c^us, db
J^amp;*J4Aj,'t,lt;gt;T*c(jL^ /Utc^/b. (CUcriXsamp;iXy ket^s^rj Ct*, Qamp;^-YsgJ.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
1087 5833
^ (^Dr.
cSa L. ' -C tf tp ■ ' t c e. lt;-/e / / lt/
/
/ / r / l''^^lt;^l^J-i^C'/. '/r7^e^Cr
4
^ / ^ ceA^.
/(9 ÓS - /8y
S ' -nicy
.
Nquot;. 62.
250-jarig bestaan Ulrcchi, 2G Novembci- 1885.
Utrechtsche Universiteit.
Aau de Staten der provincie Ut recht.
Op den 2G Februarjj 1886 zullen er 250 jaren verloopen /ijn, sedert de Staten van den Lande van Utrecht dequot; Illustre School, ton jare 1()34 door de Regering der stad Utrecht opgerigt, op verzoek dier Stedeljjke Regering verheven hebben tot eene Universiteit, onder toekenning van al zoodanige magt en autoriteit, als aan andere Universiteiten door hare Souvereinen plegen te worden toegekend, met name ook het regt tot het afnemen van examens en het ver-Icenen van doctorale graden in do wetenschappen, aan die Universiteit onderwezen wordende.
Het daartoe strekkend Octrooij is gedagteekend den 1G Februarij 1G36 (O. S.), en is opgenomen in het Groot Utrechts Plakaatboek van van de Water, deel III, pag. 48G.
De Souvereine Staten, na reeds in den aanhef van dat stuk verklaard te hebben, dat niets hun meer ter harte gaat „dan 't geene „is strekkende tot profijt, eere en luijster van dese Provinciequot;, «■even aan het slot daarvan ten duidelijkste te kennen, dat zij, ook op grond dier overweging, tot hot verleenen van het Octrooij besloten, hetwelk zjj, zooals zij zich daar uitdrukten, „ten dienste oude „oorbaar van dese Provincie en gemelte Stad bevinden te behooren.quot;
Dat de Regeerders van dit gewest daarbij bljjk gaven van een ruimen blik en een degelijk oordeel, getuigt do roemrijke geschiedenis der Utrechtsche Iloogeschool. die eene maand na liet
2
verleenen van gezegd Oetrooij mot veel plegtigheid werd ingewijd.
Niets toch heeft moei' dan die Hoogcschool bjjgedragen tot de welvaart en den bloei der stad Utrecht, waardoor ook die der Provincie zoor werd en nog steeds wordt bevorderd.
Maar niet slechts de verwachtingen van materiölon aard, die de Staten der 17do eeuw van deze Hoogcschool koesterdon, zijn ten volle bewaarheid.
Zeker in veel hooger mate toch zijn ook de door hen beoogde voordeeion, daarvan op intellectueel gebied verkregen.
Die voordooien zijn niet alleen aan de stad en de provincie Utrecht ten „profijte, eere en luijsterquot; gekomen, onschatbaar is ook al hetgeen ten nutte van het Vaderland, — en niet minder van de wetenschap, — door de Utrechtsche Hoogeschool, gedurende de weldra verloopen twee en een halve eeuw van haar bestaan, is voort-gebragt en uit haar is voortgekomen.
Dat er allerwege te Utrecht reeds plannen beraamd en voorbereidselen gemaakt worden, om hot 50s,u lustrum der Hoogeschool plegtig en luisterrijk te vieren, is dan ook niet alleen natuurlijk, maar loffelijk en pligtmatig tevens, als een bewijs van dankbare erkentelijkheid voor al de zegeningen, die door middel dier Hoogeschool niet alleen aan de plaats barer vestiging, maar ook aan de Provincie, het Vaderland en de wetenschap voortdurend in zoo ruime mate zijn geschonken.
Ook do Gemeenteraad van Utrecht heeft blijk gegeven van zijne groote ingenomenheid en instemming met de geestdrift, die bij de ingezetenen in het algemeen bestaat, om het aanstaande jubilaeum der Universiteit luisterrijk te vieren.
Onder meerdere voorstellen, daarmede in verband staande, die de Raad op voorstel van het Dagelijksch Bestuur op den 21 November 11. aannam, is wel als het voornaamste te achten het besluit, strekkende : om, als blijvend aandenken aan en duurzaam bewijs van de belangstelling der Gemeente in de Utrechtsche Universiteit,, van gemeentewege een Universiteits-gebouw te stichten, dat de thans voor het universitair onderwijs nog ontbrekende localiteiten zal bevatten, en, hoewel gemeente-eigendom blijvende, ter beschikking van de Universiteit zal worden gesteld, welk gebouw zal worden
;3
gevestigd aan het Munsterkerkhot' en met de tegenwoordige Seimats-kamor, het Groot Auditorium en de verdere daar aanwezige Academische localiteiten in verband gehragt en tot één geheel gevormd zal worden. /
De Raad besloot tevens tot de oprigting van dat gebouw beschikbaar te stellen het bestaande stadsgebouw, welks bovenverdieping door het Leosmuseuin wordt ingenomen, en aan te koopen het daarnaast gelegen huis on tuin aan liet Munsterkerkhof, wijk F, nquot;. 220, kadastraal bekend als gemeente Utrecht, sectie B, nquot;. G03.
Terwijl de oprigting van bedoeld Universiteits-gebouw volgens raming / 150,000.— znl vorderen, verbond do Raad aan zijn besluit tot die oprigting de voorwaarde, dat de Gemeente twee-derden dier kosten, doch geen hooger bedrag dan van f 100,000.— zal dragen, terwijl in de overige kosten door andere ligchamen en belangstellenden wordt voorzien.
Opdat dus aan het plan tot oprigting van een monumentaal Universiteits-gebouw, Utrecht en de haar zoo dierbare Iloogeschool waardig, tot uitvoering fcal kunnen komen , is medewerking door het verlcenen van mede-gaven tot daarstelling van dat monument noodig.
Uwe Gedeputeerden meenen, dat het in de eerste plaats op den weg ligt van de Staten van dit gewest, om, door het verleenen van zoodanige mede-gave uit de Provinciale middelen, de verwezenlijking van dat schoone en tevens voor de Universiteit nuttige doel te helpen bevorderen en zoo mogelijk uitvoerbaar te maken.
Gelijk Uwe voorgangers in 1686 reeds zoo teregt bevroedden, is de Universiteit van Utrecht toch steeds niet alleen voor die gemeente , maar ook voor het geheele gewest eene luisterrijke en zegenrijke instelling geweest, waarvan het nut ook voor het geheele Vaderland en niet minder voor de wetenschap door dat van geene enkele inrig-ting, in dit gewest gevestigd, overschaduwd wordt.
Uat dus ook van Uwe belangstelling in den voortdurenden bloei der Utrechtsche Universiteit voor tjjdgenoot en nageslacht getuigd worde, door, ter gelegenheid van de viering van het aanstaande jubilaeum dier Iloogeschool, Uwe medehulp tot het oprigten van het door den Gemeenteraad van Utrecht beoogde monument te verleenen, achten wij geheel te strooken met het belang, dat er ook voor dit
gewest nog steeds aan gulegen ligt, (lat die Universiteit een bron van wetenschap en van welvaart bljjve, gelijk haar roemrijk verleden getuigt, dat ze gedurende weldra tweehonderd en vijftig jaren voortdurend is geweest.
Op de aangevoerde gronden hebben wij mitsdien de eer U twee conceptbesluiten ter aanneming aan te bieden; het eerste strekkende, om de oprigting van het bedoelde Universiteits-gebouw te bevorderen en 7.00 mogelijk uitvoerbaar te maken, door daartoe te be-stemmen eenc mede-gave ten bedrage van f 25000.— uit de Provinciale middelen, — het tweede, om ons een crcdiet van f 1000.— te verlcenon, om daaruit de kosten te kunnen be-strjjden van verlichting en versiering van het gebouw, waarin de zetel van het Provinciaal Bestuur is gevestigd, als bij de feestviering ter gelegenheid van liet aanstaande jubilaeum der Universiteit eenc algeineene verlichting en versiering der huizen en gebouwen hier ter stede mogt plaats hebben.
Do Gedeputeerde Staten van Utrecht, s' JACOB, Voofziller. DE KOCK, Grif lier.
5
Ontwerp-besliiit.
DE STATEN DER l'UOVINCIE UTRECKT,
Gelet op hot voorstol van Gedeputeerde Staten, strekkende om, ter bevordering van liet oprigten van een Universiteits-geliouw te Utrecht, van gemeentewege te stichten, de som van f 25000.— uit de Provinciale middelen beschikbaar te stellen;
Overwegende, dat de Gemeenteraad van Ufrecht op 21 November 11., in aanmerking nemende het wenschelijke, dat het dan 250-jai,ig bestaan der Utrechtsche Universiteit in het aanstaande jaar waardig en luisterrijk gevierd worde, onder meer andere daarmede in verband staande voorzieningen besloten heeft, om als blijvend aandenken aan- en duurzaam bewijs van de belangstelling der gemeente in die Universiteit, een Universiteits-gebouw van gemeentewege te stichten, dat de thans voor het universitair onderwjjs nog ontbrekende localiteiten zal bevatten, en, hoewel gemeente-eigendom blijvende, ter beschikking van de Universiteit zal worden gesteld, welk gebouw zal worden gevestigd aan het Munsterkerkhof, en met de tegenwoordige Senaats-kamer, het Groot Auditorium en de verdere daar aanwezige Academische localiteiten in verband gebragt en tot een geheel gevormd zal worden , alles onder voorwaarde, dat van de kosten, tot die oprigting benoodigd en op ongeveer f 150,000.— geraamd , de Gemeente twee-derden , doch geen hooger bedrag dan van / 100,000.— zal dragen, terwijl in de overige kosten door andere ligchamen en belangstellenden worde voorzien ;
Overwegende, dat dus, zal het voornemen van den Gemeenteraad van Utrecht, om ten dienste en nutte der Universiteit een monumentaal Universiteits-gebouw te stichten, uitvoering kunnen erlangen, tot datzelfde doel mede-gaven ook van andere zijde dan die der Gemeente onmisbaar zullen zijn;
6
6
Overwegende, dat meergenoemde inrigliug van hooger onderwijs, die reeds bij Octrooij dor Staten van den Lande van Utrecht, van den 1G. Februarij 1G36 (O. S.), tot Universiteit verheven werd, omdat zjj zulks „ton dienste ende oorbaar van dese Provincie en gemelte Stad {Utrecht) bevonden te behoorenquot;, steeds in zeer groote mate tot de welvaart en den luister der stad, waar zij gevestigd is, en daardoor tevens tot die van het geheele gewest heeft bijgedragen en zulks nog doet;
Overwegende alzoo, datbjj den voortdurenden bloei der Utreclitsche Universiteit ook het belang der Provincie ten zeerste is betrokken, en mitsdien het uit de middelen der Provincie beschikbaar stellen van eene ruime bijdrage , tot het geven van een waardig blijk van belangstelling in die Universiteit ter gelegenheid van het herdenken van het 50stc lustrum dier steeds nog mild vloeijende bron van beschaving en wetenschap, niet alleen wenschelijk, maar ook allezins door het daarbij betrokken belang der Provincie geregtvaar-digd is te achten;
Gezien art. 131 der wet van 6 Juljj 1850 (Staatsblad nquot;. 39);
Besluiten:
a. Uit de Provinciale middelen eene som van f 25000.— beschikbaar te stellen, om te strekken tot mede-gave van wege de Provincie in de kosten van oprigting van een monumentaal Univer-siteits-gebouw, van wege do gemeente Utrecht, aan het Munsterkerkhof, in aansluiting aan de tegenwoordigeSenaats-kamer, het Groot Auditorium en de verdere daar aanwezige Academische localiteiten, te stichten, en, hoewel het eigendom dier gemeente blijvende, door haar ter beschikking der Universiteit te stellen;
h Te bepalen, dat gemelde som, nadat de daarstelling van bedoeld Universiteits-gebouw verzekerd en met den bouw daarvan een aanvang gemaakt zal zjjn, aan de gemeente van Utrecht betaalbaar gesteld zal worden in twee of meerdere termijnen, nader te regelen;
c. Te bepalen, dat na de regeling der bedoelde betalings-ternnj-nen de noodige voorzieningen genomen zullen worden, om op de begrootingen der enkel provinciale en huislioudelijke inkomsten en uitgaven der Provincie voor de diensten, waaruit die betalingen zullen moeten geschieden, de noodige middelen daartoe aan te wijzen.
Aldus besloten in de Openbare Vergadering van den
, Voorzilter.
Griflin-.
üntwerp-besluit.
DE STATEN DER PROVINCIE UTRECHT,
( Jelot op liet daartoe strekkond voorstel van Gedeputeerde Staten;
Overwegende, dat in het jaar 1886 liet 250-jarig bestaan der Utreehtscho Universiteit plegtig en luisterrijk /.al herdacht worden door het vieren van een jubilacum;
Overwegende, dat hot te verwachten is, dat tor gelegenheid dier feestviering de woningen der ingezetenen van Utrecht en do openbare gebouwen aldaar algemeen verlicht en versierd zullen worden, gelijk zulks bij dergeljjke feesten gebruikelijk is;
Besluiten:
tt. Uit de Provinciale middelen de som van / 1000. beschikbaar te stellen ter bestrijding van do kosten van verlichting en versiering der gebouwen, waarin de zetel van hot Provinciaal Bestuur gevestigd is, wanneer bij de aanstaande feestviering ter core der Universiteit te Utrecht eene algemeene verlichting en versiering der woningen en gebouwen mogt plaats vindon;
h. Te bepalen, dat die uitgaven tot gemeld bedrag gekweten zullen worden uit den post, bij do begrooting dor onkel provinciale on huishoudelijke inkomsten on uitgaven der Provincie voor 1880 ter bestrijding van „Onvoorziene uitgavenquot; aangewezen.
Aldus besloten in de Openbare Vergadering van den
Voorzitter. Griffier.
UTRECHT, 5 Maan 188G.
No. 74.
Toen wij bij schrijven van den 26ï,cn Januari 11. de heeren E. Gugel en C. Venneijs in kennis stelden met Uw besluit van 21 Januari 1886, houdende goedkeuring van de voorwaarden, waarop zij zich bereid verklaard hadden, de opdracht tot het maken van een plan, bestek en begrooting van een van gemeentewege aan het Munsterkerkhof te stichten Universiteitsgebouw te aanvaarden, voegden wij bij die opdracht twee mededeelingen , welke moesten strekken ter beantwoording van de door hen gedane vraag, om opgave van de localiteiten, welke het te ontwerpen gebouw zou moeten bevatten.
Wij meldden hun in de eerste plaats, aan welke locali-teit naar het oordeel van den academischen Senaat en aan welke, naar dat van Curatoren, de Universiteit de meeste behoefte had. Op ons verzoek toch hadden Curatoren bij schrijven van den 21s,cn Januari 1.1. ons omtrent die vraag het advies van den Senaat van 6 Januari 1.1. en ook hun eigen meening medegedeeld. Een afschrift van die brieven , met dat van een nader schrijven van den heer Secretaris van den academischen Senaat, geljjk zulks daartoe aan de heeren Gugel en Vermeijs door ons werd toegezonden, gaat hiernevens (bijlagen 1 , 2 en 3).
Uit die brieven blijkt, dat de meest dringende be-Afm lt;lcn Gemcentenmd.
2
/0
hoefte bestaat aan 5 nieuwe faculteitskamers en 3 collegekamers, terwijl mede liet verkrijgen van nog 2 of 3 meerdere collegekamers en enkele kleinere vertrekken als zeer wenschelijk moet worden beschouwd.
In de tweede plaats wensebten wij, dat in bet ontwerp, zoo mogelijk, ook de voor bet Leesmuseum vereisebte localiteit zou worden opgenomen.
Op deze laatste zaak vestigden wij bij onze voordraebt van 13 November 1885, nquot;. 47, reeds met enkele woorden Uwe aandaebt. Moest voor bet te stichten gebouw de ruimte, thans door die inrichting ingenomen, beschikbaar worden gesteld, wij wezen toen op het bezwaar dat er voor bet bestuur dezer nuttige inrichting zou gelegen zijn in de noodzakelijkheid, om zich eene andere localiteit te verschaffen, en spraken de meening uit, dat, wanneer de mogelijkheid blijken zou, om voor baar in het nieuwe gebouw eene localiteit te bestemmen, zulks in overweging zou kunnen worden genomen.
Sedert dien tijd werd onze overtuiging, dat bet om meer dan een reden wenschelijk is, te trachten van gemeentewege ook in die behoefte te voorzien , meer en meer gevestigd.
Het bestuur verklaarde ons, dat bet Leesmuseum aan dien steun volstrekte behoefte beeft en meent, dat die inrichting, afgescheiden van de vraag of zij recht op bet gebruik van het lokaal kan doen gelden, in allen gevalle met het oog op de geschiedenis van baar ontstaan en het veelzijdig nut, dat zjj sticht, met vol vertrouwen op de medewerking van het gemeentebestuur een beroep mag doen.
Ook door ons kan dat worden toegestemd.
Den 8stel, Mei 1839 (bijlage 4) besloot de Raad dezer gemeente, onder eenige voorwaarden, bet grootste gedeelte van het gebouw, dat ter gelegenheid van en in verband
3
met de viering van liet 200jarig bestaan der Hoogeschool in 1836 voor stadsrekening was gesticht, voor liet wetenschappelijk Leesmuseum, zoodanig als hetzelve in October 1838 was opgericht geworden, zoolang hetzelve tot wetenschappelijk en letterkundig doel bestemd bljjft, aan te wijzen en te bestemmen.
Zal men nu bij de viering van het 250jarig bestaan der Hoogeschool, den steun der gemeente aan die inrichting ontnemen ? Wij durven U het tegendeel Itoor te stellen. Omtrent het groot belang en het nut dier inrichting voor zeer velen onzer medeingezetenen , omtrent de behoefte , die een stad als de onze aan haar heeft, zal wel bij niemand twijfel bestaan , maar daarenboven wenschen wij nog te wijzen op het nauw verband , dat tusschen de Universiteit en deze inrichting bestaat, en aan hetwelk ook Curatoren met aandrang herinneren. Voor vele hoogleeraren en studenten is het Leesmuseum nagenoeg onmisbaar, en het schenkt aan de academische bibliotheek jaarlijks tot een. bedrag van ongeveer f 1500.— een aantal tijdschriften en boeken. Zonder dezen steun van gemeentewege, zal het Leesmuseum , verklaarde ons het bestuur, of opgeheven worden óf kwijnen gaan.
De mogelijkheid bestaat, om dien steun van gemeentewege aan deze nuttige en bloeiende instelling te blijven verlcenen, indien Uwe vergadering nog wil besluiten tot den aankoop van een aangrenzend perceel, waarvan het bezit, ook voor het Universiteitsgebouw zelf, zeer gewenscht is. Wij bedoelen het perceel aan het Munsterkerkhof, naast het reeds aangekochte van den heer Ram, wijk F n0. 221, hetwelk de eigenaar W. van Burkom, uiterlijk tegen 1 Augustus a. s., onverhuurd en onbezwaard, voor de som van f 17000.— wil afstaan.
Cit een schrijven van de heeren Gugel en Vermeijs van 25/26 Februari (bijlage 5) blijkt, dat zij zich
hebben overtuigd, dat op het beschikbare terrein zonder dit perceel, noch voor een Leesmuseum met conciërgewoning, noch ook voor alle voor de Universiteit vereischte vertrekken, ruimte te vinden is.
Onder deze omstandigheden meenen wij U te moeten voorstellen, tot den aankoop van dit perceel te besluiten. Wel is waar is de koopsom hoog, wellicht minstens f 6000.— te hoog, maar de eigenaar is, met het oog op den prijs waarvoor hjj het nu reeds sedert verscheidene jaren verhuurt {f 900.—) tot verkoop voor lageren prjjs niet te bewegen. En nu het bezit daarvan voor de gemeente in dubbel opzicht gewenscht is, moet van deze gelegenheid om het te verkrijgen o. i. gebruik worden gemaakt.
Alleen wanneer op die wijze het voor de stichting beschikbare terrein zal zijn uitgebreid, zal niet alleen door II voor de belangen worden gezorgd van het Leesmuseum, waarvan de instandhouding ook door ons evenzeer een gemeentebelang als een academisch belang geaclit wordt te zijn , maar zal ook, volgens de stellige verklaring van de heeren Griigel en Vermeijs aan alle eischen en nagenoeg aan alle wenschen van Curatoren en Senaat kunnen worden voldaan.
Wij zijn overtuigd , dat beide lichamen hunne wenschen zoo beperkt mogelijk hebben gestold.
Nog één zaak behoort daarbij echter te worden opgemerkt. Wij kunnen ons niet ontveinzen, dat de kosten van het geheele werk hierdoor zullen stijgen; wellicht zal de aanvankelijke begrooting, grooteudeels door deze uitbreiding, maar ook deels door de eenigszins te bekrompen voorloopige raming, met ongeveer vijftig duizend gulden overschreden worden.
Reeds bij den aanvang noemde de hoer Griigel de voor de stichting van een monumentaal Universiteitsgebouw
5
op liet aangewezen terrein uitgetrokken som hoogst bekrompen; thans zal nog, behalve de koopsom van liet perceel van van Burkom, welke met de onkosten nagenoeg f 18,200.— bedragen zal, en voor den bouw van het Leesmuseumlokaal, én voor het geven van een monumentaal karakter aan het gebouw , zjj het ook op den meest bescheiden voet, én voor de voorziening in niet te ontkennen behoeften der Universiteit, waarschijnlijk de genoemde meerdere som, dan vroeger geraamd is, benoodigd blijken.
Ook na ernstige overweging van dit alles, blijven wij U voorstellen die meerdere kosten te besteden.
Alleen daardoor zal het voortbestaan van eene, voor de gemeente en de Universiteit zeer nuttige en belangrijke instelling gewaarborgd zijn, en daarmede, bij de viering van het 50sl'quot; lustrum der Universiteit, worden in stand gehouden , wat in verband met de viering van het 40^quot; lustrum , werd opgericht, en , wat wel in de eerste plaats mocht genoemd worden , aan de Universiteit een gebouw ten gebruike worden gegeven, dat in hare behoeften voorziet en dat barer waardig en een sieraad voor onze gemeente is.
Den Minister van Staat, Minister van Biimenlandsche Zaken , gaven wij kennis van het voornemen tot stichting van dit gebouw.
Zijne Exellentie gaf ons in hot algemeen toezegging van zijne medewerking; wij zijn voornemens, hem, zoo als hij verzocht, in kennis te stellen met de nadere plannen, en die ook aan zijn oordeel te onderwerpen.
Omtrent hetgeen de ingezetenen onzer gemeente bijeenbrengen , als bijdrage voor deze stichting, kunnen wjj Uwe vergadering nog geene bepaalde mededeeling verstrekken. Het is echter voor niemand meer een geheim ,
6
dat hunne wanne belangstelling in het te vieren feest algemeen is en dat de bijdragen , welke zij daarvoor aan de gemeente zullen aanbieden , do vroeger benoodigd geachte som van f 25000.— zeer belangrijk zullen overschrijden. Dat meerdere zal ten goede komen voor de bovengenoemde meerdere kosten van het geheele werk. Aan die grootere bijdrage zal ook de verhooging van de door U beschikbaar gestelde som zich op waardige wijze aansluiten.
liet Leesmuseum zal echter zoo spoedig mogelijk de tegenwoordige lokalen moeten ontruimen, en gedurende den bouw tijdelijk elders gevestigd moeten worden.
Wij geven U in overweging, het gebouw aan het Oudkerkhof, vroeger de stadstusschenschool, tijdelijk daarvoor beschikbaar te stellen. Het staat thans nog ongebruikt en kan voor eene som van f 1500.— a f 2000.— voor dat tijdelijk gebruik beneden voor Leesmuseum worden ingericht, terwijl de concierge op de bovenverdieping kan worden gehuisvest
Om de aangevoerde redenen, hebben wij de eer U voor te stellen
10. tot aankoop van het huis aan het Munsterkerkhof, wijk F , n0. 221 , ten behoeve van het te stichten Universiteitsgebouw, te nemen het besluit, hetwelk aan Uwe vergadering hiernevens in ontwerp wordt aangeboden;
2°. ons te machtigen , aan de heeren Gugel en Vermeijs op te dragen , om in het plan eene geschikte localiteit voor het Leesmuseum op te nemen, onder mededeeling, dat de kosten der stichting de vroeger geraamde som , met inbegrip van de kosten van aankoop van het huis onder 1°. bedoeld, met hoogstens ƒ50000.— zullen mogen overschrijden ;
3°. het bestuur van het Leesmuseum UennLs -te- geven van - de onder 2U. vermelde opdracht en tevens de tijdelijke
7
beschikking aan tc bicden over de voor het Leesmuseum noodigo localiteit in het gebouw aan hot Oudkerkhof, vroeger bestemd tot stadstusschensehool.
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht,
De Burgemeester, W. R. BOER.
De Secretaris, DE WATTEVILLE.
lb
1
Ontwerp.
de RAAD der GEMEENTE UTRECHT,
Overwegende , dat het bij de stichting van een nieuw Universiteitsgebouw alhier noodig is, de beschikking te hebben over het perceel aan het Mnnstorkerkhof, wijk F, nquot;. 221, kadastraal gemeente Utrecht, sectie B, n0. 602, toebehoorende aan den heer Willem van Bnrkom;
Overwegende, dat deze zich heeft bereid verklaard, het bedoeld perceel aan de gemeente to verkoopen voor eene som van zeventien duizend gulden en hetzelve onver-hunrd en onbezwaard aan de gemeente te leveren, uiterlijk 1 Augustus 1886 ;
Besluit :
1quot;. van den heer W. van Burkom voor de gemeente aan te koopen het hem toebehoorend perceel aan hot Munsterkerkhof, wijk F, nquot;. 221 , kadastraal gemeente Utrecht, sectie B, nquot;. 602, ter oppervlakte van 230 M2, en zulks voor eene som van zeventien duizend gulden, onder voorwaarde dat het perceel, onbezwaard en onver-huurd. uiterlijk 1 Augustus 1886 aan do gemeente zal worden geleverd en ter barer beschikking gesteld.
2°. Burgemeester en Wethouders te machtigen , hierin verder het noodige te verrichten.
En zal dit besluit aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten worden onderworpen.
Aldus besloten , enz.
Bericht oi Deccml
K
U n i v e r
Heeren
'9
\ } BIJLAGE 1.
UTRECHT, den 21. Januari 1886.
N®. 28.
Bericht op den brief van 10 December 1886, n0. 78.
ONDERWERP :
Universiteitsgebouw.
Do mededeeling van het besluit van den Gemeenteraad, om als bewijs van belangstelling in het 250jarig bestaan der Universiteit een academiegebouw aan het Munsterkerkhof te stichten, is door ons met erkentelijkheid ontvangen. Wij verheugen ons dat op deze wijze zal worden voorzien in de behoefte aan de alsnog ontbrekende lokalen voor colleges en voor de vergadering der faculteiten en het afnemen der examens. Het gemis toch der voor het onderwijs en voor universitaire handelingen vereischte vertrekken geeft dikwijls tot groot ongerief aanleiding.
Ingevolge Uwe vereerende uitnoodiging hebben wij het advies van den Senaat over de nog ontbrekende lokalen gevraagd; een afschrift van dat advies wordt hiernevens overgelegd.
Wij meenen de wenschen van den Senaat te moeten ondersteunen voor zoover de quot;onmisbaar geachte lokalen betreft. Daartoe rekenen wij in de eerste plaats voor iedere der 5 faculteiten de uitsluitende beschikking over
Aan
Heeren Burgemeester en Wethouders van Utrecht.
12
een eigen vertrek, derhalve 5 faculteitskamers. Ook de litterarische faculteit zal een vertrek behoeven, want de kamer, welke die faculteit thans in gebruik heeft, dient evenzeer voor andere faculteiten en soms ook voor colleges. Bij de faculteitskamers is één vertrek als wachtkamer voor examinandi onmisbaar.
Voor hot geven van colleges vertrouwen wij dat drie vertrekken voldoende zullen zjjn. Met het oog op do lessen in de kunstgeschiedenis acht de litterarische faculteit liet wenschelijk dat, indien er, des noods op de zolderverdieping, ruimte kan gevonden worden, daarvan een gedeelte worde ingeruimd voor een lokaal met licht van boven, waarin beelden of pleistervoorwerpen geborgen of opgesteld kunnen worden. Bij ons college is de overtuiging van de noodzakelijkheid van zoodanig vertrek nog niet gevestigd.
Ten slotte veroorloven wij ons nog een opmerking. Het is ons niet bekend of het gebouw, waarin het Leesmuseum is gevestigd, bij do voorgenomen verbouwing-zal komen te vervallen. Bij de mogelijkheid echter dat ook dit gebouw in de bouwplannen begrepen wordt, rekenen wij ons verplicht te wijzen op het belang, ook voor de Universiteit, van het voortbestaan en den bloei van liet Leesmuseum als wetenschappelijke instelling en als middelpunt van wetenschappelijk verkeer. Wij stellen groeten prijs op het behoud van die instelling, welke in nauw verband met de Universiteit en met hier gevestigde wetenschappelijke genootschappen voor onze stad van groot nut is. Een der hoofdvoorwaarden voor haren bloei is het gevestigd blijven in het middelpunt der stad, in de onmiddellijke nabijheid der Universiteit.
liet Leesmuseum heeft zijne tegenwoordige inrichting te danken aan de belangstelling van het gemeentebestuur ter gelegenheid van het tweede eeuwfeest der Universiteit
13
betoond; wij zouden het daarom ten hoogste betreuren, indien aan don bloei der instelling afbreuk werd gedaan door verplaatsing naar een minder gunstig gelegen punt der stad, ton gevolge der voorgenomen bouwplannen.
Curatoren der Rijks- Universiteit te Utrecht , De Voorzitter,
s' JACOB. De Secretaris,
BAERT.
Voor eensluidend afschrift, De Secretaris der gemeente Utrecht, DE WATTEYILLE.
n
iT
BIJLAGE 2. UTRECHT, fi Januari ]S86.
AFSCHRIFT.
In antwoord op uw brief van 15 Doeember jl., nn. 310, liobben wij do oer U hierbij in afschrift do brieven over te leggen , waarin door iedere faculteit voor zoover haar betreft, hare wenschen nopens de inrichting van het nieuwe academiegebouw zijn geformuleerd.
Deze wenschen heeft de Senaat in het algemeen ook tot de zijne gemaakt, met deze wijziging nochtans dat de Senaat ook voor de theologische faculteit eene collegekamer in het nieuwe gebouw gaarne zou aangewezen zien.
De theologische faculteit zelve meende, wegens het verzoek in uw schrijven tot beperking der wenschen, geen verlangen naar eene collegekamer in het nieuwe gebouw te moeten uitspreken; het tegenwoordig lokaal in het gebouw van het mineralogische kabinet voldeed aan hare behoefte. De Senaat evenwel heeft het nuttig geacht, dat het gebouw van bedoeld kabinet voor de toekomst geheel voor de mineralogische verzameling beschikbaar kon blijven , en hij vond er eenig bezwaar in dat dit gebouw, — waarin geen concierge woont, — zonder toezicht openstaat voor een ieder, die zou kunnen voorgeven eene les Aan
College van Curatoren der Rijks- Universiteit te Utrecht.
16
der theologische faculteit te willen bijwonen. Vooral echter met het algemeen doel van een academiegebouw, de te zamenbrenging namelijk zooveel mogelijk van leeraren en leerlingen en de bevordering van gemeenschappe-lijken omgang , scheen het den Senaat te strooken dat niet zonder overwegende redenen de theologische lessen buiten het Universiteitsgebouw gegeven werden. Daar nu de genoemde faculteit geen bezwaar had hare lessen hierheen over te brengen, heeft de Senaat ook eene collegekamer voor deze faculteit onder zijne wenschen opgenomen.
Dc brieven der faculteiten samenvattende, vinden wij thans dat gevraagd worden:
«. vier nieuwe faculteitskamers (de litterarische faculteit heeft reeds eene in het oude gebouw);
b. drie nieuwe collegevertrekken, die onmisbaar worden geacht;
c. drie nieuwe collegevertrekken, die bloot wenschelijk worden geacht en waarvan combinatie mogelijk schijnt;
cl. eene wachtkamer voor examinandi;
e. eene kamer voor pleisterbeelden met bovenlicht.
Voorts doet de Senaat opmerken, dat de tegenwoordige Senaatskamer te klein is geworden om bjj dc Senaatsvergadering alle professoren te bevatten en om aan de portretten der overleden leden eene plaats te geven.
Behalve deze wenschen , welke wij bepaaldelijk kunnen uitspreken , zijn evenwel nog tal van vraagpunten overgebleven , waaromtrent de Senaat aarzelt reeds thans schiftelijk een stellige meening te formuleeren, vermits hij verstoken is gebleven van alle technische voorlichtingen daar die punten bovendien voor schriftelijke behandeling niet wel vatbaar schijnen. Zij betreffen :
1°. de afmeting der lokalen;
2(l. het meubilair (vorm der banken) ;
3°. hot licht en het aanbrengen van werkmuren ;
4°. vorm en plaatsing van de katheders;
5°. bergkasten;
6°. archief kanier voor den Senaat;
7°. de onderlinge ligging der lokalen ;
8°. de praktische verbinding van het oude gebomv met het nieuwe;
9°. de bewaking van den ingang van het nieuwe gebouw ;
10°. de zorg dat de college- en examcnlokalen niet ge-hoorig zijn ;
11°. de plaatsing der kachels.
Verscheidene van deze punten zijn van het hoogste gewicht. Indien men bv. besloot om alle faculteitskamers in het nieuwe gebouw te vereenigen — hetgeen voor de bediening tijdens de examina zeer wenschelijk zou zijn — zou ook de litterarische faculteit nog een nieuwe faculteitskamer noodig hebben en zou haar tegenwoordige eene andere bestemming moeten erlangen. De verbetering, om een ander voorbeeld te noemen, van den doorgang tus-schen Senaatskamer en Auditorium, zou waarschijnlijk reeds op zich zelve vorderen, dat de tegenwoordige Senaatskamer als zoodanig kwame te vervallen en, met gewijzigde inrichting, van bestemming veranderde. In één woord, voor nader gemeen overleg met den architect of met de autoriteiten, die over het werk gaan, houdt de Senaat zich zeer aanbevolen.
Ten einde dat overleg zijnerzijds gemakkelijk te maken heeft de Senaat thans eene vaste commissie benoemd. Deze commissie bestaat uit de heeren Rector en Secretaris van den Senaat, Buys Ballot, assessor der natuurkundige Faculteit, Hamaker, assessor der juridische, Valeton, assessor der theologische en Snellen voor de medische Faculteit. Mocht dus door de betrokken autori-
teiten op dit gemeen overleg worden prijs gesteld , dan zal deze commissie voor den Senaat optreden.
De Senaat der Rijks-Universiteit te Utrecht,
(w.g.) J. A. WIJNNE,
Rector-Magnificus.
(w.g.) J. d'AULNIS DE BOUROUILL,
Secretaris.
Voor afschrift conform ,
De Secretaris van Curatoren der Rijks-Universiteit te Utrecht .
(get.) B A E li ï.
Voor eensluidend afschrift, De Secretaris der gemeente Utrecht, DE WATTEYILLE.
BIJLAGE 3.
UTRECHT, 23 Januari 18S6.
Onderwerp: ACADEMIEGEBOUW.
Wel EdelGestrenge Heer !
Ingevolge een heden aan mij gedaan verzoek van den hoer Burgemeester dezer gemeente, heb ik de eer U hierbij eenige nadere omschrijving te geven van de lokalen , die de Senaat in het nieuwe academiegebouw wenscht, daarbij evenwel op den voorgrond stellende, dat door mij deze mededeelingen niet worden verstrekt na ruggespraak met de betrokken faculteiten , uitgenomen de juridische.
De juridische faculteit beschouwt hot lokaal, waarin zjj thans in het oude gebouw haar colleges geeft, als de type van een goed collegevertrek. Het locaal is goed verlicht; de katheder zoowel als do kachel zijn goed geplaatst ; de hoogte is voldoende ; en er kunnen wel 24 studenten goede plaats vinden. De ingang bovendien, welke voor den hoogleeraar bestemd is, bevindt zich vlak bij den katheder. De kamer is 5'/2 meter breed; 8 meter lang, 3.75 meter hoog. De drie tot den zolder doorloopende breede lichtvensters bevinden zich in één der lange wanden. Achter den katheder is een werkmuur.
Van deze ondervinding uitgaande, zou ik meenen dat de collegekamers der andere faculteiten hiernaar kunnen worden ingericht. Mitsdien zouden voor de faculteiten, waarvan het aantal studenten geregeld geringer is (nl. naar Aan
den Heer Wethouder van Openbare Werken te Utrecht.
20
meen, do litterarische en de philosopliischc) kleinere kunnen worden gebouwd; voor de andere daarentegen (nl. de theologische en de medische) grootere lokalen noodig zijn.
Meerdere hoogte, bv. 4a 5 meter zou ook geen kwaad doen, als bevorderlijk aan ventilatie en licht.
De faculteitskamers zullen ongeveer 6X7 meter oppervlakte moeten hebben. Die kamers toch zullen, naar de bedoeling der heeren, ook moeten dienen voor examina, en dus ruimte voor eenige toehoorders moeten aanbieden. Bij deze lokalen komt het minder, dan bij die, welke voor het onderwijs zijn bestemd , aan op een krachtig, zich over het geheele lokaal verspreidend licht. De auditoren moeten zóó zijn geplaatst, dat de examinandus hen niet ziet, noch zich te veel in hun nabijheid bevindt. De wachtkamer der juridische faculteit, thans ook voor examina in gebruik , is 5 '/2 X 5 '/a nieter, en bepaald te klein om aan dezen eisch te beantwoorden.
De wachtkamer voor de examinandi zal ook allicht een kamer moeten zijn van 6 X ^ meter. Een eventueel pedelbureau zij daarentegen liefst zoo klein mogelijk, bv. 2 X ^ meter, daar de pedellen anders bij hun werkzaamheid overlast hebben van studenten , die zich zonder noodzaak in hun kamer ophouden.
Wat zekerlijk wenschelijk zou zijn, is dat er minstens één lokaal zij, waarin 50 toehoorders goed kunnen plaats vinden, een lokaal geschikt voor voordrachten van popu-Isiiren aard, zooals allicht bij de litterarische of theologische, mogelijk ook bjj de juridische faculteit voorkomen; een soort van „klein-auditoriumquot;, waar zoowel voor een groot getal toehoorders ruimte is als gelegenheid voor
21
hen tot het maken van schriftelijke aanteekeningen nopens het gehoorde. De litterarische faculteit heeft op de behoefte daaraan reeds de aandacht gevestigd. Haar tegenwoordig lokaal (links bij den ingang) is voor do gewone opkomst van studenten in de letteren ruim groot, en zou voor het hier aangewezene te klein zijn.
Ten slotte geef ik U nog te kennen, dat de vrij alge-meeno wensch der professoren is, dat de faculteitskamers bij elkander en eveneens de collegevertrekken zoo mogelijk bjj elkander zijn, daar zulks voor den dienst der pedellen en de handhaving der orde tijdens do examina wenschelijk schijnt.
Mot de verzekering mijner bijzondere hoogachting heb ik de eer mij te noemen
Uw dw. Dienaar , J. d'AULNIS DE BOUROUILL,
Secretaris van den Senaat.
Voor eensluidend afschrift, De Secretaris der gemeente Utrecht, DE WATÏEVILLE.
—
30
1 IJ LAGE 4.
EXTRACT uit de notulen van den Kaad der gemeente Utrecht.
Woensdag, don Squot;1quot;' Mei 1839.
DE RAAD DER STAD UTRECHT,
Gehoord hot rapport van do hoeren Mr. W. J. Both Hendriksen, Mr. J. J. van der Hagen van den Heuvel, on Mr. N. P. J. Kien, als bij resolutie des Raads van den 14',en Juli 1837 gecommitteerd , om ten aanzien van het doelmatigst gebruik, waartoe het gebouw op de plaats waar te voren de Capittelkamor van het Domcapittel pleegt te vergaderen, en alwaar ter gelegenheid dei-viering van het tweehonderdjarig bestaan der Hooge-sehool binnen deze stad gevestigd, een nieuw gebouw voor stadsrekening in 1836 is daargesteld, uit wolk rapport is gebleken, dat dit gebouw zeer geschikt is voor een wetenschappelijk Leesmuseum, bijzonder tot het houden van voorlezingen over wetenschappelijke on letterkundige onderworpen, zoodanig, dat de tweede verdieping van dat gebouw, alsmede de eene helft dor eerste verdieping, uitmakende den zuidelijken vleugel van dat gebouw ten voormelden einde zoude kunnen dienen;
Verder gelet op de door don heer Staadsraad, afgetreden Burgemeester, in verscheiden vergaderingen des Raads
24
mondeling gedane mededeelingen, aangaande de pogingen, welke waren aangewend om zoodanige inrichting op ge-melden voet tot stand te brengen, in dier voege, dat de leden des Stedelijken Raads, en de aan de Stedelijke Regeering verbonden hoofdambtenaren, leden van die inrichting zouden kunnen worden, op grond van hunne voormelde betrekkingen, en dat de Burgemeester in der tijd, of een lid des Raads daartoe door denzelven te benoemen , tot de Directie van die inrichting zoude behooren; dat die pogingen door deelneming van een genoegzaam aantal leden gelukkig waren geslaagd, en gelet op het Koninklijk besluit van 23 Februari 1825, n0. 99, waarbij de aankoop van het voormelde oude Capittel-huis en aanhoorige gebouwen was geauthoriseerd, met oogmerk om aan hetzelve eene bestemming te geven ten nutte der Hoogeschool, omtrent welk doel tot nog toe geene bepaling is gemaakt;
Heeft besloten, om dat gedeelte van het nieuwe gebouw, staande en gelogen aan het Oud Munsterkerkhof binnen deze stad, hetwelk zuidwaarts van den doorgang naar het auditorium en Domkerk gelegen is, bestaande in eene gang, benedenkamer, trap , en voorts de groote en kleine zaal van de tweede verdieping, benevens den zolder loopende over het geheele gebouw ten gebruike aan te wijzen en te bestemmen voor het wetenschappelijk Leesmuseum, zoodanig hetzelve op den lslcquot; October 1838 is opgericht geworden, zoolang hetzelve tot wetenschappelijk en letterkundig doel blijft bestemd op don voet, dat de Burgemeester of een lid der Stedelijke Regeering , door hem daartoe benoemd, lid der Directie, en de leden des Raads en stedelijke hoofdambtenaren het recht zullen hebben om , des verkiezende, leden van hetzelve te worden, en gedurende dit gebruik het gewone onderhoud van dit gebouw, en de grondlasten waarmede
hetzelve mocht worden bezwaard , door het Leesmuseum en Hoogeschool zullen worden op zich genomen.
Er is wijders bepaald, dat aan de Stad geene vergoeding zal worden gegeven , en dit wel uit hoofde van de daaraan gegeven bestemming, waarbij de verbreiding van wetenschappen en letterkunde en de steeds toenemende vereeniging tusschen de akademieburgers en de overige inwoners dezer stad wordt bedoeld.
Zijnde eindelijk met betrekking tot het vertrek aan do noordzijde van den voormelden ingang bepaald, dat hetzelve op gelijken voet als hierboven is omschreven, aan de Edele Groot Achtbare Heeren Curatoren der Hoogeschool , binnen deze stad gevestigd , in gebruik zal worden gegeven, en wel bepaaldelijk tot liet houden van vergaderingen, zoo van Hoeren Curatoren als van den academischen Senaat, en van de onderscheidene faculteiten , tot examina en promotion , zoodanig echter dat hetzelve voor het houden van collegiön niet zal mogen dienen , en overigens tusschen Hoeren Curatoren en de Stedelijke Regcering dit gebruik op denzelfden voet zal zijn verzekerd, als zulks ten opzichte van het wetenschappelijk Leesmuseum is bepaald; onder voorwaarde echter, dat ingeval de Stad mocht treden in hot gebruik van dat gedeelte van dit gebouw, thans tot Leesmuseum bestemd, alsdan aan dezelve Stad , of wel aan de Regeering derzelve in der tijd, het recht zal toekomen , om ook dit gedeelte van hetzelve gebouw weder aan zich te nemen, en om daaraan zoodanige bestemming te geven , als door dezelve zal worden goedgevonden , en alzoo het ten behoeve der Hoogeschool afgestaan gebruik te doen eindigen.
Zijnde eindelijk Hoeren Burgemeesteren en Wethou-deren verzocht en geauthoriseerd om de uitvoering van dit besluit te verzekeren, zullende afschrift van hetzelve
26
aan Heeren Curatoren der Hoogesehool, en extract, zooveel hot Leesmuseum aangaat, aan de Directie van die inrichting worden uitgereikt.
Aldus besloten in de Raadsvergadering van den S*quot;'quot; Mei 1839.
De Voorzitter,
(get.) N. P. J. KIEN.
De Secretaris, (get.) W. E. RAM.
Voor eensluidend afschrift, De Secretaris , DE WATÏEVILLE.
HIJLAOE 5.
DELFT, 25 Februari 188(1. UTRECHT, 26 Februiiri 1886.
Bericht op het schrijven 20 Januari, nquot;. 41.
Onderwerp: Academiegebouw.
Na ontvangst Uwer missive van 26 Januari jl., n0. 41, — waarbij ons tevens zijn geworden : een aan UWelEdelAelitb. gericht schrijven van HH. Curatoren der Universiteit, dd. 21 Januari en een advies van den Senaat der Universiteit , dd. 6 Januari, benevens een brief van den Secretaris van genoemden Senaat — hebben wij ons, na de vereischte opmetingen, met het opmaken van verschillende schetsontwerpen bezig gehouden, ten einde na te gaan in hoeverre of het beschikbare terrein aan alle voorname eischen en wenschen, in voorgenoemde adviezen vermeld, kan worden voldaan.
Als uitkomst van ons onderzoek hebben wij de eer, aan UWelEdelAelitb. college mede te deelen, dat wij ons van de volstrekte onmogelijkheid hebben overtuigd, op het beschikbare terrein geschikte localiteiten voor een Leesmaseum met conciërgewoning te vinden. Ook bleek ons, dat, ón met het oog op het beschikbare terrein, én met het oog op de bouwsom , behalve de vijf faculteitskamers alleen drie collegezalen in het plan kunnen worden opgenomen.
Terwijl wij vermeenen hiermede aan de beantwoording der vraag, in Uw schrijven van 26 Januari tot ons gericht , te hebben voldaan , veroorloven wij ons tevens op te merken, dat aan alle eischen en nagenoeg aan alle
Aan
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht.
28
tcevschen van Curatoren en Senaat alleen dan zoude kunnen worden voldaan , wanneer het thans beschikbare terrein met het perceel, nu door den heer Fles bewoond, zoude kunnen worden uitgebreid, terwijl dan ook de bouwsom eene evenredige verhooging zoude moeten ondergaan. Bij onzen voorloopigen arbeid is het ons tevens wensche-Ijjk voorgekomen , vóór de samenstelling van een definitief ontwerp, te weten te komen , of van de zijde van den Minister van Binnenlandsche Zaken geen bezwaren zouden bestaan tegen de verplaatsing der binnendeur van het groote auditorium en tegen het uitbreken van eenige lichtopeningen, — respectievelijk het veranderen van eenige blinde traceerramen in glasramen — onder den kruisgang, ten einde aan eenige lokalen van het te stichten academiegebouw van deze zijde licht te kunnen geven. Wij zouden er hoogen prijs op stellen, door Uwe tusschcnkomst, over de zienswjjze van Zijne Excellentie, deze beide punten betreffende , zekerheid te erlangen.
Aangezien eene eventueele uitbreiding van het bouwterrein voor den aanbouw van een nieuw Leesmuseum ook op de distributie van het eigenlijke Universiteitsgebouw van invloed zoude zijn, houden wij ons voor eene spoedige mededeeling van Uwe opvatting en Uwe voornemens ten deze ten zeerste aanbevolen.
Met de meeste hoogachting hebben wij de eer te zijn van Burgemeester en Wethouders voornoemd, de dienstwillige Dienaren ,
(get.) E. GUGEL.
(get.) C. VERMEIJS.
Voor eensluidend afschrift, De Secretaris der gemeente Utrecht , DE WATTEVILLE.
UTRECHT, 19 September 1887.
NO. 18.
2 bijlagen.
Wij hebben de eer U hierbij aan te bieden een exemplaar van onze mededeeling en voordracht aan den Gemeenteraad dd. 25 Augustus 1887, nquot;. 119, betreffende het te Utrecht te stichten Universiteitsgebouw.
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht,
De Burgemeester,
W. R. BOER.
De Secretaris, DE WATTEVILLE.
1
VAX
25 Augustus 1887
BUTREPFKNDK UET
TE UTRIEGHT TB STXGHT1BN ^_
it
Utrecht, 25 Augustus 1 887.
No. 11«.
25 Hij In gen.
In Uwe zitting van 1G Juni 11. werden van drie verschillende zijden aan ons College inlichtingen gevraagd omtrent den stand der onderhandelingen met de Regeering in zake de stichting van liet Universiteitsgebouw. De voorzitter gaf toen , in aansluiting aan het door hem in de Raadsvergadering van 13 Januari dezes jaars medegedeelde, te kennen, welken loop de onderhandelingen hadden genomen over hot plan en over de met de Regeering nopens het gebruik en het onderhoud van het gebouw te sluiten overeenkomst. Uwe vergadering vernam toen o. a., dat onze Bouwmeesters, ten gevolge van een met den Rijksbouwkundige voor de gebouwen van onderwijs gehouden overleg, een eenigszins gewijzigd plan (met eene toelichtende memorie) hadden ingezonden, hetwelk wij den 3'kM Februari 11. aan Curatoren der Universiteit en deze den 17,llt;u dier maand met hunne opmerkingen , aan den Minister van Staat, Minister van Binnen-landsche Zaken hadden doen toekomen; terwijl wij den 18duquot; Mei daarop volgende van Curatoren daartoe betrekkelijke opmerkingen en teekeningen van den Rijksbouwkundige, door den Minister om bericht en raad in hunne handen gesteld, ontvingen met het
Am den Gemeenteraad.
4
voorstel, om die tot onderwerp eener bespreking- te maken in eene gemengde commissie, waarin twee leden van hun College, door den Secretaris van Curatoren bijgestaan, met leden van ons College zitting zouden nemen. Den 15,lün Juni zou de commissie 1) voor de eerste maal te zamen komen, terwijl wij tevens het advies van onze Bouwmeesters vooraf inwachtten omtrent de in hunne handen gestelde, zoo even genoemde opmerkingen en teeke-ningen van den Rijksbouwkundige. Het ontwerp der overeenkomst, waarbij liet nieuwe gebouw aan het Rijk in bruikleen zou worden afgestaan, had tot herhaalde briefwisseling met den Minister aanleiding-gegeven , en 's Ministers antwoord op ons laatste schrijven (van 27 Mei 11.) werd nog steeds verwacht.
Wij hebben hier slechts de hoofdfeiten aangestipt, welke toen in de meer uitvoerige mededeelingen van den voorzitter werden vermeld.
Intusschen konden toen de tot ons gerichte vragen slechts gedeeltelijk worden beantwoord, inzonderheid de beide laatste vragen van den Heer de Louter: „Wat nemen Burgemeester en Wethouders zich voor verder te doen om het gemeen overleg met de Regeering- te bevorderen en de uitvoering van het Raadsbesluit van 21 November 1885 te verzekeren ? Hoe stellen Burgemeester en
Die commissio was samengestelil als volgt: de IIH. Mr. IF. Koijanrds van Schcrpenzeel, Curator; Jhr. Mr. J. Röell, Curator; Mr. W. K. JJonr, Burgemcoater; Mr. W. J. Royaards van don Ham, Wethaudcr; en word bijgestaan door do IIH. Mr. I. P. 15. Baert, Secretaris van Curatoren, en Mr. J. E. Enklaar, wn. Se.erelaris der gemeente.
5
Wethouders zich voor iu deze zaak tot een bevredigenden uitslag te geraken?1' ,
vragen, op welker beantwoording do heer de Louter andermaal aandrong in de Raadsvergadering van 28 Juli 1887.
Eerst nu zijn wij in staat aan Uwe vergadering volledige mededeeling te doen van den stand dei-zaak. Vroeger zou zulks den goeden loop der onderhandelingen hebben kunnen verstoren. Doch thans is zulks niet alleen moge lijk, maar is het daarenboven volstrekt noodig, alvorens verder te gaan, Uwe beslissing te vragen omtrent do overeenkomst, welke tussclien den Staat en onze Gemeente omtrent de overgave, liet gebruik eu het onderhoud van het te stichten gebouw zal worden aangegaan.
Wij leggen hiernevens aan U de briefwisseling in afschrift over, gevoerd deels met den Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken over de tussehen het Rijk en onze Gemeente te sluiten overeenkomst, deels met Curatoren der Universiteit over het plan van liet te stichten gebouw. Onder verwijzing naar die bijlagen , uit welke aan Uwe vergadering de loop, welke de geheele zaak tot nu toe genomen heeft, duidelijk zal blijken, gaan wij kor telijk vermelden, hoe en met welken uitslag die beide onderhandelingen tot nog toe gevoerd zijn, om ten slotte de daaruit voortvloeiende voorstellen aan Uwe beslissing te onderwerpen.
6
I. De overeenkomst. Bij schrijven van 24 Februari 188G (bijlage 2), waarin de Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken verklaarde , met ingenomenheid uit onzen brief van 2 Februari 1886 (bijlage 1) de voornemens te hebben vernomen van het Bestuur der provincie en der gemeente en van de ingezetenen ten opzichte van de feestelijke herdenking van het 250jarig bestaan der Universiteit, verzocht Z. E. van ons College een ontwerp te ontvangen van de overeenkomst, waarbij de verhouding te dezer zake tusschen Eijk en Gemeente ') zou moeten worden geregeld.
Dit verzoek werd herhaald in het schrijven van 22 Juni 1886, waarin de Minister ons de ontvangst berichtte en een onderzoek toezegde van het den 28sUn Mei 1886 door ons aan Z. E. ingezonden ontwerp van het Universiteitsgebouw (bijlage 15). Ofschoon wij van meening waren dat deze overeenkomst, zooal niet na de voltooiing van den bouw, dan toch eerst na de vaststelling van het bouwplan behoorde gesloten te worden, voldeden wij aan het verzoek van den Minister bij ons schrijven aan Gedeputeerde Staten dezer provincie van 24 September 1886 (bijlagen 3 en 3bis).
Met ons ontwerp kon de Minister (schrijven van
1) Abusievelijk was hier ook de Provincie vermeld , die, hoewel tot de stichting bijdragende , in de overeenkomst niet als party zal optreden, omdat het gebouw alleen van gemeentewege gesticht en overgedragen zal worden.
7
19 Maart 1887, bijlage 4) in hoofdzaak zich wel vereenigen, doch Z. E. zond ons tor aanvulling en verduidelijking een tegenontwerp (bijlage 4i/s), waarin o. a. de verplichting der gemeente tot aanbouw overeenkomstig de door den Minister vooraf goedgekeurde opgaven van eischen, plannen en bestekken was opgenomen.
Onze bedenkingen tegen dit ontwerp zonden wij 10 Mei 1887 aan den Minister (bijlage 5). Bepaaldelijk kwamen wij op tegen de zoo even vermelde bepaling van artikel 1 (yerplichtiny der gemeente tot stichting en ingebruikgeving aan het Rijk), welke ons voorkwam in strijd te zijn met de bedoeling van vrijwillige stichting en aanbieding als feestgave aan het Rijk. Wij beweerden daarom, dat de goedkeuring en vaststelling van bouwplannen en bestek aan het sluiten der overeenkomst behoorden vooraf te gaan.
Nu, daargelaten nog het tijdstip, waarop de overeenkomst zou worden gesloten, hare behandeling aan die der plannen voorafging, meenden wij tegelijker tijd nog op de opneming van twee nieuwe bepalingen te moeten aandringen. De eerste diende om de reeds sedert 4 jaren aanhangige zaak van de kloostergangen en de area zoo te regelen, dat daarbij de westelijke en de oostelijke kloostergang en het binnenplein (area, vrijhof) door de gemeente, als eigenares,
aan het Rijk tegelijk met het nieuwe Universiteitsgebouw voor hetzelfde doel en denzelfden tijd in gebruik werd gegeven; de tweede door ons voorgestelde nieuwe bepaling strekte om het behoud en het onderhoud van den openbaren doorgang (Mun-
/~f.
8
sterkerkhof - Aehter den Dom) te verzekeren. Op de erkenning van het eigendomsrecht van die beide kloostergangen en den vrijhof had ons College reeds bij schrijven van 12 Juli 1883 (bijlage C) aangedrongen ; de Minister had toen hieromtrent een nader bericht toegezegd (bijlage 7), hetwelk wij echter tot nog toe niet ontvingen.
Den 16Jequot; [Mei 1887 ontvingen wij des Ministers antwoord (bijlage 8), waarin Z. E. ten eerste ons uitvoerig de ongegrondheid van ons bezwaar tegen de opneming der verplichting door de gemeente tot aanbouw en ingebruikgeving trachtte aan te toonen, doch voorstelde in artikel 1 liet karakter van de handeling der gemeente (vrijwillige aanbieding eener feestgave bij gelegenheid van het 250jarig bestaan der Universiteit) beter te doen uitkomen; ten tweede bezwaar maakte om de zaak van de kloostergangen en den vrijhof in dit contract te regelen en tot beslissing te brengen; en ten derde verklaarde aan onze wenschen omtrent den openbaren doorgang gevolg te willen geven.
Met nadruk kwamen wij by schrijven van 27 Mei 1887 (bijlage 9) nogmaals op tegen 's Ministers denkbeeld, dat de gemeente zich tot stichting en aanbieding van het Universiteitsgebouw contractueel zou verbinden. De Minister bleef echter bij zijne zienswijze in deze volharden (schrijven van 10 Juni jl., bijlage 10): geen vaststelling der bouwkundige stukkeu dan na de regeling der verhouding tusschen Staat en Gemeente.
Niet dan na den Minister wederom op den ongun-
9
stigen indruk te hebben gewezen, welke de verklaring maken zou, dat het Universiteitsgebouw alleen dan door de Regeering ten gebruike dei-Universiteit zal worden aangenomen. wanneer de Gemeente zich vooraf tot stichting en aanbiedingrechtens verplicht zal hebben, verklaarden wij . (brief van 21 Juni 1887, bijlage 11), dat wij, niettegenstaande onze zeer ernstige bezwaren, toch, indien de medewerking der Hooge Regeering daarvan afhankelijk bleef, ten einde het tot stand komen der stichting niet te vertragen, aan Uwe vergadering zullen voorstellen — gelijk wij bij deze de eer hebben te doen —
in dit opzicht aan 'sMinisters verlangen te voldoen, en derhalve Uwe goedkeuring daaraan te verleenen, dat reeds nu deze overeenkomst worde gesloten, alvorens omtrent de bouwplannen zelve overeenstemming- is verkregen. Wij merken hierbij op, dat het nu reeds aangaan der overeenkomst — al blijft dit dan ook in onze oogen minder gepast en minder wenschelijk — toch slechts weinig praktisch nadeel kan opleveren, indien maar ten lstc uit het contract duidelijk blijkt, dat het bouwplan en het bestek van wege de Gemeente, door de Bouwmeesters der ' Gemeente en niet door de Rijksbouwmeesters, zal worden opgemaakt; en ten 2,lü, de opgaven van de eischen, waaraan het te stichten gebouw zal moeten voldoen , indien die alsnog zullen worden gemaakt, in gemeen overleg tusschen regeering en gemeentebestuur vóór het sluiten der overeenkomst worden vastgesteld.
De Minister wenscht (brief van 25 Juli 1887,
bijlage 12), dat aan de nieuwe stichting in do
10
overeenkomst niet de naam van „Het Universiteitsgebouwquot; worde gegeven.
Op zichzelf beschouwd, zou men dit van geen overwegend belang kunnen achten, omdat er toch in de overeenkomst uitdrukkelijk sprake zal zijn van de stichting van een gebouw ten dienste van de Universiteit. Wij hadden het behoud van dien naam in het contract gewenscht, omdat ten ls,ü door Uwe vergadering den 218,eu November 1885 tot de stichting van een „Universiteitsgebouwquot; besloten is ; en ten 2de uit verschillende zaken schijnt te blijken (men zie o. a. het schrijven van den Minister van 25 Juli 11., bijlage 12) dat, naar sommiger opvatting, de geheele nieuwe stichting alleen bestaan zal uit eenige achterlokalen, welke noodzakelijk moesten worden gebouwd in den stijl van kloostergang en auditorium. Tegen deze opvatting bestaat o. i. bepaald bezwaar. Zij zou de waarde der stichting verkleinen , en daartoe kunnen leiden, dat later met des te meer klem op verandering van eenige hoofdelementen van het door ons ingediende bouwplan zoude kunnen worden aangedrongen (gevel en vestibule). Zij was gegrond op eene geheel onjuiste gevolgtrekking uii onzen wensch, om in het contract te gewagen van den aanbouw niet van alle, maar van een if/e nog ontbrekende lokalen, waarmede wij alleen, met het oog op de voor den aanbouw beschikbare gelden, hadden willen doen uitkomen, dat de gemeente niet door dezen bouw in alle mogelyke eischen , welke nog zouden kunnen worden gesteld , maar alleen in de thans reeds gebleken behoeften aan lokalen zou
11
voorzien. Wij zouden echter geen bezwaar hebben tegen de weglating van het gewraakte woord, indien maar wordt toegegeven, dat voorgevel en hoofdingang van het Universiteitsgebouw, hetwelk dan uit de nieuwe stichting en de aanwezige lokalen zal bestaan, aan het Munsterhhof zullen geplaatst zijn.
De Minister zond ons bij zijn schrijven van 25 Juli 1887 een nieuw ontwerp der overeenkomst (bijlage l^his).
Naar aanleiding van dit schrijven werden in onzen brief van 18 Augustus 11. (bijlage 13) nog eenige onzer wenschen verduidelijkt, en werd tevens daarop aangedrongen, dat de goedkeuring van het program van eischen — mocht dit nog noodig schijnen — aan het sluiten der overeenkomst voorafga.
Alleen tegen de eerste twee artikelen van het ontwerp des Ministers bestaat bij ons bezwaar. Wij meenen, indien die beide artikelen luiden zooals in het bij deze voordracht gevoegd ontwerp is aangegeven , de ontwerp-overeenkomst U ter goedkeuring te mogen voordragen.
II. Het bouwplan. Reeds is vermeld, dat het, door Uwe vergadering den 27s:cu Mei 1886 goedgekeurde vóórontwerp den 28s,equot; Mei 1886 (bijlage 14) aan den Minister werd ingezonden, die, na ons bij schrijven van 22 Juni 1886 (bijlage 15) de ontvangst en het in onderzoek stellen daarvan bericht te hebben, daarover het advies van den Academischen Senaat en van Curatoren der Universiteit heeft gevraagd, maar door tusschenkomst van het laatstgenoemde College
12
van ons nogmaals overlegging vroeg van het aan de Bouwmeesters voorgelegde programma van eischen,
(brief van Curatoren van 3 Juli 1886, bijlage 16). ,1
Den L5d0quot; Juli d. a. v. (bijlage 17) meenden wij aan dit verlangen te voldoen door toezending van een afschrift der 3 brieven, welke wij aan onze door U benoemde Bouwmeesters, de Heeren Gugel en Verineijs, bij de opdracht tot het ontwerpen vaneen monumentaal, aan het Munsterkerkhof te bouwen Universiteitsgebouw in afschrift hadden medegedeeld,
als het program van eischen bevattende, waaraan het te ontwerpen gebouw zou moeten voldoen. Het zijn de aan Uwe vergadering bij onze voordracht van 5 Maart 1880 (bijlage 11 bis) reeds medegedeelde brieven van Curatoren, van den Academischen Senaat en van zijnen Secretaris, alle van Januari 1886 (bijlagen ilbis B, 176/6' C en 11 bis D). Hiermede was, naar wij meenden, een voldoend program van eischen aan do Bouwmeesters verstrekt, die daarmede ook genoegen namen. De opgaven waren door de academische autoriteiten zelve opgemaakt en konden dus geacht worden aan alle billijke eischen te voldoen (zie de brieven, in de bijlagen 18 en 19 medegedeeld).
Ten einde den Minister omtrent het door ons ingezonden plan van bericht en raad te kunnen dienen,
hadden Curatoren de voorlichting ingeroepen van den Rijksbouwkundige voor de gebouwen van onderwijs,
zooals ons bleek uit het schrijven van Curatoren aan ons College van 5 November 1886, waarbij zij ons het advies, met bijgevoegde teekening, van dien
i
13
ambtenaar, gedagteekciid 25 Octobcr 1880 (bijlagen 20, 2()/)is en 206/6- A) toezonden, en tevens op de wenschelijkheid wezen van een overleg tussehen onze Bouwmeesters en den genoemden Rijksambtenaar.
Dit advies werd bij schrijven van 11 November
1886 (bijlage 21) door ons, in handen onzer Bouwmeesters gesteld met verzoek om metdenllijksbouw-kundige voor de gebouwen van onderwijs daaromtrent in overleg te treden.
Den 16den December 1886 ') kwamen onze Bouwmeesters en de Rijksbouwkundige op onze uitnoodi-ging tot dat doel bijeen. Het gevolg hiervan was de inzending door onze Bouwmeesters van een gewijzigd plan mot memorie van toelichting op 14 Januari
1887 (bijlage 22). Zij hebben daarbij aan de wenschcn en opmerkingen van den Rijksbouwkundige zooveel mogelijk voldaan, doch alleen op twee punten bezwaar gemaakt met de denkbeelden van den Rijksbouwkundige in te stemmen. Onze Bouwmeesters verlangden: 1quot; het behoud van de groote vestibule, welke h. i. met de bestemming en het monumentaal karakter van het gebouw strookt, en ook voor het verkeer in 'talgemeen en voornamelijk als eenige waardige toegang tot liet groot auditorium hoogst wenschelijk voorkomt; 2quot;. plaatsing van den voorgevel van liet gebouw haaks op den zijgevel der Domkerk, hetgeen zij uit het oogpunt van welstand en ook met
') In do eerste helft van dien tusschcntyd (11 Nov.—16 Dcc.) waren onze Bouwmeesters, en in de laatste helft was de Hijksbouwmeester verhinderd eeiie bijeenkomst hij te wonen.
14
liet oog op de aansluiting aan hot groot auditorium eon bepaald vcreischte achten. De Rijksbouwkundige had in zijn plan do vestibule vervangen door een 4 meter breede gang en wensehte, dat de voorgevel van het nieuwe gebouw evenwijdig gebouwd worde aan den westelijken muur van de kruisgang, welke niet geheel haaks op den zijgevel der Domkerk geplaatst is.
liet gewijzigde plan van onze Bouwmeesters werd met hunne memorie van 14 Januari jl. door ons aan Curatoren den 3',eu Februari 11. toegezonden (bijlage 23). Den ]8,,eu Mei 11. (bijlage 24) ontvingen wij een brief van Curatoren, waarbij zij, naar aanleiding van een schrijven van den Minister van Binnenlandsche Zaken , ons een door Z. E. om advies in hunne handen gesteld rapport van den Rijks-bouwkundige (waarbij een uitgewerkt project met gewijzigde planverdeeling was gevoegd) van 27 April 1887 (bijlage 24i/s) toezonden, en ons uit-noodigden om eene commissie uit ons College te benoemen, welke met een commissie uit hun College in overleg zou treden, ten einde, in verband met do thans aanwezige gegevens, een ontwerp van het Universiteitsgebouw te doen tot stand komen, dat voor goedkeuring door de verschillende autoriteiten vatbaar zou zijn. Deze, aldus gevormde gemengde commissie, waarvan U de samenstelling reeds is medegedeeld'), heeft in twee bijeenkomsten het ge-wenschte overleg gehouden on als uitslag barer over-
1) Zie blz. 4 noot.
15
wegingen aan Curatoren te kennen gegeven , dat door hen het gewijzigd plan onzer Bouwmeesters wordt aanbevolen. De commissie had daarbij kennis genomen van een nader sehrij ven onzer Bouwkundigen, waarin zij hun ontwerp en bepaaldelijk ook de door hen gekozen stijl van het gebouw met klem verdedigden. Ook dit nader sehrijven van 15 Juni 1887 (bijlagen 25 en 2bhis) werd door ons aan Curatoren toegezonden.
Over het ontwerp, dat, naar wij vernemen door Curatoren der Universiteit (gewijzigd ontwerp), en blijkens een openbaar gemaakt adres, ook door den Aeademisehen Senaat (eerste ontwerp) onlangs aan den Minister werd aanbevolen, is op dit oogenblik het oordeel van den Minister zeiven ons nog niet bekend geworden.
Uit al het bovenstaande blijkt, dat de Minister van Binnenlandsehe Zaken bezwaar maakt in eene beoordeeling van het door ons ingezonden bouwplan te treden, voordat de verhouding tusschen het Rijk en de Gemeente omtrent de overneming , het gebruik en het onderhoud door het Rijk bij overeenkomst is geregeld, en een program van eischen, waaraan het bouwplan zal moeten voldoen, is vastgesteld. Wij meenen ter voorkoming van verdere vertraging aan Uwe vergadering te moeten voorstellen, te besluiten:
16
A. aan don Minister van Staat, Minister van Bin-nenlandsclie Zaken mede te deelen, dat Uwe vergadering, kennis genomen hebbende van de gelieele briefwisseling te dezer zake door Z. E. en ons College gevoerd, bereid is in deze beide opzichten aan 's Ministers verlangen te voldoen (coijtraetueele regeling dier verhouding vóór de vaststelling van het bouwplan en vaststelling van een program van eisehen);
B. ons te machtigen na vaststelling van een program van eisehen, door Z. E. en Uwe vergadering goedgekeurd, met Z. E. te sluiten de overeenkomst, waarvan het ontwerp hiernevens is gevoegd.
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht,
De Burgemeester, DE MURALT, Welk.
De Secretaris, DE WATTEVILLE.
ONTWERF-OVEREENKOMST'),
De Minister van Binnehlandsche Zaken, handelende namens den Staat der Nederlanden,
ter eenre en Burgemeester en Wethouders van Utrecht, handelende voor de Gemeente, hiertoe gemachtigd bij besluit van den Gemeenteraad van goedgekeurd bij dat van Gede
puteerde Staten van Utrecht van ,
van welke besluiten afschriften aan deze overeenkomst zijn gehecht, ter andere
zijn overeengekomen als volgt: Art. 1. Contractante ter andere, wenschende ter gelegenheid van hot feest van het 250jarig bestaan der ütrechtsche Universiteit door cene feestgave hare belangstelling in deze instelling te betoenen en ten haren behoeve behoorlijke lokalen beschikbaar te stellen, verbindt zich aan het Munsterkerkhof op de terreinen, thans ingenomen door het gebouw van het Leesmuseum en door het daaraan zuidwaarts
1) Deze outwerp-ovcreenkomst wijkt alleim in de eerste twee artikelen alquot; van liet door den Minister ingezonden ontwerp (/ie kijhuce 1'■?/'/gt;}.
18
grenzende huis, binnen 3 jaren na fle goedkeuring, bedoeld in artikel 2, een aanvang te maken met de stichting van een nieuw gebouw en dit gebouw, hetwelk gemeenteeigendom blijft, aan contractant ter eenre ten behoeve der Rijksuniversiteit te Utrecht kosteloos in bruikleening af te staan.
Art. 2. Contractant ter eenre verbindt zich bovenbedoeld gebouw in bruikleening aan te nemen, mits het gebouw' zij overeenkomstig dc door contractanten in gemeen overleg vastgestelde opgave van eischen, waarvan een afschrift aan deze overeenkomst is vastgehecht, en dc door contractante ter andere opgemaakte en door contractant tor eenre goedgekeurde plannen en bestek.
Art. 3. Contractant ter eenre neemt van het oogenblik dat het nieuwe gebouw hom zal zijn overgedragen, het onderhoud , het schoonhouden en de verlichting daarvan op zich, alsmede dc lasten welke daarop mochten rusten.
Hij is bevoegd daaraan op Rijkskosten al de vertimmeringen, verbouwingen of veranderingen uit te voeren, naar zijn oordeel noodig om het voor het Hooger Onderwijs bestemde gebouw aan zijne bestemming te doen beantwoorden.
Contractant ter eenre verbindt zich den doorgang voor voetgangers langs de zuidzijde van de Domkerk open te houden, in den regel dagelijks van T'/o uur des morgens tot 10 uur des avonds, en dien te onderhouden , schoon te houden en te verlichten.
Art. 4. Zoodra het bovenbedoeld nieuw gebouw niet langer voor de te Utrecht gevestigde Rijksnni-
19
versiteit wordt gebruikt, zal hot op do eerste aanvrage van contractante ter andere ter harer vrije beschikking worden gestold in den staat, waarin hot zich alsdan zal bevinden, zonder dat contractante tor andere zal gehouden zijn tot hot betalen of gorochtigd zijn tot het vorderen van oenige vergoeding uit wolkon hoofde ook.
A.rt. 5. Het nieuwe gebouw wordt zoolang do bruikleoning duurt door contractante ter andore tot een nader overeen te komen bedrag bij een of moor door contractant tor eenre goed te keuren brandver-zekeringmaatsehappijon tegen brandgevaar verzekerd.
De vorzokeringspromie wordt jaarlijks door contractant ter eenre aan die tor andore terugbetaald.
Art. 6. Indien het nieuwe gebouw door brand of eenig ander onheil geheel of gedeeltelijk vernietigd wordt, is contractant tor eenre bevoogd het op zijne kosten weder op te bouwen en het herstelde gebouw op den voet van deze overeenkomst in bruikleoning te houden, terwijl contractante ter andore alsdan verplicht is aan contractant ter eenre do schadevergoeding uit te koeren, welke te dezer zake door de brandvorzokeringmaatschappijen zal uitbetaald zijn.
Gaat contractant tor eenre niet binnen 5 jaren tot don wederopbouw over, dan is iiij gehouden het erf en de overblijfselen van hot gebouw op do eerste aanvrage tor beschikking te stollen van contractante tor andere.
Art. 7. Van weerszijden wordt overeengekomen dat geen gebruik zal worden gemaakt van do rechten, bedoeld in do artikelen 1788 en 1789 Burgerlijk quot;Wetboek.
20
Art. 8. Allo kosten op dozo ovoreenkomst vallende, mot uitzondering van dien van zegel, zijn ten laste van contractant ter eenre.
Aldus overeengekomen en in dubbel opgemaakt en onderteekend te 's-Gravenhage en te Utrecht,
BIJLAGEN
BEHOORENDE BIJ DE
1EDEDEELING en VOORDRACHT
VAN
25 Augustus 1887
BETREFFENDE HET
T)K UTRECHT T)S STXGHTEN
20
Art. 8. Allo kosten op dezo overeenkomst val-Icntlè, met uitzondering van dien van zegel, zijn ten laste van contractant tor eenre.
Aldus overeengekomen en in dubbel opgemaakt on onderteekend to 's-Gravenhage en to Utrecht,
17
BIJLAGEN
si
BEHOORENDE BI.T PE
ÏEDEDEELING en VOORDRACHT
25 Augustus 1887
BETREFFKNDK HET
Tfó UTRECHT T)S STXGHTEN
tüllïlJÈÏËittóf-
13 IJ LAGE 1.
Utrecht, 2 Februari I88G.
Het is aan Uwo Excellentie reeds bekend, dat alhier liet voornemen bestaat, om bij do aanstaande plechtige viering van het 250jarig bestaan der Utrcchtsche Universiteit , van gemeentewege over to gaan tot do stichting van een gebouw, hetwelk ten dienste der Universiteit beschikbaar zal worden gestold. Wij achten thans het oogenblik gekomen , om van onzontwege U hiervan medo-dceling te doen , mi dezer dagen de eerste voorbereidende maatregelen zijn genomen , welke wij hopen dat tot de verwezenlijking van dat plan znllen leiden.
ITet denkbeeld, om bij gelegenheid van het 509tt' lustrum der Universiteit ten haren behoeve iets van bljj vendon aard te stichten, was reeds in den voorzomer van het vorig jaar door ons Collogo aan den Gemeenteraad in overweging gegeven , terwijl ongeveer te gelijkertijd een aantal ingezetenen de burgerij uitnoodigden , de middelen te beramen, om op soortgelijke wjjzo van hare belangstelling in het aanstaande feest te doen bljjken. Op veel bezochte openbare vergaderingen word algemeen instemming met dat voornomen geuit en oeno talrijke commissie van burgers benoemd , aan wie werd opgedragen , alles voor te bereiden en te verrichten, wat noodig zou zijn om daaraan gevolg te geven. Intusschen kwam hot aanhangige plan bjj don Gemeenteraad tot rijpheid, die in zjjne zittingen van 17 en 21 November 11. onze daartoe betrek-
Aaii
Zijne Excellentie den Minister ran Staat,
Minister ran Binnenlandftche Zaken te 's-Grarenhaf/f!.
4
keljjke voordracht uitvoerig besprak en op laatstgemcl-den dag, met groote meerderheid, onveranderd aannam.
De Raad besloot toen o. a.:
lü. als blijvend aandenken aan- en duurzaam bewijs vanbelangstelling der gemeente in de Utrechtsche Universiteit , van gemeentewege een Universiteitsgebouw te stichten, dat de thans voor hot universitair onderwijs nog ontbrekende lokalen zal bevatten en , hoewel gemeenteeigendom blijvende, ten dienste van de Universiteit beschikbaar zal worden gesteld;
met het oog op het boven medegedeelde , in den boezem der burgerij kenbaar gemaakte voornemen en de mogelijkheid, dat nog andere samenwerking zou worden aangeboden , knoopte de Raad daaraan de medewerking van andere belangstellenden vast, in den vorm eener bijdrage van minstens een derde der kosten.
2°. dat dit gebouw zal worden gevestigd aan het Munsterkerkhof alhier, om met de tegenwoordige Senaat-kamer , groot auditorium en verdere daar aanwezige academische localiteiten, in verband gebracht en tot een geheel gevormd te worden ;
3°. dat tot de oprichting van dat gebouw zal worden beschikbaar 'gesteld :
a. het gebouw, welks bovenverdieping door liet Leesmuseum [wordt ingenomen ;
b. het daartoe door de gemeente aan te koopen huis met tuin en erf aan het Munsterkerkhof, tusschen het onder a gemelde perceel en de tegenwoordige academische localiteiten gelegen ;
4°. de heeren E. Gugel, Hoogleeraar te Delft, en C. Vermeijs, Architect, Directeur der gemeentewerken alhier, uit te noodigen tot het maken van een ontwerp met begrooting van kosten van het bovenbedoelde gebouw ;
in de raadsvergadering van den 21. Januari dezes ja ars,
1 £?
5
word aan beide hoeren het maken van dat ontwerp mot bestek en kostenbegrooting en, bij goedkeuring daarvan, ook de uitvoering van het werk definitief opgedragen.
De verwachte medewerking van andere bolangstelloudcn bleef niet uit. Op voorstel van Gedeputeerde Staten, besloten do Staten van dit gewest, den 5 December jl., do U bekende belangrijke som als medegavo voor deze stichting der gemeente uit de provinciale middelen beschikbaar te stellen. Daarenboven heeft do bovengemelde commissie do toezeggingen van aan de gemeente aan te bieden bijdragen van de burgerij reeds grootendeels verkregen , en kan men, hoewel het bedrag daarvan nog niet is bekend geworden , toch met zekerheid aannemen, dat de te dien opzichte gekoesterde verwachting geenszins zal worden teleurgesteld.
Wij durven, bij de bekende belangstelling van Uwe Excellentie in al wat het hoogor onderwijs en ook wat do Utrechtsche Universiteit aangaat, ons vleien, dat deze plannen bij U instemming zullen vinden en wij bij het stichten van dit Universiteitsgebouw, hetwelk door do samenwerking van hot Bestuur en de ingezetenen dezer gemeente en de Staten van dit gewest zal tot stand komen. Uwe medewerking en Uwen steun zullen verwerven.
liet behoeft niet nader te worden uiteengezet, dat wij voor do uitvoering van dat plan die medewerking en steun bepaaldelijk zullen behoeven, daar het hier niet alleen eene overname in gebruik door den Staat, ten behoeve der Utrechtsche Universiteit, geldt, maar ook de aansluiting aan — en de voroeniging met — de bestaande ^ Rijksgebouweii, welke voor de Universiteit thans worden gebezigd.
Ook kan er daarom voor onze bouwmeesters behoefte zijn aan de medewerking van — en overleg met — de betrok- —-
6
kou ambtenaren cn deskundigen van Uw departement, waarop wij verzoeken alsdan in deze zaak te mogen rekenen.
Alvorens de op te maken plannen aan den Gemeente-raatTterquot;goedkeuring in te dienen, zullen wij de eer hebben, die aan Uwe Excellentie ter kennisneming en overweging toe te zenden.
Er wordt in het raadsbesluit ook gesproken over den afstand van het Leesmuseum. Wij zouden echter wenschen met het oog op het groot belang dat do Universiteit bjj deze inrichting heeft, welke tot haar in meer dan een opzicht in nauw verband staat, te trachten, ook in het nieuwe gebouw cene geschikte localiteit voor hot Leesmuseum te bestemmen, eene vereeniging zooals die bij sommige buitenlandsche Universiteiten tot groot gerief van Iloogleeraren en studenten plaats vindt. Wij hebben daarom aan onze bouwmeesters uitdrukkelijk opgedragen, in dezen geest, zoo zulks slechts eenigszins mogelijk zal zijn , hunne plannen in te richten.
Wij hopen dat alzoo door onderlinge samenwerking een gebouw zal verrijzen tot sieraad onzer stad en tot nut en roem onzer Universiteit.
B urge meester en Wethouders der (je meen te Utrecht, De Burgemeester, W. R. BOER.
De Secretaris, DE WATTEV1LLE
Bijlagen 2—13.
DE OVEREENKOMST,
BR KEF WISSELING
MET
Z. K. den .Minister van Staat, Minister van ISiiiiioiilamlsclic Zaken.
it.
B IJ L A G
Ministerie van Uiiiiiviilamlscliu Zukcn.
N0. 412'. Afd. O.
lïci-icht O,, .d,rijven van 2 's-Gmvmhmje, 24 Februari 1886 Februari 188G, iin. 48, bctrcflcndu stichting van Universiteitsgebouwen.
Met ingcnomcnlioid vernam ik de voornemens van het bestuur en de ingezetenen der provincie en der gemeente Utrecht ten opzichte der feestelijke herdenking van liet 250jarig bestaan der Universiteit.
Gaarne zal ik thans kennis nemen van het programma van eischen , aan de bouwmeesters voorgelegd, alsmede te zijner tijd van de bouwplannen — waaromtrent ik mij voorstel het gevoelen van Curatoren en van de faculteiten in te winnen.
De Rijksbouwkundige voor de gebouwen van onderwijs is door mij uitgenoodigd Uwe bouwmeesters zooveel noo-dig en mogelijk van raad te dienen bij de* samenstelling der bouwplannen.
Het zal ook noodig zijn, de verhouding te dezer zake tusschen Rijk en Gemeente en Provincie bij eene overeenkomst te regelen. Ik zie deswege een ontwerp van U , door tussclienkomst van Gedeputeerde Staten, tegemoet.
De Minister van Staat,
Minister van Binnenlandsche Zaken , HEEMSKERK.
Aan
Burgemeester en Wethouders van Utrecht.
a
£lt;j
B IJ L A G £ 3.
Utrecht, 24 Sepleinbcr 1880.
Nü. 297 F.
I Bijlag
In liet schrijven van 22 Juni 11. , waarbij de Minister van Staat, Minister van liinnonlandsclie Zaken ons de ontvangst berichtte van liet den 28sten Mei dezes jaars door ons ingezonden ontwerp voor het alhier te stichten Universiteitsgebouw, werd ons gemeld, dat omtrent die stukken een onderzoek wordt ingesteld, doch dat Z. E. inmiddels zijn verzoek herhaalt, om van ons College door Uwe tusschenkomst eene ontweid-regeling te ontvangen van de verhouding, welke te dezer zake tusschen Kijk, Gemeente en Provincie zal worden vastgesteld.
Aan quot;s Ministers verlangen wordt bij deze door ons voldaan door de toezending aan uw College van nevensgaande ontwerp-overeenkomst, waarbij is uitgegaan van onze meening, dat deze overeenkomst alleen tusschen het Kijk en de gemeente Ut recht behoort te worden gesloten.
Wij hebben alzoo de eer, U.E G.A. te verzoeken,
Aan
Ueeren (ledeputeenle Staten van Utrecht.
12
nevensgaand ontwerp aan Z. E. den Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken te willen doen toekomen onder mededeeling, dat wij bereid zijn dit ontwerp aan den Raad onzer gemeente ter goedkeuring voor te dragen.
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht, De Burgemeester,
W. R. BOER.
De Secretaris, J. E. ENKLAAR, 1. s.
B IJ L A G E Sbis.
Burgomooster on Wethouders van Utrecht, hiertoe gemachtigd bjj besluit van den Gemeenteraad van den , goedgekeurd bjj besluit van Gedeputeerde Staten van , ter eener , en Curatoren der Rijksuniversiteit te Utrecht, hiertoe gemachtigd door Zijne Excellentie den Minister van Staat, Minister van Binnenlandscho Zaken bjj missive van den ter anderer zijde, zjjn overeengekomen als volgt:
Art. 1.
Contractanten ter eener zjjde dragen over en contractanten tor anderer zjjde nemen aan, ten behoeve der Utrechtsche Rjjksuniversiteit, het voortdurend gebruik van het nieuwe Universiteitsgebouw , van gemeentewege aan het Munsterkerkhof te Utrecht gebouwd op de kadastrale perceelen gemeente Utrecht, sectie B, n0. 2655, n0. 003 en een gedeelte van n0. 2694 (Munsterkerkhof).
Art. 2.
