-ocr page 1-
-ocr page 2-

f

Hop.

az

AN THE DRgt;

£

[Y

OF HISTC

Reinh Niebi

-ocr page 3-

DOOELOOPENDE VERKLARING

HEILIGE EPISTELEN

OP ALLE ZONDAGEN LES JAARS

in overeenstemming met het Heilig Evangelie 5

•ic di:n AVelEeuw. Heer /' _

J. J. A. FE RN AN TZ EN,

Kapelaan der Sint Jacobuskerk te Vlissingen.

/ c. ,

.'V /

Est scriptum in Prophetis, et erunt omnes docibiles Dei.

Joannes VI : 45.

AMSTERDAM,

GK BOK. Q-,

1889.

hu

-ocr page 4-

Stoomdiuk, P. W. v. cl. Woyer, — Utrecht.

-ocr page 5-

VOORBEDE.

Dezlt;i Verklaring dar Episteleii op alle Zon- en Feestdacjen des ■laars beoogt slechts ten deele eene exegetische of sciiriftkundAge uitlegging van het Woord Gods. Zij is veeleer eene aanwijsing van het doel, da t de H. Kerk bewoog, toen zij voor de dagen den Heer toegewijd, zekere bepaalde stukken der H. Schriften verkoor en onder den naam van Epistels aan de godvruchtige aandacht der geloovigen voorstelde. De keuze dier stukken is een werk van hernelsehe wijsheid; eene bloemlezing uit het verhevenste aller hoeken; een feestbanket uit de zuivere tarwe van het Woord Gods door eene moeder haren kinderen toebereid. Het naspeuren van die keuze eischte wel niet eene volledige, maar toch eene gedeeltelijke tekstverklaring, die naar den algemeen aangenomen zin der katholieke Godgeleerden is bewerkt. Velen der Epistels op Vigilie , Quatertemper en Vastendagen zijn zoo helder sprekend dat het overbodig is het doel, door de H. Kerk voorgesteld, nader aan te wijzen. Derzelver verklaring

-ocr page 6-

Stoomdruk, P. W. v. cl. Weyer, — Utrecht.

-ocr page 7-

VERKLARING

DEK

HEILIGE EPISTELEN.

-ocr page 8-

/

I

IMPRIMATUR.

Amstelodami , A. M. C. VAN COOTH.

die 10 Fehr: 1889. Libr. Cens.

\

\- 1

-ocr page 9-

VOORREDE.

Deze Verklaring der Epistelen op alle Zon- en Feestdagen des ■laars beoogt slechts ten deele cene exegetische of schriftkundige uitlegging van het Woord Gods. Zij is veeleer eene aanwijzing van het doel, dat de H. Kerk bewoog, toen zij voor de dagen den Heer toegewijd., zekere bepaalde stukken der H. Schriften verkoor en onder den naam van Epistels aan de godvruchtige aandacht der geloovigen voorstelde. De keuze dier stukken is een werk van hemelsche wijsheid; eene bloemlezing uit het verhevenste aller hoeken; een feestbanket uit de zuivere tarwe van het Woord Gods door eene moeder haren kinderen toebereid. Het naspeuren van die keuze eischte wel niet eene volledige, maar toch eene gedeeltelijke tekstverklaring, die naar den algemeen aangenomen zin der katholieke Godgeleerden is bewerkt. Velen der Epistels op Vigilie, Quatertemper en Vastendagen zijn zoo helder sprekend dat het overbodig is het doel, door de H. Kerk voorgesteld,, nader aan te wijzen. Derzelver verklaring

-ocr page 10-

zou eene zuiver exegetische zijn, zooals zij in de geleerde iverken van Prof. Beelen, Mr. Lipman, Pastoor Muré, enz. is gegeven. De voorlezingen van Monseigneur van der Ploeg, onderrichtingen, tintelende van kinderlijk geloof, waren bij de vervaardiging dezes in levendige herinnering. De vertaling der H. Epistelen en Evan, geliën is naar het Missale Bomanum weergegeven, en derzelver verklaring wijst slechts even, als met den vinger, ter hoog er nabetrachting. Bij gunstige opname zal de Verklaring der Epistelen op Feestdagen volgen.

-ocr page 11-

Eerste Zondag van den Advent.

AANMANING TOT EEN CHRISTELIJK LEVEN.

Les uit den Brief van den H. Paulus aan de Romeinen XIII: 11 — 14. 1)

Do morgenstond, waarvan de Apostel spreekt, is de geestelijke morgenstond eener ziel, die door de genade Gods gewekt, uit de slaap der zonde opstaat om een levensdag van dienstbaarheid voor God te beginnen. Het nachtgewaad, de oude, zondige gewoonte wordt afgelegd en eene betamelijke kteeding den mensch volgens Christus aangedaan. De ziel wordt in genade en deugd als verfrischt en vernieuwd. Dat alle Christenen weten dat het uur dier ontwaking nu is aangebroken en zij des te vaardiger dat uur betrachten naarmate het aardsche leven ten einde spoedt. Want nu is de zaligheid moer nabij dan toen zij geloovig werden. Een aanmerkelijk deel des levens, der toebe-schikte genade is voorbijgegaan. Wederom is een nieuw kerkelijk jaar aangebroken. Meer en meer nadert de dag des doods, de dag, die over hun eeuwige zaligheid zal beslissen. Het laatste wereldgericht ontstelt aller harten, want de vreeze Gods is het beginsel der ware wijsheid. Dat de geloovigen bij het naderen van 's Heeren Geboorte feest alle zonden en ondeugden, de werken der duisternis afleggen, alle wulpschheid en overdaad verzaken, de gelegenheden der zonden ontvluchten en opnemen de wapenen des lichts, het gebed en de versterving beoefenen. Met het begin van den heiligen Advent lichte een nieuwe levensdag van heiligheid!

1

Do aanhef des Epistels is boven de Verklaring geplaatst om don geloovigen te beduiden hoe zij zeer gevoegelijk eerst den Epistel kunnen lezen, dan deszelfs Verklaring en daarna nogmaals den Epistel. Een kwartier-uur is dan in overweging van Gods Heilige Wet doorgebracht.

-ocr page 12-

8

E P I S T E L.

Broeders; Wij weten dat het uur reeds gekomen is om uit den slaap op te staan. Nu toch is onze zaligheid nader, dan toen wij geloovigen werden. De nacht is voorbij en de dag breekt aan. Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en de wapenen des lichts aandoen. Laten wij, als bij dag, eerbaar wandelen: niet in brassen en in dronkenschap, niet in slaap-kameren en ontuchtigheid, niet in twist en nijd; maar doet aan den Heer Jesus Christus.

Evangelie volgens den 11. Lucas XXI: 25 —33.

In dien tijde zeide Jesus aan zijne leerlingen: Er zullen teekenen zijn in zon, en maan, en sterren, en op aarde angst onder de volken van ontsteltenis over het gebruis der zee en der baren; terwijl de menschen zullen uitdroogen van vrees en spanning van hetgeen der geheele wereld zal overkomen; want de krachten der hemelen zullen geschokt worden. En alsdan zullen zij den Zoon des menschen zien komen in eene wolk met groote macht en heerlijkheid. Als deze dingen dan beginnen te geschieden, ziet dan opwaarts en heft uwe hoofden op, want uw verlossing is nabij. En Hij zeide hun eene gelijkenis: Ziet den vijgeboom en alle boomen, wanneer zij alreeds vrucht uit zich voortbrengen, weet gij, dat de zomer nabij is. Zoo ook gij, wanneer gij dit ziet gebeuren, weet dat het Rijk Gods nabij is. Voorwaar ik zeg u: dit geslacht zal niet voorbijgaan, totdat alles geschiedt. Hemel en aarde zullen voorbij gaan; maar mijn woorden zullen niet voorbij gaan.

-ocr page 13-

Tweede Zondag van den Advent.

DE GEEST VAN DEN CHRISTEN.

Les uit den Brief van den TI. Paulus aan de Romeinen XV : 4—13.

Om aan de vertroosting en het heil der Verlossing in de Heilige Schriften beloofd deelachtig te worden, is het noodig dat de Christenen jegens elkander dien geest van liefde koesteren, welken de Goddelijke Zaligmaker hun heeft toegedragen. Welke was die geest? Een geest van verdraagzaamheid en vertroosting voor allo menschen. Christus heeft allen zonder onderscheid, hetzij jood, hetzij heiden, in de heil-genade Zijner Verlossing opgenomen. Hij heeft niemand uitgesloten. Ofschoon de Zaligmaker de Spruit van Jesse, naar de voorzegging van Isaïas, uit Israël werd geboren, heeft Hij aan dat volk geen hooger heil gegeven dan aan de overige volken der wereld, maar Hij heeft over allen gelijklijk Zijne zegeningen uitgestort, in ééne Kerk als in één huisgezin allen te samen gebracht. Want de verlossing, welke aan Israël werd geschonken door Christus Jesus uit kracht van de belofte aau hun vaderen gedaan, diezelfde verlossing werd aan de heidenen geschonken uit loutere barmhartigheid. Reeds eeuwen te voren was het voorspeld dat de heidenen zich met Israël, het volk Gods zouden verblijden. Alle christenen moeten als broeders en zusters, één van ziel en één van hart éénen God beminnen en dienen. Zij moeten elkander zonder aanzien des persoons in liefde aannemen, willen zij door Christus aangenomen worden. De God, op Wien de geloovigen, zoowel uit de heidenen als uit de joden hunne hoop vestigen, werke dit uit de door kracht des Heiligen Geestes!

Do Wortel van Jesso door Isaïas voorspeld, de Goddelijke Zaligmaker, is steeds vervuld van dien geest eener allen omvattende en niemand uitsluitende liefde. Hij doet goed aan allen. Blinden zien.

-ocr page 14-

10

dooven hooren, melaatschen worden gereinigd, kreupelen wandelen, dooden verrijzen en aan de armen en ongelukkigen wordt de blijde boodschap gebracht.

EPISTEL.

Broeders, al wat er geschreven is, is tot onze onderrichting geschreven; opdat wij door de geduldigheid en de vertroosting der Schriften, hoop zouden hebben. De God van geduld en vertroosting geve u dat gij eensgezind zijt onder elkander, volgens Jesus Christus; opdat gij, ééndrachtig, uit éénen mond God en den Vader van onzen Heer Jesus Christus verheerlijkt. Daarom neemt elkander aan, gelijk Christus u heeft aangenomen ter verheerlijking Gods. Want ik zeg dat Christus Jesus dienaar der besnijdenis is geweest om de waarheid Gods, om de beloften dor Vaderen te bevestigen; en dat de heidenen God om zijne barmhartigheid verheerlijken, gelijk er geschreven staat: Daarom o Heer! zal ik U onder de heidenen loven en uwen naam lof toezingen. En wederom zegt de Schrift: Verblijdt u, gij Heidenen,, met Zijn volk. En elders: Looft den Heer alle Heidenen, verheerlijkt Hem alle volken. En ook zegt Isaïas: Er zal een wortel van Jesse zijn, en die op zal staan om over de Heidenen te regeeren, op Hem zullen de Heidenen hopen. De God der hoop vervulle u met alle blijdschap en vrede in het geloof, opdat gij moogt overvloedig zijn in de hoop en in de kracht des Heiligen Geestes.

Evangelie volgens den H. Mattheus XI : 2—10.

In dien tijd, toen Joannes in de boeien de werken van Christus gehoord had, zond hij twee van zijne leerlingen en liet Hem vragen: Zijt Gij, die komen zult of hebben wij een anderen te verwachten? En Jesus antwoordende zeide hun: Gaat, boodschapt aan Joannes, wat gij gehoord en gezien hebt: blinden zien, kreupelen wandelen, melaatschen worden gezuiverd , dooven hooren.

-ocr page 15-

11

dooden verrijzen, aan de armen wordt het Evangelie verkondigd en gelukzalig is hij, die zich in Mij niet zal geërgerd hebben. Als zij nu weggingen begon Jesus van Joannes tot de scharen te zeggen: Wat zijt gij uitgegaan om in de woestijn te zien? Een riet door den wind bewogen? Maar wat zijt gij uitgegaan om te zien? Een mensch in zachte kleederen? Ziet, die zacht gekleed gaan, zijn in de huizen der koningen. Doch wat zijt gij uitgegaan om te zien? Een Profeet? Ja, zeg Ik u, en meer dan een Profeet, want deze is het, van wien geschreven staat: Zie Ik zend mijn Engel voor uw aanschijn, die uwen weg voor U bereiden zal.

-ocr page 16-

Derde Zondag van den Advent.

GEMOEDSGESTELDHEID VAN DEN CHRISTEN.

Les uit den Brief van den II. Pcmlus aan de Philippensers IV :4 —7.

De Apostel spreekt eene opwekking tot Christelijke blijdschap, welke de wereld niet kent, welke uit de gemeenschap met Christus, uit het genot van Zijne liefde, uit het bewustzijn van de genade Gods ontstaat. Die vreugde bestaat ten alle tijden, wijl de christen ook in het uur des lijdens reden heeft zich te verblijden, daar de Heer hem nabij is. God is met de ziel, die leeft in staat van genade. Dat deugdzaam, gelukkig, vreedzaam leven, in den Epistel zedigheid ge-heeten, zij allen bekend opdat een ieder worde aangelokt den Heer te dienen, te smaken hoe zoet het is zich zeiven aan God te geven.

De H. Joannes, het groote toonbeeld dier zedigheid wordt in het Evangelie van dezen Zondag voorgesteld, opdat hij, die door zijne woorden het Lam Gods heeft aangetoond, den geloovigen ook door zijne daden aanwijze hoe zij tot den vrede en de vreugde van Christus, den Vrede-Koning kunnen komen. De zedigheid van den H. Joannes was allen bekend. Zij trok een geheel volk en voerde het tot Jesus Christus.

E P I S T E L.

Broeders, verblijdt u altijd in den Heer: wederom zeg ik: verblijdt u. Uwe zedigheid zij allen menschen bekend want de Heer is nabij. Weest over niets bekommerd; doch dat uwe verlangens in alles door gebed en smeeking met dankzegging aan God kenbaar worden. En moge de vrede Gods, die alle bevat-

-ocr page 17-

ting te boven gaat, uwe harten en uw verstand bewaren in Jesus Christus, onzen Heer.

Evangelie volgens den H. Joannes 1:19 —28^

In dien tijd zonden de Joden uit Jerusalem priesters en levieten tot Joannes om hem te vragen: Wie zijt gij? En hij beleed en ontkende niet; en hij beleed: Ik ben de Christus niet. En zij ondervraagden hem: Wat dan? Zijt gij Elias? En hij zeide: Ik ben het niet. Zijt gij de Profeet? En hij antwoordde: Neen. Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij, opdat wij antwoord geven aan hen, die ons gezonden hebben? Wat zegt gij van u zeiven? Ik ben, zeide hij, de stem eens roependen in de woestijn: Maakt den weg des Heeren recht, gelijk Isaïas, de Profeet, heeft gezegd. En de afgezondenen waren uit de Parizeen. En zij ondervraagden en zeiden tot hem: Wat doopt gij dan, zoo gij de Christus niet zijt, noch Elias, noch de Profeet? Joannes antwoordde hun zeggende; Ik doop met water; doch midden onder u staat Hij, Dien gij niet kent. Hij is. Die na mij komen zal. Die voor mij geweest is. Wiens schoenriem ik niet waardig ben te ontbinden. Deze dingen zijn geschied in Bethanië over de Jordaan, waar Joannes doopende was.

-ocr page 18-

Vierde Zondag van den Advent.

ZELFBESCHOUWING VAN DEN CHRISTEN.

Les uit den Brief van den 11. Paulus aan de Corinthiërs I ; IV: 1 — 5.

Andermaal worden de geloovigen herinnerd aan het laatste oordeel. Dan eerst zal hij het licht van de Zon der Gerechtigheid, door het oordeel van den eeuwigen Rechter, alles, wat nu nog verborgen en duister is, worden opgehelderd. Voor dien dag kan niemand oordeelen. Het is derhalve den H. Paulus onverschillig, hoe de menschen over hem oordeelen, als God hem op dien dag maar niet veroordeelt. Al is hij zich zeiven niets bewust, daarom is hij nog niet gerechtvaardigd. Want het is de Heer, die oordeelt. De christenen moeten hem en zijne mede-arbeiders beschouwen als de uitdeelers van Gods geheimen, als dienaren van Christus; doch God zal oordeelen of hij getrouw zyn ambt heeft vervuld. Een heilige schrik bevangt den Apostel, als hij denkt aan dat oordeel, aan dat laatste wereldgericht. Welk een voorbeeld voor de christenen! Hoe moeten zij dan niet vreezen, als zelfs die uitnemende rechtvaardige, dat vat van Gods uitverkiezing heeft gesidderd! Dat zij luisteren naar den boetgezant des Evangelie's en hunne ongerechtigheden in boetvaardigheid uit-wisschen. Al waren hunne zonden zoo menigvuldig in aantal als do zandkorrels aan den oever der zee; een ieder, alle vleesch, zal de zaligheid Gods zien, indien boetvaardigheid is gedaan.

EPISTEL.

Broeders, dat een ieder ons beschouwe als dienaren van Christus en als uitdeelers van Gods geheimen. In uitdeelers nu wordt hier geëischt dat men getrouw bevonden worde. Ik voor mij

-ocr page 19-

15

evenwel, ik schat het als zeer nietig dat ik door u geoordeeld worde of door eenig menschelijk oordeel, ook vonnis ik mij zeiven niet. Want ik beu mij wel niets bewust, doch daarom ben ik nog niet gerechtvaardigd, maar die mij oordeelt, is de Heer. Wilt dus niet oordeelen voor den tijd, totdat de Heer komt, die ook de verborgenheden der duisternis zal verlichten en de raadslagen des harten blootleggen; en dan zal een ieder zijnen lof van God ontvangen.

Evangelie volgens den II. Lucas III ; 1 — 6.

In het vijftiende jaar der regeering van den keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus landvoogd was van Judea, Herodes, viervorst van Galilea; zijn broeder Philippus, viervorst van Iturea en het landschap Trachonitis; en Lisanias, Viervorst van Abilene; onder de Hoogepriesters Annas en Caïphas, geschiedde het woord des Heeren tot Joannes, den zoon van Zacharias, in de woestijn. En hij kwam in al het land omtrent de Jordaan, predikende het doopsel van boetvaardigheid tot vergeving der zonden, gelijk geschreven staat in het boek der woorden van Isaïas, den profeet: De stem eens roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt zijne paden recht; alle dal zal gevuld en alle berg en heuvel geslecht worden; en het kromme zal recht en het oneffene tot effen wegen worden; en alle vleesch zal de zaligheid Gods zien.

ï a

-ocr page 20-

Hoogfeest van Kerstmis.

DE EERSTE MIS.

LIEFDE VAN HET KINDJE JESÜS VOOR GOD ZIJN VADER.

Les uit den Brief van dan H. Paulus aan Titus II: 11 — 15.

Verschenen is aan alle menschen de genade dat is de liefde, goedertierenheid , barmhartigheid van God, onzen Zaligmaker. Deze woorden zijn eene vertolking van het loflied der engelen op de geboorte van Christus. De Leeraar der volken, omstraald door het licht van den Hooge betuigt en kondigt aan dat ook in het Kerstfeest, dat heden aanlichtte, in alle waarheid wordt geschonken : Glorie aan God en vrede op aarde. De Zaligmaker, het Heil der wereld is ook aan ons in dezen nacht verschenen, leerende in Zijne kribbe welke weg ten hemel gaat, leerende in Zijne stal dat wereldsche rijkdom en vreugde niets is in vergelijking der verwachting van de komst van onzen grooten God en Zaligmaker. Hij kwam in dezen nacht op aarde om den mensoh met Zijn Vader te verzoenen, aan dien Vader weêr te geven het kind zoo dierbaar aan God. Overweegt en waardeert de liefde van den Zoon Gods, die zich zeiven voor zijn schepsel aan zyn Hemelschen Vader heeft opgeofferd. Overweegt dit, smeekt de Apostel.

E P I S T E L.

Welbeminde; de genade van God, onzen Zaligmaker is •verschenen aan alle menschen, ons leerende de goddeloosheid en de wereldsche begeerten te verzaken, en matig en rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld te leven, in afwachting der gehoopte zaligheid en der luistervolle komste van onzen grooten God en

-ocr page 21-

17

Zaligmaker Jesus Christus, die zich zeiven heeft weggeschonken voor ons, om ons van alle ongerechtigheid te verlossen, en om ons voor zich te zuiveren tot een aangenaam volk, bedrijvig in goede werken. Bespreek dit en verkondig het vermanend in Christus Jesus, onzen Heer.

Evangelie volgens den H. Lucas II; 1 —14.

In dien tijd ging er een gebod uit van Caesar Augustus om de geheele wereld op te schrijven. Deze eerste opschrijving geschiedde door Cyrinus, den landvoogd van Syrië, en allen gingen om zich aan te geven, een ieder in zijne stad. En ook Josef ging opwaarts van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, naar de stad van David, die Bethlehem wordt genoemd, omdat hij uit het huis en het geslacht van David was om zich aan te geven met Maria, zijne verloofde vrouw, die zwanger ging. En het gebeurde, toen zij daar waren, dat de dagen vervuld werden dat zij baren zoude. En zij baarde haren eerstgeboren Zoon, en wond hem in doeken en legde hem in eene kribbe, omdat er geen plaats voor hen was in de herberg. En in diezelfde landstreek waren herders wakende en nachtwacht houdende over hunne kudde. En ziet, een Engel des Heeren stond naast hen en Gods luister omstraalde hen en zij vreesden niet groote vreeze. En de Engel zeide tot hen: Wilt niet vreezen, want zie, ik verkondig u eene groote vreugde, welke zal zijn voor al het volk, want heden is u de Zaligmaker, die Christus do Heer is, in de stad van David geboren. En dit zij u het teeken: Gij zult vinden een kind in doeken gewikkeld en nedergelegd in eene kribbe. En aanstonds was er met den Engel eene menigte van het he-melsch heir. God lovende en zeggende; Eere aan God in het allerhoogste, en op aarde vrede aan de menschen van goeden wil

O

-ocr page 22-

18

TWEEDE MIS.

LIEFDE VAN HET KINDJE JESÜS VOOR DE MENSCHEN, ZIJNE BROEDERS.

Les uit den Brief van den H. Pauhis aan Titus III : 4 —7.

De H. Kerk gevoelt in dezen morgenstond, meer dan ooit de aandrift harer moederlijke liefde. Starend op de kribbe van don Godde-lijken Heiland roept zij andermaal uit; Mijn welbeminde, verschenen is de goedertierenheid en menschlievendheid van God onzen Zaligmaker. Do genade is verschenen in het Kindje Jesus, den Oneindigen God, die onze broeder werd om ons door het Sacrament der wedergeboorte, door het Heilig Doopsel, tot erfgenamen van het eeuwig-leven te maken; niet ter belooning van eigene verdiensten, maar uit loutere goedertierenheid en menschenmin. De geboorte van Christus vervult het hart der Kerk en van iederen waren geloovige met den geest eener goddelijke naastenliefde. Arme herders zijn met Maria en Josef broederlijk nedergeknield voor de kribbe van den Verlosser. Het groote huisgezin der H. Kerk opent in de stal van Bethlehem hare levenskring van liefde voor de menschheid. Dezen morgen vooral begroet onze Moeder de Kerk alle menschen als haar welbeminden, voor wien de Zoon van God zich zeiven heeft opgeofferd.

E P I S T E L.

Welbeminde; de goedheid en menschenliefde van God onzen Zaligmaker is verschenen, niet ter wille van de rechtvaardige werken, die wij gedaan hebben, maar volgens zijne barmhartig held heeft Hij ons zalig gemaakt door het bad van wedergeboorte en vernieuwing in den H. Geest, dien Hij over ons overvloedig-lijk heeft uitgestort door Jesus Christus, onzen Zaligmaker, opdat wij gerechtvaardigd door Zijne genade, erfgenamen zouden zijn volgens de hoop des eeuwigen levens in Christus Jesus, Dnzen Heer.

-ocr page 23-

Evangelie volgens den H. Lucas II: 15 — 20.

In dien tijd zeiden de herders tot elkander: Laat ons heengaan naar Bethlehem en het woord zien, dat er gebeurd is, hetwelk de Heer ons heeft bekend gemaakt. En zij kwamen zich spoedende; en zij vonden Maria en Josef en het Kind liggende in de kribbe. En het ziende, erkenden zij het woord, dat hun omtrent dit Kind gezegd was. En allen, die het hoorden, waren verwonderd, ook over hetgeen hun door de herders gezegd werd. Maar Maria bewaarde al deze woorden overwegende in haar hart. En de herders keerden terug. God verheerlijkende en lovende over alles, wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gezegd was.

DERDE MIS.

VERBORGEN GLORIE VAN DEN MENSCHGEWORDEN GOD.

Les uit den Brief van den H. Paulus aan de Hébreërs I : 1 — 12.

Nu de zon in het volle daglicht de feestelijke hoogtijdsviering van Kerstmis beschijnt, het duister van den nacht en de nevelen van den dageraad heeft verdreven . toont de H. Kerk aan de oogen barer ge-loovigen het Kindje Jesus in Zijne verborgen Goddelijke Majesteit. De stal, de kribbe, de doeken, de lijdende inenschheid van den nieuwgeboren Heiland zijn reeds herdacht; nu wordt de luister der hemelsche en eeuwige geboorte van den Zoon gehuldigd , die uit den Vader van alle eeuwen geboren, aan Hem gelijk, zoozeer in onvergelijkbare macht en hoogheid alle schepsslen overtreft, dat zelfs de verhevenste onder hen, de engelen in aanbidding voor Hem ne-derknielen. Tot bet Kindje Jesus alloen heeft God de Vader gezegd : Gij zijt mijn Zoon. Hij is in zijn verheerlijkte menschelijke natuur de erfgenaam van alles. Dit weenende Kind is de God der eemvigo

-ocr page 24-

20

vreugde, der hemelsche verblijding. Alle schepselen zullen als een kleed verouderen, maar de Godmensch blijft dezelfde in alle eeuwigheid. En, o vreugde, allen die in Hem gelooven, zullen Zijner glorie deelachtig worden. Het Woord is vleesch geworden en Het heeft onder ons gewoond om aan hen, die door het geloof uit God geboren zijn, mede te deelen Zijne genade en zaligheid.

E P I S T E L.

Meermalen en op velerlei wijzen heeft God oudtijds door de Profeten tot de vaderen gesproken; nu, ten laatste in deze dagen heeft Hij tot ons gesproken door den Zoon, dien Hij heeft gesteld tot erfgenaam van alles, door wien Hij ook het heelal heeft geschapen; die de glans zijner heerlijkheid en het evenbeeld van zijn wezen is en alles draagt door het woord zijner kracht, die, nadat Hij reiniging van zonden heeft bewerkt, gezeten is aan de rechterhand der heerlijkheid in het allerhoogste; zoo verre verheven boven de engelen als Hij boven hen uitmuntender naam heeft geërfd. Tot welken der engelen immers sprak God: Gij zijt mijn Zoon, Ik heb U heden voortgebracht: En wederom: Ik zal Hem tot Vader en Hij zal Mij tot Zoon zijn? En als Hij wederom den eerstgeborene in de wereld invoert zegt Hij: En dat alle Engelen Gods Hem aanbidden. En van de Engelen zegt Hij: Die Zijne Engelen geesten maakt en zijne dienaren als eene vlam van vuur. Maar tot den Zoon: Uw troon, o God, staat in alle eeuwigheid; een staf van gerechtigheid is de schepter uws rijks. Gij hebt de rechtvaardigheid bemind en de'ongerechtigheid gehaat; daarom heeft God, uw God, U gezalfd met de olie der vreugde boven uwe deelgenooten. En: Gij, Heer, hebt in den aanvang de aarde gegrondvest en de hemelen zijn de werken uwer handen. Zij zullen vergaan, maar Gij zult blijven; en allen zullen als een kleed verslijten en Gij zult hen als een overkleed veranderen; en zij zullen veranderd worden, maar Gij zelf zijt dezelfde en uwe jaren zullen niet afnemen.

-ocr page 25-

21

Evangelie volgens den H. Joannes 1:1 — 14.

In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was Clod. Dit was in den beginne bij God. Alles is door hetzelve gemaakt en zonder hetzelve is niets gemaakt, hetgeen gemaakt is; in hetzelve was het leven en het leven was het licht der menschen; en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen. Er werd een mensch van God gezonden, wiens naam was: Joannes. Deze kwam tot getuigenis om getuigenis te geven van het licht opdat allen door hem zouden gelooven. Niet hij was het licht, maar om getuigenis te geven van het licht. Het waarachtig licht was, hetwelk iederen mensch verlicht, die komt in deze wereld. Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam in zijn eigendom, en de zijnen namen Hem niet aan. Maar zoo velen als Hem aangenomen hebben, aan hen heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, aan hen, die in Zijn naam gelooven, welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil eens mans, maar uit God geboren zijn. (Hier wordt geknield.) En het Woord is vleesch geworden en het heeft onder ons gewoond; en wij hebben Zijne heerlijkheid gezien, eene heerlijkheid als van den Eeniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid.

-ocr page 26-

Tweede Kerstdag.

DANKBAARHEID AAN JESUS.

Les uit de Handelingen der Apostelen VI: 8—10; VII; 54 —59.

Welke overeenstemming kan er bestaan tusschen den marteldood van den H. Stephanus en de geboorte des Heeren? Het bloed van den eersten martelaar der Kerk geeft belijdenis van de hoogste liefde voor .lesus Christus. Terwijl vijanden en beulen in woest getier zich om den martelaar verdringen en de doodelyke steenworpen nedervallen, stamelen de stervende lippen van Stephanus een gebed van de heldhaftigste naastenliefde. Stephanus is eene kroon, eene hulde van dankbaarheid, die de H. Kerk nederlegt voor de kribbe van het Kindje Jesus. Liefde vraagt wederliefde. Derhalve wordt van daag aan Jesus opgedragen de eerste offergave van het martelaarsbloed, het bloed van een martelaar, die stervende heeft gebeden voor zijne vijanden, zooals de Goddelijke Martelaar in zijn stervensuur heeft gebeden-Mogen eens alle geloovigen met do kroon der eeuwige glorie gekroond en met de palmen der overwinning in de handen God lof zingen, heb dank, mijn Jesus: gezegend, die voor ons op deze wereld zijt gekomen. Zal dit heilrijke lot hun ten deel zijn, zoo moeten zij nu de genade der heilige Kerstfeestviering wel betrachten. Het ondankbaar Jerusalem, dat zijne profeten doodt, is een schrikkelijk beeld van de ziel, die de genade Gods verkwist. Geen ondank dus, maar naar het voorbeeld der H. Kerk hartelijke dankbaarheid door beantwoording aan de geschonken genade.

E P I S T E L.

In die dagen deed Stephanus, vol genade en kracht, groote wonderen en teekenen onder het volk. Eenigen nu van de synagoog, die genoemd wordt der Vrijgelatenen en van de Cyreners

-ocr page 27-

23

en Alexandriërs en van hen, die van Cilicië en Azië waren, verhieven zich en redetwisten met Stephanus, en zij konden de wijsheid en den geest, die sprak, niet wederstaan. Als zij dit hoorden, werden hunne harten verscheurd en zij knarsten tegen hem op hunne tanden. Maar Stephanus, vol van den H. Geest, wendde zijne oogen naar den hemel en aanschouwde de heerlijkheid Gods en Jesus staande aan de rechterhand Gods. En hij sprak: Ziet, ik zie de hemelen geopend en den Zoon des menschen staan aan de rechterhand Gods. Maar zij schreeuwden met luider stem, stopten hunne ooren en vielen eenparig op hem aan. En hem uit de stad werpende, steenigden zij hem en de getuigen legden hunne kleederen aan de voeten van een jongeling Saulus genaamd. En zij steenigden Stephanus, die bad en zeide: Heer Jesus, ontvang mijn geest. En nederknielende riep hij met luider stem: Heer, reken hun deze zonde niet. En toen hij dit gezegd had, ontsliep hij in den Heer.

Evvangelie volgens den H. Mattheus XXIII ; 34 — 39.

In dien tijd zeide Jesus aan de Schriftgeleerden en Pharizeën: Ziet, ik zend u Profeten en Wijzen en Schriftgeleerden en van hen zult gij er dooden en kruisigen, en van hen zult gij er in uwe synagogen geeselen en vervolgen van de eene stad naar de andere, opdat over u kome al het rechtvaardige bloed, dat op aarde vergoten is, van het bloed van Abel den rechtvaardigen, tot het bloed van Zacharias, den zoon van Barachias, dien gij gedood hebt tusschen den tempel en liet altaar. Voorwaar, Ik zeg u, dit alles zal komen over dit geslacht. Jerusalem, Jerusalem , dat de Profeten doodt, en hen steenigt, die tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb ik uwe kinderen willen vergaderen, gelijk eene hen hare kiekens vergadert onder hare vleugelen, en gij hebt niet gewild! Ziet uw huis zal u woest gelaten worden. Want ik zeg u, gij zult Mij van nu af niet meer zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend Hij, die komt in den naam des Heeren.

-ocr page 28-

Zondag onder het octaaf van Kerstmis.

HET KINDSCHAP GODS VAN DEN CHRISTEN.

Les uit den Brief van den IT. Paulus aan de Galaten. IV : 1 — 7,

Deze Epistel is eene verheerlijking van het kindschap Gods in Jesus Christus den menschen geschonken. Zoolang do erfgenaam onmondig is, zegt de Apostel, verschilt hij niets van een dienstknecht, alhoewel hij heer van alles is. De onmondige erfgenaam hier bedoeld zijn de rechtvaardigen des Ouden-Verbonds. In vergelijking van do hooge voorrechten aan do rechtvaardigen des Nieuwen-Verhonds geschonken, waren zij als onmondige kinderen, die in niets van een dienstknecht verschilden als dat zij het voorrecht bezaten eens de erfgenaam des Vaders te worden. Zij waren aan de Oude-Wet gebonden tot den tijd door den hemelschen Vader gesteld, waarin zijl Zoon de menschelijke natuur zou aannemen. Die wet was het grond beginsel der wereld omdat zij de wereld moest voorbereiden tot den dag van Christus geboorte. De christenen, aan wie de H. Paulus schrijft: hadden nog ten deele onder de wet geleefd; van daar dat hij zegt: „zoo ook wij, toen wij onmondig waren.quot; Toen echter de volheid des tijds gekomen was, toen de dag verschenen was, waarop de Ver' losser zou geboren worden, heeft God de Vader zijn Zoon gezonden, geboren uit eene vrouw, de Allerheiligste Maagd Maria, de nieuwe Eva van het menscbelijk geslacht. Die Zoon is geworden onder do wet; Hij heeft zich onderworpen aan de wetten van het Oude-Verbond opdat door Zijne onderwerping de vloek, die gedurende het Oude-Verbond op de wereld rustte, zou worden weggenomen. Hij kwam om ons, die onder den vloek der wet lagen, om de onmondigen vrij te koopen uit de slavenboeien des duivels en aan te nemen als kinderen Gods, als vrije zonen. Hoo getrouw de Zaligmaker de wet des

-ocr page 29-

Oiulen-Verbonds heeft vervuld, wordt in het Evangelie aangetoond: „Toen zij alles volbracht hadden, keerden zij terug naar Galilea, naar Nazareth, Zijne stad.quot; Wat smart en wee die vervolmaking der wet, het kindschap Gods aan Jesus en Maria heeft gekost, zegt de grijze Simeon: o Vrouw, zoo groot zal het lijden zijn van uw Kind, dat uw moederhart als door een zwaard van droefheid zal doorboord worden.

E P I S T E L.

Broeders; zoolang de erfgenaam een kind is, verschilt hij niets van een dienstknecht, alhoewel hij heer van alles is; maar hij staat onder voogden en zaakwaarnemers tot den tijd door den Vader bepaald. Insgelijks, toen wij nog kinderen waren, waren wij onder de grondbeginselen der wereld dienstbaar; maar toen de volheid des tijds gekomen was, zond God zijnen Zoon, geworden uit eene vrouw, geworden onder de wet, opdat Hij hen, die onder de wet waren, zoude verlossen, opdat wij de aanneming tot zonen zouden verwerven. En omdat gij zonen zijt, heeft God in uwe harten gezonden den geest van zijn Zoon, die roept: Abba, Vader. Alzoo is men geen dienstknecht meer, maar zoon. En is men zoon, zoo is men ook erfgenaam door God.

Evniigclie volgens den TI. Lucas II : 33 — 40.

In dien tijd was Josef en Maria, de Moeder van Jesus, verwonderd over hetgeen van Hem gezegd werd. En Simeon zegende hen en zeide tot Maria, zijne Moeder: Zie, deze is gesteld tot val en tot opstanding van velen in Israel; en tot een teeken, dat zal worden tegengesproken, en een zwaard zal uwe eigen ziel doorboren, opdat de gedachten uit vele harten bekend worden. Daar was ook Anna, eene Profetes, eene dochter van Phanuel, uit den stam van Aser; deze was verre op hare dagen gekomen en zij had van haren maagddom af zeven jaren met haar man geleefd. En zij was eene weduwe van vier en tachtig jaren, welke niet uit den tempel week, met vasten en bidden

-ocr page 30-

26

dag en nacht dienend. En deze, ter zelfder ure daar bijkomende loofde den Heer en sprak van Hem tot allen, die de verlossing van Israël verwachtten. En als zij alles volgens de wet des Heeren volbiacht hadden; keerden zij terug naar Gralilea, naar hunne stad Nazareth. En het Kind groeide op en nam toe in sterkte, vol van wijsheid, en de genade van God was in Hem.

-ocr page 31-

Feestdag van de Besnijdenis des Heeren.

DE GROOTE WAARDE VAN DEN TIJD DES LEVENS.

Les uit de Brief van den II. Paulus aan Titus II : 11 — 15.

In een ochtendstond van het Niemve-Jaar nadert de Heilige Kerk tot hare geloovigen met de eerste bloeddruppelen, die de Zaligmaker tot heil der wereld heeft gestort. De Epistel mag dan vrij zeggen: De Zaligmaker is verschenen, ons leerende heilig, zuiver, matig en rechtvaardig in deze wereld te leven. De hooge waarde der zielen. de kortheid des levens, de groote dag der belooning en der rekenschap; wat al redenen , die de geloovigen dwingen zoo te leven dat de Zoete Naam voor hen niet te vergeefs zij do naam van den Zaligmaker hunner zielen! Wat al redenen, die hen aansporen om in den naam van Jesus het Nieuwe Jaar te beleven!

E P I S T E L.

Welbeminde; de genade van God, onzen Zaligmaker, is verschenen aan alle menschen, ons leerende de goddeloosheid en de wereld-sche begeerten te verzaken, en matig en rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld te leven, in afwachting der gehoopte zaligheid en der luistervolle komste van onzen grooten God en Zaligmaker Jesus Christus, die zich zeiven heeft weggeschonken voor ons, om ons van alle ongerechtigheid te verlossen, en om ons voor zich te zuiveren tot een aangenaam volk, bedrijvig in

-ocr page 32-

2S

goede werken. Bespreek dit en verkondig liet vermanend in Christus Jesus, onzen Heer.

Eoangelie volgens den II. Lucas II : 21.

In dien tijd; nadat de acht dagen, dat het Kind zonbesneden worden, vervuld waren, is zijn naam Jesus genoemd, welke genoemd was door den Engel, voordat Hij in den moederschoot ontvangen werd.

-ocr page 33-

Hoogfeest van Drie-Koningen.

OPENBARING DES VERLOSSERS AAN ALLE MENSCHEN.

Les uit den profeet Isaias LX ; 1 — 6.

De stad Jerusalem, tot wie de profeet Tsaias de woorden richt: „Sta op, word verlicht, want uw licht is gekomen en de glorie des Heeren over u opgegaan;quot; strekt in den heiligen Epistel tot eene afbeelding van de ziel des mcnschen, geroepen tot het burgerrecht in de zinnebeeldige stad Jerusalem, de Heilige, Roomsche Kerk. Voor de komst en de verschijning des Verlossers lag de ziel des menschen in de duisternis der eeuwige verdoeming. De zonde had haar het kleed der heiligmakende genade ontroofd. Duisternis bedekte het aardrijk en donkerheid de volken. Geheel het menschdom was tot de eeuwige duisternis gedoemd. Maar op den feestdag van heden is er een licht opgerezen; Jesus Christus heeft door do fonkelende ster, die aan de Drie-Koningen in het Oosten verscheen, het heidendom. het rijk des duivels tot Zyne kribbe geroepen. „Ik ben de weg, do waarheid, en het leven,quot;' roept Hij tot de ziel, die door God geschapen, haar Schepper niet erkent. „Ik ben de weg, de waarheid en het leven,quot; roept Hij tot de ziel, die haar God erkent, maar Hem en de wereld te gelijk wil dienen en zoodanig was de gesteltenis des priesters, die Herodes de Schrift verklaarden. „Ik ben de weg, de waarheid en het levenroept Hij tot den door misdaden verstokten zondaar, wiens afschuwelijke beeltenis in koning Herodes wordt vertoond. „Ik ben de weg, de waarheid en het leven,quot; roept Hij tot de ziel, die in staat van genade den geboren Verlosser de schatten harer liefde aanbiedt. Dat geheimzinnig Jerusalem der zielen komt de Goddelijke Zaligmaker verlichten dooide stralen van do sterre der waarheid, door het hemelsch licht Zijner

-ocr page 34-

30

goddelijke hulp en genade. Welaan, sta dan op, o ziel, uit uwen doodsslaap, of uit uwe sluimering van dagelijksche zonden. Gij, heiligen en rechtvaardigen schrijdt voorwaarts op den weg der deugd, heerscht meer en meer in het rijk der goddelijke genade. Want ziet, de glorie des Hoeren is over u opgegaan. Gelijk de profeet aan de stad Jerusalem voorspelde dat na de dagen der verdrukking, dagen van welvaart en verblijden zouden aanbreken; zoo is aan de ziel, die met de heilige Drie-Koningen Jesus zoekt, alle geluk toegezegd. De volken zullen wandelen in uw licht en do koningen in de glorie, die van u uitgaat. Geheel de wereld verheugt zich in de lichtglans der starre, eertijds aan de Drie Koningen verschenen. Ja, iedere ware Christen is een andere Christus, eene ster, die voorlicht en de harten der rechtvaardigen verblijdt. Heft uwe oogen op en ziet welk een rijkdom! Uwe zonen en dochteren, uwe deugden en goede werken zijn op aarde uw geluk, in den hemel uw loon. Uw heilig, christelijk leven kweekt en toogt op tot godsdienst en deugd. Slaat uwe oogen rondom u en vraagt of er op aarde een geluk bestaat het uwe gelijk. Gij zult overvloed hebben, uw hart zal zich in verwondering verblijden en van vreugde als verwijd worden. De zinspeling des Epistels op de reiskaravaan der H. Drie-Koningen, welke uit het Oosten: uit Madian, en Epha en uit Saba tot den Zaligmaker optrok, wijst op de strijdende Kerk, die op haar pelgrimsreize met duizende en duizende heiligen meer en meer het doel van haar leven, Jesus,haar Heer en Verlosser naderbij komt en de poorten van hot hemelsch Jerusalem binnentreedt.

E P I S T E L.

Sta op, word verlicht, Jerusalem, want uw licht is gekomen en de glorie van den Heer over u opgegaan. Want zie, duisternis zal het aardrijk bedekken en donkerheid de volken; over u nochtans zal de Heer opgaan en zijne glorie zal in n gezien worden. En de heidenen zullen wandelen in uw licht en de koningen in den glans van uw opgang. Hef uwe oogen rondom en aanschouw: deze allen hebben zich vergaderd, komen

-ocr page 35-

31

tot u, uwe zonen zullen vaa verre komen en uwe dochteren aan uwe zijden oprijzen. Dan zult gij zien en overvloed hebben, uw hart zal zich verwonderen en verruimd worden als de menigte van de zee zich tot u zal keeren, en de macht der heidenen tot u komen. Een overstrooming van kameelen zal u bedekken, dromedarissen van Madian eu Epha; allen zullen van Saba komen, goud en wierook aanbrengend en den lof des Heeren verkondigend.

