ocr page 1
ocr page 2

De tyd en heeft noyl weghgenomen

ocr page 3

'

MB

ocr page 4

-

I , _

ocr page 5
ocr page 6
ocr page 7

.X/. x 4- //

NEDERLANDSOHE

TYPEN EN SCHETSEN

' DOOK

C. F. VAN DU IJL.

Met platen van Bos.

TWEEDE BUNDEL.

KAMPEN, LAURENS VAN HULST. 1886.

ocr page 8
ocr page 9

EENE GEMEENTERAADSVERKIEZING.

ocr page 10
ocr page 11

Eene Gemeenteraadsverkiezing.

Zeeburg was onder de steden van ons dierbaar vaderland een zeer respectabel exemplaar, 't quot;Was op zijn tijd door de Noormannen geplunderd, 'thad zijn eerste privilege van graaf Floris den Zooveelsten gekregen en 't had zich in den Tachtigjarigen oorlog tegen de Spanjaarden verklaard. Ook was het eens verrast door een hooiwagen of een turfschip of iets dergelijks, wat natuurlijk zijne belangrijkheid niet weinig verhoogde. Zeeburg zag er in alle opzichten hoogst respectabel uit. 't Had eenige duizenden inwoners, die van elkander leefden ; eene oude poort met vier torentjes, waar in een veelbewogen tijd van onze vadeiiandsche geschiedenis een berucht staatsgevangene gezeten had en waar nu nog eene pijnbank bewaard werd, die voor een kwartje te kijk was. Bovendien groeide er gras tusschen de straatsteenen, die in den regel in eene zoete rust lagen te dommelen, behalve wanneer er een lijkwagen overhotste, wat echter niet vaak gebeurde, daar de inwoners van Zeeburg heel soliede lui waren in alle beteekenissen van 't woord en maar hoogst zelden het tijdelijke met het eeuwige verwisselden: elk op zijn beurt één keer natuurlijk, maar

ocr page 12

4

gewoonlijk met lange tusschenpoozen. 's Morgens om tien xmr liad men in cle hoofdstraat een kanon knnnen afschieten, zonder een enkel levend wezen te raken;'s middags om twaalf uur had men misschien een paar schoolkinderen kunnen treffen en om half drie een alleenloo-pend heer, die naar de sociëteit slofte; 's avonds om halt tien op zijn hoogst nog een klepperman.

Eene stad kon niet respectabeler zijn. Om bijvoorbeeld maar te beginnen met „Burgerlustquot;, — of neen, niet alleen om er mee te beginnen, maar ook om er mee te eindigen; want „Burgerlustquot; was Zeeburg en Zeeburg

„Burgerlustquot;..... „Burgerlustquot;, de naam prijkte met

gouden letters van een voet boven de deur, werd gehouden in een gebouwtje op de oude bolwerken, die sinds jaar en dag in plantsoen waren herschapen; dat wil zeggen, er groeide gras met boterbloempjes erin; er kwijnden wat elzen en wat wilgen; er stond hier en daar een bank, waarin alle Zeeburgers hun naam gesneden hadden, en er waren stinkende grachten, die waarschijnlijk ook wel water bevatten, omdat ze geheel bedekt waren met waterplanten. Het bedoelde gebouwtje diende in den zomer ook voor buitensociëteit; want er was een tuintje bij met een muziektempeltje, en als het Zondagsavonds mooi weer was, bliezen er eenige dienstdoende schutters op koperen instrumenten en haalden de Zeeburgers om ijzeren tafeltjes gezeten achter een kannetje koffie de chro-nique scandalen se op van hunne buren, die ook om ijzeren tafeltjes zaten en wien ze uit de verte een allerliefst knikje toezonden. Want hoe soliede en hoe respectabel Zeeburg ook mocht zijn, het had als iedere andere rechtschapen Nederlandsche stad zijne chronique scan-d aleuse.

ocr page 13

5

„Burgerlustquot; was in de hoogste mate fatsoenlijk. Alle leden van den raad waren er lid van, behalve mijnheer Vla m, die altijd in de oppositie was.

Nu kon men mijnheer Vlam ook eigenlijk geen Zeeburger noemen; want hij had er nog maar tweeëndertig jaar gewoond. Een oprecht Zeeburger zou nooit oppositie gevoerd hebben, en hij deed het „quand mêmequot;, zooals de secretaris Van Drimmelen het uitdrukte. Wat kon hij er bijvoorbeeld tegen hebben, dat de raad bij 't overlijden van den stadsdansmeester een nieuwen titularis benoemde ? En toch had hij alleen daar tegen gesproken en gestemd, toen 't geval zich had voorgedaan, omdat hij beweerde, dat niemand van wege 't Edelachtbaar bestuur in de overigens schoone kunst van „Terpsichorequot; behoefde onderwezen te worden. Die „Terpsichorequot; was van den secretaris, die nooit verzuimde te laten merken, dat hij

eene „klassieke opleidingquot; had genoten.....Alle leden van

den Raad op één na waren dus lid van „Burgerlust.quot; Natuurlijk ook de gemeenteontvanger en de twee, drie notarissen, de postdirecteur en de ingenieur van den waterstaat, die er voor zorgen moest, dat de aardappelkelders van de Zeeburgers 's winters niet onderliepen. Alleen de rijksontvanger had, toen hij te Zeeburg geplaatst werd, gemeend Burgerlust te moeten mijden, omdat de naam zoo erg burgerlijk klonk en hij geboren was met het predikaat Jonkheer voor zijn naam, een uitwendig sieraad, dat gedurende zijne gansche loopbaan het gemis aan innerlijke sieraden eenigszins vergoedde en dat hem zelfs een „Leeuw van Nassauquot; had bezorgd, toen bij gelegenheid van een watersnood de ingenieur 't rijkskantoor had laten onderloopen en hij met een paar waterlaarzen 't archief en de geldswaarden gered had,

ocr page 14

f)

door ze met levensgevaar naar boven op zijne kamer te brengen. Maar 't had niet lang gednnrd, of de rijksontvanger had zich laten inlijven bij de respectable sociëteit en kwam er geregeld 's avonds van acht tot tien uur zijn partijtje maken en zijn halfje S t.-J u 1 i e n drinken.

„Burgerlustquot; was de plaats, waar alle belangen dei-gemeente behandeld werden ; mijnheer Vlam zei „bekonkeldquot;, maar dat was laster. quot;Want konkelen deed men niet in zulk eene respectabele stad en 't minst van al in hare respectabelste sociëteit. Burgemeester Boom had het dan ook zeer ongepast gevonden, dat het geachte lid der oppositie zich van dien term bediend had en had hem daarover in de eerstvolgende raadszitting een steek onder water gegeven, die raak was geweest. Burgemeester Boom was anders volstrekt geen kwaadaardig exemplaar van een burgemeester. Zijn kale kruin en zijn welgedaan buikje teekenden hem al dadelijk als een model van „urbaniteitquot;, zooals de secretaris Van Drimmelen 's mans schaapachtigheid geliefde te noemen. Nu deed het niets tot de zaak, of een schaap de leiding van Zeeburgs raad in handen had ; een lam had het even goed kunnen doen. quot;Want er heerschte zulk eene eensgezindheid onder de leden van het edelachtbaar college, dat er nooit een ongetogen woord gehoord werd van achter de groene tafel: de ruzie werd altijd bewaard voor „Burgerlust.quot; Men kan begrijpen, welk eene ontsteltenis daarom inder-dertijd de keuze van mijnheer Vlam in alle gemoederen teweeg had gebracht. Iedereen wist, dat mijnheer Vlam — hij was kantonrechter en miste het voorrecht, om van ouder tot ouder een Zeeburger te zijn — een lastig individu heette, die 't geen negen maanden met zijn oppasser en geen drie met zijne keukenmeid had kunnen

ocr page 15

7

vinden. Bovendien was hij geen lid van Burgerlust en zou hij dus al zijn ruzie voor de raadszaal bewaren.

De Burgemeester was er compleet verslagen van geweest, toen zijn naam triomfantelijk uit de stembus was verrezen en had het half en half als een votum van wantrouwen van de zijde der kiezers beschouwd. De secretaris had de vrees geuit, 'dat de bedorven tijdgeest de stad op de eene of andere manier was binnengeslopen, en hij meende zich te herinneren, dat het schroef bootje een dag of veertien geleden aan de kade een commis-voyageur had afgezet — de eenige passagier trouwens, die op dien dag te Zeeburg gelost werd — met een roode das, en op roode dassen ' had hij 't niet begrepen, volstrekt niet begrepen !quot;.....

Hoe 't ook zij mijnheer Vlam had zijn zetel op 't stadhuis ingenomen en burgemeester Boom was van dat oogenblik of zijne gemoedsrust kwijt geweest. Want er kon voortaan geene raadszitting meer voorbijgaan, zonder dat het Dagelijksch Bestuur op de eene of andere wijze

werd aangevallen en soms zelfs belachelijk gemaakt.....

Verbeeld u, belachelijk gemaakt!..... Als er iets was,

dat het volstrekt niet verdiende, dan was het juist dat. quot;Want over den ernst en de waardigheid, waarmee alle belangen van Zeeburg op Burgerlust.... ik bedoel op het raadhuis behandeld werden, was maar één roep. Nog nooit was men over ijs van één nacht gegaan : er hadden altijd balken onder gelegen, en men zou nog bespot worden ! .... Maar het duurde gelukkig niet lang. Op een regenachtigen herfstdag sjokte de lijkwagen over de soezerige steenen van Zeeburg en mijnheer Vlam werd buiten de poort met vier torentjes gebracht. De man had onverwacht eene beroerte gekregen, wat eigenlijk niemand

ocr page 16

8

behoefde te verwonderen naar 't zeggen van Van D r i m-melen, die al vaak gedacht had onder 't lezen van de notulen, dat Vlam zoo maar achter de groene tafel in elkaar zou zakken van kwaadaardigheid .... Enfin, Vlam was er geweest: „'tlicht was uit,quot; schertste burgemeester Boom, die wel hield van eene „gepastequot; aardigheid en die den hemel dankte, dat hij van zulk een raadslid

verlost was.....

Er werden natuurlijk tal van toasten uitgesproken bij de geopende groeve van den kantonrechter en de plaatselijke Nieuwsbode vloeide den volgenden dag over van lof voor den geacht en Burgervader,quot; die getoond had zóóveel „urbaniteitquot; te bezitten, dat hij bij een „gapend grafquot; vergeten en vergeven kon en zelfs den geachten doode alle recht had doen wedervaren „als menach, als echtgenoot, als ambtenaar en als staatsburgerquot;....

't Spreekt vanzelf, dat er nu eene gemeenteraadsverkiezing moest worden uitgeschreven.

't Was Zaterdagavond half acht. De groote zaal van B u r g e r 1 u s t dommelde nog in 't halfdonker van een paar neergedraaide gaslampen, die op het biljart twee ronde lichtplekken wierpen, maar het overige van 't vertrek in de schaduw van hare kolossale kappen verborgen hielden. Tegen het buffet stond een zestienjarig jong-mensch zich te vervelen in een witte das en een zwart lakensch buisje, waarvan de mouwen veel te kort waren voor de lange, spichtige armen, die ze bestemd waren te bedekken. Eene buffetjuffrouw, wier bleek gelaat spookachtig uitkwam achter eene blauwachtige spiritusvlam, welke onder een ketel met kokend water flikkerde, en

ocr page 17

9

die in den donker reeds verscheidene steken had iaten vallen van eene kous, die ze 's Maandagsmorgens opzette en Zaterdagsavonds weer uittrok, om toch maar iets te doen te hebben — er waren tusschen twee haakjes maar weinig jongelui lid van Burgerlust, daar ieder, die tot oordeel des ohderscheids kwam, in den regel zoo spoedig mogelijk maakte, dat hij Zeeburg den rug toekeerde, — eene buffetjuffrouw, zeg ik, die bovendien nog antwoordde op den weinig poëtischen naam „Leentjequot;, verborg met moeite een halfgesmoorden geeuw, dien de rekkerigheid van den aankomenden jongeling met het korte buis haar afperste. Niet ver van het biljart, zelfs nog onder 't bereik van het achtereind van queues, welker eigenaars onder den baud lagen, stond eene ronde tafel met enkele dagbladen en tijdschriften. De Nieuwsbode, nog vochtig en zóó door den loopjongen van de drukkerij bezorgd, prijkte met hare Gemengde Berichten en haar Burgerlijken Stand boven op den stapel, en het guitige gezicht van Uilenspiegel gluurde tamelijk ondeugend naar den mopshond van Punch, die op uitdrukkelijk verlangen van den secretaris voor de Sociëteit was geëngageerd, ofschoon de man geen regel Engelsch, laat staan de aardigheden van Punch kon begrijpen, wat niet wegnam, dat de heer Van Drimmelen altijd met een wijs gezicht de prentjes zat te bekijken en grinnikte van plezier, terwijl hij soms bedenkelijk het hoofd schudde en zei: „die Punch is toch een guit, een eerste guit!quot; — waardoor de overige leden natuurlijk een hoog

denkbeeld kregen van 's mans „klassieke opleidingquot;.....

In het rond stonden langs de wanden kleine tafeltjes, met groen laken bedekt, waarop gesmousjast en gedomineerd, en waarom kwaadgesproken en gepolitiseerd werd,

ocr page 18

10

wat trouwens in vele gevallen op 't zelfde neerkomt: ik

bedoel natuurlijk het smousjassen en het politiseeren.....

Toen de wijzers van de groote klok boven 't buffet kwart voor acht aanwezen, deed de magere biljartjongen een paar wanhopige pogingen, om zijne hangerige positie te verwisselen tegen eene staande houding, trok zijn leeren pantoffels door middel van zijn lange beenen naar zich toe en slofte de verschillende lampen langs, om ze een voor een met zijne slappe, landerige vingers op te draaien tot Zaterdagavondshoogte.

't Was tijd. Want zoodra het laatste vlammetje zijn licht bij dat der overige gevoegd had, kraakte de deur en kwam mijnheer Pieter Pruimedant van de Breestraat met opgeheven hoofd en afgezakten bril de sociëteitszaal binnen. Mijnheer Pieter Pruimedant liep altijd met opgeheven hoofd, als de petroleum voor-uitging en de koffie rees, terwijl iedere daling in die artikels onmiddellijk merkbaar was aan zijn bril, dien hij in dat geval stijf tegen de oogen drukte, alsof hij kippiger geworden ware dan ooit en de wereld nu alleen zag door een duisteren nevel, veroorzaakt door den achteruitgang der markt.Mijnheer Pieter Pruimedant was overigens een zeer schrander man, die precies wist, hoeveel zwavel er noodig was, om mooie blanke gort te krijgen en hoeveel procent water zijn brandewijn velen kon, zonder dat zijn klanten het proeven konden. Dat de heele wereld in zijne oogen eene koffiekleur had en met stroop was bestreken, kon men hem niet ten kwade duiden; want hij was van jongsaf in de koffie en in de stroop groot gebracht. Ook was het zeer begrijpelijk, dat hij een afkeer had van al wat niet naar petroleum rook, daar hij zijne meeste elfecten met de petroletim verdiend

ocr page 19

11

had. Mijnheer Pieter Pruimedant was om al deze redenen — ook natuurlijk omdat hij Zeeburger was van ouder tot ouder — zoo inrespectabel, dat geen mensch het gewaagd had, bij de ballotage voor Burgerlust een zwarte boon in 't busje te werpen, wat anderen verkoopers van koffie en petroleum weieens overkomen was, tot groote geruststelling van den rijksontvanger, die daaruit begrepen had. dat Burgerlust toch nog zoo „bourgeoisquot; niet was, als hij aanvankelijk gemeend had.

Waarom mijnheer Pieter Pruimedant tot nog toe geen lid van den raad was geworden, kon eigenlijk niemand zeggen. Hij was er bepaald voor geknipt! Dat vond hij trouwens zelf ook en 't verwonderde hem misschien meer nog dan ieder ander, dat hij nog geen zetel had kunnen veroveren op het stadhuis. Maar.... de volheid der tijden was nu gekomen. Er moest eindelijk recht worden gedaan aan een man van zijne „verdienstenquot; — lieve hemel, 's Zaterdagsavonds stonden er immers nog lui voor de toonbank, als hij van de sociëteit terugkwam. Niemand in Zeeburg had zoo'n clientèle!

Mijnheer Pieter Pruimedant ging bij de ronde tafel zitten en begon de Nieuwsbode te lezen. Intusschen kwamen ook de andere stamgasten langzamerhand opzetten ; in de eerste plaats mijnheer Van D r i m m e 1 e n, die natuurlijk dadelijk naar P u n c h greep en daarbij zijn overbuurman met een wijsgeerig gezicht aankeek, alsof hij zeggen wilde : „voor kruideniers de Nieuw s-b o d e, man ! maar voor menschen met eene klassieke opleiding Punch!quot;. .. Vervolgens arriveerden een voor een de onderscheidene notarissen, die elkaar van wege de concurrentie niet konden uitstaan, de ingenieur van den waterstaat, de verschillende ontvangers, een paar

ocr page 20

12

apothekers, waarvan er een, die niets te doen had, zich geregeld iederen Zaterdagavond door een loopjongen met een geheimzinnig gezicht van de sociëteit liet halen, ora aan 't geachte publiek te bewijzen, hoe ontzettend druk het bij hem aan den winkel was, en die allerlei akelige geschiedenissen wist op te disschen van apothekers, die klanten hadden vergeven met arsenicum, omdat ze alles aan onbevoegden overlieten, geschiedenissen, die niemand geloofde, omdat ieder overtuigd was, dat hij ze zelf niet geloofde. Burgemeester Boom, nog geheel overtogen met een Bourgonje-tintje — hij dineerde laat, dat stond deftig — sloot het hek en plaatste zich onmiddellijk bij een tafeltje, waar drie andere lui reeds vol ongeduld op hem zaten te wachten en waaraan hij nog geen tien tel gezeten had, of hij had het al zoo druk met spadille en m a n i 11 e, dat niemand meer een ordinair woord uit

hem krijgen kon.....

Het raderwerk was aan den loop. Om 't biljart trippelden een paar notarissen, die elkaar het licht in de oogen niet gunden, maar die elkaar allerbeleefdst met de queue applaudisseerden als ze elkander „stoptenquot; of als een hunner bij ongeluk zich aan een carambole vergreep. Aan de verschillende tafeltjes werd gequadrilleerd en gesmous-jast, gedomineerd en geomberd, maar nog niet gepolitiseerd ; want de hartstochten sluimerden nog onder eene eerwaardige collectie zwart lakensche vesten en achter zorgvuldig gesteven overhemden met gouden knoopjes. Alleen aan de leestafel begonnen de menschelijke driften zich langzamerhand baan te breken ; mijnheer P i e t e r Pruimedant had onderanderen de grootste moeite, om zijne knoopen aan zijn vest te houden en ze zouden ook stellig bezweken zijn voor het onderaardsche vuur

ocr page 21

13

en de woelende lava, die zijn boezem verteerden, indien deze zich nog niet tijdig een weg gebaand hadden door den eenigen krater, die voor 't moment beschikbaar was: zijn respectabelen, zijn zeer respectabelen mond, waaruit in den regel slechts stroop vloeide, vooral als de burgemeester tegenwoordig was, maar waaruit zich nu een volzin ontlastte, waarin alles, wat zijn binnenste deed jagen, lag opgesloten : „Wel, wel, mijnheer Van Drimmelen, ik zie hier uit den burgerlijken stand, dat mijnheer

Vlam al vier en zestig was !quot;.....„Very quot;Well!...

pardon, ik wou zeggenquot;, glimlachte de klassiek opgeleide secretaris,.....„die leuke Punch.....pardon, ik bedoelde .....een rare snuiter!.....U meent Vlam ? Ja

die was vier en zestig, als hij ten minste geen drie en

zestig was.....Niet waar, mijnheer Boomquot; — tot den

burgemeester — „niet waar. Vlam was vierenzestig?quot;

— „Basta, pontoWat blief?quot; bromde de Burgervader .... „premières.... en dan in de fijnenquot;.....

Wat blief ? .... O ja, Vlam!..,, die beroerde ....

— Een buitenkansje, burgemeesterquot;, piepte de rijksontvanger, „een buitenkansje, dat Vlam buiten 'tpoortje ligt....

— Ochquot;.... blufte de „urbanequot; burgemeester.... „Ik ben nooit bang voor 'em geweest. Ik heb hem altijd aangedurfd !quot;.... Misère .... a 1'ecart!quot; ....

— En — piepte de rijksontvanger opnieuw, terwijl hij een paar korreltjes asch van de manen van zijn Nassau-schen leeuw wegknipte .... „wie wordt nu zijn opvolger?quot;

— „Ja, wie wordt zijn opvolger?quot; — hijgde mijnheer P i e t e r Pruimedant, terwijl hij zijn Nieuwsbode op tafel legde ....

— „Maar, mij dunkt, mijnheer P ruime dan t,quot; zei de secretaris, die blij was, dat hij op een fatsoenlijke manier

ocr page 22

14

van Punch en zijn mopshond kon afkomen, — „maar mij dunkt, dat is gemakkelijk te zeggen. Er is hier, naar

't mij voorkomt, een aangewezen persoon......ja, een

aangewezen persoon !....

— „Zoo!quot; snakte Pieter.... „een aangewezen persoon?quot; — terwijl de stroop aan alle kanten over zijne dikke lippen vloeide....

— „Mijn God! Pruimedant — hou je maar niet zoo leuk,quot; riep van achter 'tbiljart een der notarissen, die eerst een kolossaal beest bad gemaakt en toen op den rooden bal was verloopen.

— „Leuk?quot; meende Pieter.... „Leuk? Ikke?quot;

— „Boer, Vrouw, Heer, Aas!quot; gromde de Burgemeester, en zich omkeerende:

— „Zeg, Pruimedant, waarom wil je geen lid van den Raad worden ?quot;

— „ Och, mijnheer de Burgemeester,quot; — de stroop vloeide aan alle kanten — een eenvoudig burgerman!quot;....

— „Gekheid: eenvoudige burgerlui hebben we precies noodig! Die hebben gezond verstand en die praten....

— „Niet tegen!quot; piepte de rijksontvanger weer. De secretaris wierp den vermetelen man een vernietigenden blik toe, een blik, zooals die alleen geworpen kan worden met klassiek opgeleide oogen en die zelfs een Leeuw van Nassau het brullen zou kunnen verleeren. De Leeuw kwispelde dan ook alleen nog maar meer met den staart en zei goedmoedig: „Nu ja, jullie daar op 't Stadhuis neemt alles ook zoo nauw en je kunt niet eens gekheid verdragen.quot;....

— „Gekheid! Op 'tStadhuis wordt nooit gekheid gemaakt. Daar is alles ernst, diepe ernst, — wat zegt u er van, mijnheer Pruimedant?quot;

ocr page 23

15

— Diepe ernst, mijnheer van Drimraelen, druppelde het uit de tuit van de stroopkan.

— En daarom, bromde Burgemeester Boom, „kunnen we jou er precies gebruiken. Ik zou me maar niet laten bidden... . Alle gekheid op een stokje, Pruimedant; laat je candidaat stellen en we halen je er door.quot;

— Ja, ziet u, mijnheer de Burgemeester, als U het zegtquot;...

We zullen het tooneel niet schetsen, dat verder volgde.

Queues, dominosteenen en kaarten werden weldra ter zijde gelegd. Tal van Zeeburgsche hoofden, respectabele inrespectabele hoofden werden om de ronde tafel bijeengestoken. Er werd grog en St.-Julien en Amsterdamsch Beiersch gebracht, en het resultaat van dit alles was, dat Pruimedant zich door de kiesvereeniging „Zachtkens aan, dan breekt het lijntje niet,quot; candidaat zou laten stellen, terwijl de aanwezigen op zich namen de candi-datuur te verdedigen, waar tegenover mijnheer Piet er Pruimedant zich verplichtte een gloeiende „fuifquot; te geven, als hij er gelukkig doorkwam. Wat de oorzaak was, dat mijnheer P i e t e r Pruimedant, die het nog nooit tot lid van den Raad had kunnen brengen, thans opeens tot officieelen regeerings-candidaat werd geproclameerd, dienen we met een paar woorden op te helderen.

De Zeeburgers werden voorbeeldig bestuurd, 'tls waar, de grachten stonken, het gaslicht brandde flauw, de riolen waren niet al te best in orde en de schoolkinderen kwamen eenige kubieke meters frissche lucht te kort; maar wie op een paar meters ziet, is een „kniesoor/ en de hoofdelijke omslag was zóó matig, dat ieder tevreden kon zijn. Waarlijk de Zeeburgers werden voorbeeldig bestuurd. Mevrouw VanDrim melen was dan ook eene kapitale vrouw, dat moet gezegd worden, en dat

ocr page 24

16

erkenden zelfs de andore dames uit het stadje, wat niet weinig gewicht in de schaal legt. 'tWas geen kleinigheid, moeder van elf kinderen te zi jn, en er nog zoo frisch en jeugdig uit te zien; 't was geen kinderspel, zulk eene drukke huishouding te regeeren en dan nog deel te nemen aan alle mogelijke kransjes en liefdadigheidsgenootschappen. Menige vrouw zou het haar niet hebben nagedaan. En wat het sterkste was van alles: eene dame, met zooveel drukten van allerlei aard overladen, vond nog gelegenheid, om naast hare groote huishouding en eenige vereenigingen voor kraamvrouwen, verwaarloosde kinderen, mishandelde nuchtere kalveren en weduwen van verongelukte schippers, de heele gemeente te besturen. quot;Want Mevrouw Van Drimmelen was baas over haar klassiek opgeleiden man, en haar klassiek opgeleide man leidde op zijne beurt den burgemeester en den gemeenteraad bij den neus, waaruit onmiddellijk volgt, dat de beminnelijke en verstandige wederhelft van den gemeentesecretaris in Zeeburg den schepter voerde. Nu dat mocht dan ook wel: 't was niet meer dan billijk, dat de ziel toch eenige vergoeding had voor de drukke werkzaamheden, die ze zich in rt belang van 't algemeen welzijn getroostte en die ze onmogelijk vinden kon in het schrale traktement, dat haar waardige man driemaandelijks meebracht van 't stadhuis. Ja zie, dat schrale traktement was de voortdurende nachtmerrie van Mevrouw Van Drimmelen, die haar fatsoen had en elf kinderen, en die, zooals ze haren man meermalen verzekerde, toch zelf de stoep niet kon gaan schrobben. En dan zou ze nota bene ook nog meewerken aan de verhooging van den hoofde-lijken omslag! Neen, dat nooit! Ze moest in huis zuinig zijn, de heeren op 't stadhuis behoefden het geld van de

ocr page 25

burgers ook niet met handenvol weg te werpen. Hoe zuinig de voortreffelijke huisvrouw van den secretaris het echter ook aanlegde, ze kon niet verhinderen, dat de boekjes van den slager en den bakker er soms wat bont uitzagen en ook de rekening bij mijnheer P i e t e r P r u i-medant van tijd tot tijd wanhopige proporties aannam j zoodat er oogenblikken kwamen, waarin die hoogst soliede man bedenkelijke gezichten zette en 's Zondags bij 't uitgaan van de kerk — hij was diaken bij de Doopsgezinde gemeente en mijnheer Van Drimmelen ouderling — den secretaris bij de slip van zijn jas trok, om hem tusschen den preekstoel en de deur van de kerkeraads-kamer even te herinneren aan de „kleinigheidquot;, die er nog altijd „stondquot;. In den tijd, waarvan we spreken, „stond er toevallig weer zoo'n kleinigheid van den waar-digen secretaris bij mijnheer Piet er Pruimedant, en daar Mevrouw Van Drimmelen eene hoogstver-standige vrouw was, die altijd verder zag, dan haar neus lang was, en die bijzonder goed het spreekwoord kende, dat de eene dienst den anderen waard is, gaf ze haren man onmiddellijk na den dood van mijnheer Vlam op zekeren Zondagmorgen instructies mee naar de kerk, die tengevolge hadden, dat er, vóór de preek nog, achter de kachel van de kerkeraadskamer een fluisterend gesprek gevoerd werd tusschen mijnheer Van Drimmelen en mijnheer Pieter Pruimedant, dat zulk eenen invloed uitoefende op den waardigen diaken, dat hij bij vergissing zelf een kwartje in 't zakje gooide en zijne vrouw geen woord kon oververtellen van de preek, waarnaar hij toch schijnbaar met open mond en open ooren had zitten luisteren. Dienzelfden Zondag — de burgemeester zat nog aan 't middagmaal en glom van hazepeper en

2

ocr page 26

18

Bonrgonje — had er eene geheime conferentie plaats in lt;le binnenkamer van den waardigen burgervader, die zijne geglaceerde appeltjes ééns zoo lekker vond, nu hij de bewustheid had, dat mijnheer Vlam hem niet meer zou kunnen plagen, en wien iedere candidaat welgevallig was, die zijne spijsvertering maar geene belemmeringen in den weg legde, eene conferentie, waarvan het resultaat was, dat de quot;Weledele Heer Pieter Pruimedant geproclameerd zou worden tot officiëelen regeeringscan-didaat, wat, zooals we zagen, op Burgerlust dan ook

met het meeste succes had plaats gevonden.....

Maar.... Burgerlust was nog niets meer dan Burgerlust; de eerwaardige kiesvereeniging „Zachtjes aan, dan breekt het lijntje niet,quot; die tot motto voerde : „Als de eene hand de andere waschtquot; .... — was er ook nog, en daar zou de nieuwbakken candidaat nu de eerste vuurproef moeten doorstaan.....'t Was tegen een Woensdagavond, dat de leden der vereeniging bijeengeroepen waren. Buiten het bestuur, bestaande uit een voorzitter, een secretaris en een penningmeester, waren acht leden verschenen, een vrij respectabel getal voor eene kiesvereeniging in Nederland. Mijnheer Pieter Pruimedant, hoewel lid, was zeer bescheidenlijk thuis gebleven en zat in 't kantoortje naast den winkel op een leitje uit te rekenen, of de nieuwe rijzing in de petroleum voldoende opwoog tegen de onkosten aan zijne verkiezing verbonden, als daar waren de beloofde „fuifquot; op

Burgerlust, de nieuwe zwarte rok en.....hm! nu ja,

enfin!..... dat andere had hij er ook wel voor over,

ofschoon . . — en zijn geweten pruttelde zoo 't een en ander tegen . . — ofschoon .... Maar hij had immers niemand iets beloofd en niemand iets gegeven: hij had

ocr page 27

L9

toch alle recht, om 't boelsje van.... nu ja .... te quitteeren ....

Intussehen had de president van „Zachtjes aanquot; en wat er verder volgt de vergadering geopend, de secretaris de notulen gelezen en was de gewichtigste vraag aan de orde gesteld, of er ook een van de leden was, die een candidaat voor de aanstaande verkiezing wenschte voor te stellen; het bestuur had zelf een paar namen op zijn lijstje geplaatst, maar wenschte gaarne eerst het gevoelen der leden te hooren, daar het er van overtuigd was, dat evenals bij vorige gelegenheden — dit dacht het natuurlijk, zonder 't evenwel te zeggen — de leden te lauw waren, om zelf met candidaten voor den dag te komen. Die overtuiging werd niet beschaamd. Na een oogenblik van plechtige stilte, waarin de secretaris — ik bedoel de Edelachtbare Heer Van Drim melen — den president op de toonen had getrapt, om hem te beduiden, dat hij zoo spoedig mogelijk zijn hamertje moest laten vallen, kwam het bestuur zelf voor 't licht met zijn candidaten-lijstje, waarop bovenaan de heer P i e t e r Pruimedant en als tweede candidaat een wijnkoo-pertje prijkte, die alle leveranties aan 't stadhuis deed en die ze broodnoodig had, om behoorlijk rond te komen, zoodat hij, al werd hij candidaat, toch onmiddellijk voor de eer zou bedanken....

„Verlangt,quot; zoo vroeg deftig de geachte voorzitter, „ook een van de leden het woord over de voorgestelde candidaten?quot;

„Met permissie, mijnheer de president,quot; viel dadelijk Van Drimmelen in, die al geruimen tijd op heete kolen had gezeten. „Met permissie !quot;.... De waardige man stond op, schikte zijn das en zijn boord terecht.

ocr page 28

2o

stak den duim van de linkerhand in de mouwopening van zijn vest, bracht den duim en den wijsvinger van de rechterhand met de toppen bij elkaar, alsof hij een snuifje wou nemen en begon daarop zijne „warme pleitrede,quot; zooals de plaatselijke Nieuwsbode den volgenden avond verkondigde. „Mijne heeren ...langdurige pauze, waarvan onrustige voeten en verkouden neuzen gebruik maakten, om in der haast even te schuifelen en te snuffelen.... „Toen Home in nood was, werd Cincinnatus van achter den ploeg geroepen, om zijn dierbaar vaderland te redden!quot;.... — hier keek Van Drimmelen triomfantelijk het zaaltje rond, alsof hij zeggen wilde, of de aanwezigen dat nu niet klassiek vonden .... „Zeeburg is, den hemel zij dank, niet in nood ; maar 'fc heeft op het kantje van een afgrond gestaan. De oppositie tegen alle gestelde machten, dat vuige monster, dat in onze negentiende eeuw als de afschuwelijke Hydra met.... (hier wist de klassieke man waarlijk niet meer, hoeveel koppen de afschuwelijke Hydra wei gehad had).... met.... enfin .... met hare tallooze koppen alle overgeleverde en eerbiedwaardige rechten tracht te verslinden, te verslinden zeg ik, heeft zich ook in Zeeburg vertoond; maar de dood, die onverbiddelijke Hercules,

heeft het monster.... enfin, heeft het monster — hm----

den kop ingedrukt_. . . . (Met de andere koppen wist de brave secretaris zoo spoedig geen raad bij 't voltooien van zijn allegorisch beeld).... quot;Wanneer wij de blikken slaan naar alle landen van Europa, naar het Oosten en naar het Westen, naar het Noorden en naar het Zuiden, bevangt ons angst en beving, en we zijn meer dan ooit geneigd, ons nauw aaneen te sluiten, om hm.... om.... enfin den geduchten draak te bestrijden evenals — onze

ocr page 29

■J I

klassieke man kon niet nalaten alweer zijne geleerdheid te luchten — Sint Joris .... Sint Joris, zeg ik... .

En daarom is het mijne meening, dat we, evenals de Eomeinen Cincinnatus van achter den ploeg haalden, onzen waardigen medeburger Prnimedant vanachter de toonbank moeten roepen, om de belangen onzer dierbare stad achter de groene tafel te behartigen. De koopmansstand, mijne heeren, de koopmansstand heeft ons vaderland groot en roemruchtig gemaakt. Laat ons dien in eere houden. Wie zijne eigene zaken zoo uitmuntend weet te besturen en wie jaren lang de sluipgangen der koffie- en der petroleummarkt in alle richtingen heeft, doorkropen, kan ook in de raadszaal de sluipgangen der politiek met goed gevolg bewandelen.....Ik zeg sluipgangen : niet om daarmede aan te duiden, dat de gemeentelijke huishouding iets geheimzinnigs heeft of iels, dat voor de oogen der menigte verborgen behoeft te worden; maar omdat ik daarmede de moeilijkheden wil schetsen, waarmede ieder, die zijne bescheidene krachten wijdt aan het algemeen welzijn, te worstelen heeft. Ons eenige richtsnoer is : bezuiniging, eerbied voor de beurzen onzer belastingschuldigen. Welnu, ik durf beweren, dat uit dat oogpunt beschouwd, de keuze van onzen geachten medeburger, den heer P i e t e r Pruimedant, eene waardige keuze zal zijn. Als diaken ken ik hem sinds jaren; als lid van de feestcommissie indertijd bij de welgeslaagde Novemberfeesten kent gij hem allen; als taxateur bij de belastingen heeft hij sinds lang zijne sporen

verdiend..... ik zeg, waarom zouden wij op zulk een

nuttig stadgenoot onze stem niet uitbrengen!......

Waarom niet?......Met de meest mogelijke vrijmoedig-

heid beveel ik daarom den heer Pie ter Pruimedant

ocr page 30

22

aan als candidaat onzer kiesvereeniging voor de vacature

in den gemeenteraadquot;......

De schitterende rede van den klassiek opgeleiden secretaris had grooten indruk gemaakt op de aanwezigen. Er was dan ook geene noemenswaardige oppositie. Alleen een der aanwezige apothekers, die gemeend had zelf candidaat gesteld te worden en die zich in zijne verwachting deerlijk teleurgesteld zag, waagde het eene lans te breken voor 't wijnkoopertje, dat nommer twee op 't lijstje stond, wat den secretaris den volgenden Zaterdag op de sociëteit de aardigheid deed debiteeren, dat collega's elkaar toch altijd helpen, waarbij hij vooral op 't oog had de twijfelachtige echtheid van het fabricaat, dat den raadsleden door den wijnkooper gewoonlijk in de maag

werd geduwd.....

De oppositie was evenwel krachteloos. Met algemeene stemmen op één na proclameerde „Zachtjes aan dan breekt het lijntje nietquot; den heer P i e t e r P r u i m e d a n t tot haren candidaat voor den gemeenteraad, waaruit bijna onmiddellijk volgde, dat hij ook zou gekozen worden, daar het in ons lieve vaderland gebruikelijk is, dat een dozijn personen een candidaat uitkiezen, terwijl de overige lui als lammetjes achter het dozijn aanloopen en hun stembriefje behoorlijk ingevuld naar 't stadhuis brengen.

De gewichtige dag was eindelijk verschenen. Mijnheer Pieter Pruimedant had den ganschen nacht geen oog dicht gedaan en toen hij tegen den morgen, afgemat van het zenuwachtige waken, in een lichten dommel was gevallen, had hij allerlei benauwde droomen gehad. Op gt;t voeteneinde van zijn bed zat Burgemeester Boom

ocr page 31

23

met een allerijselijkst Bourgonjegezicht de tong tegen hem uit te steken, terwijl hij tusschen zijne vette beentjes eene kolossale stembus gekneld hield, die onze beangste candidaat onmiddellijk herkende als een van de theebussen uit zijn winkel; want er stond „P e c c oquot; op. Plotseling ging het deksel open en een heirleger van zwarte duiveltjes, die alle de tong uitstaken precies als de Edelachtbare burgemeester, sprongen er uit en dansten een dollen rondedans op de dekens. Ze kropen tegen zijne beenen op en wipten op zijn kussen; ze fluisterden hem allerlei leelijke woorden in de ooren en een er van was zelfs zoo onbescheiden, dat hij Pi e t er Pruimedant in den neus kneep. Deze vond, dat de grap nu lang ge-noeg geduurd had en gaf den onbeschaamden kabouter een klap om de ooren, waarop eene vervaarlijke stem opeens riep: „Piet, ben je gek, dat je je vrouw

slaatquot;..... En onze arme candidaat zag opeens zich

zeiven overeind in 't bed zitten en hoorde zijne dierbare wederhelft, die juist stilletjes aan 't overleggen geweest was, wat ze dien middag zou eten, eene boetpredikatie houden, waarin allerlei verwenschingen voorkwamen tegen gemeentesecretarissen, die hunne schulden niet betaalden, en ijdele kruideniers, die hunne zaken verwaarloosden,

om in den gemeenteraad te zitten..... Maar gelukkig

was het nu morgen en Pieter sloop stilletjes het bed uit en zijne sloffen in, om aan de verontwaardiging zijner wederhelft te ontkomen, en de portie, die hij er reeds van beet had, over te doen aan zijn winkelknecht, die ongelukkig nog geen koffie had gemalen en vergeten had de noodige zakken te plakken.

't quot;Was inderdaad ook eene marteling. Den ganschen voorgaanden dag had dc eerzame kruidenier in 't zweet

ocr page 32

gezeten. Van achter de schuifgordijntjes uit zijn kantoortje had hij iederen voorbijganger gemonsterd en in iederen kiezer, die zijne deur voorbijging, een tegenstemmer gezien. Toen quot;t wijnkoopertje zijne deur voorbij was gekomen en heel beleefd den hoed had afgenomen, meende onze candidaat op zijn gezicht de woorden te lezen: ~P i e t e r P r u i m e d a n t, je bent een aardige jongen; maar ik stem toch niet op je.quot; Zoo was het den gan-.schen voormiddag gegaan en 't was eene ware verlichting geweest, toen de patient de klok vier uur had hooren slaan en daarmede de bewustheid had gekregen, dat er nu niemand meer een briefje in de bus kon steken, 's Avonds was hij nog voorbij het stadhuis gekomen en had met eerbiedige blikken naar de vensters van de tweede verdieping opgekeken; want daar moest de bus staan en in die bus zat hij; maar of hij er den volgenden dag ook uit zou komen, dat wist hij niet. En toen was hij begonnen te redeneeren precies als de kleine kinderen, die mee uit rijden mogen gaan, en hij had gezegd: „nog één nacht slapen en danquot;.... Maar van dat slapen was niet veel gekomen en nu was het gelukkig morgen en straks zou men beginnen de briefjes te openen.... „Of ze er nu al mee begonnen waren'?.. . . Die beroerde winkelbel.... Een half pond stroop .... mooi weertje ... een prachtig najaar.... en een kan petroleum . . . vijf centen weerom .... En zou nu zijn naam al een keer of wat opgelezen zijn ? ... . Alweer die bel!... . Twee loodjes koffie .... Zeker, mooi weertje .... en een prachtig najaar.... ook nog iets anders ?.. . . Ze kunnen er nu wel al honderd geopend hebben !.... Neen, de gedroogde appeltjes zijn er op t oogenblik niet, ik verwacht ze iederen dag .... Mooi

ocr page 33

weertje ? Zeker, zeker ! en een prachtig najaar ook!.... Daar loopt notaris Van der Hout op een drafje voorbij, zon die 't al weten ? ... . Nog iets van je dienst ? . . .. Complimenten aan mevrouw !. . .. Daar is Van Drim-melen !.. .. Hij steekt de straat over .... de patentolie staat nog in den kelder.... hij komt regelrecht op de stoep aan .... en de kandij achter in 't pakkuis .... hij lacht.... en breng dan meteen wat bindgaren mee ....

hij heeft de kruk in de hand____ O, God !... . en ook

een paar grauwe zakken!---- Dankje, mijnheer van

Drimmelen, dankje---- Wel. wel____wie had dat gedacht !quot; — ..Maar, mijnheer Pmimedant, een man als u .... daar was immers geen twijfel aan ! .. .. Nu, het doet me recht veel genoegen voor u en voor ons: want we hebben een besten ruil gedaanquot; ....

't Was dan gebeurd. Mijnheer Pi eter Pruimedant had gezegevierd en was triomfantelijk uit de stembus te voorschijn gekomen, zooals dien avond nog onder 't stadsnieuws in de Nieuwsbode te lezen stond. Zijne vreugde over de behaalde overwinning was echter niet onverdeeld. Want ieder zegevierend veldheer heeft naast zijnen triomfwagen den slaaf, die hem toeroept: „Bedenk, dat gij oen mensch zijt.quot; En die slaaf was voor ons nieuwbakken gemeenteraadslid zijne beminnelijke wederhelft, die antwoordde op den naam „Truiquot; en die al dagen vooruit gejeuzeld had over de eerzucht van haren verblinden echtgenoot, die wel van plan scheen zijne familie te ruïneeren en alle opgespaarde centen in een bui van verdwaasdheid het raam uit te gooien.... Was me dat ook een leven en een boel! Nog geen half uur was de stemming bekend, of de heele visitekamer was zwart van men-schen, allemaal „belangstellendequot; vrienden, die 't nieuwe

ocr page 34

26

karpet kwamen vuilmaken en Pieters madera kwamen opdrinken. De goede ziel hield haar hart vast en ze ver-wenschte Van Drimmelen, die haar voortdurend Mevrouw noemde en die een groot glas port in zijn wijden mond wierp, of't geen geld kostte, en die net deed, of hij nu zijne rekening betaald had en of hij nog wel vijfhonderd gulden weerom moest hebben.... quot;Was ze daarvoor zoo oud geworden en had ze daarom altijd zoo zuinig op de kleintjes gepast ? . En dit was nog maar het begin van de ellende .... Want Pieter had het voorzichtig geoordeeld, om vooraf zoo 't een en ander los te laten omtrent den nieuwen zwarten rok en.... en.... de „fuifquot; op Burgerlust.

„Ja, daar kon hij zich niet afmaken .... Reken ook eens aan .... de eer is ook wat en daarvoor dient men ook het een en ander te doen!quot;.... En of de goede Trui hoog sprong of laag sprong, het hielp haar niet. Den volgenden Zaterdagavond was er groot feest op de respectabele sociëteit. Er werd Bourgonje geschonken ter eere van den Burgemeester en er knalden Champagne-kinken ter eere van het nieuw gekozen raadslid....

De eenige herinnering, die mijnheer Pieter P r u i-m e d a n t den volgenden morgen van dien roemruchtigen Zaterdag-avond had overgehouden, was dat hij in den mist geloopen had aan den arm van burgemeester Boom: dat hij een lantarenpaal voor een klepperman had aangezien ; dat het slot van zijne deur op eene heel andere plaats had gezeten dan gewoonlijk, en dat zijne vrouw gezegd had, dat hij zich ergens over schamen moest; maar waarover dat eigenlijk was, had hij niet recht begrepen. Ook kou hij zich nog herinneren, dat de kas-

ocr page 35

27

telein van de sociëteit hem bij 't scheiden van de markt een papiertje in de hand had gestopt, dat ergens in een vestzak moest zitten---- Ik waag het niet het ongelukkige gezicht van den edelachtbaren Pieter Prui-m e d a n t te beschrijven, toen hij Zondagmorgen ontwaakte en, na met moeite zijn duizelig hoofd uit de kussens gebeurd te hebben, onmiddellijk naar zijn vest greep en naar het bewuste papiertje, waarop eene opsomming stond van tallooze flesschen Bourgonje en Champagne en waarop rookvleesch, paling in 't zuur, cóteletten en pekelharing een woesten dans dansten voor

zijne wanhopige blikken...... Ook zal ik maar niet

spreken over de dreigende stem, die hem van beneden aan de trap toeriep, niet dat hij bedenken moest, „dat hij een mensch was,quot; maar die hem nadrukkelijk herinnerde, dat hij gisteren avond zoo min mogelijk op een

mensch had geleken....... Enfin, mijnheer Pieter

Pruimedant was nu raadslid ook. En hij zat achter de groene tafel alle de dagen zijns levens ende hij deed, wat welgevallig was in het oog der heeren.

ocr page 36

II ■■

■■ ■■

III I?*:

ocr page 37

DE TWEE PORTRETTEN,

ocr page 38
ocr page 39

De twee Portretten.

Dat het eene echte tante was, geloof ik niet. Althans ik heb later nooit eenig spoor van bloedverwantschap kunnen ontdekken. Maar wij zeiden „tantequot; en we wisten niet beter. Ook schreven we nieuwjaarswenschen en verjaringsbrie ven voor haar en brachten in rail daarvoor guldens en kwartjes mee naar huis, om in onzen spaarpot

te brengen.....

't Was stellig eenmaal eene mooie vrouw geweest. Als ik me nu hare rijzige gestalte, hare zilver-witte haren en hare donkerbruine oogen voor den geest roep, geloof ik, dat ze zelfa in mijne kinderlijke oogen eene bewonderenswaardige figuur was. Nog zie ik haar zitten voor het raam achter de schuifgordijntjes met koperen roeden, die glommen als goud, met de voeten op een stoof, een boek op de knieën, een bril op den neus en een netjes opgevouwen zakdoek in de vensterbank naast haar. Ze sprak weinig, maar als ze het woord tot ons richtte, was ze altijd vriendelijk en goedig. We hadden eenen zekeren eerbied voor haar en keken haar met ontzag naar de oogen. Als we de sierlijke voorkamer binnenkwamen, waar zij in den regel troonde, kregen wij altijd eene

ocr page 40

neiging, om heel voorzichtig op de teenen te gaan loopen, en het kwam nooit in ons op, in de marmeren gang hard te stappen of luid te roepen. Zonderling genoeg mochten we niettegenstaande dit alles gaarne een bezoek afleggen hij tante Mac Cleagh. Die naam, tusschen twee haakjes, was ons een onoplosbaar raadsel en eene ware kwelling des geestes. We konden maar met geene mogelijkheid begrijpen, hoe deze negen letters samen het resultaat konden opleveren, dat de gewone uitspraak ons dagelijks te hooren gaf, en als we een verjaringsbrief schreven, maakten we er steevast een paar fouten in, precies als de schoenmaker en de slager, die geregeld op hunne rekeningen zett'en: „Mejuffrouw de wed. Mak-k 1 iequot; of iets dergelijks. Tante Mac Cleagh was weduwe, en ze was juffrouw ook. Want in die dagen wist men zoo niet van Mevrouw en er waren in onze stad nog maar weinig dames, welke zich dien weidschen titel lieten toekennen. Ik geloof anders, dat ze er dubbel en dwars aanspraak op kon maken, ten minste voor zoover hare financiëele omstandigheden betrol. Ook waren hare manieren en hare gansche wijze van zijn zeer gedistingeerd. Ze had natuurlijk steile begrippen omtrent eene menigte dingen, waarover het opkomend geslacht maar losjes heenliep: zoo had ze bijvoorbeeld nooit kunnen vergeten en vergeven, dat een harer neefs — een echte neef ditmaal — Zondagsmorgens onder kerktijd in een koffiehuis eens aan 't biljarten was geweest, en men beweerde later, dat de man het aan tantes testament had kunnen weten. Ook vond ze het onverantwoordelijk, dat dienstmeiden los haar droegen en ze gaf dubbel loon voor eene neepjesmuts. Omtrent het afvegen van voeten en dergelijke zaken had ze in ons oog zeer overdreven ideeën.

ocr page 41

33

De kennismaking met tante Mac Cleagli kwam eigenlijk van Moeders kant, geloof ik. Of ze in vroeger dagen buren waren geweest, kan ik niet met zekerheid zeggen, ik meen van wèl. In ieder geval kwam de oude dame ook wel bij ons aan buis en ze werd daar steeds met alle onderscheiding ontvangen.

De woning van de oude juffrouw Mac Cleagh was een allergrappigst huis in onze kinderlijke verbeelding. Het stond aan de haven, en daar deze oorspronkelijk waarschijnlijk begrensd werd door een tamelijk hoogen dijk, lag de achterstraat, die parallel liep met de haven, zoo laag, dat men aan het einde van de marmeren gang een trap moest afgaan van twaalf treden, om in de beneden-achterkamer te komen.

Vlak bij die trap stond eene groote, sierlijke klok, die bij volle uren een Evangelisch Grezang speelde en bij halve het Engelsche volkslied. Daar tegenover hing in een van de groote vakken van den hagelwitten mum-een ouderwetsche barometer en iets meer naar voren stond een paraplustander, tevens kapstok, vervaardigd uit verscheidene prachtige geweien van herten ....

