ocr page 1
ocr page 2

Hist. Gen.

qu.2 Ö 3

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

/ of 2f3 / '

LIEDEREN;

MELODIEËN

UIT DE

SOUTER LIED EKENS,

UrniKUEVKN,

.MET INLEIDING, AANTEKKENINGEN EN KLAVIERBEGELEIDING,

J)(gt;01i

FL. VAN DUYSE.

GENT,

DRUKKRRU f', ANXOOT-HKAECKMAN, OPV AD. HOSTE,

l.SSi».

ocr page 6

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

1408 4127

ocr page 7

INHOUD.

Blttdz.

Kapittel I. — Do Soutorliedokens..................1

Kapittisl II. — Metriek. — Uo^ol : hel metrum teruggevonden in do volkstaal. — Afwijkingen van dien rogel,

metri causa......................1

Kapittel III. — Noteering............20

Kapittel IV. — Du oorspronkelijke tekst in de plaats van den

tekst dor Souterliedokens hersteld .... 0;!

Kapittel V. ~ Strophe........ ... 7it

Kapittel VI. — Tonaliteit. — Begeleiding.......81

Kapittel'MI. — Slotwoord............99

104

Aanhanushi.. — Nevelingenvers. — Diotsch vers

ocr page 8

— VIII —

LIEDEREN.

Psalm der Sout.

Bladz.

I

120

II

3

124

III

4

128

IV.

— Aenmei'ct doch mijn gheclach

5

134

V.

— Daor staet oen clooster in Oostenrijc

C

140

VI.

— Ic arm schaopken aen der heiden

7

143

VII.

— Het ghinghen twee ghospoolkons goat .

8

147

VIII.

— Ic gluQC noch ghistren avont ....

II

152

IX.

— Rijc God, hoe is mijn boel dus wilt . .

13

150

X.

— Een ridder ende een meisken jonc

14

101

XI.

— Die mi morghen wecken sal . . .

15

109

XII.

— Alle mijn ghepeis doet mi so wee .

16

172

xni.

— Een goet nieu liet heb ic ghedicht

n

177

XIV.

— Ic hadde een ghestadich minneken . .

18

182

XV.

— Mijn sinnekens sijn mi doortoghen . .

20

188

XVI.

— Fortuine, wat hebdi ghebrouwen? . .

21

193

XVII.

— Sorgho, ghi moet besiden staon . . .

25

198

XVIII.

— Ic weet een vrouken amoreus ...

20

201

XIX.

— Ie quam noch ghister avont ....

27

208

XX.

— Daer ic eens was willecomen

32

211

XXI.

— 0 wrede fortune.......

34

215

XXII.

— Rosina, waor was dijn ghestalt . .

35

219

XXIII.

— Ic heb om vrouwen willo.....

30

224

XXIV.

— Ic wil mi gaen verhueghon ....

37

229

XXV.

— Ic quam tot enen danse.....

39

234

XXVI.

— Tyrannich were........

41

238

XXVII.

— Die vogelkens inder muiten ....

44

243

XXVIII.

— Den dach en wil niet verborghen sijn .

47

248

XXIX.

— Qlieen meerder vruecht tor worelt en is

48

251

XXX.

— Een vriendelic beelt......

49

255

XXXI.

— Die winter is verganghen ....

54

259

XXXII.

— Mijn liefken siet mi ovel aen.

55

203

XXXIII.

— Als alle die cruidekens spruiten.

50

207

XXXIV.

— Rijc God, gheeft mi goed avontuer!

57

271

XXXV.

— Dat ic om een schoon beelde soet .

59

277

XXXVI.

— Och moeder, lieve moeder ....

00

281

XXXVII.

— Die eerste vruecht, die ic ghewan . .

01

884

ocr page 9

— IX —

Psalm

der Sont. Blad/..

XXXVIII. — Hoe mach een man sijns loven hiaten . . 62 289

XXXIX. - Ic soch artieti..................lt;55 2 92

XL. — Daer spruit een hoorn in ghenen (lal . . OG 298

XLI. — Ri.jc God, wien sal ic claghen ... 61 301

XLI1. — Ic had een aider liefste..............08 306

XL1II. — Doon Hanselijn over der heiden reet . , 69 311

XLIV. — Den lusteliken mei is nu in den tijt. . . 73 315

XLV. — Trueren so moet ic nacht ende dach. . . 75 326

XLVI. — O lustoliko mei, glü staet nu in saisoene . 79 331

XLV II. — Op enen morghen stont............81 335

XLVlIl. — In Oostlant wil ic varen............82 341

XL1X. — Te Brunswijc staet een stenen huis . . 83 346

L. — Een boerman hadde een dommen sin . . 86 350

LI. — Peinsen en trueren, duchten en hopen. . 87 3Ö6

LII.— Help God, hoe wee doet scheiden ... 89 359

LUI. — Hoe luide sanc die leraer opter tinnen . 90 363

L1V. — Het soude een meisken gaon om wijn . . 92 372

LV. — Het vlooch oen clein wilt voghelken . . 96 375

LVI. — Een jonghe maecht hoeft mi ghedaecht . 98 380

LVII. — Daer had een meiskon een ruiter wat lief . 99 386

LVIII. — Ghequetst ben ic van binnen.....101 391

LIX. — Ghepeins, ghepeins vol van enviën. . 106 394

LX. — Waer sal ic mi henen keren..........107 402

LXI. — Het ghinghen drie ghespelen .... 109 408

LX1I. — Die winter is een onweert gast . . . 110 411

LXIII. — Het is goet peis, goet vrede.....112 415

LXIV. — Maria saert van edelder aert..........118 420

LXV. — Comt voort, comt voort sonder vcrdrach . 123 427

LXVI. — Die nachtegael die sanc oen liet . . . 127 431

LXVII. — Di, vrou van hemel, roep ic aen . . . 129 437

LXVIII. — Wie wilt er horen een nieu liet? . . . 132 441

LXIX. — Het quam een miterken uit Bosschaien . 134 445

LXX. — Die wachter die blies aen den dach . . 136 450

LXXI. — Die mi te drinken gave............137 454

LXXI1. -- Met lusten willen wi singhen .... 141 460

LXXllI. — Het voer een maechdelijn over Rijn . . 146 466

LXX1V. — Wel op, mijn cnaepjes goet..........147 470

LXXV. — Rijc God, hoe mach dat wesen .... 148 475

LXXYI. — Wie wil horen een goet nieu liet ... 149 482 LXXVII. — Eenoudomansprac oen joncmeigkenaen. Einde der Ps. 487

ocr page 10

— X

AANHANGSEL.