Evangelie volgens den II. Matthem [I ; 1 — 12.

Als Jesus geboren was te Bethlehem in .Tuda, in de dagen van Koning Herodes, ziet, daar kwamen Wijzen uit het Oosten te Jerusalem zeggende: Waar is de Koning der Joden, die go-boren is? Want wij hebben zijne ster in het oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem te aanbidden. Koning Herodes nu dit hoorende, werd ontsteld en geheel Jerusalem met hem. En alle opperpriesters en schriftgeleerden des volks vergaderende, onderzocht hij van hen, waar de Christus moest geboren worden. En zij zeiden hem: la Bethlehem van Juda, want zoo is er geschreven door den Profeet: En gij, Bethlehem, land van Juda, zijt geenszins de geringste onder de hoofdsteden van Juda. want uit u zal de Vorst voortkomen, die mijn volk Israël regeeren zal. Toen vernam Herodes, nadat hij de wijzen in liet geheim geroepen had, nauwkeurig van hen naar den tijd van de ster, die hun verschenen was. En hen naar Bethlehem zendende zeide hij: Gaat en onderzoekt zorgvuldig naar het. Kind en als gij het zult gevonden hebben, boodschapt het mij opdat ook ik kome en het aanbidde. Als zij den koning gehoord hadden, gingen zij heen. En ziet. de ster, welke zij in het Oosten gezien hadden, ging hen voor totdat zij komende staan bleef boven de plaats waar het Kind was. De ster nu ziende waren zij verheugd met eene zeer groote vreugde. En het huis

-ocr page 36-

binnengaande, vonden zij het Kind met Maria, zijne moeder. (Hier wordt geknield) en nedervallende aanbaden zij het. En na hunne schatten geopend te hebben, boden zij Hem geschenken aan: goud, wierook en myrrhe. En na een antwoord in den slaap ontvangen te hebben, dat zij niet naar Herodes zouden teruggaan, keerden zij langs een anderen weg naar hun land weder.

-ocr page 37-

Zondag onder het octaaf van Drie-Koningen.

DE CHRISTEN IS EEN ANDERE CHRISTUS.

Les uit dm Brief van den II. Paulus aan de Romeinen XII : 1 — 5.

Smeekt de Apostel by de barmhartigheid Gods, dat de christenen hunne lichamen als eene levende, heilige, Gode behagelijke offerande zullen opdragen, hetwelk is eene redelijke eeredienst, dan beteekent dit dat zij een leven moeten leiden volgens Christus door niet alleen inwendig te gelooven, maar ook door uitwendig dat geloof in hun lichaam, in hun leven uit te drukken. Het lichaam moet uit kracht van het geloof eene behagelijke offerande zijn voor Jesus Christus, die volgens zijne barmhartigheid in zijn gefolterd lichaam het offer der verlossing is komen voltrekken. Wordt dus niet gelijkvormig aan de wereld, zegt de Apostel, maar wordt gelijkvormig aan Jesus Christus, die arm en met doornen gekroond het offer des kruises heeft opgedragen. quot;Wordt meer en meer hervormd naar de vernieuwing des gemoeds, die door het Sacrament des Doopsels is geschonken. Vervult met eene steeds toenemende getrouwheid den heiligen wil van God door te doen, wat goed, welbehagelijk en volmaakt is. In de volheid van zijn apostolisch gezag vraagt en vermaant de H. Paulus dat de christenen niet hun eigen wil volbrengen, dat zij zich zeiven niet zullen overschatten maar dat een ieder volgens zijnen staat en roeping in alle bescheidenheid zich gedragen zal, één doel slechts beoogende namelijk het volbrengen van den heiligen wil Gods. Dan zal het inwendig geloof zich in hun leven, in hun lichaam openbaren. Het zal waar zijn dat, gelijk zij in één lichaam vele leden hebben, zoo ook zij allen als leden in Jesus Christus, onzen Heer, slechts één lichaam uitmaken. Christus is het hoofd en zij zijn de ledematen. De heilige wil van God is de ziel, die dat lichaam beweegt.

3

-ocr page 38-

Hoe treffend heeft de twaalfjarige Zaligmaker deze waarheden bevestigd. Hij gaat met zijne heilige ouders naar Jerusalem om Zijn hemelschen Vader eene zichtbare, lichamelijke eeredienst te bewijzen. Hij zegt aan zijne heilige Moeder: „Wist gy niet dat Ik mü met de zaken van mijn hemelschen Vader moet bezig houden?quot; En welk een zielefolterend offer vroeg op dat oogenblik de wil des Vaders! Nooit werd eene ziel meer gelouterd, zwaarder bezocht; nooit grooter onderworpenheid aan de beschikkingen Gods betoond dan daar, waar het Evangelie verhaalt hoe Jesus verloren werd en weergevonden. Met welk eene onderworpenheid wordt het schepsel door zijn Schepper onderricht: „Hij was hun onderdanig.quot;

EPISTEL.

Broeders, ik bid u ter wille van de barmhartigheid Gods dat gij uwe lichamen opdraagt tot een levend, heilig, Gode welgevallig offer, uwe redelijke eeredienst. En wilt u niet voegen naar deze wereld; maar hervormt u door vernieuwing van gemoed, opdat gij moogt beproeven, welke de goede en aangename en volmaakte wil Gods zij. Want ik zeg door de genade, die mij is geschonken, aan een ieder onder u, dat niemand hooger van zich denke dan het betaamt te denken, maar dat hij denke met bescheidenheid en naar de mate des geloofs, die God een ieder heeft toebedeeld. Want gelijk wij in een lichaam vele leden hebben, maar alle leden hetzelfde werk niet verrichten, aldus zijn wij velen één lichaam in Christus, en zijn wij ieder medeleden van elkander, in Christus Jesus, onzen Heer.

Evangelie volgens den II. Lucas II : 42 — 52.

Toen Jesus twaalf jaren oud was geworden en zij, volgens de gewoonte van het feest opgegaan waren naar Jerusalem en na het eindigen der feestdagen, wederkeerden, bleef het Kind Jesus in Jerusalem terug en zijne ouders wisten het niet. Doch mee-

-ocr page 39-

35

nende dat Hij onder het gezelschap was, gingen zij een dagreize voort en zochten Hem onder hunne verwanten en kennissen. En Hem niet vindende keerden zij naar Jerusalem terug, Hem zoekende. En het geschiedde dat zij Hem na drie dagen in den tempel vonden, zittende in het midden der leeraren, hen hoerende en hen ondervragende. En allen die Hem hoorden, waren verbaasd over zijne wijsheid en zijne antwoorden. En dit ziende waren zij verwonderd. En Zijne moeder zeide tot Hem: Zoon, waarom hebt gij ons zoo gedaan ? Zie, uw vader en ik zochten U met droefheid. En Hij zeide tot hen: Waarom zocht gij Mij? Wist gij niet dat Ik met hetgeen mijns Vaders is moet bezig zijn? En zij verstonden het woord niet, dat Hij tot hen sprak. Hij trok dan met hen af, en kwam in Nazareth en was hun onderdanig. Eu zijne moeder bewaarde al deze woorden in haar hart. En Jesus nam toe in wijsheid en in leeftijd en in welgevalligheid bij God en de menschen.

-ocr page 40-

Tweede Zondag na Drie-Koningen,

DE CHRISTEN IS EEN UITDEELER VAN GODS GAVEN.

Les uit den Brief van den II. Paulus aan de Romeinen XII ; 6—16.

Als wij volgens de beschikking van Gods goedheid gaven en talenten hebben ontvangen; — en wie heeft dat niet? — dan moeten wij dezelven met ootmoedigheid gebruiken tot nut van onze medemenschen. Die de ingevingen des H. Geestes ontvangt, moet woorden van onderricht en stichting spreken, zoo als de bovennatuurlijke hulp des heiligen Geestes aangeeft, dat is naar de bepaling des geloofs. Die een kerkelijk ambt heeft, moet tct heil en stichting van allen werkzaam zijn in dat ambt te bedienen. Hetzelfde geldt voor hem, die leert en vermaant. Een ieder vervulle zijne roeping, nimmer zichzelven zoekende. In één woord: allen behooren onthecht te zijn aan zichzelven. Verre zij de geest van zelfzucht en hoovaardij, welke zoo onvereenig-baar is met den ootmoed van den christen. En dat gebod des Apostels is niet beperkt tot hen, die in de Kerk eenige bediening waarnemen, maar het strekt zich uit tot een ieder, die in staat is, uit te deelen, dat is: iets b;j te dragen voor het welzijn van anderen. De liefde zij dan ongeveinsd. Hebt afkeer van het kwaad en hecht u aan het goede. Bemint elkander met broederlijke liefde, voorkomt elkander met eerbied. Zijt zorgvuldig en niet traag, zijt vurig van geest in den dienst des Heeren. Verblijdt u door de hoop op de eeuwige zaligheid, volhardende in het gebed. Weest mededeelzaam voor de behoeften der heiligen. Ieder mensch toch is geschapen naar het beeld van den Heiligen God en bestemd' voor den hemel, de woonplaats der heiligen. De Apostel wijst op die voorbeschikte heiligheid als op eene beweegreden, om de behoeftigen en noodlijdenden bij te staan, inzonderheid de heiligen, diegene, welke daarenboven

-ocr page 41-

uog leden zijn van de Heilige Kerk. Beoefent de gastvrijheid; zegent die u vervolgen; zegent en vloekt niet, Weest blijde met de blijden, weent met de weenenden. Hebt onder elkander hetzelfde gevoelen want wü zijn leden van hetzelfde lichaam, belijders van hetzelfde geloof, geroepen tot denzelfden strijd op aarde en tot dezelfde belooning in den hemel. De eenheid onder de christenen is niet eene uiterlijke eensgezindheid; zij is de hoogste, de meest volmaakte; de eensgezindheid van hart en ziel. Bygevolg hebben de geloovigen geen gezindheid voor het wereldsche dat is het hooge, hetwelk zichzelve zoekt, maar zij stemmen overeen met het nederige, met hetgeen Christus gevoelt.

De Zaligmaker betuigt zich op de bruiloft te Cana in Galilea als het volmaakste voorbeeld dier mededeelzame liefde, waarvan de Apostel spreekt. Hy gebruikt zelfs zyne goddelijke wondermacht om een jeugdig bruidspaar ter hulp te komen in eene zuiver menschelijke ongelegenheid. De oneindige Gfod zit aan de feesttafel van zondige menschen. Wat nederigheid! Hij verheerlijkt door zijne tegenwoordigheid en het gezelschap zijner heilige Moeder het liefdeverbond des huwelijks. Hij is de goddelijke Minnaar van vrede en heilige liefde. De Epistel geeft het levensbeeld der godsdienstigheid; het Evangelie veropenbaart den Christus zelf.

EPISTEL.

Broeders; daar wij verschillende gaven bezitten volgens de genade , welke ons geschonken is; zoo zij de profetie naar de bepaling des geloofs; zoo zij de bediening, in het bedienen; zoo zij die leert, in liet leeren; die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die over iets gesteld is, in zorgvuldigheid; die barmhartigheid oefent, in blijheid. Liefde zij zonder geveinsdheid. Hebt afkeer van het kwaad, hecht n aan het goede. Bemint elkander met broederlijke liefde, elkander met eere voorkomende. Zijt niet traag in zorgvuldigheid; zijt vurig van geest; dient den Heer; zijt verheugd in de hoop, geduldig in de verdrukking, volhardend in het gebed. Weest mededeelzaam voor

-ocr page 42-

de behoeften der heiligen, de gastvrijheid beoefenende. Zegent, die u vervolgen, zegent en wilt niet vervloeken. Verblijdt n met de blijden; weent met de weenenden. Zijt van hetzelfde gevoelen onderling, niet het hooge betrachtende, maar met het nederige overeenstemmende.

Evangelie volgens den H. Joannes II ; 1 — 11.

In dien tijd werd er eene bruiloft gehouden te Cana in Galilea, en de moeder van Jesus was daar. Ook Jesus en zijne leerlin' gen waren ter bruiloft genoodigd. En toen er wijn ontbrak zeide de moeder van Jesus tot Hem: zij hebben geen wijn. En Jesus zeide haar: Vrouwe, wat is er tusschen Mij en u ? Mijn uur is nog niet gekomen. Zijne moeder zeide tot de dienaars: Doet al hetgeen Hij u zal zeggen. Nu waren daar zes steenen waterkruiken geplaatst, ingevolge de reiniging der Joden, inhoudende ieder twee of drie maten. Jesus zeide hun: Vult de kruiken met water. En zij vulden die tot boven toe. En Jesus zeide hun: Schept nu en brengt het den hofmeester. En zij brachten het. Zoodra nu de hofmeester het water, dat wijn geworden was, proefde en hij niet wist van waar die was, (maar de dienaars, die het water geschept hadden, wisten het wel) riep de hofmeester den bruidegom en zeide hem; ieder mensch stelt eerst den goeden wijn voor en als zij overvloedig gedronken hebben, dan den minderen; maar gij hebt den goeden wijn tot nu toe bewaard. Dit begin zijner teekenen heeft Jesus gemaakt te Cana, inGahlea en Hij heeft zijne heerlijkheid geopenbaard en zijne leerlingen geloofden in Hem.

-ocr page 43-

Derde Zondag na Drie-Koningen.

OMGANG VAN DEN CHRISTEN MET ÜE WERELD.

Les uit den Brief van den 11. Paulus aan de Romeinen XII : 16 — 21.

Wijs bij zichzelven zijn diegene, welke de wereld aanhangen. Zij gaan als zwanger van de gedachte hunner eigene voortreffelijkheid. Liefde en ootmoed zijn de kenteekenen van den christen. Met do trotsche wereld moet de leerling van Christus in aanraking komen; derhalve leert do Apostel, hoe zich ton opzichte van haar to gedragen. Vergeldt niemand kwaad met kwaad, betracht het goede niet alleen voor God maar ook voor alle menschen. Geen kwaad met kwaad vergolden en weldoen aan allen, ook aan zijn vijand is eene gesteltenis zoo verheven , zoo heldhaftig dat derzelver volmaakte betrachting den wereld-ling eerbied voor het christendom inboezemt. Een vijand te beminnen, gaat menschelijke kracht te boven; de medewerking met de genade kan zulk eene heldendeugd voortbrengen. Alzoo voegt de Apostel aan zijne woorden toe: „betracht het goede, niet alleen voor God, maar ook voor alle menschenopdat allen door liet aanschouwen dier deugden tot godsdienstigheid bekeerd worden. Indien liet mogelijk is, houdt vrede met alle menschen. Indien het mogelijk is, zegt de H. Paulus, want dikwijls is de vrede Gods met-bestaanbaar met den vrede der menschen. Geliefden, wreekt u zeiven niet, maar geeft plaats aan do gramschap Gods; laat aan God over u recht te doen. Want daar staat geschreven: „Mij is de wraak, Ik zal vergelden!quot; God alleen kan oordoelen; Hij alleen doorziet het hart, kent do bedoeling; derhalve is aan Hem alleen de wraak en het oordeel. Het is evenwel niet geoorloofd de wraak Gods over zijne vijanden af te roepen: Do Christenen

-ocr page 44-

40

moeten hunne vijanden uit den grond des harten vergiffenis schenken en hunne zaak aan God betrouwen. Indien uw vijand honger heeft, spyst hem; indien hij dorst heeft, laaft hem; zoo doende zult gy als het ware vurige kolen op zijn hoofd verzamelen. Als kolen vuurs zullen die weldaden den vijand eene liefdevolle maar ondragelijke ontroering des harten veroorzaken en hom van vijand in vriend veranderen. Laat u niet overwinnen door het kwaad, maar overwint ' hot kwade door het goede, zoo toch heeft Christus de wereld overwonnen.

Het Evangelie brengt de ernstige waarheid in herinnering dat het niet voldoende is tot hot uiterlijke lichaam dor Kerk te behooron, zoo eene levenswijze naar het Evangelie, zoo de ziel der Kerk aan den christen ontbreekt. Derhalve worden de kinderen des rijks uitgeworpen en gaan vele christenen verloren, terwijl do melaatsche en do heidensche hoofdman, de zondaar en de dwalende door hun ootmoed aan de heilgenade deelachtig worden. De dagelij ksche geschiedenis zegt hoe menig kind der Kerk door een ergerlijk leven het geloof verliest, terwijl de vreemdeling zijne plaats in het rijk Gods verwerft wordt.

E P I S T E L.

Broeders, wilt niet wijs zijn bij u zeiven; vergeldt niemand kwaad voor kwaad; betracht het goede niet alleen voor God maar ook voor alle m-enschen. Indien het mogelijk is, houdt voor zooveel het van u afhangt, vrede met alle menschen. Zeer-geliefden, verweert u zeiven niet, maar geeft plaats aan de gramschap. Want er is geschreven: Mij is de wraak; Ik zal vergelden, zegt de Heer. Doch, indien uw vijand honger heeft, spijs hem; indien hij dorstig is; geef hem te drinken, want dit doende zult gij kolen vuurs op zijn hoofd te zamen brengen. Wilt niet door het kwaad overwonnen- worden, maar overwint door het goede het kwade.

-ocr page 45-

41

Evangelie volgens den H. Mattheus VIII : 1-1;!.

In dien tijd als Jesus van den berg was afgekomen, volgden Hem vele scharen. En ziet een melaatsche kwam en aanbad Hem, zeggende: Heer. zoo gij wilt, gij kunt mij reinigen. En Jesus zijne hand uitstrekkende, raakte hem aan, zeggende: i.k wil. Word gereinigd. En aanstonds werd zijne melaatschheid gezuiverd. En Jesus zeide hem: Zie toe, dat gij het niemand zegt; maar ga, vertoon u aan den priester, en offer de gift, welke Mozes heeft bevolen tot eene getuigenis voor hen,. Toen Jesus nu binnen Capharnaüm was gekomen, naderde tot Hem een hoofdman. Hem biddend en zeggende: Heer, mijn dienstknecht ligt te huis met lamheid geslagen en wordt zeer gekweld. En Jesus zeide hem: ik zal komen en hem genezen. En de hoofdman antwoordende zeide: Heer, ik ben niet waardig dat Crij onder mijn dak komt, maar spreek slechts één woord en mijn dienstknecht zal genezen worden. Want ook ik ben een mensch, onder macht gesteld, hebbende onder mij soldaten en ik zeg aan dezen: ga, en hij gaat, en tot genen: kom, en hij komt, en tot mijn knecht: doe dat, en hij doet liet. Jesus nu dit hoorende was verwonderd en zeide tot die Hem volgden: Voorwaar, Ik zeg u, zoo groot een geloof heb Ik in Israël niet gevonden. Maar Ik zeg u, dat velen uit het Oosten en het Westen zullen komen en zullen aanzitten in het rijk der hemelen met Abraham, en Isaac, en Jacob; maar de kinderen des rijks zullen worden uitgeworpen in de uiterste duisternis; daar zal geween zijn en knarsing der tanden. En Jesus zeide tot den hoofdman; Ga, en gelijk gij geloofd hebt, geschiede u. En op hetzelfde uur is de dienstknecht gezond geworden.

-ocr page 46-

Vierde Zondag na Drie-Koningen

ONTHECHTING VAN DEN CHRISTEN AAN DE WERELD,

Les uit den Brief van den H. Panlm aan de Romeinen XHI : 8 — 10.

Nadat de Apostel gewezen heeft op de verplichting dat allo schuld van harte moet vergeven worden, vermaant hij nu dat de leerling van Christus voor ziclizelven alle schuld moet voldoen. De christenen levende in de wereld zijn niet van de wereld en derhalve moeten zij niets met de wereld gemeen hebben, niets aan de wereld schuldig zijn. Zij geven aan allen het verschuldigde. Zij zijn aan niemand iets schuldig dan de schuld, die nooit ten volle is voldaan, van elkander te blijven liefhebben. Die den naaste lief heeft, vervult de wet. Oprechte naastenliefde is slechts bestaanbaar als liefde in en om God. Het tweede gebod, zegt Christus, is aan het eerste gelijk. Eer wereld schuldig zijn zij vooral, die overspel bedrijven, die doodslaan, die stelen, die valsche getuigenis geven, die het ongeoorloofde be-geeren. Eene liefde zonder Ciod en gebrek aan liefde brengen zulke dingen voort, de ware naastenliefde kan nooit eenige zonde, eenig onheil voortbrengen. Integendeel zij is de vervulling der wet. Zij geeft aan C4od wat Godes is en aan den evenmensch wat hem toekomt. Gelijk hot scheepje van Petrus op de baren, zoo is de ziel des menschen op do wereldzee des levens. Do H. Paulus wijst zijne geloovigen, werwaarts zich te richten. Zij hebben niets te vreezen als do ware naastenliefde hunne daden en bedoelingen aandrijft. Altijd is dan de Verlosser aan hunne zijdo. Al schijnt Jesus in den storm te slapen op eene enkele bede zaïHjjtoonen de Verwinnaar te zijn, die den orkaan en de macht des kwaads beheerscht.

-ocr page 47-

• 43

EPISTEL.

Broeders; zijt niemand iets verschuldigd dan dat gij elkander lief hebt, want die den naaste lief heeft, heeft de wet vervuld. Want, gij zult geen overspel bedrijven; gij zult niet doodslaan; gij zult niet stelen; gij zult geen valsche getuigenis geven; gij zult niet begeeren, en zoo er eenig ander gebod is, het is in dit woord begrepen: gij zult uwen naaste liefhebben, gelijk u zeiven. De liefde werkt het kwaad van den naaste niet. De liefde alzoo is de volheid der wet.

Evangelie volgens den H. MaWieus VITI ; 23 — 27.

In dien tijd, als Jesus in een scheepje was gestegen, volgden Hem zijne leerlingen; en zie, er ontstond op zee een groote storm, zoodat het scheepje door de golven werd bedekt; docli Hij sliep. En zijne leerlingen kwamen tot Hem, en wekten Hem zeggende: Heer, behoed ons, wij vergaan. En Jesus zeide hun: Wat zijt gij bevreesd kleingeloovigen? Alsdan opstaande gebood Hij aan de winden en de zee en het werd zeer stil. En de menschen waren verwonderd, zeggende; Wie is deze, dat de winden en de zee Hem gehoorzamen?

-ocr page 48-

Vijfde Zondag na Drie-Koningen.

VEROPENBARING VAN DEN CHRISTEN AAN DE WERELD.

Les uit den Brief van den II. Paulm oan de Colossemen III : 12—17

Do christenen zijn het goede zaad, dat opgroeit te midden van het onkruid. Zij zijn de uitverkorenen Gods, heiligen en rechtvaardigen. Als heiligen moeten zij zich gedragen, als heiligen moet de wereld hen erkennen. Kleedt u dan aan, zegt de Apostel als uitverkorenen, als heiligen; bekleedt u niet met, den schijn maar met de werkelijkheid der deugd. De christenen moeten bezitten eene inborst van barmhartigheid, goedertierenheid, zachtmoedigheid en geduldigheid. Barmhartigheid voor de noodlijdenden, goedertierenheid voor de vijanden, zachtmoedigheid voor do medebroeders en geduldigheid voor zichzelven. Zij verdragen elkander en schenken vergeving zooals Christus hen verdraagt en begenadigt. Zij zijn boven alles bezorgd de liefde te bezitten. De goddelijke deugd der liefde verbindt niet alleen alle deugden aan elkander als bloesems aan eene loot maar zij geeft ook aan de deugden en goede werken liet kenmerk der volkomenheid; zij maakt die bloesems tot vruchten des eeuwigen levens. Zij is de heerlijkste gave, welke den mensch met God en in God met alle menschen vereenigt, zij heet de band der volmaaktheid. Door haar zal de vrede van Christus, die alle wereklsche geneugten overtreft, in de harten ontluiken. Opdat de geloovigen dien vrede erlangen, zijn zij allen geroepen, met elkander vereenigd als in één lichaam, namen-lijk in de Ééne, Heilige, Roomsche Kerk, welke genoemd wordt liet geheimzinnig lichaam van Christus, waarvan Hij zelf het hoofd en de geloovigen de ledematen zijn. Aan dit onwaardeerbaar voorrecht gedachtig besluit de Apostel met eene opwekking tot dankbaarheid aan God. Het woord van Christus moet in hen wonen; het Evangelie

-ocr page 49-

hebbe in hen een rijken en blijvenden wasdom van goede werken als oen offer van dankbaarheid aan God. Naar de leering van Christus leven zij in alle wijsheid, stichten en verlevendigen elkander door eone godsdienstige vrolijkheid. Alles zij een dankoffer dat zij door Jesus Christus den Vader opdragen.

EPISTEL.

Broeders; doet aan als uitverkorenen Gods, als heiligen en welbeminden eene inborst van barmhartigheid, goedaardigheid, nederigheid, zachtmoedigheid, geduldigheid, elkander verdragende en onderling vergevende, zoo iemand tegen een ander klachte heeft. Gelijk de Heer u heeft vergeven, zoo ook gij. Boven dit alles nochtans hebt de liefde, die de band der volmaaktheid is. En de vrede van Christus, tot welken gij ook geroepen zijt als in een lichaam, zegeprale in uwe harten; en weest dankbaar. Het woord van Christus wone in u overvloedig, in alle wijsheid, uzelven leerende en vermanende met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen,. door de genade zingende voor God in uwe harten. Al wat gij doet in woord of in werk, doet alles in den naam des Heeren Jesus Christus, God en den Vader dank zeggende door Jesus Christus, onzen Heer.

Evangelie volgens den 11. Matthens XIII : 21- 30.

In dien tijd zeide Jesus aan de scharen deze gelijkenis; Het rijk der hemelen is gelijk aan een mensch, die goed zaad op zijn akker zaaide. Maar terwijl de menschen sliepen, kwam zijn vijand, en zaaide onkruid in het midden der tarwe en ging weg. Toen nu het kruid was opgewassen en vrucht voortbracht, toen vertoonde zich ook het onkruid. En de knechten van den vader des huigezins kwamen en zeiden tot hem: Heer, hebt gij geen goed zaad op uwen akker gezaaid ? Van waar heeft hij dan onkruid? En hij zeide hun: Een vijandig mensch heeft dit

-ocr page 50-

4()

gedaan. En de knechten zeiden tot hem: Wilt gij, dan gaan wij heen en zamelen het bijeen. En hij antwoordde: Neen, opdat gij wellicht, het onkruid bijeenverzamelend, niet tegelijk met hetzelve ook de tarwe uittrekt. Laat beide groeien tot den oogst en ten tijde van den oogst zal ik den maaiers zeggen: Verzamelt eerst het onkruid en bindt het in bundels om te verbranden, maar vergadert de tarwe in mijne schuur.

-ocr page 51-

Zesde Zondag na Drie-Koningen.

DANKBARE VREUGDE OVER DE UITBREIDING VAN CHRISTUS' RIJK.

Les uit den Brief van den If. Pavliis aan de Thessalonicensen 1:2 — 10.

Bij de sluiting van dezen feesttijd, brengt de Apostel aan God dank voor al het goede, dat hij met behulp der genade mocht uitwerken. En Gode dankzeggend looft en pryst hij zijne beminde geloovigen, de Thessalonicensen. De H. Paulus wordt vervuld met eene heilige vaderlijke blijdschap als hij denkt aan die geliefde broeders te Tessa lonica, wier verkiezing wier roeping tot de ware kerk naast God door door hem is voltrokken. wier uitverkiezing hem by uitstek bekend is. Zy zijn een voorbeeld voor alle geloovigen in Macedonië en Achaia; zelfs voor alle de plaatsen. waar de naam van Christus wordt aangeroepen. Allen verkondigen het luide, welk een ingang en opgang de verkondiging des Evangelie's bij hen gemaakt heeft. Hij vat in weinige woorden de voornaamste waarheden, door liem eertijds gepredikt, te zamen. Hij herinnert hun, hoe zij nu niet meer den dienst der stomme afgoden zijn toegedaan, maar dat zij dienen den éénen, waren, levenden God, die zijn Zoon heeft gezonden als eene offerande tot verlossing der wereld. Die verlossing werd bevestigd op den dag van Christus verrijzenis en zal hare voleinding hebben bij de komst des Heeren ten oordeel. Betaamt het den Christen te treuren over de oneer, God door de zonde aangedaan, evenals Paulus zal hij zich ook verheugen over de uitbreiding van het ryk Gods, over het goede, dat wordt beoefend. Do H. Paulus slaat dankend zijne oogen over de geloovigen, die hij voor Christus mocht winnen en toont hen, zegevierend aan de wereld. De Zaligmaker, met eenzelfden geest bezield, toont in den parabel van het mosterd-zaadje, dat opschiet tot

-ocr page 52-

48

con prachtlgen boo.in; in den parabel van het zuurdeeg, dat in drie maten meels gemengd, een voedzaam brood geeft; Hy toont in parabels en in gelijkenissen de heerlijkheid zyner Kerk, reeds hier op aarda door Hem genoemd: het rijk der hemelen. Eene zelfde vreugde bezielt het hart van Christus en van Paulus. Mogen alle geloovigen deelge-nooten zijn dier vreugde; mogen zij door hun gebed voor de bekeering der zondaren en hun voorbeeldig leven blijk geven van die verhevene gesteltenis hunner zielen.

E P I S T E L.

Broeders; wij danken Clod altijd voor u allen, uwer gedachtig zijnde in onze gebeden zonder ophouden, ons herinnerde aan liet werk van uw geloof en aan uw arbeid en liefde en lijdzaamheid in hoop op onzen Heer Jesus Christus, voor God en onzen Vader; daar wij, o Broeders, door God geliefd, uwe uitverkiezing kennen. Want ons Evangelie is bij u niet geweest in woord alleen, maar ook in kracht en in den H. Geest en in veel volheid, zooals gij weet, hoedanig wij voor u onder u geweest zijn. En gij zijt navolgers geworden van ons en van den Heer, het woord aannemende in veel verdrukking. met de vreugde des H. Geestes; zoodat gij een voorbeeld zijt geworden voor al de geloovigen in Macedonië en Achaia. Want door u is het woord des Heeren vermaard geworden niet alleen in Macedonië en Achaia, maar ook in iedere plaats is uw geloof in God verbreid , zoodat wij niet noodig hebben iets daarvan te spreken. Want zij zeiven verhalen van ons welken ingang wij bij u gehad hebben en op welke wijze gij van de afgoden bekeerd zijt tot God om den levenden en waren God te dienen en van den hemel te verwachten zijn Zoon, dien Hij uit de dooden heeft opgewekt, Jesus, die ons heeft ontrukt aan de toekomende gramschap.

Evangelie volgens den H. Mattheus XIIT ; 31 — 35.

In dien tijd zeide Jesus aan de scharen deze gelijkenis: Het rijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaad, dat een mensch

-ocr page 53-

49

nam en in zijn akker zaaide; hetwelk wel het kleinste is van alle zaden, maar wanneer het opgewassen is, is het grooter dan alle moeskruiden en het wordt een boom, zoodat de vogelen des hemels komen en wonen op zijne takken. Hij sprak tot hen eene andere gelijkenis; Het rijk der hemelen is gelijk een zuurdeeg, wat eene vrouw nam en in drie maten meel vermengde totdat het geheel gezuurd was. Al deze dingen zeide Jesus tot de scharen in gelijkenissen, en zonder gelijkenissen sprak Hij niet tot hen, opdat vervuld zou worden wat gezegd is door den Profeet, die zeide : Ik zal mijn mond in gelijkenissen openen; Ik zal te voorschijn brengen hetgeen verborgen was van de grondlegging der wereld af.

-ocr page 54-

Septuagesim a.

DE VREEZE GODS.

Les uit den Eersten Brief van den H. Paulus aan de Corinfhiërs IX : 24-27, X ; 1-5.

De sluitwoorden des Evangelie's: „velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkorenquot;, en de voorgaande gelijkenis zijn eene nadere aanduiding van de waarheid in den Epistel verkondigd. Alles is daaraan gelegen dat wij op het einde onzes levens gerekend worden tot het getal der gekroonden. De Apostel vergelijkt den kampstrijd des christens met dien in do Corinthische spelen. Hij zegt dat gelijk allen om den eereprijs wedijveren, evenwel niet allen dien wegdragen; dat zoo ook niet allen, die liet Evangelie geloovig hebben aangenomen , de eeuwige zaligheid verwerven. De christenen moeten in dien geestelijken strijd den aardschen kampvechter navolgen. Indien zij, die in het renperk naar den eereprijs dingen, zich groote ontberingen getroosten om eene verwelkbare kroon van bladeren, om een luttel ij dele eer en glorie te erlangen, hoeveel te meer moeten dan de christenen alles veil hebben; zij, wier streven het is eene hemelsche, eene onver-welkbare kroon te veroveren. De apostel wijst hen op zichzelf' als op een navolgenswaardig voorbeeld. Hij gaat steeds voorwaarts naar zijn doel, niet met wankelenden, onwissen, maar met vasten en zekeren tred; niet als de lucht slaande, maar zijn tegenstander, zijn lichaam, treffend. Om die kroon te bereiken, offert hij alles op. Hij kastijdt zijn lichaam en brengt het onder bedwang, opdat, na aan anderen de kroon der verwinning të hebben getoond, aan hem dezelve niet ontga. Een zalige schrik bevangt zijn hart bij die gedachte en spoort hem aan tot nog grootere krachtsinspanning. Die schrikkelijke gedachte, zoo heilzaam ter eeuwige zaligheid, wordt door eep treffend voorbeeld uit het Oude Verbond bevestigd. Van geheel

-ocr page 55-

51

het Israëlitische volk, dat het Egypteland uittoog, zijn slechts twee personen het beloofde land ingegaan. Wel zijn allen onder geleiding van de wolk en den vuurkolom de woestijn doorgetrokken , wel zijn allen droogvoets door de Eoode-Zee gegaan en werden zij door die weldoende wonderen van God als gedoopt, voor bestemd om eens het beloofde land binnen te treden. Doch God had in de meesten van hen geen behagen. Zij zijn tot straf hunner zonden in de woestijn gestorven. Het mocht hun niet baten te hebben gedronken uit de wonderdadige steenrots, door Mozes met zijn staf geheiligd, toen hij zegt de H. Augustinus, in twee slagen over dezelve het teeken des heiligen Kruises maakte. (Do Homilia 5: Augustini Epise; Tract. XXVI.) Het mocht hun niet baten te hebben gegeten het hemelsch mannabrood. Eenzelfde lot zal vele christenen treffen, die ook gedronken hebben uit de geestelijke, hen op hun pelgrimsreize nooit verlatende Steenrots, Jesus Christus, de bronwel aller genade; zij, die insgelijks ontvangen hebben het Hemelsch Brood, de H. Communie. In het strijdperk des levens onthielden zij zich niet van alles, dat der zonde gemeen is; en zij missen de onbederfelijke kroon, die God voor hen bestemde.

E P I S T E L.

Broeders; weet gij niet, dat zij, die in de renbaan loopen, wel allen loopen, maar één alleen den prijs behaalt? Loopt gij zoo, dat gij den prijs moogt behalen. Ieder nu, die in den wedstrijd kampt, onthoudt zich van alles en zij nog wel om eene vergankelijke kroon te bekomen, wij echter om eene onvergankelijke. Ik dan loop zoo, niet als in het onzekere; ik strijd zoo, niet als in de lucht slaande, maar tk kastijd mijn lichaam en breng het in dienstbaarheid, opdat ik niet wellicht, na anderen gepredikt te hebben, zelf een verworpeling worde. Want ik wil niet, dat het u onbekend zij, Broeders, hoe onze vaders allen onder de wolk zijn geweest en allen door de zee zijn gegaan en allen in Mozes zijn gedoopt in de wolk en in de zee. en allen dezelfde geestelijke spijs hebben gegeten en allen denzelfden geestelijken drank hebben gedronken; (zij toch dronken van de geestelijke steenrots,

-ocr page 56-

die hen volgde; en die steenrots was Christus), maar God had in de meesten van hen geen welbehagen.

Evangelie volgens den H. Mattheus XX ; 1 — 16.

In dien tijd zeide Jesus aan zijne leerlingen deze gelijkenis: het rijk der hemelen is gelijk aan een huisvader, die in den vroegen morgen uitging om werklieden voor zijnen wijngaard te huren. En nadat hij met de werklieden overeengekomen was voor een tienling daags, zond hij hen in zijn wijngaard. En uitgegaan zijnde omtrent het derde uur, zag hij anderen op de markt ledig staan en hij zeide hun: Gaat ook gij in mijn wijngaard en wat billijk is, zal ik u geven. En zij gingen. Wederom ging hij uit omtrent het zesde en het negende uur en deed desgelijks. En omtrent het elfde uur uitgegaan zijnde, vond hij nog anderen staan en zegt hun: Wat staat gij hier den geheelen dag ledig? Zij antwoordden hem: Omdat niemand ons gehuurd heeft. Hij zegt tot hen: gaat gij ook in mijn wijngaard. Toen het nu avond geworden was, zeide de heer van den wijngaard aan zij n opzichter: Eoep de werklieden en geef hun het loon, beginnende van de laatsten tot de eersten. Toen zij dan kwamen, die omtrent het elfde uur waren gegaan, ontvingen zij ieder een tienling. En als ook de eersten kwamen, meenden zij, dat zij meer zouden ontvangen, doch ook zij ontvingen ieder een tienling. En dien ontvangende, morden zij tegen den vader des huisgezins, zeggende; Deze laatsten hebben één uur gearbeid, en gij hebt hen aan ons gelijk gesteld, die den last van den dag en de hitte gedragen hebben. Maar hij, aan een hunner antwoordende , zeide: Vriend, ik doe u geen onrecht; zijt gij niet voor een tienling met mij overeengekomen ? Neem wat het uwe is en ga; ik wil ook aan dezen laatsten geven zoo als aan u. Of sïaat het mij niet vrij, te doen wat ik wil? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben? Zoo zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten do laatsten. Want velen zijn geroepen , maar weinigen uitverkoren.

-ocr page 57-

Sexagesima.

VERSMADING VAN GOD.

Les uit den Tweeden Brief van den H. Paulus aan de Corinthiërs XI : 19-33; XII : 1-9.

De versmading van liet woord Gods en van die het verkondigen is de inhoud van Evangelie en Epistel. De Goddelijke Zaligmaker toont in eene gelijkenis, door Hem zeiven verklaard, dat het zaad van het woord Gods door het meerendeel der menschen wordt verkwist en vernield. De H. Paulus bevestigt in hetgeen hem van de Corinthiërs is wedervaren, de waarheid van den parabel. In bittere droefheid, zegt de Apostel, als spottend tegen de Corinthiërs: Broeders; gaarne verdraagt gij de onverstandige!!, daar gij zeiven verstandig zijt.quot; Gij, die van mij, den Apostel des Heeren het Evangelie hebt ontvangen; gaarne gedoogt gij, dat onverstandigen, vervuld met booze bedoelingen, dat afgezanten van den vader dei-logen met eene andere leering dan die van Christus tot u komen, gaarne verdraagt gij dat. Voor u is bij het hooren dier goddelooze taal geen gevaar want, zoo roept de Apostel uit: gij zeiven zijt zoo verstandig! Ja, gaarne verdraagt gij zelfs dat die goddelooze leeraars u door hun hoerschzucht onderdrukken , door hun hebzucht berooven, uit trots op zijde stooten en alleronteerendst bejegenen. Tot uwe beschaming zeg ik dat wij, de Apostelen des Heeren, zwak zijn geweest in dit deel. Wij konden tot u niet komen met dien overmoed, waarmede de Apostelen der logen u trachten te overmeesteren; wij kwamen tot u in nederigheid en zelfverlochening. Tot uwe beschaming spreek ik daarover. Maar zoo een dier dwaalleeraars op zichzelven roemt, ik durf ook wel te roemen, als het noodig is. „Wanneer iemand durft, durf ik ook. In onverstand doe ik het.quot; Ik doe het, als den onver-

-ocr page 58-

54

stiiudlge naar zijn onverstand beantwoordend. Ziet dan eens, mijne Broeders, of ik zooveel minder ben dan die valsche leeraars. Zijn zij Hebreeërs, Israëlieten, kroost van Abraham? Die eeretitels zijn ook de mijnen. In landaard en in taal, in burgerlijke en patriarchale afstamming behoef ik voor hen niet onder te doen. Zijn zij dienaren van Christus? En dat zijn zij niet, want hun taal is broeisel des duivels. Maar verondersteld, dat zij het waren; ook ik ben dienaar van Christus en meer dan iemand van hen. „Verstandeloos spreek ik.quot; Andermaal herinnert de H. Paulus de Corinthiërs dat hij uit nood zijn lof verkondigt, dat hij gedachtig aan de raadgeving der H. Schrift „antwoord den dwaas naar zijne dwaasheid,quot; hen aldus tracht te genezen van die uitzinnige ingenomenheid met de verkondigers dei-logen. Die zelfverheerlijking van den H. Paulus is evenwel op zich zelve geene dwaasheid maar eene treffende ontboezeming van nederige zelfkennis. Hij is dienaar van Christus in meerder arbeid, in meerder lijden. De H. Paulus somt op hetgeen hij voor Christus heeft geleden: in gevangenissen overvloedig; in slagen bovenmate; in doodsgevaar menigmaal. Vijfmaal heeft hij van de joden veertig slagen min een ontvangen. Driemaal is hij door de heidenen met roeden gegeeseld; eenmaal is hij gesteenigd en als dood weggedragen; driemaal heeft hij schipbreuk geleden; een dag en een nacht is hij inde diepte der zee geweest. Menigmaal op reizen is hij geweest in gevaren van rivieren, wier overtocht gevaarlijk was; in gevaren van roevers, in gevaren onder zijn geslacht. Eertijds was de Apostel een yverig aanhanger van den joodschen godsdienst, nu zijn de joden zijn grootste vijanden. Hij is geweest in gevaren onder de heidenen, in gevaren in de steden zooals te Derbe, Lystra, Philippi, Jerusalem, Ephesus enz. Gevaren in de woestijn, gevaren op zee, gevaren onder valsche broeders, menschen, die den naam maar niet het hart eens christens bezaten, gevaren dreigden hem, werwaarts bij zich begaf. De H. Paulus is veel meer dienaar van Christus, in arbeid, en in zwoegen, in nachtwaken, in honger en dorst, in menigvuldig vasten, in koude en in schamelheid van kleeding en dekking. Behalve deze kwellingen des lichaams on dien strijd tegen de vijanden des geloofs en alles, dat hij nog onvermeld heeft gelaten, drukt op hem de dago-lijksche bemoeiing, de zorg voor al de kerken, die hij heeft geves-

-ocr page 59-

ÖO

tigd. Die zorg drukt zoo zwaar dat hij uitroept: „wie wordt zwak en ik word niet zwak; wie wordt geërgerd en ik brand niet?quot; Do Apostel beteekont met die verzuchting, dat op hem de zware taak rustte de zwakken op te beuren en te versterken door zelf zwak te worden. G-elijk hij hier voor de Corinthiërs onverstandig is geworden door te roemen op zich zelven om hen wijs te maken, zoo moet hij zich aflaten voor alle geloovigen der Kerk. Als slechts een zijner geestelijke kinderen door verleiding of hartstocht God ontrouw wordt, dan ontgloeit hij van verlangen, van aandrift, van smart om zulk een onheil te herstellen. Indien men roemen moet, gelyk zijne tegenstanders, do valsche drogredenaars in hunne gewaande grootheid roemen, dan wil hij ook roemen, maar op zijne eigene zwakheid en op de groote kracht, die Christus in hem werkt. Met oen eed bevestigt nu de Apostel de waarheid zijner woorden en verhaalt zijne wonderlijke redding uit de stad Damascus, waar de stedehouder de stadspoorten bewaakte om hem op te vangen. Indien men roemen moet, zoo vervolgt de Apostel, (het is wel niet oorbaar, maar het is hier een dier zeldzame gevallen, waarin wijsheid en plicht het gebieden;) dan zal hij tot handhaving van zijn gezag roemen op de verschijningen on veropenbaringen, die de Heer hem heeft gedaan. Die hemelsche veropenbaringen zijn zoo verheven, zoo voortreffelijk dat de Apostel uit gevoel van nederigheid beschroomd wordt zich-zelven te noemen. Hij heeft tot nog toe van zichzelven in den eersten persoon gesproken, nu evenwel bij het vermelden van dat wonderbare spreekt hij over zichzelven als betrof dat alles een ander. De Apostel zegt dat hij een mensch in Christus ken, een mensch zeer innig met Christus verbonden, die voor veertien jaren, dat is in het jaar acht-en-dertig onzer tijdrekening werd opgevoerd tot den derden hemel. Of zijn lichaam in die opvoering deel had, weet hij niet. God weet hoe het mogelijk was dat aan een sterfelijk mensch zulk oen voorrecht kon ton deel vallen. Hij werd opgevoerd tot den derden hemel, in het paradijs, en hoorde geheimvolle woorden, geheimen niet toegestaan den menschen te veropenbaren. Over de zoodanige zal hij roemen maar over zichzelven zal hij niet roemen, tenzij op zijne zwakheid. De door de Corinthiërs gevierde dwaalleeraars roemen op hunne gewaande grootheid maar Paulus zal op zijne zwakheid

-ocr page 60-

roemen, opdat de kracht van Christus, die in hem is, worde verheerlijkt. Want, zoo hij al roemen wilde, hij zou niet onverstandig handelen zooals die dwaalleeraars. Hij toch zou waarheid spreken, maar hij onthoudt zich, hij roemt nooit op zichzelven, tenzij wanneer het zieleheil der geloovigen, hun eeuwig welzijn, er door bevorderd wordt,

opdat niet iemand van hem denke boven hetgeen hij zelf in hem ziet of van hem hoort. Oordeelden de inwoners van Corinthe naar hetgeen zij van hem hoorden, naar hetgeen zij van hem zagen, zij zouden dien waren Apostel, dien goddelijken afgezant, niet verstooten, niet achterstellen voor hunne bedriegelijke en valsche leermeesters. Welk een smaad was het voor God, toen de Corinthiërs zulk een heiligen geloofsverkondiger versmaadden! Heilig was hij, dat getuigt zijne diepe nederigheid. Ziet eens , hoe hij zich zelfs voor die ondankbare geloovigen als in het stof nederbuigt. Hij zegt tot hen: „En opdat ik niet op de voortreffelijkheid der openbaringen mij verhoovaardige , is een prikkel des vleesches mij gegeven, een engel van satan, om mij met vuisten te slaan.quot; De H. Paulus belijdt hier voor de geloovigen dat hem, hoe zeer ook door God begunstigd, oen zware strijd, een strijd tegen de bedorvene natuur is bijgebleven. Driemaal heeft hij tot God gebeden om van die bekoringen verlost te worden en de Heer sprak tot hem :

„myne genade is u genoeg.quot;

Dat de gedragingen der Corinthiërs toch nooit door de geloovigen worden nagevolgd! Eere aan de priesters, die het woord van God ^ verkondigen. Ook zij zijn, evenals de H. Paulus, grootelijks door God verheerlijkt en begunstigd. De eerbiediging der priesters is eene der eerste voorwaarden opdat het hart de goede aarde zij, waarin het zaad van het woord Gods nedervalt en honderdvoudig vruchten draagt.

