/amp;l. 0 ⢠^
Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen.
gt; :*.
atoo:ndruk van J. VAN BOEKHOVEN. - Utrecht.
OVEREENKOMST
Sr'? -ö -XS/S/, sy.
Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen.
OVEREENKOMST
MET DEK
SÃAAÃ Di llil
Stoomdruk van J. VAN BOEKHOVEN. - Utrecht.
(Staatsblad N0.134.) WET van den 22sten Juli 1890, houdende bekrachtiging van overeenkomsten met de Nederlandsche Rhijn-spoorwegmaatschappij, de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen en de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij.
Wij WILLEM III, bij de gratie Gods , Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hoeren lezen, saluut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat de wenschelijkheid gebleken is van eene betere regeling be treffende de exploitatie der spoorwegen, thans geëxploiteerd wordende door de Nederlandsche Rhijnspoorwegmaat-schappij, de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen en de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij, en dat tot dat einde door onze Ministers van Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Financiën met de voornoemde spoorwegmaatschappijen overeenkomsten zijn gesloten, welke bij de wet behooren bekrachtigd te worden;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
4
Artikel 4.
Worden bekrachtigd:
de in afschrift bij deze wet gevoegde overeenkomsten door Onze Ministers van Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Financiën, als daartoe door Ons gemachtigd, aangegaan :
a. met de Nederlandsche Rhijnspoor wegmaatschappij, onder dagteekening van 21 Januari 1890;
b. met de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, onder dagteekening van 21 Januari 1890;
c. met de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij, onder dagteekening van 21 Januari 1890,
gelijk die zijn gewijzigd bij de mede in afschrift bij deze wet gevoegde, onder dagteekening van 30 April 1890 gesloten overeenkomsten.
Artikel 2.
Alle bij of krachtens de wet vastgestelde of nader vast te stellen bepalingen, betreffende het gebruik van en den dienst op spoor- en tramwegen zijn, voorzooveel zij niet in strijd zijn met de in art. 1, sub b en c, genoemde overeenkomsten, toepasselijk op de spoor- en tramwegdiensten, uitgeoefend door de Maatschappijen, met welke die overeenkomsten gesloten zijn.
Artikel 3.
De wetten van 31 December 1865 (Staatsblad n0.195), van 15 November 1876 (Staatsblad n0. 210) en van 19 December 1882 (Staatsblad n0. 241) worden ingetrokken.
5
De wetten van 16 December 1888 (Staatsbiaden nos. 205 en 206) blijven van kracht, voor zoover daarvan bij de in art. 1 bedoelde overeenkomst met de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij niet wordt afgeweken.
Artikel 4.
De overeenkomsten, in art. 1 genoemd, zoomede alle akten daaruit voortvloeiende, worden gratis geregistreerd.
Artikel 5.
Deze wet verbindt met den dag barer afkondiging. Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven op het Loo, den 22sten Juli 1890.
WILLEM.
De Minister van Waterstaat,
Handel en Nijverheid,
Havelaar.
De Minister van Financiën,
Godin de Beaufort.
Uitgegeven den dertigsten Juli 1890.
De Minister van Justitie, Ruys van Beerenbroek.
Tusschen:
den Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid en den Minister van Financiën, tot het aangaan van deze overeenkomst door den Koning gemachtigd, ter eenre,
en de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen , vertegenwoordigd door haren Directeur-Generaal, tot het aangaan van deze overeenkomst door de Algemeene Vergadering van aandeelhouders der Maatschappij gemachtigd, ter andere zijde,
is, behoudens bekrachtiging, voor zooveel noodig, bij de wet, overeengekomen, de voorwaarden, waarop bij de overeenkomst van 24/25 Mei 1876, voorzooveel noodig bekrachtigd bij de wet van 15 November 1876 (Staatsblad n0. 210), concessie is verleend voor het exploiteeren van Staatsspoorwegen, te vervangen door de hieronder volgende bepalingen.
HOOFDSTUK I.
Algemeene bepalingen.
Artikel 1.
I. De Maatschappij wordt belast:
a. met de exploitatie van de door den Staat aangelegde of wel door naasting of koop verkregen spoorwegen:
van Arnhem langs Zutphen, Zwolle, Meppel naar Leeuwarden;
8
van Harlingen langs Leeuwarden, Groningen naar Nieuwe Schans;
van Groningen naar Meppel;
van Zutphen naar Hengelo;
van Maastricht langs Venlo, Boxtel, Tilburg naar Breda; van Roosendaal naar Vlissingen;
van Venlo naar de Pruisische grens in de richting van Kaldenkirchen;
van Utrecht langs 'sHertogenbosch naar Boxtel; van Moerdijk langs Zwaluwe naar Breda;
van Zwolle naar Almelo;
van Zwaluwe naar 's Hertogenbosch;
van Groningen naar Delfzijl;
van Eist naar Ressen-Bemmel;
van Breda naar Roosendaal;
van Amsterdam langs Utrecht naar Arnhem, met de vertakkingen te Amsterdam naar het Entrepotdok, naar de zuidzijde van het spoorwegbassin in de Stads-Rietlanden en naar het centraalstation van den Staatsspoorweg; van Breukelen naar Harmeien;
van Gouda naar 's Gravenhage, met den verbindingsweg tusschen de beide stations te 's Gravenhage; van 'sGravenhage naar Scheveningen (stoomtramweg);
b. met de exploitatie van de door den Staat aangelegde of wel door naasting of koop verkregen spoorwegen, waarvan de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij het medegebruik heeft:
van Rotterdam langs Dordrecht), Zwaluwe, Zevenbergen, Roosendaal naar de Belgische grens;
van Hengelo langs Enschedé naar de Duitsche grens;
9
van Arnhem naar Eist en van Ressen-Bemmel naar Nijmegen;
van Nijmegen langs den linker Maasoever naar Venlo;
van Arnhem langs Zevenaar naar de Duitsche grens in de richting naar Emmerik;
van Utrecht langs Gouda naar Rotterdam.
II. Aan de Maatschappij wordt verleend het medegebruik, dat de Staat voor haar van de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij heeft bedongen, van den door die Maatschappij aan te leggen spoorweg tot verbinding van het gemeenschappelijk station van den Staatsspoorweg en den Hollandschen IJzeren Spoorweg aan de Delftsche Poort te Rotterdam met het station van den spoorweg van Utrecht naar Rotterdam te Rotterdam, met afbuigingen in de richting naar Schiedam en naar Capelle.
Artikel 2.
De Maatschappij verbindt zich tot de exploitatie, voor-zoover dit door den Koning bepaald wordt, van de spoor-wegen, met uitzondering van die bedoeld in de wet van 28 October 1889 (Staatsblad n0. 146), welke nog door den Staat mochten worden aangelegd of waarover de Staat, door naasting of op andere wijze, de beschikking rnocht verkrijgen, mits en zoolang die wegen aan de door de Maatschappij geëxploiteerde spoorwegen aansluiten.
De Staat verbindt zich om, indien en voorzoover hij de beschikking verkrijgt over aan derden toebehoorende, doch krachtens overeenkomsten vóór 1 Januari 1890 met derden gesloten of voor de Maatschappij ingevolge de Artt. 74 en 75 verbindende, door haar geëxploiteerd
10
wordende spoor- en tramwegen, de exploitatie daarvan op den voet van de bepalingen dezer overeenkomst, aan de Maatschappij op te dragen.
Onder de in dit en in het vorig artikel genoemde spoorwegen worden verstaan de spoorwegen met alle daartoe behoorende werken, als;
bruggen, duikers, wegbruggen, overwegen, middelen van veiligheid en afsluiting, wijk- en wisselplaatsen;
alle stationsgebouwen, zoowel voor het publiek als voor den dienst noodig, goederen-, locomotieven- en wagen-loodsen, bergplaatsen voor materialen en brandstoffen, gebouwen voor werkplaatsen voor het materieel, douane-gebouwen, laad-en losplaatsen, stoepen, stationsafsluitingen, lantaarnpalen tot verlichting van stations en uitgangen, voorzooveel noodig stationspleinen en toegangswegen;
de havens tot de spoorwegen behoorende, met uitzondering van die te Feijenoord, Harlingen, Vlissingen en Delfzijl. Voorzooveel betreft spoorwegen, tot de exploitatie waarvan de Maatschappij krachtens de eerste zinsnede mocht verplicht worden, worden onder havens verstaan de zoodanigen, die uitsluitend ten behoeve van het spoorwegverkeer zijn of in het vervolg zullen wTorden aangelegd;
alles wat tot het vaste materieel van de stations en van den weg behoort, als: sporen, wissels, draaischijven, vergaarbakken voor water, waterkranen, hekken, mijlpalen, hellingwijzers, waarschuwingsborden.
Tot die werken worden ook gerekend te behooren de niet aan de spoorwegen gelegen onroerende goederen,
41
welke voor de administratie of de exploitatie van de spoorwegen gebruikt worden of bestemd zijn.
Overal, waar in deze overeenkomst sprake is van Staatsspoorwegen, worden daarmede de in de eerste zinsnede en in het vorig artikel sub I bedoelde spoorwegen aangeduid.
Artikel 3.
Behoudens de bepalingen der wet van 9 April 1875 (Staatsblad nn. 67), is de Maatschappij bevoegd tot het exploiteeren, het oprichten van of het deelnemen aan alle ondernemingen, welke tot bevordering kunnen strekken van het verkeer over de spoorwegen, die door haar geëxploiteerd worden; echter niet dan na machtiging van de Ministers van Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Financiën, voorzoover het doel dier ondernemingen niet is -het vervoer van personen en goederen.
Artikel 4.
De Maatschappij is verplicht in alle overeenkomsten , welke voor een langoren duur dan van twaalf maanden aangegaan worden, de bepaling op te nemen, dat de Staat bevoegd is zich in hare plaats te stellen, indien hij tot naasting overgaat of indien de Maatschappij van hare rechten vervallen verklaard wordt.
Artikel 5.
De Maatschappij zorgt, dat de exploitatie, wat snelheid en veiligheid van vervoer, inrichting van het rollend materieel, van de stations en van alle overige onderdeelen van den dienst betreft, geschiedt op gelijke wijze als op
12
de beste spoorwegen in Europa, en dat zij zooveel mogelijk met alle verbeteringen, welke elders worden ingevoerd, gelijken tred houdt.
De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid kan toestaan, dat de dienst op de door hem aan te wijzen spoorwegen of gedeelten van spoorwegen wordt uitgeoefend overeenkomstig de bepaling van Art. 4 der wet van 28 October 1889 {Staatsblad n0. 146).
Artikel 6.
De aanleg van de in Art. 1, sub I, genoemde spoorwegen , met uitzondering van de spoorwegen en de verdere werken, genoemd in Art. 71, wordt geacht bij het in werking treden van deze overeenkomst voltooid te zijn.
Artikel 7.
Ten aanzien van de spoorwegen, welke nog door den Staat mochten worden aangelegd en door de Maatschappij ingevolge Art. 2 ter exploitatie moeten worden overgenomen, is voor rekening van den Staat de bouw van den spoorweg met al hetgeen daaronder volgens Art. 2, derde zinsnede, te verstaan is.
De bouw zal naar even deugdelijke regelen geschieden als die van de door den Staat aangelegde spoorwegen, terwijl daarbij zooveel mogelijk met alle verbeteringen, welke elders worden ingevoerd, gelijke tred zal gehouden worden.
De onteigening geschiedt en de aardebaan en de kunstwerken worden aangelegd voor dubbel spoor.
De ontwerpen voor den bouw worden in overleg met
43
de Maatschappij opgemaakt. Leidt dit overleg niet tot overeenstemming, dan worden de ontwerpen vastgesteld door drie, overeenkomstig Art. 48, te benoemen scheidsmannen. In afwachting van de beslissing der scheidsmannen is de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid bevoegd de werken te doen uitvoeren op de wijze als hij nuttig zal achten.
Artikel 8.
Spoorwegen, waarover de Staat door naasting of op andere wijze de beschikking verkrijgt, voorzoover zij door de Maatschappij volgens Art. 2 ter exploitatie moeten worden overgenomen, worden, zoo noodig, in het eerste jaar der exploitatie door den Staat of, indien de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid dit bepaalt, door de Maatschappij voor rekening van den Staat in voldoenden toestand van onderhoud gebracht.
De toestand van onderhoud, waarin die spoorwegen met al hetgeen daaronder volgens Art. 2, derde zinsnede, te verstaan is, zich bevinden, zal, vóórdat de Maatschappij die ter exploitatie verkrijgt, onderzocht worden door eene commissie van drie, overeenkomstig Art. 48, te benoemen scheidsmannen, die tevens zullen bepalen, welke herstellingen of vernieuwingen noodig zijn om een en ander in een toestand van onderhoud te brengen, gemiddeld overeenkomende met dien van de overige spoorwegen in exploitatie bij de Maatschappij.
De kosten van dat onderzoek zijn voor rekening van den Staat.
14
Artikel 9.
De Maatschappij is verplicht, de door haar geëxploiteerde Staatsspoorwegen met al hetgeen daaronder volgens Art. 2, derde.en vierde zinsneden, te verstaan is, goed te onderhouden en bij naasting of vervallenverklaring in voldoenden toestand van onderhoud aan den Staat over te geven. Voorwerpen, welke door gebruik of door eenige andere oorzaak zijn te niet gegaan of onbruikbaar geworden, worden, buiten de gevallen voorzien in Art. 20, door gelijksoortige vervangen, tenzij de Mnister van Waterstaat, Handel en Nijverheid tot het niet vervangen zijne toestemming geeft.
Indien de Maatschappij in deze verplichtingen tekort schiet, kan van Regeeringswege in het onderhoud worden voorzien, op de wijze als bepaald in de Artt. 13, 14 en 15 der wet van 9 April 1875 {Staatsblad n0. 67).
De Maatschappij stelt kosteloos beschikbaar het personeel en het materieel, vereischt tot het van Staatswege verrichten van periodieke beproevingen van en peilingen bij de spoorwegbruggen met 50 meter of meer spanning , in de door haar geëxploiteerde spoorwegen aanwezig.
De Maatschappij is gehouden, alle verplichtingen jegens derden, de exploitatie of het onderhoud van werken betreffende , na te komen, welke de Staat bij den aanleg ol de overneming van de Staatsspoorwegen heeft op zich genomen.
Artikel 10.
Als eenige uitzonderingen op de bij het vorig artikel omschreven verplichting der Maatschappij, betreffende het
15
onderhoud, gelden voor de Staatsspoorwegen de hierna onder 1°. tot en met 6°. gemaakte bepalingen.
