ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

HET KLOOSTER

DEH

H. MARIA VAN NAZARETH TE ALKMAAR.

De eerw. heer P. M. Bots schrijft in JJe oude kloosters en abdijen van het tegenwoordig hisdorn Haarlem (Rijsen-burg 1882) aan Alkmaar toe de volgende vrouwenkloosters: van lt;S. Catharina of het oude hof, van S. Maria of het jonge hof, van de clarissen, van S. Maria Mag-dalena, van 5. Anna, van de witte zusters, en van S. Salvator en zijne moeder Maria of het middel-begijnhof. Alleen het laatste beschouwt hij als begijnhof. Het klooster van S. Maria Magdalena, zegt hij verkeerdelijk '), heette eigenlijk het klooster van S. Maria van Nazareth; en hij doet het jongehof met het stadsbestuur accordeeren over een muur in plaats van een aarden wal achter zijne gebouwen , wat wel het oude hof en het middelhof deden, maar het jonge hof niet '). Zijn getal van 7 conventen moet bovendien herleid worden tot 5 , want de kloosters van S. Maria Magdalena, van S. Anna en van de witte zusters waren een en hetzelfde.

Van het 5. Cai/jaW?ia-klooster weten wij veel, dank zij het bewaard gebleven archief, door pastoor van der

1) Vermoedelijk op het voetspoor van Hofdijk en v.d. Keilen, De kloosterorden in Nederland, naar het klooster van S. Maria van Nazareth driemaal , bij de franciscanessen, bij de Maria-Magdalenen en bij de begijnen genoemd wordt.

2) De schrijver geeft ook den indruk, als ware aan het clarissen-klooster een proveniershuis verwant geweest, waar hij van „proveniers bij de clarissenquot; spreekt. Het provenhuis van Palinc stond nabij het klooster, beiden buiten de Geestpoort. VoorOuddorp, bl. 360, leze men Oudorp; het eerste ligt op het eiland Goedereede, het laatste bij Alkmaar.

' j/'r,, //%('/

1

ocr page 4

2

Horst beschreven in het tiende deel der Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom Haarlem. Maar ook van het jonge hof is aan origineele stukken, afschriften en aanteekeningen in ons Stedelijk Museum genoegzaam overgebleven, om er eeue niet te onvolledige geschiedenis van dit gesticht uit samen te stellen.

Nadat het in 1426 of 28 aan de Hoogstraat, waar men die nu Doelenstraat heet, gegrondvest en door zusters , levende naar den hier te lande veel bijval vindenden derden regel van 5. Franciscus, betrokken was, kocht men reeds in 1429, zondags na S. Joris (vierdag 23 April), ten noorden van het huis een erf, van Volpert Schuit, cureit der parochiekerk. Jan Hareken, priester en memoriemeester, en de gemeene gezellen van het koor; en den 17 Maart 1429 (n. s. 1430) een kamer en erf, jaarlijks belast met 10 stuivers, aan de zuidzijde van den Koningsweg, van nMargriet Gherijt houtcopers wedue.quot; Dit getuigt juist niet van aanvankelijken tegenspoed; maar in een later te vermelden stuk van 1531 wordt gezegd, dat de drie zusterhoven van 5. Catharina, S. Maria Magdalena en 0. L. Vrouw eene eeuw vroeger met onspoed (importuyn) te kampen hadden, oorzaak, dat de thesaurier van Holland, de regeeringen van Haarlem en andere steden en „geoerdendequot; menschen voor hen in de bres sprongen en de alkmaarsche overheid bewogen tot het verleenen van een belangrijken voorrecht-brief '). Misschien werd in het stuk van 1531 wat gegeneraliseerd, en is de nood der beide andere kloosters aan het jongste ten goede gekomen.

1) Römer zegt in het eerste deel van zijn Geschiedkundig Ooerziyt der kloosters en abdijen, bl. 558, dat de vermelding van Haarlem aan het verleenen van den alkmaarschen voorrechtbrief wel eenigszins het voorkomen geeft eener boetedoening (voor de deelneming der alkmaarders aan den Kennemerloop), en bl. 559 „onder zulke omslandigheden heeft de bede

ocr page 5

3

Bij dezen voorrechtbrief, gegeven ,/des vrydaghes voir Palmenquot; des jaars 1430 (n. s. H31) en bezegeld door den schout en de zeven schepenen, verkregen de hoven voor immer vrijdom van alle accijnsen en andere onkosten, uitgezonderd het bodegeld en het wachtergeld, dat elk als een gewoon poortershuis zou moeten betalen. Maar „ouermits dat onse stede seer belast ende tafteren is, ende om dat gemeen geroep vander gemeenten die des nyet lyden en mochten dat sy vry saten ende hoir broot in die stede wonnen, ende om dese roep te stillen ende onrust te verhoeden,quot; moesten de hoven gezamenlijk, telken jare op S. Jansdag, 20 beiersche gulden aan de stad opbrengen '). Zij mochten niemand innemen dan poorters of poorters kinderen , ten ware op dringend verzoek door het meerendeel van den gerechte anders werd toegestaan, en den inboedel en de tilbare have van ingenomen zusters behouden. Bepalingen werden gesteld in welke richting de kloosters zich konden „meerenquot; (uitbreiden) , ten aanzien van „dat susterhoff van onser vrouwen op die nyewe slootquot; in dien zin, dat het, ten oosten en westen blijvende zooals het was, zich noordwaarts mocht uitstrekken tot der stede vesten en zuidwaarts tot de Nieuwesloot, die dus toen nog maar ten deele de zuidelijke grens was. Voorts beloofde de overheid, „ge-neycht.....den susteren voirs. wel te doen ende te be-

van Haarlem het aaniien van eene kleine wraakneming aan de diep vernederde nabuur, het aanzien van ontveinsden dwang.quot; Wij deelen zijne Teronderstelling niet: er wordt toch ook van andere steden gesproken en vermoedelijk slechts Haarlem als de voornaamste genoemd; maar bovendien kwam het schenken van vrijdom van accijns aan kloosters ook elders menigmaal voor.

1) Den 18 Mei 1456 werd dit bedrag met asidere giften door de stads-regeering, op consent der vroedschap, afgestaan aan de zeven getijden, voor het altijddurend onderhoud der canteryc.

ocr page 6

4

schermen, ouermits dat dese goede inenschen voir onser goede stede bidden en bidden zullenquot; , de keur op haar af te schaffen en nimmer eene andere, die haar aan hai'e nering zou deren, te maken. Mogelijke geschillen tus-schen de stad en de hoven zouden beslecht worden door 't meerendeel van den gerechte en twee visitores van voornoemde hoven.

Tot toeneming der devotie in de aan de H. Maagd en de Apostelen Philippics en Jacobus gewijde kloosterkapel, verleende Martinus, algemeen stedehouder van Zweder, bisschop van Utrecht, op verzoek der zusters, bij binnen Alkmaar den 2 Mei 1433 gegeven brief, een aflaat van veertig dagen aan allen, die, na gebiecht te hebben, op de patroondagen. Kersmis, Driekoningen, Goeden Vrijdag., Paschen , Hemel vaartdag. Pinksteren, Drievuldigheids-Sacraments-, Kruisvinding- en Kruisverheffingdag in de kapel zouden komen om te bidden, mis en predikatie te hooren, offerhanden te doen, de metten, vesperen of uitvaart voor overledenen bij te wonen; en aan hen, die het lichaam van Christus en de heilige olie, naar zieken gebracht wordende, zouden volgen, of op het luiden der avondklok met yebogen knieën drie Ave-Maria's lezen ,

O O '

of van hunne goederen iets aan de kapel vermaken, tot het onderhoud ervan kaarsen , kerksieraden enz. toebrengen, of zoo dikwijls zij voor het hoog-altaar of voor da kas der heilige overblijfselen met gebogen knieën één Pater-noster en drie Ave-Maria's lezen, of hunne zonden beleden , vergeving verzocht en beterschap beloofd , den vloer gekust, de kranken bediend of eenige andere werken of diensten ten nutte des convents verricht hebben.