Over 't geheel lag over het inwendige van de woning der oude dame een buitenlandsche tint en ik gelooi stellig, dat het deze eigenaardigheid was, die ons het meest aantrok. quot;Want de goede „tantequot; bezat zelf weinig aantrekkelijks voor ons kinderen, die, zooals ik reeds zei, met een soort van schuwen eerbied tot haar opzagen. Ze had bijvoorbeeld altijd eenen lijdenden trek op het gelaat, die zoo weinig in overeenstemming was met de dolzinnige joligheid, welke wij van de straat meebrachten, als wij haar bezochten, dat onmiddellijk alle uitgelatenheid, alle dartele vreugde verstomde, wanneer

ocr page 42

34

wij haren drempel hadden betreden en hare ernstige blikken ons ontmoetten!

Toch hielden wij veel van haar; want ze was zeer goed en hartelijk voor ons, al was ze ook bijzonder spaarzaam met hare woorden.....Er lag, zei ik, een eenigs-

zins buitenlandsche tint over het inwendige van hare woning. Daarmee bedoel ik, dat men er allerlei dingen vond, die eene gewone huishouding zoo niet te aanschouwen geeft. Vooreerst de hertengeweien ! Poch die waren nog maar een kleinigheid, vergeleken bij al het overige, hoewel in de oogen van het kleine goedje reeds iets heel bijzonders. Er was achter de suite een opkamertje, dat allerlei schatten verborgen hield, een waar koloniaal en maritiem museum.

Dat was eigenlijk het glanspunt van 't gansche huis en de pleister, die ons trok. Daar hing bijvoorbeeld een groot wapenrek met krissen en dolken en klewangs, kortom met allerlei Indische wapenen ; daar stonden onder glazen stolpen verscheidene keurig opgetuigde modellen van schepen, waaraan geen katrol en geen touwtje ontbrak. Een er van heette „Albert en Maryquot;, het was een kolossale driemaster. Ook lagen alle meubels voj met vreemdsoortige schelpen, met kokosnoten, kokers van bamboes, Japansche kistjes en doosjes, Chineesche muiltjes van heerlijke zijde, waaiers en allerhande uitheemsche snuisterijen. Bijzonder merkwaardig vonden wij ook een nagemaakten boomtak onder eene groote glazen stolp, waarop eene gansche vlucht opgezette vogeltjes met roode, blauwe, gele en allerhande schitterende veeren.

Op de ronde tafel midden in 't vertrek stond een heusche pagegaai, die kon zeggen: „kopje krauw!quot; en

ocr page 43

35

„deugniet.quot; Als ik me wel herinner, kon hij ook nog andere woorden voor den dag brengen; maar die had hij stellig niet van zijne meesteres geleerd.

In het opkamertje was een geweldig groote schoorsteen, veel te kolosaal voor de kleine ruimte, die hij oudtijds had moeten verwarmen. Die schoorsteen was sierlijk besneden en gemonteerd met wit en verguld. Vlak in 't midden vertoonde hij eene mythologische voorstelling: eene schoone Grieksche dame met een zwaan. Als we „tantequot; vroegen, wat dat beduidde, schudde ze altijd het hoofd en zei, dat ze het niet wist. Of ze inderdaad niet op de hoogte was van de Grieksche godenleer, dan wel, of ze het onderwerp te scabreus vond voor onze jeugdige gemoederen, kan ik niet beslissen. Wel kan ik mij herinneren, dat ze eens erg boos op mij geweest is, toen ik in mijne kinderlijke onnoozelheid vroeg, of de beide mannen, die op twee portretten naast den schoorsteen waren afgebeeld, allebei „oomesquot; waren. quot;Want er hingen inderdaad twee portretten naast den schoorsteen en naar aanleiding van die portretten wil ik iets vertellen.

Het eene portret, dat rechts van den schoorsteen hing — ze waren beide in olieverf en door eene zeer bekwame hand geschilderd — stelde een man voor met grijs haar, gerimpeld voorhoofd en stroeve trekken. Zijn breede, hooge kraag, zijne nauwsluitende mouwen, zijn gebloemd vest en zijn kanten jabot wezen op eene lang voorbijgegane mode. Het andere was dat van een man in de kracht zijns levens. Zwart krullend haar, donkere wenkbrauwen en oogen tintelende van geest en leven gaven aan het door de zon gebruind gelaat eene uitdrukking van kracht, die getemperd werd door den vriendelijken glimlach, waartoe de volle roode lippen zich plooiden.

ocr page 44

sr.

De kleeding, ofschoon eveneens getuigende van eene lang vergeten mode, was los en zwierig. Een hemdskraag en een geknoopte zijden das a la Byron deden den for-schen, gebronsden hals voordeelig uitkomen. Op de bovenlip krulde een fijne, zwarte knevel ....

Het eerste portret stelde den ouden heer Mac Cleagh voor, het tweede.. . maar laat ons liever beginnen met het begin.

„Tantequot; Mac Cleagh was in hare jonge jaren eene vroolijke, levenslustige meid geweest. Hare moeder, eene arme dokters-weduwe met een zeer talrijk gezin, had er zich inderdaad dikwijls aan geërgerd, dat hare oudste dochter, die de drukkende omstandigheden, waarin zij verkeerden, zeer goed kende en oud genoeg was, om er de onaangenaamheden mede van te gevoelen, altijd zoo vroolijk, zoo'n zieltje zonder zorg kon zijn....

Vroolijk was ze, dat is waar; maar wanneer hare moeder haar een zieltje zonder zorg noemde, dan was ze onbillijk tegenover hare dochter, of wel ze kende haar karakter maar half. Want de jongere broers en zusters wisten het wel beter en Marie was van den morgen tot den avond in de weer, om het kleine volk proper en net en heel te houden, wat haar dikwijls geene geringe moeite kostte. Ook spaarde ze, om een populairen term te gebruiken, zich zelve de brokken uit den mond, wanneer ze wist, dat moeder of de anderen aan het een of ander behoefte hadden. Maar te midden van alle ontberingen, niettegenstaande tal van onaangename levenservaringen bleef ze opgeruimd en zocht ze altijd de zonzijde van het ondermaansche, zoodat baar optreden steeds en alom vergezeld ging van een glanzenden lichtstraal, die alles, wat hare hand aanraakte, ieder, die met haar in betrek-

ocr page 45

37

king stond, bescheen. Ze was inderdaad het zonnetje in den huiselijken kring, waarvan hare moeder, dio door don tegenspoed was verbitterd en die bij voorkeur in de schaduwzijde wandelde, de donkere wolk kon genoemd worden. Als een leeuwerik wierp zij haar vroolijk lied den blauwen hemel tegemoet, en om hare omgeving in de rechte stemming te houden, verborg ze dikwijls haar eigen leed diep in haren boezem.

Want ze had weieens verdriet. Hoe kon het ook anders geweest zijn ?

Marie was met al hare opofferde liefde, met al hare zelfverzaking, een jong meisje als ieder ander en ze zou wel eene heilige moeten geweest zijn, wanneer ze niet hare vriendinnen, die in veel beteren doen verkeerden dan zij, somwijlen benijd had. Bovendien was ernogiets anders-

Tegenover de doktersweduwe woonde een scheepsmakelaar. De man had in zijn tijd, naar men zei, goede zaken gemaakt, maar was door onvoorzichtige speculaties zco zeer aan lager wal geraakt, dat een faillissement onvermijdelijk was geworden. Toen de bom gebarsten was, had mijnheer Tillemans — zoo heette hij —, die van zeer goede familie was en zich zijne vernedering sterk had aangetrokken, eene beroerte gekregen, die hem zoo zeer had aangetast, dat hij voor zijne verdere levensdagen geheel verlamd en ook naar den geest erg verzwakt was. De zware taak, om zijn vrij talrijk huisgezin te onderhonden, rustte van dat oogenblik op den oudsten zoon des huizes, een jongman van tweeëntwintig jaar — twee jaar ouder dan zijne vroolijke overbuurvrouw — groot gebracht in weelde, een beetje bedorven en meer dwepende met de verzen van Schiller en met de -Welt-

ocr page 46

38

schmerzquot; van een quot;Werfcher of een René dan met Java-koffie en Varinas. Maar moeten is ook een ding, en de jonge Dolf Tillemans scharrelde de wereld door als commissionair en, 't moet gezegd worden, hij scharrelde er vrij netjes door, al bleef het eeuwig en erfelijk „scharrelen.quot; De familie kon leven, wat men zoo „levenquot; noemen mag, mits Dolf nooit een koffiehuis bezocht, zelden een pijp rookte en vier jaar liep met een pantalon, waar een ander twee jaar mee rond kwam.

Aan beide zijden van de straat dus kommer en zorg, aan beide zijden zelfverloochening en opoffering; maar aan den vrouwelijken kant stille, kalme berusting en blijmoedigheid, aan den mannelijken daarentegen bitterheid, ontevredenheid, onvoldaanheid, ten deele voortkomende uit den werkelijk drukkenden toestand, maar evenzeer uit hetgeen we zoo straks met den conven-tioneelen term „quot;Weltschmerzquot; hebben genoemd, eene gewaarwording, in dien tijd in de mode, maar ook tegenwoordig bij het jongere geslacht nog niet geheel en al onbekend. Overigens was Dolf een hartelijke goede jongen, geestig, wanneer hij geene sombere bui had — ofschoon hij in zijne ontevredenheid en zijn wereldhaat ook soms allergrappigste uitvallen kon doen, waarom hij per slot van rekening zelf lachen moest — en ontwikkeld, want hij had eene goede opleiding gehad en veel gelezen, rijp en groen.

In het huis van de weduwe was de jongman eene hoogst welkome verschijning. Vooreerst voor de oude vrouw zelve. quot;Want hij pruttelde met haar mee, wanneer zij slecht gehumeurd was en hij deelde met haar de zwartgallige beschouwingen omtrent de onbillijkheid en de wreedheid van het noodlot. Maar in de tweede plaats

ocr page 47

39

voor Marie, die niet blind was voor het mannelijk schoon van haren buurjongen en die met hare blijmoedigheid er steeds in slaagde, zijne buien te verdrijven en zijn natuurlijke vroolijkheid en geestigheid, zoo ze sluimerden, te wekken. Ook luisterde ze gaarne naar zijne welluidende, klankrijke stem, wanneer hij verhalen deed uit zijn schooljongensleven, waarom de kleineren dikwijls gierden van pret, of wanneer hij verzen voorlas van Byron en fragmenten uit de romans van Chateaubriand, waar hij natuurlijk mee dweepte. Dolf van zijn kant was lang niet ongevoelig voor de bekoorlijkheden van zijn overbuurmeisje met haar donkere krullen en hare vroolijke kijkers, en zoo ontstond er tusschen de beide jongelui eene verhouding, die aanvankelijk vriendschap mocht heeten, maar die slechts op een klein zuchtje wachtte, om vlam te vatten en te ontbranden tot eene vurige liefde.

Die liefde evenwel was het juist, die de vroolijkheid van Marie somwijlen drukte en de zwartgallige stemming-van Dolf zoo mogelijk nog een paar tonen deed dalen. Want waar zou zij op uitloopen? Eene toekomst bestond er voor de jongelui niet. Noch de een, noch de ander kon gemist worden in den kring, waar binnen ze door het lot voor eeuwig gebannen schenen.

Dolf had zijn vijf en twintigste jaar bereikt en het hopeloos vooruitzicht begon hem te vervelen. Zijne zaken gingen voortdurend den ouden gang; hij verdiende, zooals hij 'tin den regel uitdrukte, te veel om te sterven, te weinig om te leven. Zijn tweede broer, een jongmensch van een en twintig, die tot nog toe de boeken had bijgehouden en zoo langzamerhand met de weinig ingewikkelde affaire op de hoogte was gekomen, kon hem zeer goed vervangen. Licht dat een ander ook eens den last

ocr page 48

40

torschte, dien hij zoolang alleen gedragen had: hij had er genoeg van, om steeds de oude knecht te blijven. Dolf maakte op een goeden dag aan zijne ouders bekend, dat hij van plan was, de wijde wereld in te trekken. Er werden vrij wat tranen gestort en 't kostte den eerlijken jongen vrij wat moeite, zich onder het gejeuzel van zijn halfsimpelen vader en de smeekingen zijner wanhopige moeder goed te houden en zijn streng niet los te laten. Maar hij weerstond eiken storm en hield zijn eens genomen besluit vast, ook toen de oude vrouw aan de overzijde van de straat bondgenooten ging werven en hulptroepen liet aanrukken. Zonderling genoeg — aluhans in 't oog van Dolfs moeder — was de houding van Marie bij dit alles. quot;Wel verre van haar gelijk te geven en pogingen aan te Avenden, om Dolf van zijn voornemen af te brengen, schaarde zij zich geheel aan zijne zijde. Ze vond, dat de toestand zóó op den duur onhoudbaar werd, ze begreep, hoe Dolfs familie het ontzettend naar moest vinden, dat hij onverzettelijk in zijn plan bleef, maar ze kon hem geen ongelijk geven, wanneer hij de wijde wereld introk, om fortuin te maken. En hij zou fortuin maken, daarvan was ze zeker. Met zijn hoofd en met zijn hart kon er geen twijfel aan bestaan. Ze zong al dien tijd door haar vroolijkste liedjes en ze toonde in den huiselijken kring haar opgeruimdste gezicht. Maar ze vertelde aan niemand, hoevele slapelooze nachten ze doorbracht en hoevele tranen aan hare oogen ontvloeiden, wanneer ze op haar zolderkamertje 's avonds alleen was. Aan Dolfs moeder zei ze, dat deze niet egoïstisch mocht zijn en de toekomst van haren zoon niet in den weg mocht staan, en als ze beredeneerde, dat zulk een flink man een gelukkig lot verdiende en

ocr page 49

41

wellicht elders kon vinden, wat hem hier onbereikbaar was, dan had ze moeite de tranen, die in hare oogen welden, te onderdrukken en het benauwend gevoel, dat hare stem dreigde te smoren, terug te drijven tot in het diepste van hare ziel.....

En Dolf vertrok. Naar Amerika! Want had hij met eene poging om ongedwongen te schertsen gezegd, als het toch zijn moet, dan maar hoe eerder hoe beter en hoe verder weg, hoe liever; naar het traditioneele land der groote fortuinen, waar olie-bronnen vloeiden in plaats van melk en honig en steden uit den grond voortkwamen, en waar de arme avonturier van gisteren de Croesus van morgen kon worden.

Er was groote smart geweest, zoowel aan de eene als aan de andere zijde van de straat. Marie had het onmogelijk vol kunnen houden ; hare vroolijkheid, in de laatste tijden een onnatuurlijk product van overspanning en zenuwachtige opwinding, was voor den drang der omstandigheden bezweken. En al zei haar egoïsme — welke opofferende ziel zou er zelfs geheel vrij van zijn ? — haar ook, dat Dolfs toekomst wellicht ook de hare zou zijn, dat „wellichtquot; kreeg bij hare redeneeringen en gezochte troostgronden hoe langer hoe meer den klemtoon en stemde haar voortdurend somberder. Op den dag van 'tafscheid had ze zich evenwel goed gehouden en maar weinig laten merken van de smartelijke gevoelens, die haar tot in 't diepste der ziel schokten.

Eu Dolf? Hij had er natuurlijk veel onder to doen gehad, dat hij zijne familie en Marie moest verlaten; maar hij had onder zenuwachtige vroolijkheid en opgewondenheid zijne aandoeningen trachten te verbergen: bovendien had hij zich en zijne omgeving getroost mot

ocr page 50

42

alle mogelijke sophismen, die hij op dat oogenblik kon opdiepen. „Wat beduidde in den tegenwoordigen tijd eene reis naar de Nieuwe quot;Wereld ! quot;We waren niet meer in de eeuw van Columbus en bovendien hij kwam immers weerom, wellicht als millionair!quot; Men vergete daarbij niet, dat ieder afscheid veel smartelijker is voor degenen, die blijven, dan voor hem, die vertrekt, 't Gaat er tot op zekere hoogte mee als met het afscheid voor de groote reis, die wij allen tegen wil en dank zullen moeten ondernemen.

Niet waar, voor den vijfentwintigjarigen jongeling opende zich ook een onbekend verschiet, eene nieuwe wereld met nieuwe illusiën ; want wie het geweer opneemt, droomt dat hij den maarschalksstaf reeds in den ransel draagt. Het hart van den vertrekkende hing natuurlijk aan allen die achterbleven; maar slechts ten halve, want terwijl zij hem hun gansche hart meegaven, nam hij zijne andere helft mee naar het tooneel, waarop hij met zijnen jeugdigen moed en zijne mannelijke kracht den strijd zou gaan strijden, waarnaar ieder onzer eenmaal heeft gehunkerd als het begin van de langdurige worsteling, welker einde de dood is of de zegepraal: meestal de dood, maar voor enkelen de zegepaal. En waarom zouden we niet tot die enkele uitverkorenen behooren ?

Dolfs broer was een nette, handige jongen. De zaken gingen inderdaad den ouden gang en de familie had brood, droog brood, weliswaar, om met een onbekenden term te spreken, maar toch brood. Bovendien 't was vroeger onder Dolf niet beter geweest. Van dien kant kon men zich troosten. Maar over de afwezigheid van den geliefden oudsten zoon kon moeder zich niet zoo gemakkelijk heenzetten. Marie was met hare gewone kalmte

ocr page 51

43

en gelatenheid weer aan haren arbeid gegaan. In de eerste weken had hare opgeruimde natuur eenen hard-nekkigen kamp te strijden met de bitterheid, die als de droesem in lederen levenskelk op den grond des harten ligt en die bij groote beroeringen boven komt drijven; maar ze was er langzamerheid in geslaagd iedere beroering in haren levensbeker te vermijden en begon mettertijd weer de gladde, effene en heldere oppervlakte te vertoonen.

En wel had ze al hare kalmte, al hare tegenwoordigheid van geest noodig bij de dingen, die komen zouden. Haar vader had gedurende den ganschen tijd van zijn huwelijk gecontribueerd aan eene maatschappij van levensverzekering, die na zijnen dood aan de weduwe een matig jaarlijksch pensioen zou uitkeeren.

Dat was de eenige troost geweest van het huisgezin, toen na eene langdurige ongesteldheid de betrekkelijk nog jonge man aan de zijnen was ontrukt; dat hield, hoewel op zeer bekrompen wijze, de familie op de been. Maar men was sinds eenigen tijd begonnen harde noten te kraken, en er waren geruchten in omloop gekomen, die den twijfel, die bij velen reeds lang bestaan had, aan de soliditeit der bedoelde Uitkeerings-Maatschappij meer en meer versterkten. De contributie was volgens 't oordeel van deskundigen altijd veel te laag geweest en de directeuren genoten hooge tractementen; ze reden en rosten en schenen meer bedacht op eigen voordeel dan op het belang der talrijke weduwen en weezen, welker bestaan geheel afhing van den bloei van het fonds, waarvoor echtgenooten en vaders hunne zuur verdiende penningen hadden afgezonderd, teneinde gerust het hoofd te kunnen neerleggen, wanneer het noodlottig oogenblik gekomen mocht zijn, waarin ze zouden ophouden de ver-

ocr page 52

44

zorgers te blijven van wie hen nog zoo noodig hadden.

De geruchten bleken maar al te waar te zijn. De ellende begon met eene inkrimping van de jaarlijksche uitkeering en het liet zich voorzien, dat met een paar jaar, wellicht eerder nog, eene totale oplossing, eene geheele ontbinding van de vennootschap zon volgen. De familie-van den dokter was radeloos. Vooral de weduwe tobde en kermde dag en nacht. De kleineren waren nog te jong, om de ramp in al hare volheid te kunnen gevoelen; de oudste zoon, een jongen van zeventien jaar, nog niet volwassen genoeg, om den kost te verdienen voor zich zeiven, laat staan voor het geheele huisgezin. Alleen Marie was volwassen. Maar wa t zou ze beginnen ? Hare schooiopvoeding was door den noodlottigen samenloop der omstandigheden te vroeg afgebroken, dan dat ze zich had kunnen wijden aan het onderwijs. Juffrouw van gezelschap ? Maar men kon haar tehuis niet missen. Het eenige, waar ze kans toe zag, was het vervaardigen van handwerkjes, het naaien voor enkele familiën in de stad, eene zaak, die evenwel bij de talrijke concurrentie — er zijn zooveel ongelukkigen in de wereld, ook zelfs in kleine stadjes ! — niet voldoende middelen opleverde, om in de behoeften van de geheele familie te voorzien. Het waren donkere dagen.

Meer dan ooit klaagde de arme weduwe en verwenschte zij haar droevig lot en de onbillijkheid van het wereldbestuur. Met moeite hield Marie het hoofd boven water en met de edelste opoffering van haar eigen ik, deed zo wat ze kon, om den zonneschijn van vroeger niet geheel en al in stikdonkeren nacht te doen verkeeren.

Waar was ondertusschen Dolf gebleven ? Men had voor en na opgeruimde en troostvolle brieven van hem ont-

ocr page 53

45

vangen. Ook aan Marie had hij geschreven en hij had haar overtuigd van zijne voortdurende, onveranderlijke liefde. Aanvankelijk had hij door middel ook van een paar aanbevelingsbrieven eene vrij goede plaats te New-York gekregen op een groot kantoor. Maar weldra vernam men, dat hij verhuisd was naar Sint-Louis, waarheen eene meer voordeelige betrekking hem had gelokt. Van dat oogenblik af echter waren de berichten schaarscher geworden. Eindelijk nog had men van hem een brief ontvangen uit New-Orleans, eene nieuwe verbetering van positie meldende. Sinds dien tijd evenwel had niemand verder iets van hem vernomen: taal noch teeken.

Eenige jaren waren voorbijgegaan, 't Neep er soms geweldig in het huisgezin van de dokters-weduwe. Marie had al haar geestkracht, al haar fonds van vroolijkheid noodig, om het op de been te houden en daar dat fonds door geene enkele omstandigheid vermeerderde of voltallig werd gehouden, slonk het eindelijk weg als sneeuw voor de zon; de opgewekte, frissche maagd van vroeger kwijnde : het was dezelfde Marie niet meer ... Wat was hare toekomst ook ? Zoolang hare jongere broers en zusters niet in staat waren, in hun eigen onderhoud te voorzien, moest ze zich blijven opofferen ook voor hare moeder, die door al het lijden vóór haren tijd oud en

ziekelijk was geworden. En dan ?.....Zou ze later in

staat zijn, zich zelve te onderhouden ? Ze kon als huishoudster of juffrouw van gezelschap wellicht een onderkomen vinden ; maar voor een meisje, dat altijd te midden van kommer en zorg had geleefd, dat geene blijde jeugd had gekend, was dat vooruitzicht verre van vertroostend. De zwaarste slagen stonden evenwel nog voor de deur. Van Dolf had men, zooals we reeds zagen, in tijden

ocr page 54

46

niets vernomen. Plotseling echter kwam er bericht, het bericht van zijnen dood. Eene arbeidersfamilie uit het stadje, die door den nood gedrongen het vaderland had verlaten en in het verre werelddeel als zoovele anderen gouden bergen had meenen te vinden, was, deerlijk teleurgesteld in hare verwachtingen, teruggekeerd.

Het hoofd van het gezin had onderanderen eenigen tijd als kaaiwerker te Nieuw-Orleans een sober loon verdiend en er zijn jeugdigen stadgenoot van vroeger enkele malen ontmoet. Dolf had te Nieuw-Orleans eene ondergeschikte betrekking op een kantoor bekleed ; zijne omstandigheden waren alles behalve schitterend geweest. Op zekeren dag was hij met eene menigte andere lui van allerlei slag, die evenals hij reeds met tal van wederwaardigheden te kampen hadden gehad, zonder dat de fortuin hen nog met een enkel glimlachje hadden willen beschenken, weggetrokken naar het westen, naar het verre westen, vanwaar langzamerhand fabelachtige berichten omtrent goud en schatten waren begonnen op te duiken. Eenige maanden later waren vele leden van de karavaan, berooid en uitgeput, teruggekeerd en een ervan had het bericht meegebracht van droevige ontberingen en groote teleurstellingen; ook van bloedige twisten onder de weinig beschaafde, uit alle landen saamgeraapte bende. Bij een dier twisten was men als gewoonlijk handgemeen geworden en had Dolf een messteek in den buik gekregen ; hij was aan de gevolgen der verwonding overleden .....Dat treurige nieuws bracht de arbeidersfamilie

mee naar Europa.

Men kan begrijpen, welk eene verslagenheid er heerschte in de beide huisgezinnen ter weerszijden van de straat. Marie was geheel geknakt. Ze had al lang erg geleden

ocr page 55

47

onder het stilzwijgen van Dolf. Het had haar diep gegriefd, dat de man, op wien ze al hare hoop had gevestigd, in wien ze haar gansohe vertrouwen had gesteld en dien ze met al den gloed van haar jeugdig hart had bemind, haar kon vergeten en verwaarloozen, wellicht omdat hij in het verre land een ander had ontmoet, die zijn licht ontvlambaar gemoed had weten te bekoren.

Nu ze zoo onverwacht de tijding ontving van zijnen akeligen dood, nu ze zich alle ontberingen en al het lijden voor den geest haalde, waaraan hij gedurende zoo Ipngen tijd was blootgesteld geweest, kon ze het zich zelve nauwelijks vergeven, dat ze in oogenblikken van strijd en wanhoop getwijfeld had aan zij ne liefde en hem verdacht had van ontrouw. Het was inderdaad een wanhopige toestand in het huisgezin der ziekelijke weduwe. Alle fleur was er uit geweken en de dagen kropen somber en akelig voorbij. En de grootste ramp moest nog komen. De levensverzekeringmaatschappij, die van jaar tot jaar kleiner pensioenen had uitgedeeld, staakte eindelijk geheel hare betalingen. Eene laatste uitkeering ineens aan de ongelukkige weduwen, wier toekomst, wier bestaan volkomen vernietigd werd, ziedaar alles.

Toen de Jobstijding de rampzalige familie bereikte, smolten allen weg in tranen. Zelfs de kleineren, die nog geen flauw begrip hadden van de harde werkelijkheid van het leven en voor wie eene bestraffing van den meester of het verlies van een bonten knikker of drijftol de grootste rampen waren, die ze zich droomen konden, beseften, dat er iets verschrikkelijks had plaats gehad en verdrongen zich schreiende om den leunstoel der verpletterde moeder of verborgen zich snikkend aan den boezem van Marie, die geene woorden had voor hare

ocr page 56

48

vlijmende smart en aan wier lippen geen enkel woord van troost ontvloeide. Zij liet ook het hoofd hangen, zij, die altijd tusschen de zwartste wolken door nog een straal van hoop had zien schemeren, althans anderen in het vertroostende geloof had gebracht, dat zij hem zag.....

Voortaan zou de voornaamste bron van inkomsten van het armoedige huisgezin bestaan in de kamerhum* en het kostgeld van den commensaal, dien het sinds eenigen tijd in zijn midden had opgenomen, maar wiens verblijf ook slechts tijdelijk was. quot;Want de oude heer Mac Cleagh zou binnen eenige maanden het bevel aanvaarden over het nieuw gebouwde schip van de firma W ij n m a 1 e n en C o. en er eene reis mee doen naar Soerabaya. De quot;W ij n m a 1 e n s waren flinke reeders en de eenige lui in 't stadje, die nog een paar schepen voor de groote vaart uitrustten. Kapitein Mac-Cleagh had al lang voor de firma gevaren; hij was een beproefd zeeman en zou „D u i f j equot; met roem en eere commandeeren, zooals hij het de Amicitia, die wegens ouderdom voor afbraak verkocht was, jaren lang gedaan had.....

De oude heer Mac-Cleagh was een zonderling man. Waarom men hem den „ouden heerquot; noemde, zou ik niet kunnen zeggen, want hij zal ongeveer een vijftig jaar achter den rug gehad hebben. Wellicht kwam het, omdat zijn uiterlijk door „weer en windquot; zooveel geleden had, dat hij ouder teekende, dan hij werkelijk was. Zijn haar en zijn ringbaard waren wit; zijn bruin, tanig gelaat met diepe voren doorploegd en zijn gang en houding zoo stijf, dat men zich gewoonlijk met eenige verbazing afvroeg, hoe de man 's morgen in en 's avonds uit zijn glimmend zwart lakensch pak geraakte.

ocr page 57

49

Het merkwaardigste van kapiteinM ac-Cleagh was het koeterwaalsch, waarin hij genoodzaakt was in den regel zijne gedachten uit te drukken. Want de kapitein was van geboorte een Schot, die weliswaar reeds vroeg op Nederlandsche schepen had gevaren, maar het nooit zoover had gebracht, dat hij fatsoenlijk Hollandsch had leeren praten. Nooit was hij gelukkiger, dan wanneer hij iemand ontmoette, die Engelsch verstond, en, hoe weinig spraakzaam hij gewoonlijk was, wanneer hij zijn hart eene enkele maal kon luchten in zijne moedertaal, dan was hij onuitputtelijk in reisverhalen en anecdoten, die hij met zijn breed accent inderdaad allersmakelijkst kon voordragen.....

Marie verstond en sprak een weinig Engelsch, zóó namelijk, als ze dat op de meisjesschool had geleerd. Ze was daardoor eene ware uitkomst voor den goedhartigen kapitein, die haar zijne mededeelingen niet spaarde en die geen grooter genot kende, dan met zijn glaasje grog van arak in de eene en zijne manilla in de andere hand achter den gegoten ijzeren kachel te zitten en van zijne zeereizen te verhalen, waarbij de oude moeder in den regel in de kussens van haren stoel zat te dutten, terwijl de oudste jongens met open mond en ooren zaten te luisteren en Marie met enkele Engelsche gemeenplaatsen hare verwondering of bewondering — dikwijls niet ongeveinsd — te kennen gaf.

Op zekeren avond was kapitein Mac Cleagh bijzonder stil en in zichzelven gekeerd. Hij zat met de handen tot aan de ellebogen in den zak en had zijne halve manilla letterlijk opgegeten, 't Scheen wel, dat hij over iets peinsde, althans zijn grogje stond onaangeroerd op de tafel en begon reeds koud te worden. Marie was bezig de kinderen

4

ocr page 58

50

uit te kleeden en naar bed te helpen; van tijd tot tijd vei-scheen ze in de huiskamer, om naar moeder om te zien, die, klagende en lamenteerende als altijd, tegenover den kapitein aan de andere zijde van den kachel zat. Telkens als Marie de kamerdeur binnen kwam, was het, of de eerlijke zeerob een electrischen schok door de ledematen kreeg en zijne tanden gaven dan aan de ongelukkige sigaar, die op eene erbarmelijke manier inbrandde, een geweldigen knauw.

Eindelijk was alles beredderd en maakte Marie toebereidselen, om moeder de behulpzame hand te bieden bij het naar bed gaan. Dat was gewoonlijk het teeken voor den kapitein, om den aftocht te blazen en naar zijne bovenkamer te verhuizen.

Dezen avond echter bleef hij tot groote verbazing van moeder en dochter stokstijf met zijne beenen de kachel omhelzen, zonder aanstalten te maken tot vertrekken. Alleen liet hij een geheimzinnig gegrom hooren, legde de manilla op 't randje van den schoorsteen, roerde zijn grogje om en dronk het in één teug leeg, waarna hij zich onmiddellijk een tweede glas inschonk.

Toen Marie weeromkwam, zat hij er nog, even onbewegelijk, even raadselachtig als te voren. Ze werd er een weinig verlegen onder en zocht niet zonder eenige zenuwachtigheid het goed van de kinderen bijeen, dat als gewoonlijk dringend verstelling noodig had. Daarna ging ze zitten achter de tafel, waarom had ze moeilijk kunnen zeggen, maar zoover mogelijk van den kapitein af. Er volgde eene stilte, die eenige minuten duurde. Men hoorde de naald van Marie en de zware ademhaling van kapitein Mac Cleagh. Eindelijk nam de zeeman het woord, nadat hij verscheidene malen den neus in zijn glas had

ocr page 59

51

gestoken en er, naar hij later meermalen zelf verzekerde, de noodige hoeveelheid courage uit geput had. quot;Wat hij voor den dag bracht, was niets meer en niets minder dan een curieus abacadabra, half Engelsch, half Hollandsch, en waarin Marie, die als bij ingeving de strekking van zijne overigens onbegrijpelijke woorden vatte en wie het was, alsof ze op haar stoel met de gansche kamer in 't rond draaide, niets onderscheidde dan de woorden „husbandquot;, ,,poor motherquot; en „huwelaaikquot;, zooals de kapitein dat zware Hollandsche woord radbraakte. Tóen de zeerob die woorden er uitgewerkt had, sloot hij den mond, zag naar de toppen van zijne zeildoeken pantoffels, nam zijne manilla in den mond en kauwde er op, of er niets bijzonders was voorgevallen. In het gemoed van Marie streden allerlei gewaarwordingen om den voorrang. quot;Was het toorn, verontwaardiging, smart — ze had het zelve niet kunnen zeggen. Met bevende stem antwoordde ze den kapitein zoo beleefd en. zoo kalm mogelijk, dat zijn voorstel haar zoo onverwacht overvallen had, dat ze op 't oogenblik geen woorden kon vinden, om de gevoelens uit te drukken, die hare ziel bestormden. Ze was dankbaar voor zijn medelijden, want als zoodanig beschouwde zij het, maar ze mocht hem niet misleiden, daar ze onmogelijk gevoelens kon veinzen, die ze te zijnen opzichte niet bezat en die toch eene eerste voorwaarde waren voor een bevestigend antwoord op zijne vragen. Eigenlijk wist ze achterna zelve niet goed meer, wat ze op dat oogenblik gezegd had. Ze herinnerde zich later alleen, dat de kapitein opgestaan was en eenige onsamenhangende klanken had uitgestameld, die te kennen moesten geven, dat ze het niet zoo zwaar moest opnemen en dat hij haar tijd gaf, om zich te bedenken. Hij bleef altijd dezelfde; als

ocr page 60

52

ze eene beslissing klaar had, kon ze hem die later nog geven; maar ze moest zich vooral goed bedenken, er was geen oogenblikkelijke haast bij.

Marie deed dien ganschen nacht geen oog dicht; ze schreide veel en haalde zich allerlei gedachten door het hoofd: haar ziekelijke moeder, het onverzorgde gezin, de duistere toekomst. Soms had ze een oogenblik, waarin de oude, gemoedelijke zeerob met zijn braaf karakter, voor wien ze inderdaad altijd sympathie had gevoeld, haar nader stond, dan ze zelve ooit gedacht had, en enkele malen kwam ze zelfs zoover, dat ze het allervreemdste denkbeeld van eenmaal de vrouw te worden van den man, voor wien ze op zijn hoogst iets als eene dochter had meenen te kunnen voelen, niet zoo heel ver van zich afwierp. Maar dan kwam telkens eene oude, geliefde gedaante uit vroeger dagen hare gedachten weer storen en onophoudelijk had ze het gelaat van Dolf voor zich, die haar, helaas, hoogstwaarschijnlijk bij zijn leven vergeten had, maar die nu ook reeds geruimen tijd in verre, onbekende landen den eeuwigen slaap sliep. Arme jongen!.......

Toen de doktersweduwe van de zaak hoorde, was ze ten hoogste verontwaardigd. Niet op den ouden kapitein, maar op hare dochter. Hoe kon Marie nu zoo onvoorzichtig zijn, dat aanzoek van de hand te wijzen! Kapitein Mac Cleagh was zeker niet jong meer en niet mooi ook; maar de man had een prachtig bestaan en vrij wat geld bespaard; bovendien was het een braaf, rechtschapen mensch, wel wat zonderling in zijne manieren en taal, maar wat kwam dat er ook eigenlijk op aan. Het hart was alles en dat zat bij hem op de rechte plaats. Last not least — de op eens spraakzaam geworden

ocr page 61

53

weduwe, die zich aan iederen stroohalm vastklemde, zei dit met andere woorden, maar 't kwam toch op 't zelfde neer — last not least moest Marie volstrekt niet vergeten, dat de omstandigheden, waarin zij verkeerden, van dien aard waren, dat iedere uitvlucht welkom was en het meisje behoefde niet te denken, dat zij in hare positie ooit eene andere en eene betere partij zou kunnen doen. Dat dacht het arme meisje ook volstrekt niet en ze maakte zich op dat punt, dat haar tamelijk onverschillig liet, volstrekt geene illusies. Maar moeder hield niet op en praatte voortaan, als ze met haar dochter alleen was, nergens anders meer over. Ja, ze kon zich niet weerhouden op zekeren dag den kapitein te laten merken, dat ze iets van de zaak wist en dat ze lang niet vijandig gezind was tegen zijne huwelijksplannen. Dat gaf den ouden zeeman moed, om bij eene voorkomende gelegenheid het punt nog eens aan te roeren, waarop hij van Marie een half-ontwijkend antwoord ontving, dat evenwel minder stellig ontkennend was dan het eerste. En zoo gebeurde het, dat na verloop van een paar maanden, nog voor „Duifjequot; in zee stak, de geheele stad wist, dat kapitein Mac-Cleagh in 't huwelijk zou treden met de oudste dochter van de dokters weduwe. Praatjes liepen er als altijd bij zulke gelegenheden genoeg; maar ieder begreep, dat het jonge meisje zich opgeofferd had voor de arme huishouding, wat de een een zeer afkeurenswaardige daad vond, terwijl de ander ze hemelhoog verhief. In ieder geval is het zeker, dat Marie zich inderdaad had opgeofferd. Haar gansche leven had ze voor anderen geleefd en zich zelve verzaakt; waarom zou ze het ook nu niet doen ? Dat was telkens de slotsom geweest van hare redeneeringen en op grond van die slotsom had ze eindelijk als iemand, die zich hals over

ocr page 62

64

kop in 't water stort, zonder er bij na te denken, toegestemd.

Men zou moeilijk kunnen zeggen, of haar huwelijk gelukkig of ongelukkig was. Want reeds weinige weken, nadat de bruiloft in alle stilte was gevierd, moest kapitein Mac Cleagh zijne reis naar Soerabaija aanvaarden, eene reis, waarvan hij niet terugkeerde. De laatste berichten, die men van hem en zijn schip kreeg, waren van Sint-Helena. Daarna hoorde men niet meer van „Dui^equot;. Ze was zonder twijfel met man en muis vergaan Marie nam den rouw aan en leefde — ze kon nu onbezorgd zijn met betrekking tot de materieele zijde van het leven voortaan geheel voor hare familie, die haar zegende en met liefde overlaadde. Zoo verliepen er een paar jaren. Toen had er plotseling eene gebeurtenis plaats, die een geweldigen keer in den stand van zaken te weeg bracht en die het gansche stadje voor verscheidene weken van stof tot conversatie voorzag.

't quot;Was op een somberen Zondagmorgen in de maand November. Marie stond juist klaar, om naar de voormiddag-kerk te gaan, toen er plotseling hevig gebeld werd. De meid, die opendeed, kwam ontsteld weerom, gevolgd door den jongsten broer van Dolf, die zoo bleek was als een doode en die een half geopenden brief in de hand hield. Marie begreep onmiddellijk, wat er gaande was. Ze kreeg een gevoel, alsof al haar bloed plotseling bleef stil staan: alles draaide voor hare oogen, en voor ze nog den tijd had gehad de leuning van een nabijzijnden stoel te gnjpen , zonk ze plotseling ineen. Met veel moeite bracht men haar weer bij: de onverwachte tijding had haar gansche gestel diep geschokt. Ze had op het gezicht van den brief en van het hevig ontstelde voorkomen van den

ocr page 63

55

brenger als bij instinct geraden, quot;dat er tijding moest zijn van Dolf en dat hij dus nog leefde. Zonderling: eene geheime stem in haar binnenste had haar altijd in slape-looze nachten toegefluisterd, dat het nog eenmaal zóó komen kon en ze herinnerde zich steeds met smart, hoe op haren trouwdag het jawoord haar half in de keel was blijven steken en hoe een beangstigend gevoel van berouw haar overvallen had, toen ze voor altijd verbonden was aan de man, wiens naam ze thans droeg. 'tWas haar geweest, alsof Dolf nog eenmaal rekenschap zou komen vragen van hare trouweloosheid, zooals zij het in dat oogenblik met zelfverwijt had genoemd. Al die dingen waren haar ook nu weer plotseling in de gedachten gekomen, toen zij zoo opeens de zekerheid had gekregen, dat Dolf nog in leven was.

Allerlei gevoelens bestormden hare ziel. Moest ze zich verheugen over de terugkomst van den vriend harer jonge jaren? Moest ze er zich over bedroeven? Was hij dezelfde gebleven van vroeger! Ze had met den ganschen inhoud van den brief nog geen kennis gemaakt, anders had ze zich daarvan kunnen overtuigen; maar men had het met het oog op den geweldigen schok, dien haar gestel geleden had, voorloopig niet geraden geoordeeld, alles te zeggen. Zoo lag ze dan — want ze moest geruimen tijd het bed houden — te tobben en te peinzen, en wanneer eene vroolijke gedachte hare sombere stemming voor een oogenblik kwam verdrijven en haar nog demogelijkheid op eene schoone, blijde toekomst voorspiegelde, plaatste zich telkens voor het beeld van den uit den dood verrezen vriend, dien haar hart, als het gedurfd had, nog steeds met een veel teederder naam had willen noemen, de sombere figuur van den ouden man, wien zij trouw

ocr page 64

56

had beloofd en liefde en toewijding en die..... ja, was

hij inderdaad in de golven omgekomen?.....

Het graf gaf immers zijne offers terug; eerst haren beminden vriend, wiens vermeende dood alle idealen van

hare jonge jaren in puin had doen storten en dan wellicht.....

maar neen, daar mocht ze niet aan denken. Zoo martelde de arme vrouw zich af met pijnlijke gedachten en haar gemoed kwam eerst tot eenige kalmte, toen de gevaarlijke koorts, die haar verscheidene weken aan het ziekbed gekluisterd had, geweken was.....

De brief van Dolf was aan zijne ouders gericht en kwam uit Nieuw- York. Hij behelsde een omstandig verhaal van zijne lotgevallen, die meer van eenen roman hadden dan van de prozaische werkelijkheid. Van Nieuw-Orleans was hij naar 't goudland vertrokken, had daar te midden van eene ruwe omgeving allerlei ellenden verduurd, was eenmaal zelfs in een gevecht, waarbij hij de rol van bemiddelaar had willen vervullen, door een messteek zeer gevaarlijk gewond en voor dood weggedragen, maar had bij slot van rekening aan alle wederwaardigheden zegevierend het hoofd geboden en kwam nu met al de schatten, die hij als gouddelver met moeite nog aan de begeerigheid van allerlei roofvogels had weten te onttrekken, naar 't lieve Vaderland, om allen, die hem dierbaar waren, zoo mogelijk nog gelukig te maken.

Dat alles vernam Marie eerst later, toen ze weer geheel hersteld was en toen Dolf reeds in zijne geboortestad was

teruggekeerd.....

Deze laatste was bitter teleurgesteld geweest, toen hij vernomen had, hoe de zaken stonden. In zijne vlagen van jaloezie had hij zich ten opzichte van Marie uitdrukkingen veroorloofd, die zij gelukkig nooit te weten kwam, want

ocr page 65

57

ze werden in den kring zijner familie geuit, maar ook onmiddellijk door hem teruggenomen. Eigenlijk wist hij niet, wat hij zei; de wanhoop sprak eenvoudig door zijn mond. quot;Wanneer hij bezadigd nadacht, begreep hij zeer goed, dat het niet anders had kunnen zijn en dat Marie volstrekt geen schuld had aan den loop der omstandigheden. Marie zelf was uitwendig kalm geweest, zeer kalm bij de eerste ontmoeting, die niet plaats had gehad, voor ze weer krachten genoeg verzameld had, om de aandoeningen, die er het natuurlijk gevolg van moesten zijn, te kunnen doorstaan. Ze had met opzet haar weduwen-kleed, dat ze oorspronkelijk van zins geweest was, spoediger af te leggen, aangehouden, om zich er van te bedienen als een soort van schild tegen alle mogelijke zwakheid. En ze was sterk geweest, ze had zich goed

gehouden, al had het moeite gekost.....

Langzamerhand had, zooals het altijd gaat in deze wereld zelfs na de hevigste stormen, alles zijn gewonen loop hernomen. De eerste en hevigste aandoeningen waren langzamerhand bedaard. Dolf had eene industrieele onderneming op het touw gezet, die in den beginne al zijne krachten en gedachten in beslag nam. Marie had haar troost gezocht in weldoen, offerde zich voortdurend op voor anderen, zooals ze dat van hare vroege jeugd gewoon was geweest. Zoo verliepen er wederom een paar jaren. De dood van den ouden zeeman was thans voor ieder zoo zeer eene uitgemaakte zaak, dat Marie met het oog op de noodzakelijkste gevolgen aan een sterfgeval verbonden, met een gerust gemoed de noodige stappen deed, waardoor ook voor de mannen der wet kapitein Mac Cleagh

niet langer tot de levenden behoorde.....Zoolang had

Dolf gewacht. Maar toen ook meende hij aan alle vor-

ocr page 66

58

men voldaan te hebben en kwam hij op zekeren dag openlijk bij Marie met een voorstel, dat hem nooit uit de gedachten was geweest en van welks aanneming hij zijn verder levensgeluk afhankelijk stelde. Marie had verwacht, dat het zoover komen zou: dat verheelde''ze zich zeiven en ook haren vriend volstrekt niet. Ze nam dien loop der omstandigheden aan als eene beschikking van het lot, maar — ze hield dit evenwel in het diepst van haar hart verborgen — ze gevoelde zich niet zoo gelukkig, als ze somtijds wel gemeend had, dat ze bij zulk eene wending van het noodlot zou hebben kunnen zijn. Er was iets, dat voortdurend aan hare zielsrust knaagde; zij had haar vertrouwen op de toekomst geheel verloren. Hoe kon het ook anders zijn na al de gebeurtenissen, die in een tiental jaren haar leven beroerd, hare schoonste droomen weggevaagd hadden als nevel en rook !....

Dolf en Marie zouden in alle stilte hun huwelijk vieren. Alleen de naaste bloedverwanten waren op eene eenvoudige, huiselijke feestelijkheid genoodigd. De geboden waren reeds afgekondigd en alles was voor de plechtigheid in gereedheid gebracht. Op eens echter wierp eene vreeselijke gebeurtenis opnieuw alle plannen der ongelukkige verloofden, die nu het einde hunner beproevingen meenden bereikt te hebben, in duigen.....

Op den morgen vóór het huwelijk kwam Beets, de kastelein van den Gouden Posthoorn, toenmaals het voornaamste hotel van de stad, dat juist eenigen tijd te voren in handen van dezen nieuwen eigenaar was gekomen, doodelijk ontsteld op het bureau van politie, om te vertellen, wat er dien nacht in zijn huis was voorgevallen. Den vorigen avond namelijk was uit de diligence van zeven uur onder meer reizigers een oud heer aan zijn

ocr page 67
ocr page 68
ocr page 69

59

hotel afgestapt, een man van een stevige zestig jaar met sneeuwwit haar, een langen ruigen baard en verweerde gelaatstrekken. De vreemdeling had zich dadelijk op zijne kamer teruggetrokken en een avondmaal besteld met eene flesch ouden wijn. De kastelein had hem het gevraagde zelf gebracht en een gesprek aangeknoopt met den gast, dien hij moeielijk had kunnen verstaan, omdat hij slechts gebroken Hollandsch sprak. De vreemde heer had nauwkeurig geïnformeerd naar vele bijzonderheden uit het stadje en daarbij getoond, dat 'hij goed op de hoogte was was met de voornaamste familiën, die er woonden. G-e-durende het gansche gesprek had de hotelhouder niets bijzonders gemerkt; alleen was de oude heer bijzonder aangedaan geweest, toen hij vernomen had, dat de weduwe Mac Cleagh den volgenden dag in 'thuwelijk zou treden en de omstandigheden verteld waren, waaronder dat huwelijk tot stand was gekomen. Daarna was de kastelein vertrokken, zonder verder in 't bijzonder aan zijnen logé te denken, 's Morgens evenwel had men den ouden heer dood in zijn bed gevonden. Op het nachttafeltje stond een leeg wijnglas met een weinig wit poeder op den bodem en daarnaast lag een brief, waaruit blijken kon, dat de man zich zeiven te kort had gedaan, meer

ook niet........De goede hotelhouder was geheel van

streek en niet het minst, omdat hij vreesde, dat deze droevige gebeurtenis zijn logement in een kwaden naam zou brengen. Daarom was hij onmiddellijk naar het bureau van politie gesneld, om de zaak omstandig te vertellen ....

Men begrijpt, wie die vreemdeling was, die op zulk eene noodlottige wijze om het leven was gekomen. De ware toedracht der zaak bleef echter voor ieder een geheim....

Het huwelijk van Dolf en Marie ging niet door. Marie

ocr page 70

60

was bij het hooren van de gebeurtenis als versteend ; ze verroerde zich niet, ze liet geen enkelen traan. Maar weken aaneen bewoog ze zich als een wezenloos beeld werktuigelijk door de kamers van haar huis, zonder een woord te spreken, zonder eene klacht te uiten. Zeer langzaam herstelde ze van dezen schok, die haar verstand aanvankelijk met volkomen verbijstering had bedreigd. Alle voorstellen van Dolf wees ze verder van de hand. Niemand kon haar besluit te dezen opzichte aan het wankelen brengen. Ze was en bleef weduwe en nooit legde ze hare rouwkleederen weer af.. . .

Ziedaar de zonderlinge, droevige geschiedenis van tante Mac Cleagh. Of alle bijzonderheden volkomen nauwkeurig zijn, zou ik niet meer durven beweren; maar de hoofdzaken zijn juist en waar gebeurd, hoe vreemdsoortig ze ook mogen schijnen.

Het verwondert zeker niemand meer, dat tante Mac Cleagh boos op mij werd, toen ik haar in mijne kinderlijke onschuld eene onbescheiden vraag deed omtrent de beide portretten, die hare gansche lijdensgeschiedenis vertegenwoordigden.

Ze is reeds lang overleden; maar nog altijd moet ik met eerbied en bewondering aan haar denken, vooral sinds sommige dingen mij bekend geworden zijn, waarvan mijne kinderlijke onnoozelheid niet het minste begrip had.

Zij ruste in vrede: dat heeft ze dubbel verdiend!

ocr page 71

DE TRAP DES OUDERDOMS.

ocr page 72
ocr page 73

De Trap des Ouderdoms.

i.

OP KOMST.