E P 1 S T E L.

Broeders; gaarne verdraagt gij de on wij zen, daar gij zelven wijs zijt. Want gij duit, zoo iemand u in slavernij brengt; zoo iemand verslindt, zoo iemand neemt, zoo iemand zich verheft, zoo iemand u in het aangezicht slaat. Ik zeg het tot oneer, alsof wij in dezen deele zwak waren geweest. Waarin

-ocr page 61-

iemand durft, (in onverstand spreek ik); durf ook ik. Zijn zij Hebreërs, ik ook; zijn zij kroost van Abraham, ik ook. Zijn zij dienaren van Christus, (als minder wijs spreek ik), ik meer; in meer arbeid, in gevangenissen overvloediger, in slagen boven mate, ter dood menigwerf. Van de Joden heb ik vijfmaal de veertig min een ontvangen. Driemaal ben ik met roeden gegeeseld; eens ben ik gesteenigd; driemaal heb ik schipbreuk geleden; een dag en nacht ben ik geweest in de diepte van de zee;- op reizen dikwijls, in gevaren van stroomen, in gevaren van roovers, in gevaren van eigen volk, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op zee, in gevaren onder valsche broeders; in arbeid en bekommernis, in veel nachtwaken, in honger en dorst, in veel vasten, in koude en naaktheid; behalve' deze dingen, die uitwendig zijn, mijne dagelijksche taak: de zorg voor alle kerken. Wie wordt zwak en ik word niet zwak? Wie wordt verergerd en ik brand niet? Zoo er geroemd moet worden, zal ik roemen op hetgeen mijne zwakheid betreft. God en de Vader onzes Heeren Jesus Christus, die gezegend is in eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg. Te Damascus bewaakte de stedehouder van koning Aretas de stad der Damasceners om mij te vatten en ik ben door een venster in eene mand langs den muur nedergelaten, en zoo ben ik aan zijne handen ontvlucht. Indien er geroemd moet worden, (het is wel niet dienstig) dan zal ik komen tot de gezichten en veropenbaringen des Heeren. Ik ken een mensch in Christus, die voor veertien jaren, hetzij in liet lichaam, ik weet het niet, hetzij buiten het lichaam, ik weet het niet, God wTeet liet, werd opgenomen tot den derden hemel. En ik weet, dat die mensch (hetzij in het lichaam, hetzij buiten het lichaam, ik weet het niet, God weet het) dat hij werd opgenomen in het paradijs en heeft gehoord geheimvolle woorden, welke het een mensch niet geoorloofd is te spreken. Op zoo iemand zal ik roemen; maar op mij zeiven zal ik in niets roemen, tenzij in mijne zwakheden.

-ocr page 62-

58

Want zoo ik al wilde roemen, ik zou niet dwaas zijn, want ik zou de waarheid spreken, doch ik laat het, opdat iemand mij niet achte boven datgene, wat hij in mij ziet of wat hij van mij hoort. En opdat de grootheid der openbaringen mij niet ver-heffe, is mij een prikkel des vleesches gegeven, een engel van satan, om mij in het aangezicht te slaan. Daarom heb ik driemaal den Heer gebeden, opdat die van mij zou wijken; en Hij heeft mij gezegd: Mijne genade is u genoeg; want kracht wordt in zwakheid vervolmaakt. Gaarne alzoo zal ik op mijne zwakheden roemen, opdat de kracht van Christus in mij wone.

Evangelie volgens den H. Lucas YIII ; 4 —15.

In dien tijd, toén eene zeer groote menigte te zamen kwam, en uit de steden te zamen spoedde tot Jesus, sprak Hij in eene gelijkenis: Een zaaier ging uit om zijn zaad te zaaien, en terwijl hij zaaide viel een deel langs den weg en werd vertreden, en de vogelen des hemels aten het op. En een ander deel viel op de steenrots en ontluikend verdorde het, daar het geen vochtigheid had. En een deel viel tusschen de doornen en de doornen mede opwassende verstikten het. En een deel viel op goede aarde en opgewassen bratht het honderdvoudige vrucht voort. Dit zeggende riep Hij; Die ooren heeft om te hooren, dat hij hoore. Zijne leerlingen ondervraagden Hem dan, wat dit voor eene gelijkenis was. En Hij zeide hun: u is het gegeven het geheim van het rijk Gods te kennen; maar aan de overigen in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien en hoerende niet verstaan. Dit is dan de gelijkenis: Het zaad is het woord van God. En die langs den weg, zijn degenen, die het hooren; vervolgens komt de duivel en neemt het woord uit hun hart, opdat zij niet ge-looven en zalig worden. En die op de steenrots, zijn zij, die, als zij het woord hooren, hetzelve niet blijdschap aannemen; maar dezen hebben geen wortels; zij gelooven voor een tijd en ten

-ocr page 63-

tijde der bekoring vallen zij af. En dat tusschen de doornen valt, dezen zijn, die het gehoord hebben , maar door de bekommernissen en de rijkdommen en de wellusten des levens gaandeweg verstikt worden en geene vrucht voortbrengen. Maar dat in goede aarde valt, dezen zijn, die het woord hoorende, het met een goed en best hart bewaren en vrucht voortbrengen in lijdzaamheid.

-ocr page 64-

Quinquagesima.

DE WAARDIJ DER LIEFDE.

Les uit den Eersten Brief van den H. Paulns aan de Corinthiërs XIII: 1 —13.

Deze Epistel is eene gloed rijke beschrijving van de goddelijke deugd der liefde; eene feestrede te harer verheerlijking door den Apostel aan de volken verkondigd. Zij, de liefde tot God en in God tut den evenmensch wordt geprezen als liet eenig hoogst noodige Bij gemis van haar zullen de zeldzaamste gaven, de verhevenste daden niets ter zaligheid baten. Zij wordt met dichterlijken gloed bezongen als bezitster van een aantal voortreffelijke eigenschappen, aan welke de geloovigen zich moeten toetsen. De weg wordt aangetoond hoe tot hare volmaakte volkomenheid te geraken. Door geduld voor de zwakheid van den evenmensch. door hoop op zijne bekeering. door lijdzaamheid onder eigen miskenning komt de christen tot de hoogste liefde. Haar eeuwige en oneindige, waardij Avordt geAvogen. Alles gaat voorbij. De liefde alleen duurt in alle eeuwigheid. Als kinderen denken en spreken wij over de geestelijke dingen , maar als Avij zullen gekomen zijn in de hemelsche glorie, in het rijk der liefde, als Avij mannen zijn geworden, dan zullen wij den God der liefde kennen en zien van aangezicht tot aangezicht, niet als in een raadsel of in een spiegel, maar in eene kennis, gelijkende naar de kennis van den Allerhoogste zei ven. Al ons kennen en vreten, als ons werken en tot stand brengen is slechts stuk-Averk. Wij kennen nu maar ten deele. Doch, Avanneer hetgeen A-ohnaakt- is zal gekomen zijn, zal hetgeen ten deele is vernietigd Avorden. Als de kennis van een kind voor die van een man, als een raadsel voor het helder aanschoiiAven, als een spiegelbeeld A'oor de Averkelijkheid, zoo taant alles A'oor de kennis, die in alle eeuAvigheid de liefde in de zaligen uitstort.

-ocr page 65-

01

Zooals God ons kent, op dergelijke wijze zullen wy in den hemel God kennen, ofschoon geen geschapen wezen Hem ooit volkomen zal begrijpen. Nu nog blijven geloof, hoop en liefde, maar in den hemel zal het geloof door het aanschouwen, de hoop door het bezitten zijn verwezenlijkt, de liefde alleen blyft in alle eeuwigheid. Het Evangelie roept den geloovigen toe: „Ziet, wij gaan opwaarts naar Jerusalem en de Zoon des menschen zal overgeleverd worden. De H. Kerk staat op den vooravond der vasten, een tjjd van deugd, versterving en gebed. Dat de geloovigen de goddelijke deugd der liefde boven alles hoogschatten; die deugd zonder welk geen enkel goed werk eenige waarde heeft. Opdat de zondaars met den blinde langs den wegjesus om die liefde, hun zoo noodig als het licht der oogen, dringend smeeken, verkondigt de Kerk vandaag den lof der liefde.

EPISTEL.

Broeders; al spreek ik de talen van menschen en engelen, maar ik bezit de liefde niet, ik ben geworden als een klinkend metaal ot luidende schel. En al zou ik de profetie bezitten en alle geheimen kennen en alle wetenschap, en al zou ik alle geloof hebben, zoodat ik bergen verzette, maar ik heb de liefde niet, ik ben niets. En al zou ik al mijne bezittingen uitdeelen tot spijs der armen, en al zou ik mijn lichaam overleveren, om te branden, doch ik heb de liefde niet, het baat mij niets. De liefde is geduldig, zij is goedaardig. De liefde is niet ijverzuchtig, zij handelt niet lichtvaardig, zij is niet opgeblazen, zij is niet eerzuchtig, zij zoekt liet hare niet, zij toornt niet, zij denkt geen kwaad, zij verheugt zich niet over de ongerechtigheid maar verblijdt zich met de waarheid; zij verdraagt alles, zij gelooft alles, zij hoopt alles, zij lijdt alles. De liefde vervalt nooit; hetzij profetieën, zij zullen een einde hebben; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij wetenschap , zij zal vernietigd worden. Want wij kennen ten deele en wij profeteeren ten deele. Maar wanneer hetgeen volmaakt is zal gekomen zijn. dan zal hetgeen ten deele is vernietigd worden.

-ocr page 66-

Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, gevoelde ik als een kind, dacht ik als een kind. Maar toen ik een man geworden ben, heb ik wat van een kind was, afgelegd. Wij zien nu door een spiegel in een raadsel, maar dan van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik ten deele, maar dan zal ik kennen, gelijk ik ook gekend word. Nu blijven nochtans geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste dezer is de liefde.

Evangelie volgens den H. Lucas XVIII : 31 — 34.

In dien tijd nam Jesus de twaalf bij zich en zeidehun: Ziet, wij gaan opwaarts naar Jerusalem en alles zal volbracht worden, wat door de Profeten over den Zoon des menschen geschreven is. Want Hij zal overgeleverd worden aan de heidenen, en Hij zal bespot, en gegeeseld en bespogen worden. En nadat zij Hein zullen gegeeseld hebben, zullen zij Hem dooden; en ten derden dage zal Hij verrijzen. Eu zij verstonden niets daarvan en dat woord was voor hen verborgen en zij begrepen niet hetgeen gezegd werd. Het geschiedde nu, als Hij Jericho naderde, dat zekere blindé langs den weg zat te bedelen. En toen hij de menigte hoorde voorbijgaan, vraagde hij wat dat was? Zij zeiden hem dan dat Jesus van Nazareth voorbijging. En hij riep zeggende: Jesus, Davids Zoon, ontferm u mijner! En die vooruitgingen! berispten hem, opdat hij zoude zwijgen, maar hij riep nog veel meer: Davids Zoon, ontferm u mijner! En Jesus stilstaande gebood hem bij zich te brengen. En als hij genaderd was, vroeg Hij hem zeggende: Wat wilt gij dat Ik u doe? En hij zeide: Heer, dat ik zien moge. En Jesus zeide tot hem: Word ziende, uw geloof heeft u genezen. En aanstonds zag hij en volgde Hem, God verheerlijkende. En al het-volk, als het dit zag, gaf lof aan God.

-ocr page 67-

Eerste Zondag van de Vasten.

AANMANING TOT MEDEWERKING MET DE GENADE.

Les uit den Tweeden Brief van den H. Paulus arm de Corinthié'rs IV : 1 — 10,

De genade Gods voorkomt, steunt en volmaakt ieder goed werk, dat ter zaligheid wordt verricht. Zonder de genade leeft de mensch als in een nachtelijk duister. De christen vermag zonder de genade niets ter zaligheid, maar ook die genade zelve zal hem niets baten zonder zijne medewerking. Hij moet naar het voorbeeld van den Zaligmaker den strijd aanvaarden, met de genade medestrijden tegen den duivel, de wereld en het vleesch en dan is de genade in hem alvermogend. Ontvangt derhalve, zegt de Apostel, de genade niet te vergeefs, maar werkt onversaagd met haar mede. Opdat de ge-loovigen des te gereeder naar zijne vermaning zouden luisteren, wordt zij bevestigd door eene profetie des Ouden Verbonds. De Heer belooft aan Israël, zijn volk, de hulp des hemels om de Babylonische over-heersching, beeld van het slavenjuk van satan, af te stooten. De dag, waarop God, die hulp toezegt, is de aangename tijd, is de dag des heils. De Kerk eigent zich deze woorden toe om op hare beurt tot kracht en sterkte aan te wakkeren in den strijd des levens, om hare kinderen moed in te boezemen bij den aanvang van de heilige vasten, een aangenamen tijd voor de ziel, die in deze dagen meer dan ooit wordt begiftigd door de goedheid en de liefde des Heeren. De geloovigen heiligen den vastentijd op eene der godsdienst waardige wijze. Evenals de Corinthiërs stellen zij zich den H. Paulus ten voorbeeld en betoonen zich, evenals hij, dienaren van Christus door standvastigheid in lijden en verdrukking, in reinheid van geweten, steeds denkende, sprekende en gevoelende naar den H. Geest, den geest der waarheid en der kracht. Want de genade heeft ook hen

-ocr page 68-

«4

als Christus' krijgsknechten uitgerust. In de echterhand rust het zwaard der waarheid tot den aanval; namelijk: een geloof, dat zich door daden veropenbaart; in de linkerhand is het schild der kracht tot eigen dekking, namelijk: de hun nooit ontbrekende hulp van Gods genade. Mot dat zwaard, met dat schild trekken zij ten stryde tegen de zonde en betoomen haren aanval. Zij aanvaarden dien strijd, welk oen lot hun ook moge zijn toebedeeld. Verheerlijking of oneer; kwade of goede naam, niets houde hen van dien strijd terug. De christenen bedenken hoe zelfs de Apostelen, de onfeilbare verkondigers der waarheid, werden gescholden als verleiders, bejegend als vreemdelingen, terwijl zij door God geroepen, voor de menschen kenbaar worden als de gezanten, die de blijde boodschap aan de wereld moesten verkonden. Stervende waren de Apostelen door de kracht der genade vol van leven, zoodat hun martelaarsbloed genoemd wordt het zaad des Christendoms. De wreedste mishandeling, de gruwelijkste foltering kon hunne zielekracht niet vernietigen, doch veranderde hunne droefheid in vreugde, hunne ellende en armoede in overvloed en rijkdom. En die rijkdom was zoo groot dat uit deszelfs overvloed do geloovigen, ja, de geheele wereld niet geestelijke en tpelijke welvaart werd begiftigd. Zoo moge in den heiligen vastentijd de genade Gods in de harten der geloovigen nederstroomen, die harten vervullen en opvoeren tot de hoogste deugd, tot de innigste deelname aan de heilkracht van Christus lijden. Eene heldhaftige medewerking-met de genade wordt van de geloovigen verlangd.

EPISTEL.

Broeders, wij vermanen u, dat gij de genade Gods niet te vergeefs ontvangt. Want Hij zegt: in den aangenamen tijd heb ik ii verhoord en op den dag des heils heb ik u geholpen. Ziet, nu is het de aangename tijd, nu is het de dag des heils. Wij geven aan niemand eenigen aanstoot, opdat onze bediening niet worde gelaakt, maar betoonen ons zeiven in alles, als dienaren Gods, in veel verduldigheid, in verdrukkingen, in nooden, in benauwdheden, in slagen, in gevangenissen, in oproeren, in

-ocr page 69-

65

arbeid, in waken, in vasten, in zuiverheid, in wetenschap, in lankmoedigheid, in goedertierenheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde, in het woord der waarheid, in de kracht Gods, door de wapenen der gerechtigheid ter rechter- en ter linkerzijde, door eer en oneer, door een kwaden en een goeden naam, als verleiders en waarachtigen; als onbekenden en bekenden; als stervenden en ziet, wij leven; als gekastijd en niet gedood; als bedroefd, maar altijd blijde; als armen maar velen rijk makende; als niets hebbende en alles bezittende.

Evangelie volgens den 11. Mattheus IV : 1 — 11.

In dien tijd werd Jesus door den Geest naar de woestijn geleid om door den duivel bekoord te worden. En als Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, kreeg Hij daarna honger. En de bekoorder naderende zeide Hem: Zoo Gij Gods Zoon zijt, zeg dat deze steenen brooden worden. Maar Hij antwoordde en zeide; Er staat geschreven: de mensch leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord, dat uit Gods mond voortkomt. Toen nam de duivel Hem op naar de heilige stad en stelde Hem op de tinne des tempels en zeide Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp u naar beneden, want er staat geschreven: dat Hij zijnen engelen wegens U bevolen heeft en dat zij U op de handen zullen dragen opdat Gij uw voet niet zoudt stooten aan een steen. Jesus zeide hem: Daar staat ook geschreven: Gij zult den Heer uw God niet beproeven. De duivel nam Hem wederom op, naar een zeer hoogen berg en toonde Hem alle rijken der wereld en hunne heerlijkheid en zeide Hem: Dit alles zal ik U geven zoo gij nedervallend Mij aanbidt. Toen zeide hem Jesus: Ga, Satan, want daar staat geschreven: Gij zult den Heer, uw God aanbidden en Hem alleen dienen. Toen verliet Hem de duivel en ziet, engelen kwamen en bedienden Hem.

-ocr page 70-

Tweede Zondag van de Vasten.

KRACHTIGE AANMANING TOT MEDEWERKING MET DE GENADE IN DEN NAAM VAN JESUS.

Les uit den Eersten Brief van den H. Paulus aan de Thessalonicensers IV: 1 — 7.

Ook op heden is het doel des Epistels geen ander dan hetgeen reeds den voorgaanden Zondag werd verkondigd: eene aanmaning tot medewerking met de kostbare genade, die den geloovigen in dezen tijd zoo rijkelijk wordt aangeboden. Tot driemaal toe bezweert c.e H. Paulus in den naam van onzen Heer Jesus Christus dat de Thes-salonicensers toch waardiglijk zullen beantwoorden aan hetgeen z;j van hem ontvangen hebben. Het Evangelie vertoont aan de geloovigen dien Jesus Christus sprekende met de mannen der Oude Wet, sprekende met de Apostelen, die als de bazuinen Gods de Nieuwe Wet tot aan de grenzen der aarde zullen verbreiden. Het is Jesus Christus zelf, die door zijne gezanten tot de wereld spreekt, die door zijne Apostelen bevelen en wetten uitvaardigt. Nu spreekt Hij door Paulus: het is zijn Wil, zijn gebod dat alle menschen heilig worden. Die heiligheid door God gewild bestaat in de hoogste zelfbeheerschir.g. Zij neemt een aanvang in de reinheid , in de kuischheid des harten volgens staat en stand. Zij vindt hare vervolmaking in de onthechting aan do goederen der aarde. Rein en kuisch te leven is den zondigen natuur-mensch niet gegeven; den mensch, die geen deel heeft aan Gods genade. De geloovigen kunnen zich dus niet beroepen op de gebruiken eener heidensche maatschappij. De wrekende gramschap Gods zal den christen treffen, die zich vergrijpt aan «ich zeiven of aan een ander. De onrechtvaardige, die zich toeeigent wat het zijne niet is; wiens hart op eene zondige wijze zich hecht aan het aardsche goed,

-ocr page 71-

67

is rechtstreeks in tegenstrijd met Jesus Christus. De Goddelijke Zaligmaker glanzende als in het licht der zon, die hare stralen kleurenspelend over de reine sneeuw uitstort, en verheven op den top van een hoogen berg stelt ons als een beeltenis voor oogen de heerlijkheid des christens in de reinheid zijns harten, in de armoede zyns geestes.

E P I S T E L.

Broeders; wij vragen u en smeeken in den Heer Jesus, dat, gelijk gij van ons ontvangen hebt, hoe gij behoort te wandelen en aan God te behagen; gij ook zoo moogt wandelen, opdat gij meer moogt overvloedig worden. Want gij weet, welke voorschriften ik u door den.Heer Jesus heb gegeven. Dit toch is de wil van God, uwe heiligmaking; dat gij u onthoudt van onkuischheid, dat een ieder uwer wete zijn vat in heiligheid te bezitten en in eere; niet in drift van begeerlijkheid gelijk de heidenen, die God niet kennen; en dat niemand overschrijde, noch in eenige zaak zijn broeder bedriege, daar de Heer een wreker is van dit alles, gelijk wij voorzegd en betuigd hebben. Want God heeft ons niet geroepen tot onzuiverheid, maar tot heiligmaking in Christus, Jesus, onzen Heer.

Evangelie volgens den II. Mattheus XYII : 1—9.

In dien tijd nam Jesus Petrus en Jacobus en Joannes des-zelfs broeder met zich en leidde hen op een hoogen berg afzonderlijk , en Hij werd voor hen van gedaante veranderd. En zijn aangezicht schitterde gelijk de zon, en zijne kleederen werden wit als sneeuw. En ziet, hun verschenen Mozes en Elias met Hem sprekende. Petrus nu het woord opnemende zeide tot Jesus: Heer, het is ons goed hier te zijn; zoo Gij wilt, laten wij hier drie tenten maken, eene voor U, eene voor Mozes en eene voor Elias. Terwijl hij nog sprak, ziet, eene heldere wolk overschaduwde hen. En ziet, eene stem uit de wolk zeide: Deze is Mijn welbeminde Zoon, in welk Ik Mijn welbehagen heb, hoort naar

-ocr page 72-

68

Hem. En de leerlingen dit hoerende vielen op hun aangezicht en waren zeer bevreesd. En Jesus naderde en raakte hen aan en zeide hun: Staat op en wilt niet vreezen. En hunne oogen opslaande zagen zij niemand dan Jesus alleen. En terwijl zij den berg afdaalden beval Jesus hun zeggende: Spreekt niemand van dit gezicht, totdat de Zoon des menschen van de dooden verrezen is.

-ocr page 73-

Derde Zondag van de Vasten.

HEILRIJK LOT VAN DEN CHRISTEN, DIE MET DE GENADE MEDEWERKT.

Les uit den Brief van den H. Paulus accu de Ephesiërs V : 1 — 19.

Treft de genade een hart tot medewerking bereid, dan verheft zij den mensch tot kind van God, herschept in hem den ouden onge-repten adeldom van het eersten menschenpaar. Do mensch wordt dan weder het allergeliefdsto kind van God. Het beeld van den vader drukt zich uit in de kinderen. Zijn de geloovigen kinderen Gods, dan zijn zij ook navolgers van God. Zij zullen evenals het kind naar zijn vader gelijkt, eene godsgelijkenis bezitten. Die gelijkenis met God veropenbaart zich in do liefde, welke zij God en elkander toedragen. Zij zijn voor God als een aangenaam reukoffer, welbehage-lijk in zijne oogen. Onkuischheid, onreinheid, gierigheid, liefdelooze en onwelvoegelij ke taal is onder hen zelfs bij name als onbekend. Do Zaligmaker is met de geloovigen en do geloovigen zijn met den Zaligmaker als leden van een gezin, zich verheugende in de rijkdommen van een hemelsch erfdeel. Het erfdeel van den Satan, waarvan de Zaligmaker in het Evangelie spreekt is het rijk der duisternis en der verwarring. Het erfdeel des Verlossers is het rijk van licht en vrede. Eertijds waren ook de Ephesiërs, tot wie de Apostel spreekt, deel-genooten van do kinderen des ongeloofs. Nu zijn zij kinderen des lichts. De vorst der hellemacht wil hen wederom tot de zijnen maken. Dat zij dan wandelen als kinderen des lichts in alle goedheid, rechtvaardigheid en waarheid, dat is in liefdebetooning voor elkander, in deugdbetrachting en in zuiverheid van meening voor God. Gelijk het licht zijne stralen uitzendt en zich niet met de duisternis kan vermengen, zoo zij hun leven bestraald door de deugden, die

-ocr page 74-

70

Christus, liet Licht der wereld, heeft geleerd en ontoegankelijk voor eenig boos bedrijf. Zij moeten steeds door gebed, versterving en deugdbetrachting den verheven staat, waartoe de genade hen heeft opgevoerd, bewaren en volmaken.

EPISTEL.

Broeders; zijt navolgers van Clod als zeer geliefde kinderen, en wandelt in de liefde, zoo als ook Christus ons heeft bemind en voor ons zich zei ven heeft gegeven als een zoen- en slachtoffer Gode tot aangenamen geur. Onkuischheid echter en alle onzuiverheid of gierigheid worde onder u zelfs niet genoemd, gelijk het heiligen betaamt; noch oneerbaarheid, noch dwaze praat, noch boerterij, die niet past, maar veeleer dankzegging. Want weet dit wel, cn beseft het dat iedere onkuische of onzuivere of gierigaard, hetwelk afgodendienst is, geen erfdeel heeft in het rijk van Christus en van God. Niemand misleide u door ijdele woorden, want om deze komt de gramschap Gods over de kinderen des ongeloofs. Wilt derhalve hunne deelgenooten niet worden. Want gij waart eertijds duisternis, nu evenwel licht in den Heer. Wandelt als kinderen des lichts, want de vrucht des lichts is in alle goedheid en rechtvaardigheid en waarheid.

Evangelie volgens den II. Lucas XI : 14 — 28.

In dien tijd dreef Jesus een duivel uit en deze was stom. En toen Hij den duivel had uitgedreven, sprak de stomme en de scharen waren verwonderd. Maar eenigen van hen zeiden: door Beëlzebub, den vorst der duivelen, werpt Hij de duivelen uit. En anderen, Hem beproevende, vroegen van Hem een teeken uit den hemel. Hij nu, als Hij hunne gedachten zag, zeide tot hen: Ieder rijk tegen zich zeiven verdeeld, zal verwoest worden, en het eene huis zal op het andere nedervallen. Zoo nu ook de Satan tegen zich zeiven verdeeld is, hoe zal zijn rijk bestaan? Wijl gij

-ocr page 75-

71

zegt dat Ik door Beëlzebub de duivelen uitdrijf. Doch indien Ik door Beëlzebub de duivelen uitdrijf, door wien drijven uwe kinderen hen uit? Daarom zullen zij zeiven uwe rechters zijn. Maar indien Ik door den vinger Gods de duivelen uitdrijf, dan is voorwaar het rijk Gods tot u gekomen. Als een sterke gewapend zijn hof bewaakt, dan is hetgeen hij bezit, in rust. Maar indien een sterkere dan hij hem overvalt en verwint, zal deze hem al zijne wapenen, waarop hij betrouwde ontnemen en zijn buit verdeelen. Die niet met Mij is, is tegen Mij, en die niet met Mij vergadert, verstrooit. Wanneer de onzuivere geest van den mensch is uitgegaan, zwerft hij door waterloóze plaatsen, zoekende naar rust en die niet vindende, zegt hij: Ik zal wederkeeren naar mijn huis, van waar ik ben uitgegaan. En wanneer hij daar komt, vindt hij hetzelve schoon geveegd en versierd. Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, boozer dan hij, en binnengaande wonen zij daar. En het laatste van dien mensch wordt erger dan het eerste. Het gebeurde nu, terwijl Hij dit zeide, dat zekere vrouw uit de schare hare stem verheffende tot Hem zeide: Zalig de schoot, die U heeft gedragen en de borsten, die Gij gezogen hebt. Doch Hij zeide: Ja, zalig zij, die het woord Gods hooren en het bewaren.

-ocr page 76-

Vierde Zondag van de Vasten.

VOORTEEFFELIJKHEID VAN HET RIJK DER GENADE ONZES VERLOSSERS, DE H. KERK.

Les uit den Brief van den H. Paulus aan de Galaten IV : 22—31.

Dc aartsvader Abraham bezat twoo zonen. Ismaël, de eerstgeborene, was de zoon van Abraham's dienstmaagd Agar; en Isaac was de zoon van Sara, zijne huisvrouw. De zoon der dienstmaagd was volgens do natuur geboren, maar de zoon der vrije vrouw uit kracht van de goddelijke belofte aan Abraham toegezegd. Deze twee zonen waren eene voorzeggende afbeelding van het tweevoudig verbond, dat God met het menschdom heeft gesloten; de Oude en de Nieuwe Wet. De Oude Verbondswet op den berg Sinaï gegeven, is afgebeeld in Ismaël, den zooh der dienstbare vrouw. Hij en zijne moeder waren tot dienstbaarheid gedoemd, gelijk het jodendom eene dienstbare onderworpen-beid betoonde aan de Mozaïsche wet, welke als een slavenjuk ter nederdrukte wijl de vloek der erfzonde door Christus nog niet was weggenomen. Het Oude-Verbond bezat eene wet van vreeze. Groot was de afstand tusschen haar en de wet der liefde. Sinaï is een berg in Arabië, ver verwijderd van het beloofde land. Do wet, die daar werd gegeven komt overeen met do wet, die nu nog, ten tijde van don H. Paulus, in Jerusalem wordt onderhouden, ofschoon zij dooide komst van Christus reeds heeft opgehouden te bestaan. Het Jerusalem, dat boven is, de Kerk van Jesus. nu nog strijdende, eens volkomen in den hemel zegepralende, die Kerk op Pinksterdag in Jerusalem gesticht, is vrij. Want de vloek der wet is door denzoen-dood van het Lam Gods weggenomen en bijgevolg de Oude-Wet, die onder die zondevloek bestond, voor altijd opgeheven. Het Jerusalem van weleer was dienstbaar in vreeze; maar het Jerusalem van heden

-ocr page 77-

is vrjj in kindorlijke liefde. Zij is onze Moeder, de Kerk van Jesus, in het Oude-Verbond beloofd en afgebeeld. Juich en jubel, o Moeder, zoo riep in voorspellenden geest de profeet Isaïas haar toe; want al kent gy de moedersmart niet, gij. Heilige Moeder zijt vrij van do smarten der Oude-Wet, verheug en verblijd u, want gij hebt den geheelen rijkdom van Gods goedheid en beloftevervulling. Gij, o Heilige Koomsche Kerk, hebt de Oude Wet zoo grootelijks overtroffen dat er na u geen hoogere wet, geen volmaakter verbond bestaanbaar is. Gelijk Ismaël en zijne moeder uit het vaderhuis werden weggedreven, zoo hebt gij de Oude-Wet, de Joodsche godsdienst weggezonden. Juich en jubel, want het aantal uwer kinderen is grooter, dan dat der Oude-Wet. Velen zijn de kinderen der eenige; alle volkeren der aarde zijn u toegewezen. De Joodsche godsdienst was de godsdienst van één volk, maar Gij zijt de Katholieke, de Algemeene Wereld-Kerk.

Wij nu, mijne Broeders, zegt de Apostel, zijn als Isaac kinderen der belofte, kinderen der H. Kerk. Gelijk Ismaël zijn broeder vervolgde , zoo worden wij vervolgd door de Joden en door de vijanden van God. Maar Ismaël en zijne moeder werden op Gods bevel uit gestooten; zoo zal ook een zelfde lot ouzo vervolgers treffen en heeft het Jodendom reeds getroffen. Dat do strijd tegen de vijanden van den godsdienst u niet ontstelle, maar juicht en verblijdt u kinderen te zijn der vrije vrouw, de Kerk. De Scheppende Hand, die met vijf brooden en twee visschen meer dan vijf-duizend menschen voedde, die zelfde Hand bracht uit de Oude-Wet de Nieuwe-Wet te voorschijn. Het Oude-Verbond, klein en nietig, schaduw en afbeelding van hetgeen komen moest, schonk het leven aan eene Kerk, die alle volken en tijden en plaatsen omvat. Zij, de vrije vrouw brengt hare kinderen uit een zondig, steeds verouderend loven tot eene heilige, eeuwige onsterfelijkheid. De genade van Jesus smartvol lijden aan zijne Bruid, de Kerk, toebetrouwd, zal in de harten der christenen, het koningschap der zonde vernietigen en hen tot de volle viijheid der kinderen Gods verheffen.

-ocr page 78-

74

EPISTEL.

Broeders; er staat geschreven dat Abraham twee zonen heeft gehad; een van de dienstmaagd en een van de vrije vrouw. Doch die van de dienstmaagd is volgens het vleesch geboren , maar die van de vrije vrouw krachtens de belofte. Dat is op zinnebeeldige wijze gezegd. Want dezen zijn twee testamenten. Het eene namenlijk op den berg Sina ter slavernij barende en dat is Agar: — want Sina is een berg in Arabië, welke overeenkomt met het Jerusalem, dat nu is, — en zij dient met hare kinderen. Het Jerusalem echter, dat boven is, is vrij, en deze is onze Moeder. Want er staat geschreven: Juich, onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, gij, die den barensnood niet kent, want velen zijn de kinderen der eenzame, meer dan van haar, die den man heeft. Wij nu, broeders, zijn volgens Isaac, kinderen der belofte. Maar zooals toen degene, die naar het vleesch was geboren, hem vervolgde, die naar den geest was; zoo ook nu. Maar wat zegt de Schriftuur? Werp uit de dienstmaagd en haar zoon, want de zoon der dienstmaagd zal geen erfgenaam zijn met den zoon der vrije vrouw. Derhalve, Broeders, zijn wij geen zonen der dienstmaagd maar der vrije vrouw; met welke vrijheid Christus ons heeft vrijgemaakt.

Evangelie volgens den II. Joannes VI : 1-15.

In dien tijd vertrok Jesus over de zee van Galilea, dat is van Tiberias, en Hem volgde eene groote schaar omdat zij de teekenen zagen, welke Hij aan de kranken deed. Jesns ging dan op den berg en zat daar neder met zijne leerlingen. En Paschen, het feest der Joden, was zeer nabij. Als Jesus dan zijne oogen had opgeslagen en zag dat er eene zeer- groote menigte tot Hem kwam, zeide Hij tot Philippus: Van waar zullen wij brooden koopen opdat dezen eten? Doch Hij zeide dit om hem te beproeven , want Hij zelf wist wat Hij zou doen. Philippus antwoordde

-ocr page 79-

Hem: Voor twee honderd tienlingen aan broeden is hun niet genoegzaam, opdat een ieder een weinig ontvange. Een zijner leerlingen, Andreas, de broeder van Simon Petrus zeide tot Hem: Hier is een jongen, die vijf gerstebrooden heeft en twee visschen, doch wat is dat onder zoo velen? Jesus zeide dan: Doet de menschen nederzitten. Er was nu veel gras op die plaats. De mannen zaten dan neder, omtrent vijf duizend in getal. Jesus nam nu de broeden, en nadat Hij dank gezegd had, verdeelde Hij ze aan de nederzittenden, insgelijks ook van de visschen, zooveel zij wilden. En als zij verzadigd waren , zeide Hij tot zijne leerlingen : Verzamelt de overgeschoten brokken, opdat zij niet verloren gaan. Zij verzamelden dan en vulden twaalf manden met brokken van de vijf gerstebrooden, welke hun, die gegeten hadden , waren overig gebleven. Toen die menschen dan het wonder gezien hadden, hetwelk Jesus gedaan had, zeiden zij; Deze is waarlijk de Profeet , die in de wereld komen moet. Daar Jesus nu wist, dat zij komen zouden om Hem te nemen en koning te maken, vluchtte Hij weder alleen op den berg.

-ocr page 80-

Passie-Zondag.

GENADEVOLLE RIJKDOM VAN JESUS' ZOENDOOD.

Les uit den Brief van den li. Paulus aan de Hebreeën IX; 11 — 15.

De verhevenheid van het Gods-rijk der genade wordt door eene vergelijking met het Godsrijk voor de komst van Christus verheerlijkt. Do Oude Wet was in zich zelve heilig en waardig, zijnde eene voorbereiding tot het Nieuwe verbond; maar in vergelijking met den Hoogepriester Jesus Christus, in vergelijking met het tabernakel, dat Hy eens is ingegaan, in vergelijking met het Offer, dat Hij opdroeg, slechts schaduw en beeld. Christus verscheen in zijne God-menschelijke natuur op aarde. Hij was de Hoogepriester, die niet door offers van stieren en schapen, maar door zijn eigen offerdood bewerkte dat de geloovigen do toekomstige goederen der Kerk konden verkrijgen. Op den dag zijner hemelvaart is Hij het hemelsch tabernakel, den hemel, ingegaan, gelijk de joodsche hoogepriester telken jare eens het aardsche met menschen-handen gemaakte tabernakel binnen ging. De joodsche hoogepriester droeg, voor dat hij het tabernakel inging zijn offer op, zoo heeft de Goddelijke Opperpriester ook eerst zijn offer op Calvarië opgedragen. En dat offer had zulk eene kracht dat toen Jesus in het Heilige der Heiligen verscheen, toen Hij op de troon der Godheid aan 's Vaders rechterhand zitting nam, eene eeuwige verlossing voor de wereld was uitgewerkt. De Kerk van Christus, de deur des hemels, is voor alle menschen geopend. Het bloed van de ontelbare offers der Oude-Wet had nie-: zooveel kracht als het ééne Offer van Jesus Christus. Zelfs de kracht die de offers der Oude-Wet bezaten had haren oorsprong uit dat ééne Goddelijke Offer. Hoeveel meerder kracht moet het Bloed van Christus niet hebben dan het bloed van lammeren en

-ocr page 81-

77

offerdieren! Wat heil is hem dan niet bereid, aan wien de genadekracht van dat Goddelijk Bloed in alle volheid wordt meegedeeld, Christus, het Lam Gods, die niet door een aardschen hoogepriester maar door den H. Geest zich aan God den Vader heeft opgedragen! heeft de christenen verlost van de zondige werken en door zijn leven, hun een nieuw leven geschonken. Do H. Geest daalde op den dag der Blijde Boodschap neder in de schoot eener Onbevlekte Maagd. In haar werd een Offerlam van oneindige verzoening aan de wereld bereid. Door den dood van dat Lam werd het Nieuwe-Verbond als een Nieuw-Testament van God met den mensch gesloten. Zoolang de erflater leeft, blijft een testament gesloten. En zoo heeft de Oneindige Ontferming toen eerst de vloek, die onder het Oude-Verbond op de wereld rustte, de zonde van Adam weggenomen, toen Christus aan het kruis stierf. Toen werd het tweede, het Nieuwe-Testament, do Eoomsch-Katholieke Kerk, de ingang tot het rijk des hemels geopend.

In het Evangelie vertoont zich Christus als het begin, het midden, en het einde der wereld-geschiedenis. „Eer Abraham werd, ben Ik.quot; Op den drempel van het Nieuwe Verbond, op den avond der Oude-Wet veropenbaart Hij zich als het Vlekkelooze Lam, dat alle zonden wegneemt. „Wie uwer zal mij van zonde overtuigen?quot; Hij is de Volmaker aller dingen: „Wie mijn woord onderhoudt, zal den dood niet zien.quot; Dat de christenen het Verbond, hetwelk Jesus Christus is komen sluiten, van hunnen kant bekrachtigen. Een verbond, een testament is altijd tweezijdig. Christus komt tot hen, gelijk Hij in het Evangelie tot allen, zelfs tot zijne vijanden, nadert. Dat zij geen steenen opnemen, dat zij door de doodzonde Hem niet verdrijven uit den tempel hunner harten. Voor hoe menigen christen is de genadekracht van Jesus' Kruis met een dichten sluier bedekt!

E P I S T E L.

Broeders; Christus gekomen zijnde als Hoogepriester der toekomstige goederen is door het grooter en volmaakter tabernakel, niet met handen gemaakt , dat is niet van deze schepping, noch door het bloed van bokken of kalveren, maar door zijn eigen

-ocr page 82-

78

bloed, eenmaal Ingegaan in het Heiligdom, na eene eeuwige verlossing verworven te hebben. Want, indien het bloed van bokken en stieren en de besprengeling met de asch van eene vaars de onreinen heiligt ter zuivering des vleesches, hoe veel meer zal het bloed van Christus, die door den H. Geest zich zeiven onbevlekt aan God heeft opgedragen, ons geweten zuiveren van doode werken om den levenden God te dienen ? En derhalve is Hij de Middelaar van het Nieuwe-Verbond, opdat door tusschenkomst van zijn dood ter verzoening der overtredingen, welke onder het eerste verbond bestonden, zij, die geroepen zijn, de belofte der eeuwige erfenis ontvangen in Christus, onzen Heer.

Evangelie volgens den II. Joannes VTII : 46 — 59.