Voor rekening van den Staat zijn:
1°. de kosten van herstelling van de beschadiging, toegebracht door ijsgang, oorlog, oproer, doorbraak van een spoorwegdijk, militaire inundatiën of door overstrooming, welke het gevolg is van het doorbreken van een dijk, bestemd om te allen tijde het buitenwater te keer en;
2°. de kosten van het maken van voorzieningen tegen buitengewone ontgrondingen langs de pijlers en landhoofden der bruggen over den Rijn, den Usel, de Lek, de Waal, de Maas, het Hollandsch Diep (en, ingeval de Maatschappij krachtens Art. 2 mocht worden verplicht tot exploitatie van spoorwegen, aangelegd over andere dan de hier genoemde groote rivieren, ook over die rivieren), zoo die ontgrondingen niet door goed onderhoud van de bestaande verdedigingswerken en van de steenstortingen hadden kunnen voorkomen worden, alsmede de kosten van herstelling van de beschadigingen, welke in zoodanig geval door de ontgrondingen aan de bruggen of verdedigingswerken mochten ontstaan zijn ;
3°. de kosten van herstelling van beschadigingen, aan de bruggen over de sub 2° bedoelde rivieren en aan de beveiligingswerken dier bruggen veroorzaakt door aanvaring , voorzoover deze kosten niet op derden zijn verhaald. De Maatschappij is bevoegd en verplicht deze kosten van derden in te vorderen. Indien laatstgenoemden weigeren de door hen veroorzaakte schade te vergoeden, zal de Maatschappij dit ten spoedigste aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid mededeelen en alle inlichtingen en bescheiden verstrekken, welke noodig zijn om eene gerechtelijke vordering in te stellen;
16
4°. de kosten der geheele vernieuwing van den bovenbouw van één of meer openingen der bruggen over de sub 2° bedoelde rivieren.
De bepalingen sub 3° en 4° zijn ook toepasselijk op bruggen over het Noordzee-kanaal, ingeval de Maatschappij krachtens Art. 2 mocht worden verplicht tot exploitatie van een daarover aangelegden spoorweg;
5°. voor de spoorwegen en de werken bedoeld in Art. 71, voor de nog van Staatswege aan te leggen spoorwegen en voor de tot de Staatsspoorwegen behoorende werken, welke na 1 Mei 1888 voltooid zijn of worden: de kosten van herstelling van de gebreken, welke het gevolg zijn van eene slechte of onvoldoende uitvoering van die spoorwegen of werken, zoo dit bewezen is, de hierbedoelde wegen en werken niet door de Maatschappij maar door den Staat gemaakt zijn, en van het bestaan van die gebreken binnen twee jaar, nadat de bovenbedoelde spoorwegen voor het verkeer geopend of de bovenbedoelde, bij de opening nog niet voltooide werken voltooid zijn, aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is kennis gegeven;
6°. de kosten der tijdelijke werken, welke voor de uitvoering van de sub 1° tot en met 5° bedoelde herstellingen, voorzieningen en vernieuwingen onontbeerlijk zijn.
De voor bovenbedoelde herstellingen, voorzieningen en vernieuwingen uit te voeren werken worden, indien de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid dit verlangt, gemaakt door de Maatschappij, die daarvoor alleen de werkelijke kosten van uitvoering en van toezicht, alsmede rente tot een bedrag van vier ten honderd 's jaars, doch geen winst in rekening brengt.
17
In afwachting van de beslissing des Ministers zal de Maatschappij tot herstel van de in dit artikel bedoelde schade, voor rekening van den Staat, de maatregelen kunnen nemen, welke gevorderd worden om storing in den dienst te voorkomen.
De ontwerpen, bestekken en begrootingen van de in dit artikel bedoelde werken zijn onderworpen aan de goedkeuring van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid.
Stremming van den dienst op den spoorweg, wegens bovengemelde werken, geeft geen recht op schadevergoeding.
HOOFDSTUK 11.
Van het materieel en de exploitatie.
Artikel 11.
Voor rekening van de Maatschappij is de aanschaffing van:
a. de locomotieven, rijtuigen, wagens en alles wat verder tot het rollend materieel behoort;
h. alle werktuigen voor den stationsdienst, als: hijsch-kranen, rolwagens, weegbruggen;
c. alle gereedschappen en toestellen, noodig voor den dienst van de stations, van de treinen en van den weg, als: de electromagnetische en de optische signalen, de contróle-borden;
d. de werktuigen der werkplaatsen, benevens de stoommachines voor die werkplaatsen en voor het vullen van de waterbakken, de inrichtingen tot verwarming van het water;
e. het ameublement van de stationsgebouwen en van de bureelen;
2
18
f. de middelen tot het verleenen van hulp bij spoorwegongelukken ;
g. alle vervoerbare en vaste voorwerpen, bepaaldelijk en uitsluitend voor den dienst van het vervoer bestemd;
h. de materialen, brandstoffen en voorraad van allen aard, noodig voor de exploitatie.
Artikel 12.
Ten einde steeds te kunnen voldoen aan Art. 45 der wet van 9 April 1875 {Staatsblad n0. 67), wordt een door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid te bepalen getal wagens, voor het vervoer van goederen of van paarden en vee bestemd, zóó ingericht, dat daarmede krijgsvolk, paarden en oorlogstuig kunnen worden vervoerd.
Artikel 13.
De Maatschappij is verplicht, over eiken van de door haar geëxploiteerde op Nederlandsch grondgebied gelegen spoorwegen, met uitzondering van die, waarop de wet van 28 October 1889 (Staatsblad n0. 146) van toepassing is, dagelijks ten minste vijf treinen voor reizigers in iedere richting te doen rijden.
De vermeerdering of vermindering van het aantal verplichte treinen, in dit artikel voorgeschreven, wordt in gemeen overleg tusschen den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid en de Maatschappij geregeld.
De Minister bepaalt, de Maatschappij gehoord, welke van de verplichte treinen zullen zijn sneltreinen en welke zullen worden samengesteld uit rijtuigen der 1ste, 2de en 3de klasse.
19
Artikel 14.
De Maatschappij zal, hetzij des daags, hetzij des nachts, de treinen doen loopen, die door of namens de Regeering ten hehoeve van 's Rijks dienst verlangd worden.
De Maatschappij mag die treinen ten bate van hare exploitatie gebruiken, voorzooveel daardoor, ter beoordeeling van het gezag dat den trein heeft verlangd, de bereiking van het doel, waarvoor de trein is geëischt, niet wordt belemmerd.
Indien zoodanige dagtrein minder dan f 0.60 en zoodanige nachttrein minder dan f 0.95 per treinkilometer opbrengt, met een minimum van 50 treinkilometers, wordt het verschil door den Staat bijbetaald.
HOOFDSTUK 111.
Van de tarieven en het vervoer.
Artikel 45.
De voorwaarden voor het vervoer over Nederlandsch grondgebied behoeven, voorzoover daarin niet bij de wet of bij algemeenen maatregel van bestuur wordt voorzien, voor al de spoorwegen, welke de Maatschappij exploiteert, en voor die, waarvan zij het medegebruik heeft, de goedkeuring van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid.
Gelijke goedkeuring is noodig voor elke in die voorwaarden te brengen wijziging of aanvulling.
Artikel 16.
Door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijver-
20
heid worden, de Maatschappij gehoord, voor het berekenen van vrachtprijzen voor het vervoer over Nederlandsch grondgebied maxima vastgesteld, zoo naar den te door-loopen afstand van een kilometer als bij wijze van vast recht en voor bijkomende kosten van inschrijving, laden, lossen, overladen, opslaan, bewaren, afhalen en bestellen. De aldus vastgestelde maxima worden, zoo noodig, op gelijke wijze veranderd.
Met toestemming van genoemden Minister kan de afstand, waarnaar de tarieven berekend worden, voor den overtocht van bruggen over de groote rivieren en van viaducten vermeerderd worden.
De Maatschappij mag geen andere kosten in rekening-brengen dan die, waarvoor door genoemden Minister eenheidsprijzen als maxima zijn vastgesteld of machtiging tot heffing is verleend.
Bij de berekening van de vergoeding voor het vervoer naar en van de magazijnen en aanlegplaatsen, bedoeld in Art. 49, wordt de afstand gemeten tusschen den verbindingswissel der aanlegplaats en den dichtstbij gelegen uitersten wissel van het naastbij gelegen station. Voor afstanden tot 2 kilometer bedraagt die vergoeding ten hoogste f 0.50 per gebeel of gedeeltelijk beladen wagen; voor grootere afstanden wordt voor eiken kilometer ot gedeelte van een kilometer meer de vergoeding met ten hoogste f 0.25 verhoogd.
Artikel 17.
Alle tarieven en wijzigingen van tarieven, zonder onderscheid , worden door de Maatschappij aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid ter goedkeuring
21
aangeboden, tot zekerheid dat de vastgestelde maxima niet overschreden worden.
Indien de beslissing des Ministers niet is gevolgd veertien dagen na den dag, waarop het voorstel tot goedkeuring bij het Departement van Waterstaat, Handel en Nijverheid is ontvangen, dan kan het tarief of de wijziging voorloopig door de Maatschappij aangekondigd en met inachtneming van den termijn, in Art. 30 der wet van 9 April 1875 {Staatsblad n0. 67) bepaald, ingevoerd worden, totdat omtrent het voorstel door den Minister is beslist.
Artikel 48.
De Maatschappij is verplicht, de bij de wet aangewezen personen en goederen in de bij de wet omschreven gevallen kosteloos te vervoeren.
Zij is bevoegd, kosteloos vervoer toe te staan aan en ten behoeve van haar bestuur en haar personeel, zoomede in alle gevallen, waarin zij dit in haar belang wenschelijk acht.
Zij zendt jaarlijks aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid eene opgaaf van de door haar aan Rijksambtenaren verstrekte bewijzen van vrij vervoer.
Artikel 19.
Alle bouwstoffen en materialen, noodig voor de niet tot het in Art. 9 bedoeld onderhoud strekkende werken, welke gemaakt worden aan of in Staatsspoorwegen, die bij de Maatschappij in exploitatie zijn, worden over de Staatsspoorwegen vervoerd tegen een vasten prijs van f 0.009 per eenheid van duizend kilogram en per kilometer, zonder eenige bijkomende kosten.
22
HOOFDSTUK IV.
Van werken tot wijziging, verbetering of uitbreiding van- en nieuwe werken aan of in Staatsspoorwegen.
Artikel 20.
Indien de Maatschappij het voor de ontwikkeling van het verkeer of voor de uitoefening van den dienst op de Staatsspoorwegen noodig acht werken tot wijziging, verbetering of uitbreiding van bestaande werken of wel nieuwe werken te maken, zal zij, alvorens dergelijke werken uit te voeren, onder overlegging van globale plannen en begrootingen, daartoe de vergunning van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid vragen. Gelijke regel geldt voor wijziging, verbetering of uitbreiding van de niet aan den spoorweg gelegen onroerende goederen, bedoeld in Art. 2, vierde zinsnede.
Wordt de vergunning verleend, dan zullen de bedoelde werken door de Maatschappij voor hare rekening worden gemaakt en geacht worden deel uit te maken van de Staatsspoorwegen.
Indien daarentegen de Minister de vergunning niet verleent, of wel indien de Minister het maken van zoodanige werken, op de hierboven aangegeven gronden, noodig acht, doch de Maatschappij de noodzakelijkheid daarvan ontkent, zal in beide gevallen omtrent de vraag, of de werken overeenkomstig de overgelegde plannen en begrootingen voor de ontwikkeling van het verkeer of voor de uitoefening van den dienst op de Staatsspoorwegen al dan niet noodig zijn, de beslissing worden ingeroepen van drie, overeenkomstig Art. 48, te benoemen scheidsmannen.
23
Bij die beslissing zal als noodig aangemerkt worden alles wat gevorderd wordt om den dienst overeenkomstig de bij de wet gegeven voorschriften uit te oefenen, terwijl in het algemeen de eischen, welke voor de ontwikkeling van het verkeer en de uitoefening van den dienst kunnen gesteld worden, in ruimen zin zullen zijn op te vatten.
Indien de scheidsmannen beslissen, dat de werken, waarvan de aanleg wordt verlangd, noodig zijn, dan geschiedt hetgeen in de tweede zinsnede bepaald is.
In het tegenovergesteld geval kan de Maatschappij de werken, welke zij noodig acht, voor hare rekening maken. Zij is bevoegd deze werken tusschentijds af te breken en de veranderde werken in hun oorspronkelijken toestand te doen herstellen, en tot een en ander verplicht, bij toepassing van de naasting ingevolge Art. 39, tenzij de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid die werken alsnog zou willen overnemen.
De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid blijft te allen tijde bevoegd, voor Rijksrekening alle werken tot wijziging, verbetering of uitbreiding van bestaande werken of wel nieuwe werken te doen maken, welke hij in het algemeen belang noodig oordeelt, mits deze werken geen schade, hinder of gevaar voor de exploitatie opleveren.
Voorzoover deze werken aan de Maatschappij ten gebruike of in exploitatie worden afgestaan, is zij verplicht die te onderhouden.
Wanneer een der in de eerste vijf zinsneden en in de zevende in verband met de achtste zinsnede bedoelde werken voltooid is, geschiedt de opneming bij een door of namens beide partijen onderteekend proces-verbaal, waarin de toestand van het werk omschreven wordt.
24
De bepalingen van dit artikel maken geen inbreuk op het bepaalde in de Artt. 13, 14 en 15 der wet van 9 April 1875 (Staatsblad n0. 67).
Artikel 21.
De in de eerste vijf zinsneden van Art. 20 bedoelde werken zullen worden uitgevoerd overeenkomstig uitgewerkte plannen, bestekken en gespecificeerde begrootingen, welke door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid zullen zijn goed te keuren met eerbiediging van de in Art. 20, eerste zinsnede, vermelde globale plannen en begrootingen of van de in Art. 20, derde zinsnede, voorgeschreven arbitrale uitspraak. De Minister kan de openbare uitbesteding gelasten en de uitvoering doen controleeren.
HOOFDSTUK V.
Begin en einde van de exploitatie.
Artikel 22.
De exploitatie overeenkomstig de bepalingen dezer overeenkomst begint op den door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid te bepalen dag.
Voor de spoorwegen, bedoeld in Art. 2, waarover de Staat door naasting of op andere wijze de beschikking verkrijgt, moet, bij de bepaling van bedoelden dag, een termijn van ten minste zes weken worden gegeven vóór het begin van de exploitatie, en behoeft deze niet te beginnen, vóórdat het onderzoek, bedoeld in Art. 8, tweede zinsnede, afgeloopen is.
Voor de spoorwegen, bedoeld in Art. 71, sub A 1° en 2°, en voor de nog van Staatswege aan te leggen spoorwegen gelden de bepalingen der drie volgende artikelen.
25
Artikel 23.
Drie maanden voordat naar de berekening van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid een Staatsspoorweg of een gedeelte daarvan voor exploitatie gereed zal zijn, geeft hij van het vermoedelijk tijdstip van voltooiing kennis aan de Maatschappij.
Na het gereedkomen wordt van de overgave en overneming zoo spoedig mogelijk een door gemachtigden van den Staat en van de Maatschappij onderteekend proces-verbaal opgemaakt. Uit dat verbaal zal niet alleen behooren te blijken al wat ten gebruike is afgestaan, maar ook de toestand, waarin de spoorweg met al hetgeen daaronder volgens Art. 2, derde zinsnede, te verstaan is, zich bevindt.
Artikel 24.
Een Staatsspoorweg of een gedeelte daarvan is voor exploitatie gereed , wanneer hij aansluit aan een spoorweg, die door de Maatschappij geëxploiteerd wordt, en al de in Art. 2, derde zinsnede, genoemde werken en voorwerpen zoover voltooid zijn, dat de spoorweg of het gedeelte daarvan voor gebruik geschikt is.