We hadden in onze jeugd eene prent, die aan ons kinderlijk verstand allerlei dingen te denken gaf. We hadden wel meer prenten; maar deze droeg altijd in den hoogsten graad onze bewondering weg. Niet dat ze bijzonder door hare aesthetische waarde uitblonk: ik geloof, dat er in den ouden tijd niet veel prenten waren, die zich tot zulk eene hoogte wisten te verheffen. Groene, gele, blauwe vlekken, op goed geluk over de pantalons, jassen en aangezichten van „Jan den Wasscher,quot; „Tyl Uilenspiege 1quot;, „Joris Propquot;heengeworpen, boden eene mengeling aan van kleuren, zooals men die overal elders dan op het palet van een schilder tevergeefs zal zoeken. Dit alles nam evenwel niet weg, dat onze kinderlijke blikken met gretigheid de dwaze en ernstige voorstellingen verslonden, die ze ons te aanschouwen gaven. Zooals ik zei: één van die prenten

ocr page 74

64

droeg altijd in de lioogsten graad onze bewondering weg. Ze stelde een trap voor, de „Trap des Ouderdoms,quot; zooals met dikke letters boven het dichterlijk bijschrift te lezen stond. Een heuschelijke trap, die de gansche prent van onder tot boven innam, met dien verstande, dat er links vijf treden naar boven liepen, terwijl rechts vijf andere naar beneden voerden. Op iedere trede van de trap stond een mensch, natuurlijk op verschillende, geheel willekeurige plekken uitgemonsterd met vlekken roode, gele of blauwe verf. Links beneden lag een zuigeling in eene roode wieg met een blauwe streep over den buik uit een gelen mond wanhopige kreten uit te stooten. Op de eerste trede stond een hoopvol jongmensch van tien jaar met een groen boek onder den blauwen arm, die bij ongeluk met zijne gele broek in aanraking gekomen was, op een kindertrompet te blazen. De tweede trede stelde een twintigjarig jonkman voor met een dito jonkvrouw aan den arm. Ik geloof, dat het paar een beetje aan 't vrijen was, wat we evenwel in onze jeugdige onschuld nog niet recht begrepen. Zoo ging het steeds verder tot boven op den vijfden trap, waar een allerernstigst, gebaard man met allerernstigste blikken philosophische probleemen stond op te lossen, naar ik gis, want hij had de armen over elkaar geslagen en wees met den wijsvinger naar zijn voorhoofd, wat trouwens ook kon beteekenen, dat hij nu al op 't bovenste trapje stond en er nog geen zier van begreep.

Vervolgens daalde men langs de rechterzijde van de trap over verschillende soorten van grijsaards: zestigjarige, zeventigjarige, tachtigjarige en negentigjarige, die hoe langer hoe meer rimpels kregen en hoe langer hoe krommer liepen, terwijl de laatste allergebrekkigst

ocr page 75

65

op een krukje steunde, neder op den began en grond, waar als pendant van de roode wieg eene blauwe doodkist lag met een akelig grijnzend geel doodshoofd er op en een hoop aarde, waarin een schop stond, er naast. Dat was natuurlijk het einde; want met het hoopje aarde en de schop houdt alles op. Wij kinderen waren wel al zoo wijs, dat we dat wisten. Nu is een mensch een aller-interessantst creatuur en zijn leven, waar men het ook „pakt,quot; volgens G- o e t h e zoo belangwekkend, dat ik me verstout eenige „grepenquot; daarin te doen en mij daarbij wil laten leiden door de „Trap des Ouderdoms,quot; die als eene blijde herinnering uit mijne jeugd met hare groene en blauwe en gele vlekken me nog zoo levendig voor den geest staat.

Maar ik begin niet met de wieg; ik wensch nog een trapje lager af te dalen tot beneden den rand van de prent, tot in het „ijdele nietquot;, waaruit de mensch voortkomt en waarin hij na de andere helling te zijn afgedaald, weer verzinkt; want ook onder de doodkist en onder het hoopje aarde ligt beneden den rand van de prent een afgrond, in welks duisternis we alleen een groot vraagteeken vermogen te onderscheiden.......

Een menschenkind — zelfs een menschenkind van de ordinairste soort. — heeft dit eigenaardige, dat hij de wereld al in rep en roer brengt, voor hij er is. Ja, er is menig wereldburger, die vóór zijne geboorte meer drukte in dit ondermaansche heeft te weeg gebracht, dan hij na dien tijd ooit in staat geweest is te rechtvaardigen. Dat kan zoo'n ongelukkige wereldburger evenwel maar half helpen; want hij heeft in de eerste plaats nooit verlangd, dat er drukte om hem gemaakt zou worden en in de tweede plaats nooit vooruit beloofd, dat hij aan alle

5

ocr page 76

stoute verwachtingen, die omtrent hem gekoesterd worden, zou wenschen te beantwoorden.

Men heeft hem nu eenmaal op het woelige wereld-tooneel geplaatst en hij beweert, dat het zijne schuld niet is, als de coulisses scheef staan of de voetlichten een valsch licht verspreiden. Wat overigens die stoute verwachtingen betreft, ze zijn buiten hem om gevormd. In de eerste plaats door zijn eerwaardigen vader.

Ik noem den man eerwaardig. Want zelfs de meest baardelooze, de meest piepjonge papa i n s p e voelt zich de borst „van weelde zwellen,quot; voelt zich een der gewichtigste factoren in de maatschappij, wanneer hij op de sociëteit door zijne vrienden geplaagd kan worden met vuurmand en wieg. Zijn blik boort door de nevelen, die den horizon omhullen; zijne gedachten vliegen de toekomst vooruit en hij uivomt zich, terwijl de nationale militie en de schutterswet hem nog in hare klauwen hebben, reeds een welgevulden armstoel met mollige kussens en een troepje spelende kinderen aan zijne voeten .... Stoute verwachtingen!. . . In de tweede plaats van zijne... dwepende mama. Ik had haast in den sleur weg weer „eerwaardigequot; geschreven. Maar eene moeder is niet eerwaardig, niet althans in dien zin, waarin wij heeren der schepping dat woord misbruiken. Ons begrip van „eerwaardigquot; veronderstelt een afstand, hoe gering dan ook. Een papa is een wezen, dat altijd eenigszins „poseertquot; en dat zich zeiven het liefst voorstelt als gevat in eene breede gouden lijst met de hand deftig tusschen de tweede en de derde knoop van zijn jas, aangegaapt met stil ontzag door al zijne onderdaantjes en.... door zijne teerbeminde wederhelft. Eene mama daarentegen is een engel, die boterhammen smeert en vertelsels ver-

ocr page 77

telt; die broeken lapt en kinderharten verstelt; die lacht zonder vrees voor haar decorum en die weent, zonder bang te zijn, dat ze voor kinderachtig zal versleten worden; die geene aanbidding vordert en ze toch afdwingt

en die niemand in de wereld vergeet behalve zich zelve.......

Dat ze stoute verwachtingen koestert, wie zal het haar ten kwade duiden ? Zoo iemand, dan heeft z ij het recht er toe. En dat ze zich, lang vóór het voorworp dier verwachtingen zijne intrede doet in de maatschappij, bezighoudt met het toilet, waarin de nieuwe acteur op het wereldtooneel zal debuteeren, wie zal het wraken, die weet, dat van het costuum en de grimeering zoo

oneindig veel afhangt voor 't welslagen der rol?.....

Een menschenkind, dat zijne intrede in dit onder-maansche wenscht te doen, heeft bij tal van andere bijzonderheden ook deze eigenaardigheid, dat het nooit vooruit de complimenten stuurt en laat weten, dat het van plan is bij zijn omwandeling op aarde een pantalon of eene crinoline met strooken te dragen. Vandaar de grootst mogelijke perplexie bij alle mogelijke mama's, die wereldburgers wachtende zijn. Evenals ieder rechtgeaard Fransch-man zich afvraagt: „Republiek of Monarchie,quot; — zoo tobt elke rechtgeaarde mama zich af met de quaestie: „slaapmuts met pluim,quot; of „mutsje met lintjes en strikjes?quot;.....

Behalve papa en mama zijn er nog andere autoriteiten, die het levendigst belangstellen in den mensch op komst. Vooreerst zijne toekomstige broers en zusjes. La Fontaine heeft gezegd:„Cet age est sans pitié.quot; — Ik zou er van willen maken: „de kinderlijke leeftijd is zonder achterdocht.quot; quot;Want terwijl ieder mensch van eenige ervaring — de ervaring is, helaas, eene egoïstische leermeesteres — het spreekwoord kent van de vele var-

ocr page 78

68

kens en van de dunne spoeling, huldigt de onervaren jeugd — gelukkig, niet waar ? — het spreekwoord: „hoe meer zielen, hoe grooter vreugd.quot; Bovendien brengt ieder broertje en ieder zusje beschuiten mee met muisjes en lekkere taarten. Ook „bakersquot; — 't is waar — maar ze zinken in 't niet bij dat andere.

Groote verwachtingen ook worden gekoesterd door eventuëele tantes. Grootmoeders zijn in enkele opzichten reeds te pessimistisch, om nog veel van de toekomst te verwachten; maar tantes, vooral ongetrouwde tantes, die nog niet boven de jaren zijn!... Praat me er niet van: reeds weken voor de verschijning van 't neefje — tantes dwepen met „neefjesquot; — zouden ze er op zweren dat het sprekend op zijn papa zal gelijken en ze voorspellen het jeugdige ongeboren-iets reeds het bezit van alle deugden en alle voortreffelijkheden, die zijn senior versieren.

Behalve tantes beneden den middelbaren leeftijd, die dwepen met neefjes, zijn er ook ooms, die verzot zijn op nichtjes. Zulke ooms behooren allen tot één type: ze hebben precies zooveel haar op 't hoofd, als noodig is, om zonder volslagen pruik door de wereld te kunnen wandelen, bezitten een gouden bril en een gestucadoorden hals en kondigen hunne komst aan door met een dikken rotting met gedraaiden ivoren knop op de straatsteenen te tikken. In den achterzak van hunnen rok verbergen ze altijd een papier met ulevellen en in hunne brandkast een testament, waarbij ze al hun goed aan de diaconie of 't burgerweeshuis vermaken. In den regel zijn zij bijzonder gesteld op de eer, om „benoemdquot; te worden, en ieder verstandig huisvader overlegt dan ook met zijne wederhelft, dat onmiddellijk na grootvader en grootmoeder de

ocr page 79

09

beurt aan oom Janus zal komen, — eene wanhopige poging, tuaschen twee haakjes, om met diaconie of burgerweeshuis te concurreeren en die in den regel aanleiding geeft tot droevige teleurstellingen.........

Nomen est omen.... Ziedaar waarom reeds vóór 's menschen komst op aarde de naam, waaronder hij dit tranendal zal doorwandelen, aan zijne zorgzame ouders vrij wat hoofdbreken verschaft. quot;Want ook het fatsoen speelt in de negentiende eeuw eene zeer belangrijke rol en het krijgt den mensch al te pakken, vóór hij nog zijnen aardschen tabernakel heeft aangeschoten. Veronderstel, uwe moeder heeft Pietje geheeten: er zijn inderdaad nog ouderwetsche moeders, die P i e t j e heeten.......

Zal het u, jeugdige mama, doortrokken van den modernen tijdgeest, geen moeite kosten, aan uwe dierbare dochter eenen naam te geven, waarmede ge haar later aan geen welopgevoed jongmensch zult kunnen voorstellen, zonder hem den neus te zien ophalen? Niet waar, ge gaat aan 't verknippen en fatsoeneeren? Pietje is eene verkorting van Petronella, waarvan Ne 11 a de staart is, die, na behoorlijk geangliseerd te zijn, Nelly oplevert, een naam, zoo poëtisch, zoo romantisch, dat alle jongelui reeds in aanbidding verzonken liggen voor de bekoorlijke draagster er van, voor ze nog hare intrede in de wereld gedaan heeft. Ik bedoel ditmaal natuurlijk hare tweede intrede. Want terwijl de jongen dadelijk brutaal weg op de planken van 't wereldtooneel verschijnt, om ze niet weer te verlaten, verdwijnt het meisje voor een tijdlang weer bescheiden achter de coulisses, om op achttienjarigen leeftijd aan de hand van mama voor de tweede maal te debu-

teeren....... Dit evenwel in 't voorbijgaan..... Ik

wilde maar zeggen, dat het met een Fransche dictionnaire

ocr page 80

70

in de hand weinig of geen moeite kost, van eene achttiende-eeuwsche Jannetje eene moderne Jeannette, van eene ouderwetsche Hendrikj e eenenegentiende-eeuw-

sche J e t te maken!......

Een mensch op komst, die broertjes of zusjes heeft, brengt tal van jeugdige hersenen en gemoederen in de grootst mogelijke verwarring en stelt aan de wetenschap der kinderlijke wereld probleemen, die zij niet vermag op te lossen. Verschillende hypothesen en philosophische stelsels zijn daarom in den loop der eeuwen door diepzinnige denkers uitgevonden, om het gewichtige vraagstuk over de afkomst des menschen op te lossen, en gelijk de heusche wereld hare theorie van Darwin bezit, zoo mag de kinderwereld zich verheugen in de hypothese van den boer en de kool. Hoe menigmaal hebben we in de dagen onzer heilige onnoozelheid met nieuwsgierige blikken een akker met roode en witte kooien gadegeslagen, om te zien, of ook bij toeval een blozend kinderkopje tusschen de ruige blaren doorgluurde, en ik herinner me altijd nog met aandoening, hoe ik den langen knecht van onzen melkboer, die op klompen tusschen de bloemkool doorliep, eens den raad gegeven heb, toch vooral voorzichtig te zijn en geen broertjes of zusjes dood te trappen. Helaas, de man begreep me niet en dacht, dat ik van kikkers sprak! Naast de theorie van den boer en de kool telt, vooral in de noordelijke streken van ons vaderland, het stelsel van den put en den steen eene menigte aanhangers. Volgens sommigen ligt 's menschen oorsprong op den bodem van eenen diepen put en 'k heb reeds verscheidene menschen i n s p e met ronde oogjes in een regenbak of welput zien staren, om te probeeren, of ze 't beloofde broertje en zusje ook te

ocr page 81

zien konden krijgen. Volgens anderen daarentegen moefc de sleutel van het geheim onder eenen verbazenden steen liggen, die ergens op den hoek van de eene of andere straat expresselijk is opgericht, om toekomstige broers

en zusjes te verbergen.....

Dan nog heeft men de theorie van den ooievaar; maar die is zoo ontzettend diepzinnig, dat men dadelijk al merken kan, dat ze over onze oostelijke grenzen is uitgebroed, waar wel meer diepzinnige theorieën zijn voortgebracht, sommige zelfs zóó diepzinnig, dat de lui, die ze hebben uitgedacht, er nog minder van begrepen dan

de overige stervelingen.....

Eene groote merkwaardigheid van den mensch is, dat hij altijd stormenderhand verschijnt: zóó is hij er niet en zóó is hij er. Daarenboven komt hij bijna immer als een dief in den nacht. Deze beide omstandigheden hebben me in mijne jeugd steeds een zonderling begrip gegeven aangaande de levenswijze der groenteboeren, die overdag in 't zweet huns aanschijns hunnen akker bebouwden — dat stond in de boekjes op school — en die 's nachts nog tijd en gelegenheid vonden, om bij alle mogelijke lui broertjes en zusjes aan huis te bezorgen : dat vertelde moeder.....In dat opzicht wint

de theorie van den ooievaar het toch van alle andere. Want wie kan een ooievaar beletten bij nacht en bij ontijd te vliegen?

In vroeger dagen, toen de menschen nog minder nuchter waren dan tegenwoordig en toen het voor boven-aardsche wezens de moeite nog waard was neer te dalen onder een menschengeslacht, dat zin en aanleg had voor poëzie, stonden er feeën bij de wieg der jeugdige wereldburgers, die hare wenschen en zegeningen over hen uit-

ocr page 82

72

stortten. De feeën der negentiende eeuw hebben neepjesmutsen op, dragen gebloemde paarse jurken, hebben zilveren ringen aan de vette vingers, vertoonen in plaats van aetherische lichamen logge, schommelende aardsche omhulsels en dragen op de daarvoor bestemde localiteit rudimenten van heusche knevels en baarden. Men noemt ze b a k e r s. De negentiende eeuw is nu eenmaal niet poëtischer....

Ik zou de baker niet genoemd hebben, wanneer ze niet reeds voor 's menschen verschijning op aarde zijne toekomstige wieg omwaggelde. De traditie had hier het woord „omzweefdequot; gevorderd; maar de termen der hoogere dichtkunst dienen zich naar de tijdsomstandigheden te wijzigen.

Lang voor het gewichtige oogenblik daar is, hebben er heimelijke consulten plaats gehad met de schommelachtige vrouwelijke figuur van middelbaren, vaker nog van rijperen leeftijd, die inderdaad bestemd is, eene hoogst gewichtige rol in 't scheppingsverhaal te vervullen. Zij is alwetend; zij kent aandoenlijke verhalen van kinderen met hazemonden en varkenssnuiten; zij heeft tal van ervaringen, op 't gebied van moedervlekken en scheelziende oogen, ervaringen die nooit nalaten eenen diepen indruk te maken vooral op zeer jeugdige moeders en die haar nopen tot de grootst mogelijke voorzichtigheid: in één woord, de baker omringt den mensch beneden de eerste trede van den Trap des Ouderdoms T-eeds zoo zeer met hare attenties en onbaatzuchtige zorgen, dat iedere schets van dezen aard onvolledig zou zijn, wanneer ze niet met hare waardeering sloot....

En nu, de régisseurs hebben allen hun plicht gedaan: het tooneel is volmaakt in orde, 't publiek wacht, de acteurs staan klaar. Het gordijn gaat op.

ocr page 83

7R

n.

DE MENSCH DEBUTEERT.

De jonge burger heeft zijne intrede in de wereld gedaan. Hij heeft haar begroet met een kreet van......

ja, 't is moeilijk uit te maken, wat er in de ziel van een nieuweling op din wereldrond omgaat en ik wil maar het liefst gelooven, dat er in 't geheel niets in omgaat en dat het schreien eenvoudig een preludium is geweest voor al de klaagliederen, die dezelfde keel onder verschillende omstandigheden des levens genoodzaakt zal zijn aan te heffen; eene vooroefening, zou de gymnastiekmeester zeggen, meer niet. Dit begin kon een beetje optimistischer gekleurd zijn. Maar 't optimisme van een mensch neemt met de jaren af, en tegen dat hij op rijperen leeftijd éénmaal zijne longen gebruiken kan om te lachen, moet hij ze tienmaal uitzetten om te schreien, wat wel niet bijzonder vroolijk is, maar volkomen waar. Daarom, o lieve kinderen, zou de oude Vader Jacob of een dergelijke voorwereldlijke zedenmeester zeggen, gebruik uwe jeugd wel; maak thema's, maar niet te veel; leer lessen van buiten en formules, maar met mate. Verslijt daarentegen een onnoemelijk aantal pantalons met knikkeren, wees op uw tijd balddadig met beleid en ondeugend zonder voorbedachten rade en vooral lach, zooveel ge kunt: uw scha haalt ge later nooit weer in.....

Ik geloof niet, dat het onnoozele klompje mensch, dat daar onder de dekens in zijn wieg ligt te dommelen, zich nog afgeeft met philosophische bespiegelingen en daarom zullen we ze hem sparen. Voorloopig slaapt hij veel en soest hij zelfs met open oogen. Sommige zuigelingen maken deze beide onhebbelijkheden zoo zeer tot eene

ocr page 84

74

gewoonte, dat ze zich die nooit weer af kunnen wennen, en men ziet „menscliquot; geworden „klompjesquot; er aan verslaafd blijven. Dit evenwel tusschen twee haakjes.

De grootste merkwaardigheid van alle jeugdige wereldburgers is, dat ze volkomen op elkaar gelijken en daarbij tevens de trekken vertoonen ieder van zijn eigen papa. Deze tegenstrijdigheid wordt opgelost, wanneer men in aanmerking neemt, dat de eerste gelijkenis slechts opgemerkt wordt door onbevooroordeelde menschenkinderen, terwijl de tweede onder de waarneming valt van gelukkige moeders en bewonderende tantes. Ook zijn baker-oogen in staat ze te onderkennen, wanneer namelijk papa, als hij voor 'teerst door de dame d'honneur der kraamkamer aan zijn zoon wordt voorgesteld, een gulle bui heeft. Anders lijkt het ventje precies op mama. Zooals ik evenwel de eer had te zeggen: de objectieve geschiedschrijver constateert, dat alle „ventjesquot; op elkaar gelijken. Een dommelig, slaapdronken bakkesje, een paar bolle wangen, waartusschen een plaatsje open gelaten is voor een neus, die er bij leven en welzijn ook wel groeien zal, en haren: ge ene, om in den signalementen-stijl te blijven. Mijn hemel, wat moet er nog aamp;n dat hulpelooze schepseltje gefatsoeneerd worden, voor hij bier kan drinken en biljarten, voor hij opstellen maakt over Cicero, voor hij zijn eerste kind bij den ambtenaar van den burgerlijken stand aangeeft. Want voor al die dingen is 't jongske daar in de wieg gelegd, en terwijl de baker met den een en voet op eene warme stoof en met de andere op 't onderstel van de wieg zoo werktuigelijk mogelijk het arme schaap gewent aan de zeeziekte, wat in 't latere leven immers te pas kan komen, zit zijn papa te mijmeren over de toekomst van zijn zoon, wiens schommelen-

ocr page 85

75

de beweging hem eerst uit den droom wekt, wanneer de eerwaardige baker, door den dut overmand, hare zware sloffen van de stoof op den vloer laat glijden .... „Baker, je hebt gewiegd!quot; .... „Och mijnheer — en de sloof veegt hare vakerige oogen uit — „maar heel eventjes!quot; .... — „'t Mag in 't geheel niet gebeuren, want A 11 e b équot; . . . .

Ach, die goede dokter A11 e b é ! Als hij geweten had, hoeveel schoonmama's en hoeveel bakers hij 't leven verbitteren zou met zijn boek, hij zou het stellig nooit geschreven hebben !

Iedere jonge papa, iedere nieuwbakken mama dweept met de zoo verstandige voorschriften van den mensch-lievenden dokter, dweept er mee en brengt ze zoo streng mogelijk in toepassing, tot groote ontzetting, tot diepe wanhoop van de vrouwelijke autoriteiten der kraamkamer bovengenoemd, die den wissen ondergang van „'t schaapquot; tegemoet zien.... Ze mogen zich gerust stellen: zoodra 't kleine ventje bij nacht zijne longen wat al te ver openzet en papa in zijnen slaap stoort, zal alle gevaar geweken zijn. Dan zal de lankmoedige vader zijn kleine dosis geduld tot het laatste korreltje verbruiken en eindelijk, als de voorraad op is, met een soort van — berustende woede (er is zulk een woede!) — het wiegetouw grijpen en zijn zoon mede helpen inwijden in de geheimen der zeeziekte.

En wanneer er maar eenmaal twee, drie, vier klompjes mensch door zijn huis rondhuppelen en nommer vijf de kraamkamer in beslag neemt, dan zal A11 e b é ergens in een vergeten hoekje van de boekenkast liggen te verschimmelen en de practijk, die 'tmet den wel willenden dokter niet altijd eens is, zal aan 't wiegekoord zitten en zal dodjes klaarmaken....

ocr page 86

76

Van dodjes gesproken: 't moet toch een oolijke snaak geweest zijn, die deze machines heeft uitgedacht, een snaak van 't vrouwelijk geslacht wel te verstaan; want evenals de Chineezen het kompas en 't buskruit hebben uitgevonden, zoo is het menschdom aan eene baker de uitvinding der dodjes verschuldigd, en 't heeft me altijd verwonderd, dat met die uitvinding niet een nieuw tijdvak van de wereldgeschiedenis aanvangt evenals met de ontdekking van A m e r i k a... Inderdaad het is een snaaksch idee, om den jeugdigen mensch, als hij pas komt kijken, den mond reeds te stoppen met een prop vol zoetigheid! Een voorproeve van al de dodjes, die hem later in den mond geduwd zullen worden, als hij wat al te schreeuwerig is uitgevallen !

Onder de publieke vermakelijkheden, waaraan een mensch gedurende de eerste weken van zijn bestaan fatsoenshalve moet deelnemen en die dan inderdaad ook te zijner eere worden ondernomen, bekleedt de groote revue eene eerste plaats. Hoofdpersonen daarbij zijn de baker, die in groot tenue de parade commandeert; de kraamvrouw, die in groot négligé den generalen staf vertegenwoordigt; de jonge spruit, die 't heele paradeerende bataljon voorstelt, en de papa, die ergens op den achtergrond, op de kleine steentjes of op een stoep, het nieuwsgierige publiek verbeeldt, dat toe mag kijken, zonder zich evenwel met iets te bemoeien. De inspecteerende hoofdofficieren zijn de tantes en de vriendinnen, die op kraamvisite komen. De bevelvoerende baker kent hare commando's glad van buiten en laat het bataljon defileeren en manoeuvreeren volgens de meest strenge regelen der kunst, zoodat er onder de inspecteerende dames maar één roep is over de flinke houding van den troep, een roep, die zich uit in tal van „o'squot; en „och'squot;, gevolgd door teedere

ocr page 87

77

verzuchtingen, waarvan de woorden „engeltjequot; en „snoepjequot;, „dodjequot; en „lievertjequot; den grondtoon aangeven:.... Met stoicijnsche onverschilligheid strijkt de bakker de kwartjes naar zich toe, waarmee ze gedecoreerd wordt, en alleen als hare vingeren de liefelijke ronding van een gladden gulden of een blinkenden rijksdaalder voelen, ontplooit zich haar welgedaan gelaat en vouwt het zich tot een suikerzoeten glimlach ....

Een niet minder belangrijk vermaak voor den jeugdigen comospoliet is de groote verzoendag, waarop hij schoon gewasschen wordt van alle zonden en onreinheden. Heeft een gewoon mensch maar éénmaal per week zijn Zaterdagavond, een buitengewoon mensch als de zuigeling viert dien gewichtigen avond precies zooveel maal in de week, als hij goedvindt. En dat hij er van geniet, getuigt het luid applaus, dat hij bij die plechtige handeling met onverzwakten moed telkens weer laat hooren.....

Maar we betreden met dit punt een gebied, dat tot de geheimen der baker behoort, en aangezien eene baker zelve tegenover de menschheid de deugd van stilzwijgendheid in de hoogste mate betracht, mag de menschheid tegenover de baker niet achterstaan in bescheidenheid en zal ze over de geheimen van hare moeielijke en eerbiedwaardige kunst verder den sluier laten vallen.

in.

UIT DE DOP.

't Kost inderdaad vrij wat moeite, om mensch te worden. Ik bedoel hier nog maar een heel gewoon mensch, die loopen kan en praten, die 't abc kan leeren en die op zijn tijd klaar is, om tot burgemeester van eene plat-

ocr page 88

78

telandsgemeente of commies bij de posterijen te promo-veeren. Eigenlijk welbeschouwd is 't in de meeste gevallen gemakkelijker een buitengewoon dan een gewoon mensch te worden. Want een Beethoven, een Goethe, een Molière ontwikkelen zich van zelf krachtens de meest natuurlijke wetten der natuur ; voor een burgemeester en een postdirecteur daarentegen zijn vrij wat invloeden van buiten noodig, en ik ken een ambtenaar van den burgerlijken stand, waaraan, behalve een vader en een moeder, zeventien meesters gewerkt hebben a zooveel gulden per uur. 't Is waar. Beethoven kon ook geen paar burgerlijk trouwen en Shakespeare kende niet alle dorpjes van Nederland van buiten.. Daarom blijf ik er bij, dat het inderdaad vrij wat moeite kost, om mensch te worden.

Ten eerste : de tanden !. .. O de tanden ! Als S c h e r r, die apostel van het pessimisme, gelijk heeft en het men-schelijk leven den prijs van het tandenkrijgen niet eens waard is, dan moet de statistiek een onnoemelijk aantal zelfmoorden aanwijzen onder zuigelingen. Want als de lui zoover heen zijn, dat ze kunnen praten en redeneeren als S c h e r r, dan zijn ze er zoo gauw niet meer bij, om met de wereld te breken, 't Is waar: ze hebben dan ook de periode van het tandenkrijgen al lang achter den rug. God weet, hoeveel beenen ringen en hoeveel altheawortel-tjes de Zurichsche hoogleeraar versleten heeft, voor hij tot zijne droevige wijsheid gekomen is .. . En dan: het loopen!

Ja, mijneheeren, het loopen! Een eend zwemt, als ze uit het ei komt, een jonge hond waggelt zoo spoedig mogelijk zijne mama achterna; maar een mensch!.... 't Is me altijd een raadsel geweest, waarom de philosophen er liefhebberij in hadden, om ellenlange verhande-

ocr page 89

79

lingen te schrijven over 's menschen voortreffelijkheid boven het dier. Hemelsche goedheid !.. . . Als een kat al aan 't huwelijk denkt, kruipt een toekomstig genie nog over den planken vloer van zijns vaders huiskamer . .. En we spraken nog niet eens van het praten! Ook dat is een waar kruis. Er zijn dan ook menschen genoeg, die 't nooit leeren en menigeen brengt het alleen zoover, dat hij op zijn tijd om zijn boterham kan vragen, meer niet. 't Ongelukkigste van de zaak is al weer, dat ieder mensch, die in 't bezit is van een mond, zich ook verbeeldt, dat hij praten kan, ofschoon menig notulenboek van gemeenteraad of kiesvereeniging afdoende zou kunnen bewijzen, dat dit inderdaad geheel bezijden de waarheid is .. . Neen, praat me er niet van: het is werkelijk een heele toer, vóór uit een klompje vleesch, dat er uitziet als een mensch, een heuschelijk mensch geworden is, en 'tmoet ons verbazen, dat er nog zooveel heuschelijke menschen op dit

wereldrond omscharrelen.....

Wat wordt een onnoozel schepsel al niet geplaagd, vóór hij in de lange broek is! Daar hebt ge in de eerste plaats de baker, die den weerloozen mensch inpakt en inwikkelt, alsof hij een stuk vrachtgoed was, dat franco per spoor verzonden moest worden. Waar zijn zijne armen, waar zijne beenen, die hij van de natuur gekregen heeft, om er mee te spartelen en te slaan en te trappen, en die meedoogenloos in boeien geslagen worden. Een verstandig paedagoog, die de zaak van den besten kant wil bekijken, zal wellicht zeggen, dat het zijn nut heeft, den armen stakker van de Wieg af voor te bereiden op alle teleurstellingen, die later in de wereld zijn deel zullen zijn en dat het dus zeer goed gezien is van eene practische baker, wanneer ze den zuigeling al aan-

ocr page 90

80

stonds inpepert, dat een mensch niet in de wereld is, om vrij met zijn armen en zijn beenen te slaan; want dat er een ding in de maatschappij bestaat, dat men het fatsoen noemt, een spook, dat zich altijd om 't hoekje van de eene of andere straat, achter de gordijnen van dezen of genen salon verbergt en dat dreigend zijnen mageren, knokigen vinger verheft, zoodra een sterveling op 't punt staat zijne armen of zijne beenen vrij uit te strekken, naar hartelust er mee te zwaaien of te spartelen. — Dat fatsoen, dat fatsoen ! Het bederft den mensch zijn klein beetje genoegen van 'teerste uur, dat hij in de wereld is, tot het laatste uur, dat hij er mag doorbrengen. Bijvoorbeeld: daar zijn mama's, die het niet fatsoenlijk vinden, aan hare jeugdige spruiten het voedsel toe te dienen, dat de natuur voor hen bestemd heeft. Eerste marteling in den vorm van eene lange, gomelastieken, bijzonder vieze buis, die den on-schuldigen kraaier tusschen de toekomstige tanden geduwd wordt, zoodra hij den mond opent. quot;Want het is nog eene van de vele dwalingen der kraamkamer, welke den jongen wereldburger onnoodige martelingen veroorzaken, dat ieder kind, dat schreeuwt, noodzakelijk honger heeft, en als eene dikke speld het schaap in zijn knieën prikt, dan is 't geneesmiddel daarvoor een gomelastieken buis in den mond !... Ten tweede : een fatsoenlijk mensch geeft zijnen even fatsoenlijken medemensch nooit de linkerhand, als hij hem begroet, 't Is dus al weer het fatsoen, dat aan 't kleine Kareltje of aan de lieve S u z e meni-gen tik op de mollige pootjes bezorgt, wanneer ze oom Jan of tante Anna het „leelijkequot; in plaats van het mooie handje geven. Och, och, en dan de kindermeid! Is er grooter kruis denkbaar voor een argeloos wicht, dat in zijne onbedrevenheid meent, dat de wereld er is,

ocr page 91

81

om er plezier in te hebben en de lucht, om er iedere vijf minuten een gat in te trappen, dan eene voortdurende opzichtster, die meent, dat kleine kinderen geboren zijn, om ze te knijpen of om in ze in de bare zon te laten verbranden, als ze niet reeds in den venijnigen noordenwind verkleumd zijn ? Bovendien de witte broeken en de schoone jurken! Wreedaardige moeders, die ze hebt uitgevonden ! Want ik vraag u. hoe kan een mensch zich amuseeren met een witte broek aan ? Evengoed, zult ge zeggen, als in een zwarten rok en een witte das. Juist even goed, en ik geloof bepaald, dat het spookachtige fatsoen boven vermeld er plezier in gehad heeft, de witte broeken uit te vinden, om den mensch reeds in zijne kindsheid te gewennen aan de zwarte rokken en gestu-cadoorde halzen, waarin hij zich op lateren leeftijd zal behooren te wringen, om zijn fatsoen op te houden.

De grootste kwellingen des geestes voor 't kuikentje, dat pas den dop ontkropen is, zijn ongetwijfeld nog de bewonderende ooms en tantes, die het veelbelovende schep seltje van tijd tot tijd komen examineeren, om het te laten opzitten en pootjes geven op commando, eene handeling, waarin ze gestijfd worden door alle mogelijke individuën uit de omgeving: door papa, die zijn jongen honderdmaal op een dag de eerste helft laat herhalen van zijnen titel, waarmee hij verbazend in zijn schik is; door mama, die niet moede wordt het onnoozele popje hare handen voor de oogen rond te draaien onder 't zingen van een bekenden kinderdeun ; door de kindermeid, die grinnikt van plêzier, als de kleuter een vies versje, dat ze ergens heeft opgedaan, in zijne onnoozelheid heelemaal zonder fout kan opzeggen ; door .... nu ja, door de heele wereld, die meent, dat een klein kind een pop is, die

6

ocr page 92

82

praten en loopen kan, kortom een zeer aardig stuk speelgoed, veel amusanter dan 't mooiste voorwerp uit den guldensbazar - - - - En zoo'n klein stuk speelgoed, zoo'n aapje, dat op commando danst, is wellicht een toekomstige BismarkofeeneaanstaandeL ouiseMiche 1.... O mensch, wat zijt ge een stumper, als ge nog op handen en voeten kruipt en geëxamineerd wordt door Ooms en Tantes.

Geëxamineerd! .... O ja, de examens, ramp in den hoogsten graad, ellende tot de zestiende macht, waarom toch zijn de examens uitgevonden en wie heeft ze in de wereld gebracht?

IV.

EXAMENS.

„Haast zal men u door strenge meesters leeren, Wat taal Demosthenes verkondde in Pallas'stad En Cicero voor 's werelds heeren,

Toen Rome nog de kroon op had.

O! dierbaar perk van drie tot zeven jaren!quot;

Men kan inderdaad zien, dat de dichter van het „Men-schelijk Levenquot; geen zoon was van de negentiende eeuw. Gunde men in zijne dagen den jeugdigen mensch nog rust van drie tot zeven jaren en gaf men hem gedurende die periode de gelegenheid zich te oefenen in alle vrije kunsten en wetenschappen, waarin moeder Natuur gratis haar onderwijs uitdeelt, in onzen zenuwachtigen tijd ko-

ocr page 93

83

men de strenge meesters al veel vroeger, en al verschijnen ze nu wel niet onmiddellijk met Grieksche en Latijnsche grammatica's onder den arm, ze verschijnen toch .... Lieve hemel, waar zou het heen, als men een toekomstig wereldburger tot zijn zevende jaar in vrijheid dresseerde ! Zou hij op zijn twaalfde rijp zijn voor hoogere burgerschool of gymnasium, op zijn achttiende voor polytechnische school of universiteit ? Onmogelijk, mijnheer ! Ziet u, onze hedendaagsche maatschappij is voortreffelijk ingericht, zoo voortreffelijk, dat alles sluit als een bus, precies als een bus. De juffrouw op de bewaarschool gaat zóó ver en stooft den aanstaanden burger klaar voor de lagere school; de meester brengt hem zóó ver en kookt hem op voor 't admissie-examen; — daar wordt hij verder gezoden en gebraden, gelardeerd en gefarceerd en wat er zoo al verder met snoeken, kippen, hazen en men-schen gebeuren kan, tot hij in staat is, een behoorlijk eindexamen af te leggen ... Als .... ja, als hij althans niet van den boom valt, vóór hij rijp is en in vaders winkel achter de toonbank, in gezelschap van kandijklontjes en Smyrna-vijgen, van patentolie en patentstijfsel, alle vierkantsverlijkingen en logarithmen, ja zelfs zijn beetje boeken-fi-ansch en boeken-engelsch glad vergeet. quot;Want de hoogere burgerschool, mijnheer, is een trechter, precies een trechter: 't eene gat is heel wijd . maar 't andere is heel nauw, en als men er 50 jongelui ingiet aan den eenen kant, dan komen er misschien 10 aan den anderen kant weer uit. Nu, alle menschen zijn ook niet geschapen, om door de steel van een trechter heen te kruipen en 't zou al wonder zijn, als er niet een stuk of wat aan de wanden bleven hangen en kleven. Een mensch, die onder de tegenwoordige omstandigheden

ocr page 94

84

niet op den gezetten tijd een of ander examen kan doormaken, is echter maar een half mensch.

O heerlijke examens ! Schoone uitvinding van den eenen of anderen Chinees van het Oosten, die door de Chineezen van het Westen tot den hoogsten graad van volkomenheid zijt gebracht!.. Mijn hemel! Wat zonden de Chineezen toch wel niet uitgevonden hebben ?

Ik herinner me altijd nog uit mijne schooljaren met een soort van piëteit, hoe ik dweepte met Laurens Koster. Dat vond ik nu eerst een echt gemoedelijk man. Wij hadden geen grootvader, die met ons naar buiten ging en die uit boombast letters sneed. Wel sneden wij zeiven letters i n boombast; maar dat was heel iets anders. En met welk een eerbied zag ik op tegen het standbeeld van dien beminnelijken grootvader, toen ik voor 't eerst op reis was en op de Haarlemsche markt stond, waar ook de beroemde Damiaatjes in den toren hingen. .. Later !... Gekheid, allemaal gekheid. Laurens Koster had het volstrekt niet gedaan; de boekdrukkunst was uit Duitschland gekomen en zelfs daar niet oorpronkelijk ; want de Chineezen.... Daar kwamen, waarachtig, voor 't eerst de nuchtere Chineezen een gat slaan in mijne jeugdige wetenschap ... En later nog een met het buskruit en nog een met het kompas.

Mijn God, hadden dan die vervelende Chineezen alles uitgevonden ? Pas op, dacht ik, straks hebben ze de knikkers en de vliegers ook nog in de wereld gebracht.

En, helaas, het was zoo ! De vliegers van de Chineezen ! Daar waren die van ons nog maar kinderspel bij ; de groote lui heten ze daar zelf op ... ! In mijne verontwaardiging gaf ik den Chineezen later ook de schuld er van, dat Willem Teil afgebroken werd en H e r m a n

ocr page 95

85

de R u ij t e r, ofschoon ik me nooit recht rekenschap kon geven, in hoeverre de arme gestaarte zonen van 't Hemel-sche Rijk er debet aan konden zijn. In ieder geval, de examens hebben ze ook uitgevonden, en daar die dingen een lagen, waterachtigen grond noodig schijnen te hebben, om goed te groeien en te gedijen, zijn ze in het „onbevlekt kleinoodquot;, dat volgens den dichter „uit wier en dras geweldquot; is en dat men in de wandeling prozaïsch weg Nederland heet, volkomen geacclimatiseerd.

Ja, wat meer zegt, ze wassen zoo flink uit de kluiten en ze woekeren zoo wePg voort, dat een mensch weldra geene enkele nieuwe phase van zijn leven meer zal kunnen intreden zonder voorafgaand examen.

quot;Waar zijn de zalige tijden gebleven, toen een geëxamineerd scheepsdokter — die tusschen twee haakjes altijd in één adem genoemd werd met eene melkgevende koe en zelfs door spotvogels daarmee wel werd verwisseld — nog de glorie uitmaakte van een Oostinje-vaarder, die met pasagiers de Kaap omzeilde. En .... nu: wie is niet geëxamineerd? Surnumerairs van de posterijen, notarissen, scheepsklerken, kiezentrekkers, heerboeren en kweekelin-gen! — quot;We zijn binnenkort zoo ver, dat ook timmermansknechts en straatvegers de degelijke bewijzen zullen moeten geven van hunne grondige bekwaamheid in 't vak hunner keuze, ja, ik zie reeds den dageraad aanbreken van den gulden dag, waarop de mensch, zoodra hij dit wereldrond betreden heeft, door baker en accoucheur op de proef gesteld zal worden, of hij de noodige vatbaarheid bezit, om binnen den kortst mogelijken tijd het zuigen op een gomelastieken buis te leeren; of hij beenen heeft, die voor 't loopen geschikt zijn en een mond voor 't praten. Wie aan de gestelde eischen niet voldoet, krijgt volgens

ocr page 96

86

den technischen term een „naëxamenquot; of „blijft zittenquot;, daar het toch moeilijk aangaat, om op Spartaansche manier den afgewezen candidaat terug te zenden, vanwaar hij gekomen is. Is hij eenmaal door 't praten en loopen heen en heeft hij een diploma verworven, dat hij vaardig is, om de bewaarschool binnen te treden, dan zal de ellende van vorenafaan beginnen. Hij zal examen moeten doen in 't Fröbelen, examen in de eerste beginselen van 't abc, tot eindelijk de lagere school hare begeerige armen naar hem uitstrekt en hem opneemt, nadat hij door behoorlijke bewijzen gestaafd heeft, dat hij voor die eer de noodige geschiktheid bezit.... En zoo zal het voortgaan: examen in 'trooken, in 't biljarten,, in 'tbier drinken, ja, ik wed, dat een jong mensch geen jongedochter het hof meer zal mogen maken, vóór hij deugdelijk en wel een examen in de galanterie zal hebben afgelegd. Nu, dat is misschien niet zoo heel kwaad; want in onze dagen droo-men de jongelui al van „vrijen en trouwenquot;, als ze nog pas in de lange broek zijn. .. . En weet ge, wat ook een zeer nuttig examen zal zijn ? Dat, hetwelk gevorderd zal worden in de paedogiek en de gezondheidsleer van alle jonggehuwden, die van plan zijn kinderen te krijgen en ze fatsoenlijk groot te brengen. quot;Want de hemel is met dronken lui en kleine kinderen, zegt het spreekwoord! — en dat moet wel waar zijn ook, indien men berekent, dat er niet zoo heel veel onders zijn, die verstand hebben van 't kinderen opvoeden en zoo heel veel kinderen, die nog tamelijk goed terecht komen.

ocr page 97

87

V.

O JEUGD !

Er bestaat een tooneelstukje, waarin slechts een persoon optreedt en waarmee, als ik me wel herinner, Mevrouw Kleine indertijd veel succes had. De gansche verdienste der voordracht bestaat in de verschillende nuances, waarmee de simpele woorden „kom hier!quot; worden uitgesproken : de moeder zegt ze tot haar kind; de minnaar tot zijne uitverkorene ; de meester tot zijn knecht en aan 't slot van 't stukje de actrice natuurlijk tot het publiek. Zoo ooit, dan geldt in dit geval het woord: „c'e s t 1 e ton qui faitla musiquequot; enik dacht er onwillekeurig aan, toen ik de twee woordjes neer schreef die boven deze causerie staan. Op hoeveel verschillende manieren zou men den toon, waarop die onnoozele woordjes worden uitgesproken, wel kunnen varieeren! Daar hebt ge vooreerst een ouden podagrist, die in zijn armstoel gedoken met de slaapmuts over de ooren, den bril op den spitsen neus en de effectennoteering naast zich op tafel, den laatsten druppel uit zijn halfje Bourgonje inschenkt. En terwijl hij zijn omzwachteld been, waarin het wreedaardig pootje zetelt, met moeite verplaatst, zijn op zijne stoep, vlak onder zijn raam een paar straatjongens bezig elkander duchtig bij de ooren te krijgen en af te rossen. Ze vloeien over van levenslust en iedere vuistslag getuigt van overmoedige kracht, iedere blauwe plek, die vergeten wordt, zoodra ze eenmaal is toegebracht, van jong leven... „O, jeugd !quot; zucht het pessimisme van onder den rand der gepluimde slaapmuts en een toon van nijd en afgunst vermengt zich met de uitdrukking van verbeten woede over eigen machteloosheid en zwakheid.....Daar hebt

ocr page 98

ge den man, die alles ondervonden, alles genoten heeft, die de wereld in haar verborgenste schuilhoeken heeft leeren kennen, die de woorden van den Apostel heeft betracht, maar slechts ten halve ; want hij heeft alle dingen onderzocht, zonder evenwel het goede te behouden. quot;Wat een wanhoop, wat een berouw spreekt er uit de beide woorden, als ze ontsnappen aan zijnen boezem, die een kerkhof gelijkt, waarin alle idealen, alle nobele aspiraties

begraven zijn.....Er is een mooi vers van F rancois

C o p p e é, waarin hij spreekt van eene heilige kapel, die ontwijd is, doordien een priester zich daarin heeft opgehangen, en die thans voor altijd voor de geloovigen is gesloten. Geen kruis meer op 't altaar, geen brandende kaarsen meer! Onder de eenzame kruisbogen huilt de wind en een zwerm dorre bladeren zwerft, door iedere vlaag opgezweept, over de kille zerken. Zijn gemoed is die doodsche kapel, dat ontwijde heiligdom , waarin zich een priester heeft verhangen en waarin de herfstwind mee-doogenloos de verdorde bladeren rondzweept!. . . De twijfel, die eenmaal zijn trots uitmaakte en die zijne idealen meedoogenloos heeft afgebroken, straft zich zelf...

„O jeugd, o jeugd!quot; klaagt de bedroefde moeder op een toon, waaruit naast de hevigste smart toch nog altijd de innigste liefde spreekt, wanneer ze denkt aan haren „Verloren Zoonquot;, die in het vuur zijner hartstochten, op den leeftijd, waarin alle snaren van het menschelijk instrument het diepst, het krachtigst trillen, zich in den maalstroom der wereld heeft gestort en daarin ronddraait, alles vergetende, alles verloochenende tot zelfs zijne gehoorzaamheid aan die zachte roepstem, die hem toch eenmaal als muziek in de ooren klonk, toen hij nog in zijne

ocr page 99

89

wieg lag te luisteren naar „'t schaap met witte voetjesquot;, dat hem zoo dikwijls in de zalige rust bracht....

„O jeugd!quot; knort de ontevreden meester, die ziet, dat op eenen zwoelen zomernamiddag zijne geographie en zijne repeteerende breuken in de lucht zweven; zijn Alexander met Bucephalus en al over de dommelige hoofden van zijn auditorium heen galopeeren, zonder met

zijn hoefslag ook maar de minste vonk te wekken.....

Hoort eens, vrienden! Ik heb medelijden met den podagrist ; ik beklaag den armen man in wiens gemoed een zelfmoordenaar hangt te bengelen; ik gevoel diep met de arme moeder, die haren lieveling den verkeerden weg ziet opgaan; maar. . . . neen, ik zou jokken, als ik beweerde, dat ik in 't geheel geen medelijden had met den armer meester van suffende knapen.....maar toch: ik

kan me die afdwaling van jeugdige gemoederen zóó volkomen begrijpen, dat ik haast geneigd zou zijn om tegenover het „O jeugdquot; van den ernstigen man een ondeugend: „O ouderdom!quot; te zetten... wel zeker: „O ouderdom !quot; — wat zijt ge te beklagen, wanneer ge zoo totaal vergeten kunt, dat ge ook eenmaal jong zijt geweest. Kijk eens: de jeugd is een één-dags-vlieg, een bloem, die 's morgens ontluikt en 's avonds verdort; maar de herinnering blijft en die herinnering, dat is een ding, dat in het ondermaansche lang niet te versmaden is. De herinnering is eene bron van levend water, dat immer opbruist, immer opborrelt en dat lafenis schenkt aan den man, zoowel als aan den grijsaard, die op den hobbeligen levensweg uitgeput neerzinkt op eene mijlpaal en snakt naar een fnsschen dronk.....

Weet ge, wat ik in de jeugd zoo gelukkig prijs ? Vooreerst hare onwetendheid, 't Is inderdaad niet zonder diepen

ocr page 100

90

zin, dat de bijbelache voorstelling van de Genesis van't menschdom den vloek des levens laat beginnen met het oogenblik, waarop de kennis van 't onderscheid tusschen goed en kwaad aanvangt! Zoodra ge van den bekenden boom hebt gegeten: A d i e u veau, vac he, c och on!... Evenals Perrettein de scherven van haar gebroken melkpot de balken en plinten van haar ingestorte luchtkasteelen ziet drijven, struikelt ge overal over de bouwvallen van uwe illusiën, zoodra ge gehapt hebt in de bitter-zoete appelen van den mythischen boom der „Kennis.quot; De onschuld, de naïviteit, de reinheid, voor welke „alles rein isquot; — o, jeugd !... waar zijn ze gebleven, wanneer men zich „een stel witte dassenquot; gekocht heeft, om „uit biddenquot; te gaan ?....

En dan de zorgeloosheid ! Ja, in de tweede plaats de zorgeloosheid of liever de onbezorgdheid, waarmee men den dag van morgen te gemoet zag, zonder zich af te vragen: „wat zullen wij eten en waarmee zullen wij ons kleeden ?quot; .. . Zie, de zorgen zijn het, die den mensch in de meeste gevallen zijne portie levensgenot, die wezenlijk anders niet zoo klein is, als men weieens meent, verbitteren, vergallen. Ge gaat er mee naar bed: geen gordijn sluit ze buiten. Ge staat er mee op : in uwe fraai geborduurde pantoffels staan ze u voor 't bed reeds te wachten. Ge neemt ze mee op reis, ge steekt ze in uwen zak, wanneer ge uit logeeren gaat, en wanneer ge ze bij toeval eens mocht vergeten, trekken ze u bij 't eerstkomende station achter aan de knoopen van de jas: ze zijn op de loopplank gesprongen, toen ge door een behendigen zwaai meendet hare waakzaamheid te verschalken en toen ge met een hevigen klap het portier dichtsloegt, om ze buiten den wagon te houden. Zoodra de conducteur

ocr page 101

91

uw kaartje kwam knippen, zijn ze mee naar binnen gewipt en ze hangen in 't netje boven uw hoofd te bengelen in gezelschap van uw valies, uw parapluie en uwe hoede-doos......

Laat me nog een paar woorden zeggen: wie de jeugd hare onschuld ontneemt, pleegt een moord; wie hare onbezorgdheid in zorg doet verkeeren, begaat een manslag.