Contractanten ter anderer zijde zijn belast met het onderhoud van het in art. 1 genoemde gebouw en met de betaling der lasten, welke daarop rusten of mochten gelegd worden , en zjjn bevoegd, daaraan op kosten van hot Rjjk al de vertimmeringen en veranderingen aan te brengen, welke de bestemming der lokalen voor het hoogor onderwijs zal vereischon.
14
Art. 3.
Zoodra het hierboven genoemde Universiteitsgebouw niet langer voor de alhier gevestigde Rijksuniversiteit wordt gebruikt, zal het op do eerste aanvrage van contractanten ter eener zijde te hunner vrije beschikking worden gesteld in den staat, waarin het zich alsdan zal bevinden, zonder dat contractanten ter eener zijde zullen gehouden zjjn tot het betalen of gerechtigd tot het vorderen van eenige vergoeding , uit welken hoofde ook.
In geval van geheele of gedeeltelijke vernieling van het gebouw door brand of eenig ander onheil is het Rijk niet tot wederopbouw verplicht, maar is in geval van nietwederopbouw gehouden, het erf en de overblijfselen op de eerste aanvraag ter vrije beschikking van contractanten ter eener zijde te stellen. Voor zoover het Rijk tot wederopbouw overgaat, zullen de contractanten ter eener zijde de schadevergoeding, van de brandverzekering-maatschappij te dezer zake ontvangen , aan het Rjjk uitbetalen , en hot Rijk omtrent het nieuwe gebouw dezelfde rechten en verplichtingen hebben , als het thans omtrent het nu gebouwde verkrijgt.
Art. 4.
De jaarljjksche premie van verzekering van het gebouw tegen brandgevaar wordt door contractanten ter anderer zijde aan die tor eener zijde jaarlijks terugbetaald.
Art. 5.
De zorg voor het reinhouden, het verlichten, het openen dos morgens te ll.l 8 uur en het sluiten des avonds te 10 uur van den doorgang voor het publiek komt, voor zoover die in of langs het Universiteitsgebouw gelegen is, ten laste van contractanten ter anderer zijde.
15
Art. 0.
Allo kosten op deze overeenkomst vallende, met uitzondering van die van zegel, zijn ten laste van contractanten tor andorer zijde.
|
Aldus overeengekomen maakt en geteekend 188 |
en in dubbel opge-te Utrecht, den |
B IJ L A G E 4
Miiiislcih' vnii ItliiiiciiluiHlsclie Zaken.
L'. A., Afd. O.
Vervolg op sehrijven van 24 Februari en 22 Juni 188G , nn. 412 's Gl'(ive)lh(l(/e , 19 MdOvt 1887.
eu 1026^^(1 O, betreffende nieuw gebouw liijksunivcrsiteit Utrceht.
Met het door U den 24 September jl. aan Gedeputeerde Staten van Utrecht gezonden ontwerp voor de overeenkomst , te sluiten ter zake van do stichting van nieuwe lokalen ten behoeve der Rijksuniversiteit te Utrecht, kan ik mij in hoofdzaak wel vereenigen.
Omtrent sommige punten komt het mij intusschen voor, dat de ontworpen regeling behoort aangevuld of verduidelijkt te worden, zoodat ik eon nieuw ontwerp heb opgesteld , dat U hierbij ter goedkeuring en ter verdere behandeling wordt toegezonden.
Be Minister ran Staat,
Minister van Binnenlandsche Zaken , HEEMSKERK.
Aan
Burgemeester en Wethouders van Utrecht.
2
1^
B ij l a a e 4bis.
Ontwerp.
De Minister van Binnenlandsche Zaken, handelende namens den Staat der Nederlanden, ter eenre en Burgemeester en Wethouders van Utrecht, handelende voor de gemeente, hiertoe gemachtigd bij besluit van den Gemeenteraad van , goedgekeurd bij
dat van CTcdeputeerde Staten van Utrecht van van welke besluiten afschriften aan deze overeenkomst zijn gehecht, ter andere,
zijn overeengekomen als volgt:
1. Contractante ter andere verbindt zich op de terreinen aan het Munsterkerkhof, thans ingenomen door het gebouw van het Leeskabinet en door het oostwaarts aangrenzende huis , binnen 5 jaren na de goedkeuring , bedoeld iu artikel 2, een nieuw gebouw te stichten , bevattende de voor het universitair onderwijs thans nog ontbrekende lokalen en dit nieuw gebouw, hetwelk gemoenteeigendom bljjft aan contractant ter eenre ten behoeve der Rijksuniversiteit te Utrecht kosteloos in bruikleening af te statin.
2. Contractant ter eenre verbindt zich bovenbedoeld nieuw gebouw in bruikleening aan te nemen, onder voorwaarde dat het gebouw zij overeenkomstig door contractant ter eenre vooraf goedgekeurde opgaven van eischen, plannen en bestekken.
3. Contractant ter eenre neemt van het oogenblik dat
20
het nieuw gebouw hem zal zijn overgedragen het onderhoud , het schoonhouden en de verlichting daarvan op zich, alsmede de lasten, welke daarop mochten rusten.
Hij is bevoegd daaraan op Rijkskosten al de vertim-mêringen, verbouwingen of veranderingen uit te voeren, naar zijn oordeel noodig om het voor het hooger onderwijs bestemde gebouw aan zijne bestemming te doen beantwoorden.
4. Zoodra het bovenbedoelde nieuwe gebouw niet langer voor de te Utrecht gevestigde Rijksuniversiteit wordt gebruikt, zal het op de eerste aanvrage van contractante ter andere ter barer vrije beschikking worden gesteld in den staat waarin liet zich alsdan zal bevinden , zonder dat contractante ter andere zal gehouden zijn tot het betalen of gerechtigd zijn tot het vorderen van eenige vergoeding uit welken hoofde ook.
5. Het nieuwe gebouw wordt, zoolang de bruikleening duurt, door contractante ter andere tot een nader overeen te komen bedrag bij een of meer door contractant ter eenre goed te keuren brandverzekeringmaatschappijen tegen brandgevaar verzekerd.
De verzekeringspremie wordt jaarlijks door contractant ter eenre aan die ter andere terugbetaald.
6. Indien het nieuw gebouw door brand of eenig ander onheil geheel of gedeeltelijk vernietigd wordt, is contractant ter eenre bevoegd het op zijne kosten weder op te bouwen, en het herstelde gebouw op den voet van deze overeenkomst in bruikleening te houden, terwijl contractante ter andere alsdan verplicht is aan contractant ter eenre de schadevergoeding uit te keeren, welke te dezer zake door de brandverzekeringmaatschappijen zal uitbetaald zijn.
Gaat contractant ter eenre niet binnen 5 jaren tot den wederopbouw over, dan is hij gehouden het erf en
21
de overblijfselen van het gebouw op de eerste aanvrage ter beschikking te stellen van contractante ter andere.
7. Van weerszijden wordt overeengekomen dat geen gebruik zal worden gemaakt van de rechten , bedoeld in de artikelen 1788 en 1789 van het Burgerlijk Wetboek.
8, Alle kosten op deze overeenkomst vallende, met uitzondering van die van zegel, zijn ten laste van contractant ter eenre.
Aldus overeengekomen en in dubbel opgemaakt en onderteekend te Utrecht den , en
te 's Gravenhage den
Behoort bij schrijven van den Minister van Staat,
Minister van Binnenlandsche Zaken, van 10 Maart 1887,
L. A., afd. O.
Mij bekend, De Secretaris-Generaal,
ARNTZEMUS, 1. S. Gr.
ihis T/
Antwoc Maart II betreffend universite
*
Ziji j
B IJ L A G E
Nquot;. 11.
Antwoord op schrgrcn van 19
Maart 1887, Lr. A., Afd. o. Utrecht, 10 Mei 1887.
betreffende nieuw gebouw Rijksuniversiteit tc Utreclit.
Het was ons hoogst aangenaam bij Uw hiernevens aangehaald schrijven de niededeeling te ontvangen, dat Uwe Excellentie zich in hoofdzaak wel kan vereenigen met de door ons den 24. September 1886 aan Gedeputeerde Staten van Utrecht ingezonden ontwerp-overeen-komst, ter zake van de stichting van nieuwe lokalen ten behoeve dor Rijksuniversiteit alhier.
Daarbij wordt ons echter tevens gemeld, dat de ontworpen regeling U voorkomt omtrent sommige punten aanvulling of verduidelijking te behoeven.
Ofschoon wij ons in de meeste opzichten met het ons daarom ter goedkeuring en verdere behandeling toegezonden nieuw ontwerp wel zouden kunnen vercenigcn, bestaan er echter tegen de 3 eerste artikelen bij ons enkele bezwaren, welke wij de eer hebben hierbij aan de overweging van Uwe Excellentie aan te bevelen. De bij ons gerezen bedenkingen zijn do volgende:
Art. 1 en 2. Tegen den in het nieuw ontwerp gekozen vorm, overeenkomst van bruikleening, bestaat bij ons
Aan
Zijne Excellentie den Minister van Staat Minister van Binnenlandsche Zaken te 's-Gmvenhaye.
24
geen bezwaar; docli het is onze bedoeling, dat deze overeenkomst niet eerder worde gesloten, dan nadat de dezerzijds opgemaakte plannen en bestek door Uwe Excellentie goedgekeurd en daarna door den Gemeenteraad vastgesteld zullen zjjn. De vaststelling van het plan en bestek wenschten wij derhalve aan de overeenkomst,
doch deze aan de aanbesteding te zien voorafgaan. Daardoor znl worden vermeden, dat de Gemeente zich tot het stichten van het gebouw bij contract verbinde, hetgeen in strijd zou zijn met hetgeen werkelijk bedoeld wordt: vrijwillige stichting van het gebouw door de Gemeente krachtens raadsbesluit van 21 November 1885,
terwijl dat gebouw als een feestgave ten behoeve van de Utrechtsche Universiteit door het Rijk van de Gemeente wordt aangenomen.
Alvorens echter de Gemeente den bouw doet aanvangen, behoort zij de zekerheid te verkrijgen, dat het gebouw door den Staat tot het beoogde doel in gebruik en onderhoud zal worden genomen.
Uit het bovenstaande vloeit de door ons voorgestelde volgorde van zelve voort:
1°. vaststelling van plannen en bestek ;
2°. sluiting der overeenkomst tusschen den Staat en de Gemeente ;
3°. aanbouw van het Universiteitsgebouw en overgave daarvan aan den Staat.
Wij hebben met het oog daarop de eer aan Uwe Excellentie in overweging to geven, de beide eerste artikelen (nieuw ontwerp) te vervangen door de beide volgende :
„Art. 1. Contractant ter eener verbindt zich het nieuwe Universiteitsgebouw, hetwelk contractant ter anderer zijde binnen drie jaren na het sluiten dezer overeenkomst, aan het Munsterkerkhof te Utrecht, overeenkomstig de
f2
25
door contractant ter coner goedgekeurde plannen en bestek zal hebben gesticht, ten behoeve der Rijksuniversiteit te Utrecht van contractant ter andere in bruikleening aan te nemen, zoodra de contractant ter eener van het Genicentebestuur van Utrecht het bericht zal hebben ontvangen, dat het gebouw volgens het bestek geheel afgewerkt is en ter overgave gereed staat.
Art. 2. Contractant ter andere verbindt zich aan contractant ter eener voor denzelfden tijd en met dezelfde bestemming als het te stichten Universiteitsgebouw ook de aan de Gemeente Utrecht in eigendom toebehoorenden oostelijke en westelijke kloostergang en het daartusschen gelegen plein (area, vrijhof), een en ander met uitzondering van den openbaren doorgang van het Munsterkerkhof naar de straat, genaamd Domtrans, in bruikleening af te staan.quot;
Omtrent dit 2'le artikel meenen wij Uwe Excellentie ons schrijven van 12 Juli 1883, n0. 25 F., in herinnering te mogen brengen, waarbij wij de medewerking van Uwe Excellentie tot rectificatie van een bestaand abuis in de kadastrale tenaamstelling hebben verzocht.
Met het oog op artikel 1777 Burg. Wetboek zou het ons onnoodig voorkomen te bepalen, dat de afstand in bruikleening kosteloos zou geschieden.
Art. 3. Wij zouden wenschen, dat aan dit artikel nog het volgende als derde lid werd toegevoegd:
„Contractant ter eener neemt ook op zich het schoonhouden , onderhouden en verlichten van het gedeelte van den bovengenoemden openbaren doorgang, hetwelk in of langs het Universiteitsgebouw zal gelegen zijn, en verbindt zich dat gedeelte van VjS uur v.m. tot 10 uur n.m. voor het publiek open te doen stellen.quot;
Met de overige artikelen der ons toegezonden nieuwe ontwerp-overeenkomst kunnen wij ons vereenigen.
26
Wij zijn geheel bereid , om, indien de hierboven door ons voorgestelde wijzigingen do goedkeuring van Uwe Excellentie mogen wegdragen , zoodra het plan van het gebouw zal zijn vastgesteld, ook deze ontwerp-overeen-komst aan den Gemeenteraad ter goedkeuring in te dienen.
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht, De Burgemeester, W. R. BOER.
De Secretaris, DE WATTEVILLE.
Bijlage. 6.
UTRECHT, 12 Juli 1883.
N0. 26bis F.
Van den opzichter der Universiteitsgebouwen alhier ontvingen wij een schrijven van den 10dcquot; dezer maand, waarbij aan ons College werd medegedeeld, dat hem door Uwe Excellentie is opgedragen, den tijdelijken doorgang over het terrein van de Domkloostergang alhier te sluiten.
Wij gevoelen ons gedrongen onze ernstige bezwaren tegen die sluiting kenbaar te maken, en Uwe Excellentie beleefd maar dringend te verzoeken , wel te willen gelasten , dat die sluiting niet plaats hebbe, of worde weggenomen.
Die sluiting toch zou een groot en dageljjksch ongerief aan vele ingezetenen veroorzaken, die van dien doorgang, hetzij als toegang naar het Leesmuseum, hetzij als verbindingsweg tusschen het Munsterkerkhof en de straat? genaamd Achter den Dom , bij voorkeur gebruik maken.
Vooral is hij voor velen, die dagelijks het Leesmuseum alhier bezoeken en die den niet alleen langoren, maar ook bij guur en winderig weder bezwaarlijken omweg om het kerkgebouw en over het Munsterkerkhof moeten trachten te vermijden, schier onmisbaar.
Bedriegen wij ons niet, dan zou deze sluiting alleen geschieden, omdat de tegenwoordige werkzaamheden van
Aan
Zijne Excellentie den Minister' van Binnenlandsche Zaken te 's-Gravenhaye.
28
herstelling en vernieuwing der zuilengangen, zooals bij een ongeval, dat onlangs plaats had, gebleken is, levensgevaar voor lien, die dien doorgang gebruiken, opleveren , en dit gevaar alleen zou kunnen worden voorkomen door eene voorziening, welke do genoemde opzichter te vergeefs getracht heeft van gemeentewege te doen bekostigen.
Wij vertrouwen, dat üwe Excellentie de billijkheid zal erkennen van het bezwaar, dat ons weerhield, de kosten eener voorziening in het gevaar, hetwelk het van Rijkswege uitgevoerd wordend werk veroorzaakt, ten laste der gemeente te brengen, en daarom thans, bekend gemaakt met hot belangrijk ongerief dat de sluiting van den doorgang oplevert, het aanbrengen dezer voorziening van Rijkswege wel zal gelieven te gelasten.
Ook nog uit anderen hoofde echter gevoelen wij ons verplicht tegen deze sluiting van den doorgang cp te komen.
Er schijnt n.1. ten gevolge van verkeerde kadastrale tenaamstelling eene misvatting te bestaan omtrent den eigendom van de area en de beide onderling evenwijdige kloostergangen (den oostelijken en westelijken).
Deze 3 staan thans, evenals de zuidelijke zuilen- of kloostergang, kadastraal bekend als een gedeelte van het perceel gemeente Utrecht, Sectie B, n0. 2656 Academie, groot 1541 M®, eigendom van den Staat, gewone domeinen , terwijl naar onze overtuiging van de genoemde gronden en gangen alleen de zuidelijke gang eigendom van den Staat is.
Bij notarieele akte toch (Notaris H. van Ommeren) van 7 October 1828 heeft het stedelijk bestuur van Utrecht, krachtens machtiging van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 1 Juli 1828, nquot;. 89quot;, ingevolge Koninklijk besluit van 25 Maart 1828, n0. 124, van kerkvoogden
29
der Nedoi'duitsch Hervormde Gemeente, hiertoe bij Koninklijk besluit van 24 Juni 1828, n0. 10, gemachtigd, voor de som van f 3000.— gekocht:
„zekere huizinge, staande en gelegen ter zijde van de Domkerk binnen deze stad en tot dezelve behoorende, strekkende voor ten westen aan het plein, genaamd het Munsterkerkhof, ten noorden tegen de voornoemde kerk en ten zuiden de huizinge behoorende aan de erven van den quot;Weledelgeboren heer Mi-. Joan Gideon Loten, zijnde gemerkt letter F, n0. 218, en zulks met de zoogenaamde kleine secretarie n0. 219 en de voor deze huizinge gelegen plaats of tuin.
Onder dezen afstand en verkoop zijn ook begrepen de kluizen en bogen, op en tegen welke de voornoemde huizinge rustende en strekkende is, benevens de onder die kluizen en langs die bogen liggende gang of straat, tot aan den boog bij de opening, welke uit de kerk achter de Statenbank naar het binnenplein geleidt, alwaar de vrije uitgang naar de stovenhokken der kerk en derzei ver erf, langs het binnenplein gelegen, onverhinderd zal verblijven.
Voorts zijn onder dezen verkoop mede begrepen de kluizen en bogen aan de overzijde van het binnenplein, strekkende van de bogen die van het gebouw van de Hoogeschool afloopen tegen de kerkelijke huizinge, naast de oostzijde der kerk, met de onder en langs dezelve gelegen gang of straat tot aan de treden, welke verder naar den ingang der kerk geleiden , alwaar de vrije uitgang naar het erf der kerk, langs het binnenplein alsmede naar en uit de voornoemde kerkelijke huizinge, thans door de quot;Waal bewoond, onverlet zal moeten verblijven.quot;
Bij deze overeenkomst werd ook bepaald, dat:
„Voor rekening der stad Utrecht zal moeten worden voorzien in het onderhoud van het binnenplein der
30
academie en het aldaar gelegen riool, gelijk mede in de kosten van herstelling der buitendeur en het maken van een portaal aan de binnenzjjde van het zoogenaamde pand der kerk, door hetwelk dan de uitgang derzelve naar het Dom- en Munsterplein zal plaats hebben, ter oorzake van den afstand der thans bestaande uitgang aan die zijde.quot;
Hieruit blijkt, dat de gemeente Utrecht in 1828 eigenares is geworden van de beide bovengenoemde (oostelijke en westelijke) zuilengangen, welke waarschijnlijk in 1824 of reeds vroeger door den Staat aan de Hervormde Gemeente waren overgedragen, terwijl het onderhoud van het binnenplein toen door de kerkelijke aan de burgerlijke gemeente werd overgedragen.
Zoo zijn dan ook van tijd tot tijd, o. a. in 1857 en later van stadswege herstellingen aan de bogen dier gangen aangebracht en werd bij den aanvang der tegenwoordige restauratie voor eene tijdelijke sluiting schriftelijk vergunning van ons College gevraagd en verkregen.
Het is op deze gronden, dat wij do eer hebben Uwe Excellentie beleefdelijk te verzoeken, niet alleen de sluiting van den doorgang wel te willen doen staken, maar ook Uwe medewerking te verleenen tot de verbetering der bovengenoemde kadastrale tenaamstelling.
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht, De Burgemeester,
W. R. BOER.
De Secretaris, J. E. ENKLAA.R, 1. s.
BIJLAGE
Ministerie van Itinnenlaiulsche Zaken.
N0. 2097. Afdeeling K.W.
Bericht op schrijven van 12 's-GravenJuif/n, 15 Auf/ustus 1883. Juli 1883, n0. 2aiis F. bctrclTcinlc kloostergang Domkerk Utrecht.
Gelijk terecht door U wordt verondersteld, moest do sluiting van den doorgang door do kloostergang der Domkerk te Utrecht worden bevolen tot voorkoming van ongelukken gedurende den loop van het herstellingswerk; onlangs toch heeft een persoon, die van den doorgang gebruik maakte, belangrijke verwondingen bekomen door het vallen van een steen.
Ten einde intusschen tegemoet te komen aan het ongerief waarop door U gewezen wordt, laat ik onderzoeken of voorzieningen te treffen zijn, die mij zouden veroorlooven zonder gevaar voor de openbare veiligheid, noch bezwaar voor het werk den toegang weder open te stellen.
Omtrent het slot van Uw schrijven zal U nader worden bericht.
De Minister van Binneulandschc Zaken, HEEMSKERK.
Aan
Burgemeester en Wethouders van Utrecht.
Bijlage 8.
Ministerio van Kiiinenliiiirisclio Znkon.
N0. 1413, nfdeeling O.
Bcricht op sc-lirijveu van io Mei 's-Gravenliage, 1G Mei 1887.
1887, n0. 11, betrcffeudc nieuw geliomr Rijksuniversiteit Utrecht.
Met genoegen vernam ik, dat Gij U in hoofdzaak met het door mij aangeboden ontwerp eener overeenkomst kunt vereenigen.
Uw bezwaar tegen de redactie der artikelen 1 en 2 acht ik niet gegrond, evenmin als de opmerking dat een contractueele verbintenis der Gemeente om een Universiteitsgebouw te stichten in strijd zou zijn met de bedoeling , dat de Gemeente vrijwillig dit gebouw aan het Rijk als een feestgave aanbiedt, en het Rijk dit geschenk aanneemt.
Immers het geldt hier de regeling van de verhouding tusschen de Gemeente, welke vrijwillig belooft een gebouw te stichten en in bruikleening af te staan, en het Rijk, dat vrijwillig door het in bruikleening aannemen van zoodanig gebouw medewerkt tot het verwezenlijken van de bedoeling der Gemeente. De wcnsch om eene feestgave te schenken is de aanleidonde oorzaak tot het tot stand komen der nieuwe te regelen verhouding , doch de regeling dier verhouding , hetzij de mildheid der gemeente besta in een afstand in eigendom, hetzjj die zich uite in een afstand in bruikleening, kan niet anders dan door eene overeenkomst
Aan
Burgemeester en Wethouders van Utrecht.
3
34
gescliiedon, waarbij de oene partij zich verbindt tot de schenking of den afstand in bruikleening, de andere tot de aanneming van het aangebodene. Het karakter van . vrijwilligheid gaat daarbij geenszins verloren, want de overeenkomst zelve wordt door beide partijen vrijwillig aangegaan, doch het is duidelijk dat, zooals in elke overeenkomst, tegenover de verbintenis om aan te nemen staat die om aan te bieden. Daarom komt het mij voor, dat de logische volgorde in overeenstemming met hetgeen U werd medegedeeld in mijne brieven van 24 Februari 1886, nn. 412, en van 22 Juni 1886, n0. 1626, afd. O, deze is, dat in de eerste plaats contractueel worde geregeld de verhouding tusschen Rijk en Gemeente, welke een gevolg is van het voornemen der Gemeente om een Universiteitsgebouw te stichten en in bruikleening af te staan en van de bereidverklaring van de Regeering, om tot verwezenlijking van dat denkbeeld mede te werken.
De vaststelling van het programma van eisclien, van de plannen en van de bestekken en de bouw zelf zijn eenvoudig de uitvloeisels dier overeenkomst, tot uitvoering waarvan zij strekken, want het is duidelijk, dat indien niet vooraf overeengekomen is, dat de Gemeente een gebouw zal stichten en in bruikleening afstaan, en het Rijk dat gebouw te zijner tijd zal aanvaarden, er van de vaststelling van een program, van plannen en bestekken en van een daaraan te geven uitvoering geen sprake zou kunnen zijn,
a Het ware niet logisch, dat de Gemeente kosten maakte 'n**/ tüU^-tot het doen vervaardigen van bouwkundige stukken, te n»i^1 ^ * indien niet vooraf door eene overeenkomst was uitge-' maakt, dat Rijk en Gemeente het eens zijn omtrent de
zaak zelve, waartoe die stukken moeten dienen.
En het heeft niet aan de Regeering gelegen, dat deze overeenkomst niet tot stand gekomen is, voordat tot het
J
8
35 .
opmaken dier stukken werd overgegaan , want reeds op 24 Februari 1886 werd dezerzijds op het sluiten dier overeenkomst aangedrongen. In één woord, liet vaststellen der bouwkundige stukken is een uitvloeisel van eene nieuwe verhouding tusschen Rijk en Gemeente en kan dus eerst na regeling en vaststelling dier verhouding worden ter hand genomen.
Intusschen, ten einde het karakter van de handeling der gemeente beter te doen uitkomen , heb ik er geen bezwaar tegen de redactie van artikel 1 te wijzigen als volgt: „Contractante ter andere, wenschende ter gelegenheid van het feest van het 250jarig bestaan der Utrechtsche Universiteit door eene feestgave hare belangstelling in deze instelling te betoonen en ten hare behoeve behoor-Ijjke lokalen beschikbaar te stellen, verbindt zich op de terreinen aan het Munsterkerkhof (thans ingenomen door hot gebouw van het Leeskabinet en door het daaraan zuidoostwaarts grenzende huis) binnen 3 jaren na de goedkeuring, bedoeld in artikel 2, een aanvang te maken met de stichting van een nieuw gebouw, bevattende, enz.quot;
liet nieuwe artikel 2 door U voorgesteld , heeft tot doel van het Rijk de erkenning te bekomen van het eigendomsrecht van de gemeente op de westelijke en oostelijke kloostergang en den daartusschen gelegen vrijhof.
Ik moet bezwaar maken deze aangelegenheid te regelen en tot beslissing te brengen in een contract hetwelk een daaraan vreemde zaak betreft, doch ben bereid die quacstie afzonderlijk te behandelen en tot een goed einde te brengen.
Ik ben bereid aan Uwe wenschen ten aanzien van den doorgang langs de zuidzijde van de Domkerk gevolg te geven en stel U voor daartoe de volgende alinea aan artikel 3 toe te voegen:
36
„Contractant ter eenre verbindt zich den doorgang voor voetgangers langs de zuidzijde van de Domkerk open te houden, in den regel dagelijks van half acht ure des morgens tot tien ure des avonds, en dien te onderhouden , schoon te houden en te verlichten.quot;
De Minister van Staat ,
Minister van Binnenlandsche Zaken,
heemskerk.
B IJ L A G E 9.
Utrecht, 27 Mei 1887.
N0. 34.
Met groote belangstelling vernamen wij uit Uw schrijven van 16 Mei 11., n0. 1413, Afd. 0, welke wijzigingen Uwe Excellentie met het oog op den inhoud van onzen brief van den 10dcquot; dezer maand, n0. 11, alsnog heeft gebracht in het ontwerp der overeenkomst, tusschen den Staat en onze Gemeente over de ingebruikneming van het te stichten Universiteitsgebouw te sluiten.
Het was ons aangenaam daarbij te mogen opmerken, hoe op 2 punten (1. vermelding der bedoeling van de stichting en 2. behoud van den openbaren doorgang mot verzekering van zijn onderhoud en verlichting) door Uwe Excellentie aan ons verlangen gehoor wordt gegeven.
Nog bestaat er echter bij ons bezwaar tegen enkele der ontworpen artikelen.
Een hoofdbezwaar blijft tegen artikel 1. Bij ons laatste schrijven namen wij reeds de vrijheid aan Uwe Excellentie ons gevoelen kenbaar te maken , dat de vaststelling van het plan en bestek van het te stichten Universiteitsgebouw aan het sluiten dezer overeenkomst behoort vooraf te gaan. Dat gevoelen is ook door de nauwgezette overweging van hetgeen daartegen in Uw boven aangehaald schrijven van 16 Mei 11. werd aangevoerd niet kunnen gewijzigd worden; en wij gevoelen ons daarom verplicht.
Aan
Zijne Excellentie den Minister van Staat,
Minister van Binnenlandsche Zaken te 's-Gravenhaye.
38
er nogmaals bij Uwe Execllontic op aan to dringen , dat het door ons voorgestelde tijdstip voor liet aangaan dezer overeenkomst — zoodra mogelijk na de vaststelling van plan en bestek — moge worden aangenomen.
Er valt niet aan te twijfelen , dat zoowel de Raad onzer gemeente als ons College , in overeenstemming met den wenseh onzer gelieele burgerij, zoo spoedig mogelijk tot de stichting van bet Universiteitsgebouw verlangt over te gaan, en allereerst in overleg met Uwe Excellentie plan en bestek vast te stellen van dat gebouw , dat, zoodra bet gereed is, als feestgave ten beboevo van de Utrecbtscbe Universiteit ter bescbikking van den Staat zal worden gesteld.
Zncbt tot bespoediging, overleg en samenwerking zal dus dezerzijds niet ontbreken.
Maar, Uwe Excellentie gelieve wel te overwegen , dat wij, ook tegenover al onze U bekende medestichters, verplicht zijn daaraan te blijven vasthouden, dat er voor de • gemeente noch aanleiding, noch eene enkele reden van nuttigheid bestaat, om zich contractueel tot die stichting te verbinden.
De taak , welke wij hebben uit te voeren, brengt mede, dat wij het karakter van vrijwillige aanbieding dezer feestgave ongeschonden moeten trachten te bewaren. Daarmede zou, o. i. het aangaan dezer contractuccle verbintenis geheel in strijd zijn.
Ook zou zulks noch voor de gemeente, noch voor de zaak zelve van eenig nut kunnen zijn. Aan een prikkel tot het spoedig tot stand brengen der zaak bestaat dezerzijds geen behoefte ; en den waarborg voor de gemeente , dat zij niet nutteloos bouwkundigen arbeid be-kostige, kan dat contract niet geven , want de opdracht tot bet vervaardigen van bouwkundige plannen en van het bestek is reeds lang gegeven ; de daaruit voort te vloeien kosten kunnen niet meer worden vermeden.
39
Wij nemen daarom de vrijheid er bij Uwe Excellentie nogmaals ernstig op aan te dringen , dat liet sluiten dezer overeenkomst tot na de vaststelling van plan en Lestek worde verschoven.
liet ontwerpen dor overeenkomst kan desniettemin zoo tijdig geschieden, dat die, zoodra plan en bestek zijn vastgesteld , onmiddellijk worde aangegaan.
Ook de zaak der beide kloostergangen en van den vrijhof kan dan in dien tusschentijd worden geregeld.
Het spreekt van zelf', dat ons aanbod, om aan den Gemeenteraad het in bruiklecning afstaan voor te stellen van die genoemde zaken, waarvan de gemeente door een bij Koninklijk besluit goedgekeurden verkoop eigenares is geworden, vervalt, wanneer Uwe Excellentie thans bezwaar blijft maken, zulks in de overeenkomst omtrent het Universiteitsgebouw te begrijpen. Dit aanbod, en niet bloot, zooals door Uwe Excellentie wordt verondersteld, het verkrijgen van de erkenning van het eigendomsrecht der gemeente, was het doel van het door ons voorgestelde artikel 2. Al had ons voorstel de strekking van minnelijke regeling eener zaak, waaromtrent wij nog nooit hadden mogen vernemen, dat Uwe Excellentie cene andere meening dan ons College koestert, het kan onmo-geljjk aan do hier behandelde zaak vreemd worden genoemd , de kloostergang , welke in meer dan één opzicht met het nieuwe Universiteitsgebouw in verband zal worden gebracht, als een deel of annex daarvan te behandelen en in gebruik te geven.
Daar evenwel de keuzo van het tijdstip der overeenkomst van invloed is op haren inhoud, meencn wij te moeten afwachten, dat de door ons op dit punt ge-wenschto overeenstemming zij verkregen, alvorens onze bedenkingen tegen enkele andere bepalingen van het ontwerp aan Uwe Excellentie in overweging te geven.
dejt %vii iZ 1 Luih )u v{r /l/- [b'J
40
Blijft evenwel Uwe Excellentie haar verlangen tot het nu reeds sluiten der bedoelde overeenkomst handhaven, dan zijn wij bereid onder mededeeling van de tusschen U en ons omtrent deze quaestie gevoerde briefwisseling, dit punt aan do goedkeuring van den Gemeenteraad te onderwerpen.
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht, De Burgemeester, W. R. BOER.
De Secretaris, DE WATTEVILLE.
BIJLAGE
Ministerie van Itinnenluiulselie Zaken.
N0. 1623, \(d. O.
Bericht op schrijven van 27 Mei 1887 , nn. 34 , betreffende nieuw gebouw Rijksuniversiteit Utrecht.
's-Gravenhaye, 10 Juni 1887.
Gelijk ik reeds in mijn schrijven van 16 Mei jl., n0. 1413. Afd. O , zeide, kan ik geenszins uw gevoelen beamen, dat het sluiten eener overeenkomst, zooals de door mij bedoelde , in strijd zoude zijn met het karakter van vrijwillige aanbieding der voorgenomen feestgave.
Volgens de redactie voorgesteld in Uw schrijven van 10 Mei jl., n0. 11 , waartegen ik reeds bezwaar maakte, zou alleen de Regeering zich moeten verbinden, en wel tot het aannemen van het te stichten Universiteitsgebouw, doch het is duidelijk, dat tegenover die verplichting de Gemeente zich moet verbinden om het gebouw te stichten en te leveren.
Dat de Gemeente deze verplichting geheel vrijwillig op zich neemt, volgt uit de aanleiding tot het sluiten der overeenkomst en kan, zooals ik in mijn vorig schrijven zeide, desgewenscht uitdrukkelijk in het contract worden vermeld. Doch de stelling, dat door zoodanig contract het vrijwillig karakter der daad zou verloren gaan , is, zooals ik mij vlei dat ook door U bij nader inzien zal worden beaamd , kwalijk houdbaar; ware dit
Aan
Burgemeester en Wethouders van Utrecht.
42
anders, dan zouden de titels van schenking en van bruik-Wning uitliet Burgerlijk Wetboek moeten verdwijnen;artikel 1777 van dat wetboek is ondubbelzinnig in dit opzicht.
Ik mag derhalve den Staat niet verbinden om het te stichten Universiteitsgebouw te aanvaarden, tenzij de Gemeente daartegenover zich verbinde dit gebouw te stichten en af te staan.
Voor Uwe meening, dat de plannen en bouwkundige stukken voor dit gebouw behooren te worden vastgesteld, vóórdat de verhouding van Rijk en Gremcentc ter zake dezer stichting geregeld zij, tref ik in Uw nevengemelden brief geen enkel argument aan.
Trouwens het is duidelijk, dat de goedkeuring en vaststelling dor bouwkundige stukken niet anders is dan een daad tot uitvoering van do tusschen Staat en Gemeente getroffen overeenkomst , waaraan de Staat zijne bevoegdheid tot het beoordeclen dier stukken moet ontloenen.
Moest die goedkeuring aan het tot stand komen der overeenkomst voorafgaan, dan zou het den schijn hebben alsof de overeenkomst en dus de feestgave zelve van die goedkeuring werd afhankelijk gesteld, en zou de vrijheid, waarop de Regeering bij liet beoordeclen der bouwkundige stukken noodwendig in het belang der Universiteit moot prijs stellen , bedreigd kunnen schijnen.
Uw College zal, naar ik mij vlei, inzien, dat, om het milde denkbeeld dor schenkers te verwezenlijken , die de Universiteit in het bezit van geschikte lokalen wonschen te stellen , het noodig is, dat de Regeering aan welke de belangen dor Universiteit zijn toevertrouwd, volkomen vrijheid hebbe om de toegedachte lokalen na de ver-eischte adviezen te hebben ingewonnen , te beoordeclen, en dat derhalve zelfs de schijn moet worden vermeden , als zou de overeenkomst en daarmede de feestgave afhankelijk kunnen gesteld worden van de vraag, of de Regeering
43
al dan niet de bouwkundige stukken goedkeurt. haar voor te leggen. Die schijn nu zou ontstaan indien het sluiten der overeenkomst moest wachten op de vaststelling der bouwkundige stukken.
Ik moet derhalve blijven bij de meening uitgedrukt in mijne brieven van 24 Februari 1886, n0. 412, 22 Juni 1886, n0. 1626, 19 Maart 1887, n0. 876 en 16 Mei 1887, n0. 1413, Afd. O, volgens welke allereerst de verhouding tusschen Staat en Gemeente behoort te worden geregeld en de vaststelling der bouwkundige stukken eerst daarna als een uitvloeisel dier regeling kan geschieden.
Wat de quaestie van den eigendom van een gedeelte van de kloostergang aangaat, ongaarne zou ik deze, gelijk ik reeds zeide, met de thans aanhangige zaak vermengen , ten einde alles wat hot tot stand komen van liet Universiteitsgebouw zou kunnen belemmeren of vertragen te vermijden quot;Wil Uw college van de kloostergang melding gemaakt hebben , dan ware het volgende artikel op te nemen, hetwelk niets praejudicieert :
„zonder praejudicie van de aanspraken, welke beide contractanten vermeenen te hebben ten aanzien van den eigendom van de kloostergangen, wordt overeengekomen, dat deze gangen voor zooveel noodig en met eerbiediging van den stijl daarvan zullen kunnen getrokken worden bij den nieuwen bouw.quot;
De Minister can Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken, HEEMSKERK.
jot
B IJ L A G E 11.
N0. 62.
Onderwerp : Utrecht, 21 Juni 1887.
Nieuw Universiteitsgebouw te Utrecht.
Wij hadden do eer bij Uw schrijven van den 10,,cquot; Juni 11., n0. 1623, Afd O., nader de redenen te vernemen, waarom Uwe Excellentie niettegenstaande onze zeer ernstige bezwaren blijft verlangen, dat do contractueele regeling der verhouding tusschen den Staat en onze Gemeente betrekkelijk het gebruik van hot door de Gemeente Utrecht te stichten Universiteitsgebouw aan Uwe beoordeeling en goedkeuring van de plannen voorafga.
Ontveinzen mogen wij niet, dat wij zulks betreuren.
Het moet aan het Bestuur en de ingezetenen onzer Gemeente een niet aangenamen indruk geven, dat de Regeering alle verder gemeen overleg omtrent de inrichting van het als feestgave aan te bieden gebouw afwijst, totdat de Gemeente zich tegenover den Staat tot stichting en aanbieding rechtens zal hebben verbonden.
Het gevaar is niet geheel denkbeeldig, dat zulks, hetzij don Gemeenteraad, hetzjj de Burgerij, die gereed staat hare zeer belangrijke gift voor do stichting aan ons Bestuur te overhandigen, zou kunnen doen aarzelen of weigeren, tot de stichting verder mede te werken.
Aan
Zijne Excellentie, den Minister van Staaf,
Minister van Binnenlandsche Zaken te 's-Gravenhaye.
46
Uit nadere inzage zal voorzeker blijken dat er in artikel 1777 van het Burgerlijk Wetboek geen sprake is van eene verbintenis tot het stichten of maken van de in bruikleening te geven zaak.
Naar onze wel gevestigde overtuiging zal dus door die aan de vaststelling van het ontwerp voorafgaande overeenkomst aan het karakter van vrijwillige aanbieding dezer feestgave te kort worden gedaan en de opgewekte deelneming onzer burgerij in de viering van het 250-jarig bestaan der Utrechtsche Universiteit, in wier bloei zij zulk eon levendig belang toont te stellen, niet geheel tot haar recht komen.
Wij herhalen overigens, wat wij den 27stuu Mei aan Uwe Excellentie schreven : aan zucht tot bespoediging , overleg en samenwerking dezerzijds behoeft niet te worden getwijfeld; tot bevordering daarvan is het sluiten van een contract ten eenomale overbodig.
Desniettemin zullen wij , indien de medewerking der Hooge Regeering daarvan afhankelijk bljjft, aan den Gemeenteraad , onder overlegging van de tusschen Uwe Excellentie en ons hierover gevoerde briefwisseling, voorstellen, aan het verlangen Uwer Excellentie toe te geven , omdat wij èn het onzen plicht achten , èn boven alles verlangen, het tot stand komen dezer stichting te trachten te verzekeren.
Tegen nog enkele andere bepalingen van het ontwerp bestaan echter, zooals wij de eer hadden bij ons schrijven aan Uwe Excellentie van den 27stcn Mei 11., n0. 34, te melden, bij ons eenig bezwaar. Wij wenschen daarom de volgende wijzigingen aan Uwe goedkeuring te onderwerpen.
I. Artikel 1 stellen wij voor aldus te doen luiden:
„Contractante ter andere, wenschende ter gelegen-wlieid.................Munsterkerkhof (thans
47
„ingenomen door het gebouw van liet Leesmuseum en „door liet daaraan zuidwaarts grenzende huis) binnen 3 „jaren na de goedkeuring, bedoeld in artikel 2 , een aan-„vang te maken met do stichting van een nieuw Univei-„siteitsgebouw, bevattende eenige voor het universitair „onderwijs thans nog ontbrekende lokalen , en dit nieuw „gebouw, hetwelk gemeenteeigendom bljjft, aan contractant ter eenre ten behoeve der Rijksuniversiteit te „Utrecht kosteloos in bruikleening af te staan.quot;
Wanneer het plan eerst na het sluiten der overeenkomst wordt vastgesteld, kan de Gemeente zich niet vooraf tot het bouwen van alle mogelijke localiteiten verbinden , waaraan voor het universitair onderwijs nog zou kunnen blijken behoefte te bestaan. De voor den bouw beschikbare gelden mogen toch niet eenigszins belangrijk worden overschreden. Het is daarom dat de woorden: „bevattende do . . , veranderd zijn in: „bevattende eenige ...quot;
Het komt ons noodig voor, dat hier de stichting van een „nieuw UnioersiteUsgohoMwquot; vermeld worde, opdat de bedoeling blijke, om aan het Munsterkerkhof den voorgevel van het (jehede yehouw te plaatsen.
II. Wij stellen Uwe Excellentie voor in artikel 2 de woorden „overeenkomstig door contractant ten eenre enz.quot; , aldus te wijzigen;
„Overeenkomstig door contractante ter andere ingezonden „en door contractant ter eenre goedgekeurde plannen en bestekken.■,
Dat de plannen van gemeentewege zullen worden opgemaakt, behoort o. i. volstrekt door de opname der onderschrapte woorden alhier te worden vermeld.
Daarentegen wenschen wij de woorden „opgaven van eisclien,quot; te doen vervallen.
Nu op dit oogenblik reeds de betrokken autoriteiten
48
over do ingcdiendo plannon Uwe Excellentie van bericht on raad dienen, blijft het ons werkelijk nutteloos en onraadzaam voorkomen , nogmaals aan een nieuw program van eischen tijd en moeite ten beste te geven.
Wij hadden reeds bij onzen brief van 15 Juli 1886 , de eer aan Curatoren der Universiteit ter voldoening aan liet verlangen van Uwe Excellentie mededeeling te doen van de opgaven van eischen, welke aan onze Bouwmeesters te gelijk met de opdracht tot het maken van plannen, enz. zijn verstrekt.
Die eischen waren vervat en nauwkeurig omschreven in:
1. den brief van Curatoren aan ons College van 21 Januari 1886 , n0. 28 ;
2. het daarbij gevoegde advies van den Senaat der Rijksuniversiteit aan Curatoren van den 6dcn Januari 1886;
3. een nader schrijven van den Secretaris van genoemden Senaat aan onzen Wethouder, belast met het toezicht op de openbare werken dezer Gemeente, van den 23sten dierzelfde maand.
Van deze 3 stukken zonden wij toen eene gedrukte kopie aan Curatoren.
Komt nu het ingediende plan aan Uwe Excellentie voor, aan een of meer der te stellen eischen niet, of niet geheel te voldoen, dan meenen wij het èn veel doelmatiger èn veel minder tijdroovend te mogen noemen, het voldoen daaraan liever door wijziging van het ingediende .bouwplan en inrichting van het bestek, dan door het nu nog opstellen en behandelen van een nieuw program van eischen te trachten te bereiken. Wij nemen daarom de vrijheid bij Uwe Excellentie, ook ter bespoediging der zaak, op het weglaten dezer 3 woorden te mogen aandringen.
III. Alzoo Uwe Excellentie bezwaar blijft maken
49
tegen de door ons voorgestelde regeling van de zaak dei-kloostergangen en van den vrijhof, zullen wij, in liet vertrouwen op de goede oplossing, waartoe Uwe Excellentie zich bereid verklaart, daarop bjj deze overeenkomst niet langer aandringen. Wjj zouden dan echter ook het laatsteljjk ontworpen , daartoe betrekkelijk artikel („zonder praejudicie, enz.quot;) liever weggelaten zien.
Tiet kan toch onze wensch niet zijn, dat in dit contract (voor het eerst) het eigendomsrecht dor Gemeente in twijfel worde gesteld, hetwelk zich sedert bijna 60 jaren op een onder Koninklijke goedkeuring gedanen aankoop grondt
Ook is de strekking der woorden „met eerbiediginf van den stijlquot; niet duidelijk, daar toch dit contract geen waarborg behoeft te bevatten, dat de stijl van de kloostergang zal worden geëerbiedigd Daar plan en bestek aan de goedkeuring van Uwe Excellentie zullen worden onderworpen, is U. E. verzekerd, dat de stijl van de kloostergang geen ongewenschte wijziging zal ondergaan.
Wij geven er daarom de voorkeur aan , dat van de kloostergang in dit contract geen zoodanige melding worde gemaakt.
IV. In het laatste lid van het 3lt;le artikel, vermeld aan het slot van het schrijven van Uwe Excellentie van 16 Mei 11., n0. 1413, afd. O , verzoeken wij de weglating van de woorden „in don regel.quot;
Die woorden zouden ons om het hierbjj betrokken openbaar belang niet wenschelijk voorkomen.
Het spreekt van zelf, dat, evenals bij iederen openbaren weg, tjjdeljjke afsluiting voor eventueele herstelling (van het Universiteitsgebouw) of voor onderhoud (van den doorgang zeiven) vereisclit, geenszins wordt uitgesloten.
4
50
Ten einde met vertrouwen op goeden uitslag deze ontwerp-overeenkomst aan den Gemeenteraad ter goedkeuring te kunnen voordragen hopen wij , dat de bovengenoemde wijzigingen de instemming van Uwe Excellentie zullen mogen verwerven. Mochten een of meer dier wijzigingen bij U alsnog bezwaar ontmoeten , dan zouden wij ons gaarne in de gelegenheid zien gesteld, deze zaak met Uwe Excellentie te bespreken en verzoeken wij U alsdan den dag en liet uur te bepalen, waarop het Uwe Excellentie schikken zal ons daartoe te ontvangen.
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht, De Burgemeester,
W. R. BOER.
De Secretaris, J. E. ENKLAAR, l.s.
Bijlage 12
^linisterict van Itiiiiionliimlscli^ Zsiken.
N0. 19GG, Afd. O.
Bericht op sclirijveu van 21
Juni 18S7. un. (52, lietrcflcnde 's-Gravejihaf/e, 25 Jllli 1887.
nieuwL' Univcrsiteitssjcljoinvcn tc üti'ccht.
^Ect genoegen vernam ik uit neven vernield schrijven , dat aan mijn wensch om de verhouding tussclien het Rijk en de Gemeente Utrecht bij de stichting van nieuwe Universiteitslokalen bij een contract te regelen, zal worden voldaan.
Ik wensch duidelijk te doen uitkomen, dat ik niet twijfel aan Uwe bereidwilligheid om do stichting dier lokalen te bespoedigen en te bevorderen. Ik ben zelfs zoozeer overtuigd dat Uwerzijds die stichting bespoedigd zal worden, dat ik geen bezwaar zon hebben tegen verlenging van den termijn van drie jaren in artikel 1 van het concept-contract voor den aanvang van don bouw genoemd. Docli van den aanvang af, reeds in Februari 1886, gaf ik te kennen, dat waar het gold eene liberaliteit door de Gemeente en belangstellenden aan het Rijk te bewijzen, en door de Regeering ten behoeve van den Staat aan te nemen, liet noodig is de hieruit geboren verhouding overeenkomstig haren aard duidelijk te omschrijven. Elke schenking logt wederzijds verplichtingen op, en voor beide partijen is het van gewicht, dat deze verplichtingen behoorlijk worden geformuleerd. Hoe waardeerbaar het
Aan
Burgemeester en Wethouders ran Utrecht.
52
(wvnbod en de daarvoor gebrachte offers mogen zijn , het Rijk gaat door de aanneming ook belangrijke financieele verplichtingen aan. En ik zou mij niet verantwoord achten, aan den Staat eenige verplichting op te leggen indien niet tegelijkertijd die der Gemeente omschreven werden.
Deze, uit juridiek en administratief oogpunt onvermijdelijke , handeling doet aan het karakter van vrijwillige ^^-•nanbieding der feestgave niets te kort.
Immers, de aanbieding kwam tot stand door hot votum van den Gemeenteraad van Utrecht van 21 November 1885 en het vrijwillig karakter daarvan wordt niet aangetast, wanneer tot uitvoering van dat besluit een overeenkomst met de Regeering wordt gesloten tot regeling der verplichtingen , welke schenker en begiftigde ten gevolge en ter verwezenlijking van de bedoeling des gevers op zich nemen , te minder wanneer in den tekst der overeenkomst (zooals ik voorstelde) uitdrukkelijk van de liberaliteit des gevers wordt melding gemaakt.
Ik merk voorts op , dat in Uw laatste schrijven niet tegen het sluiten van zoodanige overeenkomst bedenking wordt geopperd, doch alleen op het onderzoek der bouwplannen, vóórdat zoodanige overeenkomst tot stand is gekomen, wordt aangedrongen; dat echter door U geen enkele grond wordt aangevoerd, waarom dit onderzoek, dat slechts als een uitvloeisel van de overeenkomst nut kan hebben, zou moeten plaats vinden, vóórdat de wederzijdsche bevoegdheden en verplichtingen vastgesteld zijn. Het omkeeren van de natuurlijke en logische volgorde der werkzaamheden kan geenszins strekken om het vrijwillig karakter der aanbieding dat door niemand betwist wordt, te doen uitkomen. De eerste wijziging, thans door U in artikel 1 voorgesteld , bedoelt te lezen , dat de Gemeente zich verbindt een annvang te maken met
12
53
do stichting van een nieuw gebouw, bevattende niet de,
maar eenige voor liet universitair onderwijs thans nog ontbrekende lokalen, en zulks op grond dat de Gemeente zich niet kan verbinden tot het bouwen van alle mogelijke locnliteiten waaraan voor het universitair onderwijs nog zou kunnen blijken behoefte te bestaan. Tegen deze wijziging heb ik geen bezwaar.
De andere voorgestelde wijziging bedoelt dat niet gelezen worde dat het geldt de stichting van „een nieuw gebouwquot;, maar de stichting van „een nieuw Universileits-gebouwquot;, en zulks om te doen uitkomen dat het de bedoeling is aan het Munsterkerkhof den voorgevel van het geheele gebouw te plaatsen.
Ik merk op , dat de strekking van deze wijziging in strijd is met de voorgaande. Immers, die bedoelt te doen uitkomen dat geenszins alle, maar slechts eenige lokalen zullen worden gesticht, om, zooals in het Gemeenteraadsbesluit van 21 November 1885 werd gezegd, in verband gebracht te worden met de bestaande Universiteitsgebouwen, namelijk het groot auditorium, de Senaatskamer,
en een twaalftal bestaande lokalen, ongerekend de gangen en eenige kleine vertrekken. Ik acht het daarom bezwaarlijk de nieuwe lokalen te noemen „het Universiteitsgebouwquot;, en wensch de eerst voorgestelde redactie te zien behouden.
Ook mot de wijziging door U thans voorgesteld in artikel 2 kan ik mij niet vereenigen. Staat het vast, dat de bouwplannen de goedkeuring der Regeering behoeven,
dan is het duidelijk, dat ook do opgave der eischen waaraan die ontwerpen moeten beantwoorden, vooraf aan gelijke goedkeuring te onderwerpen zijn: dit is in het belang van al de partijen en inzonderheid van de ontwerpers dier plannen. Reeds in mijn schrijven van 22 Juni 1886, n0. 1626, afd. O, wees ik er U op, dat
54
een opgave van eischen niet kon worden gemist. En nu mogen omtrent die eischen adviezen zijn uitgebracht, tot nog toe is het programma der eischen niet vastgesteld en kon zulks niet geschieden, voordat do regeling van de verhouding tusschen Rijk en Gemeente is tot stand gekomen, waarvan die vaststelling een uitvloeisel zal zijn. Ik deel overigens Uw gevoelen, dat over den inhoud van die eischen niet veel verschil zal zijn, blijkens de door U aangehaalde brieven. Ten aanzien van de andere wijziging-door U in artikel 2 gewenscht, heb ik de eer U te berichten dat ik mij kan vereenigen met do volgende redactie, welke aan Uwe bedoeling en aan de mijne beantwoordt.
„Contractant ter eenre zal bovenbedoeld gebouw in bruikleening aannemen, mits het voldoe aan de door hem vastgestelde opgaven van eischen en aan de evenzeer door hem goedgekeurde plannen en bestekken, wordende die plannen en bestekken door den contractant ter andere zoo spoedig mogelijk ter goedkeuring ingediend.''
Met Uw voorstel om het artikel betreffende de kloostergang weg te laten, kan ik mij vereenigen.
Het schijnt mij niet wenschelijk de door CJ aangehaalde woorden „in den regelquot; in artikel 3 weg te laten. Zij zijn juist bestemd om te voorzien in do gevallen door U genoemd, waar het niet mogelijk zal zijn den doorgang-op de gestelde uren open te houden
Worden die woorden weggelaten, dan zou strikt genomen ook in zoodanige gevallen de verplichting tot openhouden verbindend zijn.
Tot voorkoming van misverstand voeg ik hierbij een gewijzigd concept-overeenkomst.
De Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken, HEEMSKERK.
//-? Bijlage 126«.
ONTWERP-CONTRACT,
{door den Minister voorgesteld).
Dc Minister van Binncnlandschc Zaken, handelende namens den Staat der Nederlanden,
ter eenre en Burgemeester en Wethouders van Utrecht, handelende voor de Gemeente, hiertoe gemachtigd bij besluit van den Gemeenteraad van goedgekeurd bij dat van Gedeputeerde Staten van Utrecht van , van welke besluiten afschriften
aan deze overeenkomst zijn gehecht, ter andere,
zijn overeengekomen als volgt:
Art. 1. Contractante ter andere, wenschende ter gelegenheid van het feest van het 250jarig bestaan der Utrechtschc Universiteit door eene feestgave hare belangstelling in deze instelling te betoenen en ten haren behoeve behoorlijke lokalen beschikbaar te stellen , verbindt zich op de terreinen aan het Munsterkerkhof (thans ingenomen door het gebouw van het Leesmuseum en door het daaraan zuidwaarts grenzende huis) binnen 3 jaren na de goedkeuring, bedoeld in artikel 2, een aanvang te maken met de stichting van een nieuw gebouw, bevattende eenige voor het universitair onderwijs nog ontbrekende lokalen /en dit nieuwe gebouw, hetwelk gemeenteeigendom blijft, aan contractant ter eenre, ten behoeve der Rijksuniversiteit te Utrecht kosteloos in bruikleening af te staan.
Art. 2. Contractant ter eenre zal bovenbedoeld gebouw in bruikleening aannemen , mits het voldoe aan de door
56
I licm vastgestelde opgaven van eischen en aan dc evenzeei' ïïoor hem goedgekeurde plannen en bestekken , wordende die plannen en bestekken door den contractant ter andere zoo spoedig mogelijk ter goedkeuring ingediend.
Art. 3. Contractant tor eenre neemt van liet oogenblik dat het nieuwe gebouw hem zal zijn overgedragen, het onderhoud, het schoonhouden en dc verlichting daarvan op zich, alsmede de lasten welke daarop mochten rusten.
Hij is bevoegd daaraan op Rijkskosten al dc vertimmeringen , verbouwingen of veranderingen uit te voeren, naar zijn oordeel noodig om het voor het hooger onderwijs bestemde gebouw aan zijn bestemming tc doen beantwoorden.
Contractant ter eenre verbindt zich den doorgang voor voetgangers langs dc zuidzijde van dc Domkerk open tc houden, in den regel dagelijks van 7uur des morgens tot 10 uur des avonds, en dien te onderhouden, schoon te houden en tc verlichten.
Art 4. Zoodra het bovenbedoeld nieuw gebouw niet langer voor dc te Utrecht gevestigde Rijksuniversiteit wordt gebruikt, zal het op dc eerste aanvrage van contractante ter andere ter harer vrije beschikking worden gesteld in den staat waarin het zich alsdan zal bevinden, zonder dat contractante tor andere zal gehouden zijn tot het betalen of gerechtigd zijn tot het vorderen van cenige vergoeding uit welken hoofde ook.
Art. 5. Het nieuwe gebouw wordt zoolang do bruik-leening duurt door contractante ter andere tot een nader overeen tc komen bedrag bij een of meer door contractant ter eenre goed tc keuren brandverzekeringinaatschappijen tegen brandgevaar verzekerd.
De verzekeringspremie wordt jaarlijks door contractant ter eenre aan die ter andere terugbetaald.
Art. 6. Indien het nieuwe gebouw door brand ofcenig
IlLl
57
ander onheil geheel of gedeeltelijk vernietigd wordt, is contractant ter eenre bevoegd liet op zijne kosten weder op te bonwen en liet herstelde gebouw op den voet van deze overeenkomst in brnikleening te honden, terwijl contractante ter andere alsdan verplicht is aan contractant ter eenre de schadevergoeding uit te keeren, welke te dezer zake door de brandverzekeringmaatschappijen zal uitbetaald zijn.
Gaat contractant ter eenre niet binnen 5 jaren tot den wederopbouw over, dan is hij gehouden het erf en de overblijfselen van hot gebouw op de eerste aanvrage ter beschikking te stellen van contractante tor andere.
Art. 7. Van weerszijden wordt overeengekomen dat geen gebruik zal worden gemaakt van de rechten, bedoeld in de artt. 1788 en 1789 Burgerlijk quot;Wetboek.
Art. 8. Alle kosten op deze overeenkomst vallende, met uitzondering van die van zegel, zijn ten laste van contractant ter eenre.
Aldus overeengekomen en in dubbel opgemaakt en onderteekend te 's-Gravenhage en
te Utrecht,
Behoort bij schrijven van den Minister van Staat,
Minister van Binnenlandsche Zaken van 25 Juli 1887, n0. 19G6, afd. K. en W.
Mij bekend, De Secretaris-Generaal, HUBRECHT.
\2bis
Bijlage 13. Utrecht, 18 Augustus 1887.
N0. 116.
Bij schrijven van Uwe Excellentie van den 25s,c,, Juli 11 , n0. 1960 , At'deeling O, hadden wij dc eer eene nieuwe ontwerp-overeenkomst te ontvangen ter regeling-van de verhouding tusschen den Staat en de Gemeente Utrecht betrekkelijk het gebruik van het door deze laatste te stichten Universiteitsgebouw.
In dit nieuw ontwerp werd door Uwe Excellentie aan enkele der in ons schrijven van 21 Juni 11., nquot;. 62, uitgedrukte wenschen gevolg gegeven, doch in andere opzichten aan Uwe zienswijze vastgehouden.
Uit Uw bovengemeld schrijven blijkt ons echter, dat er omtrent sommige punten misverstand blijft heerschen.
Tot wegruiming daarvan zou o. i. het best de bespreking met Uwe Excellentie kunnen strekken, tot welke wij reeds bij ons gemold schrijven verzochten, in het gegeven geval in de gelegenheid te mogen worden gesteld op een door U te bepalen dag en uur.
Op enkele dier punten meenen wij reeds nu de aandacht van Uwe Excellentie te moeten vestigen:
1°. Dat aan Uw wensch, om reeds uu eene overeen-
Aan
Zijne Excellentie den Minister van Staat,
Minister van Binnenlandsche Zaken te 's-Gravenhage.
60
komst als de bedoelde te sluiten, zal worden voldaan , hebben wij niet kunnen melden; alleen dit, dat wij het aan den Gemeenteraad zullen voorstellen.
2°, De noodzakelijkheid van het sluiten eener zoodanige overeenkomst is door ons (jeen enkele maal in twijfel gesteld.
Uit alle onze hiertoe betrekkelijke, aan Uwe Excellentie gerichte , brieven blijkt, dat niet hierover , maar over het tijdstip van het sluiten daarvan verschil van gevoelen bestaat; vóór of na de wederzijdsche goedkeuring van plan en bestek. Natuurlijk heeft de bepaling daarvan invloed op den inhoud der overeenkomst. Bij het sluiten der overeenkomst reeds nu, zooals door Uwe Excellentie gewenscht werd, zou de Gemeente zich verbinden tot stichting van een gebouw overeenkomstig nog nader te maken en door U goed te keuren plannen en bestek. Zulks ware naar onze meening in strijd met het karakter eener feestgave, en zou geen recht doen wedervaren aan de bedoelingen van het Bestuur en de ingezetenen onzer gemeente.
quot;Wij wenschten het sluiten der overeenkomst daarom uit te stellen tot het tijdstip, waarop ons College , dooiden Gemeenteraad daartoe gemachtigd, het met Uwe Excellentie omtrent plan en bestek eens zou zijn geworden en dus die van weerszijden goedgekeurde stukken aan de akte zouden kunnen worden vastgehecht.
In onze missive van 21 Juni 1887 , nfl. 62 , verklaarden wij ons desniettemin, ter voorkoming van tijdverlies, indien de medewerking der Regeering daarvan afhankelijk bleef, bereid aan den Gemeenteraad voor te stellen, om aan het verlangen van Uwe Excellentie in dit opzicht te voldoen, al bleven wij ook alleen de door ons ge-wenschte volgorde der werkzaamheden „natuurlijk en logischquot; achten.
3°. Uit de inzage van het Raadsbesluit van 21 November
61
1885 zal het aan Uwe Excellentie blijken , dat de Gemeenteraad bepaaldelijk en uitdrukkelijk tot de stichting „van een Universiteitsgebouw, dat zal worden gevestigd ann het Mnnsterkerkhof, heeft besloten, hetwelk de localiteiten zou bevatten waaraan op dit oogenhlik behoefte bestaat („de thans ontbrekendequot;).
Aan het behoud van dit woord verklaarden wij daarom bij ons vroeger schrijven te hechten, te meer omdat wjj steeds beslist wenschen te doen uitkomen, dat voorgevel en hoofdentree van het Universiteitsgebouw tot de nieuwe stichting aan het Munsterkerkhof zullen behooren.
Voor de inrichting van het plan achten wij dit een gewichtig punt.
4°. quot;Wij meenden en bljjven meenen , dat het nu nog opmaken van een program van eischen , dat zal moeten worden gevolgd door onze Bouwmeesters , die reeds hun plan in overeenstemming met de Academische autoriteiten ingezonden en na overleg met den Rjjksbouwkundige gewijzigd hebben , oen plan , hetwelk sedert eenigen tijd aan de beoordeeling van Uwe Excellentie is onderworpen,
nutteloos en onraadzaam is. Aanschouwelijker en vollediger kan het voldoen aan eischen en behoeften nooit worden voorgesteld, dan in een ontworpen plan en de daarop te maken aanmerkingen.
Aan hot ingezonden plan ligt het program ten grondslag,
dat in de U bekende brieven is vervat.
Het opstellen van een nieuw program kan nu alleen tjjdverlies veroorzaken en den goeden gang der zaak belemmeren.
Indien echter een program van eischen, dezerzijds op te maken en door Uwe Excellentie goed te keuren, mocht worden vastgesteld, dan zou zulks toch o. i. in allen gevalle vóór het sluiten der overeenkomst behooren te geschieden.
Wm //j
G2
Ter voorkoming van verder misverstand hebben wij , bij het ontbreken van het door ons verzochte mondeling overleg, de eer het bovenstaande aan de overweging van Uwe Excellentie beleefdelijk aan te bevelen.
Burqemepslrr en Wethouders der gemeente Utrecht, De Burgemeester , DE MURALT, Weth. De Secretaris, DE WATTEVILLE.
Bijlagen 14—23.
HET BOUWPLAN.
BRIEF WXSSEUNO
MET
Z. E. den Minister van Staat, Minister van Kinncnlandsclie Zaken,
EN
CURATOREN DER RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT.
B IJ L A G E
Utrecht, 28 Mei 1886.
N0. 5(5.
Wij zijn thans eerst in staat om Uwe missive van 24 Februari jl., nü. 412, afd. O, met genoegzame volledigheid te beantwoorden.
De reden dezer vertraging is het door den Gemeenteraad in zijne vergadering van 11 Maart jl. genomen besluit, om aan onze Bouwmeesters op te dragen het indienen van een tweeledig avant-projet van het te stichten Universiteitsgebouw, met berekening van kosten, ten einde te kunnen bepalen op welke wijze het beste aan „zijne voornemensquot; zoude kunnen worden gevolg gegeven.
De verlangde stukken bereikten den Raad eerst den 18den Mei jl. en maakten een punt van beraadslaging uit in zijne vergadering van 27 Mei 11.
Naar aanleiding van zijn in die vergadering genomen besluit, om zich tot het minst omvangrijke en minst kostbare plan te bepalen, hebben wij de eer U hierbij een voorloopig plan en teekening van het te stichten „monumentale Universiteitsgebouwquot;, waarin ons „pro-Aan 5
jne Excellentie den Minister van Staat,
Minister van Binnenlandsche Zahen te 's-Gravenhage.
GG
„gramma van cisclienquot; als het wave is opgenomen, en dat de ontwikkeling bevat „der voornemens van het „Bestuur en de ingezetenen dezer Gemeente en van het „provinciaal Bestuurquot;, te doen toekomen.
Wij drukken hierbij den wensch uit, dat het plan bjj Uwe Excellentie instemming zal vinden en vooral, wat de aansluiting met de bestaande Rijksuniversiteitsgebouwen betreft, geen bezwaar zal ontmoeten en tot een spoedig en bevredigend overleg tusschen onze Bouwmeesters (de heeren Gugel en Vermeijs) en den Rijksbouwkundige zal mogen leiden.
Mocht door Uwe Excellentie eene nadere mondelinge toelichting of eene opname in loco verlangd worden, zoo zijn één of meer leden van ons Bestuur bereid, zich daartoe, op dag en uur door U te bepalen, te 's Ilage of hier voor Uwe Excellentie beschikbaar te stellen.
Wat betreft de te regelen verhouding in deze zaak tusschen Rijk, Gemeente en Provincie, nemen wij de vrijheid op te merken, dat het gebouw onder Uwe kennisneming van het plan gesticht, bij zijne gcheele voltooiing door het Stedelijk bestuur aan het Rijk wordt overgegeven ten volle en vrije gebruike der Universiteit en van het universitair onderwijs, en eerst bij opheffing daarvan in den staat, waarin het thans wordt opgeleverd, aan de Gemeente terugkeert.
Het wordt dus een gemeentegebouw, waarvan de eigendom aan haar verblijft, maar waarvan evenals van vele andere gemeentegebouwen, het volle gebruik aan het Rijk komt. Het laatste zorgt daarentegen voor inwendige inrichting (ameublement), onderhoud en verzekering tegen brandschade. De Provincie geeft alleen eene subsidie, zonder dat daarbij iets anders werd bepaald dan het oprichten van een monumentaal Universiteitsgebouw.
Mocht door U tusschen Gemeente en Rijk eene schrifte-
67
lijko regeling, een contract, worden wenschelijk geacht, 7.00 zoiide dit het best op te maken zijn en te teekenen bjj de overgave vftn het voltooide Grebouw aan 's Rijks Kooge Regeering.
Burgemeester en Wethouders der yemecnte Utrecht ,
De Burgemeester, W. R. BOER. De Secretaris, DE WATTEVILLE.
B IJ L A G E
Ministerie van liiniienlumlsehe Zaken.
N0. 1626'. Afd. O.
Bericht op sclirijvcn van 28 Mei 's-GraveilluKje, 22 Juni 1886.
1886, ii0. 56, betreffende nieuw Universiteitsgebouw Utrecht.
Ik heb do oer U de ontvangst to berichten van hot ontwerp voor een nieuw universiteitsgebouw met bijlagen mij bij uw nevensgemeld schrijven toegezonden. Omtrent die stukken wordt thans een onderzoek ingesteld. Tot mijn leedwezen is door U geen gevolg gegeven aan mijn verzoek om overlegging van het programma van eischen, dat aan do ontwerpers is voorgelegd. Uwe meening dat het ontwerp zelf in de plaats kan treden van het programma, hetwelk door het ontwerp moet verwezenlijkt worden, kan ik niet doelen. Curatoren der Universiteit worden mitsdien door mij uitgenoodigd mij het bedoelde programma alsnog te zonden.
Zooals in mijn schrijven van 24 Februari jl., n0. 412, afd. O, gezegd werd, acht ik het noodig reeds nu de verhouding te dezer zake tusschen Rijk, Gemeente en
Aan
Burgemeester cn Wethouders van Utrecht.
70
Provincie tc regelen. Zoodanige regeling eerst vast te stellen bij de overgave van het voltooide gebouw is niet raadzaam. Ik moet derhalve mijn verzoek herhalen om toezending door tusschenkomst van Gedeputeerde Staten van een ontwerp, deze aangelegenheid betreffende.
De Minister van Staat,
Minister van Binnenlandsche Zaken , Voor den Minister, De Secretaris-Generaal, HÜBRECHT.
/2# Bijlage 16.
N0. 199.
Onderwerp; Utrecht, den 3. Juli 1886.
IJnivcrsitcKsgcliouw.
I)c Minister van Staat, Minister van Binncnlandsche Zaken heeft liet advies van den Senaat en van ons College gevraagd over de teekeningen van het te stichten Universiteitsgebouw, gevoegd bij Uwen brief aan den Minister van 28 Mei 11., n0. 56, en ons tevens afschrift van dien brief medegedeeld. Daar Uw College in een vorig schrijven aan den Minister had verklaard, dat het, alvorois de op te maken plannen aan den Gemeenteraad in te dienen , die aan Zijne Excellentie ter kennisgeving en overweging zoude opzonden, behooren de bedoelde ontwerpen slechts als een avant-projet beschouwd te worden, gelijk ze trouwens in Uw schrijven worden genoemd. Do Minister merkt op, dat door hem aan het Gemeentebestuur overlegging was gevraagd van het programma van eischen, aan do Bouwmeesters voorgelegd.
Do mededeeling in Uwen brief, dat in het voorloopig plan het programma van eischen als het ware is opgenomen , kan bezwaarlijk geacht worden aan 's Ministers verzoek te voldoen. Het is den Minister namelijk onbekend in hoeverre de eischen, genoemd in onzen brief aan U van 21 Januari 1886, n0. 28, en in het U in afschrift
Aan
Heer en Burgemeester en Wethouders van Utrecht.
medegedeelde advies van den Senaat van 6 Januari werkelijk aan de ontwerpers der plannen zijn opgelegd. In den brief van den Senaat wordt voorts nog melding gemaakt van een elftal punten, waarvan onderscheidene van het hoogste gewicht geacht worden, doch welke alleen genoemd en geenszins ontwikkeld zijn, zoodat onzekerheid bestaat aangaande de eischen van den Senaat, die punten betreffende.
Op grond van een en ander verzoekt de Minister alsnog overlegging van het schriftelijk programma van eischen , opgemaakt in overleg met den Senaat, waarbij ook dienen gevoegd te worden de wenschen welke do Senaat zich voorbehield (zie brief van 6 Januari) mondeling uit te spreken.
Vervolgens verlangt de Minister van ons een in overleg met den Senaat opgesteld overzicht van de bestemming later aan de lokalen van het voormalig Politiehuis met conciergerie (pedelswoning) te geven.
Wij hebben de eer ü van het bovenstaande medc-deoling te doen en vertrouwen dat Uw College met ons overtuigd is, dat een toezending der gevraagde stukken aan het spoedig tot stand komen der voorgenomen stichting in hooge mate bevorderlijk zal zijn.
Curatoren der Rijksuniversiteit te Utrecht, De Voorzitter,
s1 JACOB.
De Secretaris, BAERT.
/J7
B IJ L A G E 17.
Utrecht. 15 Juli 1886.
Nquot;. 126.
Bij Uw schrijven van 3 Juli 1.1., nn. 199, werd ons het verlangen medegedeeld van den Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken, om door Uwe tussehen-komst het schriftelijk programma te ontvangen, dat door ons aan de met het ontwerpen van het te stichten Universiteitsgebouw belaste Bouwmeesters is voorgelegd. De Minister voorn, had ons bij brief van 22 Juni 1.1. reeds gemeld, dat Uw College door Z. Exc. tot toezending van dat programma werd uitgenoodigd.
Aan 's Ministers verlangen meenen wij het best te voldoen door U hiernevens een afschrift te doen toekomen van de brieven, welke wij den 24stcn November 1885 en den 26sten Januari dezes jaars aan de Bouwmeesters hebben gericht. Deze brieven bevatten de bepaalde opdracht tot het ontwerpen van een aan het Munsterkerkhof alhier te stichten monumentaal Universiteitsgebouw, dat de thans voor het universitair onderwijs nog ontbrekende localiteiten zal bevatten en met de tegenwoordige Senaatskamer, groot auditorium en de verder daar aanwezige localiteiten in verband gebracht en tot een geheel zal wor 'en.
Aan
Heercn Curatoren der Rijksuniversiteit te Utrecht.
74
Bij ons laatstgenoemd schrijven werd tevens de ook door hen gedane vraag beantwoord om toezending van een speciaal programma voor het te ontwerpen plan. Wij deden zulks door hen in kennis te stellen van de drie brieven , welke wij de eer hebben U hiernevens in afschrift toe te zenden, t. w.
1. den aan ons gerichten brief van Uw College van 21 Januari dezes jaars, n0. 28;
2. het daarbij gevoegde advies van den Senaat dei-Universiteit van den 6don dier maand;
3. een nader schrijven van den Secretaris van genoemden Senaat aan onzen Wethouder, belast met het toezicht op de openbare werken, van den 23stcn dier maand.
Wij merkten daarbij op, dat deze 3 brieven de omschrijving bevatten van de in de eerste plaats vereischte lokalen en van wat verder voor de bestemming van het gebouw als wenschelijk moet worden beschouwd.
Aan de Bouwmeesters werd geene andere opdracht door ons verstrekt, dan om het genoemde ontwerp zooveel mogelijk aan de in die brieven vermelde eischen te doen beantwoorden en het met het oog op de voor het gebouw beschikbare geldsom in te richten.
Ue Bouwmeesters hebben ons bij de toezending der teekeningen gemeld, dat door hen aan die opdracht zooveel mogelijk was voldaan. Zij hebben tevens den wensch uitgedrukt, om vóór do samenstelling van een definitief ontwerp te mogen vernemen, of er van de zijde van den Minister van Binnenlandsche Zaken geen bezwaren zouden bestaan tegen de verplaatsing der binnendeur van het groot auditorium en tegen hot uitbreken van eenige lichtopeningen — respectievelijk het veranderen van eenige blinde traceerramen in glasramen — onder de kruisgang, ten einde aan eenige lokalen van het te stichten Academiegebouw van deze zijde licht te kunnen geven. Zij zouden er
75
hoogen prijs op stellen ovei' de zienswijze van Zijne Excellentie, deze beide punten betreffende, zekerheid te erlangen. Ook wij achten het wenschelijk reeds thans voor de verplaatsing der genoemde binnendeur en het doorbreken van traceerramen in de zuidelijke kloostergang de toestemming van Zjjne Excellentie te vragen.
Zeer te recht worden de aan den Minister ingezonden plannen slechts als een avant-projet beschouwd, daar wij de definitieve plannen niet ter vaststelling aan den Gemeenteraad zullen indienen, alvorens ons van de goedkeuring derzelve door Zijne Excellentie don Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken te hebben verzekerd. Ook dit avant-projet moest echter bjj den Gemeenteraad vooraf in behandeling worden gebracht , omdat die vergadering besloten had, eerst na kennisneming daarvan te zullen bepalen, welk terrein voor den opbouw beschikbaar zou worden gesteld. Door ons was n. 1. aan den Raad het voorstel ingediend om , behalve het terrein van het Leesmuseum en het daarnaast gelegen perceel van den Heer Jhr. Ram , ook nog een derde daaraan grenzend perceel voor deze zaak aan te koopen, en alsdan ook eene locali-teit voor het Leesmuseum in het plan te doen opnemen.
De Raad heeft toen, alvorens hierover te beslissen, van de Bouwmeesters een dubbel schetsplan verlangd, een plan van een Universiteitsgebouw met Leesmuseum en een van een Universiteitsgebouw zonder Leesmuseum. Met dit laatste heeft de Raad zich vereenigd, waardoor onze voordracht tot aankoop van het derde perceel is komen te vervallen. Dit is de reden, waarom dit avant-projet bij den Raad in behandeling is geweest, alvorens aan den Minister te worden toegezonden.
Van voornemens tot verandering van de bestemming of inrichting der lokalen van het voormalig Politiehuis dragen wij tot nog toe geen kennis.
76
/?
In het ingezonden ontwerp is alleen daarom eene nieuwe conciërgewoning opgenomen, omdat verondersteld werd, dat het wonen van een concierge (of pedel) in of nabij het midden van het gebouw wenscheljjk zou worden geacht. Is zulks niet het geval, dan kan die woning zonder ecnig bezwaar uit het ontwerp worden gelicht.
Ten slotte merken wij op, dat van gemeentewege alleen de opbouw van een nieuw Universiteitsgebouw wordt bedoeld, zoodat in de begrooting noch de kosten van aanschaffing van mobilair van dit gebouw, noch die van eene vergrooting van de tegenwoordige Senaatskamer worden opgenomen, welke laatste in het plan is aangegeven om duidelijk te maken, dat daaraan door den nieuwen aanbouw niet wordt gepraejudicieerd.
Burgemeester en Wethouders der yemeente Utrecht, De Burgemeester, W. R. BOER. De Secretaris, DE WATTEVILLE.
Bijlage 17 his.
UTRECHT, 5 Maart 1880.
N0. 74. ')
Toen wij bij schrijven van don 2Gslcn Januari 11. de heeren E. Gugel en C. Vermeijs in kennis stelden met Uw besluit van 21 Januari 1886 , houdende goedkeuring van de voorwaarden, waarop zij zich bereid verklaard hadden, de opdracht tot het maken van een plan, bestek en begrooting van een van gemeentewege aan het Munsterkerkhof te stichten Universiteitsgebouw te aanvaarden, voegden wij bjj die opdracht twee mededeelingen , welke moesten strekken ter beantwoording van de door hen gedane vraag, om opgave van de localiteiten , welke het te ontwerpen gebouw zou moeten bevatten.
Wij meldden hun in de eerste plaats , aan welke locali-teit naar het oordeel van den Academischen Senaat en aan welke naar dat van Curatoren de Universiteit de meeste behoefte had. Op ons verzoek toch hadden Curatoren bij schrijven van den 21s,cn Januari 1.1. ons omtrent die vraag het advies van den Senaat van
1) In de Raadsvergadering van 11 Maart 1886 werd de/c voordracht behandeld, doeh besloten het hnis wijk F, n0. 221, waarvan de aankoop werd voorgedragen (zie ontwerp-bcsluit in bijlage lliis A) voorloopig niet aan te koopen, en aan de Honwmeester.s bet opmaken van 2 plannen met begrootingen opgedragen. Voliedigbeidshalvc wordt deze voordracht hier opgenomen, evenals het bij deze voordracht behoorende extract, vervat in bijlage 174« E.
Aan den Gemeenteraad.
I
78
6 Januari 1.1. en ook hun eigen moening medegedeeld. Een afschrift van die brieven , met dat van een nader schrijven van den heer Secretaris van den Academi-schen Senaat, gelijk zulks daartoe aan de heeren Gugel en Vermejjs door ons werd toegezonden, gaat hiernevens. ')
Uit die brieven blijkt, dat do meest dringende behoefte bestaat aan 5 nieuwe faculteitskamers en 3 collegekamers , terwijl mede het verkrijgen van nog 2 of 3 meerdere collegekamers en enkele kleinere vertrekken als zeer wenschelijk moet worden beschouwd.
In de tweede plaats wenschten wij , dat in het ontwerp, zoo mogelijk, ook de voor liet Leesmuseum vereischte localiteit zou worden opgenomen.
Op deze laatste zaak vestigden wij bij onze voordracht van 13 November 1885, n0. 47, reeds met enkele woorden Uwe aandacht. Moest voor het te stichten gebouw de ruimte, thans door die inrichting ingenomen , beschikbaar worden gesteld, wij wezen toen op het bezwaar dat er voor het bestuur dezer nuttige inrichting zou gelegen zijn in de noodzakelijkheid, om zich eene andere localiteit te verschaffen , en spraken de meening uit, dat, wanneer de mogelijkheid blijken zou , om voor haar in het nieuwe gebouw eene localiteit te bestemmen, zulks in overweging zou kunnen worden genomen.
Sedert dien tijd werd onze overtuiging, dat het om meer dan een reden wenschelijk is tc trachten van gemeentewege ook in die behoefte te voorzien , meer en meer gevestigd.
Het bestuur verklaarde ons , dat het Leesmuseum aan dien steun volstrekte behoefte heeft en meent, dat dio inrichting, afgescheiden van de vraag of zij recht op hot
79
gebruik van het lokaal kan doen gelden , in allon gévalle met liet oog op de geschiedenis van haar ontstaan en het veelzijdig nut, dat zij sticht, met vol vertrouwen op de medewerking van het gemeentebestuur een beroep mag doen.
Ook door ons kan dat worden toegestemd.
Den 8'tun Mei 1839 ') besloot de Raad dezer gemeente , onder eenige voorwaarden, het grootste gedeelte van het gebouw , dat ter gelegenheid van en in verband met de viering van het 200jarig bestaan der Hoogeschool in 1836 voor stadsrekening was gesticht, voor het wetenschappelijk Leesmuseum, zoodanig als hetzelve in October 1838 was opgericht geworden, zoolang hetzelve tot wetenschappelijk en letterkundig doel bestemd blijft, aan te wijzen en te bestemmen.
Zal men nu bij de viering van het 250jarig bestaan der Hoogeschool, den steun der gemeente aan die inrichting ontnemen? quot;Wij durven U het tegendeel voor testellen. Omtrent het groot belang en het nut dier inrichting voor zeer velen onzer medeingezetenen , omtrent de behoefte, die een stad als de onze aan haar heeft, zal wel bij niemand twijfel bestaan, maar daarenboven wenschen wij nog te wijzen op het nauw verband , dat tusschen de Universiteit en deze inrichting bestaat, en aan hetwelk ook Curatoren met aandrang herinneren Voor vele Hoogleeraren en studenten is het Leesmuseum nagenoeg onmisbaar, en het schenkt aan de academische bibliotheek jaarlijks tot een bedrag van ongeveer f 1500.— een aantal tijdschriften en boeken. Zonder dezen steun van gemeentewege zal het Leesmuseum , verklaarde ons het bestuur , of opgeheven worden of kwijnen gaan.
m/
De mogelijkheid bestaat, om dien steun van gemeente-
1) Hij lage \1bis E.
80
wege aan deze nuttige en bloeiende instelling te blijven verleenen, indien Uwe vergadering nog wil besluiten tot den aankoop van een aangrenzend perceel, waarvan het hezit, ooh voor het Universiteitsgebouw zélf, zeer gewenscht is. Wij bedoelen het perceel aan het Munsterkerkliof, naast het reeds aangekochte van den heer Ram, wijk F, n0. 221, hetwelk de eigenaar W. van Burkom, uiterlijk tegen 1 Augustus a. s., onverhuurd en onbezwaard, voor de som van /quot;17000.— wil afstaan
Uit een schrijven van de heeren Gugel en Vermeijs van 25/26 Februari blijkt, dat zij zich hebben overtuigd, dat op het beschikbare terrein zonder dit perceel noch voor een Leesmuseum met conciërgewoning, noch ook voor alle voor de Universiteit vereischte vertrekken ruimte te vinden is.
Onder deze omstandigheden meenen wij U te moeten voorstellen tot den aankoop van dit perceel te besluiten. Wel is waar is de koopsom hoog, wellicht minstens f 6000.— te hoog, maar de eigenaar is , met het oog op den prijs waarvoor hij het nu reeds sedert verscheidene jaren verhuurt (/quot;900.—) tot verkoop voor lageren prijs niet te bewegen. En nu het bezit daarvan voor de gemeente in dubbel opzicht gewenscht is, moet van deze gelegenheid om het te verkrijgen o. i. gebruik worden gemaakt.
Alleen wanneer op die wijze het voor do stichting beschikbare terrein zal zijn uitgebreid , zal niet alleen door U voor de belangen worden gezorgd van het Leesmuseum, waarvan de instandhouding ook door ons evenzeer een gemeentebelang als een academisch belang geacht wordt to zijn, maar zal ook , volgens de stellige verklaring van de heeren Gugel en Vermeijs, aan alle eischen en nagenoeg aan allo wenschen van Curatoren en Senaat kunnen worden voldaan.
81
quot;Wij zijn overtuigd, dat beide lichamen hunne wcnschen zoo beperkt mogelijk hebben gesteld.
Nog één zaak behoort daarbij echter te worden opgemerkt. Wij kunnen ons niet ontveinzen, dat de kosten van het geheele werk hierdoor zullen stijgen ; wellicht zal de aanvankelijke begrooting, grootendeels door deze uitbreiding , maar ook deels door de eenigszins te bekrompen voorloopige raming, met ongeveer vijftig duizend gulden overschreden worden.
Reeds bij den aanvang noemde de heer Grugel de voor de stichting van een monumentaal Universiteitsgebouw op het aangewezen terrein uitgetrokken som hoogst bekrompen; thans zal nog behalve de koopsom van het perceel van van Burkom, welke met de onkosten nagenoeg f 18,200.— bedragen zal, én voor den bouw van het Leesmuseumlokaal, én voor het geven van een monumentaal karakter aan het gebouw, zij het ook op den meest bescheiden voet, én voor de voorziening in niet te ontkennen behoeften der Universiteit waarschijnlijk de genoemde meerdere som, dan vroeger geraamd is, benoodigd blijken.
Ook na ernstige overweging van dit alles blijven wij U voorstellen die meerdere kosten te besteden.
