelt.quot;
âWat is er toch gebeurd toen ze uit de kerk kwamen ?quot; vroeg Betty zacht.
Marcella's gezicht betrok, terwijl ze zeide:
âGa even meê in den tuin, dan vertel ik het je. Ik weet er van door Madeleine.quot;
Betty brandde van nieuwsgierigheid, en volgde haar vriendin volgaarne het openslaande raam door, naar een bank in den op Hollandsche wijze aange-legden tuin.
â't Is verschrikkelijk wat er gebeurd is!quot; begon Marcella, recht overeind zittend en zeer rad sprekend , â een bewijs van onderdrukten hartstocht, aan Betty wel bekend. âZulke dingen doen mijn bloed koken als ik hier kom. Je weet hoe ze in 'tdorp regeert?quot;â onwillekeurig keek ze naar de ramen van de zaal waar Mrs. Allison's grijs hoofd nog zichtbaar was. âNiet alleen moeten al de huisjes er goed uitzien, maar al de bewoners een zeker standpunt van deugd innemen. Zoodra er een man aan den drank raakt, mag hij niet langer op het
315
goed wonen ; als een meisje zich laat verleiden , moeten zij en haar kind weg. Nu, zoo'n meisje wachtte haar en de logés op, toen zij van ochtend uit de kerk kwamen. De moeder wil niet van haar dochter scheiden, dus is het bevel gegeven: het geheele gezin moet weg. Men zegt dat het meisje na de geboorte van het kind niet goed bij haar verstand is; van ochtend deed ze niets dan schreien en allerlei wartaal spreken : dat haar ouders geen werk zouden vinden; dat zij gebrek zouden lijden; dat zij en haar kind zouden omkomen van den honger. Mrs. Allison deed al wat zij bedenken kon om haar te doen zwijgen, maar niets hielp; toen vroeg zij aan de anderen door te loopen en bleef nog even alleen achter, een paar minuten slechts, â dadelijk had ze Madeleine ingehaald. Madeleine verzekert dat zij zich niet heeft laten vermurwen; dat doet ze nooit, ik weet het. Eens heb ik met haar over een dergelijk geval gepraat â een vreeselijk geval! Toen was haar antwoord: âVan dergelijke zonden heb ik een en ze bleef op haar stuk staan. Je merkt wel hoe vermoeid en uitgeput ze er van middag uitziet. Ze zal ziek worden van verdriet over dat meisje, van verdriet en onrust.quot;
Betty sloeg ontsteld de handen ineen.
âO ! als ze 't hoort!quot; . . .
,Ja, 't kan haar dood wezen,quot; liet Marcella hier op volgen, beslist, berustend bijna. Een oogenblik later zag Betty dat haar gezicht rood geworden was tot de wortels van het haar, en hoorde ze haar in stilte voor zich heen prevelen: âMoge God ons bewaren voor alle wreedheid en strengheid!quot;
Betty zweeg. Als hare vrienden, hetzij van het Mrs. Allison- of van het Marcella-type, zoo krachtig
3i6
zich uitspraken, werd zij er onwillekeurig stil onder.
Het tweetal bleef nog eenige minuten zwijgend bij elkaar zitten. Beiden dachten aan hetzelfde, maar beiden waren vermoeid van het aanhoudende praten dat de zondag op een buiten meebrengt; de rust was haar welkom.
Na verloop van eenige oogenblikken stond Mar-cella op, liet haar vriendin op de bank alleen achter, en ging in haar eentje, wel een uur lang, in de schaduw, bij de rivier op en neer loopen.
Dóar kon haar geest zich losmaken van alle zorgen behalve van éen â de zorg over haar man en zijn werk.
Twee jaren van arbeid, ja, van harden arbeid â er klonk een gesmoorde snik â die den arbeider hadden geteekend en verouderd; en nu... kon het waar zijn, dat, na al dit zwoegen, na zooveel hoop, zooveel belofte van welslagen, alles ten slotte zou mislukken ?