In 1445 was mater Dieuwer Claesdochter; bijgestaan door haren voogd Sijrnon Vreryck Dircxs., kocht zij in Juni van Pieter Dirc Waliysz. het vierde van eene weide „over de Yequot; (in Overdie onder Alkmaar), belend het

ocr page 7

5

papengild en de memorie ten noorden en het ziekenhuis ten westen.

Tien jaren later, den 21 November, maakte de biechtvader van het convent Gerrit Gerritsz. Berhhey zijn testament voor den notaris Jacob Jansz. BupeZ/. Hij begeerde begraven te worden bij de reguliere kanunniken te Heiloo, aan welke hij één engelschen nobel toedacht; maar indien hij bij de zusteren begraven werd, dan den priesters der kerk van Alkmaar, in 't koor uitvaart houdende, 2 wil-lemsschilden; voorts vermaakte hij den provisor-decanus in der tijd, de oudere en middelbare zusters in de kerk des convents, de gemeene armen genaamd de huiszitten, de jongen ') in Alkmaar en den notaris elk één schild; en eindelijk den zusteren van liet klooster, tot een zielmis voor hem en zijne ouders in haar kapel, één engelschen nobel 'sjaars, te lichten van de landen gemeenlijk genaamd de Slope, in het district van Berkhey. Tot zijne

executeuren-testamentair benoemde hij Thomas, ......

der zusteren te Medenblik, en Theodorus Jansz., gedurig vicaris te Alkmaar.

Dieuwer Claesd. bovengenoemd stichtte op S. Antonius-dag 1) 1455 (n. s. 17 Januari H56) met de priesters G er rijt van Bergen 2) en Jacob Mathijsz. en met toestemming van het gemeene convent, een eeuwig officium in

1

In Eikelenbergs aanteekeniugen staat: ,,op Sinte Antonius marti^sdach,,, maar de martelaars Antonius Favonius (trouwens eerst in 1460 f) eu Antonius Neyrot (gedenkdagen 9 en 10 April) worden gelukzaligen, geen heiligen genoemd. Wij meenen ons daarom aan den vierdag van den hier te lande meer bekenden lt;5. Antonius te moeten houden.

2

Vermoedelijk dezelfde als wiens testament werd medegedeeld; zoowel om de gelijkheid van tijd als om de uitdrukking ,,ministers van 't jonge hofquot;, welke wij in Bikelenbergs aanteekening na de namen der priesters en mater vinden. E. heelt het origineel testament van Berkhey

ocr page 8

6

de kloosterkapel ter eere Gods, Zijne gebenedijde moeder en de 1 1000 maagden op het O. L. V.-altaar, gevende daartoe 9 wilhelmusschilden aan landen, t. w. een stuk geheeten Slobbenys ven, belend de Bergermeer ten zuiden, en een stuk in den ban van Heiloo, belend de Die ten oosten, waaruit respectieve 4 en 5 wilhelmusschilden 's jaars vrij geld zou genieten de bezitter van het officium, als eersten waarvan zij voor zijn leven benoemde gezegden heer Jacob Mathijsz., die dagelijks voor alle ellendige zielen zou moeten lezen een miserere met preces en een de profundis. Na zijnen dood zou de begeving den maters toekomen en volgende bezitters twee missen 's weeks moeten lezen. Op haar verzoek bezegelde de priester Dirch Jansz. den stichtingbrief. Bij het openstaan van den bisschoppelijken stoel van Utrecht, werd de verzochte confirmatie en institutie den 3 September verleend door Wouter van Gouda.

Blijkens door Jan, prior der regulieren van het S. Willj-brordus-klooster buiten Alkmaar, en Dirc Flarkez., priester, den 6 Februari 1455 (n. s. 1456) gezegelde verklaring, verkocht Lijsheth Sijmonsd., van Haarlem, toen aan het convent een perceel land . groot 3| gaarde , in den ban van Assendelft.

In 1457 vergunde Johan van Schiedam '), priester, doctor in het geestelijk recht, kanunnik van S. Jan te Utrecht en cureit der parochiekerk te Alkmaar, voor zich en zijne opvolgers, aan de zusteren van het middelhof en het jongehof - eerst 24 Mei 1464 deed hij 't aan die van het oudehof - : het laten wijden van kapel, kerk en

bezeten, maar het is onder de van hem afkomstige papieren niet meer voorhanden. Een niet geoefend afschrijver kan , waar Berkhey of Bet-yhen staat, zich gemakkelijk vergissen. De landen genaamd de Slope kunnen in Noordbrabant maar ook in Kenneinerland gelfgen hebben.

1) Ouk wel Johan van Perxijn genoemd.

ocr page 9

7

altaren, daar zij dagelijks den dienst mochten hooren en collaciën laten doen; het behouden harer torens met klokken, niet te luiden na 's morgens 9 uren; de collaciën niet met open deuren of als er in de parochiekerk gezongen of gepredikt werd; den dienst Gods, mis, vesper en completen zingende te laten doen met besloten deur en van 9 uren; als er zusters professie doen, op de vier hoogtijden, op hare kermisdagen en patroondagen en als er dooden zijn lezende en zingende missen te doen met open deuren en na 9 uren; in hare kapel te mogen houden in eene eerbare ciborie het H. Sacrament en de heilige olie voor de zieken, de laatste ter vernieuwing door den biechtvader te halen van den cureit of zijne kapelanen; een biechtvader te kiezen, die hare biecht hoort en de sacramenten bedient, en vóór hij zijne betrekking aanvaardt zal moeten biechten bij den cureit of zijne kapelanen, die gevende een stoop wijn. Verder bedong de cureit voor zich en zijne opvolgers: bij het overlijden van eene zuster één lood zuiver zilver; als iemand van buiten de parochie zijn graf kiest in 't klooster, van zijne erven, vóór de begrafenis, één lood zilver; als iemand van binnen de parochie er begraven zal worden, het lijk eerst in de parochiekerk te brengen en van de erven één bourgondisch schild; en voorts van elk convent 's jaars , met Paschen of binnen 8 dagen daarna , een fransch gouden schild „swaer van gewichte na taxe-ringe der ecclesie van utrechtquot;, ter vergoeding van schade door de parochiekerk te lijden door het houden van maandstonden en jaargetijden door de kloosters voor de er in begravenen, en door het gemis der door de zusters en die „in haer statelijke kostquot; zijn verschuldigde offerhanden; en „van alle hindernissen en achterwesen die mijne kerk vermits dese gracie zou beloopen.quot; De priesterlijke notaris Gerard Jansz. verzocht op deze vergunning de

ocr page 10

8

bekrachtiging van den bisschop van Utrecht, welke door David van Bourgondie den 12 Maart (H58) verleend werd.