Uiterlijk veertien dagen, nadat zulk een Staatsspoorweg-of een gedeelte daarvan door of vanwege den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid ter beschikking van de Maatschappij is gesteld, wordt de dienst daarop begonnen.
Voor eiken dag vertraging verbeurt de Maatschappij eene som van vijfhonderd gulden.
De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid zorgt, dat de Maatschappij tijdig, vóórdat een Staatsspoorweg of
26
een gedeelte daarvan te harer beschikking wordt gesteld, de gebouwen tot berging van materieel, op den spoorweg of het gedeelte daarvan gelegen, kan gebruiken en de noodige proefritten kan doen.
Artikel 25.
Zoodra op een Staatsspoorweg of op een gedeelte daarvan de dienst is begonnen, moet de Maatschappij, overeenkomstig het bepaalde in de Artt. 9 en 10, voorzien in het onderhoud van den spoorweg en, voorzoover het te harer beschikking is gesteld, van hetgeen onder de spoorwegen volgens Art. 2, derde zinsnede, te verstaan is.
Artikel 26.
Bij de wet kan te allen tijde bepaald worden, dat de exploitatie overeenkomstig de voorwaarden dezer overeenkomst op een bij de wet vast te stellen tijdstip, doch uiterlijk één jaar na afkondiging van die wet, zal eindigen, en dat de eigendommen der Maatschappij door den Staat zullen genaast worden, met inachtneming van hetgeen in een der Artt. 35 , 36 of 39 bepaald is. Bij naasting ingevolge Art. 39 zal voormeld tijdstip met den 31sten December moeten samenvallen.
Het voornemen om een ontwerp van wet als bovenbedoeld in te dienen, wordt door de Ministers van Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Financiën ten spoedigste, uiterlijk op den dag, waarop die wet ter behandeling aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend, aan de Maatschappij medegedeeld.
Indien de wet niet is uitgevaardigd binnen achttien maanden na den dag, waarop die mededeeling gedaan is,
27
zal deze laatste geacht worden niet geschied te zijn en de daarbij aangekondigde naasting geen voortgang hebben.
Artikel 27.
De Maatschappij kan bij rechterlijk vonnis van hare rechten betreffende de exploitatie van de Staatsspoorwegen vervallen worden verklaard;
1°. indien zij in gebreke blijft te voorzien in het onderhoud van de Staatsspoorwegen met al hetgeen daaronder volgens Art. 2, derde zinsnede, te verstaan is, nadat Art. 15 der wet van 9 April 1875 (Staatsblad n0. 67) reeds éénmaal op haar is toegepast;
2°. indien zij de bepalingen dezer overeenkomst, wat de exploitatie, het materieel en den dienst betreft, niet naleeft, nadat zij, gewaarschuwd, den gestelden termijn heeft laten verloopen. Na ontvangst van de waarschuwing is de Maatschappij bevoegd de vraag, of zij bedoelde bepalingen niet heeft nageleefd, aan de uitspraak des rechters te onderwerpen. In afwachting van deze uitspraak is de Maatschappij verplicht, zich naar de inzichten van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid te gedragen.
Met de vervallenverklaring heeft de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid het recht om zich onmiddellijk in het bezit te stellen van de Staatsspoorwegen met al hetgeen daaronder volgens Art. 2, derde en vierde zinsneden, te verstaan is, en om over het personeel, het materieel en al hetgeen gevorderd wordt om de exploitatie voort te zetten, te beschikken.
Artikel 28.
De Maatschappij mag, buiten het geval van overmacht.
28
zonder toestemming van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid den dienst op de Staatsspoorwegen niet geheel of gedeeltelijk doen stilstaan.
Bij overtreding van dat verbod is genoemde Minister bevoegd, onmiddellijk over de spoorwegen met al hetgeen daaronder volgens Art. 2, derde en vierde zinsneden, te verstaan is, het personeel, het materieel en al hetgeen gevorderd wordt om de exploitatie voort te zetten, te beschikken, ten einde, onverminderd de bevoegdheid tot toepassing van Art. 27, den dienst overeenkomstig de bepalingen dezer overeenkomst ten bate en schade van de Maatschappij te doen voortzetten.
Artikel 29.
De Maatschappij is bevoegd deze overeenkomst op te zeggen in de gevallen en onder de voorwaarden als hierna is bepaald.
Zij verkrijgt dit recht telkens indien het in Art. 33 bedoeld winstsaldo gedurende twee achtereenvolgende jaren niet meer beloopt dan drie en een half ten honderd van het op de aandeelen gestort en niet terugbetaald maatschappelijk kapitaal.
Het recht tot opzegging vervalt, indien de Maatschappij niet vóór den 31sten December van het jaar, volgende op dat waarin de in de tweede zinsnede bedoelde voorwaarde werd vervuld, aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid heeft medegedeeld, dat zij van dat recht wenscht gebruik te maken.
Indien de Maatschappij de overeenkomst heeft opgezegd, is zij gehouden die nog gedurende ten hoogste twee jaren na den dag van de opzegging gestand te doen. Binnen dien termijn zal de Staat verplicht zijn tot naasting over te gaan.
29
HOOFDSTUK VI.
Bepalingen van geldelijken aard.
Artikel 30.
De Maatschappij geniet alle ontvangsten, welke de exploitatie of het medegebruik van de in deze overeenkomst bedoelde spoorwegen afwerpt, en alle verdere baten. Daartoe behooren niet:
a. de schadeloosstellingen, welke de Staat na het in werking treden van deze overeenkomst, hetzij ineens of bij wijze van jaarlijksche vergoeding, van derden zal bedingen voor het gebruik van door den Staat na dat tijdstip ten behoeve van andere spoorwegdiensten gemaakte nieuwe werken of uitbreidingen van bestaande werken, noch de vergoedingen, pachten, huren en dergelijken , welke door den Staat voor het gebruik van overboeken zijn of in het vervolg zullen worden bedongen;
b. de opbrengst van al hetgeen, blijkens de in Art. 43 bedoelde staten, bij het in werking treden van deze overeenkomst, tot de Staatsspoorwegen behoorde en, buiten het geval van Art. 9, eerste zinsnede, niet door de Maatschappij bekostigd is, voorzoover een en ander verkocht en niet vervangen wordt.
Het bedrag van de vergoedingen, krachtens Art. 4 van het tractaat dd. 27 Juni 1874 (opgenomen in het Staatsblad van 1874, n0.131), door de Regeering van Oldenburg verschuldigd, blijft ten bate van de Maatschappij.
Artikel 31.
De Maatschappij keert voor het gebruik van de Staatsspoorwegen jaarlijks aan den Staat uit:
30
10. voor de spoorwegen genoemd in Art. 1, sub I, eene som van f 3 400 000.â (drie millioen vierhonderd duizend gulden);
2°. voor de Staatsspoorwegen, welke haar in het vervolg ter exploitatie zullen gegeven worden, eene som van f 1000.â (één duizend gulden) per kilometer, of zooveel meer als tusschen de Ministers van Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Financiën en de Maatschappij zal worden overeengekomen. Deze bepaling geldt niet (behalve voor den spoorweg LeidenâWoerden) voor de in Art. 2, tweede zinsnede, bedoelde spoor- en tramwegen; de exploitatie daarvan zal door den Staat aan de Maatschappij worden opgedragen op geen bezwarender voorwaarden dan die, waarop de Maatschappij die wegen, ten tijde dat zij aan den Staat overgaan, exploiteert.
Artikel 32.
Binnen de eerste maand na elk afgeloopen kwartaal van het kalenderjaar betaalt de Maatschappij aan den Staat hetgeen zij in verhouding tot de in Art. 31 bepaalde uit-keering over dat kwartaal verschuldigd is.
De betalingen geschieden ten kantore van den Rijksbetaalmeester te Amsterdam; de quitantiën worden aan der Minister van Financiën gezonden.
Artikel 33.
Indien bij de vaststelling van de j aarlij ksche balans der Maatschappij blijkt, dat het winstsaldo ter zake van haar beheer in zijn geheelen omvang meer bedraagt dan vier ten honderd van het op de aandeelen gestort en niet terugbetaald maatschappelijk kapitaal, dan wordt dat meerdere
31
in dier voege tusschen den Staat en de Maatschappij verdeeld, dat ieder van beide partijen daarvan een gelijk aandeel verkrijgt, totdat het geheele aandeel der Maatschappij bedraagt zes en een half ten honderd van gemeld kapitaal, als wanneer van hetgeen dan nog overblijft vier vijfde gedeelten aan den Staat worden uitgekeerd en één vijfde gedeelte aan de Maatschappij verblijft.
De betaling van hetgeen den Staat ingevolge de vorige zinsnede toekomt, geschiedt binnen ééne maand, nadat de jaarlijksche balans en winst- en verliesrekening op de daarvoor bij de statuten der Maatschappij bepaalde wijze zijn vastgesteld.
De balans en winst- en verliesrekening worden onverwijld na de vaststelling aan de Ministers van Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Financiën medegedeeld.
Indien tengevolge van oorlog een gedeelte van het Rijk in Europa door den vijand wordt bezet en het in de eerste zinsnede bedoeld winstsaldo over eenig jaar, waarin de bezetting plaats heeft, minder bedraagt dan vier ten honderd van het op de aandeelen gestort en niet terugbetaald maatschappelijk kapitaal, dan wordt dat mindere tot een bedrag van vier ten honderd van gezegd kapitaal door den Staat aan de Maatschappij bijbetaald.
Artikel 34.
Indien de Staat van het in Art. 26 bedoeld recht om de exploitatie krachtens de bepalingen dezer overeenkomst te doen eindigen en om de eigendommen der Maatschappij te naasten gebruik maakt, zal hij te zijner keus bevoegd zijn:
I. öf om het geheele door de Maatschappij gevoerde
32
bedrijf en mitsdien alle zaken, rechten en verplichtingen der Maatschappij over te nemen;
II. of om het door de Maatschappij gevoerde bedrijf en mitsdien alle zaken, rechten en verplichtingen der Maatschappij over te nemen, met uitzondering van die zaken, rechten en verplichtingen, welke door de Ministers van quot;Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Financiën worden uitgesloten;
III. of om de exploitatie van de Staatsspoorwegen door de Maatschappij te doen eindigen en om zich in het bezit te stellen van al hetgeen de Staat volgens het bepaalde in Art. 39 verkrijgt.
Ten aanzien van elk dier drie wijzen van naasting geldt hetgeen daaromtrent in de volgende artikelen bepaald is.
Artikel 35.
Bij naasting overeenkomstig het bepaalde in Art. 34, I, neemt de Staat over het bedrijf der Maatschappij in zijn geheelen omvang en verkrijgt hij alle zaken en rechten, zoo roerende als onroerende, welke aan de Maatschappij toebehooren; de Maatschappij is verplicht alle die zaken en rechten aan den Staat over te dragen. De Staat verbindt zich, doch alleen tegenover de Maatschappij , alle verplichtingen, welke zij tegenover derden heeft aangegaan, voor haar na te komen en haar deswege ten volle te vrijwaren en schadeloos te houden.
De Staat betaalt daarvoor aan de Maatschappij:
a. honderd ten honderd over het op de aandeelen gestort en niet terugbetaald maatschappelijk kapitaal;
33
b. indien de gezamenlijke baten der Maatschappij hare schulden, het sub a bedoeld kapitaal en het in Art. 33 bedoeld winstsaldo overtreffen met een bedrag van ten minste f 6 750 000.â (zes millioen zevenhonderd vijftig duizend gulden), eene som van f 1 350 000.â (een millioen driehonderd vijftig duizend gulden), of anders zooveel minder als het batig saldo minder dan f 6 750 000.â (zes millioen zevenhonderd vijftig duizend gulden) bedraagt;
c. de helft van het bedrag waarmede de gezamenlijke baten der Maatschappij, verminderd met eene som van f 6 750 000.â⢠(zes millioen zevenhonderd vijftig duizend gulden), overtreffen hare schulden, het sub a bedoeld kapitaal en het in Art. 33 bedoeld winstsaldo;
cl. eene premie van een half ten honderd over het op de aandeelen gestort en niet terugbetaald maatschappelijk kapitaal, voor ieder jaar of gedeelte van een jaar, dat het tijdstip, waarop de Staat in het bezit treedt, voorafgaat aan 31 December 1915; zullende deze premie intusschen in geen geval over een grooter kapitaal dan van achttien millioen gulden berekend worden en niet meer dan elf ten honderd van dat kapitaal bedragen.
Artikel 36.
Bij naasting overeenkomstig het bepaalde in Art. 34, II, neemt de Staat over het geheele bedrijf der Maatschappij, met uitzondering van dat gedeelte daarvan, hetwelk van de naasting wordt uitgesloten. De Staat verkrijgt alsdan alle zaken en rechten, zoo roerende als onroerende, welke aan de Maatschappij toebehooren,
met uitzondering evenwel van die, welke behooren tot
3
34
het gedeelte van het bedrijf, dat van de naasting is uitgesloten; de Maatschappij is verplicht die zaken en rechten aan den Staat over te dragen. De Staat verbindt zich, doch alleen tegenover de Maatschappij, alle verplichtingen, welke zij tegenover derden heeft aangegaan, voor haar na te komen en haar deswege ten volle te vrijwaren en schadeloos te houden, met uitzondering evenwel van die verplichtingen, welke verband houden met en het gevolg zijn van zaken, rechten en overeenkomsten, welke door den Staat worden uitgesloten; wordende onder laatstbedoelde verplichtingen niet begrepen de voor die zaken en tengevolge van die overeenkomsten door de Maatschappij gemaakte schulden.
De Staat betaalt daarvoor aan de Maatschappij:
a. honderd ten honderd over het op de aandeelen gestort en niet terugbetaald maatschappelijk kapitaal, verminderd met tachtig ten honderd van de waarde der uitgesloten zaken en rechten.
Voor de evengenoemde waarde worden aangenomen de bedragen, waarop de uitgesloten zaken en rechten, behoudens het bepaalde in Art. 38, in de bij de eerste zinsnede van dat artikel bedoelde balans zijn vastgesteld, nadat die bedragen zijn verminderd en vermeerderd met de sonimen, door de Maatschappij voor die zaken en rechten ontvangen en betaald, sedert het tijdstip waarop even-bedoelde balans werd opgemaakt;
h. indien de gezamenlijke baten der Maatschappij (daaronder begrepen die, welke worden uitgesloten) hare schulden, het op de aandeelen gestort en niet terugbetaald maatschappelijk kapitaal en het in Art. 33 bedoeld winst-
35
saldo overtreiren met een bedrag van ten minste f 6 750 000.â (zes millioen zevenhonderd vijftig duizend gulden), eene som van f 1 350 000.â (een millioen driehonderd vijftig duizend gulden), of anders zooveel minder als het batig saldo minder dan f 6 750 000.â (zes millioen zevenhonderd vijftig duizend gulden) bedraagt;
c. de helft van het bedrag waarmede de gezamenlijke baten der Maatschappij (daaronder begrepen die, welke worden uitgesloten), verminderd met eene som van f 6 750 000.â (zes millioen zevenhonderd vijftig duizend gulden), overtreffen hare schulden, het op de aandeelen gestort en niet terugbetaald maatschappelijk kapitaal en het in Art. 33 bedoeld winstsaldo;
d. eene premie van een half ten honderd over het op de aandeelen gestort en niet terugbetaald maatschappelijk kapitaal, voor ieder jaar of gedeelte van een jaar, dat het tijdstip, waarop de Staat in het bezit treedt, voorafgaat aan 31 December 1915; zullende deze premie intusschen in geen geval over een grooter kapitaal dan van achttien millioen gulden berekend worden en niet meer dan ell ten honderd van dat kapitaal bedragen.