'tls waar, de Code Pénal straft zulke misdaden niet en ons nieuw wetboek voor 't strafrecht spreekt er ook niet van. Maar 'k had liever een rijksdaalder gestolen, dan dat ik den zedelijken dood van een rein, onschuldig, onbezoedeld kinderlijk gemoed op mijn geweten had, en 'k zou, als ik later den dooden priester in de naakte, kille kapel zag hangen, altijd denken, dat ik medeplichtig was aan dien zelfmoord... Och, waarom zouden we ons schuldig maken aan zulke akeligheden: laat ons ze overlaten aan den grooten dooder, aan den onverbiddelijken moordenaar, dien men Tijd noemt. Hij zal zijne worgende handen spoedig genoeg uitstrekken en zijne magere vingers laten de eenmaal gegrepen prooi niet weer los. . . O jeugd !. . . O jeugd !...

VI.

'S MENSCHEN VLEGELJAREN.

Er komt voor ieder schepsel een tijd, waarin het te groot is voor servet en te klein voor tafellaken. Zoo ook voor den mensch. Is hij een individu van 't mannelijk geslacht, dan heet hij in die periode van zijn bestaan „vlegelquot;—, behoort hij tot de schoone sekse, dan noemt

ocr page 102

92

men hem „bakvisch.quot; Dat „hemquot; en „bakvischquot; past al bijzonder slecht bij elkaar; maar 't is mijne schuld niet, dat „menschquot; mannelijk is, en in mijne jeugd heb ik er mij op school zelfs vaak genoeg tegen verzet, door in mijne „taalkundige ontledingquot; pertinent vol te houden, dat bedoeld woord van 't onzijdig geslacht was. Dat heeft me echter zooveel afkeuringen gekost, dat ik ten langen leste bekeerd ben tot het gevoelen van onze taalkundigen ; want er is niets in de wereld, dat zoo helpt als afkeuringen... Van taalkunde en geslachten gesproken: in ons schoolboekje stond een regel, dien we tot vervelens toe van buiten moesten leeren en opdreunen en die luidde: alle jongen van dieren zijn onzijdig, b. v. kalf, veulen, kind, enz. Ik herinner me nog, hoe verontwaardigd ik me gevoelde over de onbeschaamdheid van den boekenschrijver, die mijn vader en moeder voor dieren en mij met al mijn schoolkameraden voor „jongen' van die dieren durfde uitmaken. Later, in mijn vlegeljaren, toen ik aan scheikunde begon te doen en aan vierkantsvergelijkingen, toen ik ingewijd werd in de geheimen van driehoeken en trapeziums — wat een stellingen er toch al niet in zoo'n onnoozelen driehoek kunnen schuilen! — toen ik op de hoogte gebracht werd van straaldieren en weekdieren, die ergens op onmogelijke plaatsen in onmogelijke oceanen verblijf houden werd me duidelijk, dat een mensch eigenlijk toch ook maar een dier is en een lever, nieren en cóteletten bezit, precies als de eerste koe of 't eerste schaap het beste. Ik vond dat toen allergrappigst en ik herinner me nog, dat ik — 't was op een warmen zomernamiddag — er over aan 't philosopheeren raakte, hoeveel pond biefstuk men wel zou kunnen maken van onze dikke

ocr page 103

93

keukenmeid en of er aan den mageren concierge van onze school nog genoeg vleescli zou zitten, om er eene rollade van te draaien.

In den grond moet ik bekennen, deed de ontdekking mij veel plezier en ik begon het geval nog vermakelijker te vinden, toen ik niet onduidelijk begon te begrijpen, dat een mensch eigenlijk niets meer was dan een geciviliseerde aap zonder staart. Want — en dit is het, wat ik naar aanleiding van deze uitweiding in 't midden wilde brengen — in zijn vlegeljaren is de mensch ontzettend cijnisch, verbazend ongeloovig en ten hoogste ingenomen met alle afbrekende critiek. Van daar dat Multatuli bijv. het evangelie is — of moet ik zeggen was? — voor onze aankomende jongelui, en ik geloof, dat het ons nog wel zooveel plezier zou gedaan hebben, als wij geweten hadden, dat een mensch eigenlijk nog niet eens van een aap maar van een onnoozele cel afstamt..........

Hoe het ook zij, 's menschen vlegeljaren mogen hunne aangename zijde hebben voor ieder, die van afbrekende critiek houdt, ze hebben zooveel schaduwzijden, dat ieder, die het dubbelzinnige genoegen gesmaakt heeft ze te mogen doormaken, zich nog levendig herinnert, hoe smachtend hij verlangde naar het einde van die overgangsperiode. Ik ga, dit zeggende, uit van de veronderstelling,. dat er ook menschenkinderen rondwandelen op aarde, die geen vlegeljaren gekend hebben. En inderdaad ze zijn er zoo, even goed als er ongelukkigen zijn, die geene kinderen zijn geweest. Ik zal hier nog maar niet reppen van grootheden als B i 1 d e r d ij k, die in zijn wieg vader Cats lag te lezen en die zijn leven lang op alle vlegels gescholden heeft, omdat hij zelf zijn vlegeljaren niet had gehad, — ik heb dood-ordinaire

ocr page 104

94

menschen op 't oog, die ieder in zijne omgeving kent of heeft gekend en die op hun derde jaar op een stoof in een hoekje de „Brave Hendrikquot; zaten te lezen, zoo lang tot ze zelf brave Hendriken werden; die in 't openbaar niets dan deugd ten toon hingen, terwijl ze alleen ia 't duister de kat knepen . .. 't Berouwt me nu bijna, dat ik het „doormakenquot; van de vlegeljaren een dubbelzinnig genot heb genoemd en ik ben wezenlijk haast geneigd, om eenige van mijne woorden terug te nemen. quot;Want „het knijpen van de katquot; — niet in 't donker, maar op klaar lichtendag — is een genoegen zoo groot, dat ik het in de opvoeding van een mensch een zeer belangrijken factor acht, een factor, die juist in de vlegeljaren tot zijn recht komt en dien ik — openhartig gesproken ■— in de blijde herinneringen uit mijne vlegeljaren niet gaarne zou missen...

„Het knijpen van de katquot;.........Bijvoorbeeld: 't is

Vrijdagmiddag en de school gaat uit. Alle dienstmeiden zijn druk in de weer, om volgens oud-Hollandsch gebruik de straatsteenen, die zoo straks door den eersten voorbijganger den besten weer verontreinigd zullen worden, te poetsen, te schrobben en te wasschen, alsof ze in een pronkkast ten toon gesteld moesten worden. Overal staan verleidelijke emmers met water op de kleine steentjes, die u als 't ware toelachen en u smeekende blikken toewerpen, alsof ze er behoefte aan hadden omvergetrapt te worden... Mijn hemel! Wie kan onder zulke omstandigheden zijne beenen in bedwang houden?

Of wel: de avondschool is ten einde. Ge hebt uwe tong gebroken over allerlei onregelmatige werkwoorden, ge hebt er u over geërgerd, dat er nog zooveel onregelmatige werkwoorden in de wereld zijn en ge kunt het

ocr page 105

95

niet verheelen, dat ge van de negentiende eeuw beter verwacht hadt. Bovendien hebt ge een half uur geknoeid met een algebraïsch voorstel, dat niet uit wou komen en waarin ge voor X zulk een onmogelijk getal vondt, dat ge wanhopig de griffel hebt weggeworpen.... Welnu, denk u al die ellende en stel u nu voor een schelknop om te stelen, blinkende „im Abendsonnenscheinquot;... Ik zet het u onder die omstandigheden de handen in den zak te houden en de „kat niet te knijpenquot;...

Ik merk waarlijk, dat ik mijne praemissen geheel uit het oog heb verloren en dat ik bezig ben, eene lofrede te schrijven op 's menschen vlegeljaren.

Zoo gaat de natuur boven de leer!... Ofschoon: het blijft toch altijd waar, dat de periode van „vlegelquot; en „bakvischquot; hare eigenaardige schaduwzijden heeft.

Bijvoorbeeld: tante Annekoo is jarig en ge gaat met de familie op visite. Ge steekt uw compliment af, bij welke plichtpleging ge tweemaal en driemaal een kleur krijgt. Tante verwondert er zich over, dat ge geen „Wenschquot; voor haar geschreven hebt evenals het vorige jaar. . . Eerste beleediging! Mijn hemel, ieder kan toch wel begrijpen, dat ge over de „wenschenquot; heen zijt. Ge hebt immers al een enkele maal gebiljart en zelfs meelden eens een kaneelsigaar gerookt! ... Er wordt gepresenteerd.... Tweede beleediging! De koekjestrommel voor u, de sigaren en de likeurtjes voor de groote menschen !... Ge zit op een puntje van uwen stoel met het angstzweet op 't gelaat, als iemand uit het gezelschap u vraagt, of ge „goed oppast op school?quot;... Zoo'n vraag is waarlijk toch al te kinderachtig voor een jongen, die gisteren nog hooggaande ruzie heeft gehad met zijn secondant .... Goed oppassen !!... In de gang stoeien de

ocr page 106

9(1

kleinere broers en zusters, die met hun koekjes wonderwel tevreden zijn en die nog niet de minste „Ahnungquot; hebben van panatella's en Beiersch bier. Ge verveelt u: ge hebt grooten lust, om u niettegenstaande uwen hoogen ouderdom bij het joelende troepje te voegen; maar de gedachte aan uw eigen grootheid weerhoudt u. Helaas, ge zijt reeds te groot voor servet, maar nog te klein voor tafellaken !...

Het is inderdaad een hoogst onaangenaam gevoel, als men zoo de bewustheid heeft, dat men het midden houdt tusschen visch en vleesch. De slager kan u niet gebruiken; de vischvrouw ziet geen kans u aan den man te brengen. Ge beweegt u in een kring, die aan alle kanten begrensd is: hier door oudere broers, die reeds een scheermes bezitten en een meerschuimen doorrooker; daar door jongere spruiten van denzelfden stam als gij, die nog op een stokpaard rijden. De meiden noemen u „jongeheerquot;; de diender scheldt u uit voor „kwajongenquot;, terwijl hij voor Piet Dinges, die nog maar een paar jaar van school is, maar die een rotting draagt en gouden manchetknoopen, de pet afneemt. . ■ . De eenige vergoeding voor al die rampen bestaat echter daarin, dat binnen den kring, waarin ge staat, een eigenaardig licht schijnt, dat er eene eigenaardige levensbeschouwing heerscht, die zoo het midden houdt tusschen den paradijsstaat en de kennis van alle goed en kwaad, eene levensbeschouwing, die u bij voorbeeld zonder gewetenswroeging veroorlooft, eenen secondant te plagen en een vollen emmer omver te werpen ....

De „Vlegelquot; heeft een langer leven dan de „bakvischquot; en Jan is nog een jongen, als Mietje reeds met een „air de dédainquot; neerziet op haren zeventienjarigen

ocr page 107

97

broer, die precies tien maanden jonger is dan zij, maar dien ze als een kind beschouwt en behandelt. Dat komt waarschijnlijk van de lange rokken en van den tweeden luitenant, die iederen dag de straat door komt en smachtende blikken op Mietjes venster werpt, wat ze heel natuurlijk vindt, ofschoon ze er hartelijk om lachen zou, als ze wist, dat broer J a n in stilte brandt voor de dochter van den Lutherschen koster, die vlak over de burgerschool woont en die hij laatst op een avond om 't hoekje van de straat in alle stilte gezoend heeft. Inderdaad lange rokken en den luitenant heeft de bakvisch op den vlegel vooruit.... Gelukkig dat alles maar een overgang is, zooals de man zei, die gehangen moest worden. Gelukkig ook voor den mensch in zijn vlegelperiode!

VIL

BLOESEMEN OPPEN.

De sneeuw is gesmolten ; de crocussen heffen hare gele en blauwe en witte kelkjes boven het jonge gras, dat langzamerhand zijn dorre, rosse tinten verliest, om zich met een mollig waas van hoopvol groen te tooien; de eerste spreeuwen fluiten op de druppelende dakgoten en koesteren zich in den lentezonneschijn, die zijn lauwen adem door de kille lucht blaast; de eerste bladeren beginnen zich te ontvouwen en enkele bloesemknoppen maken aanstalten, om zich te ontplooien... 't Is nog geen Mei; maar 't is ook geen winter meer: een heerlijk voorgevoel van geurende hagedoorns en blozende appelbloesems, van geel- en wit besprenkelde weiden, van zingende leeuwe-

7

ocr page 108

98

riken en gonzende bijen doortintelt ons gemoed.... Heerlijke tijd, waarin alles de lenteweelde in de naaste toekomst verkondigt!...

Ook voor den mensch is er een overgang van den half-onbewusten winterslaap der eerste jeugd tot zijnen zonnigen Mei, wanneer alle bloesems zich voor hem ontvouwen, alle bloemen voor hem geuren, alle vogels voor hem zingen. Ook voor den mensch is er een tijd, waarin de bloesemknoppen zich zetten en ontwikkelen, voor ze zich geheel ontplooien en in weelderigen rijkdom prijken; waarin de eerste spreeuwen fluiten, alsof ze preludeerden voor het veelstemmige koor, dat weldra alle snaren van zijn jong gemoed in trilling zal brengen----

O zalige tijd, waarin de wangen van den jongeling zich beginnen te tooien met het eerste dons, voorbode van de mannelijke kracht, waarnaar hij zoo vurig verlangt! Niet waar, oude grootvader met sneeuwwitten schedel, ge herinnert u dat nog ? 't Was op een Zondag morgen. Vader was naar de kerk en op zijn toilettafel stond nog het zeepbakje en 't scheerkwastje. Daar lag ook nog het vlijmende staal, waarmede hij zoo evan den ruigen haartooi van zijne wangen had geschoren. O die stoppelige baard van vader ! O die tergende satijn-achtigheid van uwe blozende zeventienjarige wangen! Voor ge nog die verzuchting volkomen ten einde hadt gebracht, bedekte reeds schitterend schuim uw aangezicht en met rassche streken, uit vrees van een overval door de kamermeid, die u in een belachelijk daglicht zou kunnen stellen, werd door u weggevaagd, wat nog niet aanwezig was, of wat zich nog slechts in hoogst rudimentairen toestand vertoonde. Bloesemknoppen, niet waar, nog geen bloesem?...

En gij, oude grootmoeder, met uwen hoornen bril op

ocr page 109

99

den gerimpelden neus, op denzelfden neus, die eenmaal grootvader tot allerlei dwaasheden verleidde, heugt het u nog, hoe ge in „de korte rokkenquot; waart, hoe uwe oudere zuster met haren sleep u deed huilen van spijt en afgunst ? Stellig, ge kunt het nog niet vergeten zijn, en ge moet u nog herinneren, hoe er een overgangsperiode kwam van de korte rokjes en de stemmige, glanzend wit gesteven „pijpenquot; tot den jonkvrouwelijken, sierlijk golvenden japon, die uwe satijnen laarsjes en uwe — vergeef me mijne onbescheidenheid ! — zijden kousjes, die een net gevormd beentje omspanden, zediglijk aan het oog der wereld onttrokken, tenzij ge bij eene regenbui gelegenheid vondt met uwe bekoorlijkheden een beetje te coquetteeren.

Bloesemknoppen, niet waar, bloesemknoppen !...

En dan: ge hadt een huisknecht of eene kamermeid, die u als piepjong, hulpeloos wezentje op moeders schoot hadden zien spelen of die u op hunne knieën hadden gewiegd. Die goede zielen! O ! zoo goed!... Als ... ze maar niet hardnekkig volhard hadden in hunne beminnelijke naïviteit, om u nog voortdurend Karei of E m-m a of „Jongeheerquot; en „Jongejufirouwquot; te blijven noemen.

Maar er kwam verandering. De oude, trouwe Willem stierf en werd vervangen door een ander; de goede, zorgvuldige Mie ging trouwen met haren Hannes en kreeg eene plaatsvervangster. Gelukkige lotswisseling! Ge werdt „mijnheerquot;, ge werdt „juffrouwquot; — en uwe gelukzaligheid zou haar toppunt bereikt hebben, wanneer de nieuwe quot;Willem, de nieuwe Mie zich niet nog van tijd tot tijd door uw, o zoo jeugdig uiterlijk of door eene zeer natuurlijke tegenstelling met papa hadden laten verleiden tot een hatelijk „jongeheerquot; of „jonge-

ocr page 110

100

juffrouw !quot; ... Alweer bloesemknoppen en nog geen Mei !...

En dan het fluiten der spreeuwen op de dakgoot, vóór de leeuweriken en de gonzende bijen de zonnige lucht van hunne welluidende tonen deden weerklinken.... O die fluitende spreeuwen !...

Want het is u toch niet ontschoten, hoe ge op het gymnasium in de vijfde klasse Grieksche werkwoorden hebt zitten vervoegen en hoe op eens midden in den aoristus van een of ander verbum precies tusschen dualis en pluralis zich de naam Am a 1 ia inschoof, niet Amaliavan Solms, die ge juist bij den leeraar in geschiedenis hadt leeren kennen als de nogal „bazigequot; gemalin van den dikken Frederik Hendrik, maar A m a 1 i a van den banketbakker op 't hoekje, die zulke lekkere pruimentaartjes kon bakken, de banketbakker, wel te verstaan ; want uwe A m a 1 i a was veel te aethe-risch om met pruimen om te gaan.

En ge hebt stellig wel onthouden, hoe bij 't stellen van de letters voor een saaien vijfhoek, waarvan ge de eene of andere vervelende eigenschap moest bewijzen, de verleider u er altijd toe bracht om te spreken van figuur S. O. F. I. A. — tusschen twee haakjes de beminnelijke dochter van den sigarenhandelaar in de Brêestraat, waar ge uwen voorraad opdeedt'? Wat was een vijfhoek bij hare bekoorlijkheden !... O, die fluitende spreeuwen op de dakgoot! Ze tjilpen van lente, ze tateren van Mei en ze weten zeiven niet wat ze zeggen. Een spreeuw is een dom dier. Een leeuwerik zingt uit volle bewustheid der rijzende zon zijn welkomstgroet tegen, maar een spreeuw op een dakgoot!... En toch, en toch!

Er was immers dansles bij mijnheer Sauterne, die zoo koddig Hollandsch sprak en die er nooit erg in had,

ocr page 111

101

dat de proppen van nat papier op zijn rug van u afkomstig waren!... Was er op die les ook niet een zekere Marie of een L o t j e of zelfs een prozaïsche A n n e m i e, die ge in 't kleedkamertje op de wangen hebt gezoend en die ge engageerdet voor vijf dansen op't naaste bal ?... O, die spreeuwen in de dakgoot!...

Mijn hemel, goede vrienden, wat is het een heerlijke tijd, als de krookjes boven 't gras komen, als de sneeuw smelt en de bloesemknoppen zwellen en dreigen Open te barsten! Zou de eigenlijke Mei met zijne vurige kleuren, met zijne bedwelmende geuren wel zóó schoon zijn ! quot;Weet ge wel, dat de hoop liefelijker is dan de vervulling; het voorgevoel heerlijker dan de bevredigde wensch ? .. . En dan de half-onbewuste naïviteit! Het is me altijd voorgekomen, dat de woorden van de slang onze goede grootmoeder Eva meer plezier gedaan hebben dan de smaak van den appel. Ook houd ik het er voor, dat Adam gelukkiger geweest is vóór den noodlottigen beet, dan toen hij zijne tanden in de verboden vrucht zette. . ..

Bloesemknoppen en nog geen Mei!

vm.

IN VOLLEN BLOEI.

Alle sluimerende krachten in den mensch zijn ontwaakt en tot volle bewustzijn gekomen ; in alle heerlijkheid van zijnen schoonsten bloeitijd staat hij in den koesterenden lentezonneschijn; alles rondom hem geurt, alles zingt; de toekomst met de stoutste verwachtingen, met de vleiendste beloften in 't verschiet ligt lachend en lonkend voor hem open. Herkules op den Tweesprong!

ocr page 112

102

Aan de eene zijde de verleidelijke lokstem der vleiende eu schitterende Aphrodite, die hem een leven vol genot, vol zinnelijkheid voorspiegelt, — aan de andere de ernstige Athene, die hem eenen weg wijst vol moeite, vol strijd, vol bekommernissen, maar een weg, die onder krachtige, mannelijke werkzaamheid leidt naar een verheven en roemvol einddoel.. .. Ach, waren alle menschen Herculessen ! ...

Mijn hemel, wat moet het toch een verleidelijk werk zijn, om een preek te maken ! Als ik op dien toon nog eenigen tijd doorging, zou ik weldra het kopstuk er van klaar hebben en wanneer ik mêzelven nog niet bij tijds betrapt had, zou 'k hebben kunnen doordraven tot den psalm of t' gezang, dat de voorrede van de narede scheidt. En daarom, basta! Laat ons den jongen mensch nog liever een oogenblik in 't zonnetje laten staan op dien gedenkwaardigen tweesprong en hem, vóór hij kiest| behoorlijk den tijd geven, zijn „wilde haverquot; te zaaien, zooals onze overzeesche buren het uitdrukken. Daar is geen kwaad bij en 't wilde zaaisel kan nog opschieten en geoogst worden, vóór de beslissende keuze, die eenmaal komen moet, gedaan is; want een mensch kan niet eeuwig op den tweesprong blijven staan.....

Niet waar: ze boezemen u immers geen berouw in, die rose papiertjes met dat verbleekte blauwe lint, welke daar in een geheim hoekje van uwe schrijftafel sluimeren en die nog eenen geur van verwelkte bloemen uitwasemen, wanneer ge het bandje losknoopt en ze een voor een voorzichtig en langzaam aan uwe droomerige blikken laat voorbijgaan.

Dat zijn verzen uit den tijd, toen ge nog dichter waart; albumblaadjes uit de dagen, toen ge nog door 't vuur

ocr page 113

103

zoudt geloopen hebben voor een blond kopje mei blauwe of zwarte oogen ; brieven van de blanke, mollige handjes, die bij dat kopje en bij die oogen behoorden. Och, och, wat al herinneringen ! Uit den tijd, toen ge nog dichter waart! Want dat zijt ge geweest, knorrige, oude grompot, die cijfers en koersnoteeringen voor de hoogste poëzie houdt, die in dit ondermaansche en misschien ook wel daarboven is te vinden.... Dat zijt ge geweest, afgunstige oude vrijster, die voortdurend weeklaagt over de bedorvenheid en loszinnigheid der hedendaagsche jeugd... Ge hebt niet alleen verzen gemaakt in die zalige tijden van zonneschijn en lenteweelde, ge hebt ze ook gevoeld, ge hebt de diepten van den oceaan en de hoogten der bergen geplunderd, om woorden te vinden, die konden weergeven, wat uwe ziel bewoog, wat uwen boezem deed hijgen .. . Gij, die thans met zoo'n minachting den neus optrekt en de schouders ophaalt over de onnoozele dichters, die in uw oog allerlei bespottelijke beelden en vergelijkingen gebruiken, om hunne aangebedene schoonheden te verheerlijken, gij hebt indertijd ook gesproken van de elpenbeenen tandjes, de rozenwangen, de gazellenoogen en de fluweelen lipjes uwer Elmire of Constantia of Livarda of hoe uw -liefje in uwe verzen ook heeten mocht. In uwe verzen zeg ik ; want uwe stemmige huisvrouw, thans moeder van zeven stevige spruiten — waar zijn de tijden gebleven j — heet Annekoo en de dochter van den rector, aan wie ge uwe eerste poëtische voortbrengselen hebt gewijd, heette Mietje.

Ook droegt ge zelf niet den dichterlijken naam van Damon of L i n d o r, zooals ge uwe teerbeminde wel gaarne zoudt hebben willen wijsmaken — misschien

ocr page 114

104

uzelven er wel bij —, maar ge waart genoemd naar uwen grootvader, die Jan heette of Cornelis... En Cornelis in een vers! Dat ging nog voor Van A1 p h e n en voor een kwajongen, die voor aan de straat een glas gebroken had, waarmee hij geen raad wist, — maar voor eenen ernstigen dichter, die zich liet inspiree-ren door de zuiverste liefde, neen, dat zou te gek geweest zijn !. ..

Weet ge nog wel, op hoeveel meisjes ge in uwen lentetijd verliefd zijt geweest ? ....

Niet waar, dat zijt ge vergeten; want haar aantal was legio. Ge zijt natuurlijk begonnen met smoorlijk te worden van eene dame van vijf en twintig jaar. Natuurlijk, zeg ik. quot;Want niets bekoort den aankomenden man meer dan de volle rijpheid, de volle bloei der vrouwelijke schoonheid. Gre hebt gebloosd, wanneer ze u aanzag; uw hart heeft geklopt, wanneer ze uwe hand aanraakte; ge hebt zuchten geslaakt onder de dekens, waar ge 's avonds vergetelheid zocht voor uwe W e r t h e r-smarten ; ge hebt tranen vergoten over de blaadjes postpapier, waarop ge hare bekoorlijkheden bezongt en ge hebt gevloekt - -zelfs een oogenblik aan 't vijvertje in uws vaders tuin gedacht, toen ge tot de ontdekking kwaamt, dat ze ge-engageerd was met een ontzettend chique heer met prach-tigen baard en woesten knevel, op welks bezit ge u helaas nog niet kondt beroemen.. . . Daarna hebt ge uwe papieren verscheurd, voor zoover ze niet bij eene volgende gelegenheid nog dienst konden doen; zijt begonnen met zorgvuldig uwen donzen knevel te cultiveeren; hebt vergetelheid gezocht voor uwe smarten achter een biljarttafel en zijt onmiddellijk doodelijk verliefd geworden op eene buffetjufvrouw met krullen en zwarte oogen, die

ocr page 115

lOB

heel gevoelig was voor uwe attenties, die zich zelfs verwaardigde een satiné-papiertje met eene ontboezeming er op van ii aan te nemen, maar die — ge zaagt dit toevallig om een hoekje — in 't geniep een zoen gaf aan uwen besten vriend ... Toen zijt ge volkomen quot;W e r-theriaan geworden; gij zijt gaan schelden ophetgansche vrouwelijke geslacht; gij zijt verzen gaan maken, waarin allerakeligste dingen voorkwamen en waarin om den anderen regel de dood grijnsde en de heldere waterspiegel u tegenlachte en u verlokkend tot zich riep, totdat eindelijk de blonde Koosje van den dominé u in de kerk op een gedenkwaardigen Zondagmorgen zóó smachtend naar de oogen keek, dat ge „als een electrischen schok door uwe leden voeldet trillen.quot; Zoo, meen ik, hebt ge het althans uitgedrukt in het dagboek, dat ge toen ten tijde er op nahieldt en waarin geen Credit of Debet of Saldo voorkwam, maar allerlei hoogdravende en verhevene ontboezemingen, die den oningewijde, die ze bij toeval zou hebben gelezen, op 't idee zouden hebben kunnen brengen, of hij wellicht ook te doen had met iemand, in wiens bovenkamer het niet recht pluis was...

Eindelijk ... eindelijk is z ij gekomen, ge weet wel:... niet de poëtische E 1 m i r e of de hoog dichterlijke C o n-s t a n t i a, maar de prozaïsche A n n e k o o met hare guitige oogen en haar vrouwelijk gezond verstand. Ze breide een paar kousen voor haar broertje, toen ge haar voor 'teerst zaagt; maar toch wist ze u in te pakken, en daar zit ze nu nog met hare peper-en zout-kleurige haren en haren bril op, weer kousen te breien voor 't kleintje van uw kleintje en ze vraagt grootvader — dat zijt gij, mijnheer! — of hij er om denken wil, dat het kleintje

ocr page 116

106

morgen jarig is. . . En die Annekoo is toch maar de rechte geweest: zonder verzen en zonder elpenbeenen tanden, maar met trouwe liefde en voorbeeldelooze opoffering heeft ze u door 't leven geholpen.

De wilde haver was gezaaid, de dichter was op den loop, alleen de poëzie bleef; maar niet die eerste wilde en onstuimige poëzie: de poëzie van den huiselijken haard, de verhevenste wellicht, die er in de wereld bestaat.

Er is zeker geen heerlijker verschijnsel in 'smenschen bloeitijd dan de oprechte geestdrift, waarmee hij zich in den stroom der wereld stort. De geestdrift, vrienden, is een teere plant, die van iets anders leeft dan van teleurstellingen. En aangezien de mensch op zijne aardsche omdolingen hier een muur ontmoet, waartegen hij zijn hoofd stoot en daar een hek, waarover hij zijn beenen breekt, is het niet te verwonderen, dat zijne geestdrift zich het sterkst openbaart in den gelukzaligen leeftijd, waarin hij nog over alle muren heenkijkt en over alle hekken heen-springt. Mijn God, waar zou het heen, wanneer er geen jongelui meer waren, om te dwepen met een idee! Dwepen met een zak rijksdaalders en met een fijn diner kan ieder. Maar zich in stukjes laten hakken voor een denkbeeld, is slechts aan enkelen gegeven en in de eerste plaats aan de gelukzaligen, die 's levens Lente vieren. Een mensch, die dweept en die zich door geestdrift laat vervoeren, kan niet al te goed op de hoogte zijn van de hoofdregels van de Rekenkunde. Als hij optelt en aftrekt, vermenigvuldigt en deelt, staat hij reeds op den rand van een afgrond, en als hij het brengt tot de worteltrekking en de machtsverheffing, is hij reddeloos verloren. Inderdaad, er wordt te veel gerekend, te veel ver-

ocr page 117

107

menigvuldigd in de wereld. Vooral in ons brave Nederland, dat — de geschiedboekjes op school leerden het ons al — door rekenen en vermenigvuldigen zoogenoemd groot is geworden. Een mensch met een kleine dosis geestdrift wordt er door velen als half-dronken, een mensch met een groote dosis geestdrift als stapelgek aangemerkt. .. . Mijn hemel, men moet zijn fatsoen toch bewaren en zich niet al te mal aanstellen. Want het fatsoen !... O, dat fatsoen !. .. Niet waar, onze lentetijd heeft groote voordeden, onschatbare privilege's. Loop eens over straat te neuriën, als ge vader zijt van zes kinderen en diaken bij de Hervonnde gemeente! Spring eens over een sloot en buitel eens in het malsche gras van eene frissche weide, als ge lid zijt van den gemeenteraad! Zeg eens, dat vrijheid, gelijkheid en broederschap de heerlijkste leus is, die de geschiedenis ooit heeft uitgevonden, wanneer ge oude Russen in uw effectentrommel bewaart en Oostenrijksche loten... . En toch, zoo diep daalt een mensch, zoo laag zinkt hij, dat er eenmaal een tijdstip komt in zijn leven, waarop hij een effectentrommel koopt. Want er komt eenmaal een tijd, waarin we van brood gaan leven en waarin we alle steenen in kadetjes zouden willen veranderen. .. . Och, wat was het een zalige tijd, waarin vaders beurs de onze was en waarin moeders beurs altijd nog eenige hulpmiddelen aanbood, wanneer die van vader zich met een nijdigen knip voor ons gesloten had .... Niet waar: het was ondankbaar, wanneer we bij gelegenheid van een kroegjool of een vriendenfeest de champagne- kurken lieten knallen, terwijl de „oude heerquot; over zijn kasboek gebogen zat en cijferde, of hij het einde van 'tjaar wel met glans zou kunnen halen. — Maar was het onze schuld ? Of was het de

ocr page 118

108

schuld van de bedwelmende geuren, die de lentebloesems uitwasemden, waartusschen we wandelden ? En mocht de „oude heerquot; niet dubbel tevreden zijn, wanneer we hem met een gloeienden toast gedachten en dronken op het lang leven van zijne veel geliefde persoonlijkheid en van zijne bloeiende kruideniers-affaire L.Cet age est sans pitiéquot;... La Fontaine bedoelde er de kwajongens mee beneden de twintig; maar 't geldt ook nog van die boven de twintig!... Hoor eens, laat ons billijk zijn. Wanneer de zorg, dat magere, bleeke spook — er zijn magere, bleeke spoken genoeg in de wereld — reeds aan 't voeteneind van ons bed stond, als we nog pas de lummeljaren ontwassen zijn; als we in den tijd onzer overkokende geestdrift reeds gekweld werden door benauwde droomen, dan zou ik waarlijk niet weten, waar het met het menschelijk geslacht heen moest... Is het dan al niet genoeg, dat het zijn gemiddelde lichamelijke lengte met eenige centimeters heeft zien afnemen en moet men het ook nog bekrimpen op zijn geestelijke uitgebreidheid. Laat vrij gisten en koken en opborrelen, wat er gist en kookt en opborrelt in het jeugdige gemoed en leg er alleen een deksel op, als het dreigt over te koken. Vergeet vooral niet, eerwaardige papa, dat UE. zelf ook weieens overgekookt hebt.. . Zie, dat is eigenlijk een lee-lijke kwaal van alle lui, die over de jaren van de onbaatzuchtige geestdrift heen zijn; ze vergeten, ze vergeten, o zoo spoedig !... Of gelooft ge niet, dat die uitgestreken ouderling, thans een steunpilaar der kerk, eenmaal „bok-bok-sta-vastquot; gespeeld heeft met zijn wit-gedaste kameraden, die daar allemaal binnen het doophek zitten?

Twijfelt ge er aan, of Zijne Excellentie, die met groote

ocr page 119

109

waardigheid de belangen zijner partij vertegenwoordigt en die eene politieke conscientie heeft, die van den laatsten stuiver van 's lands penningen rekening en verantwoor. ding doet, er indertijd een gewetenszaak van gemaakt heeft, om een schelknop te „moerenquot; of een uithangbord ? Ook is de president van de afdeeling X. van 'tNeder-landsch genootschap tot Afschaffing van sterken drank weieens teruggewandeld van een „borrelsteekquot; of een promotie-partij in eenen toestand, waarin hij de klinkers voor den hemel en den hemel voor 't plaveisel aanzag .. . Lieve hemel! Ik vraag het u, waar zou 'theen met de menschheid, als alle menschen van kindsbeen af wijs geweest waren ? Inderdaad de wereld zou dan een onuitstaanbaar, vervelend verblijf zijn, waarin de menschtus-schen geschoren heggen en gepoederde pruiken, tusschen kapstokken met steken en staartrokken rond wandelde en waarin hij zonder vrucht zou zoeken naar een enkel zonnestraaltje, dat door de wolken van eerwaardigheid en deftigheid zich tevergeefs eenen weg zou trachten te banen ... Maar nog meer: de wereld zou niet alleen bijzonder vervelend zijn, ik durf stellig beweren, dat de wereld geen stap vooruit was gekomen. .. Er moeten lui zijn, die een afkeer hebben van witte dassen en wier wijsheid in 't oog der gepoederde menigte dwaasheid schijnt, of gelooft ge misschien, dat Columbus een brave Hendrik, Luther een gladgeschoren rentenier, Victor Hugo en Shakespeare kruideniers geweest zijn ?

„W er niemals einen Rausch gehabtquot;....

Wel zeker .... Wie nooit zich zei ven en de wereld heeft kunnen vergeten in een roes van onberedeneerde geestdrift, is nooit dwaas geweest; maar ik geloof, dat hij ook nooit wijs zal geworden zijn.

ocr page 120

110

En daarom, leve de bloeitijd, leve de Meimaand! Er komt eenmaal eene verschroeiende Augustuszon en een sombere Novembermist en iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. Zaai eenige korrels wilde haver, maar verzuim niet, om tegelijk aan den schoot der aarde de kiemen toe te vertrouwen van dat voedzame graan, dat in 't nasaizoen een rijken oogst belooft!

IX.

SIMSON AAN DE VOETEN VAN DELILA!

De liefde! zwijg er van mijnheer! In mijne jonge jaren zongen de liedjeszangers op straat een deun, waarvan het verhevene refrein me nog dikwijls in de ooren klinkt; „de liefde maakt den mensch zoo dom,zoo dom, zoo dom!quot; Ze hadden gelijk. Kent u bijvoorbeeld mijn vriend Jan, of liever hebt u hem gekend; want de goede jongen is niet meer, hij woont tegenwoordig ergens op een dorpje in de hei, waar hij indigesties van turf boeren geneest en kleine turfboertjes de intrede in deze wereld gemakkelijk maakt. Bovendien is hij lid van den kerke-raad en voorzitter van 't Plaatselijk Nut, waar hij zich soms te buiten gaat aan eene humoristische redevoering. Ik kan dus gerust zeggen: de goede jongen is niet meer. Maar in zijn tijd! Een prachtexemplaar van een man, een kerel als een boom. Zijn stoppelige haren waren kort geknipt en zijn dikke nek getuigde van meer dan gewone spierkracht. Van zijn handen zal ik maar niet spreken. We herinneren ons allen nog, hoe hartelijk hij kon zijn

ocr page 121

Ill

en welk een kneep hij met, zijne soliede vingers aan onze magere knokkels toebracht, wanneer hij ons verwelkomde of van ons scheidde. De meisjes waren dol van Jan, want hij was inderdaad een geestige, alleraardigste jongen en als zijn gulle lach weerklonk, dan daverde de kamer op haar grondvesten en de ruiten rinkelden. Jan lachte wat om de meisjes en had zijne eigenaardige beschouwingen omtrent de vrouwen, die wij volstrekt niet met hem deelden. „Modepoppen, bakvisschen, sentimenteele schepsels zonder pit en energie,quot; waren zeer gewone invectieven in den mond van onzen reus, die een natuurlijken afkeer had van al wat niet krachtig, niet forsch, niet leeuwachtig genoeg was naar zijn zin. Jan scheen in de wieg gelegd voor eeuwigdurend celibatair en hij liet zich dan ook vrij wat voorstaan op zijne anti-matrimoniale gevoelens. Hij was evenwel geen vrouwenhater, in tegendeel. Op ieder partijtje zat hij midden in de bloemen, op ieder bal danste hij van de p o 1 o n a i s e tot den cotillon trouw mee en hij was nooit verlegen om lieve danseressen. Maar hij beschouwde ieder vrouwelijk wezen als een stuk speelgoed, dat hij eene enkele maal in zijne stevige handen kon nemen, zonder het te breken, maar dat op den duur tegen zijn pootige knuisten niet bestand zou zijn; als een fijn porce-leinen kopje, dat men heel voorzichtig uit de pronkkast te voorschijn haalt, om het er eenige oogenblikken later weer even voorzichtig in weg te bergen. Niet dat Jan speelde met meisjesharten of ze inderdaad als zijne speelpopjes beschouwde: zóó heb ik het niet bedoeld. Maar in zijne mannelijke kracht, in zijne lichamelijke en geestelijke sterkte zag hij een lief meisje voor zulk een nietig, klein wezentje aan, dat het hem bijna belachelijk voorkwam, als hij er ooit aan dacht, dat hij het lot van zoo'n

ocr page 122

112

teer schaapje aan het zijne zou kunnen verbinden, indien hij dat wilde. Want dat was inderdaad zoo: als hij gewild had... „Aan iederen vinger één,quot; zeiden de vrienden altijd, die, oprecht gesproken, niet weinig jaloersch waren van Jan en die zich niet zelden verontwaardigden over zijne stoïcijnsche leukheid in dit opzicht. Als men hem lachend en plagend vroeg, wanneer hij er aan dacht, een lief gezichtje uit te kiezen, zei Jan altijd op eenigszins gemelij-ken toon: „als het lam zal nederliggen naast den leeuw,quot; en daar ieder onzer overtuigd was, dat K r u p p nog eeuwen lang kanonnen zou gieten, als hij 't mocht beleven, en dat de bijbelsche profetie nog vrij wat tijd noodig zou hebben, om in vervulling te komen, begrepen we, dat Jans engagement eerst publiek zou worden, wanneer volgens de populaire spreekwijze Paschen en Pinksteren op eén dag zou vallen of volgens P an u r g e „q u a n d tout le monde serait contentquot;...

Maar Jan was een mensch niettegenstaande zijne Hercules-gestalte, en de steen, waarover een half-god gestruikeld was, zou ook onzen Jan de beenen breken, zoodra hij er op zijn levensweg tegen aanstiet. Die steen — 't is zonde, dat ik door mijn te kwader ure opgezette vergelijking genoodzaakt ben het beeld vol te houden — die steen was een allerliefste blondine van negentien jaar met groote blauwe oogen en frissche blozende wangen, maar o zoo'n teer poppetje... . Die staat, zie toe, dat hij niet valle... Ik weet heusch niet, op welke wijze de zaak in haar werk is gegaan: Jan heeft me er niet bijgeroepen; maar ik veronderstel, dat de bruiloft van zijn broer hem den genadeslag zal hebben toegebracht. Op die bruiloft zat Jan den ganschen avond naast het poppetje met de groote blauwe oogen en het vermoeden is tamelijk ge-

ocr page 123

113

wettigd, dat Jans ziel toen verdronken is in de golven der diepe zee, der onpeilbaar diepe zee van sentimentaliteit, welke in de blauwe blikken der blonde maagd lag besloten. Hoe het ook zij: onze Jan was reddeloos verloren. Of zijne worsteling met de onstuimige golven lang geduurd heeft; of hij zich nog heeft pogen te redden door middel van een ronddrij venden mast of den traditi-oneelen stroohalm, waaraan zoovelen zich hebben vastgeklampt, zonder er baat bij te vinden, kan ik niet uitmaken. Alleen weet ik mij te herinneren, dat we op zekeren gedenkwaardigen Zondag een paar nieuwe handschoenen aanschaften en gezamenlijk naar zekere receptie togen, waarvan onze vriend Jan de hoofdpersoon was. Ik geloof heusch, dat Hercules zich een beetje schaamde, toen wij de gebruikelijke plichtplegingen verrichtten en de noodige complimenten afstaken. Een S i m s o n zonder haar is in zeker opzicht altijd eene droevige verschijning en Jan verkeerde in dat geval. Toen een onzer achter de hand vrij ondeugend de toespeling waagde: „Simson! de Filistijnen over u!quot; — bloosde de patient en zocht zijne verlegenheid met een gedwongen glimlach

te bemantelen...... Overigens moet ik erkennen, dat

onze vriend eerlijk genoeg was zijne nederlaag niet te willen verbloemen. Maar 't was de oude Jan niet meer . .. 'k Heb met mijn eigen oogen gezien, hoe de reus een streng garen ophield en op een stoof aan de knieën zijner blonde D e 1 i 1 a zat, terwijl hij met verliefde blikken opzag naar de blauwe oogen der verleidelijke maagd, die de minste zijner bewegingen bestudeerde. Ik heb in persoon bijgewoond, hoe hij een ganschen avond zijn sigarenkoker in den zak heeft gehouden zonder er een vinger naar uit te steken, en eens heb ik hem betrapt, toen hij in

ocr page 124

114

een dikke sneeuwbui een half uur lang voor een modewinkel op schildwacht stond, waarin zijne beheerscheres bezig was een kraagje of een paar manchetten uit te zoeken. O .... de liefde maakt een mensch zoo dom, zoo domNare orgeldreun, waarom speelt ge mij voortdurend in de ooren!.... Is het zelfverwijt?.... Niet waar, we zijn immers allen ieder op zijne manier Herculessen of althans we verbeelden ons dat te zijn en vriend Jan is een type, dat het gansche mannelijk geslacht vertegenwoordigt. Weg met alle sentimentaliteit, met alle teedere gevoelens! Weg met alle onmannelijke tranen en alle weekelijkheid! Heeren en meesters der schepping noemen we ons zeiven en we willen voor geen gezag wijken. De tegenspoed plooit onze knieën niet, de haat en de nijd kunnen ons hoofd niet buigen, en daar komt een teere vrouwenhand met vijf mollige vingertjes, die ons draait en keert naar believen: een vingerwijzing is voldoende, om ons op de knieën te werpen, een wenk met de oogen, om ons weer te doen opstaan. Een teeder woord jaagt ons door 't vuur, een zoet glimlachje door een stortvloed .... O vriend Jan,. vriend Jan, wat is er van u geworden, sinds ge uwe ziel hebt verkocht aan de verleidelijke dochter van Eva, die u met haren blozenden appel tot zich gelokt heeft! En dat noemt zich nog wel het sterkere geslacht!

ocr page 125

115

X.

DE GROOTE SPRONG DOOR DE TON,

Er zijn schepselen, die het nooit tot dien graad van volkomenheid brengen.

aIk bedoel natuurlijk tot het geloof aan eenen toestand van twee-eenheid, het eerste dogma, waaraan de mensch, die zich tot den huwelijken staat heeft bekeerd, dient te gelooven, het eerste artikel, dat met roode letteren boven in zijn catechismus staat geschreven. Zulke ongelukkige wezens noemt men oude vrijers, alleenloopende heeren, vrijgezellen, en, als die tot de „seksequot; behooren, spreekt men, oneerbiedig genoeg, van oude vrijsters of oude jongejuffrouwen. Een oude vrijer is een wezen, dat 's morgens een gat in den dag slaapt; dat 's avonds op de so-cieteit grog drinkt; dat zijn kamer deelt met een vervaarlijken hond; dat van tijd tot tijd gaten in zijn kousen ontdekt, die gestopt worden zonder dat het ooit op de hoogte komt van de geheimzinnige fee, die hare rozen-vingeren tot dat nederige werk leent'; dat met ulevellen in zijn zak loopt voor de kindertjes van zijn hospita en zijne naaste kennissen, en dat een dubbeltje zeven maal omkeert, alvorens het uit te geven .... Eene oude jongejuffrouw is eene dame, die veel van kanarievogeltjes houdt; die slappe thee drinkt en sterke koffie; die heel veel zorg besteedt aan hare vaJsche krullen en hare valsche tanden; die alle jonge meisjes van zestien tot drie en twintig onuitstaanbare nuffen vindt en die twijfelt aan den gezonden staat der hersenen van ieder jonkvrouwelijke schoone, welke zich laat bekoren door de innemende manieren en de zoete woorden van den eenen of anderen Adonis ....

ocr page 126

116

Een man daarentegen, die zich bekeerd heeft tot den huwelijken staat en die zich door den ambtenaar van den burgerlijken stand heeft laten inschrijven in het groote boek, welks bladen met onuitwischbaar schrift beschreven worden, is een benijdbaar sterveling, een gelukskind. Hij mag 's morgens in de vroegte zijne legerstede verlaten precies op het gelukzalige oogenblik, waarin hij begint te begrijpen, dat hij slaapt; hij vindt zijn boterham gesmeerd en zijn thee getrokken; hij wordt onmiddellijk na het genot van zijn ontbijt in een gareel gespannen, waarin hij den ganschen dag mag draven onder 't vroo-lijk klappen van de lange zweep der noodzakelijkheid; hij keert vergenoegd en doodaf in den schoot zijner familie terug, wordt daar door zijne wederhelft ontvangen met eenige onbetaalde rekeningen, smaakt het onuitsprekelijk genot door zijne jongens voor een lantarenpaal aangezien te worden, welks beklimming een eigenaardig plezier veroorzaakt en door zijne meisjes voor een levend woordenboek, dat in alle mogelijke talen antwoord geeft op alle mogelijke quaesties, en legt zich, na zich ontdaan te hebben van toom en gareel, ter ruste met de aangename bewustheid, dat hij dien dag zijn plicht heeft gedaan, eene gewaarwording, die een celibatair nooit in zulk eene hooge mate kan ondervinden......Eene getrouwde vrouw is een engel van zelfopoffering, die begint met haar eigen naam en die eindigt met haar eigen ik te verloochenen; die kinderen opkweekt en kousen maast; die onweersbuien afleidt en zonnestralen opvangt, om ze als een heldere spiegel terug te kaatsen; die altijd pruttelt op keuken-, kamer- en kindermeiden en een enkele maal op het voorwerp harer eerste en laatste liefde; die een afkeer heeft van stof en spinnewebben en die in

ocr page 127

117

aanbidding neerzinkt voor een boender en een emmer water. Ook leest ze, als de kinderen van den vloer zijn en de wasch beredderd is, romans en feuilletons....

Nu die vier bepalingen op het papier staan, komt het me voor, dat ze wel een weinig lijden aan 't gemis aan logica en dat ze evengoed een beetje nauwkeuriger hadden kunnen uitvallen. Ze zijn evenwel logisch en nauwkeurig genoeg, om al de voortreffelijkheden en voordeelen van den huwelijken staat boven het oude-vrijerschap te doen uitkomen, en wèl zoo geschikt, om alleenloopende heeren te bekeeren tot het dogma der twee-éénheid als het algemeen bekende argument: „Zoolang men jong en gezond is, beteekent het niemendal, maar als men oud en gebrekkig wordt!quot;.... een bewijsvoering, die tot de onmiddellijke gevolgtrekking leidt, dat een mensch een vrouw neemt, om hem op te passen, als hij gebrekkig wordt en oud en die —als 't nog niet genoegzaam bekend was — alleen zou kunnen doen zien, dat mannen onverbeterlijke egoïsten zijn....

Er zijn lui, die niettegenstaande de in 't oog vallende voordeelen van het getrouwd-zijn het huwelijk zulk eene halsbrekende evolutie noemen, dat ze het vergelijken met den grooten sprong door de ton in een paardenspel. Dat komt in de eerste plaats, omdat de stumpers geen begrip en geen verstand hebben van de zaak, maar in de tweede plaats, omdat de stap over de kloof, die den „jonggezelquot; scheidt van den „huisvaderquot;, inderdaad

griezeliger schijnt, dan hij werkelijk is----Niet waar:

or is voor 't oog wel iets griezeligs aan. Vooreerst die twee-éénheid! Want ze is wel een dogma, maar er zijn wel meer dogma's waaraan het eenige moeite kost, met hart en ziel te gelooven. De mensch vindt in den regel

ocr page 128

118

zijne individualiteit, zijne persoonlijkheid zulk een beminnelijk iets, dat hij altijd een beetje huiverig is, om er ook maar een korreltje, een splintertje van op te geven. En dat is toch een eerste vereischte. Hoe heet het ook bij den dichter?

„Twee zielen, gloênde aaneen gesmeedquot;....

Ja, die gloeihitte.... dat is niemendal! Die komt van zelf, zonder dat men er iets van merkt, en met dat aaneensmeden gaat het ook nog redelijk wel. Maar als 't proces eenmaal zijn verloop heeft gehad en de verkoelende wind over de witgloeiende zielen is heengestreken, dan vormen ze zulk eene homogene massa, dat er aan scheiden niet meer valt te denken en dat mijnheer evenmin ieder brokje ziel, dat hij in den gemeenschappelijken smeltkroes geworpen heeft, kan herkennen, als mevrouw in staat is, haar kruimeltjes ziel er uit op te diepen....

Bijvoorbeeld: ge zijt een groot liefhebber van witte boontjes, — 't geval laat zich immers denken: er zijn wel menschen, die er veel zonderlinger liefhebberijen op nahouden? Maar Mevrouw uwe wederhelft is dol op bruine boontjes.

quot;Waar blijft nu uwe individualiteit? Toen ge nog in de heerlijke periode van het geëngageerd zijn verkeerdet, werdt ge telkens, als ge bij uw meisje te dineeren werdt gevraagd, op uw lievelingskost vergast en hare vriendelijke oogen schenen u te vragen, of ge dat nu niet erg lief vondt, zoodat ge in stilte reeds alle mogelijke lucht-kasteelen bouwdet en droomdet van een paradijs, waarin alle bloembedden met boonestaken bezet, alle voetpaden met witte boontjes bestrooid waren. Maar nu zijt ge getrouwd en van alle kanten grijnzen u schotels met bruine boontjes aan; want die lust uw vrouw zoo graag, en ge

ocr page 129

119

berust daarom en zwijgt, want ge hebt haar zoo hef, al vindt ge, dat ze op het punt van voedingsmiddelen wel een eenigszins zonderlingen smaak heeft....