Den 18 October 1460 stichtten Mar gr iet e Heinricxd. , Weine Sijmonsd., Geertruid Eghertsd. en Lubbrich Pie-tersd., zusteren van het huis van de maagd Maria op de Hoogstraat, genaamd de penitencie, voor bovengenoemden notaris Gerard Jansz. en in het bijzijn der priesters Gerard Vouivens en Willem van den Berg, en met bezegeling der acte door de mater Hildegond Claesd. (met het conventszegel) en Ludolphus de Hoern, doctor in de beide rechten , op het A/ima-altaar in de kapel een officium van een zielmis op alle heilige dagen, ter bediening van Dirch Jansz., priester, en na zijn overlijden ter begeving van de mater en 6 oudste zusters; daartoe gevende ieder een stuk land, Claes heynen-vm, die Boetraet, de Valaer en de Plaet, bij Edam, te Beets, te Groet en onder Graftdijk. In December verleende bisschop David van Bourgondie hierop vergunning, en den 31 Juli 1463 werden de geschonken landerijen door hertog Filips van Bourgondie geestelijk en geamortiseerd verklaard.

In 1461 bedacht Margriet Jacop Reinermentsen weduwe ') bij haar testament tal van instellingen, als kerk, gasthuis en kloosters (de 2 andere zusterhoven der derde orde van S. Franciscus elk met 2 rijnsgulden) met giften ; en vermaakte zij aan de mater van het jongehof 2 rijnsgulden 's jaars, te beuren van een stuk land in den ban van Lintunen, om daarvoor door een bekwaam priester wekelijks eene mis te doen lezen, „en sal wesen die andere misse des vrydaghes.quot; Bij verzuim daarvan moesten de gelden weder aan hare erven komen. „Haer beste corte hoycquot; moest een der znsters van het convent, Lijsbzth Jan Heynrijcsdochter, ten deel vallen.

1) D. i. Margriet Jacobsd,, wed®, vau Reiner Clenieiisz.

ocr page 11

9

In het volgende jaar vinden wij eene gebruikmaking der vergunning van léSO tot uitbreiding in noordelijke richting, door den koop van een half huis en erf bij der stede vesten, belend de zusters ten zuiden. De vesten waren hiermede niet bereikt, daar nog een belendend eigenaar ten noorden genoemd werd.

In 1474 was men bedacht op of reeds bezig aan het bouwen van eene kerk in plaats der kapel. Zuwe IJvendr., geprofessijde zuster, gaf den 29 Augustus van dat jaar „te hulpe een nyewe kerk mede te timmerenquot; 90 rijnsgulden, welke zij ontvangen had van een stuk land geheeten IJfnevenven, in den ban van Bergen vóór de Koog te Koedijk, door haar met consent der ministers en bij handen van Dirk Sijmonsz., als voogd van het convent, verkocht.

Voor den schout van Bergen kochten de zusters in 1475 van Thomas .... een stuk land aldaar vóór (quot;tejien-

V O

over) Koedijk, genaamd IJfneven, en den 11 Januari 1477 (n. s. 1478) van Richten Pieiersz. een stuk weiland aldaar, benoorden den Kerkdijk, groot ongeveer 400 roeden. Het eerste, waaromtrent ons slechts eene aanteeke-ning en niet de opdrachtbrief voorkwam, gelijkt wat ligging en naam betreft veel op het in 14 74 door Zuwe IJvendr. verkochte; vermoedelijk kon het klooster het land beter gebruiken dan het geld.

Den ] 3 Februari 1479 (n. s. 1480) vergunde de utrecht-sche bisschop David van Bourgondie aan Adrian us, biechtvader van het convent, als bewindhebber van den eeuwig-durenden dienst in de kapel, te verkoopen de daarvoor aangewezen goederen onder Edam door Margriet Heinricxd. en onder Heiloo door heer Jacob Mathijsz., mits de daarvoor komende gelden of te koopen goederen tot denzelfden dienst aan te wenden, volgens den raad van den gardiaan der minderbroeders te Alkmaar en den proost der reguliere kanunniken te Heiloo, „waarover wij uwe en hunne

ocr page 12

10

conscientiën bezwaren.quot; O. i. moet hier spraak zijn van twee diensten, n. 1. de in 1460 en in 1455 gestichte.

Den 2 December 1480 vermaakte Pieter Jan van Zaen-den te Haarlem, voor schepenen aldaar, aan zijne nicht Middel Michielsd., toen ingenomen in het jonge hof om er professie te doen . een stuk land buiten de Zijlpoort te Haarlem, verhuurd voor 9^ rijnsgulden 'sjaars, om na haar overlijden aan het klooster te blijven; maar ging zij tot eene zwaardere orde over, dan aan dat waarin zij zou sterven ; en keerde zij in de wereld terug, dan moest het na haar overlijden komen aan de H. Geest-armen te Haarlem.

Op S. Apollonia-Aamp;g (9 Februari) 1480 (n. s. 1481) kocht het klooster eene halve weide „bij de wateringequot; (vermoedelijk den afloop van de Bergermeer benoorden de stad, waaromtrent het in latere stukken Kwakelbruii zal heeten), gemeen en onverdeeld half met de middelste zusteren (het middelhof) liggende; en zes dagen later kocht Aef Nannesd., een der gemeene zusteren, met bijstand van des convents voogd Aerien Woutersz., een huis en erve ,,op de groote (Lange) nuwesloot.quot;

In 1485, omtrent 14 dagen vóór Mei, gaf Lijsbet/i Ariaen Bontwerkers weduwe, bij acte voor den schout van Scboorl verleden, aan de zusteren, voor het vaderlijk erfdeel van Lijsheth Ariaensd., woonachtig in het convent, et n stuk land in den ban van Schoorl, genaamd die Horn, hebbende de Hevendijk ten oosten en ,,t gewigen laanquot; ten noorden.

Den 18 Augustus 1488 stond meergenoemde bisschop den zusters tot haar gemak en voordeel toe, dat de twee kerkelijke diensten in hare kapel, gesticht de een door Everard Zoudenbalch, schatbewaarder der utrechtsche kerk, de ander door Sijmon Sijmonsz., priester, staande ter begeving van de rectrix en zeven mindere zusters van het convent, na den dood of het vertrek der toenmalige bezitters, zouden vereenigd en ingelijfd worden en blijven

ocr page 13

11

zonder bezit of gezag van eenig klooster, mits aan de opgelegde lasten niet werd te kort gedaan. Simon de Sluza, proost en aartsdiaken van Utrecht, gaf den 12 Mei 1493 eene verklaring ter ratificatie en approbatie dezer vereeniging en inlijving.

In 1502 kochten de zusteren eene met haar gemeen liggende koeweide in den ban van Alkmaar, hebbende het convents-land ten zuiden, de Kwakelbrug (eene buurt bij een brug benoorden de vestgracht) ten oosten en den Geest ten westen.

Den 25 April 1506 maakte Gerrit Harcksdr. '), ge-professijde zuster van het convent, zijnde gezond van verstand doch zwak van lichaam, met toelating van den biechtvader Sijmon Sijinonss. en de mater Margriet Claesdr. en op bekomen vergunning van den minister-generaal der orde Henrich Schimmelpenninck, d.d. 29 Juli 1505, en (daar zij geducht had dat het octrooi en consent niet genoeg zouden wezen) van Philips, Koning van Castilie , van 4 Maart 1505 (n. s. 1506), voor Willem Gerritsz., openbaar beambte, en in tegenwoordigheid van Willem Jansz. en Frederik Pietersz , priesters der kerk van Alkmaar, het volgende testament: het klooster zal erven de Wijbrandsven, groot 7 geerzen , en een stuk land in de Broek, groot ;j geerzen 4 sneezen, beiden in den ban van Warmenhuizen, en haar broeders kind hare verdere nalatenschap. Gaat dit in een klooster en sterft het, dan erft het klooster; maar blijft het in de wereld en sterft het zonder nazaten („bliuhende geboertquot;), dan is de eene helft voor het convent der testatrice en de wederhelft voor de kerk en de huiszitten van Alkmaar in gelijke deelen.