In dien tijd zeide Jesus aan de scharen der Joden: Wie van u zal Mij van zonde overtuigen? Indien Ik u de waarheid zeg, waarom gelooft gij Mij niet? Die uit God is, hoort Gods woorden. Daarom hoort gij niet, omdat gij uit God niet zijt. De Joden antwoordden dan en zeiden tot Hem; Zeggen wij niet terecht, dat gij een Samaritaan zijt en een duivel in hebt? Jesus antwoordde: Ik heb geen duivel in, maar Ik eer Mijn Vader en gij onteert Mij. Doch Ik, Ik zoek Mijne glorie niet, daar is er een, die haar zoekt en oordeelt. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, zoo iemand Mijn woord onderhoudt , hij zal den dood niet zien in eeuwigheid. De Joden zeiden dan: Nu weten wij, dat Gij een duivel in hebt; Abraham is gestorven en de Profeten en Gij zegt: Zoo iemand mijn woord onderhoudt, hij zal den dood niet smaken in eeuwigheid. Zijt Gij grooter dan onze Vader Abraham, die gestorven is ? Ook de Profeten zijn gestorven. Wien maakt Gij üzelven? Jesus antwoordde: Zoo Ik Mijzelven verheerlijk, is Mijne glorie niets. Mijn Vader is het, die Mij verheerlijkt, van Wien gij zegt dat Hij uw God is; doch gij kent Hem niet; maar Ik ken Hem, en zoo Ik zeide, dat Ik Hem niet

-ocr page 83-

79

ken, zou Ik aan u gelijk zijn, een leugenaar. Maar Ik ken Hem en onderhoud zijn woord. Abraham, uw vader, is van vreugde opgesprongen dat hij Mijn dag zou zien. Hij heeft hem gezien en is verblijd geworden. De Joden dan zeiden tot Hem: Gij zijt nog geen vijftig jaren oud en hebt Abraham gezien? Jesuszeide tot hen: Voorwaar, voorwaar. Ik zeg u, eer Abraham werd, ben Ik. Zij namen dan steenen op om op Hem te werpen, maar Jesus verborg zich en ging uit den tempel.

-ocr page 84-

Palm-Zondag-

HET WERK DER VERLOSSING, TOONBEELD EN VOORBEELD VOOR ALLE CHRISTENEN IN HET MEDEWERKEN MET DE GENADE.

Les uit den Brief van den H. Puulus aan de Philippensen H: 5-11.

Do reeks der Epistelen over 's menschen medewerking met dc genade wordt besloten met het verhaal, hoe Jesus Christus den palm der overwinning heeft behaald. Naar Christus streven hier op aarde aller strijd en lijden en in den hemel aller overwinning en kroon. Die gezindheid, zegt de Apostel, welke is in Jesus Christus beziele alle geloovigen. Zij is eene gezindheid van nederigheid en gehoorzaamheid. De Zoon van God, die als het persoonlijk evenbeeld en het afdruksel van 's Vaders Wezen is, en het zich niet als eene roof toeeigende Gode gelijk te zijn, zooals de eerste mensch in den waanzin zijner hoo-vaardigheid dorst te beproeven en zich door zijne ongehoorzaamheid den dood toebracht, Hij, de Eeuwige God, heeft zijne Oneindige Majesteit bedekt door de menschelijke natuur aan te nemen en een dienstknecht te worden van het werk der Verlossing. Zij no gehoorzaamheid schonk den geloovigen het leven. Hij nam eene natuur aan, in alles, dat der zonde niet is, aan de onze gelijk. En niet genoeg, Hij stelde zich, mensch geworden zijnde, onder alle menschen; gehoorzaam tot den dood des Kruises. Hij stierf als de grootste van alle booswichten. Van den Allerhoogste werd Hij als de Alleilaagste. Maai daarom heeft God Hem verheven, Hem eene belooning zonder wederga geschonken. Jesus Christus is in zijne God-menschelijke natuur zoo hoog verheven, dat voor zijn naam alle knieën zich buigen in den hemel, op aarde en onder de aarde. Allo schepselen, gedwongen of

-ocr page 85-

81

vrijwillig zullen hem verlieerl\jken; dezen in zijne Goedheid, genen in zyne Gerechtigheid. Ja, al wat spreken kan, belijdt; de Heer Tesus is in de heerlijkheid zyns Vaders!

De Kerk draagt vandaag in zegevierenden optocht den palmtak, het zinnebeeld van des Heeren glorievolle overwinning, maar tevens gedenkt z;j in deszelfs wijding hoe moeitevol die palm der verwinning werd verdiend. De Palm-Zondag geeft in ceremonie wat de Epistel met goddelijke woorden verkondigt.

EPISTEL.

Broeders ; hebt immers die gezindheid in u, welke ook was in Christus Jesus, die, daar Hij in Gods gedaante was, het geen roof heeft geacht aan God gelijk te zijn, maar zich zeiven heeft ontledigd, de gedaante van een dienstknecht aannemende, geworden in gelijkenis der menschen, en in uiterlijk bevonden als mensch. Hij heeft zich zeiven vernederd, gehoorzaam geworden tot den dood, ja tot den dood des kruises. Daarom heeft ook God Hem verheven en Hem een naam gegeven, die is boven allen naam , (Hier wordt geknield) opdat in den naam van Jesus alle knie zich buige van die in den hemel, die op de aarde en die onder de aarde zijn, en iedere tong belijde dat de Heere Jesus Christus is in de glorie van God den Vader.

Het Evangelie behelst:

HET LIJDEN ONZES HEEREN JESUS-CHRISTUS volgens den H. Mattheus : in het XXVI en XXVIIste hoofdstak.

C

-ocr page 86-

Hoogfeest van 's Heeren Verrijzenis.

HET FEESTBROOD VAN PASCHEN.

Les uit den Eersten Brief van den H. Pan lus aan de Korinthiè'rs V : 7 —8.

Hot brood, dat Israël eertijds in haastige vlucht, ongedeesemd uit het Egypteland medenam en tijdens de dagen van het eerste Paschen, zijn uittocht uit de slavernij van Pharaö, in dankbare vreugde nuttigde, dat brood werd tot eene altijd blijvende inzetting op Gods bevel verordend. Gedurende eene tijdruimte van. honderden jaren, aten de kinderen Israels ongedeesemd brood, wanneer het Hooggetij de van Pasohen aanbrak. Want zoo had God gedreigd: al wie gedurende het Paschen iets gedeesemds zal eeten, diens ziel zal worden uitgeroeid. Ook in het volmaakte Paschen, do uittocht uit de slavernij des duivels wordt een ongedeesemd brood gebroken en genuttigd. Niet in den zin van de letter der wet maar in de verwezenlijking van hetgeen werd voorafgebeeld. Iedere christen, die dat brood gedurende het Paaschfeest niet nuttigt, zal worden uitgeroeid: bij zyn leven wordt hij van den toegang tot de kerk geweerd en na den dood zal zijne assche niet worden nedergelegd in de gewijde aarde. Dat ongedeesemde Paasch-brood van het Nieuwe-Verbond is het Lichaam onzes Heeren Jesus Christus onder den schijn van ongedeesemd brood in het Heilig Sakrament tegenwoordig. Met dat Brood wordt iedere christen uit-genoodigd feest te vieren. Doch voordat de mensch van dit Brood ete, zorge en bevlijtige hij zich om zelf' een nieuw beslag te zijn. Zuivert u van het oude zuurdeeg der zonde, roept de Apostel tot iederen christen. Zuivert u , voordat gij het Feestbrood van Paschen nuttigt. Niet zooals eertijds de Joden met de meeste nauwgezetheid zich van alle zuurdeeg zuiverden, hunne huizen doorzochten en reinigden opdat niet iets gedeesemds in dezelven overig bleef, maar het zinne-

-ocr page 87-

83

beeldig zuurdeeg der zonde, der kwade gewoonte, der naaste gelegen -heid tot zondigen, dat bederfelijke zuurdeeg moet de christen uit zijn huis, uit zijne omgeving, uit zijn hart wegnemen, als hij nader treedt om het Paasch-Lam Jesus Christus in de H. Communie te ontvangen, Dat de christenen aldus feest vieren: hunne doortocht uit de slavernij des duivels is heden in Christus Verrijzenis voltrokken.

EPISTEL.

Broeders; Zuivert het oude zuurdeeg uit, opdat gij een nieuw beslag moogt zijn, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ons Paasch-lam is geslacht: Christus. Laten wij dan feestmaal vieren, niet met het oude zuurdeeg, noch met het zuurdeeg van boosheid en ondeugd, maar met ongezuurde brooden van oprechtheid en waarheid.

Evangelie volgens den H. Marcus XVI : 1—7.

In dien tijd kochten Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jacobus, en Salome specerijen om Jesus te komen balsemen. En zeer vroeg, op den eersten dag der week, kwamen zij aan het graf, toen de zon reeds was opgegaan. En zij zeiden tot elkander: Wie zal ons den steen van de opening des grafs afwentelen? En opziende zagen zij den steen afgewenteld. Deze nu was zeer groot. En het graf intredende zagen zij een jongeling ter rechter zitten, bekleed met een lang witkleed en zij ontstelden. Doch hij zeide tot haar, weest niet verschrikt; gij zoekt Jesus van Nazareth, den gekruisigde; Hij is verrezen, Hij is hier niet. Ziet de plaats, waar zij Hem gelegd hebben. Maar gaat, zegt aan zijne leerlingen en aan Petrus dat Hij u voorgaat naar Galilea; daar zult gij Hem zien, gelijk Hij u gezegd heeft.

-ocr page 88-

Tweede Paasclidag.

ALGEMEENE VREUGDE VAN HET PASCHEN DES NIEUWEN-VERBONDS.

Les uit de Kandelingen der Apostelen X : 37 — 43.

De eerste prediking van den H. Petrus aan de heidenen verkondigt de algemeene vreugde van het Paaschfeest der Nieuwe-Wet. Het Paaschfeest der Joden was uitsluitend een feest voor Israël, waaraan de overige volkeren geen deel hadden, maar het Nieuwe Paasch-Lam Jesus Christus zendt zijne genade over geheel de wereld, brengt zijn heil en vrede aan alle menschen. Niemand is van de deelname aan dat Paasch-Lam uitgesloten. De eerste Paus, de H. Petrus ontving in een wonderbaar visioen van God den last om de Paaschvreugde aan alle volkeren en natieën te verkonden. Hij spreekt: Mannen, Broeders ; Gij kent het woord, dat door geheel Judea, na den doop, dien Joannes predikte, is verbreid.quot; Dat woord was de stem van God den Vader, die der geheele wereld toeriep: „Deze is mijn welbeminde Zoon, hoort naar Hem!quot; Dat woord was de stem van den H. Joannes, die aan de boorden van de Jordaan het Lam Gods, ons Paasch-Lam. heeft aangetoond als het zoenoffer der wereld. Dat woord was do prediking van Jesus Christus, wiens menschelijke natuur vereenigd met de Godheid, vereenigd met de kracht des Vaders en de genadewerking des H. Geestes, al weldoende in wonderwerk rondging. De H. Petrus als de voornaamste en de hoogste der door God bevoorrechte getuigen, die zelf gezien en gehoord heeft, wat Hij getuigt, spreekt tot alle volkeren zooals de Verrezen Heiland zelf zijne leerlingen op den weg naar Emmaus toesprak. Al de heilige Schriften worden geopend. Het leven, de dood, de verrijzenis, de verheerlijking van den Messias worden in volle klaarheid aangetoond. Petrus be-

-ocr page 89-

sluit zijne rede met eene aankondiging van vergiffenis der zonde. Dc Zaligmaker besluit de zijne met het breken des Broods. Het Onzichtbaar en het Zichtbaar Opperhoofd der H. Kerk verkondigen aan allen, en aan een ieder in het bijzonder de blijde mare, die op Paasch-morgen de harten der leerlingen verblijdde, o Mochten alle christenen betuigen, wat de leerlingen gevoelden: „was het hart ons niet brandend, toen Hij op den weg tot ons sprak.quot;

E P I S T E L.

In die dagen: zeide Petrus, staande in het midden des volks: Mannen, Broeders; (jij weet het woord, wat geschied is door geheel Judea, beginnende namelijk van Galilea, na den doop, dien Joannes gepredikt heeft: hoe God Jesus van Nazareth gezalfd heeft met den H. Geest en met kracht. Hem, die rondging , al weldoende en allen genezende, die door den duivel overweldigd waren, daar God met Hem was. En wij zijn getuigen van alles, wat Hij heeft gedaan in het land der Joden en in Jerusalem, dien zij aan het hout hebben opgehangen en gedood. Dezen heeft God ten derden dage opgewekt en Hem doen verschijnen niet aan al het volk, maar aan de getuigen, die door God waren voorbeschikt, aan ons, die met Hem gegeten en gedronken hebben, nadat Hij van de dooden is verrezen. En Hij heeft ons bevolen aan het volk te prediken en te getuigen, dat Hij het is, die door God gesteld is als rechter van levenden en dooden. Hem geven alle profeten getuigenis, dat allen, die in Hem gelooven, door zijn naam vergeving van zonden ontvangen.

Evangelie volgens den H. Lucas XXIV : 13 — 35.

In dien tijd, gingen twee leerlingen van Jesus op denzelfden dag naar een vlek, hetwelk zestig stadiën van Jerusalem lag, met name Emmaüs. En zij spraken met elkander over al dat-

-ocr page 90-

8fi

gene, hetwelk gebeurd was. En het geschiedde, terwijl zij te zamen spraken en elkander ondervraagden, dat Jesus zelf nu naderde en met hen ging. Maar hunne oogen werden weerhouden opdat niet zij Hem zouden erkennen. En Hij zeide tot hen : Wat zijn het voor gesprekken, welke gij wandelende met elkander houd, en waarom zijt gij bedroefd? En de een , wiens naam was Cleophas, antwoordde, en zeide Hem: Zijt Gij alleen vreemdeling in Jerusalem en weet Gij niet wat daar dezer dagen geschied is? Hij zeide tot hen: Wat? En zij zeiden: Aangaande Jesus van Nazareth; die een Profeet was, machtig in werk en woord voor God en al het volk; en hoe onze Opperpriesters en oversten Hem ter doodstraf overgeleverd en Hem gekruisigd hebben. Doch wij hoopten dat Hij liet was, die Israël zoude verlossen, en nu, na dit alles, is het heden de derde dag, dat die dingen gebeurd zijn. Doch ook eenige vrouwen van de onzen hebben ons verschrikt, dezen waren voor den dag bij het graf geweest, en zijn lichaam niet gevonden hebbende kwamen zij zeggende: dat zij ook eene verschijning van engelen hadden gezien, die zeggen dat Hij leeft. En eenigen der onzen zijn naar het graf gegaan en hebben het zoo bevonden, gelijk de vrouwen gezegd hadden, maar Hem hebben zij niet gevonden. En Hij zeide tot hen: O, dwazen en tragen van hart om alles te gelooven wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden en alzoo in zijne glorie ingaan? En beginnende met Mozes en al de profeten verklaarde Hij hun hetgeen in alle Schriften Hem betrof. En zij naderden het vlek, waar zij heengingen en Hij hield zich alsof Hij verder wilde gaan. Eu zij dwongen Hem zeggende: Blijf met ons, want het wordt avond en de dag is reeds aan het ondergaan. Doch Hij ging met hen naar binnen. Eu het gebeurde, terwijl Hij met hen aanzat , dat Hij het brood nam, en zegende, en brak en hun overreikte. Alsdan werden hunne oogen geopend en zij kenden Hem, maar Hij verdween uit hunne oogen. En zij zeiden tot elkander:

-ocr page 91-

87

Was ons hart niet brandende in ons, terwijl Hij op den weg sprak en ons de schriften opende. En ter zelfder ure opstaande keerden zij naar Jerusalem terug en zij vonden de elf en die met hen waren vergaderd, die zeiden: de Heer is waarlijk verrezen en aan Simon verschenen. En zij verhaalden hetgeen op den weg geschied was en hoe zij Hem in het breken des broods erkend hadden.

-ocr page 92-

Beloken-Paschen.

DE T.RIUMF VAN JESUS' VERRIJZENIS.

Les uit den Eersten Brief van den H. Joannes V : 4 —9.

Op den tweeden Paaschdag 1 sprak Petrus, liet Hoofd dor Kerk, thans is liet de boezemvriend vs.n Jesus, de Apostel der liefde, die den triumf der Verrijzenis verkondigt. De maagdelijke Joannes predikt op dezen Zondag tot de geloovigen, die met het reine kleed der lieiligmakende genade zijn getooid en spreekt van de overwinning, die de wereld overwint, ons geloof. Het geloof in Hem, die door water en bloed is gekomen, die door zijn Heilig Bloed de wereld ver-lostte en door het Avater des Doopsels reinigde van zonde, dat geloof overwint de wereld. De laatste druppel van het hartebloed van Jesus stroomde tegelijk met liet water uit de zijde van den gestorven Heiland. Dat water beteekent hoe de heil kracht der Sacramenten door het smartvol lijden en sterven van den God-mensch is verdiend. Het Doopsel als deur en ingang tot de H. Kerk vertegenwoordigt door het water de stoffelijke middelen, aan welke bij de toediening der Sacramenten, do Sacra-menteele onstoffelijke genade wordt gehecht. Toen de lansstoot de laatste druppels van het H. Bloed uit het Hart van Jesus deed vloeien, toen mocht de genadebron der'Sacramenten over de wereld uitstroomen. Do Verlosser kwam tot ons door de Sacramenten zijner Kerk. In het Hart van Jesus lag hot loven der zielen. Do ziel des christens is de bruid van den Goddelijker! Adam, uit Wiens Heilige Zijdewonde zij in zijn doodsslaap werd genomen. Do Heilige Geest

-ocr page 93-

8!l

heiligde ter wille van het zoenbloed des Verlossers het water des Doopsels en de stof' der andere Sacramenten, schonk aan dezelve eene herscheppende, bovennatuurlijke kracht. Deze drie: het water, het bloed en de geest, geven getuigenis van Jesus overwinning in de harten der menschen en veropenbaren Hem op aarde, gelijk de Heilige Drieëenige God Hem openbaart in de glorie des hemels. Die ver-openbaring van Jesus' glorie op aarde neemt haren oorsprong in den hemel, alwaar de Godheid aan Jesus mensöhheid eene oneindige Majesteit mededeelt; alwaar in eeuwigheid de Hemelsche Vader zijn Zoon toespreekt: „Zit aan mijne Rechterhand.quot; Deze veropenbaring is aan alle christenen geschonken. Deze getuigenis in hemel en op aarde gegeven, is meerder dan eenige andere getuigenis en zooveel meerder als de getuigenis van God, die van een mensch overtreft. Geen zekerheid zoo groot als de zekerheid van ons geloof in den Verrezen Jesus. Dat geloof beschaamt al de wetenschap der wereld. De geloovigen, met het kleed des Doopsels getooid, geven op dezen dag Gods getuigenis aangaande den triomf van den Verrezen Jesus en iedere geloo-vige, die volgens zijn geloof leeft, draagt die getuigenis altijd in zich.

Overwinning en vrede zijn met elkander steeds vereenigd. Een overwinnaar komt met do gave des vredes tot de zijnen. Derhalve zegt do Verrezen Jesus tot zijne Apostelen : „Vrede zij uquot;; toont hun do vijf Heilige Wonden, die Hij in den stryd der overwinning heeft ontvangen en stelt een Sacrament in, dat door de Kerkvaders wordt genoemd: een tweede Doopsel, eene redplank in de tweede schipbreuk, eene bron van troost en vrede. Hij zegepraalt door de kracht des geloofs in zijn ongeloovigen Apostel.

E P I S T E L.

quot;Welbeminden; al wat uit God is geboren, overwint de wereld; en dit is de overwinning, welke de wereld overwint, ons geloof. Wie is hij, die de wereld overwint, tenzij die gelooft dat Jesus de Zoon van God is? Deze, Jesus Christus is degene, die gekomen is door water en bloed, niet door het water alleen, maar

-ocr page 94-

00

door het water en het bloed. En het is de Geest, die getuigt dat Christus de waarheid is. Want drie zijn er, die getuigenis geven in den hemel: de Vader, het Woord en de Heiligen Geest, en deze drie zijn één. En drie zijn er, die getuigenis geven op aarde: de Geest en het water en het bloed, en deze drie zijn één. Zoo wij de getuigenis der menschen aannemen, de getuigenis van God is meerder. Want dit is de getuigenis van God, welke meerder is dat Hij aangaande zijn Zoon getuigd heeft. Die in den Zoon van God gelooft, heeft Gods getuigenis in zich.

Evangelie volgens den II. Joannes XX : 19 — 31.

In dien tijd, toen het avond op dien dag was, den eersten dag der week, en de deuren, waar de leerlingen vergaderd waren uit vrees voor de Joden waren gesloten, kwam Jesus en stond in het midden en zeide tot hen: Vrede zij u. En toen Hij dit gezegd had, toonde Hij hun zijne handen en zijde. De leerlingen dan waren verblijd, toen zij den Heer zagen. Hij zeide hun dan andermaal: Vrede zij u. Gelijk de Vader Mij gezonden heeft zoo zend ook Ik u. Als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen en zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest; wier zonden gij vergeven zult, dien worden zij vergeven, en wier zonden gij houden zult, die zijn gehouden. Doch Thomas, een der twaalf, die Didymus genoemd wordt, was niet met hen, toen Jesus kwam. De andere «leerlingen zeiden hem dan: Wij hebben den Heer gezien. Maar hij zeide tot hen: Tenzij ik in Zijne handen het merkteeken der nagelen zie en mijn vinger steke in de plaats der nagelen cn mijne hand in zijne zijde legge, zal ik niet gelooven. En na acht dagen waren Zijne leerlingen wederom binnen en Thomas met hen. Jesus kwam, terwijl de deuren gesloten waren, en stond in het midden en zeide: Vrede zij u. Daarna zegt Hij tot Thomas: Steek uw vinger hierin en bezie mijne handen en breng uwe hand vooruit en leg ze in mijne zijde en wil niet ongeloovig zijn maar

-ocr page 95-

01

geloovig. Thomas antwoordde en zeide Hem: mijn Heer en mijn God! Jesus zeide hem: Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, hebt gij geloofd; zalig, die niet gezien en geloofd hebben. Nog vele en andere teekenen heeft Jesus voor de oogen zijner leerlingen gedaan, die in dit boek niet staan geschreven; maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooven moogt dat Jesus is de Christus, de Zoon Gods, en opdat gij, geloovende, het leven moogt hebben in zijn naam.

-ocr page 96-

Tweede Zondag na Paschen.

DE GOEDE HEKDEK

Los uit den Eersten Brief van den H. Apostel Petrus II : 21 — 25.

De Goede Herder Jesus Christus heeft zijn leven gegeven voor Zijne schapen en de geloovigen moeten wederkeerig hun leven opofferen aan den Zaligmaker. Hij gaf' in zijn lijden en sterven een voorbeeld, cpdat Zijne schaapjes het voetspoor van hun Herder zouden volgen. De Goede Herder kent zijne schapen en de schapen kennen den Goeden Herder. Zij kennen Hem als dengenen, die nooit eenige zonde heeft bedreven, in wiens mond geen bedrog werd gevonden. De verbitterste vijanden konden den Zaligmaker van geen kwaad overtuigen. Hij werd gelasterd en gehoond, uitgekreten als een wijndrinker , als een Samaritaan, als een van den duivel bezetene, als een twistzoeker, als een sabbath-schender, als een oproermaker, als een godslasteraar, als een vijand van den Keizer; maar Hij lasterde en hoonde niet weder. De Onschuldige stierf om de schuldigen van den eeuwigen dood te verlossen. Zijn lichaam door geeselslagen verscheurd, boette op het hout des kruises de zondestraf der wereld. De christenen kennen en volgen den Zaligmaker. Eertijds waren zij als dwalende schapen. Zij hadden het kruis, de Herdersstaf des Verlossers nog niet erkend; maar nu, in den heiligen Paaschtijd, nu zijn zij gekeerd tot den Herder hunner zielen, den Bisschop aller bisschoppen. Jesus kent hen, en zij kennen Jesus. Rusteloos dwaalt het arme mensehenhart totdat hot zijne rust vindt in God.

E P I S T E L.

Welbeminden; Christus heeft voor ons geleden, u een voorbeeld nalatende opdat gij zijne voetstappen zoudt volgen. Hij, die geen

-ocr page 97-

93

zonde heeft gedaan, en in wiens mond geen bedrog is gevonden; die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, als Hij leed, niet dreigde, maar zich overgaf aan dengene, die Hem onrechtvaardig oordeelde; die onze zonden zelf in zijn lichaam op het hout heeft gedragen, opdat wij voor de zonden gestorven, voor de gerechtigheid zouden leven; door wiens striemen gij genezen zijt. Want gij waart als dwalende schapen, maar nu zijt gij bekeerd tot den Herder en Opziener uwe zielen.

Evangelie volgens den H. Joannes X ; 11 — 16.

In dien tijd sprak Jesus tot de Parizeen: Ik ben de goede Herder. De goede Herder geeft zijn leven voor zijne schapen. Maar de huurlingen die geen herder is, wiens eigene schapen het niet zijn, ziet den wolf komen en verlaat de schapen en vlucht; en de wolt rooft en verstrooit de schapen. De huurling nu vlucht, omdat hij een huurling is, en de schapen hem niet ter harte gaan. Ik ben de goede Herder; en Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, gelijk de Vader Mij kent en Ik den Vader ken; en Ik geef mijn leven voor mijne schapen. Nog andere schapen heb Ik, die niet van dezen schaapstal zijn; ook dezen moet Ik herwaarts brengen, en zij zullen mijne stem hooren, en het zal ééne kudde en één herder worden.

f

*

-ocr page 98-

Derde Zondag na Paschen

DE SCHAAPJES VAN DEN GOEDEN HERDER.

Lea uit den Eersten Brief van den H. Apostel Petrus II: 11 — 19.

De volgorde van het woord Gods, naar dat het in de Epistels wordt gelezen is somtijds tegenovergesteld aan de plaatsordening der heilige Schriftuur. Zoo is de voorgaande Epistel een vervolg van deze.. De woorden van den H. Geest tintelen als diamanten, die naar alle zijden hunne stralen uitschieten. Na de beeltenis van den Goeden Herder geeft de heilige Epistel een tafereel van de trouwe schaapjes. Als eene vreedzame kudde, die langs heilzame weiden huiswaarts gaat, zoo zijn de geloovigen onder de hoede van den God-delijken Herder in de weide der Kerk. Onder zijn Herdersstaf gaan zij hemelwaarts. De H. Petrus smeekt de geloovigen dat zij, als reizigers en vreemdelingen zich gedragen, zich niet verlustigende aan de valsche geneugten, aan de zondige begeerten, aan het voedsel, dat huiten de weide des Verlossers, buiten de Kerk wordt aangeboden. Zij, die niet van Jesus schaapstal zijn, moeten hen als volgelingen van den Heiligen Zaligmaker aan hun goede werken erkennen en daardoor ook hun God en Schepper erkennen en verheerlijken, op den dag, dat de Herder hen zal bezoeken met zijne overvloedige genade, hen roepen tot den eenen schaapstal. De geloovigen zijn het zout der aarde; het licht der wereld. Hun heilig leven is een hulpmiddel, waarvan de genade zich bedient ter zaliging, alhoewel zij, even als het Lam Gods worden vervolgd, belasterd en ter dood gebracht. De vijanden des Verlossers zagen zich op Calvarië gedwongen uit te roepen ; Christus is de Zoon van God. Zoo zullen de vervolgers der christenen, ondanks zichzelven getuigen: dezen zijn kinderen Gods. Willen de geloovigen in de hand van God het werktuig zijn tot bekeering der wereld, dan moeten zij

-ocr page 99-

95

zich vervuld van eerbied en gehoorzaamheid betoenen aan alle gestelde machten. Zij koesteren eene oprechte, broederlijke liefde jegens elkander. Zij immers zijn kinderen van één Vader, schapen van één Herder. Ja, het is de wil van G-od dat zij door hun voorbeeldig leven de onwetendheid der booze menschen beschamen. Tot onderrichting zijner geloovigen, noemt de H. Petrus, in navolging van den stervenden Heiland, de vijandige bedrijven der zondaren eene onwetendheid. Naar het voorbeeld van den Zaligmaker moeten de geloovigen gehoorzamen aan iedere gestelde macht. Hetzij verre dat de roeping-tot het Christendom, dat de vrijheid van Christus voor hen een dekmantel zoude zijn om de rechtmatige verplichtingen der menschelijke samenleving te overschrijden. De christelijke levenswandel zal in do harten der geloovigan eene welgevalligheid, eene bekoorlijkheid uitwerken , Christus Jesus waardig.

De Zaligmaker noemt den tijd , dien Hij nog op aarde te beleven heeft, een weinig tijds. Mogen alle geloovigen spreken en denken zoo als Hij. De Zaligmaker zegt dat Hij naar zijn Vader gaat. Hetzelfde getuigt de levenswandel der braven. Zij zijn kinderen van één Vader, op reis naar het hemelsch Vaderhuis. Nu hebben zij nog wel smart en lijden, verdrukking en miskenning, want hun weg door het leven is de kruisweg van Jesus. Terwijl do wereld zich verheugt en hier haar hemel zoekt, zijn de ware geloovigen als in barensnood ten eeuwigen leven. Eens licht de dag der ware geboorte, dan zal het hart zich verheugen en do vreugde volmaakt zijn.

EPISTEL.

Welbeminden; ik smeek u als uitlandigen en als vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleeschelijke begeerlijkheden, die strijden tegen de ziel, en dat gij een deugdzamen wandel betracht onder de heidenen, opdat, terwijl zij u als kwaaddoeners belasteren, zij bij het aanschouwen uwer goede werken God mogen verheerlijken op den dag der bezoeking. Weest alzoo, ter wille Gods, onderdanig aan alle menschelijke ordening, hetzij den koning als aan den verhevenste; hetzij den bevelhebber als aan

-ocr page 100-

96

die door hem gezonden zijn, om de kwaaddoeners te straffen en de goeden te prijzen. Dit immers is de wil van God, dat gij door goed te doen, aan de onverstandige en onwetende men-schen den mond sluit; als die vrij zijt en de vrijheid niet gebruikt tot een dekmantel der boosheid, maar als dienaren Gods. Eert allen; hebt de broederschap lief; vreest God; eert den Koning! Gij dienstknechten, weest met allen eerbied onderdanig aan uwe heeren, niet alleen aan die goed en inschikkelijk maar ook aan die onmeedoogend zijn. Dit toch is welgevalligheid in Christus Jesus, onzen Heer.

Evangelie volgens den H. Joannes XVI : 16 — 22.

In dien tijd sprak Jesus tot zijne leerlingen; Een weinig tijds en gij zult Mij niet meer zien; en wederom een weinig tijds en gij zult Mij zien; want Ik ga tot den Vader. Eenigen dan van zijne leerlingen zeiden tot elkander: wat is hetgeen Hij ons zegt: een weinig tijds en gij zult Mij niet zien; en wederom een weinig tijds en gij zult Mij zien; en: want ik ga tot den Vader? Zij zeiden dan: wat is dit, hetgeen Hij zegt: een weinig tijds? quot;Wij weten niet wat Hij zegt. Jesus nu wist, dat zij Hem wilden ondervragen en Hij zeide tot hen; daarover onderzoekt gij onder elkander, dat Ik gezegd heb, een weinig tijds en gij zult Mij niet zien; en wederom een weinig tijds en gij zult Mij zien, Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: gij zult schreien en weenen, maar de wereld zal zich verheugen, gij echter zult bedroefd zijn; doch uwe droefheid zal in vreugde verkeeren. Eene vrouw, wanneer zij baart, heeft droefheid, omdat haar uur gekomen is; maar als zij liet kind gebaard heeft, denkt zij niet meer aan de smart om de vreugde, dat er een mensch tér wereld is geboren. Ook gij dan hebt nu wel droefheid; maar Ik zal u wederzien, en uw hart zal zich verheugen en niemand zal uwe vreugde u ontnemen.

-ocr page 101-

Vierde Zondag na Paschen.

DE HEILIGE GEEST IS DE LICHTBRON DES LEVENS.

Les uit den Brief van den H. Jacobus I : 17 — 21.

Al wat goed en edel is, komt van den Vader der lichten, straalt neder uit het Licht, dat lederen mensch verlicht, komende in deze wereld. Het aardscho licht is altijd nieuw, en wisselt in dag en nacht, in maan en sterrenlicht. Nu verdwijnt het; dan herryst het. Het Licht der goddelijke waarheid is steeds zichzelve gelijk. De Eeuwig-Waarachtige heeft in zich geene schaduw of wisseling. Van Hem staat geschreven: Ik hen, die ben. Het Licht van het Licht, God van God, kwam als mensch op deze aarde, opdat do christenen als nieuwe schepselen, als eerstelingen der geschapene wereld, het beeld van den nieuwen Mensch Jesus Christus in zich zouden bezitten. Wat de aardsche zon in de krachten der aarde werkt, datzelfde werkt veel meer de Zon der Gerechtigheid in do orde der bovennatuur. Dat alles weet gij, mijne welbeminde broeders, zegt de H. Jacobus. Denkt er dan aan, dat gij door steeds gretig te luisteren naar de inspraken dor genade, met alle vaardigheid uwe harten ontsluit om dat Licht te ontvangen. Deze beste aller gaven moet gij zorgvuldig in uwe zielen bewaren. Weest dan traag in het spreken met de schepselen; maar vaardig in het spreken met God, in het luisteren naar de inspraken der genade. Iemand, die veel spreekt, is een driftig, onnadenkend mensch. Een driftig mensch brengt Gods gerechtigheid niet voort, maar uit zich in vloek en lasterwoorden. De mond van den gramstorige is eene bron van zonden. De geloovigen ontdoen zich van alles, dat drift verwekt. Het aardsche goed, het onreine moge hun gemoed niet bewegen. Ieder schepsel, waaraan men zich

-ocr page 102-

98

onredelijk hecht, worde afgestooten. Het Licht, dat in het heilig Doopsel door Geloof, Hoop en Liefde in de ziel werd ingestort, schijnt slechts in liet hart van den zachtmoedige als zonneglans.

De Apostelen zijn met droefheid vervuld , daar zij van Christus moeten scheiden. Het is noodig, zegt de Zaligmaker, dat Ik van u wegga. Die droefheid der scheiding zou door de vreugdevolle komst des Heiligen Geestes worden gevolgd. Naar mate menschelijke en aardsche genegenheid uit het hart verdwijnt , vervult de Heilige Geest de ziel met zijne vertroosting.

EPISTEL.

Welbeminden; Alle beste gave en alle volmaakt geschenk is van boven en daalt neder van den Vader der lichten, bij wien geen verandering is, noch schaduw van verwisseling. Want uit vrijen wil heeft Hij ons voortgebracht door het woord dei-waarheid, opdat wij als eerstelingen zijner schepping zouden zijn. Gij weet het, mijne zeer beminde broeders! Ieder mensch zij dan vlug om te hooren, maar traag om te spreken en traag tot gramschap. Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet. Derhalve werpt af alle onreinheid en overvloed van boosheid, en neemt aan in zachtmoedigheid het ingeplante woord, dat uwe zielen kan zalig maken.

Evangelie volgens den H. Joannes XVI : 5—14.

In dien tijd sprak Jesus tot zijne leerlingen. Ik ga tot Hem, die Mij gezonden heeft, en niemand uwer vraagt Mij, waar gaat Gij heen? Maar, omdat Ik u dit gezegd heb, heeft de droefheid uw hart vervuld. Doch, Ik zeg u de waarheid; het is u dienstig dat Ik heenga; want indien Ik niet wegga, zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden. Als Hij nu gekomen is, zal Hij de wereld overtuigen van zonde en van rechtvaardigheid en van oordeel. Van zonde namelijk, omdat zij in Mij niet geloofd hebben; en van

-ocr page 103-

rechtvaardigheid, omdat Ik tot den Vader ga en gij Mij niet meer zien zult; en van oordeel, wijl de vorst dezer wereld reeds geoordeeld is.

Nog veel heb Ik u te zeggen, doch gij kimt het thans niet dragen. Maar als die Geest der waarheid gekomen is, zal Hij u alle waarheid leeren. Want Hij zal niet uit Zich zeiven, spreken , maar Hij zal spreken alwat Hij hooren zal, en hetgeen toekomstig is, zal Hij u verkonden. Hij zal Mij verheerlijken, want van het mijne zal Hij ontvangen en het u verkonden.

-ocr page 104-

Vijfde Zondag na Paschen.

HET LICHT VAN DEN H. GEEST VERDUISTERD.

Les uit den Brief van den H. Jacóbus I ; 22 — 27.

De christen, die naar het woord van God luistert, maar in zijn loven daaraan niet beantwoordt, vergeet zich zeiven jammerlijk. Het woord van God, het heilig Evangelie, wordt hem een spiegel, in welke hij de mismaaktheid zijner ziel aanschouwt. Hij ziet in dien goddelijken, zuiveren spiegel de bezoedelde schoonheid, de geestelijke misvormdheid zijns zielenlevens. Doch, verre van zich te ontstellen, gaat hij heen, vermeldt zich in aardsche bezigheden, vergeet zijn God, zich zeiven en zijne roeping ten eeuwigen leven. Hij zal meer en meer afdwalen van den weg Gods, ofschoon hij het rechte pad ten hemel voor zich ziet. Onverschillig voor het eenig noodzakelijke zal hij zijn hart niet meer verheffen tot den Vader, die hem in den naam van zijn lieven Zoon heeft leeren bidden. Hij zal sterven, wijl het gebed, do adem des levens, hem heeft begeven. De levenwekkende Zon van Gods genade is voor dien geestelijken blinde verduisterd. Zij beschijnt maar verlicht hem niet. De aardschheid van zijn lichtzinnig hart heeft het gevoel der goddelijke dingen verdoofd. Zijn ziel verhongert te midden van den geestelijken overvloed; hij kan de spijze des levens niet verdragen.

Welzalig daarentegen de christen, die de volmaakte wet der vrijheid niet alleen heeft opgenomen in zijn verstand, maar ook heeft nedergelegd in zijn hart, en doet leven in daden. De heilige wet der natuur door God in den beginne in 's menschen hart geprent, werd in latere tijden door den Vinger Gods in steenen tafelen gegrift als onuitwischbaar en duurzaam. Maar met hoeveel grooter kracht is de volmaakte wet van Jesus liefde in don waren christen bestendigd! Die wet

-ocr page 105-

101

ontheft door hare genademacht den mensch aan alle boeien der zonden en schenkt eene volmaakte vrijheid. Hot hart, do goede wil richte zich dan voortdurend naar den spiegel des Evangelie's. De christen is geen vergeetachtig hoorder, maar een beoefenaar der wet. Hij spiegele zich zoo lang hij leeft ter meerdere volmaking. Evenals de Zaligmaker moet hü bij zijne daden immer van God uitgaan en immer tot God wederkeeren. Levende in de wereld, is hij steeds als verliet hy de wereld, want zyn leven en streven is naar Christus in den hemel. Zoodanig een mensch zal in zijne daden gelukkig zijn. Hij, en hij alleen betracht in alles het eenige, alles voleindende doel, waarvoor God hem op de wereld heeft geplaatst. Het hart doet zijne tong spreken van hetgeen er in zijne ziel omgaat.

Als de christen bijgevolg meent godsdienstig te zyn, maar zich bezondigt in het spreken, dan is dit een onloochenbaar bewijs, dat zijn hart niet aan den dienst van God toebehoort. Hij bedriegt zich in zijn eigen hart. De ware godsdienstigheid openbaart zich door werken van naastenliefde en reinen levenswandel. Zij is zuiver en zonder vlek. Zuiver voor een heiligen God, is zij zonder vlek of blaam voor het oog dergenen, die zich beroemen mogen God tot Vader te hebben. Die ware kinderen van Christus Kerk zijn door de zuiverheid hunner zielen zoo innig met God vereenigd, dat zij als naar willekeur over 's Hoeren rijkdom beschikken. Alles zegt de Zaligmaker zal hun in mijn naam gegeven worden. De Vader bemint hen om de liefde met welke zij den Zoon verheerlijken.

EPISTEL.

Welbeminden; weest volbrengers van het woord, en niet slechts aanhoorders, uzelven misleidende. Want, indien iemand het woord hoort en niet volbrengt, kan hij vergeleken worden bij een man, die zijn natuurlijk voorkomen in een spiegel aanschouwt. Hij toch beschouwt zich en gaat heen; en hij is aanstonds vergeten hoedanig hij was. Maar die de volmaakte wet der vrijheid aandachtig beschouwt en daarin volhardt, zijnde geen vergeetachtig

-ocr page 106-

10-2

aanhoorder, maar een volbrenger van het werk, die zal in zijn werk zalig zijn. Maar, indien iemand meent, dat hij godsdienstig is, doch zijne tong niet beteugelt maar zijn hart misleidt, dan is zijne godsdienst ijdel. De zuivere en onbevlekte godsdienst bij God en den Vader is deze; weezen en weduwen in hun druk te bezoeken en zich zonder smet te bewaren van deze wereld.

Evangelie volgens den H. Joannes XVI : 23 — 30.

In dien tijd zeide Jesus aan zijne leerlingen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: indien gij den Vader iets in mijn naam zult vragen, zal Hij het u geven. Tot nu toe hebt gij niets gevraagd , in mijn naam; vraagt en gij zult verkrijgen, opdat uwe vreugde volmaakt zij. Deze dingen heb Ik in gelijkenissen tot u gesproken. Het uur komt, dat Ik u niet meer in gelijkenissen zal spreken, maar openlijk van den Vader u zal verkondigen. Indien dag zult gij in mijn naam vragen, en Ik zeg u niet, dat Ik den Vader voor u bidden zal, want de Vader zelf bemint u, wijl gij Mij bemind hebt en geloofd hebt, dat Ik van God ben uitgegaan. Ik ben van den Vader uitgegaan en in de wereld gekomen; Ik verlaat wederom de wereld en ga tot den Vader. Zijne leerlingen , zeiden Hem: Zie, nu spreekt Gij openlijk en zegt geene gelijkenis. Nu weten wij, dat Gij alles weet en dat Gij niet noodig hebt, dat iemand U ondervraagt; hierom gelooven wij, dat Gij van God zijt uitgegaan.

-ocr page 107-

Hoogfeest van 's Heeren Hemelvaart.

HET VERLANGEN NAAR DEN HEMEL.

Les uit de Handelingen der Apostelen 1: 1 — 1J.

Om de woonstede Gods wentelt zich de levenskring van het rijk des Heeren Jesus, die heden zijne zegevaart ten hemel neemt. Dat opgaan ten Hooge is tevens het middenpunt der geschiedenis op aarde. De H. Lucas sluit zijn Evangelie met de intrede van Christus in den hemel en opent de Handelingen der Apostelen met die verblijdende, weergalooze gebeurtenis. De openingsrede der Handelingen is de inhoud des Epistels. Het christenvolk, vertegenwoordigd door zekeren Theophi-lus, wordt met die zoetklinkende benaming van Godminnende ziel toegesproken. Allen, die Jesus liefhebben, moeten vandaag hun hart hemelwaarts verheffen. De hemel is het einde van het lijden en het begin van het verblijden. Daar ter plaatse, waar de Heiland sidderend in doodstrijd neder lag, stijgt Hij heden zegevierend ten hemel. Hij viel machteloos uitgestrekt op den bodem der aarde neder, zoo zwaar drukte op Hem liet gewicht des lijdens,-maar heden zinkt de hof der smarten aan zijne voeten weg. Hij vaart opwaarts ter hemelglorie , en naar gelang Hij zich in het ruim der hemelen opheft, verkleint de wereld zich meer en meer. Als een nietig stofje dwarrelt zij onder des Heilands voeten met haar zonden, met haar wellust, met haar dood. Het turend oog der Apostelen en leerlingen aanschouwde dat opvaren ten hemel. Zij wisten het; ook aan hen zou eenmaal eenzelfde heilrijk lot zijn toebedeeld. Als aan een feestelijken disch had diezelfde Jesus, dien zij ten hemel zagen varen, hun een vaarwel maar ook een tot weerziens toegesproken. Veertig dagen had Hij zich met zijne vrienden onderhouden, sprekende over het rijk der Kerk sprekende over het rijk der hemelen. Het laatste uur, waarin de

-ocr page 108-

lO-t

kinderen zich met den Bruidegom mochten verheugen, was reeds vervlogen en nog, nog staan zij daar den hemel aan te zien. „Heer, zult Gry in dezen tijd het rijk van Israël herstellen ?quot; Zoo hadden zij gevraagd. En ziet, de poorten van het hemelsch Sion zyn ontsloten. Met den God-Mensch mag ook de gevallen mensch, door den H. Geest herschapen, het rijk der eeuwige vreugde binnengaan. De ure dier hemelvaart is nog wel verborgen en onbekend, maar ontwijfelbaar zeker zal zij komen. Ja, de Heer Jesus zendt nog twee zijner engelen uit den hofstoet, die Hom begeleidt om andermaal zijnen geliefden een troostend wederzien toe te zeggen: Deze Jesus zal wederkeeren, zooals gij Hem hebt zien ten hemel varen. Gelijk de H. Joannes het volk doópte ter voorbereiding van Christus veropenbaring in het vleesch, zoo zullen de apostelen weinige dagen na dezen, met den H. Geest gedoopt worden in voorbereiding hunner evangelieprediking, in voorbereiding der tweede komst van Jesus als Rechter en Koning der eeuwige glorie. De hemel is voor hen slechts met eene blanke wolkenvacht bedekt. Alleen de brooze daad des levens, de voleinding der taak door Christus opgelegd wederhoudt hen nog van den toegang-des hemels. Gelukkige Apostelen! Gelukkige christenen! In de Epistel wordt hun loon, in het Evangelie hun dagwerk aangewezen.