Men begrijpt: de boontjes staan hier maar voor de vergelijking en ik had evengoed over hazepeper of Lis-sabonsche uien kunnen spreken. De hoofdzaak is maar, dat een getrouwd mensch een heel ander wezen is dan een vrijgezel en dat de quaestie van wit of bruin menigeen afschrikt van den stap over den afgrond en van den sprong door de ton....

Bij nader inzien valt het dan toch eigenlijk ook niet te ontkennen, dat een mensch op zijn trouwdag evengoed breekt als bindt: breekt met zijn verleden, zich bindt aan de toekomst, 't Is de vraag maar, of de ruil de moeite waard is en of het nieuwe gareel minder zwaar drukt en knijpt dan het oude. Want een gareel draagt een mensch toch altijd, evengoed voor als na zijn sprong door de ton. Misschien is 't eerste wat sierlijker, wat meer met kwasten en pluimen en strikken bezet en blinkt bij het tweede het leergoed en 't koper wat minder. Gelukkig, wie een toom treft, die door een zacht, vriendelijk handje bestuurd wordt, maar wee den ongelukkigen sterveling, die door harde, onbuigzame leidsels binnen 't geloof van de alleen zaligmakende twee-eenheid wordt gehouden!....

Zou een mensch daarom misschien ook op zijn trouwdag verlakte laarzen, een witte das en een zwaluwstaart aantrekken, omdat hij levendig beseft, dat hij maar eens van zijn leven op zoo'n buitengewoon standpunt komt te staan en dat bij een buitengewoon standpunt ook een buitengewoon pak behoort, zooals geen verstandig schepsel het ooit in zijn hoofd krijgt onder ordi-

ocr page 130

120

naire omstandigheden om zijne ledematen te hangen ? Misschien wel, ofschoon er ook lui zijn, die zoo'n behagen scheppen in den zwarten staartrok, dat ze wel twee, ja meermalen al de onaangenaamheden van het buitengewoon standpunt er om willen trotseeren.

XI.

BLOEMEN LANGS DEN WEG.

't Heeft me bijna gespeten, dat ik zooeven met zoo'n minachting gesproken heb van het allerdeftigste kleeding-stuk, dat in het woordenboek „rokquot; en in de taal der dagelijksche samenleving „zwaluwstaartquot; of „stalenpenquot; genoemd wordt. Ook heb ik een oogenblik de neiging bij me voelen opkomen, om eene lans te breken voor witte dassen, vader-moorders en glacé-handschoenen, als het toch bij nader inzien niet al te gek geweest ware en als ik niet inwendig een ingeboren afkeer had van alles, wat naar een geschoren heg of een misvormden boom gelijkt, waardoor bijv. een man in officieel tenue altijd den indruk op me maakt van een knotwilg, en een bedienaar bij begrafenissen me steeds doet denken aan een beknipte palmstruik in een achttiende-eeuwsch tuintje... . Maar er is in het oflicieele tenue en in het idee van staatsie-kleeren toch een kern van poezie, een heel kleine kern, die me behaagt, en ik zou het inderdaad betreuren, als onze prozaische eeuw eene gansche massa dingen, welke vroeger als gebruiken golden, waarvan men geen duimbreed zou afwijken, met een minachtend schouderophalen eenvoudig wenschte te verwijzen naar de rommel-

ocr page 131

121

kamer, waar de beffen en pruiken van onze grootouders reeds in een stoffig hoekje liggen te vergaan en door de mot worden opgegeten. Ik ben in dat opzicht heusch een heel klein beetje ouderwetsch. . .

Zie, het dagelijksch leven, ons opstaan en naar bed gaan, ons ontbijten en ons middagmalen, ons sloven en zwoegen voor het dagelijksch brood is in vele opzichten zóó ontzettend prozaisch, ligt zóó volkomen onder het alles gladstrijkende en nivelleerende pietijzer der gewoonte en der gewoonheid, dat een mensch soms snakt naar iets buitengewoons, en er is zooveel stof, zooveel slijk in de wereld en zooveel verdord en verschroeid groen, dat een simpel viooltje in 't knoopsgat al een heele uitkomst is. Er bloeien inderdaad bloemen genoeg langs onzen levensweg, als we er den slag maar van hebben ze te vinden, te ontdekken; er schijnen meer zonnestralen door de donkere wolken, dan men oppervlakkig wel zou denken, maar 't is niet aan ieder gegeven ze op te vangen en ze in zijne naaste omgeving te weerkaatsen ... En daarom: laat ons onze Zondagsche kleeren in eere houden; ^aat ons moedwillig geen rozen vertrappen, die in 't knoops-gaat een goed figuur zouden kunnen maken en die aan ons gansche optreden een eenigszins feestelijk voorkomen zouden kunnen geven; laat ons voortgaan met in onze almanakken ook hier en daar rooden inkt te gebruiken en enkele dagen met gothische letters te teekenen. Och, er is zoo'n poëzie in dat buitengewone, als is 't soms ook alleen maar voor 't oog, voor den vorm !. . .

Vindt ge bijvoorbeeld ook niet, dat moeders jaardag een heel andere dag is dan de overige driehonderd vier en zestig ? Schijnt de zon niet met meer glans en geuren de bloemen niet met milder overvloed? Is het gevoel.

ocr page 132

122

waarmede ge op oudejaarsavond rondom den haard zifc en wacht tot de klok langzaam en plechtig twaalf zal slaan, hetzelfde als dat, waarmee ge op gewone dagen de slaapmuts over de ooren trekt en onder de warme dekens kruipt, om te droomen van erfenisjes, die nooit komen, en buitenkansjes, die altijd aan een ander ten deel vallen ? Hoor eens: al vindt ge zelf ook, dat al zulke dingen maar verbeelding zijn; al hebt ge door de ondervinding, eene hardhandige leermeesteres tusschen twee haakjes, al heet ze de beste, — al hebt ge door de ondervinding geleerd, dat poëzie maar poëzie is en geen zoden aan den dijk brengt — helaas, dat het met velen onzer zoo ver moet komen ! —, dan nog hebt ge geen recht den rooden inkt uit den almanak te verbannen en den feesttooi voor ijdelheid en kinderachtigheid uit te maken, vooral niet, wanneer ge kleine menschen in uwe omgeving hebt, van die kleine menschen, die later groote menschen hopen te worden; wier ziel gelijk is aan de frissche lentebloem,

die smacht naar zonneschijn.....Waarlijk wie kinderen

bezit, en ik ben nog te weinig negentiende-eeuwsch, om niet te durven zeggen : „wie het geluk heeft kinderen te bezitten,quot; bedenke eerst tienmaal, wat hij zegt, vóór hij deze of die oude gewoonte, dit of dat vaderlijk gebruik den nek omdraait en voor eene dwaasheid verklaart; want geen indruk, die langer bijblijft dan de indruk in de kindsche jaren ontvangen; geen indruk ook, die langer zijnen weldadigen invloed, zijne verkwikkende werking doet gevoelen.

De melodrama's hebben — 't is met meer heilige en hoogst ernstige zaken zoo gegaan, waaruit al weer blijkt, dat de oude juffrouw Anna Roemer Visschergelijk had, toen ze zong:

ocr page 133

123

»Misbruick verkeert het soetste soet In walgelijck en bitter roet.quot; .... —, de melodrama's, zeg ik, hebben het bekende en traditi-oneele „cr oix de ma merequot; in een eenigszins belachelijk daglicht geplaatst; maar waarachtig en in allen ernst: in dat „kruis van moeder,quot; dat op het juiste oogen-blik de bedreigde onschuld redt en den wankelenden voet doet terugkeeren op het rechte pad, zit meer waarheid, zit dieper poëzie, dan menig spotter wel wil weten. En daarom — we spraken zooeven toch over den grooten sprong door de ton — en daarom zou ik het ontzettend nuttig vinden, als alle jongelui, die het traditie neele bootje instappen, zich een aparten almanak lieten drukken met eene gansche lijst van roode heilige-dagen erin. De beroemde weervoorspellingen van den doorluch-tigen Don Antonio en de doolhof konden dan gerust achterwege blijven; want wie in den zonneschijn wandelt, behoeft nog niet dadelijk vooruit te weten, dat er morgen wel regen en overmorgen wel onweer kan komen; 't is nog tijd genoeg daaraan te denken, als 't eenmaal zoover gekomen is; en wat dien doolhof betreft — men herinnert zich immers onze ouderwetsche almanakken nog wel? —, jongelui, die elkander voor den ambtenaar van den burgelijken stand op vereerend verzoek plechtig „de rechterhandquot; geven, behoeven waarlijk er niet dadelijk aan herinnerd te worden, dat het huwelijksleven niet zelden een doolhof is, waarin menigeen verdwaald met de verzuchting op de lippen: „was ik er nu maar weer

uit,quot; — dat zou de bruiloftsvreugde kunnen storen.....

De roode letters evenwel moesten er absoluut in staan en de eerste les, die ons paartje meekreeg, moest zijn: „houdt uw heilige-dagen in eere!quot; — Ik^durf wedden.

ocr page 134

124

dat de rest van zelf terecht kwam, en dat onweersbuien en wervelwinden, zonsverduisteringen en kometen met dreigende staarten veel minder vaak de zuivere atmosfeer en den helderen hemel zouden beroeren en verduisteren. quot;Wie bijvoorbeeld op nieuwejaarsmorgen zijne jonge vrouw een betrokken gezicht durft vertoonen, is tot alle mogelijke gruwelen in staat, en wie op den jaardag van zijne grijze wederhelft, moeder reeds van eene gansehe schaar bloeiende Idnderen, zou durven vergeten, haar met frissche bloemen te tooien, zou niet waard zijn, dat hij op zijn ouden dag onder eenen helder blauwen hemel wandelde in plaats van te midden van mist en onweerswolken......

Er is nog iets anders: de poëzie van den huiselijken haard is aanlokkelijk; de zonneschijn binnen de gezellige wanden der echtelijke of ouderlijke woning doet de regenbuien en de stormvlagen daarbuiten vergeten en noodigt den vermoeiden tobber, den afgematten zwerveling uit tot rusten, tot een op nieuw verzamelen van krachten. We zijn in onze dagen heusch wel wat uithuizig geworden. De buitenwereld neemt ons zoo zeer in beslag, dat we voor de gezellige binnenwereld maar weinig tijd meer overhouden. De stoomerige, electrische haast van onzen tijd drijft ons rusteloos als weefspoelen heen en weer, en waarlijk het fabricaat, dat we daarbij voortbrengen, is niet altijd een webbe, waaruit ons levensgeluk wordt vervaardigd.. .

Och, ik zou vooral ook onze jongens graag zoo lang mogelijk binden en trekken aan den huiselijken haard : bierhuizen, cafés-chantants, om nog van erger te zwijgen, ze zijn voor hunne lichamelijke, geestelijke en moreele ontwikkeling zoo verderfelijk. Lok ze door den zonneschijn in de huiskamer tot blijven; drijf ze door koud

ocr page 135

125

en vormeloos proza binnen de wanden niet naar buiten, waar ze eene poëzie zoeken, die van ware poëzie alleen den naam heeft... Vindt men deze verzuchtingen ouder-wetsch . .. dan in Godsnaam maar ouderwetseh ; ik ben er voor, om gezonde lichamen, gezonde hersens, maar vooral gezonde harten te kweeken, en ik zeg met volkomen gerustheid: laat ons de heilige-dagen in onze huiselijke almanakken met dikke roode letter teekenen; laat ons ze vooral in eere houden, we zullen er ons wèl bij bevinden.

XIL

DE PANTOFFEL.

Er zijn maar weinig symbolen, zoo prozaïsch en zoo hoog-poëtisch tevens als de pantoffel. Prozaïsch in de eerste plaats; want geborduurde muiltjes, laarsjes met hooge hakken en satijnen balschoentjes wekken onmiddellijk de gedachte op aan een teer, klein voetje met fijn gevormden enkel, dat tot steunpunt dient aan het bevallige lichaam van een lief, engelachtig wezentje, dat de eerste rol speelt in de droomen van elk jongmensch, door de natuur met een heel klein beetje dichterlijk gevoel bedeeld; terwijl een zware, vilten pantoffel de gedachten onmiddellijk richt op eene schommelende, roodwangige keukenmeid van middelbaren leeftijd, die met een schuimspaan in de vereelte handen troont op een matten keukenstoel of met een „gloriaquot; in de stoof kousen stopt en neepjesmutsen plooit... Maar poëtisch in de tweede plaats; want dezelfde pantoffel, waarmede onze

ocr page 136

126

Aaltje of M i e fc j e door de keuken sloft, is het zinnebeeld voor de heerschappij van het zwakkere geslacht over het sterkere, eene heerschappij, in het huwelijksleven zoo onbetwist gevestigd, dat de man, die durft beweren, dat hij niet onder de pantoffel zit, eenvoudig door zijne vrienden met een medelijdend schouderophalen wordt bejegend.

De pantoffel, waarmede onze schoone dochteren van Eva de maat slaan bij de huwelijks-symphonie, is daarom vooral zoo bijzonder merkwaardig, omdat ze in de handen van wie haar behendig weet te voeren, volkomen gelijkt op den tooverstaf van de eene of andere boven-aardsche fee : de sterkste Simson buigt voor haar geweld, zonder dat hij ook maar een enkel puntje van hak of zool te zien krijgt, en wie zich het meest verhoovaardigt op zijne volkomene onafhankelijkheid, gehoorzaamt het onvoorwaardelijkst aan ieder teeken, aan iedere beweging van den geheimzinnigen tooverstaf. Waar is de man, die aan zijnen invloed ontkomt, waar de huisvader, die niet op zijnen maatslag danst, waar de vermetele, die het waagt aan zijne bedreigingen weerstand te bieden?

Ofschoon... tot dreigen verheft zich de huishoudelijke pantoffel maar hoogst zelden en de schoone toovergodin, die haar voert, moet al zeer onhandig zijn en al bijzonder weinig gevoel van eigen kracht bezitten, wanneer ze het zoover laat komen. De huismoeder, die maar een heel klein beetje slag er van heeft, om vrouw te zijn, weet maar al te goed, dat die heerschappij de ware is en de meest invloedrijke, welke de roede, waarmede ze kastijdt, met liefelijke bloemen weet te tooien....

Er zijn een onnoemelijk aantal middelen, waardoor de zwakkere helft van het menschelijk geslacht zich de heer-

ocr page 137

127

schappij weet te verwerven over de zoogenaamde sterkere, en het arsenaal van iedere jonggehuwde vrouw is met allerlei. wapenen gevuld, waarmede ze, zoodra de bruiloft voorbij is, den strijd aanvangt, die onvoorwaardelijk met eene overwinning eindigt.

Ze heeft in dien strijd alle voordeelen aan hare zijde, wanneer ze namelijk behendig gebruik weet te maken van de omstandigheden en het juiste oogenblik niet ongebruikt laat voorbij gaan. De juiste tijd voor den be-slissenden veldslag, o jonge maagden, die bestemd zijt, om eenmaal het prozaische huwelijkswapen te voeren, is ongetwijfeld die gelukzalige periode in het echtelijke leven, die een practisch echtgenoot uit den ouden tijd mee den naam „wittebroodswekenquot; heeft gestempeld. Want het geldt hier vooral, om met de Openbaring te spreken: „Wat gij doen 'wilt, doe dat haastiglijk!quot;... Verzuim niet uwen zoogenoemden heer en meester te temmen, wanneer hij in het tijdperk van zijne goedmoedigste aspiraties is; begin al op de huwelijksreis en eindig niet, voor ge hem tot de innerlijke overtuiging gebracht hebt, dat terugkeer van den weg, waarop hij zich bevindt, eene pure onmogelijkheid geworden is. Bedenk, dat ge er recht op hebt; dat ge aanspraken kunt doen gelden op de pantoffelheerschappij, de eenige, die u volgens 't burgerlijk wetboek geoorloofd is; want — ja waarlijk, ge hebt zelfs een philosoof voor u — er bestaat volgens den Amerikaan Emerson in de zedelijke wereld een systeem van compensatie: tegenover elke winst staat een verlies, tegenover elk verlies eene winst. Den gulden, dien ge onvoorziens uit uwe beurs laat glijden, behoeft ge niet meer mee te dragen; aan den tand, dien ge laat uittrekken, kunt ge geen kiespijn meer

ocr page 138

128

krijgen, en de heerschappij, die u door alle menschelijke en natuurlijke wetten ontzegd schijnt te zijn, kunt ge door eene handige manoeuvre met de pantoffel niettemin verwerven .. . Als men de zaken goed bekijkt, zit de wereld toch bijzonder vernuftig in elkander, niet waar ?

Ik zei zoo even, dat het arsenaal van iedere jonggehuwde vrouw voor den beslissenden veldslag ruimschoots van wapenen voorzien is. Ik had nog verder kunnen gaan; ik had kunnen zeggen, dat alles in hare handen een wapen kan worden. Er zijn vrouwen, die hare mans vermurwd en onderworpen hebben door hen gedurende de wittebroodsweken vol te proppen met doperwtjes of asperges, omdat ze tijdens haar engagement de belangrijke ontdekking hadden gedaan, dat haar toekomstige beheerschers dol waren op die lekkernijen. Daarom, o onbedreven jongeling, zet een wachter voor uwe lippen, als ge geëngageerd zijt en laat nooit merken, wat uw lievelingskost is; wat thans uwe vreugde uitmaakt, zal eenmaal een wapen worden in die lieve, mollige handjes, om u machteloos te maken en te overwinnen.... Er zijn ook vrouwen, die zich de heerschappij verworven hebben met tranen en met zuchten. Dezulken zijn minder behendig in 't gebruik harer wapenen geweest dan hare zusters van zooeven. Bovendien zijn deze pijlen en lansen alleen te gebruiken in de wittebroodsweken, terwijl de doperwten en de asperges te allen tijde effect kunnen doen. Flauwtes en scheele hoofdpijn zijn ook niet geheel en al van kracht ontbloot, maar in den regel te theatraal en te veel op 't effect berekend, om volkomen te kunnen slagen. Ook helpen ze beter in den beginne dan op den duur; want een mensch raakt gewoon aan alles, zelfs aan eene wederhelft, die flauw valt,

ocr page 139

telkens als ze geen nieuwe japon van haar man kan loskrijgen; maar aan asperges kan men zijn heele leven lang smullen, en als de doperwtjes met behoorlijke tus-schenpoozen worden voorgediend, vervelen ze nooit. Den eerepalm onder alle Eva's-kinderen echter dragen die vrouwen weg, welke hare overwinning niet bij overrompeling willen behalen, maar door middel van eene sluw overlegde, nauwkeurig berekende tactiek. „Zij, die ge-looven, haasten niet,quot; — en zulke vrouwen hebben het ware geloof; hare zegepraal berust op hechte grondslagen: ze hebben geen staand leger noodig, om voortdurend de grenzen barer heerschappij te beveiligen tegen aanvallen uit het vijandige kamp. Ik heb op het oog die bescheiden, lieftallige huismoedertjes, die voor het oog haren heer gemaal op zijne wenken bedienen, die hem naar de oogen zien, niet met vrees, maar met innige liefde, die zich oogenschijnlijk naar zijne minste wenschen schikken, maar die het altoos precies zóó weten aan te leggen, dat de minste van die wenschen haar wenschen zijn, en die er alzoo den slag van hebben, in waarheid te regeeren, terwijl ze den schijn aannemen van geregeerd te worden.... Alle respect voor zulk eene wijze van pantoffelvoeren! Dat is de kastijdende roede, die met rozen is omwoeld, en terwijl manlief op de sociëteit hardop zit te beredeneeren, dat hij niet onder de pantoffel zit en dat hij gerust een uur later durft thuis komen, kijkt hij in 't geniep op zijn horloge en haast zich zijn grogje leeg te maken, wanneer hij merkt, dat hij vijf minuten over den gewonen tijd is .. . Bij zulk eene victorie, waar de overwonnen partij in gemoede meenen kan, dat alles verloren is „behalve de eer,quot; profiteert de overwinnaar ook het meest. De schijn moet

9

ocr page 140

130

gered worden en de man dient het hoofd te blijven van de huwelijksfirma, 't Bescheidene, verstandige vrouwtje stelt zich tevreden met de nederige rol van den bekenden bovensten halswervel, die het heele hoofd doet draaien naar believen. Het compensatie-systeem van Emerson! De wereld zit inderdaad vernuftig in elkaar!

XTTT.

HUISELIJKE RAMPEN.

Een lentedag met helder blauwen hemel, tintelende zonnestralen, sneeuwwitte bloesems en lauwe westenwindjes heeft het lot van alle aardsche dingen: hij duurt niet eeuwig. Wanneer de meimaand achter den rug is en het eerste frissche groen den invloed begint te ondervinden van de blakerende zonnestralen; wanneer van alle kanten van den horizon zwarte wolken optrekken en zich vormen tot wat de prozaïsche stervelingen eene dikke donderbui noemen, dan begrijpt zelfs de luchthartigste optimist, dat de wereld nog uit andere elementen is opgetrokken dan nachtegalen-gekweel en rozegeur, en dan schikt hij zich in 't onvermijdelijke, door zoo philosophisch mogelijk te beredeneeren, dat alle dingen twee kanten hebben en dat er geen zonzijde zou kunnen bestaan zonder schaduwkant, geen licht zonder bruin. Zoo ook de gelukkige jonge echtgenoot, die de bloempjes van het bruidsbouquet langzamerhand ziet verwelken en die uit de periode van 't wittebrood bijna onmerkbaar overgaat in het tijdperk van het roggebrood met harde korstjes ....

Inderdaad, wat zou het huwelijk zijn, als er niet van

ocr page 141

131

tijd tot tijd een klein stormpje, — een heel kleintje liefst — opstak, om de schadelijke dampen in de atmosfeer te verstrooien ! Ik bedoel niet van die vreeselijke noordwesters, die eiken ontwortelen en schoorsteenkappen naar beneden doen tuimelen. Er zijn zekere huishoudens, waar ze, helaas! hunnen vernielenden invloed doen gevoelen. Maar ik heb die kleine stormbuitjes op het oog, die onafscheidelijk aan ieder menschelijk leven, hoe kalm ook voor 't overige, verbonden zijn en die een oogenblik den blauwen hemel komen verduisteren, om daarna de gouden zonnestralen des te heerlijker te doen schitteren. Bedenk maar eens even, hoe onvermijdelijk zulke kleine depressies in den dampkring moeten zijn. Twee zielen, „gloeiend aaneengesmeedquot;, het is waar; maar overigens dikwijls uit zeer heterogene elementen bestaande; twee karakters, gevormd onder verschillende omstandigheden, kortom, om geen beeldspraak te gebruiken, twee menschen, die elkaar hebben leeren kennen van den zonnigsten kant — want welk geëngageerd mensch vertoont zich van zijne zwartste zijde? — en die dikwijls van twee tegenovergestelde windstreken van den aardbol door het toeval tot elkander zijn gebracht — is het wel te verwonderen, dat de huiselijke symphonic van tijd tot tijd door enkele dissonanten wordt verstoord? Nu, zoo'n dissonneerendaccoord maakt wel een aardig effect van tijd tot tijd, als 't maar niet zóó Wagneriaansch is, dat het voor oplossing onvatbaar blijkt.....

De wittebroodsweken zijn voorbij ; de hemel is nog voortdurend helder geweest en de liefelijke westenwindjes hebben bloesems en rozenblaadjes gestrooid langs den weg, dien 'tjonge paar tot nu toe bewandelde. Daar vertoont zich aan den verren horizon een wolkje „ter grootte

ocr page 142

132

van een manshandquot; en de profeet kan met alle zekerheid een regenbui voorspellen.

Mijnheer heeft vrienden, moet ge weten, joviale, trouwe lui, met wie hij gedurende zijn ongehuwden staat menig genoegelijk uurtje heeft doorgebracht en die zelfs Mevrouw gedurende hare jonkvrouwelijke jaren heeft leeren kennen en waardeeren. Sinds Mevrouw evenwel Mevrouw is geworden, ziet ze de vrienden van haren heer gemaal met een gansch ander oog dan vroeger. Ja, 'tis waar, gedurende haar engagement reeds hebben ze hare lieve blikken al eens beneveld, hebben ze hare roode lippen wel eens doen pruilen; want er waren gelegenheden, waarbij „Mijnheerquot; later kwam, dan hij afgesproken had, of eerder vertrok, dan hij gewoon was, en dan lag de schuld daarvan altijd aan die vrienden.......

Maar 't was immers zoo: ze mocht niet egoïstisch zijn en meenen, dat sinds haar engagement alle betrekkingen tusschen haar verloofde en zijne kameraden van vroeger moesten ophouden; dat ging niet. Nu evenwel, nu ze eenmaal getrouwd is, begeert ze haar man geheel voor zich. Wat kan hij buitenshuis zoeken, nu hij alles binnen de wanden zijner woning vindt ? Moet zij niet zijne eenige gedachte zijn, zijn eenig geluk en behooren de vrienden van vroeger — allen ongetrouwde lui, waarmee een deftig huisvader toch niet meer kan omgaan — niet geheel op den achtergrond te verdwijnen! Zeker, niet waar ?......

Mijnheer is van een eenigszins ander gevoelen. Hij dweept met zijn jong vrouwtje ; hij vindt het in zijn binnenkamer allergezelligst, hij heeft reeds meer dan eens in een verliefde bui verklaard, dat club noch sociëteit hem ooit dat innig geluk verschaft hebben, dat het thee-

ocr page 143

133

uurtje in zijne eigene woning hem bezorgt, en toch .... quot;Was hij onoprecht, toen hij dat verzekerde ? Stellig niet. Maar een man hangt met zooveel banden aan het leven buitenshuis ; een man is door zooveel verborgen en openbare draden verbonden aan het staatkundig, het maatschappelijk drijven en werken, waarvan de stille eenvoudige binnenkamer en het lieve, bedrijvige huismoedertje in de verste verte geen idee hebben, dat op den duur de enge wanden hem te benauwd worden en hij — zonder ook maar een greintje van de liefde tot zijn wijfje op te geven, snakt naar een beetje buitenlucht. Eene huismoeder kan dagen aaneen onder hare kinderen zitten, linnen verstellen en kousen mazen, soms zich troosten met een mooi boek en een bezoek van eene vriendin, zonder een enkel oogenblik te verlangen naar de wereld daarbuiten. Maar dat kan een huisvader niet. En zie, daar plaatsen zich voor het bedroefde oog van 't vrouwtje, dat alle zaken door een vergrootglas ziet, die nare vrienden en ze ontvoeren haar den man, dien ze voor zich alleen heeft gewenscht en dien ze gaarne in een doosje met watten onder een glazen stolp in de huiskamer zou willen gevangen houden!

De eerste Zaterdag-avond, op de sociëteit gesleten in den vertrouwelijken vriendenkring, is de eerste aanleiding tot een tranenvloed en tot een gevoel van wanhoop, dat vele vrouwelijke oogen beneveld heeft, vele vrouwelijke lippen heeft doen pruilen. Gelukkig zijn zulke buien van verdriet geen noordwesters, die schoorsteenkappen doen vliegen, maar eenvoudig vlaagjes, die dikke regendruppels aanbrengen en den huwelijks-bodem drenken, waardoor hij schooner vruchten draagt. quot;Want — hoe ondeugend het ook klinken moge — een jonge

ocr page 144

134

vrouw is nooit schooner en haar jonge man is nooit verliefder dan na zoo'n regenbui, als de zon weer langzamerhand door de wolken begint te breken, en wie ooit de zaligheid van zulk eene verzoening heeft genoten, zou haast in staat zijn, er een klein stormpje aan te wagen.

Weet ge welke stormen veel gevaarlijker zijn en den dampkring veel heviger beroeren ? Het zijn die, welke verwekt worden door de jaloezie. quot;Want een jaloersche vrouw of een jaloersche man zijn allerongelukkigste men-schen, en het lot van Othello en Desdemonais volstrekt niet benijdenswaardig. Ik weet wel, dat het menschelijk egoïsme zich tot op eene zekere hoogte gevleid gevoelt door de jaloezie, en wie slechts zóó flauw bemind wordt, dat hij niet in staat is, dat gevoel te verwekken, is maar half tevreden. Dat neemt evenwel niet weg, dat het een alles behalve aangenamen invloed uitoefent op 's menschen geluk en een onweersbui aan den huiselijken hemel, veroorzaakt door eene dikwijls volkomen ongemotiveerde ijverzucht, is vooral daarom ook zoo gevaarlijk, omdat ze in den regel, na zich ontlast te hebben, nog genoeg electriciteit in den dampkring achterlaat, om telkens op nieuw dergelijke buien te verwekken ....

Men kent immers de geniale en tevens geestige definitie, die Schleiermacher geeft: „D ie Eifersucht ist eine Leidenschaft, die mit Eifer sucht was Leiden schafft?

Het aantal aanleidingen tot meteorologische verschijnselen aan den huwelijkshemel is legio en het zou verscheidene bladzijden eischen, ze alle op te tellen. Daar zijn de kinderen en hunne opvoeding; daar zyjn de keukenmeiden, die de studeerkamer zoogenoemd aan kant maken en alle papieren op eene verkeerde plaats leggen; daar

ocr page 145

135

zijn rekeningen van modemagazijnen en hoedenmaakster.-!; daar zijn familieaangelegenheden en erfenissen, — mijn hemel! weet ik het, wat er al niet is; maar dit is zeker, dat eene echtelijke gemeenschap, die op zulke zwakke gronden staaö, dat ze geen ordinaire buien en windvlagen kan doorstaan als die, welke het gevolg zijn van de meest dagelijks voorkomende onaangenaamheden des levens, op zand is gebouwd en weinig goeds belooft. Lieve deugd! waar zou het huwelijk blijven, wanneer iedere schoonmaak bijv. het sein gaf tot eene oorlogsverklaring? En toch ligt er in zoo'n schoonmaak genoeg, dat aan de sterkere helft van het menschelijk geslacht aanleiding kan geven tot het zoeken van een „casus bell i.quot; Bijvoorbeeld ... maar neen, dit onderwerp uit den huwelijkscyclus is zoo belangrijk, dat het eene afzonderlijke behandeling verdient.

XIV.

SCHOONMAKEN.

Als de vrouwtjes maar half wisten, hoezeer ze de gezelligheid van den huiselijken haard verstoren, hoezeer ze hare eigene bekoorlijkheden verdonkeren, hoezeer ze het lankmoedige humeur van hare echtvrienden prikkelen tot eene hoogte, die het zelfs voor den leuksten man onmogelijk maakt, zijn beetje gezond verstand te gebruiken tot beteugeling van zijne hartstochten, wat ieder

ocr page 146

136

christelijk mensch toch in de allereerste plaats betaamt, — p

als ze dit alles, zeg ik, maar half, neen maar voor een d

vierde part, voor een honderdste deel zelfs maar begrepen, w

dan zouden ze den duivel der schoonmaakwoede nooit de v

deur binnen laten komen. quot;Want het is een duivel, die zi

voor dagen, soms weken, de kalme penaten van het huis- li

altaar verdrijft en er boven op gaat zitten met de spitse n

kin tusschen de knieën en de lange tong spotachtig uit ir

den grijnzenden mond gestoken. Het is een echt Hol- h(

landsche duivel, die inderdaad veel kwaadaardiger is dan d(

iedere andere van uitheemschen oorsprong, omdat hij zich vlt;

zoo volkomen op zijn gemak voelt, zoo geheelenal met g,

de heiligste tradities van het nationaal bewustzijn is samen m

gegroeid, dat hij niet beter weet, of hem komt rechtens di

op zekere tijden van het jaar een eereplaatsje toe in iedere m

fatsoenlijke huishouding, welker meesteres er prijs op stelt w

door alle andere Nederlandsche huismoeders voor een di

onverbasterde telg van het roemrijke voorgeslacht be- v«

schouwd te worden. m

Een gansch heirleger van trawanten maakt zijnen stoet ui

uit. Vertoont hij zich maar éénmaal, hoogstens tweemaal te

in het jaar, zijne ondergeschikten bevolken voortdurend ki

het gansche Nederlandsche huis. In de keuken huizen ze kt

in potten en pannen, op de linnenzolder tusschen sparren d£

en gebinten van het dak; er zit er een op de vloermat vc

voor iedere kamerdeur; er hurkt er een in ieder aschbakje dt

op den schoorsteenmantel. Een verstandig huisvader, die he

zijne rust liefheeft, schikt zich in deze dagelijksche om- gc

geving en weet het zelfs zoo ver te brengen, dat hij aan sa

al die kobolden en nikkers een vriendelijk gezicht toont, le;

al heeft het soms veel van de bekende traditioneele tronie, mi

die de volksmond toeschrijft aan een boer, die met kies- lij

ocr page 147

137

pijn geplaagd is. Hij oefent zich zelfs zoozeer in de deugd der lankmoedigheid, dat hij er ten einde toe komt, zich wijs te maken, dat hij het nut inziet van de aanwezigheid van dat helsche gezelschap, ja, hij drijft de deugd der zelfverloochening zoo ver, dat hij zijne gansche persoonlijkheid opgeeft en van tijd tot tijd een der kaboutermannen een zitplaatsje aanbiedt op zijne schrijftafel en in zijne boekenkast... . Maar den meester van dat gansche heir van kleine demons, den eigenlijken stokebrand van de nimmer verzadigde schoonmaakwoede.... neen, dien vergeeft hij het nooit, dat hij eenmaal in 'tjaar zijne gemoedsrust op zulk eene ruwe wijze komt storen, en de man moet nog geboren worden, die ook den voorj aars-duivel met een open gemoed de hand toesteekt en hem met ongeveinsde liefde een plaatsje offreert binnen de wanden van zijn echtelijk heiligdom. .. De voorjaars-duivel! Want wat de verschijning van het monster nog veel hatelijker maakt, is, dat het altijd zijne intrede doet met de Lente. Als G-ods schoone natuur wakker wordt uit den winterslaap; als de eerste zwaluwen in 't land terugkeeren; het dorre gras begint te groenen, de malsche knoppen openbarsten en de madeliefjes het veld besprenkelen; als de meidoom geurt en de nachtegaal kweelt, dan wipt hij met de lauwe voorjaarslucht de openstaande voordeur binnen en voor ge het weet, voor ge 't verhinderen kunt — als er al iets aan te verhinderen was! — heeft hij zijne bekende plaats ingenomen en de vreedzame goden van den huiselijken haard in een vergeten hoekje saamgedreven, waar ze met angst en beven zich verschuilen, tot de tiran het goedvindt te vertrekken, beladen met de verwenschingen en de verzuchtingen van den lijdenden huisvader, die met een dikke bouffante om zit

ocr page 148

138

te kuchen en te hoesten op de leege plek, waar nog kort geleden de gezellige kachel snorde en waar de blinkende pook uitlokte tot porren in het flikkerende vuurtje, dat helaas is uitgebluscht, vóór nog de weldadige warmte van den zomer de kilheid een er JSTederlandsche Lente heeft verjaagd! .. . O noodlot! o ramp!. .. En bleef het nog maar bij dit alles! Maar ik ken geen grooter ellende voor een man, die eenig gevoel bezit van eigenwaarde, dan te worden uitgelachen. En in plaats van zich tevreden te stellen met de helsche pijnigingen, die hij iederen huisvader doet ondergaan en die waarlijk al geen geringe straf zijn voor alle mogelijke echtelijke zonden, die de ongelukkige willens of onwillens gedurende een heel jaar mocht begaan hebben, voegt de hatelijke demon hem ook nog de vernedering toe van hem uit te lachen, niet achter zijn rug — dat zou nog eenig respect toonen voor het hoofd van 't gezin — maar vlak in zijn gezicht. Met echt duivelsch genoegen zet hij den rampspoedigen lijder middag aan middag eten voor, dat óf niet gaar, óf aangebrand, ófte zout, óf verwaterd is; ja soms zet hij hem eten voor, dat er in 't geheel niet is, wanneer bijvoorbeeld de schoorsteen in de keuken geveegd moet worden en zijne helsche boosaardigheid aan de vrouw des huizes de woorden in den mond legt: „dat het voor één middag heel goed met een boterham en koud vleesch kanquot;.. . Dan speelt hij den wanhopigen sukkelaar, die ten laatste met de handen in 't haar vertwijfeld in een vergeten hoekje neerzijgt, waar hij rust hoopt te vinden, nog allerlei boosaardige parten, waarvoor het lammer-achtige gemoed van den goedaardigen stumper, dien men huisvader — met bijtenden spot ook wel heer des huizes — gelieft te noemen, geen naam weet en die in een normaal men-

ocr page 149

139

sch en brein nooit zouden opkomen. Hij drijft hem het gansche huis door, vóór hij hem er uit drijft; want daarmede eindigt gewoonlijk het helsche, wreedaardige spel. 's Morgens ontbijt de tobber in zijne huiskamer; om twaalf uur wordt hij naar de lunch geleid in de visite-kamer ; 's middags om vier uur dineert hij in zijn eigen studeerkamer, waar tot meerdere stichting van zijn verhard gemoed een dictionnaire gebruikt wordt, om zijn jongsten lieveling de mogelijkheid te verschaffen met den neus boven de tafel te komen ; waar eene aflevering van een prachtwerk als een zeer geschikte onderlegger wordt beschouwd voor een warmen schotel, die anders, notabene, het blad van de tafel zou kunnen bederven; waar .... maar is het al niet genoeg, om zelfs een kalveren-natuur de gal te doen overloopen? Voeg daar nog bij, dat de rampzalige man 's avonds soupeert op zijn slaapkamer en insluimert in een vreemd ledikant in het logeervertrek en dat den volgenden morgen de dolle jacht opnieuw begint : een echte jacht met hindernissen, waarbij de hijgende martelaar hier zijn beenen dreigt te breken over een paar bezems ; daar uitglijdt op een natten dweil; ginder struikelt over eenige harpijen, die zijne vrouw schoonmaaksters noemt, maar die hijzelf binnensmonds — hij durft het niet eens hardop doen — met eenen gansch anderen naam betitelt; elders weer dreigt neer te zinken in een meer van zeepsop of een poel van sodawater!

Is het wonder, dat do wanhoop hem eindelijk de deur uitdrijft de wijde wereld in, waar hij doelloos omzwalkt als een schip zonder roer, tot eindelijk het toeval hem doet binnenvallen in de woning van een goeden vriend, waar dezelfde rampen hem evenwel bij de voordeur reeds

ocr page 150

140

toegrijnzen en dezelfde demon de stille huismoeder in eene furie heeft veranderd !. ..

Eindelijk is de storm aan 't afnemen; de zondvloed verloopt en de wateren keeren langzamerhand in hunne bedding terug. Enkele droge plekjes steken reeds boven den zeepsop-oceaan uit, een enkel vertrek is door den boozen geest verlaten, de beschroomde penaten komen aarzelend uit hunne schuilhoeken te voorschijn en trachten zich op hunne oude plaatsjes eenigszins lekker te maken. Maar 't lukt nog niet recht. Nog eenige dagen verloopen, voor de zeepsopgeur en de terpentijnlucht den echtelijken hemel niet langer bezwangeren met hunne scherpe uitwasemingen; voor de koude en de kilheid van de wateren, die zoo pas de aardoppervlakte verlaten hebben, voor de weldadige warmte van den huiselijken haard zijn geweken; nog enkele dagen. Langzamerhand eerst krijgt het abnormale gelaat van de woedende huismoeder de oorspronkelijke trekken terug. En naarmate haar voorhoofd zich ontrimpelt en de storm in haren boezem zich legt, om plaats te maken voor het ruischende westenwindje, keert ook de gemoedsrust van haren gemar-telden echtgenoot terug, die zich troost met het heerlijke vooruitzichtj dat hij althans twee-en-vijftig weken van den boozen geest verlost zal blijven ,.. Had ik ongelijk, toen ik de groote schoonmaak onder de huiselijke rampen rangschikte?

ocr page 151

141

XV.

BURGERPLICHTEN.

Er is voor alles een tijd. Wanneer de monsch zich gedurende eenige jaren gebaad heeft in al de weelden van het jonge huwelijksleven; wanneer hij uitsluitend geleefd heeft voor de wereld, die besloten is binnen de vier wanden van zijn eigen huis; wanneer hij voor zijne beminnelijke wederhelft strengen garen heeft opgehouden en feuilletons heeft voorgelezen uit den treuren, dan verschijnt hij eindelijk weer aan de oppervlakte. Zijn vrienden en bekenden krijgen hem weer te zien ; hij neemt zijnen zetel weer in op de sociëteit, en de maatschappelijke samenleving vindt, dat de idylle nu lang genoeg geduurd heeft en dat ze hare rechten weer mag laten gelden. Bovendien de huiselijke kring is verwijd en 't bedrijvige vrouwtje, dat in den eersten tijd niet anders te doen had, dan met tact de pantoffel te voeren, zit thans tot over de ooren in allerlei drukten, waarbij kinderrokjes en slaapmutsjes, zuigflesschen en bakerspelden de hoofdrol vervullen. De heer gemaal, die tot nu toe op den voorgrond van het tooneel stond, wordt achteruit gedrongen en zijne nakomelingschap doet hem nu reeds ondervinden, dat alle roem en heerlijkheid vergankelijk is en dat al het oude voorbijgaat, om plaats te maken voor het nieuwe. Hij is nu rijp voor gemeenteraad en schoolcommissie, voor polderbestuur en kerke-raad. Gelukkig mensch !... Of is het geen onuitsprekelijk geluk, met een uitgestreken gezicht achter eene groene tafel met koperen spijkertjes te mogen zitten en daar de belangen van het algemeen te behartigen? Is

ocr page 152

142

het niet een wellust, cantemerle te drinken en daarbij te zorgen, dat het land niet onder water loopt? Is het geen zaligheid, lange pijpen met portorico te vullen en met een witten zak langs de huizen te wandelen op het voetspoor van een weesjongen, die roept: „collecte voor de Gereformeerde of Luthersche armen ?quot; ... Is het niet een voorrecht, te zetelen in de eene of andere sub-com-missie van een rood of een wit of een groen kruis en denkbeeldige gewonden denkbeeldige verbanden te leggen op imaginaire wonden, onder 't genot van een glaasje punch en een geurige havanna ? .... Zwijg er van! In dat alles ligt 's menschen voortreffelijkheid I Nuttig werkzaam te zijn voor anderen, zijn Zaterdag-avonden — als thuis de kinderen verschoond worden en de schel geen oogenblik stil staat — op te offeren voor 't welzijn der maatschappij, is er schooner bewijs denkbaar voor de onbaatzuchtigheid van het menschelijk geslacht en kan men afdoender tegenspraak vinden voor de stelling, dat het egoisme de wereld regeert ? ...

Ik zou wel eens willen weten, wat er van de ongelukkige wereld zou worden, als er geen vergaderingen en geen commissies bestonden, en ik houd het er bepaald voor, dat die dingen alleen uitgevonden zijn, om 't mensch-dom van totalen ondergang te redden. . .

Daar hebt ge bijvoorbeeld alle mogelijke „tweede en eerste kamersquot; — 't is me altijd een raadsel geweest, waarom de weldoeners van 't menschelijk geslacht, die men wetgevers noemt, er nog geen derde kamer bij ge-practiseerd hebben, want ik zou zeggen, waar 't op redden aankomt, hoe meer handen, hoe beter —; hoe zou het er wel niet uitzien met onze rampzalige samenleving, als die er eens niet waren?... Wat zou er bijvoorbeeld

ocr page 153

143

worden van de zetters en de drukkers van 't „Staatsbladquot; en de „Handelingenquot; en van hunne arme „bloedenquot; van kinders, als er geen welsprekendheid, geen ware parlementaire welsprekendheid meer bij den meter werd verkocht ?... Hoe zou het gaan met 's lands welvaren, als er geen commissies waren, om gansche vellen vol te redeneeren over vergane Adders, die nooit weer voor den dag komen, en onoplosbare onder wij squaesties, die iederen dag opnieuw voor den dag komen ?. ..

Gelukkige huisvader daarom, wanneer ge de periode der rijpheid bereikt hebt en wanneer een bekussende zetel u verleidelijk zijne beide armen toesteekt. Ga er op zitten, edele man, laat u omhelzen: het wel of het wee der mensch-heid hangt er van af! Driewerf gelukkig is ons Nederland, dat gezegend is met commissiën, ontelbaar als 't kroost van Abraham, als het zand aan den oever der zee, en dat nooit tevergeefs uitziet naar een onbaatzuchtigen president, naar een zelfopofferenden secretaris, naar een be-langeloozen penningmeester!. . . Spoelt het water uwe dijken weg, fluks, eene commissie voor de noodlijdenden; werpt het lot u een nieuwen burgemeester in den schoot, onmiddellijk een comité om den titularis feestelijk te ontvangen en te complimenteeren; overrijdt een groentekar uw schoothondje: „eendracht maakt machtquot;, en er verrijst eene afdeeling van de maatschappij tot dierenbescherming. Vereenigingen voor veredeling van het rundveeras, voor volksvermaken, voor de verspreiding van de ware leer onder de Zoeloes, voor de volksweerbaarheid, voor idioten, voor verzengde Austraalnegers en be voren Esldmoos... maar, mijn lieve vriend, ge kunt te kust en te keur gaan ! Spoedig, grijp toe: daar ligt de weg, die naar de ware populariteit voert. Trek neger kindertjes hemdjes aan;

ocr page 154

144

stuur Hottentotten traktaatjes; brei kousen voor Roodhuiden en slaapmutsen voor de Patagoniërs, en ik durf wedden, dat ge den eersten stap gedaan hebt, om een groot man te worden. Ge moogt er desnoods uwe naaste omgeving bij verwaarloozen. Menigeen is begonnen als dierenbeschermer of volksvermaker, die geëindigd is als gemeenteraadslid of provinciale-staat.... Maar vooral, wees niet al te bescheiden! Schat uwe eigene bekwaamheden nooit gering en verberg u niet achter tonnen en vaten zooals wijlen Saul, toen men hem koning van Israël wou maken. Treed voor het voetlicht, maak u zeiven wijs, dat ge een oordeel hebt over alles en over meer dan alles, wees overtuigd van uw eigen onbaatzuchtigheid en eerlijkheid, en ge zult zien, dat de heele wereld uwe opinie deelt. Met iedere vergadering, die ge presideert, zal uw invloed rijzen en uw prestige aan kracht winnen; ik durf u binnen niet al te grooten tijd een zetel achter de eene of andere groene tafel voorspellen.... En dat is toch uw doel, niet waar? Want welk rechtgeaard Nederlander kan rustig het uurtje van zijnen dood tegemoet zien, als hij niet minstens eenmaal van zijn leven met de ellebogen op een lap groen laken heeft gerust ?...

Gelukkig daarom, dat er een tijd is voor alles. Er is eene periode in 't leven, waarin de mensch meent, dat het Heelal draait om een priktol; eene andere, waarin hij zich verbeeldt, dat de as van de aarde gevormd wordt door een lange sigaar van tien om een dubbeltje. Er is een tijdperk, waarin alle sterrenbeelden des hemels voor zijne oogen draaien om een lief meisje, een ander, waarin het middelpunt der gansche schepping bestaat in een snoeperig huismoedertje met een dikken, gezonden jongen op de knieën. Maar er komt ook een tijd, waarin de vier

ocr page 155

146

windstreken des hemels voor hem gevormd worden dooide vier uithoeken van een „Nederlandschen Leeuwquot;, waarin een voorzittershamer hem een Herkulesknots toeschijnt, waarmee hij de aarde van allerlei monsters en ongedierte zal bevrijden!.. . En gelukkig, dat het zoo is. Want ik vraag u nog eens : wat zou er van de wereld worden, als een mensch altijd idyllen dichtte en nooit dacht aan een epos of een drama?

XVI.

DE KINDEREN.

Wat is een huis zonder kinderen! Een zomer zonder zon, een winter zonder ijs, een grenadier zonder berenmuts en knevels — zou Beets zeggen — hazepeper zonder haas — zeggen wij, die helaas minder poëtisch zijn dan onze dichterlijke Hildebrand. Ofschoon, als ik het voor 't kiezen heb, houd ik het nog liefst met het eerste der gebruikte beelden en vergelijk een kinderloos huisgezin in de allereerste plaats bij voorkeur bij een zomer zonder zon. Want de echte, verkwikkende, koesterende zonneschijn valt eerst dan in het huwelijksleven, wanneer het opgevroolijkt wordt door een paar blonde of zwarte krullekopjes met blozende wangen en levendige kijkers, die van gezondheid en levenslust overvloeien en die tintelen van guitige, geestige ondeugd. Ik weet wel er zijn een massa pessimisten in de wereld, die altijd om een hoekje klaar staan, om de idealen en de luchtkasteelen, welke een eenigszins optimistisch gestemd menschenkind bouwt, omver te blazen en die, nu ik onze kleuters als

10

ocr page 156

146

den zonneschijn in het huishouden qualificeer, onmiddellijk mefc een citaat uit Vader Cats voor den dag zullen komen, om te beweren, dat „kinders hindersquot; zijn. Maar ik ben voor ditmaal van plan, me eens niet aan die spelbrekers te storen en trots iederen pessimist een lofzang te zingen op ons „klein goedquot;. Bovendien houd ik den ouden Cats voor een te verstandig man, om hem te verdenken van al te grooten ernst, toen hij de beruchte woorden neerschreef, waarmee onze goede oude baker, onze schommelende keukenmeid, onze nuffige kindermeid, en ja, ook wel een enkele maal onze goede moeder ons in onze prille jeugd begroet hebben, wanneer we zeurden of dwongen of huilden of wat er verder in ons kinderleven al voor hinderlijks aan ons moge geweest zijn. Daarbij houd ik het er altijd voor — een idee, dat me reeds in mijn jonge jaren heeft bij gelegen — dat de oude man dat „Icindersquot; en „hindersquot; maar om 't rijm bij elkaar heeft gebracht: 't zou immers de eerste maal niet wezen, dat zoo iets gebeurde? quot;Want een dichter, die om een rijmwoord verlegen is, is een hoogst ongelukkig schepsel en dankt den hemel, Apollo en alle Muzen, als hij zich door een gelukkigen zet uit den brand kan redden.

Dat weten we allen nog wel uit den tijd, toen we zeiven dichters waren, uit den tijd, toen we tusschen wijs en dwaas in stonden en toen we A n n e k o o lieten rijmen op Lenteboo en hart op liefdesmart.

En daarom houd ik vol, dat een huis zonder kinderen den glans mist, dien de gouden zomerzon alleen verkenen kan en die door geen kunstvlam, hoe modem ook, zelfs door geen electrisch licht kan worden vergoed......