1) Hiermede wordt niet bedoeld eene ongenoemde dochter van Gerrit Ilarcksz.y maar Gerrit of Geerte (in het latijnsehe gedeelte der minuut Gerarda), dochter van Hurrk......szoon.

ocr page 14

12

Den 3 Juni 1509 verklaarde de zoo even genoemde Sijrnon Sijmonsz., priester en pater, bij op zijn verzoek door Dirk Sijmon Vrerijks Claes Corfszoon en Augustijn van Teyiivgen Florisz., leenmannen der grafelijkheid van Holland, bezegelden brief, dat alle door hem sedert hij pater werd gekochte goederen, landen en renten gekocht waren ten dienste van het convent en, voor zooveel noo-dig, daaraan door hem gegeven werden.

Den Februari 1515 (n. s. 1516) kocht hij voor schepenen, van Jacob IJsbrantsz. en Claes de Wael Dircsz., de gerechte twee deelen van drie koeweiden (het derde deel behoorde aan het middelhof), met twee deelen van eene steeg tusschen twee woningen '), een en ander op 't Kwakelbrug, met 16^ stuiver en 1 oort 's jaars te pacht op het land staande en toekomende de memorie, het papengild en 5. LijsbetJis-gasthuis.

Ongedeerd gebleven bij de plundering der stad door de gelderschen in Juni 1517 , kon liet klooster in dat jaar de regeering te hulp komen met een op Kersmis terug te betalen leensom van 300 carolusgulden , waarvoor de burgemeesteren Dire A llertsz. en Jan Ctaesz., de schepen Arijs Pietersz. Zei, de thesauriers Bertelmies IJsbrantsz. en Marten Florisz. en de rentmeester A ugustijn van Teylingen zich als voor eigen schuld borg stelden. Den 20 September werden zij echter door de vroedschap ontlast en gevrijd van dezen borgtocht.

1) Ten aanzien van deze steeg verklaarden Cornelis Mentis cu Pieter Jacobsz. den 19 Augustus 15 57, dat zij die, liggende tnsamp;chen hunne huizen en erven op de westzijde van 't Kwakelbrug eu van daar strekkende tot aan de weide, toegeheind hadden op deze voorwaarde, dut als het jongel.of of iemand in naam ervan hare opening verlangde , zij en hunne erven haar te hunnen kosten zouden moeten openen, bij weigering of nalating waarvan de officier de versperring zou mogeu doen opbreken en daarvoor vorderen twee carolusgulden

ocr page 15

13

De ons reeds bekende biechtvader Sijmon Sijmonsz. '), overleden in 1523, vermaakte 's jaars te voren aan het klooster eenig land onder Schagen voor eene eeuwige mis. Blijkens verschillende fundatiebrieven van 1518 tot 1522, waarbij hij aanzienlijke schenkingen, ook van landerijen, deed, aanwezig in het gemeente-archief van Schagen '), moet hij zeer bemiddeld zijn geweest. Het S. Jans-con-vent te Weesp heeft zijn testament bezeten. Wij vonden een testament van hem, dat, blijkens de doorhalingen en het gemis van datum en onderteekening, een ontwerp schijnt te zijn geweest. Na zijne begeerte te hebben geuit om, stierf hij in het convent, begraven te worden in zijn vaders graf beneden de traliën, maakte hij de volgende beschikkingen : de pastoor en de deken ieder één currente gulden, de notaris een schelling, „hoer familiquot; een halve schelling, de minnebroers, de vrouwebroêrs, de regulieren tot S. Paulus te Amsterdam, het kapittel-generaal, het oudehof, het middelhof, de magdalenen te

1) De pastoor der statie van H. Matthias Wilhelmus Kleeff noemt iu zijne belangrijke, nochtans niet zonder voorbehoud te raadplegen, aanteekenin-gen, dezen pater „van Hoog dorp.quot; Hoogdorp is eene buurt onder de gemeente Heemskerk; te Schagen draagt buurt noch hofstede dien naam; wel is er aan het Noord aldaar een plek gronds, die het Hoog heet. De alk-maarsche pastoor Volyert Scult gaf op S. Greyorius mart.dag 1429 eene aan alle geestelijke en wereldlijke overheden in Duitschland, Frankrijk en Vlaanderen gerichte verklaring 3 dat Sijmon Sijmonsz. was een catholiek jongman, door geen enkelen band van excommunicatie of infamie gebonden , van vaderszijde afstammende uit het adelijk huis van Egmond, geboren te Schagen, het toooeel van vele vijandelijkheden en oproeren, waarbij zijn grootvader het leven had verloren; eu uiteraard wraakgierig, waarom zijne ouders hem naar Brugge of Gent zonden, tot het leeren van goede manieren en zeden. Deze aanbevelingsbrief schijnt, ook wijl die ten laatste te Alkmaar beland is, onzen biechtvader Sijmon Sijmonsz. te betrelfen ; maar gesteld dat de knaap in 1429 minstens 8 jaren telde, dan zou hij bij zijn overlijden den hoogen ouderdom van 102 jaren moeten bereikt hebben , wat wel niet onmogelijk maar toch zeer ongewoon is.

2) Mededeeling van pastoor Fhilippona in Deel VIII der Bijdragen.

ocr page 16

14

Schagen, Leiden en Schagen ') (voor een ton bier), S. Catharina te Haarlem, lt;S. Margariete te Amsterdam, de kerk van Alkmaar en die van Schagen elk één philips-gulden; „die cantery d. i. die ghetijdequot; te Schagen een stuk land aldaar op Grootewal; het mannengasthuis, het -S. igt;ï}-s6ei/js-gasthuis, het ziekenhuis, de huiszitten, het

gasthuis te Schagen elk één.....*) gulden ; alle de

priesters twee stuivers „en ik begeer om Godswille dat zij vigilie lezen en niet zingenquot;, de maandstond en het jaargetij één stuiver; de priesteren te Schagen uitvaart, maandstond en jaargetij tot drie tijden ieder één stuiver; tot tweemaal zullen zij doen jaargetij of' memorie, telkens op zondag en maandag „nae heilighe cruus dach in die meyquot; en „nae sinte francissen avontquot;, en tot eiken tijd vijf missen, ieder priester één braspenning en de pater één stooter; de zusteren op die beide zondagen een maal, waarvoor zij zullen hebben het land te Oude Niedorp, waarvan de opbrengst verder strekken mag tot den „mo-nichwijn als men communiceertquot; en den miswijn; en als men communiceert en zeggen zal: „bid voor heer sijmon (die) onse pater was, zijne vrienden en hem die hem en ons goed gedaen hebbenquot;, daarvoor zullen de zusters hebben een stuk land , geldende vier rijnsgulden, te Oude Niedorp, zes geerzen land te Barsingerhorn met het convent gemeen, alsook zes geerzen in datzelfde land en tien geerzen te Nieuwe Niedorp, „en van deze 16 gars zal men alle jaar rog of zaad of andere behoeftigheid koopen en geven het om godswille alle jaar.quot;

Den 26 April 1526 verkocht mr. Jacob van Veen, voor leenmannen der grafelijkheid van Holland, aan het convent eene losrente van 15 rijnsgulden 's jaars, op dien

1) Het eerste „Schagenquot; zal wel Alkmaar moeten zijn.