De bevoegdheid om sommige door de Ministers van Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Financiën aan te duiden zaken en rechten uit te sluiten, is niet van toepassing op de door de Maatschappij verkregen zaken, rechten en met derden gesloten overeenkomsten, welke de Staat ingeval van naasting overeenkomstig Art. 39 behoort over te nemen, noch op de zoodanigen welke verband houden met of het gevolg zijn van ondernemingen, als bedoeld in Art. 3, indien door de voornoemde Ministers is toegezegd, dat de Staat die ingeval van
36
naasting overeenkomstig dit artikel niet zal uitsluiten, noch op de in Art. 39, sub 2°, bedoelde overeenkomsten zelve.
Zij vervalt, indien de overeenkomstig het bepaalde sub a, tweede zinsnede, te bepalen waarde van al hetgeen wordt uitgesloten, minder bedraagt dan vijf ten honderd van het op de aandeelen gestort en niet terugbetaald maatschappelijk kapitaal.
Artikel 37.
Zoodra het voornemen om een ontwerp van wet tot naasting overeenkomstig de bepalingen dezer overeenkomst aanhangig te maken, ter kennis gebracht is van de Maatschappij , zal deze haar bedrijf uitoefenen met inachtneming-van de door de Ministers van Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Financiën daaromtrent te geven voorschriften van controle. Wordt door de Wetgevende Macht beslist, dat de naasting overeenkomstig het bepaalde in Art. 35 of 36 zal geschieden, dan zal de Maatschappij geacht worden van het oogenblik af, waarop voorzegd voornemen aan haar is medegedeeld, haar bedrijf, voorzoover dit niet van de naasting wordt uitgesloten, voor rekening van den Staat voortgezet te hebben en deswege op het tijdstip van de inbezitneming verantwoording hebben af te leggen.
De in den eersten volzin gemaakte bepaling vervalt, indien de daarbij bedoelde wet niet binnen den bij Art. 26, laatste zinsnede, genoemden termijn is uitgevaardigd.
Artikel 38.
Voor de waarde der baten, bedoeld sub amp; en c van de Artt. 35 en 36, worden aangenomen de sommen, waarop
37
die baten, behoudens het hierna bepaalde, zijn vastgesteld in de balans, welke betrekking heeft op het jaar, voorafgaande aan dat, waarin het voornemen om een ontwerp van wet tot naasting aanhangig te maken, ter kennis van de Maatschappij is gebracht.
De Maatschappij is bevoegd, de waarde der in hare balansen voorkomende hoofden van rekening te schatten op het bedrag, hetwelk zij daaraan toekent, met dien verstande evenwel, dat die waarde, met inachtneming van de berekening van de bedragen, genoemd in Art. 86, niet hooger mag opgevoerd worden dan tot het bedrag, waarvoor zij op 1 Januari 1889 te boek stond, vermeerderd met de werkelijk door de Maatschappij voor eenig hoofd van rekening gedane uitgaven, welke niet als geleden verliezen te beschouwen zijn. Onder verliezen worden voor de toepassing van dit artikel niet verstaan de uitgaven, bedoeld in Art. 39 sub lt;j, laatste zinsnede, noch de kosten vallende op het te gelde maken van tijdens deze overeenkomst uitgegeven geldleeningen, daaronder begrepen het verschil tusschen het nominaal bedrag dier leeningen en den prijs van uitgifte, noch de sommen, welke de Maatschappij betaalt wegens door haar gegarandeerde winsten op ondernemingen, als bedoeld in Art. 3, voorzoover dergelijke betalingen eene vordering ten laste van derden blijven uitmaken, welke op aannemelijke gronden kan geacht worden op den daarvoor bepaalden tijd terugbetaald te zullen worden.
De bedragen der in Art. 39, sub c,g: « en /, en i, bedoelde verminderingen en in het algemeen de waarde van alle voorwerpen, die te niet zijn gegaan, zullen, behoudens het bepaalde in Art. 44, tweede zinsnede, jaarlijks
38
afgetrokken worden van de bedragen, waarvoor de betrekkelijke hoofden van rekening onder de baten der balans zijn uitgetrokken.
De Maatschappij is bevoegd te vorderen, dat de verkoopwaarde, welke de haar toekomende zaken, met uitzondering van die genoemd in Art. 39, ten tijde van de naasting hebben, door drie, overeenkomstig Art. 48, te benoemen scheidsmannen zal geschat worden.
Indien de Maatschappij het bepaalde bij de tweede en derde zinsneden overtreedt, of indien de volgens de vierde zinsnede te bepalen verkoopwaarde, verminderd met hetgeen gedurende deze overeenkomst op het betrekkelijk hoofd van rekening mocht zijn afgeschreven, hooger is dan die in de balans voorkomt, zal de in de eerste zinsnede bedoelde balans overeenkomstig de bepalingen van dit artikel gewijzigd worden en de aldus gewijzigde balans tot grondslag strekken voor de berekening van hetgeen de Staat ingevolge het bepaalde in de Artt. 35, sub fc en c, en 36 sub a, fe en c, te betalen heeft.
Artikel 39.
Bij naasting overeenkomstig het bepaalde in Art. 34, III, eindigt de exploitatie door de Maatschappij van de Staatsspoorwegen en verkrijgt de Staat:
de niet aan de spoorwegen gelegen, op 1 Januari 1889 aanwezige onroerende goederen, bedoeld in Art. 2, vierde zinsnede;
alle werken tot wijziging, verbetering of uitbreiding van bestaande werken of wel nieuwe werken betreffende de Staatsspoorwegen, met uitzondering van die bedoeld in Art. 20,
39
zesde zinsnede, voorzoover de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid verklaart die niet te willen overnemen;
het rollend materieel en de exploitatie-inrichtingen, behoorende tot de Staatsspoorwegen;
en voorts in het algemeen al hetgeen door de Maatschappij voor de exploitatie van de Staatsspoorwegen ingevolge Art. 11 aangeschaft is.
In gemeen overleg tusschen den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid en de Maatschappij wordt bepaald, welk gedeelte van al het rollend materieel, van de losse, niet voor den dienst op eene bepaalde lijn bestemde exploitatie-inrichtingen en van de aanwezige materialen en magazijngoederen zal geacht worden te behooren tot de Staatsspoorwegen. Het overblijvend gedeelte wordt, behoudens het hieronder sub 2° bepaalde, ter beschikking-van de Maatschappij gesteld, zullende de verdeeling geschieden in dezelfde verhouding als waarin het gemiddelde aantal van de in de laatste vijf jaren op de Staatsspoorwegen doorloopen treinkilometers staat tot het gemiddelde aantal van de in hetzelfde tijdvak op al de door de Maatschappij geëxploiteerde spoorwegen doorloopen treinkilometers. Bij verschil van gevoelen over de vraag, of sommige en welke voorwerpen behooren tot die, welke de Staat ingevolge de bovenstaande bepalingen bevoegd is over te nemen, kan de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid zich in het bezit stellen van alles wat naar zijne meening noodig is om de exploitatie op de Staatsspoorwegen voort te zetten, behoudens schadeloosstelling door den Staat te betalen. De hiertoe in te stellen vorderingen zullen worden beslist door drie, overeenkomstig Art. 48, te benoemen scheidsmannen.
40
Voorts neemt de Staat van de Maatschappij over:
1°. de tijdens de naasting nog in haar bezit zijnde aan-deelen in de Nederlandsche Centraalspoorweg-Maatschappij en in de Spoorwegmaatschappij LeidenâWoerden, en de vordering op laatstgenoemde, omschreven in Art. 74;
2°. de zaken en rechten, voorzoover zij aan de Maatschappij in eigendom behooren, welke verband houden met of het gevolg zijn van overeenkomsten, door de Maatschappij vóór 1 Januari 1890 met derden gesloten of voor haar krachtens de Artt. 74 en 75 verbindend;
3°. alle door de Maatschappij verkregen zaken, rechten en met derden gesloten overeenkomsten, waaromtrent met goedvinden der Maatschappij bij de wet bepaald wordt, dat die bij naasting overeenkomstig dit artikel door den Staat zullen overgenomen worden; ook zonder goedkeuring der Maatschappij kan dergelijke bepaling gemaakt worden, mits in dat geval de daartoe strekkende wet zij afgekondigd binnen één jaar nadat de Maatschappij de betrekkelijke zaken en rechten verkregen of overeenkomsten gesloten heeft.
De Staat is wegens al hetgeen hij ingevolge het bovenstaande verkrijgt, aan de Maatschappij verschuldigd:
a. voor werken tot wijziging, verbetering of uitbreiding van bestaande werken en voor nieuwe werken betreffende de Staatsspoorwegen, de bedragen, welke door de Maatschappij daarvoor na 1 Januari 1889 zijn of zullen worden betaald;
b. voor de door den Staat overgenomen wordende werken, bedoeld in Art. 20, zesde zinsnede, de waarde, waarop die, behoudens het bepaalde in Art. 38, in de bij de eerste zinsnede van laatstgemeld artikel bedoelde balans zijn vastgesteld;
41
c. voor het rollend materieel behoorende tot de Staatsspoorwegen, den prijs waarvoor de locomotieven, de rijtuigen, de wagens, de onderdeelen daarvan en al hetgeen daartoe behoort, zijn aangeschaft, verminderd met één en een half ten honderd over elk vol jaar, hetwelk op het tijdstip van inbezitneming sedert 1 Januari 4889, of, zoo de voorwerpen later zijn aangeschaft, sedert de aanschaffing verstreken is.
De prijs, waarvoor het rollend materieel door den Staat wordt overgenomen, zal intusschen nimmer minder bedragen dan vijf en twintig ten honderd van den oorspron-kelijken prijs van aanschaffing;
d. voor de exploitatie-inrichtingen, waaronder verstaan worden alle in Art. 11, sub b tot en met rj, bedoelde voorwerpen, behoorende tot de Staatsspoorwegen, den prijs, waarvoor die voorwerpen zijn aangeschaft;
e. voor magazijngoederen, brandstoffen en alle niet onder a, h, c en d begrepen zaken, behoorende tot de Staatsspoorwegen, de prijzen, waarvoor die door de Maatschappij zijn aangeschaft;
f. voor elk der tijdens de inbezitneming aanwezige, in Art. 74 bedoelde aandeelen in de Nederlandsche Centraalspoorweg-Maatschappij en in de Spoorwegmaatschappij LeidenâWoerden, den prijs die daarvoor ingevolge dat artikel door de Maatschappij aan den Staat betaald wordt;
g. voor de zaken en rechten, welke verband houden met of het gevolg zijn van overeenkomsten, door de Maatschappij vóór 1 Januari 1890 met derden gesloten, of voor de Maatschappij krachtens de Artt. 74 en 75 verbindend;
42
«. voor het rollend materieel, behoorende tot de spoor- en tramwegen en handels-inrichtingen, waarvan de exploitatie het onderwerp van bedoelde overeenkomsten uitmaakt, den prijs, zooals die hierboven sub c is geregeld;
I?. voor de exploitatie-inrichtingen, waaronder verstaan worden alle in Art. 11, sub b tot en met g, bedoelde voorwerpen, en voor de materialen en magazijn-goederen, behoorende tot de bedoelde spoor- en tramwegen en handels-inrichtingen, den prijs, waarvoor deze voorwerpen zijn aangeschaft; /. voor de vorderingen, welke de Maatschappij ter zake van door haar gedane betalingen, ingevolge de bepalingen der bedoelde overeenkomsten, tegen hen,-met wie die overeenkomsten zijn gesloten, kan doen gelden, de bedragen, welke door de Maatschappij zijn of zullen worden betaald, met dien verstande echter, dat de vordering op de Spoorwegmaatschappij LeidenâWoerden, bedoeld in Art. 74, zal worden verminderd met zooveel zestigste gedeelten van haar bedrag als het aantal jaren beloopt, welke op het tijdstip der inbezitneming sedert 1 Januari 1890 verstreken zijn.
Bovendien zal de Staat aan de Maatschappij terugbetalen de uitgaven, door haar, ingevolge de bepalingen der bovenbedoelde overeenkomsten, gedaan of nog te doen, voor op, aan of in de spoor- en tramwegen en handelsinrichtingen uitgevoerde werken tot wijziging, verbetering of uitbreiding van bestaande werken en nieuwe werken, voorzoover dergelijke uitgaven, ingevolge die overeenkomsten, door de Maatschappij niet kunnen teruggevorderd worden
43
van hen, met wie die overeenkomsten zijn gesloten; zoo die werken na afkondiging van de wet, houdende bekrachtiging van bepalingen dezer overeenkomst, zijn uitgevoerd, echter alléén dan, indien bij de betrekkelijke overeenkomsten aan de Maatschappij het recht is toege-Kend om, bij het einde daarvan, de geheele onderneming, ten behoeve waarvan zulke uitgaven gedaan zijn, over te nemen of wel indien de Staat bevoegd is, zich, bij naasting of vervallenverklaring, ten opzichte van de exploitatie der bedoelde spoor- en tramwegen en handelsinrichtingen in de plaats der Maatschappij te stellen , alles behoudens het bepaalde in Art. 68;
h. voor de door de Maatschappij verkregen zaken, rechten en met derden gesloten overeenkomsten, waaromtrent bij de wet bepaald wordt, dat zij bij naasting overeenkomstig dit artikel door den Staat zullen overgenomen worden, het bedrag van de door de Maatschappij daarvoor gedane betalingen en van de haar uit dien hoofde toekomende vorderingen;
i. voor kosten vallende op het te gelde maken van tijdens deze overeenkomst uitgegeven geldleeningen, waarvan de opbrengst is besteed ten behoeve van zaken in dit artikel bedoeld, eene som gelijkstaande aan het verschil tusschen het nominaal bedrag dier leeningen en de sommen, welke, na aftrek van alle onkosten, in de kas der Maatschappij zijn gevloeid, verminderd met zooveel zestigste gedeelten van dat verschil, als het aantal jaren bedraagt, welke op het tijdstip van de inbezitneming sedert het aangaan van de leeningen verstreken zijn;
k. eene premie van een half ten honderd over het op de aandeelen gestort en niet terugbetaald maatschappelijk
44
ka pitaal, voor ieder jaar of gedeelte van een jaar dat het tijdstip, waarop de Staat in het bezit treedt, voorafgaat aan 31 December 1915; zullende deze premie intusschen in geen geval over een grooter kapitaal dan van achttien millioen gulden berekend worden en niet meer dan elf ten honderd over dat kapitaal bedragen.