Ik stel me zoo voor, dat een paar menschen, die geen kinderen hebben, den heelen dag door 't huis loopen te

ocr page 157

147

zoeken naar iets, dat er niet is en waaraan ze zelf geen naam kunnen geven. Ze zouden eerst tot de bewustheid komen van wat hun eigenlijk ontbroken had, wanneer ze plotseling in een hoekje achter de overgordijnen een blozend kinderbakkesje verstopt vonden, en ik wed, dat ze in zoo'n geval eenpai-ig zouden uitroepen: „gevonden !quot;.

En vooral kan ik me geen vrouw denken, die er zich mee vergenoegen zou, alleen voor zich zelve te leven en te zorgen. De vrouwelijke natuur is over 't algemeen zoo ver verwijderd van 't geen men egoïsme noemt, dat er bijna geen vrouwelijk wezen denkbaar is, dat zich alleen binnen den kring van 't eigen-ik beweegt, en eene dochter van Eva voelt zich dan eerst in hare volle waarde, in hare volle kracht, wanneer ze zich voor iets kan opofferen, wanneer ze met iets kan sollen, dat hare gansche ziel inneemt en waarvoor ze geheelenal kan leven. Zoo iets kan een tijdlang een opgeschoten jongmensch zijn van een twintig, een-en-twintig jaar, desnoods met een lorgnet op en gouden knoopjes aan zijn overhemd, dat ze heel deftig haar „aanstaandequot; noemt. Ze vult hare geheele ziel — dat meent ze althans — met de beeltenis van meergenoemd jongmensch ; ze houdt een wakend oog op zijn boordjes en zijn manchetten; ze dweept met zijn krullende haren en zijn andere voortreffelijkheden ; ze leeft van zijn glorie en ofiert tot zelfs hare vriendinnen op zijne altaren. Zoo iets kan ook zijn een jonge man, voor wien ze kousen maast en eten kookt, pantoffels klaar zet en beleefdheidsbrie ven schrijft, snippermanden borduurt en koffie schenkt.

Zoo iets — 't hangt maar af van den aard van 't beestje, zei onze oude tuinman altijd — kan ook zijn een sensatieroman, waarin een allerongelukkigste hij alle moeite

ocr page 158

148

doet om eene rampzalige zij te veroveren, wat na tal van wederwaardigheden en met behulp van het vernuft van den schrijver eindelijk gelukt. . . Maar al die dingen zijn maar huismiddeltjes, waardoor de innerlijke Sehnsucht der vrouwelijke natuur een tijdlang gepaaid wordt, vergeleken bij de eenig remedie, bij 't eenige kruid, dat voor haar gewassen is. Geef een jonge vrouw een stevigen krullebol op den schoot en ze heeft het altaar gevonden, waarop ze offeren kan. Zet er nog een blauwoogig poedeltje met dikke wangen en blauwe kijkers naast, en ze verdeelt haar wierook en hare verdere offergaven zoo eerlijk tusschen de beide afgoden van haar hart, dat geen van beide ooit op 't idee zal komen, dat hij niet de afgod bij uitnemendheid is.....Daarom alleen reeds, om de vrouwelijke

offervaardigheid, de moederlijke teederheid en daarbij het moederlijk geluk, dat rondom zijne weldadige stralen verspreidt, in al hun volheid te genieten, zich te zien ontwikkelen —, om te deelen in den zonneschijn, die daardoor over het huiselijk leven wordt uitgegoten, zou men zijn binnenkamer gestoffeerd moeten wenschen met zooveel jeugdige wereldburgers, als ze met fatsoen bevatten kan. ... quot;Wat onze negentiende-eeuw, die er inderdaad sommige verfoeilijke theorieën op na houdt, ook moge beweren, ik houd me in dit opzicht maar aan 'tOude Testament en kom er rond voor uit, dat kinderen een zegen zijn. Ik weet wel, dat er al weer pessimisten bestaan, die een spreekwoord hebben uitgevonden, waarin ze beweren, dat veel varkens dunne spoeling maken, en ik geef toe, dat in dit ondermaansche de „spoeling' — hoeprozaisch ook in alle opzichten — een voornaam ingredient uitmaakt van 's menschen bestaan. Maar daar staat tegenover een spreekwijze, die de optimisten — gelukkig, dat die er

ocr page 159

149

nog zijn ! — hebben bedacht, die spreekt van de tering naar de nering te zetten.

Ook leeft, er eene bewonderenswaardig optimistische uitdrukking, die stellig door eene huismoeder te voorschijn is geroepen en die beweert, dat „één meer of minder weinig uitmaaktquot; en dat „waar genoeg is voor zeven, nommer acht ook nog wel zijn portie kan krijgen.quot; En zoo is het ook ! Er is natuurlijk een grens aan alles ; maar wanneer ik kiezen moest, zou ik het waarlijk houden met de bekende spreekwijze : „liever tien kinderen dan geen één!...

Bedenk eens, wat een geluk zulk klein-goed al niet om den huiselijken haard verspreidt, en laat de heeren pessimisten nu eens een oogenblik den mond houden, tot ik hun in al zijn geuren en kleuren een huiselijk tooneeltje geschetst heb, waarin de kleuters, die zij „hindersquot; gelieven te noemen, de hoofdrol vervullen.

Ge staat godganschelijk alleen in de wereld en ge woont op kamers boven eene oude juffrouw, die snuift en die alle halve uren een nieuwen roman op het touw zet, om u er bij 't verschijnen van 't koffie-en theewater op te vergasten. Ge zijt 's avonds naar bed gegaan met het bewustzijn, dat ge den volgenden dag in de droevige noodzakelijkheid verkeert, uwen vijf-en veertigsten verjaardag te vieren. Ge vindt het eigenlijk de moeite niet eens waard een enkel oogenblik aan den gewichtigen dag te denken ; want ge weet vooruit, dat hij eene nieuwe teleurstelling voor u zijn zal: de vijf-en veertigste, eene teleurstelling, die geregeld elk jaar terug komt. De oude juffi-ouw zal morgen ochtend op den gewonen tijd met hare zware muilen de trap komen opsloffen ; ze zal op 't portaal even stil houden, om uit hare hoornen snuifdoos eene neusver-sterking te nemen, ze zal driemaal sterk niezen en daarna

ocr page 160

150

hare beeuige knokkels tegen uwe kamerdeur werpen, om u vervolgens te verwittigen met hare gebarsten altstem, dat het al vijf minuten over zevenen is. De sloffen zullen opnieuw de trappen af klotsen en geen enkele, vriendelijke menschelijke stem zal u verder doen voelen, dat het op dezen merkwaardigen dag precies vijf en veertig jaar geleden is, dat de baker u aan uwen papa presenteerde met de omineuse woorden: „een flinke jongen, mijnheer „Een flinke jongen!. . . .ja, een mooie jongen !'' pruttelt gij, terwijl ge met een nijdigen ruk uwe kousen aantrekt en met een heftigen zwaai uwe gepluimde slaapmuts—ge draagt die natuurlijk—wegwerpt. ..

Stel u thans uw overbuurman voor : ik bedoel den welvarenden rentenier met zijn zwart lakensche uitmonstering, die zoodanig in 't zwart laken geconfijt is, dat het u altijd eenige verwondering baart, hem zonder zwart lakensch overhemd en zakdoek, zonder zwart lakenschen bril te zien en dat ge u niet begrijpen kunt, hoe de man er toe komen kan, des nachts onder een wit laken van de vermoeienissen dezer wereld uit te rusten. En toch doet hij dat, naast zijne lieve wederhelft, die een nachtmuts draagt met plooien en een paar muilen, die thans voor 't ledikant staan, maar over dag met haar geklep de maat slaan voor de huiselijke symphonic, die alleen bestaat uit consonneerende accoorden, zoolang de baspartij de maat houdt, wat ze maar hoogst zelden zich vermeet niet te doen. Vooiioopig ligt die baspartij evenwel nog te snorken. Ze heeft anders een gewichtig en dag vóór zich : ik bedoel natuurlijk uwen eerwaardigen zwartlaken-schen buurman, die van plan is zijn vijf-en-veertigsten verjaardag te vieren, 'tls hem echter de moeite niet waard, er vijf minuten eerder om te ontwaken. Hij heeft

ocr page 161

151

het „zaakjequot; zoo vaak mee gemaakt — vier en veertig maal reeds, mijnbeer! — dat het voor hem al den glans der nieuwheid lang verloren heeft. Hij weet precies, wat er gebeuren zal: zijne vrouw zal straks om zeven uur ontwaken; ze zal zich de oogen uitwrijven, tweemaal gapen, driemaal zich uitrekken, daarna hem een duw met den elleboog geven op de beroemde plaats, waar volgens Genesis zooveel een rib ontbreekt, waaruit zijzelve indertijd gevormd is, en met vakerige oogen en eene nog benevelde stem een gelukwensch uiten voor haren lieven man. Als ze wakker genoeg is, om zich zulk eene inspanning te veroorloven, zal ze haren wensch bezegelen met een zoen . . . Dat is alles! . . Beneden bij 't ontbijt naast zijn boterhambordje zal 't een of ander cadeautje gereed staan — natuurlijk iets geborduurds of gehaakts of gebreids — 's middags zal hij onthaald worden op een glaasje advokaat, 's avonds op een glas wijn en een paar vrienden „even zwartlakensch als hij zelfquot; en . . daarmee zal 't uit zijn . . . Zulk een vijf en veertigste verjaardag, mijnheer, is in ieder geval toch al iets anders d an die van u, niet waar !.

Maar stel u nu eens den zelfden plechtigen dag voor in 't leven van uwen vriend, die een vrouw heeft met vier „hondjesquot; van kinderen er bij. Stel udien voor, zeg ik, als ge namelijk in staat zijt. u zulle een paradijsstaat ook maar met flauwe trekken te verbeelden. Uw gelukkige vriend zal een uur voor den gewonen tijd uit zijne zoete droomen wakker geschud worden, niet op eene onaangename manier, maar op de heerlijkste wijze, die een menschenkind zich kanvoorstellen. Eene juichende bende, gewapend met verraderlijke voorwerpen in vloeipapier gehuld, zal uit vier heldere kelen hem een vroolijken

ocr page 162

152

welkomstgroet toeroepen ; vijf paar armen, waaronder twee groote en acht kleine, zullen hem om den hals geslingerd worden, en voor hij nog zijne oogen heeft geopend, zal hij reeds de heerlijke gewaarwording bij zich voelen opkomen, dat hij dien dag 't geluk zal hebben, zijnen vijf en veertigsten verjaardag te vieren en dat er althans vijf menschen zijn in de wereld, die hem er minstens nog vijf en veertig zulke verjaardagen bij toe wenschen. Wilt ge wel gelooven, mijnheer, dat deze feestdag ook zonder advocaat en gebak, ook zonder iets geborduurds of gehaakts, zonniger zal zijn dan die van uwen zwartlakenschen overbuurman, omna-tuurlijk van den uwen niet eens te spreken ? . .. En zal ik u behoeven te zeggen, waarom? . .. Ja, ik weet wel, dat gij, verstokte pessimist, het hart zult hebben, om te mompelen van egoisme ; dat ge zult trachten te bewijzen, hoe de heele feestvreugde eenvoudig ligt in de omstandigheid, dat een mensch zich gaarne bemind weet en er van houdt gevierd te worden. Maar laat me u daar tegenover voorhouden, dat men eerst dan recht gelukkig is, wanneer men diegenen gelukkig ziet, die men liefheeft, en dat ook hier de bekende spreekwijze geldt: hoe meer zielen, hoe meer vreugd. Is dat egoïsme, in 's hemelsnaam dan maar! Dan is het toch in ieder geval — ge neemt immers geene andere motieven aan voor 's menschen handelingen dan dat ééne? — een egoïsme van de ver-hevenste soort, van eene soort, die zoo min mogelijk lijkt op het type.

Neen, mijn waarde vriend, ge moet kinderen gekend, laat me liever zeggen, gehad hebben, om te kunnen beseffen, wat eene heerlijkheid er in ligt, die kleine oogen te zien glinsteren van vreugde, die kleine voetjes te zien

ocr page 163

153

trippelen van geestdrift, die mollige wangen te zien gloeien van opgewondenheid. En weet ge, wat die heerlijkheid nog verhoogt? Het uiterste gemak, waarmee zulke verschijnselen te voorschijn kunnen geroepen worden: de geringe moeite, die er noodig is,.om een kinderhart te doen kloppen van zaligheid. Uw Nederlandsche Leeuw is niets bij een hobbelpaard; uwejaarlijkscheverhooging van duizend gulden niets bij een nieuw, blinkend dubbeltje, en terwijl gij uwe geblaseerde lippen met onverschilligheid aan eene oesterschelp zet, om een vies beest, dat heel imaginair lekker is met stoicijnsche leukheid naar binnen te slurpen, hapt uw jongste spruit met hebzuchtige gretigheid naar een frisschen rooden wortel, dien ge de moeite niet waard acht, aan te zien ...

O, er is zoo'n weelde in, een helder, guitig troepje kinderen om zich heen te zien dartelen; de muziek op te vangen van hunne roode lippen, den weldadigen invloed te ondervinden van hunnen lach, die de gedachte van iedere zorg, iedere bekommernis buiten sluit en die zelfs in staat is voor een oogenblik uwe eigene muizenissen te verdrijven. Er is zulk eene hooge zaligheid in, een blond of zwart krullekopje op de knieën te laten dansen en op de schouders te laten rijden, en ik durf wedden, dat de bekende Fransche koning, toen hij op handen en voeten over den vloer kroop, om zijn kleuters op zijn rug paardje te laten spelen, grooter genot smaakte dan bij de roemrijkste overwinning.

Wie kinderen heeft, voelt zich verjongd door hunne jeugd ; hij verwarmt zijn gebluschte geestdrift aan hun vuur, hij leeft op nieuw zijn eigen jong leven. Althans, als hij door de wederwaardigheden van deze wereld nog niet geheel vergeten heeft, dat hij zelf eenmaal jong was

ocr page 164

154

en als hij het boek zijner herinneringen niet voor goed heeft afgesloten. quot;Want zulke menschen zijn er, helaas I

XVII.

OP DE BOVENSTE TEEDE.

We zijn thans genaderd tot de bovenste trede van de trap des ouderdoms: daar, waar we den ernstigen man zagen afgebeeld, die met zulke diepzinnige blikken philo-sophische probleemen scheen op te lossen, — ten minste, die met den vinger naar 't voorhoofd wees, wat we ook konden uitleggen door te zeggen, dat hij nu al op 't bovenste trapje stond en er nog geen zier van begreep. Het laatste komt mij zelfs het meest waarschijnlijk voor. Want wie het in dit ondermaansche gebrachr, heeft tot den duur van eene halve eeuw, heeft het al zoo druk gehad met allerlei vergeefsche pogingen, om steenen in brood te veranderen, dat de lust voor 't oplossen van probleemen hem zoo tamelijk vergaan moet zijn en dat hij zich liever met kalme berusting neer legt bij de verzuchting, dat hij bij al Mat trappen klimmen niets wijzer is geworden en dat zoowel datgene, wat achter hem ligt, als dat, wat voor hem is, zoowel de weg naar boven, dien hij heeft teruggelaten, als de weg naar beneden, dien hij nog hoopt af te leggen, voor hem een gesloten boek is met zeven zegelen. Het raadsel, dat men het mensche-lijk leven noemt, is eenvoudig een raadsel, en wie zal durven zeggen, dat hij daarop den sleutel bezit?...

We zijn op de bovenste trede! Wat weten we nu? Vooreerst, dat we vijf trappen zijn opgeklommen en dat

ocr page 165

155

er weieens enkele buitengewone menschenkinderen geweest zijn, die ook nog de vijf trapjes naar beneden hebben afgelegd; maar dat de meeste lui halverwege of eerder nog blijven steken bij dien neergang. Ten tweede, dat we met steeds toenemende begeerte gepoogd hebben, het hoogste punt te bereiken en dat we nu met steeds grooter weerzin er ons van verwijderen. Hoe verder we komen, hoe loomer de tred, en evenals de jeugd met brandend verlangen haakt naar de toekomst, zoo denkt de ouderdom met diepen weemoed terug aan het verledene. De jongeling leeft van de verwachting; de grijsaard van de herinnering.

Verder weten we, dat we bij 't beklimmen van de steile treden, die ons op de hoogte gevoerd hebben, veel hebben moeten achterlaten, veel hebben verloren, dat we zoo gaarne op onzen verderen tocht hadden meegenomen; veel, zeer veel, dat we zoo innig met ons eigen-ik dachten saamgegroeid, dat het ons bijna eene onmogelijkheid toescheen, om het er zonder te stellen .. . Ach, ach! Wat al droombeelden en idealen zijn er blijven hangen aan de hoeken en kanten van de trap! Wat al luchtkasteelen zijn er ingestort, welker puinhoopen we van uit de hoogte, waarop we staan, met droeven blik aanstaren, maar die — zonderling genoeg, hoewel hoogst gelukkig! — onzichtbaar blijven, voor wie na ons denzelfden weg afleggen. Lieve hemel! Als de jonge mensch alle bouwvallen van luchtkasteelen, alle snippers van ingestorte kaartenhuizen, alle vochtige plekken, veroorzaakt door uiteengespatte zeepbellen, langs zijnen weg opmerkte, dan was hij al ontmoedigd, voor hij zijnen tocht begon!

We zijn op de bovenste trede! Tot hiertoe lag ons aardsche ideaal vóór ons; voortaan zal het achter ons liggen, eene omstandigheid, die slechts strekken kan, om onze afdaling

ocr page 166

156

met steeds grooter weerzin gepaard te doen gaan. Eene zeer logische gevolgtrekking zou thans zijn, dat 's menschen ideaal juist o p de bovenste trede van de trap moet liggen en dat hij het met beide handen moet kunnen grijpen, wanneer hij zich daar bevindt. Maar 't is nu eenmaal eene eigenaardigheid van alle idealen, dat ze zoo etherisch, zoo ijl zijn, dat eene menschenhand niet in staat is, ze te vatten. Evenals de] geestverschijningen van Maj u trot-seeren ze alle stoffelijke aanraking, en wie den arm uitsteekt, om er naar te grijpen, tast in het ij dele niet.

quot;Wie de bovenste trede bereikt heeft, begint ook dat langzamerhand beter te begrijpen.

Ofschoon het geloof aan het volmaakte aardsche geluk hem nooit geheel begeeft en hij zich tot het einde toe vleit met het een of ander droombeeld, flauw afschijnsel slechts evenwel van het schitterend tafreel, dat hij zich aan gene zijde van de trap heeft gevormd ; ofschoon zelfs de kromgebogen grijsaard, waggelende op zijn krukje, nog onder de laatste trede op de ons bekende doodkist een flauw vlammetje ziet zweven, dat slechts een nachtpitjes-illusie mag genoemd worden bij de heldere zon, die hij vroeger aan zijn horizon zag blinken, maar dat daarom toch niettemin eene illusie is, — niettegenstaande dit alles, zeg ik, begint de mensch, die aan 't dalen gaat en die de levensbron achter zijnenrug ziet opkomen, langzamerhand te begrijpen, dat tweemaal twee inderdaad vier is, eene wiskunstige waarheid, die hem ook vroeger niet verborgen was gebleven, maar die hij toch, optimistisch als hij was, dikwijls zóó wist te verdraaien, dat hij uit zijne vermenigvuldiging wel eens vijf kreeg in plaats van vier.....

Dat alles is thans zoo goed als voorbij. De dalende

ocr page 167

157

mensch treedt eene geheel andere wereld binnen. Ik weet het: hij verzet zich zooveel mogelijk tegen de nieuwe levensbeschouwing, die zich aan hem opdringt; hij klampt zich met hardnekkigheid vast aan de bovenste trede van de trap; hij steekt zooveel stukken en brokken van zijne verbrijzelde illusies in den zak, als hij grijpen en dragen kan; hij slaagt er soms zelfs in, om zich zeiven zoodanig te] misleiden, dat hij meent nog op den top te staan, wanneer hij reeds vrij wat gezakt is; — maar vroeger of later komt er een oogenblik, waarin alle zelfmisleiding ophoudt; met onverbiddelijke noodzakelijkheid nadert het uur, waarop geen bedrog meer mogelijk is........

Het is een bedroevend en tegelijk toch ook een vermakelijk schouwspel, om een mensch te zien worstelen tegen de onzichtbare macht, die hem langs de vijf dalende treden van onze trap naar beneden tracht te trekken. De komische zijde van dien strijd kan u niet ontgaan zijn. Bezie den worstelenden held van top tot teen en ge zult hem overal gepantserd vinden; maar ge zult tevens overal de openingen bespeuren, waardoor het staal van zijn tegenstander, die nooit mist, wanneer hij stoot, hem kan bereiken. Begin maar van boven en beschouw die aanvankelijk peper- en zoutkleurige haren, welke langzamerhand al het peperachtige verliezen en geheel tot zout worden. Wat een moeite geeft hij zich niet, om de kunst te baat te roepen en kleuren en tinten te voorschijn te tooveren, welke de natuur hem niet meer gunt.... Getuig het, o onsterfelijke Théophile, hoeveel worstelaars er zijn, die zich aan uwe mensch-lievende redmiddelen vastklampen! En gelukkig de tobber, als hij nog kleuren kan 1 Maar....

ocr page 168

158

„Verft eens, daar niet en is,quot;

zegt Huyghens. Wat baten alle mogelijke tincturen voor hem, die even als professor Borger, zijne haren tellen kan? En nog driewerf zalig, wie, met den eenzamen poëet, iets te tellen heeft! Maar ... waar niets is, heeft de keizer zijn recht verloren en komt de beurt aan den kapper, die allen, die zich in overvloed baden van het overtollige ontdoet, om de naakten te dekken en te kleeden ....

Zie verder dien bril op den neus, die zich aanvankelijk nog schijnt te schamen voor zulk een ongewoon sieraad en die zich eerst schuchter met een lorgnet heeft getooid, dat het midden houdt tusschen zwierigheid en behoefte, om eindelijk schoorvoetend den zwaarderen last te torsen, die aan allen jeugdigen overmoed verder den lust tot dartelen ontneemt en die het begin is van het tijdperk der eerwaardigheid.

Het tijdperk der eerwaardigheid! Ja, ook zulk eene periode doorleeft de mensch, die aan den dalenden kant van de trap is gekomen, 't Pruikje, de bril, een paar stoffen schoenen, eene zekere mate van zwaarlijvigheid, een zwart lakensch pak, een rotting met ivoren of gouden knop en een paar watjes in de ooren, die hun plicht niet meer willen doen, wat de patient tusschen twee haakjes hardnekkig veinst, niet te weten, ziedaar enkele kenmerken, die de periode der eerwaardigheid aankondigen. Deze periode heeft, als alle andere tijdperken van het menschelijk leven, haar voor en tegen. Het is bijvoorbeeld hartverheffend, als alle menschen den hoed voor ons afnemen en ons aanduiden als den respekta-belen „ouden heerquot; Dinges. Het is minder verkwikkelijk, wanneer men merkt, dat alle jonge meisjes ons als een

ocr page 169

169

hoogst onschuldig voorwerp beginnen te beschouwen, waarmee men bij eene muziekuitvoering gerust de donkere laantjes van den tuin kan doorwandelen en dat uitnemend geschikt is, om plaatsen te bewaren, op hoeden en doeken te passen en om in de donkere laantjes jonge-heeren te maskeeren, die plotseling en als bij toeval uit den grond opkomen .... Het is streelend, om door middel van zijn eerwaardigheid, witgedast en zwartgerokt, tot ouderling gepromoveerd te werden; het is zeer smartelijk daarentegen, om door alle kinderen van zijn kennis te worden aangezien voor een boom, die alleen ulevellen draagt en die hoogst geschikt is, om beklommen te worden.

Maar zóó is het leven: zoet en zuur zijn behoorlijk dooréén gemengd, en dat is maar goed ook. Gelukkig de eerwaardige „oude heerquot;, die aan de dalende zijde van de trap, bij 't verlies van haren en tanden een jong hart heeft weten te bewaren. Want het is niet de buitenkant, maar de binnenkant, waar 't op aan komt, en zoolang het hart klopt met jeugdige kracht, blijft er zelfs aan dezen kant nog genoeg illusie, nog genoeg levenslust over.

Naast eene gelukkige jeugd is er niets zoo benijdenswaardig als een gelukkige ouderdom.

ocr page 170
ocr page 171

GiJS DE DOODBIDDER,

ocr page 172
ocr page 173

Gijs de Doodbidder.

Of het kwam, dat het stelsel der specialiteiten nog niet tot ons was doorgedrongen — we woonden inderdaad wel een beetje afgelegen —, dan wel of ons stadje te klein was voor eene streng volgehoudene verdeeling van den arbeid, zou ik niet durven uitmaken; maar wel weet ik, dat Gijs Jonker eene algemeen bekende persoonlijkheid was, die, van alle markten thuis, een onnoemelijk aantal functies in zich vereenigde en een wandelend bewijs mocht heeten voor de welbekende stelling, dat de menschen. die de meeste drukte hebben, altijd nog den meestèn tijd kunnen vinden voor meerdere drukten.

Vooreerst was Grijs haarsnijder en barbier, — van „coiffeursquot; wist men toen nog zoo niet, en als we bij Gijs in den winkel kwamen, vroegen we nooit om „gekaptquot; te worden, maar doodeenvoudig, of hij ons 't haar wel wou knippen. Die winkel was simpel genoeg. Vier witte muren, waartegen schilderijen hingen, die deschip-breuk der Medusa voorstelden en verschillende momenten uit den slag bij quot;Waterloo, o. a. het gewichtige oogenblik van de ontmoeting tusschen quot;VV ellington

ocr page 174

164

en B ] ü c h e r. In den hoek een kolomkachel, voor 't raam schuifgordijnen en op den steenen vloer hier en daar een mat. Verder eenige houten stoelen met beweegbare leuningen voor de achterhoofden der geschoren wordende gemeente en een klaptafel, bedekt met allerlei benoodigd-heden voor de uitoefening van de edele kunst. Voor de glazen een paar koperen scheerbekkens en naast de deur als uithangbord een dergelijk instrument, dat aan een ijzeren stang bengelde. G ij s was geen meester in zijn vak, geloof ik. Als 't zomer was en de warmte meebracht, dat we ons bijna geheel kaal lieten knippen, zag hij er geen been in: dat was gemakkelijk genoeg. Maar als we in 't koude jaargetijde de boodschap meekregen van moeder, „dat er niet te veel af moest,quot; werd de kunst van onzen vriend op eene zware proef gesteld, en dagen aaneen hadden we te kampen met weerbarstige haarlokken, die zich door geen pet lieten bedwingen. Maar Gr ij s was goedkoop, en ik geloof, dat dit zijne voornaamste aanbeveling was bij alle zuinige huismoeders, die begrepen, dat de wilde haren van het jonge geslacht de moeite nog niet waard waren, om naar de laatste mode gekapt te worden. G ij s had ook een jongen aan den winkel, die zoo mogelijk nog minder verstand had van het vak, maar die er desalniettemin even dapper op los knipte en schraapte als zijn baas, wanneer deze afwezig was. Nu, dat gebeurde heel dikwijls. Want Gijs was meer dan eenvoudig haarsnijder en baardkrabber. Tusschen twee haakjes: ik heb geen ondervinding van zijne vaardigheid als barbier, maar 't is me wel eens voorgekomen, dat de werklui, die hij onder 't mes had, tamelijk scheeve gezichten trokken, wanneer hij ze na eene duchtige inzeeping begon te scheren. Gijs was ook dood-

ocr page 175

165

bidder en als zoodanig kon hij inderdaad de vergelijking doorstaan met de bekwaamsten van het gilde. Niemand kon beter dan hij het decorum bewaren bij de plechtige gelegenheid, die, helaas, zoo dikwijls voor den onverschilligen toeschouwer allen ernst verliest door de ergerlijk cynische wijze, waarop het begrafenispersoneel zijne plichten vervult. G ij s was in 't geheel niet cynisch: hij was een man met veel gevoel, al zei hij 't zelf, en gansch niet ontbloot van de eerste beginselen der opvoeding, die hem b. v. in staat stelden op waardige wijze — natuurlijk met langgerekte a's — te vragen, „of er nog een van de nabestaanden of vrienden was, die den overledene voor de laatste maal wenschte te zien,quot; — en die hem, wanneer de stoet opgesteld was, tot de verzamelde rouwdragenden op bescheiden toon deed zeggen: „vrienden de ure is daar!quot;, in plaats van het koude : n't is zoover!quot; van de meeste zijner collega's. Grijs blonk vooral uit als aanzegger: ik mag gerust verzekeren, dat hij daarin éénig was. Zijne heldere stem klonk tot aan de overzijde der straat, wanneer hij de belangstellende dienstmeisjes het overlijden bekend maakte van den een of anderen stadgenoot, en zijn: .,de familie laat bekend maken, alsdat..werd dan ook doorgaans beantwoord met een beleefd: „dank je voor de boodschap, Gijs,quot; waarop vrij geregeld volgde: „wat heit ie gemankeerd, Gijs?quot;.... „'n Bezetting op de luchtpijp,

Gerritje!quot; .... „Och heere! en nog zoo jong!quot;.....Ja,

Gerritje 'n mensch is een broos vat! Mooi weertje!quot;. ... Dag!!!!____

In den tijd, waarvan ik spreek, was het in mijne geboortestad nog gebruikelijk, dat, wanneer iemand uit den aanzienlijken stand overleed, de aanzegging gepaard ging

ocr page 176

166

met den omtocht van een heelen stoet rouwdragers, voorafgegaan door een „huilebalk.quot; Zoo'n huilebalk was in den regel een huisknecht of een oppasser, wieu voor die gelegenheid een zwarte rouwmantel werd omgehangen, wiens hoofd bedekt werd met een platboomden hoed, voorzien van een onmetelijk breeden rand, waarlangs een lamfer naar beneden hing, en wiens gelaat verborgen was doorheen witten zakdoek, dien hij met beide handen tegen zijnen neus drukte en waarachter hij verondersteld werd tranen te storten. Ik geloof, dat die ergerlijke comedie tegenwoordig met andere voorwereldlijke gebruiken verdwenen is; maar ge hadt G ij s dat woord „comedie'' niet moeten noemen. Hij zou zich daardoor stellig in zijn zwak aangetast gevoeld hebben. Hijzelf fungeerde ook wel voor huilebalk, en ik verzeker u, dat hij er slag van had, om het met waardigheid te doen en met een zekeren tact, die althans den indruk gaf van iets meer dan eene ijdele vertooning. „'t Waren dan ook allen heel respectable lui geweest,quot; voor wie Gr ij s gehuilebalkt had, en hij kon u met bijzonder veel smaak gansche histories vertellen over de tranen, die hij gestort had, die hij verquot; ondersteld was gestort te hebben liever, om twee leden van de Provinciale Staten, een lid van de Eerste Kamer,

één president van de rechtbank en vier burgemeesters.....

Meen echter niet, dat met de vermelding vau deze hoogst gewichtige betrekking van G ij s de opsomming van al zijn functiën geëindigd is. Vooreerst was hij bode van een paar ziekenfondsen en van één begrafenisfonds. Dan liep hij, tusschen twee ingezeepte boerentronies en een kaalgeknipten vlaskop door, met inteekenlijsten en....

o wonder boven wonder!.....de onderdanige dienaar

van den somberen monarch der onderwereld versmaadde

ocr page 177

167

het niet, deel uit te maken van het muziekcorps der dienstdoende schutterij. Ja, ik durf zelfs met eenigen redelijken grond veronderstellen, dat hij zich op deze belangrijke functie heb meest liet voorstaan, want hij kon nooit nalaten aan de klanten, die hij onder handen had, een hoog denkbeeld in te boezemen van zijne mu zikale talenten. Of ze wel zoo groot waren, als hij zich verbeeldde, meen ik te mogen betwijfelen, daar zijne gansche medewerking bij parades en militaire optochten bestond in het rammelen van een Turksch instrument, behangen met bellen en paardestaarten, en dat bij eene fatsoenlijke stedelijke schutterij als de onze niet mocht ontbreken, 't Is waar, onder de jeugdige bewonderaars der krijgshaftige muziek stond het instrument van Gr ij s, dat boven de heele schutterij uitstak, in zeer hooge eer en ik ben er inderdaad niet zeker van, of we in onze kinderlijke onschuld den drager ervan zelfs nog .niet met meer ontzag beschouwden dan den levendigen, perpe-tuum-mobilé-achtigen kapelmeester, die maar op een heel ordinaire klarinet blies.

Uit al het voorgaande blijkt ten duidelijkste, dat G- ij s Jonker een hoogst gewichtig personnage was in onze kleinsteedsche maatschappij, en zijne belangwekkende persoonlijkheid kan nog rijzen in de algemeene achting, wanneer men naast dit alles nog weet, dat hij bij heel deftige recepties achter de voordeur stond met witte handschoenen en een witte das, om de gelukwenschende menigte binnen te laten. Bij zulke buitengewone omstandigheden werd de haarsnijders- en baardschrappers-affaire waargenomen door 't knechtje, soms — als 't heel druk was — geassisteerd door Grijs Jonker junior. Die junior was een zonderlinge snaak, een voortdurende

ocr page 178

168

reden van hartzeer voor zijn werkzamen en oppassenden vader, een type van den man met twaalf ambachten en dertien ongelukken.

Grijs Jonker junior had kromme beenen en was deerlijk door de pokken gehavend. Hij droeg ringen in de ooren met zilveren scheepjes erop, een stalen tabaksdoos in den borstzak van zijn blauw-lakensch buis en in een zijner broekzakken een roodbonten zakdoek met afbeeldingen van de leden van 't koninklijke huis. Of dit laatste feit een bewijs was voor zijne royalistische gevoelens en of hij daarmede zijne dynastieke sympathieën openlijk te kennen wilde geven, heb ik nooit kunnen te weten komen. Wél was ons allen bekend, dat Grijs op sommige punten zeer „geavanceerdquot; was en in 't bijzonder communistische denkbeelden had met betrekking tot den eigendom. Toen hij bijvoorbeeld den leeftijd van veertien a vijftien jaar bereikt had en wij jongeren van jaren ons nog vergaapten aan mooie witte „albasters,quot; met fijne roode adertjes doorsprenkeld, was hij de schrik van de knikkerbaan. Want Gr ij s had stevige knuisten en robuste klompen, die hem zeer los aan de voeten zaten, zoodat ze dan ook geregeld door blikken bandjes in 't verband gehouden moesten worden. Als we druk aan 't spelen waren, stond G ij s plotseling voor ons, met de pet op één oor, de handen in de zakken en de oogen op een denkbeeldig punt aan den horizon gevestigd, alsof onze knikkers hem niet in 't minst aangingen. Ophouden met spelen durfden we niet; want we waren bang, om de achterdocht van den tiran op te wekken. We gingen dus voort, oogenschijnlijk heel kalm, maar inwendig met een gevoel, dat een muis moet hebben, als ze gewaar wordt, dat, terwijl ze aan een kaaskorst knabbelt, een

ocr page 179

169

dikke kater in een hoekje van de provisiekast op den loer ligt. Onze kater deed als al zij a collega's: hij amuseerde zich eerst een poos met onze angstige verlegenheid, schoof vervolgens met zijne vierkante ellebogen de kleine jongens op zij, uitte daarbij onveranderlijk de omineuse woorden „'t wordt n ichtquot; — wat hij daarmee eigenlijk bedoelde, is me later eerst duidelijk geworden, toen ik ingewijd werd in de geheimen der beeldspraak, — en haalde, alsof het van zelf sprak, alle knikkers uit het kuiltje naar zich toe, waarna hij doodbedaard afmarcheerde onder 't fluiten van een straatdeun. Hoe het zoo kwam, zou ik moeilijk kunnen zeggen; maar niettegenstaande al zijne onaangename eigenschappen trok Grijs ons aan door zijn alwetendheid, zijn vernuft en zijn talent als improvisator, en we verdroegen in don regel zijn despotiek humeur, zijn brutale veroveringszucht en zijn onbeschaamde annexatie-woede zonder veel morren. We waren bang voor hem en we bewonderden hem, zoo ijverig zelfs, dat geene moederlijke vermaningen en geene vaderlijke terechtwijzingen ons konden doen besluiten, alle diplomatieke betrekkingen met den gevreesden dwingeland af te breken. Gr ij s was in de eerste plaats alwetend. Dat kwam door zijne intimiteit met do habitués van de „Klapbank.quot; De ..Klapbankquot; was een houten afdak aan de haven tegen den muur van een der oude bolwerken aangebouwd, van binnen rondom voorzien van eene bank en aan den wand beplakt met alle mogelijke publicatiën van Burgemeester en Wethouders, van notarissen en ondernemers van publieke vermakelijkheden. De Klapbank was in den regel gestoffeerd met verschillende figuren in bombazijnen broeken en gestreepte boezeroenen, toebehoorende aan evenveel bovennatuurlijke

ocr page 180

170

wezens, die nooit een hand uitstaken ora te wei-ken en die toch op hun tijd gevoederd werden uit blikken pannetjes, welke hun gebracht werden door havelooze vrouwen met hangende haren en even havelooze kinderen. Dat zulke wezens bovennatuurlijk waren, in ieder geval niet tot het gewone menschenras behoorden, volgt al dadelijk uit Genesis zooveel, waar iets voorkomt over brood eten en nog wat. Z ij aten ook brood, maar niet in 't zweet huns aanschijns, en aangezien Gr ij s van de leer was, dat een mensch overigens genoeg „gekoeieneerd'' wordt in de wereld, scheen zijne gansche studie te zijn, het precies zóóver te brengen als de mannen van de Klapbank en was zijn hoogste ideaal, op den duur gevoederd te worden uit een blikken pannetje, dat een ander voor hem gevuld en klaar gemaakt had. 'k Ben er zelfs niet zeker van, of hij van tijd tot tijd de theorie over „'t gekoeieneerdquot; worden ook niet aan ons verkondigde; want Grijs was sterk op 't punt van theorieën. Zoo kon hij bijvoorbeeld geweldig doorslaan over meesters in 't algemeen en over den „bovenmeesterquot; van de stadsarmenschool in 't bijzonder, omdat deze laatste na tal van mislukte proefnemingen eindelijk zich de eer had moeten ontzeggen. Gr ij s Jonker langer onder zijne leerlingen te tellen. Menigmaal stak de stoutmoedige taal van G ij s den laf hartigsten onder ons een hart onder den riem en noopte hen, om de honderd of tweehonderd regels, die zij van M o s j e u mee naar huis hadden gekregen, in 't vergeetboek te schrijven......

G ij s was ook buitengewoon vernuftig en een liefhebber van allerhande rariteiten. Van stuivertjes — de hemel weet, waar hij ze vandaan haalde! — schakelde hij een ganschen horlogeketting aaneen, dien hij later

ocr page 181

171

evenwel voor een appel en een ei verkwanselde. Van speelkaarten en een lang paardehaar knutselde hij instrumenten in elkaar, die een geluid konden voortbrengen als van eene brommende bij. Mond-harmonica's vervaardigde hij van een simpel reepje papier en een paar rietstengels; ook was hij beroemd om de wonderen, die hij kon tooveren uit een lomp stuk klei. Dit alles deed hij evenwel alleen, als hij er lust toe had en wanneer hij zich zeiven zóó ver kon overwinnen, dat hij een hand uitstak, wat maar zelden gebeurde. Merkwaardig vooral was zijn talent als improvisator.

In de Klapbank; voor de deur van de Fransche school, waar hij zich ook met het oog op sommige zijner industrieën gaarne ophield; ook wel gezeten op het onderstel van de houten kraan, die op den kaaioever stond, overal kon hij, wanneer de geesc over hem vaardig werd, een talrijk auditorium om zich heen verzamelen, dat met open mond en ooren luisterde naar zijne vertellingen, die natuurlijk geene hoog zedelijke strekking hadden en die doorspekt waren met allerlei termen van het hem welbekende argot der Klapbank, maar die toch voorgedragen werden met zulk een gloed, met zulk een natuurlijkheid tot zelfs in de detailschildering, dat ik me inderdaad soms nog met een zeker genoegen kan herinneren, hoe ik er als kind heb naar staan luisteven, met de handen op de zakken, als ik knikkers of een cent bij mij had.

G ij s was vooral beroemd om zijn spookhistories. Alle overleveringen, die omtrent bovennatuurlijke zaken in ons stedeke in omloop waren, kende hij van buiten en met zijn eigenaardig talent wist hij ze nog meer te kleuren, nog meer relief te geven. Zijne kennis van alle lo-caliteiten, waar bovenaardsche wezens zich ophielden,

ocr page 182

172

was bewonderenswaardig. In dit pakhuis huisden kabouters: hij had zelf op een winteravond gehoord, hoe ze gestoeid hadden om do theekisten en de olievaten, die er lagen. In g i n d s c h e schuur begonnen de koeien 's nachts om twaalf uur geregeld te loeien, terwijl de stal door onzichtbare handen werd aangeveegd. In d a t hutje buiten de poort woonde e^n oud wijf, dat de „zwarte kunstquot; verstond en dat in één nacht door den Booze naar China was gevoerd, vanwaar ze een mand vol sinaasappelen had meegebracht, die Gijs zelt had gezien: hij had er, wat meer zegt, één van in handen gehad, maar

„het ding rook zoo verschrikkelijk naar zwavel!quot;.....

Ook moordhistories behoorden tot de geliefkoosde stukken van Gijs' repertoire en ik herinner me nog met eene lichte huivering, hoe bang we 's avonds waren, als het toeval ons uit de school onder het auditorium van Gijs had gevoerd en we in den donker naar huis togen, omziende bij ieder geritsel, schuw ieder duister steegje

voorbijsluipende.....

De allergrootste merkwaardigheid van Gijs was evenwel zijne kunst in 't liegen. Hij hield er van, om de on-waarschijnlijkste dingen met een air van de grootst mogelijke waarheidsliefde voor den dag te brengen, en hij vertelde dezelfde leugen zoo dikwijls, dat hij per slot van rekening eindigde met er zelf aan te gelooven. Zijne leugens waren alle van een bijzonderen aard en zoodanig met zijn geheele wezen samengegroeid, dat hij zelf niet beter wist, of ze maakten een stuk van zijn bestaan uit. Altijd was hij in aanraking geweest met groote lui, die hem om zijne talenten bewonderd hadden en hem daarom het een of ander vereerd hadden. De ketting van stuivertjes bijv., die hij eigenhandig vervaardigd had, was

ocr page 183

173

hem ten geschenke gegeven door een Portugeeschen graaf, die zich eens in zijns vaders winkel het haar had laten knippen en op wien Gijs dadelijk zulk een overweldigenden indruk had gemaakt, dat de man onder de schaar geen vijf tellen stil had kunnen zitten. Een groot knipmes, dat hij bezat, was eene schatting van de bewondering van een vice-admiraal, die — „je weet welquot; — zei Gijs bij zulke gelegenheden — „hier laatst met zijn schip in de haven heeft gelegen.quot; Niemand wist iets van een vice-admiraal af natuurlijk, maar ieder onzer was zóó overtuigd van de voortreffelijkheden van Gijs, dat wij ons liever wijsmaakten, dat bedoeld oorlogschip ons zeker ontkomen was, dan dat we getwijfeld zouden hebben aan de waarheidsliefde van den verhaler.

Deze bleef zelf altijd voortreffelijk in zijn rol, ook al, omdat hij er zich op den duur geheelenal „ingelogenquot; had, en sprak bijv. altijd van „de ketting van den Portugeesquot; en „'t mes van den admiraalquot;...... . je weet

wel!».........

Men begrijpt, dat onze Gijs leefde als de leliën des velds en zich nooit bekommerde om den dag van morgen, vragende, wat zullen wij eten of waarmede zullen wij ons kleeden. Als Gijs een nieuwe bombazijnen broek noodig had, vond hij er eene op den stoel voor zijn bedstee liggen, en als hij honger bad, was er thuis altijd wat te schaften. Niet, dat zijn vader zich lijdelijk schikte in de grillen en de leeglooperij van zijnen zoon; er vielen in den barbierswinkel en daar achter meer dan eens hevige tooneelen voor en de oude heer beproefde zelfs meermalen, om de in 't wild groeiende plant langs een hek of een schutting omhoog te leiden, door hem bij den een en of anderen baas in de leer te doen. Maar

ocr page 184

174

alle pogingen mislukten; voor een geregeld ambacht was de jongen niet te gebruiken. En zoo gebeurde het, dat op zekeren dag, tot groote verbazing van ons allen, Gijs gezien werd, wandelende, of liever laveerende door de stad, in een grijze kapotjas met koperen knoopen, het onmiskenbaar bewijs, dat onze held geteekend had voor „den Oostquot;. Ja, toen sommigen onzer op zekeren avond uit de school kwamen, konden ze Gijs zien paradeeren met eene keukenmeid aan den arm en eene gloeiende sigaar in den mond........

Dat was zijne laatste verschijning. Sinds dien tijd was hij spoorloos verdwenen en hoorde niemand meer van hem.

't Was op een Zaterdag in de maand Augustus of September, althans in den nazomer, tegen elf uur in den morgen. quot;We hadden een stoombootje, dat op eene naburige groote stad voer en dat om dien tijd aankwam. Gewoonlijk was de aankomst van het bootje een evenement voor de talrijke leegloopers en baliekluivers, die de kade bevolkten, en, als 't Zondag was, ook voor de wandelaars, die zich verdrongen om de drie of vier passagiers te zien aankomen, die de „Tritonquot; — commissarissen van 't veer hadden een klassieke bui gehad bij 't doop-maal van 't huikje — aanbracht. Zoodra de zwarte rookpluim van den ha vendam uit in de verte zichtbaar werd, kwam er beweging in de klapbank en vertoonde ze zich op een afstand als een mierennest, waarin men tabakswalm blaast. Eerst rolde er een slaapdronken individu naar buiten, proestende en geeuwende, met de eene hand nog in den wijden zak, terwijl de andere de oogen uitwreef; vervolgens nog zoo één en nog éen en eindelijk

ocr page 185

175

krauwelde de gansehe hoop in massa van onder het afdak te voorschijn, om zich met langzamen, zeer lang-zamen spoed voorwaarts te bewegen naar den steiger, waaraan het bootje in den regel vastgemeerd werd. De grootste helft van den zwerm liet zich dan met de ellebogen neer op de palen, die langs den kaaimuur stonden, en de overigen zochten een geschikt plaatsje op, waar ze konden leunen of hangen of liggen. Een doodenkel exemplaar slechts veroorloofde zich de weelde, op zijn eigen beenen te steunen ....

Het stoombootje voer juist de haven binnen, 't Had de vlag halfstoks; want de president-commissaris van 't veer, een vermogend groothandelaar in steenkolen, had een paar dagen te voren het tijdelijke met het eeuwige verwisseld. Den vorigen dag reeds was de plechtige „om-meganckquot; met den huilebalk de stad rond geweest, om de droeve maar met alle mogelijke staatsie aan alle huizen te verkondigen. Ook nu nog trok de rouwparade de straten langs en, precies toen de kapitein van de „ Tritonquot; in zijn zeemansargot den machinist van de brug toeriep :

„één slag achteruit!..... stoppé!..... daagde uit een

hoofdstraat, die aan de haven uitmondde, de droevige stoet op met Gijs Jonker Senior aan het hoofd, gehuld in een langen zwarten mantel, het gelaat verborgen door een dito hoed met kolossalen rand en een witten zakdoek voor de oogen.... De fleur was er uit bij Grijs, sinds hij zijn jongen kwijt was, en dat was nu al een jaar of zes geleden ... 't Is waar: de knaap had hem altijd veel verdriet berokkend en menigeen beweerde, dat de onde man — Jonker was oud geworden in de laatste jaren — blij mocht wezen, dat hij nu van zulk een ballast verlost was. Maar hij dacht er anders over.

ocr page 186

176

FT ij was toch nog altijd vader over den jongen — „vader en moederquot; tegelijk, placht hij te zeggen; want zijn vrouw was al vroeg overleden, een ongeluk, dat wellicht verzachtende omstandigheden pleitte voor 't mislukken van de paedagogische proefnemingen van den met drukten overladen weduwnaar. Hoe 't ook zij, de oude Grijs koesterde in zijn hart nog altijd veel genegenheid voor den verloren zoon en zou wel gaarne twee vette kalveren geslacht hebben, als hij tot zijn vader was weergekeerd met berouw in 't hart en belofte van beterschap op de lippen. Maar, daar was niet aan te denken! Want... en hier voelde de ongelukkige doodbidder, dat hij zelf voor een groot deel schuld had aan zijn eigen ongeluk .... G ij s had hem in den beginne enkele brieven gezonden, waarin hij zoo goed en zoo kwaad, als zijne gebrekkige opvoeding het toeliet, zijne wederwaardigheden had meegedeeld; maar de oude man, in zijne verontwaardiging over het schandelijk gedrag van zijn zoon, had die brieven eenvoudig onbeantwoord gelaten. Later, toen zijne overdreven koppigheid hem speet, was het geschikte oogenblik tot verzoening voorbij geweest. Hij had G ij s nog een brief geschreven, maar taal noch teeken daarop vernomen. De jongen kon leven, kon dood zijn, hij wist er niets van. En in ieder geval . . . neen, neen, daar was niet meer aan te denken, in de verste verte niet aan te denken, nu niet meer, philosopheerde Grijs; want hij philosopheerde altijd, als hij niet anders te doen had, dan voor huilebalk te spelen. Daar waren geen gedachten bij noodig, bij 't scheermes en de schaar wel en bij de muziek van de schutterij ook wel. Maar 't huilebalken ging van zelf.

Ook nu was de oude man weer geheel in gedachten

ocr page 187

177

verdiept en een van zijne volgelingen, een ongeschoren individu met een verglommen hoed op, een witten zakdoek om den hals en een verbruind zwart la-kensch pak aan, dat hier en daar met zwart garen aaneen gehouden werd, omdat het veel lust betoonde tot stof weder te keeren en alzoo aanschouwelijk de nietigheid van al het aardsche voor te stellen, — een van zijn volgelingen, zeg ik, moest hem even op den sleep trappen, om hem te beduiden, dat hij stil moest staan; want de „bidder,quot; die 't woord deed, had juist bij een groot heerenhuis aangescheld, om zijn lesje op te zeggen. Gijs stond stil en philosopheerde onophoudelijk door achter zijn witten zakdoek. Intusschen was de boot geland en aan den steiger vastgesjord. Sissend en snerpend en fluitend liet ze haar stoom glippen; de enkele passagiers, die op 't dek stonden, pakten hunne hoededoozen en reistasschen bijeen en stapten de plank op, die naar den vasten wal voerde. Alles was voorbij en 't publiek, geheel uit habitués van de klapbank bestaande, kon aftrekken .... Maar neen! 't was nog niet uit.... Op eens.... een kreet van verrukking ontglipte aan de verraste en min of meer overblufte menigte.... steeg een allerzonderlingste verschijning uit de kajuit omhoog in den vorm van een Javaansche baboe, aan de eene hand een vreemd toegetakeld kind voerende van een jaar of drie, geel als oker, met pikzwart haar en pikzwarte oogen en met lippen en een neus, die het in de kunst van krullen en wippen aan die van de in gebloemd katoen gewikkelde kindermeid geen haarbreed toegaven. Aanvankelijk volgde op den eenparigen kreet van verwondering op den kaaimuur geen enkel geluid. Men was verstomd, totaal „verbouwereerd,quot; zooals 't later op de klapbank

12

ocr page 188

178

heette. Zoo iets was in 't onnoozele stedeke nog nooit vertoond. Er was eens een minister geweest, om de haven in oogenschouw te nemen; een hoofdofficier van de marine, om proeven met torpedo's te laten nemen; ja, zelfs een Engelsche lord, die met zijn jacht een heelen dag in de haven had gelegen; maar een baboe, een „blauwe meid,quot; zooals een bevaren man onder 't nieuwsgierige publiek de vreemdsoortige verschijning dadelijk als een kenner qualificeerde, dat was nog nooit vertoond. De plechtige stilte werd weldra vervangen door een hevig gekakel en een kruisvuur van geestigheden op de arme baboe, die het toonecl stond aan te staren met een paar onnoozele oogen, waarin niets te lezen was dan een overgroot gevoel van verlatenheid en een verregaande „landerigheid.quot; Waar ze zoo spoedig vandaan kwamen, mag de hemel weten, maar in een oogenblik stond de gansche kaaimuur vol met vrouwen en dienstmeiden, die hare opmerkingen niet onder stoelen en banken staken, maar er zeer duidelijk mee voor den dag kwamen .... Het duurde niet lang, of de mannen van den rouwstoet draaiden alle hunne zwarte hoeden naar den waterkant en keken met smachtende blikken naar wat er voorviel, half mompelend hunne telem-stelling te kennen gevende, dat zij door hun plicht gebonden waren, om 't schouwspel alleen van verre gade te slaan....