Alleen daardoor zal het voortbestaan van eene, voor de gemeente en de Universiteit zeer nuttige en belangrijke instelling gewaarborgd zijn, en daarmede bij de viering van het 50,,c lustrum der Universiteit worden in stand gehouden, wat in verband met de viering van het 40quot;° lustrum werd opgericht, en , wat wel in de eerste plaats mocht genoemd worden, aan de Universiteit een gebouw ten gebruike worden gegeven, dat in hare behoeften voorziet en dat harer waardig en een sieraad voor onze gemeente is.
Den Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche
6
82
Zaken gaven wij kennis van het voornemen tot stichting van dit gebouw.
Zijne Excellentie gaf ons in het algemeen toezegging van zijne medewerking; wij zijn voornemens, hem, zooals hij verzocht, in kennis te stollen met de nadere plannen, en die ook aan zijn oordeel te onderwerpen.
Omtrent hetgeen de ingezetenen onzer gemeente bijeenbrengen, als bijdrage voor deze stichting, kunnen wij Uwe vergadering nog geene bepaalde mededeeling verstrekken. Het is echter voor niemand meer een geheim, dat hunne warme belangstelling in het te vieren feest algemeen is en dat de bijdragen , welke zij daarvoor aan de gemeente zullen aanbieden , de vroeger benoodigd geachte som van / 25000,— zeer belangrijk zullen overschrijden. Dat meerdere zal ten goede komen voor de bovengenoemde meerdere kosten van het geheele werk. Aan die grootere bijdrage zal ook de verhooging van de door U beschikbaar gestelde som zich op waardige wijze aansluiten.
Het Leesmuseum zal echter zoo spoedig mogelijk de tegenwoordige lokalen moeten ontruimen , en gedurende den bouw tijdelijk elders gevestigd moeten worden.
Wij geven U in overweging, het gebouw aan het Oudkerkhof, vroeger de stadstusschenschool , tijdelijk daarvoor beschikbaar te stellen. Het staat thans nog ongebruikt en kan voor eene som van f 1500.— a /' 2000.— voor dat tijdelijk gebruik beneden voor Leesmuseum worden ingericht, terwijl de concierge op de bovenverdieping kan worden gehuisvest.
Om de aangevoerde redenen, hebben wij de eer U voor te stellen:
1°. tot aankoop van het huis aan het Munsterkerkhof, wijk F , n0. 221 , ten behoeve van het te stichten Uni-
83
versiteitsgebouw, te nemen het besluit, hetwelk ann Uwe vergadering hiernevens in ontwerp wordt aangeboden ;
2°. ons te machtigen , aan de heeren Gugel en Vermeijs op te dragen , om in het plan eene geschikte localiteit voor het Leesmuseum op te nemen, onder mededeeling, dat de kosten der stichting do vroeger geraamde som met inbegrip van de kosten van aankoop van het huis onder 1°. bedoeld, met hoogstens/quot;50,000.— zullen mogen overschrijden ;
3°. het bestuur van het Leesmuseum kennis te geven van de onder 2°. vermelde opdracht en tevens de tijdelijke beschikking aan te bieden over de voor het Leesmuseum noodige localiteit in het gebouw aan het Oudkerkhof, vroeger bestemd tot stadstusschenschool.
Burgemeester en Wethouders der gemeen te Utrecht, De Burgemeester, W. R. BOER.
De Secretaris, DE WATTEV1LLE.
^3
Bijlage 17bis A.
Ontwerp.
de RAAD der GEMEENTE UTRECHT,
Overwegende, dat het bij de stichting van een nieuw Universiteitsgebouw alhier noodig is, de beschikking te hebben over het perceel aan het Munsterkerkhof, wijk F, n0. 221, kadastraal gemeente Utrecht, sectie B, n0. 602, toebehoorende aan den heer Willem van Burkom;
Overwegende, dat deze zich heeft bereid verklaard, het bedoeld perceel aan do gemeente te verkoopen voor eeno som van zeventien duizend gulden en hetzelve onver-huurd en onbezwaard aan de gemeente te leveren, uiterlijk 1 Augustus 1886;
Besluit :
1°. van den heer W. van Burkom voor do gemeente aan te koopen het hem toebehoorend perceel aan het Munsterkerkhof, wijk F, n0. 221, kadastraal gemeente Utrecht, sectie B, n0. 602, ter oppervlakte van 230 M2, en zulks voor eene som van zeventien duizend gulden, onder voorwaarde dat het perceel, onbezwaard en onver-huurd, uiterlijk 1 Augustus 1886 aan de gemeente zal worden geleverd en ter harer beschikking gesteld.
2°. Burgemeester en quot;Wethouders te machtigen, hierin verder het noodige te verrichten.
En zal dit besluit aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten worden onderworpen.
Aldus besloten, enz.
i
Hi
I
Bijlage 17bis B.
N®. 28.
Bericht op den brief van 10
Decmto 1881^ 7s. vtrecht, dei, 21. Januari 1886.
OXDEtnVERP ■
Universiteitsgebouw.
Dc modcdccling vlt;an liet besluit van den Gemeenteraad , om als bewijs van belangstelling in het 250jai'ig bestaan der Universiteit een Academiegebouw aan het Munster-kerkhof te stichten, is door ons met erkentelijkheid ontvangen. Wij verheugen ons dat op deze wijze zal worden voorzien in de behoefte aan de alsnog ontbrekende lokalen voor colleges en voor de vergadering der faculteiten en het afnemen der examens. Het gemis toch der voor het onderwijs en voor universitaire handelingen vereischte vertrekken geeft dikwijls tot groot ongerief aanleiding.
Ingevolge Uwe vereerende uitnoodiging hebben wij het advies van den Senaat over de nog ontbrekende lokalen gevraagd; een afschrift van dat advies wordt hiernevens overgelegd.
Wij meenen de wenschen van den Senaat te moeten ondersteunen voor zoover de onmisbaar geachte lokalen betreft. Daartoe rekenen wij in de eerste plaats voor iedere der 5 faculteiten de uitsluitende beschikking over
Aan
Heeren Burgemeester en Wethouders van Ulrecht.
/9f
88
een eigen vertrek, derhalve 5 faculteitskamers. Ook do litterarischo faculteit zal een vertrek behoeven, want de kamer, welke die faculteit thans in gebruik heeft, dient evenzeer voor andere faculteiten en soms ook voor colleges. Bij de faculteitskamers is één vertrek als wachtkamer voor examinandi onmisbaar.
Voor het geven van colleges vertrouwen wij dat drie vertrekken voldoende zullen zijn. Met het oog op de lessen in de kunstgeschiedenis acht de litterarische faculteit het wenschelijk dat, indien er, des noods op de zolderverdieping, ruimte kan gevonden worden, daarvan een gedeelte worde ingeruimd voor een lokaal met licht van boven , waarin beelden of pleistervoorwerpen geborgen of opgesteld kunnen worden. Bij ons College is de overtuiging van de noodzakelijkheid van zoodanig vertrek nog niet gevestigd.
Ten slotte veroorloven wij ons nog een opmerking. Het is ons niet bekend of het gebouw, waarin het Leesmuseum is gevestigd, bij de voorgenomen verbouwing zal komen te vervallen. Bij de mogelijkheid echter dat ook dit gebouw in de bouwplannen begrepen wordt, rekenen wij ons verplicht te wijzen op het belang, ook voor de Universiteit, van het voortbestaan en den bloei van het Leesmuseum als wetenschappelijke instelling en als middelpunt van wetenschappelijk verkeer. Wij stellen grooten prijs op het behoud van die instelling, welke in nauw verband met de Universiteit en met hier gevestigde wetenschappelijke genootschappen voor onze stad van groot nut is. Een der hoofdvoorwaarden voor haren bloei is het gevestigd blijven in het middelpunt der stad, in dc onmiddellijke nabijheid der Universiteit.
Het Leesmuseum heeft zijne tegenwoordige inrichting te danken aan de belangstelling van liet gemeentebestuur ter gelegenheid van het tweede eeuwfeest der Universiteit
89
\lbis B
betoond ; wij zouden het daarom ten hoogste betreuren, indien aan den bloei der instelling afbreuk werd gedaan door verplaatsing naar een minder gunstig gelegen punt der stad ten gevolge der voorgenomen bouwplannen.
Curatoren der Rijksuniversiteit te Utrecht, De Voorzitter,
s' JACOB.
De Secretaris , BAERT.
Bijlage 17bis C.
Utrecht, 6 Januari 1886.
In antwoord op Uw brief van 15 December jl, n0. 310, hebben wij de eer U hierbij in afschrift de brieven over te leggen, waarin door iedere faculteit voor zoover haar betreft, hare wenschen nopens de inrichting van het nieuwe Academiegebouw zijn geformuleerd.
Deze wenschen heeft de Senaat in het algemeen ook tot do zijne gemaakt, mot deze wijziging nochtans dat de Senaat ook voor de theologische faculteit eene collegekamer in hot nieuwe gebouw gaarne zou aangewezen zien.
De theologische faculteit zelve meende, wegens hot verzoek in Uw schrijven tot beperking der wenschen, geen verlangen naar eene collegekamer in hot nieuwe gebouw te moeten uitspreken; het tegenwoordig lokaal in het gebouw van het mineralogische kabinet voldeed aan hare behoefte. De Senaat evenwel heeft het nuttig geacht, dat het gebouw van bedoeld kabinet voor do toekomst geheel voor do mineralogische verzameling beschikbaar kon blijven , en hij vond er oonig bezwaar in dat dit gebouw, — waarin geen concierge woont, — zonder toezicht openstaat voor een ieder, die zou kunnen voorgeven eene les
Aan
het College van Curatoren der Rijksuniversiteit te Utrecht.
92
der theologische faculteit te willen bijwonen. Vooral echter met het algemeen doel van een Academiegebouw , de te zamenbrenging namelijk zooveel mogelijk van leeraren en leerlingen en de bevordering van gemeen-schappeljjken omgang, scheen het den Senaat te strooken dat niet zonder overwegende redenen de theologische lessen buiten het Universiteitsgebouw gegeven werden. Daar nu de genoemde faculteit geen bezwaar had hare lessen hierheen over te brengen, heeft de Senaat ook eene collegekamer voor deze faculteit onder zijne wen-schen opgenomen.
De brieven der faculteiten samenvattende, vinden wij thans dat gevraagd worden :
lt;/. vier nieuwe faculteitskamers (de litterarischo faculteit heeft reeds eene in het oude gebouw);
h. drie nieuwe collegevertrekken, die onmisbaar
worden geacht;
c. drie nieuwe collegevertrekken, die bloot wcnschelijk worden geacht en waarvan combinatie mogelijk schijnt;
cl. eene wachtkamer voor examinandi;
e. eene kamer voor pleisterbeelden met bovenlicht. Voorts doet de Senaat opmerken, dat de tegenwoordige Senaatskamer te klein is geworden om bij de Senaats-vergaderingen alle professoren te bevatten en om aan de portretten der overleden leden eene plaats te geven.
Behalve deze wenschen, welke wij bepaaldelijk kunnen uitspreken , zijn evenwel nog tal van vraagpunten overgebleven , waaromtrent de Senaat aarzelt reeds thans schriftelijk een stellige meening te formuleereu , vermits hij verstoken is gebleven van alle technische voorlichting en daar die punten bovendien voor schriftelijke behandeling niet wel vatbaar schijnen. Zij betreffen : 1°. de afmeting der lokalen;
93
11 bis
2°. het meubilair (vorm der banken);
3°. het licht en het aanbrengen van werkmuren ;
4°. vorm en plaatsing van de katheders ;
5°. bergkasten;
6°. archief kamer voor den Senaat;
1quot;. de onderlinge ligging der lokalen ;
8°. de praktische verbinding van het oude gebouw met het nieuwe;
9°. de bewaking van den ingang van het nieuwe gebouw; 10°. de zorg dat de college- en examenlokalen niet ge-
hoorig zijn ;
11°. de plaatsing der kachels.
Verscheidene van deze punten zijn van het hoogste gewicht. Indien men bv. besloot om alle faculteitskamers in het nieuwe gebouw te vereenigen — hetgeen voor de bediening tijdens de examina zeer wenscheljjk zou zijn — zou ook de litterarische faculteit nog een nieuwe faculteitskamer noodig hebben en zou haar tegenwoordige eene andere bestemming moeten erlangen. De verbetering, om een ander voorbeeld te noemen , van den doorgang tus-schen Senaatskamer en auditorium zou waarschijnlijk reeds op zich zelve vorderen, dat de tegenwoordige Senaatskamer als zoodanig kwame te vervallen en, met gewijzigde inrichting, van bestemming veranderde. In één woord, voor nader gemeen overleg met den architect of met de autoriteiten , die over het werk gaan , houdt de Senaat zich zeer aanbevolen.
Ten einde dat overleg zijnerzijds gemakkelijk te maken heeft de Senaat thans eene vaste commissie benoemd. Deze commissie bestaat uit de heeren Rector en Secretaris van den Senaat, Buys Ballot, assessor dor natuurkundige faculteit, Hamaker , assessor der juridische , Valeton, assessor der theologische en Snellen voor de medische faculteit. Mocht dus door de betrokken autori-
94
teiten op dit gemeen overleg worden prijs gesteld, dan zal deze commissie voor den Senaat optreden.
De Senaat der Rijksuniversiteit te Utrecht, (w.g.) J. A. WIJNNE,
Rector-Mu(jn i ficus.
(w.g.) J. d'AULNIS DE BOUROUILL,
Secretaris.
Voor afschrift conform , De Secretaris van Curatoren der Rijksuniversiteit te Utrecht.
BAERT
/rj
Bijlage 176/« D,
Onderwcrj) :
Academiegebouw. Ut vecht, 23 Januari 1886.
Wel Edel Gestrenge lieer!
Ingevolge een heden aan mij gedaan verzoek van den heer Burgemeester dezer gemeente, heb ik de eer U hierbij eenige nadere omschrijving te geven van de lokalen , die de Senaat in het nieuwe Academiegebouw wenscht, daarbij evenwel op den voorgrond stellende, dat door mjj deze mededeelingen niet worden verstrekt na ruggespraak met de betrokken faculteiten, uitgenomen de juridische.
De juridische faculteit beschouwt het lokaal, waarin zij thans in het oude gebouw haar colleges geeft, als de type van een goed collegevertrek. Het lokaal is goed verlicht; de katheder zoowel als de kachel zjjn goed geplaatst ; de hoogte is voldoende ; en er kunnen wel 24 studenten goede plaats vinden. De ingang bovendien, welke voor den hoogleeraar bestemd is, bevindt zich vlak bij den katheder. De kamer is 5J meter breed ; 8 meter lang, 3.75 meter hoog. De drie tot den zolder doorloopende breede lichtvensters bevinden zich in één der lange wanden. Achter den katheder is een werkmuur.
Van deze ondervinding uitgaande, zou ik meenen dat de collegekamers der andere faculteiten hiernaar kunnen worden ingericht. Mitsdien zouden voor de faculteiten, waarvan het aantal studenten geregeld geringer is (nl. naar
Aan
den Heer Wethouder van Openbare Werken te Utrecht.
96
ik meen, de litterarische en de philosophische) kleiner kunnen worden gebouwd, voor de andere daarentegen (nl. de theologische en de medische) grootere lokalen noodig zijn.
Meerdere hoogte, b.v. il 5 meter, zou ook geen kwaad doen, als bevorderlijk aan ventilatie en licht.
De faculteitskamers zullen ongeveer 6 X meter oppervlakte moeten hebben. Die kamers toch zullen, naar de bedoeling der heeren, ook moeten dienen voor examina, en dus ruimte voor eenige toehoorders moeten aanbieden. Bij deze lokalen komt het minder, dan bij die, welke voor het onderwijs zijn bestemd, aan op een krachtig, zich over het geheele lokaal verspreidend licht.
De auditoren moeten zóó zijn geplaatst, dat de examinandus hen niet ziet, noch zich te veel in hun nabijheid bevindt. De wachtkamer der juridische faculteit, thans ook voor examina in gebruik, is 5^ X ^ nieter, en bepaald te klein om aan dezen eisch te beantwoorden.
De wachtkamer voor de examinandi zal ook allicht een kamer moeten zijn van 6 X ^ meter. Een eventueel pedelbureau zij daarentegen liefst zoo klein mogelijk, b.v. 2X2 meter, daar de pedellen anders bij hun werkzaamheid overlast hebben van studenten, die zich zonder noodzaak in hun kamer ophouden.
Wat zekerlijk wenschelijk zou zijn, is dat er minstens één lokaal zij, waarin 50 toehoorders goed kunnen plaats vinden, een lokaal geschikt voor voordrachten van popu-lairen aard, zooals allicht bij de litterarische of theologische, mogelijk ook bij de juridische faculteit voorkomen; een soort van „ kleinauditoriumquot;, waar zoowel voor een groot getal toehoorders ruimte is als gelegenheid voor
97
llhü D
hen tot het maken van schriftelijke aanteekeningen nopens het gehoorde. Do litterarisehe faculteit heeft op de behoefte daaraan reeds de aandacht gevestigd. Haar tegenwoordig lokaal (links bij den ingang) is voor de gewone opkomst van studenten in de letteren ruim groot, en zou voor het hier aangewezene te klein zijn.
Ten slotte geef ik U nog te kennen, dat de vrij alge-meene wensch der professoren is, dat de faculteitskamers bij elkander en eveneens do collegevertrekken zoo mogelijk bij elkander zijn, daar zulks voor den dienst dei-pedellen en de handhaving der orde tijdens de examina wenschelijk schijnt.
Met de verzekering mijner bijzondere hoogachting heb ik de eer mij te noemen
Uw dw. Dienaar, J. d'AULNIS DE BOUROUILL,
Secret ai is ran den Senaat.
7
/r7
B IJ L A G E 17bis E.
EXTRACT uit de notulen van den Raad der gemeente Utrecht.
Woensdag, den 8,tequot; Mei 1839.
DE RAAD DER STAD UTRECHT ,
Gehoord het rapport van de heeren Mr. W, J. Both Hendriksen, Mr. J. J. van der Hagen van den Heuvel, en Mr. N. P. J. Kien , als bij resolutie des Raads van den 14den Juli 1837 gecommitteerd, om ten aanzien van het doelmatigst gebruik , waartoe het gebouw op de plaats waar te voren de Capittelkamer van het Domcapittel pleegt te vergaderen, en alwaar ter gelegenheid der viering van het tweehonderdjarig bestaan der Hooge-school binnen deze stad gevestigd , een nieuw gebouw voor stadsrekening in 1836 is daargesteld, uit welk rapport is gebleken, dat dit gebouw zeer geschikt is voor een wetenschappelijk Leesmuseum , bijzonder tot het houden van voorlezingen over wetenschappelijke en letterkundige onderwerpen , zoodanig , dat de tweede verdieping van dat gebouw, alsmede de eene helft der eerste verdieping, uitmakende den zuidelijken vleugel van dat gebouw, ten voormelden einde zoude kunnen dienen;
Verder gelet op de door den heer Staatsraad, afgetre-
100
den Burgemeester, in verscheiden vergaderingen des Raads mondeling gedane mededeelingen aangaande do pogingen, welke waren aangewend om zoodanige inrichting op ge-melden voet tot stand te brengen, in dier voege, dat de leden des Stedelijken Raads en de aan de Stedelijke Regeering verbonden hoofdambtenaren leden van die inrichting zouden kunnen worden op grond van hunne voormelde betrekkingen, en dat de Burgemeester in dei-tijd , of een lid dos Raads daartoe door denzclven te benoemen , tot de Directie van die inrichting zoude behooron; dat die pogingen door deelneming van een genoegzaam aantal leden gelukkig waren geslaagd, en gelet op het Koninklijk besluit van 23 Februari 1825, n0 99, waarbij de aankoop van het voormelde oude Capittel-huis en aanhoorige gebouwen was geauthoriseerd, met oogmerk om aan hetzelve eene bestemming te geven ten nutte der # ïïoogeschool, omtrent welk doel tot nog toe geene bepaling is gemaakt;
Heeft besloten, om dat gedeelte van het nieuwe gebouw , staande en gelegen aan het Oud-Munsterkerkhof binnen deze stad, hetwelk zuidwaarts van den doorgang naar het auditorium en Domkerk gelegen is, bestaande in eene gang, benedenkamer, trap, en voorts de groote en kleine zaal van de tweede verdieping, benevens den zolder loopende over het geheele gebouw ten gebruike aan te wijzen en te bestemmen voor het wetenschappelijk Leesmuseum, zoodanig hetzelve op den lsten October 1838 is opgericht geworden, zoolang hetzelve tot wetenschappelijk en letterkundig doel blijft bestemd op den voet, dat de Burgemeester of een lid der Stedelijke Regeering, door hom daartoe benoemd, lid der Directie, en de leden des Raads en stedelijke hoofdambtenaren het recht zullen hebben om, des verkiezende, leden van hetzelve te worden , en gedurende dit gebruik hot gewone onder-
101
lUis E /r?
houd van dit gebouw en de grondlasten, waarmede hetzelve mocht worden bezwaard, door het Leesmuseum en Hoogeschool zullen worden op zich genomen.
Er is wijders bepaald , dat aan de Stad gecnc vergoeding zal worden gegeven, en dit wol uit hoofde van de daaraan gegeven bestemming, waarbij de verbreiding van wetenschappen en letterkunde en de steeds toenemende verceniging tusschen de academieburgers en de overige inwoners dezer stad wordt bedoeld.
Zijnde eindelijk met betrekking tot liet vertrek aan de noordzijde van den voormelden ingang bepaald , dat hetzelve oi) gelijken voet als hierboven is omschreven, aan de Edele Groot Achtbare Heeren Curatoren der Hooge-school, binnen deze stad gevestigd, in gebruik zal worden gegeven , en wel bepaaldelijk tot het houden van vergaderingen , zoo van Hoeren Curatoren als van den Academischen Senaat, en van do onderscheidene faculteiten , tot examina en promotion , zoodanig echter dat hetzelve voor het houden van collegiën niet zal mogen dienen , en overigens tusschen Heeren Curatoren en de Stedelijke Regeering dit gebruik op denzelfden voet zal zijn verzekerd, als zulks len opzichte van het wetenschappelijk Leesmuseum is bepaald ; onder voorwaarde echter, dat ingeval de Stad mocht treden in het gebruik van dat gedeelte van dit gebouw, thans tot Leesmuseum bestemd, alsdan aan dezelve Stad, of wel aan de Rcgce-ring derzclve in der tijd, het recht zal toekomen, om ook dit gedeelte van hetzelve gebouw weder aan zich te nemen , en om daaraan zoodanige bestemming te geven als door dezelve zal worden goedgevonden, en alzoo het ten behoeve der Hoogeschool afgestaan gebruik te doen eindigen.
Zijnde eindelijk Heeren Burgemeesteren en quot;Wethou-deren verzocht en geauthoriseerd om de uitvoering van
102
dit besluit te verzekeren , zullende afschrift van hetzelve aan Heeren Curatoren der Hoogeschool, en extract, zooveel het Leesmuseum aangaat, aan de Directie van die inrichting worden uitgereikt.
Aldus besloten in de Raadsvergadering van den 8sten Mei 1839.
De Voorzitter, N. P. J. KIEN.
De Secretaris, W. E. RAM.
B IJ L A G E
Nquot;. 41.
Utrecht, 26 Januari 1886.
Wij hebben het genoegen U mede te deelen, dat de Gemeenteraad in zijne zitting van den 21slcn Januari 11., op onze voordracht, de voorwaarden geheel heeft goedgekeurd, onder welke de Heer E. Gugel bij zijne brieven van den 8slen en 20stcn December 11. ons verklaard heeft, dat Gij, in samenwerking op gelijken voet, bereid zijt de opdracht te aanvaarden, vermeld in ons schrijven aan genoemden hoogleeraar van den 24stcn November des vorigen jaars.
Die opdracht tot het samenstellen van een plan met bestek en begrooting van een monumentaal Universiteitsgebouw alhier, aan het Munsterkerkhof in aansluiting aan de aldaar aanwezige Academische localiteiten, en tot de uitvoering van dat plan, indien het door den Gemeenteraad zal worden goedgekeurd, wordt U derhalve thans door ons College namens den Gemeenteraad onder de genoemde voorwaarden bepaaldelijk verstrekt
Het U bekende perceel van den Heer Jhr. W. L C. Ham wordt door ons krachtens besluit van den Raad ten behoeve der Gemeente voor dit doel aangekocht en zal 1°. Mei ter onzer beschikking zijn.
Ter voldoening aan Uw verzoek om toezending van een
Aan
Heer en E. Gugel, Hoogleeraar te Delft, en O. Vermeijs, Architect, Directeur der gemeentewerken te Utrecht.
104
speciaal programma voor het te ontwerpen plan, hebben vrij de eer U lilernevens in afschrift toe te zenden een aan ons gericht schrijven van Heeren Curatoren der Universiteit alhier, van den 215lcn dezer, n0. 28, met bijgevoegd advies van den Senaat der Universiteit van den (5lt;ien dezer, en een nader schrijven van den Secretaris van genoemden Senaat aan onzen Wethouder van openbare werken, van den 23slcn dezer maand. Deze 3 brieven be-, vatten de omschrijving van de in de eerste plaats ver-eischte lokalen en van wat verder voor de bestemming van het gebouw als wenschelijk moet worden beschouwd.
Op de volgende 3 punten meenen wij nogmaals meer in het bijzonder Uwe aandacht te moeten vestigen:
1°. Over het perceel, alwaar thans het Leesmuseum gevestigd is, zal voor de nieuwe stichting kunnen worden beschikt. Tusschen de Universiteit en die inrichting bestaat echter in meer dan één opzicht een nauw verband , waarop ook door Curatoren gewezen wordt, en om het veelvuldig gebruik, dat Hoogleeraren en studenten daarvan maken, is het hoogst wenschelijk, dat het Lees-museum in de onmiddellijke nabijheid van of in liet Universiteitsgebouw geplaatst zij. Wij verzoeken U daarom zoo eenigszins mogelijk in Uw ontwerp ook eene geschikte localiteit voor het Leesmuseum met conciërgewoning op te nemen. Mocht daarvoor de gelegenheid ontbreken, dan zouden wij gaarne hiervan zoo spoedig mogelijk verwittigd worden.
2°. Toen de Gemeenteraad besloot tot de stichting van een Universiteitsgebouw, was, wat de kosten betreft, hem alleen eene globale raming van f \ 50,000.— bekend, waarin de aankoop van het perceel van den Heer Ram begrepen was. Ofschoon U dit bekend is, achten wij ons toch verplicht, hierop ook bij deze gelegenheid te wijzen.
105
3°. Daar het Universiteitsgebouw eene feestgave der Gemeente zijn zal op het in Juni te vieren lustrum, zal onzes inziens ten minste de eerste steenlegging daarvan alsdan behooren plaats te hebben.
Tot nadere bespreking en het geven van verdere inlichtingen, des verlangd, blijft zoowel ons College als de Wethouder, belast met het toezicht op de openbare werken, bereid.
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht, De Burgemeester,
W. R. BOER.
De Secretaris, DE WATTEVILLE.
B IJ L A G E
Bericht op liet schryvcn 26 Januari, n0. 41.
Onderwerp : Delft , 25 Februari 1886.
Academiegebouw. Utrecht, 26 Februari 1886.
Na ontvangst Uwer missive van 26 Januari jl., n0. 41,— waarbij ons tevens zijn geworden : een aan UWelEdelAehtb. gericht schrijven van HH. Curatoren der Universiteit, dd. 21 Januari en een advies van den Senaat der Universiteit , dd. 6 Januari, benevens een brief van den Secretaris van genoemden Senaat — hebben wij ons, na de vereischte opmetingen, met het opmaken van verschillende schetsontwerpen bezig gehouden , ten einde na te gaan in hoeverre op het beschikbare terrein aan alle voorname eischen en wenschen , in voorgenoemde adviezen vermeld, kan worden voldaan.
Als uitkomst van ons onderzoek hebben wij de eer, aan UWelEdelAehtb. college mede te doelen, dat wij ons van de volstrekte onmogelijkheid hebben overtuigd, op het beschikbare terrein geschikte localiteiten voor een Leesmuseum met conciërgewoning te vinden. Ook bleek ons, dat, én met het oog op het beschikbare terrein , én met het oog op de bouwsom , behalve de vijf faculteitskamers alleen drie collegezalen in het plan kunnen worden opgenomen.
Terwijl wij vermeenen hiermede aan de beantwoording der vraag, in Uw schrijven van 26 Januari tot ons gericht, te hebben voldaan, veroorloven wij ons tevens op te merken, dat aan alle eischen en nagenoeg aan alle
Aan
Burgemeester en Wethouders der fiemeente Utrecht.
108
wetischen van Curatoren cn Senaat alleen dan zoude kunnen worden voldaan, wanneer liet thans beschikbare terrein met het perceel, nu door den heer Fles bewoond, zoude kunnen worden uitgebreid, terwijl dan ook de bouwsom eene evenredige verhooging zoude moeten ondergaan. Bij onzen voorloopigen arbeid is het ons tevens wensche-lijk voorgekomen, vóór de samenstelling van een definitief ontwerp, te weten te komen, of van de zijde van den Minister van Binnenlandsche Zaken geen bezwaren zouden bestaan tegen de verplaatsing der binnendeur van het groote auditorium en togen het uitbreken van eenige lichtopeningen, — respectievelijk het veranderen van eenige blinde traceerramen in glasramen — onder de kruisgang, ten einde aan eenige lokalen van het te stichten Academiegebouw van deze zijde licht te kunnen geven. Wij zouden er hoogen prijs op stellen, door Uwe tusschenkomst, over de zienswijze van Zijne Excellentie, deze beide punten betreffende, zekerheid te erlangen.
Aangezien eene eventueele uitbreiding van het bouwterrein voor den aanbouw van een nieuw Leesmuseum ook op de distributie van het eigenlijke Universiteitsgebouw van invloed zoude zijn, houden wij ons voor eene spoedige mcdedeeling van Uwe opvatting en Uwe voornemens ten deze ten zeerste aanbevolen.
Met de meeste hoogachting hebben wij de eer te zijn van Burgemeester en Wethouders voornoemd,
de dienstwillige Dienaren,
E. GUGEL.
C. VERMEIJS.
Bijfiage 20.
Nquot;. 313.
Onderwerp: Utrecht, iten 5. November 1886.
Universiteitsgebouw.
Wij haddon do eer U bij onzen brief van 3 Juli 1886, nn. 199, te berichten dat de Minister het advies van den Senaat en van ons College had gevraagd over het voor-loopig plan van een monumentaal Universiteitsgebouw door U bij brief van 28 Mei, no. 56, aan Zijne Excellentie toegezonden.
Het advies van den Senaat werd in 't laatst van Juli aan de Regeering medegedeeld. Ten behoeve van het door ons uit te brengen advies riepen wij de voorlichting in van den Rijksbouwkundige voor de gebouwen van onderwijs, den raadsman van ons College in aangelegenheden van bouwkundigen aard. ïot het vragen van die voorlichting bestond te meer aanleiding, omdat de Minister tevens verlangde een overzicht van de bestemming , later te geven aan de lokalen van het voormalige Politiehuis met de daarnevens gebouwde pedelswoning.
De Rijksbouwkundige gaf ons de gevraagde voorlichting in den vorm eener teekening (met variante) vergezeld van een verklarende memorie en van een programma van eischen voor den bouw. Laatstgenoemd stuk strekt ter voldoening aan 't verlangen des Ministers, U bij brief van
Aan
Heeren Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht.
110
24 Februari, nquot;. 412 O, kenbaar gemaakt en herhaald in onzen brief van 3 Juli. Wij aarzelen niet aan dit pro- Pr gramma, opgesteld met inachtneming der wenschen, door ge den Senaat in zijne adviezen 6 Januari en 9 Juli gefor- en muleerd, onze goedkeuring te verleenen. Het zal tot grondslag moeten strekken voor de vaststelling van het zn definitieve bouwplan, het vult de leemte aan welke alsnog h( in de behandeling dezer aangelegenheid bleef bestaan. M Volgens nadere mededeeling van den Rijksbouwkundige XJ moot dit programma nog worden aangevuld met de vermei- di ding van een electrische schelgeleiding, welke nevens gas- p; en waterleiding in het gebouw noodzakelijk is te achten. v De wijziging van het voorloopig plan in de teekening d voorgesteld, komt ons voor ernstige overweging te verdienen. Bij de mondelinge toelichting van die teekening, ( door den Rijksbouwkundige verstrekt, vernamen wij, dat \ er nog geen overleg tusschen uwe deskundigen en den e Rijksbouwkundige heeft plaats gehad. Voor het welslagen der plannen meenen wij, dat zoodanig overleg niet alleen 1
in hooge mate wenschelijk is, maar ook in 't belang eener spoedige afdoening der zaak wellicht gevorderd wordt. Immers het is de bedoeling van het Gemeentebestuur, het te stichten gebouw aan het Rijk in gebruik en in onderhoud te geven, alsmede om het in verband te brengen en tot één geheel te vormen met de aanwezige academische localiteiten. Uwe deskundigen zeiven hebben in hunnen brief van 25/26 Februari de noodzakelijkheid van overleg met de Regeering „vóór de vaststelling van een definitief ontwerpquot; erkend ; de Minister heeft die noodzakelijkheid voorzien en U bij brief van 24 Februari medegedeeld, dat „de Rijksbouwkundige voor de gebou-„wen van onderwijs door hem was uitgenoodigd Uwe „Bouwmeesters zooveel noodig en mogelijk van raad te „dienen bij de samenstelling der bouwplannen.quot;
1
Ill
Genoemde ambtenaar is steeds bereid met de Hoeren Prof. Gugel en den Architect, Directeur dor Utrechtsche gemeentewerken Vermeijs op door hen te bepalen tijd en plaats in overleg te treden.
Aan de spoedige vaststelling van een definitief ontwerp zal het stellig bevorderlijk zijn , indien dit overleg plaats heeft vóór dat het advies van ons College aan den Minister wordt gezonden. Wij nemen daarom de vrijheid, U bij dezen de teekeningen Uwer deskundigen, alsmede die van den Rijksbouwkundige met de toelichting en het programma van eischen te doen toekomen, met beleefd verzoek, het bovenbedoeld overleg tusschen de bouwkundigen alsnog te willen bevorderen.
De stichting van het Universiteitsgebouw is voor het Gemeentebestuur eene aangelegenheid van te groot gewicht, dan dat het noodig zoude zijn op het wenschelijke eener spoedige behandeling dezer zaak te wijzen.
Wij verzoeken de bijgaande stukken na gemaakt gebruik terug.
Curatoren der Rijksuniversiteit te Utrecht, De Voorzitter,
s' JACOB.
De Secretaris, BAERT.
b ij l a. g e 20bis.
Nquot;. 1344.
O X D E R W E R I':
s-Grarenhar/e. 25 October 1886.
N i en w U n i rcrsit oitsg vboii w
Mot belangstelling nam ik kennis van het hierbij teruggaand „avant-projetquot; voor do stichting van oen nieuw Universiteitsgebouw.
Een programma van do eischen naar wolko hot is opgemaakt trof ik bij de stukkon niet aan. TFot bleek mij dat er geen programma was vastgesteld en dat als leiddraad do inlichtingen hadden gediend door Burgemeester eu Wethouders verstrekt.
Mot don Senaat, welks belangrijk rapport ik op oen j,'
paar ondergeschikte punten na, geheel onderschrijf, ben ik van meening, dat in dit avant-projet goede elementen worden aangetroffen. De lokalen zijn vrij ruim , behoudens eeno enkele uitzondering goed verlicht en doelmatig gelegen. De trap bevindt zich op de geschiktste plaats en er is gezorgd voor ruime , zij hot dan ook niet overal,
goed verlichte corridors.
Aan
hel College van Curatoren der Rijksuniversiteit
te Utrecht. k
114
Tot het opmaken van hot definitieve plan zal het, ter vermijding van later misverstand en verschil van meening over het al of niet noodige van verschillende lokalen en hunne ligging, evenwel noodig zijn een programma van eischen vast te stellen , hetwelk rekening houdt met de bestemming aan de lokalen van het voormalig l'olitiehuis te geven en de aldaar mede door den Senaat terecht noodzakelijk geachte verbeteringen.
Ik heb daarom, na raadpleging der stukken, met inachtneming vooral van de opmerkingen en bedenkingen dooiden Senaat gemaakt en voorts na gepleegd overleg met den heer Secretaris van Uw college , gemeend wel te doen het concept van zulk een stuk hierbij te voegen ; het kan , na zooveel noodig door U.E.G.A. te zijn gew ijzigd en aangevuld, als basis worden gebruikt tot het ontwerpen van het eigenlijke bouwplan.
Ik vestig tot vaststelling van dit stuk bijzonder de aandacht op de vraag, hoeveel collegekamers er noodig geacht worden. De Senaat geeft namelijk in overweging, ook van den tuin voor het aanbouwen van collegekamers zooveel mogelijk gebruik te maken.
Verder heb ik onderzocht welke verbeteringen de lokalen van het voormalig Politiehuis en vooral do toegang aan die zijde zouden behoeven en of de vergrooting van de Senaatskamer noodig zou zijn.
Eene doeltreffende verbetering zal worden verkregen , als de pedelswoning wordt afgebroken an aldaar eene ruime vestibule wordt gemaakt, door een tochtdeur van de gang langs het groot auditorium gescheiden en waarbij een pedelskamer wordt gevoegd , die, haar licht van de binnenplaats ontvangend, aan de vestibule en langs de gang is gelegen.
De pedelswoning , die zich, gelijk de Senaat opmerkt, aan een der uitgangen van het gebouw behoort te bevinden,
115
kan worden ingericht in do benedenvertrekken van liet voormalig Politicgebouw, met bijvoeging van oen keuken geljjkstraats en een paar vertrekjes op do 2du verdieping. De collogekaraers, die daardoor vervallen, kunnen aan den tuin worden gemaakt, ter plaatse waar op bot avant-prqjet do conciërgewoning is ontworpen. Hierdoor verdwijnt de kleine collegekamer op do l3te verdieping, die tbans de toetreding van het licht in het groot auditorium belemmert, en die de Senaat dan ook wenscht te zien afgebroken.
Vergrooting van de Senaatskamer is mjj bij opneming in loco niet bepaald noodzakelijk voorgekomen. ITet vertrek is te klein, omdat do kachel bij de ramen te veel plaats wegneemt; als er een stookgelegenheid aan de buitenzijde gemaakt wordt, die ook van do plaatszij do wordt bediend , zoodat van de volle lengte van hot vertrok gebruik gemaakt kan worden, zal de grootte voldoende blijken.
Wat het groot auditorium betreft, dit behoeft geen verandering te ondergaan. De bestaande toegangen aan do noord- en zuidzijde zijn voldoende voor het gebruik.
Omtrent de denkbeelden, waardoor men zich bij liet ontwerpen van oen nieuw plan in verband met hot voorafgaande behoort te laten leiden, heb ik do oer U.E.Gr.A. te berichten, dat naar mijne zienswijze, vooral bot volgende in het oog zal moeten worden gehouden :
Voor het maken van eene groote vestibule met drie toegangen is geen aanleiding. Zulk eene dispositie is op haar plaats bij oen schouwburg of concertgebouw, alwaar groote menschenmassa's in den kortst mogelijken tijd het gebouw moeten kunnen verlaten , doch onnoodig bij een Universiteitsgebouw , dat niet voor groote men-schcnmassa'a is bestemd. Ook al is hot groot auditorium geheel met toehoorders gevuld , dan nog is de evacuatie
no
in den bestaanden toestand uiterst gemakkelijk, zoo dooide ruime kruisgang als door do zijgang aan do zuidzijde en deze laatste zijgang zal door aansluiting met eene ruime vestibule nog meer gelegenheid geven om gemakkelijk naar buiten te komen.
Waar men, gelijk hier, met een betrekkelijk beperkt bouwterrein te doen heeft, wachte men er zich dus voor door eene noodeloos groote vestibule de ruimte en schikking van andere localiteiten te benadeelen.
Verder verdient het aanbeveling, zooveel mogelijk partij te trekken van de monumenteele kruisgang, waardoor men het groot auditorium bereikt. Nu het Leesmuseum wordt afgebroken , zal de openbare doorgang wel kunnen vervallen, zoodat de kruisgang met glas kan worden gedicht en met den vrijhof bij het nieuwe Universiteitsgebouw kan worden gevoegd.
Dit zal nog het voordeel geven , dat men van het terrein voor het Universiteitsgebouw minder voojgangen behoeft af te nemen en meer oppervlakte bescliikbaar houdt voor de lokalen. Het is voorts geraden, het nieuwe gebouw evenwijdig aan den westelijken muur van de kruisgang te maken; het is onnoodig het gebouw haaks op de Domkerk te plaatsen, wijl beide gebouwen te zeer in vorm en afmetingen verschillen, om daarin oen zoo gezocht verband te brengen. Het is rationeel de richting te volgen van den muur waartegen gebouwd wordt en daarbij de rooilijn van den voorgevel niet te zeer door voorsprongen te versnipperen, zoo om de lokalen zoo groot mogelijk te houden, als om het gebouw, geënclaveerd als hot is tusschen de Domkerk en de panden aan de zuidzijde, aan de hoeken niet te veel te doen terugwijken.
Ten slotte heb ik nagegaan op welke wijze het nieuwe Universiteitsgebouw zou kunnen worden ingedeeld, daarbij
117
tot basis nemende liet concept-programma van eischen en uitgaande van de zoooven ontwikkelde denkbeelden.
Het resultaat wordt aangetroffen op liet hierbij gevoegd schetsplan, waarop ook de verbetering der lokalen in het voormalig Politiohuis wordt voorgesteld en dat, naar ik vertrouw, geene uitgebreide toelichting behoeft.
Aan de entree en de corridors is dezelfde breedte-afmeting gegeven, welke de kruisgang heeft, en men kan zich gemakkelijk op de plaats zelve overtuigen, dat die afmeting ruimschoots voldoende is. De lokalen verkrijgen zoodoende het maximum van bereikbare grootte. De gangen langs de zuid- en westzijde van het groot auditorium kunnen uit den aard der zaak minder breed zijn.
Er is nabij den tuin in het gebouw nog een derde trap aangebracht, zoodat men de werklieden en materialen , die bij onderhouds- of herstellingswerken aan daken, goten, zolders, enz., worden gebruikt, niet door de hoofdingangen en door het gebouw heen behoeft binnen te brengen. Deze trap is voorts nuttig als communicatiemiddel bij brandgevaar, enz. en kan ook naar den kelder voeren , indien men het maken van een kelder met mij wenscheljjk acht.
Worden aan den tuin méér collegekamers verlangd, dan kunnen deze verkregen worden op de wijze, welke op de variante is voorgesteld.
Ten einde vallicht op den bovencorridor te vermijden, kan de muur van de kruisgang aldaar worden opengemaakt en met meneaux worden voorzien. Daarachter kan het licht door ruime dakvensters naar binnen treden. Men verkrijgt aldus ook op den bovencorridor cene aangename en overvloedige verlichting.
De open plaats achter het groot auditorium bevordert de lichttoetreding in de zijgangen en men behoudt tevens
118
de prise d'air voor don verwarmingstoestel van het groot auditorium.
De afsluitmuur bij liet voormalig Politicgebouw kan door een ijzeren hek worden vervangen. Dit zal, nu de tuin zich allengs meer ontwikkeld heeft, het uitwendig aanzien van de straat veraangenamen en het uitzicht uit de pedelswoning ten goede komen.
Ik meen mij te mogen vleien, door een en ander te hebben aangetoond , dat de stichting van een doelmatig en monumenteel Universiteitsgebouw op deze wijze in de gunstigste conditiën kan worden tot stand gebracht.
Tot eene nadere mondelinge of schriftelijke gedaditen-wisscling met U.E.G.A. verklaar ik mij gaarne bereid.
Üe Rijkshouwlcandige voor de gebouwen van onderwijs , enz.,
J. VAN LOKHORST.
Bijlage 20bis A.
Concept.
Progrsiinni.a van uischen voor den bouw van een nieuw Universiteitsgebouw te Utrecht.
Terrein. Het gebouw wordt opgericht ter plaatse waar zich thans het Leesmuseum bevindt en met gebruikmaking van het terrein, vrijkomende door het afbreken van het pand, vroeger bewoond door Jhr. Ram.
Het sluit zich onmiddellijk aan bij de kruisgang van de Domkerk, door welke men het groot auditorium bereikt, en staat voorts in verbinding met de Senaatskamer en de lokalen in het voormalig Politicgebouw, welke lokalen , tot het verkrijgen van een goed geheel, zullen worden veranderd.
Door deze verandering zullen er twee collegekamers vervallen , voor welke in het nieuwe Universiteitsgebouw twee andere moeten worden aangetroffen. Daarentegen behoeft in hot nieuwe gebouw niet op cene conciërgewoning gerekend te worden, omdat den pedel-concierge cene woning in do lokalen van het voormalig Politic-gebouw wordt aangewezen.
In verband hiermede zullen er noodig zijn :
Gelijkstraals.
Lokalen. Vijf collegezalen , als :
2 groot ongeveer 75 M2.
2 „ „ 42 „
1 „ „ 36 „
Minstens twee dezer collegezalen behooren aan den tuin gelegen tc zijn.
120
Voorts :
1 spreek- of wachtkamer, groot ongeveer 22 M2.
1 pedelskamer, „ „ 15 „ Vciiiciir
1 jassenbcrgplaats, „ „ 15 „
^Fen wenselit de spreekkamer niet te ver van den ingang, de pedelskamer ongeveer midden in het gebouw en evenzoo de jassenkamer.
Eerste verdieping.
Vijf facnlteitszalen , als :
1 groot ongeveer 75 M2.,
3 „ „ 4G „ en 1 „ „42 „
1 collegezaal groot ongeveer 36 M2.
1 vertrekje voor den pedel 5 ü2. 1 jassenhergplaats ongeveer 10 M2.
Voor de ligging dezer beide laatste lokalen geldt, wat van die vertrekken in de benedenverdieping is gezegd. Trappen. De trappen moeten van steen zijn. Behalve de hoofdtrap , die zooveel mogelijk in liet midden van het gebouw is aan te brengen , is nog een tweede trap van mindere breedte noodig , meer nabij do pedelswoning gelegen, zoo met het oog op den dienst in het gebouw, als op brandgevaar. Met deze laatste trap bereikt men ook de zolderverdieping.
Privaten en Deze moeten allen aan de open lucht uitkomen en door ntcrplaatscn. ccn voorportaal van den corridor zijn gescheiden, zoodat ze als het ware buiten het gebouw liggen , zonder dat men genoodzaakt zij zich naar buiten te begeven. Verwarming De lokalen moeten door kachels of haarden worden i schoor- verwarmd ; het maken eener centraalvenvarming wordt verwerpelijk geacht.
Ook de corridors kunnen, zoo noodig, door kachels
stccncn.
I
121
20his A
verwarmd worden. De schoorsteenen worden bij voorkeur tegenover do werkmnren geplaatst.
Verlichting. I'1 de faculteits- en collegezalen moet het licht links van de toehoorders intreden, liet maken van vallichten worde vermeden.
Zoo in corridors en gangen, als in de lokalen moet het licht in ruime mate intreden.
Vloeren. l^c vloeren van gangen, corridors, privaten en waterplaatsen , ook op de eerste verdieping, worden van steen verlangd. Om gehoorigheid te voorkomen, wordt het maken van dubbele vloeren of van troggewelven onder de vloeren der vertrekken van de eerste verdieping aanbevolen.
Gas- en In alle lokalen en op de corridors, privaten en water-waierleidlng. plaatsen woi'dt gas- en waterleiding met toebehooren noodig geacht; de waterleiding moot ook voor brand-blussching en schoonmaken van het gebouw dienen. Bergplaatsen. Do bergplaats voor brandstoffen wordt in den tuin verlangd ; eene bergplaats voor gereedschappen worde daarbij gevoegd. Een gemakkelijke toegang van het gebouw tot den tuin is dus noodig.
Het maken van een kelder in het gebouw wordt wen-schelijk geacht.
Behoort bij brief nquot;. 1344, dd. 25 October 1886, aan het college van Curatoren der Rijksuniversiteit te Utrecht.
De Rijksboulokundifie voor de yeb omeen van onderwijs, enz.,
J. VAN LOKHORST.
Bijlage 21.
Utrecht, 11 November 188G.
N0. 43.
Het voorloopig ontwerp van hot te stichten monumentale Universiteitsgebouw, hetwelk wij van U mochten ontvangen , werd door ons, nadat de Gemeenteraad daaraan in vergelijking met een meer omvangrijk en kostbaarder plan de voorkeur had geschonken, den 28. Mei jl. aan den Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken toegezonden ten einde te vernemen, of dit plan de instemming van Z. Exc. verwerft, en of de aansluiting daarvan aan de bestaande Rijksuniversiteitsgebouwen geen bezwaar zal ontmoeten. Wij voegden daarbij de toelichtingen, welke ons door U waren verstrekt, en deelden bij een ander schrijven aan den Minister voornoemd de vragen mede, welke door U omtrent de aansluiting aan liet groot auditorium en den kruisgang waren gedaan.
De Minister heeft daarop omtrent dit plan het advies van den Senaat en van Curatoren der Universiteit alhier gevraagd. Van laatstgenoemd College ontvingen wij den Gquot;1®quot; dezer maand een schrijven, waarbij ons werd medegedeeld , dat thans ook in overweging wordt genomen, welke verandering in de inrichting en de bestemming der lokalen van het voormalige Politielmis mot de daarnevens gebouwde pedelswoning zal worden gebracht.
Uit de door Curatoren gedane mededcelingen meenen wij tevens te kunnen opmaken, dat er bij de Regeering wellicht geen bezwaar zal bestaan togen het gebruik maken van een gedeelte van de kruisgang voor de aansluiting van het nieuwe gebouw aan de bestaande localiteiten, en
Den Heeren Prof. E. Gityel te Delft en C. Vermeijs te Utrecht.
124
wel bepaaldelijk ook van de zuidelijke kruisgang, welke Rijkseigendom is.
Wij kunnen daarbij opmerken, dat de gemeente in vroegeren tijd den eigendom verkregen heeft van de oostelijke en de westelijke kruisgang.
Curatoren zijn van oordeel, dat het aan eene spoedige vaststelling van het definitieve ontwerp zeer bevorderlijk zal zijn, indien reeds voordat hun advies aan den Minister wordt ingezonden, een overleg plaats vindt, tusschen U en den Rijksbouwkundige voor de gebouwen van onderwijs, die ook de raadsman is van hun College in aangelegenheden van bouwkundigen aard, en verzoeken ons dat overleg te willen bevorderen. hb
Tot een zoodanig overleg werd reeds vroeger door den Minister voornoemd de gelegenheid aangeboden, en zal dientengevolge de genoemde ambtenaar steeds bereid gevonden worden, zich op den door U te bepalen tijd en plaats besehikbaar te stellen.
Wij meenen onder deze omstandigheden tot U de vraag te moeten richten of het ook ü niet wenschelijk voorkomt in Uw ontwerp alsnog van een gedeelte van de westelijke en de zuidelijke kruisgang gebruik te maken.
Daar nu zoowel dit punt als de overige aansluiting aan de bestaande localiteiten zonder voorafgaande bespreking tusschen U en den genoemden Rijksbouwkundige, bezwaarlijk tot oplossing zal kunnen worden gebracht, verzoeken wij U met hem omtrent deze zaak in overleg te willen treden.
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht, De Burgemeester, W. R. BOER.
De Secretaris, 1)E quot;NVATTEVTLLE.
BIJ LACK 22.
Delft, 12 'Januari 1887. Utrecht, 14 Januari 1887.
Ad num. 43.
Betreffende Universiteitsgebouw.
In antwoord op UwWolEdelachtb. brief, dd. 11 Nov. 1886 , n0. 43 , hebben do ondergeteekenden do eer het volgende te berichten:
Aan Uwen wensch, met don Rijksbouwkundige voor de gebouwen van onderwijs , enz. over de aansluiting van het nieuwe Universiteitsgebouw aan de bestaande loca-liteiten in nader overleg te treden, hebben wij door eene conferentie, die op 16 December d. a. v. te Utrecht plaats had, voldaan. Ecno op een korter termijn belegde samenkomst is wegens verhindering van dien ambtenaar moeten worden uitgesteld.
Wij hebben bij deze gelegenheid kennis genomen van een rapport of advies van den heer van Lokhorst, aan heeren Curatoren der Universiteit gericht, en eene beoordeeling bevattende van ons voorloopig ontwerp, in welk advies tevens omvang en inhoud van het oorspronkelijke programma van het nieuw te stichten gebouw aanmerkelijk zijn gewijzigd.
De door den Rijksbouwkundige in dat stuk voorgestelde wijzigingen van het voorloopige bouwplan zijn toegelicht door een „Programma van eischen voor den houw ran een iiienu' Universiteitsgébouw te UtrecJiC\ dat als bijlage aan
Aan
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht.
126
hot rapport is toegevoegd, en waaraan , volgens liet schrijven van heeren Curatoren del. 5 November, dit College niet aarzelt zijne goedkeuring te verleenen.
De voornaamste veranderingen , die ten aanzien der te stichten lokalen in het nieuwe programma worden voorgesteld , komen neder op de volgende punten :
a, In het nieuwe gebouw behoeft op eene conciërgewoning niet gerekend te worden, omdat aan den pedel-concierge eene nieuwe woning in de lokalen van het voormalige politiebureau wordt aangewezen, tot welk doel eenige collegezalen in woonzalen voor den concierge zullen worden veranderd. Tevens bestaat het plan , een gedeelte van dit gebouw te sloopen.
h. Hiermede in verband worden in het te stichten Universiteitsgebouw nu zes collegekamers gevraagd. Het is Uw College bekend, dat in het schrijven van heeren Curatoren van 21 Januari 1886 slechts drie collegezalen waren verlangd.
In het geheel eischt het nieuwe programma in de beide verdiepingen van het nieuwe Universiteitsgebouw de volgende lokalen :
Gelijkstraats. Een klein auditorium en vier collegezalen, eene spreek- of wachtkamer, eene pedelskamer en eene jassenbergplaats.
Op da eerste verdieping. Vijf faculteitskamers, eene collegezaal, eene wachtkamer, een vertrekje voor den pedel en eene jassenbergplaats.
c. Behalve de hoofdtrap wordt eene tweede trap, van mindere breedte en reeds in de benedenverdieping beginnende , noodig geacht, waarmede men tevens de zolderverdieping zou moeten kunnen bereiken Ten einde de voor deze vermeerdering en uitbreiding van lokalen vereischte plaatsruimte te winnen , wordt in het rapport voorgesteld, eenerzijds de vestibule door eene eenvoudige
127
gang te vervangen, en anderzijds den openbaren doorgang langs de Domkerk te doen vervallen.
Terwijl wij ons met liet eerste voorstel moeilijk knnnon vereenigon, achten wij ons onbevoegd over het tweede, dat voor het geheele bouwplan van bijzonder ingrijpenden aard is, een oordeel te vollen.
Zonder twijfel heeft de vraag, of deze openbare doorgang al of niet moet worden behouden , ook reeds vóór de vaststelling van het bouwprogramma bij Uw College een punt van nauwgezette overweging uitgemaakt, en wij mogen dus veronderstellen, dat daartegen, zoo niet onoverkomelijke , dan toch zeer overwegende bezwaren bestaan.
Alvorens dus Uwerzijds een besluit over deze punten uit te lokken , vermeenden wij een onderzoek te moeten doen , in hoeverre, zonder het prijsgeven der vestibule en zonder opheffing van den openbaren doorgang, de ge-wenschte uitbreiding der lokalen kon worden verkregen.
In alle geval kan zulk een onderzoek aan eene objectieve beoordeeling van het vraagstuk en aan de van allo zijden gewenschte vaststelling van een definitief bouwplan alleen bevorderlijk zijn.
AVij nemen dus de vrijheid in het bijliggende schetsontwerp eene wijziging van het do.or den Gemeenteraad goedgekeurde plan aan Uw oordeel te onderwerpen, waarin met behoud der vestibule en van den openbaren doorgang aan het laatste programma zooveel mogelijk is voldaan. Terwijl het aantal collegekamers nu tot een vijftal is opgevoerd, vleien wij ons , dat overigens aan de nieuw gestelde eischen op eene wijze is beantwoord , waarmede denkelijk zoowel door het College van Curatoren, als den Senaat der Universiteit genoegen zal kunnen worden genomen , dewijl nagenoeg alle afmetingen van het oorspronkelijke plan meer of minder aanmerkelijk zijn vergroot. Zes collegekamers van den omvang, in het nieuwe
128
programma verlangd , zijn op hot beschikbare terrein in ieder geval niet anders dan door het supprimecrcn van de vestibule en van den openbaren doorgang te verkrijgen.
Als eene verbetering van ons oorspronkelijk ontwerp beschouwen wij de uitbreiding van het middengedeelte van den voorgevel — ten deele door vermindering dei-breedte van den doorgang bereikt — welke wijziging naar ons oordeel een grootscheren indruk der buitenordonnantie zeer zal bevorderen.
Worden de afmetingen der pedelskamer in de benedenverdieping niet voldoende geacht, dan levert de uitbreiding daarvan op kosten van den toegang (entree) tot liet kleine auditorium geen bezwaar op , waarbij wij evenwel opmerken, dat door de commissie van den Academischen Senaat nog kleinere afmetingen van dit vertrek wenschelijk werden gevonden.
Het gemis cener collegezaal van de afmetingen van liet kleine auditorium en van eene faculteitskamer van dezelfde buitengewone afmetingen, kunnen wij te minder een bezwaar achten , als deze noch door hot Curatorium, noch door den Academischen Senaat waren gevraagd, terwijl de commissie van het laatste Collegium veeleer met de kleinere afmetingen van plan A genoegen had genomen. Bovendien heeft ook de Rijksbouwkundige bij gelegenheid onzer conferentie , aan deze afmetingen , die blijkbaar aan eene bepaalde planverdeeling waren ontleend , eene slechts relatieve en globale waarde toegekend.
Het aantal privaten werd door ons, ten bate van do aangrenzende collegezalen , tot een tweetal op elke vei-dieping teruggebracht. Daarentegen is in do benedenverdieping een urinoir ontworpen, terwijl ook in de bovenverdieping naast de beide privaatcellen nog oen klein urinoir zeer goed kan worden aangelegd. Wij achten deze privaten ruimschoots voldoende en steunen
129
hierbij op de ondervinding, bjj andere gebouwen van dien aard opgedaan.
De eerst ondergeteekende veroorlooft zich er op te wijzen , dat het drie verdiepingen hooge hoofdgebouw der Polytechnische School slechts twee privaten in de benedenverdieping bevat, terwijl in een nieuwen aanbouw van dezelfde inrichting voor een veel grooter aantal collegezalen en studenten mede slechts twee privaten en één urinal in de benedenverdieping worden aangetroffen. Na eene veeljarige ondervinding hebben zich hierbij geenerlei bezwaren voorgedaan.
Tot verdere toelichting van het gewijzigde plan en naar aanleiding van eenige in het rapport aan heeren Curatoren voorkomende beschouwingen, achten wij ons tot de volgende korte opmerkingen verplicht.
Wat de situatie van het gebouw, of meer bepaald de richting van den voorgevel betreft, blijven wij van meening, dat het uit een oogpunt van welstand een bepaald ver-eischte is, den voorgevel van het gebouw haaks op den zijgevel der Domkerk te plaatsen. Deze dispositie, waarbij tevens de hoofdas van het nieuwe gebouw evenwijdig loopt met de as van het voornaamste onderdeel van het oude gebouw — het groote auditorium — is oven natuurlijk als rationeel; elke andere oplossing ware, ook onder de gegeven omstandigheden, veeleer als vreemd en gezocht te beschouwen. Een streven, om daardoor de Universiteit en den Dom „met elkander in verband te brengenis ons daarbij even vreemd gebleven, als aan alle bouwmeesters van het verleden en heden, die, bij den aanlog van de pleinen en straten onzer steden , gebouwen van het meest uiteenloopende karakter steeds in haaksche richting tegen elkander plaatsten en deze schikking als van zelfsprekend beschouwden.
Ook bij het ontwerpen eener groote vestibule bevonden
9
130
wij ons geheel in overeenstemming met de algemeene theorie en praktijk, en de mededeeling, dat zulk eene dispositie alleen bij schouwburgen en concertzalen op hare plaats is, was voor ons even vreemd als verrassend en zal moeilijk met voorbeelden te staven zijn. Wanneer men de statige reeks van gebouwen, voor hoogescholen van universitair of technisch onderwijs in onze dagen opgericht, overziet, is men veeleer genegen het tegenovergestelde als juist aan te nemen. Niet alleen hebben de meeste dezer inrichtingen veel grootschere vestibulen en hoofdtrappen als in schouwburgen en concertzalen doorgaans worden aangetroffen, maar vele daarvan, zooals de hoogescholen te quot;Weenen, Straatsburg, Berlijn, München, Zürich, enz , en zelfs het kleine Athene en nog kleinere Kiel — van Engelsche en Amerikaansche voorbeelden niet te gewagen — zijn juist om hunne indrukwekkende toegangen en vestibulen beroemd. En toch werden deze gebouwen niet als monumentale feestgaven opgericht, maar hebben zij hunne stichting aan de zorg der regeeringen te danken, om aan deze hoogescholen niet alleen het vereischte aantal collegezalen te bezorgen , maar hen ook in gebouwen te vestigen, die ook overigens aan de hooge bestemming en waardigheid dezer inrichtingen beantwoorden.
Slechts noode en door Uw College daartoe uitdrukkelijk gemachtigd, meenen wij dus tot eene opoffering dei-vestibule te moeten overgaan. Zij strookt volgens onze bescheiden meening niet alleen met de bestemming en het monumentale karakter van het gebouw , maar komt ons ook voor het verkeer in het algemeen en voornamelijk als éónige waardige toegang tot het groote auditorium hoogst wenschelijk voor. Ook de commissie uit den Academischen Senaat heeft destijds deze opvatting gedeeld.
Wij kunnen niet nalaten tevens op te merken , dat
22
131
ook door een suppriraeeren van do vestibule, het zeer moeilijk zal zijn op het beschikbare terrein eene behoorlijk verlichte groote collegezaal van don omvang van het kleine auditorium te ontwerpen. Is reeds voor gewone vertrekken, welke slechts van éene zijde licht ontvangen , eene diepte van ± 9 M. een uiterst zeldzaam voorkomend maximum , te recht wordt reeds deze diepte door alle deskundigen voor collegezalen als te groot en ondoeltreffend beschouwd , terwijl het ontwerpen van nog diepere zalen geen redelijken zin heeft.
Behalve de in het rapport gevraagde tweede trap, die van de benedenverdieping tot den zolder doorloopt, hebben wij het wenschelijk geacht, de in het oorspronkelijke project ontworpen trap, die van den corridor der bovenverdieping naar den zolder toegang geeft, te behouden , terwijl onder deze trap de zolderruimte boven de kruisgang toegankelijk is.
De gevraagde uitgang naar den tuin is in het midden van het gebouw onder de hoofdtrap geprojecteerd, terwijl tot kelder wel eene der vele kelderruimten , die onder het huis van den heer Ram worden aangetroffen, zal kunnen worden ingericht
Met de meeste hoogachting van het gemeentebestuur voornoemd ,
De dieustw. dienaren , E. GUGEL. O. VERMEIJS.
' .W-MmÈrA
mSSÊÊKmÊÊÊmm
u.,-.;-.» j
liMtiiHipla SMMmSMmm
- n \ if*. •
fcipp!^HM||||^ ™
■
■
H wwWPfisiPii^aM^i
ffijMBUMHSMBiHi
' - ■?' 'lt;■ ' J - 1
B IJ li A G E 23.
N0. 45.
Utrecht, 27 Jquot;nmrl 1887. 3 vebruari
Bij Uw schrijven van 5 November 1.1., hadden wij de eer do mededeeling te ontvangen, dat de Minister van Staat, Minister van Binnenlandsclie Zaken het advies van Uw College had gevraagd omtrent het door ons aan Zijne Excellentie, bij brief van 28 Mei 1.1., ingezonden voorloopig plan van het van gemeentewege alhier te stichten monumentaal Universiteitsgebouw.
Tevens vernamen wij daarin, dat de Rijksbouwkundige voor de gebouwen van onderwijs , wiens voorlichting door U gevraagd was ten behoeve van het door U aan den Minister te verstrekken advies, die gegeven had in den vorm eener teekening (met variante), vergezeld van eeno verklarende memorie met programma van eischen.
Een en ander werd ons daarbij toegezonden en wij werden verzocht omtrent de daarin vervatte beschouwingen en geuite wenschen en de aansluiting aan de aanwezige
Aan
Heeren Curatoren der Rijksuniversiteit te Utrecht.
134
academische localiteiten een overleg te willen bevorderen tusschen genoemden Rijksbouwkundige en de Bouwmeesters van het te stichten gebouw.
Aan dit denkbeeld, waarmede wij geheel instemden, werd door ons terstond gevolg gegeven. Onze Bouwmeesters , de heeren Prof. Gugel en Vermeijs, hebben van al de door U ons toegezonden stukken kennis genomen en zijn in eene bijeenkomst op den 16. December 11. (welke ten gevolge van de afwezigheid van den Rijksbouwkundige niet eerder kon plaats hebben), zoowel over de aansluiting van het te stichten gebouw aan de bestaande academische localiteiten, als over de door U kenbaar gemaakte opmerkingen en wenschen, betreffende de inrichting en de plaatsing van het nieuwe gebouw, met den genoemden Rijksambtenaar in overleg getreden.
Ten gevolge van dit overleg hebben onze Bouwmeesters een gewijzigd plan van het te stichten Universiteitsgebouw , van eene toelichtende memorie vergezeld, aan ons ingediend, in welke laatste ook al de denkbeelden en wenschen van den Rijksbouwkundige zijn behandeld.
Uit eene inzage dier stukken zal U blijken, dat in het gewijzigd plan aan bijna al die wenschen is voldaan.
Ofschoon reeds het eerst ingezonden ontwerp, hetwelk door den Gemeenteraad werd goedgekeurd, al datgene bevatte, wat of door Uw College, óf door den Acade-mischen Senaat noodig was gekeurd. en de meerdere bouwkosten, welke de thans voorgedragen wijzigingen ten gevolge zullen hebben , op 4 a 5000 gulden worden geraamd, zijn wij echter, om deze stichting zooveel mogelijk te doen strekken tot bevordering van alle daarbij betrokken Universiteitsbelangen, bereid, dit gewijzigd ontwerp, indien het de instemming van den Minister verwerft, aan den Gemeenteraad ter goedkeuring voor te dragen.
135
Met do Bouwmeesters zijn wij hot op do doorben aangevoerde gronden eens, dat de groote vestibule en de richting van den voorgevel haaks op den zijgevel dor Domkerk voor den welstand en bet monumentaal karakter jpn do doelmatigheid van bet gebouw worden geöiseht.
Opheffing van den openbaren doorgang langs de Domkerk zullen wjj aan den Gemeenteraad niet kunnen voorstellen. Het belang van dien doorgang voor bot publiek maakt het behoud daarvan noodig; de Gemeente heeft zich tegenover het Kerkbestuur verbonden , de uitgangen der kerk naar de openbare straat aan die zijde open te houden , en heeft, als eigenares van de oostelijke en de westelijke kloostergang en den vrijhof het recht daartoe. Het Kerkbestuur toch heeft in vorige jaren deze gangen bij notariöele akte en onder uitdrukkelijke machtiging des Konings aan de Gemeente verkocht, op welk feit ons College den Minister van Binnenlandsche Zaken in 1883 reeds heeft gewezen. Bij die akte nam de Gemeente de genoemde verplichting ten behoeve der Kerk op zich.
Hot groote belang, hetwelk zoowel bet Bestuur en de ingezetenen van onze Gemeente en van dit Gewest, als de Universiteit in de stichting van dit Universiteitsgebouw stellen , doet ons de hoop koesteren, dat ook Uw Collogo de spoedige totstandkoming van het eindontwerp zal willen bevorderen. Wij vertrouwen* ook, dat liet gewijzigd ontwerp, hetwelk o. i. nagenoeg allo van de zijde der Universiteit en door den Rjjksbouwkundige geuite wenschen bevredigt, thans ook Uwe instemming en steun zal verwerven.
Wij hebben de oer U hiernevens het door do Bouwmeesters gewijzigd ontwerp met toelichtend schrijven in afschrift van den 12/14 Januari dezes jaars toe te zenden en voegen daar een vergelijkenden staat bij van het aantal en de afmetingen der lokalen van het te stichten
136
Universiteitsgebouw, volgens het program van Lokhorst en het nieuw ontwerp.
Tevens gaan hierbij de stukken en teekeningen terug, welke Uw schrijven van 5 November 1.1. vergezelden.
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht, De Burgemeester, W. R. BOER. De Secretaris, DE WATTEVILLE.
Bul a ge 24.
N0. 148.
Utrecht, den 18. Mei 1887.
Onderworp.
Universiteitsgebouw.
Naar aanleiding van een brief des Ministers van Staat, Minister van Binnenlandsche zaken over het bouwplan van het te stichten Universiteitsgebouw heeft onze vergadering besloten :
1°. aan eene Coniniissio uit haar midden, bijgestaan door den Secretaris, op te dragen met eene Commissie uit het College van Burgemeester en Wethouders van Utrecht ter zake in overleg te treden, ten einde in verband met de thans aanwezige gegevens een ontwerp Universiteitsgebouw te doen tot stand komen , dat naar haar inzien voor goedkeuring door de verschillende autoriteiten vatbaar ware;
2°. van dit besluit spoedig onder overlegging van alle bescheiden kennis te geven aan Heeren Burgemeester en Wethouders van Utrecht, met uitnoodiging ook hunnerzijds eene Commissie te benoemen ;
3°. den wensch uit te spreken , dat meerbedoeld ontwerp vóór 10 Juni e. k. aan het College van Curatoren worde ingezonden.
Wij hebben de eer van het bovenstaande mededeeling te doen en U te verzoeken ons te berichten of U w College
Aan
Heeren Burgemeester en Wethouders van Utrecht,
138
bereid is op de voorgestelde wijze tot bevordering van het door ons allen gewenschte doel werkzaam te zijn.
Als Commissieleden onzerzijds zullen optreden de heeren Mr. II. Roijaards van Scherpenzeel en Jhr. Mr. J. Röell.
Curatoren der Bijksuniversiteit te Utrecht, De Voorzitter,
s' JACOB.
De Secretaris, BAERT.
Bijlage 24bis.
N0. 474.
Ikricht op schrijven van 11 Maart 1887 , nquot;.' 524, Afd. O, bctrcficndc nieuw gebouw voor de Rijksuniversiteit tu Utrecht.
's Grucmhaye, 27 April 1887.
Mot belangstelling heb ik de hierbij teruggaande stukken, voor welke Uwe Excellentie mijn advies vraagt, nagegaan.
liet nieuwe schets-ontwerp van do Hoeren Guy el en Vermeijs is een gevolg van do conferentie, welke den 16,,cquot; December des voiigen jaars plaats had , en waartoe ik mij , overeenkomstig Uwer Excellentie's lastgeving van den 24slequot; Februari te voren, gereed had gehouden.
Uit de stukken blijkt dat Hoeren Curatoren tegen dit schets-ontwerp verschillende bedenkingen hebben. Ik deel die bedenkingen en meen mijne opmerkingen het bost te doen kennen door het toelichtend schrijven der Hoeren Bouwmeesters, dat hot plan vergezelt, op don voet te volgen.
De mededeeling in den aanvang diens briefs voorkomend , dat het door mij ontworpen programma van eischen aanmerkelijke wijziging gebracht zou hebben in het oorspronkelijk programma, is minder juist. Er bestond geen oorspronkelijk programma van eischen, het eerste thans ingetrokken avant-projet was opgemaakt naar
Aan
Zijne Excellentie den Minister ran Staat ,
Minister ran Binnenlandsche Zalen.
140
onvolledige gegevens, en het was, uitsluitend om verdere moeielijkheden en oponthoud te coupeeren, dat ik het programma opstelde, in de eerste plaats gebaseerd op de kritiek door den Senaat op bedoeld avant-projet gemaakt.
Ik merk overigens op dat, voor zoover ik weet, thans nog geen programma van eischen door Uwe Excellentie is vastgesteld, terwijl, naar ik hoorde. Uwe Excellentie zich tegenover de Gemeente Utrecht deze goedkeuring heeft voorbehouden.
Wat verder aangaande de afmetingen der lokalen gezegd wordt, is evenmin geheel juist. Op het eerste avant-projet waren geene schoorsteenen aangegeven en de plaats die deze innemen , de ruimte die er voor kachels, stook-gereedschappen en de circulatie moet vrijgehouden worden, deden mij nader onderzoeken welke afmetingen voor de lokalen wenschelijk zouden zijn; daardoor kwam ik tot de overtuiging dat zij in 't algemeen grooter behoorden te wezen dan ze waren ontworpen , en op de conferentie heb ik gezegd, dat men, wat de in het programma vermelde afmetingen, betrof, niet aan een paar centimeters gebonden was.
Nog opmerkend dat Heeren Curatoren er geen bezwaar in zien een Collegekamer minder te maken dan het programma opgeeft, kan ik de beschouwingen over dit süuk verder laten rusten, om over te gaan tot de mededee-lingen betreffende het nieuwe schetsplan zelve. Met genoegen constateerde ik het streven naar samenwerking, waarvan blijk gegeven wordt. Uit bladzijde 3 des briefs zien wij dat de Heeren Bouwmeesters het nieuwe schetsontwerp inzenden om daardoor de objectieve beoordeeling van het vraagstuk en de van alle zijden gewenschte vaststelling van een definitief bouwplan te bevorderen. Ook
141
liebbon zij mijnen wenk , om het voorgevelvlak niet te zeer door sprongen te versnipperen , opgevolgd en verwachten daarvan thans zelve de beste resultaten.
Over de onderdooien van liet plan wordt verder niet in alle bijzonderheden gesproken : slechts wordt melding gemaakt van de pedelskamer, de gewijzigde inrichting der privaten en pissoirs , en van de redenen waarom de Bouwmeesters vasthouden aan de plaatsing van liet gebouw haaks op den zijgevel der Domkerk en aan het behouden der groote vestibule.
De afmetingen der pedelskamer zjjn te klein. De ontwerpers beseffen dit ook en stellen daarom voor er de naast gelegen ruimte bij te trekken. Dit zou ook wen-schelijk zijn om de lichtverzorging, want als de kruisgang met glas wordt gedicht, zooals het voornemen is,
zal de intensiteit des lichts door het tweede glasoppervlak vrij wat verminderen.
De ligging van de pedelskamer acht ik overigens ongunstig; zij is circa 22 M. van de trap verwijderd;
voor den inwendigen dienst is het echter uit den aard der zaak een gemak als dit vertrek dicht bij de trap gelegen is.
Tegen de gewijzigde dispositie van privaten en pissoirs is geen bedenking; er is thans goed voor de aeratie gezorgd.
Voor de ontworpen plaatsing van het gebouw haaks op den zijgevel der Domkerk worden geene eigenlijke argumenten aangevoerd ; alleen wordt verzekerd dat die plaatsing even natuurlijk als rationeel is en elke andere oplossing onder de gegeven omstandigheden als vreemd en gezocht is te beschouwen. Voorts dat het niet de bedoeling is de kerk en de Universiteit mot elkander in verband te brengen en dat alle bouwmeesters gebouwen
2Abis
142
van liet meest uiteenloopend karakter immer haaks tegen elkander plaatsten als iets dat van zelf sprak.
Indien dit laatste zoo is, dan is het jammer dat de ontwerpers dien weg juist hier niet ingeslagen hebben en in plaats van het gebouw met zijn dwarsmuren haaks tegen de kruisgang te zetten, als zijnde het gebouw, waartegen gebouwd wordt en waarmede het in onmiddellijk doorloopende verbinding zal zijn, de as van het op 1G M. afstand daar achter en geheel tor zijde gelegen auditorium als uitgangspunt voor de rooiing hebben gekozen. Het kon niet missen of het vreemde en de gezochtheid dezer schikking moesten zich aan het plan wreken en dit is geschied op eene wijze die niet slechts de schoonheid, maar vooral de doelmatigheid van het ontwerp heeft benadeeld.
De deur uitkomende in de kruisgang en gelegen in de hoofdas der vestibule verraadt onverbiddelijk den schee-ven stand, juist op de plaats die het meest de aandacht zal trekken. Naast die deur heeft men een muur moeten metselen om verder de geering te verbergen en op de bovenverdieping is men zelfs genoodzaakt geweest dien muur over eene lengte van 16 M. te vervolgen. Evenals iemand die eene onwaarheid zegt, eene tweede onwaarheid moet zeggen om de eerste waarschijnlijk te maken, geraakte men hier van het een in het ander. In de niet onaanzienlijke ruimte, welke door dien muur te loor ging, is een trap gemaakt, die geheel overbodig is en, gelijk ook door Heeren Curatoren is opgemerkt, een beletsel voor de lichttoetreding op dat gedeelte van de gang, terwijl in de kap eene verhooging gemaakt zou moeten worden om met die trap behoorlijk op den zolder te geraken, daar de zolderborstwering slechts circa 1.30 31. hoog is.
Tegenover al deze technische nadoelen stait geen enkel
143
voord ooi. Immers do zoer goringo afwijking van do assen der kerk en van de Universiteit zal voor den beschouwer der gevels geheel onmerkbaar zijn.
Voor de noodzakelijkheid van het behoud eener groote vestibule wordt aangevoerd dat alle Universiteitsgebouwen eene groote vestibule hebben en dit wordt met een aantal voorbeelden gestaafd.
Deze voorbeelden kunnen gemakkelijk vertienvoudigd worden, maar zullen nimmer kunnen bewijzen dat het maken eener groote vestibule bjj hot onderwerpelijke plan op den voorgrond moet staan.
Hadden de ontwerpers het mandaat op een ruim terrein een geheel nieuw en zeer groot Universiteitsgebouw to ontwerpen, dan zou eene ruime vestibule, passend bij den (jeheelen bouw, iets zjjn dat van zelf sprak, maar dat is hier geenszins het geval. Burgemeester en Wethouders zeiven hebben Heoren Curatoren schriftelijk medegedeeld, dat hot te stichten Academiegebouw slechts aanvulling van al het bestaande beoogt en dat men bovenal bedoeld heeft het erlangen van eenige geschikte faculteitskamers en collegevertrekken.
Burgemeester en Wethouders staan hier op het juiste standpunt, en indien de ontwerpers zich daaraan gehouden hadden, zou dit het plan ten goede gekomen zijn, terwijl thans de goede ligging der pedelskamer en de doelmatigheid van den open doorgang zijn opgeofferd aan deze vestibule, die nagenoeg Vr. Yan ^ geheele grondvlak beslaat; eene verhouding welke zeker overdreven te achten is.
Voor een openbaren doorgang, op welks behoud zoozeer prijs gesteld wordt, is de ontworpene te smal; het is een bepaalde fout dat het nieuwe gebouw niet behoorlijk in verband met de daarachter gelegen kloostergang ontworpen is, zoodat deze publieke doorgang buiten de as
2Ahis
144
van het gewelfvak staat, waartegen hij zich moet aansluiten. Dit geeft niet slechts een misstand, dien de ontwerpers hebben getracht te doen verdwijnen door aan oen gedeelte van do gang oen cirkelvormig grondplan te geven, maar door dio dispositie loopt dit steegje gevaar een anti-hygiènisch bnen retire te worden.
Do verdere beschouwing van het ontwerp geeft mij de volgende opmerkingen in de pen:
Van de hoofdtrap heeft slechts de eerste traparm voldoende breedte , do beide andere traparmen en het bordes zijn bekrompen. Men vergisse zich hier niet. Eene dispositie als de hier ontworpene is goed als men over ruime afmetingen kan beschikken, welke veroorlooft trappen en bordessen breed aan te leggen; hier echter heeft men een beperkte ruimte en het daarin persen van eene schikking, die om ruimen aanleg vraagt, zal geenszins het effect maken dat men er van verwacht en met de naar verhouding reusachtige vestibule een in 't oog loopond contrast vormen. (In mijn ontwerp is de hooid-tr.ap overal 2 M. breed en heeft het bordes eene breedte van 4 M. bij eene diepte van 2.30 M).
De uitgang naar den tuin wordt door de wijze waarop de trap aangelegd is daarbij veel minder gunstig, ja zelfs lastig in het gebruik.
Het maken van een vallicht ter verlichting van den zijgang is iets, waartoe men in ons klimaat slechts noode moet overgaan als er geen staand licht verkregen kan worden. Zulk een vallicht, ingesloten door hooge muren, is, met het oog op sneeuw, dooi, condensatie, enz immer in ongunstige conditie; ook zal deze licht verzorging voor de zijgang ter nauwernood voldoende blijken.
Op de bovenverdieping zal de lichttoetreding op de gang zeer gebrekkig zijn en evenzoo in de wachtkamer.
145
Van dezo verlichting, die door dakvensters, geplant op het dak van de kruisgang moet verkregen worden, heeft men zich blijkbaar niet wel rekenschap gegeven. De overbodige zoldertrap, waarvan ik hierboven melding maakte, zal slechts vergunnen 2 dakvensters te openen om de gang te verlichten; daarbij zal hot niet mogelijk zijn de jassen- en de pedelskamer op dezelfde wijze licht te verschaffen, omdat hot plaatsen van een dakvenster in dien hoek onmogelijk is, als men de beide eerste dakvensters voor de gang wil behouden. Door de laatstgenoemde vertrekken licht te geven, zou het noodig zijn een der twee dakvensters, die het licht in de gang werpen, op te offeren en dat doende, zal de lichttoe-treding op de gang nagenoeg nul zijn.
De wachtkamer der examinandi, het zoogenaamde zweetkamertje, het lokaal dat waarlijk wel hot aangenaamst gelegen en ingericht mocht zijn, is juist in deze opzichten het meest misdeeld. Zonder eenig uitzicht te gunnen, zal het alleen licht ontvangen van twee dakvensters boven de kruisgang.
Het kabinetje dankt zijn ontstaan niet aan een daaraan uitgedrukte behoefte, maar is een overbodig lokaal, dat ontstaan is uit de dispositie van het plan dat anders op die plaats geen bebouwing zou hebben.
De collegekamer boven de zijgang zal niet tot de aangename en evenmin tot de goed verlichte vertrekken behooren, gelegen als zij is op korten afstand van de twee hooge muren van het groot auditorium en de kruisgang,
die de vrije toetreding van lucht en licht belemmeren.
De pedel-concierge woont in den Domtrans. Ik had daarom langs den muur van het groot auditorium een trap ontworpen, wat van veel gemak was voor den inwondigen dienst. Door hot supprimeeren van die trap wordt de afstand , die de concierge heeft af te leggen
10
2ihis
146
om de bovenverdieping van het gebouw te bereiken, met circa 17 M. vermeerderd.
De ruimte boven den uitgang naar den tuin dient voor niets en kan ook niet worden bereikt, noch gebruikt; die ruimte is daar alleen, omdat men zich genoodzaakt achtte den buitenmuur door te trekken.
De ontwerpers merken op dat het ook door het sup-primeeren van de vestibule zeer moeilijk zal zijn op het beschikbaar terrein eene behoorlijk verlichte groote collegezaal van den omvang van het klein auditorium te ontwerpen, en voegen er aan toe dat het ontwerpen van zalen dieper dan 9 M. geen redelijken zin heeft. Dat zalen dieper dan 9 M. volkomen recht van bestaan hebben, als grondvlak en hoogte er aan geëvenredigd zijn, zal wel geen nader betoog behoeven, want talrijk zijn de goede zalen die nog dieper zijn; en daar Uwe Excellentie van mij een ontwerp wenscht te ontvangen van de wijze waarop mijne denkbeelden met behoud van een openbaren doorgang zouden te verwezenlijken zijn, heb ik onderzocht hoe dit ware te bereiken en bevonden dat juist het supprimeeren der onnoodige vestibule de gelegenheid zal geven niet slechts om eene nog ruimere en uitstekend verlichte collegezaal te maken, maar ook om de openbare doorgang de eenvoudigste en doelmatigste dispositie te geven.
Als bewijs daarvan heb ik de eer Uwe Excellentie hierbij het ontwerp aan te bieden dat van mij verwacht wordt.
Na al het hierboven vermelde, zal het overbodig kunnen heeten omtrent dit ontwerp in nadere bijzonderheden te treden. Men behoeft de beide plannen slechts met elkander te vergelijken om reeds bij den eersten oogopslag te zien dat hot gewrongene en gezochte en daardoor ondoel-
147
matige, dat het schetsontwerp der beide Bouwmeesters aankleeft, in mijn ontwerp wordt vermeden, doch alles zich uit de bestaande toestanden natuurlijk ontwikkelt.
In mijn advies aan Heeren Curatoren heb ik mij uitsluitend bepaald tot de quaestie der doelmntigheid. Trouwens een gebouw wordt niet in de eerste plaats gesticlit om mooi gevonden, maar om gebruikt te worden.
Heeren Curatoren hebben evenwel in hun schrijven aan Uwe Excellentie ook de quaestie van den stijl aangeroerd en ofschoon zij pertinent verklaren zich niet door aesthetische gronden te zullen laten weerhouden om het aannemen der feestgave in den .aangeboden vorm aan te bevelen, zoo de stijl slechts niet te kort doet aan de bruikbaarheid, hebben zij echter met volkomen juistheid mijn gevoelen aangaande den stijl, die het gebouw hebben moet, teruggegeven.
Tiet te stichten gebouw. Burgemeester en Wethouders hebben het uitdrukkelijk verklaard, beoogt slechts aanvulling van al het reeds bestaande, en daarmede is van zelve de weg aangewezen, die men omtrent de behandeling der vormen te bewandelen heeft.