Het door den Staat ingevolge al het bovenstaande verschuldigd bedrag wordt verminderd met eene som van f 5 400 000.â (vijf millioen vierhonderd duizend gulden), indien en voorzoover de gezamenlijke baten der Maatschappij hare schulden, het op de aandeelen gestort en niet terugbetaald maatschappelijk kapitaal en het in Art. 33 bedoeld winstsaldo met eene gelijke som overtreffen.
Bij de berekening van het verschil tusschen de baten en schulden der Maatschappij worden voor de waarde der baten aangenomen de sommen, waarop die, behoudens het bepaalde in Art. 38, zijn vastgesteld bij de opmaking van de in de eerste zinsnede van dat artikel bedoelde balans.
De Staat is bevoegd, het door hem verschuldigde te zijner keus te kwijten, hetzij door betaling, hetzij door over te nemen de verplichtingen, welke op de Maatschappij rusten tot betaling van rente en aflossing van nog in omloop zijnde geldleeningen, en door in geld bij te betalen hetgeen ingevolge het bovenstaande verschuldigd is, verminderd met het nog uitstaand nominaal bedrag der overgenomen geldleeningen.
Artikel 40.
De overeenkomstig de vorige artikelen bij naasting verschuldigde geldelijke bedragen worden door den Staat
45
betaalbaar gesteld ten kantore van den Rijksbetaalmeester te Amsterdam, binnen drie maanden na afkondiging van de wet, waarbij tot de naasting besloten werd, dan wel, indien de Staat eerst na het verstrijken van dien termijn in het bezit treedt , op den dag van de inbezitneming.
Bij de uitbetaling van den naastingsprijs, wordt door den Staat wegens rente bijbetaald:
bij naasting ingevolge Art. 35 of 36, zes ten honderd 's jaars over het op de aandeelen gestort en niet terugbetaald maatschappelijk kapitaal, gerekend van den Si31611 December van het jaar, waarover de in Art. 38, eerste zinsnede, bedoelde balans is opgemaakt, tot en met den dag van de uitbetaling, behoudens verrekening van hetgeen de Maatschappij wegens na den 31sten December van genoemd jaar behaalde winst op rekening van of als dividend mocht uitgekeerd hebben;
bij naasting ingevolge Art. 39, vijf ten honderd 's jaars over het geheele door den Staat verschuldigde bedrag, gerekend van den dag, waarop de Staat zich in het bezit heeft gesteld tot en met den dag van de uitbetaling, behoudens verrekening van de loopende rente op die leeningen , welke de Staat ingevolge het bepaalde in Art. 39, laatste zinsnede, voor zijne rekening neemt.
Artikel 41.
Bij vervallenverklaring van de rechten der Maatschappij betreffende de exploitatie van de Staatsspoorwegen ingevolge het bepaalde in Art. 27, zal de eigendom van al hetgeen in Art. 39 is omschreven aan den Staat overgaan, tegen betaling van den volgens dat artikel te berekenen prijs, met eene korting van twintig ten honderd
46
ten aanzien van hetgeen in de eerste zinsnede van dat artikel is omschreven. Bij die berekening blijft het bepaalde in Art. 39, sub k, buiten aanmerking.
Artikel 42.
Bij opzegging van deze overeenkomst door de Maatschappij, ingevolge het bepaalde in Art. 29, verblijft aan den Staat de bevoegdheid om tusschen de drie in de Artt. 35, 36 en 39 omschreven wijzen van naasting eene keuze te doen en wordt de sub d van de Artt. 35 en 36 en sub k van Art. 39 bedoelde premie aan de Maatschappij niet uitgekeerd.
Artikel 43.
Voorzoover dit niet reeds is geschied, worden van de Staatsspoorwegen en van de niet daaraan gelegen, aan de Maatschappij behoorende onroerende goederen, bedoeld in Art. 2, vierde zinsnede, uitgewerkte staten vervaardigd, waarin de toestand van die wegen en onroerende goederen bij het in werking treden van deze overeenkomst wordt omschreven.
Die staten worden door de Maatschappij in overleg met den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid opgemaakt en bijgehouden en door of namens beide partijen gewaarmerkt.
Van de in Art. 2 bedoelde spoorwegen, zoomede van alle andere spoorwegen, welke de Maatschappij exploiteert, worden gelijke staten vervaardigd, waarin de toestand van die wegen wordt omschreven op het tijdstip, waarop de Maatschappij die in exploitatie neemt.
Ook deze staten worden door de Maatschappij bijgehouden.
47
Artikel 44.
Ten aanzien van de Staatsspoorwegen zendt de Maatschappij vóór 1 Mei van elk jaar aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid eene specifieke opgave van de kosten der werken tot wijziging, verbetering of uitbreiding van bestaande werken en der nieuwe werken, â met uitzondering van de kosten der werken bedoeld in Art. 20, zesde en zevende zinsneden, â welke in het voorgaande jaar gemaakt zijn, zoomede van de bedragen, welke werken, die, door welke oorzaak ook, vervallen of te niet zijn gegaan, hetzij zij al dan niet door andere vervangen zijn, bij verkoop hebben opgebracht of waarvoor zulke werken onder goedkeuring van den Minister door de» Maatschappij zijn overgenomen.
Na verificatie van die opgaven wordt de som, welke de Maatschappij na 1 Januari 1889 voor de in Art. 39, sub a, bedoelde werken betaald heeft, met bovenbedoelde kosten vermeerderd en met bovengemelde bedragen verminderd en de verkregen uitkomst, â alsdan aangevende de som, welke de Staat wegens de hierbedoelde uitgaven tot en met 31 December van het voorgaand jaar, ingeval van naasting overeenkomstig Art. 39, ingevolge sub a van dat artikel verschuldigd is, â jaarlijks bij proces-verbaal vastgesteld.
Bij de inzending van bovenbedoelde opgaven worden door de Maatschappij aan den Minister voornoemd de bedragen opgegeven, waarmede de in Art. 86, sub 3°, genoemde sommen zullen vermeerderen of verminderen.
Na verificatie van deze opgaven worden de sommen, welke de Staat ingeval van naasting overeenkomstig Art. 39,
48
ingevolge sub g\ y an laatste zinsnede, van dat artikel verschuldigd is, jaarlijks bij proces-verbaal vastgesteld.
Artikel 45.
Al de in Art. 11, sub a tot en met g, vermelde en tot de Staatsspoorwegen behoorende voorwerpen worden, met den prijs van aanschaffing, in registers ingeschreven, welke, van Regeeringswege gewaarmerkt, voortdurend bijgehouden worden.
Van voorwerpen, welke van aard of bestemming veranderen , wordt de prijs van aanschaffing vervangen door dien, welke moet worden toegekend aan voorwerpen van gelijken aard als die, welke door de verandering verkregen zijn.
Telken jare worden de voorwerpen, welke onbruikbaar zijn geworden, uit de registers afgevoerd. De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid kan, onverminderd de bepalingen van de Artt. 13, 14 en 15 der wet van 9 April 1875 (Staatsblad n0. 67), vorderen, dat omtrent de bruikbaarheid van voorwerpen uitspraak worde gedaan door drie, overeenkomstig Art. 48, te benoemen scheidsmannen.
Te gelijker tijd met de opgaven, bedoeld in Art. 44, zendt de Maatschappij aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid jaarlijks opgaaf van de wijzigingen, welke de registers in het afgeloopen jaar hebben ondergaan.
Naar aanleiding van deze opgaaf worden de eindcijfers van de aanschaffingsprijzen en van de in Art. 39, sub c, bedoelde verminderingen voor de verschillende rubrieken van voorwerpen jaarlijks vastgesteld.
De bepalingen van dit artikel zijn mede van toepassing op het in Art. 39, sub g, genoemd rollend materieel en de aldaar vermelde exploitatie-inrichtingen.
49
Artikel 46.
De Maatschappij is bevoegd, een door haar te bepalen gedeelte van de ontvangsten te storten in een reservefonds en in de verdere fondsen, welke zij in het belang van het beheer van hare zaken gewenscht acht.
Deze fondsen worden, ook indien zij afzonderlijk belegd en beheerd worden, in de jaarlijksche balansen der Maatschappij verantwoord.
HOOFDSTUK VII.
Bepalingen van verschillenden aard.
Artikel 47.
Alle bij de wet vastgestelde of nader vast te stellen bepalingen betreffende het gebruik van en den dienst op spoor- en tramwegen zijn, voorzooveel zij niet in strijd zijn met deze overeenkomst, op de door de Maatschappij uitgeoefende spoor- en tramwegdiensten toepasselijk.
Waar in deze overeenkomst eene wettelijke bepaling-is aangehaald, worden daaronder mede verstaan de wettelijke bepalingen, waardoor de aangehaalde zullen vervangen worden.
Artikel 48.
In de gevallen, waarin volgens de bepalingen dezer overeenkomst eene uitspraak door scheidsmannen moet geschieden, worden die scheidsmannen door partijen in gemeen overleg benoemd. Leidt dit overleg niet tot overeenstemming binnen veertien dagen, nadat de meest gereede partij hare wederpartij heeft gesommeerd, dan zullen de scheidsmannen op het verzoek van de meest
4
50
gereede partij door den Hoogen Raad benoemd worden. Indien de gesommeerde binnen vermelden termijn aan hare wederpartij bij exploot doet aanzeggen, dat zij betwist, dat een der gevallen, waarin uitspraak door scheidsmannen moet geschieden, aanwezig is, dan kan de bedoelde meest gereede partij de benoeming van de scheidsmannen slechts bij gewone dagvaarding vorderen. Is zoodanige aanzegging achterwege gebleven, dan kan na verloop van bovenvermelden termijn de meest gereede partij de benoeming verzoeken bij eenvoudig verzoékschrift, dat uiterlijk den volgenden dag aan de wederpartij moet beteekend worden, zullende de akte van beteekening aan den Hoogen Raad moeten worden overgelegd. Partijen zijn bevoegd, de namen van personen, die naar hare meening voor eene benoeming in aanmerking komen, mede te deelen aan den Hoogen Raad, die daarop acht slaat, voorzoo veel hij zal vermeenen te behooren, indien uit eene overgelegde akte van beteekening blijkt, dat de door een der partijen opgegeven namen aan de wederpartij zijn beteekend.
De uitspraak van scheidsmannen is niet vatbaar voor hooger beroep. De wijze, waarop ['partijen hare belangen kunnen voordragen, wordt door de scheidsmannen vastgesteld.
Artikel 49.
De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid is bevoegd, de Maatschappij gehoord, vergunning te ver-leenen aan een ieder, om op zijne kosten langs de spoorwagen en in de nabijheid van de stations magazijnen op te richten of aanlegplaatsen te maken, deze van wTerk-
51
tuigen, kranen en toestellen voor het laden en lossen van de wagens te voorzien, en door sporen met den spoorweg te verbinden.
Daarvoor zijn aan de Maatschappij geene vergoedingen verschuldigd, dan van de kosten, welke door haar gemaakt worden om de aansluiting tot stand te brengen.
Het oprichten of maken van bedoelde magazijnen en aanlegplaatsen geschiedt onder de verplichting om één of meer zijsporen te leggen, opdat de te laden of te lossen wagens het vrije verkeer over den spoorweg niet belemmeren, en om de door genoemden Minister in het belang van de veiligheid voor te schrijven maatregelen in acht te nemen.
De Maatschappij is verplicht, de wagens, bestemd voor den dienst van de bovenvermelde magazijnen en aanlegplaatsen en bij de aansluiting staande, met de gemengde of goederentreinen mede te nemen en insgelijks de voor die inrichtingen bestemde wagens aldaar van de treinen af te haken. Zij zal toelaten, dat de wagens van hare terreinen, onder haar toezicht, naar de bedoelde magazijnen en aanlegplaatsen vervoerd worden.
Artikel 50.
Het gemeenschappelijk gebruik van de in Art. 1, sub I, b, en II, genoemde spoorwegen, alsmede van de stations of halten, gelegen op plaatsen, waar die wegen aan andere spoorwegen, welke door de na te noemen spoorwegmaatschappij geëxploiteerd worden, aansluiten of die kruisen, wordt door de Maatschappij in overleg met de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij geregeld; deze regeling
52
wordt door de Maatschappij aan de goedkeuring van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid onderworpen. Indien niet vóór het tot stand komen van deze overeenkomst eene regeling als de hierbedoelde mocht getroffen en door den Minister goedgekeurd zijn, worden de bepalingen voor het gemeenschappelijk gebruik van de hierbedoelde spoorwegen en stations, onverminderd het bepaalde in Art. 5, laatste zinsnede, der wet van 9 April i875 {Staatsblad n0. 67), door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, de Maatschappijen gehoord, vastgesteld.
Artikel 51.
De Maatschappij verbindt zich, op de door den Minister van Oorlog aan te wijzen stations, mits aldaar depóts voor locomotieven zijn gevestigd, eene hoeveelheid steenkolen in voorraad te houden, in het geheel niet minder bedragende dan hetgeen voor den dienst op al de door haar op Nederlandsch grondgebied geëxploiteerde spoorwegen gedurende een tijdvak van ten minste twee maanden gevorderd wordt.
Artikel 52.
De Maatschappij is bevoegd, hare telegraal' langs de door haar geëxploiteerde spoorwegen, met inachtneming-van de daaromtrent bestaande wettelijke voorschriften, ook ten dienste van het publiek te gebruiken.
Het gemeenschappelijk gebruik van de Rijkstelegraafpalen en de bewaking, het voorloopig herstellen en het onderhoud van de Rijkstelegraaflijnen maken het onderwerp uit van eene regeling tusschen de Maatschappij en den Minister
53
van Waterstaat, Handel en Nijverheid, met dien verstande dat de Maatschappij zich verplicht, de bewaking van de Rijkstelegraaflijnen en het vervoer van materialen voor den aanleg en het onderhoud van de Rijkstelegraaf- en Rijkstelefoonlijnen langs den spoorweg kosteloos te doen verrichten. Zij geeft aan de ambtenaren der Rijkstelegraaf onmiddellijk kennis van de voorgekomen ongevallen en doet zoo spoedig mogelijk mededeeling van de oorzaken dier ongevallen.
Artikel 53.
Onverminderd de bepalingen van Art. 48 der wet van 9 April 1875 (Staatsblad n0. 67), zal de Maatschappij overeenkomstig aanwijzing van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid op de door haar geëxploiteerde spoorwegen, voor rekening van den Staat, maar zonder schadeloosstelling:
a. de gebouwen, noodig voor de inrichting van eene telegrafische of telefonische verbinding, doen oprichten; â b. de palen en toestellen doen plaatsen voor de uitwisseling van brievenzakken zonder stilstand van den trein;
c. aan de stations of langs den spoorweg gesloten brievenbussen doen opstellen.
Bovendien rust op de Maatschappij de verplichting om kosteloos de lokaliteiten, op het perron uitkomende, beschikbaar te stellen en te onderhouden, welke voor den dienst van de brieven- of pakketpost mochten noodig zijn, voorzoover die lokaliteiten, ter beoordeeling van den Raad van Toezicht op de Spoorwegdiensten, de Maatschappij gehoord, voor de exploitatie kunnen gemist worden.
54
Artikel 54.