2) Onleesbaar.

ocr page 17

15

dag verschijnende en binnen acht dagen daarna te voldoen, tegen eene boete van acht stuivers voor eiken dag verzuim, onverminderd des convents aanspraak op de principale losrente; daarvoor tot onderpand stellende een vierde van 47 geerzen land in den ban van Niedorp en al zijne andere goederen, terwijl zijn broeder Simon zich bovendien nog als borg verbond.

In 1530, den 20 Mei, werd het grondbezit aan de Kwakel-brug weder vergroot door aankoop der daaraan palende koeweide van het middelhof, hebbende de memorie ten noorden.

Mochten de zusters zich, blijkens het tot nu toe medegedeelde, steeds in gestadigen vooruitgang van haar klooster verheugd hebben, thans braken moeilijker tijden aan met het verlies van voorrechten, gevolgd door de opbrengst van zware contributiën.

Door de drukkende lasten en beden was de stadsregee-ring genoodzaakt geworden den bier-accijns, welke in 1430 slechts vijf grooten per vat bedroeg, achtervolgens tot tien stuivers , dus tot het viervoud, te verhoogen, en zij verlangde, dat de zusterhoven dien ook zouden betalen, hetgeen op grond van den voorrechtbrief geweigerd werd. Maar.... de „begijnhovenquot; - zooals de overheid ze noemde - hadden dikwijls vreemden ingenomen zonder die van den gerechte te kennen, en den lastendragenden poorters nering onttrokken door het oprichten van brouwerijen, weverijen en andere bedrijven '), „doende gelijk de wereldlijke poortersquot;, en zij werden, toen de kwestie bij den Keizer was aangebracht, in het ongelijk gesteld. Bij mandement, gegeven te Mechelen den 9 Maart 1530 (n. s. 1531), werd de eerste deurwaarder of sergeant van wapenen gelast, de regenten der hoven, „op sekere grote

1) In de Informacie op de verpondingen vao 1514 wordt gezegd: „ende doen deselve vrouwencloosters groote neringe van weven en spinnen.quot;

ocr page 18

16

pene jegens ons te vbuerenquot;, door „scharp beveel van onse wegequot; te verplichten, nevens andere poorters van hun bier en andere neringen accijns te betalen, „ende de brieven voor voorgemelde overeenkomst te leveren in handen van de suppliantenquot;; voorts bij weigering en tegenstelling de weigerenden te dagvaarden voor den stadhouder, eerste en andere luiden van den Raad van Holland, om aldaar hunne redenen te zeggen en voort te procedeeren; en van zijn wedervaren bescheid te geven aan den Raad, welke gelast en gemachtigd werd partijen kort en goed recht te doen, „ten eynde zy van t voorgemeld contract herstelt wierden en ontheven.quot; Wat de deurwaarder ervoer bij het oude en jongehof blijkt niet; vermits die van S. Maria Magdalena verklaarden zicii te willen beraden, werden deze gedaagd tegen den eersten rechtdag na Kersmis en hun copie gelaten van het mandement den 19 December 1531.

Een niet gedagteekend stuk wijst ons op benauwde dagen voor Alkmaar in hetzelfde jaar. Pater Claes en de mater verzoeken namens het convent aan burgemeesteren, schepenen en rade om „scade kostquot; (schadevergoeding) voor bedden of bulsteren, kussens, slaaplakens en dekens, en bovenal om teruggaaf van vijf ponden groot vlaamsch, de stad bijgelegd en in handen van burgemeester Bar-thout Gherytsz., zal. gedacht., die den pater op het stadshuis ontboden had, geleverd in tegenwoordigheid van de schepenen Bartholomeus IJsbrantsz., Dirck Jacobsz., Jorden van For eest et si bene rnemini Philips Cessen. Bar-thout Gherijtsz. komt voor de 24c en laatste maal als burgemeester voor in 1531 , en in dat jaar worden van gezegde schepenen genoemd Bartholomeus brouwer, Dirck Jacobsz. van Neck en Jorden van Foreest; echter niet de ten laatste door den pater, wiens geheugen hieromtrent gefaald had, gemelde. De rekwisitie van nachtleger en

ocr page 19

17

geld (van nog een geleend bedrag van honderd ponden zullen wij nader spreken) is ongetwijfeld te wijten geweest aan het herhaald vertoef, in September en October 1531, van 's Keizers zwager, den verdreven Koning van Denemarken Christiaan II met 3000 soldaten in en om Alkmaar, waardoor de burgerij veel overlast leed ').

Van zijn jaarlijksch inkomen, geschat op / 789 : 7 : 8, moest het convent in 1534 tot beschermini; der christen-heid tegen de turken, ingevolge bul van de cleresie van Holland, de helft opbrengen; het betaalde den 12 Maart 1533 (n. s. 1534) ƒ 197 : 6 : 6 en den 7 Juni d. a. v. ƒ 197 : 7 : 6.

Kort na den overval der stad door de gelderschen, den 22 Juli 1517, had zij van Koning Karei van Castilie octrooi verkregen tot hare versterking, en den 15 September 1528 van denzelfde, toen Keizer, een ander, waarbij het bouwen binnen de honderd roeden buiten de vesten verboden werd. Ter bekostiging van het belangrijke werk schreef de overheid den 26 Juli 1531 eene heffing uit van een dubbelen stuiver 's maands J) voor elke ƒ 100 bezitting, hetwelk voor het jongehof, geschat zijnde op ƒ 9000, neerkwam op eene bijdrage van ƒ 108 per jaar. Wij vonden van de betaling verschillende kwitan-tiën, de oudste van 15 September 1535 over eene maand è, ƒ 9, de laatste van 6 November 1543 a ƒ 36 over vier maanden.

Volgens eene ongedateerde en ongezegelde verklaring der schepenen Jacob Willemsz. Brouwer en Pieter Claesz.

1) In Seplember nam de Koning twee dagen en twee nachten zijnen intrek in het wittehof, in October, vermoedelijk even lang, in het vrouwenbroeders-klooster bij Oudorp, want Alkmaar was omtrent vijf dagen met hem en zijn volk opgescheept.

2) Boomkamp, Alkmaar en zijne geschiedenissen, bl, 75, zegt een dubbele stuiver 's weeks, hetwelk kennelijk onjuist is.

ocr page 20

18

Kannemaker, schonk mr. Anthonis Anthonisz. Viselaer '), pater van dit convent, een pacht van tien stuivers 'sjaars, verschijnende den 1 Juli, aan het papengilde, „jaarlijks te beleggen tot toereeding en uitmakingquot; van het feest van O. L. V. boodschap, dat men op woensdag van den December-quatertemper vierde voor het hooge koor in de parochiekerk. Aangezien nu genoemde schepenen gelijktijdig in functie waren in de jaren 1536 en 1553, en in het laatste Viselaer geen pater van het jongehof, zooals hij in het bedoelde stuk betiteld werd, meer was, moeten wij zijne schenking tot 1536 bepalen.