Aanvulling van al het reeds bestaande immers heeft liet best plaats in den stijl van het bestaande, zoodat, gelijk Heeren Curatoren opmerken, door aansluiting van het nieuwe aan het oude een harmonisch geheel verkregen wordt. Hoe inniger die aansluiting, hoe beter het doel zal worden bereikt en hoe gelukkiger de gezonde zin, in de verklaring van Burgemeester en Wethouders gelegen, tot zijn recht zal komen. En daarom is het te betreuren dat de ontwerpers de gelukkige gedachte van Burgemeester en Wethouders niet als natuurlijk punt van uitgang hebben gebezigd en, in plaats van aanvulling van het bestaande te beoogen, een gebouw hebben ontworpen dat
148
volstrekt geen rekenschap houdt met de bestaande monu-menteele gebouwen , doch zich in zijne vormbehandeling juist geheel en al daarvan afscheidt.
Hierdoor wordt het een gebouw geheel in disharmonie met de geheele omgeving, waarvan het feitelijk toch slechts een deel uitmaakt en waaraan het trots al de aangewende pogingen , pogingen waardoor, gelijk ik hierboven heb aangetoond, de doelmatigheid niet weinig geleden heeft, nolens volens gebonden is.
Er is geen goede reden aan te toonen voor het stichten van een gebouw in renaissancestijl, waar dit — zooals hier — moet geplaatst worden te midden van gothische bouwwerken , welke onder de fraaiste van ons land te rekenen zijn, en te minder waar het nieuwe gebouw met een dier gothische gebouwen in intieme verbinding moet komen. Door, zooals de ontwerpers deden, willekeurig een anderen stijl te kiezen, hebben zij niet alleen de doelmatigheid op vele punten opgeofferd, - ik merk ook op dat de door den gekozen stijl geboden plaatsing der vensters aan den voorgevel voor de lichttoetreding ongunstig is, — maar ook zal inwendig ter plaatse waar het nieuwe gebouw tegen het oude aansluit, in de profileeringen en in alle vormen en decoratieve motieven eene ware disharmonie ontstaan.
Wanneer Uwe Excellentie het verlangt, zal ik nader aantoonen op welke wijze het uit- en inwendige qua architectuur het best zou kunnen worden behandeld.
Mijn ontwerp beslaat ongeveer 65 m2 minder oppervlakte dan dat der Heeren Gnyel eu Venne ijs, en de bouwkosten behoeven niet hooger te zijn.
De Rijles hou whundige voor de gebouwen van onderwijs, enz.
J. VAN LOKHORST.
1
B IJ L A G E 25.
|
Bctrcflciulc: Universiteitsgebouw Antwoord op het sclirijvcn Burgemeester en Wethouders 20 Mei 1887 , met eoue nota. |
Delft, 14/15 Juni 1887. Utrecht, 15 JhhI 1887. |
Wij erkennen de ontvangst vnn Uw schrijven van 20 Mei', waarin, onder mecledeeling van een rapport van den Rijksbouwkundige voor het onderwijs aan Z. Excellentie den Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken, betreffende het door ons dd. 12 Januari 1887 ingediende ontwerp, door UwelEdelachtbaren de vraag tot ons gericht wordt, of wij , naar aanleiding van dat stuk ot' uit eigen overwegingen wijzigingen in ons ontwerp alsnog wensehelijk achten.
Bij het rapport van den Rijksbouwkundige is tevens gevoegd een uitgewerkt project niet eenigszins gewijzigde planverdeeling , waarin de heer Lokhorst zijn eigen denkbeelden over het door de gemeente Utrecht te stichten Universiteitsgebouw , zelfs wat den opstand betreft, ontwikkelt.
Hoewel wij , nu de Rijksambtenaar voor liet onderwijs ons als concurrent tegenover staat, eene objectieve en onpartijdige kritiek op ons ontwerp moeilijk konden verwachten , gaat de inhoud van dat stuk, wat eenzijdigheid van redenecring en wat den toon betreft, zoodanig alle perken te buiten , dat bij ons in de allereerste plaats
Aan
Heer en Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht.
150
de vraag rees, of wij — ook andere omstandigheden in aanmerking genomen — in een twistgeschrijf tot eene wederlegging van dat rapport zonden moeten treden. Daarbij komt, dat de inhoud van verschillende stukken , die in het rapport zijn aangehaald, ons vreemd is gebleven.
Ook- ligt het volstrekt niet op onzen teeg plannen van anderen te beoordeelen , en toch is het bijna onmogelijk, bij de verdediging van ons ontwerp en bij de bestrijding van het advies , het project van den heer Lokhorst buiten bespreking te laten.
Alleen de overweging, dat wij onzerzijds zelfs den schijn van berusting in- of instemming met- de in dit rapport verkondigde stellingen behoorden te vermijden, en dat eene eenigszins gemotiveerde beantwoording der ons gestelde vragen van zelve tot eene bespreking en wederlegging van het rapport aanleiding moest geven, kon ons doen besluiten ons aanvankelijk voorgenomen stilzwijgen te breken. Wij zullen dus trachten, met de meest mogelijke kalmte, de beweringen van het rapport aan de feiten te toetsen. Zonder ons in eene eigenlijke contra-critiek van het project van den heer Rjjksbouw-kundige te begeven, zullen wij dit ontwerp slechts voor zooverre bij onze besprekingen betrekken, als ons noodzakelijk blijkt, om de juistheid en objectiviteit van diens advies ook voor niet-deskundigen in het rechte daglicht te plaatsen.
Tegenover de bewering van het rapport, dat er geen oorspronkelijk programma van eischen bestond, staat het feit, dat, zooals U bekend is, onze opdracht was gebaseerd op het schrijven van Heeren Curatoren, dd. 21 Januari 1886 , dat als bijlage bevatte een brief van den Senaat der Rijksuniversiteit, dd. 6 Januari, in welke laatste o. a. de wenschen van do enkele faculteiten
151
nopens de inrichting van het nieuwe academiegebouw waren geformuleerd. Tevens was in het laatste schrijven mededeeling gedaan van de benoeming eener vaste Bouwcommissie uit den Senaat, waarmede wij dan nok de eer hadden nader te confereeren en de indeeling van het plan te bespreken en vast te stellen. Of de inhoud van beide brieven, die de gegevens voor het avant-projet bevatten, al of niet in overleg mot de raadslieden der Regeering was opgemaakt, is ons onbekend.
Tot de belangrijkste onder de wijzigingen, die in het oorspronkelijke programma van eischen naderhand werden gebracht, behoorde zonder twijfel die, dat het aantal der gevraagde collegekamers van drie tot vijf werd opgevoerd , terwijl het nu wederom tot een viertal is teruggebracht.
Tot de bijzonderheden van het advies van den heer Rjjksbouwkundige over ons plan overgaande, ontmoeten wij in de eerste plaats de verschillende aanmerkingen op de grootte, verlichting en jigging der pedelskamer.
Dit vertrek, waarvan gezegd wordt, dat het te klein zij , beslaat in ons plan eone oppervlakte van i 10 M1, in het ontwerp van den heer Rjjksbouwkundige daarentegen ± 14 M2. Waarom nu eene pedelskamer juist ±14 M2. (3.7 X 3.8) moet beslaan, kunnen wij niet vatten. Hoewel wij in onze toelichting opmerkten , dat het vertrek desvereischt kon worden uitgebreid, achten wij de afmetingen, ook bij die van het plan van den heer Rjjksbouwkundige vergeleken, niettemin voldoende. Wij kunnen niet nalaten hierbij op te merken , dat in het advies van den Secretaris van den Senaat, tevens lid der Bouwcommissie , den heer J. d'Aulnis de Bourouill, hetwelk tot de ons verstrekte stukken behoort, omtrent het pedelsburcau was verlangd, dat dit vertrek liefst zoo klein mogelijk zij, „daar de pedellen anders bij hun werkzaamheid
152
overlast hebben van de studenten, die zich zonder noodzaak in hunne kamer ophouden.'quot;' Deze opmerking is zeer juist en kan door elders opgedane ondervindingen worden bevestigd.
Nog veel meer bevreemdend en inderdaad onbegrijpelijk is het verwijt, dat dit vertrek in ons plan zonder uitbreiding slechts gebrekkig zoude verlicht zijn! — „want, als de kruisgang met glas wordt gedicht, zooals het voornemen is, zal de intensiteit des lichts door het tweede glasoppervlak vrij wat verminderen.quot;
Deze grief wederlegt zichzelf eenvoudig door de opmerking , dat do oppervlakte van het glasraam ongeveer even groot is als de vlakke inhoud van de kamer, namelijk ± 10 M2. Volgens een algemeen erkenden stelregel is het voor de goede verlichting van gewone vertrekken voldoende , wanneer de oppervlakte der lichtramen Vi—7« van het grondvlak van het vertrek beslaat De intensiteit des lichts kan dus nog heel wat verminderen, vóórdat de lichtverzorging onvoldoende kan worden genoemd.
De heer Rijksbouwkundige heeft bij het nederschnjven van zjjn verwijt stellig niet er op gelet, dat zijn 1G M. lange en 4 M. breede hoofdgang (oppervlakte 64 M2) alleen direct licht ontvangt door ééne deur en één venster van gelijke afmetingen als het raam van het pedelsbiire.au, en die beide ook op de kruisgang uitkomen.
De andere bronnen van lichtverzorging , die bovendien geen rechte voortplanting van het licht gedoogen, kunnen, meer bepaald voor het voorste gedeelte van die gang, nauwelijks in aanmerking komen. Wanneer nu do aanmerking op de onvoldoende verlichting van het kleine pedelskamertje inderdaad waarheid bevatte, dan zoude de hoofdgang van het zoozeer geprezen ontwerp van den Rijksbouwkundige in een droevig halfdonker gehuld zijn.
Eindelijk wordt in het rapport ook de ligging der pedelskamer ondoelmatig geacht. Wjj nemen de vrijheid,
153
tegenover deze onjuiste bewering onze meening te plaatsen, die ook met de algemeen erkende en gangbare begrippon en opvattingen beter strookt. Zij komt daarop neder, dat de ligging eener pedelskamer vlak bij den ingang en vlak tegenover de hoofdtrap met bet gezicht op deze en den hoofdgang, als de denkbaar gunstigste is te beschouwen. Alle deze vereischten worden bij de pedelskamer in het project van den heer Rijksbouwkundige gemist, die op een hok uitkomt, dat een soort van inham van de hoofdgang vormt en daardoor zoo slecht geplaatst is , als het maar eenigszins mogelijk is. De grootere afstand van ons pedelsbureau tot de hoofdtrap kan te minder in aanmerking komen , als voor den dienst op de bovenverdieping eenc afzonderlijke pedelskamer is ingericht.
Wat de situatie van het gebouw betreft , zoo moeten wij het standpunt blijven handhaven, dat wij van het begin af hebben ingenomen en in ons schrijven van 12 Januari nader hebben toegelicht: daarop nederkomende dat de voorgevel van het nieuwe Universiteitsgebouw haaks op den zijgevel van de Domkerk behoort geplaatst te worden.
Het verwijt, dat wij tegen onze eigen stelling zouden hebben gehandeld, terwijl wij de dwarsmuren van het nieuwe gebouw niet haaks op de kruisgang hebben ontworpen, is eenc van de vele ficties, die het rapport bevat. Deze dwarsmuren zijn binnenmuren en van deze hebben wij nooit gesproken. Het eene heeft met het andere niets te doen. Onze dwarsmuren staan hunnerzijds, zooals het behoort , haaks op den buitenmuur.
Nog verrassender en meer dan zonderling klinkt het daarop volgende verwijt: „Het kon niet missen of hot vreemde en de gezochtheid dezer schikking moesten zich aan het plan wreken en dit is geschied op eene wijze , die niet slechts de schoonheid, maar vooral de doelmatigheid van hot ontwerp heeft benadeeld.quot;.....
154
„De deur, uitkomende in de kruisgang en gelegen in de hoofdas der vestibule verraadt onverbiddelijk den scbeeven stand juist op de plaats, die het meest de aandacht trekt.quot;
Welk een kostelijke bijdrage tot illustratie van het spreekwoord van den splinter en den balk, heeft de adviseur in deze beide zinsneden geleverd. Zooals zoo vele malen , komt hier wederom duidelijk uit, hoe voor de beoordeeling van beide plannen telkens een andere maatstaf wordt aangewend. Of komt in het plan van den heer Rijksbouwkundige de scheeve (niet rechthoekige) stand van zijn frontgebouw tegen de muren van de zuidelijke kruisgang en tegen de hoofdas van het groote auditorium niet nog oneindig veel duidelijker en onverbiddelijker — en, wat schoonheid betreft — op eene werkelijk stuitende wijze — uit in de (/ebroken muren van de zijgang en de scheeve hoeken, waarin de beide gangen elkander ontmoeten ? Wat beteekent, daarbij vergeleken, het verschil van eenige decimeters in de diepte der beide dagzij oen eener deur ?
Juist om een dergelijken, onmiddellijk in het oog loopenden, groven misstand, die het plan van den heer Kijksbouwkundige aankleeft, te vermijden, hebben wij aan de beide gangmuren, zooals het behoort, een evenwijdig beloop gegeven. Deze handelwijze is te meer gerechtvaardigd, omdat het oude metselwerk van de kruisgang immers toch eene nieuwe bekleeding vereischt. Een op zich zelf staande muur verdient zelfs in velerlei opzichten de voorkeur boven eene bekleeding, die tegen het oude metselwerk zonder spouw is aangemetseld. Wanneer men vervolgens leest: „Naast de deur heeft men een muur moeten metselen om verder de geering te verbergenquot; en men slaat een blik op het „ Variante-schetsplanquot; van den heer adviseur, waar ook bij de aan-
sluiting van zijn ontworpen gebouw aan hei auditorium en de Senaatskamer in beide verdiepingen de geering door voor gemetselde muren is verborgen, dan heeft men ook hier wederom eene treffende illustratie van de waarde en van het karakter der op ons plan uitgeoefende kritiek!
Do hierbij te pas gebrachte fraaie gelijkenis laten wij dan ook voor wat zij is; zij komt ons voor veeleer op verschillende redeneeringen van den adviseur dan te dier plaatse toepasselijk te zijn.
Tegen het vervallen der zoldertrap, wanneer deze overbodig wordt geacht, bestaat natuurlijk onzerzijds geen bezwaar. De nu reeds voldoende verlichting van de bovengang zal dan volgens den wensch van heeren Curatoren nog aanmerkelijk kunnen worden versterkt.
In zijne beoordeeling van ons eerste schetsontwerp werd door den heer Rijksbouwkundige de volgens onze meening onjuiste stelling verkondigd: dat vestibulen bij Universiteitsgebouwen over het algemeen niet op haar plaats zijn, maar dat eene dergelijke „dispositiequot; alleen bij schouwburgen en concertzalen thuis behoorde.
Nadat wij in ons antwoord do onjuistheid zijner stelling door eene reeks van voorbeelden hebben aangewezen, verklaart hij zich heden in staat de door ons vermelde voorbeelden gemakkelijk te kunnen vertienvoudigen !
Ook tegenover zijne nieuwe bewijsvoering — waartegen wij ter loops opmerken, dat de vestibule niet alleen een onderdeel van het nieuwe gebouw, maar van het toekomstige geheel uitmaakt, waartoe voornamelijk ook hot groote auditorium en de Senaatskamer behooren — meenen wij onze oorspronkelijke zienswijze te moeten behouden. Ook de meerderheid der Bouwcommissie uit den Senaat
156
heeft zich destijds met deze onze opvuttiny vereenigd cn was op den aanleg eener ruime vestibule gesteld.
Wat den puhlieken doorgang betreft, kunnen wij niet toegeven, dat hij te smal ontworpen is. De doorgang heeft 3 M. breedte, de deuren zijn 2 M. wijd, icelke afmeting overeenkomt met die der deuren, welke op de oostzijde can de kruisgang gemeenschap geven met de straat, genaamd „achter den Dom.quot; Voorts merken wij op, dat de deur van den doorgang, in de kruisgang uitkomende, natuurlijk in de as der betreffende travee komt te liggen, terwijl de kleine afwijking in het plan alleen aan eene onnauwkeurigheid van den teekenaar is toe te schrijven. De aanmerkingen op do gebroken richting van den goprojectecrden doorgang en den cirkel-vormigen omgang klinken meer dan bevreemdend uit den mond van den vervaardiger van een plan, waarin der hoofdgang, die toegang geeft tot het groote auditorium en de Senaatskamer eene haakvormige kronkeling is gegeven, dewijl de binnenplaats als een lastige „Sta-in-den-wegquot; in den hoofdcorridor voor de helft van diens breedte vooruitspringt.
Deze oplossing is zoo beneden alle kritiek , dat reeds daardoor het onvolprezen plan in de oogen van den onpartijdigen deskundige veroordeeld is. Natuurlijk bestaat bij ons geen bezwaar, de dwarsmuren in or zen publieken doorgang des voreischt te doen vervallen.
Wij zullen de verdere beschouwingen van den heer Rijksbouwkundige niet tot in do nietigste kleinigheden volgen, te minder omdat do aanmerkingen ongeveer alle van hetzelfde gehalte zijn. Wij zullen ons dus alleen tot de wederlegging der voornaamste van de ingebrachte bezwaren beperken. Daaronder rangschikken wij in de
eerste plaats de aanmerkingen op de hoofdtrap, „waarvan slechts de eerste traparm voldoende breedte (2 M.) heeft, de beide andere traparmen en het bordes zijn bekrompen.'quot; Hoe? Eene dubbele trap met twee armen van ±1.5 M. breedte, die alzoo bij het beklimmen dor verdieping en bij het afdalen eene splitsing van het verkeer toelaat, zal voor de communicatie niet gemakkelijker en geriefelijker zijn dan een enkele traparm van 2 M. breedte ? Eene gezamenlijke lengte der treden van zh 3 M. meer bekrompen dan eene lengte van 2 M! In deze stelling heeft de moed van den onpartijdigen beoordeelaar zonder twijfel zijn toppunt bereikt.
Uit een aesthetisch oogpunt nomen wij de vrijheid op te merken, dat ook voor dezulken, die nooit in de gelegenheid waren, soortgelijke trappen te zien, slechts weinig verbeeldingskracht vereisclit is, om te beseften, dat de indruk ook voor de geprojecteerde afmetingen nog grootsch en indrukwekkend moet zijn. Xa de opgedane ondervinding zullen wij ons onthouden, voorbeelden te noemen. Door liet 3 if. breede en 4 M. lange bovenlicht zal niet alleen de trap zelf, maar zullen ook de hoofdgangen in beide verdiepingen overvloedig licht ontvangen. Do verlichting in het verbeterde plan door een zijdelings op het bordes uitkomend raam is, hierbij vergeleken, niet alleen uiterst armoedig, maar ook uit een aesthetisch oogpunt meer dan gebrekkig.
Evenals bjj zoovele andere aan- en opmerkingen van den heer Rijksbouwkundigc, zijn ook zijne beschouwingen over de verlichting soms lijnrecht in strijd met de feitelijke toestanden. Zoo o a. bij de bewering, dat verlichting van de zijgang der benedenverdieping in ons ontwerp ter nauwernood voldoende zal blijken.
Wanneer men nu er op let, dat deze zijgang door eene
158
3.5 M. breede on ± 5 M. hooge boogopening met hot daghelder verlichte portaal vóór het groote auditorium en de Senaatskamer gemeenschap heeft, dan kan de gemaakte aanmerking eiken deskundige slechts een glimlach ontlokken. Do lichtverzorging van genoemd portaal geschiedt toch door een vallicht, dat bjj 16.5 M.quot;2 oppervlakte meer dan Vs van den vlakken inhoud der grondvlakte van het lokaal beslaat en op ccne hoogte van slechts ifc 6 M. is geplaatst!
De verlichting mag dus met alle recht schitterend en daghelder worden genoemd.
In het ontwerp van den heer adviseur geschiedt de lichtverzorging der genoemde lokalen door middel van indirect bovenlicht met behulp van een binnenplaats van ± 25 M1 oppervlakte, die van ± 15 M. hooge muren is omgeven \ ... . Ook de lichttoetreding in de gang , in de jassenkamer en in de wachtkamer van de bovenverdieping zal geenszins gebrekkig kunnen worden genoemd , wanneer men voor de ddklichten van lig (jen de, weinig hoven het dak vlak verheven, glasramen gebruik maakt, zooals ze aan het Rijksmuseum en aan het nieuwe Centraalstation zoo ruimschoots zijn toegepast. De in het ontwerp van den Rjjksbouwkundige voorkomende, op het dak van den kruisgang geplaatste, dakvensters zijn hier natuurlijk als ondoelmatig te verwerpen , omdat zij het licht onderscheppen , in plaats van het onbelemmerden toegang te verschaffen. Ook het plaatsen van de door ons bedoelde glasramen in den inspringenden hoek van de kruisgang kan geen bezwaren opleveren.
Dat de Collegekamer der bovenverdieping, ondanks don op een afstand van ± 4.5 M. gelegen topgevel van het groote auditorium goed verlicht zal zijn , kan aan vele analoge gevallen worden nagegaan. De eerstondergeteo-kende neemt do vrijheid de middenzaal der bibliotheek
159
van do Polytechnische School als voorbeeld aan te halen, die op een steeg van slechts 3.4 M. uitkomt , terwijl juist tegenover de zaal een ^ 7 M. breede huisgevel verrijst, die twee verdiepingen hooger is opgetrokken. Deze zaal is zeer goed verlicht en heeft vele jaren door tot Collegekamer gediend.
Niets staat overigens in den weg, om zoowel de gang als do Collegekamer en de wachtkamer voor examinandi op de meest schUlereude wijze met vallicht te verzorgen, waaraan voor Collegekamers en lokalen van soortgelijke bestemming door velen zelfs de voorkeur wordt gegeven.
Dat de afkeer van de toepassing van vallicht, waartoe men volgens het gevoelen van don heer Rijksboirwkundige in ons klimaat slechts noode moet overgaan, niet door alle deskundigen en het minst door de eerste raadslieden der Regeering wordt gedeeld, blijkt uit de overvloedige toepassing dezer constructie aan de twee belangrijkste monumentale gebouwen , die in onze dagen van staatswege zijn uitgevoerd. Wij bedoelen het Rijksmuseum en het Centraalstation, beide te Amsterdam. Bij het eerste gebouw is van dakramen en glazen plafonds op zoo ruime schaal partij getrokken, als in geen enkel schilderijen-museum zelfs in veel gunstiger luchtstreken tot nog toe ook in de verste verte is geschied. En toch heeft men nog in den nieuwston tijd schilderijen-galerijen alleen met zijlicht ingericht, zooals o. a. in do door Hansen gebouwde Kunstacademie te Weenen.
Bij den bouw van het geheel vrij liggende Centraalstation te Amsterdam zag men zelfs geen bezwaar, sommige in de benedenverdieping gelegen vertrekken — het koninklijke salon — door de bovenverdieping heen uit eene hoogte van -j- 14 M. van bovenlicht te voorzien!
In onze conferentie opperde de heer Rijksbouwkundige zelfs ernstige bezwaren tegen het bovenlicht van de
160
hoofdtrap in ons ontwerp, dat te dier plaatse toch in alle opzichten gerechtvaardigd is. En toch heeft de voornaamste raadsman der Regeering bij den bouw van de geheel vrijstaande dienstwoning van den Directeur van liet Rijksmuseum de hoofdtrap zonder dwingende omstandigheden met bovenlicht ontworpen en uitgevoerd. Ook het Bestuur der Maatschappij tot bevordering der Bouwkunst zag er niet het minste bezwaar in , het maatschappelijk gebouw door eene hoofdtrap met bovenlicht op te luisteren, evenmin als de voor dien bouw benoemde afzonderlijke jury van deskundigen.
Dat ook een vallicht, gedeeltelijk besloten tusschen hooger opgaande muren , zoo kan worden samengesteld, dat het tegen sneeuw, dooi en condensatiewater bestand is, zal wel geen deskundige willen ontkennen. Bovendien verkeert zulk een bovenlicht zelfs in zooverre in eene gunstige positie , als de nadeeligste invloed , namelijk de storm , geweerd is.
Tot de meest kenschetsende ondcrdeelen van het ge-heelc advies van den heer Rijksbouwkundige behoort zonder twijfel het betoog over beweerde misdeéling van het zoogenaamde „ziveetkamertjequot; wat ligging en inrichting betreft. Wij kunnen volstaan met de opmerking, dat het aan deze zeer ruime wachtkamer grenzende kabinet evenzeer een uitzicht gunt op straat als de bekrompen wachtkamer in des hoeren adviseurs ontwerp — daargelaten of dergelijke gelegenheid tot verstrooiing voor vertrekken van deze bestemming vereischt of zelfs ge-wenscht is. Aan beide opvattingen is in ons ontwerp voldaan. Of nu het kabinet, zooals de heer Rijksbouw-kundige doet voorkomen, als het ware bij toeval of bij ongeluk is ontworpen of niet, doet stellig niets ter zake.
Den eisch, om ter wille van den concierge op een
161
afstand van ± 17 M. van dc hoofdtrap nog ccno derde trap aan tc leggen , achten wij te ongerijmd en buitensporig , om tot inwilliging daarvan te adviseeren. Tot juiste beoordeeling van „het gemak voor den inwendigen dienstquot;, dat men van deze diensttrap in werkelijkheid zich kon beloven, is het voldoende te constateeron, dat alleen de dienst in twee van de zeven bovenzalen daardoor eenige verlichting zou ondervinden, terwijl voor den dienst in alle andere lokalen geenerlei (/einak sonde worden verkregen. Ook in de zoo grootsch en weelderig ingerichte hotels van onzen tijd veroorlooft men zich , zelfs ter wille van vele honderden logeergasten, zulk een weelde niet, als hier wordt voorgesteld. Voor ons ontwerp ware de inrichting van een derde trap bovendien daarom volkomen doelloos, omdat juist de beide, bij deze „verbeteringquot; betrokken vertrekken onmiddellijk bij de hoofdtrap hunne toegangen hebben en de distributie van onze bovenverdieping zoo uiterst beknopt en eenvoudig is. Het labyrinth van gangen en portalen, waardoor vooral dc bovenverdieping van het plan van den heer Rijksbouwkundige zich kenmerkt, is in onze planverdecling gelukkig vermeden.
Hoewel onze vroeger uitgesproken meening, dat het ontwerpen van collegezalen van meer dan 9 M. diepte, die slechts van eene zijde licht ontvangen , geen redelijken zin heeft, door den steller van het rapport wordt ontkend, is onze opvatting niettemin de juiste en wordt zij dooide theorie en praktijk van ons vak volkomen bevestigd.
Ziehier eenige gegevens, geschikt om onze zienswijze toe tc lichten en te bevestigen.
Hoogescholen : Diepte der collegekamers :
Koningsbergen, 6.5 M.
Straatsburg, 7.5 M. (er zijn afmetingen van 8.5 en 14.5,
doch dan zijn die lokalen van 2 of 3 zijden verlicht).
162
Rostock, 6.5 M.
Kiel, 5 7 M.
Athene , 7—7.5 M.
Ween en , 6, 5 en 9 M. (er zijn grootere auditorion
van 12.2 M. diepte, doch deze zijn van 2 zijden verlicht).
Munchen (Polyt. School), 7.5 M. (er zijn lokalen van 9.5, 10.5, 11.5 en 13.5 M., doch deze zijn van 2 of 3 zijden verlicht).
Zurich, 7.5 M.
jBr/wlt;slt;e?yA:(Polyt.Scliool),7.5 - 8 M.(l 1.5 M. komt voor bij licht van 2 zijden) Aken „ ,, j 8 M. (10 „ „ „ „ „ „ „
Dresden „ „ , 7-8.6 M. (11 „ „ „ » « » „ Berlijn „ „ ,8.6 M. (11.8 „ „ „ » « » » Lemberg „ „ , 6.2-8.331.(11. „ „ „ » » » » AVeenen (Academie), 7 M.
Dat het 10.4 M. diepe kleine auditorium in het ontwerp van den Rijksbomvkundige, dat slechts van eene zijde licht ontvangt, uitstekend zoude verlicht zijn, moeten wij dan ook ten sterkste betwijfelen.
Of er aan oen zoo groot tweede auditorum, waarvoor volgens het plan van den heer Rijksbouwkundige meer dan een zesde doel van het te bebouwen terrein wordt ingenomen , werkelijk behoefte bestaat, blijkt ons noch uit het aangehaalde schrijven van heeren Curatoren , noch uit den brief van den Senaat der Rijksuniversiteit. De eenige aanduiding , op dit lokaal betrekking hebbende , vinden wij in het reeds vermelde schrijven van den Secretaris van den Senaat, aldus luidende : „ Wat zekerlijk ivenschelijk zoude zijn , is, dat er minstens één lokaal zij , waarin 50 toehoorders goed plaats kunnen vinden, een lokaal geschikt voor voordrachten van populairen aard, zooals allicht bij do litterarische of theologische, mogelijk ook bij
163
de juridische faculteit voorkomen; een soort van „Klehiau-ditorhmwaar zoowel voor een groot getal toehoorders ruimte is , als gelegenheid voor hen tot het maken van schriftelijke aanteekeningen nopens het gehoorde.quot; ....
Het rapport van den heer Rijksbouwkundige eindigt met de minder juiste opmerking , dat zijn ontwerp ongeveer 65 M2 minder beslaat dan het onze , waaruit gevolgtrekkingen omtrent de bouwkosten worden afgeleid.
Volgens onze berekening beslaat de bebouwde oppervlakte van ons ontwerp ± 705 Mquot; en die van het ontwerp van den heer Rijksbouwkundige -h 670 M-. Het verschil is dus ± 35 M2.
Maar de yeheele opmerking en vergelijking bef eekent wederom niets, dewijl men voorbijgaat of verzwijgt, dat in on* ontwerp een gedeelte van het gebouw, beslaande ± 95 M'* slechts ééne verdieping hoog is opgetrokken, zoodat de vlakke inhoud der bovenverdieping slechts ± 614 M1 bedraagt.
En hiermede eindigen wij onze beschouwingen over de tegen ons ontwerp ingebrachte bezwaren, waarin wij tevens Uwe vraag , of en in hoeverre de inhoud der ons medegedeelde stukken wijziging van ons ontwerp alsnog wensche-lijk doet voorkomen, meenen te hebben beantwoord.
Wij vertrouwen in deze onze beschouwingen te hebben aangetoond, dat niet over ons ontwerp, maar wel over liet advies van den heer Rijksbouwkundige het verwijt van „gezochtheidquot; en „gewrongenheidquot; en — om geen minder parlementaire uitdrukking te gebruiken — van verregaande eenzijdigheid met volle recht kan worden uitgesproken.
E. GUGEL. C. VERMEIJS.
Bijlage 25bis.
liijlagc tot lutl rapport aan Burgemeester en AVethouders der gemeente Utrecht van 14/15 Juni 1887.
NOTA
betreffende den stijl van het nieuwe Universiteitsgebouw.
Wat den stijl van het gebouw betreft, gingen wij bij liet ontwerpen van ons plan van de overweging uit, dat de herleving der klassieke oudheid op taalkundig en wetenschappelijk gebied, en daarmede de ontwikkeling en do bloei dor Universiteiten , met de gcljjktjjdigo hervorming op het gebied der beeldende kunsten zoo nauw in verband staan , dat de keuze van don Renaissancestijl voor het nieuw te stichten monument als van zelve is aangewezen.
De stichting van een Universiteitsgebouw der XIX110 eeuw in gothischen stijl achten wij nauwlijks eene mindere anomalie als de oprichting van een gothischen schouwburg, waaraan wel nog niemand gedacht heeft.
Ook de omstandigheid, dat het gebouw in de onmiddellijke nabijheid van den Dom is gelegen, kan, naar onze opvatting, de keuze van stijl niet influonceoren, want nog nooit hoorden wij de stelling verdedigen, dat in de omgeving van een gothisch kerkgebouw, hoe verheven ook als kunstwerk en eerbiedwaardig als monument, alle andere gebouwen, onafhankelijk van hunne bestemming,
en van don tijd hunner stichting, ook in gothischen stijl behoorden te worden opgetrokken. Kruisgangen, kloostergebouwen, kapittelhuizen en pastorieën verkeeren natuurlijk ten dien opzichte in eene geheel andere verhouding.
166
Bij allo gebouwen van andere strekking dient men zelfs den schijn eener soortgelijke verhouding tot het kerkgebouw te vermijden.
Verder van de veronderstelling uitgaande, dat het nieuwe Universiteitsgebouw zoo veel eenigszins mogelijk een eigenaardig geheel, en op zich zelve staand monument diende te vornien, beschouwden wij het ondoenlijk , de kruisgang, hetzij in haar geheel, hetzij in een harer onderdeelen , als een organisch bestanddeel aan het nieuwe gebouw te verbinden. Met het oog hierop kwam het ons zelfs wenschelijk voor, den hoofdingang tot het groote auditorium uit de kruisgang, waar hij zich nu bevindt, naar het nieuwe gebouw te verplaatsen en wel in de lengte-as van deze zaal, tegenover het spreekgestoelte, gelijk in ons plan door eene nis is aangeduid.
Het is daarom, dat de lengte-as van het groote auditorium tevens als as van onze hoofdgang is aangehouden , welke gang zoowel met de groote vestibule als met de hoofdtrap — en door deze met de faculteitskamers — eene even fraaie als doeltreffende gemeenschap heeft. Wij maken ons geen illusies, dat aan de verwezenlijking van ons denkbeeld voorshands niet nog groote hinderpalen in den weg staan. Want, hoewel in het gewijzigde plan van den heer Rijkabouwkundige, onze distributie, ondanks de vele voorgewende gebreken, in hoofdtrekken geheel is overgenomen, heeft men door de verregaande verminking van deze hoofdgang de afkeur tegen ons denkbeeld op zeer duidelijke wijze te kennen gegeven.
Wij voegen er ter loops bij, dat wij ook in de overige wijzigingen onzer planverdeeling — met name in de veranderde ligging der pedelskamer, in de verandering van den vorm en van de verlichting der hoofdtrap, in het inlasschen eener binnenplaats en in de bijvoeging van
167
255/s
ccn derde trap — veeleer eene vermindering der waarde van ons plan, dan eene verbetering, venneenen te zien.
' Ook uit een algemeen aesthetisch oogpunt komt het ons ondoenlijk voor een middeneeuwsche kruisgang tot een ' * J
harmonisch onderdeel van een negentieneeuwsch Universiteitsgebouw te verheffen. En omgekeerd schijnt het ons toe, dat het kostbare monument van middeneeuwsche kerkelijke kunst van zijn karakter en van zijne eigenaardige bekoorlijkheid veel zoude verliezen, door geheel of gedeeltelijk , aan een modern gebouw van niet kerkelijke bestemming geannexeerd te worden.
Wij zouden dus veeleer tot eene nog scherpere afscheiding van kloostergang en Universiteit, dan tot eene ineensmelting van beiden adviseeren.
Dat ook de beide voornaamste lokalen van het bestaande gebouw op den stijl van het te stichten monument geen toongovenden invloed kunnen uitoefenen, komt ons voor,
voor de hand te liggen. Het groote auditorium is gothisch, de Senaatskamer daarentegen niet. Beide zalen danken hare beteekenis veeleer aan de geschiedkundige,
dan aan eene werkelijke en hooge kunstwaarde en kunnen dus te meer in een nieuw gebouw worden opgenomen zonder in stijl daarmede overeen te komen, wat trouwens,
met het oog op beiden te gelijk, onmogelijk is.
Delft, 14/15 Juni 1887.
IJ K til
Utrecht, 15 Juni 1887.
E. GrUGEL. C. VERMEIJS.
' 2 '•
Lijst der bijlagen.
1. Brief van B. en W. aan Z. E. den
Min. van St., Min. van Binn. Z. 2 Februari 1880.
I. Overeenkomst.
2. Brief van den Min. aan B. en W-, 24 Februari 1886.
3 en 'Shis. „ , B. en W aan Ged. Staten,
met ontwerp overeenkomst, 24 Sept 188G.
4 en 4/gt;/s. Brief van den Min. aan B. en W.,
met nieuw ontwerp-overeenkomst, 19 Maart 1887.
5. Brief van B. en W. aan den Minister, 10 Mei 1887.
0. , , B. en W. „ , B 12 Juli 1883.
7. « « den Minister aan B. en W., 15 Augustus 1883.
8. n n n D n quot; 10 Mei 1887.
9. „ r B. en W. aan den Minister, 27 Mei 1887,
10. „ . den Minister aan B. en W, 10 Juni 1887.
11. „ „ B. en W. aan den Minister, 21 Juni 1887. 12 en 12Ns. Brief van don Minister aan B. en W,
met ontwerp-overeenkomst, 25 Juli 1887.
13. Brief van B. en W. aan den Minister, 18 Augustus 1887.
II. Bouwplan.
14. Brief van B. en W. aan den Minister, 28 Mei 1886.
15. , m den Minister aan B. en W., 22 Juni 1886.
16. Brief van Curatoren der Rijksuniver
siteit alhier aan B. en W., 3 Juli 1886.
17. Brief van B. en W. aan Curatoren,
(betr. program van eischen), 15 Juli 1886. 17 hi sen 17 bis A. Voordracht aan den Gemeenteraad,
met ontwerp-Kaadsbesluit, 5 Maart 1886.
17his B. Brief van Curatoren aan B. en W., 21 Januari 1886.
JZ '•
Lijst der bijlagen.
1. Brief van I}, en W. aan Z. E. don
Min. van St., Min. van Binn. Z. 2 Februari
I. Oveieeiikoiust.
2. Brief van den Min. aan B. en W-, 24 Februari
3 en „ , B. en AV aan Ged. Staten,
met ontwerp overeenkomst, 24 Sept
4 en Ahis. Brief van den Min. aan B. en W.,
met nieuw ontwerp-overeenkomst, 19 Maart 5. Brief van B. en VV. aan den Minister, 10 Mei
G. „ „ B. en W. „ „ , 12 Juli
7. v v den Minister aan B. en W., 15 Augustus
8. „ n B B „ 16 Mei
9. „ „ B. en W. aan den Minister, 27 Mei
10, . „ den Minister aan B. en W, 10 Juni
11. „ r B. en W. aan den Minister, 21 Juni 12 en Brief van den Minister aan B. en W,
met ontwerp-overeenkomst, 25 Juli
13. Brief van B. en W. aan den Minister, 18 Augustus
II. Bouwplan.
14. Brief van B. en W. aan den Minister, 28 Mei
15. „ „ den Minister aan B. en W., 22 Juni
16. Brief van Curatoren der Kjjksuniver-
siteit alhier aan B. en W., 3 Juli
17. Brief van B. en W. aan Curatoren,
(betr. program van eischen), 15 Juli 17b/senl7btsA. Voordracht aan den Gemeenteraad,
met ontwerp-Eaadsbesluit, 5 Maart
Ubi's B. Brief van Curatoren aan B. en W., 21 Januari
|
170 | |||
|
mis c. |
Brief van den Academischen Senaat | ||
|
aan Curatoren , |
6 Januari |
1886. | |
|
mis D. |
Brief van den Secretaris van den | ||
|
Senaat voornoemd aan den Wet | |||
|
houder van openbare werken, |
23 Januari |
1886. | |
|
llhis E. |
Extract uit de notulen van den Raad, |
8 Mei |
1839. |
|
18. |
Brief van B. en W. aan de HH. E. | ||
|
Gugel en C. Vermeijs, Bouwmeesters | |||
|
van het te stichten Universiteits | |||
|
gebouw , |
26 Januari |
1886. | |
|
19. |
Brief van de Bouwmeesters aan | ||
|
B. en W., |
20 Februari |
1886. | |
|
20. |
Brief van Curatoren aan B. en W., |
5 November 1886. | |
|
20amp;/sen20ft?sA. Brief van den Rijksbomvknndige voor | |||
|
de gebouwen van onderwijs aan | |||
|
Curatoren, met concept-programma | |||
|
van eischen, |
25 October |
1886. | |
|
21. |
Brief van B. en W. aan de HH. | ||
|
E. Gugel en C. Vermeijs, |
11 November 1886. | ||
|
22. |
Brief van de Bouwmeesters aan | ||
|
B. en W., |
14 Januari |
1887. | |
|
23. |
Brief van B. en W. aan Curatoren, |
3 Februari |
1887. |
|
24. |
„ „ Curatoren aan B en W., |
18 Mei |
1887. |
|
mis. |
- „ den Rijksbouwkundige aan | ||
|
den Minister, |
27 April |
1887. | |
|
25 en 2hhis. |
Brief van de Bouwmeesters aan B. en W. | ||
|
met nota over den stijl van het | |||
|
nieuwe Universiteitsgebouw, |
15 Juni |
1887. | |
VERVOLG
OP DE
3
Utrecht (i Octobcr 1Ö87.
i Nquot;. 38. 4 Bijlagen.
Alzoo wij het noodig achten, dat Uwe vergadering bij de behandeling onzer voordracht van den 25lquot;en Augustus II. n0. 110 in zake hot Universiteitsgebouw geheel op de hoogte zjj van den huidigon stand dier zaak , hebben wij do oer U hiernevens een afschrift van de brieven over te leggen, welke daarover nog nader zijn gewisseld. Zjj betreffen bijna uitsluitend hot program van eischen voor denhouw.
Bij schrijven van den 31stcquot; Augustus 11. (bijlage 1 en !/gt;/») gaf Z. Exc. de Minister van Staat , Minister van Binnenlandsche Zaken toe, dat dat program vóór het sluiten der overeenkomst worde vastgesteld, en zond Z. E. ons ecu ontvvcrp-program ter behandeling.
Tegen den inhoud van dat ontwerp bestonden bij ons verscheidene gewichtige bedenkingen, welke ons zouden weerhouden, dat ontwerp onveranderd aan Uwe vergadering ter goedkeuring voor te dragen.
Ofschoon wij de onderhandeling over deze zaak met den Minister niet wenschen te voeren , alvorens door U omtrent onze voordracht van 25 Augustus jl. cene beslissing zal zijn genomen, meenden wij toch reeds dadelijk enkele onzer voornaamste bezwaren aan Z. Exc. te moeten keu-baar maken.
Aan den Gemeenteraad.
Wij deden zulks bij schrijven van 27 September 11. (bijlage 2), en traden tevens over den inhoud van het vast te stellen program in overleg met onze Bouwmeesters (bijlage 3). Van deze ontvingen wij den brief van den 30slcquot; September 11. (bijlage 4) , waarin met evenveel klem als vroeger, maar nog uitvoeriger de gronden worden uiteengezet, waarop hunne keus van den Renaissancestijl voor het te stichten gebouw steunt.
Over den overigen inhoud van het ontwerp-program wordt dit overleg door ons voortgezet, en indien onze voordracht van 25 Augustus jl. door U wordt aangenomen, dan zullen wij, na daarover met den Minister voornoemd te hebben onderhandeld, zoo spoedig mogelijk aan het oordeel Uwer vergadering het program van eischen onderwerpen, hetwelk naar onze mepning aan de overeenkomst ital kunnen worden gehecht.
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht,
De Burgemeester, W. R. BOE Tl.
De Secretaris, J. E. ENKLAAR,
1.-8.
Bijlage 1.
Ministerie van Binnenl.mrische Zaken. No. 2604, afd. O.
Dcricht op schrijven van 18/21
Bugustus 1887, a0. 116, betref- 's-Gmvoihayo 31 Awjuslus 1887. feiulc nieuwe Üiiiversiteitsgeljouwen Ie Utrecht.
Ik waardeer in liooge mate de mij op welwillende wijze door U gegeven gelegenheid om nog vóór de behandeling der ontwerp-overeenkomst in openbare raadszitting een paar punten , die bjj U twijfel hebben gelaten, nader toe te lichten en de daaromtrent gemaakte bedenkingen uit den weg te ruimen.
Ad l,,m. De toezegging reeds in Uw schrijven van 21 Juni II., n0. 62 gedaan om, onder overlegging der gevoerde correspondentie, aan den Gemeenteraad voor te stellen de ontwerp-overeenkomst goed te keuren, kan uit den aard der zaak niet volledige zekerheid geven, dat de Raad de verlangde bekrachtiging zal vcrleenen.
In den aanhef van mijn schrijven van 25 Juli d. v. n0. 1966, afd. O werd dan ook uitsluitend gedoeld op de voordracht, die door U aan den Raad zou worden gedaan en waarvan do indiening reeds nu andermaal door ü wordt toegezegd.
Ad 2,,m. Mijne zienswijze over de logische volgorde, waarin Rijk en Gemeente deze aangelegenheid hebben te behandelen , is in mijne brieven van 16 Mei, 10 Juni en 25 Juli duidelijk uiteengezet.
Anti
liurycmeesfcr en Wethouders van Utrecht,
G
TTet komt mij thans niot noodig voor, over dit punt nogmaals in liet breedo uit te wijden. Tijdverlies ware vermeden , indien de aanbieding der overeenkomst en de behandeling door den Raad vroeger luid plaats gehad. Toen ik door Uw schrijven van 2 Februari liSSG, n0. 48 voor het eerst kennis bekwam van het vrjjgevige aanbod van de gemeente Utrecht, achtte ik mij verplicht reeds op 4 Februari d. v. Curatoren uit te noodigen liet gemeentebestuur van Utrecht ter voorkom'nuf van mociclijlc-heden te berichten, dat het zich met de llegcering zal hebben te verstaan over de voorwaarden, waarop de Staat bereid zal zijn de feestgave Iv muvaarden. In mijn schrijven aan U dd. 21 Februari d. v. is die mededeeling voor zooveel noodig aangevuld. Later bleek niet alleen dat Uwe opvatting omtrent de volgorde van behandeling van de mijne afweek , doch dat, nog vóór de eerste offi-cieele kennisgeving aan de Kegeering door de opdracht aan de .Bouwmeesters zonder een programma van eischen, hetzij gesteld of goedgekeurd door de Jvegeering te kennen, reeds op de zaak vooruit was geloopen. Heeft een en ander aanleiding gegeven tot vertraging, dan is deze billijkerwijze niet aan de Eegeering te wijten.
Ad 3quot;'quot;. Ook na de thans door U gegeven toelichting is mij niet recht duidelijk , waarom de omschrijving van den bouw van eenige lokalen met de woorden „Univer-siteitsgebouw'' do voorkeur verdient. Over voorgevel en hoofdentrée zal te zijner tijd worden gehandeld, nadat de overeenkomst zal zijn tot stand gebracht. Ik meen mitsdien de voorgedragen redactie te moeten behouden.
Ad équot;1quot;. Reeds in Uw schrijven van 28 Mei 1886, nc. 56 werd aangeteekend dat in het voorloopUj plan Uw programma van eischen als het ware was opgenomen.
Destijds heb ik U in mijn schrijven van 22 Juni d. v. doen kennen , dat hiermede niet aan mijn verlangen was voldaan.
Het is steeds en overal bij do stichting van dergelijke gebouwen regel, eerst het programma van eischen vast te stellen, en daarna een plan te ontwerpen. Slechts langs dien weg kunnen deugdzame uitkomsten worden verkregen. En het is wederom niet aan de Regeering te wijten, dat een voorloopiy plan is in gereedheid gebracht, waarbij niet is gevolgd de logische volgorde van werken, die door alle deskundigen steeds wordt gevolgd.
Overigens ben ik bereid in dit opzicht zooveel mogelijk aan Uw wensch te gemoet te komen, en voeg hierbij een , na advies van Curatoren, door mij ontworpen programma van eischen, hetwelk aan de te sluiten overeenkomst kan worden vastgehecht, met verwijzing daarnaar in den text van die overeenkomst.
De Minister van Staat,
Minister van Binnenlandsche Zaken, HEEMSKERK.
-2.Kj
Bijlage Ibis.
^ROGRAMMA VAN EISCHEN
VOOU DEN BOUW VAN' EENquot;
NIEUW UNIVERSITEITSGEBOUW
TE UTRECHT,
Terrein. Hot gebouw wordt opgericht ter plaatse waar zich thans het Leesmuseum bevindt en met gebruikmaking van het terrein vrijkomende door het afbreken van het pand vroeger bewoond door Jhr. Kaïn en voor zoover noodig gebruikmaking van den daarbij behoorenden tuin. Het moet zich onmiddellijk aansluiten bij de westelijke en zuidelijke kruisgangen van de Domkerk, door welke men het Groot-Auditorium bereikt en voorts in verbinding gebracht worden met de groep gebouwen, welke het Auditorium, de Senaatskamer en de lokalen in het voormalig Politiegebouw omvatten. Van do kruisgangen , welke met eene beglazing zullen worden gesloten , is gebruik te maken ten behoeve van do nieuwe gebouwen.
Door bovenbedoelde verandering zullen er twee collegekamers vervallen, voor welke in het nieuwe Universiteitsgebouw twee andere moeten worden aangetroffen.
Daarentegen behoeft in het nieuwe gebouw niet op eene conciërgewoning gerekend te worden, omdat den pedel-concierge eene woning in de lokalen van het voormalig Politiegebouw wordt aangewezen.
10
ikiioodigd A. Gelijkstrauts.
gende loka- 1* V'GI' college/alen, als:
lell: een, groot ongeveer 130 M-;
twee, „ „ 42 „
een, „ „ 30 „
Minstens •twee dezer collegezalen behooren aan den tuin gelegen te zjjn. De vorm dezer zalen behoort vierhoekig te zijn ;
2. een spreek- of wachtkamer, groot ongeveer 22 M2 ;
3. een pedelskamer, groot ongeveer 15 M2;
4. een jassen bergplaats, groot ongeveer 12 M-;
Men wenscht de spreekkamer niet to ver van den ingang, de pedelskamer ongeveer midden in het gebouw en ovenzoo de jassenkamer.
5. een van een tochtdeur voorziene vestibule van matige afmeting ;
6. voorts zal op de benedenverdieping een door deuren af te sluiten doorgang van de straat naar het vrijhof moeten aangelegd worden, onafhankelijk van de communicatie door de vestibule.
13. Eerste verdieping.
Vijf facultcitszalen , als :
een, groot ongeveer 75 M'-;
drie, „ „ 46 „
een, „ „ 42 „
een collegezaal, groot ongeveer 35 M-; een vertrekje voor den pedel, 5 „
een jassen bergplaats, ongeveer 10 „
Voor de ligging dezer beide laatste lokalen geldt wat van die vertrekken in de benedenverdieping is gezegd.
Trappen. De trappen moeten van steen zijn. Behalve de hoofdtrap, ivaTerphmi-1 zooveel mogelijk in het midden van het gebouw is su,u aan te brengen, is nog een tweede of diensttrap van
11
mindere breedte noodig, meer nabij de pedelswoning gelegen en waarlangs inen de zolderverdieping kan bereiken.
Twee privaten en waterplaatsen moeten zoowel op de beneden- als op do bovenverdieping worden aangelegd , allen aan do open lucht uitkomen en door een voorportaal van den corridor zijn gcscheiden , zoodat ze ais het ware buiten het gebouw liggen, zonder dat men genoodzaakt zij zich naar buiten te begeven.
■4. Verwarming Wanneer de lokalen door kachels of haarden worden 'ictiicu 10(11 vciquot;warnu') worden de schocrsteenen bjj voorkeur tegenover den werkmuur geplaatst.
5.l.ii-lit. In de facuUeits- en collegezalen moet het licht links
van de toehoorders intreden. TTet maken van vallichten worde vermeden. Zoo in corridors en gangen, als in de lokalen moet het licht in ruime mate toetreden.
c. Vloeren. De vloeren van gangen , corridors, privaten en waterplaatsen , ook op de eerste verdieping, moeten van steen zijn. Om gehoorigheid te voorkomen , wordt het maken van dubbele vloeren of van troggewelven onder de vloeren der vertrekken van de eerste verdieping aanbevolen.
7. Gas-, water- Tn alle lokalen en op de corridors, privaten en water-IihigSd'(I|U plaatsen is gas- en waterleiding met toobehooren noodig;
de waterleiding moet ook voor brandblussching en schoonmaken van het gebouw zijn ingericht. De noodige electrische schellen worden in de lokalen aangetroffen.
8. Uergplaat- l)e bergplaats voor brandstoffen wordt in den tuin ver
langd , eene bergplaats voor gereedschappen wordt daarbij gevoegd. Een gemakkelijke toegang van het gebouw tot den tuin is derhalve een vereischte.
Het maken van een kolder in het gebouw, uitkomende op de straat, is wenschelijk geacht.
Indien er een calorifère tot verwarming van gangen of' lokalen wordt ingericht, moet die in den kelder zijn.
obouw. Het gebouw moet van deugdzame materialen worden opgetrokken, met vermijding van alle surrogaten en van alle bepleistering van buitenmuren of nabootsing van steen, in hout, in ijzer of in zink.
Do in het gezicht komende dakschilden moeten met leien gedekt worden.
De stijl van het gebouw moet in overeenstemming zijn met dien van de kruisgang en het Groot-Auditorium, waarmede het een geheel zal vormen.
Verlangd a. de plattegronden van de fundeering, do kelders en van do verdiepingen en van de daken , alsmede
h. de noodige doorsneden, alles op de schaal van 1 op 100; de doorsneden behooren de constructie der balklagen en der kappen duidelijk aan te geven;
c. do opstandfeekeningen van de verschillende gevels op de schaal van 1 op 100; op die van den voorgevel behoort een gedeelte der aangrenzende Domkerk voor te komen;
d. verschillende détailteekeningen ;
e. een nauwkeurige beschrijving aangaande de aan te wenden materialen
f. een raming van kosten.
Behoort bij brief van den Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken van 31 Augustus 1887, n0. 2604, afd. O.
Mij bekend, De Secretaris-Generaal, HÜBKECI1T.
9 ijl
B IJ L A O E
N«. 28.
Utrecht 27 September 1887.
liet was ons bijzonder aangenaam, nog vóór do openbare behandeling onzer op 2quot;) Augustus II. aan den Gemeenteraad in zake het nieuwe Universiteitsgebouw ingediende voordracht, waarvan wij de eer hebben aan Uwe Excellentie hiernevens een afdruk te doen toekomen uit Uw schrijven van 31 Augustus jl., n0. 2004, afd. O, in het daarbij gevoegde ontwerp-program do eischen te loeren kennen, waaraan Uwe Excellentie zou wensehen, dat het te stichten Universiteitsgebouw kon voldoen.
Hierdoor toch wordt voor ons College de toelichting van het ontwerp contract, voor den Gemeenteraad de daarover te nemen beslissing gemakkelijker gemaakt.
Ons College heeft echter tegen het toegezonden ontwerp-program eenige overwegende bezwaren, waarvan wij reeds terstond de voornaamste ter kennis Uwer Excellentie wensehen te brengen.
1. Terrein.
a. In het program behoort o. i. alleen aansluiting aan een of meer der kruisgangen ter bereiking van het Groot-Auditorium bepaald te worden.
Hoe die aansluiting zijn zal („onmiddellijkquot;), en of die alleen door de zuidelijke, of ook door do westelijke kruisgang zal plaats vinden, worde eerst bij de uitwerking, in het plan, aangegeven.
h. Eveneens zouden wij wensehen, dat eerst uit het Aan
ijne Excellentie (lm Minister van Staat,
Minister van Binnenlandsche Zaken te 's-G-ravenhage.
14
plan blijke, in hoeverre, behalve voor den toegang naar het Groot-Auditorium, nog in andere opzichten van de kruisgangen gebruik zal gemaakt worden. Aan de Bouwmeesters behoort o. i. bij het ontwerpen hierin vrijheid gelaten te worden.
c. De beglazing, waarmede de kruisgangen zullen worden gesloten, worde niet vermeld. Voor Rijkskosten zullende geschieden , behoort zij niet tot den aanbouw dezer stichting, en, nu volgens het verlangen van Uwe Excellentie de zaak van den eigendom van de kruisgangen bij deze gelegenheid niet zal worden geregeld, zouden wij wenschen, dat hier ook van deze beglazing niet worde gesproken.
d. „Door bovenbedoelde verandering.quot;
Deze woorden komen ons niet duidelijk voor.
Bovenvermeld is alleen de aansluiting of verbinding, waardoor geen collegekamers vervallen.
De geheelc zinsnede kan echter vervallen, omdat het aantal collegekamers onder nquot;. 2 wordt bepaald, en zij daarom nutteloos is; zij zou daarenboven de onjuiste meening kunnen doen ontstaan, dat de Verbouwing van liet voormalig Politiegebouw grond van verplichting voor de Gemeente kan opleveren, om kamers in het nieuwe Universiteitsgebouw aan te bouwen.
2. Uenoodiyde lokalen.
De bepaling van het aantal en do afmetingen van de te bouwen lokalen moot natuurlijk in de eerste plaats afgeleid worden uit de tegenwoordige behoeften dei-Universiteit, maar kan eerst met ecnige juistheid geschieden, nadat is onderzocht, in hoeverre op het terrein en voor de geldsom, welke beschikbaar zijn, een gebouw kan worden gesteld, dat de verlangde localiteit bevat en
aan dc eischen van doelmatigheid , geriefelijkheid en monumentaliteit voldoet.
Het is daarom, dat wij, alvorens aan Uwe Excellentie onze meening omtrent de punten 2—10 van het ontwerp-program te doen kennen , hetgeen wij hopen binnen kort de eer te hebben te doen, onze Bouwmeesters daarover wenschen te raadplegen.
Diezelfde overweging toont o. i. aan, hoe noodzakelijk het was, zich in het vorig jaar in de eerste plaats met het maken van een voorontwerp bezig te houden, alvorens een program te ontwerpen, dat omtrent de inwendige inrichting van het Universiteitsgebouw meerdere en met meer nauwkeurigheid omschreven bijzonderheden behelst, dan in de aan Uwe Excellentie bekende, aan onze Bouwmeesters verstrekte opgaven vervat zijn.
Ook mogen wij niet nalaten op te merken, dat wij noch de juistheid, noch de billijkheid kunnen erkennen van de voorstelling, waarbij op ons College de schuld van eenige vertraging in de behandeling dezer zaak wordt geworpen.
Oorzaak van vertraging kiin o. i. alleen gevonden worden in het langdurig onderzoek van de door ons ingediende plannen in den zomer van 1886, maar vooral in het aandringen op het vooraf vaststellen van een zoodanig program, waardoor het inmiddels in behandeling nemen onzer door Curatoren en Senaat ondersteunde plannen word verhinderd. Ook mag worden herinnerd, dat wij reeds voor eenigen tijd de vrijheid namen ter voorkoming van tjjd-verlies en misverstand aan Uwe Excellentie oene bespreking der geheele zaak voor te stellen.
Eene enkele opmerking over het slot van punt 9 zij ons nog vergund. De laatste zinsnede („De stijl'' enz.) wenschten wij te doen vervallen.
Over de keus van den stijl van het te stichten gebouw bestaat verschil van gevoelen tusschen den llijksbouw-
16
kundige, den heer Lokhorst, die den gothischen stijl wenscheljjk acht, en de Bouwmeesters van het Universiteitsgebouw, die het in Renaissancestijl ontwierpen.
Tegenover de daartoe betrekkelijke beschouwingen van den heer Lokhorst hebben deze laatsten, zooals aan Uwe Excellentie bekend is, hunne keus uitvoerig en met klom verdedigd.
Die verdediging is tot nog toe onbeantwoord gebleven.
Nu gaat het o. i. niet aan, het gemotiveerde gevoelen dei- Bouwmeesters, met name dat van den lloogleeraar in de schoone bouwkunde aan 's Rijks Polytechnische school, eenvoudig tor zjjdo te schuiven, zonder dat een grondige behandeling van dit vraagpunt de onhoudbaarheid zijnor meoning heeft in het licht gesteld.
Wij achten daarenboven, dat aan de keus van den stijl hoofdzakelijk een Gemeentebelang, niet een Rijksbelang of dat der Universiteit verbonden is, en wenschen daarom dat bij dit program niet worde vooruitgeloopen op die keus, welke onze Bouwmeesters hebben te verdedigen en, naar onze meening, aan de eindbeslissing van don Gemeenteraad mag worden overgelaten.
Bij de behandeling onzer voordracht zullen wij aan den Gemeenteraad ook Uw laatste schrijven medcdeelen, en zoo spoedig mogelijk ons de eer geven, de door den Raad in deze genomen besluiten ter kennisse van Uwe Excellentie te brengen.
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht,
De Burgemeester, W. R. BOER.
De Secretaris, DE WATTEVILLE.
2-V.
b u l a a e 3.
Utrecht 13 September 1887.
Z. Exc. de Minister van Staat, Minister van Biunen-landsche Zaken blijft steeds bezwaar maken, om in eene beoordeeling te treden van het dezerzijds ingezonden plan van het Universiteitsgebouw, alvorens een nader program van eischen zjj vastgesteld, waaraan dat plan zal moeten voldoen, en tevens eene overeenkomst met ons Gemeentebestuur zjj gesloten omtrent de verhouding te dezer zake tusschen het Rijk en de Gemeente Utrecht.
Tot voorkoming van verdere vertraging hebben wij aan den Gemeenteraad voorgesteld, in beide opzichten in beginsel aan het verlangen van den Minister te voldoen. Een afdruk onzer voordracht zal U eerstdaags geworden.
Dezer dagen ontvingen wij een schrijven van den Minister, waarbij in afschrift het hier nevensgaand ontwerp-program van eischen is gevoegd.
In ons College werd ik uitgenoodigd van bericht en raad te dienen omtrent hetgeen te dezer zake aan den Raad zal behooren te worden voorgedragen of wel aan den Minister zal moeten worden geantwoord.
Alvorens aan deze opdracht te voldoen, wensch ik met U omtrent dit ontwerp-program in overleg te treden, en zou
Aan
de Heeren Prof. E. Guy el te JJelft en C'. Vermeys te Utrecht.
2
18
ik gaarne Uw gemotiveerd oordeel vernemen over de verschillende daarin vervatte bepalingen.
Ook tot oen desgewenseht voorafgaand mondeling onderhoud ben ik geheel bereid.
Dc Wethouder heiast met het toezicht op de openbare werken der gemeente Utrecht, W. J. ROIJAARDS.
Bijlage 4.
BRTKKFFRN'DE :
het nieuwe Universiteitsgebouw.
Delf! 29 September 1SS7. ntrccht HO tSeptember 1887.
Door UWelEdelGeboron schrijven dd. 13 September met de beide daaraan toegevoegde bijlagen zijn wij in het bezit gekomen van twee belangrijke stukken , te weten : u. liet ontwerp eener overeenkomst tussclien het Rijk en de Gemeente Utrecht, regelende de wederzijdsche verhouding ter zake van het nieuwe Universiteitsgebouw; en h. Het ontwerp-programma van eischen voor het Universiteitsgebouw , door Z.Exo. den Minister van Binnen-landsche zaken bij schrijven van BI Augustus jl. aan het gemeentebestuur van Utrecht aangeboden.
Ingevolge Uw verlangen , over de verschillende bepalingen van het laatste stuk ons gemotiveerd oordeel te vernemen, zijn wjj over den inhoud van dit ontwerp in overleg getreden en nemen wij de vrijheid de uitkomst van dit overleg in do volgende mededoelingen en beschouwingen samen te vatten.
Evenals een eerste concept-programma van eischen, door den heer Rijksbouwkundige per brief van 25 October 1886 aan het college van Curatoren aangeboden, uit eene omschrijving bestond van het eerste ontwerp van dien ambtenaar, zoo is het onderhavige ontwerp-programma
Aan
'Jen heer Wethouder van openbare werken der gemeente Utrecht.
20
in hoofdzaak eene omschrijving van zijn tweede ontwerp , dat destijds door Zijne Excellentie den heer Minister met ons gewijzigd plan aan het college van heeren Curatoren ter beoordeeling en keuze was overgelegd.
Buitendien bevat dit programma nog eene reeks van bepalingen, die tegen de planverdeeling en den stijl van ons ontwerp zijn gericht, en, bij goedkeuring door den Gemeenteraad , de uitvoering daarvan onmogelijk zouden maken.
Tot deze bepalingen behooien o. a. de voorgeschreven scheve stand van het gebouw tegen de Domkerk, het verbod van vallichten , het prijsgeven van do vestibule, de aangewezen plaatsing en grootte der pedelskamer en de eisch, dat hot gebouw in gothischen stijl worde opgetrokken. Het prijsgeven van do vestibule zal namelijk het natuurlijke en noodzakelijke gevolg zijn van de go-wenschto afmetingen van het ivlein-Auditorium, die nu tot een vlakken inhoud van 130 M1. zijn opgevoerd.
Wij merken ter loops op, dat eeno, volgens onze bescheiden moening, onmisbare wachtkamer voor do examinandi in liet ontwerpprogramma niet is gevraagd.
Aangezien wij in onze beide brieven van 12/13 Januari en van 14/15 Juni 1887 onze zienswijze over al de aangehaalde punten uitvoerig hebben blootgelegd en gemotiveerd, en voornamelijk in het laatste schrijven in eene breedvoerige verdediging van ons plau en tevens in eene daardoor uitgelokte oritiek van het ontwerp van den heer Eijksbouwkundige zijn getreden, meonen wij hier naar den inhoud dezer bolde brieven en adviezen te mogen verwijzen.
Alleen wat den stijl van hot to stichten gebouw betreft, wenschen wij onze vroeger reeds gegeven beschouwingen mot de volgende opmerkingen en toelichtingen aan te vullen.
De ordonnantie van ons project is in den stijl dor
21
Eonaissance ontworpen cn ontleent hare motieven voornamelijk aan de Hollandscho Renaissance der XVTlc en XVIId0 eeuw. Dusdoende hebben wij rekening gehouden met den algemeenen geest en de heerschende kunstrichting van onzen tijd, voor welke de bijzondere voorkeur voor de vormen der Vroeg-Renaissance, met nadrukkelijke handhaving der nationale typen en kunsttraditiën, bovenal kenmerkend is.
Niet alleen de bouwkunst, maar ook alle takken van kunstnijverheid, de geheele kunstsmaak van onzen tijd staat onder den invloed dezer richting en wordt door denzelfden geest beheerscht.
Hoewel nu de ordonnantie van ons eerste ontwerp ten gevolge van de verschillende veranderingen, die naderhand in de planverdeeling werden aangebracht, eene omwerking zouden moeten ondergaan en dit ontwerp zeker in verschillende richtingen voor wijziging en verbetering vatbaar is, meenen wij toch onze opvatting, wat den stijl in 't algemeen betreft, te moeten handhaven.
Volgens onze zienswijze behoort iedere architectonische schepping, en voornamelijk iedere monumentale schepping, den stempel te dragen van den tijd harer stichting. Dat volgens dezen stelregel door de eerste en toongevende meesters ten allen tijde is gehandeld, wijst de geschiedenis aan en de meest sprekende voorbeelden liggen voor de hand.
Bij den herbouw van het stadhuis te Delft kon noch de onmiddellijke nabijheid der Nieuwe kerk, noch zelfs het behoud van den ouden beffroi en de zeer „intieme verhoudingquot; van het te stichten gebouw met dit gothische monument, Hendrik de Keyser wederhouden, het nieuwe stadhuis in den heerschenden Renaissancestijl to doen verrijzen. Evenzoo heeft zich Jacob van Campen bij den bouw van zijn stadhuis door den gothischen stijl van de naast gelegen Nieuwe kerk in het minst niet laten boheerschen.
22
Wie zal aan den eerste verwijten, dat hij zijn vermaard praalgraf in do Nieuwe kerk tc Delft niet in don gothisclien stijl heeft ontworpen of aan J. Terwen den Renaissancestijl zjjner overheerlijke koorgestoelten in do gothische hoofdkerk te Dordrecht tot een verwijt willen maken?
Tal van andore voorbeelden staven geenszins het beweren van den Rijksbouwkundige, dat voor de vercischte „harmoniequot; met do omgeving het nieuwe gebouw in gothisclien stijl behoort te worden opgetrokken.
Welke kunstrechter zal bij den verrukkelijken aanblik van het marktplein te Brussel met zijn ongeëvenaard stadhuis, betreuren, dat de gildehuizen en overige gebouwen , die het plein omgeven, met de gothische ordonnantie van dit fraaie en typische monument in stijl zoo aanmerkelijk verschillen ? En wie zal er wel naar verlangen, dat ter wille van de „harmoniequot;' van Campen's stadhuis op den Dam allein door gebouwen van denzelfden stijl der XVirle-eeuwsche Renaissance ware omringd ? Zou daar eene geheel gothische omgeving en hier eene uitsluitende navolging of herhaling van het sobere classicisme van het tegenwoordige paleis, den ontwikkelden kunstsmaak meer bevrediging schenken, of eene nu bestaande disharmonie wegnemen ?
De gcheele redeneering, dat door de stichting van een Universiteitsgebouw in Renaissancestijl, naast den gothisclien Dom en do kruisgang — die echter volgens ons project geen onderdeel van het nieuwe gebouw uitmaakt — de „harmoniequot; zoude worden verstoord, berust eenvoudig op eene verkeerde opvatting van dit woord.
De vereeniging of groepeering van verschillende gebouwen tot een harmonisch geheel eischt geenszins eentonigheid van karakter of gelijkheid van stijl. De ware harmonie onderstelt veeleer tegenstelling en verscheidenheid van vormen.
23
Ook zoude volgons onze meening do keuze van deu gothisclieu stijl voor hot Universiteitsgebouw in gcenen deele een waarborg opleveren voor den goeden uitslag dei-poging om eene middeneeuwsche domkerk, een kloostergang en eene XIXdc-eouwsclie Universiteit tot eene harmonische eenheid te verbinden. Zelfs bjj herstellingen van oude monumenten in hun oorspronkelijken trant laat immers de „harmoniequot; van het oude en nieuwe soms zeer veel te wenschen over.
Dat de vereeniging van de kruisgang met het Universiteitsgebouw geheel overbodig en doelloos is, blijkt ten duidelijkste uit ons bouwplan. De tegenwoordige toegang tot het Groot-Auditorium onder de kruisgang was een noodzakelijk kwaad en niet te vermijden, zoo lang dit lokaal langs die zijde, welke voor de plaatsing van den hoofdingang voor lederen onbevooroordeelde als van zelve is aangewezen, door een vreemd erf was begrensd. Nu dit erf door het Universiteitsgebouw wordt vervangen, schrijft de eenvoudigste logica voor, den hoofdingang tol het Auditorium naar de juiste plaats — in de hoofdas der zaal tegenover het spreekgestoelte — over te brengen en met het Universiteitsgebouw rechtstreeks in verbinding te brengen.
Doch niet alzoo oordeelt de heer Rijksbouwkundige, die aan de „intieme vereenigingquot; van de kruisgang met het te stichten gebouw een der voornaamste gronden voor do keuze van den gothischen stijl ontleent.
Behalve de bepaling aan hot slot van artikel 9, die op de kruisgang en den stijl van het gebouw betrekking heeft, is hot voornamelijk de in artikel 1(M gestelde eisch, waarmede wij ons onmogelijk zouden kunnen vereenigen. Hier is de overlegging voorgeschreven van détails , die alzoo aan de goedkeuring van den hoer Rijksbouwkundige zouden onderworpen moeten worden. Dat wij eene der-
24
gelijke verplichting, waardoor wij als het ware de rol van uitvoerende opzichters zouden aanvaarden, verre van ons afwijzen, behoeft wel nauwelijks te worden uitgesproken.
Onvoortvaardelijke ondernerphuj aan de opvattingen en het welmeenen der RJhshouwlcmdigen: ziedaar de geheele strekking van het ontwerp-programma van eischen in weinige woorden samengevat!
Wij sluiten ons advies met de opmerking, dat wij onder zulke voorwaarden, als dit ontwerp-programma bevat, eene lastgeving als Bouwmeesters nooit zouden hebben aanvaarden dat wij dus, bij eventueele goedkeuring van dit programma door den Gemeenteraad, onze opdracht, die wij onder geheel andere voorwaarden hebben aangenomen, als beëindigd zouden moeten beschouwen.
Het afschrift van het schrijven van Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken, ons dd. 24 September ter kennisgeving aangeboden, gaat hiernevens, onder dankzegging voor de mcdcdeeling, terug.
Hoogachtend hebben wij de eer te zijn van ü Wel EdelGestre nge
de dienstwillige dienaren, E. GUGEL.
C. VERMEIJS.
Onder liet afdrukken der voorgaande stukken ont-viugen Burgemeester en Wethouders het volgend ininisteriëel schrijven niet bijlage, hetwelk zij, om aan 5s Ministers verlangen te voldoen, hier laten volgen.
Ministerie van Kinnenlnndsche Zaken.
No. 3100, afd. O.
Bericht op schrijven van 27 Septem-
ber 1887, n0. 28, bctreflcndc nieuwe 's-GrnvenJlClfJC , 7 October 1887.
Universiteitsgebouwen Ulreclit.
1 BIJLAGE.
Uit den gedrukten bundel stukkon betreffende het nieuwe Universiteitsgebouw te Utrecht heb ik gezien, dat het ontwerp der te sluiten overeenkomst hetwelk, zonder mjjn antwoord op Uwen brief van 18 Augustus jl., n0. 11G af te wachten , door U aan den Gemeenteraad ter goedkeuring is ingediend, afwijkt van dat, hetwelk ik U als gevolg onzer briefwisseling, bjj mjjn schrijven van 25 Juli 1887 , n0. 1966 , afd. O. had toegezonden; ik wensch mjj daaraan te blijven gedragen.
Daargelaten dat aan den Gemeenteraad oen ander ontwerp-contract is voorgelegd, dan dat tot welks onder-teekening ik mjj bereid verklaarde , zal tocli bjj regeling van de verhouding tussehen Rijk en Gemeente ten deze moeten erkend worden , dat de Regeering zal hebben te beslissen :
Aan
Burgemeester en Wethouders van Utrecht.
26
a. in welke behoeften van de Rijksuniversiteit zalzjjn te voorzien ; aan welke eisclien derhalve de nieuwe gebouwen moeten beantwoorden; en h. of de bouwkundige stukken voor goedkeuring vatbaar zijn.
Het kan nimmer de bedoeling der schenkers zijn om aan do Regeering ten behoeve eener Rijksinstelling een gebouw over te dragen, niet ingericht zooals de Regeering wenschelijk acht. Al is de schenking eene welkome gave, daaruit vloeien voor hot Rijk aanzienlijke uitgaven voort, niet slechts tot het meubileoren en onderhouden van het nieuwe gebouw, maar ook tot de door de stichting daarvan noodzakelijk geworden verbouwing van bestaande lokalen.
Hieruit volgt dat, hoe gaarne ik steeds de opmerkingen zal overwegen, welke Gij zult meenen te moeten maken ton aanzien van het programma van eischen , dat ik U mededeelde, ik daaromtrent even als aangaande de naar aanleiding daarvan op te maken bouwkundige stukken met U van gedachten wensch te wisselen, zoodra de bovenbedoelde overeenkomst zal zijn tot stand gekomen.
Betreffende hetgeen in Uw laatste schrijven voorkomt omtrent de vertraging welke deze zaak ondervond, wensch ik op te merken , dat deze een gevolg is van Uw pogen , om tegen mijn wensch , dat allereerst de tusschen Rijk en Gemeente ontstaande verhouding zou geregeld worden en daarna hot overige, deze volgorde om te koeren en de regeling der verhouding afhankelijk te stellen van de goedkeuring van het zoogenaamde avant-projet.
Bij Uw in margine vermeld schrijven deelt Gij Uwe „overwegende bezwarenquot; mede tegen het program van eischen, gevoegd bij mijne missive van 31 Augustus II., afd. O., nquot;. 2604. Over die bezwaren thans in discussie te treden zou de zaak vertragen, zonder evenredig nut;
27
ik meende in Uwen geest te handelen, zoo dut program aan het contract wierd geannexeerd , maar liet blijkt mij door Uw antwoord, dat het beter is, mijn voorstel, zooals bij mijn schrijven van 25 Juli 11., afd. O., nquot;. 19G6 geformuleerd, te handhaven en do vaststelling van het program tot later uit te stellen.
Gelieft aan den Gemeenteraad van miju tegenwoordig schrijven mededecling te doen.
Ik merk ten slotte op dat, nu Gij gemeend hebt aan den Gemeenteraad kennis te moeten geven ook van de correspondentie over de ingetrokken toekoningen en over den nader ingedienden plattegrond , het tot juist verstand daarvan onvermijdelijk is den Gemeenteraad insgelijks in kennis te stollen met het schrijven van Curatoren van 17 Februari 1887, n0. 49, waarvan een afschrift hierbij gaat.
De Minister van Slaat,
Minister van Binnenlandsche Zaken ,
HEEMSKERK.
A
Bcrich Juni 18J
Ur
Van dezen brief kregen Burgemeester en Wethouders eerst kennis door de toezending van het afschift daarvan bij de voorgaande missive van den Minister.
A F 8 C II R I F ï.
N0. 49.
Bericht op den luidquot; va
Juni 1880 , No. 1626. o. Vtrecht, 17 Februari 1S87.
ONDKUWEKI':
Universiteitsgebouw.
lijj de toezending van het advies van den Academischen Senaat (24 Juli 18SG, nu. 220), hadden wij de eer Uwe Excellentie te berichten dat wij voor het van ons gevraagde advies de voorlichting zouden inroepen van den Hij ksbou vv k undige.
Aan onze uitnoodiging daartoe heeft de heer van Lokhorst mot groote bereidwilligheid voldaan. In Augustus heeft hij zich nagenoeg een geheelen dag beschikbaar gesteld tot bespreking der bouwplannen en tot plaatselijke opneming van het Politiehuis met bijbehoorende lokalen. Het bleek ons bij die gelegenheid dat de stedelijke bouwkundigen , de hoeren Gugel en Vermeijs, geen gebruik gemaakt hadden van Uwer Excellentie's aanbod (brief aan Utreeht 24 Februari 1886 , nquot;. 412 , O.) om den raad van den Kjjksbouwkuudige bij de samenstelling hunner bouwplannen in te roepen.
Daar het van ons gevraagde advies ook betrof de bestemming later aan het Politiehuis en de pedelswoning te geven en juist deze aangelegenheid een zaak is van ingewikkelden aard, heeft de Rijksbouwkundige zijn advies zoowel over het bestaande als over het te stichten
Aan
Z.E. don Minister van Staaf, Minister van Binnenlandsche Zaken.
'30
gebouw aan ons ingeleverd in den vonn eener teekening, welke met toelichtende memorie 25 October bij ons inkwam.
Heeds op 1 November vergaderden wij ter behandeling dezer zaak en de heer van Lokhorst verplichtte ons door zijn ontwerp in persoon nader toe te lichten.
Aangezien het plan Lokhorst op onderscheidene belangrijke punten afweek van het plan Gugel—Vermeijs en wij van meening waren dat een bevredigende oplossing der quaestie alleen door overleg tusschen den Kijks- en de stedelijke bouwkundigen kon verkegen worden, besloten wij de beide plannen aan 't Gemeentebestuur te zenden met verzoek de hoeren Gugel en Vermeijs uit te noodigen alsnog met den llijksbouwkundige in overleg te treden (brief van 5 November). De llijksbouwkundige is daarop door Burgemeester en Wethouders bij brief van 24 November tot het houden eener bijeenkomst met de beide stedelijke bouwkundigen uitgenoodigd. Die bijeenkomst had plaats op 1G December. In verband met de gehouden besprekingen hebben de hoeren Gugel en Vermeijs hun ontwerp ingetrokken en bij brief van 12/14 Januari een gewijzigd plan A aan Burgemeester en Wethouders toegezonden. Ons College kreeg kennis van dit plan bij brief van B Februari en op 7 Februari werd het in onze vergadering behandeld.
Bovenstaand overzicht van den loop der zaak is niet overtollig, omdat de vertraging, welke de uitvoering der bouwplannen scheen te ondervinden, tot interpellation in de Tweede Kamer (10, 13 December) en in den Gemeenteraad van Utrecht (13 Januari) heeft aanleiding gegeven. Naar onze meening ligt de oorzaak der vertraging in het niet opvolgen van den wenk in Uwer Excellentie's brief aan Utrecht. Indien reeds bij den aanvang der werkzaamheden aan de stedelijke bouwkundigen was medegedeeld dat de llijksbouwkundige door den Minister was
31
uitgenoodigd hen zooveel noodig en mogelijk van raad te dienen bij de samenstelling der bouwplannen, dan zou veel noodelooze arbeid zijn bespaard geworden en bet bij brief van 22 Juni ingezonden plan had de vruebt kunnen zijn van bet eerst op 16 December aangevangen overleg. Dat de boeren Gugel en Vermeijs zeiven bij het ontwerpen van een gebouw dat aan bestaande Rijksgebouwen moest aansluiten, de noodzakelijkheid gevoelden om met een bouwkundige van wege bet Rijk in overleg te treden, blijkt uit hun brief aan Burgemeester en Wethouders van 25/26 Februari 1886 (gedrukte stukken bl. 28).
Thans overgaande tot de behandeling der bouwplannen, merken wij op dat het bij den brief van 22 Juni ingezonden plan door de ontwerpers is ingetrokken en mitsdien geen onderwerp van beschouwing meer uitmaakt.
In het plan Lokhorst hechten wij onze volle goedkeuring aan de voorgestelde verbomving van het Poliliehnis. Een door den verwikkelden toestand der bestaande gebouwen moeilijk vraagstuk is op gelukkige wijze opgelost. Scheen hot aanvankelijk dat het nieuwe gebouw uit het oude alleen zou te bereiken zijn door de wachtkamoi* dei-examinandi en hot bureel der pedellen , thans zullen de beide gebouwen worden verbonden door een gang van voldoende breedte.
Door het afbreken dor pedels woning worden twee monumentale gebouwen, het Auditorium en het voor eenige jaren uitwendig gerestaureerde Politiehuis, bevrijd van een aanbouwsel dat het gezicht belemmerde op de strenge lijnen dezer monumenten uit vorige eeuwen. Ook wordt de gelegenheid verkregen om in den Domtrans aan het
32
Universiteitsgebouw een ingang te geven in overeenstemming, 't zij met het Politichuis, 't zij met het Auditorium.
De nieuwe woonplaats Vein den pedel is voor den dienst in 't gebouw niet minder gunstig gelegen dan de tegenwoordige.
De voorgestelde afbraak van 't collegevertrek boven de tegenwoordige pedelskamer zal het licht in 't Auditorium verbeteren juist op dc plaats waar 't meeste licht wordt gevorderd, namelijk op het spreekgestoelte.
Het verplaatsen der stcunbecren van 't Auditoriumsgewelf geeft gelegenheid om door een passende architectonische behandeling van dc gang, b. v. door 't aanbrengen van spitsbogen onder dc steunbeeren en 't vervormen der moderne lichtvenstcrs een schilderachtig perspectief te weeg te brengen.
Dc oppervlakte welke in dc Senaatskamer door de drie steunbeeren zal worden ingenomen is niet noemenswaard.
Wij merken nog op, dat de ten gevolge der aangeboden stedelijke feestgave noodzakelijk geworden verbouwing van het Politichuis niet kan komen ten laste der Stad, maar door het Rijk moet worden bekostigd en vertrouwen daarbij dat do Regeering het beschikbaar stellen der noodige fondsen zal willen bevorderen.
In het houwplmi Lokhorst is de ontwerper blijkbaar van het denkbeeld uitgegaan, dat niet bedoeld is dc stichting van een op zich zelf staand Universiteitsgebouw , maar dat, gelijk Burgemeester en Wethouders in hun brief van 10 December 1885 , n0. 78 ons te kennen gaven „het te stichten Academiegebouw slechts aanvulling van al het reeds bestaande beoogt, dat men bovenal bedoeld heeft het erlangen van eenige geschikte faculteitskamers en collegevertrekken.quot; Daarom lieeft de ontwerper de
33
2 ^ ƒ
au no alii tuj in den stijl can het beslaande voorgesteld en getracht, door het nieuwe aan het oude te doen aansluiten, een harmonisch geheel te verkrijgen.
Welke stijl moest worden gekozen kan niet twijfelachtig zijn, wanneer men den blik vestigt op Auditorium en kloostergang. De gedachte aan aansluiting aan en ontwikkeling van het bestaande blijkt uit het opnemen van een gedeelte van de kloostergang als bestanddeel van het gebouw, het met den muur van die gang evenwijdig bouwen, het aannemen eener breedte van den ingang in overeenstemming met die van de kloostergang enmet de werkelijke behoefte, uit den vorm der breede hoofdtrap, enz.
Van den monumentalen gevel werd nog geen ontwerp geleverd; de gissing is echter niet gewaagd dat ook hierin het karakter van historische ontwikkeling niet zou worden verloochend.
Het plan Giujel-Vertneijs is, wat den stijl betreft, niet geïnspireerd door het bestaande.
Van historisch verband mot eenig deel van het gebouw waarbij het moet aansluiten is daarin geen spoor.
De Renaissancestijl is in sterke tegenstelling met de lokalen waarvan het nieuwe „slechts aanvullingquot; zal zijn.
Waar het oude ophoudt en het nieuwe begint, zal op in 't oog loopende wijze zichtbaar blijven tot nadeel dei-harmonie van 't geheel.
Voor zoover echter de stijl niet te kort doet aan do 9 , ,
bruikbaarheid der lokalen, mogen wij ons door aestheti- ^
sche gronden niet laten weerhouden, het aannemen der feestgave in den aangeboden vorm aan te bevelen. '
Een belangrijk punt van verschil tusschen do beide ontwerpen is de in het plan Lokhorst voorgestelde af-sluitiiuj van den openbaren doorgang.
Sommige leden van ons College zouden die afsluiting
u
zeer toejuichen ; de met aanzienlijke kosten gerestaureerde kloostergang zou dan bewaard blijven togen beschadiging en verontreiniging door 't gepeupel. Wat Burgemeester en Wethouders in hun brief van 3 Februari 11. in 't midden brengen over deze aangelegenheid noopt ons echter in hunne zienswijze te berusten. Pogingen van Rogeeringswege om daarin alsnog verandering te brengen zullen de stichting van het gebouw zeer vertragen. Daarom kunnen wij het in 't werk stellen van die pogingen niet aanraden.
Het komt ons evenwel noodzakelijk voor dat in geval van 'tbehouden van den openbaren doorgang, de toegang tot den vrijhof door 't plaatsen van een hek worde afgesloten , alsmede dat de toegang tot do oostelijke en de westelijke kloostergang door een afsluiting in den stijl van het monument voor 't publiek worde belet.
Bij het meeningsverschil tusschen deskundigen over de richting van den voorgevel en het maken van een yrootc vestibule met drie toegangen, onthouden wij ons van een oordeel.