DANSWIJZEN EN FKANSCHE LIEDEREN.

Psalm der Sout. ISlaclz.

I. — Den lancsten (lach van desen jare..... 125 495

II. — Hoe sonde ic vrueeht bedrivon?..... 133 49(5

III. — Le berger ot la bergiere........ 135 497

IV. — Cost ic die mane schijn bedoeken .... Jiinde der Ps. 500 V. — Dont vient cola, belle, je vous supplye ... 12 502

VI. — Languir me fais sans t'avoir ollonsóe . ... 103 506

VII. — Do mon tristo deplaisir........ 113 509

VIII. — J'ay mis mon cueur en une seulöment ... 117 513

IX. — II me sutlit de tous mes maulx...... 128 516

ocr page 11

BIJVOEGSELS EN VERBETERINGEN.

Bladz. 40, laatsten notenbalk, en bladz 50, 2°quot; notenbalk, \oeg Si\gt; bij den sleutel.

Bladz. GG, regel 22, in eeno bijdrage verschenen in Caecilia IhHl, bl. 165, kwam J. H. Schei,tema, na een zelfstandig onderzoek, op zijna meening aangaande do juistheid van Dn Coussemaker's notatie torug on steldo do vraag, of do lezing langs don weg der oude nolatio alloen, tot richtige voorstelling van het wereldlijk lied kon leidon? — In Caetüia 1888, bl. 47, word door D. van Ling geantwoord, dat er ook van de declamatie diende rekening gehouden. Aldus hadden heide schrijvers den waren weg tot horstelling der melodie van Hel dag het ingezien.

Bladz. 83, regel 13, lees : Ilypophrygisch.

Bladz. 127, regel 22, ook aangeh. als wijs ; Veelderhande LUdekens, 1599, bl. 256.

Bladz. 128 on 129, loos : « Het daghet, enz. — Uitg. Sout. IS011 Juni 1540, beschreven onder Ausgabe D' bij Wackeunagel, Lieder der Niederl. Reform., bl. 4 — exempl. terGentsche Bibl., Nr771', Réserve — heoft do variante :

miin lief - kor

mijn lief

kon.

Eeno andere uitgave iti ons bezit, volgens don titel ingelijks van 12®quot; juni 1540, degene door Clemens n. p., dio van 1564 en dio van 1581 luiden zooals hierboven blz. 128. — Wij hebben de melodieën doorgaans

ocr page 12

— XII —

teruggegeven volgens de uitg. van 1564, waarvan de muziekdruk duidelijker is dan van deze uitgaven van 1540, die te onzer beschikking stonden.

Bladz. 132, regel 9 van onder, büo beter ic/o, volgons Hoffmann v.F., Hor. Belg. II, 48, waar Grimm. Gr. 111, 228 wordt aangehaald, waar schijnlijk van m( en IA, nog heden in liet Engelsch la, lo; Ohd. we la, Ags. viala, drukt verwondering of smart uit.

Bladz. 133, regel 12, zie Een devoot ende prqfitelyck hoecxkeu, opnieuw uitgegeven door n. k. Scheurlekb, 'sGravenhage 1889, bl. 196 en volg., alsmede de aanteekeningen aldaar bl. 322 en volg.

Bladz. 133, regel 24, « Och legdy hier verslaglien || die my te troosten plach, » (zie str. 7 hierb.) aangehaald als wijs in Hooft's zangen (1605), voor het lied dat aanvangt :

« Sal nimmermeer ghebueren my dan na dese stondt De vrientschap van u oophen, de wellust van uw mondt? »

In de uitgave van 1704, blz. 633, vindt men ook als wijs voor hetzelfde lied : « Het daaget uit den Oosten, etc. n

Bladz, 137, Aant. op den tekst, regel 2, zie gemelde uitg. van D. F. Scheurleer, bl. 107 en volg. alsmede aant. aldaar bl. 312.

Bladz. 138, 4quot; maat, tekst :

Bladz. 140, de mei. volgens uitg. Sout. 1584. — Regel 1, lees . Jte (Me(aioliek).

(s | _

Bladz. 150, l,,,n notenbalk, lees : —ia—ë quot;3 F--

Bladz. 151, 3'n notenbalk, lees : F------'--^—ü—1

Het wa - ren.

Bladz. 156, Ps. 13, tonaliteit: Ut modern.

Bladz. 159 en 160, Wiixems, niet Hoffmann v. F., bracht op het lied van quot; den tienden Pennine » de melodie van Ps. 44, Sout.

Bladz. 167, regel 5, zie gemelde uitg. van d. f. Scheurleer, bl. 53.

Bladz. 168, regel 11, zie gemolde uitg. van d. f. Scheurleer, bl. 50.

Bladz. 172, regel 3, lees : Re (Metaboliekj.

ocr page 13

— XIII —

Bladz. 175, aant. op den tekst, regel 2, zio ^remtldo uitg. van d. p. Schkurlber, bl. 212 en volg.

Bladz. 176, re^el 2, lees ; van den 5°quot; Psalm enz.

Blad. 18I,laatsten regel, zio zelfde melodie bij Stalpi-rt, Guhle-jatrs feest-dagen, Ant\v.,1635, bl.G02, « Stem : Als 't beghint, n voor het lied : « Wy vieren heen. »

Bladz. 185, aant. op den tekst, regel 2, zio gemelde uitg. van d. f. Schkuklbkr, bl. 119 en volg.