De verbazing der menigte had evenwel nog haar toppunt niet bereikt. Eenige oogenblikken na de baboe vertoonde zich voor de kajuitsdeur eene tronie even bruin en even baboe ach tig als die van hare voorgangster, maar toebehoorende aan eene zwierige dame, gehuld in zwarte zijde en een prachtigen witten sjaal, die weldra op hare beurt gevolgd werd door een heer van zeer

ocr page 189
ocr page 190
ocr page 191

179

twijfelachtig allooi, van de bekende soort, die de Engel-schen met den naam „snobquot; en wij Nederlanders met het epitheton „ploertquot; vereeren, van de pokken geschonden, met eenigszins kromme beenen, bruin gebrand door de tropische zon en gekleed als een „banjer.quot;

Juist op dit oogenblik werd Grijs de doodbidder op zijn sleep getrapt, om weer verder te gaan, evenals een meikever, die niet loopen wil, een druk op zijn staart krijgt. Daardoor werd hij uit zijne mijmering gewekt en opmerkzaam gemaakt op de drukte, die er heerschte aan den waterkant. Op 't zelfde oogenblik scheidde zich de menigte, om het veel bewonderde viertal, dat juist de plank over kwam, door te laten .... 't Was of de oude Jonker opeens „een klap in 't gezicht kreeg,quot; zooals hij later zelf verzekerde. Hij vergat den rouwstoet, smeet zijn zakdöek weg, tot niet geringe verwondering van zijne volgelingen, die niet gewoon waren, het decorum zoo met voeten te zien treden, en vloog meer dan hij liep naar den waterkant, terwijl zijn lange mantel hem nawoei en zijn breedgerande hoed over de straatsteenen zeilde. Met den uitroep „Grijs! Grijs!quot; snelde hij den aangekomen reiziger in de armen en het verbaasde pubhek, dat nu eerst hoogte begon te krijgen van de zaak, genoot het treffende schouwspel van de hartelijke omhelzingen van den zwarten huilebalk en den bruin geroos-terden verloren zoon, die in alle heerlijkheid en niet als zwijnenhoeder uit het verre Oosten was teruggekeerd. Want het was Grijs wel en het waren zijn vrouw en zijn kind ook en de baboe was ook van hem. De heele stad was er vol van. Niet één ot twee Jagen, maar de heele week, en de plaatselijke Nieuwsbode vond het geval curieus genoeg, om er een heel artikeltje aan te

ocr page 192

180

wijden, dat de ronde deed door alle kranten, waarop d©

beide Gijzen niet weinig trotsch waren.....

Hoe de vork precies in den steel zat, is eigenlijk nooit iemand gewaar geworden; maar er ontstond naar aanleiding van het zonderlinge geval een soort roman, waarin Gr ij s optrad als adjudant-onderofficier, waarin sprake was van een rijken tokohouder of iets van dien aard, van een dochter, van een .... enfin, de menschen noemden dat, geloof ik, een ongelukje — en van een huwelijk, waardoor onze Gijs tot een nabob was gepromoveerd. Of 't met dat nabobschap nu wel zoo breed stond, zou ik niet durven bevestigen; maar wel weet ik, dat de oude man de barbiers-affaire er aan gaf, dat hij nooit meer huilebalkte en slechts zelden meer uit „biddenquot; ging. Gijs trok na een paar jaar weer af en verdween weer uit het oog der verbaasde menigte als een komeet met een glanzenden staart. Een ding is zeker : na die hemelsche verschijning ontstond er op de klap-bank een soort van rage voor de „vrijwillige'' dienstneming en een half dozijn jeugdige habitués teekenden voor en na voor de Oost. Of ze er ook met baboes en schatten vandaan gekomen zijn, kan ik evenwel niet zeggen.

ocr page 193

EENE SLACHTVISITE.

ocr page 194
ocr page 195

Eciie slachtvisite.

quot;We hadden een pothuis voor onze woning. Dat was eene groote merkwaardigheid, want de meeste pothuizen waren reeds onder den slopenden moker van den modernen tijdgeest gevallen. Nog grooter merkwaardigheid evenwel dan ons pothuis was de man, die het bewoonde. Hij heette Gilles. Ik vermoed, dat hij als ieder ander fatsoenlijk christenmensch ook een familienaam zal bezeten hebben. Die kan ik evenwel niet meedeelen, omdat ik me niet herinner, den man ooit anders te hebben hooren noemen dan bij zijn doopnaam. Zijn vader had Gilles geheeten en zijn eenige zoon heette ook Gilles. Zijn vader was kleermaker geweest en zijn zoon zou eveneens kleermaker worden. Ik vergat bijna te zeggen, dat hij zelf ook kleermaker was Als ik me nu wel herinner, stond er een naambordje voor 't eenige venster van het pothuis. Maar dat was zoo verweerd en verbleekt, dat niemand meer de hieroglyphen ontcijferen kon, die het vertoonde. Baas Gilles was een wandelend anachronisme. Vooreerst kwam het eigenlijk al niet te pas, dat een kleermaker de traditioneele woning van een schoenlapper had betrokken, maar in de tweede plaats liep de man, die krachtens zijn ambt de mode twee schreden vooruit had moeten zijn, altijd op eenen eerbiedigen afstand die

ocr page 196

184

grillige juffer achterna. Zijn eigen kleeren waren vier modeplaatjes ten achteren, die van zijn klanten op zijn minst twee. Gelukkig dat hij niet veel klanten had: gelukkig voor die klanten natuurlijk. Voor hem zeiven was het dat minder. Toch had Gilles geen gebrek. quot;Want wie hem niet vertrouwde aan een nieuw pak, gaf hem gaarne allerlei lapwerk, waarin hij uitmuntte. Dat moet gezegd worden. Ik had weieens een coupeur uit de magazijnen van de Louvre aan 't werk willen zien met het kruis van een jongenspantalon, die op vier plaatsen aan de takken van een wilgenboom was blijven hangen, die aan de knieën in hevige botsing was geweest met den knoestigen stam van dienzelfden boom en waarvan de pijpen aan den onderkant door 't water uit de sloot, op welks oever meergenoemde wilgeboom tot vermaak der jeugd gegroeid was, vrij wat averij hadden bekomen. Ze waren er, zulke pantalons. Ik heb ze, helaas, meer dan eens bijgewoond. Voor baas Gilles waren ze louter spel. Men had hem een mandje met lompen thuis kunnen bezorgen : hij had er als Bamberg een heelen pantalon uit getooverd. 't Was inderdaad bewonderenswaardig. Bovendien had zijn frabricaat de eigenschap van zeer deugdzaam te zijn. 't Kon, als de tijdsomstandigheden niet al te ongunstig waren — als 't bijvoorbeeld niet in den knikkertijd was — een heele week mee: van Zaterdag tot Zaterdag....

Baas Gilles zat altijd voor 't raam van zijn pothuis, gelijkvloers met den beganen grond. Als we door de ruiten naar de vlugge beweging zijner rustelooze naald stonden te gluren, kwam hij met zijn langen bleeken spitsen neus precies op de hoogte van onze knieën. Een spitsen neus had hij ; dat kwam waarschijnlijk van 't ac-

ocr page 197

185

comodatie-vermogen; maar daar wisten we toen nog zoo niet van. En bleek was die neus ook, vooral in den winter : dan trok hij zelfs eenigszins in 't blauwe. Moeder vond, dat Gilles een aardappelmeel-gezicht had. quot;Wat ze daarmee zeggen wilde, had ze misschien moeilijk in woorden kunnen brengen ; maar het drukte een zeker begrip uit, dat ieder dadelijk snapte bij 't eerste gezicht van den ijverigen kleermaker. Zijn hoofd was een beetje te dik en zijn beenen waren een beetje te dun. De dikte van het hoofd werd nog vermeerderd door de corpulentie van eenen vervaarlijken bobbel op de linkerwang, veroorzaakt door een half ons pruimtabak, bijna altijd aanwezig; de dunne beenen werden nog dunner door de volmaakte afwezigheid van 't geen men bij een normaal mensch kuiten

pleegt te noemen........

Baas Gilles was getrouwd. Zijne echtvriendin vormde het volkomen tegenbeeld van haren waardigen man. Ze was in één woord een „dikke, vette schommel,quot; die altijd plezier had in 't leven, en eene volmaakte huisvrouw voor hare wederhelft. En daar Gilles hare magerste helft was, zooals ze placht te zeggen, kwam hem natuurlijk ook de magerste helft van het gezag in huis toe. Dat vond ons kleermakertje zoo volkomen in den haak, dat het nooit bij hem opkwam, zich dien toestand zelfs maar anders te denken. Als men hem gevraagd had, wat er in den catechismus stond omtrent de wederzijdsche verplichtingen tusschen man en vrouw, dan had hij resoluut geantwoord, dat de man geschapen is voor de vrouw, om haar te dienen in alle ootmoedigheid ; om haar 's Zondags naar het eerste tolhek te vergezellen en haar daar te tracteeren op bier met scharretjes, en om haar nooit te ontstrijden, dat de klok achterloopt, wanneer hij vijf

ocr page 198

186

minuten te laat naar haren zin te huis komt..... Toen bij

zijn trouwen de burgemeester 't formulier had voorgelezen en Gilles de woorden gehoord had, dat de vrouw den man moet volgen, waar hij ook heen gaat, was de schrik hem om 't hart geslagen, zóó zeer was hij reeds voor zijn trouwdag gewoon geweest, zijne vrouw overal achterna te loopen. Misschien kwam daarbij ook nog wel de vrees, dat ze hem 's Zaterdagsavonds niet alleen naar den barbier mocht laten gaan, waar hij in alle stilte gewoon was, zich aan een glaasje klare met suiker te vergrijpen, zijne eenige uitspatting gedurende de godgan-sche week....

Baas Gr i 11 e s had ook een spruit: Gilles junior, 't sprekend evenbeeld van zijn vader naar den vleesche

— voor zoover er althans vleesch op zat —, maar bezield met den geest van moeder. De jonge Gilles — de slagschaduw van den ouden Gilles, zooals spotvogels hem noemden : denk u een schaduw van een schaduw!

— was in de gansche buurt bekend als een alias. Zoo oordeelden althans alle dienstmeiden, wier emmers hij des Vrijdags omver wierp, als hij naar de water- en vuur-vrouw liep om de ijzers. nDie ijzers zijn een kruis!quot; jeuzelde de oude heer altijd. Want als het kleermakertje in sp e uittrok met zijn hoefijzer, om de heete bouten te gaan ophalen, die bij Keemie in 'tvuur lagen, dan vond hij het volle menschenleven, waardoor zijn weg heenleidde, doorgaans zoo interessant, dat hij er met beide handen in greep. Soms vertoonde dat volle menschenleven zich aan hem in den vorm van een emmer met water, zooals we boven reeds zagen, soms in de gedaante van den haarbos van een zijner kameraden. Eene enkele maal had het zich aan hem voorgedaan in den vorm van

ocr page 199

187

een mand appels, die op de stoep van de fruitvrouw op koopers wachtten. Maar toen had moeder Gilles zich met de zaak bemoeid, en als die zich er mee bemoeide, was alles dadelijk in orde. Want de schaduw van vader volgde natuurlijk alle bewegingen van het origineel, en de catechismus van Gilles junior klopte precies met dien van Gilles senior, behalve op 't punt van de scharretjes

en het bier.....

Het was nog in den goeden ouden tijd, toen ieder burgermensch in de maand November een varkentje slachtte. Baas Gilles had ook zijn vai'kentje : niet in 't pothuis natuurlijk, want daar ^vas geen ruimte ; maar bij zijn schoonvader, met wien hij samen deed. Die oude heer, ik bedoel den schoonvader, was een zonderling. Waar de man van leefde was voor ieder een raadsel; maar zijne woning geleek eene menagerie. Daar waren kippen en duiven, kanarievogels en vinken, konijnen en katten, honden en varkens. Als ik zeg varkens, dan bedoel ik alleen het varkentje, het traditioneele November varkentje. Ik geloof, dat de man handel dreef in al die beesten. Honden schoor hij alleen, maar katten vilde hij, naar de booze wereld zei. Ook kon men konijnen bij hem bestellen. Gevolgtrekkingen durf ik niet maken uit vrees van den man te belasteren. Enfin, hij verdiende zijn brood en hij kweekte ieder jaar voor zich en zijn schoonzoon een zwijntje op, dat ze samen op de voorjaarsmarkt kochten. In de maand November werd dat dier aan de handen van Teun, den varkensslager overgeleverd en in 't pothuis verwerkt tot allerlei winterprovisie. Dan was er slachtvisite bij Gilles, en daar de jeugd overal vrijen toegang heeft, heb ik eens het onuitsprekelijk genoegen gesmaakt bij zulk eene Novemberpret tegenwoordig te zijn.

ocr page 200

188

T eun de varkensslager had zijn plicht gedaan: „'t beestje was er geweestquot;, — zooals baas G- i 11 e s zei, die mee naar buiten getogen was, om zijn varkentje den laatsten adem te 'zien uitblazen. Men moet namelijk weten, dat de varkens in den regel geslacht werden op een pleintje, even buiten de kom van 't stadje gelegen. Het ontzielde lichaam werd nu op een kruiwagen geladen, nadat het beroofd was van zijne borstels en onder geleide van de straatjeugd onder aanvoering van Gr i 11 e s junior naar 't pothuis gevoerd, waar het verder zou behandeld worden. Zoodra het slachtoffer aan de ladder hing en ontdaan was van alle mogelijke ongerechtigheden, begon de eigenlijke pret: ieder der gasten moest namelijk zijne kunst toonen in 't schatten van 't gewicht van het varken en wie 't verst van de waarheid bleef, tracteerde 's avonds nog op een glaasje extra. De gasten waren juist niet veel in getal; maar die er waren, waren goed. Vooreerst natuurlijk „schoonvaderquot;, die als deskundige den ganschen avond 't hoogste woord voerde en die allerlei geschiedenissen wist te vertellen over varkens, waaruit de schranderheid van die dieren moest blijken. In de tweede plaats Gr e r-ritsen, de beurtschipper, een oude bekende van Q- i 11 e s, die samen met hem gediend had bij de „grenadiers en jagersquot; in 't „H a a c h i equot;, zooals hij onze eerbiedwaardige residentie steeds geliefde te noemen. De schoonvader had in zijn tijd in „Gr r o o t-M o k u mquot; 1) gelegen en zag eigenlijk met een zekere minachting neer op 't „Ha achiequot; van zijn schoonzoon en van Gerritsen. Grilles liet zich in den regel nog al wat voorstaan op zijn „campagnejarenquot;, zeker om te toonen, dat hij niettegenstaande zijne

1

Amsterdam in't soldaten-argot.

ocr page 201

189

dmme been en toch niet afgekeurd was. Zoo kon hij wonderbare verhalen opdisschen omtrent „Zijne Majesteit Willem 11quot; — Gilles sloeg altijd aan, als hij die woorden uitsprak —, dien hij van aangezicht tot aangezicht had gekend. Of de goede kleermaker met spek schoot, durf ik niet zeggen; als zijn vrouw er bij was, deed hij 'tzeker niet; maar wanneer hij 'thuis alleen had en wij naar hem stonden te luisteren met open ooren en open mond, kon hij zich zoo innig te goed doen aan eene zekere historie, waarin hij en „Z ij n e Majesteit Willem 11 zaligerquot; de hoofdrollen vervulden en die ongeveer hierop neerkwam, dat Gr i 11 e s op een avond de wacht had gehad in den tuin van 't paleis en van den koning eigenhandig een paar appels had gekregen, die „Z ij n e Majesteitquot; hoogst gracieuselijk zelf van een nabijzijnden boom had geplukt met de merkwaardige woorden: „Hier, grenadier, lust je ook appels?quot;.... „Die grenadier.... was ikquot;, placht Gr i 11 e s te zeggen, waarbij hij met zijne naald op zijne vaderlandslievende borst wees, waarop de tip van een roodbonten zakdoek wapperde .... Enfin, G-erritsen was er ook en hij was bijzonder welkom, omdat de beurtschipper eene harmonica bezat, waarop hij volgens zijn eigen beweren, „de honderd uit'' kon spelen en nog wind genoeg overhouden, om Gilles met zijne spillebeenen omver te blazen; — want Gerritsen was een grappenmaker, die een zeker soort van humor bezat, dat in 't pothuis en in het vooronder zeer gewaardeerd werd....

Dan telde men — last not least — onder de stamgasten van de slachtvisite Koo Brinkman, een prachtexemplaar van een mensch, wiens heldere lach 't pothuis deed daveren op zijn grondvesten. Koo was meesterknecht

ocr page 202

190

bij een kruidenier, die groote zaken deed. Maar voor hij dien vreedzamen post bekleedde, had hij vrij wat beleefd en een aardig stukje wereld gezien. In zijn jonge jaren was hij stoker geweest op een onzer oorlogstoombooten en zijne avonturen waren alleen voldoende om er een heel boek mee te vullen. Hij kon ze wat aardig vertellen, dat moet gezegd worden, en al maakte hij er soms 't een en ander bij, dat alleen in zijn verhitte verbeelding bestond, er bleef nog genoeg van over, dat waar en wezenlijk belangwekkend was. Koo had nooit verdriet in de wereld; want „hij had geen vrouw en kinderenquot;, zooals hij zelf altijd zei, wanneer men hem eene verklaring vroeg van zijnen voortdurend opgeruimden gemoedstoestand .... Het dient gezegd te worden, dat Gerritsen wèl vrouw en kinderen bezat en dat hij de eerste had meegebracht. Het vrouwelijk personeel werd bovendien nog vermeerderd door Mie, onze keukenmeid, die deftig door vrouw Gilles was gevraagd en die van moeder vrijaf had gekregen ....

De taxatie was afgeloopen. Natuurlijk moest Gilles als altijd het gelag betalen en had „schoonvaderquot; op een half pond na precies geraden, wat het beestje woog. „Hij kende dat; h ij nam aan, om ieder varken te taxeeren; hij sloeg er geen slag naar, zooals sommige lui — een minachtende blik op Gilles —, die er niet „zooveelquot;

verstand van hadden !..... Daarna werd het lijk in stukken

gehouwen en werd er na de gewone verdeeling, waarbij Gilles omstond en „schoonvaderquot; 't zoo wist aan te leggen, dat hij de beste stukken kreeg, een begin gemaakt met het vervaardigen van allerlei kunststukken, die maar met eenige mogelijkheid van een varken vervaardigd kunnen worden. Dit alles evenwel zullen we niet in bijzonderheden nagaan. Wie de moeite er voor

ocr page 203

191

over heeft, kan eene nauwkeurige beschrijving van de varkens-vleesch-fabricage vinden in Zola's Ventre de Paris pagina zooveel, eene beschrijving, waarbij iedere andere in 't water moet vallen, 't Is ons te doen

om de visite, om 'tBengaalsch vuur en de apotheose......

En zie, daar verschijnt op de tafel een koffiepot, zoo welgedaan, zoo buikig, zoo geurig, dat alle vrouwen, die aanwezig zijn een kreet van bewondering laten ontglippen en zelfs de mannen — schoonvader natuurlijk uitgezonderd, want „die is 't lekker gewoonquot;, zooals zijn eigen dochter meermalen betuigt — de stoïcijnsche leukheid, die hen totnogtoe gekenmerkt heeft, afleggen en spraakzamer beginnen te worden. De pijpjes worden uitgeklopt, opnieuw gestopt, aangeblazen en „'t schip gaat in zeequot;, zooals K o o het uitdrukt. Naast den koffiepot verrijst in een grooten schotel een berg oliekoeken, een berg van eene zeer merkwaardige geologische formatie, waarin krenten en rozijnen eene hoogstbelangrijke rol vervullen. Aan de eene zijde van de tafel zitten de vrouwelijke gasten, die 't druk hebben met allerlei ervaringen uit do kinder- en de groote-menschen-wereld en die een onnoemelijk aantal kopjes koffie verorberen. Aan den anderen kant zitten de mannen en in hun midden ook Gilles junior, die dapper meedampt en tusschen ieder trekje aan zijn pijp een stuk van een oliekoek afbijt. Weldra wordt het gesprek aan de mannelijke zijde van de tafel recht levendig. Ieder der aanwezigen is begonnen met eerbiedig-te luisteren naar „schoonvaderquot;, die al met zijn zevende schrandere varken bezig is. Maar 't duurt niet lang, of Gerritsen, Koo en Gilles willen ook aan't woord komen en juist als schoonvader voor de achtste maal zegt: „Ik heb eens een varken gehad, datquot;.......klinkt het in koor:

ocr page 204

192

„Toen ik nog in 't Haachie lagquot;.....

„Indertijd in Paramariboquot;.....

„Toen ik nog op Rotterdam voerquot;.....

Verder evenwel bracht niemand het. Want opeens bulderde het orakel, terwijl hij met zijn vuist op tafel sloeg: wat hij in den regel deed, al was hij volstrekt niet boos, „'t Haachie !... Paramaribo!.... Rotterdam !quot;.... En daarna met de grootst mogelijke minachting: „Wat zou me 't Haachie; wat zou me Paramaribo; wat zou me Rotterdam !.... Groot Mokum!quot;..... — met eene plotselinge beweging tot Gilles: „Ben jij weieens in Amsterdam geweest ?quot;.... Gilles kroop in zijn schelp ; want hij had het noodige respect voor schoonvader en schudde beschroomd van neen !.... Ken j ij Amsterdam ?quot;.... — de groote oogen van „schoonvaderquot; richtten zich op Gerritsen..... „Dat is te zeggen.....,quot; waagde deze het in't

midden te brengen; maar voor hij verder kon gaan, schreeuwde het orakel: „Neen, kennen, meen ik, kennen! Ik heb er drie jaar gelegen en jij Koo ?quot;..... Koo

lachte en zei niets anders dan: „Nou, dat zou ik denken !..... Amsterdam!quot;..... en daarbij trok zijn vroolijk,

rood gezicht zich in zooveel rimpeltjes, dat men zien kon, hoe hij inwendig genoot bij de herinnering aan vroeger jaren, terwijl uit ieder rimpeltje eene aangename levenservaring sprak. Want Koo was een optimist en had de wereld altijd van den besten kant bekeken, gelijk de wereld hem.

„Ik heb eens een varken gehad, wou ik zeggen, datquot;.....

„Toe Gerritsen, speel nu een deuntjequot;, gilden op eens alle vrouwen tegelijk; want ze waren ook bang voor de varkens van schoonvader en hoewel deze beproefde verder te gaan met zijn verhaal en te midden van 't rumoer

ocr page 205

193

nog de woorden uitstiet : „altijd.... weigerde.....te eten.....

als een ander ..... het voerde !quot;.....moest hij toch eindelijk

zijne pogingen opgeven en viel hij zelf het eerst in met het koor, waarvan Gerritsen op zijne harmonica het begin aangaf: „Waar kan men beter zijn, waa.. aa...ar kan

me...hen beter zijn, dan bij zijn beste vri...hin...den !quot;.....

Nadat het heele gezelschap met begeleiding van Gr e r-r i t s e n s harmonica herhaalde malen verzekerd had, dat men nergens beter kon zijn, dan bij zijn beste vrienden, haalde onze Mie een boekje uit den zak. 't Was langwerpig vierkant, had gele verschrompelde bladen met tal van vouwen en rimpels er in en droeg op het titelblad een lier benevens het opschrift „Gezelschapsliederenquot;. Mie had altijd allerlei soort van merkwaardigheden in de bovenste la van haar latafel verborgen; dat ze zulk een schat bezat, had ik evenwel nooit opgemerkt. En een schat was het. Want al had het gezelschap den ganscheu avond willen zingen, de stof zou niet ontbroken hebben. En welk een stof! Daar hadt ge het hartroerende lied van: „Hier ligt mijn Damon in het grafquot;, dat Mie als altsolo voordroeg en waarbij ze haar oogen zoo melancoliek van links naar rechts en van boven naar onder draaide, dat Gilles senior er zenuwachtig van werd en Gilles junior midden in een oliekoek bleef steken. „Daar was Kolijn, de brave boerenzoonquot; en „Schilder, 'k wil mij zeil eens zienquot;, van welk laatste lied Koo het refrein zoo aandoenlijk vond; ten minste de tranen biggelden hem langs de wangen, telkens als hij uitgierde: „Kaatje en Grietje beide, zijn een paar knappe meidequot; .... Verder bevatte de verzameling van Mie een allergeestigste lied op eene wereld, „die in rep en roer wasquot; en waarin een melkboer voorkwam en eene juffrouw uit de buurt, die

13

ocr page 206

104

bevallen was van een boerenboon, welke kolossale aardigheid door Gilles junior met gegniffel werd begroet. Maar 't hart van de mannelijke helft van 't gezelschap ging open, toen de vaderlandsche liederen voor den dag kwamen, die het merkwaardige boek in groote menigte bevatte, Natuurlijk in de eerste plaats 't „Wien Neêrlandsch bloed van vreemde smetten vrijquot; en 't „Wilhelmusquot;. Maar bovendien liep het ook over van geestdrift van 'tjaar dertig, van die echte geestdrift, die met Van Speijk in de lucht vloog en met Chassé de „ontzindequot; Belgen op bommen en granaten onthaalde. „Wie prijktquot;, zoo vroeg schoonvader met geroerde stem, „wie prijkt aan 't hoofd der heldenstoet?quot;... en 't koor antwoordde vol vuur: „C h a s s équot;, en telkens weer „C h a s s équot;, tot Gerritsen eindelijk op 'tidee kwam, dat dit nu precies de wijze was van „Wie in Januari geboren isquot;, 't geen aanleiding gaf om den koffie boel op te ruimen en den brandewijn op schillen voor den dag te halen en 't welzijn van alle

vrienden te drinken...... „Wie in Januari geboren isquot;,

bromde de harmonica en Koo, die altijd blij was, als er een extra oorlam te verdienen was, zong telkens uit volle borst mee: „Drink uit, drink uit, drink uitquot;, — en nog eens weer met een vreeselijken draai: „Drink uit, drink uit, drink uit!quot; Bovendien liet hij zichzelven eerst verjaren in Maart 'en vervolgens nog eens weer in December, telkens om 't extra-oorlam natuurlijk, waarbij hij zich verontschuldigde met het leukste gezicht van de wereld, door te zeggen, dat hij zich den eersten keer vergist had en dat hij een vollen neef had, die ook Koo Brinkman

gedoopt was en die in Maart verjaarde...... De vreugde

was algemeen en de straatjongens bleven voor het raam van het pothuis staan, om door de reten te gluren, maar

ocr page 207

195

moeder Gilles spelde er een schort voor en de pret kon haar gang weer gaan.

„SchoonvaJerquot; stelde nu voor, om ieder een liedje op zijn eigen hand te zingen; wie 't niet doen kon, zou een pand verbeuren, welke voorslag met algemeene stemmen werd aangenomen, tengevolge waarvan Gilles senior, die altijd „met de klompen in 't gelag kwam quot; zooals schoonvader het kernachtig uitdrukte, natuurlijk het eerste pand inbracht, daar hij wel een aandoenlijk liedje zong — 't was over een klok, die acht sloeg, en over een vrijer, die niet komen wou — maar, zooals van zelf spreekt, daarbij

vergat op zijne hand te gaan zitten......

Men kreeg langzamerhand genoeg van 'tzingen: de keelen waren heesch en moesten gesmeerd worden; de brandewijn op schillen begon meer en meer te werken en de stemming van 't gezelschap rees met iedere tien minuten een hal ven toon. Allerlei vermakelijke en onderhoudende gezelschapsspelen kwamen thans aan de beurt. Schoonvader liet „alle kippen en duiven vliegenquot;, dat het een aard had en Gilles senior, de eeuwigdurende ongeluksvogel, moest zijn rooden zakdoek in pand geven, toen hij op het noodlottig idee kwam, „konijnen en varkensquot; de lucht in te zenden. Dan kwam de „sleutel van de witgekropte duifquot; en de historie van een zekeren mijnheer, die 't lachen en spreken verbood en aan ieder lid van 't gezelschap de rol van een dier toedeelde. Gilles senior werd door schoonvader tot ezel gepromoveerd en

onze Mie tot geit.....

Eindelijk was de volheid der tijden gekomen, waarin de panden moesten worden ingelost en werden allerlei onmogelijke dingen van de verschillende leden van 't gezelschap geëischt, die alle met meer of minder succes ten

ocr page 208

196

uitvoer werden gebracht. Zoo kon Koo zijn tonteldoos niet weerom krijgen, vóór hij de ronde gezoend had; maar toen hij op 't punt stond zijne penitentie aan Mie te voltrekken, werd hij op eens bij den kraag gegrepen door Hannes, die niet velen kon, dat men zijn „meissiequot; zoende. Dat gaf eenige onaangename oogenblikken; maar de zaak helderde zich weldra op zonder explicaties en zonder duel, en Hannes, die niet eerder had kunnen komen, omdat hij over had moeten werken, roerde eerst zijn glaasje om, nam er een slok uit en maakte zich daarna gereed, om aan de pret deel te nemen, die weldra haar toppunt bereikte, toen Gr i 11 e s senior zijn slof van de voeten nam en voorstelde „slofje onder!quot; te doen, een voorstel, dat algemeen bijval vond en welks uitvoering vooral veel gegiggel veroorzaakte onder de aanwezige dames. Kortom, het was een rumoerig en allerdolst too-neel....

Maar Gilles met zijn „slofje onderquot; had niet gerekend op de drukke beweging, waartoe dit spel aanleiding gaf en toen het afgelooopen was, voelde hij zich zoo raar en zoo draaieri*g, dat hij zich aan een deurpost moest vasthouden, wat „schoonvaderquot; de opmerking in den mond lei, dat Gilles altijd een kind geweest was en nergens tegen kon, eene opmerking, die de waardige wederhelft van den ongelnkkigen snijder volmondig beaamde. Maar toen de aardige Gerritsen zei, dat het van de dunne beentjes kwam, die geen weelde konden dragen, vatte moeder Gilles het weer op voor den stakker, die onder-tusschen naar 't achterkamertje in de bedstee gesukkeld was, en beweerde, dat de beenen van haar man even goed waren als de beenen van een beurtschipper, waarop de beurtschipper in vuur geraakte en eerst een gloeiende

ocr page 209

197

speech hield over beenen in 'fc algemeen en beenen van beurtschippers in't bijzonder, om vervolgens eenige opmerkingen te maken aan 't adres van moeder Gr i 11 e s, dio haar klaarblijkelijk minder aanstonden; want ze brachten haar eerst aan 't razen en daarna aan 't huilen, totdat Hannes tusschenbeide kwam, den vrede herstelde en beweerde, dat het nu mooi genoeg was geweest. En het was ook mooi genoeg geweest, en 't gezelschap sukkelde zoo goed en zoo kwaad als 't ging naar huis met Ger-ritsens harmonica voorop......

Den volgenden morgen zat baas Gr i 11 e s op zijn werktafel met zulk een blauwen neus en zulk een wanhopig aardappelmeel gezicht, alsof hij zijn gansche levensvreugde verspeeld had en nooit weer een gescheurden pantalon bij elkaar zou kunnen krijgen. En Koo, die vuurvast was en die bij 't naar huis gaan nog even stevig op zijn beenen had gestaan als bij 't begin van de visite, pochte de gansche week in 't pakhuis over de pret, die hij op de slachtvisite bij baas Gilles had gehad.

Bij ons in huis heerschte daarentegen de grootste ver-óntwaardiging over het helsch rumoer, dat de lui in 't pothuis gemaakt hadden en over 't late thuiskomen van Mie, die den storm alleen daardoor eenigszins bezwoer, dat ze plechtig verzekerde, dat de „jongeheerquot; alleen oliekoeken had gegeten en geen „druppelquot; geproefd had, wat evenwel niet weg nam, dat de „jongeheerquot; alleen van de oliekoeken den ganschen volgenden dag ziek was en nooit weer permissie kreeg, om de slachtvisite's bij Gilles met zijne tegenwoordigheid te vereeren. Want, „o, ze waren er zoo door vereerd geweestquot;, vertelde vrouw Gilles later aan moeder, toen de bui weer afgedreven was, „en de jongeheer werd ook al zoo groot!quot;....

ocr page 210
ocr page 211

„DE BAKKER VAN DEN HOEK.quot;

ocr page 212
ocr page 213

„De hakkci1 van den hoek.quot;

Bakker was hij ; maar of hij precies op een hoek woonde, zou ik niet meer durven zeggen; want het is al zoovele jaren geleden, dat ik hem gekend heb, en de tijd, die alle scherpe omtrekken uitwischt en alle beelden, die voor ons geestelijk oog verrijzen, met doezelige lijnen teekent, heeft ook zijne gestalte in een half-nevelachtig waas gehuld. Maar toch bezit ze nog duidelijkheid genoeg, om haar vast te houden en te dwingen eenige oogenblikken voor mij te poseeren. Ik zie bijvoorbeeld nog volkomen ongeschonden de blauwe slaapmuts, die zijne bemeelde haren bedekt en waarvan de pluim met eene onbeschrijfelijke nonchalance over het linker oor naar beneden hangt. Ook herken ik nog het bleeke, ingevallen gezicht en den mond zonder tanden, mommelende op een baardwarmertje met zwart doorgerookten kop; de dunne blanke handen, het blauwe „boezeroenquot;, in bedwang gehouden door twee gebreide bretels, die elkander op den rug kruisen en waaraan een broek fladdert, veel te wijd voor 's mans negatieven buik en rammelende spillebeenen.... Ik had bijna „pantalonquot; gezegd, om mijn fatsoen op te houden; maar baas J u r g e n s droeg geen pantalon, wel een deugdelijke, oud-Hollandsche broek. Want onze bakker was een bakker en geen mijnheer: daar wist men in die dagen zoo niet

ocr page 214

202

van. Ook had vrouw J u r g e n s — van juffrouw was nog geen sprake — een neepjesmuts en muilen en een jak met een wollen voorschoot. Baas J u r g e n s droeg ook muilen en wel om zijn bloote voeten. Daar slofte hij den winkel mee door, als we voor een stuiver pepernoten kwamen halen en ook wel, als we 's avonds bij 't uitgaan der school zijne winkeldeur openduwden en dan op een afstand de uitwerking van het dolle gerinkel der winkelbel stonden gade te slaan. Er was namelijk eene groote merkwaardigheid verbonden aan den winkel van baas J u r g e n s. Op den achtergrond bezat hij eene deur van matglas, die naar de woonkamer voerde en op welker ruiten zich de gestalten, die van plan waren die deur te openen, reeds eenige oogenblikken te voren afteeken-den. Wij goddelooze knapen van de Fransche school noemden dat meedoogenlooze spelletje met den eerbaren Jurgens en zijne zedige huisvrouw het oproepen van geestverschijningen en gierden het uit van pret, als de kwast van de blauwe slaapmuts zich afteekende op het matglas van de deur. Maar we meenden het zoo kwaad niet, evenmin als baas J urge n s, die de zaak vrij kalm opnam en die zich, toen hij mij op zekeren avond onverwachts te pakken kreeg, tevreden stelde met de haastig gegeven verzekering, dat ik heusch nooit weer zou doen, wat me natuurlijk niet belette, om evenals wijlen koning Frans de Eerste met toepassing van eene echt Machiavellistische politiek den volgenden dag mijne afgedwongen belofte te vergeten en van vorenafaan te beginnen. Ééns echter liep het door 't dolle heen. De bakkerij van onzen eerzamen bakker had naast een groot raam, waardoor men vrij kon heen zien en de geheimen der edele kunst, die er achter uitgeoefend werd, kon bespieden, nog

ocr page 215

203

een kleiner venster, dat aan een soort bergplaats van brandstoffen en gereedschappen licht gaf. Dat venster had er al lang zeer gehavend uitgezien. De meeste ruiten waren stuk: enkele met wit papier beplakt, andere door plankjes vervangen; maar één ruit, verbeeld u, precies in 't midden blonk soms nog „im Abendsonnenscheinquot; in al haar pracht en heerlijkhëid.. . Dat was immers te veel; dat was meer dan een dertienjarig gemoed kon uitstaan; dat was tergend!.... „Waarom die ééneruit... waarom die ééne juist?quot;.... Dat was de verleider, die begon te insinueeren. Ik hield me goed en stapte met mijn schoolboeken stijf onder den arm gedrukt het bewuste raam voorbij, een geliefd straatdeuntje fluitende, om mijzelven wijs te maken, dat die ééne ruit me volstrekt niet in den weg zat... Maar dat deed ze toch! Ik kon mij maar met geen mogelijkheid begrijpen, welk recht van bestaan zoo'n pedante glasruit toch kon hebben, die zich breed maakte te midden van zoo'n ruïne en die — stouter dan GatovanUtica — het waagde den val van de Republiek te overleven .. . Pedant was het in de hoogste mate .... Ik moet eerlijk bekennen, dat de verleider mij zoodanig te pakken kreeg, dat mijn gemoedsrust verdwenen was en dat ik menigmaal mijzelven noodzaakte, eenen anderen weg in te slaan naar de Fransche school en weerom, om de verzoeking te weerstaan. Op zekeren morgen echter — 't was nog maar acht uur en de straat tamelijk leeg — werd het geval mij te machtig. Eene geheimzinnige macht dreef me eerst de stoep op voor 't groote raam, waarachter de warme krentebroodjes het eerste levenslicht aanschouwden; toen schoorvoetende langs het venster met de pedante ruit, die in al haar zelfbewuste heerlijkheid met de stralen der morgenzon coquetteerde. Wat het was, weet ik niet; maar

ocr page 216

204

... „l'occasion, 1'herbe tendre, et, je pense, quelque diable aussi me poussantquot; .. . enfin.... ik lichtte mijn elleboog op en gaf het voorwerp mijner begeerlijkheden zulk een gezonden stoot, dat het rinkelend en rammelend half naar binnen, half naar buiten in scherven lüteen-spatte. Do republiek was gewroken!. ...

Ik geloof wezenlijk — ik moest me misschien schamen het te bekennen, maar dat doe ik, helaas, niet —, dat ik veel zelfvoldoening smaakte van mijn heldenfeit. Niet, omdat ik het zoo grootsch en zoo verheven vond — we hadden er wel veel grooter verricht —, maar omdat mijn gemoed rust had, nu de steen des aanstoots weggenomen was, die me zooveel onrustige oogenblikken had bezorgd.

Wat deed ook in 's hemelsnaam die ééne heele ruit te midden van zooveel vervallen grootheid!. .., Maar de wrekende hand der gerechtigheid was nabij, 's Morgens onder schooltijd — we waren pas begonnen en midden in de onregelmatige werkwoorden; want ik had juist met heel veel moeite den een of anderen Imparfait van den eenen of anderen Subjonctif voor den dag gebracht en mij tamelijk gelukkig door eenige allerellendigste „issionsquot;, „issiezquot; en „issentquot; heen gewerkt, — 's morgens onder schooltijd, zeg ik, werd er heel verdacht aan de deur geklopt. Het ernstige hoofd van „Msjeuquot; met het dikke pruikje, dat eens bij zekere plechtige gelegenheid — de man was toen erg verontwaardigd — met kalotje en al over de schoolbanken heen was gevlogen, verdween eenige oogenblikken om het hoekje, om daarna weer te verschijnen, gevolgd door de blauwe slaapmuts en de muilen met bakker J u r g e n s er in. Nog zie ik, hoe „Msjeuquot; hem ondervraagt en hoe daarna de vertoornde oogen van den bakker de banken langs dwalen, om einde-

ocr page 217
ocr page 218
ocr page 219

205

lijk zich op mij te vestigen, en hoe zijn lange dunne vinger mij aanwijst met de woorden: „Daar zit ie!quot;...

Enfin.... dat zijn van die wederwaardigheden, die onvermijdelijk aan 's menschen vlegeljaren verbonden schijnen en zonder welke hij eigenlijk geen mensch kan worden. Laat ons er dus maar niet meer over spreken. Merkwaardig evenwel noem ik de omstandigheid, dat deze zaak de eerste aanleiding gaf tot mijne meer intieme kennismaking met baas J u r g e n s en tot onze bijzonder hartelijke verstandhouding.

Baas J u r g e n s was een allergemoedelijkst man; dat vernam ik naderhand, toen ik hem beter leerde kennen. Mijne brooddronkenheid had hij mij spoedig vergeven, zooals reeds den volgenden dag bleek, toen ik naar school ging en schuw langs den overkant der straat den bakkerswinkel voorbij trachtte te schuiven, zonder bemerkt te worden. Daar stond hij in zijn gewone werkpakje op de stoep, en de pluim van de blauwe slaapmuts hing zoo onbeschrijfelijk goedmoedig over het linker oor, dat ze zelfs een schuldiger geweten dan het mijne gerustgesteld zou hebben. Toen zijne menschlievende oogjes mij daarop wenkten, naderbij te komen, durfde ik dan ook niet nalaten aan dat verzoek te voldoen en half onwillig slofte ik naar de overzijde. Maar daar werden zulke vurige kolen op mijn hoofd gestapeld, dat ik mij nog schaam, als ik er goed aan denk. Na eene hoogst gemoedelijke toespraak en na eene opsomming van alle mogelijke dingen, die baas J u r g e n s wel had kunnen doen, als hij gewild had, maar die hij in zijn goedertierendheid, om mij en mijn „brave'' ouders — 'k geloof heusch niet, dat hij mijn „bravequot; ouders kende — te sparen, maar achterwege had gelaten, — na eene hoogst gemoedelijke toespraak,

ocr page 220

206

zeg ik, werden mij een paar koekjes in de hand geduwd, die ik onnoozel genoeg was aan te nemen, want in mijn verlegenheid voelde ik mij erg klein, klein genoeg voor een paar boterspritsen, en daarmede werd ik als een jongentje van een jaar of vijf verder gezonden. Toen ik van mijne eerste verslagenheid een weinig bekomen was — ik moet eerlijk bekennen, dat een flink pak slaag me veel beter bevallen zou zijn —, smeet ik met verontwaardiging de koekjes van mij — 'k was intusschen buiten 't bereik van baas J u r g e n s' blikken gekomen — en ik zag met inwendige vreugde, hoe een uitgehongerde poedel zich er aan te goed deed en per slot van rekening er nog ruzie om kreeg met een paar onnoozele kippen. Dit alles nam evenwel niet weg, dat ik bij eenig nadenken den ouden J u r g e n s een snuggeren kerel vond en dat mijne ondergane vernedering mij niet beletten kon, onwillekeurig zijne paedagogische handigheid te bewonderen ....

't Gebeurde later meermalen, dat de goedaardige bakker een praatje met mij aanknoopte, als hij in de blakerende zon voor zijne deur een beetje stond uit te blazen van de hitte en de vermoeienissen van zijn werk in de bakkerij en daarbij deed, alsof er tusschen ons beiden nooit iets van belang was voorgevallen ....

Baas Jurgens en zijne bakkerij waren nog een paar exemplaren van den ouden stempel. Zijne blauwe slaapmuts en zijne bloote voeten in de geweldige muilen bewezen het genoegzaam. Van alle mogelijke machinerieën had hij een geweldigen afkeer, en wie hem aan 't verstand had willen brengen, dat het van een fatsoenlijk burger-mensch toch wel een beetje te veel gevergd was, om niet vies te zijn van brood, in welks bestanddeelen een

ocr page 221

207

paar knechts van zeer twijfelachtige zindelijkheid eenigen tijd met de bloote voeten hadden rondgedanst, zou eenvoudig met een medelijdend glimlachje en schouderophalen zijn afgescheept. In het dagelijksch brood van onze voorvaderen hadden eeuwenlang ook bakkersknechts hunne bokkesprongen vertoond, waarom zouden ze het niet doen in het onze en in dat van onze nakomelingschap? ....

Een van de grootste merkwaardigheden in den winkel van baas J u r g e n s was de helder glimmende koperen hoorn, die voor het eene raam hing en waarop zijne beminnelijke wederhelft iederen Vrijdag hare krachten beproefde. Men begrijpt natuurlijk, dat zij het deed met blauwsteen en niet met hare afgeleefde longen. Zij poetste den hoorn, tot hij blonk en schitterde; maar haar man blies er in, tot hij de heerlijkste geluiden voortbracht, die ooit een bakkershoorn heeft kunnen voortbrengen. Dat was evenwel alleen op Zaterdagavond, als er „warm brood geblazen werdquot;, zooals de lui dat noemden. Ik weet niet, of dit gebruik algemeen geweest is in ons land en hoe lang het reeds tot de geschiedenis behoort, maar ik kan me nog opperbest herinneren, hoe baas J u r g e n s iederen Zaterdagavond tegen acht uur, meen ik, naar buiten kwam en op de stoep eenige malen in den bewusteu hoorn blies, waarbij allerlei geluiden elkaar verdrongen en om den voorrang worstelden: het loeien van dorstige koeien, het knorren van hongerige varkens, het hinneken van strijdlustige paarden, — kortom, 't was de verwarde slotsom van de uiting der meest heterogene gemoedsaandoeningen eener gansche menagerie, en alsde oude tijd zoo beschaafd geweest was van „zingende koffiehuizenquot; te bezitten, dan was baas J u r g e n s een onbetaalbaar exemplaar geweest voor een ondernemer van

ocr page 222

208

dergelijke lioog-aesthetische publieke vermakelijkheden .. .

Baas J u r g e n s was ij del op zijnen hoorn en meer nog op zijne bedrevenheid om dat instrument te „bebla-zenquot;, want „bespelenquot; durf ik heusch niet zeggen. Geen grooter verontwaardiging kon men — ik bedoel met die men straatjongens, waaronder de zoogenaamde „jonge-heefenquot; met permissie ook behoorden —, geen grooter verontwaardiging kon men bij hem opwekken, dan wanneer men onmiddellijk na zijn obligaat op den gepoetsten hoorn, het welbekende refrein aanhief, dat dan ook op Zaterdagavond geregeld langs de straten weerklonk:

„De bakker van den hoek,

„Die heeft van nacht geblazenquot;...

en wat er verder volgt van dit stichtelijke volksliedeken, dat meer tot vermaak der blijde jeugd dan tot vreugde der mama's en kinderjuffrouwen door den eenen of anderen snuggeren bol scheen uitgevonden te zijn.

Den grootsten triomf vierde baas Jurgens op Sint-Nicolaas avond. Dan glom zijn winkel van geschuurd blik en waskaarsen, van gedienstige winkeljuffrouwen met pommade in 't haar, gladde koonen en gepofte winterhanden, van Nederlandsche vlaggen en verguld; maar boven allen glans uit schitterden en glommen de goedmoedige gezichten van baas Jurgens en zijne wederhelft, die haar blauwsteen voor deze plechtige gelegenheid tusschen den hoorn en haar-zelve verdeeld scheen te hebben....

't Was nog niet in den tijd der specialiteiten en onze „Mosjeuquot; onderwees ons de beginselen van alle mogelijke wetenschappen, terwijl hij er ook nog een cursus op nahield voor stuurmanskunst en handelsrekenen, twee dingen, welke in ons oog zoo verbazend hoog boven 't gewone

ocr page 223

209

peil der menschelijke ontwikkeling stonden, dat we ze niet eens onder „alle moaelijke wetenschappen'' durfden rangschikken. Ook verloste onze dokter, die mij den éénen dag van buikpijn en mijn oudsten broer een week te voren van een indigestie genezen had, den anderen dag mijn zusje van een kwaden kies en twee dagen later onze keukenmeid van een graat in de keel, vier kwalen, waaraan tegenwoordig de heele geneeskundige faculteit een duit zou verdienen. Zoo bakte ook baas J u r g e n s niet alleen wittebrood, „masteluinquot; en overheerlijke beschuiten, maar hij bezondigde zich ook aan allerhande, Arnhemsche meisjes — in alle eer en deugd natuurlijk! — en „best Amsterdamschquot; Sint-Nikolaas, ja hij waagde zich zelfs aan borstplaten en chocoladen tabakspijpen.....

't Spreekt van zelf, dat op dien plechtigen avond de blauwe slaapmuts moest wijken voor eene pet, waarvan de klep precies dezelfde windstreek aanwees als in gewone tijden de pluim, en de muilen voor vilten pantoffels.

Even groot bijna als op den Sint-Nicolaasavond was onze Jurgens op den Zondag-avond daaraanvolgende. Want dan weiden de restantjes verloot, „met permissie van het Edelachtbaar-Bestuur,quot; zooals hij in de plaatselijke Nieuwsbode altijd annonceerde. Dan verdrong zich eene talrijke schare, waaronder eene menigte kindermeiden met kinderen, hangende aan hare geruite boezelaars, en „vrijersquot;, aan welker armen zij op hare beurt hingen, om eene wit-geschuurde tafel in de bakkerij en dan rolden er drie dobbelsteenen met verraderlijke zwarte oogen over die tafel. Nooit zal ik het vergeten, hoe na verscheidene wanhopige pogingen, om de fortuin te dwingen, onze Naatje voor mij eens een

14

ocr page 224

210

tulband lootte, een echten tulband, zóó taai, zóó oudbakken, zóó troosteloos ongenietbaar, dat vader en moeder tot de wanhopige ontdekking kwamen, dat het ding bij een vorig Sint-Nicolaasfeest gebakken moest zijn; maar waarin de kinderkamer zich desalniettemin zoo bovenmatig verheugde, dat onze dokter er veertien dagen pleizier van had..... Ik vraag dan ook, welk dertienjarig gemoed ooit een tulband te taai heeft gevonden!.....