Den 10 November 1540 verkocht de stad een lijfrentebrief van vijf carolusgulden 'sjaars aan Clemens Claesdr., begijn in 't jongehof (die wij later als overste zullen ort-moeten), oud omtrent 21 jaren, ter zake van zeker bedrag (volgens de thesauriers-rekening 40 ponden vlaamsch) om kennelijke noodswille van haren vader Claes Lourisz. opgenomen. De rente zou, voor de eerste maal den 10 November 1542, jaarlijks betaald worden in handen van haar of haren gewaarden bodebrenger van dezen brief of copie-authentiek, en eene boete van zes stuivers verbeurd worden voor eiken dag dat de betaling na den 24 November geschiedde. Blijkens kwitantiën van pater en mater van 6 Mei 1543 en 25 Mei 1544 ontvingen zij telkens voor Menise of Clemens Claesd. eene lijfrente van tien rijnsgulden, verschenen op S. Maarten bevorens. Indien het meerdere eene vergoeding moest heeten voor de vertraagde betaling zou het wel vermeld zijn; beter is het aan te nemen, dat haar vader sedert 10 November 1540 zijne storting verdubbeld had.

1) Viselaer, van Schagcn geboortig, was misschien dezelfde als heer Anteunis Viselaer, in 1514 pastoor te Callantsoog en toen 32 jaren ond. Voor een bejaard man was het paterschap te Alkmaar allicht begeerlijker te achten dan het pastoorschap in het geringe en afgelegen zeedorp.

ocr page 21

19

Eene andere rente ten laste der stad en ten bedrage van vijf rijns- of carolusgulden per half jaar, verschijnende lt;S. Mattheus en S. Bartholomeus, stond toen ten lijve van zuster Gherryt, natuurlijke dochter van den priester mr. Jacop Jansz. Verwer. De eerste kwitantie daarvoor vonden wij op 27 April 1518, de laatste op 22 Februari 1554 (n. s. 1555).

In 1541 scheen het klooster van zijne zware lasten weder eenigszins bekomen, althans het kocht den 14 Juli voor schepenen van Schagen van A elbregt Jansz., van Hargen, 3^ geerzen groetlands. Maar reeds in het volgende jaar werd het den 14 Augustus gesommeerd om weder zijn halve inkomsten, geschat als in 1534, in twee termijnen, vervallende Kersmis van dat jaar en Kersmis 1543, op te brengen tot het helpen bekostigen, onder goedkeuring des Pausen, van 's Keizers oorlogen tegen de turken. Het voldeed reeds den eersten op 9 October d. a. v., maar den tweeden niet vóór 10 Januari 1544. En den 30 November 1546 kwam opnieuw eene sommatie voor dergelijke, door de steden van Holland tot verdediging des Lands bewilligde, drukkende heffing, ditmaal in vier termijnen, waarvan de laatste verviel met S. Jans-mis 1548. Dat men in 1542 en 1546 de keutelige 12 penningen van 1534 wegliet, zal de vreedzame zusters weinig met deze oorlogs-contributiën verzoend hebben ').

Of het haar in die omstandigheden meê- of tegenviel, toen pater Sijmon Dircksz. Pax, van Enkhuizen, en mater Gherryt Dircxd. op S. Jeroen-dsig (18 Augustus) 1547 de Jan-Aenkensven, groot 3 morgen, 436 roeden, in den ban van Oudcarspel, voor zeven jaren, tegen 32 carolusgulden 'sjaars, verhuurden aan Pieter Claesz., van War-menhuizen, moeten wij in het midden laten.

1) De betalingen ziju geschied 4 Januari 1546 (n. s. 1547), 18 Juli 154 , 16 Januari 1547 (n. s. 1548) en 22 Juni 1548.

ocr page 22

Een ander bezit, maar in erfpacht en gezamenlijk met twee andere conventen, dagteekende, blijkens eene aan-teekening van 1552, al „over lange jarenquot;, n. 1. dat der stede vesten van de Heul tot de Hoog(Doelen)straat, waarvoor het convent de oude schutterij, voor haar bier-gelden, jaarlijks 25 (in 1562 34) stuivers uitkeerde.

Pater Sijmon Dircksz. overleden zijnde, koos men in 1 553 tot zijnen opvolger heer Thomas Mathijsz., met wien, eer hij ten kapittel reisde om geconfirmeerd te worden, den 25 April het volgende accoord werd getroffen. Hij zou mis lezen en prediken op zijn tijd, als zijn voorganger placht te doen , t. w. als hij daartoe bekwaam (d. i. niet ongesteld) zou zijn, maar nimmer gehouden wezen om te zingen; op gewoonlijken tijd biecht hooren, maar daartoe tweemaal 's jaars een ander goecl heer, geestelijk of wereldlijk, dien hij het geschiktst oordeelt , zonder tegenzeggen der zusters mogen stellen; de schriften bewaren en de andere dingen, die de geestelijkheid en de wereldlijkheid aangaan, met de mater bewaren (beheeren, behartigen) als vorige paters. Voor zijnen arbeid zou het convent hem verschaffen een eerlijke tafel (behoorlijke voeding), lijnwaad naar behooren, aan geld ƒ 8 per kwartaal en alle vier hoogtijden zijn hoogheidspenning, waarvoor hij zou mogen koopen wat hij boven zijn tafel en lijnwaad van noode mocht hebben; en bij ziekte en dood datgeen wat het voor vorige paters gedaan had.

Wij maakten reeds kortelijk gewag van eene leening van 100 ponden, door de stad met het jongehof in 1531 gesloten. Gelijk bedrag was toen ook door het oudehof voorgeschoten. In 1536 waren op eene ordonnantie van burgemeester A rdries Pietersz. Zei aan elk hunner 50 ponden en in 1540 ook aan het oudehof de resteerende 50 ponden terugbetaald. Maar het jongehof had in 1536

ocr page 23

21

zijn stedelijken omslag van 100 ponden met de schuldbekentenis voldaan, en dus ten onrechte in dat jaar 50 ponden ontvangen. De commissarissen der Keizerlijke Majesteit zulks met het opnemen der rekening ontdekkende , lieten het te veel betaalde ten laste van Zei, die het, maar te vergeefs, van den pateren de mater terugvorderde, ook toen hij daartoe door eene acte van den hove van 15 Mei 1551 gesterkt was. Alzoo werden de weigerachtigen bij acte van den 5, beteekend den 26 November 1556, tegen den H December voor stadhouder en rade gedagvaard. Hoe deze kwestie afliep is ons niet gebleken.

In genoemd jaar 1556 kocht het convent nogmaals, en vermoedelijk voor het laatst, land, t. w. voor ƒ 1700 de Hobhyweyt te Huiswaard onder Koedijk, behoorende tot 's Konings domeinen. De koopbrief werd geteekend te Brussel, o. a. door de graven van Egmond en Hoorne.

In 1558 deed Koning Philips, ter bekostiging van den oorlog tegen Frankrijk, zijne officieren, lieden van kwaliteit, kooplieden en andere burgeren, naar discretie van commissarissen, zekere sommen bij wijze van leening, tegen 6| ten honderd 'sjaars, onder verband zijner vroonlanden buiten Alkmaar en in 't algemeen zijner domeinen in Kennemerland en W estfriesland, opbrengen. Boomkamp gt; Alkmaar en zijne geschiedenissen ,h\. 137, vermeldt daarvoor eene obligatie van 1000 ponden van 40 grooten, van 1 November jegens acht crediteuren, waaronder het oudehof voor 100 ponden.