Bladz. 207, aant. regol 1, zie gemeldo uitg. van u. v. Scheurleer, bl. 40 en volg.

Bladz. 218, regel 1, lees : O wrede fortune, enz.

Bladz. 220, 7cn notenbalk, Souf. uitg. 1540, en Clkmkns n. p. alsmede Ott's Li.:

ghe - loof.

Sout., 1564 en 1584 : als op gemelde bl. 220.

Bladz. 223, regel 7 : de eerste rogel, enz.; lees in de plaats : de eerste regel wordt als stemme aangegeven in dit laatste liederboek, bl. 120; bij Wackehnaqel, lie der der Niederlandischen Reformierten, bl. 112, voor een lied uit de Veelderhande Liedekens, uitg. 1569; en in den Nieuwen Verbeterden Lusthof, Amst. 1607, bl. 62.

Bladz. 243, Ps. 44 tonaliteit: Re (Metaboliek).

Bladz. 247, zie mede bij Stalpert, Oulde-jaers feest-daghen, 1635, bl. 294, de melodie die reeds ver afwijkt van de melodie van Ps. 44 Hout. en die het begin van den tekst van dezen Ps. tot opschrift draagt.

Bladz. 248, Ps. 47, tonaliteit : Ut modern. — « Den dag, „ lees : quot; Den dach. n

È-

P2=rf25g;

Bladz. 259, laatste maat, lees :

*■' is mijn hert ver-Bladz. 262, Melodie, bij Stalpert, Oulde-jaers f eest-dag hen, bl. 896,

Bladz. 249, voorlaatste maal. lees :

ocr page 14

— XIV —

komt eene andere fraaie melodie voor, op de wijs ; quot; Wy willen den mey gaen houwen. »

Bladz. 203, titel, lees : ove/.

Bladz. 310, Kamper Lb., hesehreven bij Dr G. Kalpf, Het lied in de M. E., bl. 642, zelfde melodie, zooals blijkt uit de overgeblevene tenorstem.

liladz. 315, Mei. Ps. 73 en bl. 321 mol. A, vergel. Eymni de tempore et de sanctis, Solesmis 1885, bl. ITO; de melodieën Nr 70, hymne Jesu corona Virgimm, van den 8lt;'n toon en Nr 70lgt;ia, jongere lozing der/.elfde hymne, van den 6equot; toon.

Bladz. 329, laatste regel : Het lied komt ook voor in de op naam van Houwaert staande stukken. Zie Dr O. Kalff, Oesch. der Nederl. Letterh. in de ldquot; eeuw, Leiden, 1889, I, 20G.

Bladz. 345, variante dor melodie bij Böhme, Altd. Lb., Nr242, bl. 320.

Bladz. 393, aan de welwillendheid van den Heer S. G. de Vries, Conservator der H. S. der Bibl. van de Rijks-Universiteit te Leiden, hebben wij den volgenden tekst te danken uit het Lb. van Marigbn Remen. Het lied heeft tot opschrift : quot; op die wyse, Fortuin wat heb dy ghe.... «

1. Ghequetst ben ic van binnen doorwónt mijn hért eoo sóer,

die strael van hare minnen stoort mijn hoe langher hoe méér.

maer wal wil ie, tróóst gaan soéken veer,

ic vinds mijn liden ghéen verdrach;

schoon lief, waer ic mi hénen kéer,

ghi sijt alléén die mijn troost ghéveti mach.

2. U gunst heeft mijn ghetóghen,

ghebrócht in swaer verdriet,

nu slaet op mijn u óghen,

mijn liden dn'ic aensiet;

ghi büicht mijn hért als wdert een riet,

des ic mi wél beclagen mach;

och waer ic bén, tis-al om niet,

ghy sijt die mijn troost ghéven mach.

3. Een hért vervult met liden draech ic tot ü certéin,

het roept tot Allen tiden :

och, wier ic met u alléin!

ocr page 15

och mócht dat wéson, o cdolo gréln,

so liet ie vdren mijn becUch;

mijn lieflic liefkin, schoon óochkens .quot;«in, ghi sijt die mijn troost ghévon mdch.

Recht Als oen roos ontloken,

so staet mijn hóóp nner (li;

had ic u lief ontlóken,

myn hért dat waer so vri;

ic sucht, ic ducht, veel drücke ie lijt,

om ü so peins ie Al den (tóch;

al veinst phi, liefken, u hart voor mijn,

glii sijt die mijn troost gheven mach.

Ten sóuder mijn niet verdrieten

ewelic bi ü te sijn;

maer nidera tónghen die schieten

so héimelic hrtron fenijn.

dus móet ic u, liefken, al ist mijn pijn,

veel min aonspréken dan ic plach;

hout gunst nochtans, mijn cl.ier aenschijn,

jjlii sijt alléén die mijn troost ghéven mdch.

Const ic ii gunst verghéten,

so waer ic schier ghesónt;

maer néén, ghi hébt beséten

so vast mijns hértsen grónt.

ic en rust, schoon lief, tot ghéenre stónt;

nae ü so sét ic mijn beclach,

so gunt mi vriendelic uwen róden mónt,

ghi sijt alléén die mijn troost ghéven mdch.

Ic en wéét wien iet sal cldghen mijns hértsen waren nóót;

helpt mijn een déelkon draghen,

het valt mijn alléén te groot.

ic blijf u ghestadich tot in der dóot;

maer dóet van scheiden gheen ghewach! al wdre myn hdrtjen swdrer dan een lóot, ghi sijt alléén die mijn troost ghéven mdch.

ocr page 16

— XIV —

komt eene andere fraaie melodie voor, op de wijs : « Wy willen den mey gaen houwen. »

Bladz. 263, titel, loes ; ovel.

Bladz. 310, Kamptr Lb., beschreven bij Dr G. Kalpf, Het Lied in de M. E., bl. 612, zelfde melodie, zooals blijkt uit de overgeblevene tenorstem.