Bij de verwijzing in de toelichtende nota naar buiten-landschc Universiteitsgebouwen herinnerden zich sommige leden, dat eenige van die gebouwen langs de straatzijde een aanmerkelijk grootere lengto beslaan dan de 38 M., die voor het Utrechtsche gebouw beschikbaar zijn. In groote en grootsch aangelegde gebouwen is een groote vestibule stellig noodzakelijk; ons gebouw, bescheiden van omvang, hebbe ook een bescheiden karakter. De groote vestibule zal van de ruimte op den beganen grond meer doen verwachten dan 4 collegekamers.
Drie deuren nevens elkaar waarvan, gelijk te voorzien is, twee als overtollig voor het verkeer altijd gesloten zullen blijven, verdienen geen aanbeveling. Konden twee
35
dezer deuren door ramen worden vervangen dan zou do verhouding tusschen het aantal ramen en deuren aan den beneden voorgevel meer normaal zijn.
Ten aanzien der toetreding van licht op de (jamj der eerste verdieping zij opgemerkt, dat gelijk uit do doorsnede (zie geveltcekening) blijkt, het licht aan de zijde van de kloostergang alleen kan worden verkregen door dakvensters op liet dak van die gang aan te brengen. Wij kunnen niet veronderstellen, dat op hot dak van de voor Rijksrekening gerestaureerde kloostergang vensters mogen worden aangebracht in een anderen stijl dan in dien van den kloostergang. Volgons de teekening zal het in Renaissancestijl opgetrokken gebouw licht ontvangen uit een 8tal vensters in een anderen stijl gebouwd.
In 't plan Lokhorst krijgt de 16 M. lange gang licht door 4 dakvensters, in 't plan Grugel-Vermeijs vergu nt het aanbrengen van een trap naar den zolder slechts twee dakvensters het licht naar de gang te voeren Zal die gang voldoende verlicht zijn ?
Het dakvenster der pedelskamer op de eerste verdieping en het eerste dakvenster van de gang moeten elkaar noodzakelijk snijden in den hoek der daken van de westelijke en de zuidelijke kloostergang. Wij vreezen dat dit een misstand zal geven.
De wachtkamer der examinandi kan alleen door twee dakvensters licht ontvangen. Voor een vertrek waarin de studenten de meest pijnlijke en angstvolle oogenblikken van het academieleven doorbrengen, zou overvloedig licht en vroolijk uitzicht gewenscht zjjn. In 't plan Lokhorst is die wachtkamer ontworpen midden in 't gebouw boven den ingang met uitzicht op het Munsterkerkhof.
De beide vensters der collegekamer op de eerste verdieping ontvangen het licht van een binnenplaats ter breedte van 4.4 M. Tegenover die vensters verheft zich
30
do hoogo muur van het Auditorium. Hot vertrok zal derhalve slechts matig verlicht zijn. In hot plan Lokhorst is deze collegekamer naar de tuinzijde geplaatst; het aanbrengen van een bovenlicht in de benedengang (plan Gugel—Vermeijs) maakt echter hot bouwen eener verdieping op do tegen de Senaatskamer geplaatste collegekamer niet mogelijk.
Met het door don Rijksbouwkundige opgestelde programma van eischen kunnen wij ons gehoel voreenigen.
Dit stuk strekke ter voldoening aan liet herhaaldelijk door Uwe Excellentie geuit verlangen naar een overzicht van de behoeften welke de nieuwe stichting zal moeten bevredigen.
Uit den brief van 't Gemeentebestuur (15 Juli 1886, n0. 126) is ons gebleken dat aan do stedelijke bouwkundigen geen programma is voorgelegd en dat aan hen geen c andere opdracht werd verstrekt, dan de wenschen uitgedrukt in een drietal brieven (gedrukte stukken bl. 11 21) met aanbeveling te blijven binnen de perken der beschikbaar gestelde geldsom.
Het programma van den heer Lokhorst vult do alsnog bestaande leemte aan. Door het handhaven van den openbaren doorgang en de groote vestibule bevat het nieuwe onderwerp één collegekamer minder dan het programma opgeeft.
Het gemis van één vertrek is geen volstrekt overwegend bezwaar. Nog zou het programma kunnen worden aangevuld met den wensch naar een electrische schelge-leiding.
Wij vertrouwen dat indien uommige onzer bedenkingen niet ongegrond mochten voorkomen, het aan 't voortgezet overleg der deskundigen zal gelukken ze uit den weg te
37
ruimen, opdat het ontwerp met Uwer Excellentie's goedkeuring tot uitvoering moge komen.
Ten slotte herinneren wij met erkentelijkheid aan de ijverige en geheel belanglooze medewerking van den heer van Lokhorstdie, om ons zijne voorlichting te geven, de moeitevolle taak van 't ontwerpen van een nieuw plan vrijwillig op zich nam.
Wij voegen hierbij de ingetrokken en de nieuwe plannen der heeren Gugel en Vermeijs met toelichting, het plan Lokhorst met toelichting en programma van eischen, alsmede den brief van 't Utrechtsch Gemeentebestuur van 3 Februari 11., n0.^45.
Van de schrifturen zonden wij afschriften, de origineelen blijven in ons archief.
Curatoren der Bijksuniversiteit ie Utrecht, De Voorzitter,
{(jet.) s' JACOB.
De Secretaris,
{(jet.) B A E R T.
Overeenkomstig het oorspronkelijke, De Secretaris-Generaal van Binneniandsche Zaken, IIUBUECHT.
Utrecht 28 Juni 1887.
Nquot;. GG.
Wij hebben met belangstelling kennis genomen van het rapport door den Rjjksbouwkundigc voor de gebouwen van onderwijs over het door de heeren Gugel en Vermejjs ontworpen plan voor de stichting van een nieuw Univer-seitsgebouw, ingediend aan Zijne Excellentie den Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken, welk rapport wij in handen van de door Uw College en het onze te dezer zake gevormde gemengde Commissie en van onze Bouwmeesters hadden gesteld.
Wij geven ons thans do eer U hierbij toe te zenden een afschrift van het rapport van de voorzegde Bouwmeesters van het te stichten gebouw, waarin zij het door hen ingezonden gewijzigd plan verdedigen tegen do opmerkingen van den Rijksbouwkundigo.
Mot den inhoud van dat rapport verccnigen wij ons.
In afwachting van het advies uit te brengen door de bovengenoemde' gemengde Commissie, gevormd ten gevolge van Uw schrijven van 18 Mei 1887, n0. 148, blijven wij het plan onzer Bouwmeesters handhaven en gevoelen wij ons gedrongen , U de goedkeuring van dit plan aan te raden, opdat het met Uwe goedkeuring zoo spoedig mogelijk aan den Minister van Binnenlandsche Zaken moge worden toegezonden.
Aan
Heeren Curatoren der Rijksuniversiteit te Utrecht.
40
Mochten ons binnen kort nog nadere toelichtingen van onze Bouwmeesters geworden, dan zullen wij Uwe vergadering ook daarmede zoo noodig in kennis stellen.
Bhri/cniersier en Wethouders der gemeente Utrecht, De Burgemeester, W. R. BOER. De Secretaris, J. E. ENKLAAR, l. s.
N.B. Deze missive is u». 2óbis A van de bijlagen, behoorende bij de voordracht van 25 Augustus 18S7 , n0. 119 en daarbij verzuimd op te nemen. Zij is geschreven, nadat de gemengde Commissie (zie bl. 14 der mededeeling en voordracht van 25 Augustus 18S7) den vorigen dag besloten had het gewijzigd plan onzer Bouwmeesters aan te bevelen.
Utrecht 10 October 1887.
r. 40.
Bij Uw schrijven van 7 October 1887, n0. 3100, afd. O., dat wij de eer zullen hebben eerlang- nader te beantwoorden, ontvingen wij een afschrift van een schrijven van Curatoren van 17 Februari 1887, hetwelk tot nog toe niet in ons bezit was, en dat door ons thans aan den Raad wordt overgelegd.
Onder betuiging van onzen beleefden dank voor die toezending, waardoor het juist verstand der ge-heele zaak bevorderd wordt, nemen wij de vrijheid Uwe Excellentie te verzoeken om , volledighcidslia 1 ve, ons tevens in de gelegenheid te willen stellen den Gemeenteraad bekend te maken met het advies van Curatoren aan Uwe Excellentie uitgebracht omtrent het rapport met uitgewerkt project van den Rijks-bouwkundige van 27 April 1887.
Burgemeester en Wethouders der (jemeente Utrecht,
De Burgemeester, W. R. BOER.
De Secretaris, DE WATTEVILLE.
A an
Zijne Excellentie den Minister van Staat,
Minister van Binnenlandsche Zaken,
te 's-Grarenhage.
N0. Afde
Bericlit 10 Oct. Lctreffcndc gcbomv te
Ministerie van Binnenlandsche Zaken.
N0. 3254.
Afdeeling O.
| Bericht op schrijven van
j 10 Oct. 1887, nquot;. 40, 's Grcivenhaye, 13 October 1887.
betreffende het Universiteits-pcbouw te Utrcclit.
Hoezeer ook bereid door publiekmaking van de hiervoor vatbare bescheiden het juist verstand van liet met U gevoerd overleg te bevorderen , moet ik evenwel bezwaar maken het door U bedoeld schrijven van Curatoren tot Uwe beschikking te stellen.
De behandeling van dit stuk is door mij aangehouden in afwachting, dat de overeenkomst met de gemeente Utrecht zal zijn tot stand gebracht. De mededeeling van het bij mijn schrijven van 7 October 11. in afschrift gevoegd advies van Curatoren van 17 Februari te voren was noodig geworden , nadat door U, zonder mijn voorkennis, het aan mij gericht rapport van den Bijksbouwkundige van 27 April d. v. aan de leden van den Raad was medegedeeld.
Tot recht verstand van het verhandelde is de
Aan
Burgemeester en Wethouders van Utrecht.
2
publiekmaking van liet later bericht van Curatoren
v
c
g
v
den Gt
daarentegen niet vereischt.
Na het tot stand komen van de overeenkomst stel ik mij voor aan Curatoren mijne zienswijze betreffende de verdere behandeling dezer aangelegenheid mede te deelen. Openbaarmaking van hun iino- .niftt bemitwoord schrijven ware naar mij voor-
Dc Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken,
HEEMSKERK.
Utrecht , 12 October 1887.
N0. 4«.
1 Bijlage.
Bij onze voordracht van 25 Augustus jl., n0.119, botretfendo het te stichten üniversiteitsgebouw, stelden wjj aan Uwe vergadering voor, toe te geven aan het tweeledig verlangen van den Minister van Binnenlandsche Zaken, om vóór de behandeling van het bouwplan ten lit0 de verhouding tusschen den Staat en de Gemeente te dezer zake te regelen, en ten 2^ een program van eischen voor den bouw vast te stellen Tevens vroegen wij Uwe machtiging om de daartoe strekkende overeenkomst te sluiten, waarvan het bijgevoegde ontwerp alleen in de eerste twee artikelen van het ontwerp van den Minister verschilde, en waaraan een in gemeen overleg nog op te maken program van eischen zou worden vastgehecht.
Volgens ons voorstel zouden de beide genoemde artikelen alleen in den door ons ge wijzigden vorm bij Uwe vergadering in stemming worden gebracht, en zou de aanneming van onze voorstellen, naar onze bedoeling, aantoonen , dat Uwe vergadering overwegende bezwaren heeft tegen de door Zijno Excellentie voorgestelde redactie dier artikelen , ofschoon daarover geen bepaalde stemming was uitgelokt. Dit zouden wjj dan gemeend hebben tot grondslag onzer verdere onderhandelingen met den Minister te moeten nemen.
Wij koesterden toen de hoop, dat Z. Exc., nadat Uwe vergadering zich op die wjjze zou hebben uitgesproken, alsnog gehoor zou willen geven aan onzen, bjj schrijven
Aan
den Gemeenteraad.
2
van 18 Augustus 11. (bijlage 13) uitgodrukton wenscli, om de vaststelling van hot program van eischen , werd daartoe besloten, aan het sluiten der overeenkomst te doen voorafgaan , of wel daarmede te doen samengaan.
Het is U gebleken dat do Minister bjj schrijven van 31 Augustus zulks heeft toegezegd, doen die toezegging — nadat wij verklaard hadden eenige overwegende bezwaren te hebben togen sommige bepalingen van hot inmiddels door Z. E. ons toegezonden ontwerp-program — bij brief van 7 October 11. weder heeft ingetrokken.
quot;Wij moeten aan Uwe vergadering volstrekt ontraden , U te vereenigen met de thans weder gehnndhaafdo oorspronkelijke redactie van artikel 2 van 's Ministers ontwerp (zie bijlage 12bis), omdat het Gemeentebestuur zich o. i. niet mag verbinden tot het stichten van een gebouw, dat aan allo, na het sluiten der overeenkomst door don Minister te stellen eischen zal voldoen. Bjj zulk eene bepaling zou vermoedelijk het Gemeentebestuur niet kunnen verhinderen , dat de steeds klimmende eischen het karakter der voorgenomen stichting van gemeentewege geheel van aard doen veranderen, en dat aan onze Bouwmeesters de uitvoering van de hun door Uwe vergadering opgedragen taak ten eencnmale onmogelijk zal worden gemaakt; daarenboven zal alsdan de Gemeente zich tot uitgaven verbinden, welke hét bedrag der beschikbaar gestelde geldsommen verre zouden kunnen overschrijden.
Togen dit alles is voorafgaande vaststelling hetzij van het bouwplan, hetzij althans van het program van eischen de eenige zekere waarborg.
Onder deze omstandigheden is het naar onze overtuiging, om nog eenigen kans tot voortzetting der onderhandelingen te behouden, volstrekt noodig, dat Uwe vergadering zich intdruklcflrjk on flefimfief ook omtrent
3
de door den Minister voorgestelde ontwerp-overeenkomst verklare.
Wij hebben daarom de eer , onder intrekking van onze voordracht van 25 Augustus 11., n0. 119, Uwe vergadering-voor te stellen te nemen het besluit, waarvan het ontwerp hiernevens gaat.
Burgemeester en Wethouders der (jemeente Utrecht, De Burgemeester,
W. R. BOER.
De Secretaris, DE WATTEVILLE.
Ontw
DE RAAD der GEMEENTE UTRECHT,
Kennis genomen hebbende van de geheele, tns-schen Z. Exe. den Minister van Staat, Minister van Binnenlandsehe Zaken en hot College van Burgemeester on Wethouders dezer gemeente gevoerde briefwisseling ter zake van het alhier aan liet Munsterkerkhof onder medewerking van de Ingezetenen der gemeente en de Staten van het gewest van gemeentewege te stichten Universiteitsgebouw ;
overwegende, dat het Gemeentebestuur zich niet kan verbinden tot het stichten van een gebouw, dat aan alle , nader door den Minister vast te stellen , eischen voldoet;
wenschende evenwel aan het tweeledig verlangen van den Minister voornoemd te voldoen , om allereerst zoowel eene overeenkomst tot regeling van de verhouding tusschen den Staat en de Gemeente Utrecht in zake het nieuwe Universiteitsgebouw als een program van eischen voor dien bouw en eerst daarna het bouwplan zelf vast te stellen;
overtuigd van de hooge belangstelling van Z. Exc. den Minister voornoemd in het tot stand komen dezer
6
door de Gemeente en het Gewest als feestgave ten behoeve der Rijksuniversiteit te Utrecht aan den Staat aangeboden stichting;
wenschende de voortzetting van het gemeen overleg met Z. Exc. den Minister voornoemd omtrent den voorgenomen aanbouw;
Besluit aan Burgemeester en Wethouders op te dragen:
A. aan Z. Exc. den Minister voornoemd mede te deelen , dat de Gemeenteraad overwegende bezwaren heeft tegen het sluiten der overeenkomst door Z. Exc. voorgesteld bij schrijven van 25 Juli 1887 , nquot;. 1966, afd. O ;
B. Z. Exc. in het belang van het tot stand komen der voorgenomen stichting dringend te verzoeken , zich te willen vereenigen met het hiernevensgaande ontwerp der tusschen den Staat en de Gemeente Utrecht te dezer zake te sluiten overeenkomst.
Aldus besloten, enz.
') De bedoelde ontwerp-overeenkomst is te vinden op bladz. 17 van de mcdcdeeling en voordracht van 25 Augustus 1887, n0. 119.
De RAAD der GEMEENTE UTRECHT,
Kennis genomen hebbende van de geheele, tus-schen Z. Exe. den Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken en het College van Burgemeester en Wethouders dezer gemeente gevoerde briefwisseling ter zake van het alhier aan het Munsterkerkhof onder medewerking van de Ingezetenen der gemeente en de Staten van het gewest van gemeentewege te stichten Universiteitsgebouw;
overwegende, dat het Gemeentebestuur zich niet kan verbinden tot het stichten van een gebouw, dat aan alle , nader door den Minister vast te stellen, eischen voldoet;
wenschende evenwel aan het tweeledig verlangen van den Minister voornoemd te voldoen , om allereerst zoowel eene overeenkomst tot regeling van de verhouding tusschen den Staat en de Gemeente U trecht in zake het nieuwe üniversiteitsgebouw als een program van eischen voor dien bouw en eerst daarna het bouwplan zelf vast te stellen ;
overtuigd van de hooge belangstelling van Z. Exc. den Minister voornoemd in het tot stand komen dezer
2
als feestgave ten behoeve der Rijksuniversiteit te Utrecht aan den Staat aangeboden stichting ;
wenschende de voortzetting van het gemeen overleg met Z. Exc. den Minister voornoemd omtrent den voorgenomen aanbouw ;
BESLUIT;
aan Burgemeester en Wethouders op te dragen ;
A. aan Z. Exc. den Minister voornoemd mede te doelen , dat de Gemeenteraad overwegende bezwaren heeft tegen het sluiten der overeenkomst door Z. Exc. voorgesteld bij schrijven van 25 Juli 1887, n0. 1966, afd. O;
B. Z. Exc. in het belang van het tot stand komen der voorgenomen stichting dringend te verzoeken , zich te willen vereenigen met het hiernevensgaande ontwerp der tusschen den Staat en de Gemeente Utrecht te dezer zake te sluiten overeenkomst;
C. de in artikel 2 dezer overeenkomst bedoelde opgave van eischen vóór de vaststelling aan de goedkeuring van den Raad te onderwerpen.
Aldus besloten in eene openbare vergadering van den Raad, gehouden den 14,,cn October 1887.
De Burgemeester, W. R. BOER.
De Secretaris, DE WATTEVILLE.
ONTWERF-OVEREENKOMST.
De Minister van Binnenlandsche Zaken, handelende namens den Staat der Nederlanden,
ter eenre en Burgemeester en Wethouders van Utrecht, handelende voor de Gemeente, hiertoe gemachtigd bij besluit van den Gemeenteraad van goedgekeurd bij dat van Gede
puteerde Staten van Utrecht van ,
van welke besluiten afschriften aan deze overeenkomst zijn gehecht, ter andere
zijn overeengekomen als volgt: Art. 1. Contractante ter andere, wenschende ter gelegenheid van het feest van het 250jarig bestaan der Utrechtsche Universiteit door eene feestgave hare belangstelling in deze instelling te betoenen en ten haren behoeve behoorlijke lokalen beschikbaar te stellen, verbindt zich aan het Munsterkerkhof op de terreinen, thans ingenomen door het gebouw van het Leesmuseum en door het daaraan zuidwaarts grenzende huis, binnen 3 jaren na de goedkeuring, bedoeld in artikel 2, een aanvang te maken met de stichting van een nieuw gebouw en dit gebouw, hetwelk gemeenteeigendom blijft, aan contractant ter
4
eenre ten behoeve der Rijksuniversiteit te Utrecht kosteloos in bruikleening af te staan.
Art. 2. Contractant ter eenre verbindt zich bovenbedoeld gebouw in bruikleening aan te nemen, mits het gebouw zij overeenkomstig de door contractanten in gemeen overleg vastgestelde opgave van eischen, waarvan een afschrift aan deze overeenkomst is vastgehecht, en de door contractante ter andere ongemaakte en door contractant ter eenre goedgekeurde plannen en bestek.
Art. 3. Contractant ter eenre neemt van het oogenblik dat het nieuwe gebouw hem zal zijn overgedragen, het onderhoud , het schoonhouden en de verlichting daarvan op zich, alsmede de lasten welke daarop mochten rusten.
Hij is bevoegd daaraan op Rijkskosten al de vertimmeringen, verbouwingen of veranderingen uit te voeren, naar zijn oordeel noodig om het voor het Hooger Onderwijs bestemde gebouw aan zijne bestemming te doen beantwoorden.
Contractant ter eenre verbindt zich den doorgang voor voetgangers langs de zuidzijde van de Domkerk open te houden, in den regel dagelijks van TV* uur des morgens tot 10 uur des avonds, en dien te onderhouden, schoon te houden en te verlichten.
Art. 4. Zoodra het bovenbedoeld nieuw gebouw niet langer voor de te Utrecht gevestigde Rijksuniversiteit wordt gebruikt, zal het op de eerste aanvrage van contractante ter andere ter harer vrije beschikking worden gesteld in den staat, waarin het zich alsdan zal bevinden, zonder dat contractante ter andere zal
gehouden zijn tot het betalen of gerechtigd zijn tot het vorderen van eenige vergoeding uit welken hoofde ook.
Art. 5. liet nieuwe gebouw wordt zoolang de bruikleening duurt door contractante ter andere tot een nader overeen te komen bedrag bij een of meer door contractant ter eenre goed te keuren brandverzekeringmaatschappijen tegen brandgevaar verzekerd.
De verzekeringspremie wordt jaarlijks door contractant ter eenre aan die ter andere terugbetaald.
Art. G. Indien het nieuwe gebouw door brand of eenig ander onheil geheel of gedeeltelijk vernietigd wordt, is contractant ter eenre bevoegd het op zijne kosten weder op te bouwen en liet herstelde gebouw op den voet van deze overeenkomst in bruikleening te houden, terwijl contractante tor andere alsdan verplicht is aan contractant ter eenre de schadevergoeding uit te keeren, welke te dezer zake door de brandverzekeringmaatschappijen zal uitbetaald zyn.
Gaat contractant ter eenre niet binnen 5 jaren tot den wederopbouw over, dan is hij gehouden het erf en de overblijfselen van het gebouw op de eerste aanvrage ter beschikking te stellen van contractante ter andere.
Art. 7. Van weerszijden wordt overeengekomen dat geen gebruik zal worden gemaakt van de rechten, bedoeld in de artikelen 1788 en 1789 Burgerlijk quot;Wetboek.
Art. 8. Deze overeenkomst is van rechtswege ontbonden , indien de in artikel 2 vermelde goedkeuring van plannen en bestek niet binnen één jaar na de indiening daarvan is verkregen.
6
Art. 9. Allo kosten op deze overeenkomst vallende , met uitzondering van die van zegel, zijn ten laste van contractant ter eenre.
Aldus overeengekomen en in dubbel opgemaakt en onderteekend tc VGravenhage en te Utrecht,
Aldus besloten in eene openbare vergadering van den Raad der gemeente Utrecht, gehouden den 14dun October 1887.
De Burgemeester, W. R. BOER.
De Secretaris, DE WATTEVILLE.
2 f/}
7
llgt;0
UTRECHT,
BRIEFWISSELING October en November 1887.
Qtl
den
Utrecht, 20 November 1887
Nr. 101. 4 bijlagen.
Wij hebben de eer aan Uwe vergadering* hiernevens de briefwisseling in afschrift over te leggen , welke nu laatstelijk ter zake van do stichtingquot; van het Universiteitsgebouw is gevoerd.
Zij bevat vooreerst den brief, door ons College aan Z. Exc. den Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken gericht ter uitvoering van Uw besluit van 14 October 1.1. en de daarop gevolgde brieven van den Minister en van ons College, en ten slotte den brief van de Commissie ter herdenking van liet 250jarig bestaan der Utrechtsche Hoogeschool van 31 October 1887, waarbij dat Bestuur aan de zaak zijn zeer ge waardeerden steun verstrekt.
Burc/eniec.slcr en W et houders der (jomccnto. Ufrcchl, Ue Burgemeester, W. li. BOER. De Secretaris, DE WATTEV1LLE.
Ann
den Gemeenteraad.
Utrecht, 18 October 1887.
Nr. 48. 2 bijlngcn.
Wjj licbbcn de eer aan Uwe Excellentie mede te deelen, dat de Gemeenteraad in zijne zittingen van 13 en 14 October 11. de zaak van het alhier te stichten Universiteitsgebouw behandeld en daaromtrent het hiernevens in afschrift gaand besluit genomen heeft. Terwijl wjj ons van den ons opgedragen last kwijten om Uwe Excellentie dringend te verzoeken, zich met do door den Raad goedgekeurde ontwerp-overeenkornst wel te willen vereenigen, en met ons College het daaraan vast te hechten program van cischen te behandelen, mogen wij niet verzwijgen, dat deze uitkomst door ons niet zonder moeite is verkregen.
Eenparig was do Raad van oordeel, dat aan eene, aan de overeenkomst voorafgaande vaststelling van het bouwplan om meer dan één reden verre de voorkeur behoorde te zijn gegeven. Doch de Raad heeft, evenals ons College, zijne overtuiging en wenschen in deze ten offer gebracht aan het verlangen om in gemeen overleg met Uwe Excellentie de stichting tot stand te brengen, welke de Ingezetenen en het Bestuur dezer gemeente en de Vertegenwoordiging van dit gewest als blijvende herinnering aan de viering van het 508to lustrum der Utrechtsche Universiteit, zoolang deze bestaan zal, haar tot nut en luister willen doen strekken.
Aa/i
Zijne Excellentie den Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken , te 's-Gravenhage.
6
De Raad is er diep van doordrongen , dat lijj in do opheffing der geopperde bezwaren niet vorder gaan mag dan in dit ontwerp is omschreven. Met volkomen gerustheid doet hij in deze een beroep op het billijk en verlicht oordeel van Uwe Excellentie. De Raad mag zich niet verbinden een gebouw van zoo grooto kosten te stichten, wanneer de omvang en de inrichting geheel buiten zijn toedoen nader znllen worden vastgesteld. Tot het votccren van zoo onhepaalde aanzienlijke uitgaven, Uwe Excellentie zal het ons wel willen toegeven , kunnen wij ons niet bevoegd achten ; en het karakter en de botoekenis van de aan den Staat aangeboden feestgave, het van yemeenlewege aan hot Munsterkerkhof to stichten Universiteitsgebouw, mag de Raad, ook tegenover zijne medestichters, niet door zich eenvoudig tot goldverstrekking te bepalen grootendeels laten te loor gaan.
liet is op deze gronden, dat ons Collego Uwer Excel-lentie's goedkeuring vraagt voor do door den Raad aangenomen ontwerp-overeenkomst. Zoodra wij het voorrecht zullen hebben de instemming van Uwe Excellentie daarmede te vernemen, zullen wij ons de eer geven, U onze wenschen omtrent het ontwerp-program kenbaar te maken. Bij die regeling van de grondslagen van het bouwplan zullen wij voorzeker bereid gevonden worden, aan do belangen en de behoeften van het Hoogcr Onderwijs zooveel mogelijk bevorderlijk te zijn.
Burgemeester en Wethouders der (jemeente Utrecht^ De Burgemeester, W. R. BOER.
De Secretaris, DE WATTEVILLE.
B IJ L A a E Irt.
DE RAAD DER GEMEENTE UTRECHT,
Kennis genomen hebbende van de gelieele, tusschen Z. Exc. den Minister van Staat, Minister van Binnen-landsche Zaken en het College van Burgemeester en quot;Wethouders dezer gemeente gevoerde briefwisseling ter zake van het alhier aan het Munsterkerkhof onder medewerking van de Ingezetenen der gemeente en de Staten van het gewest van gemeentewege te stichten Universiteitsgebouw ;
overwegende, dat het Gemeentebestuur zich niet kan verbinden tot het stichten van een gebouw, dat aan alle, nader door den Minister vast te stellen eischen voldoet;
wenschende evenwel aan het tweeledig verlangen van den Minister voornoemd te voldoen, om allereerst zoowel eene overeenkomst tot regeling van de verhouding tusschen den Staat en de Gemeente Utrecht in zake het nieuwe Universiteitsgebouw als een program van eischen voor dien bouw en eerst daarna het bouwplan zelf vast te stellen;
overtuigd van de hooge belangstelling van Z. Exc. den Minister voornoemd in het tot stand komen dezer als feestgave ten behoeve der Rijksuniversiteit te Utrecht aan den Staat aangeboden stichting;
wenschende de voortzetting van het gemeen overleg met Z. Exc. den Minister voornoemd omtrent den voorgenomen aanbouw;
8
BESLUIT:
aan Burgoniccster en Wethoudors op to dragen:
A. aan Z. Exc. den Minister voornoemd mede te deelen, dat de Gemeenteraad overwegende bezwaren hoeft togen liet sluiten dor overeenkomst, door Z. Exc. voorgesteld bij schrijven van 25 Juli 1887, nr. 19G6, afd. O;
B. Z. Exc. in het belang van het tot stand komen der voorgenomen stichting dringend te verzoeken, zich te willen vereenigen met het hiernevensgaando ontwerp der tusschen den Staat en de Gemeente Utrecht to dezer zake te sluiten overeenkomst;
C. de in artikel 2 dezer overeenkomst bedoelde opgave van eischen vóór de vaststelling aan do goedkeuring van den Raad te onderwerpen.
Aldus besloten in eeno openbare vergadering van den Raad, gehouden den 14lt;k'u October 1887.
De Burgemeester, W. R. BOER.
De Secretaris, DE WATT EVILLE.
Bijlage 16.
ONTWERF-OVEREENKOMST.
De Minister van Binnenlanclschc Znkcn, Iiandclcndc namens den Staat dor Nederlanden ,
ter eenre en Burgemeester en Wethouders van Utrecht, handelende voor do Gemeente j hiertoe gemachtigd' bij besluit van don Gemeenteraad van , goedgekeurd bjj dat van Gede
puteerde Staten van Utrecht van ,
van welke besluiten afschriften aan deze overeenkomst zijn gehecht, ter andere
zijn overeengekomen als volgt :
Art. 1. Contractante ter andere, wenschende ter gelegenheid van het feest van het 250jarig bestaan der Utrechtsche Universiteit door eene feestgave hare belangstelling in deze instelling te betoenen en ten haren behoeve behoorlijke lokalen beschikbaar te stellen , verbindt zich aan het Munsterkerkhof op de terreinen, thans ingenomen door liet gebouw van het Leesmuseum en door het daaraan zuidwaarts grenzende huis, binnen 3 jaren na de goedkeuring , bedoeld in artikel 2, een aanvang te maken met de stichting van een nieuw gebouw, en dit gebouw, hetwelk gemeenteeigendom blijft, aan contractant ter eenre ten behoeve der Rijksuniversiteit te Utrecht kosteloos in bruikleening af te staan.
Art. 2. Contractant ter eenre verbindt zich boven-
10
bedoeld gebouw in bniikleening aan te nemen, mits het gebouw zij overeenkomstig de door contractanten in gemeen overleg vastgestelde opgave van eischen, waarvan een afschrift aan deze overeenkomst is vastgehecht, en do door contractante ter andere opgemaakte en door contractant ter eenre goedgekeurde plannen en bestek.
Art. 3. Contractant ter eenre neemt van het oogenblik, dat het nieuwe gebouw hem zal zijn overgedragen, het onderhoud , het schoonhouden en de verlichting daarvan op zich, alsmede de lasten welke daarop mochten ruston.
Hij is bevoegd daaraan op Rijkskosten al de vertinime-ringen , verbouwingen of veranderingen uit te voeren, naar zijn oordeel noodig om het voor het Hooger Onderwijs bestemde gebouw aan zijne bestemming te doen beantwoorden
Contractant ter eenre verbindt zich den doorgang voor voetgangers langs de zuidzijde van de Domkerk open te houden, in den regel dagelijks van 7'/, uur des morgens tot 10 uur des avonds, en dien te onderhouden, schoon te houden en te verlichten.
Art. 4. Zoodra het bovenbedoeld nieuw gebouw niet langer voor de te Utrecht gevestigde Rijksuniversiteit wordt gebruikt, zal het op de eerste aanvrage van contractante ter andere ter harer vrije beschikking worden gesteld in den staat, waarin het zich alsdan zal bevinden , zonder dat contractante ter andere zal gehouden zijn tot het betalen of gerechtigd zijn tot het vorderen van eenige vergoeding uit welken hoofde ook.
Art. 5. Het nieuwe gebouw wordt zoolang de bniikleening duurt door contractante ter andere tot een nader overeen te komen bedrag bij een of meer door contractant ter eenre goed te keuren brandverzekeringmaatschappijen tegen brandgevaar verzekerd.
Do verzekeringspremie wordt jaarlijks door contractant ter eenre aan die ter andere terugbetaald.
Art. 6. Indien hot nieuwe gebouw door brand of'eenig ander onheil geheel of gedeeltelijk vernietigd wordt, is contractant ter eenre bevoegd het op zijne kosten weder op te bouwen en het herstelde gebouw op den voet van deze overeenkomst in bruikleening te houden, terwijl contractante ter andere alsdan verplicht is aan contractant ter eenre-de schadevergoeding uit te keeren, welke te dezer zake door de brandverzekeringmaatschappijen zal uitbetaald zijn.
Gaat contractant ter eenre niet binnen 5 jaren tot den wederopbouw over, dan is hij gehouden het erf en de overblijfselen van het gebouw op de eerste aanvrage ter beschikking te stellen van de contractante ter andere.
Art. 7. Van weerszijden wordt overeengekomen dat geen gebruik zal worden gemaakt van de rechten, bedoeld in de artikelen 1788 en 1789 Burgerlijk Wetboek.
Art. 8. Deze .overeenkomst is van rechtswege ontbonden, indien do in artikel 2 vermelde goedkeuring van plannen en bestek niet binnen één jaar na de indiening is verkregen.
Art. 9. Alle kosten op deze overeenkomst vallende, met uitzondering van die van zegel, zijn ten laste van contractant ter eenre.
Aldus overeengekomen en in dubbel opgemaakt en onderteekend te 's-Gravenhage en te Utrecht,
Aldus besloten in eene openbare vergadering van den Raad der gemeente Utrecht, gehouden den 14,lcn October 1887.
De Burgemeester, W. R. BOER.
De Secretaris, DE WAÏTEVILLE
162.
B IJ li A
Ministerie, van Itinnenlnndsclie Zaken.
N0. 3386, Afd. O.
Bericht O,, schrijvctt v.m is 0«- 't-Onmulmj/e, 8 KoeemUr 1887. lober 1887, nr. 48, belreÜ'eiulf U uivcrsitcitsgcbouw.
Na overweging van Uw neven vermeld schrijven en met stilzwijgen voorbijgaande, dat door U, niettegenstaande mijn schrijven van 7 October 1.1., afd. O., nr. 3100, aan den Gemeenteraad een ander ontwerp is voorgelegd, dan waaromtrent mijne instemming verkregen was, heb ik do eer U te berichten, dat ik moet blijven volharden in mijn verlangen, dat de overeenkomst worde gesloten vóórdat het programma wordt vastgesteld. Volgaarne bereid zooveel inschikkelijkheid te betoonen als 's Lands belang bij deze zaak toelaat, heb ik geen bedenking dat in het ontwerp-contract, U toegezonden bij mijn schrijven van 25 Juli 1887, nr. 1906, afd. O., art. 2 gelezen worde als volgt:
„Contractant ter eenre zal bovenbedoeld gebouw in „bruikleening aannemen, mits het voldoe aan de vooraf „door hem goedgekeurde opgave van eischen, plannen en „bestekken, die door den Contractant ter andere zoo „spoedig mogelijk daartoe zullen worden ingediend.quot;
Aan
Burgemeester en Wethouders van Utrecht.
14
Ik ben voorts bereid in dat contract op quot;te nemen de bepaling, geformuleerd in art. 8 van de laatstelijk door U bij Uw schrijven van 18 October 1.1., nr. 48 ingezonden concept-overeenkomst.
De Minister van Staat, Minister van Binnenlandse/ie Zaken HEEMSKERK.
B IJ L A G E
Nr. 98.
Unirersitcitsgcbomv. Utrecht, 25 November 1887.
Antwoord op liet schrijven van 8 November 1887, nr. 338G,
afJ. O.
In het hier ter zijde aangehaald schrijven Uwer Excellentie mochten wij de beantwoording ontvangen van onzen brief van 18 October 11., waarbij wij de eer hadden, door mede-deeling en toelichting van liet Raadsbesluit van den 14.10a October 11. aan Uwe Excellentie kenbaar temaken, welke de wenschen zijn van den Gemeenteraad omtrent de overeenkomst, tusschen het Rijk en de Gemeente tot stichting van het Universiteitsgebouw alhier te sluiten.
Gaarne erkennen wij het te waardeeren, dat Uwe Excellentie op twee punten zich bereid verklaart, aan 's Raads verlangen gehoor te geven, al stemt dit niet geheel met Uwe oorspronkelijke bedoeling overeen.
Maar verschil van inzicht omtrent één hoofdpunt bljjft bestaan, daar Uwe Excellentie verklaart te blijven volharden in hot verlangen om de sluiting der overeenkomst aan de behandeling en de vaststelling van het program van eischen te doen voorafgaan.
Wij betreuren zulks ten zeerste.
Uitdrukkelijk en met eenparuje stemmen heeft de Raad verklaard , ter oplossing van de geopperde bezwaren niet verder te mogen gaan dan in de dezerzijds ontworpen overeenkomst is omschreven, — en bepaaldelijk geen overeenkomst te mogen sluiten dan met gelijktijdige vaststelling van het program van eischen.
Aan
Zijne Excellentie den Minister van Staaf,
Minister van Binnenlandsche Zaken ,
te 's-Gravenhaye.
16
Nog eenmaal gevoelen wij ons verplicht, Uwe Excellentie met den meesten ernst op de volkomen billijkheid van dat verlangen te wijzen.
Slechts noode en alleen om aan den wensch Uwer Excellentie te voldoen heeft de Raad zich bereid verklaard :
1°. om zich contractueel te verbinden tot stichting van het Universiteitsgebouw vóórdat het bouwplan zou zijn vastgesteld;
2°. nog een program van eischen met Uwe Excellentie te gaan vaststellen, nadat reeds geruimen tijd geleden een ontwerp U ter goedkeuring is aangeboden , dat overeenkomstig de adviezen van Curatoren en Senaat was opgemaakt, en na overleg met den door U aangewezen Rjjksbouwkundige was gewijzigd.
Maar aan den eisch, welke thans aan den Raad wordt gedaan, om zich tot de stichting te verbinden alvorens zelfs omtrent de grondslagen en hoofdtrekken van den bouw overeenstemming zij verkregen, kan noch mag dezerzijds worden toegegeven.
Het mag van den Raad niet worden gevergd , dat hij zich verbinde tot stichting van een gebouw, waarvan niets dan de bestemming bekend is, en waarvan omvang en inrichting geheel van nadere onderhandelingen afhankelijk zullen zijn.
Op zulk eene wijze over de hom toevertrouwde aanzienlijke geldsommen te beschikken , zou eene niet te verantwoorden wijze van uitvoering zijn van de doorhem aanvaarde taak. Dat die eisch de grens van redelijkheid overschrijdt , kan in ernst niet worden ontkend ; want noch met de belangen van het Hooger Onderwijs, noch met eenig ander Rijksbelang kan het in strijd geacht worden, dat men zich eerst over de hoofdtrekken tracht te verstaan van hetgeen waartoe men zich gaat verbinden,
allerminst hier, waar men zonder bijdrage van hot Kijk ten behoeve van de Rjjksuniversitcit een monumentaal gebouw wil gaan stichten.
Een voorstel aan den Raad om aan dien eisch te voldoen mag door ons daarom niet worden gedaan, en zou ook van onze zijde minder gepast zijn, nu de Raad zich over deze zaak eenparig en ondubbelzinnig heeft uitgesproken , toen hij in zijne zitting van 14 October II. onze voordracht met geringe wijziging aannam.
quot;Wij blijven nog steeds vertrouwen, dat Uwe Excellentie de billijkheid van 's Raads verlangen zal erkennen, gelijk Zij reeds vroeger aan de vasthechting van het program aan do overeenkomst hare hooge goedkeuring schonk (missive van 31 Augustus 11., nr. 2604, afd. O., opgenomen in het „Vervolg op de Mededeeling en Voordracht van 25 Augustus 1887quot;).
Bij deze gelegenheid gevoelen wij ons verplicht er op te wijzen , dat er blijkens de mededeelingen , over deze zaak door Uwe Excellentie aan do Tweede Kamer der Statcn-Greneraal onlangs gedaan (Memorie van Antwoord op het Voorloopig Verslag dor Afdeelingen omtrent de Rjjksbegrooting van 1888, Hoofdstuk V, artikel 89), op enkele punten een misverstand bestaat. Tot wegneming daarvan veroorloven wij ons de volgende opmerkingen.
1. Door mededeeling van do gegevens, welke wij van Curatoren en door hunne tusschenkomst van den Acade-mischen Senaat ontvingen , stelden wij de Bouwmeesters in staat een plan te ontwerpen , hetwelk de Gemeenteraad ons machtigde aan do beoordeeling en de goedkeuring Uwer Excellentie te onderwerpen. Ons aan de Bouwmeesters overeenkomstig die gegevens verstrekt program werd door ons ten yevolye van Uwer Excellentie s vcrlanyen bij schrijven van 15 Juli 1886 aan Curatoren medegedeeld.
18
2. Reeds bij schrijven van 18 Augustus 1887 (bijlage 13 der Mededeeling van 25 Augustus 1887) herinnerden wij Uwe Excellentie, dat door onsV/ec» enkele maal bozwaar is gemaakt tegen het sluiten eener overeenkomst omtrent do overgave, het gebruik en het onderhoud van het te stichten gebouw. Reeds op den 24 September 1886 zonden wij een ontwerp daarvan in (bijlage 3 der genoemde Mededeeling en Voordracht). Alleen over den eisch Uwer Rxcellentie, om die overeenkomst aan do behandeling van hot bouwplan te doen voorafgaan, was van den beginne af verschil van meening. Dezerzijds is er dan ook nooit eenig blijk gegeven, dat men verlangde, dat do beslissing over de in deze zaak betrokken belangen der aan Uwe zorg toevertrouwde Rijksinstelling aan ons gemeentebestuur zou worden overgelaten. Maar noch met do restauratie noch met do verbouwing der bestaande Universiteitslokalen, welke geheel buiten den dezerzijds voorgenomen aanbouw liggen, wenschen wij ons in te laten. Voor de vereeniging der bestaande lokalen tot één geheel met het nieuwe gebouw is alleen de aansluiting te regelen; de hiervoor vereischte verbouwing is niet van groote beteekenis.
3. Overleg met de Regeering over do inrichting van het nieuwe gebouw tot het meeste nut der Rijksunivei-siteit werd door ons steeds gewenscht en gevraagd ; maar het opmaken en de vaststelling van het bouwplan uitsluitend aan de Regeering over te laten, kon moeilijk geacht worden op onzen weg te liggen.
4. Toen wij omtrent de eerste beide artikelen der ontwerp-overeenkomst met Uwe Excellentie tot gecne overeenstemming konden geraken, hebben wij bij onze voordracht van 25 Augustus 11 dit verschil ter kennisse van den Gemeenteraad gebracht, opdat door den Raad zou worden beslist, in hoeverre in de door ons gevolgde
19
gedragslijn dezerzijds zou worden volhard. Desniettemin werd ook van deze voordracht nog vóór do behandeling aan Uwe Excellentie kennis gegeven, zooals niet hooge waardeering is erkend in Uw schrijven van 31 Augustus 1887, nr. 2G04, afd. O.
Op bovenstaande gronden verzoeken wjj Uwe Excellentie beleefdelijk, maar met den meesten aandrang, zich alsnog niet de eerste 2 artikelen der door den Raad goedgekeurde ontwerp-overeenkonist, die overigens geheel met het door ü toegezonden ontwerp overeenkomt, wel te willen vereenigen. Door Uwe instemming met 's Baads billijk verlangen zal Uwe Excellentie hot tot stand komen dezer schoone en voor de Rijksuniversiteit alhier zoo nuttige stichting mogelijk maken.
Mochten onverhoopt overwegende bezwaren daartegen bij Uwe Excellentie blijven bestaan, dan zullen wij, ten einde onzerzijds geen enkel mogelijk middel om tot overeenstemming te geraken te verzuimen, hoewel noode, toch ons bereid verklaren, om aan den Raad voor te stellen, zich met het door Uwe Excellentie gewijzigde artikel 2 der ontwerp-overeenkomst te voreenigen, indien hetzij door vooraf te voeren onderhandelingen omtrent liet program van eischen tusschen Uwe Excellentie en ons College overeenstemming is verkregen ,
hetzij Uwe Excellentie ons de verzekering wil geven, dat er van Regeeringswoge, ook later, niet op zal worden aangedrongen, dat in het program van eischen bepalingen worden opgenomen, welke in strijd zijn met een der vier volgende punten :
1°. de ontworpen vestibule,
2°. de ontworpen richting van den voorgevel, 3°. de bevoegdheid van den Gemeenteraad om over den te kiezen stijl te beslissen
20
4quot;. hot niet opnemen in het program van bepalingen omtrent het inzenden van bouwknndigc teekenin-gen en omtrent de soort en de hoedanigheid der materialen.
De overige inhoud van het program blijft in dit geval onaangeroerd, en de beslissing daarover voor latere onderhandelingen voorbehouden.
Bij de eerste drie punten zijn, naar onze overtuiging, uitsluitend de belangen der gemeente betrokken; aan het vierde moeten wij vasthouden met het oog op het vertrouwen, waarop ons Bestuur en onze Bouwmeesters aanspraak mogen maken , terwijl voor de Hjjksbelangen door Uwe Excellentie bij de beoordceling der bestekken zal kunnen worden gezorgd.
Wel is waar weten wij niet, of de Raad termen zal kunnen vinden om zich met één dezer beide voorstellen te vercenigen, maar toch schroomt ons College niet op eigen verantwoordelijkheid eene uiterste poging te wagen ten einde omtrent de te sluiten overeenkomst het met Uwe Excellentie eens te worden.
Indien noch het Raadsbesluit van 14 October jl., noch een dezer bemiddelende voorstellen de goedkeuring Uwer Excellentie kan verworven, dan zal, naar onze welgevestigde overtuiging, tot ons diep leedwezen voor den Gemeenteraad geen middel overblijven, om aan den wcnsch der Burgerij en van de Staten van het gewest uitvoering te geven. Moge het aan Uwe Excellentie niet onmogelijk voorkomen, dat te verhoeden.
Buryeineeslcr en Wethouders der f/emeeule Utrecht De Burgemeester, W. 11. BOE R.
De Secretaris, D E W A T T E VIL L E.
Ji IJ L \ O E 4.
UTRECHT, 31 October 1887.
üo Commissie tor herdenking van het 250jang bestaan der Utrechtsche Hoogeschool heeft de eer UEA. haren bijzondcren dank te betuigen voor de toezending van de Mededccling en Voordracht betreffende het Universiteitsgebouw te Utrecht van 25 Augustus 1887 , met liet vervolg daarop en de daarbij behoorende bijlagen, benevens het besluit van den Raad dezer gemeente van den 14lt;ien October 1887. Zij heeft met de meeste belangstelling van dezen bundel stukken kennis genomen , en, terwijl zij hare teleurstelling over het ongunstig verloop der onderhandelingen betreffende deze zaak niet kan verbergen , mag zjj niet nalaten hare hooge ingenomenheid te kennen te geven met do waardige houding, door ÜEA.. in deze aangenomen en mot de bekwaamheid en do volharding, waarmede door UEA. voor de rechten en belangen , zoowel van de gemeente als van hen , die tot de voorgenomene stichting hebben bjjgedragen, is opgekomen.
Hetgeen door UEA. in dit opzicht is gedaan, geeft aan de Commissie den waarborg, dat op dien weg zal worden voortgegaan en doet haar met hot volste vertrouwen verwachten, dat deze zaak* door UEA. tot een gewenscht einde zal worden gebracht.
Aau
Burgemeester en Wethouders van Utrecht.
22
De Commissie verzoekt UEA. beleefdelijk van den inhoud dezer missive kennis te geven aan den Gemeenteraad.
Namens de Commissie voornoemd, J. C. VAN EELDE,
Voorzitter. Cl. A. HULSEBOS,
Secretaris.
den
8
8
Utrecht, 2 Februari 1888.
Nr. 35.
By ons schrijven van 29 November 11., nr. 101 , deelden wij aan Uwe Vergadering mede, op welke wijze door ons uitvoering was gegeven aan Uw besluit van den 14,lcu October 1887 in zake het te stichten Universiteitsgebouw, en welke briefwisseling met Z. E. den Minister van Staat, Minister van Binnen-landsche Zaken daaruit was voortgevloeid.
Thans hebben wij de eer U den brief van den Minister voormeld van 19 December II., Afd. O, nquot;quot;. 3759, in afschrift over te leggen , welke ter beantwoording strekte van ons schrijven van 25 November II., nr. 98. In dit laatste schrijven hadden wij uiteengezet, waarom wij nogmaals op goedkeuring van Uwe in voormeld Raadsbesluit vervatte wenschen meenden te moeten aandringen, en ten slotte twee bemiddelende voorstellen aan het oordeel van Z. E. onderwierpen voor het onverhoopte geval, dat onoverkomelijke bezwaren die goedkeuring mochten blijven verhinderen.
Blijkens den brief van 19 December voormeld kan Z. E. zich noch met hot Raadsbesluit van 14 October noch met een onzer voorstellen vereenigen. De Minister blijft verlangen, dat allereerst eene overeenkomst worde gesloten, zooals die bij
Aan
den Gemeenteraad.
2
zijn schrijven van 8 November U., Afd. O, n° 3386, was aangeduid , en eerst daarna niet alleen over het bouwplan, maar zelts over de grondslagen en de hoofdtrekken daarvan, het program van eischen, worde gehandeld. Den li'1quot;quot; October 11. evenwel heeft Uwe Vergadering op onze voordracht verklaard overwegende bezwaren te hebben tegen het sluiten der overeenkomst, alvorens althans over dat program overeenstemming zij verkregen.
quot;Wij hadden reeds meermalen de gelegenheid uiteen te zetten, waarom die eiseh des Ministers ons niet redelijk en voor de gemeente weinig aannemelijk voorkomt, en het zal dus ook Uwe Yergadering wel niet bevreemden, dat wij ook thans nog verklaren , van onze zijde U niet te mogen voorstellen aan dat verlangen te voldoen. Onze overtuiging is niet geschokt, maar veeleer bevestigd door het belangrijk debat, dat over de zaak van ons Universiteitsgebouw in 's Lands vertegenwoordiging, nadat de zaak reeds in de afdeelingen der beide Kamers tot gedachtenwisseling met de Regeering had aanleiding gegeven, is gevoerd geworden. Op 13 December 1887 is in de Tweede Kamer, den 19quot;quot; en 20quot;™ Januari jl. in de Eerste Kamer der Staten-Generaal liet standpunt en de geheele houding van ons Gemeentebestuur in deze zaak door verschillende leden met groote zaakkennis uitvoerig en krachtig verdedigd, door geen enkel lid aangevallen.
Het is onnoodig al wat door den Minister op die redevoeringen is geantwoord hier punt voor punt
3
na tc g-iian en menige verkeerde opvatting te wederleggen , welke in dat antwoord tot onjuiste en voor ons soms grievende voorstellingen aanleiding gaf. In velerlei opzicht geschiedde die weerlegging reeds op uitnemende wijze in de beide Kamers der Staten-Generaal, en daar de geheele toedracht der zaak in de aan U bekende briefwisseling bloot ligt, meenen wij er ons thans in het algemeen toe te moeten bepalen, het verwijt van bemoeid ij king en vertraging onzerzijds met den meest mogelijken ernst te repu-dieeren.
Omtrent den inhoud van 's Ministers brief van 10 December 11. mogen wij echter een tweetal opmerkingen niet terughouden.
Zijne Excellentie is van meening dat ons Gemeentebestuur het Universiteitsgebouw in hoofdzaak overeenkomstig eigen inzichten en plannen en met voorbijgang van de wenschen der Regeering wil inrichten. Zulks lag nooit in onze bedoeling, en wij beweren tot die opvatting ook geen aanleiding te hebben gegeven. Alleen aan die zaken, die o. i. niet met de belangen van het Hooger Onder wijs, maar alleen met dat der gemeente in verband stonden, meenden wij te moeten vasthouden , maar tot inrichting van het gebouw ten meesten nutte van de Universiteit verklaarden wij ons immer, en blijft ook zeker Uwe vergadering steeds tot overleg bereid. Dit zal ook aan Zijne Excellentie nader blijken, zoodra het haar gelieven zal met ons over de grondslagen en de inrichting van het bouwplan te onderhandelen.
4
Wij kunnen het ook niet als een ernstig- bezwaar beschouwen , dat het door Uwe Vergadering goedgekeurde ontwerp-eontraet naar een program van eischen verwijst, dat nog niet bestaat. De vaststelling van dit program zou immers aan het sluiten van het contract voorafgaan, doch werd alleen verhinderd door den Minister, die bezwaar maakte er over te onderhandelen.
Maar, niettegenstaande alle punten van verschil meenen wij tocli, dat men aan eene goede uitkomst niet mag wanhopen. Waar de Minister herhaaldelijk zijn wil heeft te kennen gegeven , om tot eene bevredigende uitkomst te geraken, en zijne ernstige begeerte heeft geuit, om door zijne medewerking dit nuttige monument te helpen tot stand brengen, hei-welk Utrecht in het belang der Universiteit w;l stichten , nu mag er niet aan worden getwijfeld, of de herhaaldelijk uitgesproken sympathie des Ministers zal de klippen weten te vermijden, waarop deze door allen gewenschte zaak dreigt schipbreuk te lijden. Een zoo schoon en heilzaam voornemen van Stad en Gewest, door de Regeering met ingenomenheid begroet, kan niet door misverstand en kleine verschillen worden verijdeld.
Uwe Vergadering moge thans beslissen , wat in deze onzerzijds behoort te worden gedaan. Mag naar Uw oordeel van gemeentewege een verbintenis tot stichting van het Universiteitsgebouw worden aanvaard , vóór dat de grondslagen en de hoofdtrekken van het bouwplan met den Minister zijn vastgesteld,
5
dan kan Uwe Vergadering o. i. zich met het ontwerp des Ministers vereenigen.
Dit is het eenige wat op hot tegenwoordig oogen-blik te beslissen valt.
Wij erkennen dat de woorden van artikel 2 van het ontwerp des Ministers, al komt ons steeds de vorm minder passend voor, omtrent den inhoud van het bouwplan de rechten der Gemeente niet in de waagschaal stelt.
Oordeelt echter Uwe quot;Vergadering, dat daartegen uit het oogpunt van billijkheid en gemeentebelang overwegende bezwaren bestaan, dan moet aan den Minister worden medegedeeld, dat Uwe Vergadering-tot haar leedwezen niet mag medegaan met het voorstel, om het sluiten der overeenkomst aan de vaststelling van het bouwprogram te doen voorafgaan, doch volkomen bereid is, om bij de inrichting van het bouwplan, zooveel mogelijk, aan de ton behoeve van het Hooger Onderwijs door het Rijk te stellen eischen te voldoen.
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht,
De Burgemeester, W. R. BOER. De Secretaris, DE WATTEVILLE.
Nr
O
Berk Novcmb
Duig
Ministerie van Binnenlnndsclie Zaken.
Nr. 3759, Afd. O.
„ .,. ... 0. 's-Gravenhaqe, 10 December 1887.
Bericht op scnrgveu van 25 •' '
November 1887, nr. 98, bctrcflcndc Universiteitsgebouw.
De inhoud van Uw ter zijde aangehaald schrijven, waaraan door ü bereids openbaarheid is gegeven zonder mijn antwoord af te wachten, en de aan liet slot daarvan gedane voorslag gaven mjj aanleiding de tot dusver gevoerde onderhandelingen nogmaals nauwgezet te overwegen en meer bijzonder na te gaan of er grond bestaat voor de verwachting dat overeenstemming zal worden verkregen.
Meer en meer blijkt duidelijk, dat de gemeente Utrecht een gebouw ten behoeve van het Rijk wil stichten, voor rekening van gemeente en provincie, maar dan ook in hoofdzaak overeenkomstig de inzichten en plannen van het Gemeentebestuur en met voorbijgang van de wenschen der Regeering, voor welke het gebouw bestemd is. quot;Waardeerende de goede bedoeling om het Rijk in de stichting en verbouwing van Universiteitsgebouwen tegemoet te komen, moet ik bezwaar blijven maken tegen het scheppen van eene verhouding, die strookt noch met de belangen van het onderwijs, noch met do waardigheid der Regeering.
Afgezien van die punten van verschil, die thans onbesproken kunnen blijven, is het toch ook niet mogelijk, dat de Regeering deel neemt aan eene overeenkomst, zoo
Aan
li urge meesier en Wethouders van Utrecht.
8
als bij Uwe missive van 14 October 11., n'. 48 is gevoegd, bij welker 2(le artikel wordt verwezen naar eene opgave van eischen, die zou moeten zijn vastgesteld en aangehecht, terwijl die opgave nog niet bestaat.
Daarentegen zou de zaak geheel geregeld loopen, wanneer de artikelen 2 cn 8 van de overeenkomst geredigeerd worden, zooals die bij mijn schrijven van 8November 11., Aid O, nr. 338G zijn aangeduid.
Ik gedraag mij derhalve aan mijn laatstgenoemd schrijven. Is het contract van bruikleening gesloten, dan is vaststelling der andere stukken m. i. eene gewenschte en zelfs urgente zaak.
De Minister van Staat,
Minister van Binnenlandsche Zaken ,
HEEMSKERK.
ONT W ER P-OONTR ACT
voorycsteld door den Minister hij schrijven van den 2bamp;im Juli 1887 ('), yewijziyd bij schrijven van 8 November 1887
Do Minister van Binnenlandsche Zaken, handelende namens don Staat der Nederlanden ter eenre, en
Burgemeester en Wethouders van Utrecht, handelende voor de Gemeente, hiertoe gemachtigd bij besluit van den Gemeenteraad van
goedgekeurd bij dat van Gedeputeerde Staten van Utrecht van , van welke besluiten af
schriften aan deze overeenkomst zijn gehecht, ter andere,
zijn overeengekomen als volgt:
Art. 1. Contractant ter andere, wenschende ter gelegenheid van het feest van het 250jarig bestaan der Utrechtsehe Universiteit door eene feestgave zijne belangstelling in deze instelling te betoenen en ten haren behoeve behoorlijke lokalen beschikbaar te stellen, verbindt zich op de terreinen aan het Munsterkerkhof (thans ingenomen door het gebouw van het Leesmuseum en door het daaraan zuidwaarts grenzende huis) binnen 3 jaren na de goedkeuring, bedoeld in artikel 2 , een
(') Bijlugü ]2bis der Mcdcdceling cu Voordracht van 24 Augustus 18S7.
(quot;-) Bijlagu 2 iu de Bricfwissuling October cu November 1887.
Vg. de door deu Gemeenteraad dd. M Oct. 1887 goedgekeurde out\vcr|)-ovcrceukomst (bijlage \b der genoemde Briefwisseling), welke alleen in de eerste 2 artt. van het ontwerp des Ministers verschilt,
10
aanvang tc maken met de stichting van een nieuw gebouw , bevattende eenige voor bet universitair onderwijs nog ontbrekende lokalen en dit nieuwe gebouw, hetwelk gcmeenteeigemloin blijft, aau contractant ter eenre teu behoeve der Rijksuniversiteit te Utrecht kosteloos in bruikleening at tc staan.
Art. 2. Contractant ter eenre zal bovenbedoeld gebouw-in bruikleening aannemen, mits bet voldoe aan do vooraf door hem goedgekeurde opgave van eischen, plannen en bestekken , die door den contractant ter andere zoo spoedig mogelijk daartoe zullen worden ingediend.
Art. 3. Contractant ter eenre neemt van het oogenblik dat liet nieuwe gebouw hem zal zijn overgedragen, het onderhoud , het schoonhouden en de verlichting daarvan op zich, alsmede de lasten welke daarop mochten rusten.
Hij is bevoegd daaraan op Rijkskosten al de vertimmeringen , verbouwingen of veranderingen uit te voeren, naar zijn oordeel noodig om het voor het Hooger Onderwijs bestemde gebouw aan zijne bestemming te doen beantwoorden.
Contractant ter eenre verbindt zich den doorgang voor voetgangers langs de zuidzijde van de Domkerk open te houden, in den regel dagelijks van T'^uur des morgens tot 10 uur des avonds, en dien te onderhouden, schoon te houden en te verlichten.
Art. 4. Zoodra het bovenbedoeld nieuw gebouw niet langer voor de te Utrecht gevestigde Rijksuniversiteit wordt gebruikt, zal het op de eerste aanvrage van contractant ter andere ter zijner vrije beschikking worden gesteld in den staat waarin het zich alsdan zal bevinden, zonder dat contractant ter andere zal gehouden zijn tot het betalen of gerechtigd zijn tot het vorderen van eenige vergoeding uit welken hoofde ook.
Art. 5. Het nieuwe gebouw wordt zoolang de bruik-
11
leening duurt door contractant ter andere tot een nader overeen te komen bedrag bij een of meer door contractant ter eenre goed te keuren brandverzekeringmaatschappijen tegen brandgevaar verzekerd.
De verzekeringspremie wordt jaarlijks door contractant ter eenre aan dien ter andere terugbetaald.
Art. 6. Indien hot nieuwe gebouw door brand of cenig ander onheil geheel of gedeeltelijk vernietigd wordt, is contractant ter eenre bevoegd het op zijne kosten weder op te bouwen en het herstelde gebouw op den voet van deze overeenkomst in bruikleening te houden, terwijl contractant ter andere alsdan verplicht is aan contractant ter eenre de schadevergoeding uit te keeren, welke te dezer zake door de brandverzekeringmaatschappijen zal uitbetaald zijn.
Gaat contractant ter eenre niet binnen 5 jaren tot den wederopbouw over, dan is hij gehouden het erf en de overbljjfselen van het gebouw op de eerste aanvrage ter beschikking te stellen van contractant ter andere.
Art. 7. Van weerszijden wordt overeengekomen dat geen gebruik zal worden gemaakt van de rechten , bedoeld in de artikelen 1788 en 1789 Burgerlijk Wetboek.
Art, 8. Deze overeenkomst is van rechtswege ontbonden, indien de in artikel 2 vermelde goedkeuring van plannen en bestek niet binnen een jaar na do indiening daarvan i.s verkregen.
Art. 9. Alle kosten op deze overeenkomst vallende, met uitzondering van die van zegel, zijn ten laste van contractant ter eenre.
Aldus overeengekomen en in dubbel opgemaakt en onderteekend te 's-Gravenhage,
en te Utrecht,
;
f
H E T
J'
UNIVERSITEITSGEBOUW
TE
XJ T K/ E! O EC T,
MEDEDEELING en VOORDRACHT
VAN
I
28 JUNI 1890
MET
BRIEFWISSELING OVER I888? 1889 en JUNI 1890.
utukoiit J. VAN BOEKHOVEN — 1890.
Nquot;. 352 F
J2S
4quot;» ilcn
Ülrcchl, den 28R,on Jnm 1890.
Nn. 352 F.
Nadat wij aan Uwe vergadering de Mededeeling en voordracht van 2 Februari 1888 hadden toegezonden, welke niet in behatideling is gebracht, werd in verschillende geheime vergaderingen de gedragslijn besproken, welke, in verband met de verandering van Ministerie, in zake hol Universiteitsgebouw diende Ie worden gevolgd.
In de geheime vergadering van 26 April 1888 werd door de leden Uwer vergadering, die hel woord voerden, er op aangedrongen, dat Burgemeester en Wethouders zouden trachten de zaak op een ander standpunt te brengen, zoodal de Gemeente zich niet contractueel tot hel bouwen zoude verbinden, en in de vergadering van 2-4 Mei 1888 word nader van gedachten over dit gewichtig onderwerp gewisseld. Bij die gelegenheid word van wege ons College medegedeeld, dat eene audiontie bij Z. E. den Minister van Binnenlandsche Zaken was aangevraagd en dal hot in do bedoeling lag van Burgemeester en Wethouders cone poging to doen , om eene andere on nieuwe wending aan de zaken te geven.
J,
Sedert worden do Wethouders Coblijn en Reiger don 31sten Mei tor audiontie bij Z. E. don Minister van Binnenlandsche Zaken toegelaten. Van den alloop dezer audientie
4quot;» den Gemeenteraad.
]
Ulrechl, den 28sten Juni 1890.
fsquot;. m F.
Nadat wij aan Uwe vergadering do Mededeeling en voordracht van 2 Februari 1888 hadden toegezonden, welke niet in behandeling is gebracht, weid in verschillende geheime vergaderingen de gedragslijn besproken, welke, in verband met de verandering van Ministerie, in zake het Universiteitsgebouw diende Ie worden gevolgd.
In de geheime vergadering van 20 April 1888 werd door de leden Uwer vergadering, die hel woord voerden, er op aangedrongen, dal Burgemeester en Wethouders zouden trachten de zaak op een ander standpunt te brengen, zoodat de Gemeente zich niet contractueel lol hel bouwen zoude verbinden, en in de vergadering van 24 Mei 1888 werd nader van gedachten over dit gewichtig onderwerp gewisseld. Bij die gelegenheid werd van wege ons College medegedeeld, dot eene audientie bij Z. E. den Minister van Binnenlandschc Zaken was aangevraagd en dat het in de bedoeling lag van Burgemeester en Wethouders eene poging te doen, om eene andere en nieuwe wending aan de zaken Ie geven.
Sedert werden de Wethouders riohlijn en Beiger den 3'Isten Mei ter audientie bij Z. E. den Minister van Binnen-landsche Zaken toegelaten. Van den alloop dezer audientie
'Mn tien G cm cot lew ad.
IV
cn van ilrn cigcnaardigoil loop, (lion (Ic ontlcrtiandelin^en Imitón onze sHiuU in do eerstvolgende maanden namen, hodden wij de eer U den 44-» Odober 1888 (Bijlage A, uilslnilend gedrukl voor de leden van don Raad) konnis le geven.
Dij do andienlie (Bijlage B, uitsluitend gedrukl voor do leden van den Raad), waarvan wij liet niet dienstig oordec-Icn hel nilgebreid verslag te publieeeron, tenzij daartoe bepaaldelijk door den Raad wordl besloten, word o. a. getracht van Z. H. de verzekering te verkrijgen van Z. E. bereidwilligheid om een nieuw plan onzer bouwmeesters le onderzoeken en gepoogd dc zekerheid le verkrijgen, dat geen verdere tegenstand zonde zijn te wachten tegen ile bekende hoofdbeginselen, welke onze orchitecten, in overeenstemming met deti wil van den Raad, bij bel ontworpen meenon te moeien volgen. L)c medegebrachte «■hotsen werden tol nader onderzoek aan het Minislerie gelalen, en door Z. E. word aan onzoTgccommillcerdcn zeer bepaald het voornemen te kennen gegeven om in een tweede onderhoud de zaak verder lo behandelen.
Dal tweede onderhond hecll evenwel niet plaals gehad, want don 43sten Juli 1888 ontvingen wij de teekeningen zonder oproeping tot eene audientie terug. Door den lieer Boer werd ecblor een brief ontvangen, die niel van een nummer is voorzien en die niet door den Minister van Binnenlandscbe Zaken is onderteekond, maar door den lieer Mackay, en waaruit de Voorzitter van ons College den indruk verkreeg, dat op dat oogenblik geen onderhandelingen gewenscht werden.
Wegens de redenon, niteongezel in Bijlage A, werd loeii door ons licslotcn onze nrehitecten opdracht te geven lol dc vervaardiging van een nieuw onlwerp, waarin zoo veel mogelijk aan de van Rijkswege geuile wenschen zoude
worden voldaan, zonder ecliler loe le geven aan die eisehen, die ook herhaaldelijk in den Raad als onredelijk waren gekwalificeerd.
Daarloe werd den 30s,en Augustus 1888 eene eonlerenlie mol de beide bouwmeesters gehouden, en hebben zich verder de Wethouders Coblijn en Reiger — na den brief van 19/20 September 1888 (Bijlage .V. 1) —den 13den October daaraanvolgende naar Delfl begeven om professor Gngel over te halen zijne laak niet neder te leggen. Toen Prolquot;. Gugel zich, evenals de Heer Vermeijs, had bereid verklaard om de opdracht te aanvaarden, gaven wij nog denzelfden dag hiervan kennis aan Z. E. den Minister van Binnen-landsche Zaken en voegden daarbij de mededeêling, dal wij ons voorstelden de vrucht van die vernieuwde opdrachl zoo spoedig mogelijk aan Z. E. Ier kennisneming en goedkeuring aan le bieden. (Bijlage N0. 2). Den 27ston October 1888 deelde Z. E. ons evenwel mede bereid le zijn de onderhandelingen weder aan le knoopen, zoodra hel door Z. E.'s ambtsvoorganger den 19den December 1887 aan ons gezonden contracl zoude zijn lol stand gekomen. (Bijlage N0.
De bezwaren daarlegen werden in onze missive van 13 November 1888 uitvoerig uiteengezet (Bijlage N0. 4) met dal gevolg, dal Z. E. de Minister van Binnenlandsche Zaken ons bij missive van 12 December 1888 (Bijlage N0. 5) mededeelde, dal Z. E. aan de ontwerp-overeenkomst, welke door den Raad in zijne vergadering van den October 1887 was aangenomen, Z.E. goedkeuring hechtte.
Ten gevolge van deze gunstige beschikking werden de lleeren Gugel en Vermeijs den volgenden dag door ons uiigenoodigd zich le belasten met de samenstelling van eene opgave van eisehen.
Den Gdcn Maart 1889 werd door de heeren bouwmeestei's aan deze opdrachl voldaan (Bijlage N0. 0 en Oquot;), terwijl
331
VI
zij, op ons miilor verzoek (liijlagc Nquot;. 7) om moilo-(iecling van hel bedrag, heUvelk zomle worden vei-eiselil voor den bouw volgens dal loegezonden programma, antwoordden, dal de bouwkosten volgens dil programma van elsclien do vroegere raming met f 15000 zouden overtreffen (lïijlage V- 8).
In de vergadering mot gesloten deuren van 19 Maart 1889 werd door ons maeliliging gevraagd en gekregen (Bijlage Nquot;. 9). om liet door de Hoeren Gugel en Vermeijs opgemaakt programma van eischon aan de goedkeuring van den Minister Ie onderwerpen en daarover zoo nooilig onderhandelingen met Z.E. Ie voeren, waarop wij don ^5quot;™ Maart bovenbedoeld programma aan de goedkeuring van den Minister hebben onderworpen (liijlage N0. 10 en 0quot;).
Na eene tusschen-coi'rospondentie van weinig belang (Bijlagen N». II en 12) ontvingen wij bij missive van 1 Februari 1890 (Bijlage Nquot;. 13) mededeeling van den uitslag dor overwegingen, waartoe het door ons ingezonden programma van eiscben bij Z.E. had aanleiding gegeven.
Wij hebben ons daarop gehaast den lieer Prol. Gugel uil Ie noodigen lot hol houden eener conferentie. Op deze conlbrentie, die den Wquot; Februari '1890 ten Stadlmize plaats had, word o. a. de mogelijkbeid besproken, om onafhankelijk van het liijk tot de stichting van con Univer-siteitsgebonw over te gaan en verder den lieer Gugel dc opdracht gegeven, ons sc.brillelijk van advies Ie dienen omtrent bovengemelde missive van den Minister.
Reeds den Februari werd aan deze opdracht voldaan door dc toezending van een uitvoerig Rapport (Bijlage N0. 14), dat, evenals dc brief van den Minister, ter lezing heeft voorgelegen voor do leden van den Raad.
Na onderzoek van dil Rapport werd door ons het verzoek
VII
aan don Minislcr van Binncnlandsclic Zaken gcriclil om oen onderhoud, Ier bespreking van de zaken belreffende hel le slichten Universileilsgebouw.
Nadal in Uwe vergadering van den '13dcn Maart 1.1. door den Heer Templeman van der Hoeven omlrenl den voorgenomen bouw eene molie (Bijlage N0. 15) was ingediend, waarvan de behandeling op voorstel van den Voorzitter tol oen nader te bepalen dag werd uitgesteld, ontvingen wij van den lieer Gugel het op 13 Maart 1890 gedateerd antwoord op de vraag omlrenl den bouw onafhankelijk van hel Rijk (Bijlage N0. 16) on den 5,len April van den Minister hot bericht, dat de gevraagde audiëntie don Hden April zoude worden verleend.
Op don vaslgestoldon dag hebben zich daarop do Wethouders Coblijn en Reiger naar den Haag begeven om mei Z. E. do zaken le bespreken.
liet besprokene gaf aanleiding tot eene conferentie mol den lieer Gugel, on lot eene nadere opdracht om Ie onderzoeken of het mogelijk is aan hol Ie stichten gebouw eene andere, vorder van do Domkerk verwijderde plaats te geven, en om, als die vraag in toestommondon zin koude worden beantwoord, ons te rapporleoren, welk terrein daai •voor noodig zoude zijn.
Reeds don 20s,cn April ontvingen wij van Z. 11.Gel. berichl. dat de ruimte genoegzaam is voor eene alleszins voldoende distributie, en den 2lstcn April eene plaltogrondteckoning, waaruit die indoeling blijkt.
Do daarop gevoerde onderhandelingen mot de eigenaars van do perceolon mochten echter aanvankelijk geen gun-stigen uilslag opleveren. Van dezen stand van zaken heell de Wethouder Coblijn don 19dequot; .Mei en, bij diens ongesteldheid de Wethouder Reiger den ^3slC11 Mei, aan den Minister van Binnenlandscho Zaken mededeeling gedaan.
vin
In verhand mei deze besprekingen werd den 'M8'0quot; Mei 1800 ons sehriflelijk antwoord op den brief des Ministers van 1 Februari dezes jaars verzonden (Bijlage N0. 17 en 17a), waarop ons reeds den 30s,cn Mei werd medegedeeld, dal Z. E. aan hel met dien brief ingezonden gewijzigd programma van eischen goedkeuring hecht (Bijlage N0. 18).
Hierop slaagden wij er in hel perceel van den lieer van Burkom tot den prijs van f 10,000.— en hel benoodigde terrein van de erven Wiesman voor f 22,000.— in handen te krijgen.
Den 9den Juni verleende de Minister op nieuw audientie aan den Wethouder Reiger, waarop dezerzijds de brief van 17 Juni 1890 (Bijlage N0. 19) verzonden werd, die door Z.E. beantwoord werd den 20 Juni. (Bijlage .N0. 20).
En hiermede is deze belangrijke zaak een nieuw stadium ingetreden.
De Gemeenleraad is nu in de gelegenheid met volkomen vrijheid Ie kiezen tusschen den vroeger voorgenomen bonw, die bij de krachtige en jegens onze gemeente welwillende houding van den tegen woord igen Minister, wel niet door tegenwerking zal worden vertraagd, en eene andere plaalsing van het door ons te stichten monument.
liet heeft uit den aard der zaak geruimen lijd een onderwerp van overweging bij ons uitgemaakt, of wij aan Uwe Vergadering een voorstel zouden indienen tot wijziging van de tot dusverre Ie dezer zake genomen besluiten. Toen echter de Minister ons een subsidie van f 21,000.— in uitzicht stelde, op de voorwaarden, welke uit onze voorstellen nader blijken, oordeelden wij het raadzaam van Uwe vergadering de vereischte machtiging Ie vragen.
Wij mogen niet verhelen, dat daardoor aan de Gemeente, behalve de meerdere uitgaven, die een gevolg zijn Van de uitbreiding der eischen, en waarvan wij U reeds kennis
«nvon 8) een nieuw oiler van (/quot;38.000 -|- / -2060—
/ 41.000) = / 19.000 wordI opgelegd. Toch meenen wij hel hesleden van die som (e moeien aanbevelen.
Hel koml ons namelijk voor, dal hel (Jniveisileilsgcbouw, op de nieuwe plaals geslichl, al zal hel, op zich zeil' he-schouwd, niel meer aan de eisehen van hel schoonheidsgevoel voldoen dan hel vroeger onlworpene, door de meerdere verwijdering van do hooge Domkerk, meer lol zijn reehl zal komen.
Verder zal hel sloopen van hel Leesmuseum len gevolge hebben, dal van hel plein een beier gezichl zal worden verkregen op de Zuidzijde van de fraaie Domkerk, lerwijl de bouw van hel zooveel hoogere Universileilsgebouw op de plaals, waar Ihans hel Leesmuseum slaal, dat gezichl zeker nog meer dan Ihans zoude belemmeren.
Eindelijk stellen wij ons voor, dal van Rijkswege nu enkele jaren aan den in het gezichtkomenden buitenmuur van den klooslergang wel eene met de omgeving passende bekleeding, zal worden gegeven, zoodat ook dat monument, aan welks restauratie zulke aanzienlijke sommen zijn besleed, meer lot zijn recht en meer in het gezicht zal komen.
Ten einde de uilgaven, die nog voor de gcmecnle zullen overblijven, te kunnen beoordeelen diene hel volgende overzicht.
Aankoop van het huis van Jbr. Ham . . /' U,1(1(1
Honorarium en onkoslen aan de (leeren Gugel en Vermeijs (üaadsbesluit -2i Jan. 1889) - 4,957.28
/ 49,057.28
in ronde cijlers ... - 49,000,-
Bouwkoslen........... 140,000,—
/ 189,000.—
Transporteci'en
Transporl - / 1811,0110, Aankoop pcnr. van llnikom cn Wiisman. -
Onkosten op ilicn koop......
IJcloouing Airhilecl, Op/lilitei's, en/,.
ƒ -2.-18,000,-
Af liijdrage l'i-ovincic . /'ii.OOO.
ingezeloiicn . ■ - 48,000. Kijk.....-21,000.—
- 04,000.— / 144,000.—
„r in ronde cijfers / 145,000.-, terwijl voor de Gemeenle
in 188.quot;. was gerekend op ecne uilgave van /100.000.
Indien niel, wordt overgegaan lol de uilvocnng ..... het nieuwe plan, dan zullen dc kosten ongeveer f 20,000 la,rer zijn. In elk geval komt der Gemeente nog ten goede dè rente, welke gekweekt is van de som, die door de vrijgevigheid der ingezetenen is hijeengebraehl. üovendien kan men verwachten dat aan belooning architect enz. geen / 9000 zal worden bcsleed.
Tot ons leedwezen laat de beschikbare lijd niel toe aan onze toelichting die uitbreiding te geven, die wenschehjk ware in verband met hel belang van bet onderwerp Wij geven er evenwel de voorkeur aan, dal dc verzameling gedrukte stukken U spoedig bereikt. en stellen ons te Uwer bescbikking om mondeling een on ander nader uiteen te zetten. Alleen zij nog medegedeeld, dat de zekerheid niet bestaat dal bel llijk het subsidie van / 21,000 zal verleenen. Itij den beperkten lijd bestaat bestaat niet de gelegenheid om den aankoop der perceelen afhankelijk Ie stellen van de goedkeuring der Wetgevende Macht. Hel belang van hel Rijk bij de dading omti-ent de klooster-
-2,000.-9,000.-
XI
gangen is evenwel zoo groot, dal de aanneming van eom betrekkelijke wel ons niet twijleladilig vooikomt.
Op de leeskamer van den flaad worden te Uwer inlicli-ling overgelegd de volgende teckcningen:
I. ICen schetsplan van Professor Gugel.
II. Een schetsplan door de bouwmeesters iti Maaii 1880 ingezonden bij het program van eisehen.
III. Eene situatieteekening van de omgeving van hel Munsterkerkhof met aanduiding van de grenzen der h; koopen perceelen.
IV. Een plattegrond, ontvangen van het Ministerie van Binnenlandsche Zaken bij den brief van 'I Februari 1890.
Om de aangevoerde redenen hebben wij de eer U voor te stellen:
I. Ons te machtigen met den Slaat der Nederlanden eene dading te treffen, waarin in hoofdzaak bel volgende wordt bepaald.
«De nog tusschen den Staal en de gemeente Utrecht «hangende geschilpunten over het eigendomsrccbl «van twee strooken grond met daarop slaande kluizen «en bogen en van het binnenplein, een en ander deel «uitmakende van het terrein, waarop zich de klooster-«gang bevindt, worden in dei' minne geëindigd op «de volgende wijze :
I. «De gemeente Utrecht ziet geheel af van eik «eigendoms- of eenig ander recht op den Vrijhof en «op de kloostergangen met hel terrein, waarop deze «zich bevinden, kadastraal bekend Gemeente Utrechl, «Sectie B, N0. 2050, en erkent den Slaat der Neder-
«huulrn ills coiii^en cigonaar van die porccelcn zondci «cenige reserve hoegenaamd.
«Daarentegen verbindl zich dc Slaal een doorgang «voor voelgangeiquot;s lang de zuidzijde van do Domkerk «open Ie houden, in den regel dagelijks van 7'2 uur «des morgens lol 10 uur des avonds, en dien le «onderhouden, schoon le houden en le verlichten.
2. «Do gemeente Utrecht staal in vollen en vrijen «eigendom af aan den Slaat der Nederlanden, die in «eigendom aanneemt hel geheele gebouw, kadastraal «bekend Gemeente Utrecht, Sectie B, N0. 2G55, «waarin thans hel Leesmuseum gevestigd is,
«De gemeente Utrecht verbindl zich binnen «twee jaren (na dc sluiting der overeenkomst) op «hare kosten tot hel lot aan den beganen grond «sloopen van hel gebouw in punt 2 bedoeld, hel «zoodoende vrijkomend terrein met klinkers le be-«siraten en in dier voege op tc leveren, dat de «kloostergang aan die zijde geheel open als historisch «monument van hel plein zichtbaar worde.
«De opbrengst van de afbraak komt ten bate der «gemeente, welke hel behoorlijk onderhoud der be-«straling van hel vrijgekomen terrein nu en later ten «haren laste neemt.
4.. «De Slaat der Nederlanden verbindt zich ter «uitvoering van hel vorenstaande aan de gemeente «Utrecht een subsidie te verleenen van f 21,000, in «gedeelten uit te keeren vóór 1 Januari 1894.
5. «Alle kosten op de te sluiten overeenkomst «vallende, mei uitzondering van die van zegel, komen ten laste van den Slaat.»
xm
Tc hcsluilen lol aankoop der pcrceelcn, kadaslranl gemeente Utrecht, Sectic II. N0. 002, N0. 2695 gedeeltelijk en A'0. 2691» gedeeltelijk, cn daarloc Ic nemen de volgende besluiten:
A. Do Raad der gemeente Utrecht,
overwegende, dat hel bij de stichting van hel Uni-
versiteilsgebouw, Ier vorlraaiing van hel Munster-kerkhol, noodig is de beschikking te hebben over hel perceel, kadastraal gemeente Utrechl, sectie I», N0. (»02, loebehoorende aan den lieer Willem van liiirkom;
overwegende, dal deze zich heell bereid verklaard, hel bedoelde perceel aan de gemeente te verkoopen voor de som van zestien duizend gulden;
Besluit:
1. van den Heer W. van Burkom voor de gemeente aan te koopen het hem toebehoorend perceel aan hel Munsterkerkhof, kadastraal gemeenle Utrechl, Sectie II, 002, en zulks voor de som van zeslien duizend gulden, onder voorwaarde dal hel perceel den 'lsten November 1890, onbezwaard en niet langer verhuurd dan tot 1 Mei 1891, aan tie gemeenle zal worden geleverd.
2. Burgemeester en Wethouders te machtigen hierin verder hel noodige te verrichten,
B. De Raad dei' Gemeenle Utrechl,
overwegende, dat hel bij de stichting van hel
Universileilsgebouw, ter verfraaiing van hel Minister-kerkhof , noodig is de beschikking Ie hebben over de perceelen kadastraal Gemeente Utrechl, Sectie B Nquot;. 2095 gedeeltelijk en Xquot;. 2090 gedeeltelijk, loebehoorende aan de erven van den lieer .1. II. Wiesman; overwegende, dal de lieer A. C. Wiesman zich
namens do erven heell bereid verklaard, mits daartoe de noodige rechlerlijke machtiging worde verkregen, bedoelde perceelen aan de gemeente Ie verkoopen voor de som van twee en twintig duizend gulden;
Besluit:
1. Van de erven van den lieer J. II. Wiesman voor de gemeente aan Ie koopen de hun toehohoorende perceelen aan hel Miinsterkerkhol, kadastraal Ge-meenlc Utrecht, Sectie B N0. 2695 gedeeltelijk en N0. 2G96 gedeeltelijk, op bijgaande leekening met eene roode kleur aangeduid, en zulks voor de som van twee en twinlig duizend gulden en verder onder ile volgende voorwaarden:
a. De grenzen tusschen de gedeelten der perceelen 2695 en 2090, welke aan de verkoopers verblijven ol' hetwelk gemeen eigendom blijft, en datgene wat aan de gemeente overgaat, worden bepaald door de volgende lijnen:
uit het zuidelijkste punt van de westelijke buitenzijde van den muur der thans bestaande werkplaats (op do leekening aangeduid met letter a.) loopt de grenslijn noordelijk in de richting van een van wege het gemeente-besluur door den Directeur der gemeenle-werken vast te stellen punt x. — tot aan het op de leekening aangeduid punt h.; dil punt x moet vallen tusschen het noordelijkste punt (gemerkt xl.) van gemelden muur der thans bestaande werkplaals en tusschen hel noordelijk uiteinde der lijn die hel verlengde uitmaakt van het beslaande, thans reeds in rechte lijn loopende gedeelte van gemelden westelijke muur der werkplaats, welk punt op de leekening is aangeduid met #2.
Op het gedeelte dezer grenslijn, zich uilslrekkende
XV
van gemeld punl a. lol aan hol punl lgt;.. in de lijn van don lo slellen muur b.c. wordt door do gonieenle op hare kosten oen scheidingsmuur gesteld die I nssclion haar on de vorkoopers gemeen zal worden.
Van gemold punt h. loopl de grenslijn naar hol punt lt;1. langs de lijn h.c.