Eene andere, van dezelfde dagteekening, betreft 950 ponden , geleend van vijf crediteuren, waaronder van het jongehof 200, een bewijs hoe dit toen meer dan het oude gegoed was. De rente dezer obligatiën, wat de laatste betreft ingegaan 24 Juli, is voldaan tot in 15 72. De verder verschuldigde en de hoofdsommen werden in 1580

ocr page 24

22

en 81 afbetaald, doordat de Staten toen aan de rechthebbenden vroonlanden verkochten, behalve aan de toen niet meer bestaande kloosters.

Den 24 April 1568 verkochten pater, mater Gherijt Dircsdr. en overste Clemens Claesd. aan Franchoys van Cruyce en zijne kinderen al het lijnwaad, dat de zusters gedurende twee jaren zouden weven; de gewone kam van 18 opwaarts voor 13 en die van 16 opwaarts voor 9| stuiver de antwerpsche el.

Voordeelig gingen de zaken toen niet meer: pater en mater zagen zich verplicht den 17 November twintig en den 19 Februari d. a. v. nog dertig carolusgulden van het oudehof te leenen, waarvan den 14 Januari 1569 acht en den 12 Maart 30 gulden en 8 stuivers terugbetaald werden. Het zal hun dus wellicht niet onaangenaam geweest zijn, toen de vroedschap den 11 Mei van dat jaar burgemeesteren machtigde om van den generaal van het jongehof eene plaats te koopen tot behoef van 't artilleriehuis, en den 11 Juli d. a. v. om met pater en conventualen te accordeeren, zoo zij kunnen, betreffende het opkoopen van den muur. Zijn deze pogingen gelukt, dan golden zij een terrein aan het noord-oosteinde, waarop tot 1863 het artilleriehuis, dat een gevel van 1604 maar van achteren een ouderen zwaren muur had, heeft gestaan ').

Het houden van het generaal kapittel in 1569 binnen het jongehof mocht nog eenigen glans geven, in het laatst van 1571 moest men weder leenen bij het oudehof, ditmaal een half last rogge, waarvoor het bewijs niet alleen

1) Hofdijk fy v. d. Keilen en ook Bots zeggen, gewis op gezag van Boomkamp, Alkmaar, bl. 201, maar ten onrechte, dat de minnebroeders-kerk stads-magazijn geworden is. Wel werd in dat aanzienlijk kerkgebouw, dat veel noordwestelijker stond, in 1573 geschut gegoten, maar reeds in het volgende jaar volgde de afbraak.

ocr page 25

23

door pater en mater maar ook door de alleroudste zuster Marige Remmendr. onderteekend werd; en den 28 Juni van het volgende jaar had te Alkmaar de groote omkeering plaats, die het kloosterleven er weldra onmogelijk maakte. Het besluit der vroedschap van 23 Juli om de begijnhoven, respondeerende aan de stadsvesten, te gelasten hun rieten dakendoor pannen te vervangen, mocht slechts eene kwestie van geld heeten; maar erger de raad van den hardhandigen gouverneur Sonoy, in zijn schrijven van 12 December burgemeesteren gegeven; „ende die luiden, die gij die huizen afbreekt ofte brant [in de voorsteden], laet die binnen u stadt komen in die Bagijnen Cloosters, ende jaegt die Bagijnen, die u burgers kinderen niet en zijn, wech, te weten, die oud zijn, zult gij schikken onderhoudt uit die Convents goederen te hebben, ende die jonge mogen gaan dienen en zien haar brood te winnen.quot;

Reeds in 1574 vinden wij, dat Dirk van For eest, als rentmeester der geestelijke goederen, aan het vrouwengasthuis eenig geld uitkeerde voor het onderhoud van begijnen , maar deze schijnen uitsluitend behoord te hebben tot het middelhof. Maar wat mag het lot geweest zijn der zusters van het jongehof? De pater Gerrit Jansz. van Aken ') zwierf met het hem toebetrouwde convents zilverwerk , 12| pond in gewicht, om het te bergen twee jaren om in het land van Kleef en elders, maar werd den 12 Januari 1574 (n. s. 1575) door het Agnieten-klooster te Rhenen aan den proost van S. Pieter te Utrecht, als den aartsdiaken, voorgedragen voor een opengevallen benificie in de kapel van dat convent. In eene in 1575

I) In 1569 was hij door regenten van het H. Geesthuis aangenomen om daarin te prediken naar ouder gewoonte, voor 36 carolusgulden 's jaars, te beginnen met Mei. Zijn voorganger Jan Rufus genoot daarvoor f 32.—

ocr page 26

21

te Oudewater verleden acte ') heet liij diffinitor, pater te Utrecht en Alkmaar. Den 22 November 1579 sloot hij in genoemd yl(7«if?lt;en-klooster, ten overstaan van den notaris Goert Berjrjltsz., met zijne vroegere conventualen en hare mater Marijtgen Gherritsd. eene overeenkomst, volgens welke hij voor hem toekomend salaris, verschot, geleend geld en rente, samen ten bedrage van ƒ 415 : 1? : - , zou genieten het bedoelde zilverwerk met uitzondering van eenige kleinigheden, en bovendien een casuifel met zijn toebehooren en een L. Vrouwenmantel 1). Het vermoeden ligt dus voor de hand, dat de alkmaarsche zusters, te Rhenen contracteerende, daar in het verwante klooster een onderkomen hadden gevonden 2). Hiermede behoeven niet in strijd te zijn de aanteekeningen in het doodboek van de in 1622 te Alkmaar gestichte statie der minnebroeders, dat in 1625 overleed Neeltje Jacobsdr., „laatst overgeblevene der geprofessijde zusters van het klooster der 3e orde van S. Franciscusquot;, en in 164-2 Vrouwtje Hendriksd., „laatste religieuse van de 3e orde van S. Franciscus.quot; Bekend zijn de groote diensten door de z. g. klopjes bewezen tot het weder vergaren van de verstrooide kudden der roomsch-catholieken, en de paters franciscanen waren zeker het meest gediend door dezulken, die op een haar van vroeger bekend terrein werden te werk gesteld.

Ten aanzien der kloostergebouwen besloot de vroedschap den 5 Mei 1573, die te behouden ten behoeve van

1

Ia Juli 1594 werd wegens zijn overlijden een opvolger voor het offieiurn te Rhenen voorgedragen. Het klooster schijnt nog enkele jaren langer bestaan te hebben. Van 1620 tot 1632 strekte het tot verblijf van den Paltsgraaf Frederik, verdreven Koning van Bohemen.