Bladz. 315, Mei. Ps. 73 en bl. 321 mei. A, vergel. Hymni de tempore et de sanctis, Solesmis 1885, bl. ITO; de melodieën Nr 70, hymne Jesu corona Virginnm, van den 8en toon en Nr lO1»'9, jongere lezing der/.elfde hymne, van den 6cn toon.

Bladz. 329, laatste regel ; Het lied komt ook voor in do op naam van Houwaert staande stukkon. Zie Dr G. Kalff, Ucsch. der Nederl. Letterk. in de /6'° eeuw, Leiden, 1889, I, 206.

Bladz. 345, variante der melodie bij Böhme, A ltd. Lb., Nl'242, bl. 320.

Bladz. 393, aan do welwillendheid van den Heer S. G. de Vries, Conservator der H. S. der Bibl. van de Rijks-Universiteit te Leiden, hebben wij den volgenden tekst te danken uit het Lb. van Mabigbn Hemen. Het lied heeft tot opschrift : quot; op die wyse. Fortuin wat heb dyghe.... »

1. Gheqüetst ben ic van binnen doorwónt mijn hért soo sëer,

die strael van hare minnen stoort mijn hoe langher hoe méér.

maer wat wil ic tróóst gaan soéken veer,

ic vinds mijn liden ghéen verdrach;

schoon lief, waer ic mi henen keer,

ghi sijt alléén die mijn troost ghéven iniich.

2. U gunst heeft mijn ghetóghen,

ghebrócht in swéer verdriet,

nu slaet op mijn u óghen,

mijn liden drüc aensiet;

ghi büicht mijn hért als wdert oen riet,

des ic mi wél beclfigen mach;

och waer ic bén, tis-dl om niet,

ghy sijt die mijn troost ghéven mach.

3. Een hért vervult met liden draech ic tot ü certéin,

het roept tot Allen tiden :

och, waer ic met ü alléinl

ocr page 17

- XV —

oeli mócht dat wésen, o edolo so liet ic vdren mijn becldch;

mijn lieflic liofUin, schoon óoclikons .quot;éin, ghi sijt die mijn troost gluwon macli.

4. Recht óls een róos ontlóken,

so staet mijn lióop naer di;

had ic u lief ontlókon,

myn hërt dat waer so vri;

ic slicht, ic ducht, veel drücke ic lijt, om ü so peins ie Al den (lach;

al veinst ghi, liefken, u hart voor mijn, ghi sijt die mijn troost ghéven mach.

5. Ten sóuder mijn niet verdrieten ewelic bi ü te sijn;

maer niders tónghen die schieten

so hëimelic haren fenijn.

dus móet ic u, liefken, al ist mijn pijn,

veel min aenspréken dan ic plach;

hout gunst nochtans, mijn clAer aenschijn,

ghi sijt. alleen die mijn troost ghéven mdcli.

6. Const ic u gunst verghéten,

so waer ic schier ghesónt;

maer néén, ghi hebt beséten so vast mijns hértsen grónt.

ic en rust, schoon lief, tot ghéenre stónt; nae ü so sét ic mijn beclach,

so gunt mi vriendelic uwen róden mónt, ghi sijt alléén die mijn troost ghéven mdch.

7. Ic en weet wien iet sal cldghen mijns hértsen waren nóót;

helpt mijn een déelken draghen,

het vdlt mijn alléén te groot.

ic blijf u ghestAdich tot in der dóot;

maer dóet van scheiden gheen ghewach! al wdre myn hdrtjen swérer dan een lóot, ghi sijt alléén die mijn troost ghéven mdch.

ocr page 18

— XVI —

8. Ai Hef, mijn tróosterinne,

helpt mijn draghen désen last,

don cnóop Tan huoschor minnen

laet immer hóuden vist.

dat hert van u noot mi te gast,

ic wil betalen mijn gheldch,

daer in to ligg-hen heb icket ghepast,

ghi sijt alleen die mijn troost ghéven mach.

Amen.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 1 r. : Wij hebbon het afschrift overgebracht in de spelling die wij tot hiertoe gebruikt hebben.

1 str., 8 r. Inde drie volg. str., wordt het woord «/to» weggelaten : zoodat in deze het laatste vers vier accenten telt, zooals in de str. op bl. 393 hiervoren.

2 str., 6 r. bijgev. het vers ontbreekt in den teUst.

5 str., 2 r. met voorslag, ten minste volgens de mei. van Ps. 101.

7 str., 3 r. t. ; Mft mijn, liefken, enz.

7 str., 6 r. t. : maer Hef scheiden gheen ghemach.

Bladz. 415, 1« maat, lees : y— —T'maatjlees: —8emaat.

IN^

I I

I

lees 2 ; — 9° maat, lees :

r

ocr page 19

— 277 —

XXXV.

DAT IC OM EEN SCHOON BEELDE SOET.

Ps. 59.

Ut modem.

$

Dat ic om een sclioon beeldo soet, (U13 lan-gho moet

3Tquot;3~ni5

zé—a—d

2zdL

EBEESEES;

2=z__E:

—3-

Ê==ÉZ

ilaer noit en

bli-ven in ghe - truo - ren,

=S=öï

□--1-

ZÉ=iZ

(si

J-

3

i

-3—p'

dan lief - de goet, noch on heeft ghe-

^iEj—-j--1—^

___ O ___

.p—a)--i=3=:q

p É

c5

rgr

EE9EE

'JC

ocr page 20

— 278 —

gt;:i—=*=5=?=^

-qzrqr li_d_

zdzzz^zzet:

weest mijns le-vens due - ren, door ni-dors

[$

•=.