E P I S T E L.

Het eerste verhaal, o Theophilus, heb ik gedaan van alles, wat Jesus begonnen heeft te doen en te leeren tot den dag, op welken Hij aan de Apostelen, die Hij had uitgekozen, door den H. Geest zijn bevelen gevende, is opgenomen; hun heeft Hij zich ook na zijn lijden levend betoond door vele bewijzen, gedurende veertig dagen hun verschijnende en sprekende van het rijk Gods. En met hen spijzigende heeft Hij hun bevolen niet uit Jerusalem te wijken, maar de belofte des Vaders af te wachten, welke gij gehoord hebt (zeide Hij) uit mijn mond; want Joannes doopte met water, maar gij zult niet vele dagen na dezen, gedoopt worden met den H. Geest. Zij dan, die bijeen waren gekomen, vraagden Hem, zeggende: Heer zult Gij

-ocr page 109-

105

in dezen tijd hot rijk van Israël herstellen? Doch Hij zeide hun: het komt u niet toe tijden of oogenblikken te kennen, die de Vader in zijne macht heeft gesteld, maar gij zult de kracht van den Heiligen Geest ontvangen, die over u komen zal, en gij zult Mij tot getuigen zijn in Jerusalem, en in geheel Judea en Samaria en tot aan het uiteinde der aarde. En toen Hij dit gezegd had, werd Hij, terwijl zij het zagen, opgenomen en een wolk nam Hem weg uit hunne oogen. En terwijl zij Hem, die ten hemel voer, nastaarden, ziet, stonden er twee mannen in witte kleederen bij hen, die ook zeiden: Galileesche mannen, wat staat gij naar den hemel te zien? Deze Jesus, die van u is opgenomen ten hemel, zal alzoo komen, gelijk gij Hem ten hemel hebt zien gaan.

Evangelie volgens den H. Marcus XVI : 14 — 20.

In dien tijd verscheen Jesus aan de elf leerlingen, terwijl zij aan tafel zaten. En Hij berispte hunne ongeloovigheid en hardheid des harten, omdat zij dengenen, die Hem verrezen gezien hadden, niet hadden geloofd. En Hij zeide hun: Gaat in de geheele wereld, verkondigt het Evangelie aan alle schepselen. Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal veroordeeld worden. Deze teekenen nu zullen hen volgen, die geloofd zullen hebben: zij zullen in mijn naam duivelen uitdrijven; zij zullen nieuwe talen spreken; zij zullen slangen opnemen, en zoo zij iets doodelijks gedronken hebben, het zal hun niet schaden; zij zullen den zieken de handen opleggen en die zullen gezond worden. En de Heer Jesus, nadat Hij met hen gesproken had, is ten hemel opgenomen en zit aan de rechterhand Gods. En zij gingen heen en predikten overal, terwijl de Heer medewerkte en het woord bevestigde door de teekenen, die er op volgden.

-ocr page 110-

Zesde Zondag na Paschen.

VOORBEREIDING TOT HET ONTVANGEN VAN DEN H. GEEST.

Les uit den Eersten Brief van den H. Petrus IV : 7 — 11.

De geloovigen worden onderricht hoe zij zich moeten voorbereiden tot het ontvangen van den H. Geest en op wolk eene wijze zijne gaven in eene steeds toenemende volheid zullen geschonken worden. De naaste voorbereiding tot het ontvangen van de gaven des H. Geestes is de beoefening der christelijke voorzichtigheid, eene deugd, door welke de mensch zich zeiven mistrouwt en een grenzeloos vertrouwen stolt in God. Dat vertrouwen uit zich in een voordurend gebed. Waakt in bidden, zegt de heilige Apostel. Ook de Heiland gaf zyn Apostelen eenzelfden raad, toen zij zich tot het Pinksterfeest voorbereidden. Het vertrouwvol gebed en eene grondige kennis van zichzelven zijn het beginsel eener heilzame jvrees, die den mensch aan zich zeiven onthecht en nederwerpt in de vaderarmen van Jesus. De H. Geest van den Vader en den Zoon vervult dan dat menschenhart met zijn zevenvoudig gavental, en geeft er getuigenis van Jesus Christus. Maar wijl de H. Geest bij uitnemendheid is een geest van vrede en liefde, zoo zijn de ware christenen ook door een onverbreekbaren, broederlijken liefdeband aan elkander verbonden. De onredelijke eigenliefde is niet bestaanbaar met de deugd der voorzichtigheid, met den geest, die zichzelven mistrouwt maar in God allen steun zoekt. Aan die liefdevolle gezindheid jegens elkander hecht de H. Petrus even als zijn Goddelijke Meester eene bijzondere waarde. De onredelijke eigenliefde is vijandig aan den H. Geest. Wenschen de geloovigen te weten of zij de ware broederliefde bezitten, dan bedenken zij dat de liefde vele zonden bedekt, dat de broederlijke liefde alle onrecht, allen smaad haar aangedaan vergeet en vergeeft. Do christelijke liefde

-ocr page 111-

107

kent geené vijandschap. Aan allen deelt zij blijmoedig woning en voedsel, gaven en talenten mede, als ware zij eeneschatbewaarster van Gods gaven. De geloovigen zijn in woord en daden de getuigen van den H. Geest, die in hen Jesus Christus verheerlijkt en het heil der Verlossing aan de wereld bekend maakt.

E P I S T E L.

Welbeminden; weest voorzichtig en waakt in gebeden. Maar vooral onderhoudt jegens elkander eene bestendige onderlinge liefde; de liefde toch bedekt eene menigte van zonden. Zijt gastvrij jegens elkander, zonder morren. Dient elkander, ieder met de genade, gelijk hij die ontvangen heeft, als goede uitdee-lers van Gods velerhande genade. Zoo iemand spreekt, hij spreke als Gods woorden; zoo iemand dient, hij doe dit als uit eene kracht, die God verleent; opdat God in alles verheerlijkt worde door Jesus Christus, onzen Heer.

Evangelie volyeus den H. Joannes XV ; '26, 27; XVI : 1—4.

In dien tijd zeide Jesus aan zijne leerlingen: Als de Vertrooster zal gekomen zijn, dien Ik n van den Vader zal zenden, den Geest der waarheid, die van den Vader voortkomt, die zal getuigenis van Mij geven. En gij zult getuigenis geven, omdat gij van het begin af bij Mij geweest zijt. Dit heb Ik u gezegd, opdat gij niet geërgerd wordt. Zij zullen u buiten de synagogen stooten; ja, het uur komt, dat eenieder, die u om het leven brengt, zal meenen Gode dienst te doen. En dit zullen zij u aandoen, omdat zij noch den Vader, noch Mij kennen. Doch Ik heb u dit gezegd, opdat als het uur daarvan zal gekomen-zijn, gij gedenken moogt, dat Ik het u gezegd heb.

-ocr page 112-

Het Hoogfeest van Pinkster.

DE STICHTING DER KERK.

Les uit de Handelingen der Apostelen II : 1 — 11.

De dagen van het Pinksteren der Oude-Wet waren vervuld. Wederom zouden door Israel's kinderen op den vijftigsten dag na Paschen, de eerstelingen der tarweoogst als een dankoffer Jehovah worden opgedragen en zou de blinkend esikkel onder aanroeping van zijn heiligen Naam in het staande koren worden geslagen. Maar bovenal, op dezen dag had God, die hun het voedsel des lichaams schonk, den voorvaderen zijn wet, het levensvoedsel der zielen geschonken; en daarom was deze feestelijkheid hoog-heilig en plechtig tot in hot verre nageslacht.

De dagen van Pinksteren waren ook heden vervuld. Naar de vermaning des Heeren waren alle de leerlingen te zamen op dezelfde plaats, toen plotseling een gebruis uit den hemel ontstond als van een sterk opkomenden stormwind, die geheel het huis, waar zij gezeten waren, vervulden. Niet meer de eerstelingen van de tarweoogst maaide eerste vruchten van het goddelijk offerwerk worden op dit Pinksteren ingezameld; niet meer de Wet van den Sinaï, schaduw der werkelijkheid, maar de volmaakte Wet van liefde, welke de menschen tot kinderen Gods maakt en in een huisgezin, de H. Kerk, doet samenwonen, is heden uitgevaardigd. De vuurvlammende Pinkstertong spreekt de taal dier liefde. In wonderbare eenheid van talen vertolkt zij aan de verbaasde wereld de grootheid Gods.

E P J S T E L.

Toen de dagen van Pinksteren vervuld werden, waren alle leerlingen te zamen op dezelfde plaats; en plotseling kwam

-ocr page 113-

100

er een geluid uit den hemel, als van een opkomenden hevigen wind, en vervulde geheel het huis, waar zij gezeten waren. En hun verschenen verdeelde tongen als van vuur, en op ieder van hen zette het zich neder; en allen werden vervuld met den H. Geest en begonnen te spreken in verschillende talen, zooals de H. Geest hun gaf uit te spreken. Er waren nu in Jerusalem Joden woonachtig, godvruchtige mannen uit iedere natie, die onder den hemel is. Toen nu dit geluid ontstond, kwam de menigte te zamen en was verslagen, omdat een ieder hen in zijne taal hoorde spreken. Allen nu waren verbaasd en verwonderden zich, zeggende: ziet, zijn niet alle dezen, die spreken, Galileërs? En hoe hebben wij eenieder onze taal gehoord, in welke wij zijn geboren. Parthers en Meders en Elamieten en inwoners van Mesopotamië, van Judea en Capadocië, van Pontus en Azië, van Phrygië en Pamphylië, van Egypte en de gewesten van Lybië, dat nabij (Jyrene ligt, en aankomelingen uit Rome, Joden zoowel als Proselieten , Kreters en Arabieren, wij hebben hen ia onze talen de groote werken Gods hooren verkondigen.

Evangelie volgens den H. Joannes XIV : 23 — 31.

In dien tijd zeide Jesus aan zijne leerlingen: Zoo iemand Mij bemint, hij zal mijn woord onderhouden, en mijn Vader zal hem beminnen en wij zullen tot hem komen en ons verblijf bij hem nemen. Die mij niet bemint, onderhoudt mijne woorden niet. En het woord, dat gij gehoord hebt, is het Mijne niet maar des Vaders, die Mij heeft gezonden. Dit heb Ik u gezegd, terwijl Ik bij u verbleef. Maar de Trooster, de H. Geest, dien de Vader in mijn naam zal zenden, die zal u alles leeren en u alles herinneren, hetgeen Ik u gezegd heb. Vrede laat Ik u, mijnen vrede geef Ik u; niet gelijk de wereld dien geeft, geef Ik dien aan u. Uw hart worde niet ontsteld, noch bevreesd. Gij hebt gehoord, dat Ik u gezegd heb: Ik ga en Ik kom tot u.

-ocr page 114-

110

Indien gij Mij bemindet, zoudt gij u zeker verheugen, omdat Ik tot den Vader ga; want de Vader is grooter dan Ik. En nu heb Ik het u gezegd, eer het geschiedt; opdat, als het zal geschieden, gij gelooven moogt. Ik zal niet veel meer met u spreken. Want de vorst dezer wereld komt, maar hij heeft niets in Mij. Doch opdat de wereld erkenne dat Ik den Vader bemin, en zoo doe, gelijk de Vader Mij geboden heeft.

-ocr page 115-

Tweede Pinksterdag

DE VOLEINDING DER KERK.

Les uit de Handelingen der Apostelen X;42 —48.

De Apostelen ontvingen den H. Geest op den eersten Pinksterdag. Zij waren geroepen ter getuigenis van Jesus Christus: „De Heer heeft ons geboden aan het volk te prediken en te getuigen dat Hij degene is, die door God werd gesteld als rechter van levenden en dooden.quot; De vuurtong van den H. Geest had op hunne voorhoofden gestraald, toen zy aan de ontstelde menigte deze getuigenis gaven. Zij kwamen uit de opperzaal te Jerusalem met een lichtglans niet aan te zien door hem, die het booze bedrijft: zij naderden met een oordeel als dat van den eeuwigen Rechter, die eenmaal levenden en dooden zal oordeelen. Het goddelijk Licht werd niet alleen over de Apostelen maar over geheel de wereld uitgestort: „Terwijl Petrus sprak, daalde de H. Geest neder over allen, die zyn woord hoorden.quot; De Zoon des menschen zal in de majesteit Gods, op de wolken des hemels nederdalen, omgeven met eene glorie, voor wier stralenluister de zondaars heuvelen en bergen zullen aanroepen ter bedekking, en het is alsof Petrus nu reeds door dien schrikkeljjken lichtgloed wordt omgeven. Het goddelijk wereldgericht neemt een aanvang in het morgenuur, dat de H. Kerk als het uur van hare geboorte begroet. Dezelfde mannen, die in de voleinding der eeuwen op twaalf tronen zullen zetelen om met hun Jesus de wereld te richten, staan hier reeds met het oordeel van Jesus Barmhartigheid. Daar, waar zij eenmaal zullen veroordeelen, spreken zij nu redding en behoudenis, vergeving en genade, hoop en leven voor allen, die naar hun woord luisteren Die woorden des heils overtuigen de wereld van het oordeel, dat haar op den jongsten dag wordt toegevoegd; „Die niet gelooft, is reeds

-ocr page 116-

112

geoordeeld.quot; „Zoo lief heeft God den mensch gehad, dat Hij zijn eenigen Zoon heeft gegeven, opdat een ieder, die in Hem gelooft, het eeuwig leven hebbe.quot; Alle natiën zyn geroepen tot de heilgenade der Verlossing. Vermeldde de Epistel gisteren de glorievolle nederdaling des Heiligen Geestes over de Apostelen, heden wordt verhaald, hoe de H. Geest in volheid werd geschonken zonder onderscheiding van volkeren en geslachten. De joden, die met Petrus het huis van den heidenschen hoofdman Cornelius waren ingetreden, stonden verbaasd bij den aanblik der algemeene wereldkerk. Die joodsche christenen meenden ten onrechte dat zij en zij alleen als immer bevoorrecht volk van God, met uitsluiting van alle andere volkeren, tot die alleen-zaligmakende Kerk waren geroepen. Op het heilig Pinksterfeest wordt aan geheel de wereld de herschepping aangeboden door het water en den H. Geest, ter voorbereiding, zooals Jesus had voorspeld , van de komst des Goddelijken Rechters. De Geest dos Heeren zweefde eertyds over de wateren, uit welke de Schepper hemel en aarde te voorschijn heeft gebracht. Hij zweeft met hooger kracht over de heilige Doopvont, wier wateren de wereld herscheppen en het aanschijn dei-aarde vernieuwen. Als een zuiverend, levenwekkend vuur daalt Hij over de aarde neder, terwijl op den Oordeelsdag de vlammen van Gods wraak de wereld zullen louteren en herstellen. O, mochten allen, die den Heiligen Geest ontvingen en in het Doopsel deelachtig zijn geworden aan het beginsel des eeuwigen levens uit den mond van den Goddelijken Rechter vernemen : niets belet dezen, die den Heiligen Geest ontvangen hebben, in te gaan in het rijk der hemelen.

EPISTEL.

In die dagen opende Petrus zijn mond en zeide: Mannen, Broeders, ons heeft de Heer bevolen aan hpt volk te prediken en te getuigen, dat Hij degene is, die gesteld werd door God tot rechter van levenden en dooden. quot; Hem geven alle profeten getuigenis, dat allen, die in Hem gelooven, vergeving van zonden door zijn naam ontvangen. Terwijl Petrus deze woorden nog sprak, daalde de H. Geest neder op allen, die het woord

-ocr page 117-

113

hoorden. En de geloovigen uit de besnijdenis, die met Petrus gekomen waren, stonden verbaasd, dat ook over de heidenen de genade des Heiligen Geestes werd uitgestort. Want zij hoorden hen in talen spreken en God verheerlijken. Toen antwoordde Petrus: Kan wel iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, die den Heiligen Geest ontvangen hebben, even als wij ? En hij beval dat zij gedoopt zouden worden in den naam des Heeren Jesus Christus.

Evangelie volgens den H. Joannes III: 16 — 21.

In dien tijd zeide Jesus tot Nicodemus: Zoo lief heeft God de wereld gehad , dat Hij zijn eeniggeboren Zoon heeft gegeven opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren. ga, maar liet eeuwige leven hebbe. Want God heeft zijn Zoon in de wereld niet gezonden, opdat Hij de wereld oordeele, maar opdat de wereld door Hem behouden worde. Die in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld, maar die niet gelooft, is reeds geoordeeld omdat hij niet gelooft in den naam van den eeniggeboren Zoon Gods. Dit nu is het oordeel, dat het licht in de wereld is gekomen, en dat de menschen de duisternis meer dan het licht bemind hebben, want hunne werken waren boos. Want een ieder, die kwaad doet, haat het licht en komt niet bij het licht, opdat zijne werken niet bestraft worden; doch hij, die de waarheid doet, komt bij het licht, opdat zijne werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.

8

-ocr page 118-

Eerste Zondag na Pinksteren.

WAT IS GOD?

Les uit den Eersten Brief van den IJ. Joannes IV : 8 — 21.

Geen geschapen wezen zal ooit den omvang meten van den onmete-lijken oceaan, welke in de taal der menschen God wordt genoemd. Hoe zal een berg zich verschuilen in de schaduw van een zandkorrel; eene zee zich verliezen in een waterdrupje? Bij de gedachte aan God staart het verstand als in eene peillooze diepte. Het levensdoel des menschen nochtans is de kennis van God. De mensch is geschapen om God te kennen. Ieder schepsel, dat van den Schepper een hart om te beminnen,, en een verstand om te kénnen heeft ontvangen, moet antwoord geven op die eerste en die laatste aller vragen: Wat is God? Het doel der geschapene wereld is God kennen. God dienen. God bezitten. Do kennis, de dienst en bet bezit van God zijn ten nauwste aan elkander verbonden. Hier geeft niet zoozeer het verstand als wel het hart antwoord. Hoe meer eene ziel haar God bemint, des te beter zal zij het antwoord bevroeden dat de Epistel haar geeft; God is liefde. De liefde wordt slechts door de liefde begrepen. De heiligmakende genade is voor do ziel de fakkel, die God doet kennen; de keten, die het schepsel aan zijn Schepper n dienstbaarheid verbindt; de ark des verbonds, waarin de Godheid rust. Wie in de liefde blijft, blijft in God en God in hem. Als liefde heeft God zich ten allo tijden geopenbaard; maar vooral toen de Vader zijn eeniggeboren Zoon in de wereld heeft gezonden, opdat de menschen door Hem zouden leven, nu een leven van genade, hiernamaals een leven van glorie. Meent niet dat gij in u zeiven iets bezit, waardoor gij de liefde Gods verdiendet: „Niet alsof wij God hebben lief gehad, maar dat Hij ons hot eerste heeft lief gohad.quot; Toen g^j nog sluimordot

-ocr page 119-

115

in het niet, heeft God u bemind want het was de liefde, die Hem noopte, toen Hij sprak: „Laten Wij den mensch maken naaiquot; ons beeld en onze gelijkenis.quot; Hij heeft het eerste bemind den doodsvijand, die zijn kind is geworden door het zoenbloed van zijn eeniggeboren Zoon. Wenscht gij God te kennen? Bemint dan, zooals Hij u bemind heeft, hebt lief zooals Hij u lief heeft. Zijne liefde was de meest belanglooze. De mensch bestond nog niet en God beminde hem reeds. Zijne liefde was de sterkste. Voor zijn vijand stierf Hij aan het kruis. Zijne liefde was de edelmoedigste. Wij waren arm en Hij gaf ons alles. „Welbeminden; indien God ons dus heeft lief gehad, op dezelfde wijze moeten ook wij elkander lief hebben.quot; Verlangt de mensch aan God iets weder te geven, voor al hetgeen Hij van Hem ontvangen heeft, dan moet de liefde, welke Gods liefde in het hart des menschen heeft opgewekt, zich betuigen jegens den evenmensch, de beeltenis van God. Deze heeft barmhartigheid, goedheid, bijstand van noode. Derhalve zegt dan ook het Evangelie: „Weest barmhartig gelijk ook uw Vader barmhartig is.quot; „Oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden.quot; Met dezelfde maat, waarmede gij meet, zal u teruggemeten worden.quot; Een ieder zij volmaakt gelijk zijn goddelijke Meester. Naar de liefde, welke God voor u gehad heeft, zij uwe liefde tot den evenmensch. Ziet niet naar den splinter in het oog uws broeders, maar naar do gelijkenisse van God, die in hem uitstraalt. Aan God iets geven is eene onmogelijkheid, maar geeft ter wille Gods aan den mensch, die naar Gods beeld is geschapen. Want, ofschoon wij God zeiven niet zien; wij zien Hem in onzen evennaaste. „Niemand heeft God ooit gezien, maar indien wij elkander liefhebben, is God in ons.quot; Hoe meer wij den evenmensch om God beminnen, met des te meer recht kan van ons gezegd worden: „Zijne liefde is in ons volmaakt.quot; Het is een teeken ter herkenning of gij in God zijt en God in u. Het is eene getuigenis van zijn Geest. Want zijn Geest is liefde. Hij heeft ons gegeven van zijn Geest, zegt de Apostel; en andermaal wijst Hij op den Vader, die ons zijn Zoon heeft gegeven. Van die liefde Gods in het geheim der Menschwording wordt eene herhaalde, plechtige getuigenis afgelegd: Wij, wij hebben gezien en getuigen het, zoo roept de Apostel der liefde uit, dat de Vader zijn Zoon als Zaligmaker heeft gezonden; en wie die liefde van Jesus in daden navolgt, wie belijdt

-ocr page 120-

110

dat Jesus is do Zoon van God. deze kent God, want hij zelf is in God en God in hem. Gelijk de Apostelen de liefde, die God voor hen heeft, gekend en geloofd hebben; zoo zullen alle christenen kennen en gelooven, wat de H. Joannes hun zegt; „God is liefde.' Door den evenmensch om God te beminnen, zullen z[\ God kennen; dat kennen zal een dienen, en dat dienen een bezitten zijn. Voor de derde maal zegt dan de Apostel; „die in de liefde blijft, blijft in God en God in hem.quot; Die liefde tot God in den evenmensch verbant alle vrees. - Op den laatsten dag des oordeels zal diezelfde God, dien wij in onzen evenmensch hebben lief gehad, ten Rechter zijn. Ik ben arm geweest. Ik heb honger gehad, zoo zal Hij tot zondaars en rechtvaardigen spreken. Die rechtvaardigen hebben, naar het voorbeeld van den Zaligmaker op deze aarde tot heil en zaligheid der menschen geleefd. Er is bijgevolg geenc vrees in de liefde tot God, Wie zal schroomen als hij in den Rechter den hongerige wederziet, dien hij spijzigde; den dorstige, dien hij laafde; den naakte, dien hy kleedde. De vrees ziet straf; do vrees doet vluchten, maaide liefde doet nader treden. „Komt, gezegendenquot;; „gaat, vervloektenquot; ; is de uitspraak van den goddelijken Rechter; en de weerklank van hetgeen het hart des menschen in zich zelve gevoelt. De rechtvaardigen hebben Gods getuigenis in zich; de zondaars gevoelen de getuigenis hunner verdoeming. Laat ons dan God in den evenmensch beminnen, daar God ons het eerste heeft lief gehad. De liefde, die God voor ons heeft, zij beginsel en voorbeeld van onze liefde tot den evenmensch. Is de liefde tot God op een anderen grondslag, in eene andere strekking, zij is naar luid van het Evangelie, bedriegelyk en schijnheilig. Zoo iemand zegt dat hij God bemint en zijn broeder haat, hy is een leugenaar. Want hoe zal de mensch God kunnen beminnen, dien hij niet ziet, als hij Gods beeltenis, zijn broeder, dien hij ziet, verafschuwt. Als slotwoord zegt nu de H. Joannes in for-sche bewoordingen en met ter zijdestelling van alle redeneering dat hij van God, van den oneindig Waarachtige, een gebod heeft ontvangen en eene openbaring tevens; dat al wie God bemint, ook noodzakelijk zijn broeder moet beminnen: „dat die God lief heeft, ook zijn broeder moet liefhebbe.quot;

-ocr page 121-

117

EPISTEL.

Welbeminden; God is liefde. Hierin heeft zich de liefde van God jegens ons geopenbaard, dat God zijn eeniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat wij door Hem leven. Hierin is de liefde: niet alsof wij God hebben liefgehad, maar dat Hij ons het eerste heeft liefgehad en zijn Zoon heeft gezonden als verzoening voor onze zonden. Welbeminden; indien God ons aldus heeft liefgehad, zoo moeten ook wij elkander liefhebben. Niequot; mand heeft ooit God gezien. Indien wij elkander liefhebben, blijft God in ons, en is zijne liefde in ons volmaakt. Hieraan erkennen wij dat wij in Hem blijven en Hij in ons, dat Hij ons van zijn Geest heeft gegeven. En wij hebben gezien en wij getuigen dat de Vader zijn Zoon als Zaligmaker der wereld heeft gezonden. Alwie belijdt, dat Jesus is de Zoon van God, God blijft in hem en hij in God. En wij hebben de liefde, welke God voor ons heeft, erkend en geloofd. God is liefde en die in de liefde blijft, blijft in God en God in hem. Hierin is de liefde Gods vol maakt bij ons, dat wij vertrouwen hebben op den dag des oordeels; omdat gelijk Hij is, ook wij zijn in deze wereld. Er is geene vrees in de liefde, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit, want de vrees heeft straf. En hij, die vreest, is niet volmaakt in de liefde. Laat ons dan God liefhebben, daar God ons het eerste heeft liefgehad. Zoo iemand zegt: ik heb God lief en zijn broeder haat, hij is een leugenaar. Want die zijn broeder, welken hij ziet, niet liefheeft, hoe. kan hij God liefhebben, dien hij niet ziet? En dit gebod hebben wij van God, dat die God liefheeft, ook zijn broeder moet liefhebbe.

Evangelie volgens den H. Lucas VI : 36 — 42.

In dien tijd zeide Jesus aan zijne leerlingen: Weest barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is. Wilt niet oordeelen, en gij zult niet geoordeeld worden; wilt niet veroordeelen en gij

-ocr page 122-

118

zult niet veroordeeld worden. Vergeeft en u zal vergeven worden. Geeft en u zal gegeven worden; eene goede, en volgedrukte en geschudde en overloopende maat zal men in uw schoot storten, want met dezelfde maat, waarmede gij meet, zal u wederge-meten worden. Hij zeide hun ook eene gelijkenis. Kan een blinde wel een blinde leiden? Vallen zij niet beiden in den kuil? Een leerling is niet boven den Meester, maar een ieder zal volmaakt zijn, als hij is gelijk zijn Meester. Doch wat ziet gij den splinter in het oog van uw broeder en den balk, die in uw oog is, bemerkt gij niet? Of hoe kunt gij tot uw broeder zeggen: Broeder, laat mij den splinter uit uw oog trekken, gij , die zelf den balk in uw oog niet ziet? Schijnheilige, trek eerst den balk uit uw eigen oog, en dan zult gij zien om den splinter uit het oog van uw broeder te verwijderen.

-ocr page 123-

Tweede Zondag na Pinkster.

DE VIJAND GODS.

Les uit den Eersten Brief van den tl. Joannes 111:13—18.

Door de wereld wordt in dezen Epistel verstaan het rijksgebied van den Satan. Het aantal van Jesus volgelingen wordt in hot Evangelie een avondmaalsgezelschap geheeten. De aanzittenden zijn blinden, armen en gebrekkigen; de wereldlingen treden op als mannen van wereldsche zorgen, als voorstanders van vermaak cn vreugde. De geloovige christenen zijn naar het oordeel der wereld, wat een arme en een ongelukkige is in het oog van een rijk maar onmeedoogend mensch: een voorwerp van afschuw. Verwondert u niet, zegt de H. Joannes, indien de wereld u haat. Tusschen u en haar kan van geen samengaan sprake zijn. Want de wereld kent God niet; zij wil Hem niet kennen en verstoot de uitnoodiging. Zij schuwt het gezelschap der vromen. De kennis van God is steeds vereenigd met eene ware liefde tot den evennaaste; de miskenning Gods kweekt haat en nijd onder de menschen. De vijandelijke wrok, die de helsche slang gevoelde, toen zij den eersten mensch, de beel. tenisse Gods aanschouwde, leeft voort in de wereld. Wij evenwel, wij kennen God en derhalve hebben wij alle menschen als broeders lief. De wereld kent en bemint God niet; zij blijft in den dood en haat den mensch. Zij zetelt in den eeuwigen dood en kromt zich in de macht van den aartsvijand van Christus, den doodslager, die geheel het menschelijke geslacht den doodslag toebracht. Want door de zonde kwam de dood in de wereld. Zoo ook nu, is een ieder, die zijn broeder haat, een doodslager, gelijk de duivel, het helsche serpent des paradijzes. Niet altijd volvoert de haatdrager het moorddadige plan, doch in gevoelens en neigingen streeft hij naar

-ocr page 124-

120

den tijdelijken, naar den geestelijken duod van zijn evenmensch. Hoe nu kan een doodslager, een mensch die den dood aanbrengt, een eeuwig leven in zich hebben! Gij begrijpt, mijne Broeders, dat is niet mogelijk. Laten wij dan de liefde van God kennen. Gelijk •Tesus Christus door zijn dood ons het leven heeft gegeven opdat de wereld het leven der liefde zou bezitten; gelijk Hij voor haar gestorven is, zoo moeten ook wij ons aardsche leven opofferen opdat onze broeders eeuwig leven, en toegang mogen hebben tot de feestzaal der hemelsche vreugde. Doch moeten wij het leven zelfs geven, hoe veel te meer moet dan de christen die de goederen dezer wereld heeft, zijn noodlijdenden broeder ter hulp komen. Hoe toch blijft de liefde Gods in hem, die zijn broeder ziet gebrek lijden, maar zijn hart voor hem sluit! O, mijne Kinderen, laat ons toch niet liefhebben, zooals de wereld, met woorden en in schijn; maar zooals Jesus Christus met de daad en in waarheid.

E P I S T E L.

Welbeminden; wilt u niet verwonderen, zoo de wereld u haat. Wij weten, dat wij van den dood tot het leven zijn overgebracht , omdat wij de broeders beminnen. Die niet bemint, blijtt in den dood. Een ieder, die zijn broeder haat, is een moordenaar. En gij weet, dat geen moordenaar het eeuwig leven in zich blijvende heeft. Hieraan hebben wij de liefde Gods gekend, dat Hij zijn leven voor ons heeft gegeven ook wij moeten voor de broeders het leven geven. Die het goed van deze wereld heeft en zijn broeder ziet gebrek lijden en zijn hart voor hem sluit, hoe blijft de liefde Gods in hem? Mijne Kinderen, laten wij niet beminnen met woorden en met de tong, maar met de daad en in waarheid.

Evangelie volgens den H. Lucas XIV : 1(5 —24:.

In dien tijd zeide Jesus aan de Farizeën deze gelijkenis: Zeker mensch richtte een groot avondmaal aan en noodigde velen. En

-ocr page 125-

121

hij zond zijn knecht op het uur van het avondmaal om den ge-noodigden te zeggen dat zij zouden komen, wijl alles reeds bereid was. En allen begonnen zij gelijkelijk zich te verontschuldigen, De eerste zeide hem: ik heb eene landhoeve gekocht en ik moet noodzakelijk uitgaan en haar bezichtigen; ik bid u, houd mij verontschuldigd. En de tweede zeide: ik heb vijf koppel ossen gekocht en ik ga ze beproeven; ik bid u, houd mij verontschuldigd. En een ander zeide: ik heb eene vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen. En de knecht keerde weder en boodschapte dit zijn heer. Toen werd de vader des huisgezins vergramd en zeide aan zijnen knecht: ga spoedig uit naar de straten en wijken der stad en voer de armen en kranken en blinden en kreupelen hier binnen. En de knecht zeide; Heer, liet is' geschied, zooals gij bevolen hebt en daar is nog plaats. En de heer zeide tot den knecht: Ga uit naar de wegen en heggen en dwing ze binnen te treden, opdat mijn huis vol worde. Want ik zeg u, dat niemand der mannen. die genoodigd waren, mijn avondmaal zal smaken.

-ocr page 126-

Derde Zondag na Pinkster.

DE STRIJD VAN DEN CHRISTEN.

Les uit Oen Eersten Brief van den H. Petrus V: 6-11.

Als de Goede Herder Jesus Christus uwe ziel komt bezoeken, als Hij u loutert en zuivert, vernedert u dan onder de machtige hand van God. Wederstaat zijner genade niet: maar geeft uzelven geheel en al aan Jesus over. Werpt alle uwe bekommernissen op Hem, want Hij draagt zorg voor u. Het is zijne machtige hand, die op u rust. Wat Hij u doet, is welgedaan. Hij is uw vriend. Maar de duivel, uw vijand, loopt rond als een brullende leeuw, zoekende wien hij zal verslinden. Jesus gaat uit als de Goede Herder om u te zoeken; de duivel als een brullende leeuw om u te veislinden. Laat u door des duivels listen en strikken niet verschalken. Weest matig. Verknocht u niet aan wereldsche goederen en geneugten. De onmatigheid zal een eeuwigen doodslaap verwekken; de Satan zal u overvallen en vernielen. Biedt wederstand door een kiachtig, levend geloof. Blijft wakende door een leven te leiden dat niet slapende is en dood in goede werken, maar dat steeds in verhoogden wasdom van deugden toeneemt. Eenzelfde strijd, eenzelfde lijden wacht allen en is het deel van allen, die eens den hemel zullen binnengaan. Gedeelde smart is halve smart. Weet dat uwe broeders, die elders in de wereld zijn, eenzelfde lijden hebben. Zonder strijd geeno overwinning, zonder lijden geen verblijden: aldus heeft Gods raadsbesluit het vastgesteld. De God van alle genade, die ons de overwinning geeft, wanneer wij ons zeiven .aan Zijne alvermogende genade onderwerpen, zal na een kortstondig lijden, ons volmaken, versterken en bevestigen. Hij zal ons smartelijk leven vervolmaken in vreugde; hetzelve versterken door alle zwakheid weg te nemen, en bevestigen

-ocr page 127-

123

door eeue eeuwigheid van duur. Hij zelf, aan Wien toekomt alle heerlijkheid en heerschappij. Amen. Zoo moge het zijn en ons geschieden!

E P I S T E L.

Welbeminden; Vernedert u onder de machtige hand van God. opdat Hij u ten tijde der bezoeking verheffe, werpt op Hem alle uwe bekommernis, want Hij draagt zorg voor u. Weest matig en waakt want uw vijand, de duivel gaat rond als een brullende Leeuw, zoekende wien hij zal verslinden; wederstaat hem sterk in het geloof; wetende dat hetzelfde lijden uwe broeders, die in do wereld zijn, overkomt. De God nu van alle genade, die ons in Christus Jesus heeft geroepen tot zijne eeuwige glorie, zal u, na weinig lijden, zelf volmaken, versterken en bevestigen. Aan Hem zij de glorie en do heerschappij in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Evangelie volgens den H. Lucas XV : 1 —10.

In dien tijd naderden er tollenaars en zondaars tot Jesus om Hem te hooren. En de Farizeën en de schriftgeleerden morden en zeiden: Deze ontvangt zondaars en eet met hen. En Hij sprak tot hen deze gelijkenis zeggende: Wat mensch onder u, die honderd schapen heeft, laat niet, als hij er een van verliest, de negen-en-negentig in de woestijn en gaat niet naar hetgene dat verloren is, totdat hij het vinde? Pgt;ri wanneer hij het gevonden heeft, legt hij het vreugdevol op zijne schouders, en te huis komende, roept hij zijne vrienden en geburen bijeen en zegt tot hen: verheugt u met mij, want ik heb-mijn schaap, dat verloren was, wederge vonden. Ik zeg u, dat er aldus vreugde zal zijn in den hemel over één zondaar, die boetvaardigheid doet, meer dan over negen-en-negentig rechtvaardigen, die geene boetvaardigheid noodig hebben. Of welke vrouw, die tien zilver-

-ocr page 128-

124

stukken heeft, steek niet, als zij een zilverstuk verliest, een licht a an, en veegt het huis niet, en zoekt niet naarstig, totdat zij het vinde ? En wanneer zij het gevonden heeft, roept zij hare vriendinnen en buren bijeen, zeggende: Verheugt u met mij, want ik heb het zilverstuk, dat ik verloren had, wedergevonden? Alzoo, zeg Ik u : zal er vreugde zijn bij de engelen Gods overéén zondaar, die boetvaardigheid doet.

-ocr page 129-

Vierde Zondag na Pinkster.

HET LIJDEN VAN DEN CHRISTEN.

Les uit den Brief van den TI. Paulus aan de Romeinen VIII ; 11 23.

Do christen moet ten prijs des lijdens den hemel verdienen. De hemel is zoo rijk een loon dat al de smarten, die de mensch te verduren heeft, als waardeloos en zonder beteekenis zijn. De smart is in het vooruitzicht der hemelsche heerlijkheid geene smart meer. Wanneer de gedachte aan zelfbehoud en redding den lijder op zijn smartbed krachten schenkt om de pijnlijkste folteringen eener geneeskundige bewerking te ondergaan, daar de hoop op verlossing al het gruwzame wegneemt; zoo spiegelde zich de hemel af in het gemoed van den christen en herscheppe zijn lijden in zoeten troost, in grenzeloos geluk, in onovertroffen eer. De korte tijd der smarten baart eene eeuwigheid van vreugde; het folterend leed eene oneindige volheid van zalige geneugten, het grievend vernederen eene hemelsche verheffing. Ja, de hoop op den hemel doet alle schepselen leven. Zij allen zijn in verwachting naar het oogenblik dat die heiltoekomst zal verschijnen. Evenals alle geschapene wezens, aan den mensch in dienstbaarheid ondergeschikt, met en om der mensch den vloek der zonde, de straf van het kwade dragen; zoo zullen zij allen deelen in zijne herstelling. Hoe dit zal geschieden weten wij niet, maar de Apostel zegt ons: de verwachting van het schepsel verwacht de openbaring der kinderen Gods. Reikhalzend ziet de geheele geschapene wereld naar de stonde, waarop de Zoon des Menschen, de aarde zal zuiveren van zonde en kwaad. Dan zullen de kinderen Gods geopenbaard worden, dan zal de geheimvolle vischvangst, uit de strooming der tijden, uit de zee des menschelijken levens in Jesus Kerk door Petrus bijeen vergaard, worden uitgelezen. Met de groote schei-

-ocr page 130-

120

ding, met de rechtvaardige schifting van goeden en kwaden zal op den oordeelsdag, die veropenbaring der kinderen Gods aanvangen en in alle eeuwigheid worden bestendigd. Ieder schepsel verzucht naar die openbaring. Tot straf van 'smenschen zonde is ieder schepsel door God aan de vergankelykheid en het bederf toegewijd; moet ieder schepsel lijden. Geheel de natuur zucht onder den vloek, die Gods Gerechtigheid over het aardrijk uitsprak en ontving den terugslag van het oordeel der zonde. Zoowel het nietswaardige aardwormpje, dat in den duisteren bodem woelt, als de koning van het woud, wiens gebrul de lucht doet daveren; zoowel het grassprietje verloren in het veld, als de ceder op den berg, gevoelen in zich de jammer-ellende van Adam's ontrouw aan. God en worden gekweld door den angelbeet der zonde. Maar ondanks alle ontaarding en verbastering van eersten oorsprong, te midden van al de rampzalige gevolgen der zonde blijft de hoop op redding de harteklop der natuur naar beter toekomst. Ieder schepsel, aan de ijdelheid onderworpen, heeft in zich de hoop dat de mensch, het schepsel bij uitnemendheid eens zal worden vrij gemaakt van de slavernij des bederfs en met hem ieder wezen, dat de Schepper ten dienste van den mensch heeft voortgebracht. Die hoop op de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods schraagt de wereld in het rampzalig bestaan, dat zij met zich voortsleept. Wij allen weten by dagelijksche bevinding, hoe ieder schepsel de kreet der smarten slaakt en als in barensnood is tot nu toe, in barensnood tot een leven van zaligheid. En wij zei ven, die de gaven des H. Gees-tes hebben ontvangen, de eerstelingen der natuur en der genade, wij, die in het scheepje van Petrus, in de H. Kerk, door Jesus barmhartigheid zijn gevangen en door gelijkvormigheid aan den lijdenden Zaligmaker zijn voorbestemd ten hemel, wij zuchten in ons zeiven, gevoelen de smart der zondestraf en zien met smachtend verlangen naar onze aanneming tot kinderen Gods in het rijk der vreugde, naar de verlossing uit den kerker des doods, een lichaam van bederf en smarten. Wij zien met smachtend verlangen uit naar de komst van Jesus Christus, onzen Heer en Redder. Die hoop steunt onze krachten; dat verlangen doet ons leven. De hemel is het einddoel van Jesus Kerk op aarde; „Voortaan zult gij menschen vangen.quot;

-ocr page 131-

127

EPISTEL.

Broeders; Ik meen dat het lijden van dezen tijd van geen waarde is bij de toekomende heerlijkheid, die in ons zal geopenbaard worden. Want de verwachting van het schepsel verwacht de openbaring der kinderen Gods. Het schepsel toch is aan de ijdelheid onderworpen geworden, niet vrijwillig, maar om hem, die het onderworpen heeft, in hoop, dat ook het schepsel zelf zal bevrijd worden van de slavernij des bederfs tot de vrijheid van de glorie der kinderen Gods. Want wij weten, dat ieder schepsel zucht en in barensnood is tot nu toe. En het schepsel niet alleen maar ook wij zeiven, die de eerstelingen des Geestes hebben, ook wij zuchten in ons zeiven, verwachtend de aanneming der kinderen Gods, de verlossing van ons lichaam in Christus Jesus, onzen Heer.

Evangelie volgens den IJ. Lucas V ; 1-11.

In dien tijd als de scharen op Jesus aandrongen om het woord Gods te hooren, stond Hij bij het meer van Genesareth. En Hij zag twee schepen aan het meer liggen, daar de visschers waren afgegaan en de netten waschten. Hij klom nu in een der schepen, dat aan Simon toebehoorde en verzocht hem een weinigje van land af te zetten. En nederzittende, leerde Hij de scharen uit het schip. Toen hij nu ophield met spreken, zeide Hij aan Simon: Steek in zee en werpt uwe netten uit ter vangst. Eu Simon antwoordende, zeicle Hem: Meester, wij hebben den geheelen nacht gearbeid en niets gevangen, maar op uw woord zal ik het net uitwerpen. En toen zij dit gedaan hadden, vingen zij eene talrijke menigte van visschen, zoodat hun net scheurde. Eu zij wenkten hunne metgezellen, die in het andere schip waren, dat zij zouden komen en hen helpen. En zij kwamen en vulden beide schepen , zoodat zij bijna zonken. Toen Simon Petrus dit zag, viel hij Jesus te voet en zeide:

-ocr page 132-

128

Heer, ga van mij, want ik ben een zondig mensch. Want verbazing had hem en allen, die bij hem waren, bevangen over de vischvangst, die zij gedaan hadden, evenzoo ook Jacobus en Joannes, de zonen van Zebedeüs, die de metgezellen van Simon waren. En Jesus zeide tot Simon: Wil niet vreezen; van nu af zult gij menschen vangen. En na de schepen aan land gehaald te hebben, verlieten zij alles en volgden Hem.