Baas J u r g e n s had er alle eer van, dat vonden wij, en we hebben het hem later ook verteld, bij welke beleefde mededeeling hij ons tot bescheid gaf, „dat z ij n tulbanden altijd goed waren en dat het er maar van afhing, of een mensch in zijn jeugd verwend was of niet,quot; — eene opmerking, die al weer getuigde van 's mans paedagogische kennis en die alweer deed zien, dat baas J u r g e n s lang niet mal was, zooals een spe-cialiteit in ütrechtsche theerandjes tegenwoordig misschien wel zou willen beweren.

ocr page 225

KIJKJES UIT MIJN VENSTER,

ocr page 226
ocr page 227

Kijkjes uit mijn venster.

i.

Uit een der beide hooge ramen van mijne werkkamer zie ik in eene steeg tegenover mij, welke, zelve een der tallooze adertjes, waardoor het leven onzer Nederlandsche provinciestad stroomt, uitmondt in een slagader, de niet al te drukke hoofdstraat, waaraan mijn vertrek ligt. Mijn venster omlijst den ingang der steeg, wanneer ik voor mijne schrijftafel zit.

't Is een heerlijke lentemorgen ; van Maartsche buien geen sprake; de winter is niet verdwenen, om de eenvoudige reden, dat hij er in 't geheel niet geweest is.

De klok heeft zeven uur geslagen en de trillende ochtendlucht heeft den laats! en toon in de verte doen wegsterven. Ik verbaas me over me zeiven, dat ik al voor een vel papier zit, en ik begin te begrijpen, dat de wereld er in de vroegte toch eigenlijk vrij wat aannemelijker uitziet dan tegen middernacht. Ik maak me boos op alle mogelijke langslapers, die zich nog in de mollige veeren kussens omwentelen en die de gordijnen dichtschuiven, om de gulle morgenzon er buiten te houden. Zoo maakt een mensch zich altijd boos, als hij eens,

ocr page 228

214

een enkele maal afwijkend van 't pacl zijner dagelijksche zonden, de geheele overige menschheid al bijzonder god deloos vindt en zich zeiven verre boven de tollenaars en zondaren verheven.....

De zon knipoogt tegen mij, als vond ze me een ouden bekende, difn ze meermalen op zijn ledikant had verrast en dien ze nu, wel een beetje plagerig, om zijne deugd uitlacht. Want ook dat overkomt den mensch, die gewoonlijk zondigt: als hij eene enkele maal den fatsoenlijken weg wil bewandelen, wordt hij uitgelachen.....

Mijn vloerkleed vertoont eene zonnige plek, veroorzaakt door een ganschen bundel lichtstralen, welke ongehinderd door mijn venster naar binnen glijden en waarin mil-lioenen stofjes dansen. De donkere schaduwen der huizen aan de overzijde teekenen zich af op de heldere straat-steenen: in de steeg heerscht nog een nevelig halfdonker; vooral op den achtergrond, waar eenige grijze geveltjes naar elkander overhellen en met het plaveisel en de nog bladerlooze toppen der lindeboomen, die boven een tuinmuur uitsteken, schijnen samen te vloeien.

't Is doodstil.....

Een hond slaat den hoek om, keert met zijn snuit een verlept koolblad om, dat ergens in de goot tegenover mij op een klip — een oude schoen — is gestrand, en strijkt langs de gevels der huizen in de steeg, om op den achtergrond te verdwijnen. Uit een rond gat in den muur van 't eerste huis steekt eene kip nieuwsgierig haar kop, kijkt met één oog naar den helder blauwen hemel, met het andere naar de straatsteenen, draait zeven maal den hals om, bedenkt zich achtmaal, vóór ze een besluit neemt, en daalt eindelijk met statige treden langs het laddertje, dat omlaag voert, neder in „de wereld aan

ocr page 229

215

haar voet.quot; Eene tweede volgt en eene derde: de heer des huizes was, naar me nu blijkt, reeds voorgegaan en pikt met eene waardigheid, die zich moeilijk beschrijven laat, in het koolblad. De dames pikken mee. Nog geen men-schelijk wezen .. . Eindelijk , 't plaveisel weerklinkt van zware leeren schoenen met dikke spijkers beslagen: de melkboerin. „Glanzend in de morgenzonquot; flikkeren hare koperen emmers mij tegen. Eigenlijk blinkt de heele melkboerin. Haar gelaat van tevredenheid en groene zeep; hare roode, dikke armen van gezondheid; hare hagelwitte muts van zindelijkheid. Ze groet me van uit de verte met een lach en een hoofdknik. Als ze kon, zou ze roepen : „mooi weertje, me-heer!quot;, maar ze kan niet, want mijn raam is gesloten. Ik voel eene neiging, om het haar toe te roepen: ik wist inderdaad niet, dat een mensch in de vroegte zoo'n behoefte had, om zijn zondagsstemming uit te storten, al was 't ook aan den ge-

vulden boezem eener dikke melkboerin.....Wat zoo'n

mensch al vroeg uit de veeren moet geweest zijn! Ik begin eenig respect te krijgen voor de lui, die ons hongerige stedelingen den mond stoppen. Straks bij mijn eerste kopje thee zal ik de glundere boerin in liefde gedachtig zijn ....

Er gaat eene deur open : mijne buurvrouw uit de steeg, de vrouw van den klepperman. Of neen, laat me niet zeggen „kleppermanquot;; want de klepperlui behooren tot een voorhistorisch geslacht, welks laatste vertegenwoordigers althans in steden als de onze reeds lang zijn uitgestorven. Dat had van Alphen eens moeten beleven! Mijn overbuurman is agent vierde klasse — deftig niet waar?... niet eens het oude bekende „dienderquot; meer — en heeft nachtdienst. Daarom is zijne vrouw zoo laat voor den dag

ocr page 230

21fi

gekomen ... Want ze i s nu eerst voor den dag gekomen. Dat zegt hare floddermuts, die op één oor staat; dat bewijzen bare ongekamde haren, die onstuimig onder bare muts weggolven; dat getuigen hare vakerige oogen, die, verblind door den helderen zonneschijn, de melkvrouw aanstaren, alsof deze eene verschijning uit de andere wereld was . . .

Doch slechts eenige weinige oogenblikken laat ze zich overweldigen door den invloed van het schelle licht, en weldra opent haar tandelooze mond zich, om een stroom van woorden door te laten. . . Arme vrouw! sinds gisteren avond tien uur hebben hare lippen stil gestaan; ze mochten eens verstijfd zijn in den slaap! Fluks de gewone morgengymnastiek!....

Hare schelle stem dringt door mijne ruiten heen. Voor mijn oog speelt de melkvrouw, die met een bescheidener geluid bedeeld is, eene van buiten geleerde pantomime en buurvrouw Jansen praat er bij. Eerst een verhaal over haar man en hoe de stumper den ganschen nacht de wacht heeft gehad; hoe laatst twee agenten een pak slaag hebben opgeloopen van eene bende dronken jongelui en hoe het een hondebaantje is, dat met zeven gulden in de week niet half betaald wordt; want alles is duur en de hoofdelijke omslag — nota bene een mensch met drie honderd gulden tractement ook al in den hoofdelijken omslag! — moet prompt betaald worden, al is 'tniet veel, precies als de huishuur, die altijd weerkomt, en de huisbazen zijn zoo lastig tegenwoordig; maar kom niet om reparaties, want dan zijn ze niet te spreken, en de goot lekt zoo verschrikkelijk, dat laatst de heele bedstee onder geloopen is en 't nieuwe behang heelemaal vernield, en ze had het er zelf in geplakt, want

ocr page 231

217

m. de huisbaas wou niet; en 't rookt ook zoo geweldig,

je- vooral met noordwestenwind; ofschoon de schoorsteenve-

,re ger is er pas nog bij geweest en er is een heel kraaien-

ie, nest uit gekomen; maar daar geeft de huisbaas niet om,

iw al zaten er ook zeven kraaiennesten in, als ze maar niet in

re zijn eigen schoorsteen zitten. Want eigen is al tij 1 't

naast en als de haan van hierover het vreten van mijn ïh kippen weghaalt, zooals laatst, dan pla ik er op, en bang

m voor Gerritsen ben ik ook niet; dan moet hij maar beter

m op zijn beesten passen. Ik zorg altijd voor mij n kippen;

s- maar ik krijg dan ook overheerlijke eiers; want ze leg-

i; gen, ze leggen!...

Ie „Koest!quot; tegen den hond, die op zijne schreden is

teruggekeerd en zich het koolblad herinnert, omdat hij )r niets andera heeft kunnen vinden. „Koest!quot; Die leelijke

B- honden gunnen mijne kippen geen beet in den mond.

)- Ja, mensch, zoo is de wereld een ieder moet maar zien,

r- hoe hij er door komt. Die arme stakker van hiernaast

n zal er ook wel al geweest zijn ... O, mensch! Hij was

a gisteren avond zoo ellendig... ze hebben om negen uur

q den dokter nog gehaald . .. Vliegende tering, vliegend !....

a Ik mocht verleden najaar nog zoo tegen mijn man

s zeggen: — Van Dongen ziet er slecht uit!... . Wantik

i heb het al lang zien aankomen... „Is hij dood?...

i Dit tot eene andere buurvrouw, die de steeg komt afslof-

fen .. . „Is hij dood ?quot; 'k Heb het gisteren avond nog 1 gezegd. Ja mensch, ik zag wel, dat het niet lang meer

; kon durenquot; ... Hare lange armen schermen in de lucht

J en eindigen met hare muts recht te trekken.

- Ik stop mijne ooren dicht; want het suist en bruist mij

in het hoofd. De melkboerin, die het van tijd tot tijd gewaagd schijnt te hebben een woordje er tusschen te

ocr page 232

218

schuiven, haakt, met kalme berusting hare emmers aan haar juk en verdwijnt met een langgerekt „dag!quot;, om de beide buurvrouwen elkander verder te laten overstelpen met uitroepen en philosophische jammerklachten over den doode en de menschelijke ellende in 't algemeen ....

Het tooneel wordt weldra door andere figuren ingenomen.

11.

Gelijk de eerste stralen der morgenzon, wanneer ze over de groene weide strijken, tal van bloesemknoppen doen openspringen, zoo ontsluit de melkboerin, naarmate ze verder in de steeg voortschrijdt, alle deuren. Ik zou niet durven beweren, dat die openspringende deuren dezelfde schoone mengeling van kleuren vertoo-nen, dezelfde liefelijke geuren uitwasemen als de pas ontloken bloemen des velds. Ook zijn het geen „parelende dauwdroppels,quot; die er uit te voorschijn treden, blinkende en tintelende in het morgenlicht, maar buurvrouwen, niets dan buurvrouwen in négligé, met melkkannen in de hand en schreeuwende kinderen op den arm. Allerlei modellen van nachtmutsen wapperen in het ochtendkoeltje en een veelstemmig koor van sopraan- en altstemmen klappert en ratelt in de frissche morgenlucht. Gelijk een bijenkorf stuwt de steeg uit alle deuropeningen weldra gansche zwermen levende wezens naar buiten. Zoodra de melk naar binnen is gebracht, verschijnen alle bedrijvige huiemoeders met hare koffiepotjes, om zich in massa naaide naastbijzijn de water- en v uuraffaire te begeven en er

ocr page 233

219

hare nooit geleegde gemoederen uit te storten. Gansche hoopen kinderen van allerlei afmetingen volgen, sommige met dikke boterhammen in de hand. Ze spartelen, buitelen, rollen naar buiten en barsten als 't ware uit alle huizen te voorschijn.

Mijn hemel, wat een kleingoed! quot;Wie weieens eeue steeg van een onzer steden haren inhoud heeft zion uitstorten, laat alle gedachte varen aan de mogelijkheid van het uitsterven van ons menschelijk geslacht. Het schijnt wel, dat lucht en licht, eene eerste levensvoorwaarde voor al wat ademt, geen vereischte zijn voor het hoopvolle jongere geslacht uit onze achterbuurten; want in de mufste atmospheer, in de bedomptste omgeving schiet het op gelijk de paddestoelen in 't bosch, en de woorden van den bijbel: „Vermenigvuldigt u'' schijnen daar vooral met de meest mogelijke nauwgezetheid in toepassing gebracht te worden.

Maar.... het zijn dan ook inderdaad „paddestoelen,quot; vooze, brooze wezens, met bleeke gezichtjes en spichtige ledematen; een rood, bol bakkesje is een zeldzame vogel in de steeg. quot;Wat de ongezonde, sombere omgeving niet doet, doen. de aardappelen en het verdere onvoldoende voedsel, voor zoover de „zonden der vaderen,quot; die, helaas, tot in het vierde en vijfde gelid aan de kinderen bezocht worden, niet reeds eene kiem gelegd hebben welke zelfs bij de zorgvuldigste opkweeking nooit tot eene welige, volle plant zal kunnen opgroeien. quot;Want — is het wel ergens anders? — ook in onze steeg woont de drankduivel en hij heeft er zijne aanbidders, hij telt er zijne ongelukkige slachtoffers. Daarvan zou menig gelaat, menig verglommen oog van onder de kakelende vrou-wenbende getuigenis kunnen afleggen. Ik heb voor een

ocr page 234

220

paar jaren in onze steeg eene roodwangige dienstmeid de deur van een der huisjes zien binnentreden aan den arm van een knappen timmerman, ciie ruimschoots zijn brood had. Ik heb de tonen van het bruiloftsgezang tot op mijne kamer hooren weerklinken en het gelach der vroolijke gasten... Ik heb den oppassenden jongen man gadegeslagen, terwijl hij langzamerhand langs de steile helling naar beneden gleed; thans is hij zonder brood en zwerft hij langs de haven, om te hooi en te gras een stuiver te verdienen, die maar hoogst zelden in de steeg terecht komt... Ik heb daar juist de roodwangige deern van voorheen de steeg zien uitkomen, haveloos, slordig, bleek en vervallen, met een kind op den arm, dat reeds de kiemen van eene doodelijke ziekte in zich omdraagt.... Er is toch inderdaad veel ellende op aarde en ik kan me begrijpen, hoe de levensbeschouwing van het „tranendalquot; in de wereld is gekomen. Wat een lijden is er geleden, wat een strijd is er gestreden, vóór dit blozende gelaat zoo verbleekt is en met de voren van zielesmart doorploegd!. . . .

't Moet ons verwonderen, hoe dat kleine goed te midden van alle ellende en verdrukking nog zoo'n dosis levenslust bewaard heeft; dat geeft me de overtuiging, dat een mensch een taai wezen is, „geschapen voor geluk,quot; zooals van Alpheu het heeft uitgedrukt, niet ongelijk aan de radijzen, die groeien, ofschoon, neen, die sterker groeien, naarmate ze vertrapt worden. Dat buitelt en tuimelt, dat giert en schatert, alsof de weelde der lieve morgenzon voldoende ware, om een menschen-kind de hoogste mate van gelukzaligheid te doen bereiken. Nu geloof ik ook inderdaad, dat de vroolijke zonneschijn een belangrijke factor is bij t regelen van

ocr page 235

221

's menschen dagelijksehe gemoedsstemming: eene bevredigde maag en wat blauwe lucht brengen ons al een heel eind op weg naar het paradijs.. . Zoo schijnt ook het „grutquot; uit de steeg er over te denken.

Bovendien — de mensch moge van nature al boven 'fc aardsche slijk verheven heeten — er ligt in ieder jong gemoed iels, ik durf haast niet zeggen „varkensachtigs,quot; en het schijnt eene gelukzaligheid te zijn voor iederen aankomenden wereldburger, en dat niet alleen in onze achterbuurten, wanneer hij zich naar hartelust in alle mogelijke ongerechtigheden mag omwentelen. Zet een uwer jongste lievelingen eens in den tuin, mevrouw, laat hem zijn eigen gang gaan, en ik bezorg hem u na verloop van een half uur weerom, onkenbaar, met een gezicht als een moor, met handen als een slootgraver en met een boezelaartje, dat onmiddellijk naar de wasch-

vrouw zal dienen te verhuizen..... Zoo ook in onze

steeg. Honden en kippen zijn intieme vrienden van hare jeugdige bevolking; de goot heeft niet de minste verschrikking voor de jonge gemoederen en bezit daarentegen des te grooter aantrekkelijkheid, naarmate ze meer gevuld is. Stroomt ze bij geval, dan stijgt de verrukking ten top. Een stroohalm, een notedop wordt een schip, dat op klippen strandt, bij watervallen te gronde gaat, door ondiepten wordt vastgehouden en eindelijk onder een oorverdoovend gejuich in den maalstroom bij de wending van den eenen of anderen zinkput verdwijnt....

Daar ratelen de eerste karren der groenteboeren over de straatsteenen. Bespannen met ezels, met hitten, met geiten, komen ze de poorten binnen, om de hongerige magen der stedelingen te bevredigen .... Wat is zoo'n stad toch een onverzadelijke slokop en wat wordt er al

ocr page 236

222

niet gewerkt tot vulling van den buik!... Ik herinner me altijd nog, als ik zoo de heele wereld zie draven en zwoegen, dat onze oude keukenmeid gewoon was te zeggen, als 't eten op de tafel stond: 't Is haast de moeite niet waard, er zoo'n drukte om te maken; want met een half uur is alles verdwenen en ik heb er den heelen voormiddag mee getobd.quot; De goede sloof had gelijk: een mensch maakt het zich wel wat druk in de wereld en Lycurgus zou, als hij weerom kon komen, bepaald meenen, dat het einde der dagen nabij was. De Spar-taansche eenvoud is sinds lang uit onze burgerhuishoudens verdwenen!

De brievenbesteller: hij draait den hoek om; ik zie zijn koperen knoopen glinsteren in den zonneschijn.

De brievenbesteller!

ILL

Hoe de menschen het wel moeten gemaakt hebben in de barbaarsche tijden, toen er nog geen couranten werden uitgegeven en er nog geen brievenbestellers waren, is mij een raadsel. Eene courant is voor ons, kinderen van den nieuweren tijd, een onmisbaar ingredient geworden van ontbijt- en theetafel, en ik geloof stellig, dat de versche cadetjes me 's morgens niet zouden smaken, als ze niet gekruid werden door het nieuwste nieuws uit Egypte of uit Tonkin. Ook is er zooveel genot in het ontvangen van een brief, dat ik inderdaad eenigszins wrevelig den goedmoedigen brievenman achterna zie, wanneer hij mijne stoep voorbijgaat. Maar dat doet hij ge-

ocr page 237

223

lukkig maar hoogst zelden, en als hij mij geen brief brengt, schuift hij in ieder geval eene courant in het busje. Ik boor hem reeds de klep openduwen en ik tel, hoeveel malen hij die handeling verricht; want iedere afzonderlijke duw is een brief of een courant of een.. .. Ja, dat is waar: er zijn ook vervelende, saaie dingen onder alle papieren, die de brievenbesteller zooal in de bus werpt. Ge verwacht bijv. een brief van uw besten vriend en ge vindt een prospectus van het eene of andere taaie, wetenschappelijke werk, dat zich verbeeldt — alhans zijn uitgever verbeeldt zich zoo iets — in eene lang gevoelde behoefte, in eene gapende leemte te voorzien. Er schijnen altijd ergens leemten te blijven gapen! — G-e zijt reeds drie dagen in spanning over een epistel, dat komen moet van eene welbekende jonge dame, waarin uwe toekomst met één woord zal worden beslist, en ge vindt in 't brievenbusje een catalogus van den P r i n-temps of de Grands Magasins du Louvre, die u een overvloed van allerhande luxe-artikelen voor dames aanprijst, waarvan ge wellicht — dat hangt eenvoudig af van den brief, dien ge in het busje verwacht hadt — nooit gebruik zult kunnen maken. Bitter teleurgesteld, kunt ge het kwaadaardige vermoeden niet onderdrukken, dat de lui daar ginds in Parijs de aardigheid gehad hebben u met uwen weinig benijdenswaardigen toestand op baldadige wijze te plagen ;... of wél: ge zijt in spanning over den afloop van de eene of andere gewichtige onderneming en ge vliegt naar de voordeur om den brievenbesteller als 't ware zijn kostbaren last uit de handen te wringen ; droevige ontgoocheling! ïn een heel net gesatineerd boekje, met een eeuwigdurenden almanak op den koop toe, verhaalt een gemoedelijke heer

ocr page 238

224

Bellemer uit Bordeaux u, dat hij een kolossalen „Vignoblequot; bezit en wijn genoeg, om de heele stad voor een avond tot boven haar theewater op te winden.... Maar wat gaat u dat aan ? Zonder het ding verder met een blik te verwaardigen, smijt ge het in den papier-korf, met eene verwensching op de lippen tegen .... ja, om de waarheid te zeggen, nog minder tegen den gelukkigen heer Bellemer met zijn gevulden wijnkelder, die u ondanks u zei ven met de tong doet klappen, dan wel tegen den onschuldigen brievenman, die heel beleefd zijne twee voorste vingers aan de klep van zijn pet brengt, u vriendelijk „goeden morgen, mijnheerquot; wenscht en — 't is om razend te worden! — uw buurman een dikken brief in de bus duwt met drie postzegels erop. ... Helaas, zoo dom is de mensch, en 'tzijn niet alleen onze kleine kinderen, die de tafel klappen geven, wanneer ze zich er aan gestooten hebben, noch is het alleen koning Xerxes, die de wateren van den Hellespont laat gee-selen, omdat ze zijn mooie brug vernield hebben. Ik heb ten minste — waarom zou ik het niet bekennen ? — in den hoek van mijne kamer een Hermes van Praxiteles staan met een aangeplakten neus, die mij voortdurend met zijne klassieke oogen zonder oogappels erg verwijtend aankijkt, alsof hij zeggen wilde, dat het z ij n e schuld toch niet is, dat op zekeren morgen mijne nieuwe laarzen niet lang genoeg op de leest hadden gestaan. Als de arme stumper spreken kon, zou hij mij verkondigen, dat ik den schoenmaker zijn neus had moeten afsnijden en niet hem. Ook ligt er eene inktvlak op 't groene kleedje van mijne schrijftalel als eeuwigdurende waarschuwing voor 't herhalen van de domheid, die me mijn inktkoker deed omverwerpen, omdat de gemeenteraad goedgevon-

ocr page 239

225

den had mij twee klassen te hoog in den hoofdelijken omslag te plaatsen.... Met alle respect van mijne lezers gesproken, houd ik het er voor, dat er niet één onder is, of hij heeft ergens ook zoo'n H e r m e s staan met geknotten neus of eene schrijftafel met inktvlekken ...

Er zaten twee heuschelijke brieven in de bus ; daar liggen ze. quot;Welk een genot, ze nu bedaard open te maken en op mijn gemak onder een kopje thee den inhoud te verorberen.... Ik hoor u eene tegenwerping maken, en ge hebt gelijk : dat stomme omhulsel met zijn blauwen postzegel en dien zwarten stempel kon eene jobstijding omsloten houden. Maar in de eerste plaats vind ik, dat het gevaar voor zoo iets aanmerkelijk verminderd is, sinds de telegrammen in de mode gekomen zijn, en in de tweede plaats heb ik mij in mijn optimisme aangewend, om alle brieven, zoolang ze niet geopend zijn, voor „heilbedenquot; aan te zien, hoogstens voor heel neutraal en onschuldig, 't Kwaad is altijd spoedig genoeg gekomen, en als bij opening blijkt, dat de inhoud niet aan de verwachting beantwoordt, dan.... ja, dan ondervind ik natuurlijk eene grootere of kleinere teleurstelling; maar zulke zaken komen in 't leven zoo menigvuldig voor, dat een mensch ten laatste er ook al aan gewent en zachtjes aan in 't geloof begint te leven, dat zijne gansche omwandeling op aarde uit eene oneindige reeks van teleurstellingen bestaat, waarvan hij alleen de limiet vermag te bepalen, zonder ooit den laatsten term te kunnen aangeven... .

Daar liggen ze dan, die twee omsloten velletjes postpapier. Wat zouden ze brengen ? Het adres van den eersten brief is geschreven met eene onbekende, dat van den tweeden met eene bekende hand. Ziet ge nu wel, daar begint de pret al! Want, het komt me zoo voor,

15

ocr page 240

226

dat het genot in 't algemeen vooral ligt in de onbekendheid met de toekomst.....De hoop op bevrediging

van onze begeerten is grooter dan de bevrediging zelve, en wie precies vooruit weet, wat er van uur tot uur met hem gebeuren zal, verlangt om negen uur naar half tien en is dus ontevreden met het tegenwoordige, ófwel vreest om tien uur voor half-elf en is dus niet in staat het tegenwoordige te genieten en te waardeeren . ..

Wat zou de bekende hand te vermelden hebben; aan wien zou de onbekende hand toebehooren

Goede tijdingen!!.. Ik wuif den vriendelijken brievenbesteller een groet achterna, terwijl ik hem op den achtergrond der steeg een klein huisje zie binnengaan, waar hij anders nooit aanklopt, en mij verdiep in allexiei gissingen omtrent den aard van het nieuws, dat hij daar wel kan brengen . .. Een sterfgeval? ... Neen, maar ge hadt toch gelijk zoo straks. Dat ik voor mij zeiven nu eenmaal optimist ben, kan ik niet beteren; maar ik begin toch te begrijpen, dat zoo'n brief.....Ik vind er

echter den brievenbesteller nog des te interessanter om. Hij is voor mij een van die wezens, niet ongelijk aan de schaar, waarvan Multatuli spreekt, dio onbewust hare kaken opent en alles doorbijt, wat men er tusschen houdt: een stuk ijzer, een stuk koek, een lief meisje van achttien jaar, zonder in haar domheid te begrijpen, dat er onderscheid is tusschen een vierstuivers koek en eene huwbare jongedochter. Zoo'n schaar is dom. dat geef ik toe, maar daarom nog volstrekt niet van belang ontbloot en een zeer nuttig onderdeel van de geweldige machine, waarvan ze een deel en waarvan ze het doel uitmaakt .....Ook de brievenbesteller is dom. Daarmee

bedoel ik niet, dat hij geen hersens bezit, de tafel van

ocr page 241

227

vermenigvuldiging niet van buiten kent of niet over politiek kan redeneeren; maar — aan zijne persoonlijkheid wil ik geen haar te kort doen — hij is dom, zooals de schaar dom is. Met het vroolijkste gezicht van de wereld stapt hij, de hand vol brieven door de straten, en terwijl hij uwe dikke keukenmeid, die boven door het raam hangt — hier spreek ik natuurlijk in figuurlijken zin, zooals het tegenover uwe dikke keukenmeid betaamt — met het rechteroog een knipoogje toewerpt, terwijl het linker met welgevallen rust op 't kamermeisje, dat beneden de glazen „doet,quot; duwt hij zonder de minste gewetenswroeging u een epistel in de bus, waarin ge wordt aangemaand uwe schulden te betalen, waarin u wordt medegedeeld, dat uw dierbaarste bloedverwant van de trap gerold is en zijn hals heeft gebroken, en met dezelfde leukheid, waarmee hij aanbelt, om u een boekje van den heer Bellemer in de hand te stoppen, trekt hij aan de schel, om u eene circulaire te doen geworden, waarin ge verneemt, dat uwe uitverkorene met een luitenant bij de artillerie is geëngageerd....

Als ik toe wilde geven aan mijne neiging tot mora-liseeren — dat komt zeker van de ongewone ochtendlucht en van mijne nuchteren maag: 'kzal dadelijk eens zien, of de versche broodjes al gearriveerd zijn — als ik toe wilde geven, zeg ik, aan mijne neiging tot moraliseeren, dan zou ik hier kunnen opmerken, dat niet alleen de arme brievenbestellers, maar wij allen groote scharen zijn, die koek en jongejuffi-ouwen doorknippen, al naarmate men ze ons voorhoudt; want de wereld zit inderdaad zóó vernuftig in elkaar, dat iedereen in de groote machine zijne bepaalde plaats heeft en hakt of houwt of knipt of snijdt, zooals hem dat eenmaal is aangewezen. Zoolang

ocr page 242

228

een mensch jong is, verstout hij zich nog wel eens eene enkele maal, om eene poging te doen, ten einde eene lieve deern voorbij, maar een Deventer koek door te knippen; maar naarmate hij ouder wordt en zich meer en meer een deel voelt van de groote machine, waarin hij steeds inniger en volkomener opgaat, knipt hij er maar op los zonder zijsprongen!....

Maar we willen in den vroegen morgen nog niet mo-raliseeren!. ... Weet ge wel, dat ik soms bepaald medelijden heb met den armen brievenbesteller. De machine, waarvan gij en ik raderen zijn, staat van tijd tot tijd stil, om gesmeerd of gerepareerd te worden; h ij daarentegen is een kamrad in het perpetuum mobile. Hoe feestelijker g ij u gestemd voelt, hoe harder h ij draven moet. Zijt ge jubilaris, dan zucht de man onder 't wicht van tallooze kaartjes en brieven, waarin u van alle zijden verzekerd wordt, alsof ge 't nog niet wist, dat ge een waardig lid der maatschappij zijt. Op Nieuwjaarsdag idem ; op St. Nikolaas precies hetzelfde. En wanneer ge 's zondags morgens uwe pantoffels onder de ontbijttafel steekt en met welbehagen de courant ontvouwt, die ge nu eens op uw „dooie gemakquot; kunt lezen, vergeet ge, dat de brievenman voor dag en voor dauw uit de veeren is geweest, om u dat genot te bezorgen.... De mensch is een ondankbaar wezen, zou de moralist al weer zeggen; maar mijn vriend Jan zegt altijd: „de man wordt er voor betaaldquot;, en als hij bijzonder geestig is, citeert hij Molière's: „que diable allait-il faire dans cette galère?quot;

Tusschen twee haakjes: wat zijn briefkaarten toch gemakkelijk en wat zijn ze eene hoogst merkwaardige uitvinding! Niet, als men ze ontvangt, maar wèl, als men ze verzendt.

ocr page 243

229

Eene briefkaart ontvangen: neen, dat is een genot, dat zoo prozaïsch mogelijk is! Op eene briefkaart kan uw meisje onmogelijk zetten: „liefste engel!quot; — niet waar, ge zondt u schamen voor den postbode? Op eene briefkaart kan ze ii niet zevenmaal verzekeren, dat ze ieder oogenblik van den dag aan u denkt, u altijd heeft liefgehad en nooit een ander zal beminnen. Een doodordinaire brief van 't zelfde liefelijke wezentje is daarentegen nog een vulkaan vergeleken bij zulk een flauw liefdes-spiritus-vlammetje. — Hebt ge daarentegen zelf een brief te schrijven over zaken, die u maar matig interesseeren, dan is de briefkaart een middel van gedachtenwisseling, dat boven allen aardschen lof is verheven. Want gelegenheidsbrieven, ja vooral gelegenheidsbrieven!... Al had een mensch zijne vrouw niet, om haar lief te hebben en haar de verzorging van zijn huishouden en zijne kinderen toe te vertrouwen, afgezien nog van de minder materieele banden natuurlijk, die hem aan haar binden, dan zou hij haar alleen nemen, om zijne gelegenheidsbrieven te schrijven, en menigmaal, als er eene verjaring of een ander familiefeest te vieren was, heb ik met bewondering en dankbaarheid tot de mijne opgezien, onder 't uiten van de toepasselijk gemaakte woorden van Voltaire „si la femme n'existait pas il faudrait 1' i n v e n t e rquot; al ware 't ook alleen, om brieven van rouwbeklag of van gelukwensching te schrijven voor de sterkere helft van 't menschelijk geslacht en vooral voor die wezens, welke anders al zooveel schrijven moeten, dat ze in een' brief de hoogste marteling zien, waartoe

een Christenmensch het brengen kan........

Onze brievenbesteller heeft het huis achter in de steeg alweer verlaten en slaat zoo juist den hoek om. Het

ocr page 244

230

tooneel verandert. Daar ginds in de verte komt een lijkwagen aanhotsen. Alles heeft zijn tijd; zelfs wordt den mensch precies voorgeschreven, wanneer hij begraven mag worden en wanneer niet. Schuin tegenover mij is een sterfgeval. Twee, drie dagen reeds zijn de gordijnen gesloten geweest. De „oude vrouwquot; zal van morgen begraven worden.

IV.

De klok heeft juist twaalf geslagen. Al had ik hare slagen niet geteld, een enkele blik uit mijn venster zou voldoende zijn, mij te doen zien, hoe laat het is. Als een bijenzwerm, die den korf verlaat, verspreidt eene bedrijvige menigte zich door onze straten en geeft aan onze provinciestad gedurende eenige minuten het voorkomen van eene drukke hoofdplaats. Werkplaatsen en scholen, bureelen en kantoren storten hunnen inhoud over het plaveisel uit en een onnoemlijk aantal vlugge beenen reppen zich naar den huiselijken aard en naar de middagtafel. Dat er gescharreld moet worden in de wereld, om aan den kost te komen, weet ieder; nooit echter wordt men van die waarheid meer overtuigd dan 's middags om twaalf uur, als alles wat

„draaft en slaaft en zwoegt en zweetquot;,

zich in beweging zet, om eenige oogenblikken uit te rusten van den arbeid, ten einde nieuwe krachten te verzamelen, voor wat nog te doen blijft.....

ocr page 245

231

Elke stand, elk beroep heeft zijne vertegenwoordigers in den stroom, die onder mijne ramen voorbijdrijft. En terwijl ik mij vermaak met de vroolijke drukte, die hij veroorzaakt, vind ik tevens gelegenheid, om de opmerking te maken, dat iedere stand zich onderscheidt door bepaalde eigenaardigheden, welke maar weinige individuen volkomen weten te verloochenen.

quot;Waarin die eigenaardigheden bestaan, is moeieljk in woorden te brengen, maar ge kunt er zeker van zijn, dat ge een kleermakersgezel zonder moeite van een bakkersknecht zult onderscheiden, ook al heeft de laatste zich niet bestoven met meel en al heeft de eerste op de omslagen van zijn jas geen heel boek spelden vastgehecht. Ook zult ge niet lang behoeven te zoeken, om uit de menigte den kantoorklerk, den onderwijzer, den man van zaken op te diepen .... Men spreekt van een „pruiken-mak ersdrafjequot; en een „doktersgangquot;, en inderdaad men heeft gelijk. Zie den commissionnair, den agent, den makelaar, die zich van of naar de beurs spoedt; hij loopt altijd een paar knoopen meer in 't uur dan een onderwijzer, die zich naar zijne school begeeft, en deze weer eenige knoopen sneller dan de professor, die zich opmaakt, om zijn college te gaan geven, terwijl de dominé, die naar de kerk wandelt, slechts met halven stoom vooruitschiet en de rentenier zich, zonder een enkelen slag van de schroef, kalm en bedaard voor stroom laat afdrijven.

Let verder op de verhouding van armen en beenen. Al wat boer is of zich voedt door 't bewerken van „onze moeder aardequot;, loopt met voorovergebogen hoofd en de handen op den rug; al wat koek bakt of brood kneedt, heeft kromme knieën, al wat op de snijderstafel naald en draad hanteert, „O-Beinequot;, zooals onze oostelijke buren

ocr page 246

232

zouden zeggen. Onze kaailoopers steken de handen zoo diep mogelijk in den zak, onze schoenmakersgezellen laten ze met een edelen zwaai aan beide zijden van den romp door de lucht zwieren. Zelfs de baard is dikwijls een onfeilbaar kenmerk, al valt het in onze democratische eeuw, waarin aller gelaat zich tooit met wat de natuur laat groeien, moeilijker dan vroeger, het juiste onderscheid te maken. Draagt niet de gepensioneerde majoor een anderen baard, een anderen knevel dan de jonge luitenant? Is het bescheiden bakkebaardje, dat zich nederig in de plooien van den hals des kruideniers verbergt, niet een geheel ander iets dan de weelderige, ongetemde „volbaardquot; van den commis-voyageur ? En ligt er op het gladgeschoren gezicht van den acteur niet zekere plooi, die hem u nooit zal doen verwarren met den even glad geschoren predikant? Hier bestaat zelfs een eigenaardig onderscheid in 't gemis van den haartooi....

Ik sprak natuurlijk nog niet eens van de kleeding. Ook in den zin, dien we thans -bedoelen, maken de kleeren den man. De stukadoor,- de molenaar, de verver, de man van den reinigingsdienst, de timmerman, de metselaar, de bakker, ze dragen allen in meerdere of mindere mate de livrei van hun ambacht, en met eenige studie vermag men zelfs aan de vetvlekken op hun gewaad, aan de kleur en den vorm hunner handen, van hunne schoenen en hunne klompen hun beroep te onderscheiden. Ik heb geene studie gemaakt van L a v a t e r en daarom durf ik me in dit onderwerp niet al te zeer te verdiepen, maar ik houd het er stellig voor, dat een geoefend oog zelfs uit het gelaat der verschillende individuën 't een en ander zou kunnen opmaken omtrent hunne levenswijs en hunne bezigheden. Zóó waar is het, dat het „alledaagsche

ocr page 247

233

eenerleiquot; eindigt met zijnen stempel te drukken op ieder, die gedwongen is in den tredmolen van 't leven zijn cirkeltje te beschrijven ....

Wat mij echter te midden van al die drukte, al die bedrijvigheid steeds het meest bekoort, is onze schooljeugd. Bij den algemeenen wedloop om het dagelijksch brood voelt zij zich niet in 'tminst betrokken; al dat slaven en draven, dat zwoegen en dat zweeten raakt haar niet. Ze beseft niet eens, dat er een strijd om 't bestaan gestreden wordt en werpt met zorgeloos geweten de mand van eene appelvrouw omver, zonder ook maar in de verte te vermoeden, dat zij het arme schepsel daardoor dien strijd voor een oogenblik verzwaart....

Gerechte hemel! Wat is er een „jong-goedquot; in de wereld en wat zijn er een scholen in onze goede stad! Als de twintigste eeuw niet de eeuw wordt der volmaakte verlichting, dan kan de negentiende het zeker niet helpen.

Ze doet haar best, om van al het „grutquot;, dat onder mijne ramen langs wriemelt, fatsoenlijke en ontwikkelde menschen te maken, die zich echter voorloopig nog meer amuseeren met de stroohalmpjes, die in de goot drijven en de arme honden, die zich op hunnen weg posteeren, dan met de tafels van vermenigvuldiging en de wijsbegeerte van Schopenhauer....

Daar hebt ge in de eerste plaats de gansche bevolking van de armenbewaarschool om den hoek. Met blozende bakkesjes, opgewipte neusjes, die aan alle zakdoeken een eeuwigdurenden haat gezworen hebben, met hangende haren en heldere blauwe kijkers, stappen ze daar voort, bij gansche bosjes, hangende aan de schorten of de rokken van oudere zusters, van moeders, die niet zelden op iederen arm nog een candidaat voor de bewaarschool

ocr page 248

234

meezeulen; zingende en snaterende en lachende, alsof de ellende, die maar al te dikwijls op het gelaat der arme moeders ligt te lezen, in 't geheel niet bestond; snakkende naar het sobere maal, dat hen te huis wacht en van tijd tot tijd elkander aan de ooren trekkende, als een voorspel voor 't geen ze later in de groote wereld

in allen ernst zullen verrichten.....

Daar hebt ge vervolgens het gansche heerleger van de leerlingen der lagere scholen, jongens en meisjes door elkander, die zich in de vrije natuur nu schadeloos trachten te stellen voor den dwang, him binnen de school-wanden aangedaan. Stoeiend, ravottend slingeren ze en schieten ze tusschen de dichte menschenmassa door, hier een timmermansknecht voor een geschikt object aanziende, om het tusschen hen en hunne vervolgers te plaatsen, als ze krijgertje spelen; daar de kar van eene groentevrouw beschouwende als een voorwerp, dat expresselijk op hunnen weg is geplaatst, om het in eene diepe goot tegen den rand eener stoep aan te duwen; elders een voerman tot wanhoop brengende, door met een paar vervaarlijke kleppers zijn paard het denkbeeld bij te brengen, dat de gelegenheid schoon is, om aan den haal te gaan; verder weer een straatlantaarn uitkiezende tot het mikpunt voor hunne oefeningen in het edele slingerspel; met één woord overal kwaad doende, zonder boos te zijn, overal plagende, zonder voorbedachten rade, steeds overvloeiende van leven en vroolijkheid en op ieder oogenblik bereid te bewijzen, dat de uitersten elkander raken, door een schaterlach in één oogwenk te

doen overgaan in een tranenvloed en vice versa.....

Dan komen de meer deftige gymnasiasten en hoogere burgers. Met al het gevoel van meerdere waardigheid

ocr page 249

235

schrijden ze tusschen het „kleingoedquot; voort met heele pakken boeken onder den arm en sigaren in den mond, druk redeneerende over mijnheer Dinges, die weer „gemeenquot; geweest is en te veel werk heeft opgegeven; over de handige wijze, waarop ze den conrector gefopt hebben door hunne grieksche werkwoorden op den rand hunner manchetten te schrijven, wat natuurlijk volstrekt niet „gemeenquot; is, en bij al hunne drukte, over wat er binnen de wanden der school is voorgevallen, zich voor-loopig in 't minst niet bekommerende over de zware al-gebra-som, de ingewikkelde Latijnsche vertaling, de ein-delooze reeks geographische namen, die ze onder den arm mee naar huis dragen en die hen van avond zullen doen zuchten over de „strenge meesters,quot; welke hen dwingen te leeren, „wat taal Demosthenes verkondde in Pallas' stad en Cicero voor 's werelds heeren, toen Rome nog de kroon op hadquot;......

Ze hebben inderdaad gelijk, zich voorloopig niet al te veel te bekommeren; er zal nog genoeg bekommernis komen!....

„Gelukkig tijdperk!quot;. . .

De straat wordt leeg; de drukte is over. De gansche

bijenzwerm heeft zich verspreid.....Straks begint eerst

de pantoffelparade.

ocr page 250

236

V.

In den hoek van mijne kamer staat eene roode camelia, die ik van tijd tot tijd met medelijdende blikken gadesla. Dat het eene roode camelia is, weet ik, omdat mijn tuinman het mij verzekerd heeft; maar 'k heb nog nooit eene bloem aan de plant bespeurd. Telken jare neemt ze zich voor eens recht fleurig te bloeien en zet tallooze knoppen; maar telken jare bedenkt ze zich overtijdig en laat alle knoppen geregeld weer vallen, vóór ze gelegenheid hebben, op eene bloem te gaan gelijken, 't Is, of ze het de moeite niet waard vindt, bloesems te dragen in een bedompt studeervertrek, waar de „geurquot; van muf papier en tabakswalm met elkander om den voorrang dingen. Eene kamerplant is als een vogel in eene kooi, philosopheer ik dan weieens bij mêzelven, en evenmin als een leeuwerik zich in 't aanzijn verheugen kan in een getraliede kooi, op eene graszode, die een heel weideland moet voorstellen, evenmin kan eene camelia er behagen in scheppen te bloeien in een onguur klimaat, voor een mijnheer, die drie dagen van de zeven vergeet haar te begieten.

Ze heeft gelijk; maar als ik uit mijne vensters de blikken laat dwalen over de gevels in de steeg tegenover mij, dan word ik toch jaloersch en dan kan ik me met geene mogelijkheid begrijpen, hoe een blozend maandroosje, een blontbladerige geranium, een met trossen beladen fuchsia zich wel verwaardigen willen, geuren en kleuren ten beste te geven vóór een klein raampje, in eene steeg, waar de zon alleen tegen den middag even met een air de dédain op neer ziet, zonder ooit den lust te toonen om tot op den bodem door te dringen. En ik verzeker u,

ocr page 251

237

dat de bloemen weelderig staan te prijken voor het venster van mijn' zeventigjarigen overbuurman in de eenige kamer, die hij met zijne jongste dochter bewoont en waar hij op zijn' ouden dag uitrust van de vermoeienissen van een veelbewogen leven, waarvan ik u later altijd nog eens eene tragische episode moet vertellen ....

Ik kan me precies voorstellen, hoe het er daar achter dat raampje uitziet. De achterwand van de kamer wordt gevormd door een houten beschot, donker groen geverfd. Het midden wordt ingenomen door eene kast met glazen deur, waarachter op planken, die netjes van papieren randjes voorzien zijn, allerlei kopjes en schoteltjes prijken met sentimenteele en quasi-geestige opschriften; spek-steenen poppetjes, glazen herten, een gladgeschuurde koffiepot, een paar rechtop staande porceleinen borden, erfstukken van een welvarender voorgeslacht, eenige ouder-wetsche koperen kandelaars. Rechts van de kast een bedstede, waarvan de halfgesloten deuren de paarsbonte gordijnen slechts onvolkomen verbergen. Links voor de symmetrie en voor de geriefelijkheid eene tweede bedstede, waarvan het heilige der heiligen — ik vermoed, dat Keetje daar slaapt — door een voorhangsel van dezelfde soort aan alle profane blikken onttrokken wordt. Tegen den wand naast den open haard de onmisbare latafel, met koperen ringen behangen; daarop een roodgebloemd servies, waarover een hagelwit gehaakt doekje is uitgespreid. Eene tafel en eenige stoelen voltooien het ameublement. Ook aan de eischen der aesthetica is voldaan. Boven de tafel hangt in eene bruin mahoniehouten lijst een verschoten letterdoek met het heele ABC, een paar treurwilgen en twee harten, die door één pijl getroffen zijn en daarom aan elkander vastzitten. Het jaar-

ocr page 252

238

tal 1827 wijst op eenen voorwereldlijken ouderdom en wettigt het vermoeden, dat noch Keetje, noch hare oudere zuster, die „dient,quot; schuld hebben aan de treurboomen en de bloedende harten. De veronderstelling is gewettigd, dat ze het werk zijn van beider moeder, die reeds lang ter ziele is . ..

En ginds voor het raam de heele bloementuin! . .., Dat zijn geen camelia's: die zouden daar met hare stijve, koude, aristocratische schoonheid slecht op haar plaats zijn; ook geloof ik niet, dat ze er meer bloeien zouden dan in 't hoekje van mijn studeercel... Maar zie die rozen en die geraniums, die muurbloemen en die fuchsia's .... Ik weet het: de oude doet er veel moeite op. Er gaat geen morgen voorbij, of ik zie hem in de weer, om zijne troetelkinderen te begieten, te beknippen, te verplaatsen, zóó dat ze de meest mogelijke hoeveelheid blauwe lucht en zon, al is 't dan ook maar uit de verte te zien krijgen. Maar ik kan toch nooit de gedachte van mij afzetten, dat er bij die bloemen ook een beetje ondeugend opzet bestaat en dat ze aan mijn buurman gunnen, wat ze mij ontzeggen, omdat hij het veel meer noodig heeft dan ik! Ze zijn hem dankbaar voor zijne nauwlettende zorgen en ze doen haar best, hem het donkere, sombere plekje in de steeg gedurende de weinige dagen, die hij nog te leven heeft, zoo zonnig, zoo fleurig mogelijk te maken . .. Zie, daar hebt ge weer het compensatie-systeem van den Amerikaanschen philosoof Emerson. Wat een mensch aan den eenen kant verliest, wint hij aan den anderen, en de misdeelden in deza wereld zijn inderdaad niet zóó ongelukkig in alle opzichten, als de meer verwende schepselen zich weieens voorstellen....

Ronduit gezegd; het doet me goed, dat die bloemen

ocr page 253

239

daar in de steeg zoo weelderig bloeien; maar het doet me nog meer goed, dat de oude man bij alle ellenden van deze wereld — en hij heeft die leeren ondervinden! — den lust nog behouden heeft, om ze met de behoorlijke zorgvuldigheid te troetelen en te kweeken.... quot;Wanneer ik door eene achterbuurt wandel — er is een eigenaardig genot in, om door eene achterbuurt te wandelen: men betrapt er het volksleven in zijne meest ori-gineele uitingen, men heeft er gelegenheid physiologische, psychologische, linguïstische studiën te maken, die lang niet van belangwekkendheid ontbloot zijn, — wanneer ik, door eene onzer achterbuurten wandel, en ik zie voor de ramen eener nederige woning een paar met menie geverfde potjes, die een bloemstruik dragen, dan vat ik dadelijk eene goede gedachte op omtrent de bewoners. Voor havelooze, verweerde ruiten, tusschen gescheurde, slordige gordijnen staan geen bloempotten, en wie zijne centen naar de kroeg brengt, houdt geen dubbeltjes over, om er een maandroosje of een reseda voor te koopen. Bij alles, wat men ziet, blijft er in de wereld altijd veel, dat men niet ziet, het is waar, en vader Jakob leerde ons reeds, dat schijn bedriegt; maar in vele gevallen kan men uit hetgeen men ziet, gerust besluiten tot hetgeen men niet ziet... Ik vind het inderdaad een verblijdend verschijnsel, wanneer menschen, die in den harden strijd om 't bestaan, meer slagen krijgen, dan ze overwinningen behalen, nog een open oog en een open hart houden voor de schoonheden der natuur. We zitten in onze steden zoo meedoogenloos opgesloten tusschen de koude, kille, ongevoelige steenen, dat een groen blaadje al een heele troost voor ons kan zijn .... Overal waar ik staar uit mijn venster, naar beneden, naar boven, rechts

ocr page 254

240

of links, overal steen: alleen daar heel boven een enkel brokje blauwe lucht; maar zelfs daar ook nog schoorsteenen van allerlei grillige vormen; zelfs daar nog gloeiend roode pannen, die in den zomer de drukkende warmte schijnen te verhoogen door de dorre hitte, die ze uitstralen .... G-roen, nergens! Ja toch, daar tusschen de straatsteenen — veeg teeken! — grassprieten. Hoe ze er wel verdwaald zijn, de stakkers?.... Want ze groeien tegen de verdrukking in en stakkers zijn het. Waarom niet gebleven in de malsche weide, tusschen deruischen-den boomen, in den tintelenden zonneschijn, aan de oevers van de kabbelende beek? Daar vrijheid en ongedwongen groeikracht; hier de meedoogenlooze bezem van de vuilnismannen, die op hooger bevel het eenige brokje natuur, dat onze straten opleveren met tergende regelmatigheid komen vernietigen .... Wat is er toch maar een heel klein beetje poëzie, zelfs in onze schoonste steden, vergeleken bij de eeuwig frissche natuur daar buiten! En wat neemt in onze dagen het proza van steen en ijzer eene breede plaats in. De steden groeien, het platte land slinkt, en wanneer ge eene wassende stad gadeslaat, dan ziet ge van dag tot dag moestuinen veranderen in steenklompen, malsche weiden doorsnijden met lijnrechte straten, en ge vraagt u verbaasd af, waar dat heen moet en of 't gansche menschdom langzamerhand als een kluwen zich opeen hoopen zal in eene reusachtige stad, en ge soest en mijmert en begint te vinden, dat de sociale quaestie eene wezenlijke quaestie is en dat ge niet gaarne op water en brood zoudt zitten, om er de oplossing van te geven.

ocr page 255

T N H O U D.

Bladz.

Eene Gemeenteraadsverkiezing........... 1

De twee portretten...............29

De trap des ouderdoms.............G1

Gijs de doodbidder...............161

Eene slachtvisite...............181

„De bakker van den hoek.quot;...........199

Kijkjes uit mijn venster.............211

ocr page 256
ocr page 257

_

.

1

ocr page 258
ocr page 259
ocr page 260