~ÉZ

iquot;r2;

12—!Eï

—ö=Ei=ö=;: -Ö-

-jU-j

:i=f2~^=;r:=:: I---P—

cu - ren ist mi gho-schiet : voor een clein vrnecht, voor een dein

-i—u

=d= :2^-ttrS^z;b^-P-É=r*=Ed

^-=e=——

z^-——5:

^;3=q=^i=:^2=r=:

^=S

vrueclit,

:2zzzz:s=: driot.

so mo - nich ver

ocr page 21

— 279 —

1. Dat ic om een schoon béelde sóet

dus langhe moet bh'ven in ghetnieren,

daer nóit en was dan liefde góet.

noch en heeft ghewéest mijns lévens dileren,

door niders cüren is mi gheschiet:

voor een olein vruecht, so ménich verdriet.

2. Haer aenschijn claer gheeft mi confóort,

als ic aensie die schoonste figure;

daer is een ander veel bat ghelóoft,

si sluit mi buiten haerder diiercn;

si ghéeft mi cüre als si mi siet :

voor een clein vruecht, so ménich verdriet.

3. O Vénus! u claghe ic minen nóót,

dat ic mijn sóete liefken moet dérven; een ciisken aen haer móndeken róot, een tróostelic wóort laet mi verwérven;

dat ic moot sterven, minen drdc aensiet;

voor een clein vruecht, so ménich verdriet.

4. Nu rade ic élken amoréus

dat hi sijn lieveken niet en vergrame;

haer wésen is so córagieus,

spreect éen woort duecht; wat di misqiiame,

wacht li van blame, quadc niders tonghen vliet!

voor éen clein vruecht, so ménich verdriet.

TEKST.

An(te. Lb., Nr 18, bl. 24 « Eon amorous liedeken. » Aangoli. bij l)r Ka'-pF) Het Lied i'/i de M. E., bl, 310. — Variante in eon onuitgegeven Lb. der XVI0 oomv in Hs. in ons bezit:

ocr page 22

— 280 —

1. Bat ie om óen schoon beelde sóet

noch tónghe in drücke zal móeten léven,

daer nóeint en was dan liol'de góet,

ondo heeft ghewéest allé mijn léven;

nu ghéeftse my küere ende up my en achtse niet;

voor éen cleyn vniecht lijdic verdriet.

2. Haer claor aenschijn gheeft my confóort,

als icse anzie die schóono flgüre;

daer és een ander bét ghelóoft,

ic zie zoe slimt my büuter düere.

zoe ghéeft my liuere, ende up my en achtse niet;

voor éen deen vrüecht lijdic verdriet.

3. Nu radio élcken amouréus

dat hy sijn lieveken niet en vergrame,

haer wésen és zeer coragieus

endo sóe sproict wóordekens al van betame;

zoe spreict Mame van quade nijders tónghen zoo men ziet;

voor éen cleen vrüecht lijdic verdriet.

4. Vrou Vénus, ic moet claghen den nóót,

dat ic die lieffste nü moet dérven;

haer cider aanschijn, haer móndeken róodt.

troost z^' my niet, ic móet bestérven.

moet ic u dérven, raynen drück anziet.

al triiere ic, lief, ic en stérve noch niet.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 2 r. Sic, volgens de aanhefsregelen aangegeven in de Sont. Ps. 59. — (. : dus langhe moet ver true ren.

2 str., 4 r. t. : buiten der duereu.

4 str., 2 r. t. ; vergramnte.

4 str., 4 r. t. ; spreect een noort doecht schoon lief mat di misquame. De woorden schoon lief zijn overtollig voor het metrum. Het eerste halfvers is voor ons onduidelijk.

MELODIE.

Sout. Ps. 59, en in Fruytiebs Ecclesiasticus, Antw. 1565, Nr 52, bl. 123. Als wijs aangeh. bij Van Mander, Gulden Harpe, 1627, bl. 182.

ocr page 23

— 281

7

XXXVI.

OCH MOEDER, LIEVE MOEDER.

Ps. 60.

Phrygisch.

Och moe-der, lio - ve moe-der, mocht ie tor lin-den

i

SËÏ

-tPil

IÜ=

p=pc;

-ö-

2=£:

:t=:

g--a-pTquot;

2—

gaen, dner lior - ie die pi - pers al spe

J2=i=

-G-

I I

2z^Jf

s—y

2=:E

S=,EÂ¥ENEfEEg=^;^g^^

len, die lie

ve trom

mei

^ib

EE^

r--1-

Pl

g:

i gt;•

ocr page 24

282

$

zaz

mei

slnen.

ela'en, die lie - va trom

tm

m:

« Och móeder, lieve móeder,

mocht ic ter linden gaen,

daer hóric die pipers al spélen,

die lieve trómmel slaen.

« Het gaeter jéghen den sómer, den sóeten sómer tijt,

die kinderkens lópen spélen,

in den dale, » so sprac er die méit.

— « Och dóchter, lieve dóchter,

ghi en móocht ter linden niet gaen, so Met die pipers maer spélen,

ende willet slapen gaen. »

— « Och móeder, lieve móeder, dat bróchte mi in swaren nóót,

want móchte ic ten danse niet springhen, ic stierve die bittere dóot. »

— « Och néén, mijn lieve dóchter,

alléne en süldi niet gaen,

weet óp uwen jóncsten bróeder,

ende laeter dien mét di gaen. »

ocr page 25

— 283 —

6. — « Ic en wecke niet minen broeder hi fsser so cléne kuit,

ic wécke veel liever enen anderen dien mijn lierte so sére bena'nt. »

7- « Och dochter, lieve dóchter,

dat Gód u beware te hants,

ic en can u niet bedwinghen,

so gaeter dan emmer ten dans. »

8. Ende dóen si qdam ten danse,

ten avont danse quam,

doen warp si heur óghen alómme,

of si den ridder vant.

9- Hi nam haer in sinen armen,

hi cüste haer aen den mónt,

den róden mónt hi haer cüste,

bi den danse djier si stónt.

TEKST.

Navolging- van het Duitsche lied bij Böhme, A ltd. Lb., N' 292, bl. 375.

De twee eerste verzen zijn ons door de tafel der Soul. bewaard.

MELODIE.

I's. GO.

ocr page 26

— 284 —

XXXVII.

DIE EERSTE VRÜECHT, DIE IC GHEWAN.

fiE

ll

n 3 3 vrh--!-1-1 quot;1--1 1

- quot;i ..