-ocr page 133-

Vijfde Zondag na Pinkster,

DE LEVENSVREUGDE VAN DEN CHRISTEN.

.Les uit den Eersten Brief va» den H. Petrus 111:8 — 15.

God is het leven der ziel en het woord des gebeds de tolk van een godsdienstig hart. Alle ware christenen bezitten hetzelfde levensbeginsel namenlijk : de genade van God; aller gebed zal dus een en denzelfden geest ademen: de eenheid der goddelyke liefde, die hunne zielen doorgloeit. Een en dezelfde bede legde dan ook de Goddelyke Zaligmaker op de lippen van alle zijne leerlingen: „Onze Vader, die in de hemelen zijt.quot; En als iemand indachtig wordt dat zijn broeder iets tegen hem heeft, zoo moet hij zijn offer maar laten- staan; want een mensch, die zijn broeder haat, kan niet bidden; hij schijnt slechts te bidden. Het gebed is eene onmogelijkheid, wanneer de eendracht der broederlijke liefde ontbreekt. Het geheele zieleleven des christens ligt in het gebed. Men moet altijd bidden zegt Christus. Het gebed is de voortdurende bezigheid van den christen. Hij is eendrachtig in het gebed : hij bidt altyd, nu door woorden, altijd door de meening van zyn hart, dat naar God heenstreeft. God is zijn leven en het gebed de adem van dat leven. Gods geest is in Hem en uit aandrijving van dien geest is hij vol van deelneming voor de lijdenden; een beminnaar en bewaarder van broederlijke liefde, barmhartig, zedig, ootmoedig; hij vergeldt geen kwaad met kwaad, noch laster met laster; maar zegent, gelijk Jesus Christus de zegeningen van zijn lijden en sterven over de zondaars doet nederdalen. Want daartoe is de christen geroepen: dat hij door het verdragen van verongelijkingen, door het beminnen zijner vijanden gelijk worde aan zijn Goddelijken Heiland en Zijner waardig. De christen is niet in naam, maar in daad een broeder van den Zoon des Menschen. Door

9

¥

-ocr page 134-

130

die gelijkvormigheid aan Jesus beerft hij de zegeningen der goddelijke genade in het sterfelijke leven en de oneindige glorie in de eeuwigheid. Zijn leven bezit eene heiligheid, eene gerechtigheid, die overvloediger is dan die der Farizeën; zijne liefde en vergevingsgezindheid zijn onuitputtelijk. Alles verdraagt hy, alles lijdt hij, alles bemint hij voor zooverre het met zijn God vereenigd is. Zoo iemand dan het leven zijner ziel bemint, en hier en hier namaals goede dagen zien wil, hij bedwinge zijne tong van het kwaad, want uit den overvloed des harten spreekt de mond. Als de tong kwaad spreekt, heeft de ziel haar leven niet in God. Zij vooral verbreekt zoo menigmaal den band der broederlijke liefde en vergalt de vreugde des levens. Door haar wordt zoo menig levensgeluk vernield. De christen hebbe vrede met God en voor zooverre het van hem afhange vrede met alle menschen. Naar dien vrede jage hij als naar een koste-lijken buit, als naar eene begeerlijke winst. De christen met dien geest bezield is voor zichzelven een gelukkig mensch. Hij weet dat het oog van God op hem met welgevallen rust en dat de ooren des Heeren dag en nacht luisteren naar de wenschen van zijn biddend hart. God is met hem en niemand kan tegen hem zijn. Want wie zal u schaden, als gij met alle de krachten uwer ziel het goede voorstaat. En mocht iemand u hinderen, dan is het de beschikking van God _ dat laat God geschieden te uwer beproeving, zalig zyt gij. Vrees en ontsteltenis wonen niet in het hart van den christen; hij is sterk en manmoedig in den strijd des levens, want hij heiligt den Heer Jesus in zijn hart. Hij is een held, sterk door de genadekracht van Jesus Christus.

EPISTEL.

Welbeminden, weest allen eensgezind in het gebed, medelijdend, broederlievend, barmhartig, zedig, nederig, geen kwaad met kwaad vergeldende, noch schelden met schelden, maar integendeel zegenende; want hiertoe zijt gij geroepen, opdat gij de zegening als erfdeel moogt bezitten. Want die het leven wil beminnen en goede dagen zien, hij bedwinge zijne

-ocr page 135-

tong van het kwaad en zijne lippen, opdat zij geen bedrog spreken. Hij wijke van het kwaad en doe liet goede; hij zoeke den vrede en streve dien na. Want de oogen des Heeren zijn over de rechtvaardigen en zijne ooren naar hunne gebeden; maar het aangezicht des Heeren is tegen de kwaaddoeners. En wie is er, die u schaden zal, zoo gij ijveraars voor het goede zijt? Maar ook, zoo gij om de gerechtigheid iets lijdt; zalig gij. Vreest dan hunne verschrikking niet; en wordt niet ontsteld. Maar heiligt den Heer Christus in uwe harten.

Evangelie volgens den H. Maitheus V ; 20 — 24.

In dien tijd zeide Jesus aan zijne leerlingen: Indien uwe rechtvaardigheid niet overvloediger is, dan die der Schriftgeleerden en Farizeën, zult gij in het rijk der hemelen niet ingaan. Gij hebt gehoord, dat aan de ouden gezegd is; Gij zult niet doodslaan; en die doodslaat, zal strafbaar zijn voor het gerecht. Maar Ik zeg u: al wie op zijn broeder gram wordt, zal strafbaar zijn voor het gerecht. En die tot zijn broeder zegt: Eaca, zal strafbaar zijn voor den raad. En die zegt: Gij dwaas, zal schuldig zijn aan het helsche vuur. Als gij dan uw offer aan het altaar opdraagt en daar indachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft; laat dan uw offer daar voor het altaar en ga u eerst met uw broeder verzoenen en dan zult gij uw offer komen opdragen.

-ocr page 136-

Zesde Zondag na Pinkster.

HET HEILIG SACRAMENT DES DOOPSELS.

Les uit den Brief van den H. Paulns aan de Romeinen VI : 3 — 11.

Wij allen, die gedoopt zijn in Christus Jesus, zijn in zijn dood gedoopt. Het Doopsel door den priester in den naam van Jesus Christus toegediend is een zinnebeeld van ons deelgenootschap in het lijden en sterven des Hoeren. De lijdelijke en sterfelijke Christus stierf aan het kruis en werd begraven; de zondige en ter eeuwigen dood gewezen mensch stierf in het Doopsel en werd vernietigd; hij werd als begraven onder de wateren des Doopsels; en gelijk Christus uit do dooden verrezen is door de heerlijkheid des Vaders, die met Hem was als God, zoo verrees de christen uit het Doopwater door de kracht van Jesus, zijn Zaligmaker, vrij van alle zonden, geestelijk vernieuwd, onsterfelijk en bezittende een eeuwig leven. Door die gelijkheid aan den dood des Verlossers, door dat Sacrament des Doopsels, zijn wy als ingeplant in Jesus Christus. Gelijk eene vreemde loot aangebracht op den levenden boom, zich vereenigt met den boom, een met hem wordt, zoo zyn de christenen door het Sacrament des Doopsels ingeplant in den goddelijken, nieuwen Stamvader Adam. De gedoopte christen leeft met zijn gekruisigden en verheerlijkten Heer in innige, bestendige, onverbreekbare levensgemeenschap, welke hare voltooiing ontvangt in het eeuwig leven des hemels. Die levensgemeenschap met Jesus te bewaren, te voeden is de roeping en de zorg der Kerk. Het Evangelie brengt het Brood in gedachte, dat de H. Kerk haren kinderen geeft tot onderhouding van hun geestelijk leven. Het wonder van de vermenigvuldiging der broeden is eene inleiding tot 's Heeren belofte, eene afbeelding van het Heilig Altaar-Sacrament. Het Doopsel schenkt het beginsel des levens; de H Communie bewaart en voedt

-ocr page 137-

1 QQ iOf)

dat leven, en getuigt welk eene innige eenheid er tusschen den christen en den Christus in het Doopsel is gewrocht. Dezelfde moedei , die liet leven schenkt, bezit ook het voedsel, waardoor het leven wordt bewaard. De zeven Sacramenten zijn als zeven brooden, waarmede zij het leven harer kinderen onderhoudt. Jesus Christus is de spy's der zielen, de wijnstok, die de ranken doet leven. Één leven leiden beide, gelijk ook beide één dood zijn gestorven. Met den Zaligmaker is de gedoopte christen gestorven voor de zonde; een doode gelijk, die geen zonde meer doet. Want die gestorven is, is vrij van de zonde. Als een gedoopte christen bijgevolg eene doodzonde bedrijft, dan verbreekt hij zijne gemeenschap met Jesus. Want Christus uit de dooden verrezen sterft niet meer. Sterft de christen opnieuw den geestelijken dood der zonde, dan heeft hij geene gemeenschap meer met den levenden Christus. Dat de Zaligmaker is gestorven, is maar eens geweest om de zonde, maar dat Hij leeft, leeft Hij voor üod in alle eeuwigheid en sterft nooit meer. Tusschen den dood en het leven, tusschen eene ziel in staat van doodzonde en Jesus, het eeuwig leven, bestaat geen gemeenschap. Alle ware christenen, in het Doopsel gestorven voor de zonden en met Christus verrezen tot-een bovennatuurlijk leven, bewaren altijd in zich dat leven. Aan hen is het Goddelijke Brood gegeven opdat zij op den weg niet bezwijken. Dat Brood is geene andere spijze dan Jesus Christus, de Zoon van God.

E P I S T E L.

Broeders, wij allen, die gedoopt zijn in Christus Jesus, zijn in zijn dood gedoopt. Want wij zijn door het Doopsel met Hem mede begraven in den dood; opdat, gelijk Christus van de dooden verrezen is door de glorie des Vaders, zoo ook wij in nieuwheid des levens wandelen. Want, zoo wij mede ingeplant zijn in gelijkenis van zijn dood, zoo zullen wij het insgelijks zijn van zijne verrijzenis. Dit wetende dat onze oude mensch mede gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde worde verdelgd en wij der zonde niet meer dienen. Want die gestorven is, is van de zonde gerechtvaardigd. Zoo wij nu met Christus

-ocr page 138-

134

gestorven zijn, gelooven wij , dat wij insgelijks ook met Christus zullen leven, wetende dat Christus uit de dooden verrezen, niet meer sterft; de dood zal over Hem niet meer heerschen. Want dat Hij gestorven is voor de zonde, is Hij eens gestorven, maar dat Hij leeft, leeft Hij voor God. Zoo ook gij, beschouwt uzel-ven nu gestorven voor de zonde, maar levende voor God, in Christus Jesus, onzen Heer.

Evangelie vólgens den H. Marcus VIII : 1 — 9.

In dien tijd, toen er eene groote menigte met Jesus was en zij niet te eten hadden, riep Hij zijne leerlingen te zamen en zeide hun: Ik heb medelijden met de schare; want ziet, reeds drie dagen zijn zij aanhoudend bij Mij en hebben niet te eten, en zoo Ik hen ongespijzigd naar huis laat gaan, zullen zij op den weg bezwijken, want eenigen van hen zijn van verre gekomen. En zijne leerlingen antwoordden Hem: Van waar zal iemand hen hier in de woestijn met brooden kunnen verzadigen? En Hij vroeg hen: Hoeveel brooden hebt gij? Zij zeiden: zeven. En Hij gebood de schare op de aarde neder te zitten. En de zeven brooden nemend, brak Hij ze dankzeggend en gaf ze aan zijne leerlingen om voor te zetten; en zij zetten ze aan de schare voor. Zij hadden ook weinige vischjes, en ook deze zegende Hij en beval ze voor te zetten. En zij aten en werden verzadigd en zij namen wat overgeschoten was van de brokken op, zeven manden. Zij nu, die gegeten hadden, waren omtrent vier duizend, en Hij liet hen gaan.

-ocr page 139-

Zevende Zondag na Pinkster.

NOODZAKELIJKHEID DER DEUGDEN EN GOEDE WERKEN.

Les uit den Brief van den H. Paulus aan de Romeinen VI: 19 : 23.

De H. Paulus betuigt in dezen Epistel dat hij der menschelijke zwakheid in het beoefenen van deugden en goede werken gedachtig, menschelijker wijze zal spreken. Zoo veel het hem is toegestaan zal hij afdalen en slechts aansporen tot het hoogst noodige, tot het noodzakelijk vereischte ter zaligheid. Hij voert zijne geloovigen niet opwaarts naar de kruin van den berg der volmaaktheid, spreekt niet van de evangelische raden, die door den Zaligmaker aangeprezen de menschen tot engelen hervormen. Hij spreekt menschelijker wijze. Aan de voet van den berg der volmaaktheid blijft hy staan, want hij richt het woord tot christenen, zwak in deugd en onvolkomen in het geestelijke leven. Wat vraagt de Apostel van die zwakke christenen? Dat, gelijk zij eertijds hunne ledematen hebben overgegeven aan de zonde van oneerbaarheid en aan alle ongerechtigheden om zich zeiven dienstbaar te maken aan de zonde, zij nu ten minste hunne ledematen overgeven om de rechtvaardigheid te dienen, opdat zij zalig worden. Dit is de laagste graad van heiligheid, dien zij, eertijds dienstknechten der zonde, thans als dienaren der rechtvaardigheid te beoefenen hebben. Zoo ijverig als zij vroeger aan de zonde, moeten zij nu aan de rechtvaardigheid dienstbaar zijn. Hoe oneindig ook de Heer, wien zij nu dienen, verheven is boven hem, wien zij ten slaaf waren; hoe zeer ook de tegenwoordige dienstbaarheid de slavernij van satan, waar aan zij zich eertijds onderwierpen overtreffe ; hoe grootelijks het loon der deugd de soldy des kwaads te boven ga; de H. Paulus spreekt ter wille hunner zwakheid slechts over eene gelijke mate van dienstbaarheid. Als kwade boomen brachten zij kwade vruchten voort;

-ocr page 140-

136

als goede boomen moeten zij nu goede vruchten voortbrengen. Niet de naam, de schijn van christen, niet het geloof en het Doopsel alleen, zijn ter zaligheid voldoende. Beoordeelt uit de vruchten, zegt Jesus, en niet volgens den ui terlij ken vorm het gehalte van den boom. Plukt men wel druiven van doornen, of vijgen van distelen? Wacht u voor de valsche profeten, die in schaapskleederen tot u komen. Bedriegt u niet met te denken dat christen genoemd te worden, voldoende zij. Want, toen gij slaven der zonde waart, toen diendet gij onverdeeld de zonde, waart vrij van werken van deugd en heiligheid ; gij bracht als slechte boomen geene vrucht of slechte vruchten voort; maar zoo moet gij nu als goede boomen goede vruchten voortbrengen. De vrucht van het leven der zonde is de dood. Met schaamte denkt de christen aan zijn vroeger zondig leven. Hoe schandelijk en doodelijk vergiftigd was de vrucht van dien boom des verderfs; maar hoe heerlijk en levenwekkend is de genade Gods! Haar vrucht is heiligheid en eeuwig leven; een leven van deugden op aarde, een leven van glorie in den hemel. Wijdden de christenen, aan wie de H. Apostel schrijft, zich aan de deugd, zoo als zij zich eertijds aan de zonde hebben gegeven, dan zouden zij door de genade het eeuwig leven deelachtig worden.

EPISTEL.

Broeders; ik spreek menschelijker wijze, wegens de zwakte van uw vleesch; want gelijk gij uwe ledematen hebt overgegeven om der onzuiverheid en der ongerechtigheid ter ongerechtigheid te dienen, zoo geeft nu uwe ledematen over om de rechtvaardigheid ter heiligmaking te dienen. Want toen gij slaven waart van de zonde, waart gij vrij van de rechtvaardigheid. Maar-welke vrucht hadt gij toen van die dingen, waarover gij u nu schaamt? Want het einde daarvan is de dood. Maar nu vrij gemaakt van de zonde en dienaren van God geworden, hebt gij uwe vrucht in heiligmaking en als einde het eeuwig leven. Want de soldij der zonde is de dood; maar de genade van God is het eeuwig leven in Christus Jesus, onzen Heer.

-ocr page 141-

137

Evangelie volgens den H. Mattheus VII : 15 — 21.

In dien tijd zeide Jesus aan zijne leerlingen. Wacht u voor de valsche profeten, die in schaapskleederen tot u komen, maar inwendig grijpende wolven zijn; aan hunne vruchten zult gij hen kennen. Plukt men wel druiven van doornen of vijgen van distelen? Zoo brengt ieder goede boom goede vruchten voort, maar een kwade boom brengt kwade vruchten voort. Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen. Iedere boom, die geen goede vrucht voortbrengt, zal uitgehouwen en in het vuur geworpen worden. Derhalve aan hunne vruchten zult gij hen kennen. Niet ieder, die tot Mij zegt. Heer, Heer, zal ingaan in het rijk der hemelen; maar die den Wil doet mijns Vaders, die in de hemelen is, hij zal ingaan in het rijk der hemelen.

-ocr page 142-

Achtste Zondag na Pinkster.

DE KARDINALE DEUGD DER VOORZICHTIGHEID.

Les uit den Brief van den H. Paulus aan de Romeinen VIII: 12—17.

Alle menschen zijn voor God schuldenaren. Naar ziel en lichaam, naar het geestelijke en het tijdelijke zijn zij Gode schuldig. Alles, wat de mensch bezit, is het eigendom des Scheppers; hij is de rentmeester van zijn Heer. Maar wij vooral zijn schuldenaars aan God en niet aan het vleesch, aan de zonde. Ons vooral past de voorzichtigheid eens rentmeesters. Geschapen door God, zijn wij door den Zoon van God gekocht als eigendom. Wij zijn door het kostbaar goddelijk zoenbloed van Jesus verlost uit de macht des duivels en begiftigd met ontelbare genaden van oneindige waarde. Wij hebben eene verhoogde verplichting om eene schuld van de strengste rechtvaardigheid, van de levendigste dankbaarheid aan God te voldoen. De liefde moet ons meer dan de overige menschen alle middelen doen bedenken om ons zei ven meer en meer aan God toe te wijden en alle verkwisting van Gods genade te voorkomen. Alles, wat wij bezitten en zijn, zelfs de zoo dikwerf onrechtvaardige rijkdom, geld en goed, zy ons behulpzaam om dien verschuldigden plicht te voldoen. Dit streven der ziel is een der hoofddeugden van het Christendom : op haar steunen alle deugden ; zij heet de Kardinale deugd der Voorzichtigheid. De wereldling zij ons in zijne zondige bedrijvigheid als een prijzenswaardig voorbeeld. Hij, gedreven door haat voor de deugd en liefde voor de zonde, acht zichzelven niet als een schuldenaar van God, maar als een schuldenaar van het vleesch, _ van het zingenot. Met ziel en lichaam, met verstand en wil richt hij alle krachten naar de voldoening van zijn vermeende schuld. Hij denkt, hij zoekt, hij werkt dag en nacht om den Heer dien hij dient, niets schuldig te blijven.

-ocr page 143-

139

Hij leeft in de zonde. De kinderen der duisternis, zegt Jesus, zijn voorzichtiger in hun geslacht, dan de kinderen des lichts. De drift, waarmede de zondige mensch het kwade najaagt, doet hem met grooter beraad, met wijzer doorzicht handelen dan de Christen. De wereldling is dan ook aangeklaagd bij den goddelijken Kechter, als verkwistte hij het goed van zijn Heer. En ook gij, zegt de apostel, indien gij volgens het vleesch leeft, zult worden aangeklaagd en tot straf den dood sterven. Gij zult leven, indien gij de deugd beoefent en de zonde ontvlucht, zooals de wereldling de zonde bedrijft en de deugd verafschuwt. Dan zijt gij in het oog van God zijn aangenomen kind. Door Jesus Christus, den welbeminden Zoon des Vaders zijt gij voor God geen slaafsche dienstknecht, gelijk de overigemenschen, en gelijk ook eertijds de joden, die in vreeze aan God dienstbaar waren. Met hetzelfde woord, waarmede de Zoon van God zijn Vader aanroept, moogt gij uw Heer en Schepper toespreken: Abba; Vader. De H. Geest doet door uwe bestendige en naarstige medewerking de getuigenis in u leven, dat gij kinderen Gods zijt en deel hebt in het erfdeel van Christus. In afwachting van Christus, die zijn erfdeel met u zal deelen, deelt gij reeds met uwe lijdende broeders uwe aardsche bezittingen. De dikwerf onrechtvaardige mammon; het geld, dat het meerendeel der menschen dienstbaar is tot ongerechtigheid en zonde, moet u dienen om vrienden te maken in den hemel, om het groote gebod der naastenliefde in vervulling te brengen. De christelijke broederliefde is niet te scheiden van de deugd der geestelijke voorzichtigheid. De liefde toch is voorzichtiglijk bezorgd; de geliefde Zaligmaker leeft in den lijdenden broeder.

E P I S T E L.

Broeders; wij zijn schuldenaren niet aan het vleesch om volgens het vleesch te leven. Want, zoo gij naar het vleesch leeft, zult gij sterven; doch zoo gij door den geest de werken des vleesches doodt, zult gij leven. Want allen, die door den geest Gods geleid worden, zijn kinderen van God. Want gij hebt niet den geest der slavernij ontvangen, andermaal in vrees; doch gij

-ocr page 144-

140

hebt den geest der aanneming tot kinderen ontvangen, in welken wij roepen: Abba: (Vader)! Want de Geest zelf geeft getuigenis aan onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn. Doch zijn wij kinderen , dan ook erfgenamen; erfgenamen namelijk van God, en medeerfgenamen van Christus.

Evangelie volgens den H. Lucas XVT : 1 — 9.

In dien tijd zeide Jesus aan zijne leerlingen deze gelijkenis : Er was zeker rijk mensch, die eenen rentmeester had. En deze werd bij hem beschuldigd alsof hij zijn goederen verkwist had. Hij riep hem dan en zeide: Wat hoor ik dit van u ? Geef rekening van uw rentmeesterschap, want gij zult niet langer rentmeester kunnen blijven. De rentmeester zeide dan bij zichzelven; Wat zal ik doen, wijl mijn heer mij het rentmeesterschap afneemt. Spitten kan ik niet, te bedelen schaam ik mij. Ik weet, wat ik doen zal, opdat, als ik van, het rentmeesterschap zal afgezet zijn. zij mij in hunne huizen zullen opnemen. En na de schuldenaars van zijn heer ieder afzonderlijk geroepen te hebben, zeide hij aan den eerste: Hoeveel zijt- gij aan mijn heer verschuldigd? En deze zeide; honderd vaten olie. En hij zeide hem: Neem uw schuldbrief en zit spoedig neer, schrijf; vijftig. Vervolgens zeide hij tot een ander; En hoeveel zijt gij schuldig? Deze zeide; Honderd mudden tarwe. Hij zeide hem; Neem uwen brief en schrijf; tachtig. En de heer prees den onrechtvaardigen rentmeester, omdat hij voorzichtig gehandeld had , want de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger in hun geslacht dan de kinderen des lichts. En Ik zeg u; maakt u vrienden uit den mammon der ongerechtigheid, opdat, als gij zult bezwijken, zij u in de eeuwige woningen opnemen.

-ocr page 145-

Negende Zondag na Pinkster.

DE KARDINALE DEUGD DER MATIGHEID.

Les uit den Eersten Brief van den H. Pauius aan de Corinthiers X : 6 - 12.

De Matigheid is eene deugd. door welke de liefde tot God ons aandrijft do lusten der zinnen te temperen en niet te genieten dan voor zooverre de hoogere belangen der ziel het gedoogen. Die deugd be-heerscht geheel den christen. Zij is een grondslag niet te ondermanen zonder dat geheel het gebouw der Volmaaktheid ineenstort. Laat ons dan geeno begeerte hebben tot het kwaad, tot de zonde, die strijdig is aan de deugd der Matigheid, gelijk eertijds de Israëlieten begeerd hebben. Dezen begeerden in onmatigheid. Gedreven door eene zinnelijke trek naar vleesch-spijze verwierpen zy verachtelijk het hemel-brood, dat God hun van den hemel liet regenen. Tot straf werd hunne zondige lust op eene wonderdadige wijze voldaan. Eene menigte vogels vloog tegen den avond in het legerkamp neder. Zy aten het vleesch, waarnaar zij verlangden. Doch toen de vleesch-stukken nog tusschen hunne tanden waren , overviel hen eene ontzettende ziekte. De dood waarde onder hunne gelederen rond en ontelbare graven heffen nu nog dreigend op de plaats der misdaad hunne heuveltoppen omhoog en zijn aan alle volkeren bekend als de grafspelonken der begeerlijkheid. De onmatigheid heeft in haar onmiddellijk gevolg ziekten, dood des lichaams en verblinding des geestes. De grootste verblindheid des geestes is de afgoderij. Wordt geen afgodendienaars zegt de Apostel, gelijk sommigen der Israëlieten, zooals er geschreven staat: het volk zat neder om te eten en te drinken en stond op om te spelen. Het misdrijf, dat het uitverkoren volk pleegde, toen het in aanbidding lag neergeknield voor het gouden kalf, was onder meer vooral eene groote zonde van onmatigheid en ontucht. Bittere tranen

-ocr page 146-

142

stortte de Goddelijke Heiland over het blinde Jerusalem; van gramschap ontgloeit de Goddelijke Profeet, door Mozes voorspeld, als zyn oog de ontheiliging aanschouwt van het huis zijns Vaders en de afgoden der begeerlijkheid, op de tafelen der wisselaars , ziet opgerecht in het heilig voorhof. Wilt gij de reden kennen van die tranen en die gramschap, hoort dan en overweegt wat de Apostel in dezen Epistel zegt. De zondige afgodendienst bij Sinaï wordt door een ijzingwekkend strafgericht besloten. De broeder werd gelast tegen zijn broeder het doodend slagzwaard op te nemen. En al wordt iedere onmatige geen afgodendienaar zooals het ontrouwe Israël, in neiging en in streven is de onmatige Christen aan den afgodendienaar gelijk. Ook hij verlaat de Fontein van alle goed en werpt zich aan de voeten van het schepsel. Laten wij Christus niet tergen, zegt de H. Paulus. Knielt ook niet in uw geest ter neder voor het gouden kalf, want gij zoudt niet minder ergerlijk zijn voor den Heer, uw God, dan de afgodische joden en de heiligschenners van Jerusalems tempel. De Israëlieten versmaadden het Manna, het hemelbrood; zij verlangden een dierlijk voedsel. Tot straf werden zij door vurige slangen doodgebeten.. Uwe onmatigheid, onkuischheid, zucht naar geld en eer zal eene vurige slang worden, die u meer en meer in hare kronkels zal verpletten. Vergenoegt u met de gaven, met de heerlijke spijze, die Christus u geeft. Laat de zucht der onmatigheid in het minste niet uw hart beroeren, want gij zoudt ook gaan morren tegen God, gelijk de Israëlieten en zij werden door den Verderf-Engel nedergeslagen. De eerste mensch verzette zich tegen God bij den boom, wiens vrucht zijne begeerlijkheid had uitgelokt, en de Engel verdreef hem uit het aardsche Eden. De straffende Engel van Gods wraak trof menigmaal de morrende joden en treft op eene geestelijke wijze degenen, die door de tochten der onmatigheid worden aangegrepen en meegesleept. Alle deze dingen zijn den Israëlieten tot voorbeeld en waarschuwing van ons overkomen. Indien de jood, die zoover van Christus afstond, zoo gestreng door God werd gestraft; wat zal dan aan ons geschieden tot wie de volheid der eeuwen, Christus de Zaligmaker, is gekomen. De tranen van Jesus, zijne heilige gramschap voorspellen de verschrikkingen zijner gerechtigheid. Dat de christen derhalve, die meent te staan toezie dat hij niet valle. Zoo gemakkelijk kan de geest der onmatig-

-ocr page 147-

143

f

heid den mensch overheerschen. Alle zyne vermogens, alle zijne zinnen zyn voor die ondeugd ten alle tijden ontvankelijk. Door de beoefening eener uiterlijke boetvaardigheid, eener lichamelijke versterving vrij ware de Christen zich van de begeerlykheid en onder-houde in zijne ziel de deugd der Matigheid, de Kardinale deugd van het Christendom. Den boetvaardige, den verstorven Christen is het gegeven van overwinning te spreken. Voor hem is de bekoring menschelijk, de genade werkdadig. Hem is de kroon der eeuwige verwinning, als hij zichzelven overwint.

EPISTEL.

Broeders; Laten wij geene begeerte hebben tot het kwaad, gelijk ook zij begeerd hebben. Wordt ook geene afgodendienaars, gelijk eenigen van hen, zooals er geschreven staat: Het volk zat neder om te eten en te drinken en zij stonden op om te spelen. Laten wij ook geen ontucht bedrijven, gelijk eenigen van hen ontucht bedreven hebben; en op éénen dag vielen er drie en twintig duizend. Laten wij ook Christus niet tergen, gelijk eenigen van hen getergd hebben ; en door de slangen kwamen zij om. Mort ook niet, gelijk eenigen van hen gemord hebben; en zij zijn omgekomen door den verderf-engel. Dit alles nu is hun geschied v bij wijze van afbeelding en is geschreven ter waarschuwing van ons, tot wie de uiteinden der tijden gekomen zijn. Alzoo, die meent te staan, hij zie toe, dat hij niet valle. Geene beproeving grijpe u aan dan die menschelijk is. God nu is getrouw en zal niet gedoogen, dat gij boven uw vermogen beproefd wordt, doch Y Hij zal met de beproeving ook de uitkomst schenken, opdat gij

* ze kunt doorstaan.

i j

Evangelie volgens den H. Lucas XIX : 41 — 47.

In dien tijd, toen Jesus Jerusalem naderde en de stad zag, weende Hij over haar, en zeide: Ach dat ook gij, nog op dezen uwen dag, erkendet, hetgeen u tot vrede strekt; maar het is nu

-ocr page 148-

144

voor uwe oogen verborgen. Want er zullen dagen over u komen dat uwe vijanden u met een wal omringen, u insluiten en van alle kanten benauwen zullen; en zij zullen u tot den grond toe verdelgen met uwe kinderen, die in u zijn; en zij zullen in u den eenen steen niet op den anderen laten, wijl gij den tijd uwer bezoeking niet erkend hebt. En den tempel ingegaan zijnde, begon Hij degenen, die daar verkochten en kochten er uit te drijven en zeide hun: Daar staat geschreven: Mijn huis is een huis des gebeds; maar gij hebt het tot een roovershol gemaakt. En Hij leerde dagelijks in den tempel.

-ocr page 149-

Tiende Zondag na Pinkster,

DE KARDINALE DEUGD DER STERKTE.

Lea uit den Eersten Brief van den H. Paulus aan de Corinthiërs XIT : 2 — 11.

De eenheid is het zinnebeeld en de oorsprong der kracht. Waar eenheid is, is sterkte; waar eendracht is, is macht. Daar de Kerk van Jesus een is door goddelijke instelling, zoo behoort de deugd der sterkte tot haar wezen. Zij is gebouwd op de steenrots, en naar het beloftewoord van haar Stichter: de poorten der hel zullen de Kerk niet overweldigen. Één is de Kerk van Jesus bij uitnemendheid en alzoo is de deugd der sterkte voor iederen waren christen een Kardinale deugd des levens. Toen de Corinthiërs nog heidenen waren, kenden zij die eenheid der Sterkte niet. Zij gingen naar de stomme afgoden naar dat men hen leidde. Een geest van zielskrachteloosheid, van geestelijke zwakte beheerschte hen. Gelyk het redeiooze lastdier zich beweegt werwaarts het leidsel zich richt, zoo gingen de zinnelijke heidenen tot de altaren der afgoden naar dat de hartstochten hen dreven. Niemand, die spreekt door den geest Gods, den geest dei-sterkte, zal den naam van Jesus lasteren en de afgoden aanbidden. Waart gij, zegt de Apostel, eertijds met den geest bezield geweest, die nu aan u is gegeven gy zoudt tot de stomme afgoden niet gegaan zyn. Het is alleen door de genade des Heiligen Geestes, die u inzonderheid in het H. Vormsel de deugd der sterkte heeft ingestort dat gij in woorden en in daden belijden kunt: Jesus is mijn Heer. Gy allen hebt wel verschillende gaven ontvangen, verschillende bedieningen, verschillende werkingen, maar het is dezelfde geest, dezelfde Heer, dezelfde God. De H. Geest die u zyne gaven schenkt; de Heer, wien gij uwe diensten brengt : de God, wiens macht in u leeft. Hij is dezelfde, die alles in allen werkt. Hij is de Éénige, Sterke, Onsterfelijke God. Tegenover do

10

-ocr page 150-

14()

menigvuldigheid der stomme afgoden staat de Eenheid van den waren God; tegenover de zinnelijke krachteloosheid der heidenen staat de genadekracht van den christen, die volgens het Evangelie leeft. De sterkte van Jesus Christus is niet te vereenigen met menschelijko trots of eigenwaan. Die sterkte uit zich niet in geweld en over-heersching, zoo als de sterkte der wereld zich doet gelden. Want de openbaring des Geestes, de uitstorting van Gods genadekracht wordt aan een ieder gegeven tot voordeel, tot heil der zielen en niet tot verderf en onheil. Niet met den trotschen Farizeër, die verachtelijk op den tollenaar neerziet, dankt de christen zyn God voor hetgeen hij zijn eigen werk noemt. Met den tollenaar vraagt hij voor zich genade en ontferming. In den nederige alleen kan de kracht van Christus wonen. De sterkte der wereld verplettert; de sterkte van Christus bouwt op. De wijsheid, de wetenschap, een geloof, dat wonderen wrocht, de gave van de geestelijke bestiering der zielen, de gave der talen, dat alles, en nog meer is niet het werk van den mensch, maar van den H. Geest. Geen hoogmoed, zelfroem, of ydelheid beheerscht het hart van den christen, sterk door Gods genade. Hij weet, dat alles afdaalt van den Eenen God en vraagt voor zich genade en ontferming. Hij beschouwt zich zeiven niet als gerechtvaardigde door eigene kracht maar als hulpbehoevende, die in alles God van noode heeft. Hij is overtuigd zondaar te zijn, te kunnen zondigen. Dat bewustzijn doet bidden; dat gevoelen doet opwaarts gaan naar den tempel Gods. Sterkte en Vroomheid zijn woorden van verwante beteekenis. Door het gebed vertrouwt de christen te verkrijgen dat de liefde Gods zoozeer in zijne zielheersche dat alle bekoringen, die hem aanlokken tot de stomme afgoden zijner driften zwichten en het goede zegeprale. Daartoe ontving hij in het sacrament des Vormsels den Eidderslag van Jesus Christus. Het gebed is zijn wapen.

EPISTEL.

Broeders; G-ij weet dat, toen gij heidenen waart, gij tot de stomme afgoden gingt, zooals gij geleid werdt. Derhalve maak ik u bekend, dat niemand, die in den Geest Gods spreekt,

-ocr page 151-

U7

Jesus vloekt. En niemand kan zeggen: Jesus is de Heer, tenzij in den H. Geest. Er is nu verscheidenheid van genade-gaven, maar het is dezelfde Geest. En er is verscheidenheid van bedieningen maar het is dezelfde Heer. En er is verscheidenheid van werkingen, maar het is de zelfde God, die alles in allen werkt. Doch aan een ieder wordt de openbaring des Geestes gegeven tot voordeel. Den een wordt door den Geest het woord der wijsheid gegeven; aan een ander het woord der kennis volgens denzelfden Geest; aan een ander het geloof in denzelfden Geest; aan een ander de gaaf van genezingen in dien éénen Geest; aan een ander het werken van wonderkrachten; aan een ander de profetie; aan een ander de onderscheiding der geesten; aan een ander verscheidene talen; aan een ander de verklaring der talen. Dit alles nu werkt één en dezelfde Geest, verdeelende aan een ieder gelijk Hij wil.

Evangelie volgens den H. Lucas XVIIT : 0 — 14.

In dien tijd zeide Jesus tot eenigen, die in zich betrouwden als rechtvaardigen en de overigen versmaadden, deze gelijkenis. Twee menschen gingen opwaarts naar den tempel om te bidden: de een was een Farizeër, de andere een tollenaar. De Parizeer stond en bad aldus bij zich zeiven: God, ik dank u, dat ik niet ben, zooals de overige menschen: roovers, onrechtvaardigen, overspelers, noch ook zooals deze tollenaar. Ik vast tweemaal in de week; ik geef de tienden van alles, wat ik bezit. En de tollenaar, van verre staande, wilde zelfs zijne oogen niet ten hemel opheffen, maar hij sloeg op zijne borst zeggende: God wees mij zondaar genadig. Ik zeg u: Deze ging vandaar, boven den ander gerechtvaardigd, naar zijn huis; want al wie zich verheft, zal vernederd , en die zich vernedert, zal verheven worden.

-ocr page 152-

Elfde Zondag na Pinkster.

DE KARDINALE DEUGD DER RECHTVAARDIGHEID.

Les uit den Eersten brief van den II. Paulus aan de Corinthiërs XV : 1 -10.

De heilige mensch wordt rechtvaardig geheeten. Een ieder, die de genade Gods misbruikt, is een onrechtvaardige, een schuldige. De H. Paulus is bevreesd, dat de Corinthiërs, aan wie h;j schrijft, zich aan verzuim en misbruik van Gods genade zouden schuldig maken; zij, die zoo kostbare en zoo talrijke genade ontvangen hadden. Derhalve zegt hy tot hen: Mijne Broeders : ik herinner u met alle ernstigheid het Evangelie, hetwelk ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook hebt aangenomen, in hetwelk gij ook staat. Gelijk een doove, die niet hoort; gelyk een stomme, die niet spreekt, zoo is de Christen, die het geloof heeft ontvangen, maar volgens het geloof niet leeft. De Corinthiërs moesten het wel beseffen dat zij door het sakrament des Doopsel het geestelijke gehoor, de bovennatuurlijke gave des geloofs aan de leer van Christus, hadden ontvangen, en dat hun leven getuigenis moest geven van dat geloof. Zij toch stonden in het Evangelie; zij waren als overstelpt met genade. Het zou eene verradelijke trouwe, loosheid, eene grievende onrechtvaardigheid zijn, indien zij aan hunne roeping ontrouw werden. De weldoende Zaligmaker, die den doofstomme het gehoor en de spraak schenkt, heeft hun in het H. Doopsel het gehoor voor de volheid des Evangelie's geopend en door zijne krachtige genade den band hunner tong ontbonden tot lof van God. Zuchtte ae Goddelyke Zaligmaker, toen hij het wond erwerk aan den doofstomme verrichtte; wie zal de zuchten, de tranen, de bloeddruppelen tellen, die het leven dei zielen aan Jesus heeft afgeperst? Ik heb u overgeleverd, zegt de H. Paulus, wat ik ontvangen heb. De goede Jesus is voor u gestorven aan het kruis, opdat gij zoudt leven. Hij is gestorven volgens de

-ocr page 153-

149

schriften. Hij is begraven en verrezen volgens de schriften. Aan geen enkele profetie, aan geen letter zelfs der wet is de Zaligmakar te hunner liefde ontrouw bevonden. Alles vervulde Hij zooals het was voorzegd en beloofd. Hoe billik en rechtvaardig is het dan, dat de Corinthiërs en alle christenen hun Zaligmaker toebehooren; zij, die zoo plechtig en zoo herhaaldelijk beloofd hebben den Zaligmaker te dienen, zij, die het merkteeken van hun Goddelijken Koning in zich diagen. Dat zij steeds in toenemende volheid deelachtig worden aan het leven, dat de Verrezen Jesus is ingegaan. Dan ook zullen zij op den dag der algemeene rekenschap glorievol uit hunne graven opstaan; dan behoeven zij dien dag niet te vreezen. Alleen de onrechtvaardige vreest het uur des gerichts, het uur der rekenschap. Hij tracht zich zelfs te overtuigen, dat het oordeel nooit zal komen. De H. Paulus is voor alle geloovigen een toonbeeld van rechtvaardigheid. Hij noemt zichzelven een misgeborene, gedachtig aan zy'n vroegeren levenstijd. Hij zegt de minste der Apostelen te zyn by de herinnering aan de genadegunsten, die God hem gaf. Hij is voor zichzelven overtuigd niet waardig te zijn een apostel genoemd te worden Zietdaar hetgeen de H. Paulus aan zichzelven, aan zijn naaste, aan God toekent. Den Zaligmaker lovend, roept hij dankbaar uit: Wat ik ben, dit ben ik door de genade. Ik dank God dat ik de genade niet heb verkwist. In denzelfden geest, waarin de H. Paulus spreekt, leert de Zaligmaker ons handelen, als Hij zijn wonderwerk verbiedt bekend te maken.

EPISTEL.

Broeders; ik maak u het Evangelie bekend, dat ik ugepredikt heb, dat gij ook hebt aangenomen, in hetwelk gij ook staat, waardoor gij ook zalig wordt, indien gij het zóó vasthoudt gelijk ik het u gepredikt heb, tenzij gij zonder reden geloofd hebt. Want ik heb u in de eerste plaats overgeleverd, wat ik ook ontvangen heb: dat Christus voor onze zonden gestorven is volgens de schriften, en dat Hij begraven is, en dat Hij op den derden dag verrezen is volgens de schriften, en dat Hij versche-

-ocr page 154-

150

non is aan Cephas en daarna aan de elf. Vervolgens Is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders te zamen, van welke er tot nog toe velen leven, maar sommigen ontslapen zijn. Daarna is Hij verschenen aan Jacobus, daarna aan alle Apostelen; en het laatste van allen is Hij ook aan mij, als aan een misgeborene, verschenen. Want ik ben de minste der Apostelen , die niet waardig ben een Apostel genoemd te worden, daar ik de Kerk van God vervolgd heb. Door de genade van God evenwel ben ik wat ik ben, en zijne genade jegens mij is niet ijdel geweest.

Evangelie volgens den H. Marcus VII ; 31—37.

In dien tijd verliet Jesus het gebied van Tyrus en kwam door Sidon naar de zee van Galilea, midden in het gebied dei-tien steden. En zij brachten Hem eenen, die doofen stom was, en zij baden Hem, dat Hij hem de hand zoude opleggen. En hem van de schare afzonderlijk nemende, stak Hij zijne vingeren in deszelfs ooren en, gespuwd hebbende, raakte Hij deszelfs tong aan en, opziende naar den kemel verzuchtte Hij en zeirle tot hem: Ehpheta, dat is: Word geopend. En terstond werden zijne ooren geopend en de band van zijne tong werd ontbonden en hij sprak wel. Hij gebood hun nu, dat zij het aan niemand zouden zeggen. Maar hoe meer Hij hun dit gebood, des te meer verkondigden zij het, en des te meer verwonderden zij zich, zeggende: Hij heeft alles wel gedaan, èn de dooven heeft Hij doen hooien èn de stommen doen spreken.

-ocr page 155-

Twaalfde Zondag na Pinkster.

DE BEDIENING DER RECHTVAARDIGHEID,

Les uit den Ticeeden Brief van den H. Paulus aan de Gorinthiè'rs III: 4 — 9.