In gemolde lijn h.c. zal oen muur worden gestold op oen afstand van 1.02 M., Ion zuiden van don muur die thans aan do zuidzijde van perceel 2690 dit perceel van perceel 2005 scheidt; van dezen muur zal hol gedeelte h.d. door de gemeente IJl recht als gemeone scheidsmuur worden gesteld, terwijl hel go-doolt c d.c. door de verkoopers kan gestold worden. Gemold punt d is gelegen in het verlengde van de lijn c /', zijnde do westelijke huitonkanl van den bestaanden muur aan do oostzijde van don thans hostaanden uil gang.
Van hol punt d. loopt do grens tot hot punl /. in hel verlengde van do voormelde lijn e f. Ook op dit gedeelte d /'. wordt door do gemeente Utrecht een scheidingsmuur gestold. die gemeen wordt als gezegd.
Van het punt /. loopl do grens in westelijke richting naar hot punt 7. in do lijn evenwijdig aan don muur thans lusschen do percoelon 2000 en 2005 zich bevindende (straks vermeld) en wol op oen afstand van hoogstens SO centimeter van dezen bestaanden muur.
liet punl ij. vormt het westelijke eindpunt van de oostelijke scheiding van don nader te vermelden gang en de ligging van dal punl 7 wordt bepaald door do aan dien gang te geven breedte, nader Ie vermelden.
Ook op dit gedeello / y. der grenslijn stolt do
gcmeenle Ulrechl ccn scheidingsmuur welke gemeen wordt als voormeld.
De gemelde scheidingsmuur zal aangelegd worden op een hoogle van 2.50 M. hoven hel hoogst thans beslaande grondvlak.
h. De scheidingsmuur tusschen de perceelen 2000 en 2097 zal voor zoover die buitenmuur wordt, dooide; gcmeenle Utrecht op hare koslen worden bekleed met een halve steen van harde steensoort.
c. Aan de oostzijde van dien aldus beklecden muur zal een gang van minstens een Meter breedte onbebouwd blijven liggen als gemeenschappelijk eigendom van verkoopers en de gemeente Utrecht, om uilgang te geven naar het Munsterkerkhof. Deze gang is op de teekening aangeduid met de letters g h i I;.
In den grond van dezen gang zal de gemeente Utrecht, de versnijding van het aan de oostzijde door haar op te richten gebouw mogen plaatsen. De gang zal langs de lijn i worden afgesloten met een ijzeren hek, waarvan elk der mede-eigenaars een sleutel heelt , en dat — buiten den lijd dat bepaald van den gang gebruik wordt gemaakt — gesloten moet blijven. De gemeente Utrecht zorgt voor de bestraling van dien gang.
il. Op het zuidelijkste gedeelte van het afgestanen deel van perceel N0. 2095, op de nevensgaande situatie-teekening met stippellijn aangegeven en begrepen tusschen de letters (t i m n, mogen geen gehouwen geplaatst worden, hooger dan de scheidingsmuur.
t'. In het op den af te stanen grond te stichten gedeelte van hel gebouw zullen in de gevels, gerichi naar de niet verkochte gedeelten van de bovengenoemde
pcrceelen, gecnc andere ramen mogen worden gemankt dan welke voorzien zijn van ondoorzichtig glas. Alleen hel bovengedeelle dezer ramen mag beweegbaar zijn.
/quot;. Do gekochte perceclen worden uiterlijk den 1s,en Mei i89'l onbezwaard en onverhimrd geleverd.
2. |{nrgemees(er en Wethouders te machtigen hierin verder het noodige te verrichlen.
III. Good te keuren do opgave van eischcn, die don 2-2sien Mei 1890 door ons aan Z. E. den Minister van Binnenlandsclie Zaken is opgezonden, (Bijlage N0. 17) on die door Z. E. bij missive van den 30slcn Mei 1890 (Bijlage i\0. 18) is goedgekeurd.
IV. Mits de Wetgevende Maclit vóór den lstequot; December 1890, hare goedkeuring zal hebben gehechl aan de
. dading bedoeld sub I,
ons te machtigen;
quot;• tot het sluiten dei- overeenkomst, welke de Baad zich, bij besluit van den I i,,en October 1887, bereid heeft verklaard aan te gaan, met dien verstande, dal Art. I daarvan worde gelezen:
«Contractante ter andere, wenschende Ier gelegenheid van het leest van het 250-jarig beslaan der Utrechtsche Universiteit door eene [ceslgavo hare belangstelling in deze instelling te betoonen en Ie haren behoeve behoorlijke lokalen beschikbaar te stellen, verbindt zich aan het Munsterkerkhor op de terreinen, kadastraal gemeente Utrecht, Seclie I!, Nos. 002, 00.», 2090 gedeellelijk en 2695 gedeeltelijk binnen jaren na de goedkeuring, bedoeld in artikel 2, een aanvang te maken met de stichting van een nieuw gebouw en dit gebouw, hetwelk
lys
gemeente-eigendom blijll, aan contractant lor eenre ten behoeve der Rijks-Universiteit Ic Utrecht, kosteloos in bruikleening al te slaan»
en dat
de 3de alinea van Art. 3 vervalt.
h. Daarna aan de ileeren Professor E. Giijiel en F. J. Nieuwenhuis op te dragen de plannen en het bestek op te maken voor hel Universiteitsgebouw, te stichten op de sub. IV omschreven plaats en voldoende aan de vastgestelde opgave van eischen.
Voor de verdere kosten van de stichting van hel Universiteitsgebouw van gemeentewege beschikbaar te stellen eene som van /' 95,000.
Burgemeester en Weihouders der gemeente U!recht,
De Burgemeester,
(get.) F. II. COBLIJN, Weth.
De Secretaris,
(gel.) DE WATTEVILLE.
Bijlage Nn. 1.
Betrcffeiulo:
liot Universiteitsgebouw.
Delft. 19 Seplcmbcr 1888. Utrecht, ^0 September 1888.
WolEdd Arlilhnrc Hoe ven!
De vertrouwelijke mededeelingen, welke ons in (1lt;* ver-gadei in^ van 30 Aiigusliis j.l. over den slaat der Univei^sileils-kweslie welwillend werden verstrekt, hebben i)ij ons een pnnt van veelzijdig en nauwgezet onderzoek uilgemaakl, waarbij wij niet in gebreke bleven, naast de reeds beproefde distributies, de nog mogelijke oplossingen van het vraagstuk tot een onderwerp van studie te maken.
Wij nemen de vrijheid, de uitkomst van ons overleg in de navolgende beschouwingen en opmerkingen nederteleggen.
Kon volgens de ons gedane mededeelingen de houding van den tegenwoordigen heer Minister van Bihnenlandsche zaken in het algemeen ons niet den indruk geven, dal Zijne Kxc'ellentie van een ernstig streven tot spoedige oplossing van het vraagstuk van den Universiteitshouw wordt bezield, ook de weinige in zeer vage en weifelende aanduidingen mondeling in vooruitzicht gestelde concessies schijnen ons, door het laatste schrijven van den heer Minister, althans gedeeltelijk, wederom in twijfel gesteld llt;; zijn.
Aan
linrycmecster en Weihouders dor Gemeente Ulrechl.
2
Het in de minislcrieelo aanschrijving uitgedrukte verlangen , dat in een nieuw project voor hel Universileitsgebouw op de harmonie met de omgeving zou moeien worden gelet, kan immers in verband met de gewisselde stukken moeielijk anders worden opgeval, dan dat het ontwerp met den kruisgang en het groote auditorium in stijl behoort overeen te komen.
Over het vereischte aanlal collegekamers en de daarvoor gewenschte afmetingen zijn geen nieuwe gegevens verstrekl, evenmin over de grootte van het kleine auditorium, een dei' voornaamste punten van verschil tussehen de deskundigen en adviseurs der Hegeering en Uwe bouwmeesters. Er beslaat dus voor een nieuw project geen bepaald programma en het ontwerpen van een nieuw plan op grond van deze gegevens of bloote vermoedens ware inderdaad niels anders dan een werken in het blinde.
Wanneer wij daarbij overwegen, dat een op zulke gebrekkige grondslagen ontworpen nieuw plan wederom aan het oordeel van den Senaat, van het Curatorium en aan de adviezen van de deskundigen des heeren Ministers zal moeten worden onderworpen, bij welke autoriteiten omtrent de eischen van het gebouw7 ook geen overeenstemming bestaat, en wij roepen ons hel vroeger gebeurde voor den geest, dan is het inderdaad niet Ie verwonderen, dal ons aanvankelijk de lust ontbrak en de moed onlzonk, den reeds verrichten Sisyphus-arbeid andermaal op te vatten.
Is het noodig hierbij aan de ongehoorde aanmatigingen van den rijksbouwkundigen adviseur te herinneren, die in zijne rapporten niet eens den loon wist te treflen, die in het verkeer onder beschaafde, of zelfs alleen fatsoenlijke lieden gebruikelijk is, en die op eene ook voor leeken vatbare wijze de meest doorslaande bewijzen heeft gegeven van volslagen gemis aan oprechtheid of objectiviteit.
En (och werd dooi* de meerderheid van hel Cnralorinm, zonder in acht neming van den wijzen en gei jkt en stelregel: «audiatur et altera pars!» met de eenzijdige betoogen en inlichtingen van deze specialiteit genoegen genomen en op grond daarvan advies uitgebracht.
Onmogelijk kunnen wij ons aan eene dei-gelijke bejegening voor een tweede maal blootstellen.
Alleen aarzelend en gedreven door den goeden wil, de door Uw College opnieuw beproefde pogingen tot oplossing der Universiteitskwestie onzerzijds tot aan de uiterste grens der mogelijkheid te steunen, kunnen wij onder deze omstandigheden onder zekere voorwaarden tol het aanvaarden eener nieuwe opdracht besluiten.
Wat deze laatsten betreft, achten wij ons in de eerste plaats verplicht, Uw College in overweging te geven, van Zijne Excellentie den tegenwoordigen Minister van Binnen-landsche Zaken eene nadere verklaring uil telokken, of en in hoeverre Zijne Excellentie de bepalingen van het programma der vroegere regeering bindend of facultatief verklaart.
Meer bepaald zijn het de beide voornaamste punten van verschil: de kwestie over de afmetingen van het kleine auditorium en die over den stijl van het gebouw, waaromtrent nadere ophelderingen en bepaalde verklaringen zeer zeker vóór de aanvaarding onzer nieuwe taak vereischt zijn.
Naar het gevoelen van den eersten ondergeteekende falen alle. planverdeelingen, waarin niet door de verplaatsing van den hoofdingang tot het groote auditorium, naar de hoofdas dezer zaal voor eene behoorlijke en recbtstreeksche gemeenschap van het auditorium met bet nieuwe gebouw wordt gezorgd. Op grond daarvan en om andere redenen moet het bij bet projecteeren van eene nieuwe distributie van het hoogste belang worden geacht,
vooral' ook volkomen ingclichl (e zijn, ol' hel doorbreken eener hoofddeur in de hoofdas van den groolen gehoorzaal, lot gemeenschap met hel nieuwe gebouw, al of niel de goedkeuring van Zijne Excellenlie kan wegdragen.
Mei hel oog op nieuwe verhandelingen mei hel College van Curaloren, die hel onmiddellijke gevolg zullen zijn van de indiening van een nieuw onlwerp, zal naar onze overluiging eene welwillende lusschenkomsl van Uw College voldoende zijn, om in hel vervolg de behandeling der zaken op eene andere wijze le doen plaats hebben.
Hel eenvoudige beloog, dal bij hel uitbrengen van een oordeel of bij hel vervullen eener arbitrage in zaken als de onderhavige Ac/ huoren ran belde partijen een eisch van billijkheid en rechtvaardigheid is, zal wel voldoende zijn, om ons in hel vervolg nieuwe onverdiende kren kingen Ie besparen.
Ten slolle achten wij ons in het belang van een goeden voortgang der zaak lot de volgende opmerkingen verplichl.
Voor hel geval, dal Zijne Excellenlie de heer Minister op den eisch van zijnen ambtsvoorganger blijft persisteeren en voor hel kleine auditorium eene grootte van l.iO M2 noodig acht, zal naar onze overluiging de vraag over de onderdrukking of verplaatsing van den openbaren doorgang opnieuw een onderwerp van ernstige overweging behooren uittemaken. Wordt het nieuwe Universiteilsgebouw op denzelfden afstand van den Dom geplaatst als het beslaande Leesmuseum, dan is de mogelijkheid, eenen 2 M. breeden doorgang builen en naast hel Universiteilsgebouw — onder hel traplorentje — aanteleggen niel uitgesloten.
Zoowel in hel belang eener doelmatige distributie als in hel belang der buitenordonnantie ware de verwijdering van den openbaren doorgang van zijne tegenwoordige plaats zeer wenschelijk.
Ons vleiende, dal de door ons geuite wenschen en gestelde voorwaarden door Uw College als billijk en dooide omstandigheden en feiten gemotiveerd zullen worden erkend, en daarom Uwe instemming zullen vinden, noemen wij ons met de mcesle hoogachting
van Burgemeester en Wethouders voornoemd, de dieiisiwilliye Dienaren,
(get.) E. GUGEL. (get.) C. VERME1JS.
N0. 31.
Zijne I Binn
J_
?]■-
Bijlage 2.
N0. 31.
_ Ulrechl, 1.1 Oc/okv 1888.
(iolijklij(lilt;iquot; mei do onlvangsi door (l(5n Voor/illor van ons College van Uwer Excel Ion lie's missive van 23 .luli I.I.. kwamen wij in hel hezil van de leekeningen en selielsen, welke Uwe Excellenlie onder zich had «ichouden, in af-wachling van het nader onderhoud, dat door Uwe Excellenlie was tpegézegd aan de commissie uil ons College, welke den 318,etl Mei de eer had bij Uwe Excellenlie in audienlie Ie worden loegelalen.
Aangezien ons uil deze lerugzending is gebleken, dal Uwe Excellenlie dal nader onderhoud niel noodig oordeelde, alvorens door ons College verdere maatregelen werden genomen, ter bevordering van de lol standhrenging van hel onlwerp voor een Universileilsgebouw, dat de goedkeuring ook van Uwe Excellenlie zoude kunnen verwerven, hebben wij onze bouwmeeslei's uitgenoodigd lot het houden eener conferentie ter nadere overweging der eischen, waaraan hel ontwerp ter bereiking van hel boven omschreven doel, zoude gerekend kunnen worden te moeten voldoen.
Eerst wegens de uitlandigheid der beide bouwmeesters, later wegens eene ongesteldheid van den Heer Professor Gugel, moest deze conferentie worden uitgesteld, zoodal zij niel eerder konde worden gehouden dan den 30slen Augustus 1.1.
Naar aanleiding van hel nader advies, dal wij van de bouwmeesters mochten ontvangen, hebben wij gemeend hen te moeten handhaven in de reeds in 188(3 aan hen gegeven opdracht tot het vervaardigen van bouwplannen
Aan
ijnc Excelletilic den Minisler van Binnenlandschc Zaken
le 's-Gravenhaye.
2
voor het van gemecnlewcge aan hel Mimstcrkerkhof Ie -slichten lJniveiquot;sileilsgebon\v, de vrnehl van welke vernieuwde opdracht wij ons voorstellen zoodra mogelijk aan Uwe Excellentie Ier kennisneming en goedkeuring aan Ie bieden. Wij stellen er prijs op Uwe Excellentie dil ons besluit mede Ie doelen len einde Uwe Excellentie eenigszins op de hoogte Ie houden van den stand van zaken, en vleien ons mei de hoop, dal de Iloogleeraar Gugel, die van Rijkswege is belast onze aanslaande Archileclen in de «Schoone Bouwkunde» op te leiden, en onze bekwame en ervaren Architect, Directeur der Gemeentewerken — rekening houdende mei de beschikbare ruimte en geldmiddelen — er in zullen slagen aan hel ook thans weder door ons College in hunne kunde gesteld vertrouwen bij vernieuwing te voldoen.
Ook bij dit nader overleg is ons gebleken, dat de bouwmeesters volharden in hunne meening, dat op door hen blootgelegde gronden de Gothische stijl voor hel Universi-leilsgebouw moet worden uilgeslolen. Waar ons College zich zijne mindere kennis len deze volkomen bewust is, heelt het uil eerbied voor hel gezag van den Iloogleeraar, die, zooals boven gezegd werd, van Rijkswege met eene zoo gewichtige roeping als de vorming onzer aanslaande bouwkundigen zich belast ziet, gemeend hel gebruik van dien slijl ook thans niet Ie mogen voorschrijven.
Burgcmcesler en Wethouders der gem een le Utrecht,
De Burgemeester,
(gel.) W. R. BOER.
De Secretaris, (gel.) DE WAÏTEV1LLE.
Bijlage N0. 3.
Ministerie van Binnenlandsche Zaken.
N0. 3139. AfdceUng O.
Boricht op schrijven van 13 Oct. •s-dramthmjc, '27 (Mnhrr 1888.
1888, u . 31, bctrollende Universiteitsgebouw.
Mol fïcnocgcn zaquot;*- ik uil Uw schrijven van 2 Kcbruaii jl. aan don Gemeenteraad, waarvan kennis werd gegeven aan mijn amblsvoorganger bij missive van 7 Februari II. u0. 38, dal hel door dezen op 19 December 1887 aan U gezonden ontwerp-contracl geene overwegende bezwaren bij U had gevonden en dal de aanneming daarvan door den Gemeenteraad door U niel werd ontraden.
Mei verlangen zag ik dan ook uil naar eenig bericlil ol' de Gemeenteraad zich mei de bepalingen van dal conceptcontract heelt kunnen vereenigen.
Doch lelkens, èn bij hol bezoek van de Commissie uit Uw college op 31 Mei jl. en nn laatstelijk bij de ontvangst van Uw nevensvermeld schrijven, zag ik mij daarin teleurgesteld Gaarne verklaar ik mij bereid om, zoodra gemeld conlrad zal zijn lot sland gekomen, de gedurende zoo langen tijd afgebroken onderhandelingen weder aan Ie knoopen en deze zaak, zooveel van mij afhangt, zoo mogelijk tot een goed einde te brengen.
Aan
Burgemeester en Weihouders van Utrecht.
2
Waar in Uw laatste schrijven gezegd wordt dal Uw College meent de dooi- IJ gekozen bouwmeesters te moeten handhaven in de opdracht tot het vervaardigen van bouwplannen, meen ik te mogen opmerken, dat noch door mijn N0. fó*. ambtsvoorganger, noch door mij er op is aangedrongen of als voorwaarde gesteld, dat die bouwmeester door ü zouden worden losgelaten. Ook trof het mij in dat schrijven, dat tot tweemaal toe en met nadruk er op gewezen wordt, dat de heer Gugel door de Regeering is benoemd tot hoogleeraar in de schoone bouwkunde; ik zal hieruit toch niet moeten opmaken, dat het Uwe meening zou zijn, dat hij door zijne benoeming tot hoogieeraar onfeilbaar is geworden of dat aan U of mij kritiek op zijne bouwplannen niet veroorloofd zou zijn?
De Minister van BinnenUmdschc Zaken,
(get.) MACKAY.
Zijne Bil
Bijlage N0. h.
X0. 03.
VIm h!, dm i3Jen November 1888.
Bij Uw Exccllonlio's missive van 27 Oclobec 1.1., n0. 3139 Afdeeling O. werd ons medegedoeld, dal Uwe Excellenlie zich bereid verklaaide om de gedurende zoo langen tijd afgebroken onderhandelingen omlrenl hel alhier te slichten Universileitsgebonw weder aan Ie knoopen, zoodra het contract, dal door Uw Excellentie's ambtsvoorganger op 19 December 1887 aan ons gezonden is, zal zijn lol stand gekomen, en werd ons de lelenrstelling van Uwe Excellentie kenbaar gemaakt over het ontbreken van eenig bericht ol' de Gemeenteraad zich met de bepalingen van dat concept-contract heeft kunnen vereenigen.
Naar aanleiding van het thans door Uwe Excellenlie uitgesproken verlangen, dal de zaak van het contract lol een einde worde gebracht, hebben wij de eer de volgende beschouwingen aan de welwillende overweging van Uwe Excellentie Ie onderwerpen.
Toen de dezerzijds aangewende pogingen, om den Ambls-vooi-ganger van Uwe Excellentie te doen terugkomen van de gestelde eischen omtrent de contractueele verbintenis tot stichting van het Universiteitsgebouw niet mochten worden bekroond met den Ie dezer slede zoozeer gewenschten uitslag, en Zijne Excellentie vasthield aan het concept van
Aan
Zijne Excellenlie den Minisler van Binnenlandse]ie Zaken
Ie 's-Gravenhage.
2
den 1 Oden December 1887, werd door ons College den 2'lcn Februari 1888 aan den Hnad kennis gegeven van den sland van zaken.
Bij deze kennisgeving werd door ons College niel voor-gesleld om Ie voldoen aan bel verlangen van den loen-maligen Minisler van ninnenlandsche Zaken.
Ook na den 2,len Februari meende ons College zoodanig voorslel niel lo mogen doen en werd dienlengevolge onze mededeeling van 2 Februari 1888 niel door den VoorzilIer bij den Itaad in beliandf^ling gebracht.
De redenen van dal uilslel zijn de volgende.
Van den aanvang af heell er bij ons College bezwaar legen beslaan om in de overeenkomst van bruikleening bepalingen op Ie nemen, waarbij de Gemeente — die niet door contractneele bepalingen verzekerd is van den even aanzienlijken als gewaardeerden geldelijken sleun der Provincie en der Ingezetenen — zich lol de slichting van bet Universileilsgebomv contractueel zonde verbinden.
Toen echter gebleken was, dal Uw Excellenlie's Ambts-voorganger do opname van de verplichting lol stichling bleef verlangen, is door ons, onder mededeeling van al dc missive des Ministers, een ontwerp-conlract, dat in enkele opzichlen afweek van hel concept van Z.E., aan de goedkeuring van den Haad onderworpen.
In de vergadering van den i^®quot; October 1887, modi. het ons gelukken de goedkeuring van den Haad voor ons ontwerp te verwerven. Dij dio gelegenheid is ons gebleken, dat de leden van den Haad niet dan noode onze voordracht hebben goedgekeurd, omdat de contractneele verplichting tot stichting door niemand wenschelijk werd geacht. In de overtuiging, dat de Haad niet verder zal gaan dan het besluit van den ,l4■dCI, October 1887, dat hij daarvan niet in hoofdzaken zal afwijken en bij de wetenschap, dat het
3
door den amblsvooi^angcr van Uwe Excellentie ingenomen slandpnnl hij de hchandelin^ in d(i Slalon-Geneiual geen verdedigers vond, mochlen wij in den aanvang van dit jaar de behandeling der zaak door den Haad niel overhaasten. Uij de tpenmaals bestaande onzekerheid omtrenl de Hegee-ring, welke geroepen zoude zijn om verder in deze zaak Ie beslissen, was de hoop niel uitgeslolen, dal de door de Gemeente geheel vrijwillig voorgenomen bonw lot sland zonde komen, zonder dat zij daartoe door een conl.rad zonde worde verplichl.
Bij de audiëntie, welke den 3lston Mei door Uwe Excellentie aan twee leden van ons College werd verleend , werd dan ook op de door Uwe Excellentie gedane vraag, olquot; na de correspondenlie van December 1887 nog eenig besluit door den Raad was genomen, in ontkennenden zin geantwoord, en werd aan Uwe Excellenlie medegedeeld, dal ons College de verwachling heelt, dat de Raad van zijn besluit omtrent hel rontract in hoofdzaak niel zal afwijken. Verder werd bij die gelegenheid eene poging aangewend om langs een anderen weg hel beoogde doel te bereiken en daartoe aan Uwe Excellentie hel verzoek gericht om kennis te willen nemen van nieuwe plannen, welke door onze bouwmeesters zoude worden ingezonden en waarbij zooveel mogelijk zoude worden voldaan aan de wenschen der Regeering met betrekking tol de inwendige inrichting van hel gebouw.
Aangezien noch bij bovenvermelde audientie noch in den brief van den 43sten Juli 1887 aan den Burgemeesler onzer Gemeente door Uwe Excellentie het verlangen werd kenbaar gemaakt, dat eene beslissing zoude worden genomen over het concept-contract van 11) December 1887, weid dezerzijds de hoop opgeval, dal Uwe Excellentie er in mocht toeslemmen nieuwe plannen te onderzoeken en
/l.
don bomv te bevorderen zonder dal eerst een contract tot slicliting; werd gesloten.
Mocht het ons eerst gelukken, aan Uwe Excellentie plannen aan te bieden, die de goedkeuring van Uwe Excellenlie wegdragen, dan zouden wij daarna het oogen-blik gekomen achten voor ccno poging om Uwe Excellentie's instemming te verwerven met een on two rp-con tract van van bruikloening.
Mot hot oog op do over de bruikleening vroeger gevoerde correspondentie vertrouwden wij, dat do bepalingen daaromtrent weinig aanleiding lol, verschil meer zouden geven.
Mochl ('we Excellentie alsnog kunnen goedvinden toe Ie stommen in de/o wijze van behandeling der zaken, dan zoude daardoor worden voldaan aan een te dezer stede algemeen gokoosterden wensch.
Indien evenwel Uwe Excellentie meent thans niet Ie moeten alwijken van den door Uwe Excellentie's ambls-voorgangor geslelden eisch, dal de gemeente zich bij oen contract lot de stichting verbinden moet, dan zal door ons College daarin worden berust. De llaad heefl. door zijn besluit van don I idcn October 1887 geloond, dat hij, lor wille van do zaak, bereid was zijn tegenstand legen dien eisch le laten varen en zal, vertrouwen wij, indien Uwe Excellentie eisch, dat do gomeonle zich bij contract lot do slichting verbindt, op dal besluit niet terugkomen.
Wordt in dit geval door Uwe Excellentie alsnog genoegen genomen mot hel door don llaad aangenomen concept-contract van den K,len October 1887, dan zullen wij ons beijveren de opgave van eischen, welke aan de overeon-komsl zal worden gehecht, zoo spoedig mogelijk aan de goedkeuring van Uwe Excellentie te onderwerpen.
Mochten echter do bezwaren van don ambtsvoorganger van Uwe Excellentie tegen bovengenoemd concept ook bij
11 wo Kxcdlenlie heslnaii, dan ycvoolen wij ons locli vcr-plichl lol Uwe Exccllcntie's Im;I verzoek Ie riditen, alsnog Uw Exeellcnlie's goedkeuring Ie willen verleenen aan één der twee voorslcllen, welke in liet slol van onze missive van d(!n ^2^)slP,, Novemltcr 1887 aan den loennialigen Alinisler zijn gedaan.
Moehl Uwe Kxccllenlie echler volslrekl blijven vasllionden aan hel ons den '19(lequot; DeoemluM- IS87 loegezonden concepl-conlrat l ; mochl de aanneming daarvan door den Raad onzer Gemeenle de slellige eisch zijn, waaraan moei worden voldaan, dan zal de VoorzilhT van ons College de behandeling van dat concept spoedig bij den Raad aanhangig maken.
Wij hadden die behandeling gaarne vermeden mei hel oog op de verwaehling, dal hij den ISaad legen dal ron-cep! dezelfde bezwaren zullen beslaan, welke aanleiding hebben gegeven lol hel besluit van den 14den October 1887 omlrenl de nagenoeg gelijkluidende overeenkomslen. welke door den loennialigen Minister van ISinncnlandsche Zaken was voorgesleld, bij missive van 25 Juli 1887, N0. 'I9CG, Md. 0.
liet was ons overigens zeer aangenaam aan het slot van Uw Excellenlie's bovengenoemde missive Ie mogen vernemen, dat er bij Uwe Excellentie geen bezwaar beslaat legen ons besluil lol handhaving onzer bouwmeesters.
Door ons was dan ook nimmer beweerd olquot; verwachl, dal de Minister van Binnenlandsche Zaken als voorwaarde zoude stellen, dal onze Gemeente hare bouwmeesters, «lie haar volle vertrouwen blijven genieten, zoude loslaten.
Volkomen terecht wordt door Uwe Excellentie verondersteld, dal door ons bij het nemen van dat besluit norh is gedacht aan hunne onlcilbaarheid. noch aan beperking van Uw Excellenlie's olquot; onze bevoegdheid lol vrije beoorde eling der dooi' hen in Ie zenden plannen.
Dal besluit is genomen naar aanleiding van hun door ons gemeld nader advies en stond alleen in verband mol onze mededeeling, dat wij bij dezen bouw, op grond van het door de bouwmeesters aangevoerde, aan de uitsluiting van den Gothisehen slijl meenen Ie moeten blijven vasthouden. Wal wij omlrent de personen der bouwmeesters daarbij opmerkten strekle alleen ten betooge, hoe dezerzijds het mogelijke is gedaan om de beste waarborgen Ie verkrijgen voor de deugdelijkheid van het te stichten monument.
Huryemceslcr en Wel houders der gemeente Utrecht, De Burgemeester, (get.) DK MUI {ALT, Welh.
De Secretaris, (gel.) DK VVATÏKV1LLK
Bijlage N0. 5.
Ministerie van Binnenlandsche Zaken.
N0. 3099, Afdceling 0.
JBoricht op sohrijvea van 13 Nov. j. 1. Nquot;. 63, betreflcudc ü niversiteitsgebouw.
'.s-Gravenhaue, 12 Decern her 1888.
Hel langdurig overleg belreflendc dc verhouding lusschen Ilijk on Gemeenle bij den le ondernemen bouw en de verklaarbare wenscli van allen, die bij de slichling van de nieuwe lokalen len behoeve van hel hooger onderwijs belang hebben, dal die zaak lot een goed einde worde ge-brachl, nopen mij eene uilvoerige beschouwing van de molieven door Uw College gebezigd lol verklaring van zijn stilzwijgen na de mededeeling van 2 Februari dezes jaars, achterwege te laten.
Ik bepaal mij tot de opmerking dat, tiu hel blijkt, dat Uw College het niet wenschelijk acht verder gevolg le geven aan het bij gemeld schrijven aan den llaad gedaan verzoek om len deze te beslissen, mijnerzijds zal worden getracht naar spoedige verwezenlijking van de voornemens van bet Bestuur en van de ingezetenen der provincie en der gemeente Utrecht.
Aan
liunjcmccsler en Welhoaders van Ut redd.
JIi'l mijn AmblsvooigtmKcr ben ik van oordeel, (Lil Iii?l in hel belang, zoowel van hel Itijk als van de Gemeente is, dal, eer lot de tcelinisclie uitvoering worde overgegaan, de verhouding tusschen beide bij eene overeenkomst worde geregeld.
Maar ik ben levens bereid aan Uwe bezwaren tegen do door mijn ambtsvoorganger gestelde voorwaarden tegemoet te komen, en heebl mitsdien aan de onlwerp-overeenkomst, welke de Gemeenleraad bij zijn liesinil van U October
ISS7 zich bereid verklaard ........ met bet llijk to sluiten,
en waaraan bij alstoen zijne goedkeuring heen. gebeeht, ook mijne goedkeuring
Ik verklaar mij derhalve bereid eerlang bet noodigc overleg met IJ te plegen over de opgaven van eiscben, in Art, quot;1 van voormelde ontwerp overeenkomst bedoeld.
II, Miiiisivr ''quot;n Uhtimiliiiulsrlii' /iilnii, (get,) MAI'.KAV.
mijlage n0. c.
l!--quot;- - li Maart 18««.
JJT-------
Ann
linnicmecsler cn Wol houders I Urechl.
Naar aanleiding van Uw geëerd schrijven, dd. December 1888, hebben wij ons onmiddellijk met de samenslelling van een onlwerp-programma voor hel Universileilsgebouw bezig gebonden. Reeds sederl gernimen lijd mei dezen arbeid gereed, hebben wij echler mei de aanbieding daarvan aan Uw College lol nog loe gewacht, omdat wij, misschien tengevolge eener verkeerde opvatting, in genoemd schrijven eene nilnoodiging lol dirocle indiening van ons elahoraai niel meenden Ie mogen zien.
Ter voldoening aan een ons te kennen gegeven wensch haasten wij ons mi. aan IJ Wel Kdel A ch I baren het door ons ontworpen concept-programma hiernevens aan Ie bieden en daaraan de volgende toelichling bij Ie voegen.
Tol grondslag voor ons ontwei-p namen wij het programma der regeering, toegevoegd aan hel schrijven van den Minisler van Hinnenlandsche Zaken dd. .M Augustus 1887. Aan dit sink hebben wij ons, wat inhoud en volgorde betrell, zooveel mogelijk aangesloten, met «cglaling evenwel van
a
(li; voorwaardon bclrcflendc den si ijl van hel gebouw en van die bepalingen omlrenl de uitvoering, welke zoowel door liet Gerneenlebestuur en den Gemeenteraad, als door ons voor onaannemelijk worden beschouwd.
Ons eoncept-programma baseert voorts op eene door ons ontworpen nieuwe planverdeeling, waarin naar wij ons vleien, aan alle eischen is voldaan, die door de betrokken auloriteiten lol nu toe werden gesteld, ja zelfs meer aanbiedt dan gevraagd is.
Behalve eene wachtkamer voor de examinandi op de bovenverdieping, welk vertrek, waarschijnlijk abusivelijk, op het programma van den Minister niet voorkomt, bevat ons plan namelijk op de benedenverdieping eene wachtkamer voor de studenten, groot ± 43 M2. Heide deze lokalen zijn door ons ook in hel programma opgenomen.
Inderdaad zou het onlbreken eener stookbare wachtkamer voor de studenten, die bij dergelijke inrichtingen altoos wordt aangetroflen, naderhand als een groote misstand worden erkend. In het regeeringsprogramma voor een Universileilsgebouw le Leiden was zells eene groote recreatiezaal geëischt.
Kene vijlde collegekamer, die onze nieuwe plattegrond eveneens bevat, meenden wij evenwel vooralsnog niet in het programma te moeten opnemen, uitgaande van de overweging dal van regecringswege, zooals lol nu steeds geschiedde, in eene ol' de andere richting eene opdrijving der eischen zal le wachten slaan, waaraan denkelijk door hel nog beschikbare lokaal voor eene vijlde collegekamer dan zal kunnen worden voldaan.
Terwijl wij de viijhcid nemen, eene doortrekteekening der planverdeeling, waarop ons concept-programma berust, aan Uw College hierbij over le leggen, kunnen wij hel niet raadzaam achten, daarvan nu al aan den heer Minister
incdüdccling lc doen. Inlegcndcol scliijnt ons geheim houding van licl beslaan van dil plan gewenschl.
Mei de meesle hoogquot;achling hebben wij de eer le zijn
van Burgemeesler en Wolhouders voornoemd, de diansliv. Dienaren ,
(gel.) K. GUGEL. (gel.) G. VKUMEIJS.
PROGRAMMA VAN EISCHEN
VOOK l)BN
BOUW VAN EEN NIEÜW ÜNIVEESITEITSGIBOÜW
te UTRECHT.
Hol gebouw wordt opgericht ter plaatse waar zich thans het Leesmuseum hevindl en met gebruikmaking van hel terrein, vrijkomende door hel albrokon van het pand, vroeger bewoond door Jhr. Ham en voor zooverre noodig met gebruikmaking van den daarbij behoorenden luin. Hel moet zich onmiddellijk aansluiten bij «ie weslelijke en zuidelijke kruisgangen van de Domkerk, door welke men hel groole Autiilorium bereikt, en voorts in verbinding gebracht worden met de groep gebouwen, welke het Audi-lorium, de Senaalskamer en de lokalen in het voormalig polilicgebouw omvatten.
In hel nieuwe gebouw behoelt op eene Concierge-woning niel gerekend Ie worden, omdat den pedel-concierge eene woning in de lokalen van hel voormalig poliliegebouw wordt
2
2.Bcnoodigdc Hel gebouw moei hcvallen:
lokalen.
A. G cl ij lisl nuils.
1°. Vier collegezalen, als:
één grool ongeveer '120 M-.
drie » minstens 4-2 M2.
minstens twee dezer collegezalen behooren aan den tuin gelegen Ie zijn. De vorm dezer zalen behoort vierhoekig Ie zijn.
2°. Kene spreek- of wachtkamer voor de professoren, groot minstens 25 M2.
3°. Eene pedelskamer, groot ongeveer 15 M2.
4°. Een jassenbergplaals, groot minslens 12 M2.
5°. Eene wachtkamer voor de studenten, groot ongeveer 42 M2.
De spreekkamer wordt in de nabijheid van den ingang, de pedelskamer ongeveer in hel midden van het gebouw geplaatst en evenzoo de jassenkamer.
6°. Eene van tochtdeuren voorziene vestibule van malige afmetingen.
7°. Voorts zal op de benedenverdieping een door deuren ai te sluiten dooigang naar hel Vrijhof aangelegd worden, onafhankelijk van de communicatie dooi' de vestibule.
B. Op de eerste verdieping.
1°. Vijf faculteitszalen, als:
één groot ongeveer 70 M2.
één » » 55 »
twee » » 40 »
één » » 4-2 »
2°. Eene collegezaal ongeveer groot .quot;35 M2.
3°. Ecnc waclilkamer voor do examinandi, groot ongeveer 35 M2.
^0. Een verlrekje voor den pedel minstens grool 5 M2t 5°. Een jassenbergplaals minslens groot '10 M1.
Voor de ligging dezer beide laatste lokalen geldt wat van die vertrekken in de benedenverdieping is gezegd.
Trappen, De trappen moeien van sleen zijn. Dehalve de hoofdtrap, privaten .. i i • . • ■ ■
en wal er- die zooveel mogelijk in I midden van hol gebouw is aan plaatsen. [q leggen, is nog eene tweede of diensttrap van mindere breedte noodig, meer nabij de pedelswoning gelegen en waar langs men de zolderverdieping kan bereiken.
Twee privaten en walerplaalsen, aan de builenhidil uil-komende en door voorporlalen van de corridors gescheiden, moeten zoowel op de beneden- als op de bovenverdieping worden aangelegd.
4. Licht. Alle lokalen ontvangen zijlicht, dat in de faculteils- en collegezalen links van de toehoorders moet inlreden.. Zoo in corridors als happen en gangen moet bet licht in ruime mate loei reden.
6. Vloeren. |)c vloeren van gangen, corridors, privaten en waler
plaalsen, ook op do eerste verdieping, moeten van steen zijn. Om gehoongheid Ie voorkomen wordt in de faculteils- en collegezalen heizij van dubbele vlooren helzij van troggewelven onder do vloeren parlij getrokken.
7. Gas-, Allo lokalen, corridors, privaten en waterplaatsen worden
water- en . . .. •
ahelloiding. van casquot; cn walerlonlmgon mot toebohooron voorzien. Do
walorloiding wordt ook voor bi-andblussching en voor het
schoonmaken van hot gebouw ingerichl. Do noodige elec-
trischo schellen worden in do lokalen aangelegd.
/l
De vcrcisclilc bei'gplaalscn voor brandsloffcn on gcrccd-scitappcn worden in den tuin geplaatst, waarmede in verband oen gemakkelijke toegang van hol gebouw naai' don tuin wordt aangelegd.
Het maken van een kelder in liet gebouw, uitkomende op de straat wordt wenschelijk geacht.
Indien er van calorilcres voor de verwarming van gangen olquot; lokalen wordt partij getrokken, worden deze in den kelder geplaatst.
liet gebouw wordt van deugdzame materialen opgetrokken met vermijding van surrogaten. Do in liet gezichlkomende daksvlakken worden met leien algedekt.
De over Ie leggen teekeningen van het gebouw moeien bevatten:
(t. de plattegronden van de fundooring en de kelders, van de verdiepingen en het dak.
b. do noodige doorsneden.
c. do opslandsteekeningon van do verschillende gevels, al deze teekeningen uitgevoerd op do schaal van 1 : 100.—.
Mot deze teekeningen wordt overgelegd eene raming van kosten met omschrijving dor aan Ie wenden materialen.
IJohoort bij hot schrijven dor hoeren Gügel en Vermcijs van M Maart '1889.
S. Itcrg-plaafscu.
Verwarming.
JO. Uit-vooring.
ih- Heen la
C. Ver
ItlJLAGE l\'0. 7.
.Nquot;. 2.^7 I'.
rinrhl. l/i- Mmirl '1889.
Wij hadden do eer Ie onlvangen Uwe missive, dd 1» Maarl. I.I., waarbij ons naai- aanleiding van hel verzoek li gedaan, hij ons schrijven van 13 Oecemhei- 1888. een concepl-programma van eischen voor den honw van een nieuw Universilcilsgebonw, alsmede ccne daartoe helrek-kdijko calqnc-lcckcniny: werden toegezonden.
Alvorens hel bedoeld progranirna van eischen aan den Minister van Ilinnenlandsche Zaken tei goedkeuring aan ti^ bieden, achten wij het wenschelijk te weten welk bedrag voor den aanbouw van hel Universiteitsgebouw volgens dal programma ongeveer zou worden vereischt.
Daar wij hel zeer geraden achten, dal de opzending van het programma spoedig plaats vinde, nemen wij de vrijheid U Ie verzoeken de gewenschte opgave van kosten ons zoo spoedig mogelijk uiterlijk vóór den 20 Maart e. k. te verstrekken.
IturfieiHcesler en Wellioudcrs tier Gemeen Ie Vtrechl, De Bimjcmeesler,
(get.) W. U. BOEH.
De Secretaris,
(gel.) DE WATTEVILLE.
Aan
de Hoeren E. Gugel en C. Vermeijs le Delfl,
C. Vermeijs en E. Gïiyel le Ulrechl.
N0. 2:i7 ünivcrsif
Bijlage N0. 8
v.(l. N0. 2'57 F. betrciTeudc:
Uiiiversileitsgebouw.
quot;EL,!1Li_ Maarl 1889. IJritECIIT. quot;O
Aan
Ihirf/eniccxlvr rn Welhouders der iiememle Ulrechl,
In antwoord op Uw schrijven, d.d. \h Maart, N0. 237 K, hebben wij de eer Ie berichten, dat de kosten voor den aanbouw van het Ie stichten (Jn i vc rsi lei I sgebo 11 w volgens het dooi- ons ovei^elegde programma ongeveer /quot; 15,000 meer zouden bedragen dan destijds plan A door ons is begroot.
Terwijl volgens hel programma alleen dc vestibule geen uitbreiding, maar veeleer eene inkrimping van almelingen ondervindt, zouden Ier bevrediging der allengs hooger geklommen eischen der Regeering, nagenoeg alle lokalen eene meer of minder aanmerkelijke nilbreiding ondergaan.
Zoo bedroeg de vlakke inbond der grootste faculteitskamer volgens plan A 57 M2, terwijl in hel regeerings-programma ± 75 M1 zijn gevraagd.
En terwijl hel kleine audiloriinn èn in plan A èn in hel eersle programma van den rijksbomvkimdige slechts eene oppervlakte besloeg van 75 Al2, werden naderhand i het regeerings-program ma deze almelingen zelfs lot ± 130 M2. dus nagenoeg den dubbelen omvang opgedreven!
2
De aanmerkelijke uilbreiding van dil lokaal eisclit levens eenc verlioogiiif; der benedenverdieping van Iiel lo sliclilen gebouw.
Eindelijk maakl de door den Minisler gewenschle vermijding van alle bovenlichten den aanleg van eenc binnen-plnnis noodzakelijk, wal ook wederom cene niel onbelangrijke uitbreiding van den plattegrond van lid Ie stichten gebouw tengevolge moet hebben.
Nog voegen wij er bij , dat onze globale begrooting van het vermeerderde koslenbedrag op het schetsplan is gebaseerd, dal wij de eer hadden aan ons programma als bijlage toe Ie voegen.
Mei dc meeste hoogachting hebben wij de eer lo zijn
van Mmgomeester en Welhonders voornoemd,
de dicHshr. dieniircn,
(gel.) ]•]. GUGEL.
(gel.) C. VKHiMKIJS.
N0. 243 F
Aan den
Bijlage Nquot;. 9.
N0. 243 F.
Ulrechl, 10 Mnarl 1880.
Mij ons schrijven van 13 December II. deden wij U mede-deeling van de missive van den Minister van Hinnenlandsche Zaken, dd. 12 December 1888, n®. 3000, afdeeling ()., waarbij ons werd Ie kennen gegeven, dal hij bereid was zijne goedkeuring Ie hechten, aan de onlwerp-overeenkomst, die de gemeenteraad bij zijn besluit van 1-4 October 1887, zich bereid verklaard lieell met het Rijk Ie sluiten en waaraan deze toen zijne goedkeuring heeft gehecht; bij diezelfde missive verklaarde de Minister zich bereid eerlang met ons het noodig overleg te plegen, voor do opgave van eischen in art. 2 der voormelde ontvverp-overeenkomst bedoeld.
Naar aanleiding van dit schrijven zijn de ileeren Gugel en Vermeijs, de door U aangewezen bouwmeesters van het te slichten Universiteitsgebouw, door ons uitgenoodigd, zich met de samenstelling van de door den Minister bedoelde opgave van eischen te belasten.
Genoemde Ileeren hebben bij schrijven van 0 Maart II. aan onze uitnoodiging voldaan en het programma van eischen ingediend, dal wij U hiernevens in afschrift lei-kennisneming aanbieden.
Uit eene nader ons door de bouwkundigen verstrekte inlichting, bij hun schrijven van 12/18 Maart II., bleek ons evenwel, dal de bouwkosten van het Universiteitsgebouw, volgens dit programma van eischen de vroegere raming met /'15,000 zouden overtreflen; de redenen,
Aan den Gcmcenlcraad.
die daarloc aanleiding geven, zijn ontwikkeld in hel schrijven der heeren bouwkundigen.
Mei hel oog op de wensclielijkheid om deze zaak lol een goed einde Ie brengen en het tot stand komen van het Universiteitsgebouw te bevorderen, meenen wij ü Ie mogen machtiging vragen om hel thans overgelegd programma van eischen aan de goedkeuring van den iMinisler Ie onderwerpen en daarover zoo noodig onderhandelingen met hem te voeren.
De linrfiemeester en Weihouders der (jemeenle Ulrecld,
De Bnrgemeesler, (get.) W. R. I30EI{.
De Secretaris, (gel.) DE VVATTEVILLi:.
Bijlage N0. 10
'111 I-.
' Ulrochl, 25 Maar! 1881).
Bij Uwe missive van 12 December 1888, N0. 3099, Afdeeling 0., mochten wij de mededeeling ontvangen, dal Uwe Excellentie bereid is, de ontwerp-overeenkomst goed te keuren, die de Raad dezer gemeente bij besluit van 14 October 1887, zich geneigd verklaard heef! met liet Bijk Ie slniten en waaraan hij toen zijne goedkeuring beeft gehecht; tevens verklaarde Uwe Excellentie zich daarbij bereid eerlang met ons bel noodig overleg te plegen, over de opgave van eischen in art. 2 dier overeenkomst bedoeld.
Na ontvangst dezer Uwe missive hebben wij dadelijk onze bouwmeesters uitgenoodigd zich met de samenstelling van de gewenschte opgave van eischen te belasten.
Eene langdurige ernstige ongesteldheid van een der bouwmeesters gaf aanleiding tot eene vertraging in de voldoening aan onze opdracht; tot ons groot leedwezen toch, mochten wij eerst in den aanvang dezer maand hunne opgaven ontvangen.
Met hel door hen opgemaakt programma van eischen hebben wij ons in allen deele kunnen vereenigen.
Wij geven ons thans de eer hetzelve aan Uwe Excellentie
Aan
ne Excellcnlie den Minister van Minnenlamhche Zaken
Ie 's-Gravenhage.
2
aan te bieden en durven de hoop uit te spreken, dat het Uwe goedkeuring zal mogen verwerven.
Ofschoon de kosten van aanbouw, volgens dit programma,
de oorspronkelijk geraamde som aanmerkelijk zullen overschrijden , houden wij ons overtuigd, dat de Raad dezer gemeente de noodige middelen wel zal willen beschikbaar- ^0- ^bi
stellen , daar hij het evenals de Ingezetenen dezer gemeente
op prijs zal stellen, dat de tot standkoming van het r 1 d . . . Mauri 18891
nieuw Universiteitsgebouw worde verzekerd. nieuw Uni
Utrecht
Burgemeester en Weihouders der gemeente Ulrerhl.
De Burgemeester,
(get.) W. H. BOER.
De Secretaris,
(get.) DK WATÏKVILLE.
Burgemet
Bijlage n0. 11.
Ministerie ^an Binnenlandsche Zaken.
IN0. 15812. Afdeeling 0.
Bericht op schrijven van 25 Maart 18S9 n0. 277 F, betrcfTende nieuw Universiteitsgebouw te Utrecht
's-Gravenluiye, (i Ju ui 1889.
Terwijl ik mij voorstel U eerlang in kennis le stellen met mijne zienswijze betreffende het nieuwe programma van eisclien, zal ik vooraf gaarne vernemen of in dat stuk wellicht eenig punt overgeslagen of bij het overschrijven daaruit is weggelaten. Immers na IV Licht volgt VI Vloeren. Het kon ook wezen dat de nummers fout zijn.
De Minister run Binnenlandsche Zaken, (get.) MACKAY.
Aan
Burgemeester en Wethouders van Utrecht.
Bijlage N0. i42.
NP. V.
Ulrechl, 7 Jani 1880.
Ter beantwoording Uwer missive van 6 .Inni 1889, n0. 1581, aldeeling 0, hebben wij de eer Uwe Excellenlie mede Ie deelen, dal ons is gebleken, dal in het programma van eischen van hel Universiteitsgebouw aan Uwe Excellentie toegezonden bij ons schrijven van 25 Maarl 1. I. n0. 277 V. werkelijk een lont in de nummering der vei-schillende punten is begaan, daar op n0. IV volgt n0. VI.
Met leedwezen erkennen wij deze fout; bij vergelijking der verschillende punten in dal programma voorkomende, mei die, vermeld in hel programma gevoegd geweest bij de missive van Uwe Excellentie van Augustus '1887, n0. 2604, aldeeling 0, zal uwe Excellenlie evenwel bemerken, dat alle daarin vermelde onderwerpen mede zijn behandeld.
Uuryemeesler en Wet houders der gemeente Ulrechl.
De Burgemeester, (get.) W. R. BOER.
De Secretaris, (gel.) DE WATTEVILLE.
Aan
Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken
te 's-Gravenhage.
Bijlage N0. 13.
Ministerie van Binnenlandsche Zaken.
La A. Afdeeling 0.
Bericht op schrijven van 7 Juni jJ| N0. 243 F., belrcffendc
Universiteitsgebouw Utrecht. 1 s-Gvavoihcuje, 1 Februari 1890.
Omtrent hel mij door U toegezonden ontwerp van een programma van eischen voor den bouw van een nieuw gebouw ten behoeve der Rijks Universiteit te Utrecht, zijn door mij verschillende adviezen gevraagd, waarvan de beantwoording tijdroovend is geweest, terwijl ik laatstelijk door vele en dringende ambtsbezigheden verhinderd ben geworden de (alrijke te dezer zake ontvangen bescheiden Ie overwegen met de zorg, welke deze belangrijke aangelegenheid vereischt. Een en ander verklaart de vertraging der behandeling eener zaak, waarvan ik de beëindiging gaarne wensch te bevorderen.
Ik heb thans de eer U den uitslag mede te deelen van de overwegingen, waartoe de gewisselde stukken mij aanleiding geven.
In het ontwerp-programma wordt sub l0 het terrein omschreven, waarover de bouwmeesters te beschikken
Aan
Burgemeesler en Welhoiulers van Ulrechl.
hebbon en aansluiling van hel nicnwe bouwwerk met de beslaande gebouwen, welke bij de Rijks Universileil in gebruik zijn, gevraagd. Hel is noodig en in hel belang der bouwmeesters zeiven tevens Ie vermelden, dal het in de bedoeling liiit de van Rijkswege Ie beglazen kruisgangen te bestemmen tot «Salie des pas perdus,» en dat deze derhalve mei het nieuwe bouwwerk in onmiddellijke gemeenschap moeien worden gebracht.
In verband hiermede kan de eisch sub § 2 van een wachtkamer groot ongeveer 42 M2 voor de studenten gelijkvloers te ontwerpen, vervallen en opgemerkt worden dat de kruisgangen levens als vestibule en verbindingsgang kunnen bestemd worden.
Immers zullen de kruisgangen, welke des winters verwarmd zullen worden, en die eene oppervlakte van 208 M2 bieden, ruimschoois in de behoefte voldoen, en de ondervinding leert dat studenten liever zich bewegen in een l uimen gang dan zich ophouden in een naar verhouding beperkt vertrek. Ook in buitenlandsche Universiteiten worden gangen, zooals de ütrechtsche kruisgangen, mei gelijke bestemming aangetroflen.
Met de aanduiding der sub § 2 gewenschte lokalen kan ik mij overigens wel vereenigen. Wat de almetingen aangaat, is het beter overal waar «minstens» staat, «ongeveer» te lezen en len aanzien van de eerstgenoemde collegezaal 80 a 120 iM2 te vragen in plaats van «ongeveer 120 M2.»
Ten aanzien der verlichting (§ 4) dient aan de bouwmeesters gezegd te worden, dal vallichten moeten vermeden worden. De ondervinding leert, dat bij sneeuwval zulke lichtopeningen verduisterd worden, dat zij vaak aanleiding geven tot lekken en het aldruipen van condensatiewater, en veel onderhoud vereischen.
Betrefl'ende de verwarming (§ 9) is Ie bepalen dat voor
13
3
do gangen, Irappcn enz., calorifères in de kelders zijn aan le leggen, dcich dat de college- en racnltcilskamcrs met haarden ol' kachels verwarmd moeien worden, en dal de rookkanalen alsdan legenover de werkmnren moeien geplaatst worden.
Ter beoordeeling van de over le leggen teekeningen (§ 11) moeien ook teekeningen ingezonden worden, aanduidende de construclie der balklagen en der kappen,
alsmede verschillende delailleekeningen.
Tot verzekering eener goede uitvoeringen hel voorkomen van latere uilgaven voor onderhoud en verving der ge-bonwen, dient de aandacht der bouwmeesters in § 10 er op gevestigd le worden, dal geen bepleistering van bniten-muren, noch nabootsingen van het eene malerieel in hel andere mogen voorkomen. Het veelvuldig aanwenden van zulke bepleisteringen en nabootsingen • maakt zoodanige bepaling alleszins noodig.
Omtrent een hooldpunt, den slijl van hel nieuwe bouwwerk, wordt niets gemeld.
Toch is het onmisbaar dal de Bouwmeesters weten wat op dit punt van hen verlangd wordt.
In hel Program door mijn Ambtsvoorganger den •tl3ten Augustus 1887 opgezonden, was gezegd: «dat de stijl van het gebouw in overeenstemming moet zijn met dien van de kruisgangen en van hel Groot Auditorium, waarmede het een geheel zal vormen.»
Daarentegen lees ik in Uwe brieven van 13 October 1888 N0. 31 eti van 13 November 1888 N0. 03, dat Uw College den stijl der bovengenoemde monumenten hier zon wen-schen uit te sluiten, en wel op grond van de meening Uwer beide bouwmeesters. Indien de meening van Prof.
Gugel en van den nu overleden Stads-Architect Vermeijs als juist eikend ware, zou in het Program moeien geschre-
ven worden, welke stijl te volgen is, of althans bepaaldelijk dat de stijl van kruisgangen, Groot Auditorium, Domkerk en Domtoren uitgesloten is.
Met het oog hierop heb ik zonder vooringenomenheid — evenals ik verwacht dat dooi' U gedaan zal worden — hetgeen omtrent deze quaestie verhandeld is, nagegaan.
Het punt van uilgang is het besluit van den Gemeente-raad van Utrecht van 21 November 1885, waarbij besloten werd tot de stichting van een Universiteitsgebouw dai de thans voor het Universitair onderwijs nog ontbrekende lokaliteiten zal bevatten, dat gevestigd zal worden aan het Munsterkerkholquot;, en met de tegenwoordige Senaatskamer, Groot Auditorium en verdere lokaliteiten in verband gebracht en tot een geheel gevormd zal worden.
In het schrijven van Uw College aan Curatoren van 10 December 1885 wordt nog gezegd:
ulat het te stichten Academiegebouw slechts aanvulling van al het reeds bestaande beoogt, dat men bovenal bedoeld heeft het erlangen van eenige geschikte faculteitskamers en college vertrekken.» In overeenstemming hiermede werd blijkens Uw schrijven aan Curatoren van 15 Juli 1880 aan de Hoeren Gugel en Vermeijs «de bepaalde opdracht» gedaan tot het ontwerpen van een gebouw:
dat de thans voor het Universitair onderwijs nog ontbrekende lokaliteiten zal bevatten en met de tegenwoordige Senaatskamer, Groot-Auditorium en de verder daar aanwezige lokaliteiten in verband gebracht en tot een geheel zal worden.
Met zoovele woorden werd derhalve het bepaalde voornemen te kennen gegeven om den nieuwen bouw met de oude lokalen in een zoo innig verband te brengen, dat zij te zamen één geheel zouden vormen, en het ligt voor de hand dal om de eenheid te verkrijgen, de lokaliteiten van
13
5
het oude gebouw, welke bij de lol stand te brengen uitbreiding een gepaste bestemming konden erlangen, met het nieuwe bouwwerk in innig verband en in gemeenschap moesten gebracht worden, en dat de toepassing der vormen aangenomen bij de slichting van die oude gebouwen, welke een monumentaal karakter dragen (Groot-Auditorium en kruisgangen) ook volgehouden moest worderf bij den bouw der nieuwe lokalen, m. a. w. dal de uitbreiding en aanbouw moesten geschieden in den stijl van het monumentale Auditorium en van de monumentale kruisgangen. De zeer juiste wensch om de stichting van ontbrekende lokaliteiten te doen strekken tol het bekomen van een Universiteitsgebouw, dal een geheel zou vormen, vordert, zal de eenheid zichtbaar zijn, het handhaven van den monumenlalen stijl van de te behouden gebouwen.
Deze natuurlijke redeneering ligt dan ook len grondslag aan de beschouwingen vervat in hel advies van Curatoren van 17 Februari 1887, waarin zij zeggen: «dat het niet twijfelacblig kan zijn, welke stijl moet gekozen worden,
wanneer men den blik vestigt op Auditorium en Kloostergang» , en mijn ambtsvoorganger meende zich zoowel daarnaar te gedragen, als naar de duidelijke termen van het Gemeenteraadsbesluit van 21 November 1885, toen hij in het programma voor den bouw schreef, dal hel nieuwe bouwwerk zich onmiddellijk moest aansluiten bij de kruisgangen, dal van deze ruime en fraaie van Rijkswege op onbekrompen wijze gerestaureerde gaanderijen gebruik moest gemaakt worden en «dat de stijl van het gebouw in overeenstemming moest zijn met dien van de kruisgangen en van het Groot-Auditorium, ivaarmede hel een geheel zal vormen.» Ik heb mij in gemoede afgevraagd of tegen dezen logischen gedachlengang argumenten van wezenlijke waarde zijn ingebracht.
O
Oc hecren Gugel en Vermeijs wenschlen den stijl van Groot-Audilorinm en kruisgangen uitgcslolen le zien, en hel Irefl mij dal zij lol bevrediging van dien wensch niel aarzelen legen hel bepaalde en verslandige voornemen van den Gemeenteraad lot uitbreiding der bestaande gebouwen ow mi (jchecl Ie verkrijgen, op te komen. Immers in hunne nota van 14/45 Juni 1887 verklaren zij dat voor hel le slichten gebouw de Henaissance-stijl aangewezen is; en wel verre van le overwegen wal ten aanzien van den stijl hel mandaal, om van hel bestaande en hel nieuwe bouwwerk óén geheel le vormen, medebrengt, willen zij dal hel nieuwe bouwwerk «.zooveel eenigszins mogelijk een eifjenaardig geheel, en op zich zelf slaand won a wenl vormei en adviseeren zij «tot eene nog scherpere afscheiding van kloostergang en Universiteit veeleer dan tol eene ineen-smelting van beiden.» Met is ook uil de overige stukken duidelijk dat de hecren Gugel en Vermeijs bij hunne adviezen steeds uitgegaan zijn van de meening, dat het nieuwe bouwwerk behoorde te vormen niet een geheel met hel bestaande, maar een afzonderlijk ook in zijne uiterlijke vormen afgescheiden gebouw, dat slechts met een paar deuren gemeenschap zou verkrijgen met de tegenwoordige monumentale Universiteitsgebouwen; dal derhalve hel denkbeeld van den Gemeenteraad uilgesproken in de zitting van 21 November 1885, beaamd door Curatoren, gehandhaafd door mijn Ambtsvoorganger, moest losgelaten worden.
De voor die zienswijze aangevoerde argumenten komen mij niet afdoende voor. De bewering «dal de herleving der klassieke oudheid op taalkundig en wetenschappelijk gebied en daarmede de ontwikkeling en de bloei der Universiteiten, met de gelijktijdige hervorming op het gebied der beeldende kunsten zoo nauw in verband slaan, dal de keuze van den Henaissance-stijl als van zelve aangewezen is»
man- als een machlspreuk beschouwd worden, waarvoor elk bewijs onlbreekl. Hel bewijs zou overigens bezwaarlijk le leveren zijn, dal de bloei van talrijke Öniversileilen welke reeds in de Xlll(le en XIVde eeuw beroemd waren, samenvall mei liel tijdperk der Itcnaissance op kunstgebied. Nog bezwaarlijker is bet bewijs, dal dit samenlréffen, zoo bet erkend werd, er toe noodzaakt in bet vervolg alle üniversiteilen in Renaissance-slijl te bonwen. De feiten zonden deze bewering logenslraflen en zij moeien de uitspraak der beeren Gugel en Vermeijs doen verwerpen, waar zij beweren dat: «de slicbling van een Universileils-gebouw der XIXde eeuw in gotbieken stijl nauwelijks een mindere anomalie zou zijn als de opricbling van een gotbiscben scbouwburg». Daargelaten dal in 1881 bel ontwerp voor een gotbiscben scbouwburg van den archilect J. H. Zun bekroond werd, dal golhischc schouwburgen le Ohio (Cincinnati) te Kansac City (Missoury) en le Stratford on Avon, en een romaansche schouwburg te Worms kunnen aangewezen worden, zijn alleen in de laatste 6 jaren tal van uitgebreide Universitcits- en hooger onderwijs gebouwen in Engeland, in Diiilschland, in Amerika, in Britscb-Indië, in Australië, in gothischen stijl gebouwd, zooals:
de Glasgow-University, door Scolt;
de Universiteit van Wales le Abcryswyth door Borcham; bel Pembroke College le Cambridge, door Scotl; bel Lincoln College te Oxford door Graham Jackson; het University-College le Nottingham;
hel College of Medicine der Universiteit van Durham te Newcastle on Tyne (aangevangen 3 November 1887); het Owens College te Manchester door Waterhouse; de Universiteit le Marllord (Connecticut) door Keiler; de Northwestern University le Evanslon (Illinois) 1887;
de Universiteit te Palo Allo (Californie) 1888; hel Academisch Gymnasium te Weenen door Schmidt; de Leibnitz Realschule te Hannover door Droste en Wilsdorff;
het Gymnasium Andreanum te Hildesheim doorllase, enz. In het licht van deze feilen, die; U vermoedelijk onbekend waren, kan niel volgehouden worden, dal de gothische stijl eene anomalie zou zijn voor een Universiteitsgebouw, en allerminst, waar het gelijk hier geldt, aansluiting te verkrijgen aan- en eenheid met monumentale gebouwen in dien stijl gesticht en waarin de Utrechlsche Universiteit sinds 2'/j eeuw gevestigd is en een eervollen naam heeft weten te verwerven.
Waar de heeren Gugel en Vermeijs adviseerden den gotbischen stijl uit Ie sluiten wegens de nabijheid van Domkerk en Domtoren, en een beroep deden op don alge-meenen geest en de heerschende kunstrichting van onzen tijd, zijn zij inderdaad evenzeer in tegenspraak met de feiten, en eerstgenoemde buitendien met zich zeiven. liet is toch niet tegen te spreken dal men tegenwoordig er zich allervvege juist op toelegt om tot het bekomen van harmonie den slijl der naaste en soms zelfs der verdere omgeving bij nieuwe bouwwerken te volgen. Zoo werd de golhiek gekozen door Blomfield, toen hij bet Selwijn College aan de Universiteit te Cambridge toevoegde, door Gbampneys, toen hij bet Magdalen College te Oxford uitbreidde, door Harry toen bij bet Parlement Ie Londen bouwde, door Dollinger toen bij gebouwen bij het iMunster te Ulm ontwierp, door de besturen van land, gewest en stad bij den bouw van bet slat ion en andere gebouwen te Nürnberg, van scholen, postkantoren enz. te Hildesheim, van het station en het Gouvernementsgebouw te Brugge. Het is bekend dat de Directeur der Duitsche posterijen
13
9
Slcplian, dezen regel ten aanzien van de posl- en telegraafkantoren in Duilschland handhaaft, en het is treffend, dat juist de heer Gugel met lof gewag maakt «van deze talrijke en aanzienlijke gebouwen, die zich door bijzonder degelijke en monumenteele uitvoering onderscheiden.» In zijne geschiedenis der Ilouwstijlen zcgl hij dienaangaande:
«Verre van zich aan een officieelen bouwtrant te binden,
heeft men en ival .stijl en wat bouwstoflen betreft, zeer Ie recht getracht met de plaatselijke onislandighcden en In de eerste plaats met het architectonische karakter der om-(jeviiui rekeninri te houden.ygt;
Dit gezonde beginsel wordt vooral daar nageleefd, wammen niet slechls de omgeving in hel oog Ie houden heelt,
maar gelijk hier tot uitbreiding van bestaande monumenteele gebouwen nieuwe daaraan heeft loe Ie voegen en daarmede Ie verbinden.
Evenmin als men er aan gedacht heeft den gothischen slijl Ie kiezen toen men in 1841 hel stadhuis Ie Parijs,
of toen men hel Louvre en de Tuileriën in hoe ruime mate ook uitbreidde, of toen men te Brussel de Ministeriën en Staatsgebouwen in de «Rue de la loi» veigroolle, wijl deze bouwwerken in een anderen stijl opgetrokken waren;
evenmin aarzelde men in gothischen slijl Ie werken loen hel gold de toevoeging van nieuwe gebouwen aan de Musea te Nürnberg en Ie Hildesheim, aan het Westminster paleis Ie Londen (schoon de aangebouwde lokalen 8 malen meer oppervlakte beslaan dan de oude, welke behouden bleven en als uitgangspunt dienden) en onlangs loen men hel Paleis van Justitie Ie Rouaan vergrootte.
Waren Groot-Auditorium en kruisgangen Renaissance-monumenten, op den gothischen stijl zou voor hunne uitbreiding niet aangedrongen worden; doch nu deze gebouwen gothische monumenten zijn, en monumenlen van den l011
10
rang', nu luiilcndien do naaste omgcvin'g beslaal uil de voornaamsle i?ol!iisclie monumenlen van ons land, liggen het voort bouwen en voltooien der Universiteit tot een passend geheel in denzelfden gothischen stijl voor de hand. Ken blik op bijmaanden platten grond toont dit ten overvloede duidelijk aan. De overweging van het te dezer zake verhandelde leert overigens dat het volgen van dit beginsel ook praktische voordeelen biedt. Uit de vroeger aangeboden ontwerpen namelijk is op te maken dat het stelsel om lol het rechtvaardigen van de keuze van een anderen stijl. zoo min mogelijk met de bestaande lokaliteiten rekening Ie houden, verschillende nadeelen dreigt teweeg te brengen, zoowel ten aanzien van de gemeenschap met hel Groot-Auditorium als van die met de kruisgangen, en dat van deze laatste niet zooveel partij getrokken wordt als mogelijk en in allo opzichten wenschelijk te achten is: hel is toch duidelijk, dat wanneer deze ruime gangen tot een integreerend bestanddeel van hel lot één geheel te vormen Universiteitsgebouw worden gemaakt, op de ruimte anders voor vestibule, corridors en wachtkamers te bestemmen veel uitgespaard kan worden.
Alles pleit derhalve voor de keus van den stijl van kruisgang en Auditorium. Alleen daardoor zal een organische eenheid, een harmonisch geheel verkregen worden, waarbij de door hel 15ijk gerestaureerde gangen en de in eere herstelde gehoorzaal, die sinds 250 |aren het centrum der Universiteit vormt, hunne volle historische en artistieke beteekenis zullen behouden, en oud en nieuw zich zullen verbinden tot een monument der Uoogeschool waardig.
De Mumicv van Iluinen/andsclie Ztilrn, (gel.) .MACKAV.
Bijlage N0. \k.
Hol schrijven van Zijiio Excellenlie den Minister van Binncnlandsche Zaken, dd. 's-Gravenliage 1 Februari 1890, la A, Afdeeling 0, belrelTende hel Universileilsgebouw — waarvan mij onder daglcckening van 14 Fehruari een afschrift werd Ier hand gesleld, is door mij zoowel mei dezelfde zorg, als mei dezelfde resignalie als alle vroeger gewisselde stukken gelezen en overwogen. Ik heb de eer, de resullalen van mijn onderzoek in de navolgende beschouwingen en beloogen te Uwer kennisse te brengen.
De inhoud van den brief van Zijne Excellentie is ge-splilsl in twee onderdeelen, waarvan hel eerste hel eigenlijke programma en hel technische gedeelte van de kwestie behandelt, terwijl het tweede gedeelte op de vraag over den stijl van hel Ie stichten monument betrekking heeft.
liet onderwerp der vallichlen is door Uwe bouwmeesters reeds in hunnen brief van IAj\ 5 Juni 1887, en wel in verband met zekere rijksgebouwen, besproken, waarbij alleen nog het paleis van Justitie te 's-Gravenhage onvermeld is gebleven.
Bij vallichten met liggende ramen kan dooi' sneeuwval verduistering veroorzaakt worden.
Bij toepassing van lantaarns met staande ramen, zooals ze voornamelijk bij verschillende musea te München, Dresden, enz, reeds voor 50 jaren werden toegepast, kan dit en kunnen alle andere bezwaren, al is hel ook met eenigszins belangrijke kosten, geheel worden weggenomen.
2
Overigens is hel vraagstuk der valliclilen mi vermoedelijk eene blool iheoretische kwestie geworden, aangezien de uitbreiding der afmetingen van bijna alle lokalen ook eene uitbreiding van bet te bebouwen terrein tengevolge zal hebben, waardoor de ontwerper ten opzichte van de verlichting in eene veel gunstiger positie zal geplaatst zijn.
Wat de venvarming betreft, zoo kwam het Uwen bouwmeesters voor, dat de in hel Concept-programma der negeering voorkomende bepaling omtrent de plaatsing der schoorsteenen tegenover de werkmuren geen redelijken zin heeft, en daarom niet in het programma behoorde opgenomen te worden. De plaatsing der schoorsteenen tegenover de werkmuren kan immers alleen doelmatig geacht worden voor collegekamers, die langer of breeder dan diep zijn — bij de zoogenaamde «bangklassen» der Duitschers — terwijl bij vierkante zalen, en bij de zoogenaamde «tiefklassen,» die meer diepte dan breedte langs de frontmuren hebben, zoowel uit een oogpuril van economie als doelmatigheid, de achtermuur voor de plaatsing der schoorsteenen de voorkeur verdient. Eindelijk kan men in sommige gevallen bij alle grondvormen van school vertrekken met lt;1ü plaatsing der schoorsteenen, in de hoeken zijn voordeel doen.
Niemand, die goed ingerichte moderne schoolgebouwen heeft gezien, zal de waarheid dezer zienswijze ontkennen. Om deze redenen behoorde volgens de zienswijze Uwer bouwmeesters, met vermijding van dergelijke generalisee-rende bepalingen, den ontwerper de vrijheid gelaten te worden, in deze naar omstandigheden te handelen.
Wat de aanwending van surrogaten en meer bepaaldelijk van bepleisteringen van buitenmuren — lees: in de buiten-ordonnanciën of gevels — aangaat, zoo zijn de door den Gemeenteraad aangewezen middelen voldoende voor eene
14
S
in alle opzichten monumenlale uitvoering van hel gebouw; ook zonder dat er gevaar beslaat, de bouwsom mol bel enkelvoudige of dubbele bedrag der raming overschreden te zien. Mei het oog op het onderhoud dienen ook in de binnenordonnantie muurschilderingen op pleister zooveel mogelijk vermeden te worden.
Aangaande de over te leggen teekeningen, eindelijk,
kan de ondergeteekende voor zijn persoon alleen de verklaring herhalen, die hij vroeger met zijn nu overleden Collega Vermeijs heelt afgelegd. Nooit en nimmer zal hij bereid gevonden worden, meer dan de gewone bestekleeke-ningen ter beoordeeling of goedkeuring over te leggen.
Bijzonder uitvoerig is in hel schrijven van Z.E. den Minister van Binnenlandsche Zaken het vraagstuk betreflende den stijl van het te stichten gebouw behandeld, dal als het hoofdpunt van hel programma wordt beschouwd.
liet is voornamelijk de inhoud der door Uwe bouwmeesters nu bijna driejaren geleden — '14/15 Juni 1887 — ingediende Nota betreflende den stijl van het te slichten «Universiteitsgebouw,» die aan eene kritiek wordt onderworpen.
De voor onze zienswijze in dal stuk aangevoerde argumenten, welke Zijner Excellentie niet afdoende voorkomen,
worden op velerlei gronden bestreden, die volgens mijne bescheiden opvatting in hooge male voor tegenspraak vatbaar zijn.
Het zij mij vergund, met gepasten eerbied, maar levens met de vrijmoedigheid, die de belangrijkheid der zaak en mijne plichten tegenover U mij opleggen, mijn slandpunl nogmaals te verdedigen — al geef ik mij ten opzichte van de slechts academische waarde mijner beschouwingen en betoogen aan geenerlei illusies over.
4
Ucl is geen machlspreuk, maar wel de uiling cener gevestigde overtuiging, die ook nu nog niet aan liet wankelen is gebracht, wanneer ik de keuze van den Renaissancestijl , wiens opkomst met de herleving der klassieke oudheid en de ontwikkeling en bloei der Universiteiten zoo nauw in verband staat, voor dit te stichten Universi-teitsgebouw als van zelf aangewezen beschouw. Wanneer ik in deze mijne zienswijze faal, en mijne opvatting «dat de stichting van een Universiteitsgebouw der XIXC eeuw in gothischen stijl als cene anomalie moet worden beschouwd» niet de juiste is, dan faal ik met de overgroote meerderheid mijner vakgenooten, die, zooals de monumenten bewijzen, mijne zienswijze deelden en nog deelen. Zeker is er geen regel zonder uitzondering en het licit, dat er ook eenige Universiteiten in Engeland en Amerika in gothischen stijl zijn uitgevoerd, is niet in staat, mijne zienswijze te wijzigen.
Ook de omstandigheid, dat er onder de duizenden schouwburgen, die in onzen tijd bestaan, in Engeland en Amerika twee of drie in gothischen trant worden aangetroffen, die door de technische adviseurs der Regeering worden opgenoemd, pleit volgens mijne bescheiden meening meer voor, dan tegen de juistheid mijner zienswijze, volgens welke ik de oprichting van gothische schouwburgen als nog grooter anomalie blijf beschouwen. Zulke uitzonderingen spreken beter dan de meest uitvoerige betoogen voor den regel.
Dat mij het bestaan van gothische Universiteitsgebouwen niet onbekend was, blijkt uit mijne «Geschiedenis der Bouwstijlen» hoofdstuk XIXU eeuw, waaruit ik mij veroorloof, de vólgende zinsneden aan te halen:
«In geen land van Europa wordt de gothische bouwstijl meer en met meer gevolg beoefend dan in Engeland.
«Zooals do vcrliouding nu slaal, vindl deze stijl niol alleen bij kerken en scholen en bij alle andere sliclilingen, waarop de geeslelijkheid invloed heell, geheel uitsluitend toepassing — maar ook bij openbare gebouwen van wereldlijke strekking voor Universilcilen. stadhuizen, beurs- en bankgebouwen, hospitalen enz., en voornamelijk ook voor buitenhuizen wordt hij even veelvuldig aangewend als de Renaissance ...»
«De in Engeland gebruikelijke bouwtrant vindl navolging in Amerika en in de Rngelsche koloniën, voornamelijk in Indië en Australië.»
Daarmede in overeenstemming betreffen de door de raadslieden van de Regeering opgenoemde Universiteitsgebouwen uitsluitend Engeland en Amerika.
In Engeland steunde de opkomst en ontwikkeling dei-Universiteiten op de medewerking dei' bisschoppen, domkapittels en andere kerkelijke autoriteiten, en hel waren prelaten, aan wie de invloed der kerk en de leiding der school was toevertrouwd.
Oxford en Cambridge beslaan nog heden uil eene reeks van Gollegiën met kerkelijke verplichtingen en inrichtingen, die uil middeneeuwsche legaten en privilegiën zijn voorl-gekomen, waaruit aan vele studenten kosteloos verblijf, verpleging en onderwijs worden verstrekt, terwijl een aantal geleerden zeer ruime beurzen genieten.
Van eene sympathie voor de gothiek, gelijk ze in Engeland wordt aangetroffen, waar die stijl inderdaad in den nieuwsten tijd hoe langer zoo meer populair schijnt te worden, is op het continent vooralsnog niets te bespeuren.
Evenmin van eene propaganda voor kerkelijke kunst en den gothischen stijl van de zijde onzer Universiteiten, zooals in Engeland plaats heeft. Immers, is hel toch eene Universiteit (Cambridge), waaraan de vereeniging voor
O
kerkelijke kunst — «Ecclesiological Society» haar ontslaan dankt, een genootschap, dat tot de tegenwoordige herleving der gothische kunst in Engeland oneindig veel en meer dan eenig ander lichaam heelt bijgedragen.
Dat, meer bepaaldelijk in Nederland, in 't algemeen meer afkeer van, dan sympathie voor don gothischen stijl bestaat — een verschijnsel, waarvoor de verklaring in de geschiedenis van land en volk voor iedereen open en bloot ligt — zal wel geen tegenspraak ondervinden. Wij zullen geen uilen naar Athene brengen.
Aan de twee duitsche gymnasia in gothischen stijl, die tot bestrijding onzer nota in den brief van Zijne Excellentie worden vermeld, kan onmogelijk grootere bewijskracht worden toegekend dan aan de drie gothische schouwburgen.
Ondanks dat in de middeneeuwen reeds kloosterscholen bestonden, evenals er in de XIII0 en XIV^ eeuw reeds Universiteiten waren, is de gothische bouwtrant voor humanistische gymnasia ook hier te lande — wij verwijzen slechts naar de nieuw verrezen gymnasia te Amsterdam, Rotterdam en Nijmegen - alles behalve gebruikelijk. De architecten Hase en Schmidt bouwden hunne gymnasia in gothischen trant, eenvoudig omdat zij als gothici gewoon waren al hunne bouwwerken in gothischen, althans mid-deneeuwschen, stijl uit te voeren.
Wie Hase's Andreaneum te Hildesheim en Schmidts academisch gymnasium te Weenen gezien heeft, zal overigens moeten bekennen, dat beide bouwmeesters zich — volgens de opvatting der regeeringsadviseurs — aan eene erge ketterij hebben schuldig gemaakt, door op de harmonie van den stijl met de naaste en verdere omgeving niet in het minst te hebben gelet.
De schrikbarend sombere en kille baksteenbouw van Hase in den trant van het «oude» Hannover en Luneburg
14
7
is uil dat oogpunl lc Ilildeshcim evenzeer misplaalsl, als het gothischo gymnasium van Schmidt in de omgeving van den modernen Kolowrat-ring met zijn Renaissancepaleizen te Weenen.
Wanneer ik in het schrijven van den Heer Minister verder lees; «Hel is toch niet tegen te spreken, dat men tegenwoordig zich allerwege er op toelegt, tot het hekomen van harmonie, den stijl der naaste en soms zelfs der verdere omgeving hij nieuwe bouwwerken te volgen,» dan doet het mij oprecht leed, zulks ondanks ingespannen en onbevooroordeeld nadenken, als eerlijk man niet Ie kunnen beamen. En het komt mij voor, dat tegenover de weinige,
door de adviseurs van Zijne Excellentie aangevoerde voorheelden eene overstelpende meerderheid van voorbeelden,
die het tegendeel bewijzen, kan gesteld worden.
Wanneer ik in de eerste plaats mijne aandacht vestig op de in den laatsten tijd hier te lande verrezen slaats-gehouwen, zooals het paleis van justitie, het postkantoor en het zoo in het oog vallende gebouwtje aan den hoek tusschen Tweede Kamer en Stadhouderlijk kwartier-vleugel Buitenhof te 's-Hage, op het Centraalstation en het Rijksmuseum te Amsterdam, op de nieuwe Universiteitsgebouwen Ie Leiden en fironingen, hel nieuwe postkantoor te Arnhem en zoo vele andere stichtingen van Staatswege, zoo komt het mij voor, dat de betreffende bouwmeesters van den toeleg op harmonie met de nadere of verdere omgeving weinig blijken hebben gegeven.
En wanneer ik naga, welken invloed meer bepaaldelijk de kerkelijke monumenten op den stijl der nadere en verdere omgeving hebben uitgeoefend of nog uitoefenen —
wat voor het onderhavige vraagstuk juist het kweslieuse punt uitmaakt — dan kom ik, ronduit gezegd, lot de conclusie, dat deze invloed is = nul.
8
Wanneer ik mij de enlournge voor den geesl roep van zoo vele voorname en zeer beroemd*1, kathedralen op ons Conlinenl, zooals de omgeving van Nol re-Dame Ie Parijs, van de kathedraal Ie Melz, de Munsterkerken van Straatsburg, Freibui^' en Ulm, de domkerken van Keulen, Frankfort, Maagdenbm^, llalberstadt, iMünchen, Landshut, Florence, Milaan, Antwerpen, Brussel, Mechelen, Utrecht, de gothische hoofdkerken van Amsterdam, Rotterdam, Haarlem, Dordrecht, Groningen, Delft, enz. enz., dan zou ik mij ten zeerste moeten bedriegen, of van dien invloed is niels Ie bespeuren. Ook 's-llertogenbosch maakt, wanneer men van het quasi-got hische aartsbisschoppelijk paleis afziet — sit venia verbo — geen uitzondering.
liet minst heeft men zich nog te Parijs, nog in do laatste jaren bij de herhaalde verbouwingen van het domplein , beijverd deze leer van architectonische harmonie op te volgen.
Dit plein is aan de éene zijde door Nol re-Dame en daartegenover dooi' het Paleis van politie, aan de derde zijde door het Hólel-Dieu en daartegenover door de Seine begrensd.
Wel verre van bij den bouw van het nieuwe llólel-Dieu (1808—78) en bij den wederopbouw van de Prefecture de police, terwille van de harmonie, den gothischen stijl der verheven kathedraal van Notre-Dame te volgen, heelt men aan beide gebouwen geheel moderne XIX eemv-sche buitenordonnantien gegeven. En dal te Parijs, de eerste kunststad der wereld, de hoofdstad van land en gewest, waar de gothische stijl is ontloken en waar de meesterstukken van dezen bouwtrant worden aangetrolTen.
Terwijl Ie Weenen onder de oude huizen, die hel groolsche Stefanusplein omringen, waartoe ook het aartsbisschoppelijk paleis behoort, geen enkel golhisch gebouw wordt gezien.
14
1)
looncn ook do nieuwe woonpaleizen, die in den lualslen lijd de ondc gebouwen hoe langer zoo meer verdringen, den modernen stijl eener XIX eeuwsche Renaissance.
Te Keulen heell er veeleer eene reaelie legen de beweerde richting van onzen lijd plaals gegrepen. Terwijl in de omgeving van den Dom uil hel midden onzer eeuw twee gothische gebouwen worden aangetroffen; hel kleine aarlsbisschoppelijke mmeum op hel domplein zeil', en een winkelhuis, gelijk men die toen meer heell gebouwd, in eene zijstraat, werd bij de zeer aanzienlijke gebouwen,
die later verrezen, — paleis Deichmann, Domhotel enz.—
die stijl niet meer gevolgd.
De ondergeleekende meent dus niet in tegenspi-aak te zijn met de feilen, wanneer hij, ondanks de nabijheid van Domkerk en Domtoren, goedgevonden heelt, om niet voor den gothischen stijl te adviseeren. Mij vleit zich te hebben aangetoond, dat bij nader onderzoek van den toeleg van onze architecten tot het verkrijgen van deze soort van harmonie met de omgeving weinig ol' niets blijkt.
Hoe men, ten bewijze, dal mijne zienswijze in tegenspraak is met de feilen, zich kan beroepen op een project lol bebouwing van het Munslerplein ie Ulm, waaraan feilelijk nooit gevolg is gegeven, verklaar ik niet !e begrijpen.
Ook deze zonderlinge bouwgeschiedenis pleit veeleer voor mijne zienswijze. Zij verdient hier kortelijk te worden medegedeeld.
Op eene prijsvraag, ongeveer 20 jaren geleden uitgeschreven lot het verkrijgen van plannen lol bebouwing van hel Domplein te Ulm, dal door de afbraak van de oude «Barfiisserkirche,» van hel oude Gymnasium en vele kleinere gebouwen was uitgebreid geworden, waren vele plannen ingekomen, waaronder ook het vermelde, zeer
10
ccnlonigc en vervelende Ontwerp van Dollingcr in zuiver (jolhischcn al ijl. Ken noorddnilsclie bouwmeester zond alleen een brief in, zonder leekeningen, waarin hij aan de Jury te kennen gaf, dat hel hem hel beste voorkwam , in het geheel niet Ie bouwen en hel plein te laten zooals het was. De Jury vereenigde zich volkomen wel dil advies en de golhische plannen van den heer Dollinger werden mei alle andere eenvoudig ter zijde gelegd! De oude «Miinstergasse» en de oude «llolzmarklslrasse» begrenzen ook heden nog het domplein.
Dat, nu ongeveer 40 jaren geleden, het spoorwegstation Ie Neurenberg in golhischen slijl werd gebouwd, laai zich op goede gronden verdedigen. Hot was hol ecnigsle gothisdie onder de zeer talrijke stationsgebouwen, die door den opperbouwraad Rieber, onder wien ik van 1857—1850 de eer had te werken, zijn uitgevoerd.