--1—

—ö—i—-rt-

mi tot true - ren co - men;

ocr page 27

285 —

I

no - men; dat do - deal - le - ne scheidens

$

im

I

lm=^

.v -f- -f ig: -et -®-

f- -

a .......

r?

-rJ-

-®- d

17

.....o

____ ^

M

noot, ver-mi-den moet ic tmon-do - lijn root; hoe

r I

PigEgESEEEgE^ftË

'^zQzjdËiE^:

bit - ter is mijn li - don.

BËiË==^

Ë^=|=i

37

ocr page 28

— 286 —

Die eerste vruecht die ic ghewan,

doet mi tot trüeren cómen;

met dróefheit is mijn hérte bevaen, die vrüecht is mi ontnomen',

dat déde alléne schéidens nóót,

vermiden móet ic tmóndelijn róot; hoe bitter is mijn liden.

Die ónmoet, dien ic int herte draech,

dien moetic langhe diilden,

daertóe hebbe ic mi sélf ghebracht,

daer ane en heeft si gheen schulden;

hem wil ic draghen tótter tijt

dat mi die vrüecht mijn ónmoet verdrijft,

si can mijn ónmoet kéren.

Dat nételcruit, dat si mi gaf,

dat groeit in haren gaerde;

si spélet met mi ende ic met haer so lüstelic métter caerten:

bi téerste spél dat ic ghéwan,

si bóót mi dat frissche móndelijn an, met vriendeliker liefden.

Doen vlócht si mi een cranselijn van viólen énde van rosen.

si sprac : « lief, set di neflens mi,

ende laet ons minnen ende cósen. » si bant dat cranselijn óp minen hóet, ende sprac tot mi, « sijt wél ghemóet, ic cóme saen doch wéder. »

ocr page 29

— 287 —

5. Ic im'nde haer tróu ende talier tijt die mi wóude met liefden lónen;

ende si heeft emmer mijn herte verblijt, ic vlóchte haer méneghc cróne.

si sloot mi in haer hérten schrijn.

ende liet mi emmer vertrouwend sijn op hare gestadighe minne.

6. Doen ic lest male bi haer was,

in minen arm ic haer mócht omvanghen : « so séghene u Gód, mijn sóete lief, verhoort mijn vierich verlangen ende ghévet mi u sneewitte hant,

schenct mi u tróuwe tót een pant van li en wil ic noit scheiden. »

7. — « Verlaet ghi mi, wat schadet mi dat? ic vinde wél u ghelike. »

ende dóen ic lést mael bi haer was so déde ic héimelike biechte;

dat biechten dat was ménighfóut ; « schoon lief, ic dóe u claer bcschéid : van li en wil ic niet scheiden. »

8, Wat hëvet li dat rócken gedaen,

dat ghi niet. meer en wilt spinnen? ghi siet mi óver die ócsel aen,

licht sal ii dat ontvlieden.

schoon lief, so német acht nu ter tijt, dat giii dat rócken niet en raket quijt, ende gróet mi, die spinsterigghe.

ocr page 30

— 288 —

9. Die óns dat liedeken hévet gedicht ende téersten hévet ghesóngen,

eenre spinsterigghe tóegericht,

die liefde die hadde hem bedwónglien.

hi dénct aen haer en wénscht haer héii,

si és hem óm gheen ghélt niet veil die sóete spinsterigghe.

TEKST.

Navolging van don Duitschen tekst, 1'ij Böhme, Alld. Lb., N'209, lil. 293. Alleen het eerste vers van den Ned. tekst werd ons door de Soul. bewaard. Dit lied dagteekent van do XV,le eeuw. In 1505 bestond er reeds eone geestelijke jiarodio van, waarvan do aanvang bij Böhme voorkomt.

MELODIE.

Sout. I's. 61.

ocr page 31

- 289 -

XXX VIII.

HOE MACH EEN MAN SIJNS LEVEN LUSTEN. Ps. 62.

Hypodonsrh zestonig.

sijns le

Hoe mach een man

»' é-

amp;

ö-

IQ-

:2i;

►=2:

SiS

ÜEEEEEE

ihiE^s

ta-ta---F9--P—F—i-w

itztirta—

lus-ten,die gijn lie-vo-ken ver-lo-ren hoeft? sijn sin-no-kens

i)2: 2'

li^EEg^

-©-

-GÓ-

LÜliirJÉ

Tquot;

—^gcrpzzn—3

sijn heminswaer on - rusten, want dat her-te-ken

t

3~ai lËÏ

mv';

:|=

ocr page 32

— 290 —

—1-i-

Ee-p-3=^

-2-—§—

= » - 1

tr

glie

-

nen troost en

lieeft.

9--

—1--

m

m a s J—

..... 1 —2—

--amp;----

ö*

-----

---

EE--É--

-2—

---ö---u

1. Hoe mach een man sijns lévens lusten, die sijn Heveken verlóren heeft?

sijn sinnekens sijn hem in swaer onrusten, want dat herteken ghénen tróóst en heeft.

2. Twas raijnder hérten wél een medecine, doen ic hem laetst met óghen aensach; eilacen nu is dat trüeren mine,

want ic hem sien noch spréken en mach.

3. Dat lót is nü op mi ghevallen,

dat ic dat süer opsuipen móet,

ende ic en wéét ghenen tróóst met .^llen, dan wat ic dóe, het is téghenspóet. *

4. Mijn liefken hadde mi uitvercóren.

éer hi mi laetstwérven verliet,

hi en léide mi niet dan ddecht te vóren ende nu laet hi mi int swaer verdriet.

5. Och mochte ic den tijt gheléven dat hi mi minde ende ic hem niet!

ic sóude mijn hérteken in niste stéllen en laten hem óoc int swaer verdriet.

ocr page 33

— 291 —

6. Die óns dit h'edeken so liistich stélde,

liet was een gheselleken jónc ende fijn; vrou Vénus liefde hem daer toe qüelde. het is so quaet bi niders te s(jn. een valsclie tóughe gheen argher fenijn.