De vier kardinale deugden beheerschen geheel liet leven van den christen. Zij zijn als de organen, waardoor de ziel hare godsdienstige levensverrichting uitoefent. Zij zijn de bediening der Rechtvaardig-heid, eene bediening onovertrefbaar in heerlijkheid. Want de heilige mensch, nog levende in sterfelijk omhulsel, is reeds bij voorbaat als deelachtig aan de heerlijkheid der Verrijzenis. De Voorzichtigheid is hem als de gedienstige snelheid der zalige geesten, die zich bewegen voor den troon van God. De deugd der Matigheid ontheft hem aan het logge stof; zijn geest voert heerschappij over het vleesch en schenkt hem eenigermate de geestelijke onlijdelijkheid der hemelingen. De deugd dei-Sterkte geeft den christen de volharding, de eeuwige duurzaamheid van een leven in Gods liefde, terwijl de Rechtvaardigheid in zijne ziel uitstort den vrede van hen, die in Christus zijn ontslapen. Een heilig mensch is omstraald van heerlijkheid en vreugde. Zijne ziel bezit de geestelijke vlugheid der hemelsche geesten, hunne fijnheid en zalige onsterfelijkheid. Zalig is hij boven koningen en vorsten. Zalig de oogen, die zien hetgeen hij ziet; zalig de ooren, die hooren hetgeen hij hoort. Verre van hem dat hij zich in zichzelven verlustigt. De stroom des lichts, waarin hij zweeft, zoude plotselijk veranderen in dichte duisternis. Hij neigt zich steeds naar de bronader der heiligheid en geeft glorie aan den Oneindige. Wij hebben vertrouwen door Christus bij God zegt hij met den H. Paulus, want uit ons zeiven zijn wij zelfs niet bekwaam iets te denken. Onze bekwaamheid is uit God, die ons tot bekwame dienaars gemaakt heeft van het Nieuwe Verbond, niet door de letter maar door den Geest, niet door eene gerechtigheid, die

-ocr page 156-

steunt op eig'öii kracht en ontbloot ia aan goddelijken bijstand, niet ook, zoo als eertijds, door de gerechtigheid der letterlijke voorschriften des Ouden-Verbonds, die in zichzelven geene kracht bezaten. Want do letter doodt. Eigengerechtigheid maakt den onderhouder der wet tot een hoovaardige. Maar de geest maakt levendig. G-erechtigheid, wier oorsprong, leven en voleinding in den H. Geest, in de genade van Jesus Christus wordt bewerkt, geeft het leven aan de ziel. Zelfs de bediening des doods, de wet van Mozes bracht het leven voort, voor zooverre zij eene voorbereiding was van Christus komst op aarde. De voorbereidende genade van den Messias schonk het leven aan den ge-loovigen Israëliet, die de Tien Geboden onderhield, maar de onderhouding zelve gaf hem het leven niet. Zij was eene wet des doods, zonder gerechtigheid, daar zij uit zichzelve geene bovennatuurlijke kracht kon voortbrengen, den mensch nietr echtvaardigde. Zij werd nochtans door God op steenen tafelen gegrift en is door den geest, dooide genade van den toekomstigen Zaligmaker in heerlijkheid geweest en in kracht van genade. Het gelaat van Mozes straalde van oogver-blindenden luister, toen hij de tafelen der wet in zijne handen overdroeg aan Israel's kinderen ; hoeveel te meer zal de ziel van den christen uitblinken in glorie en majesteit, wanneer hij de wet des levens, de wet der liefde, niet in voorbereiding, maar in wezenlyklieid; niet in zijne handen, maar in zijn hart met zich draagt; eene wet, die door Jesus Christus hot leven in zichzelve heeft. De bediening-des Geestes, de bediening der Rechtvaardigheid is tweevoudig, gelijk de steenen tafelen van Mozes twee in aantal waren, maar zij is van ééne natuur. Het tweede gebod is aan het eerste gelijk. Bemint den Heer, uw God uit geheel uw hart. Bemint uw naaste als uzelven. Doe dat zegt Jesus, en gij beërft het leven der glorie, waarvan de Epistel gewaagt. De wet der liefde is de bediening der Rechtvaardigheid, overvloedig in heerlijkheid. De barmhartige Samaritaan houdt zich met die bediening onledig en toont aan alle christenen hoe zij naar zijn voorbeeld die bediening- moeten uitoefenen.

-ocr page 157-

153

E P I S T E L.

Broeders, zoodanig vertrouwen hebben wij door Christus bij God: niet dat wij uit ons zeiven genoegzaam zijn iets te denken als uit ons zeiven, maar onze genoegzaamheid is uit God, die ons ook tot bekwame dienaren gemaakt heeft van het Nieuwe Verbond, niet door de letter, maar door den Geest. Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. Indien nu de bediening des doods met letteren in steenen gegrift, in heerlijkheid is geweest. zoodat de kinderen van Israël hunne oogen niet konden vestigen op het aangezicht van Mozes om den glans van zijn gelaat, welke te niet gaat , hoe zal dan niet veel meer de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn? Want indien de bediening der veiooideeling heerlijkheid is, veel meer is de bediening der rechtvaardigheid overvloedig in heerlijkheid.

Evangelie volgens den H. Lucas X ; 23-37.

In dien tijd zeide Jesus aan zijne leerlingen: Zalig de oogen, die zien, hetgeen gij ziet. Want Ik zeg u, dat vele profeten en koningen gewenscht hebben te zien hetgeen gij ziet en zij hebben het niet gezien en te hooren hetgeen gij hoort en zij hebben het niet gehoord. En ziet, zeker wetgeleerde stond op. Hem beproevende, en zeide: Meester, door wat te doen zal ik het eeuwig leven bezitten? En Hij zeide tot hem: Wat staat in de wet geschreven? Hoe leest gij? Hij antwoordde en zeide: Gij zult den Heer, uw God beminnen uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit alle uwe krachten en uit geheel uw verstand, en uw naaste gelijk uzelven. En Hij zeide tot hem: Gij hebt goed geantwoord, doe dat en gij zult leven. Maar hij zich willende rechtvaardigen, zeide tot Jesus: En wie is mijn naaste ? En Jesus, het woord nemende, zeide: Zeker mensch kwam van Jerusalem af naar Jericho en viel onder roovers, die hem ook uitschudden en nadat zij hem wonden toegebracht hadden, weg

-ocr page 158-

154

gingen, en hem half dood lieten liggen. Het gebeurde nu, dat een priester denzelfden weg afkwam; en , hem gezien hebbende, ging hij voorbij. Insgelijk ook een leviet, toen hij nabij die plaats gekomen was en hem zag, ging voorbij. Maar zeker Samaritaan, eene reis makende, kwam nabij hem en, hem ziende, werd hij door medelijden bewogen. En naderende verbond hij zijne wonden, er olie en wijn ingietend, en legde hem op zijn lastdier en bracht hem naar eene herberg en droeg zorg voor hem. En den volgenden dag haalde hij twee tienlingen uit en gaf die aan den waard zeggende; Draag zorg voor hem en alles, wat gij meer ten koste zult leggen, zal ik u, als ik wederkeer, teruggeven. Wie van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn van hem, die onder de roovers was gevallen? En hij zeide: Die barmhartigheid aan hem heeft gedaan. En Jesus zeide hem: Ga en doe desgelijks.

-ocr page 159-

Dertiende Zondag na Pinkster,

GEHOORZAAMHEID AAN DE WETTEN DEK H. KERK.

Les uit den Brief van den H. Apostel Pauhis aan de Galaten 111; 16 — 22.

Aan Abraham werden de beloften gedaan en aan zijn Nazaat Jesus Christus, die in zijne menschelijke natuur, vereenigd met de Godheid, als Zoon van Abraham, als Zoon van David het heil der wereld heeft bewerkt. Do Zaligmaker was Abrahams zoon bij uitnemendheid. Hij toch was onder alle kinderen van Abraham, de Eenige, aan Wien de belofte der Verlossing was toegezegd en in Wien tevens die belofte zou worden vervuld. Wel bezaten alle kinderen van Abraham het goddelijk beloftewoord, maar Jesus van Nazareth alleen heeft èn de belofte èn de vervulling in zijn eigen persoon. Aan Hem was de belofte als aan een Eenige: dat Hij namelijk en Hij alleen de belofte aan zijn vader Abraham gedaan, als Zoon van God zou vervullen. Door gehoorzaam te worden tot den dood en tot den dood des kruises heeft Gods Zoon de belofte der Verlossing vervuld, gelijk Abraham, de vader van Christus naar de menschelijke natuur haar mocht ontvangen , toen hij in gehoorzaamheid aan God bereid was zijn eenigen Zoon Isaac op te offeren. In eene onovertroffene gehoorzaamheid is de belofte der Verlossing verkregen; door eene goddelijke gehoorzaamheid is die belofte vervuld. En ook zij, die aan de Verlossing willen deelachtig worden, zullen ziel en lichaam onderwerpen aan de leer en de wet van God. Zij zullen gehoorzamen aan een mensch, Gods stedehouder op aarde. De Mozaische Wet, die vier honderd dertig jaren na Gods belofte aan Abraham, op den berg Sinaï werd uitgevaardigd, heeft het testament, de belofte van God met Abrahams zonen, het verbond der Besnijdenis, niet vernietigd, noch krachteloos gemaakt. Do wet van Mozes ging zwanger van den Christus, ofschoon

-ocr page 160-

156

zij de vervulling niet was van de belofte Gods. Want alle de voorschriften der Joodsche Wet, hoe getrouw ook opgevolgd, konden geen verlossing aan de wereld schenken. Het erfrecht op den hemel is niet uit de Oude-Wet, maar door de belofte, die God uit loutere barmhartigheid aan Abraham en zijn nageslacht heeft gedaan. Waartoe is dan de Wetquot;? Gedurende eene lange reeks van tijden had God beloofd en nogmaals beloofd, dat Israels Verlosser zou komen en dat tijdstip naderde, al was het van verre. De Mozaïsche Wet was eene nadere voorbereiding tot Christus komst op aarde. Zij moest den weg bereiden voor den lang verbeiden Messias. Zij toch herstelde de wet der natuur, die door den Schepper in 's menschen hart gedrukt, in zonde en boosheid ten ondergang neigde. Ofschoon de zonde door haar niet werd uitgedelgd, verlevendigde zij evenwel het schuldbesef -en deed de zonde als zonde kennen. Om der overtredingen wil is zij gesteld totdat de Verlosser der wereld komen zoude. Zij vervulde do zielen der rechtvaardigen met een verhoogd verlangen naar den dag der redding en vergiffenis. Door aan die wet te gehoorzamen konde de wereld deelachtig worden aan de toekomstige verdiensten van het lijden en sterven des Hoeren en werd zij opgeleid tot de gehoorzaamheid, die Christus Jesus eenmaal van zijne geloovigen zou vorderen. Uit de ongehoorzaamheid kwam de dood voort; uit de gehoorzaamheid zal het leven ontluiken. God heeft zijne Engelen gelast om die wet van het Oude-Verbond aan zijn middelaar Mozes op twee steenen tafelen te overhandigen. Zij werd met ontzettende heerlyk-heid op den Sinaï afgekondigd. Maar oneindig voortreffelijker en luistervoller is de belofte, die door de gehoorzaamheid van Jesus Christus is vervuld. De Oude-Wet werd aan de joden gegeven door tusschen-komst van een middelaar, van Mozes, een sterfelijk mensch, maar de belofte werd onmiddellijk, door den Oneindigen God aan Abraham gedaan. De Wet werd gegeven door Mozes, een man naar Gods hart, maar de belofte der Verlossing is vervuld door Jesus Christus, den welbeminden Zoon des Vaders. God is- één. De Belover en Hij, aan Wien de belofte der Verlossing is vervuld, zij zijn één. Hij is de Ongeschapen Zoon van God, in eenheid van wezen met God, zijn Vader. De werken der wet konden uit zichzelven het leven niet geven, doch wanneer zij volbracht werden in eene geloovige gehoor-

-ocr page 161-

zaamheid, in vertrouwen op Gods belofte, dan en dan alleen zou de wet van Mozes aan Israël ter zaligheid zyn. Die wet zou de afschuwelijke rampzaligheid der zonden doen kennen. Zij besloot alles onder de zonde, opdat de geloovige Israëliet door het gevoel zijner ellende zich tot den Messias zou keeren en door eene geloovige gehoorzaamheid aan de werken der Oude-Wet deel zou hebben aan de vervulling van de belofte der verlossing.

Eene geloovige gehoorzaamheid aan de voorschriften der Wet was den Jood ter zaligheid volstrektelijk noodig. Hoeveel te meer is dan de christen gehouden aan de wetten van het Nieuwe-Verbond, hem geleerd door de H. Kerk. Hij zag den Zoon van God in gehoorzaamheid sterven aan het kruis. „Toen Jesus zijn hoofd gebogen had, gaf Hy den geest.quot; Hij hoort, hoe de Zaligmaker hem heden toeroept: Ga en vertoon u aan de priesters. Onderwerp u in alles aan de H. Kerk en gij zult bevrijd worden van uwe melaatschheid, van uwe geestelijke en tijdelijke ellende.

fi P I S T E L.

Bloeders; Aan Abraham zijn de beloften toegezegd, en aan zijn nazaat. Daar staat niet: En aan zijn nazaten als van velen, maar als van éénen: En aan uw nazaat, die Christus is. Dit dan zeg ik; de wet, die vier honderd en dertig jaren daarna is gegeven, verijdelt niet het Verbond, door God bekrachtigd, zoodat de belofte vernietigd zoude zijn. Want, indien de erfenis uit de wet is, is zij niet meer uit de belofte. Aan Abraham echter heeft God haar door belofte gegeven. Wat is dan de Wet ? Om de overtredingen is zij gesteld, totdat de nazaat komen zoude, aan wien Hij beloofd had, verordend als zij is door Engelen in de hand eens middelaars. Een middelaar nu is niet van één alleen, maar God is één. Is de wet dan tegen Gods beloften? Dat zij verre. Want, indien er eene wet was gegeven, welke levend konde maken, de rechtvaardigheid zoude waarlijk uit de wet zijn. Maar de Schrift heeft alles onder de

-ocr page 162-

158

zonde besloten opdat de belofte uit het geloof in Jesus Christus aan de geloovigen zou worden gegeven.

Evangelie volgens den H. Lucas XVII : 11 — 19.

In dien tijd, terwijl Jesus naar Jerusalem ging, trok Hij midden door Samarie en Galilea. En toen Hij zeker vlek intrad, liepen Hem tien melaatsche mannen tegemoet, die van verre bleven staan en hunne stem verhieven, zeggende: Jesus, Meester, ontferm u onzer. En toen Hij hen zag, zeide Hij: Gaat, vertoont u aan de priesters. En het geschiedde, dat zij, terwijl zij gingen. gezuiverd werden. Een nu van hen, toen hij zag dat hij gezuiverd was, keerde terug, met luide stem Clod verheerlijkende en dankzeggend viel hij op zijn aangezicht voor deszelfs voeten, en deze was een Samaritaan. Jesus nu antwoordde en zeide; Zijn er geen tien gezuiverd? En waar zijn dan de negen? Daar is niemand gevonden, die terugkeerde en God verheerlijkte dan deze vreemdeling. En Hij zeide hem: Sta op, ga, want uw geloof heeft u behouden.

-ocr page 163-

Veertiende Zondag na Pinkster.

ONS BONDGENOOTSCHAP MET JESUS CHRISTUS.

Les uit den Brief van den H. Pcmlns aan de Galaten V : 16 — 24.

Ondanks de nietigheid des menschen heeft de Oneindige God met hem een verbond gesloten; een verbond tegen een vijand die de menschen haat, omdat hjj God haat. Toen Lucifer Gode naar do kroon stond, wierp de Allerhoogste hem in een oogwenk ter neder. God kon Satan ontberen, maar de duivel heeft God nooit kunnen vergoten. Hij haat God en zal Hem eeuwig haten. Die haat is machteloos. De duivel werpt zich nu met teugellooze woede op den mensch, die naar de beeltenis van God is geschapen. Dit weet de Alwetende, die als Zaligmaker op aarde kwam om een verbond met ons te sluiten tegen zijnen en onzen tegenstander. Maar de mensch bezit een vrijen wil. Het staat aan hem, wien zijne diensten toe te wijden. God of den Satan. Jesus en Beëlzebub zijn in eene eeuwige vijandschap. Ieder mensch behoort of aan den Christus of aan den Engel der duisternis. Niemand kan deze twee hoeren tegelyk zijne diensten brengen. Die zich onttrekt aan de dienstbaarheid van don eenon, wordt de vriend van don anderen. „Wie niet met Mij is,quot; zegt Jesus, „hij is tegen Mij.quot; Wij nu hebben de partij gekozen van den Zaligmaker, plechtig ons verbonden als zonen der Kerk te leven. En de Verlosser van zijne zijde heeft ons zijn goddelyk woord verpand dat nimmer de alvermogende genade ons zou ontbreken. De bystand Gods zal den bondgenoot des Hoeren versterken, zoo dat hij niet doet, waartoe de begeerlijkheid hem uitlokt. De goddelijke Veldheer heeft zijne dienaren de overwinning toegezegd. De ware geloo-vigen worden steeds geleid door den H. Geest. De afstand tusschen

-ocr page 164-

160

Christus en den duivel is oneindig, maar ook tusschen den rechtvaardige en den wereldling ligt eene klove, die niet aan te vullen is. Bekend zijn de werken des vleesches. Leest aandachtig het afschuwelijk zondental, dat de H. Apostel in dezen Epistel heeft opgeteekend en gy beseft welk een afstand er ligt tusschen den bondgenoot van Christus en den bondgenoot des duivels. De wereldling leeft in onkuischheid, in afgodendienst, in vijandschap en twist. Nijd, moord, dronkenschap en dergelijken zijn hem eigendommelijk. Zijn einde is het verderf. Bekend zijn de werken des H. Geestes. Deze werken zyn vruchten, die voortkomen uit den H. Geest, vruchtbaar ten eeuwigen leven. Tegen hen is de wet der verschrikking niet. Zij zijn liefde en blijheid; vrede en geluk. De christen bezit de heiligmakende genade ^ de voorkomende genade, de bijstaande genade en de volmakende genade. Hij is allerinnigst met Jesus, zijn machtigen Bondgenoot in deelgenootschap. Hij is als met zijn Zaligmaker aan het zegepralende kruis geklonken en gestorven aan de wereld, dood voor zijn helschen vijand. Ook de rechtvaardige zegt: „de vorst der wereld komt, maar heeft niets aan mij.quot; De christen is één met den gekruisigden Heiland, die door het kruis de wereld overwint. Waar sprake is van zoodanig eene gemeenschap, zoo innig een verbond; daar wordt het woord begrepen dat Jesus in het Evangelie spreekt : „Weest niet bekommei-d zeggende: wat zullen wij eten of wat zullen wij drinken.quot; Uw Hemelsche Vader weet, wat gij noodig hebt.

EPISTEL.

Broeders; Wandelt naar den geest en gij zult de begeerten van het vleesch niet volbrengen. Want het vleesch begeert tegen den geest, en de geest tegen het vleesch; want deze zijn met elkander in strijd, opdat gij niet datgene doet, wat gij wilt. Maar, zoo gij door den Geest geleid wordt, zijt gij niet onder de wet. Bekend nu zijn de werken des vleesches, welke zijn: onkuischheid, onreinheid, ontuchtigheid, wellust, afgodendienst , tooverkunst, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, gramschap, gekrakeel, verdeeldheden, scheuringen, nijd, moor-

-ocr page 165-

161

den, dronkenschappen, brasserijen en dergelijken, waarvan ik u voorzeg, gelijk ik u reeds voorzegd heb , dat die zoodanige dingen doen het rijk Gods niet zullen verwerven. Maar de vrucht des Geestes is; liefde blijdschap, vrede, verduldigheid, goedertierenheid , goedheid, lankmoedigheid, zachtmoedigheid, getrouwheid, zedigheid, ingetogenheid, eerbaarheid. Tegen zoodanigen is de wet niet. Die nu aan Christus toebehooren, hebben hun vleesch gekruisigd met zijne ondeugden en begeerlijkheden.

Evangelie volgens den H. Mattheus VI : 24 — 33.

In dien tijd zeide Jesus aan zijne leerlingen: Niemand kan twee heeren dienen; want hij zal of den eenen haten en den anderen liefhebben of den eenen verdragen en den anderen versmaden. Gij kunt God en den Mammon niet dienen. Daarom zeg Ik u: Weest niet bekommerd voor uw leven, wat gij zult eten, noch voor uw lichaam, waarmede gij u zult kleeden. Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam niet meer dan de kleeding? Aanschouwt de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch in schuren verzamelen en uw hsmelsche Vader voedt ze. Zijt gij niet veel meer waard dan zij ? En wie van u kan met zijne zorg één el aan zijne lengte toevoegen? En wat zijt gij voor kleeding bezorgd? Beschouwt de leliën des velds, hoe zij groeien; zij arbeiden noch spinnen. En Ik zeg u, dat Salomon zelf in al zijne heerlijkheid niet gekleed is geweest gelijk een van die. Indien dan God het veldgewas , dat heden is en morgen in den oven geworpen wordt, zoo kleedt, hoe veel te meer u, gij kleingeloovigen. Wilt dan niet bekommerd zijn zeggende: wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleeden? Want voor dit alles zijn de heidenen bezorgd. Want uw Vader weet, dat gij dit alles noodig hebt. Zoekt dan eerst het ryk Gods en zijne gerechtigheid en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.

11

-ocr page 166-

Vijftiende Zondag na Pinkster.

ZACHTMOEDIGE LIEFDE VOOR DE ZONDAARS.

Les uit den Brief van den II. Paulus aan de Galaten V : 25— 26 ; VI: 1 10.

Zoo wij naar den geest van Christus leven, dan is ook onze handel en wandel door dien geest geteekend. Het leven uit zich in daden; zoo is de orde der natuur, zoo is de ordening der genade. De nederige Zaligmaker sprak tot zijne leerlingen; „Leert van Mij dat Ik zachtmoedig en ootmoedig van harte ben,quot; en naar die goddelijke les trachten de geloovigen hun hart tot een evenbeeld te maken van den Zaligmaker, de fontein van alle liefde en goedheid. Zij zijn niet belust naar de ij dele eer dei-wereld, elkander tergende, elkander benijdende. Eigenbaat en zelfzucht moet aan het kind van God geheel en al vreemd zijn. Gel jk de medelijdende liefde eene Veronica bezielde om het heilig aanschijn des Heeren op zijn kruisweg te zuiveren, zoo verkwikt en laaft de rechtvaardige zijn medebroeder op den lijdensweg naar den hemel, en vooral, hij zuivert en herstelt de besmeurde beeltenis des Zaligmakers in de zielen der zondaren. Ook aan hem wordt als loon eene treffende gelijkenis met Christus geschonken. Eene heilzame vrees voor eigene zwakheid bevangt hem bij het beoefenen van die verhevonste aller liefdediensten. Bewogen met het lot van den armen zondaar vreest hij voor zichzelven en hij geeft acht, opdat hij ook niet ten val komen. De nederigheid schiet in zijne ziel steeds dieper wortel. Als een andere Simon van Cyrene draagt hij met den Zaligmaker het kruis, dat de wereld verlost; de lasten van zijn naasten mede-dragende , volbrengt hij de wet van Christus, die gebiedt God te beminnen boven al en den naaste gelijk zichzelven. Niet in den geest van aanmatiging treedt hij op om de zondaars te bekeeren. V ant zoude iemand meenen iets te zijn, terwijl hij niets is, hij bedriegt

-ocr page 167-

163

zichzelven. In het bewustzijn van eigene ongerechtheid en zwakte beproeve ieder zichzelven en roeme niet in een ander. Eigen zondenschuld beseffende, kloppe men aan bij den armen zondaar en wekke hem ter bekeering. In nederigheid, wel wetende dat een ieder zijn eigen last zal aandragen voor het oordeel van een Heiligen Rechter. En geschiedt het, dat de zondaar getroffen wordt door Gods genade, dan schenke deze aan zijn leermeester en leidsman van hetgeen hij heeft. quot;Want het is steeds in de Kerk van Jesus : een steunen en helpen van elkander, als leden van één lichaam. Hij, door wien God u de geestelijke goederen schenkt, ontvange van u het onderhoud voor zijn aardsche leven. Geen enkele geloovige leve voor zichzelven alleen. Die in zijn vleesch zaait, voor zichzelven bezorgd is en een lichaam des doods koestert en verwent, zal van zichzelven het eeuwig verderf maaien; maar die naar den geest van Christus leeft als levend lidmaat van het geheimzinnig lichaam zijner Kerk, zal van den geest het eeuwig leven maaien, en de glorie der Verrijzenis deelachtig worden : „Geeft en u zal gegeven worden.quot;

De Kerk des Heeren is als eene treurende weduwe, zoo dikwijls een harer kinderen den geestelijken dood der zonde sterft. Iedere ziel is haar meer dierbaar dan een eenige zoon aan zijne moeder. Daar nadert Jesus en raakt met zijne genade den geestelijken doode. De nederige en zachtmoedige geloovige is menigwerf de hand van God, waarmede de zondaar tot het leven wordt opgewekt. De nederige wordt door God gebruikt om een bekeeringswerk te verrichten, een werk, grooter dan de schepping van hemel en aarde; wonderbaarder dan het oproepen van een doode tot het leven.

EPISTEL.

Broeders; Indien wij door den Geest leven, laten wij dan ook naar den Geest wandelen. Laten wij niet belust worden naar ij delen roem, elkander tergende, elkander benijdende. Broeders; mocht ook iemand door eenige overtreding verrast worden, brengt gij, die geestelijk zijt, den zoodanige tot inkeer, in geest van zachtmoedigheid, achtslaande op uzelven, opdat ook gij

-ocr page 168-

164

niet bekoord wordt. Draagt elkanders lasten en zoo zult gij de wet van Christus volbrengen. Want, indien iemand meent iets te zijn, ofschoon hij niets is, hij bedriegt zichzelven. Een ieder nu beproeve zijn eigen werk en zoo zal hij in zichzelven alleen roem hebben, en niet in een ander. Een ieder toch zal zijn eigen last dragen. Hij echter, die in het woord onderwezen wordt, deele dengenen, die hem onderwijst van alle goederen mede. Bedriegt u niet, God laat zich niet bespotten. Want hetgeen de mensch gezaaid heeft, dit zal hij ook maaien. Want die in zijn vleesch zaait, zal ook van het vleesch het verderf maaien; maar die in den geest zaait, zal van den geest het eeuwig leven maaien. Laten wij dan, het goede doende, niet verflauwen, want, indien wij niet verflauwen, zullen wij op zijn tijd maaien. Laten wij derhalve, terwijl wij tijd hebben, goed doen aan allen, maar vooral aan de huisgenooten des geloofs.

Evangelie volgens den H. Lucas VII : 11 —16.

In • dien tijd ging Jesus naar eene stad die Naïm genoemd wordt, en zijne leerlingen en eene talrijke schare gingen met Hem. Als Hij nu de poort der stad naderde, zie, daar werd een doode uitgedragen, een eenige zoon zijner moeder, en deze was weduwe en daar was veel volk uit de stad met haar. Als de Heer haar zag, werd Hij door medelijden met haar bewogen en zeide tot haar: Ween niet. En Hij naderde en raakte de baar aan. (De dragers nu stonden stil.) En Hij zeide; Jongeling! Ik zeg u, sta op. En de doode zat overeind en begon te spreken. En Hij gaf hem aan zijne moeder. En vrees beving allen en zij verheerlijkten God en zeiden: Een groot Profeet is onder ons opgestaan; en God heeft zijn volk bezocht.

-ocr page 169-

Zestiende Zondag na Pinkster.

DE FARIZEESCHE ERGERNIS.

Les uit den Brief van den H. Paiilus aan de Ephesiërs III : 13 — 21.

Paulus, die de boeien der gevangenschap draagt ter wille vnn liet geloof, dat hij verkondigt, smeekt dat de geloovigen van Ephese zich niet zullen ergeren aan dat schouwtooneel. „Ik smeek n, mijne Broeders, dat gij om mijne verdrukkingen voor u niet kleinmoedig wordtquot; De groote Apostel is in zijn heilig martelaarschap een voorwerp van ergernis. Die zich daar aan ergerden, bezaten meer den naam dan het hart eens christens. Wat toch sterkt en steunt meer het geloof, dan het aanschouwen van een martelaar, die voor de waarheid zijner prediking vervolging en smarten verduurt. De martelaar is de getuige van Christus, wiens leer in zijn bloed wordt bevestigd. Wie daaraan ergenis nemen, verdienen cene plaats naast den Parizeer, die den Zaligmaker in zijn huis ter maaltijd noodde. De weldoende Verlosser wordt aldaar door de vergaderde schijnheiligen met bespiedende blikken gadegeslagen. Hij zou den dag des Heeren onteerd hebben door een wonder van naastenliefde, door de genezing, die Hij schenkt aan een ongelukkige! Paulus en Christus, zij zijn een steen des aanstoots voor den heilige, die heilig is in schijn. Christus wordt in zijne wonderwerken en do Apostel in zijn heldhaftig lijden aangevallen en gelaakt. Vanwaar die farizeesche ergernis? Waarom nemen de christenen somtijds aanstoot daar, waar zij zich moesten stichten en hun geloof vermeerderen? De geestelijke hoogmoed heeft zich van hun hart meester gemaakt. De hoovaardij heeft de oogen hunner ziel verduisterd en het Kruis van Jesus wordt hun een schande. Do H. Paulus roemt op zijne ketenen en boeien. Hij buigt zijne knieën voor God den Vader van Jesus Christus om Hem voor die

-ocr page 170-

106

glorie dank te zeggen en opdat ook zijne geloovigen de rijkdommen dier glorie erkennen: deel te hebben in de vernederingen des Heeren. De Goddelijke Heiland wyst op de zielewonde van den hoogmoed, wanneer Hij hét tafereel voorstelt van een bruiloftsdisch, waar de gasten zich om de eereplaatsen verdringen. En Paulus bidt dat zijne geloovigen mogen kennen de breedte en de lengte, de hoogte en de diepte van Gods liefde. Dat zij haar mogen kennen, zooals de Heiligen haar kennen. De breedte zal hun zeggen, dat Jesus liefde ook den berouw-hebbenden zondaar omvat. De lengte zal hen wijzen op eene eeuwigheid van duur. God kan wachten, want Hij is eeuwig, en daarom spaart en gedoogt Hij den zondaar. De hoogte zal hen verzekeren, dat de diepst gevallene zich kan opheffen tot de reien der gelukzaligen en engelen. De diepte zal hen overtuigen, dat zelfs het kwaad door Gods liefde kan dienstbaar worden ten goede. Door Christus Jesus is alles, wat in de Kerk geschiedt tot eer en roem van God zijn Vader, die ook de Vader is van alles, wat in den hemel en op de aarde genoemd wordt. Om die wetenschap der heiligen te kunnen leeren is nederigheid van harte noodig. De nederigheid is de wortel der deugd. Geworteld en gegrondvest in Jesus liefde zal de nederige door do stormen der ergernis niet geschaad worden. Hij is vervuld met de volheid van de gaven Gods, die door zijne kracht in hem werkt.

E P I S T E L.

Broeders; Ik smeek u, dat gij niet kleinmoedig wordt om mijne verdrukkingen voor u, die uwe eer zijn. Daarom buig ik mijne knieën voor den Vader van onzen Heer Jesus-Christus, uit Wien alle vaderschap in de hemelen en op aarde genoemd wordt, opdat Hij u volgens de rijkdommen zijner heerlijkheid geve, dat gij door zijn Geest met kracht naar den inwendigen mensch versterkt wordt, dat Christus door het geloof in uwe harten wone; opdat gij, in de liefde geworteld en gegrondvest, met al de heiligen in staat moogt zijn te bevatten, welke de breedte en lengte en hoogte en diepte zij, en te kennen de liefde van Christus, die alle kennis te bovengaat, opdat gij moogt vei -

-ocr page 171-

167

viild worden tot alle volheid Gods. Hem nu , die naar de kracht, welke in ons werkt, machtig is alles overvloediger te doen, dan wij bidden of begrijpen, Hem zij glorie in de Kerk en in Christus Jesus gedurende alle geslachten van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.

Evangelie volgens den H. Lucas XIV : 1 — 11.

In dien tijd, toen Jesus op een sabbathdag het huis van een overste der Farizeën binnenging om brood te eten, sloegen zij acht op Hem. En zie, een waterzuchtig mensch was daarvoor Hem. En Jesus nam het woord en zeide tot de wetgeleerden en Farizeën: Is het geoorloofd op den Sabbathdag te genezen ? Maar zij zwegen. Hij vatte hem dan aan, genas hem en liet hem gaan. En Hij sprak tot hen en zeide: Wie onder u zal niet, als zijn ezel of os in den put valt, dien terstond, op den Sabbath, daaruit trekken? En zij konden Hem hierop geen antwoord geven. Hij sprak ook tot de genoodigden eene gelijkenis, daar Hij opmerkte, hoe zij de eerste plaatsen uitkozen; en Hij zeide tot hen; Als gij ter bruiloft genoodigd zijt, ga dan niet op de eerste plaats zitten, opdat er misschien niet iemand aanzienlijker dan gij verzocht zij en hij, die u en hem verzocht heeft, inkomende tot u zegge: Maak plaats voor dezen, en dan zoudt gij met schaamte de laagste plaats moeten gaan innemen. Maar, als gij genoodigd zijt, ga op de laagste plaats zitten, opdat hij, die u genoodigd heeft, als hij komt, tot u zegge : Vriend, ga hooger op. Dan zal u eer te beurt vallen, voor hen, die mede aanzitten. Want eenieder, die zich verheft, zal vernederd en die zich vernedert, zal verheven worden.

-ocr page 172-

Zeventiende Zondag na Pinkster.

DE KARAKTERISTIEKE DEUGD YAN HET CHRISTENDOM.

Les uit den Brief van den II. Paulus aan de Ephesièrs IV : 1-6.

„Ik bid U, Vader, dat zij één mogen zijn, gelijk Wij.quot; Deze bede, die de Verlosser op zijn weg naar den hof der smarten heeft gebeden, is verhoord. In do Kerk van Christus heerscht eene eenheid van liefde en vrede, zoo uitnemend en verheven, dat zij slechts ovei-straald wordt door de Goddelijke Eenheid van Vader, Zoon en Heiligen Geest. De geloovigen worden door den Apostel aangemaand waardiglijk te wandelen als kinderen der Kerk, wier goddelijke eenheid zij deelachtig zijn. Boven alles moeten zij de liefde voor elkander in onderlinge vrede beoefenen. Die liefde openbaart zich in de meest nederige gevoelens omtrent zichzelven, in de meest welwillende gezindheid voor anderen. De Apostel, die de ketenen der gevangenschap draagt; die in geestelijken en lichamelijken zin door de banden dei-liefde voor Christus en de geloovigen is gebonden, vraagt hier dat de geloovigen zich zullen binden door den band des vredes, door welke alle leden der Kerk gebonden zijn. Zij hechten zich aan elkander als leden van één lichaam, bezield dooi' denzelfden geest. De gebondene in den Heer smeekt, dat die band der liefde met God en met elkander onderling nooit door iemand verbroken worde. De christenen hebben als deelgenooten van dezelfde belofte, ééne hoop: de onvergankelijke heerlijkheid der hemelsche glorie; zij. hebben één geloof: dezelfde geloofswaarheid is aan allen gegeven, door allen aangenomen en beleden en beoefend: zij hebben één Doop: het Sacrament der wedergeboorte bezit voor allen dezelfde beteekenis en kracht, waardoor allen met Christus zijn vereenigd en in de kerk ingelijfd. Dat zij dan ook één zijn in de liefde. Hebben zij één God, dien zij als den Eenigen

-ocr page 173-

169

en waren kennen; zij hebben ook in Hem één Vader, wier kinderen zij zijn. Hij, die verheven is boven allen, is ook in hen allen. Wie zyn broeder miskent, miskent God, die in den broeder leeft. En alzoo verklaart zich de reden. waarom het tweede gebod der liefde gelijk is aan het eerste, en waarom hij, die het tweede gebod verbreekt, ook het eerste heeft geschonden. Nu begrijpen wij, waarom Christus, als Hij aan de schijnheiligen de deugd van naastenliefde predikt, aanstonds zijne leering vervolgt , sprekende over de onbegrijpehjke eenheid, die er is tusschen Hem en den Vader. „Wat dunkt u van den Christus, wiens Zoon is Hij ?quot; Hoe kan de huichelende christen, die den God der liefde miskent in zyn evennaaste, Hem belijden in het mysterie van Jesus grenzenlooze liefde; Hom erkennen in het aanbiddelijk geheim der Menschwording van Gods Zoon ! Gods-dienstigheid zonder naastenliefde is eene onmogelijkheid.

E P I S T E L.

Broeders; Ik, de gebondene in den Heer, bid u dat gij de roeping waardig wandelt, waartoe gij geroepen zijt; elkander verdragende in liefde, met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid; u beijverende de eenheid des geestes door den band des vredes te bewaren ; één lichaam en één geest, gelijk gij tot ééne hoop uwer roeping geroepen zijt. Eén Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die boven allen, en door alles en in ons allen is, die gezegend is in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Evangelie volgens den II. Matthews XXI1 : 35 46.

In dien tijd naderden de Farizeën tot Jesus en een van hen, een leeraar der wet ondervroeg Hem, om Hem te beproeven: Meester, welk is het grootste gebod in de wet? Jesus zeide Hem: Gij zult den Heer uw God beminnen, uit geheel uw hart en met geheel uwe ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grootste en het eerste gebod. En het tweede is daaraan gelijk;

-ocr page 174-

170

Gij zult uwen naaste beminnen gelijk uzelven. Aan deze twee geboden hangt de geheele wet en de profeten. Daar nu de Fari-zeën bijeen waren, ondervroeg Jesus hen en zeide: Wat dunkt u van den Christus? Wiens zoon is Hij? Zij antwoordden Hem: van David. Hij zeide hun: Hoe noemt David Hem in den geest dan Heer: zeggende: De Heer heeft aan mijn Heer gezegd: zit aan mijne rechterhand, totdat Ik uwe vijanden stelle tot eene voetbank uwer voeten. Indien David Hem dan Heer noemt, hoe is Hij zijn Zoon? En niemand kon Hem een woord antwoorden, noch heeft iemand Hem van dien dag af meer durven ondervragen.

-ocr page 175-

Achttiende Zondag na Pinkster.

DE GAVE DES GELOOFS.

Lea uit den Eersten Brief van den H. Paulus aan de Korintkiërs 1:4 — 8.

Het geloof is eene weldaad, die God onverplicht heeft geschonken, zonder daartoe op eenige wijze gehouden te zyn. Het is eene loutere gave van Gods Opperste Goedheid. Geen verdienste had de mensch om dat onwaardeerbaar geschenk als loon te ontvangen. Do genade van het Geloof is een zuiver uitvloeisel van Gods grenzenlooze goedheid. In zijne erbarmende liefde ontstak Hij een licht opdat het verstand des mensehen, door de erfzonde beneveld, andermaal den weg naar den hemel zou vinden. Voor die onwaardeerbare genade brengt de H. Paulus aan God zijn hartelijken dank. Hij dankt God altijd, want zoo groot is die weldaad dat de mensch zijn God nooit genoeg daarvoor kan loven en prijzen. En daar de H. Paulus bevreesd is dat de hem toevertrouwde geloovigen in niet genoegzaam besef deze genade waardeeren, dankt hij zijn God in naam van hen, wier geestelijke vader hij is. Evenals de oudvaders voor hunne zonen danken zoenoffers opdroegen, zoo stort de Apostel zijn dankgebed als eene offergave voor zyne geestelijke kinderen. Doch al is het geloof eene bij uitnemendheid onverdiende genade, dat zelfde geloof eischt nochtans de vrije toestemming van 's menschen verstand en wil. De Zaligmaker vraagt aan een ieder onzer, gelijk Hij eens Zijnen Apostel vroeg: „Thomas, wil niet ongeloovig zijn, maar geloovig.quot;

Ons geloof steunt op eene redelijke overtuiging. De mensch vermag de oogen te sluiten voor het licht, dat God hem heeft ontstoken. Ge-reedelijk kan hij de gronden, waarop het heilig geloof steunt, miskennen en verwerpen; en bijgevolg niet geraken tot de redelijke overtuiging, die de ziel opent voor de genade van het heilig geloof. De

-ocr page 176-

172

rs- iTr-

lioovaardij verduistert menigwerf liet verstand; de ontucht maakt dikwijls liet hart onontvankelijk voor de waarheden des levens. Maar de christen van goeden wil is rijk in Jesus Christus, rijk in alles, in alle woord, in alle kennis: zoodat de getuigenis van Christus, het heilig Evangelie in hem gevestigd en bevestigd wordt, zoodat hij overvloedig door Gods genade wordt gesteund om ten einde toe volgens het geloof te leven en vrij van zonde te zijn op den dag van Jesus komst. Evenals de schriftgeleerde van het Evangelie kan de mensch zijne oogen en zijne ooren sluiten voor het woord der waarheid. Te vergeefs kan hem gezegd en getoond zijn: „Opdat gij weten zoudt dat de Zoon des menschen op aarde macht heeft om de zonden te vergeven; zoo zeide Jesus tot den lammen: sta op en wandel.quot; De ongeloovige lastert God en lochent Hem in Zijne waarachtigheid, omdat zijn verstanden zijn hart door de zonde zijn bedorven. God verhoede dat ooit onze lippen in zake des geloofs het woord van den ongeloovigen schriftgeleerde naspreken: „Deze lastert God.quot; Dat wij altijd met de Kerk bidden;

Heer Jesus, kom mijne ongeloovigheid te hulp!

E P I S T E L.

Broeders; Ik dank mijn God altijd voor u om de genade Gods,

die u gegeven is in Christus Jesus; dat gij in Hem rijk zijt geworden in alles, in alle woord en in alle kennis; gelijk de getuigenis van Christus in u is bevestigd, zoodat u niets in eenige genadegave ontbreekt, terwijl gij in verwachting zijt van de openbaring onzes Heeren Jesus Christus, die u ook bevestigen zal ten einde toe, zonder misdaad op den dag van de komst onzes Heeren Jesus Christus.

[

Evangelie volgens den II. Mattheus iX : 1 — 8.

In dien tijd ging Jesus in een schip, voer over en kwam in zijne stad. En zie, zij brachten tot Hem een lamme, die op een bed lag. En Jesus, hun geloof ziende , sprak tot den lamme: vertrouw, zoon, uwe zonden worden u vergeven. En zie

■3

ii

-ocr page 177-

eenigen van de schriftgeleerden zeiden bij zichzelven: deze lastert God. Daar nu Jesus hunne gedachten zag, sprak Hij: waarom denkt gij kwaad in uwe harten ? Wat is gemakkelijker te zeggen: uwe zonden worden u vergeven, of te zeggen: sta op en wandel? Maar opdat gij moogt weten, dat de Zoon des menschen macht heeft op aarde zonden te — vergeven toen zeide Hij tot den lamme: sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis. En deze stond op en ging naar zijn huis. De scharen nu, die het zagen, werden bevreesd en verheerlijkten God, die zoodanig eene macht den menschen gegeven had.

-ocr page 178-

Negentiende Zondag na Pinkster.

HET NIEUWE LEVEN.

Les uit den Brief van den H. Paulus aan de Ephesiers IV : 23-28.