Wederom verdiepte ze zich in voorstellingen van wat zou kunnen gebeuren, in alle mogelijke combinaties. Want wat de personen betrof, herinnerde ze zich Tressady's onomwonden waarschuwing met een glimlach en tevens met eene gewaarwording van angst, doch dit weerhield haar niet zich te verdiepen in allerlei droomen, waarvan hij, of iemand op hem gelijkend, de hoofdfiguur was. Typen , onbeduidende voorvallen, losse tooneeltjes kwamen haar voor den geest â o! konden zij met geweld worden ingeprent, gebrand in zulk een gemoed, gelijk zege-brand stonden in haar en in Maxwell's hart! Daar zat de knoop, dat was 't eenige â gemis aan inzicht, aan begrip! Wie in deze zaak moesten beslissen, waren mannen die geen recht besef er van hadden hoe armoede en ellende bestaan, geen ken-
3i7
nis van deze groote tragedie van den arbeid zooals ze voortdurend in ons midden wordt opgevoerd, mannen, wier hart niet in opstand kwam tegen levenstoestanden van andere menschen, terwijl ze zelf liever duizendmaal zouden sterven dan met hen ruilen. Zij zag zichzelve in haar wanhoop die mannen door de straten voortjagen, huizen in die zij kende, hen dwingend om te kijken, om te gevoelen. Zelfs nu, op dit oogenblik ....
Hoe veel beter had zij die belangwekkende, bekrompen persoonlijkheid, George Tressady, in deze laatste vier-en-twintig uren leeren kennen ! Zij voelde zich aangetrokken door het jeugdige, het oprechte in hem â zelfs door de koppigheid waarmede hij een lastig enthousiasme van de hand wees, trachtte van zich te houden; en het kon niet anders of zij voelde zich gevleid door de wijze waarop zijn vooroordeel tegen haar kennelijk had opgehouden te bestaan.
Zijn huwelijk was een misgreep, een ramp! Zij dacht er aan met de instinctieve hauteur van iemand die nooit een oogenblik zich voelt aangetrokken tot het vulgaire in het dagelij ksch leven. Met een vrouw zoo klein van geest, kon men niet praten. Des te meer reden intusschen om den man vriendschappelijk tegemoet te komen.
Een paar uur later wandelde Tressady langs den oever van het riviertje naar het kasteel. Nadat hij Lady Maxwell en Hallin verlaten had was hij teruggekeerd naar het bosch op den heuvel, onder voorwendsel dat hij behoefte had aan een wandeling. Nu echter spoedde hij zich naar huis, om nog wat aan Letty te hebben voor het tijd werd om zich te kleeden. Ze zou misschien zeggen dat hij haar te lang alleen gelaten had. Maar hij had na de thee
3i8
wat met haar willen roeien op de rivier, en ze had de voorkeur gegeven aan een wandeling met Lord Cathedine.
Sedert.. . Hij sloeg een blik op het landschap om hem heen, naar de rivier, naar de heuvels. De hemel was rood getint door den gloed der ondergaande zon , het blauwe water gaf op enkele punten een rosse , of gouden weerkaatsing van een lucht, waar hier donderwolken zich samenpakten, daar een zichtbare majesteit troonde in kleur en gloed. De machtige wolkgevaarten dreven in sombere schoonheid door het westen; tinten en vormen, heel het hemelgewelf, gaf hem een overstelpend gevoel van harmonie , van poëzie, in één woord van schoonheid. Wat was er gebeurd? Had een God hem eensklaps nieuwe zintuigen, andere oogen geschonken ? Nooit had aldus heel zijn innigste wezen getrild van welbehagen in de Natuur, nooit had hij zich zoo opgeheven gevoeld tot het grootsche en goddelijke. Waarom ?. . . Omdat een schoone vrouw aan zijne zijde gewandeld had ?.. . Omdat hij met haar had loopen praten over dingen waar hij, althans, zelden zich over uitliet, â dingen die hij voelde, of dacht, of zich voorstelde, waarin hij nooit nog een vrouw had doen deelen ? ...
Hoe had ze hem er toe gekregen zich zoo uit te spreken, zich zoo te geven ? Hij schaamde zich bijna, en vergat toen weer dit niet-aangename gevoel, door zich de dagen voor te stellen die ze hier nog zijn zouden, â want Mrs Allison's gasten bleven tot dinsdag na Pinksteren â evenals de uren en plaatsen in Londen, waar hij haar zou ontmoeten op hare sociale hervormingswegen. Welk een warm, trouw hart! Welk een vrouw, met al haar gedroom en haar mistasten, en daarom, hoe beminnelijk!