2

De weleerw. heer J. II. Hofman, oud-pastoor van Everdingen, gaf zich veel maar vruchtelooze moeite om voor dit vermoeden bewijs te vinden. Gaarne betuigen wij hem openlijk onzen dank.

ocr page 27

25

hen wier huizen afgebroken zouden worden en met deze personen over de huursom te onderhandelen; den ]0 Juli 1574, wegens geldgebrek, burgemeesteren te machtigen om eenige kamers te verkoopen in het jonge begijnhof, St. Annen-hof en elders; den J4 Februari 1576 om de weeskinderen, die door den nood der tijden grootelijks in aantal waren toegenomen, uit het S. Jïlisabet/is-gast-huis over te brengen in het jonge begijnhof', „beginnende van de paterskamer westaan en zoo vervolgende al de huizinge strekkende langs 't Minnebroeders-slootje, en dat de rest van 'tjonge begijnhof zal blijven tot behoef van 't leprooshuisquot;; en zeven dagen later den weeskinderen ten gebruike te gunnen de huizinge in 't jonge begijnhof aan de oostzijde, of die aan anderen te verhuren gedurende 2 a 3 jaren. Het geheel bleef burgerweeshuis tot 1811, met uitzondering van de kerk en het patershuis, waarin in 1595 de latijnsche school en de rectorswoning geplaatst werden. De kerk, hoezeer in 1861 bij de inrichting tot g3'mnastiekschool verlaagd en van de koorsluiting beroofd, en de woning zijn nog aanwezig, de laatste als burger-avondschool; al het overige, van 1811 tot 1858 voor kazerne gebezigd, is in 1861 afgebroken, met behoud van enkele deelen van muren, die voor eene tusschenschool konden benuttigd worden; maar ook deze fragmenten verdwenen, toen de tusschenschool moest plaats maken voor eene geheel nieuwe, in 1881-82 gebouwde armenschool. Daarmede ging ook ten onder eene in 1861 ontdekte en toen behouden middeleeuwsche muurschildering, voorstellende: Christus met de wereldbol in de hand, de Engelenzang en de herders, C/mslt;ws'geboorte en Christus als wereldrechter. Dr. L. J. F. Janssen quot;af

C?

in de A Igemeene Konst- en Letterbode van 17 Augustus 1861 eene uitvoerige beschrijving van dit merkwaardige schilderwerk , waarvan eene goede afteekening door

ocr page 28

26

T. Hooiberg berust in de prentverzameling van het Stedelijk Museum.

Waar het schilderwerk door Jan van Schoorl van een der drie altaren gebleven is? Wij hebben geen aanleiding om te veronderstellen, dat het baldadig vernield zou zijn; maar vermoeden veeleer, dat het, na velerlei lotwisseling, in eenig museum of kunstkabinet is terecht gekomen. Van het hoofdaltaar, gewijd aan Christus, de Heilige Maagd en S. Josef, wordt gezegd, dat het met kunstig beeldwerk en schilderijen, de Groetenis eu de Kruisiging voorstellende, prijkte.

Het placaat van 17 April 1577 , waarbij de geestelijke goederen voor de predikanten en schoolmeesters werden aangeslagen, had geen betrekking op de bezittingen der voormalige zusterhoven; en de alkmaarsche vroedschap besloot den 16 October van dat jaar, bij rekest aan de Staten van Holland te verzoeken om al de huizen, landerijen , erven en renten van de begijnen in eigendom te verkrijgen, mits dat men den conventualen verzekering zou doen van eene eerlijke alimentatie. Hierop moet, al vonden wij die niet, eene gunstige beschikking verleend zijn, en wij meenen dat de „alimentatiequot; of eene afkoopsom daarvoor toch ook aan de zusters van het jongehof ten deel gevallen en pater van Aken daardoor bewogen is, de papieren over te leveren, waarvan bovengenoemde Dirk van For eest, als het bestuur hebbende over de goederen van het jongehof en andere begijnenkloosters binnen Alkmaar, en de schepenen Adriaen Hendriksz. Rabbi en Paulus Augustijnsz. den 8 Mei 1580 den inventaris indienden. Hoe het zij, de landerijen kwamen aan de stad en in een „Chaert Boeckquot; der stads landen, in 1598 vervaardigd door den landmeter Dirck Aerianssoon Scheluen, werden als herkomstig van het jongehof afgebeeld : één perceel onder Groet, Schoorl, Koedijk, Oudcarspel en

ocr page 29

27

St. Maarten, twee onder Haringbuizen, Bergen (in de Sluis- en Zuiderpolders) en Alkmaar (in de Sluis- en Overdiepolders), vijf onder Oude Niedorp, evenveel onder Nieuwe Niedorp en vijftien onder Lutjewinkel. Het grondbezit aan de Kwakelbrug komt evenmin als dat te Assen-delft in het kaartboek voor; toch heeft het afgebeelde eene gezamenlijke grootte van 77 morgen of ruim 60 bunders.

Het kloosterterrein zelf, een trapezium, begrensd door de Minnebroederssloot, de Nieuwesloot, de Doelenstraat en den stadswal (de Korte Koningsweg bestond blijkens de kaart van 1560 , door Jacob van Deventer, toen nog niet), had eene gemiddelde lengte van 125 en eene gemiddelde breedte van 64 ellen, en alzoo eene oppervlakte van 8000 vierkante ellen. Langs eene zijde geheel en langs twee zijden nagenoeg geheel was het bezet met gebouwen, nog een paar afzonderlijke gebouwen en voorts bleekvelden, bloem- of moestuinen en met boomen belommerde plekken omsluitende. Een put met juk stond op de groote binnenruimte, een andere met ijzeren bovenwerk in den paterstuin, die zich achter het patershuis en ter zijde der kerk langs de Nieuwesloot uitstrekte.

Van de bestuurders van het jongehof kan de volgende lijst opgemaakt worden :

Paters, biechtvaders en rectoren :

Gerrit Gerritsz. Berkhey of van Berghen , 1445-1-146.

Pieter, 1468. ')

Adrianus, 1480.

Sijmon Sijmonsz. van Hoogdorp, 1506-1523.

Claes, 1531.

Anthonis Anthonisz. Viselaer, 1533-1540.

1) Jacob Jacobsz., biechtvader van het oude hof, vermaakte hem eu zijn couvent, bij testament vau 11 Maart 1468, elk één rijusgulden.

ocr page 30

28

Jan Zigropsz., 1542. i ')

Jan Sijbrandsz., 15i3. j

Sijmon Dircksz. Pax, 1541—1553.

Thomas Mathijsz., 1553-1555. Den 5 Sept. 1558 heet hij eertijds pater van 'tjongehof.

Maerten Jacobsz., 1566. Later pastoor te Bergen.

Gerrit Jansz. van Aken, 1568-1572.

Maters :

Dieuwer Claesd., 1445-1456.

Hildegond Claesd., 1460.

Lijsbeth Jansd., 1473.

Margriet Claesd., 1506.

Fije Willerasd., 1518-1521.

Remmerich Heynrixd., 1542—1545.

Gherrijt Dircxd., 1547-1568.

Marijtgen Gherritsd., 1571-1572.

Overste :

Clemens Claesd., 1568.

Oudste zuster :

Marige Remmend., 1571.

Voogden :

Dirck Sijmonsz., 1474.

Arien Woutersz., 1480.

Jacob van Waerdendel, burgemeester, 1569.

Jacob Reyersz., 1570.

Eene helaas niet vervolgde aanteekening geeft te lezen: i/Aecht Jansdr. met haren voecht Dirck Gherijtz. uit son-derlinghe affectie en liefte die sij is draghende tot Br echt Tijmamdr. eïï A lijdt Tijmantdr., professide zusteren tot sinte marien te nazareth binnë Alcmair, zusteren van

Jacob Tijmansdr. en Aecht voorz......quot; In weerwil van

vele moeite is het niet gelukt hiervan meer te vinden.

i

C. W. BRUINVIS.

1) Het schrift van beiden gelijkt zoozeer op elkander, dat wij geneigd zijn het aan dezelfde hand toe te kennen. De naam Ziyrop is ons even vreemd als onverklaarbaar, maar zoo duidelijk, dat geene andere lezing mogelijk is.

ocr page 31
ocr page 32
ocr page 33
ocr page 34
ocr page 35
ocr page 36