Maai- het wereldberoemde Neurenberg met zijn midden-eeuwsche burcht, met zijn middeneeuwsche stadsomwalling, zijn golhische kerk- on kloostergebouwen, zijn openbare gebouwen, burgerwoonhuizen, fonteinen en andere monumenten in denzolfden slijl is ook eenig, en Utrecht mag, wat hot middeneeuwsche karakter zijnor burgerlijke architectuur betreft, met Neurenberg niet in óón adem worden genoemd.
Te Keulen, onder alle Duitscho sleden die, welke naast Neurenberg de meeste middeneeuwsche monumenten hoeft aan lo wijzen, hooft hol spoorwogbostuur niet goedgevonden, hiermede rekening te houden. Hol vlak bij den Dom, als het ware aan don voet dor kathedraal gologen Centraalstation is een zooi' moderne Renaissance-bouw.
Don lof, door don ondergotoekonde in zijne ((Geschiedenis dor nouwstijlen» aan den Directeur der Duitsche posterijen toegezwaaid, vvonscht hij in vollen omvang te handhaven.
11
cn hij is van oordeel, daardoor niol in '1 minsl mei zich zeilquot; in tegenspraak Ie komen.
Zoomin evenwel te Parijs, Melz, Slraatsbnrg, Antwerpen, Keulen, Weenen, enz. enz., van een invloed der kerkelijke nionuïïten'en op de niel-kerkeiijke gebouwen iels Ie l»1-speuren val!, is bij de vele degelijke en monumentale werken, die de Dnilsche Generaal-poslmeester heefl lalen uitvoeren, voor zooverre ik weet, een dergelijke invloed merkbaar. Hel archileclonischc karakler der omgevimi, waarmede hij wel pleegl rekening te honden, wordt bepaald door den trant der burgerlijke houwkunst, liet is deze, die hem inspireert, en, waarmede hij buitendien rekening houdt, zijn kunstoverlevering, bouwstoffen en techniek die natuurlijk naar den volksaard en de natuurlijke gesteldheid van land ol' gewest in het gelieele rijk aanmerkelijk verschillen.
Door aldus te handelen en door eiken bureaucratisch en invloed op vrije kunstuiting te weren, wordt, gelijk uil mijn boek zeer juist is aangehaald, een olïicieele bouwlraiil vermeden.
Ten einde in dil laatste opzicht nog zekerder te gaan en het publiek niet met steeds dezelfde geijkte genre's van kunsl producten van dezelfde meesters te overladen, worden bij de talrijke scheppingen van zijn departemenl het liefsl Ier plaatse inheemsche, particuliere bouwmeesters mei ontwerp en uitvoering belast.
Mijne opvatting, dal het te stichten dJniversiteilsgebonw» zooveel mogelijk een eigenaardig geheel en op zich zelf-staand monument dient Ie vormen en, als kind der XIXquot; eeuw, «in overeenstemming met den algemeenen geest dezer eeuw in den stijl der heerschende kunstrichting dient opgetrokken te worden,» is ook door de overige daartegen aangevoerde bezwaren niet aan het wankelen gebrachl.
\C1
no'/c ai^nmcnlftii komen mij veeleer even Iwijfelachlig voor, als de leer van do harmonie der omgeving, die door mij hierboven aan de /tvVrv# geloeisl is. Hel zij mij vergund, nn ik breedvoerig wordl bestreden, mij ook hierover eenigszins uitvoeriger dan iu de vroegere korte nola's uil Ie laten.
Alle monumenten, wier bouw zich over verschillende kunstlijdperken, of nog wel over verschillende eeuwen uil-strekle, missen, uil den aard der zaak organische eenheid en harmonie van stijl. Kii juist dmraan danken deze tje-bouimi de volle, hiMonsche en arlisUehe heieekenis, leaarop (ifin hel shl run hel mhmlerieele schrijven zooveel nadrul; n'ordl uelnjd. Elk dezer monumenten levert velschillende bladzijden uil de geschiedenis van hel leven en de kunst van het volk, dal ze deed ontstaan; het zijn «de zichlbare en voor iedereen toegankelijke archieven van hel land.»
Wel verre dal hel gebrek aan eenheid van slijl aan hunne kunstwaarde te kort doet, ontleenen de meeste juist daaraan ecne bekoorlijkheid, een artistiek karakler en een zeker schilderachtig cachet, waardoor iedereen wordt aangetrokken.
01' wordt de indruk der kathedralen Ie Straatsburg, Parijs, Freiburg ol' Weenen en hare kunstwaarde verminderd door hel feil, dat deze gedenkteekenen niet zuiver gothisch, maar nog gedeeltelijk romaansch zijn? of kan dal gezegd worden van St. Pierre te Caen, omdat het overigens golhische godshuis met een prachtig koor in Renaissance slijl is voltooid?
Valt hel uit een oogpunt van kunst, piëteit of historie te betreuren, dat de binnenordonnanlie van de kalhedraal Ie 's-IIertogenbosch de architectonische eenheid mist, omdat het orgelkoor, de preekstoel en een gedeelte van hel koorhek meeslerslukken zijn der Renaissance? Of misstaat hel koor-gestoello van Terwen in de binnenordonnanlie van hel golhische gebouw?
14
IS
Kvennls Louvre on Tuilcriën missen de Fmnschc residenliën en kasleelcn Foiilainehleau, Clmnlilly, Blois, enz. enz. en (1^ Dnilsche vorslelijke paleizen Ie Mniu lien, Dresden, liorlijii,
enz. enz., en in den Haag hel Hinnenhor in- en idiweniliii de uvchileclonisc/ie eenheid, tnndul ieder lijdjierl;, ieder (jesladU, in plaals mn hel beslmnde na te maken, in zijn e'ujen Irani roorlhouwde, evenals hij de bovenvermelde godshuizen hel geval was. Kn men kan de paleizen van Louvre en Tuilericn evenals die van München, Dresden en Oerlijn alleen dan Uenaissanre-paleizen noemen, wanneer men .il wal niel romaanseh olquot; golhisch is, «Henaissanee» geliell Ie noemen. Kn loch wijzen niel alleen de vormen en verhoudingen, maar ook de keuze en behandeling der bouwsloHen in de huilen- en bhmenordonnanlien en de slofleering der laalsle de Ireflensle legenstellingen en radicale vei'schillen aan.
Als een hijzonder barhaarsch gebouw uil hel oogpunl van eenheid en harmonie moet o.a. hel Dogenpaleis Ie Venetië worden beschouwd met zijn slatige gothische fronten, de beroemde Porla de la Carta, eveneens een prachtwerk der Golhiek, dal den hoofdingang vormt lol de «trap der Reuzen» en hel schilderachlige binnenplein mei zijn verschillende lijpen der vroeg-renaissance.
Evenzeer beantwoorden niel aan dezen eisch de beroemde stadhuizen Ie Lübeck, Dantzig, Lünehurg, Keulen, Miin-ster, Bremen, enz., die, wat hunne builen- of hinnen-ordonnantiën belieft, gedeeltelijk gothische, gedeeltelijk renaissance-gebouwen zijn.
Dat de gothische beffroi van hel oude stadhuis te Delft,
Hendrik de Keijser niel heeft weerhouden, het tegenwoordige gebouw met behoud van den toren, in den heer-schenden renaissance-stijl Ie doen verrijzen, werd door Uwe bouwmeesters reeds vroeger lol staving hunner zienswijze aangevoerd.
u
Wal nu do gel)OU\ven bel roll, dio door do doskundigen der Rogeering lol loelichling en verdediging hunner opval,ting zijn aangehaald, zij hel volgende opgemerkt.
In de allereerste plaals beslaat tusschen al de vermelde voorbeelden en de bouwkwestie in Utrecht hel eenvoudige mmr kapitale verschil, dat het daar bel rol'de uitbreiding of vergrooting van beslaande builenurdonnanlien — of gebeele complexen er van terwijl te Utrecht dit hel geval niet is.
Noch het groot auditorium, noch de kruisgangen hebben builenordonnantiën of zijn van de straat af zichtbaar. En de buitenordonnantio van hel gedeelle der tegenwoordige Univcrsileilsgebouwen, dat uitkomt op «Achter den Dorn,» kan onmogelijk gotbisch genoemd worden.
liet stadhuis te Parijs werd in de jaren 1837—46 volgens de plannen van den architect Godde, in den s/ijl der XIXe eeuw uilgebreid.
Hot museum te llildesheim is, of was althans eenige jaren geleden, in eene middeneeuwsche lier li, de oude Marliniekerk gehuisvest en wanneer dit gebouw in middon-eeuwschen stijl is uilgebreid, bestond daartoe ook nog oene lwoede aanleiding. Terwijl namelijk het museum voornamelijk middeneeuwsche oudheden uit llildesheim on omstreken bevat, heeft men zoodoende do buitonordonnanlie in overeenstemming gebrachl mot de bestemming en den inhoud van hot gebouw — hetgeen, door hot bestaan van enkele uitzonderingen, wol is waar niet van alle musea kan gezegd worden.
Hot. beroemde museum te Neurenberg is gevestigd in een middeneeuwsch liluoslenjehomv on bevat germaansche oudheden, waaraan hol den naam Gernmansch Maxeam ontleent, liet werd door Froiherr von Truchsess — niet zonder paliiottischo of politieke inspiraties gesticht in oen
14
15
tijd, toon, althans in Duitschland, «golhisch» en «gciquot;-maansch» nog synoniemen waren, tervvij nok de gothische stijl toen nog als eene duitsche vinding o(' schepping werd beschouwd.
Men heeft zoowel met het architectonische karakter dei-stad als met de voorname betcekenis en bestemming van inrichting rekening gehouden, toen men hot gebouw herhaaldelijk in middonoeuwschen stijl uitbreidde.
Wanneer hot to Utrecht to stichten gebouw tot Museum van Christelijke oudheden moest dienen, zou do ondorge-toekende waarschijnlijk ook voor eene gothischon buiten-ordonnantie geadviseerd hebben.
Ook hot grootscho Conservatoire des oris cl metiers te Parijs is in oeno voormalige liencdiclijnen Alx/ij, «St. Martin dos Champs» gevestigd. Nodi bij de eerste uitbreiding op hot eind dor vorige eeuw, noch bij do kolossale vorgroo-ting dor inrichting in do tweede helft van onze eeuw, hooft men don stijl van hot klooster gevolgd. Wol heell do architect Vandoijor, sedert 'I87t; mot de uitbreiding dor gebouwen belast , hot oudo Refectorium — nu bibliotheek — on do van do Hue St. Martin zichtbare oude kloosterkerk — nu machinengalorij — on haar portaal mot piëteit, in don stijl dor XIIIe en XIV® eeuw gorostauroord, maar wal hij or aan toevoegde, is volslagen modern van stijl.
Hetgeen aan hot einde van do ministorioelo aanschrijving omtrent do practische bezwaren en nadoelen van don door Uwe bouwmeeslors gekozen stijl is gezegd, kan mijnerzijds niet zonder tegenspraak blijven.
«Uit do vroeger aangeboden ontworpen» — zoo loos ik -«is op to maken, dal hot. stolsel om tot hot rechtvaardigen van do keuzo van oen andoren stijl, zoo min mogelijk met do bestaande lokaliteiten rekening to houden, verschillende nadoelen dreigt te woog te brengen, zoowel ton aanzien
16
van fin gemeenschap mei hel grool audilorium, als mei die mei de kruisgangen en dat van deze laatste niet zooveel partij getrokken wordt als mogelijk en in alle opzichten wenschelijk Ie achten is; het is toch duidelijk, dat, wanneer deze ruime gangen lot een integreerend bestanddeel van hel tot één geheel lo vormen Universiteitsgebouw worden gemaakt, op de ruimte, anders voor vestibulen, corridors en wachtkamers te bestemmen, veel uilgespaard kan worden.»
Wal in de eerste plaats tie acmeenschap belrefl van hol nieuwe gebouw wel hel yrool audilorium, zoo was deze in de ontwerpen Uwer bouwmeesters zoowel ruimer ah behoortijl;cr en bekoorlijker dan in hel gothische ontwerp, door de rijksbouwkundigen gepresenteerd. In ons schrijven van 'U/'IT) Juni 1887 hebben wij ons hieromtrent uitvoerig uitgelaten.
Wij meenden ook aan het auditorium, behalve de beslaande gemeenschap met de Senaatskamer, eene directe verbinding mei het nieuwe gebouw te moeien geven. In de middeneeuwen, toen de kruisgang moest dienen tot verbinding der kapittelzaal met de kerk, was natuurlijk de gemeenschap tusschen kruisgangen en kapittelzaal hoofdzaak en onmisbaar. Nu het verband met de kerk door dal met de Universiteit wordt vervangen, schijnt ook eene behoor-lijlx gemeenschap met het collegegebouw hoofdzaak en onmisbaar.
Dal de beslaande verbinding over het smalle gangetje tusschen de voormalige kapittelzaal en senaatskamer bekrompen en leelijk is, zal wel niemand ontkennen. Overigens bestaat er hoegenaamd geen praclhch bezwaar, om buitendien de gemeenschap tusschen de toekomstige «Salie iles pas perdus)) en hel grool audilorium te behouden. In welke opzichten ran de kruisijamjen nu laxj anders partij
17
kan worden fielrnlken mor de. fiemcenschap, is wij niet volkomen duide/ijk.
Wal do nadeden aangaat, die de stijl len opzichle van de (/enieenschaj) van kei nieuwe (jehouiv me! de krii 'mjaiujen drehjl mede Ie hrenfjen, is hel voldoende l(! wijzen op hel feil, dal, deze verbinding zoowel in hel gepresenleerde re-geeringsonlwerp ais in de onhveiplt;in Uwer homvmeeslers gevormd vvordl door ééne deur eau de veslihulc tiaar de krumianym!
Het is mij een raadsel, hoe men znlke feilen ignoreeren kan.
Ook met betrekking lol de grootte der vestibule, dei-corridors en het al of niet aanleggen van eene wachtkamer voor de stndenlen kan aan den slijl van hel nieuwe gebouw per se geen invloed worden toegekend.
Dal eene gemeente, die uil eigen middelen een gebouw wil slichten en dit aan eene rijkFinrichling wil aanbieden, niet bevoegd zou worden geacht, haren bouwmeesters vrijheid te laten ten aanzien van de afmetingen der corridors enz. is een feil, waarmede ik—ik kan hel zonder schande bekennen — niel heb rekening gehouden. Ondanks langjarige en veelzijdige praktijk in slaals- en hofdienst had ik met dergelijke; feilen nooil te rekenen.
Ten slolle neem ik de vrijheid lol hel maken van de volgende opmerkingen:
liet is voor mij onbegrijpelijk, hoe door de keuze van den golhischen slijl hel te slichten Universiteitsgebouw in vereeniging met de kruisgangen, auditorium, senaatskamer en het overige gedeelte der bestaande gebouwen eene organische eenheid en harmonisch geheel kan vormen.
Kvenmin hoe daardoor de middeneeuwsche kruisgang en de kapillelzaal hunne volle ki.sloriscke en arlislieke beleekenix lallen hekouden of deze veeleer daaraan zal kunnen worden leruijyeyeven!
18
Wal zckci' lo vcrvvachlcn slant, is, dat men door hol Cjollegogcbouw in den stijl van kapittelzaal en kruisgangen op lo trekken, daaraan oen kerkelijk karakter zal verleenen en tevens aan het Universiteitsgebouw hel Imrakler zijner hrslewminfi en zijne historische beleehenia zal nnirooven.
Een oi'ganiscli geheel van hel nieuwe gebouw mei de her/;, mil wel eerhreyen zal worden, kan toch met het oog op zijn bestemming, noch bedoeld, noch gewenscht zijn.
Zander allen Iwijfel kan hel nieuwe Ihiieersileitsyeboxiw eolijens de oorspronkelijhe bedoelinrf ran Bnryemeesler en Welhonders mei de beslaande lokaliieileu, en als aanintllinfi daarvan , één cjeheel vormen, dal, zonder golhi^ch Ie zijn, aan alle eischen der kansl voldoel en levens aan de gevoelens van picleil en hi.dorischc waarheid werkelijk en in alle opzichlen beantwoordt.
Ik eindig mijn advies met de verklaring te herhalen die ik reeds vroeger en nog onlangs tegenover Uw College persoonlijk heb algeiegd:
Wanneer mijn persoon en mijne, nu uitvoerig gemotiveerde artistieke opvatting de verwezenlijking van het bouwplan der gemeente in don weg slaan, of de wapens aan do hand geven, om de onvruchtbare en hopelooze onderhandelingen met de Regeering in het oindoloozo te rekken, dan bon ik ieder oogenblik bereid, mijn mandaat in Uwe bandon terug to geven.
Kon bouwproject in den stijl der kloostei'gangen kan van mij nooit worden verwacht.
Delft, U Februari 1800.
(gel.) U. GUGEL.
Bijlage N0. 15
Oudcrgctcckcudc heeft de eer oudorstaaude motie in Ie dienen, te verzoeken, dat «ij zal worden gedrukt en aan de leden toegezonden en dat zij in de eerstvolgende vergadering een punt vau beraadslaging zal uitmaken.
Utrecht, 13 Maart 1890.
P. TEMPLEMAN VAN DEll HOEVEN.
M 0 T I E.
DE GEIEENTEHAAD van UTRECHT,
kennis genomen hebbende
vmi de missiven, jjedagleekentl 19 Decembeiquot; 1*^87, 27 Oclober en 12 Decembei- 1888 (in 12 Februari 1800, van de Ministers van Binnenlandsche Zaken Ier zake van hel Ie slichlen Academiegebouw;
Overwegende,
dal de onderhandelingen over den bomv schijnen Ie worden vertraagd uil motieven, die geenszins betrekking hebben op de ruimte en de inrichting der, mei hel oog op de eischen van hel onderwijs, gewenschte lokalen, maar louter op den stijl van hel gebouw in zekere richting der kunst, in slrijd met hel herhaaldelijk uilgesproken verlangen van dezen Raad; Overwegende,
dal deze motieven blijkbaar moeten worden toegeschreven aan de betrokken Raadslieden der Regeering, naardien zij onder hel bewind van Ministers van verschillend staalkundig inzicht telkens op nieuw meer of minder duidelijk werden aangevoerd;
Overwegende,
dal er geen redelijke grond beslaat voor de hoop, dal onder hel bewind van den thans opgei reden Minister
van Binnenlandsclie Zaken, meer dan onder diens beide Amblsvoorgangers, een gunstig oor zal worden geleend aan de rechlmalige wenschen van dezen Raad;
Overwegende,
dal mitsdien van een op nieuw plegen van onderhandelingen met hel Departement van Uinnenlandsehe Zaken voor hel tot stand komen der verlangde overeenstemming niels te verwachten is;
Overwegende,
dat zoowel hel belang als de waardigheid dezer gemeente niet gedoogen, dal nog langer geaarzeld worde leu aanzien van de slichting van hel Academiegebouw, waartoe reeds vier jaren geleden besloten werd en waartoe de milde bijdragen van de ingezetenen van Utrecht en van het gewestelijk Bestuur in staat stellen;
Overwegende,
dat hij hel in hem gesteld vertrouwen der burgerij niet mag beschamen, noch het geduld der schenkers langer mag op de proef stellen;
B E S L U I T
aan Burgemeester en Wethouders op te dragon:
Iu. ten spoedigste het advies in Ie winnen van de l eeren Bouwmeesters omtrent de vraag; op welke wijze het Academiegebouw zal kunnen worden geslicht op de daarvoor door de gemeente bestemde terreinen, zonder aanraking met ol'aansluiting aan de bestaande Rijksgebouwen;
2°. van dit advies zoo spoedig mogelijk mededeeling Ie doen aan dezen Baad.
Bijlage N0. 1(».
Delft, 13 Maart 1890.
Betreflbndc U uivcrsileitsgcbou w.
Aan
Bnrgemcesler en Welhoudcrs der (jemeenle Ulrecht.
In de vergadering van Uw College, die ik onder dag-teekening van 14 Februari bij le wonen de eer had, werd mij door den heer Voor/iller van hel Gemeenlebcsliuir o. a. de vraag gesteld, of de mogelijkheid bestond, het geprojecteerde Universiteitsgebouw zonder verdere medewerking of goedkeuring der Regeering uil te voeren o/gt; de terreinen, welke e'ujendom zijn der Gemeente, cn zonder in contact te komen mei ( le gel )0uwen, die aan den Staal be-hooren, of aan de Regeering in vruchtgebruik zijn afgestaan.
Ik heb deze vraag toen — zonder nog den inhoud te kennen van het schrijven van den Minister van 1 Februari jl. - in ontkennenden zin beantwoord, hoofdzakelijk met het oog oj) den toegang lol. den calorifère-kelder van hel groote Auditorium, die zich achter den zuidelijken kruis-gang bcviiull.
Hij nader onderzoek van dit vraagstuk is mij nu echter gebleken, dat deze vraag in bevestigenden zin kan worden beantwoord.
Do vooralsnog geheim gehouden plallogrondleekening-, die door uwe bouwmeesters mei hel concepl-programma hij Uw College is ingediend, en, wal de lokalen betreft, aan alle eisehen voldoet en, voor zooverre, ook door de» Minister is goedgekeurd, is uilvoerbaar op hel beschikbare terrein.
Waar nu do locgang' lot de calorifère zich bevindt, is in dezen plattegrond eene door den Minister niet gewenschte wachtkamer geprojecteerd en daar naast eene binnenplaats tegens wiens uitvoering geen bezwaar bestaat.
Alle gevraagde College- en Faculteitskamers en alle bijkomende vertrekken, zelfs de verbindingsgang met de bestaande gebouwen, kunnen worden daargesteld zonder in aanraking te komen met de gedeelten, waarover de Uegee-ring nu beschikt.
Vallichten zijn vermeden en de eenige verbouwing, die aan de kruisgangen moest worden verricht, ware de verplaatsing van den doorgang in den westelijken kruisgang, die voor zoo verre ik weet het onbestreden eigendom is der gemeente.
Eene ongesteldheid, die mij sedert '14 dagen bet waarnemen mijner plichten belelle, is de oorzaak eener vertraging dezer mededeeling en verklaring, welke door mij wordt betreurd.
Met de meeste hoogachting heb ik de eer te zijn
van het College van Burgemeester en Wethouders voornoemd,
de dienst w. Dienaar (gel.) K. GUGEL.
Bijlage N0. 17.
Nquot;. Vsl V.
Bcriclit op schrijvcu van het Departement vaa Binueulauclsclie Kakeu van 1 Februari 1890, La. A, Afd. O, botreffouclc den bouw van liet Universiteitsgebouw te Utrecht.
2 Bijlagen.
IJij missive van 'I Februari 1890, La. A., Afdeeling 0, ontvingen wij van Uw Kxcellenlie's ambtsvoorganger mede-dooling van den uilslag der overwegingen, waarloc hel door ons den 25s,en Maarl 1889 ingezonden programma van eischen voor den bouw van bel Universiteilsgebouw bij Zijne Kxcellenlie aanleiding lieell gegeven.
Onmiddellijk na de ontvangst dezer missive bobben wij baar in banden gesteld van den Hoogieeraar Gugel, met opdracbl om ons li; dier zake van advies le dienen.
Nadat aan die opdracht was voldaan, werden twee leden van ons college op ons verzoek den li,lequot; April !l. door Uwe Kxcelleulie in de gelegenheid gesteld om mondeling onze meening le onlwikkelon over cenige onderdeelen van bel program van eischen, die nog niet de instemming van Uw Kxcellenlie's amblsvoorganger hadden verworven, Ier-wijl verder de lijdelijke voorzitter van ons college den
Aan
Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken le 's-Gravenhage.
Ulrechl, 21 Mei 181)0.
2
I9den Mei jl. aan Uwe Excellentie mededeeling heell gedaan van den uilslag der onderhandelingen, welke dezerzijds gevoerd zijn met hel oog op het denkbeeld om voor den bouw een ander terrein aan te wijzen.
De onzekerheid omtrent den eventneelen verkoop van den grond, welke thans door het Leesmuseum wordt ingenomen, dc hooge eisehen, welke voor afstand van het benoodigd terrein door de eigenaars worden gesteld en dc uiterst beperkle termijn, binnen welken zij eenc beslissing vorderen, hebben ons doen beshiiten, in elk geval thans bij den Raad geen voorstel in te dienen tot wijziging van bel besluit omtrent het voor den bouw aangewezen terrein.
Wij zullen ons er dus thans loc moeien bepalen om, in aansluiting aan heigeen reeds bij de audiëntie van den li den April jl. besproken werd, kortelijk onze meening te ontwikkelen omtrent de opmerkingen, waartoe hel door ons aangeboden programma van ciscben aanleiding heell gegeven.
Terrein. Bij ons college bestaat bezwaar om in hel program van eisehen Ie vermelden «dat het in de bedoeling ligt de van Rijkswege te beglazen kruisgangen te bestemmen tot «salie des pas perdus» en dat deze derhalve met het nieuwe bouwwerk in onmiddellijke gemeenschap moeien worden gebracht.»
Wij merken hieromtrent op, dat Rurgemecster en Wethouders van Utrecht reeds den li2den Juli IS8.W{ aan den tocnmaligen .Minister van Rinnenlandsche Zaken hebben medegedeeld, dat dc gemeente Utrecht, bij notarieelc akte van 7 October 1828, van kerkvoogden der Nederduitsche Hervormde Gemeente den oostelijken en westelijken kruisgang heelt gekocht, en dat hun verzoek om verbetering van dc kadastrale tenaamstelling den 'I5den Augustus 188:1 door Z.Ex. beantwoord is met de mededeeling, dat daarover nader zoude worden bericht. Tol dusverre mochten wij
17
3
hel toegezegd hericlil nog niel ontvangen = maar wel werd ons, bij missive van 10 Mei 1887, medegedeeld, dat Z.Ex.
bezwaar moest maken het eigendomsrecht op den westelijken en oostelijken kloostergang en den Vrijhof te regelen en lot beslissing Ie brengen in hel conlrakt omtrent de brnikleening van het Universiteitsgebouw. Zoolang de erkenning van de eigendomsrechten der Gemeente op de kruisgangen niet is geschied, achten wij het niet wel im «Olijk in het programma van eischen bepalingen op te nemen omtrent werkzaamheden als de beglazing, welke daaraan van Rijkswege zouden worden verricht. Bovendien kunnen de kruisgangen eene wachtkamer op de benedenverdieping bezwaarlijk vervangen. Koude in de wintermaanden en gebrekkige toetreding van licht — om van andere redenen niet te spreken — maken de kruisgangen, naar het oordeel van bevoegde personen, voor een eenigszins langdurig verblijf van studenten ongeschikt.
Bcuoodigdo In verband met hetgeen wij sub I opmerkten, achten lokalou. wjj |iet i)ouwen van eene wachtkamer voor de studenten gelijkvloers zeer aanbevelenswaard, reden waarom wij Uwe Excellentie verzoeken niet op hot weglaten daarvan aan Ie dringen.
Wij zijn echter bereid overal, waar van de afmetingen der lokalen sprake is, hol woord « minstens» door «ongeveer» te vervangen, on voor do oorslgonoemde college-zaal te vorderen ocne groote van «80 a 120 M2» in plaats van: «ongeveer 120 M2.»
Licht. liet komt ons niet raadzaam voor Ie bepalen «dal vallichten moeten vermeden worden.»
Waarschijnlijk zal van vallichlen geen of slechts een zeer beperkt gebruik worden gemaakt. Wij moeien echter bezwaar maken do toepassing daarvan bepaald te verbieden. Vallichten worden zoo veelvuldig aangewend, dal wij niet
geloovcn, dal daurlcgen in hel Univcrsilcilsgebouw le Utrcchl overwegende bezwaren beslaan.
Venvannmg. A\ ij zijn bereid aan de eersle opmerking, door wijziging der redaclie, gevolg le geven, maar moeien bezwaar maken legen opname der aangegeven bepaling omlrenl de plaalsing der rookkanalen.
Naar onze opvalling zullen de belangen van hel Uni-vcrsilair onderwijs niel worden geschaad, als een enkel rookkanaal niel legenover den werkmuur zal zijn aange-brachl. Wij vertrouwen daarom, dal Uwe Excellenlie goed zal vinden niel verder op hel opnemen van dien eiscli aan le dringen en even als wij in dil onderdeel eenige vrijheid aan onze archileclen zal willen lalen.
Teekciiingcii. Tol oveilcgging van andere dan de gewone besleklceke-ningen zullen onze bouwmeeslers slollig niet bereid worden bevonden. Ook wij achlen die overlegging niel noodig.
Dc lloogleeraar Gugel en de üiiecleur onzer Gemeentewerken, de beer F. .1. Nieuwenbuis, zijn genoeg berekend voor hunne laak. om eene deugdelijke conslructie van balklagen en kappen lo onlwerpeji en dc Gemeenteraad van ülrecbl beefl mei belrckking lol licl Mooger Onderwijs sleeds zoodanige houding aangenomen, dal mingepasle zuinigheid van die zijde niel behoelT le worden geducht.
Wij verzoeken daarom Uwe Excellentie dringend met dc door ons voorgesleldc redactie genoegen le nemen.
Uitvocriug. Dc bepaling, dal hel gebouw van deugdzame materialen wordl opgetrokken mei vermijding van surrogaten komt ons duidelijk genoeg voor. \Vaar een algcmccnc regel wordt geslcld, achlen wij hel niel docllreflend omtrent enkele onderdeclen nog bijzondere voorschririen le geven.
l)c stijl. Zooals Uw Exccllcntie's amblsvooi^tnigcr te recht van ons verwachtle, hebben wij op nieuw zonder vooringenomenheid de vraag van den slijl van het le stichten
5
Univorsiloilsgcboinv overwegen. Betrok kol ijk do argumonlon. (li(5 ploilon voor don Ronaissanco slijl, lichbon wij do oer Uwe Excellonlie te v(M'wijzen naar hol advies van don lloojj-leeraar Gngol, dat in alsclirill hiernevens wordt ovoi^elogd.
Na al helgoon hieromlronl roods is vorliandeid aciilon wij hol weinig- dooltrefTond opnieuw omtrenl den slijl in uitvoerige beschouwingen Ie Ireden.
Alleen is het noodig Uwe Excellonlie alsnog de slollige verzekering te geven, dal helgoon in den brio!' van I Februari 1800 wordl aangevoerd om Ie bewijzen, dal hel Gemeenlobcstuur als hel ware zeil' van den beginne al' gewild heen, dal in don stijl van het Audilorium zoude worden gebouwd, op eene misvatting berust.
De mogelijkheid erkennende, dat de redactie van oen besluil daartoe aanleiding hooll kunnen geven, vorklaren wij thans Ion stolligsle, dat zoodanig voornemen nooit hooll beslaan.
In do alloreerste conlcrentie, welke ons collogo mei don heer Gugel hooll gehouden, is roods door Z.II.Gol. op gronden, die wij ook Ihans nog deugdelijk achlon, beloogd, dal de Golhiok moesl worden uilgeslolon.
Wij vorliouwen evenwel, dal Two Exeollentio de meening van den Haad onzer Gomoeulo zal dooien, dat do slijl niet in verband slaat met do eischon. welke mei betrekking tot zijne bestemming aan hel gebouw moeien worden gestold en hopen, dat Uwe Excellentie de keus van den stijl, bij welke geen rijksbelang betrokken is, aan de eindbeslissing van don Gemeenteraad zal willen overlaton.
In verband met deze overwegingen bobben wij do eer Uwe Excellentie een gewijzigd program van eischon aan Ie bieden,?dat, naar wij hopen en vertrouwen, de goedkeuring] van Uwe Excellentie zal mogen verworven.
O
Eindelijk aclilen wij ons nog- verplicht er de aandacht van Uwe Excellentie op te vestigen, dat op den, bij den brief van 1 Februari 1890, ons toegezonden plattegrond de ooslelijke en de westelijke kruisgang, de Vrijhof benevens de gebouwen en terreinen, welke het llijk van de Gemeenle in huur lieert, abusivelijk zijn aangeduid als: Rijkseigeu-dommen.
De linrijeniceslci' en Welk ouders der geniecnlc Ulrechl, De Ihnycniccslt'r,
(get) V. II. C0BLI.IN, Welh.
De Sccrclari.s,
(gel.) DE WATTE VILLI-:.
IUjlage N0. Mii.
PROGRAMMA VAN EISCHEN
voou den
BODW VAN 1EN NIEUW ÜNIVERSITEITSGEBOUW
te UTRECHT.
Ili'l gebouw wordl opgcrichl Ier plaatse waar zich llians hel Leesmuseum bevindt en mei gebruikmaking van hel lerrein, vrijkomende door hel afbreken van hol pand, vroeger bewoond door Jhr. liam en voor zooverre noodig mei gebruikmaking van den daarbij behoorenden luin. Hel moei zich onniiddeilijk aansluilen i)ij de weslelijke en zuidelijke kruisgangen van de Domkerk, door welke men hel groole Audilorium bereikl, en voorts in verbinding gebracht worden mei de groep gebouwen, welke hel Auditorium, de Senaalskamer en de lokalen in hel voormalig politiegebouw omvallen.
In hel nieuwe gebouw behoell op eene Conciei^e-woning niet gerekend Ie worden, omdat den pedel-concierge eene woning in de lokalen van hel voormalig politiegebouw wordt
I hl gol )Oinv mooi bovallon:
A. (ii'liji'slranls.
1°. Vior collofio/alon, als:
één ■•tooi 8(1 a 1-20 M2.
drie » ongcvoor tel M niinslons l.\vcc dozor oollogezalcn helioorcn juin geicgon lo zijn. Do vorm dozor zalon vicrhookig le zijn.
iquot;. Konc spreek- olquot; waclil kamer voor do prol'essoron, grool.
ongovoor 25 M2.
•iquot;. Kono pedolskamor, groot ongovoor lquot;) M2. -4°. K(;n jassonborgplaals. giool ongovoor M2.
5°. Kono waclil kamer voor do slndenlon, grool. ongovoor 42 Al2.
De spreekkamer wordl in de nabijheid van don ingang, do pedolskamor ongeveer in hol midden van hol gebouw geplaalsl en evonzoo do jassonkamor. dquot;. Kono van lorlildeuron voorziene veslibulo van malige ........lingen.
7quot;. Voorls zal op do bonodenvordieping oen dooi1 deuren alquot; Ie slnilon dooi-gang naar hol Vrijhof aangelegd worden, onariiankolijk van dlt;! communicalie door .lo veslibulo.
15. 0\) de èe0lè rcrilicpiiKj.
1°. Vijf laculleilszalen, als:
één grool ongeveer 70 .M2. één .. •gt; 55 «
twee » » AC» » één gt;. gt;. /.quot;gt; gt;.
2°. Kono collegezaal ongovoor grool .quot;»5 Al2.
don
3°. Ecnc wachtkamer voor de examinandi, grool ongeveer 35 M2.
A0. Een verlrekje voor den pedel ongeveer grool quot;gt; M2. 5°. Een jassenbergplaals ongeveer groot 10 M2.
Voor de ligging dezer beide laatste lokalen geldt wat van die vertrekken in de benedenverdieping is gezegd.
Trappen, De (rappen moeien van steen zijn. Behalve de hooldlrap. (m water- {''e zooveel mogelijk in 'I midden van het gebouw is aan plaatsen. |e leggen, is nog eene tweede of diensttrap van mindere breedte noodig, meer nabij de pedelswoning gelegen en waar langs men de zolderverdieping kan bereiken.
Twee privaten en walerplaatsen, aan de builenlncht uitkomende en door voorportalen van de corridors gescheiden, moeten zoowel op de beneden- als op de bovenverdieping worden aangelegd.
4. Licht. Alle lokalen ontvangen zijlicht, dat in de faculteits- en collegezalen links van de toehoorders moet intreden. Zon in corridors als trappen en gangen moet het licht in ruime mate toetreden.
5. Vloeren. De vloeren van gangen, corridors, privaten en walerplaatsen, ook op de eerste verdieping, moeten van steen zijn. Om gehoorigheid te voorkomen wordt in de faculteits- en collegezalen hetzij van dubbele \loeren hetzij van troggewelven onder de vloeren partij getrokken.
c. Gas-, Alle lokalen, corridors, privaten en waterplaatsen sehelfddfne. wo,'den van g88quot; en waterleidingen met toebehooren voorzien. De waterleiding wordt ook voor brandblnssching en voor het schoonmaken van het gebouw ingericht. De noodige electrische schellen worden in de lokalen aangelegd.
17ft
h
7. Berg- De vorcischtc bergplaatsen voor brandsloflen en gereed-plaatsen. schappen worden in den tuin geplaatst, waarmede in verband een gemakkelijke toegang van het gebouw naar den tuin wordt aangelegd.
Het maken van een kelder in het gebouw, uitkomende op de straat wordt wensehelijk geacht.
8. Verwar- Voor de verwarming van gangen, trappen enz. worden nilug- calorifères in de kelders geplaatst. De college- en faculteitskamers worden ingericht om met haarden of kachels te worden verwarmd.
9. Uit- Het gebouw wordt van deugdzame materialen opgetrokken voermg. meL vei.mijding van surrogaten. De in hel gezichtkomende daksvlakken worden met leien afgedekt.
to. Tccke- De over te leggen teekeningen van hel gebouw moeten umgen. bevatten;
a. de plattegronden van de fundeering en de kelders, van de verdiepingen en het dak.
U. de noodige doorsneden.
c. de opstandsteckeningen van de verschillende gevels, al deze teekeningen uitgevoerd op de schaal van I : 100.
Met deze teekeningen wordt overgelegd eene raming van kosten met omschrijving der aan te wenden materialen.
Burgcmci
VOh
Bijlage IS'0. 18.
Ministerie van Binnenlandsehe Zaken
N0. 2081, Afdeeling 0.
Bericht op schrijven van 2-1-Mci 1890, N0. 212 F. bclrcHciulc Universileitsgcbouw Utrecht.
's-Gravenluiije, .quot;50 Mei 1890.
Na ontvangst van uw nevenvermeld schrijven heb ik de punten, welke door mij met ü reeds waren besproken, nader overwogen. Alhoewel ik blijf betreuren dat men zich uwerzijds lot dusver niet heelt vereenigd met mijn gevoelen aangaande den stijl, waarin het nieuwe gebouw zal worden opgetrokken, ben ik evenwel bereid, zoowel te dien aanzien als met bel rekking tot de onderdeelen van het programma van eisehen, aan de door U medegedeelde wenschen loe te geven, met dien verstande evenwel, dat de beslemming, te geven aan de kruisgangen, blijve voorbehouden.
Hel gewijzigd program van eisehen wordt mitsdien door mij goedgekeurd.
De Minister van Binnenlandsehe Zaken, (gel.) DE SAVÜRNIN LOIIMAN.
Aan
Uuryemeesler en Weihouders van Ulreehl.
y:'-
Bijlage N0. 19.
N0. 320 F.
2 teekeningcn.
Bcriclit op schrijven van hol. 'lepartcmcnt van liinncnlandscho Zaken van 30 Mei 18!)0, n#. 2081, afd. O, betreffende Universiteits-eebouw Ie Utrecht.
Ulrecht, den 17'lcn Juni 1890.
Hel was ons aangenaam uil Uw Exccllcntie's missive van .'{0 Mei 1.1., ii0. 2081, afdeeling- 0, Ie mogen vernemen, dat hel gewijzigd program van eisclien voor den bouw van het Universiteilsgebouw door Uwe Excellenlie is goedgekeurd, zoodat in verband met de goedkeuring, die bij missive van 12 December 1888, n0. 3699, afdeeling O, reeds is gehecht aan de ontwerp-overeenkomst, welke de Ge-meenteraad, bij zijn besluit van '14- October 1887 zich bereid heeft verklaard met hel Rijk te sluiten, Ihans geen bezwaren aan de verdere verwezenlijking van de voornemens van provincie, ingezetenen en gemeente in den weg slaan.
Indien er niets anders tusschen beiden gekomen ware, zouden wij ons dan ook hebben gehaast om de noodige machtiging te verkrijgen, ten einde aan Uwe Excellentie bovenvermelde overeenkomst met het afschrift der opgave van eischen Ier teekening aan Ie bieden. Thans is echter eene andere oplossing dan de lol dusverre bedoelde mogelijk geworden.
Aan
Zijne Excellenlie den Minister van Binnenlandsche Zaken
Ie 's-Gravenhage.
Naar aanleiding loch van de besprekingen, in de laalsle weken door Uwe Excellentie met leden van ons College gehouden, hebben wij in ernstige overweging genomen, ol' bij de stichting van hel Universiteitsgebouw kan worden voorkomen, dat de kloostergang, aan welker restauratie van Rijkswege aanmerkelijke sommen zijn ten koste gelegd, aan de westzijde op nieuw door een gebouw aan het oog zonde worden onttrokken.
Dientengevolge hebben wij thans de eer Uwe Excellentie mede Ie deelen, dat wij er in geslaagd zijn de perceelen, kadastraal gemeente Utrecht, sectie B, nos. 602, 2696 en 2095 gedeeltelijk, aangeduid op de hierbij gevoegde (eeke-ning A met rooden omtrek, voor de gemeenle te kunnen aankoopen voor de lol ale som van f 38.000.— te verhoogen met de kosten.
Wij zijn bereid den Raad een voorstel te doen tot aankoop van die perceelen, ten einde die ten deele te bestemmen tot bouwterrein voor het te stichten Universiteils-gebouw, indien het ons alvorens mag gelukken van Uwe Excellentie instemming le verwerven met de voorwaarden eener dading omtrent den eigendom der kloostei'gangen.
Wij hebben daarom de eer het volgende, als hoofdinhoud van bedoelde dading, aan de goedkeuring van Uwe Excellentie te onderwerpen.
«De nog tusschen den Slaat en de gemeente Utrecht «hangende geschilpunten over het eigendomsrecht van «twee strooken grond met daarop slaande kluizen en «bogen en van liet binnenplein, een en ander deel «uitmakende van het terrein, waarop zich de klooster-«gang bevindt, worden in der minne geëindigd op de «volgende wijze:
1. «De gemeente Utrecht ziet geheel af van elk eigendoms-«of ander recht op dat terrein of eenig deel daarvan
11)
3
«en erkent den Slaat der Nederlanden als eenig eigenaar «van dat geheele terrein.
«Daarentegen verbindt zich de Slaat den doorgang «voor voetgangers langs de zuidzijde van de Domkerk «open te houden, in den regel dagelijks van 7uur «des morgens tot 10 uur des avonds, en dien te «onderhouden, schoon te houden en Ie verlichten.
II. «De Slaat der Nederlanden koopt van de gemeente «het geheele gebouw met den grond, waarop het slaal,
«haar toebehoorende, waarin thans het Leesmuseum «gevestigd is, en wel voor de som van eenentwintig «duizend gulden, Ie betalen in drie gelijke jaarlijksche «termijnen in de jaren 1891, 1892 en '1893.
III. «De Staal verbindt zich dit gebouw tot aan den bc-«gancn grond te sloopen, welke slooping zal geschieden «door en op kosten van de gemeente Utrecht, die «over de afbraak naar welgevallen mag beschikken,
«en het emplacement in dier voege zal opleveren, dat «de kloostergang aan die zijde geheel open als historisch «monument van het plein zichtbaar worde.
IV. «De gemeente verbindt zich den gemeenen muur tus-«schen den kloostergang en hel Leesmuseum ruw «afgebikt en van de aanwezige witkalk bevrijd op le «leveren, het emplacement te bestraten met klinkers «en deze bestrating te onderhouden.
V. «Alle kosten op de te sluiten overeenkomst vallende, «met uitzondering van die van zegel, komen ten lasle «van den Staat.»
In verband hiermede zoude dan:
/1. Art. 1 der overeenkomst, waarop betrekking heelt de missive van Uw Excellentie's ambtsvooi-ganger van 12 December 1888, n0. 3099, aid. O, moeten worden gelezen:
«Conlraclanle Ier andere, wenschende Ier gelegen-et heid van hel feest van het 250-jarig bestaan der «Utrechlsche Universiteit door eene feestgave hare he-«langstelling in deze instelling Ie beloonen en ten haren «behoeve behoorlijke lokalen beschikbaar Ie stellen, «verbindt zich aan het Munsterkerkhof op de terreinen «kadastraal gemeente Utrecht, sectie B,nos. 002, 603, «2090 gedeellelijk en 2095 gedeeltelijk, binnen drie «jaren na de goedkeuring, bedoeld in artikel 2 , een «aanvang te maken met de stichting van een nieuw ge-«bouw en dit gebouw, hetwelk gemeente-eigendom blijft, «aan Contractant ter eenre ten behoeve der Rijks-Univer-«siteit te Utrecht kosteloos in bruikleening af te staan;» en
li. de S*1® alinea van artikel 3 kunnen vervallen.
liet zal ons zeer aangenaam zijn van Uwe Excellentie te mogen vernemen of deze hoofdpunten door Uwe Excellentie kunnen worden aangenomen, en zoo neen, welke wijzigingen Uwe Excellentie daarin verlangt.
Indien Uwe Excellentie zich wel met deze grondslagen vereenigt, dan zonden wij bovendien gaarne vernemen, of de overeenkomst in haar geheel of ten deele aan de goedkeuring der Wetgevende Macht moet worden onderworpen. Mocht eene regeling mogelijk zijn zonder tusschenkomst van de Wetgevende Macht, dan zoude ons dat bijzonder aangenaam zijn.
Immers willen de eigenaars der aan te koopen perceelen hun aanbod niet gestand doen gedurende zoo langen tijd als vereischt wordt voor het tot stand komen van eene wet, terwijl wij vreezen, dat de Raad zal opzien tegen het besteden van den aanzienlijken koopprijs zonder zekerheid te hebben, dat de regeling dooi-gaat.
Indien Uwe Excellentie nadere bespreking: van deze regeling nog noodig acht, dan zal een der leden van on.lt; (lollege zich op Uw Excellentie's bericht gaarne onmiddellijk op hel door Uwe Excellentie Ie bepalen uur naar 's-IIage begeven.
Verder nemen wij de vrijheid Uwe Excellentie (e verzoeken ons Ie willen mededeelen ol', en zoo ja, op welke voorwaarden hel stukje Rijksgrond, begrensd dooi- hel perceel kadastraal gemeente Utrecht, sectie 11, n0. 603, den zuidelijken muur van den kloostei-gang en den westelijken muur van hel groot Auditorium, op bijgaande teekening H mei eenc roode linl aangegeven, aan de gemeente zoude kunnen worden algeslaan.
Aangezien de goede uilvoering van alle lol dusverre ontworpen bouwplannen dooi* dezen evenlueelen alsland zeer zoude worden bevorderd, achten wij hel niel raadzaam eene daaromtrent le sluilen overeenkomst Ie verbinden aan de dading over den eigendom van den kloostergang.
In afwachting van Uw Excellentie's beslissing over deze voorstellen, mogen wij deze niet besluiten, zonder Uwe Excellentie onzen welgemeenden dank le betuigen voor de spoedige door Utrecht's burgerij zoo zeer gewenschte afdoening der zaken betrekkelijk het Universiteitsgebouw, welke wij lot dusverre de eer hadden met Uwe Excellentie te behandelen.
Burgemeester en Weihouders der {lemeenle Utrecht, De Burgemeester,
(get.) F. II. COBLIJN, Wethouder.
De Secretaris,
(gel.) DE WATTEVILLE.
v. s:
Beviel IS'JO, i Uuivcrsi
Biirgcu
mijlage nquot;. -20.
Ministerie van Binnenlandsche Zaken
Nquot;. 8quot;gt;. AUlecling Kabinel.
Hcrichtop sclirijven van 17 Juni 1800, uquot;. 320 F., bclrcil'endc Uuivcrsilcitsgobouw te Utrcehl.
's-Gmvenluuje, 20 Juni 180(1.
Gelijk ü roods nil mijn lelogrammon van 20 on 21 Juni gebleken is, kan ik mij in hooldzaak wol vereonigon mol do in nevongemold schrijven vooi^oslolde dading.
Evenwel vereischt do redactie do volgende wijzigingen: Punl 1. Hel is noodig behalve hot terrein ook do daarop staande gebouwen te noemen; al. 1 kan dan luiden als volgt: «Do gemeente Utrecht ziet geheel alquot; van elk eigendoms-of oonig ander recht op don Vrljhol' en op do Kloostergangen mot hot terrein waarop deze zich bevinden, kadastraal bekend enz., of op oonig dool daarvan, en erkent den vSlaat dor Nederlanden als eenigon eigenaar van die percoolon zonder oenigo reserve hoegenaamd.»
In do 2de alinea ware te lozen: neen doorgang» in plaats van ((den doorgang» omdat hot onzeker is of bij den nieuwen toestand de doorgang zal blijven uitmonden tor plaatse waar dit thans geschiedt en het denkbaar is dat die uilgang verplaatst worde.
Punt II. Ten einde het karakter van dading beter te
Aan
Burgemecsler en Wethouders van Ulrechl.
2
doen uil komen, behoort niet van koop gesproken Ie worden. De redactie luide als volgt:
«De gemeente Utrecht staal in vollen en vrijen eigendom af aan den Staat der Nederlanden, die in eigendom aanneemt het geheele gebouw, kadastraal enz., waarin thans het Leesmuseum gevestigd is». liet overige vervalt om in een alzonderlijk art. IV behandeld te worden.
Punt lil. De redactie is te vereenvoudigen, en behoort in termijnsbepaling te omvallen:
«De gemeente Utrecht verbindt zich binnen twee jaren (na de sluiting der overeenkomst) op hare kosten lot hel tot aan den beganen grond sloopen van het gebouw in punt 11 bedoeld; hel zoodoende vrijkomend terrein met klinkers te bestraten en in diervoege opteleveren dat de kloostergang aan die zijde geheel open als historisch monument van hel plein zichtbaar worde».
«De opbrengst van de-afbraak komt ten bate der gemeente, welke hel behoorlijk onderhoud der bestrating van het vrijgekomen terrein nu en later ten haren laste neemt.»
Punt IV vervalt dan en worde vervangen door het volgende:
«De Staat der Nederlanden verbindt zich ter uitvoering van hel vorenstaande aan de gemeente Utrecht een subsidie te verleenen van f 21000.— in gedeelten uitlekeeren vóór 1 Januari 1894».
Punt V blijft.
De in verband hiermede door U voorgestelde wijzigingen in de overeenkomst betreffende de stichting van een nieuw gebouw ontmoeten geen bedenking.
Gelijk ik IJ reeds berichtte ben ik voornemens eerlang een wetsontwerp lol verhooging van hoofdstuk V der Staats-begrooting inledienen, waarin de eerste termijn van de Rijksbijdrage ter zake der bedoelde dading zal worden opgenomen.
20
3
De behandeling der vraag omtrent eventueelen afstand van hel gebouwtje waarin zich de diensttrappen be inden,
is niet urgent; het zal toch van de inrichting der piannen voor het nieuwe gebouw afhangen, of voor deze aan dit gebouwtje behoefte bestaat.
Gaarne zal ik thans een nader ontwerp der te sluiten dading overeenkomstig deze voorstellen van U ontvangen,
hetwelk ik spoedig tegemoet zie, in verband met de indiening van bovenbedoeld ontwerp van wet.
De Minister van Binnenlandsche Zaken, (get.) DE SAVORNIN LOHMAN.
I) 1
))
HET
UNIVERSITEITSGEBOUW
te
XJ T IR. Ei C lEï T.
1EDEDEELING BB VOORDfiACBT
van
8 JANUARI 1891.
utrecht. — Firma F. B. VAN DITMAR. — 1891.
Utrecht, den 8sten Januari 1891.
N0. 14. F.
Naar aanleiding van de voorstellen, gevoegd bij onze voordracht van den 28ston Juni 1890, n0 352 F. werden door den Raad in zijne openbare vergadering van den 4do11 Juli 1890, de besluiten genomen, die als Bijlage A ter lezing zijn gedeponeerd.
Tot uitvoering van oon on ander werd sedert dat besluit het volgende door ons verricht.
In de eerste plaats hebben wij ons, bij missive van den 5den Juli 1890, (Bijlage B) gewend tot Heeren Kerkvoogden der Nederduitsch Hervormde Gemeente te Utrecht om van hunne zijde de onmisbare medewerking te verkrijgen. Den Isten Augustus daaraanvolgende kwamen wy in bezit van het antwoord van dat college gedateerd 80 Juli 1890 (Bijlage C), waarbij ons werd medegedeeld, dat kerkvoogden, daartoe gemachtigd door het College van Notabelen, besloten hebben geen gebruik te maken van het recht van naasting, maar overigens voor de Nederd. Hervormde Gemeente meenen te moeten behouden al de rechten, haar toegekend bij de acte van 7 October 1828 (Bijlage D). Verder werd door hen verzocht, dat in de overeenkomst eene bepaling zoude worden opgenomen, waarbij voor kerkgangers de toegang van de straatzijde naar de Domkerk bij de vroegpreekdiensten zoude worden verzekerd.
Inmiddels waren onderhandelingen aangeknoopt met de eigenaars der perceelen aan het Munsterkerkhof, ten einde
Aan
den Gemeenteraad.
521 Model n0. 40 Fin.
Utrecht, den 8st8tt Januari 1891.
Naar aanleiding van de voorstellen, gevoegd bij onze voordracht van den 28sten Juni 1890, n0 352 F. werden dooiden Raad in zijne openbare vergadering van den 4den Juli 1890, de besluiten genomen, die als Bijlage A ter lezing zijn gedeponeerd.
Tot uitvoering van oon on ander werd sedert dat besluit het volgende door ons verricht.
In de eerste plaats hebben wij ons, bij missive van den 5don juli 1890, (Bijlage B) gewend tot Heeren Kerkvoogden der Nederduitsch Hervormde Gemeente te Utrecht om van hunne zijde de onmisbare medewerking te verkrijgen. Den Isten Augustus daaraanvolgende kwamen wij in bezit van het antwoord van dat college gedateerd 80 Juli 1890 (Bijlage C), waarbij ons werd medegedeeld, dat kerkvoogden, daartoe gemachtigd door het College van Notabelen, besloten hebben geen gebruik te maken van het recht van naasting, maar overigens voor de Nederd. Hervormde Gemeente meenen te moeten behouden al de rechten, haar toegekend bij de acte van 7 October 1828 (Bijlage D). Verder werd door hen verzocht, dat in de overeenkomst eene bepaling zoude worden opgenomen, waarby voor kerkgangers de toegang van de straatzijde naar de Domkerk bij de vroegpreekdiensten zoude worden verzekerd.
Inmiddels waren onderhandelingen aangeknoopt met de eigenaars der perceelen aan het Munsterkerkhof, ten einde
Aan
y//
den Gemeenteraad.
521 Model n®. 40 Fin.
4
van hen de verzekering te verkrijgen, dat de beslissing omtrent den aankoop door den Raad zoude kunnen worden genomen, nadat door de Wetgevende Macht hare goedkeuring zoude zijn gehecht aan de dading, bedoeld sub. 1 van het Raadsbesluit van 4 Juli 1890. Wij mochten den 29st'en Juli den Heer van Burkom bereid vinden om, mits demededee-ling van de beslissing der Gemeente uiterlijk op 15 Januari 1891 geschiedde, zijn perceel beschikbaar te houden; de welwillende tusschenkomst van eenige belangstellende in* gezetenen was echter noodig om later —nl. den 16den Augustus — dergelijke verzekering te verkrijgen van de erfgenamen en rechtverkrygenden van den Heer J. H. Wiesman.
Nadat wij, bij missive van den lldcn Juli 1890, (Bylage E)
aan Z. R. den Minister van Binnenlandsche Zaken voor-loopig eenige mededeelingen omtrent den stand van zaken hadden gèdaan, zonden wij bij missive van 6 September 189.0 een ontwerp in voor de te treffen overeenkomst van dading en voegden daarbij eenige nadere inlichtingen betrekkelijk de afgeloopen onderhandelingen. (Bijlagen F. en G.)
Nadat wy den 26ston September aan Z. E. eenige, bij missive van 28 September (Bijlagen H. en J.) gevraagde, inlichtingen hadden verstrekt, werd een der leden van ons College den 299ten September in de gelegenheid gesteld met den Minister de ontworpen regeling nader te bespreken.
Bij missive van den 4don October 1890 (Bijlage K) deelde Z. E. ons daarop mede, dat Z. E. het wenschelijk achtte de kerkvoogden der Nederd. Hervormde Gemeente als medecontractanten bij de te sluiten overeenkomst te doen optreden, en werd ons eene ontwerpovereenkomst toegezonden ,
welke de bedoeling der drie partijen omschrijft (Bijlage L).
Nadat het nieuw ontwerp door ons College was onderzocht gaven wij, den l^n October 1890 (Bijlage M) van een en ander kennis aan heeren kerkvoogden der Nedei-
1}L}Z
O
duitsch Hervormde Gemeente, verzochten hen ons te willen mededeelen, of zij bereid zouden worden bevonden aan het verlangen des Ministers te voldoen en gaven daarbij in overweging aan de overeenkomst eene slotalinea toe te voegen, waarbij afstand werd gedaan van het recht van naasting.
Den 7den November ontvingen wij van heeren kerkvoogden het op 5 Nov. gedateerd bericht (Bijlage N), dat zij aan ons verzoek konden voldoen, mits in de overeenkomst de wijzigingen werden gebracht, die zijn opgenomen in een hunnerzijds aangeboden ontwerp (Bijlage O). De door ons gewenschte bepaling omtrent het recht van naasting was in dit ontwerp opgenomen.
Dit derde ontwerp werd door ons den llden November 1890 (Bijlage P) toegezonden aan Z. E, den Minister van Binnenlandsche Zaken met de mededeeling, dat ons College tegen de bepalingen daarvan geen bezwaar heeft en onder bereidverklaring om het aan de goedkeuring van den Raad te onderwerpen, zoodra zoude zijn gebleken, dat by Z. E. tegen het sluiten der overeenkomst geen bezwaar bestaat.
By missive van den 16d,}n December werd daarop door den Minister het verlangen kenbaar gemaakt, dat de Nederd. Hervormde Gemeente er genoegen mede zoude nemen, dat een der stovenhokken bij de Domkerk twee Meter zoude worden ingekort (Bijlage Q).
Den 17dou December deden wy van deze missive mededeeling aan heeren kerkvoogden met verzoek zoo mogelijk aan de daarin uitgedrukte wenschen te gemoet te komen (Bijlage R); doch den 24ste11 December werd ons bericht, dat daartegen overwegende bezwaren bestaan (Bijlage S).
Van dit antwoord gaven wij den Minister van Binnenlandsche Zaken den 27sten December kennis (Bijlage T) en ontvingen by missive van 30 December 1890, bericht, dat de inkorting van een der stovenhokken door Zijne Excellentie
6
volstrekt onmisbaar wordt geacht, om de zoo kostbare restauratie der kloostergangen te kunnen voleindigen. (Bylage U).
Den 31ste December 1890 (Bijlage V) gaven wy van dezen brief mededeeling aan kerkvoogden met dat gevolg, dat wij uit het antwoord van den S11011 Januari 1891 mochten vernemen, dat bij dat College tegen de inkorting van het stovenhok met eene evenredige vergrooting aan eene andere zijde van het gebouw geen bezwaar bestaat. (Bylage W).
D0n 5den Januari hebben wij den Minister van Binnenland-sche Zaken van den afloop onzer correspondentie met kerkvoogden kennis gegeven (Bijlage X), waarop Z. E. ons den 7den Januari mededeelde, dat thans de acte van dading door de drie partijen kan onderteekend worden. (Bijage Y)
En hiermede is de voorbereiding zoo ver gevorderd, dat wy de verder noodige besluiten hebben kunnen ontwerpen.
Tot toelichting van een en ander diene nog het volgende.
Het ontwerp A zal treden in de plaats van de ontwerp overeenkomst I, welke door Uwe vergadering den 4,,quot;, Juli 1890 voorwaardelijk is goedgekeurd. De door den Raad in Art. 3 van ontwerp I opgenomen bepaling „dat de gemeene „muur tusschen den kloostergang en het leesmuseum ruw „afgebikt en van de aanwezige witkalk bevryd, van het „plein zichtbaar wordequot; is in het nieuw ontwerp niet opgenomen. Daarvoor is in de plaats getreden de clausule: „dat de kloostergang aan die zijde geheel open als historisch „monument van het plein zichtbaar worde, zonder dat de „Gemeente op eenigerlei wijze tot opsiering verplicht is.quot; Wij vertrouwen, dat tegen deze wyziging, die door den Minister van Binnenlandsche Zaken is voorgesteld, geen bezwaar zal bestaan.
Verder is uit ontwerp I van 4 Juli 1890 niet overgenomen art. 7, omdat de te sluiten overeenkomst niet aan de goed-
keuring van de Wetgevende Macht behoeft te worden onderworpen.
De overige wijzigingen vloeien hoofdzakelijk voort uit het optreden der Nederduitsch Hervormde Gemeente te Utrecht als derde partij bij deze overeenkomst.
De besluiten B en C tot aankoop der perceelen aan het Munsterkerkhof zijn bestemd om te treden in de plaats dei-besluiten II (A en B) van 4 Juli 1890. Alleen de toen gestelde voorwaarde omtrent de medewerking van de Wetgevende Macht en van de Nederduitsch Hervormde Gemeente te Utrecht zijn uit de nieuwe ontwerpen weggelaten.
Het besluit D, waarvan de redactie volkomen overeenstemt met-het op 14 October 1887 en 4 Juli 1890 genomen besluit IVquot;, zal op nieuw moeten worden genomen, omdat de machtiging, om de overeenkomst te sluiten niet meer afhankelijk zal zyn van de goedkeuring dei Wetgevende Macht.
Het program van eischen E eindelek behoeft niet opnieuw door Uwe vergadering te worden bekrachtigd, maar is door ons op nieuw, gewijzigd overeenkomstig Uw besluit van 4 Juli 1890, hierbij gevoegd, omdat wij het wenschelijk hebben geoordeeld, dat de verschillende besluiten in druk btfeen zijn gevoegd.
Indien Uwe vergadering hare goedkeuring aan de sedert 4 Juli 1890 door ons gedane stappen zal hebben verleend, zullen wij ons beijveren ten spoedigste de plannen en het bestek, die, volgens Uw besluit van den l4dei1 October 1887 vóór de vaststelling aan de goedkeuring van den Raad moeten worden onderworpen, te doen opmaken en aan den Minister van Binnenlandsche Zaken op te zenden. Wij
8
vleien ons met de hoop, dat na eene meer dan vyfjarige voorbereiding eindelijk tot don bouw zal kunnen worden overgegaan en dat, indien ons verdere medewerking verzekerd blijft, althans bij het aanstaande lustrumfeest de eerste steen van het Universiteitsgebouw zal kunnen worden gelegd.
Wij hebben om boven omschreven redenen de eer U voor te stellen te nemen de besluiten, A, B, C, D en F, welke in ontwerp hierby zyn gevoegd.
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht, De Burgemeester,
(get.) F. H. COBLIJN, Weth.
De Secretaris,
(get.) DE WATTEVILLE.
NB.
De bijlagen A tot Y liggen ten Stadhuize voor de leden van den Raad ter lezing.
Xloirttt/LüMiq - convbla-cA. gt;
A. De Raad der gemeente Utrecht,
gezien de voordracht van Burgemeester en Wethouders van 8 Januari 1891,
besluit: Burgemeester en Wethouders te machtigen met den Staat der Nederlanden en de Nederduitsch Hervormde Gemeente, betreffende de rechten op het binnenplein en de kloostergangen ten Zuiden van de Domkerk eene dading aan te gaan van den hierna volgenden inhoud:
De Staat der Nederlanden ten deze vertegenwoordigd door Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken ter eenre,
de Gemeente Utrecht ten deze vertegenwoordigd door Burgemeester en Wethouders, handelende ter uitvoering van een besluit van den Raad dier Gemeente van
1891, goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Utrecht bij hun besluit van 1891, N0. ,
ter andere; benevens
de Nederduitsch Hervormde Gemeente te Utrecht ten deze vertegenwoordigd door het College van Kerkvoogden derzelve Gemeente, tot deze handeling gemachtigd door de Vereenigde Vergadering van Kerkvoogden en Notabelen van die Gemeente by besluit van 4 November 1890, ter derde zijde:
In aanmerking nemende, dat sedert eenigen tijd tusschen contractanten ter eenre en ter andere geschil bestaat over
10
de rechten der Gemeente Utrecht op het binnenplein en de kloostergangen ten Zuiden van de Domkerk aldaar, kadastraal bekend Gemeente Utrecht Sectie B, N0. 2656, schrijvende die Gemeente zich den eigendom toe van den Oostelijken en den Westelijken gang krachtens een contract met contractant ten derde, opgemaakt bij acte verleden voor den Notaris H. van Ommeren te Utrecht, den 7den October 1828, overgeschreven ten kantore der hypotheken te Utrecht den 7den November 1828, deel 60, N0. 10, terwijl de Staat beweert dat die gangen en het binnenplein hem in eigendom toekomen,
dat het wenschelijk is die geschillen in der minne te vereffenen en de rechten, waarop Contractante ter derde krachtens genoemd contract aanspraak maakt te verzekeren,
verklaren te hebben aangegaan de volgende overeenkomst van dading.
1°. De Gemeente Utrecht ziet geheel af van elk eigen-doms- of eenig ander recht op den Vrijhof en op de Kloostergangen met het terrein, waarop zij zich bevinden, kadastraal Gemeente Utrecht Sectie B, N0. 2656 of op eenig deel daarvan en erkent den Staat der Nederlanden als eenigen eigenaar van die perceelen, zonder eenige reserve hoegenaamd.
2°. De Staat verbindt zich tegenover de beide contractanten ter andere en ter derde zijde, een doorgang voor voetgangers langs de Zuidzijde der Domkerk open te houden in den regel dagelijks van half acht uur des morgens tot tien uur des avonds, en bovendien op die dagen, waarop eene Godsdienstoefening in die kerk vroeger dan acht uur aanvangt, reeds een half uur vóór den aanvang dier Godsdienstoefening en dien doorgang, welke tevens als toegang tot den ingang der Domkerk achter de Statenbank zal dienen, te onderhouden, schoon te houden en te verlichten.
11
3°. De Gemeente Utrecht staat in vollen en vrijen eigendom af aan den Staat der Nederlanden, die in eigendom aanneemt, het geheele gebouw kadastraal bekend Gemeente Utrecht, Sectie B Nquot;. 2655, waarin thans het Leesmuseum gevestigd is.
4°. De Gemeente Utrecht verbindt zich binnen twee jaren na het sluiten der overeenkomst tot het aan den grond sloopen van het gebouw sub 8 genoemd, het zoodoende vrijkomende terrein met klinkers te bestraten en in dier voege op te leveren, dat de Kloostergang aan die zijde geheel open als historisch monument van het plein zichtbaar worde, zonder dat de Gemeente op eenigerlei wijze tot opsiering verplicht is.
De opbrengst van de afbraak komt ten bate der Gemeente, welke het behoorlijk onderhoud der bestrating van het vrijgekomen terrein nu en later ten haren laste neemt.
5°. De Staat der Nederlanden verbindt zich ter uitvoering van het vorenstaande aan de Gemeente Utrecht een subsidie te verleenen van f 21,000. — , in gedeelten uit te keeren vóór 1 Januari 1894.
6°. De Staat der Nederlanden verbindt zich tegenover Contractante ten derde tot het volgende:
Voor zijne rekening zal moeten worden voorzien in het onderhoud van het binnenplein der academie en het aldaar gelegen riool.
Hij erkent en waarborgt het recht van vrijen uitgang uit de Domkerk achter de Statenbank naar de stoven-hokken, der kerk en derzelver erf langs het binnenplein gelegen, alsmede het recht van vrijen toegang tot de trap, die aldaar uit den kloostergang naar het dak der kerk geleidt, welke trap met de buitendeur en het portaal van ingang' eigendom der Nederduitsch Hervormde Gemeente is en blijft, daarenboven het recht van vrijen uitgang uit het
12
zuid-oostelijk uitgangsportaal der Domkerk naar het erf dei-kerk langs het binnenplein alsmede naar en uit de kerkelijke huizinge gelegen tegen den Oostelijken kloostergang, alles in dier voege als omschreven is in de bovenaangehaalde notarieele acte van 7 October 1828.
Bijaldien van Rijkswege boven de kloostergangen gebouwd wordt, zal zoodanige bouwing, optrekking of vertimmering en verlenging van den Noordelijken zijgevel van het oude Kapittelhuis, gelijk ook van den kloostergang tegen de Kerkelijke huizinge uitkomende op den Oostelijken kloostergang in dier voege geschieden, dat door dezelve geen nadeel worde toegebracht aan de afwatering der kerk of van de genoemde huizinge, verblijvende het derhalve den Staat vrij een nieuwe goot daar te stellen, indien zulks noodig mocht wezen, of op zoodanige andere wijze als geschikt mocht bevonden worden de eventuëele belemmering welke door de verbouwing zoude kunnen ontstaan te verhelpen, ook zal het op te trekken gebouw aan de zijde achter den ingang naar de Statenbank zich niet verder uitstrekken dan tot een afstand van twee Meter zeven en vijftig centimeter van den opgaanden gevelmuur der kerk opdat het licht zoo min mogelijk verhinderd worde.
7°. De Nederduitsch Hervormde Gemeente te Utrecht zal de (burgerlijke) Gemeente Utrecht op geenerlei wijze aansprakelijk stellen voor het nakomen van de hierboven sub 6U. genoemde bepalingen.
8quot;. Alle kosten op deze overeenkomst vallende met uitzondering van die van zegel komen ten laste van den Staat.
9°. De Contractante ter derde zijde verklaart ten aanzien van de krachtens deze dading aan den Staat verblijvende of komende terreinen en gebouwen geen gebruik te maken van het recht van naasting, door haar bedongen bij het aangehaalde contract van 7 October 1828.
13
B. De Raad der gemeente Utrecht,
overwegende, dat het by de stichting van het Universiteitsgebouw , ter verfraaiing van het Munsterkerkhof, noodig is de beschikking te hebben over het perceel, kadastraal gemeente Utrecht, Sectie B, N0. 602, toebehoorendeaan den Heer Willem van Burkom;
overwegende, dat deze zich heeft bereid verklaard, het bedoelde perceel aan de gemeente te verkoopen voor de som van zestien duizend gulden;
Besluit:
1. van den Heer W. van Burkom voor de gemeente aan te koopen het hem toebehoorend perceel aan het Munster-kerkhof, kadastraal gemeente Utrecht, Sectie B, N0. 602, en zulks voor de som van zestien duizend gulden, onder voorwaarde dat het perceel den lsten Februari 1891, onbezwaard en niet langer verhuurd dan tot 1 Mei 1891, aan de ge meente zal worden geleverd.
2. Burgemeester en Wethouders te machtigen hierin verder het noodige te verrichten.
C. De Raad der gemeente Utrecht,
overwegende, dat het bij de stichting van het Universiteitsgebouw , ter verfraaiing van het Munsterkerkhof, noodig is de beschikking te hebben over de perceelen kadastraal gemeente Utrecht, Sectie B N0. 2695 gedeeltelyk en N0. 2696 gedeeltelijk, toebehoorende aan de erfgenamen van den Heer J. H. Wiesman;
overwegende, dat deze zich bereid hebben verklaard, mits daartoe de noodige rechterlijke machtiging worde verkregen, bedoelde perceelen aan de gemeente te verkoopen voor de som van twee en twintig duizend gulden;
Besluit:
1. Van de erfgenamen van den Heer J. H. Wiesman
14
voor de gemeente aan te koopen de hun toebehoorende perceelen aan het Munsterkerkhof, kadastraal gemeente Utrecht, Sectie B N0. 2695 gedeeltelijk en NV 2696 gedeeltelijk, op bijgaande teekening met eene roode kleur aangeduid, en zulks voor de som van twee en twintig duizend gulden onder de volgende voorwaarden:
a. De grenzen tusschen de gedeelten der perceelen 2695 en 2696, welke aan de verkoopers verblijven of hetwelk gemeen eigendom blijft, en datgene wat aan de gemeente overgaat, worden bepaald door de volgende lijnen:
uit het zuidelijkste punt van de westelijke buitenzijde van den muur der thans bestaande werkplaats (op de teekening aangeduid met letter a.) loopt de grenslijn noordelijk in de richting van een van wege het gemeentebestuur dooiden Directeur der gemeentewerken vast te stellen punt x. — tot aan het op de teekening aangeduid punt h.; dit punt x moet vallen tusschen het noordelijkste punt (gemerkt x\) van gemelden muur der thans bestaande werkplaats en tusschen het noordelijk uiteinde der lijn, die het verlengde uitmaakt van het bestaande, thans reeds in rechte lijn loopende gedeelte van gemelden westelijken muur der werkplaats, welk punt op de teekening is aangeduid met x*.
Op het gedeelte dezer grenslijn, zich uitstrekkende van gemeld punt a. tot aan het punt b., in de lijn van den te stellen muur b. c. wordt door de gemeente op hare kosten een scheidingsmuur gesteld die tusschen haar en de verkoopers gemeen zal worden.
Van gemeld punt b. loopt de grenslijn naar het punt d. langs de lijn b. c.
In gemelde lyn b.c. zal een muur worden gesteld op een afstand van 1.62 M, ten zuiden van den muur die thans aan de zuidzijde van perceel 2696 dit perceel van perceel 2695
15
scheidt; van dezen muur zal het gedeelte b.d. door de gemeente Utrecht als gemeene scheidsmuur worden gesteld, terwijl het gedeelte d.c. door de verkoopers kan gesteld worden. Gemeld punt. d. is gelegen in het verlengde van de lijn e.f, zijnde de westelijke buitenkant van den bestaanden muur aan de oostzijde van den thans bestaanden uitgang.
Van het punt d. loopt de grens tot het punt f. in het verlengde van de voormelde lijn e./. Ook op dit gedeelte rf./. wordt door de gemeente Utrecht een scheidingsmuur gesteld, die gemeen wordt als gezegd.
Van het punt /. loopt de grens in westelyke richting naar het punt g. in de lijn evenwijdig aan den muur thans tusschen de perceelen 2696 en 2695 zich bevindende (straks vermeld) en wel op een afstand van hoogstens 80 centimeter van dezen bestaanden muur.
Het punt g. vormt het westelijke eindpunt van de oostelijke scheiding van den nader te vermelden gang en de ligging van dat punt g wordt bepaald door de aan dien gang te geven breedte, nader te vermelden.
Ook op dit gedeelte f.g. der grenslijn stelt de gemeente Utrecht een scheidingsmuur, welke gemeen wordt als voormeld.
De gemelde scheidingsmuur zal aangelegd worden op een hoogte van 2.50 M. boven het hoogst thans bestaande grondvlak.
h. De scheidingsmuur tusschen de perceelen 2696 en 2697 zal voor zoover die buitenmuur wordt, door de gemeente Utrecht op hare kosten worden bekleed met een halve steen van harde steensoort.
c. Aan de oostzijde van dien aldus bekleeden muur zal een gang van minstens een Meter breedte onbebouwd blij ven liggen als gemeenschappelijk eigendom van verkoopers en de gemeente Utrecht, om uitgang te geven naar het Munster-
16
kerkhof. Deze gang is op de teekening aangeduid met de letters g h i k.
In den grond van dezen gang zal de gemeente Utrecht, de versnijding van het aan de oostzijde door haar op te richten gebouw mogen plaatsen. De gang zal langs de lijn i.h. worden afgesloten met een ijzeren hek, waarvan elk der mede-eigenaars een sleutel heeft, en dat — buiten den tijd dat bepaald van den gang gebruik wordt gemaakt — gesloten moet blijven. De gemeente Utrecht zorgt voor de bestrating van dien gang.
d. Op het zuidelijkste gedeelte van het afgestane deel van perceel Nquot;. 2695, op de nevensgaande situatie-teekening met stippellijn aangegeven en begrepen tusschen de letters a l m n, mogen geen gebouwen geplaatst worden, hooger dan de scheidingsmuur.
e. In het op den af te stanen grond te stichten gedeelte van het gebouw zullen in de gevels, gericht naar de niet verkochte gedeelten van de bovengenoemde perceelen. geene andere ramen mogen worden gemaakt dan welke voorzien zijn van ondoorzichtig glas. Alleen het bovengedeelte dezer ramen mag beweegbaar zijn.
f. De gekochte perceelen worden uiterlijk den lsten Mei 1891 onbezwaard en on verhuurd geleverd.
g. De betaling van den koopprijs zal plaats hebben bij de aanvaarding en levering.
2. Burgemeester en Wethouders te machtigen hierin verder het noodige te verrichten.
D. De Raad der Gemeente Utrecht,
gezien de voordracht van Burgemeester en Wethouders van 8 Januari 1891,
besluit Burgemeester en Wethouders te machtigen met
den Staat der Nederlanden aan te gaan de overeenkomst van den hiernavolgenden inhoud:
De Minister van Binnenlandsche Zaken, handelende namens den Staat der Nederlanden,
ter eenre en Burgemeester en Wethouders van Utrecht, handelende voor de Gemeente, hiertoe gemachtigd by besluit van den Gemeenteraad van goedgekeurd bij dat van Gedeputeerde Staten van Utrecht van , van welke besluiten afschriften aan
deze overeenkomst zijn gehecht, ter andere zijn overeengekomen als volgt:
Art. 1. Contractante ter andere, wenschende ter gelegenheid van het feest van het 250jarig bestaan der Utrechtsche Universiteit door eene feestgave hare belangstelling in deze instelling te betoonen en ten haren behoeve behoorlijke lokalen beschikbaar te stellen, verbindt zich aan het Munsterkerkhof op de terreinen, kadastraal gemeente Utrecht, Sectie B, N0'. 602, 603, 2696 gedeeltelijk en 2695 gedeel-telyk, binnen 3 jaren na de goedkeuring, bedoeld in artikel 2, een aanvang te maken met de stichting van een nieuw gebouw en dit gebouw, hetwelk gemeenteeigendom blijft, aan contractant ter eenre ten behoeve der Rijksuniversiteit te Utrecht kosteloos in bruikleening af te staan.
Art. 2. Contractant ter eenre verbindt zich bovenbedoeld gebouw in bruikleening aan te nemen, mits het gebouw zij overeenkomstig de door contractanten in gemeen overleg vastgestelde opgave van eischen, waarvan een afschrift aan deze overeenkomst is vastgehecht, en de door contractante ter andere opgemaakte en door contractant ter eenre goedgekeurde plannen en bestek.
Art 3. Contractant ter eenre neemt van het oogenblik dat het nieuwe gebouw hem zal zyn overgedragen, het onderhoud, het schoonhouden en de verlichting daarvan op
18
zich, alsmede de lasten welke daarop mochten rusten.
Hij is bevoegd daaraan op Rijkskosten al de vertimmeringen, verbouwingen of veranderingen uit te voeren, naar zyn oordeel noodig om het voor het Hooger Onderwijs bestemde gebouw aan zijne bestemming te doen beantwoorden.
Art. 4. Zoodra het bovenbedoeld nieuw gebouw niet langer voor de te Utrecht gevestigde Rijksuniversiteit wordt gebruikt, zal het op de eerste aanvrage van contractante ter andere ter harer vrije beschikking worden gesteld in den staat, waarin het zich alsdan zal bevinden, zonder dat contractante ter andere zal gehouden zyn tot het betalen of gerechtigd zijn tot het vorderen van eenige vergoeding uit welken hoofde ook.
Art. 5. Het nieuwe gebouw wordt zoolang de bruikleening duurt door contractante ter andere tot een nader over een te komen bedrag bij een of meer door contractant ter eenre goed te keuren brandverzekeringmaatschappijen tegen brandgevaar verzekerd.
De verzekeringspremie wordt jaarlijks door contractant ter eenre aan die ter andere terugbetaald.
Art. 6. Indien het nieuwe gebouw door brand of eenig ander onheil geheel of gedeeltelijk vernietigd wordt, is contractant ter eenre bevoegd het op zijne kosten weder op te bouwen en het herstelde gebouw op den voet van deze overeenkomst in bruikleening te houden, terwijl contractante ter andere alsdan verplicht is aan contractant ter eenre de schadevergoeding uit te keeren, welke te dezer zake dooide brandverzekeringmaatschappijen zal uitbetaald zijn.
Gaat contractant ter eenre niet binnen 5 jaren tot den wederopbouw over, dan is hij gehouden het erf en de overblijfselen van het gebouw op de eerste aanvrage ter beschikking te stellen van contractante ter andere.
Art. 7. Van weerszijden wordt overeengekomen dat geen
19
gebruik zal worden gemaakt van de rechten bedoeld in de artikelen 1788 en 1789 Burgerlijk Wetboek.
Art. 8. Deze overeenkomst is van rechtswege ontbonden, indien de in artikel 2 vermelde goedkeuring van plannen en bestek niet binnen één jaar na de indiening daarvan is verkregen
Art. 9. Alle kosten op deze overeenkomst vallende, met uitzondering van die van zegel, zijn ten laste van contractant ter eenre.
Aldus overeengekomen en in dubbel opgemaakt en onderteekend te 's-Gravenhage t quot;J lt;T7lt;$i ft /
en te Utrecht,
E. Programma van eischen voor den bouw van een nieuw universiteitsgebouw te Utrecht.
1. Terrein. Het gebouw wordt opgericht aan het Munsterkerkhof op
de terreinen, kadastraal gemeente Utrecht, Sectie B, N0». 602, 608, 2696 gedeeltelijk en 2695 gedeeltelijk. Het moet zich onmiddellijk aansluiten by de westelijke en zuidelijke kruisgangen van de Domkerk, door welke men het groot Auditorium bereikt, en voorts in verbinding gebracht worden met de groep gebouwen, welke het Auditorium, de Senaatskamer en de lokalen in het voormalig politiegebouw omvatten.
In het nieuwe gebouw behoeft op eene Conciërgewoning niet gerekend te worden, omdat den Pedel-concierge eene woning in de lokalen van het voormalig politiegebouw wordt aangewezen.
„ t, j Het gebouw moet bevatten:
2. Benoodigde lokalen.
A. Gelijkstraats
1°. Vier collegezalen, als:
één groot 80 a 120 Ma.
20
drie groot ongeveer 42 M2.
minstens twee dezer collegezalen behooren aan den tuin gelegen te zyn. De vorm dezer zalen behoort vierhoekig te zijn.
2°. Een spreek- of wachtkamer voor de professoren, groot ongeveer 25 MJ.
3°. Een pedelskamer, groot ongeveer 15 M8.
4°. Een jassenbergplaats, groot ongeveer 12 M2.
5°. Eene wachtkamer voor de studenten, groot ongeveer 42 Ma-
De spreekkamer wordt in de nabijheid van den ingang , de pedelskamer ongeveer in het midden van het gebouw geplaatst en evenzoo de jassenkamer.
6°. Eene van tochtdeuren voorziene vestibule van matige afmetingen.
7°. Voorts zal op de benedenverdieping een door deuren af te sluiten doorgang naar het Vrijhof aangelegd worden, onafhankelijk van de communicatie door de vestibule
B. Op de eerste verdieping.
1?. Vijf faculteitszalen, als:
één groot ongeveer 70 Ms.
één „ ,, 55 „
twee groot ongeveer 46 „
één „ „ 42 „
2°. Een collegezaal ongeveer groot 35 M2.
3°. Eene wachtkamer voor de examinandi, groot ongeveer 35 Ms.
4°. Een vertrekje voor den pedel ongeveer groot 5 Ms.
5°. Een jassenbergplaats ongeveer groot 10 M2.
Voor de ligging dezer beide laatste lokalen geldt wat van die vertrekken in de benedenverdieping is gezegd.
21
De trappen moeten van steen zijn. Behalve de hoofdtrap, die zooveel mogelijk in het midden van het gebouw is aan te leggen, is nog eene tweede of diensttrap van mindere breedte noodig, meer nabij de pedelswoning gelegen en waar langs men de zolderverdieping kan bereiken.
Twee privaten en waterplaatsen, aan de buitenlucht uitkomende en door voorportalen van de corridors gescheiden, moeten zoowel op de beneden- als op de bovenverdieping worden aangelegd.
4. Licht. -A-W0 lokalen ontvangen zijlicht, dat in de faculteits- en collegezalen links van de toehoorders moet intreden. Zoo in corridors als trappen en gangen moet het licht in ruime mate toetreden.
5. vloeren. 1)6 vloeren van gangen, corridors, privaten en waterplaatsen, ook op de eerste verdieping, moeten van steen zijn. Om gehoorigheid te voorkomen wordt in de faculteits- en collegezalen hetzij van dubbele vloeren hetzy van troggewelven onder de vloeren party getrokken.
c. Gas-, Alle lokalen, corridors, privaten en waterplaatsen worden scTienoWing Van gas' en waterleidingen mefc toebehooren voorzien. De waterleiding wordt ook voor brandblussching en voor het schoonmaken van het gebouw ingericht. De noodige elec-trische schellen worden in de lokalen aangelegd.
7. Berg- 1)6 vereischte bergplaatsen voor brandstoffen en gereed-
piaatsen. schappen worden in den tuin geplaatst, waarmede in verband een gemakkelijke toegang van het gebouw naar den tuin wordt aangelegd.
Het maken van een kelder in het gebouw, uitkomende op de straat wordt wenschelijk geacht.
3. Trappen, privaten en waterplaatsen.
22
ft. verwar- Voor de verwarming van gangen, trappen enz. worden ming. calorifèrea in de kelders geplaatst. De college- en faculteitskamers worden ingericht om met haarden of kachels te worden verwarmd.
9. uit- Het gebouw wordt van deugdzame materialen opgetrokken \ oei mg. me£ vei.my(jjng van surrogaten. De in het gezichtkomende daksvlakken worden met leien afgedekt.
10. Teoke- De over te leggen teekeningen van het gebouw moeten
ningen. .
bevatten:
a. de plattegronden van de fundeering en de kelders, van de verdiepingen en het dak.
b. de noodige doorsneden.
c. de opstandteekeningen van de verschillende gevels, al deze teekeningen uitgevoerd op de schaal van 1 : 100.
Met deze teekeningen wordt overlegd eene raming van kosten met omschrijving der aan te wenden materialen.