319
Daar het reeds donker begon te worden, verhaastte hij zijn tred. Op eens zag hij een gestalte naar zich toe komen uit het geboomte op zijde var: de groote lawn. Het was Fontenoy; Fontenoy's rechterhand moest zich dus-losmaken van wat hem thans bezighield. Hij had dien dag nog niet veel van zijn leider gemerkt. Maar hij wist zeer wel dat Fontenoy nimmer zijn rdle uit het oog verloor, en er waren verscheidene punten, die in de laatste acht-en-veer-tig uur zich hadden voorgedaan, waaromtrent hij reeds lang had verwacht geraadpleegd te worden.
Maar toen Fontenoy het verloren schaap tegen 't lijf liep, scheen hij geen lust te hebben in praten. Hij scheen in zijn eentje te hebben loopen peinzen; en wanneer Fontenoy van iets vervuld was, kreeg men hem niet gemakkelijk aan den praat.
âJe bent laat; evenals ik,quot; begon hij, terwijl hij met Tressady omkeerde.
George stemde dit toe en voegde er bij :
âIk loop steeds te soezen over de meest gewenschte tactiek voor ons, waar we gisteren over spraken .. .quot;
Maar in plaats van zich in een discussie te verdiepen, ging Fontenoy er niet op door. George liet hem begaan, wetend wat hij aan hem had.
Op eens barstte Fontenoy uit, met een ruk van het kolossale hoofd:
âOch, die tactiek! Wat komt het er op aan! Ik wed dat 't gebeurd is .. ., 't is gebeurd !. herhaalde hij met nadruk.
George trok de schouders op.
âDat stem ik je niet toe. We kunnen te sanguinisch zijn. 't Is niet mogelijk dat Maxwell gemakkelijk te verslaan is.quot;
Fontenoy lachte, â een vreemd, schel krassend geluid als van een kraai, een lachje, in disharmonie
320
met de vierkante gestalte, en dat eensklaps zweeg.
âMaar we krijgen hem wel klein!quot; sprak hij bedaard ; âen haar ook. Eene welmeenende vrouw â maar wat kan ze doorslaan!quot;
George gaf geen antwoord.
âHoewel ik eerlijk bekennen moet,quot; liet Fontenoy er terstond op volgen, âdat, in private zaken, geen man een zachter, gezonder oordeel zou kunnen hebben dan Maxwell. En ik geloof dat Mrs. Allison datzelfde vindt van haar.quot;
Zijn blik werd eerst vriendelijker, toen fronste hij de wenkbrauwen, en daar hij meteen den kant van het huis op keek, begreep George welk onderwerp het was dat hij en Maxwell dien morgen in de linden-laan bepraat hadden.
Tressady vond Letty in een zeer goede luim; voor zoover hij er over oordeelen kon schreef hij dit toe aan de beleefdheden en attenties van Lord Ca-thedine. Bovendien voelde ze zich nu meer thuis in hare omgeving en zag ze minder op tegen Mrs. Allison.
âEn morgen,quot; zei ze, terwijl ze haar juweelen aandeed, âzal 't natuurlijk nog prettiger zijn. Dan kennen de menschen elkaar weer meer.quot;
Haar goed humeur deed haar de jaloezie van dien middag vergeten; ze vroeg zelfs niet met wie hij zoo lang gewandeld had.
Maar Letty werd in haar illusies voor den laat-sten dag op het kasteel teleurgesteld. Want het gezelschap moest plotseling vertrekken, 's Maandags morgens om tien uur hadden al Mrs. Allison's logés, behalve Lord Fontenoy en de Maxwells, het kasteel Luton verlaten.
Ziehier wat er gebeurd was.
Zondag avond , na het middagmaal, stelde Ancoats , die aan tafel in het oog vallend stil en prikkelbaar was geweest, eensklaps voor zijne gasten het kasteel te laten zien. Dit werd met vreugde aangenomen. Hij bracht hen in al de beroemde zalen en vertrekken , draaide de knopjes om van het electrisch licht, om de schilderijen te doen uitkomen, en was hun cicerone voor het porcelein en de boeken.