TEKST.

Antw. Lb., N1, 121, bl. 183 quot; Eon out liüdeken. n De laatste strophe alleen telt vijf verzen; het laatste vers is eene stereotype uitdrukking, die hier natuurlijk mot herhaling van liet laatste deel dor melodie gezongen werd. Dit nummor wordt vermeld hij Dr Km.ff, Het Lied in de M. E bl. 316 en 320.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 1 r. tekst : Soul., Hoe mach een man sijn leven lusten. — Antw. I.b. Och hoe mach hem sijns, enz.

2 str., 1 r. t. : medecijn.

2 str., 3 r. t. ; mijn.

6 str., 3 r. t. : vrou Venus liefde die hem, enz.

MELODIE.

Sout. Ps 62.

ocr page 34

— 292 —

XXXIX.

IC SECïï ADIEU.

Ps. 65.

Ut modern.

-d—3=^—fa17-0—p-

Ic sedi a - (lieu, wi twee wi

3=^=3=]

1=

3=

si-—

ie3_

Ij-—

5=±z

ton schei - den. tot op een

./a. T, • -ö-

—ff:

zaz

=4=^

zzizz

d;

'é—-*

nieu, so wil ie troost

ver - l)ei

—a-

a---3 -

I I

Z^fr-t---p-

-P= rti

EÉ

ocr page 35

— 293 —

~üz:Pizëzz±:—fczamp;

9

=1=±

i—9p-r=M—*-

den. ic la - to bi u dat hor-to mijn, want waarghi

m

5g^-=E-=j

fep

:2i

J^=^==

■F—•-

amp;

:23=t

;gr-#

«J

:2=^=;z=--

-!-

sijt, daer sal ic sijn. tsi vruecht oft pijn, tsi vruociit oft

smmm

:2zj

:2ii

e=?3ifet^=pË

:gEgig=i=^^gi|^E^i=|

pijn, al-toossal ic :=l

ii vri ei-glien sijn.

fc3-=|-=irquot;i _ -[:z^f=^==^quot;^-=r|S=|=qE[;:2rz;i| z2=ö=:=3=dr=rEzi,EËrÉ-Sr: r^rzztretj-fead

__j- amp; .Q. .^.P

'Ar

ia: ■o-

EigmrzrF

1

W-^2;

38

ocr page 36

— 294 -

1. Ic séch adieu,

wi twee \vi móeten scheiden.

tot óp een m'eu,

so wil ic tróóst verbeiden.

ic late bi u dat hérte mijn,

want waer ghi sfjt, daer sal ic sijn.

tsi vrüecht oft pijn,

altóós sal ic u vri éiglien sijn.

2. Mijns sins ghequél

dat dóet mi dicwils trüeren.

haer liefde rebel die dóet mi thérte schüeren. dat scheiden van ü doet mi den nóót, ic blijf gliewónt, ic secbt u bloot,

schoon blóeme minióot,

u éighen blive ic tot inde dóot.

3. Ic danke u lief,

rein minnelic lief ghepresen,

voor alle grief,

so wilt mi dóch ghenésen.

desa niders fél met haer fenijn, si hébben belét ons blide aenschijn

op dit termijn.

Altóós sal ic u vri éighen sijn.

4. Mijn hóóp, mijn tróóst,

fortiiine sal noch kéren,

lief óp mi glóost,

so sal mijn vrüecht vermeren.

ocr page 37

— 295 —

al móet ic derven mijn conroot ende bl/ven in dit Jiden groot,

swaerder dan lóot,

quot; eig,len bl/ve ic tot inde dóot.

Adieu, van mf so s/jtghi nil ghescheiden;

een ander met di'

sal hem nu gaen vermeiden, córagi'eus ghelijc dëverswfjn, een amoréuslic cranselijn,

puer i'st van dijn,

altijt sal ic 11 vri éighen si'jn.

Adieu schoon stat,

adieu prieel vol vrüechden,

rein maechdelic vat,

daer wi tsamen verhiiechden! ghedenct den troost die ghi mi bóót, ghi sijt mijn lief die ic nóit en vlóot;

ic secht u bloot;

u éighen bl/ve ic tot inde dóot.

TEKST.

Antw, Lb., Nr 100 hl im « t?.

Dr G. Kalfp, Het Lied'in de M. J?.™quot; S^goó quot; ~ Aan»e,gt;aald bij

Vananfen, H. v. F. //o/.. j,/ „ 'Nr 9 ' f getrokken uit een Hs. van Het jaar loin i,, ,',: f 0n V 100' bl- ^4,

hierna vermeld AuptscA mimjch-boeck gt; f ^ Wquot;quot;quot;ar' hot

filnnhfo .1^ 1..« ..... ^ UOCCK. Do tweedf» I....... ,

slechts de Is 10 strgt; ;;0 T/Cr ^ twee^

lied., Nr 156, l.l, 366. - Aangeh .,quot;j W,u'KM-S Oude h

bOeCXtfiU Xni-ar I ^'Kl 1,1 ■ i ' J,:l ln bl'H

. .....J «li UtJt

tweede variante begrijpt — . r. .'''J Willbms, Oude VI.

boecxken,KnUv. 1539quot; bT. 41 v^ento'l'tr £en rfequot;' equot;de Prof-

r-KEU, 1889, bl. 92 en volg.) voor het ftod « O V' ^ quot;001' ^ J-boven maten, „ en do vergeestelijking « lék sogïadioü • ^ 11 gaet

werolt wi twee

ocr page 38

— 296 —

wi moeten scheyden », alsmede in een Hs. gevoegd bij een exemplaar der ficut. ter Bibl. te Leiden quot; Bemiiert prieel da((r God in was ontfanghen » : zie Dictsche Warande, 1869, bl. 573. Dit laatste lied aangegeven als wijs, doch mot eene andere melodie dan Ps. (15, Sout., in den Boech der (ihcestelücke sang hen, Antw. 1631, bl. 29; nog aangeh. als wijs in de Veelderh. liedekens, 1599, bl. 179, 180, 191 \0, 282 vquot;, waarvan het lied bl. 180 herdrukt is bij Wackernagel, Lied. der Niederl. Reformierlen, Nr 29, bl. 102; in bet Nieu Amst. lb., 1591, bl. 36, 125 en 133; en in Den nieuw. verb, lusthof, 1607, bl. 7 en 59.