De Maatschappij moet op hare kosten de rijtuigen en wagens leveren, noodig voor het vervoer, over de door haar op Nederlandsch grondgebied geëxploiteerde spoorwegen, van de brievenmalen en van de ambtenaren met den dienst in die rijtuigen en wagens belast; zij kan voor dat vervoer afgescheiden gedeelten van de gewone spoorwegrijtuigen aanwijzen, mits die, naar het oordeel van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid daartoe voldoende zijn.
De post-rijtuigen en wagens of de voor den postdienst bestemde gedeelten van de spoorwegrijtuigen moeten op kosten der Maatschappij, volgens de opgaven, baar daartoe vanwege den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid gedaan, ingericht, onderhouden en zoo noodig vernieuwd worden.
De stations der door de Maatschappij geëxploiteerde spoorwegen, waar reserve-materieel voor de uitvoering van den postdienst is te plaatsen, worden in overleg met de Maatschappij door den Minister voornoemd bepaald.
Artikel 55.
De Maatschappij is niet ontvankelijk, om welke reden ook, zich op overmacht te beroepen, tenzij zij binnen driemaal vier en twintig uren na de gebeurtenissen of omstandigheden, waaruit de overmacht ontstaat, daarvan aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid heeft kennis gegeven en binnen dertig dagen heeft aangetoond, welken invloed die gebeurtenissen of omstandigheden hebben uitgeoefend.
5)
Gelijke regel geldt bij daden, welke de Maatschappij aan Rijksbeambten meent te kunnen wijten. Zij zal er geen beklag op mogen gronden, ten ware zij binnen driemaal vier en twintig uren het bestaan en binnen dertig-dagen den invloed daarvan heeft doen kennen.
In geen geval zal zij eenige vordering op mondelinge lastgeving mogen gronden.
Artikel 56.
De Maatschappij wordt beschouwd in de volbrenging-van hare verplichtingen in gebreke te zijn gebleven, door het eenvoudig verstrijken van de verschillende daartoe gestelde termijnen en zonder dat het noodig zij daarvan door eenige akte te doen blijken, mits de vertraging niet door daden van Rijksbeambten zij veroorzaakt.
Artikel 57.
De grondbelasting-, waterschaps-, polder- en dijklasten en alle dergelijken, welke in den regel op den eigenaar van onroerende goederen rusten, blijven, voorzooveel zij de Staatsspoorwegen betrellën, ten laste van den Staat.
Artikel 58.
Tijdens den geheelen duur van deze overeenkomst kan elke aanleg van wegen, kanalen, waterleidingen, bruggen, duikers of andere werken, welke de spoorwegen met al hetgeen daaronder volgens Art. 2, derde zinsnede, te verstaan is, doorsnijden of daarmede in aan-
56
raking komen, zoomede wijziging van dergelijke reeds bestaande werken, van Rijkswege of, krachtens vergunning van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, door anderen gemaakt worden, zonder dat de Maatschappij dit mag beletten of uit dien hoofde, behoudens het hierna bepaalde, eenige andere schadeloosstelling mag vorderen, dan wegens meerdere kosten van onderhoud en van bewaking.
Alleen ingeval dergelijke werken in den spoorweg eene sterkere helling teweegbrengen dan van 1 op 225, zal schadeloosstelling wegens de meerdere kosten van trekkracht, welke daarvan het gevolg zijn, door de Maatschappij kunnen gevorderd worden.
Deze bepalingen maken geen inbreuk op het recht der Maatschappij om te vorderen, dat alle kosten van tijdelijke werken, van werken tot aansluiting, van meerdere bewaking gedurende de uitvoering van de in de eerste zinsnede bedoelde werken en van al hetgeen in den ruimsten zin des woords, ten gevolge van de toepassing van het bij de eerste zinsnede bepaalde, noodig zal blijken om eene behoorlijke exploitatie van den spoorweg te verzekeren, zoowel tijdens als na den aanleg van de in de eerste zinsnede bedoelde werken, door hem, voor wiens rekening die aanleg geschiedt, bekostigd worden.
Artikel 59.
De Maatschappij kan geen aanspraak maken op vergoeding van schade of van winstderving, die een gevolg is van maatregelen, welke ter uitvoering van eene wet van Staatswege genomen worden.
57
Artikel 60.
De onderlinge afstanden van de stations worden gemeten langs de as van den spoorweg, tusschen het midden van de hoofdgebouwen op die stations. Het beginpunt van eiken spoorweg is het snijpunt van de verlengde as van den spoorweg en de grenslijn van het terrein. Bij gedeelten, welke aan de grenzen of aan andere spoorwegen aansluiten, wordt gerekend tot aan het punt van grensscheiding of van aansluiting.
Artikel 61.
De zetel der Maatschappij blijft in Nederland gevestigd.
De directeuren en de beambten van de Maatschappij, laatstgenoemden voorzoover zij op Nederlandsch grondgebied en niet reeds bij het in werking treden van deze overeenkomst werkzaam zijn, moeten zijn Nederlanders. Met machtiging van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid kan van dezen regel worden afgeweken.
De persoon of de personen, aan wie het onmiddellijk beheer van de Maatschappij wordt opgedragen, aanvaarden hunne betrekking niet, voordat hunne benoeming dooiden Minister is goedgekeurd.
Artikel 62.
De door den Koning benoemde of te benoemen Rijkscommissaris en adjunct-Rijkscommissaris hebben het recht, de vergaderingen van aandeelhouders en van commissarissen der Maatschappij bij te wonen en daarin eene raad-
58
gevende stem uit te brengen. Daartoe wordt hun, gelijktijdig met commissarissen der Maatschappij, van alle zoo gewone als buitengewone vergaderingen kennis gegeven.
De Maatschappij is gehouden, hun de inlichtingen, welke zij vragen, te verstrekken en inzage te verleenen van hare boeken.
Door de Maatschappij wordt de noodige lokaliteit in het gebouw van het hoofdbestuur van de exploitatie, gemeubeld, verlicht en verwarmd, te hunner beschikking gesteld.
Zij genieten kosteloos vervoer over de Staatsspoorwegen.
Artikel 63.
Ingeval van naasting of van vervallenverklaring, zal de Staat de belangen behartigen van het personeel, dat alsdan op de door de Maatschappij geëxploiteerde spoorwegen aan den dienst van de lijnen en van de bureelen verbonden is, in dier voege dat, hetzij de exploitatie aan den Staat of aan eene andere onderneming overga, de beambten, met behoud van de bezoldiging, welke zij genieten ten tijde van de in Art. 26 bedoelde mededeeling, in hunne betrekking gehandhaafd blijven, en daaruit niet vóór hun 65ste jaar anders dan om geldige redenen, als daar zijn onbekwaamheid, dienstweigering, grove nalatigheid , ziekten of lichaamsgebreken welke hen voor de verdere uitoefening van hun dienst ongeschikt maken, tegen hun wil kunnen ontslagen worden. Ook zullen hunne aanspraken op bevordering en ondersteuning, welke zij wegens hun dienst bij de Maatschappij kunnen doen gelden, geëerbiedigd worden.
59
Artikel 64.
De Maatschappij doet maandelijks in de Staatscourant opgave van de totale opbrengst der exploitatie per maand en van de opbrengst der exploitatie per dag en per kilometer , wegens het vervoer van reizigers en van goederen, over de afgeloopen maand en over het verstreken gedeelte des jaars, met bijvoeging van de opbrengst te zelf der zake over de gelijke tijdvakken van het vorig jaar.
De modellen voor die opgaven worden door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid vastgesteld.
Artikel 65.
Het op de aandeelen gestort maatschappelijk kapitaal bedraagt niet meer dan achttien millioen gulden.
De Maatschappij mag, tijdelijke geldleeningen voor ten hoogste één jaar uitgezonderd, geen geldleeningen sluiten dan bij openbare inschrijving. Voor het aangaan van leeningen buiten openbare inschrijving ot waarbij aan sommigen een recht van voorkeur op de uit te geven schuldbekentenissen wordt toegekend, behoeft zij de vergunning van den Minister van Financiën. Onder het hierboven bedoeld recht van voorkeur wordt niet verstaan het recht van voorkeur, hetwelk bij de tijdens het aangaan van deze overeenkomst geldende statuten aan de oprichters der Maatschappij is toegekend.
De Maatschappij is voorts verplicht, bij de door haar uit te geven leeningen te bedingen, dat de Staat bevoegd is zich bij naasting of vervallenverklaring in hare plaats te stellen. Ook zal zij zich de bevoegdheid voorbehouden om
60
die leeningen te allen tijde af te lossen, terwijl zij verplicht is van die bevoegdheid gebruik te maken, indien de Staat dit verlangt en door het ter leen verstrekken van gelden op voorwaarden, welke voor de Maatschappij geldelijk voordeeliger zijn dan die, waaronder de leeningen zijn uitgegeven, de Maatschappij in staat stelt de te haren laste nog in omloop zijnde geldleeningen geheel of ten deele af te lossen.
Artikel 66.
De statuten der Maatschappij worden binnen vier maanden na afkondiging van de wet, houdende bekrachtiging van bepalingen dezer overeenkomst, met de laatste in overeenstemming gebracht. Vóór de vaststelling worden zij, evenals alle later daarin te maken wijzigingen, aan de goedkeuring van de Ministers van Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Financiën onderworpen, tot zekerheid dat daarin niets voorkomt wat met de bepalingen dezer overeenkomst in strijd is.
Artikel 67.
Bij afkondiging van de wet, waarbij deze overeenkomst voorzooveel noodig wordt bekrachtigd, vervallen de overeenkomst van 24/25 Mei 1876, voorzooveel noodig bekrachtigd bij de wet van 15 November 1876 (Staatsblad n0. 210), mitsgaders alle krachtens of ingevolge die overeenkomst en de concessie van 11 Augustus 1863 getroffen regelingen en contracten tusschen den Staat en de Maatschappij, met uitzondering van die bedoeld in Art. 78.
61
Artikel 68.
Alle -wijzigingen, welke in de in Art. 39, sub 2°, bedoelde overeenkomsten zullen gemaakt worden, behoeven de goedkeuring van de Ministers van Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Financiën.
Alle uitgaven, na afkondiging van de wet, houdende bekrachtiging van bepalingen dezer overeenkomst, door de Maatschappij te doen krachtens de bedoelde overeenkomsten, voorzoover die, volgens de bepalingen dier overeenkomsten, niet uit de jaarlijksche winsten gekweten worden, maar eene vordering ten laste van hen, met wie die overeenkomsten gesloten zijn, uitmaken, zoo mede alle uitgaven voor werken, als bedoeld in Art. 39, sub g, laatste zinsnede, worden door de Maatschappij onderworpen aan de goedkeuring van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid.
Indien de Minister, in afwijking van het gevoelen der Maatschappij, van oordeel is, dat de laatste tot het doen van zulke uitgaven niet verplicht is, of dat tot die uitgaven in de gevallen, waarin zoodanige verplichting niet aanwezig is, geen voldoende aanleiding bestaat, zal de beslissing worden ingeroepen van drie, overeenkomstig Art. 48, te benoemen scheidsmannen, die daar, waar het de vraag geldt, of voor de uitvoering van werken voldoende aanleiding bestaat, de bepalingen van Art. 20 zullen moeten in acht nemen.
De bepaling van Art. 20, laatste zinsnede, is ten deze van toepassing.
62
Artikel 69.
Deze overeenkomst wordt gesloten onder de voorwaarde dat zij, zoomede alle uit haar voortvloeiende akten gratis zullen worden geregistreerd.
Artikel 70.
Deze overeenkomst wordt geacht in werking te zijn getreden op den lsten Januari 1889, met uitzondering-van de in sommige artikelen voorkomende bepalingen, welke op het daarbij genoemde tijdstip in werking zullen treden. Zij vervalt, indien de wet, waarbij zij voorzoo-veel noodig wordt bekrachtigd, niet is afgekondigd vóór 1 Mei 1890.
Overgangsbepalingen.
Artikel 71.
A. Van de in Art. 1, sub I, genoemde spoorwegen en de daartoe behoorende werken zijn nog niet en zullen door den Staat op zijne kosten worden voltooid:
1n. de spoorweg van Zwaluwe naar 's Hertogenbosch;
2°. de spoorweg tot verbinding van den spoorweg van Groningen naar Delfzijl met de haven te Delfzijl;
3°. het hoofdgebouw op het station Nijmegen;
4°. de overkapping op het station te Leeuwarden.
Ten aanzien van bovengenoemde werken zijn voor rekening van den Staat, de bouw en de voltooiing van den spoorweg met al hetgeen daaronder volgens Art. 2, derde zinsnede, te verstaan is.
63
B. Door de Maatschappij zullen voor rekening van den Staat worden uitgevoerd de volgende werken:
1°. het maken van eene woning voor den stationschef te Maastricht;
2°. het maken van eene overkapping over het middenperron op het station Venlo en het aanbrengen van retiraden op dat perron;
3°. de uitbreiding van het hoofdgebouw op het station Boxtel;
4°. de uitbreiding van het station Tilburg;
5°. de uitbreiding van de werkplaatsen te Tilburg;
6°. het maken van een blijvend hoofdgebouw op het station Vlissingen (Haven);
7°. het maken van een loods voor locomotieven op het station Vlissingen (Haven);
8°. de uitbreiding van het station 's Hertogenbosch, met inbegrip van eene nieuwe en hoogere Diezebrug;
9°. het maken van kruissporen tusschen stations van het Noordernet der Staatsspoorwegen;
10°. de uitbreiding van het hoofdgebouw op het station Leeuwarden;
41°. de uitbreiding van het station en van het hoofdgebouw op het station Groningen;
12°. de uitbreiding van het station en van het hoofdgebouw op het station Hengelo;
18°. de uitbreiding van het station Rotterdam (Beurs);
14°. de uitbreiding van de locomotievenloods te Rotterdam (Delftsche Poort);
15°. de wijziging van het goederenstation te Nijmegen.
De onder B bedoelde werken zullen worden uitgevoerd overeenkomstig uitgewerkte plannen, begrootingen
64
en bestekken, welke door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid zullen zijn goed te keuren. De Minister kan de openbare aanbesteding gelasten en de uitvoering doen controleeren. De Maatschappij brengt daarvoor alleen in rekening de werkelijke kosten van uitvoering en van toezicht, doch geen winst. Zij is bevoegd de haar ingevolge dit artikel toekomende bedragen, behoudens latere verrekening, in te houden op de door haar ingevolge Art. 31 verschuldigde uitkeering.
Het niet voltooid zijn van de sub A genoemde werken levert geen grond op tot vermindering van de in Art. 31 vastgestelde uitkeering.
Artikel 72.
De Maatschappij verplicht zich op den in Art. 22 bedoelden dag de Staatsspoorwegen van Dordrecht naar Eist, van Vork naar Ressen-Bemmel en van Stavoren naar Leeuwarden, met uitzondering van de stations Dordrecht, Eist, Ressen-Bemmel en Leeuwarden, aan de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij in exploitatie over te dragen.
Artikel 73.