De mensch levende in zonden en begeerlijkheid wordt genoemd in de taal der Schriften de oude mensch. De zondaar heeft het nieuwe leven hem aangeboden door Christus, geweigerd of weder verloren door eigene schuld. Zijn sterfelijk leven is als eene zwakke draad, waaraan hij zich vasthecht om niet in den eeuwigen afgrond neder te storten. Hij is verouderd vcor zichzelven. Door het voldoen zijner zinnelijke driften is hij weldra overzadigd van hetgeen het leven hem biedt. De christelijke deugd der versterving, het zout des levens ontberende walgt hij van de genoegens en wellusten. Hij zoekt menigmaal in zelfmoord het einde der ellende. De zondaar heeft zich afgewend van den levenden God. Moedwillig verwijderde hij zich van de bron der genade, en hij vleide zich neder aan waterputten, die geen water kunnen houden. Afgebroken van den Goddelijken wijnstok hangt hij als eene verdorrende rank aan den boom des levens. Diens voedende kracht van goddelijke genade kan zijne ziel niet doorstroomen. Dra zal de dood hem voor altijd doen afvallen. Op hem rust het volle woord van den wijste aller koningen : in hem is alles ij delheid der ijdelheden. Wat goeds kan hij in dien toestand tot stand brengen, al verheugt hij zich in de bloeiende klachten des levens? Maar de rechtvaardige, alhoewel opgeklommen tot de jaren der grijsheid, verblijdt zich in eene altoosdurende jeugd. Hij is de nieuwe mensch in Jesus Christus. Hij is de rozenstruik van Jericho, de plataan aan de waterkant. Steeds schiet hij nieuwe wortelen van hooger geestelijk leven, steeds brengt hij nieuwe bloemen vooit. Altijd wordt in hem de goddelijke genade vermeerderd. Tot dit zich

-ocr page 179-

175

steeds vernieuwende, leven roept de Apostel zijne geloovigen. Z;i moeten als de ledematen van het menscheiijk lichaam, onderling in waarheid, rust en eensgezindheid verbonden zijn. Als de zintuigen elkander bedriegen, hoe onhoudbaar is dan de toestand van het lichaam, maar oneindig jammerlijker is de gesteltenis eener ziel in de samenleving der zondaren. De werken van den ouden mensch zijn leugentaal, gramschap en bedriegeiyke ongerechtigheid. Deze ondeugden zijn bij uitnemendheid de werken van den Vader der logen. Zij zijn de livrei van Satans dienaren, wiens rijk is verwarring en bedrog. De leerling van Christus is naar God in heiligheid en waarheid. De zon gaat niet onder over zijne gramschap : hij vergeeft en vergeet aanstonds. Hij steelt niet, maar deelt van de vruchten zijns arbeids den noodlijdende mede. Hij is een kind van God en een nuttig lid der menschelijke maatschappij. Zijn leven kent geen verkwijnen maar draagt vrucht voor tijd en eeuwigheid. Het leven der genade omgeeft den rechtvaardige als met eene bruiloftstooi, ongerept en schitterend van goddelijke klaarheid. Eeeds hier op aarde is zijn leven eene hemelsche bruiloft. Ongezien voor liet oog der menschen heeft hij in zijn Christus reeds eene voorsmaak van het eeuwig bruiloftsfeest. Een ieder wordt tot die bruiloft uitgenoodigd, maar velen versmaden de uitnoodiging. De zondaar gehuld in het zwarte kleed der logen, om. ringd door de werken des doods, gaat hier op aarde reeds den nacht in, waarin ^niemand werken kan. Zijn leven is zelfvernietiging, zijn einde is do eeuwige dood. Gebonden aan handen en voeten zal hij door den hemelschen Koning worden uitgeworpen. Op dit vreeselijk oogenblik, verstomt de zondaar, erkent de christen de waardij zijner vervlogene levensjaren. In eeuwigheid jammeren de verdoemden en knarsen op hunne tanden: Ach, wat zijn wy dwaas geweest 1 Dan begrijpen zij waarom het kwaad den naam van doodzonde draagt.

EPISTEL.

Broeders; wordt vernieuwd naar den geest uws gemoeds en doet den nieuwen mensch aan, die naar God geschapen is in gerechtigheid en heiligheid der waarheid. Derhalve legt af de leugentaal en spreekt waarheid, ieder met zijn naaste, immers

-ocr page 180-

wij zijn elkanders ledematen. Wordt toornig en zondigt niet, laat de zon niet ondergaan over uwe gramschap. Geeft den duivel geene plaats. Hij die gestolen heeft, stele niet meer, maar hij arbeide liever en doe iets goeds met zijne handen opdat hij hebbe mede te deelen aan den noodlijdende.

Evangelie volgens den H. Mattheus XXII : 1 — 14.

In dien tijd sprak Jesus in gelijkenissen tot de opperpriesters en Farizeën zeggende: het rijk der hemelen is gelijk aan een koning, die een bruiloftsmaal aanrechtte voor zijn zoon. En hij zond zijne dienaren om de genoodigden ter bruiloft te roepen, doch deze wilden niet komen. Wederom hij zond andere dienaren zeggende; zegt aan de genoodigden, ziet mijn maaltijd heb ik bereid, mijne ossen en mestvee zijn geslacht en alles is gereed ; komt ter bruiloft! Maar zij gaven er geen acht op en gingen heen; deze naar zijn landhoeve, gene tot zijn koophandel; anderen grepen zelfs zijne dienaren, mishandelden hen smadelijk en doodden hen. Toen nu de koning dit vernam, werd hij vertoornd. Hij zond zijne legers, verdelgde die moordenaai's en stak hunne stad in brand. Daarop zeide hij tot zijne dienaren: het bruiloftsmaal is wel bereid, maar de genoodigden waren niet waardig. Gaat dan naar de uitgangen der wegen en noodigt allen, zoovelen gij er vindt, ter bruiloft. En zijne dienaren gingen uit naar de wegen en brachten allen bijeen, die zij vonden; goeden en kwaden. En de bruiloftszaal werd veruld met aanzittenden.

De koning kwam nu binnen om de aanzittenden te zien; en daar zag hij een mensch, die geen bruiloftskleed aanhad. En hij zeide tot hem: vriend! hoe zijt gij hier binnengekomen zonder bruiloftskleed aan te hebben? En deze verstomde, Toen sprak de Koning tot zijne dienaren: bindt hem handen en voeten en werpt hem in de uiterste duisternis; daar zal geween zijn en knersing der tanden. Velen toch zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

-ocr page 181-

Twintigste Zondag na Pinkster.

DE VOORTVLUCHTIGHEID VAN DEN KOSTBAREN TIJD.

Lea uit den Brief van den H. Apostel Paulus aan de Ephesiërs V : 15 — 21

Dc Apostel herinnert ons aan de snelheid. met welke de gevaarvolle kampstijd der zaligheid wordt geleverd. De tijd rust nooit. Geen enkel zijner momenten vertoeft in het tegenwoordige. Ieder tijdstipje is een overgang van het toekomende naar het verledene. Geen vaart zoo snel, geen tocht zoo hachelijk als de reis naar het huis der eeuwigheid. De geloovigen worden van daag aangemaand, dien vluchtigen, immer voortij lenden tyd uitte koopen, zorgvuldig te besteden en daardoor voor de eeuwigheid te bestendigen. Gelukkig, eindeloos gelukkig de mensch, die den tijd zijns levens voor de eeuwigheid uitkoopt. Hem zijn de dagen niet boos, maar aangenaam en zalig. Schonk God aan de verdoemden een enkel oogenblikje tijds terug; geen geschenk zou in waarde die gave evenaren. De H. Augustinus zegt; iedere stonde des levens is zoo kostbaar als het zoenbloed van den Godmensch. De jaren, do dagen zijn als kostbare muntstukken dooiden Zaligmaker verdiend en aan ons geschonken om den hemel te koopen. Dwazen en onverstandigen zijn zij, die den tijd verkwisten, verdrinken en verdrijven in zonden en wulpschheid. Geen uitzinniger schepsel dan de mensch, die den tijd der genade vernielt en niet verstaat wat de aanbiddelijke wil Gods van hem vordert. Buiten God is er niets; in God is alles. Derhalve, o christen, vereenig allerinnigst uw wil met dien van den Vader in den hemel. Word vervuld met den H. Geest. Houd u vast aan God, want alles, alles snelt voorbij, maar Hij alleen is en blijft. Wees slechts voor ééne zaak bevreesd: uw tijd te verliezen. Maak u dien tijd ten nutte door aan den wil van God te gehoorzamen en dien wil in onderdanige gelatenheid te eerbiedigen.

-ocr page 182-

Wees dankbaar voor alles, dat u wedervaart. G-ij kunt er den hemel door verdienen. Met groeten spoed komt de koninklijke hofbeambte bij Jesns, want zijn zoon ligt te sterven. De tijd is zoo kostbaar voor dien vader; maar kostbaarder is hij voor den mensch, die eene ziel te verliezen, hemelsche goederen te verdienen heeft. Tijdverdryf is het wachtwoord der wereld; spoedt u, de wapenkreet der kinderen Gods. „O Grod, geeft acht op mijne hulp; Heer, haast u om mij te helpen,quot; is de nooit onderbroken bede der Kerk in hare heilige getijden. By alle hare lofgezangen, psalmen en geestelijke liederen legt zij deze bede op de lippen harer bedienaren. Geen enkel uur moge beroofd zijn van Gods alvermogende genade en verloren gaan voor de eeuwigheid.

E P I S T E L.

Broeders; ziet toe hoe gij voorzichtig wandelt, niet als dwazen maar als wijzen, den tijd uitkoopende omdat de dagen boos zijn. Daarom wordt niet onbedachtzaam maar verstaat wat de wil Gods is. En wordt niet dronken van wijn, waarin wnlpschheid is. maar wordt vervuld met den Heiligen Geest, elkander toesprekende met psalmen en lofzangen en geestelijke liederen, den Heer zingend en verheerlijkend in uwe harten, God en den Vader altijd voor alles dankend in den naam onzes Heeren Jesus Christus, onderdanig aan elkander zijnde in de vreeze van Christus.

Evangelie volgens den H. Joannes IV : 46 — 53.

In dien tijd was er een zeker koninklijk hofbeambte, wiens zoon te Kapharnaüm ziek lag. Toen deze vernomen had, dat Jesus uit Judea in Galilea gekomen was, ging hij tot Hem en vroeg Hem dat Hij zou afkomen en zijn zoon genezen, want deze begon te sterven. Jesus zeide dan tot hem: zoo gij geen teekenen en wonderen ziet, gelooft gij niet. De hofbeambte zeide tot Hem: Heer, kom af, voordat mijn zoon sterft! Jesus zeide hem: ga, uw zoon leeft. De man geloofde het woord,

-ocr page 183-

1T9

dat Jesus hem toesprak en ging heen. Terwijl hij nu aftrok, kwamen hem reeds zijne dienaren te gemoet en boodschapten hem, zeggende, dat zijn zoon leefde. Hij vraagde hen dan naar het uur, waarop hij hersteld was. En zij zeiden hem: gisteren, op het zevende uur, heeft de koorts hem verlaten. De vader erkende nu, dat dit het uur was, waarop Jesus tot hem gezegd had: uw zoon leeft; en hij geloofde, hij en zijn geheel huisgezin.

-ocr page 184-

Een en twintigste Zondag na Pinkster.

DE WAPENRUSTING GODS.

Lest uit den Brief van den H. Paulus aan de Ephesiërs YT : 10 — 17.

De Geest van God is een geest van kracht en sterkte. De christen, die leeft in staat van genade, is allerinnigst met de Godheid vereenigd. Hij is bekleed met de sterkte Gods. Als een reus in volle wapenrusting vertreedt hij den maehtigsten en schrikkelijksten aller vijanden. De Satan ligt geketend aan zijne voeten. Vleesch en bloed; wellust, goud en eer zijn de voetschabel, op welke de christen zich verheft ten hemel. Het lokaas des duivels: de kronen, de palmen en de glorie's zijn zijner onwaardig. Als Michaëi in den hemel is hij op aarde de drager van Gods macht. In hem erkent de duivel den triumf van Christus kruis. In hem wordt de hoovaardige duivel diep vernederd. Een kind is de doodsvijand van Goliath. In de hand van den broozen mensch rust de schepter van alvermogende genadekracht. De Satan schuifelt nog immer rond als de aloude Paradijsslang. De oogen van het helsch serpent begluren den christen, bespieden hem van alle zijden. Gelijk de dampkring do aarde omringd, zoo omsingelen de duivelen hem. Maar geen vrees. De held Gods heeft zijne lendenen omgord met waarheid. Ts hij omringd van logen en schijnbedrog, veel meer is de waarheid hem nab;j. Zij is zijn lendenkleed, zij is de gordel zijner krachi. De H. Geest verkwikt hem met vruchten des levens, zoodat hij walgt van de vruchten der wellust. Het harnas der gerechtigheid pantsert zijne leden, zoodat het wufte kleed' van 's werelds ijdelheid hem niet kan dekken, Hij staat in de genade, steeds geschoeid en bereid tot hooger victorie. Ledigheid en zondig tijdverdrijf kunnen hem niet bevangen. Zijn hart blaakt van bereidwilligen ijver voor

-ocr page 185-

181

het Evangelie des vretles. Het sdiild des geloofs: een geloof levende in woord en daad dooft al de vurige schichten des vijauds. De verwachting der hemelsche glorie is de helm, die hem dekt, en het woord van God voor hem een zwaard, waarmede hij iederen vijand nedervelt. Edelmoedige vergevingsgezindheid is steeds de karaktertrek van den waren held, en inzonderheid van den held Gods. Hoe laag staat de knecht des Evangelie's naast de heldentype, die het Epistel ten aanschouwen geeft. De deugd der wereldlingen steunt op eigenbaat. Zij is verknechting en laagheid, omdat die wereldlingen niet weten zichzelven te overwinnen.

E P I S T E L.

Broeders; Woest krachtvol in den Heer en in de sterkte zijner macht. Doet aan de wapenrusting Gods, opdat gij bestand moogt zijn tegen de lagen des duivels. Want wij hebben den strijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de vorsten en de machten , tegen de wereldbeheerschers dezer duisternis, tegen de geesten der boosheid in de lucht. Doet daarom aan de wapenrusting Gods om in den kwaden dag weerstand te kunnen bieden en, in alles volmaakt zijnde, staande te kunnen blijven. Staat dan, uwe lendenen met waarheid omgord, het harnas der gerechtigheid aangedaan, en de voeten geschoeid hebbende tot de bereidvaardigheid van het Evangelie des vredes. En neemt in alles het schild des geloofs, opdat gij daarmede al de vurige pijlen des boozen vijands kunt uitdooven; en neemt den helm des heils en het zwaard des geestes, hetwelk is het woord van God.

Evangelie volgens den H. Mattheus XVIII ; 23 — 35.

In dien tijd sprak Jesus tot zijne leerlingen deze gelijkenis: het rijk der hemelen is gelijk aan een Koning, die rekening met zijne dienaren wilde houden. En toen hij begonnen was met rekening te houden, werd er een voor hem gebracht, die hem

-ocr page 186-

182

tienduizend talenten verschuldigd was. Daar deze echter niet had om te betalen, beval zijn heer hem, zijne vrouw en zijne kinderen en alles, wat hij bezat, te verkoopen en te betalen. Maar die dienaar viel neder en smeekte; heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. De heer nu ontfermde zich over dien dienaar, liet hem gaan en schold hem de schuld kwijt. Maar toen die dienaar heenging, vond hij een zijner mededienaren, die hem honderd tienlingen schuldig was; en dezen aangrijpende wrong hij hem de keel toe, zeggende: betaal wat gij schuldig zijt! Zijn medeknecht nu viel voor hem neder en bad hem: heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. Doch hij wilde niet; maar heengaande wierp hij hem in de gevangenis, totdat hij de schuld zou hebben betaald. De medeknechten nu, ziende wat er geschiedde, werden zeer bedroefd. En zij kwamen en berichten hunnen heer alles, wat er gebeurd was. Toen riep zijn heer hem en zeide tot hem: booze knecht; de geheele schuld heb ik u kwijtgescholden, daar gij mij gesmeekt heb; moest gij u dan ook niet ontfermen over uwen mededienaar, zooals ik mij over u ontfermd heb. En in toorn ontstoken, gaf de heer hem over aan de beulen, totdat hij de geheele schuld zou hebben betaald. Zoo zal ook mijn hemelsche Vader met u doen, indien gij niet een ieder zijnen broeder van harte vergeeft.

-ocr page 187-

Twee-en-twintigste Zondag na Pinkster.

DE GEMEENSCHAP DER HEILIGEN.

Les uit den Brief van den TT. Paulm aan de PhiUppensen I : 6—11.

De Zaligmaker heeft het goede werk der genade in de harten der geloovigen begonnen; Hij zal dat werk ook voltooien. Hot rijk dei-genade is het rijksgebied des Verlossers. Daar heerscht Hij als Koning, daar zetelt Hij als rechter. Hij is koning en rechter over de zielen, die door Hem naar zijn beeld zijn geschapen, door zijn heilig bloed gekocht, door de sacramenten zijn leven in zich dragen. De ziel des menschen behoort aan Christus. Gelijk de wereldsche cijnspenning den keizer toekomt, zoo is de ziel zich zelve den Verlosser verschuldigd. Geheiligd als zij is, behoort zij volstrektelijk aan den Heilige dei-heiligen. Geen diefstal zoo onrechtvaardig; geen roof zoo geweldig als de ontvreemding eener ziel aan Jesus. Grooter recht dan een vader heeft over zijn kind, bezit Christus over de zielen. Zou eene moeder ook haar kind vergeten, nooit zal de Verlosser de ziel verloochenen, die Hem is toegewijd, en in Zijne genade leeft. Het begonnen werk zal Hij voleinden; den cijnspenning, die Hem toekomt, zal Hij steeds gedachtig zijn. Al mogen de bekoringen, de aanvechtingen des duivels nog zoo hevig, nog zoo talrijk zijn, de Verlosser is daar tot aan den dag der voleinding. De verloren drachme wordt door Christus opgezocht. Wij betrouwen op den Heer Jesus, zegt de Apostel, en de Heer betrouwt ook op ons, dat wij aan Hem nooit zullen ontvallen. Nooit zal de ziel door Hem verlaten worden, als zij zelve Hem niet het eerst verlaat. Zulk een onheil, zulk een ongeluk kan de H. Paulus voor zij ne geloovigen niet veronderstellen. Neen, zij zullen hun Zaligmaker niet verlaten. Dat betrouwen deelt hij met Christus. Nooit zullen zij aan hun Verlosser en aan Paulus, den geestelijken vader hunner

-ocr page 188-

184

zielen ontrouw worden. Paulus, zoo innig met Christus verbonden, is door de gemeenschap der heiligen met do geloovigen, en de ge-loovigen met hem in Christus vereenigd. Dat hebben de Philippensen getoond, toen zij zoo levendig begaan waren met het lijden van hun Apostel, als hij werd waardig gekeurd boeien en kluisters voor Christus te dragen. quot;Wat deelden zij in het martelaarsschap zijne vreugde en glorie? Hoe vol belangstelling waren zij in zijne verdediging voor den rechter! Doch zyn zij reeds zoo zeer met kinderlijke liefde voor Paulus bezield, hoe groot en sterk zal dan hunne liefde niet zijn voor Jesus Christus. De liefde des Zaligmakers omvat hen allen in heilige gemeenschap. Lijden en vreugde; smarten en verheugingen deelen zij in Christus. In het Goddelijke Hart van Jesus ontmoeten zij elkander als stralen in de Zon der Oneindige Liefde. Ook ik heb u lief, zegt Paulus, en God is mijn getuige: ik heb u alleen lief met de teedere liefde van Jesus Christus. De Apostel heeft hen lief als klopte in zijn boezem liet hart van Christus, vol van onbegrensde en onbeschrijfelijke liefde. Zulk eene gemeenschap, zoodanig eene vereeni-ging overtreft alle de hartelijkheid, die bloed- en aanverwantschap, dankbaarheid en vrienschap doet geboren worden. „Wie Mij niet meer bemint dan vader of moeder; hij is, zegt Christus, mijner niet waardig. Ter wille dier liefde zal de mensch ouders en have verlaten en Christus toebehooren. Al sterker en hechter moge die gemeenschap der liefde zich in de harten der geloovigen vestigen in kennis en in oordeel, in woorden en werken. Daarvoor zal Paulus zijne geloovigen in het gebed gedachtig zijn, dit zal hij van God voor henafsmeeken. Als broeders en zusters in één huisgezin deelen de geloovigen met elkander hunne geestelijke gaven en rijkdommen, hunne gebeden en goede werken. De hemel, de aarde, en het vagevuur juicht, bidt en lijdt en aller verdiensten zijn nedergelegd in de goddelijke schatkist van Jesus Kerk. Moge een ieder, als burger van het goddelijkKcning-rijk der genade, zyn verschuldigden cijnspenning, zijne ziel, aan God geven; oprecht en zonder aanstoot zijn tot den dag der glorievolle komst van den Koning der Koningen.

-ocr page 189-

185

E P I S T E L.

Broeders; Wij vertrouwen op den Heer Jesus, dat Hij, die het goede werk in u heeft begonnen, het zal voleindigen tot op den dag van Christus Jesus. Gelijk het voor mij rechtmatig is dit gevoelen te hebben aangaande u allen, omdat ik u in mijn hart draag, dewijl gij én in mijne gevangenschap én in mijne verdediging en bevestiging des Evangelie's allen deelgenooten zijt mijner vreugde. Want God is mij ten getuige, hoe ik u allen liefheb met de innige liefde van Jesus Christus. En dit bid ik, dat uwe liefde meer en meer overvloeie in kennis en in alle oordeel, opdat gij beproeft wat het beste is, opdat gij oprecht en zonder aanstoot moogt zijn tot aan den dag van Christus, vervuld met de vrucht der gerechtigheid door Jesus Christus tot eer en lof van God.

Evangelie volgens den H. Mattheus XXII : 15 — 21.

In dien tijd gingen de Farizeeën heen en hielden raad om Jesus in zijne woorden te vangen. En zij zonden tot Hem hunne leerlingen met de Herodianen zeggende: Meester, wij weten, dat gij oprecht zijt en den weg Gods in waarheid leert en niemand ontziet, daar Gij op den persoon der menschen geen acht slaat: zeg ons derhalve wat dunkt U, is het geoorloofd aan den Keizer cijns te geven, of niet? Jesus nu hunne boosheid kennende, zeide: Wat beproeft gij Mij, huichelaars? Toont Mij den cijns-penning! En zij toonden Hem een tienling. En Jesus zeide hun: Wiens beeld en opschrift is dit? Zij zeiden Hem: des Keizers. Toen sprak Hij tot hen: Geeft dan den Keizer wat des Keizers is, en aan God wat van God is.

-ocr page 190-

Drie-en-twintigste Zondag na Pinkster.

DE VERRIJZENIS DES VLEESCHES.

Les uit den Brief ran den H. Paulus aan de Pkilippensen III: 17 ; IV : 3.

Het GoddeUik toonbeeld aller deugden, in den Zaligmaker voor onze oogen gesteld, heeft zijne afspiegeling in de heiligen en rechtvaardigen. Gelijk de zon hare stralenkrans naar alle zijden heenspreidt en ieder schepsel met eigene kleuren tooit, zoo zijn de zielen der zaligen volgens eigene geaardheid en wezen verlicht door de Zon der Gerechtigheid. Een ieder heeft zijne eigene deugd, zijn passend gloriekleed. Een en dezelfde lichtstraal ontbindt zich in een zevental kleuren, in verscheidenheid van glansen; alsdus openbaart zich de H. Geest in een zevenvoudig gavental en verheerlijkt de zielen der g'^ooN igen, de tempels zijner inwoning; aldus zal Hij ook hun lichamen op den dag der opstanding met onderscheidene heerlijkheid veredelen. Nu reeds ontluikt de reine leliebloem en naast haar praalt de roos van het martelaarschap, aan den voet van den ceder schuilt het nederig\eld-gewas. De lusthof van Jesus' Kerk telt maagden en martelaren, belijders uit eiken stand, heilige echtgenooten, weduwen en kinderen, priesters en krijgshelden. En het is den hemelschen Bruidegom eene geneugte tusschen de rozen en de leliën, in den bloemhof te \ei-toeven. Zij allen toch zijn ontsproten uit zijne genade. De Oneindig-Heilige, die ingevolge de werking, waardoor Hij zich alles kan onderwerpen, in alles vruchtbaar is, is bijzonderlijk vruchtbaar en wonderdadig in zijne heiligen. Dezelfde God beelt zich in eindelooze verscheidenheid af in de zielen der geloovigen. Iedere christen kan in zijn rechtvaardigen medebroeder Christus terug vinden. Derhalve zegt dan ook de Apostel: „Weest mijne navolgers, en let op diegenen, welke zoo wandelen als gij ons tot voorbeeld hebt.quot; Mocht

-ocr page 191-

187

het volle zonlicht van Jesus heiligheid en deugd u verblinden, aanschouwt dan zijn wederbeeld, in een zwak en nietig mensch aan u gelijk. Wat de heiligen vermochten, dat vermoogt ook gij met Gods genade. Het is waar, er zijn christenen, naar welke gij uwe oogen niet richten moet. Het is noodig, zegt de Verlosser, dat er ergernis komt. Velen zyn er, getuigt de Apostel, van welke ik u dikwijls zeide en nu ook weenend zeg, dat zij vijanden zijn van Christus' Kruis. In den hof der Kerk op aarde groeit onkruid naast tarwe; beiden staan daar tot den dag der oogst. Velen zijn er, wier einde verderf, wier lichaam hun God, wier eer hun schande is; velen, die zin hebben voor het aardsche. Een groot aantal katholieken behoort tot de fluitspelers en de misbaarmakende menigte, die door den Verlosser wordt uitgedreven en geen deel zal hebben aan eene glorievolle opstanding. Katholiek in naam, zijn zij in hun hart vijanden van het kruis. Met tranen in de oogen spreekt de H. Paulus over hen en hij vermaant zijne geloovigen dat zij steeds als waardige burgers des hemels zullen leven. De kinderen der Kerk zijn zoo onthecht aan het vergankelijke dat hun omgang is, als waren zij in den hemel; zij zijn vervuld met de gedachte aan den hemel. Al worden zij nu nog terug gehouden in een lichaam des doods en der vernedering; eenmaal zal de genade-kracht des Zaligmakers hun stoffelijk lichaam hervormen naar het lichaam zijner glorie. De ziel, door hare deugden en goede werken gelijkvormig aan Christus, zal door Zijne kracht ook het lichaam op den Oordeelsdag in die glorievolle gelijkenis opnemen. De Verlossing door den Zoon van God aangebracht, zal dan in hare geheele volkomenheid uitschitteren. De rechtvaardigen verrijzen als levenden en zij, wier lichaam hun God, wier eer in hunne schande is, staan uit de graven op als dooden, vol bederf en verrotting. Hun einde is het bederf, want in hunne ziel ligt de kiem des doods. Mogen de geloovigen van Philippi in den Heer bestand blijven, dan zijn zij hier op aarde reeds de vreugde van Paulus en in het oordeel zijne kroon. Hemel en aarde zullen met Paulus lofprijzing instemmen, als de Zoon des menschen het „Komt Gezegenden!quot; hun zal toespreken. Hunne namen staan in het boek des levens. De schitterende belijdenis van den heidenschen hoofdman, die ten aanzien van het volk, niet schroomt neder te knielen voor den nog sterfelijken en lijdelijken

-ocr page 192-

188

Christus; — de vrouw, die in het diepste harer ziel onwrikbaar gelooft; — de Zaligmaker, die beider smeekbede verhoort, én voor den vader zijne dochter ten leven opwekt, én voor de vrouw hare afzichtelijke ziekte geneest: zij voorspellen ons de opstanding der dooden, het herstel onzer vernederde lichamen. Zij bevestigen het woord onzes Heeren : „Ik ben de Verrijzenis en het Leven; een ieder die in Mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid.quot;

EPISTEL.

Broeders; Weest mijne navolgers en geeft acht op diegenen, welke zoo wandelen, gelijk gij ons ten voorbeeld hebt. Want daar wandelen velen, van wie ik n dikwijls zeide (en nu ook weenend zeg), dat zij vijanden zijn van Christus kruis: wier einde verderf, wier buik hun God en wier glorie in hunne schande is; die op het aardsche hun zinnen stellen. Doch onze wandel is in den hemel; van waar wij ook den zaligmaker verwachten, onzen Heer Jesus Christus, die het lichaam onzer vernedering zal hervormen, gelijkvormig aan het lichaam zijner glorie, volgens de werking, waardoor Hij ook alles aan zich kan onderwerpen. Alzco, mijne veel geliefde en zeer beminde broeders, mijne vreugde en mijne kroon, weest aldus standvastig in den Heer, veel geliefden. Ik vraag Evodia en ik smeek Syntyche eensgezindheid te zijn in den Heer. En ook u, oprechte medehelper, vraag ik, sta haar bij, die met mij in het Evangelie gearbeid hebben met Clemens en mijne overige medearbeiders, wier namen staan in het boek des levens.

Evcmgeüc volgens den 77. Matthem IX : 18 — 26.

In dien tijd, terwijl Jesus tot de scharen sprak, zie, daar naderde een overste, die Hem aanbad zeggende: Heer, mijne dochter is zoo even gestorven; doch kom, leg uwe hand op haaien zij zal leven. En Jesus opstaande, volgde hem met zijne

-ocr page 193-

189

leerlingen. En zie eene vrouw, die gedurende twaalf jaren aan eene bloedvloeiing leed, naderde van achteren en raakte het boordsel van zijn kleed aan. Want zij zeide bij zichzelve; indien ik slechts zijn kleed aanraak, zal ik genezen zijn! En Jesus zich omkeerend en haar ziende zeide; betrouw, dochter, uw geloof heeft u gezond gemaakt. En de vrouw was gezond van dat uur af. Toen Jesus nu gekomen was in het huis van den overste en de üuitspelers en de misbaarmakende menigte zag, zeide Hij; gaat heen, want het dochtertje is niet dood maar zij slaapt. En zij lachten Hem uit. En toen de menigte was uitgeworpen, ging Hij binnen en vatte hare hand. En het dochtertje rees overeind. En deze mare ging door geheel die landstreek.

-ocr page 194-

Laatste Zondag na Pinkster.

DE LEERSCHOOL DER HOOGSTE VOLMAAKTHEID.

Les uit dm Brief van den H. Paulus aan de Colossemers I : 9-14.

Het begin eu het einde aller dingen is Jesus Christus, de Zoon van God; de alpha en de omega der stoffelijke en geestelijke orde. Door Hem, met Hem en in Hem is aan God, den Almachtigen Vader, in de eenheid des Heiligen Geestes alle eer en glorie. De chiisten, Gode waardig en in alles behagend is als vereenzelvigd met den Zaligmaker. Hij is in het Doopsel met Hem gestorven, begraven en verrezen. Uw leven, zegt de Apostel, is verborgen met Christus in God. Dooiden Godmensch is de rechtvaardige het welbeminde kind van God. De geest des Heeren roept in Hem: Abba, Vader. Deze uitnemende véreeniging, die het werk der genade is, heeft van de zijde des menschen haar uitgangspunt in de overgave des harten, in de gelijkvormigheid van zijn wil met den Wil van den Zaligmaker. „Kind, geef Mij uw hart!quot; vraagt de Goddelijke Verlosser iedere stonde des levens. En de H. Paulus zegt, dat hij niet ophoudt te bidden, opdat de geloovigen mogen vervuld worden met kennis van Gods wil in alle wijsheid en geestelijk verstand. De wil, het hart des menschen, worde steeds meer en meer gelijkvormig aan den Wil, aan het Hart van Jesus. De christen zij met Christus vereenigd door de innigste vereeniging, die er bestaat: de eenheid van hart. In het Goddelijk Hart rust alle wijsheid en geestelijk verstand. Door Jesus Christus smelt het Heilig, Heilig, Heilig der zalige geesten met het loflied der stervelingen te zamen. In het Hart van Jesus slaat de harpslag van het loflied der liefde, dat de hemel en de aarde den Schepper toezingt. Het Verlossingswerk, Gods hoogste Wijsheid, maakt den mensch aan hemelsche wijsheid, geestelijk verstand en aan de erfenis der heiligen

-ocr page 195-

191

in het licht deelachtig. De christen wordt door die vereeniging met Christus Gode waardig en behagelijk in alles. Hart aan hart met Jesus draagt hij vrucht in alle goede werken. Hij groeit op in kennis van God, den Schepper aller dingen, en die kennis heeft in zich de belofte van Christus heerlijkheid. Want, gelijk uit de bron het water nederstroomt in de beek, zoo ontwelt uit do kennis Gods zijne liefde, die zich voltooit in een eeuwig bezit. Die kennis van God is het geestelijk verstand, hetwelk zich uitspreekt met alle kracht tot lijdzaamheid, geduld en blijdschap in het lijden. God den Vader dankend in gelijkvormigheid met het Heilig Hart van zijn mensch geworden Zoon. De vreugde en de heerlijkheid van den zegenpralenden Zaligmaker is aan den christen als eigendom in erfenis toegezegd. Zij beiden zijn één door eenheid van hart, door gelijkvormigheid van wil. Die eenheid des harten is de erfenis der heiligen in het rijk van het eeuwige licht, waarmede Jesus liefde hen verlicht. Terwijl de zondaar in de schaduw des doods nederzit, overgegeven aan de macht der duisternis, zoodat hij ten laatste voor het schepsel als zijn God neder-knielt , en hij zelfs niet kan begrijpen hetgeen zijne oogen zien, en zjjne handen betasten, stamelen de lippen der kleine kinderen, het antwoord, dat Gods liefde ontvouwt, op de vraag, die der wereld een raadsel is; „Waartoe ben ik geschapen?quot; Die wetenschap is de prijs van het kostbaar zoenbloed, waarin de zonde is afgewasschen. In de school van Christus is het eenigste en het hoogste, waarnaar de leerling moet streven: de eenheid van hart met Jesus. Daarvan spreekt de H. Paulus in zijn Epistel, terwijl onze Verlosser in het Evangelie tot het eerste beginsel dier wetenschap afdaalt: de vreeze Gods. Z;j toch is het beginsel der ware wijsheid. Het schriktooneel van Jerusalem's ondergang, het einde der wereld, herinnert alle christenen by het einde dos kerkelijken jaars; „Gedenk, o mensch, uw uitersten en gij zult in eeuwigheid niet zondigen.quot; „Die het leest, dat hij het begrijpequot; zegt Jesus, onze Leermeester. „Doordring mijn hart, o God, met de schichten uwer vreezequot; zoo bidt de christen. Want is het hart ge. troffen door de vrees Gods, dan zal het ontbranden door de vlammen van Jesus liefde en het kruis en de doornenkroon van Christus kunnen dragen. Dan is het aanhoudend gebed van den H. Paulus verhoord: het hart des christens is een evenbeeld van Jesus' H. Hart,

-ocr page 196-

192

E PIST E L.

Broeders; wij houden niet op voor u te bidden en te smeeken, dat gij vervuld moogt worden met de kennis van Gods wil in alle wijsheid en geestelijk verstand; opdat gij wandelt Gode waardig, welbehagelijk in alles; in ieder goed werk vrucht voortbrengend en opgroeiende in de kennis van God; versterkt zijnde naar de macht zijner heerlijkheid, in alle kracht tot alle lijdzaamheid en lankmoedigheid met blijdschap, God den Vader dankend, die ons waardig heeft gemaakt om deel te hebben aan de erfenis der heiligen in het licht; die ons heeft onttrokken aan de macht der duisternis en overgebracht naar het rijk van den Zoon zijner liefde, in Wien wij de verlossing hebben door zijn bloed, de vergiffenis der zonden.

Evangelie volgens den H. Mattheus XXH ; 15 — 35.

In dien tijd zeide Jesus aan zijne leerlingen: Wanneer gij den gruwel der verwoesting, waarvan door den profeet Daniël gesproken is, zult zien staan in de heilige plaats — die het leest, begrijpe het -- dat dan zij, die in Judea zijn, vluchten naar de bergen, en die op het dak is dale niet af om iets uit zijn huis te halen en die op het land is, keere niet terug om zijn kleed te halen! Wee echter dengenen, die zwanger zijn en zogen in die dagen. Bidt ook dat uwe vlucht niet gesch'ede in den winter of op den sabbathdag. Want dan zal er groote verdrukking zijn, gelijk er niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe, noch wezen zal. En zoo die dagen niet verkort waren, geen vleesch zou behouden worden, maar wegens de uitverkorenen zullen die dagen verkort worden. Alsdan, wanneer iemand u zal zeggen: zie, hier is de Christus of ginds is Hij, wilt het niet gelooven. Want valsche Christussen en valsche piofeten zullen opstaan en zij zullen groote teekenen en wonderen verrichten, zoodat zelfs (indien het mogelijk ware) de uitverkorenen in dwa-

-ocr page 197-

193

ling zouden gebracht worden. Ziet, Ik heb het u voorspeld. Zoo men u dus zeggen zal: zie, Hij is in de woestijn! wilt er niet heengaan; zie, in de binnenkamers! wilt het niet gelooven. Want, gelijk de bliksem uitgaat van het Oosten en schijnt tot in het Westen, zóó zal ook de komst van den Zoon des menschen zijn. Overal waar een lichaam is, daar zullen ook de arenden ■bijeen vergaderen.

Terstond nu, na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden en de maan haar licht niet geven en de sterren zullen van den hemel vallen en de krachten der hemelen ontroerd worden; en dan zal het teeken van den Zoon des menschen in den hemel verschijnen, en dan zullen alle geslachten der aarde weeklagen en zij zullen den Zoon des menschen zien, komende op de wolken des hemels met groote macht en majesteit. En zijne engelen zal Hij zenden met eene bazuin en groot geschal; en zij zullen zijne uitverkorenen bijeenvergaderen van de vier winden, van de uiteinden der hemelen tot aan hunne uiteinden. Leert ook eene gelijkenis van den vijgenboom. Wanneer zijn tak reeds teeder is geworden en zijne bladeren uitkomen, dan weet gij, dat de zomer nabij is. Zoo ook gij, wanneer gij dit alles ziet, weet clan, dat het nabij is, voorde deur. Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal niet voorbijgaan, totdat al deze dingen geschieden. Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen niet voorbijgaan.

-ocr page 198-
-ocr page 199-

B LADWIJZEE

MET AANWIJZING VAN DE HOOFDGEDACHTE DES EPISTELS.

Eerste Zondag van den Advent.... Tweede Zondag van den Advent.... Derde Zondag van den Advent . . . . Vierde Zondag van den Advent .... Hoogfeest van Kerstmis. In de Eerste Mis.

., „ „ In de Tweede Mis.

„ „ „ In de Derde Mis.

Tweede Kerstdag.........

Zondag onder het oktaaf van Kerstmis. .

's Heeren Besnijding........

Driekoningen...........

Eerste Zondag na Driekoningen . . . .

Aanmaning tot een christelijk leven . . 7 De Geest van den

christen.....9

Gemoedsgesteldheid van den christen . . 12 Zelfbeschouwing van den christen. ... 14 Liefde van het Kindje Jesus voor God zijn

Vader......16

Liefde van het Kindje Jesus voor de men-schen, zijne broeders. 18 Verborgen Glorie van den Menschgeworden

God.......19

Dankbaarheid aan Jesus '22 Het kindschap Gods van den christen . . 24 De groote waarde van den tijd des levens . 27 Openbaring des Verlossers aan alle menschen 29 De christen is een andere Christus ... 33


-ocr page 200-

bi. adz,

Tweede Zondag na Driekoningen.... De christen i« een uit-

deeler van Gods gaven 36 Derde Zondag na Driekoningen .... Omgang van den christen met de wereld . 39 Vierde Zondag na Driekoningen .... Onthechting van den

christen aan de wereld 42 Vjjfde Zondag na Driekoningen .... Veropenbaring van den

christen aan de wereld 44

Zesde Zondag na Driekoningen.....Dankbare vreugde over

de uitbreiding van Christus' rijk . . . 47

Septuagesima...........De Vreeze Gods . . 50

Sexagesima...........Versmading van God . 53

Quinquagesima..........De waardij der Liefde 60

Eerste Zondag van de Vasten.....Aanmaning tot medewerking met de genade 63 Tweede Zondag van de Vasten .... Krachtige aanmaning

tot medewerking met de genade in den naam

van Jesus.....66

Derde Zondag van de Vasten.....Heilrijk lot van den

christen, die met de genade medewerkt. . 69

Vierde Zondag van de Vasten.....Voortreffelijkheid van

het rijk der genade on-zes Verlossers, de H.

Kerk......72

Passie-Zondag...............Genadevolle rijkdom

van Jesus zoendood . 76 Palm-Zondag...........Het werk der Verlossing, toonbeeld en voorbeeld voor alle christenen in hetmedewerken met de genade ... 80

-ocr page 201-

. De Goede Herder . . De schaapjes van don

Croeden Herder. . . 94 . De H. Geest is de

lichtbron des levens . 97 . Het Licht van den H.

Geest verduisterd . .100 . Het Verlangen naaiden hemel . . . .103 . Voorbereiding tot het ontvangen van den H.

Geest......105

Hoogfeest van Pinkster.......Stichting der H. Kerk 108

Tweede Pinksterdag........Voleinding der H. Kerk 111

Eerste Zondag na Pinkster......Wat is God? . . .114

Tweede Zondag na Pinkster.....De Vijand Gods . .119

Derde Zondag na Pinkster......De Strijd van den

christen.....122

Vierde Zondag na Pinkster......Het Lijden van den

christen.....125

Vijfde Zondag na Pinkster......De Levensvreugde van

den christen. . . . 129

Zesde Zondag na Pinkster......Het H. Sakrament des

Doopsels.....132

Zevende Zondag na Pinkster.....Noodzakelijkheid dei-

deugden .....135

. . De kardinale deugd

der Voorzichtigheid . 138

Hoogfeest van 's Heeren-Verrijzenis . . . Het Feestbrood van

Paschen......82

Tweede Paaschdag.........Algemeene vreugde

van het Paschen des Nieuwen Verbonds . 84

Beloken Paschen.........De Triumf van Jesus

verrijzenis .... 83

Tweede Zondag na Paschen......De Goede Herder . . 92

Dorde Zondag na Paschen ....

Vierde Zondag na Paschen . . . Vijfde Zondag na Paschen . . . Hoogfeest van 's Heeren-Hemelvaart Zesde Zondag na Paschen . . .

Achtste Zondag na Pinkster

-ocr page 202-

Negende Zondag na Pinkster . .

Tiende Zondag na Pinkster. . .

Elfde Zondag na Pinkster . . .

Twaalfde Zondag na Pinkster . .

Dertiende Zondag na Pinkster .

Veertiende Zondag na Pinkster .

Vijftiende Zondag na Pinkster. .

Zestiende Zondag na Pinkster. . Zeventiende Zondag na Pinkster.

Achttiende Zondag na Pinkster . , . . Negentiende Zondag na Pinkster. . . . Twintigste Zondag na Pinkster . . . .

Een en Twintigste Zondag na Pinkster , Twee en Twintigste Zondag na Pinkster.

Drie en Twintigste Zondag') na Pinkster.

Laatste Zondag na Pinkster.....

Bladk.

De kardinale deugd der Matigheid . . . 141 De kardinale deugd der

Sterkte.....145

De kardinale deugd der Rechtvaardigheid • 148 De Bediening der Rechtvaardigheid . .151 Gehoorzaamheid aan de wetten der H. Kerk . 155 Ons Bondgenootschap

met Jesus.....159

Zachtmoedige liefde voor den zondaar . .162 De Parizeesche Ergernis ......165

De karakteristieke deugd van het christendom .....168

De gave des Geloofs . 171 Het nieuwe Leven . 174 De voortvluchtigheid van den kostbaren tijd. 177 De wapenrusting Gods 180 De gemeenschap dei-

Heiligen .....183

De Verrijzenis ces

vleesches.....186

De Leerschool der hoogste Volmaaktheid . .198


*) De Zondagen tusschen den Drie-en-twintigsteu Zondag en den laatsten Zondag na Pinkster quot;worden aangevuld met de uitgevallene Zondagen tusschen Drie-Koningen en Septuagesima. De laatste Zondag na Drie-Koningen is de voor-laatste na Pinkster; en zoo voorts naar dat er Zondagen zün uitgevallen.

-ocr page 203-

REINHOLD NIEBUHR

'Dr. Reinhold Niebuhr's great quality, an incisive conunon sense raised to the point of genius, is a rare one among theologians. . . . One might disagree with what he says in this latest of his books, but only a wilfully obtuse mind could fail to understand it. . . how much the most rewarding he seems among the politically-minded theologians of our time. A great, severe, and good man.'

—The Observer '... it gives us the best contemporary theological, ethical, and political thought ... it would not be too much to say that it is the book many of us have wished for and has been written by the man most of us would have desired if we had been allowed to choose the author.'

—The Manchester Guardian

'. . . a notable contribution to the subject of Christian responsibility in the world.'—Dublin Magazine

'. . . a welcome antidote to much careless thinking, both in and outside Christian circles, on both religion and politics, and as such is to be commended.'

—Congregational Quarterly

12s (gt;d net

Christ and Culture

by

H. RICHARD NIEBUHR

'. . . fascinating study of the relation of Christianity to civilization. . . . What gives his book its special value and richness is the honesty and thoroughness . . . vigorous and judicious.'

—The Times Literary Supplement

2 is net

-ocr page 204-