F. De Raad der Gemeente Utrecht,
gezien de voordracht van Burgemeester en Wethouders van 8 Januari 1891,
besluit:
in te trekken de op 4 Juli 1890 betrekkelijk het stichten van het Universiteitsgebouw sub I, II en IV* genomen besluiten.
UTRECHT, 19 Februari 1891.
N'. 146 F.
Universiteitsgebouw Utrecht.
Wij hebben de eer Uwe Excellentie hierbij ter goedkeuring aan te bieden de door de heeren E. Gügel en F. J. Nieuwenhuis opgemaakte plannen voor den bouw van cene Universiteit alhier, bestaande uit vijf teekeningen.
Wij voegen daarbij een uittreksel uit de door de genoemde bouwkundigen ons toegezonden missive van 12 Februari 1891, houdende toelichting der plannen en van het opgemaakt bestek en begrooting en durven ons vleien dat deze stukken de goedkeuring van Uwe Excellentie zullen verwerven, waarna zij aan den Raad der gemeente ter vaststelling zullen worden aangeboden.
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht,
De Burgemeester, F. H. COBLIJN, Weth.
De Secretaris, DE WATTEVILLE.
Aan
Zijne Excellentie den Minister van Binnen-landsche Zaken te 's-Gravenhage.
DELFT, ———^—12 Februari 1891.
Antwoord op het schrijven van . en W. van 14 Januari 1891, n0. 46 F, betreffende het Universiteitsgebouw. Met 5 teekeningen en een bestek en begrooting als Bylagen.
Aan
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht.
Ter voldoening aan de opdracht, ons door het Gemeentebestuur volgens geëerd schrijven d.d. 14 Januari 1891, nquot;. 46 F. verleend, hebben wij de eer, in bijliggende vijf teekeningen een volledig ontwerp aan te bieden voor een Universiteitsgebouw, te stichten aan het Munsterkerkhof op de terreinen kadastraal gemeente Utrecht, sectie B, nquot;. 602, 608, 2696 gedeeltelijk en 2695 gedeeltelijk — waarin door ons is gevolgd het programma van eischen, als bijlage E aan Uwe voordracht van 8 Januari 1891 verbonden.
De teekeningen n0. I —IV bevatten, behalve fundee-ringsplan en kapgrond, de plattegronden over de verdeoling van het gebouw ten beganen grond en op de eerste verdieping; voorts alle buitenordonnantiën en vier doorsneden , waardoor de samenstelling van het geheel en van al zijn onderdeden verduidelijkt is. Zooals verder uit deze teekeningen blijkt, is bij het ontwerp mede beschikt over het kleine gebouwtje, gelegen naast den Kruisgang en tegen het Groot Auditorium, welk gebouwtje aan het Rijk behoort en omvat den toegang naar den kelder waarin de verwarmingstoestel van het Groot Auditorium staat, en dien naar de daken van de kruisgangen. Dit gebouwtje zal moeten worden afgebroken. In het ontwerp
3
is echter op minstens even bruikbare wijze in die toegangen voorzien.
Maatregelen om bij amotie van den trap naar de daken uitwijking te voorkomen van den muur, waartegen de gordelboog van het laatste gewelfvak van den Kruisgang staat, achten wij volkomen onnoodig. Ware dit werkelijk noodzakelijk, dan zoude ook van atbraak van het Leesmuseum geen sprake kunnen zijn, zonder ook daar de muurvakken te versterken. Ten overvloede echter wordt in het plan het bedoelde vak versterkt door een gedeelte parallelmuur en een dwars daartegen aankomenden muur van het nieuw aan te leggen trappenhuis. Bij de inzending van het plan aan Z. E den Minister van Binnenlandsche Zaken zal dus regeling van den eigendom van bovenbedoeld gebouwtje gewenscht zijn, daar anders door inkrimping de distributie en de afmetingen van enkele localiteiten daaronder zeer zouden lijden.
Terwijl de vaste zandplaat, waarop ook de kruisgangen en het Groot Auditorium gefundeerd zijn, niet minder dan ruim 4 M. onder den beganen grond gelegen is, lag het voor de hand ter besparing van kosten en met het oog op de minder diep gefundeerde belendende huizen, het geheele gebouw op betonputten met spaarbogen te fundeeren. Bij nader onderzoek van den grond bleek evenwel, dat de gedeeltelijk steenachtige puingrond boven de zandplaat hiertegen groote bezwaren zal opleveren, terwijl ook de aanwezigheid van meerdere oude fundamenten, waaronder die van de Oude Munster- of St. Salvatorkerk, toch algeheele ontgraving van het terrein waarschijnlijk doet achten. Om deze redenen hebben wij op grond van nader overleg en onderzoek gemeend, van deze op plaat II ontworpen fundeering op putten af te moeten zien en in de plaats daarvan een meer veilige, hoewel ook kostbaarder wijze van fundeering te moeten kiezen, door zooveel mo-
4
gelijk van doorloopende fundeeringsrauren partij te trekken.
Deze door ons noodzakelijk geoordeelde wijziging in de oorspronkelijk ontworpen fundeering veraanschouwelijkt plaat V, waarop, behalve het nieuwe fundamentsplan, de daardoor veroorzaakte afwijkingen in de verschillende doorsnede-teekeningen zijn voorgesteld. Op dit fundamentsplan zijn ook bestek en begrooting gebaseerd.
Terwijl het project ten opzichte van de afmetingen der lokalen in alle deelen aan de bepalingen van het programma van eischen ruimschoots beantwoordt, vleien wij ons, dat het ontwerp ook ten aanzien van distributie en inrichting aan de strengste eischen voldoet, die redelijker wijze kunnen worden gesteld.
Wat het aantal collegezalen betreft, is er gelegenheid bevonden, om op de bovenverdieping nog eene zesde, niet gevraagde collegekamer, groot 41 M3., aan te leggen.
De bergplaats voor brandstoften in den tuin is niet in den plattegrond aangegeven, doch in de begrooting uitgetrokken; de hoek, vrijkomende door de terreinen, aangekocht van den heer Wiesman, is daarvoor de aangewezen plaats, daar alsdan reeds drie muren aanwezig zijn en alleen nog het maken van een dak en een vierde zijde noodig is.
Met het oog op het spoedeischende der zaak en de voorbereiding van verdere werkzaamheden, hebben wij van de overgelegde teekeningen een dubbel stel calques laten nsmen.
Hopende, hiermede de ons geworden opdracht in allen deele te hebben voldaan, noemen wij ons,
met de meeste hoogachting,
van het Gemeentebestuur voornoemd, de dienstwillige dienaren,
E. GUGEL.
F. J. NIEUWENHUIS.
Ministerie van Binnenlandsche Zaken.
N0. 1382, Afdeeling O. Bericht op Hchrijvon van 19 Februari 1391, N0. 146 F, betreffende nieuw Universiteits gebouw Utrecht.
's-GRAVENHAGE, 21 April 1891.
Het onderzoek der bij nevengemeld schrijven toegezonden ontwerpen voor het nieuwe gebouw ten behoeve der Rijks-Universiteit te Utrecht, heeft tot de volgende uitkomsten geleid.
De dispositie en de afmetingen der lokalen ontmoeten geen bedenking, behoudens wat betreft het 98 M2. groote lokaal boven het Klein Auditorium, hetwelk voor faculteitskamer veel te groot is; het is noodig dit vertrek te verkleinen, door daarvan een gedeelte byv. ééne travée af te nemen ten behoeve van eene bewaarplaats voor het Universiteitsarchief, hetgeen uitvoerbaar is, zoowel door middel van een houtconstructie, als met ijzer en dubbele wanden van rietplanken.
Het in den noordelijken muur van dit lokaal ontworpen venster, hetwelk voor de verlichting kan gemist worden, wensch ik althans vooiioopig niet aangebracht te zien, in verband met aanhangige overwegingen, betreffende de vraag, of de slooping en amotie van het Leeskabinet wel wenschelijk zijn.
De constructie van den muur tusschen de aan elkaar
Aan
Burgemeester en Wethouders van Utrecht.
grenzende zuidelijke collegekamers der beneden verdieping is niet berekend op het voorkomen van gehoorigheid. Het is noodig door het maken van een spouwmuur daarin te voorzien.
Omtrent het openen der twee toegangen naar den Kloostergang, wensch ik de beslissing voor te behouden. Deze zal tijdig volgen en is zonder invloed op den bouw. Het innemen van het tegenwoordig gebouwtje , waarin zich de trappen langs den zuidgevel dier kloostergangen bevinden, wordt in beginsel goedgekeurd.
In hoeverre het nieuwe gebouw de drukking der gor delbogen van den Kruisgang zal overnemen. in plaats van het oude werk van den traptoren, zal afhankelijk zijn van het beleid waarmede die nieuwe bouwwerken worden uitgevoerd en het bestaande afgebroken. Er zal mitsdien ten opzichte van dien afbraak en van die aansluitingen overleg gepleegd moeten worden door de beide opzichters, belast met den bouw van het nieuwe werk en met de herstelling van den Kloostergang, telkens in overeenstemming met de bevelen hunner architecten. Het nieuwe trappenhuis zal eigendom van het Rijk blijven, en de dakconstructie behoort ingericht te zyn zoo, dat een eventueele scheiding der Rijks- en gemeente-perceelen mogelijk blijve.
Het is noodig de ramen van de benedenverdieping aan het kerkhof zoodanig te construeeren, dat bij het openen daarvan geen stoornis van de straat uit ondervonden worde.
De opbouw van den toren, — welks goten wegens de geringe oppervlakte welke overdekt wordt, veel kleiner konden zijn, — ontwikkelt zich niet uit het grondplan, ten gevolge waarvan een der torenmuren op een kokerbalk opgetrokken zou worden, hetgeen verwerpelijk is. De platte torenspits, overhoeks
tusschen tyvee terugspringende muren, is min juist ge. plaatst boven het portaal, dat een geheel afwykenden grondvorm heeft, zoodat de aanleg noch gelijkvloers, noch op de eerste verdieping eene behoorlijke ondersteuning of ontwikkeling vindt. De zoldering van het trappenhuis ware niet plat, maar flauw koepelvormig in den zolder door te trekken, tengevolge waarvan het inwendige in rijzigheid en voornaamheid winnen, en de monumentale trap tot haar recht komen zal.
Dit hoofdpunt van het gebouw, alwaar de daken elkaar kruisen, wordt de aangewezen plaats geacht voor een houten torenspits als dakruiter, indien aan de bekroning van het portaal een andere vorm werd gegeven. Deze laatste zou beter zijn, indien een vierkante zandsteenen onderstelling werd geplaatst boven de kroonlijst, welke het gebouw afsluit.
Hoe men bedoelt de schoorsteenen op te trekken, welke tegen den toren worden gebouwd, blijkt uit de teekening niet; op het kapplan is geen enkele schoorsteen geteekend. Dit punt vereischt opheldering.
Wat den torenoorsprong betreft valt nog op te merken, dat de portretmedaillons in de twee scherpe hoeken door dien voorsprong gevormd, onzichtbaar zullen zijn, en dat de plaatsing daarvan zeer bezwaarlijk zal zijn, tenzij men die tegelijk met den opbouw aanbrenge, hetgeen ook vele bezwaren heeft.
Het verdient aanbeveling, het plint overal even hoog te houden en het niet op de penanten te verhoogen, zoodat de ramen den indruk maken, alsof zij later benedenwaarts verlengd waren. Ook aan de zijgevels is voor de plinten een gelijkmatige hoogte aan te nemen, namelijk die der vensterdorpels, welke terecht door de ontwerpers waterpas is gesteld met de voetstukken der zuilen die den ingang versieren. Wanneer daarbij ter hoogte van
8
den bovenkant der treden bij den hoofdingang een tweede voorsprong gemaakt wordt, kan bij eene behoorlijke pro-flleering van het gebouw een sierlijke monumentale voet verkregen worden.
Niet slechts om het uiterlijk aanzien, maar voor de hechtheid van het gebouw is het noodig verbetering te brengen in de behandeling van de hoeken der gevels aan het Munsterkerkhof, de blokken van gehouwen steen behooren zóó gelegd te worden, dat zij beurtelings in den eenen en in den anderen muur grijpen.
Ook de topgevel tegen den zuidelijken Kloostergang eischt verbetering. Het stuk gehouwen steen, dat de over-kraging vormt, moet ver genoeg in het gevelmetselwerk reiken, om zonder kunstmiddelen, zooals verankeringen, te kunnen blijven liggen.
Voorts schijnt vergeten te zijn, op den top van den gevel, het ornament aan te brengen, waartoe deze top van eene uitmetseling is voorzien, en zou deze uitmet-seling, welke de overdreven dikte van 0.70 M. in doorsnede heeft kunnen worden ingekrompen.
Het schijnt wenschelijk, ter wille van de eenheid van uitdrukking, al de topgevels volgens hetzelfde stelsel te bouwen, hetzij men dat van den eerstgenoemden topgevel, hetzij dat van den achtergevel volge.
De profileering van de goot schijnt niet rationeel, het boord, geplaatst boven de geledingen welke de eigenlijke goot vormen, is onnoodig en voor het onderhoud onge-wenscht.
In den voorgevel kan niet volstaan worden met de wapenschilden van provincie en gemeente, dat van het Rijk mag niet gemist worden, terwijl 't ook wenschelijk is, den steen met het jaartal meer in het gezicht te brengen.
l5e grootc boog aan den achtergevel, die alleen dient om goot en kap over een korten afstand te steunen, is
op omslachtige wijze met zuiltjes en eene uitkraging geconstrueerd.
Een eenvoudiger oplossing, waarbij de lichttoetreding in het traplokaal en de pedelskamer zoo min mogelijk belemmerd wordt, schijnt wenschelijk.
In stede van een hek, zou de nok van het dak kunnen worden voorzien van een kam of crête; deze mag niet van ijzer worden vervaardigd eenvoudig met verf bedekt, omdat dit materiaal bezwaarlijk tegen roest zal kunnen beveiligd worden.
Ofschoon — gelijk ik vroeger mededeelde - ik de gemeente vrij wensch te laten ten aanzien van den te volgen bouwstijl, meen ik U niet onkundig te mogen laten met deze opmerkingen. Gaarne zal ik zien, dat daaraan gevolg worde gegeven.
In afwachting, dat mij gelegenheid worde geschonken, deze plannen definitief goed te keuren, bestaat er bij mij geen bezwaar, dat met de voorbereidende werkzaamheden voor den bouw reeds nu een aanvang worde gemaakt en zal ik, zooveel zulks van mij afhangt, gaarne bevorderen, dat de eerste steen van het nieuwe Universiteitsgebouw, dezen zomer kunne worden gelegd.
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
DE SAVORNIN LOKMAN.
UTRECHT, den 8 Mei 1891.
Bericht op missive van 21 April 1891, N». 1382 afdeeling O, betreffende nieuw Universiteitsgebouw te Utrecht.
Wij hebben de eer Uwe Excellentie in ons ondervolgend schrijven den uitslag aan te bieden der nauwgezette overweging, waartoe de ons bij nevengemelde missive medegedeelde uitkomsten van het onderzoek der toegezonden ontwerpen voor het nieuwe gebouw ten behoeve der Ryks-Universiteit te Utrecht, ons hebben geleid.
Nadat de bekende dading tot wegneming van bestaande geschillen door den Staat der Nederlanden, het Kerkbestuur der Nederduitsch Hervormde Gemeente en het Gemeentebestuur van Utrecht gesloten was, hebben wij ons beijverd om, in de thans loopende maand de vrije beschikking te verkrijgen over de nog aan particulieren toebehoorende perceelen, welke den grond voor het Universiteitsgebouw nog innamen, en hebben wij eveneens tegen den 15en dezer, aan het bestuur van het Leesmuseum te Utrecht, het gebruik van het stadsgebouw opgezegd, onder vergoeding van een gemeentelijk subsidie, in overleg met gemeld bestuur vastgesteld en op dien datum ingaande.
Wij stelden ons voor, in overleg met onze technische adviseurs, om de slooping van al deze gebouwen tegelijkertijd te ondernemen en aan dezelfde handen toe te vertrouwen, waaraan de opbouw van het nieuwe Univer-
Aan
Zijne Excellentie den Minister van Binnen-landsche Zaken te 's-Qravenhage.
11
siteitsgebouw zoude worden gegund, omdat wij overtuigd waren dat zoodoende, de grootst mogelijke zuinigheid kon worden betracht en zooveel mogelijk van de beschikbaar gestelde gelden ten bate van het nieuwe gebouw kon worden besteed. Het was ons toch gebleken dat ter wille van de soliditeit voor dit gebouw eene zeer diepgaande fundeering werd gevorderd, waartoe alle in goeden staat verkeerende steenen, van de voor slooping bestemde gebouwen, met vrucht konden worden aangewend. Het gebouw waarin het Leesmuseum gevestigd is, is in jjeze slooping begrepen, niet alleen omdat het uiteraard in slechten staat van onderhoud verkeert, maar vooral omdat de afbraak daarvan zeer bruikbaar materiaal zal opleveren en de kosten, die zouden moeten besteed worden om het gebouw te steunen en de moeilijkheden te overwinnen, om het nieuwe Universiteitsgebouw zoo dicht nabij op te trekken, konden worden vermeden.
Wij vernamen dan ook met bezorgdheid dat Uwe Excellentie alsnog de vraag overweegt of de slooping en amotie van het Leesmuseum wel wenschelijk zijn en dat in verband daarmede het in den noordelijken zijmuur ontworpen venster, althans voorloopig, niet moet worden aangebracht. Deze muur was, naar aanleiding der gesloten dading, bestemd om in het gezicht te komen en zijne ordonnantie geheel identisch met den westelijken zijmuur, welke laatste mettertijd als onze verwachtingen ons niet geheel bedriegen ook nog wel geheel onbelemmerd in het gezicht zal komen.
Mocht het evenwel in het voornemen van Uwe Excellentie liggen om de vraag te overwegen of het wenschelijk is den door het gebouw van het Leesmuseum vrijkomenden grond te bebouwen, en deze vraag in de toekomst bevestigend worden beantwoord, dan zouden wij gaarne tot de uitvoering hiervan willen medewerken,
12
vertrouwende dut do toegang tot den kloostergang alsdan tusschen de beide bouwwerken zoude vallen, en het eventueel te stellen gebouw zich niet boven den buitenmuur van den kloostergang zoude verheffen, ten einde het voordeel om den zuidelijken transsept van do Domkerk meer in het gezicht te brengen, niet meer te doen verloren gaan.
Doch aangezien de Staat als eigenaar van het naburig erf in ieder geval het aanbrengen van het raam op de aangegeven wijze, op een afstand van minder dan 2 M. vermag te weigeren, verzoeken wij Uwe Excellentie nader te dezer zake hare beslissing te doen kennen.
De wenschelijkheid eener verkleining der faculteitskamer N0. 1, door afscheiding eener travée, werd ook door onze adviseurs voorzien en was ook door stippellijnen op het plan aangeduid.
De distributie dezer verdieping is op de thans overgelegde teekening gewijzigd, zoodat de faculteitskamereene oppervlakte van 76 M* zal verkrijgen.
Met het oog op de bestemming van het lokaal zal de samenstelling van den vereischten scheidingsmuur uit ijzer en steen of gips geschieden.
Ook zal de scheidingsmuur tusschen de beide zuidelijke Collegekamers op den plattegrond in spouwmuur worden veranderd. Ten einde gehoorigheid te voorkomen, waren onze adviseurs in de eerste plaats er op bedacht, do vloeren- en plafondbinten, als de voornaamste klankgeleiders, volkomen te isoleeren.
Gaarne zullen wij Uwer Excellentie's beslissing afwachten omtrent het openen der t wee toegangen naar den kloostergang. Onze adviseurs stellen zich voor, om het nieuwe
13
trapponhuis, dut eigendom blijft van den Staat, dooreen boven den zuidelijken trapmuur op te trekken brandmuur van het Universiteitsgebouw te scheiden onder verplaatsing van het aldaar ontworpen dakvenster.
De tegenwoordige toestand waarbij het trappenhuis door eene binnenplaats van het huis, vroeger aan den Heer Ram toebehoorende, is gescheiden, geeft vertrouwen dat het nieuwe gebouw de drukking der gordelbogen van den kruisgang zal overnemen. Niettemin zijn wij met Uwe Excellentie van meening dat de nieuwe bouwwerken met beleid zullen moeten worden uitgevoerd, en zullen wij gaarne het aanbevolen overleg gelasten, omdat ook wij overtuigd zijn dat de veiligheid van de rijks eigendommen, nu de daaraangrenzende particuliere eigendommen in handen der gemeente zijn overgegaan, eerder grootere dan mindere waarborgen moet genieten.
Onze adviseurs melden ons dat zij zullen zorg dragen de ramen van den plattegrond aan het Munsterkerkhof zoodanig te construeeren, dat, bij het openen daarvan, geen stoornis van de straat worde ondervonden.
Ten aanzien van den ontworpen torenbouw deelen onze adviseurs ons mede dat de constructie met toepassing van een 5 M. vrijliggend kokerbint, tot ondersteuning van een 5.10 M. hoogen torenmuur, ook naar het oordeel van de meest bevoegde technici, eene volstrekt onberispelijke mag genoemd worden. Zij beroepen zich daaren boven op zoodanige constructie bij zeer voorname rijksgebouwen, waarbij zich de nog hooger torens evenmin rechtstreeks uit het grondplan ontwikkelen, en op de verlangde constructie boven het Klein Auditorium, waarbij terecht het van een ijzeren kokerbint te geven vertrouwen, dat bij den torenbouw ontzegd wordt, op nieuw wordt
14
gegeven. Zij vreezen van de voorgestelde constructie hoegenaamd geen afzonderlijken onderhoudslast.
Ten einde echter de goedkeuring der plannen door Uwe Excellentie naar mogelijkheid te bevorderen en te bespoedigen, hebben zij eene constructie en distributie aangegeven, volgens welke voor de ondersteuning en ontwikkeling van den toren in alle verdiepingen alleen van steenconstructies is party getrokken.
Wij kunnen echter niet nalaten hierbij op te merken, dat, door deze laatste constructie, de entree van het gebouw in sierlijkheid zal verliezen en het gezicht op don hoofdgang zeer zal worden belommerd. De hoofdtrap zal daardoor oogenschijnlijk den ingang zooveel meer naderen en onverdiend de gedachte aan bekrompenheid doen ontstaan. Echter laten wij de beslissing in deze aangelegenheid aan het oordeel van Uwe Excellentie over.
Omtrent het hiernavolgende punt schrijven onze adviseurs het onderstaande:
„Voor de overdekking van het trappenhuis hebben wij „eene platte zoldering ontworpen, omdat deze constructie „niet alleen de meest eenvoudige en solide, maar ook „de minst kostbare is. De gedachte, om het trappenhuis „koepelvormig te overdekken, is ook ons geenszins vreemd „gebleven en zelfs lachte ons het denkbeeld toe, om de „overdekking van dit voornaamste onderdeel der binnen-„ordonnantie ook in de buitenordonnantie door oen boven „de daken opgetrokken koepel of dakruiter te doen spre „ken. Met het oog op de belangrijk hoogero koston „van uitvoering achtten wij ons evenwel te meer verplicht „van beide denkbeelden af te zien, als in den loop der „onderhandelingen met de regeering door de steeds gewij-„zigde en hooger gestelde eischen de oorspronkelijke
15
„bouwsom van iets meer dan één ton nu reeds tot on-„ ge veer l'/s ton is opgevoerd.
„Het. zal van de verdere uitkomsten van begrooting „en aanbesteding afhangen, of het ook voor ons sym-„pathieke denkbeeld eener koepelvormige overdakking „der trapruimte voor verwezenlijking vatbaar is.
„Wanneer het te stichten Universiteitsgebouw eene „geheel vrije ligging had of aan een groot plein was „gelegen, zou de idee eener bekroning van liet kruispunt „der daken door een houten torentje of dakruiter zich „met meer klem aan ons hebben opgedrongen.
„Nu het gebouw alles behalve vrij ligt en een toren „op het kruispunt der daken noch in de richting der beide „zijgevels noch op het Vrijhof in het gezicht zou komen, „scheen ons de toepassing van een dakruiter veel minder „gemotiveerd dan bij eene meer vrije situatie van het „gebouw het geval ware geweest. Doch zijn gelijk reeds „is opgemerkt, de financieele bezwaren zóó groot en over-„ wegend dat ons reeds daarom het denkbeeld voor ver-„wezenlijking niet vatbaar voorkomt.quot;
Zij voegen aan deze beschouwingen mondeling toe dat de kosten van een dakruiter, zich natuurlijk ontwikkelende uit het grondvlak van het trappenhuis, de bouwkosten met vele duizenden guldens zouden verhoogen, omdat de muren van het trappenhuis van de fundeering af, op het plaatsen van zoodanig bouwwerk moeten zijn ingericht.
De schoorsteenen welke in de hoeken naast het portaal van ingang ter wederzijde zijn ontworpen, zullen op en langs de scheidingsmuren van het trappenhuis in eenigs-zins schuine richting worden opgetrokken, zoodat zij, door massief metselwerk ondersteund in de nabyheid dei-nokken boven het dak uitkomen; zooals blijkt uit de door-
16
snede en opstandteekeningen zullen de overige schoor-steenen alle loodrecht tot boven de nokken der daken worden opgetrokken.
Het plint of de sokkel van het gebouw is met omkar-nieringen aan do vensteropeningen met ongelijke hoogte ontworpen, omdat een doorloopende sokkel, ter hoogte van de vensterdorpels, te laag voorkwam in verhouding tot de geheele hoogte van het gebouw. Ten einde zoowel inwendig het gebouw door de ramen niet te hoog te plaatsen, aan de eischen van geriefelijkheid te doen beantwoorden , als uitwendig een massalen indruk voor den voot van het gebouw te bewaren, is het plint in verhouding gebracht tot de geheele hoogte. De indruk dat de ramen naar beneden verlengd zijn, is wellicht dooide teekening teruggebracht en kan dan ook slechts zeer vluchtig zijn geweest, als men van de veronderstelling uitgaat dat de onderdorpels der ramen waterpas moeten liggen met de voetstukken der zuilen die den ingang versieren.
De hoeken der gevels zijn ter wille van soliditeit ontworpen met strekken die niet beurtelings in den eenen en anderen muur inspringen, doch alle in beide muren tegelijk ingrijpen.
Er bestaat geen bezwaar om de beide topgevels den vorm te geven van dien aan de zuidzijde ontworpen. Onze adviseurs hadden voor de beide verschillande, en nimmer te gelijk in het gezicht komende topgevels ook verschillende ontwerpen gemaakt, omdat zij daarvoor in gelijke mate als voor het ontwerpen van den voor- en achtergevel van eenzelfde gebouw, vrijheid 'meenden te hebben.
Jj\
i7
Wat de goten betreft, zoo is in alle gevels dezelfde eenvoudige constructie gevolgd, waarbij een bekleede houten goot door consolen wordt gedragen. In den voorgevel zijn de consolen door nissen onderling verbonden en deze met een zoomlijstje afgesloten.
De opgaande muren zijn met een steenen plaat gedekt, zoodat van de voorgestelde constructie geen bijzondere onderhoudslast te vreezen is.
Het Rijkswapen, dat ook naar onze meening ter versiering van het gebouw niet kan gemist worden, kan gevoegelijk gesteld worden ter plaatse van de aanvankelijk ontworpen wijzerplaat. Het jaartal van de stichting zal in het gezicht worden gebracht.
Onze adviseurs berichten ons dat zij de dubbele uit-kragingen van den groeten boog aan den achtergevel hebben ontworpen, omdat zij aarzelden den zijdelingschen druk van dien boog op een smal vensterpenant over te brengen. Zij zijn bereid dezen boog door een ijzeren bint te vervangen, indien dit Uwer Excellentie's verlangen is. Het groote venster ter verlichting van de pedelskamer ontworpen, is op het zuiden gericht, zoodat ter wille van de lichtverzorging van dat lokaal de verandering niet noodzakelijk schijnt.
Het voornemen bestaat om de crètes boven de nok van het dak van yzer en zink samen te stellen, op dezelfde wijze en even solide als de overeenkomstige onderdeden, door de Delftsche fabriek o. a. voor het Ministerie van Justitie en het Centraal station geleverd. Dit ijzerwerk evenals het andere dat met de buitenlucht in aanraking komt, zal door verfwerk zooveel mogelijk voor roest moeten worden beveiligd.
18
Met waaideoring ontvingen wij op nieuw van Uwe Excellentie do verzekering, dat aan de gemeente vrijheid wordt gelaten, ten aanzien van den te volgen bouwstijl.
De gemaakte opmerkingen geven ons thans aanleiding aan Uwe Excellentie gelijke vrijheid voor onze bouwmeesters te verzoeken, ten aanzien van kleine onder-doelen van don bouw, als daar zijn schoorsteenon, dakgoten en dergelijken, waaromtrent mag verondersteld worden, dat iedere bouwmeester van eenige ondervinding eeno gevestigde meening heeft en ook wellicht een stelsel voorstaat, dat, berustende op zijne ervaring, door hem uitgevoerd zijnde, goede waarborgen oplevert voor solidi teit en onkostbaar onderhoud.
Overigons is het ons aangenaam dat in hoofdzaak overeenkomstig het verlangen van Uwe Excellentie kan worden gehandeld. Ter toelichting van onze bemerkingen hebben wij de oer Uwe Excellentie een stel schetstoe-keningen aan te bieden, dat wij zoo spoedig doenlijk wonschen te vervangen door een stel blijvende teoke-ningen, als wij van Uwe Excellentie zullen vernomen hebben dat hare goedkeuring van de teekeningen zelf of van de varianten is verkregen, en do gemeenteraad eveneens zijne goedkeuring aan het bouwplan zal hebben gehecht.
Wij verzoeken mitsdien aan Uwe Excellentie goedkeuring van onze voorstellen onder mededeoling, dat een der loden van ons College zich gaarne bereid zal houden om Uwe Excellentie desgevordord, mondeling toelichting te geven.
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht,
De Burgemeester, W. R. BOER.. De Secretaris, DE WATTEVILLE.
Ministerie van Binnenlandsche Zaken.
No. 1959, afd. O. Bericht op schryven van 8 Mei 1891, n». 123 F, betreffende nieuw Universiteitsgebouw Utrecht.
's-GRAVENHAGE, 3 Juni 1891.
De overweging van novengcmeld schrijven en van de daarop ontvangen adviezen heeft geleid tot de navolgende uitkomst.
De amotie van het Leesmuseum heeft meerdere nadoelen, zonder dat daartegenover eenig voordeel staat. Vooreerst komt daardoor in het gezicht de achterzijde van den Kloostergang, welke nimmer bestemd is geweest om gezien te worden, doch waartegen ten allen tijde gebouwen hebben gestaan, zoodat de Kloostergang in verband met zoodanige gebouwen is opgetrokken geworden. Deze amotie zou derhalve een misstand te weeg brengen. Nu schijnt het wenschelijker het tegenwoordige Leesmuseum te behouden, aan hetwelk gemakkelijk een behoorlijk aanzien te geven is door den gevel te verbeteren. Deze laatste verbetering zal aan het Rijk niet meer kosten dan de anders noodwendige restauratie van den achtermuur van den Kloostergang, welke restauratie van een blinden muur echter den onoogelijken toestand aan die zijde niet zou kunnen verbeteren.
Daarbij komt, dat bij behoud van het voor academische
Aan
Burgemeester en Wethouders van Utrecht.
20
doeleinden gesticht Leeskabinet een aantal lokalen beschikbaar komt, voor den dienst der Universiteit van groot nut.
Vermeerdert het instandhouden van het Leeskabinet de uitgaven voor het Rijk niet, zij zal aan den anderen kant Uwe gemeente ontheffen van de uitgaven, noodig voor de slooping daarvan en voor het bestraten en in orde houden van het anders ter plaatse te verkrijgen open terrein.
Voor den bouw van het nieuw Universiteitsgebouw levert die instandhouding geen bezwaar. Want al moet dit nieuwe gebouw een diepe fundeering erlangen, de voorzieningen deswege te treffen, kunnen noch moeielijk, noch kostbaar zijn, terwijl toch gelijke voorzieningen noodig zullen zijn voor het behoud van de muren van den Kloostergang en van het Groot Auditofium, waaraan het nieuw gebouw zal grenzen.
Dat hef Leesmuseum zou moeten worden afgebroken, om de afkomende steenen te kunnen gebruiken voor de fundamenten van het nieuw Universiteitsgebouw, weegt niet op tegen do bezwaren, aan de amotie verbonden.
Het zal mij daarom zeer aangenaam zijn dat bij den bouw van het nieuw Universiteitsgebouw worde gerekend op het behoud van het Leesmuseum, zoodat het raam van de bovenverdieping van den tegen het museum op te trekken zijgevel — welk raam overigens kan gemist worden — niet behoeft te worden aangebracht.
Intusschen wil ik na de aangegane dading op de instandhouding van het Leesmuseum niet aandringen, indien daartegen bij U overwegende bezwaren blijven bestaan, en in geen geval door eene correspondentie over dit punt de stichting van het gebouw ophouden. Voor het geval derhalve dat die bezwaren blijven bestaan, geef ik de vergunning om het bedoelde raam aan te brengen op de aangegeven wijze.
21
De bedenkingen tegen de plaatsing van een toren in den inspringenden hoek zijn niet opgeheven. Het daardoor op de bovenverdieping te verkrijgen uitstek in den bovengang is onnoodig, en eene overhuiving of portaal voor den ingang is ook zonder dien torenbouw aan te brengen. De constructie van dien toren is niet zonder bedenking; het ondervangen van een muur van 4 a 5 M. door middel van een ijzeren balk moge materieel mogelijk zijn, zij is als architectonische samenstelling, wijl zij zich niet natuurlijk uit het grondplan ontwikkelt geenszins aan te prijzen: de aangeboden variant levert ten deze geen organische oplossing, wijl zij getroffen wordt van boven naar onderen en niet van het plan uit, naar het dak. Overigens is ook door U opgemerkt dat deze oplossing den ingang van het gebouw zal vernauwen en bederven.
Voorts zal de toren op die plaats, door zijnen voorsprong , scherpe inspringende hoeken doen ontstaan, welke de reeds moeielijk te stellen aangrenzende medaillons in den gevel nagenoeg geheel en al onzichtbaar zullen maken.
Een minder hooge afdekking van dezen hoek op gemelde gronden zou gewenscht zijn.
De daaruit verkregen bezuiniging zal ten goede komen aan het ook door de bouwmeesters gewenschte denkbeeld om aan het trappenhuis een koepelvormige afdekking te geven. Wordt deze gemaakt volgens de overgelegde calques, dan zullen de kosten overigens vrij wel gelijk staan met die der ontworpen vlakke afdekking; de balken zouden te vervangen zijn door rond gezaagde schenkels, dubbel op elkander gespijkerd, en deze zouden juist om hun gebogen vorm zeer licht kunnen zijn: de mindere kosten hiervan komen ten goede aan de meerdere uitgaaf van het gebogen licht gepleisterd plafond.
Deze koepelvormige binnenafdekking zal het inwendige
22
in rijzigheid en voornaamheid doen winnen en de monumentale trap tot haar recht doen komen. Wordt op dit punt van het gebouw, waar de nokken der daken elkaar snijden, een houten torenspits als dakruiter geplaatst dan zou dit een dankbare bekroning vormen.
Het aanbrengen van deze spits in stede van die op het voorportaal zal de kosten niet opvoeren; geconstrueerd naar de beste Nederlandsche modellen zal deze bouw zijn gewicht kunnen verdoelen over een evenredig getal steunpunten , welke, bij de groote breedte van den voet, niet behoeven te worden verzwaard.
Ook zullen alsdan de schoorsteenen niet schuins doch te lood op te trekken en buiten het dak te brengen zijn. Aan een plint, waarvan de bovenkant strookt met den onderkant van het basement der kolommen, wordt de voorkeur gegeven; zoo ook aan een verband aan de hoeken der gevels, waarbij de kettingsteenen beurtelings in den eenen en den anderen buitenmuur grijpen, met vermijding van smalle staande stukken.
Het vervangen van den boog met uitkraging van den achtergevel door een ijzeren draagbalk wordt niet verlangd; wel is het vereenvoudigen van de aangenomen boogconstructie ook door het doen vervallen der dwergzuiltjes met kraagstukken wenschelijk.
Eene afscheiding in de te groote faculteitskamer der bovenverdieping wordt niet gewenscht. Aan deze zaal zal do bestemming van collegekamer gegeven worden, terwijl de daarachter liggende collegekamer faculteitskamer zal worden.
Het is noodig in verband met het weglaten van den toren boven den ingang aan het Rijkswapen eene passende plaats te verzekeren.
Van bovenstaande aanmerkingen zal zoodanig gebruik kunnen worden gemaakt als door U in het belang van
•23
het te stichten gebouw noodig zal worden geacht. Ik verzoek U thans de definitieve bouwkundige teekeningen en stukken in gereedheid te brengen en mij ter onder-teekening over te leggen.
Mocht door U over het een of ander punt alsnog bespreking wenschelijk worden geacht, dan ben ik gaarne bereid U te ontvangen.
De Minister van Binnenlandsche Zaken, DE SAVORNIN LOKMAN.
en 9 .fd.
Ui
■
UTRECHT, 19 Juni 1891.
Nquot;. 277 F.
Boricht op schryveu van den 3iea Juni 1891, nu. 1959, Afd. O, betreffende nieuw Universiteitsgebouw te Utrecht.
Uit do tor zijdo aangehaalde missive mochten wij Uwer Excellenties bereidwilligheid vernemen, om na de aangegane dading, op de instandhouding van het Leesmuseum niet te willen aandringen, indien onzerzijds daartegen overwegende bezwaren blijven bestaan, en in geen geval door eene correspondentie over dit punt, de stichting van het Universiteitsgebouw te willen ophouden.
Met onze adviseurs hebben wij dit punt op nieuw overwogen en zijn wij gesterkt in de meening, dat het behoud van het hooge en breede gebouw van het Leesmuseum de in uitzicht gestelde verfraaiing van een deel van het Munsterkerkhof zal beletten en schade zal toebrengen- aan den indruk, dien zoowel de Domkerk als het te stichten gebouw kunnen te weeg brengen. Wij blijven ons echter bereid verklaren om eventueel te trachten tot het gedeeltelijk bebouwen van de vrijkomende oppervlakte, de medewerking van den gemeenteraad te verkrijgen.
Ook de aanmerkingen op het bouwplan, die verder in Uwer Excellenties missive aan ons worden medegedeeld , hebben wij overwogen en naar aanleiding daarvan hebben wij de eer te berichten dat thans een plan ontworpen is, waarbij partij getrokken is van de opmerkingen omtrent de inwendige afdekking van het trappenhuis, welke nu kbof-of koepelvormig ontworpen is.
Tegen het aanbrengen van een spits of dakruiter bo-
Aan
Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken.
ven dezen koepel, ter vervanging van den ontworpen toren, blijven bij onze adviseurs de bezwaren bestaan ontwikkeld in onze missive van den 88ten Mei 1891, n0. 123 F., die wij niet vermogen weg te nemen.
In het thans ontworpen plan is de boogconstructie aan den achtergevel vereenvoudigd en zijn de dwergzuiltjes met kraagstukken vervallen.
Ook is rekening gehouden met het verlangen om de afscheiding in de te groote faculteitskamer der bovenverdieping niet te plaatsen.
Naar aanleiding van het laatste deel van artikel 2 van het contract van bruikleen, bieden wij thans Uwer Excellentie twee exemplaren van de plannen en het bestek voor het nieuwe Universiteitsgebouw ter goedkeuring aan, met beleefd verzoek daarvan een exemplaar getee-kend terug te mogen ontvangen.
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht,.
De Burgemeester, W. R. BOER.
De Secretaris, ENKLAAR,
l. s.
Ministerie van Binnenlandsche Zaken.
N0. 2308, Afdeeling O.
Bericht op schryven van 19 Juni 1891, n0. 277 F, betreffende nieuw Universiteitsgebouw te Utrecht,
's-GRAVENHAGE, 23 Juni 1891.
Ik heb de eer U hierbij goedgekeurd terug te zenden een exemplaar van de plannen en het bestek voor het nieuwe Universiteitsgebouw.
Aangenaam zal het mij zijn, van de plannen en tee-keningen vijfentwintig afdrukken te ontvangen en te zijner tijd een nauwkeurigen plattegrond, aangevende de rioleeringen en waterleidingen.
De Minister van Binnenlandsche Zaken, DE SAVORNIN LOHMAN.
Aan
Burgemeester en Wethouders van Utrecht.
UhO
STRIKT VERTROUWELIJK.
-»-^-0-
De Commissie, die zich heeft belast met de voorbereiding der maatregelen, strekkende om van veler ingenomenheid met de stichting van het nieuwe Gebouw ten dienste der Rijks-Universiteit te Utrecht nader te doen blijken door aanbieding van een geschenk, dat, buiten het eigenlijk kader daarvan liggend, niettemin daarmede een samenhangend gehéél uitmaakt, heeft met erkentelijkheid kennis genomen van Uw bereidverklaring om daartoe mede te werken.
Zij veroorlooft zich UEd. beleefdelijk uittenoodigen tot de bijwoning eener vergadering van deelnemers, die zal worden gehouden op Zaterdag 30 februari e. k. des namiddags te drie ure precies, in het Gebouw van Kunsten en Wetenschappen, Mariaplaats te Utrecht, als wanneer de Commissie mededeelingen zal verstrekken aangaande den uitslag der door haar ingestelde pogingen, en in verband daarmede door haar een voorstel zal worden gedaan, omtrent aard en daarstelling van het aan te bieden huldeblijk.
De Commissie voornoemd,
Mr. J. F. de Beadfort.
Mr. A. C. van Heüsde.
Mr. R. Melvil Baron van Lijnden.
Jhr. Mr. A. D. van Riemsdijk.
Jhr. Mr. J. Röell.
Mr. H. Roijaards van Scherpenzeel.
Utrecht, 13 Februari 1892.
Nquot;. 1
Urm toi geb Utrlt;
Zijne luit
UTRECHT, 19 Februari 1891.
N'. 146 F.
Universiteitsgebouw Utrecht.
Wij hebben de eer Uwe Excellentie hierbij ter goedkeuring aan te bieden de door de heeren E. Gügel en F. J. Nieuwenhuis opgemaakte plannen voor den bouw van eene Universiteit alhier, bestaande uit vijf teekeningen.
Wij voegen daarbij een uittreksel uit de door de genoemde bouwkundigen ons toegezonden missive van 12 Februari 1891, houdende toelichting der plannen en van het opgemaakt bestek en begrooting en durven ons vleien dat deze stukken de goedkeuring van Uwe Excellentie zullen verwerven, waarna zij aan den Raad der gemeente ter vaststelling zullen worden aangeboden.
Burgemeester en Wet houderh der gemeente Utrecht,
De Burgemeester) F. H. COBLIJN, Weth.
De Secretaris, DE WATTEVILLE.
Aan
Zijne Excellentie den Minister ran Binnen-landsche Zaken te 's-Graven hag e.
DELFT,
-12 Februari 1891.
UTRECHT,
Antwoord op het schryven van . en W. van 14 Januari 1891, n0. 4GF, betreffende het Universiteitsgebouw. Met 5 teekeningen en een bestek en begrooting als Bijlagen.
Aan
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht.
Ter voldoening aan de opdracht, ons door het Gemeentebestuur volgens geëerd schrijven d.d. 14 Januari 1891, nquot;. 46 F. verleend, hebben wij de eer, in bijliggende vijf teekeningen een volledig ontwerp aan te bieden voor een Universiteitsgebouw, te stichten aan het Munsterkerkhof op de terreinen kadastraal gemeente Utrecht, sectie B, n0. 602, 603, 2696 gedeeltelijk en 2695 gedeeltelijk — waarin door ons is gevolgd het programma van eischen, als bijlage E aan Uwe voordracht van 3 Januari 1891 verbonden.
De teekeningen n0. I —IV bevatten, behalve fundee-ringsplan en kapgrond, de plattegronden over de verdeeling van het gebouw ten beganen grond en op de eerste verdieping; voorts alle buitenordonnantiën en vier doorsneden , waardoor de samenstelling van het geheel en van al zijn onderdeelen verduidelijkt is. Zooals verder uit deze teekeningen blijkt, is bij het ontwerp mede beschikt over het kleine gebouwtje, gelegen naast den Kruisgang en tegen het Groot Auditorium, welk gebouwtje aan het Rijk behoort en omvat den toegang naar den kelder waarin de verwarmingstoestel van het Groot Auditorium staat, en dien naar de daken van do kruisgangen. Dit gebouwtje zal moeten worden afgebroken. In het ontwerp
is echter op minstens even bruikbare wijze in die toegangen voorzien.
Maatregelen om bij amotie van den trap naar de daken uitwijking te voorkomen van den muur, waartegen de gordelboog van het laatste gewelfvak van den Kruisgang staat, achten wij volkomen onnoodig. Ware dit werkelijk noodzakelijk, dan zoude ook van atbraak van het Leesmuseum geen sprake kunnen zijn, zonder ook daar de muurvakken te versterken. Ten overvloede echter wordt in het plan het bedoelde vak versterkt door een gedeelte parallelmuur en een dwars daartegen aankomenden muur van het nieuw aan te leggen trappenhuis. Bij de inzending van het plan aan Z. E den Minister van Binnenlandscbe Zaken zal dus regeling van den eigendom van bovenbedoeld gebouwtje gewenscbt zijn, daar anders door inkrimping de distributie en de afmetingen van enkele localiteiten daaronder zeer zouden lijden.
Terwijl de vaste zandplaat, waarop ook de kruisgangen en het Groot Auditorium gefundeerd zijn, niet minder dan ruim 4 M. onder den beganen grond gelegen is, lag het voor de hand ter besparing van kosten en met het oog op de minder diep gefundeerde belendende huizen, het geheele gebouw op betonputten met spaarbogen te fundeeren. Bij nader onderzoek van den grond bleek evenwel , dat de gedeeltelijk steenachtige puingrond boven de zandplaat hiertegen groote bezwaren zal opleveren, terwijl ook de aanwezigheid van meerdere oude fundamenten, waaronder die van de Oude Munster- of St. Salvatorkerk, toch algeheele ontgraving van het terrein waarschijnlijk doet achten. Om deze redenen hebben wij op grond van nader overleg en onderzoek gemeend, van deze op plaat II ontworpen fundeering op putten af te moeten zien en in de plaats daarvan een meer veilige, hoewel ook kostbaarder wijze van fundeering te moeten kiezen, door zooveel mo-
4
gelijk van doorloopende fundeeringsmuren partij te trekken.
Deze door ons noodzakelijk geoordeelde wijziging in de oorspronkelijk ontworpen fundeering veraanschouwelijkt plaat V, waarop, behalve het nieuwe fundamentsplan, de daardoor veroorzaakte afwijkingen in de verschillende doorsnede-teekeningen zijn voorgesteld. Op dit funda-mentsplan zijn ook bestek en begrooting gebaseerd.
Terwijl het project ten opzichte van de afmetingen dei-lokalen in alle deelen aan de bepalingen van het programma van eischen ruimschoots beantwoordt, vleien wij ons, dat het ontwerp ook ten aanzien van distributie en inrichting aan de strengste eischen voldoet, die redelijker wijze kunnen worden gesteld.
Wat het aantal collegezalen betreft , is er gelegenheid bevonden, om op de bovenverdieping nog eene zesde, niet gevraagde collegekamer, groot 41 M2,, aanteleggen.
De bergplaats voor brandstoffen in den tuin is niet in den plattegrond aangegeven, doch in de begrooting uitgetrokken; de hoek, vrijkomende door de terreinen, aangekocht van den heer Wiesman, is daarvoor de aangewezen plaats, daar alsdan reeds drie muren aanwezig zijn en alleen nog het maken van oen dak en een vierde zijde noodig is.
Met het oog op het spoedeischende der zaak en de voorbereiding van verdere werkzaamheden, hebben wij van de overgelegde teekeningen een dubbel stel calques laten nomen.
Hopende, hiermede de ons geworden opdracht in allen deele te hebben voldaan, noemen wij ons,
met de meeste hoogachting,
van het Gemeentebestuur voornoemd, de dienstwillige dienaren, E. GÜGEL.
P. J. NIEUWENHUIS.
Ministerie van Binnenlandsche Zaken.
N0. 1382, Afdeeling O. Bericht op schrijven van 19 Februari 1891, N0. 146 F, betreffende nieuw Universiteits gebouw Utrecht.
's-GRAVENHAGE, 21 April 1891.
Het onderzoek der bij nevengemeld schrijven toegezonden ontwerpen voor het nieuwe gebouw ten behoeve dor Rijks-Universiteit te Utrecht, heeft tot de volgende uitkomsten geleid.
De dispositie en de afmetingen der lokalen ontmoeten geen bedenking, behoudens wat betreft het 98 M3. grooto lokaal boven het Klein Auditorium, hetwelk voor faculteitskamer veel te groot is; het is noodig dit vertrek te verkleinen, door daarvan een gedeelte bijv. ééne travee af te nemen ten behoeve van eene bewaarplaats voor het Universiteitsarchief, hetgeen uitvoerbaar is, zoowel door middel van een houtconstructie, als met ijzer en dubbele wanden van rietplanken.
liet in den noordelijken muur van dit lokaal ontworpen venster, hetwelk voor de verlichting kan gemist worden, wensch ik althans voorloopig niet aangebracht te zien, in verband met aanhangige overwegingen, betreffende de vraag, of de slooping en amotie van het Leeskabinet wel wenschelijk zijn.
De constructie van den muur tusschen de aan elkaar
Aan
Burgemeester en Wethouders van Utrecht.
6
grenzende zuidelijke collegekamers der beneden verdieping is niet berekend op het voorkomen van gehoorigheid. Het is noodig door het maken van een spouwmuur daarin te voorzien.
Omtrent het openen der twee toegangen naar den Kloostergang, wensch ik do beslissing voor te behouden. Deze zal tijdig volgen en is zonder invloed op den bouw. Het innemen van het tegenwoordig gebouwtje , waarin zich de trappen langs den zuidgevel dier kloostergangen bevinden, wordt in beginsel goedgekeurd.
In hoeverre het nieuwe gebouw do drukking der gor dolbogen van den Kruisgang zal overnemen , in plaats van het oude werk van den traptoren, zal afhankelijk zijn van het beleid waarmede die nieuwe bouwwerken worden uitgevoerd en het bestaande afgebroken. Er zal mitsdien ten opzichte van dien afbraak en van die aansluitingen overleg gepleegd moeten worden door de beide opzichters, belast met den bouw van het nieuwe werk en met de herstelling van den Kloostergang, telkens in overeenstemming met de bevelen hunner architecten. Het nieuwe trappenhuis zal eigendom van het Rijk blijven, en de dakconstructie behoort ingericht te zijn zoo, dat een eventueele scheiding der Rijks- en gemeente-perceelen mogelijk blijve.
Het is noodig de ramen van de benedenverdieping aan het kerkhof zoodanig te construeeren, dat bij het openen daarvan geen stoornis van de straat uit ondervonden worde.
De opbouw van den toren, — welks goten wegens de geringe oppervlakte welke overdekt wordt, veel kleiner konden zijn, — ontwikkelt zich niet uit het grondplan, ten gevolge waarvan een der torenmuren op een kokerbalk opgetrokken zou worden, hetgeen verwerpelijk is. De platte torenspits, overbooks
tusschen tyvee terugspringende muren, is min juist ge. plaatst boven het portaal, dat een geheel afwjkenden grondvorm heeft, zoodat de aanleg noch gelijkvloers, noch op dc eerste verdieping eene behoorlijke ondersteuning of ontwikkeling vindt. De zoldering van het trappenhuis ware niet plat, maar flauw koepelvormig in den zolder door te trekken, tengevolge waarvan het inwendige in rijzigheid en voornaamheid winnen, en de monumentale trap tot haar recht komen zal.
Dit hoofdpunt van het gebouw, alwaar de daken elkaar kruisen, wordt de aangewezen plaats geacht voor een houten torenspits als dakruiter, indien aan de bekroning van het portaal een andere vorm werd gegeven. Deze laatste zou beter zijn, indien een vierkante zandsteenen onderstelling werd geplaatst boven de kroonlijst, welke het gebouw afsluit.
Hoe men bedoelt de schoorsteenen op te trekken, welke tegen den toren worden gebouwd, blijkt uit de teekening niet; op het kapplan is geen enkele schoorsteen geteekend. Dit punt vereischt opheldering.
Wat den torenoorsprong betreft valt nog op te merken, dat de portretmedaillons in de twee scherpe hoeken door dien voorsprong gevormd, onzichtbaar zullen zijn, en dat dc plaatsing daarvan zeer bezwaarlijk zal zijn, tenzij men die tegelijk met den opbouw aanbrenge, hetgeen ook vele bezwaren heeft.
Het verdient aanbeveling, het plint overal even hoog te houden en het niet op de penanten te verhoogen, zoodat de ramen den indruk maken, alsof zij later benedenwaarts verlengd waren. Ook aan de zijgevels is voor de plinten een gelijkmatige hoogte aan te nemen, namelijk die der vensterdorpels, welke terecht door de ontwerpers waterpas is gesteld met de voetstukken der zuilen die den ingang versieren. Wanneer daarbij ter hoogte van
8
den bovenkant der treden bij den hoofdingang een tweede voorsprong gemaakt wordt, kan bij eene behoorlijke profileering van het gebouw een sierlijke monumentale voet verkregen worden.
Niet slechts om het uiterlijk aanzien, maar voor de hechtheid van hot gebouw is het noodig verbetering te brengen in de behandeling van de hoeken der gevels aan het Munsterkerkhof, de blokken van gehouwen steen behooren zóó gelegd te worden, dat zij beurtelings in den eenen en in den anderen muur grijpen.
Ook de topgevel togen den zuidelijken Kloostergang eischt verbetering. Het stuk gehouwen steen, dat de over-kraging vormt, moet ver genoeg in het gevelmetselwerk reiken, om zonder kunstmiddelen, zooals verankeringen, te kunnen blijven liggen.
Voorts schijnt vergeten te zijn, op den top van den gevel, het ornament aan te brengen, waartoe deze top van eene uitmetseling is voorzien, en zou deze uitmet-seling, welke de overdreven dikte van 0.70 M. in doorsnede heeft kunnen worden ingekrompen.
Het schijnt wenschelijk, ter wille van de eenheid van uitdrukking, al de topgevels volgens hetzelfde stelsel te bouwen, hetzij men dat van den eerstgenoemden topgevel, hetzij dat van den achtergevel volge.
De proflleering van de goot schijnt niet rationeel, het boord, geplaatst boven de geledingen welke de eigenlijke goot vormen, is onnoodig en voor het onderhoud onge-wenscht.
In den voorgevel kan niet volstaan worden met de wapenschilden van provincie en gemeente, dat van het Rijk mag niet gemist worden, terwijl 't ook wenschelijk is, den steen met het jaartal meer in het gezicht te brengen.
De grooto boog aan den achtergevel, die alleen dient om goot en kap over een korten afstand te steunen, is
9
op omslachtige wijze met zuiltjes en eene uitkraging geconstrueerd.
Een eenvoudiger oplossing, waarbij de lichttoetreding in het traplokaal en de pedelskamer zoo min mogelijk belemmerd wordt, schijnt wenschelijk.
In stede van een hek, zou de nok van het dak kunnen worden voorzien van een kam of crête; deze mag niet van ijzer worden vervaardigd eenvoudig met verf bedekt, omdat dit materiaal bezwaarlijk tegen roest zal kunnen beveiligd worden.
Ofschoon — gelijk ik vroeger mededeelde — ik de gemeente vrij wensch te laten ten aanzien van den te volgen bouwstijl, meen ik II niet onkundig te mogen laten met deze opmerkingen. Gaarne zal ik zien, dat daaraan gevolg worde gegeven.
In afwachting, dat mij gelegenheid worde geschonken, deze plannen definitief goed te keuren, bestaat er bij mij geen bezwaar, dat met de voorbereidende werkzaamheden voor den bouw reeds nu een aanvang worde gemaakt en zal ik, zooveel zulks van mij afhangt, gaarne bevorderen, dat de eerste steen van het nieuwe Universiteitsgebouw, dezen zomer kunne worden gelegd.
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
DE SAVORNIN LOKMAN.
UTRECHT, den 8 Mei 1891.
Bericht op missive van 21 April 1891, Nquot;. 1382 afdeeling 0, betreffende nieuw Universiteitsgebouw te Utrecht.
Wij hebben de eer Uwe Excellentie in ons ondervolgend schrijven den uitslag aan te bieden der nauwgezette overweging, waartoe de ons bij nevengemelde missive medegedeelde uitkomsten van het onderzoek dor toegezonden ontwerpen voor het nieuwe gebouw ten behoeve der Rijks-Universiteit te Utrecht, ons hebben geleid.
Nadat de bekende dading tot wegneming van bestaande geschillen door den Staat der Nederlanden, het Kerkbestuur der Nederduitsch Hervormde Gemeente en het Gemeentebestuur van Utrecht gesloten was, hebben wij ons beijverd om, in de thans loopende maand de vrije beschikking te verkrijgen over de nog aan particulieren toebehoorende perceelen, welke den grond voor het Universiteitsgebouw nog innamen, en hebben wij eveneens tegen den 15en dezer, aan het bestuur van het Leesmuseum te Utrecht, het gebruik van het stadsgebouw opgezegd, onder vergoeding van een gemeentelijk subsidie, in overleg met gemeld bestuur vastgesteld en op dien datum ingaande.
Wij stelden ons voor, in overleg met onze technische adviseurs, om de slooping van al deze gebouwen tegelijkertijd te ondernemen en aan dezelfde handen toe te vertrouwen, waaraan de opbouw van hel nieuwe Univer-
Aan
Zijne Excellentie den Minister van Binnen-landsche Zaken te 's-Gravenhage.
11
siteitsgebouw zoude worden gegund, omdat wij overtuigd waren dat zoodoende, de grootst mogelijke zuinigheid kon worden betracht en zooveel mogelijk van de beschikbaar gestelde gelden ten bate van het nieuwe gebouw kon worden besteed. Het was ons toch gebleken dat ter wille van de soliditeit voor dit gebouw eene zeer diepgaande fundeering werd gevorderd, waartoe alle in goeden staat verkeerende steenen, van de voor slooping bestemde gebouwen, met vrucht konden worden aangewend. Het gebouw waarin het Leesmuseum gevestigd is, is in jjeze slooping begrepen, niet alleen omdat het uiteraard in slechten staat van onderhoud verkeert, maar vooral omdat de afbraak daarvan zeer bruikbaar materiaal zal opleveren en de kosten, die zouden moeten besteed worden om het gebouw te steunen en de moeilijkheden te overwinnen, om het nieuwe Universiteitsgebouw zoo dicht nabij op te trekken, konden worden vermeden.
Wij vernamen dan ook met bezorgdheid dat Uwe Excellentie alsnog de vraag overweegt of de slooping en amotie van het Leesmuseum wel wenschelijk zijn en dat in verband daarmede het in den noordelijken zijmuur ontworpen venster, althans voorloopig, niet moet worden aangebracht. Deze muur was, naar aanleiding der gesloten dading, bestemd om in het gezicht te komen en zijne ordonnantie geheel identisch met den westelijken zijmuur, welke laatste mettertijd als onze verwachtingen ons niet geheel bedriegen ook nog wel geheel onbelemmerd in het gezicht zal komen.
Mocht het evenwel in het voornemen van Uwe Excellentie liggen om de vraag te overwegen of het wenschelijk is den door het gebouw van het Leesmuseum viijkomenden grond te bebouwen, en deze vraag in de toekomst bevestigend worden beantwoord, dan zouden wij gaarne tot de uitvoering hiervan willen medewerken,
12
vertrouwende dat de toegang tot den kloostergang alsdan tusschen de belde bouwwerken zoude vallen, en het eventueel te stellen gebouw zich niet boven den buitenmuur van den kloostergang zoude verheffen, ten einde het voordeel om den zuidelijken transsept van de Domkerk meer in het gezicht te brengen, niet meer te doen verloren gaan.
Doch aangezien de Staat als eigenaar van het naburig erf in ieder geval het aanbrengen van het raam op de aangegeven wijze, op een afstand van minder dan 2 M. vermag te weigeren, verzoeken wij Uwe Excellentie nader te dezer zake hare beslissing te doen kennen.
De wenschelijkheid eener verkleining der faculteitskamer N0. 1, door afscheiding eener travée, werd ook door onze adviseurs voorzien en was ook door stippellijnen op het plan aangeduid.
De distributie dezer verdieping is op de thans overgelegde teekening gewijzigd, zoodat de faculteitskamereene oppervlakte van 76 M1 zal verkrijgen.
Met het oog op de bestemming van het lokaal zal de samenstelling van den vereischten scheidingsmuur uit ijzer en steen of gips geschieden.
Ook zal de scheidingsmuur tusschen de beide zuidelijke Collegekamers op den plattegrond in spouwmuur worden veranderd. Ten einde gehoorigheid te voorkomen, waren onze adviseurs in de eerste plaats er op bedacht, de vloeren- en plafondbinten, als de voornaamste Hankge-leiders, volkomen te isoleeren.
Gaarne zullen wij Uwer Excellentie's beslissing afwachten omtrent het openen der t wee toegangen naar den kloostergang. Onze adviseurs stellen zich voor, om het nieuwe
13
trappenhuis, dat eigendom blijft van den Staat, dooreen boven den zuidelijken trapmuur op to trekken brandmuur van het Universiteitsgebouw te scheiden onder verplaatsing van het aldaar ontworpen dakvenster.
Do tegenwoordige toestand waarbij het trappenhuis door eene binnenplaats van het huis, vroeger aan den Heer Ram toebehoorende, is gescheiden, geeft vertrouwen dat het nieuwe gebouw de drukking der gordelbogen van den kruisgang zal overnemen. Niettemin zijn wij met Uwe Excellentie van meening dat de nieuwe bouwwerken met beleid zullen moeten worden uitgevoerd, en zullen wij gaarne het aanbevolen overleg gelasten, omdat ook wij overtuigd zijn dat de veiligheid van de rijks-eigendommen, nu de daaraangrenzende particuliere eigendommen in handen der gemeente zijn overgegaan, eerder grootere dan mindere waarborgen moet genieten.
Onze adviseurs melden ons dat zij zullen zorg dragen de ramen van den plattegrond aan het Munsterkorkhof zoodanig to construeeren, dat, bij het openen daarvan, geen stoornis van de straat worde ondervonden.
Ten aanzien van den ontworpen torenbouw deelen onze adviseurs ons mede dat de constructie met toepassing van een 5 M. vrijliggend kokerbint, tot ondersteuning van een 5.10 M. hoogen torenmuur, ook naar het. oordcel van de meest bevoegde technici, eene volstrekt onberispelijke mag genoemd worden. Zij beroepen zich daaren boven op zoodanige constructie bij zeer voorname rijksgebouwen, waarbij zich de nog hooger torens evenmin rechtstreeks uit het grondplan ontwikkelen, en op de verlangde constructie boven het Klein Auditorium, waarbij terecht het van een ijzeren kokerbint te geven vertrouwen, dat bij den torenbouw ontzegd wordt, op nieuw wordt
11
gegeven. Zij vreezen van de voorgestelde constructie hoegenaamd geen afzonderlijken onderhoudslast.
Ten einde echter de goedkeuring der plannen door Uwe Excellentie naar mogelijkheid te bevorderen en te bespoedigen, hebben zij eene constructie en distributie aangegeven, volgens welke voor de ondersteuning en ontwikkeling van den toren in alle verdiepingen alleen van steenconstructies is party getrokken.
Wij kunnen echter niet nalaten hierbij op te merken, dat, door deze laatste constructie, de entree van het gebouw in sierlijkheid zal verliezen en het gezicht op den hoofdgang zeer zal worden belemmerd. De hoofdtrap zal daardoor oogenschijnlijk den ingang zooveel meer naderen en onverdiend de gedachte aan bekrompenheid doen ontstaan. Echter laten wij de beslissing in deze aangelegenheid aan het oordeel van Uwe Excellentie over.
Omtrent het hiernavolgende punt schrijven onze adviseurs het onderstaande:
„Voor de overdekking van het trappenhuis hebben wij ,eene platte zoldering ontworpen, omdat deze constructie „niet alleen de meest eenvoudige en solide, maar ook „de minst kostbare is. De gedachte, om het trappenhuis „koepelvormig te overdekken, is ook ons geenszins vreemd „gebleven en zelfs lachte ons het denkbeeld toe, om de „overdekking van dit voornaamste onderdeel der binnen-„ordonnantie ook in de buitenordonnantie door een boven „de daken opgetrokken koepel of dakruiter te doen spre „ken. Met het oog op de belangrijk hoogere kosten „van uitvoering achtten wij ons evenwel te meer verplicht „van beide denkbeelden af te zien, als in den loop der „onderhandelingen met de regeering door de steeds gewij-„zigde en hooger gestelde eischen de oorspronkelijke
15
„bouwsom van iets meer dan één ton nu reeds tot on-„geveer V/.. ton is opgevoerd.
„Het zal van de verdere uitkomsten van begrooting „en aanbesteding afhangen, of het ook voor ons sym-..pathic-ke denkbeeld eener koepelvormige overdakking „der trapruimte voor verwezenlijking vatbaar is.
„Wanneer het te stichten Universiteitsgebouw eene „geheel vrije ligging had of aan een groot plein was „gelegen, zou de idee eener bekroning van het kruispunt „der daken door een houten torentje of dakruiter zich „met meer klem aan ons hebben opgedrongen.
„Nu het gebouw alles behalve vrij ligt en een toren „op het kruispunt der daken noch in de richting der beide „zijgevels noch op het Vrijhof in het gezicht zou komen, „scheen ons de toepassing van een dakruiter veel minder „gemotiveerd dan bij eene meer vrije situatie van liet „gebouw het geval ware geweest. Doch zijn gelijk reeds „is opgemerkt, de flnancieele bezwaren zóó groot en over-„wegend dat ons reeds daarom het denkbeeld voor ver-„wezenlijking niet vatbaar voorkomt.quot;
Zij voegen aan deze beschouwingen mondeling toe dat de kosten van een dakruiter, zich natuurlijk ontwikkelende uit het grondvlak van het trappenhuis, de bouwkosten met vele duizenden guldens zouden verhoogen, omdat de muren van het trappenhuis van de fundeering af, op het plaatsen van zoodanig bouwwerk moeten zijn ingericht.
De schoorsteenen welke in de hoeken naast het portaal van ingang ter wederzijde zijn ontworpen, zullen op en langs de scheidingsmuren van het trappenhuis in eenigs-zins schuine richting worden opgetrokken, zoodat zij, door massief metselwerk ondersteund in de nabijheid dei-nokken boven het dak uitkomen; zooals blijkt uit de door-
16
snede en opstandteekeningen zullen de overige schoor-steenen alle loodrecht tot boven de nokken der daken worden opgetrokken.
Het plint of de sokkel van het gebouw is met orakar-nieringen aan du vensteropeningen met ongelijke hoogte ontworpen, omdat een doorloopende sokkel, ter hoogte van de vensterdorpels, te laag voorkwam in verhouding tot de geheele hoogte van het gebouw. Ten einde zoowel inwendig het gebouw door de ramen niet te hoog te plaatsen, aan de eischen van geriefelijkheid te doen beantwoorden , als uitwendig een massalen indruk voor den voet van het gebouw te bewaren, is het plint in verhouding gebracht tot de geheele hoogte. De indruk dat de ramen naar beneden verlengd zijn, is wellicht dooide teekening teruggebracht en kan dan ook slechts zeer vluchtig zijn geweest, als men van de veronderstelling uitgaat dat de onderdorpels der ramen waterpas moeten liggen met de voetstukken der zuilen die den ingang versieren.
De hoeken der gevels zijn ter wille van soliditeit ontworpen met strekken die niet beurtelings in den eenen en anderen muur inspringen, doch alle in beide muren tegelijk ingrijpen.
Er bestaat geen bezwaar om de beide topgevels den vorm te geven van dien aan de zuidzijde ontworpen. Onze adviseurs hadden voor de beide verschillende, en nimmer te gelijk in het gezicht komende topgevels ook verschillende ontwerpen gemaakt, omdat zij daarvoor in gelijke mate als voor het ontwerpen van den voor- en achtergevel van eenzelfde gebouw, vrijheid'meenden te hebben.
17
Wat de goten betreft, zee is in alle gevels dezelfde eenvoudige constructie gevolgd, waarbij een bekleede houten goot door consolen wordt gedragen. In den voorgevel zijn de consolen door nissen onderling verbonden en deze met een zoomlijstje afgesloten.
De opgaande muren zijn met een steenen plaat gedekt, zoodat van de voorgestelde constructie geen bijzondere onderhoudslast te vreezen is.
Het Rijkswapen, dat ook naar onze meening ter versiering van het gebouw niet kan gemist worden, kan gevoegelijk gesteld worden tor plaatse van de aanvankelijk ontworpen wijzerplaat. Het jaartal van de stichting zal in het gezicht worden gebracht.
Onze adviseurs berichten ons dat zij de dubbele uit-kragingen van den groeten boog aan den achtergevel hebben ontworpen, omdat zij aarzelden den zijdelingschen druk van dien boog op een smal vensterpenant over te brengen. Zij zijn bereid dezen boog door een ijzeren bint te vervangen, indien dit Uwer Excellentie's verlangen is. Het groote venster ter verlichting van de pedelskamer ontworpen, is op het zuiden gericht, zoodat ter wille van de lichtverzorging van dat lokaal de verandering niet noodzakelijk schijnt.
Het voornemen bestaat om de crètes boven de nok van het dak van ijzer en zink samen te stellen, op dezelfde wijze en even solide als de overeenkomstige onderdooien, door de Delftsche fabriek o. a. voor het Ministerie van Justitie en het Centraal station geleverd. Dit ijzerwerk evenals het andere dat met de buitenlucht in aanraking komt, zal door verfwerk zooveel mogelijk voor roest moeten worden beveiligd.
18
Met waardeoring ontvingen wij op nieuw van Uwe Excellentie de verzekering, dat aan de gemeente vrijheid wordt gelaten, ten aanzien van den te volgen bouwstijl.
De gemaakte opmerkingen geven ons thans aanleiding aan Uwe Excellentie gelijke vrijheid voor onze bouwmeesters te verzoeken, ten aanzien van kleine onderdooien van den bouw, als daar zijn schoorsteenen, dakgoten en dergelijken, waaromtrent mag verondersteld worden, dat iedere bouwmeester van eenige ondervinding eene gevestigde meening heeft en ook wellicht een stelsel voorstaat, dat, berustende op zijne ervaring, door hem uitgevoerd zijnde, goede waarborgen oplevert voor soliditeit en onkostbaar onderhoud.
Overigens is het ons aangenaam dat in hoofdzaak overeenkomstig het verlangen van Uwe Excellentie kan worden gehandeld. Ter toelichting van onze bemerkingen hebben wij de eer Uwe Excellentie een stel schotstee-keningen aan te bieden, dat wij zoo spoedig doenlijk wenschen te vervangen door een stel blijvende teeke-ningen, als wij van Uwe Excellentie zullen vernomen hebben dat hare goedkeuring van de teekeningen zelf of van de varianten is verkregen, en de gemeenteraad eveneens zijne goedkeuring aan het bouwplan zal hebben gehecht.
Wij verzoeken mitsdien aan Uwe Excellentie goedkeuring van onze voorstellen onder mededeeling, dat een der leden van ons College zich gaarne bereid zal houden om Uwe Excellentie desgevorderd, mondeling toelichting te geven.
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht,
De Burgemeester, W. R. BOER. . De Secretaris, DE WATTEVILLE.
Ministerie van Binnenlandsche Zaken.
No. 1959, afd. O. Bericht op schreven van 8 Mei 1891, n». 123 F, betreffende nieuw Universiteitsgebouw Utrecht.
's-GRAVENHAGE, 3 Juni 1891
De overweging van novengemeld schrijven en van de daarop ontvangen adviezen heeft geleid tot de navolgende uitkomst.
De amotie van het Leesmuseum heeft meerdere nadoelen , zonder dat daartegenover eenig voordeel staat. Vooreerst komt daardoor in het gezicht de achterzijde van den Kloostergang, welke nimmer bestemd is geweest om gezien te worden, doch waartegen ten allen tijde gebouwen hebben gestaan, zoodat de Kloostergang in verband met zoodanige gebouwen is opgetrokken geworden. Deze amotie zou derhalve een misstand te weeg brengen. Nu schijnt het wenschelijker het tegenwoordige Leesmuseum te behouden, aan hetwelk gemakkelijk een behoorlijk aanzien te geven is door den gevel te verbeteren. Deze laatste verbetering zal aan het Rijk niet meer kosten dan de anders noodwendige restauratie van den achtermuur van den Kloostergang, welke restauratie van een blinden muur echter den onoogelijken toestand aan die zijde niet zou kunnen verbeteren.
Daarbij komt, dat bij behoud van het voor academische
Aan
Burgemeester en Wethouders van UIr echt.
20
doeleinden gesticht Leeskabinet een aantal lokalen beschikbaar komt, voor den dienst der Universiteit van groot nut.
Vermeerdert het instandhouden van het Leeskabinet de uitgaven voor het Rijk niet, zij zal aan den anderen kant Uwe gemeente ontheffen van de uitgaven, noodig voor de slooping daarvan en voor het bestraten en in orde houden van het anders ter plaatse te verkrijgen open terrein.
Voor den bouw van het nieuw Universiteitsgebouw levert die instandhouding geen bezwaar. Want al moet dit nieuwe gebouw een diepe fundeering erlangen, de voorzieningen deswege te treffen, kunnen noch moeielijk, noch kostbaar zijn, terwijl toch gelijke voorzieningen noodig zullen zijn voor het behoud van de muren van den Kloostergang en van het Groot Auditorium, waaraan het nieuw gebouw zal grenzen.
Dat het' Leesmuseum zou moeten worden afgebroken, om de afkomende steenen te kunnen gebruiken voor de fundamenten van het nieuw Universiteitsgebouw, weegt niet op tegen do bezwaren, aan de amotie verbonden.
Het zal mij daarom zeer aangenaam zijn dat bij den bouw van het nieuw Universiteitsgebouw worde gerekend op het behoud van het Leesmuseum, zoodat het raam van de bovenverdieping van den tegen het museum op te trekken zijgevel — welk raam overigens kan gemist worden — niet behoeft te worden aangebracht.
Intusschen wil ik na de aangegane dading op de instandhouding van het Leesmuseum niet aandringen, indien daartegen bij U overwegende bezwaren blijven bestaan, en in geen geval door eene correspondentie over dit punt de stichting van het gebouw ophouden. Voor het geval derhalve dat die bezwaren blijven bestaan, geef ik de vergunning om het bedoelde raam aan te brengen op de aangegeven wijze.
21
Do bedenkingen tegen de plaatsing van een toren in den inspringenden hoek zijn niet opgeheven. Hot daardoor op de bovenverdieping te verkrijgen uitstek in den bovengang is onnoodig, en eene overhuiving of portaal voor den ingang is ook zonder dien torenbouw aan te brengen.' De constructie van dien toren is niet zonder bedenking; het ondervangen van een muur van 4 ii 5 M. door middel van een ijzeren balk moge materieel mogelijk zijn, zij is als architectonische samenstelling, wijl zij zich niet natuurlijk uit het grondplan ontwikkelt geenszins aan te prijzen: de aangeboden variant levert ten deze geen organische oplossing, wijl zij getroffen wordt van boven naar onderen en niet van het plan uit, naar het dak. Overigens is ook door U opgemerkt dat deze oplossing den ingang van het gebouw zal vernauwen en bederven.
Voorts zal de toren op die plaats, door zijnen voorsprong , scherpe inspringende hoeken doen ontstaan, welke de reeds moeielijk te stellen aangrenzende medaillons in den gevel nagenoeg geheel en al onzichtbaar zullen maken.
Een minder hooge afdekking van dezen hoek op gemelde gronden zou gewenscht zijn.
De daaruit verkregen bezuiniging zal ten goede komen aan het ook door de bouwmeesters gewenschte denkbeeld om aan het trappenhuis een koepelvormige afdekking te geven. Wordt deze gemaakt volgens de overgolegde calques, dan zullen de kosten overigens vrij wel gelijk staan met die der ontworpen vlakke afdekking; de balken zouden te vervangen zijn dooi' rond gezaagde schenkels, dubbel op elkander gespijkerd, en deze zouden juist om hun gebogen vorm zeer licht kunnen zijn: de mindere kosten hiervan komen ten goede aan de meerdere uitgaaf van het gebogen licht gepleisterd plafond.
Deze koepelvormige binnenafdekking zal het inwendige
22
in rijzigheid on voornaamheid doen winnen en de monumentale trap tot haar recht doen komen. Wordt op dit punt van het gebouw, waar de nokken der daken elkaar snijden, een houten torenspits als dakruiter geplaatst dan zou dit een dankbare bekroning vormen.
Het aanbrengen van deze spits in stede van die op het voorportaal zal de kosten niet opvoeren; geconstrueerd naar dc beste Nederlandsche modellen zal deze bouw zijn gewicht kunnen verdoelen over een evenredig getal steunpunten, welke, bij de groote breedte van den voet, niet behoeven te worden verzwaard.
Ook zullen alsdan de schoorsteenen niet schuins doch te lood op te trekken en buiten het dak te brengen zijn. Aan een plint, waarvan de bovenkant strookt met den onderkant van het basement der kolommen, wordt de voorkeur gegeven; zoo ook aan een verband aan de hoeken der gevels , waarbij de kettingsteenen beurtelings in den eenen en den anderen buitenmuur grijpen, met vermijding van smalle staande stukken.
Het vervangen van den boog met uitkraging van den achtergevel door een ijzeren draagbalk wordt niet verlangd; wel is het vereenvoudigen van do aangenomen boogconstructie ook door het doen vervallen der dwergzuiltjes met kraagstukken wenschelijk.
Eene afscheiding in de te groote faculteitskamer dei-bovenverdieping wordt niet gewenscht. Aan deze zaal zal de bestemming van collegekamer gegeven worden, terwijl de daarachter liggende collegekamer faculteitskamer zal worden.
Het is noodig in verband met het weglaten van den toren boven den ingang aan het Rijksvvapen eene passende plaats te verzekeren.
Van bovenstaande aanmerkingen zal zoodanig gebruik kunnen worden gemaakt als door U in het belang van
23
het te stichten gebouw noodig zal worden geacht. Ik verzoek U thans do definitieve bouwkundige teekeningen en stukken in gereedheid te brengen en mij ter onder-teekening over te leggen.
Mocht door U over het een of ander punt alsnog bespreking wenschelijk worden geacht, dan bon ik gaarne bereid U te ontvangen.
De Minister van Binnenlandsche Zaken, DE SAVORNIN LOHMAN.
UTRECHT, 19 Juni 1891.
Nquot;. 277 F.
Bericht op schrijven van den 3dcn Juni 1891, nquot;. 1959, Afd. O, betreffende nieuw Universiteitsgebouw te Utrechc.
Uit du tor zjjdc aangehaalde missive mochten wij Uwer Excellenties bereidwilligheid vernemen, om na de aangegane dading, op de instandhouding van het Leesmuseum niet te willen aandringen, indien onzerzijds daartegen overwegende bezwaren blijven bestaan, en in geen geval door eene correspondentie over dit punt, de stichting van het Universiteitsgebouw te willen ophouden.
Met onze adviseurs hebben wij dit punt op nieuw overwogen en zijn wij gesterkt in de meening, dat het behoud van het hooge en breede gebouw van het Leesmuseum de in uitzicht gestelde verfraaiing van een deel van het Munsterkerkhof zal beletten en schade zal toebrengen- aan don indruk, dien zoowel de Domkerk als het te stichten gebouw kunnen te weeg brengen. Wij blijven ons echter bereid verklaren om eventueel te trachten tot het gedeeltelijk bebouwen van de vrijkomende oppervlakte, de medewerking van den gemeenteraad te verkrijgen.
Ook de aanmerkingen op het bouwplan, die verder in Uwer Excellenties missive aan ons worden medegedeeld , hebben wij overwogen en naar aanleiding daarvan hebben wij de eer te berichten dat thans een plan ontworpen is, waarbij partij getrokken is van de opmerkingen omtrent de inwendige afdekking van het trappenhuis, welke nu kbof-of koepelvormig ontworpen is.
Tegen het aanbrengen van een spits of dakruiter bo-
Aun
Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken.
ven dezen koepel, ter vervanging van den ontworpen toren, blijven bij onze adviseurs de bezwaren bestaan ontwikkeld in onze missive van den 8'ten Mei 1891, n0. 123 P., die wij niet vermogen weg te nemen.
In het thans ontworpen plan is de boogconstructie aan den achtergevel vereenvoudigd en zijn de dwergzuiltjes met kraagstukken vervallen.
Ook is rekening gehouden met het verlangen om de afscheiding in de te groote faculteitskamer der bovenverdieping niet te plaatsen.
Naar aanleiding van het laatste deel van artikel 2 van het contract van bruikleen, bieden wij thans Uwer Excellentie twee exemplaren van de plannen en het bestek voor het nieuwe Universiteitsgebouw ter goedkeuring aan, met beleefd verzoek daarvan een exemplaar getee-kend terug te mogen ontvangen.
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht,.
De Burgemeester, W. R. BOER.
De Secretaris, ENKLAAR,
Ls.
Ministerie van Binnenlandsche Zaken.
N0. 2308, AfdeelingO.
Bericht op schryven van 19 Juni 1891 , n0. 277 F, betreffende nieuw Universiteitsgebouw te Utrecht.
's-GRAVENHAGE, 23 Juni 1891.
Ik heb de eer U hierbij goedgekeurd terug te zenden een exemplaar van de plannen en het bestek voor het nieuwe Universiteitsgebouw.
Aangenaam zal het mij zijn, van de plannen en tee-keningen vijfentwintig afdrukken te ontvangen en te zijner tijd een nauwkeurigen plattegrond, aangevende de rioleeringen en waterleidingen.
De Minister van Binnenlandsche Zaken, DE SAVORNIN LOHMAN.
Aan
Burgemeester en Wethouders van Utrecht.
STRIKT VERTROUWELIJK.
---
Dc Commissie, die zich heeft belast met de voorbereiding der maatregelen, strekkende om van veler ingenomenheid met de stichting van het nieuwe Gebouw ten dienste der Rijks-Universiteit te Utrecht nader te doen blijken door aanbieding van een geschenk, dat, buiten het eigenlijk kader daarvan liggend, niettemin daarmede een samenhangend gehéél uitmaakt, heeft met erkentelijkheid kennis genomen van Uw bereidverklaring om daartoe mede te werken.
Zij veroorlooft zich UEd. beleefdelijk uittenoodigen tot de bijwoning eener vergadering van deelnemers, die zal worden gehouden op Zaterdag 3lt;gt; Februari e, k. des namiddags te drie ure precies, in het Gebouw van Kunsten en Wetenschappen, Mariapiaats te Utrecht, als wanneer de Commissie mededeelingen zal verstrekken aangaande den uitslag der door haar ingestelde pogingen, en in verband daarmede door baar een voorstel zal worden gedaan, omtrent aard en daarstelling van het aan te bieden huldeblijk.
De Commissie voornoemd,
Mr. J. F. de Beadfort.
Mr. A. C. van Heüsde.
Mr. R. Melvil Baron van Lijnden.
Jhr. Mr. A. D. van Riemsdijk.
Jhr. Mr. J. Röell.
Mr. H. Roijaards van Sciierpenzeel.
Utrecht, 13 Februari 1892.
VERTRi
4-?i.
VERTROUWELIJK.
In de vergadering, aangekondigd bjj circulaire 'an 13 Februari jjl., welke op 20 Februari d. a v. te Utrecht is gehouden , werd door de Commissie in zake de aanbieding van een geschenk ton behoeve van het nieuwe Universiteitsgebouw aldaar , inededeeling gedaan van den uitslag barer bemoeiingen.
Door de bijeengekomen deelnemers werd besloten de Commissie te machtigen met den Heer G. STURM , leeraar aan de Rijksschool voor kunstnijverheid te Amsterdam, in onderhandeling te treden omtrent het opmaken van é6n of meerdere ontwerpen voor eene aantebrengen plafond- of wandversiering.
Genoemde kunstenaar houdt zich nu met do samenstelling dier plannen onledig, die, zoodra ze gereed zijn, aan de beoordceling van Heeren deelnemers zullen worden onderworpen.
De Commissie brengt daarenboven ter Uwer kennis, dat in bovengenoemde vergadering is goedgevonden , om over het bedrag van Uwe zeer gewaardeerde bijdrage ad f 100.— in de tweede helft der maand Mei te beschikken.
Zij zal zich mitsdien veroorloven genoemd bedrag door de firma VLAER en KOL alhier te doen incasseeren.
De Commissie voornoemd,
Mr. J. F. de Beaufort.
Mr. A. C. van Heusde.
Mr. R. Melvil Baron van Lijnden.
Jhr. Mr. A. D. van Riemsdijk.
Jhr. Mr. J. Röell.
Mr. 11. Roijaa-RDS van Schkrpenzkel.
Utrecht, 5 Mei 1892.
VEF
VERTROUWELIJK.
Decoratie Universiteitsgebouw
UTUEOHT.
De Commissie heeft de eer Heeren deelnemers uit te noodigen tot het bijwonen eener vergadering te Utrecht op Vrijdag 24 Maart e. k., des namiddags te 81/2 ure, in het Gebouw v. K. en W.
In die bijeenkomst zullen nadere mededeelingen worden verstrekt aangaande de opdracht, ingevolge het besluit der vergadering van 20 Februari 1892, aan den Hoer G. STURM, Leeraar aan de Rijks-school voor Kunst-Nijverheid te Amsterdam, gedaan, tot het ontwerpen van eene plafondversiering.
Genoemde kunstenaar heeft zijn ontwerp gereed, zoodat dit aan de beoordeeling van Heeren deelnemers onderworpen en een definitief besluit genomen kan worden.
Namens de Commissie, A. D. YAN RIEMSDIJK.
Utrecht, 17 Maart 1893.
P.S. De H.H. Commissieleden worden verzocht een half uur vroeger bijeen te komen.
i