Eensklaps bemerkte men dat hij verdwenen was; ook miste men Madeleine Penley. Het gezelschap zocht, zonder den gastheer, de salons weer op.
Na een half uurtje, echter, kwam Ancoats alleen weer te voorschijn. Hij zag bleek; zij die hem goed kenden en hem goed aanzagen, zooals Maxwell en Marcella, maakten er uit op dat hij zeer zenuwachtig en opgewonden was, maar dit met geweld onderdrukte. Zijn moeder â hoe vreemd het ook schijnen moge â scheen niets bijzonders aan hem te zien. Wel scheen zij vermoeid en gedrukt; vroeger dan anders gaf zij het sein om naar boven te gaan.
In het groote huis heerschte rust en stilte. Maar ongeveer een uur nadat Marcella en Betty voor de kamers der laatste elkaar goeden nacht gezegd hadden , hoorde Betty iemand zenuwachtig aan haar deur kloppen.
Ze deed onmiddellijk open en zag Marcella, die zacht, zeer rad sprekend, haar toefluisterde:
âMrs. Allison is ziek! Mij dunkt, ieder moet morgen zoo vroeg mogelijk vertrekken. Wil jij 't aan Frank zeggen? Ik ga naar Lady Tressady. De hee-ren zijn nog beneden.quot;
Betty greep haar bij den arm, met een angstig:
âWat is er toch? Wat is er?quot;
âO, 'tis vreeselijk!quot; snikte Marcella half. âAncoats en Madeleine hebben in zijn zitkamer een expli-
322
catie gehad. Hij heeft haar alles verteld! â aan dat kind! Zij is naar Mrs. Allison gegaan â dat heeft hij haar gevraagd! Toen is de kamenier, niet wetend wat te beginnen, mij komen roepen, 't Is een aandoening van 't hart â zij heeft het meer gehad. Ze is nu iets beter. Maar o! laat iedereen toch heengaan !quot; â zij wrong de handen. â âMaxwell en ik moeten blijven en zien wat we doen kunnen.quot;
Betty schelde onmiddellijk haar kamenier om de treinen na te zien. Lady Maxwell liep door naar Letty Tressady's kamer.
Doch op weg daarheen, in het halve licht der gang, kwam zij George Tressady tegen, die een oogen-b]ik te voren het rooksalon verlaten had. Zij vertelde dus hèm de plotselinge ziekte van Mrs. Allison, met verzoek het zijne vrouw mede te deelen en voor de gastvrouw excuses te maken voor deze plotselinge stoornis. Het was een oude kwaal, zeide zij, die weer opspeelde, en na een paar dagen rust wel verdwijnen zou.
George hoorde haar belangstellend aan; ofschoon allerlei vermoedens in zijn hoofd woelden, durfde hij niets vragen. Alleen hield hij een oogenblikje de hand vast, die ze hem met een âgoeden nachtquot; toestak, en zei:
âWe zullen zoo vroeg mogelijk vertrekken, dus nemen we afscheid. Maar we ontmoeten elkaar weer in de stad hebt u gezegd, niet waar?quot;
âMet genoegen!quot;
Ze drukte hem de hand en was wegf.
Doch voor zijn eigen deur keerde hij zich met een diepen zucht naar den kant van den corridor, waar hij haar zooeven vaarwel gezegd had. Het was hem als zag hij haar daar nog â haar bleek gelaat, de witte japon , de bezorgdheid, het medelijden, die uit heel haar
houding spraken, het innig reine, het door endoor vrouwelijke. Bij zichzelf zeide hij met zekeren trots, dat hij een vriendin gemaakt had, eene vriendin, wier sympathie, wier gaven van hart en geest hem een bron van genot zouden kunnen wezen.
Wie zou moeielijkheden opwerpen? Letty?.... Maar terwijl hij daar stond, de hand op den knop van haar deur, was hij in zijn gedachten, als in een visioen dat aan hem voorbijging, reeds bezig een scheiding te maken tusschen de vrouw die hij zoo overijld getrouwd had, en deze andere, die op zijn hoogst aan hem dacht met voorbijgaande welwillendheid, en op zijn minst hem beschouwde als een pion in het politieke schaakspel.
Wat kon hij door deze vriendschap winnen dat Letty kwetsen zou ?
Niets! Absoluut niets!
Einde van hkt Eerste Deel.