Indien de Spoorwegmaatschappij AlmeloâSalzbergen mocht weigeren in de tusschen haar en de Maatschappij gesloten overeenkomst betreffende de exploitatie van haren spoorweg dd. 4/11 Juni 1864, de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij aan de Maatschappij te substituee-ren en de overeenkomst, waarbij tusschen beide laatstgenoemde maatschappijen het gemeenschappelijk gebruik van den spoorweg van Almelo naar Salzbergen zal worden geregeld , goed te keuren, of wel indien de Hollandsche IJzeren
65
Spoorweg-Maatschappij mocht ophouden den spoorweg van Apeldoorn naar Almelo te exploiteeren, zal de Maatschappij, in afwijking van het bepaalde in Art. 1 het medegebruik overeenkomstig de in Art. 50 bedoelde regeling verkrijgen van den door den Staat aangelegden spoorweg van Zutphen langs Hengelo en Enschedé naar de Duitsche grens, waarvan alsdan de exploitatie zal worden opgedragen aan de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij. De door de Maatschappij aan den Staat ingevolge Art. 31, sub 10, te betalen uitkeering zal, doet zich dit geval voor, verminderd worden met f 86 000.â (zes en tachtig duizend gulden).
Artikel 74.
De Maatschappij verbindt zich van den Staat over te nemen alle zaken, rechten en verplichtingen, welke de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij blijkens de onder dagteekening van heden met den Staat gesloten en aan de Maatschappij in afschrift medegedeelde overeenkomst aan den Staat zal overdragen, met uitzondering van de onroerende goederen der Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij , van dat gedeelte van haar rollend materieel, hetwelk ingevolge Art. 80 niet door de Maatschappij overgenomen, maar door den Staat aan de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij overgedragen wordt, van de voorwerpen bedoeld in Art. 82, en van hare verbintenissen tegenover houders van door haar uitgegeven obligatiën aan toonder.
De Maatschappij zal daarvoor aan den Staat betalen de bedragen, waarvoor de over te nemen zaken en rechten
op het tijdstip, waarop de eigendommen van de Neder-
5
66
landsche Rhijnspoorweg-Maatschappij aan den Staat worden overgedragen, bij die vennootschap te boek staan.
Deze verbintenis wordt aangegaan onder de volgende voorwaarden:
a. indien de Maatschappij vermeent, dat de waarde van eenige door haar ingevolge dit artikel over te nemen zaak minder bedraagt dan die, waarvoor zij bij de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij te boek staat, zal zij bevoegd zijn te vorderen, dat die waarde nader geschat worde door drie, overeenkomstig Art. 48, te benoemen scheidsmannen.
De Staat blijft bevoegd de onderwerpelijke zaken, welke hij voor den door de scheidsmannen bepaalden prijs niet wenscht over te doen, voor zich te behouden;
h. de sub a genoemde bevoegdheid der Maatschappij om nadere schatting van de door haar over te nemen zaken te vorderen, is niet van toepassing op de door den Staat van de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij over te nemen en aan de Maatschappij over te dragen voorwerpen, bedoeld in Art. 80, op de aandeelen in de Nederlandsche Centraalspoorweg-Maatschappij en in de Spoorwegmaatschappij LeidenâWoerden, zoomede op eene vordering-groot /quot;932 750.71 (negenhonderd twee en dertig duizend zevenhonderd vijftig gulden, een en zeventig cent), welke de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij wegens voorschotten door haar gedaan, ingevolge de met de Spoorwegmaatschappij LeidenâWoerden betreffende de exploitatie van dezen spoorweg gesloten overeenkomst, op laatstgenoemde vennootschap heeft. De voor die aandeelen door de Maatschappij te betalen prijs wordt vastgesteld op /125.â (éénhonderd vijf en twintig gulden) voor ieder
67
aandeel in de Nederlandsche Centraalspoorweg-Maatschappij, groot 500 francs en op /quot;240,â (tweehonderd veertig-gulden) voor ieder aandeel in de Spoorwegmaatschappij LeidenâWoerden groot / 240.â (tweehonderd veertig gulden).
Indien de Staat gebruik maakt van zijn recht om den Nederlandschen Centraalspoorweg of den spoorweg Leidenâ Woerden te naasten, of indien de concessiën dezer spoorwegen uit welken hoofde ook komen te vervallen, zal hij bevoegd en verplicht zijn de bedoelde aandeelen in de beide genoemde Maatschappijen voor denzelfden prijs van de Maatschappij terug te koopen en de bovenbedoelde vordering op de Maatschappij LeidenâWoerden, na aftrek van de in Art. 39, sub g: y, bedoelde afschrijvingen over te nemen. Voorts zal in dat geval eerstgenoemde spoorweg op den voet van de bepalingen dezer overeenkomst aan de Maatschappij in exploitatie gegeven worden;
c. de waarde der door de Maatschappij ingevolge dit artikel over te nemen zaken (het rollend materieel daaronder niet begrepen) zal de som van/quot;7 637 736.965 (zeven millioen zeshonderd zeven en dertig duizend zevenhonderd zes en dertig gulden, zes en negentig en een halven cent), niet te boven gaan;
d. nopens de betaling van den koopprijs der ingevolge dit artikel door de Maatschappij over te nemen zaken wordt het volgende overeengekomen:
de Maatschappij neemt van den Staat over de verplichting tot betaling van de door den Staat te zijnen laste genomen vorderingen van derde personen op de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij, en wel tot een bedrag van ten hoogste /quot;2 423 641.605 (twee millioen vier-
68
honderd drie en twintig duizend zeshonderd een en veertig gulden, zestig en een haLven cent);
de hierbedoelde vorderingen worden door de Maatschappij aan de daarop rechthebbenden betaald, tot de bedragen waarvoor laatstgenoemden op het tijdstip, waarop de eigendommen derNederlandscheRhijnspoorweg-Maatschappij aan den Staat worden overgedragen, in de boeken dier Maatschappij zijn goedgeschreven;
het verschil tusschen hetgeen de Maatschappij als koopprijs der door haar over te nemen zaken, met uitzondering van die bedoeld in Art. 80, verschuldigd is, en hetgeen zij ingevolge het voorafgaande voor den Staat zal betalen, wordt door de Maatschappij ten kantore van den Rijksbetaalmeester te Amsterdam gestort, binnen ééne maand na den ingevolge Art. 22 te bepalen dag. De Maatschappij zal daarop inhouden de waarde der zaken, welke volgens letter a van dit artikel nader zullen geschat; worden en hetgeen deswege zal blijken door haar verschuldigd te zijn ter plaatse, als bovengezegd, storten binnen 14 dagen nadat de scheidsmannen den daarvoor te betalen prijs hebben vastgesteld.
Aan de Maatschappij wordt verleend het door den Staat te haren behoeve van de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij bedongen recht om als rechtverkrijgende van de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij op te treden ten aanzien van alle overeenkomsten tusschen de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij en de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij gesloten, en van de tusschen den Staat en de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij ten behoeve van de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij gesloten overeenkomst tot het op
69
de Staatsspoorwegwerken te Amsterdam toelaten van den dienst der laatstgenoemde Maatschappij dd. 20 April/13 Mei 1880.
Artikel 75.
De Maatschappij belooft te zullen bevorderen, dat de door haar ingevolge Art. 74 over te nemen overeenkomsten, welke door de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij met derden zijn aangegaan, in het bijzonder die betreffende de exploitatie van de spoorwegen van Zevenaar naar Emmerik, van Zevenaar naar Cleve, van Leiden naar Woerden en van den stoomtramweg van 's-6ravenhage naar Scheveningen, worden vervangen door nieuwe overeenkomsten, waarbij de rechten en verplichtingen der Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij op de Maatschappij overgaan.
Het niet tot stand komen van dergelijke overeenkomsten levert geen grond op tot vermindering van de in Art. 31 bepaalde uitkeering of tot eenige andere door den Staat te betalen schadeloosstelling.
Artikel 76.
Ingeval van naasting overeenkomstig het bepaalde in Art. 39 of van vervallenverklaring is de Staat, ten aanzien van de in Art. 39, sub 2°, bedoelde overeenkomsten, verplicht om:
1°. indien, volgens de bepalingen dier overeenkomsten, deze eindigen op het tijdstip van naasting of van vervallenverklaring, alle in die overeenkomsten gemaakte bepalingen na te leven, welke alsdan door de Maatschappij moeten
70
worden nagekomen ter finale liquidatie van die overeenkomsten ;
2°. indien zij op het sub 1° genoemde tijdstip niet eindigen of niet reeds geëindigd zijn, de Maatschappij te vrijwaren voor alle schadevergoedingen, welke deze, wegens het niet verder nakomen van de bij die overeenkomsten aangegane verplichtingen, zal verschuldigd zijn; zullende de Staat alsdan de sommen, tot betaling waarvan de Maatschappij mocht veroordeeld worden, of welke zij ingevolge eene door de Ministers van Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Financiën goedgekeurde dading verschuldigd wordt, voor de Maatschappij aan de daarop rechthebbenden betalen.
Artikel 77.
Indien, krachtens de in Art. 39, sub 2°, bedoelde overeenkomsten , de Maatschappij verplicht mocht zijn aan hen, met wie die overeenkomsten zijn gesloten, rollend materieel en exploitatie-inrichtingen te leveren, welke de laatstgenoemden, ingevolge concessie, bij naasting of na afloop van de concessie aan den Staat moeten overdragen, dan zullen dat rollend materieel en die exploitatie-inrichtingen door den Staat, ingeval van toepassing van Art. 2, tweede zinsnede, aan de Maatschappij worden teruggegeven, tegen betaling van denzelfden prijs, welken de ^Maatschappij daarvoor van hen, met wie die overeenkomsten zijn gesloten, heeft ontvangen.
Artikel 78.
Met afwijking van het bepaalde in Art. 67 zullen van kracht blijven: 1°. de overeenkomst tusschen den Staat en
71
de Maatschappij gesloten, betreffende de exploitatie door laatstgenoemde van den Nederlandschen Zuid-Oosterspoorweg en de garantie van de door de Nederlandsche Zuid-Oosterspoorweg-Maatschappij uitgegeven 4 pet. geldleening; 2°. het contract tusschen den Staat en de Maatschappij gesloten, ter voorziening in de behoeften van het pakket-postvervoer op de door de Maatschappij op Nederlandsch grondgebied geëxploiteerde spoorwegen dd. 26 Maart 1888, dat zal vervallen, wanneer deze overeenkomst zal ophouden van kracht te zijn; 3°. de overeenkomsten, welke zijn aangegaan tusschen den Staat, de Maatschappij of tusschen de Maatschappij namens of met goedkeuring van den Staat en derde personen. Ten aanzien van deze laatsten en van die, tusschen den Staat en derden betreffende de Staatsspoorwegen gesloten, wordt bepaald, dat de verplichtingen, door die overeenkomsten op den Staat gelegd wegens de exploitatie en de latere uitbreiding van de Staatsspoorwegen, worden nagekomen door de Maatschappij en dat de rechten, door of voor den Staat in die overeenkomsten bedongen, overgaan op de Maatschappij, alsmede dat op de daarbij tusschen den Staat en de Maatschappij aangegane verplichtingen het bepaalde in Art. 67 van toepassing is.
Artikel 79.
De Maatschappij verklaart in het bijzonder gestand te zullen doen de door den Staat aangegane verplichtingen, omschreven in Art. 6 van de met de Nederlandsche Rhijn-spoorweg-Maatschappij onder dagteekening van heden gesloten overeenkomst, luidende:
«Art. 6. Aan het personeel der Maatschappij (Neder-
72
landsche Rhijnspoorweg-Maatschappij) zal de gelegenheid worden gegeven om over te gaan in dienst der Maatschappij , aan wie de exploitatie der onderwerpelijke spoor- en tramwegen wordt overgedragen, op dezelfde voorwaarden waaronder zij thans dienen, en mitsdien met behoud zoowel van hunne tegenwoordige bezoldigingen en emolumenten, als van de aanspraken op bevordering en op ondersteuning, die zij wegens hun dienst bij de Maatschappij tegenover de laatste kunnen doen gelden.
«De in dienst van de met de exploitatie belast wordende Maatschappij overgaande beambten kunnen, zoolang zij den leeftijd van vijf en zestig jaren niet bereikt hebben, tegen hun wil niet ontslagen worden, tenzij wegens dienstweigering, grove nalatigheid in het volbrengen der hun opgedragen werkzaamheden of andere dergelijke redenen, welke een ontslag wettigen, dan wel tenzij zij ziekten of lichaamsgebreken bekomen, die hen ongeschikt maken voor de verdere uitoefening van hunnen dienst.»
De Maatschappij belooft den Staat voor de gevolgen van bovengenoemde verplichtingen te zullen vrijwaren.
Artikel 80.
De Maatschappij verbindt zich, in vereeniging met de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij, van ien Staat te koopen het rollend materieel, dat de laatste heeft overgenomen van de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij,
Deze koop wordt gesloten onder de volgende voorwaarden:
a. Binnen ééne week na afkondiging van de wet, waarbij deze overeenkomst voorzooveel noodig bekrachtigd
73
is, zendt de Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid aan de Maatschappij:
10. een staat van bedoeld materieel, dat aanwezig was op 1 Mei 4889, aangevende het aantal voorwerpen van iedere soort en den prijs, waarvoor die bij de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij te boek staan; wordende hier aangeteekend, dat het totaal bedrag van die prijzen beloopt de som van f 9 041 094.98 (negen millioen één en veertig duizend vier en negentig gulden, acht en negentig cent);
2°. een staat van bedoeld materieel, dat door de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij na 1 Mei 1889 is aangekocht, gelijke opgaven als sub 1° vermeld bevattende.
b. Al het rollend materieel, dat door den Staat van de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij is overgenomen, wordt op den ingevolge Art. 22 te bepalen dag door of namens den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid in eigendom overgedragen aan twee door de Maatschappij en de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maat-schappij aan te wijzen personen, om dat naar de door die maatschappijen overeen te komen regelen tusschen beiden te verdeelen.
Bij die verdeeling zal het materieel volgens de verschillende typen naar soort en ouderdom gesplitst en van iedere groep zooveel doenlijk twee en vijftig en een half ten honderd aan de Maatschappij en zeven en veertig en een half ten honderd aan de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maat-schappij toebedeeld worden.
Indien vóór 1 September 1890 nopens de verdeeling tusschen beide maatschappijen geen overeenstemming verkregen is, wordt het hierbedoelde rollend materieel, met
74
inachtneming van den hierboven aangegeven maatstaf, tusschen haar verdeeld door den Raad van Toezicht op de Spoorwegdiensten, die tevens de schadeloosstelling bepaalt, welke ter zake van die verdeeling door de eene maatschappij aan de andere zal betaald worden.
Na de verdeeling worden door de Maatschappij opgemaakt staten, waarop de aan haar toegewezen voorwerpen, met aanduiding van de waarde waarvoor zij werden overgenomen, zullen vermeld worden. Die staten worden door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid goedgekeurd.
c. Door de Maatschappij zal binnen ééne maand na den ingevolge Art. 22 te bepalen dag eene som van f 4 746 574.â (vier millioen zevenhonderd zes en veertig duizend vijfhonderd vier en zeventig gulden), zijnde twee en vijftigen een half ten honderd van het onder a, 1°, genoemd bedrag, zoomede twee en vijftig en een half ten honderd van de waarde van het sub et, 2°, bedoeld rollend materieel, ten kantore van den Rijksbetaalmeester te Amsterdam gestort worden.
d. De omstandigheid, dat minder rollend materieel blijkt aanwezig te zijn dan op de sub a bedoelde staten werd vermeld, levert geen grond op tot vermindering van den daarvoor ingevolge sub c te betalen koopprijs, tenzij de waarde van het ontbrekende, volgens de daarvoor in gemelde staten aangegeven prijzen, tien ten henderd van den geheelen koopprijs mocht te boven gaan.
e. Het rollend materieel wordt aan de Maatschappij overgedragen in den toestand, waarin de Staat het van de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij in ontvangst neemt.
f. Er zal tot het jaar 1924 worden aangehouden eene
75
*
rekening, welke zal worden belast met de som van hetgeen zal blijken te kort te zijn en niettemin, ingevolge het bepaalde sub rf, door de Maatschappij betaald wordt, en met de waarde, zooals die is bepaald in de sub b, laatste zinsnede, bedoelde staten, van al de in die staten genoemde voorwerpen, welke buiten gebruik gesteld worden , terwijl die rekening jaarlijks zal worden goedgeschreven voor drie ten honderd van de, ingevolge sub c in verband met d, door de Maatschappij betaalde bedragen, alsmede voor het bedrag, hetwelk buiten gebruik gestelde voorwerpen bij verkoop hebben opgebracht.
Ingeval van vervallenverklaring of van naasting overeenkomstig het bepaalde in Art. 39, vóór het jaar 1Ã24, zal het bedrag, waarmede gezegde rekening is belast, verminderd met de som, waarvoor die rekening is goedgeschreven, boven en behalve het in Art. 39, sub a tot en met k, genoemde, door den Staat aan de Maatschappij betaald worden. Voorts zullen dan de tijdens de naasting nog aanwezige voorwerpen, tot bovenvermeld materieel behoorende, door den Staat worden overgenomen tegen de prijzen, daarvoor opgegeven in de staten, bedoeld sub amp;, laatste zinsnede, zonder toepassing van de prijsvermindering van Art. 39, sub c, tenzij het bedrag, waarvoor de meergenoemde rekening tijdens de naasting is goedgeschreven, overtreft het bedrag, waarvoor die rekening is belast; zullende, zoo dit geval zich mocht voordoen, de voor de nog aanwezige voorwerpen te betalen prijs verminderd worden met het bedrag, waarmede de goedschrijving de belasting van de rekening overtreft.
Het in de derde zinsnede van Art. 38 nopens de in Art. 39, sub c en g: «, bedoelde vermindering bepaalde blijft
76
tot 1924 buiten toepassing voor de bedragen, waarvoor bovenvermeld materieel in de balansen der Maatschappij wordt opgenomen.
Artikel 81.
De baan en de bovenbouw van de door den Staat van de Nederlandsche Hhijnspoorweg-Maatschappij overgenomen spoorwegen worden door de Maatschappij, overeenkomstig de door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid goed te keuren plannen, bestekken en begrootingen zooveel noodig vernieuwd.
De kosten dier vernieuwing, tot een bedrag van ten hoogste f 800 000.â (achthonderd duizend gulden). worden door den Staat gedragen en aan de Maatschappij uitbetaald in termijnen, overeenkomstig hetgeen daaromtrent door den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid zal bepaald worden.
Hetgeen dit werk méér dan f 800 000.â (achthonderd duizend gulden) mocht kosten zal als eene verbetering van een Staatsspoorweg beschouwd worden.
Artikel 82.
Met afwijking van het bepaalde in Art. 11, worden de sub b tot en met g van dat artikel bedoelde voorwerpen, behoorende tot de spoorwegen van de Nederlandsche Rhijn-spoorweg-Maatschappij, door den Staat geleverd.
Deze voorwerpen, waarop van toepassing is het bepaalde in Art. 9, worden met de te schatten prijzen in een afzonderlijk register ingeschreven. Tot het doen van deze schatting wordt door elke van beide partijen tot deze overeenkomst, één deskundige aangewezen.
77
Zijn de voorwerpen onbruikbaar geworden en worden dezen niet, of wel door voorwerpen van mindere dan de geschatte waarde vervangen, zoo betaalt de Maatschappij bij het einde des jaars aan den Staat onderscheidenlijk de prijzen, waarvoor zij in het register zijn ingeschreven, dan wel het verschil tusschen die prijzen en de prijzen van aanschaffing van de nieuwe voorwerpen.
Indien de Maatschappij de onbruikbaar geworden voorwerpen vervangt door andere van hoogere waarde dan die, waarvoor de vervangen voorwerpen in het register te boek staan, zoo vormt het verschil tusschen de prijzen, waarvoor deze in het register zijn ingeschreven, en die van aanschaffing van de nieuwe voorwerpen eene vordering van de Maatschappij op den Staat, welke slechts bij naasting opeischbaar wordt en ingeval van vervallenverklaring of van naasting ingevolge Art. 39, door den Staat wordt betaald boven en behalve het volgens het sub a tot en met k van dat artikel verschuldigde.
Te gelijker tijd met de opgaven bedoeld in Art. 44, zendt de Maatschappij aan den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid jaarlijks opgaaf van de wijzigingen, welke het in de tweede zinsnede bedoelde register in het afge-loopen jaar heeft ondergaan.
Naar aanleiding van deze opgaaf wordt jaarlijks bij procesverbaal vastgesteld, hetgeen ingevolge de derde zinsnede, de Maatschappij aan den Staat over het afgeloopen jaar te betalen heeft, en wat de Staat ingeval van vervallenverklaring of van naasting, ingevolge de vierde zinsnede, aan de Maatschappij verschuldigd zal zijn.
78
Artikel 83.
Met afwijking in zooverre van Art. 58, eerste zinsnede, zal de Maatschappij gedoogen, zonder eenige schadeloosstelling, welke ook, te vorderen, dat zullen worden gemaakt of gewijzigd de navolgende werken;
1°. ten behoeve van het Kanaal van Amsterdam naar de Merwede:
a. eene brug in het baanvak tusschen de stations Utrecht en Maarssen van den spoorweg van Amsterdam naar Utrecht;
h. eene brug in het baanvak tusschen de stations Harmeien en Utrecht van den spoorweg van Utrecht naar Rotterdam;
2°. ten behoeve van de verbetering van den waterweg tusschen Amsterdam en Rotterdam, eene brug, ter vervanging van de bestaande brug over de Gouwe, in het baanvak tusschen de stations Gouda en Moordrecht van den spoorweg van Utrecht naar Rotterdam;
3°. ten behoeve van de verbetering van den waterweg van Utrecht naar Leiden, eene brug, ter vervanging van de bestaande brug over den Leidschen Rijn, in het baanvak tusschen de stations Woerden en Harmeien van den spoorweg van Utrecht naar Rotterdam.
Onder de werken vermeld sub 1°, 2° en 3°, behooren ook de tijdelijke of definitieve omleggingen van de spoorwegbaan.
Artikel 84.
Aan de op het tijdstip van het in werking treden van deze overeenkomst in leven zijnde commissarissen en directeuren der Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij
79
wordt levenslang, tijdens deze overeenkomst, vrij vervoer voor hun persoon en bagage over de in Art. 1 genoemde spoorwegen toegekend.
Artikel 85.
De bepalingen van Art. 33 zijn niet van toepassing op het dividend, hetwelk in den loop van het jaar 1890 door de Maatschappij ter zake van de over het jaar 1889 en vroegere jaren behaalde winst zal worden uitgekeerd. Die winst zal door de Maatschappij volgens dezelfde regelen als daarvoor tot dusver gegolden hebben, vastgesteld en tusschen den Staat en de Maatschappij, overeenkomstig de bepalingen der overeenkomst van 24/25 Mei 1876, verdeeld worden.
De in Art. 31 bedoelde uitkeering zal van den lsten Januari 1890 af verschuldigd zijn. Zij wordt verminderd met f 4000.â (vier duizend gulden) per dag over het tijdvak, loopende van 1 Januari 1890 tot den ingevolge Art. 22 te bepalen dag.
Artikel 86.
Het totaal bedrag hetwelk voor de in Art. 39, sub c,d en g bedoelde, op 1 Januari 1889 aanwezige zaken en rechten, bij naasting overeenkomstig het bepaalde in dat artikel door den Staat verschuldigd is, wordt vastgesteld:
1°. voor het rollend materieel en al hetgeen daartoe behoort, op eene som van f 25 135 562.â (vijf en twintig millioen honderd vijf en dertig duizend vijfhonderd twee en zestig gulden);
2°. voor de exploitatie-inrichtingen, waaronder verstaan worden, alle in Art. 11, sub b tot en met g, bedoelde
80
voorwerpen, op eene som van /quot;5195 023.08 (vijf millioen honderd vijf en negentig duizend drie en twintig gulden, acht cent);
3n. voor de vorderingen en uitgaven, nader omschreven sub g: / en laatste zinsnede, op eene som van/quot;249 825.â (tweehonderd negen en veertig duizend achthonderd vijf en twintig gulden);
behoudens de wijzigingen, welke die sommen zullen ondergaan, ingevolge de bepalingen en gedurende den loop van deze overeenkomst.
Artikel 87.
Op den dag, waarop de wet, houdende bekrachtiging, voorzooveel noodig, van deze overeenkomst wordt afgekondigd, verkrijgt de Staat den eigendom van de hieronder genoemde waarden, behoorende tot de fondsen genoemd in Art. 44, sub a en b, der overeenkomst van 24/25 Mei 4876, bekrachtigd bij de wet van 15 November 1876 (Staatsblad n0. 210), te weten:
a. een kapitaal van f 1 468 800.â (een millioen vierhonderd acht en zestig duizend achthonderd gulden) op het Grootboek der 21/a pet. Nederlandsch AVerkelijke Schuld, een kapitaal van f 1 226 750.â (een millioen tweehonderd zes en twintig duizend zevenhonderd vijftig gulden) op het Grootboek der 3 pet. Nederlandsch Werkelijke Schuld, en een kapitaal van f 647 300.â (zeshonderd zeven en veertig duizend driehonderd gulden) op het Grootboek der 3,/2 pet. Nederlandsch Werkelijke Schuld,
ingeschreven ten name van het in bovengenoemd Art. 44, sub a, bedoelde fonds tot vernieuwing van spoor-
81
staven, dwarsliggers, wissels en draaischijven der Staatsspoorwegen ;
h. eene som van f 204135.555 (tweehonderd vier duizend honderd vijf en dertig gulden, vijf en vijftig en een halven cent), zijnde het onbelegd saldo van gezegd fonds bij het einde van het dienstjaar 1888;
c. eene som van f 592 633.06 (vijfhonderd twee en negentig duizend zeshonderd drie en dertig gulden, zes cent), zijnde de waarde der op 31 December 1888 aanwezige , uit gezegd fonds aangekochte, maar destijds nog niet verbruikte materialen;
d. eene som van /300000.â (driehonderd duizend gulden), zijnde de som, waarop wordt geschat het bedrag, waarmede de ontvangsten van het gezegde fonds, in den loop van het jaar 1889, de uitgaven daaruit in hetzelfde tijdvak gedaan of nog te doen, zullen overtreffen; en
e. eene som van f 1207 324.â (een millioen tweehonderd zeven duizend driehonderd vier en twintig gulden), vertegenwoordigende een bedrag van /quot;1000.â (duizend gulden), vermenigvuldigd met het aantal kilometers Staatsspoorweg, door de Maatschappij in 1888 geëxploiteerd, zijnde het maximum van het reservefonds der Staatsspoorwegen , genoemd in Art. 44, sub b, der overeenkomst van 24/25 Mei 1876.
Binnen ééne maand na den in den aanhef van dit artikel genoemden dag, worden:
de kapitalen vermeld sub a, tot de daarbij genoemde bedragen van het hoofd van rekening, waarop zij thans in de Grootboeken der Nederlandsch Werkelijke Schuld zijn ingeschreven, ten name van den Staat overgeschreven; en
de sub 6, c, dene genoemde geldsommen door de Maatschappij gestort bij den Rijksbetaalmeester te Amsterdam.
82
Binnen denzelfden tijd worden alle verdere kapitalen, welke alsdan zullen blijken ingeschreven te zijn in de Grootboeken der Nederlandsch Werkelijke Schuld ten name van de verschillende in Art. 44 der overeenkomst van 24/25 Mei 1876 bedoelde fondsen, zoomede alle materialen, gelden en vorderingen, tot die fondsen behoorende, ter beschikking gesteld en eigendom van de Maatschappij.
Alle op de genoemde fondsen rustende verplichtingen en in het bijzonder die tot betaling van jaarlijksche schadeloosstellingen aan derde personen toegekend, ten laste van het bij Art. 44, sub b, bedoelde reservefonds der Staatsspoorwegen, worden door de Maatschappij overgenomen.
Aldus in tweevoud overeengekomen te 's Gravenhage en te Utrecht, den 21sten Januari 1890.
De Directeur-Generaal der Maatschappij De Minister van Waterstaat, Handel tot Exploitatie van Staatsspoorwegen. en Nijverheid,
J. L. C LU IJ S E N A E R. H A V E L A A R.
De Minister van Financiën, GODIN DE BEAUFORT.
INHOUD.
Biz.
HOOFDSTUK I.
Algemeene bepalingen: Artikelen 1â10 . . . 7â17
HOOFDSTUK II.
Van het materieel en de exploitatie: Artikelen 11â14............17â19
HOOFDSTUK UI.
Van de tarieven en het vervoer: Artikelen
15â19 '..............19â21
HOOFDSTUK IV.
Van werken tot wijziging, verbetering of uitbreiding van- en nieuwe werken aan of in
Staatsspoorwegen: Artikelen 20â21. . . . 22â24
HOOFDSTUK V.
Begin en einde van de exploitatie: Artikelen
22â29 ............................24â28
HOOFDSTUK VI.
Bepalingen van geldelijken aard: Artikelen
30â46 ............. . 29â49
HOOFDSTUK VII.
Bepalingen van verschillenden aard: Artikelen
47â70 ............................49â62
OVERGANGSBEPALINGEN: Artikelen 71â87 . . 62â82
Tusschen den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid en den Minister van Financiën, tot het aangaan van deze overeenkomst door den Koning gemachtigd, en als zoodanig den Staat vertegenwoordigende,
ter eenre,
en
de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, vertegenwoordigd door haren Directeur-Generaal, tot het aangaan van deze overeenkomst door de Algemeene Vergadering van Aandeelhouders der Maatschappij gemachtigd,
ter andere zijde,
is het volgende overeengekomen:
In art. 70 van de tusschen partijen onder dagteekening van 21 Januari 4890 gesloten overeenkomst worden de woorden: vóór 1 Mei 1890 vervangen door de woorden: vóór 1 Augustus 1890.
Aldus in tweevoud overeengekomen te s op
den 30 April 1890.
De Directeur-Generaal der Maatschappij De Minister van Waterstaat, Handel tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, en Nijverheid,
J. L. CLUYSENAEK. HAVELAAE.
De Minister van Financiën, GODIK DE BEAUFORT.