AANTEEKEN1NGEN.

2 str., 5 r. tekst ; t schei den.

5 sir., 5 r. Vgl. A. L., Nr 110, str. 1, vers 3 ; « In u oghenghelijc rlat everswijn. »

5 str., 6 r. t. : amoreus.

MELODIE.

Sout. Ps. 65. — Willems, t. a. p., geeft de melodie niet, doch verwijst naar « Hen Duytsch Mustjch-bock enz., n gedrukt te Loven bij P. Phale-sius, 1572. De muziek van dit lied, voegt hij er bij, is van Episcopius. Dat bovenstaande melodie in gemeld werk voorkomt, bewijst alleen dat zij door Episcopius meerstemmig behandeld word. Dezelfde melodie met enkele varianten in J. Fruvtiers' Ecclesiaslicus, Antw. 1565, Nr 27, bl. 62, en in Een dev. ende prof. boeexken, t. a. p. Wij laten deze laatste volgen, door ons in moderne noteering gebracht.

Over dit lied door Dufay (M00-1474) met Kranschen tekst behandeld quot; Je premis congé do vos amours, » zie Ambros, Oeschichie der Musik, 2'' uitgave, II, 105.

Vierstemmige behandeling, op Ned. tekst door een onbekend componist in F ouster's liederverzameling : Der ander theil kurtzmüiger guter friseher Teutscher Liedlein, Nurnberg, J. Petreius, 1540. ZieR. Eitner, Bibliog. der Musik-Sammelwerke des XVI und XVII Jahrh., bl. 326, die mede bl. 510 de behandeling door Episcopius (Lupus) aanhaalt, voorkomende in gemeld Duytsch Musyck-boek en in Litre seplième, Phalesius, Antw., 1636.

Devoot ende pref. boeexhen. __

O iloot, o doot, u macht gaet bo-ven scro

u God hoeft ge

ocr page 39

— 297 —

\en, ghi ne-mei al in u ghe-

P

Se

3EB

wout, hoe rijc, hoe steick, hoe vroom, hoe stout, hoejonc,hoo

• -10-

b ^ 3

m—i-z:

i

2z^Ei.

mm

out, hoe jonc, hoo out, ghi bo - ne-met haer al - len

die-ven,ghi he - ne-met haor al-len die

ocr page 40

— 298 —

XL.

DA EE SPRUIT EEN BOOM IN GHENEN DAL.

Ps. 66.

VI modern. ' 3

it

rr

2—5=1

Dacr spruit een boom in ghe-nen dal, al bo-ven

J_j-

:*=:9r

2

1

mE=

:2ïË

ES

p=:=a=

:t±it

S5i2zËtËÊ!L=

breet, bo-nfi-den smal, al bo-ven breet, be-no - den

;iq:

EtiE3E

'■5 S

t:i=3r

^r2—§-

1^2

E^lrszl

smal, dser o]) so rust die nach

te - gal.

^ I I r ii -®-

ocr page 41

— 299 —

1. Daer spruit een bóom in ghénen dal,

al bóven bréet, benéden $mal,

al bóven bréet, benéden smal,

daer óp so riist die nachtegal.

2. « Och nachtegael, clein vóghelkijn,

woudi daer mlnen bóde sijn? »

— « hoe sóudic uwen bóde sijn;

ic bén so cléinen vóghelkijn. »

3. — «Al sidi cléin, ghi vh'eghet snél,

glü vóert daer mine bóotschap wél. »

hi nam dat briefken in sinen mónt,

hi vóeret al óver dat gróene wóut.

4. Hi gaf dat vénsterken énen stóot :

« och slaept ghi lief, of sijt ghi dóot? s

— « ic en slaper also vaste niet,

ic hóór al wat mijn lief bedfet. »

5. — « Uw lief ontbiet n góeden prijs,

hi wil gaen tróuwen een ander wijf. »

— « wil hi gaen tróuwen een ander wijf,

so wil ic gaen tróuwen enen andereu man. »

6. — « So wil ic gaen tróuwen enen anderen man, besien wiet éérst beróuwen sal.

nu biddic Gód ende ónse lieve vróu,

dat hét mijn liefken éérst beróu! »

TEKST.

Hoffmann v. F., Hor. Belg.. II, Nr 89, bl. 192, naar het Weimarsch

Hs. löS'V. Zie alJaar de verscheidene aanverwante Duitsche teksten._

Zie mede Uhland, \olhsl., Nr 15, A en B. — Nog in de laatste jaren uitgegeven met jongere melodie in het Niederdeutschns Lb., Hamburgen Leipzig, 1884, Nr 48, bl, 57.

ocr page 42

— 300 —

AANTEEKENINGEN.

1 str., 1 r. Sic. Sout. — H. v. F. « Het spruiten drie boomkens in y lienen dal alleine.

1 str., 2 cn 3 r. al, bijgev. — In den tekst van H. v. F., komt nog na liet 2' vers, eene soort van refrein ; « So, mijn liefken, so! ».

4 str., 3 r. t. ; ie slape.

6 str., 1 r. bijgev. ter aanvulling der strophe. Bij H. v. F., zijn de strophen tweegregelig, buiten de tiende, welke drie regelen bedraagt,

MELODIE.

Sout. Ps. 06. Bohme, Alld. Lb., N1, 39, bl. 116, is van meening dat liet metrum van Hoffmann's tekst op deze melodie niet past, wat niet gegrond is; alleen het begin der eerste strophe diende veranderd, wat hierboven met behulp van don eersten regel ons door de Sout. bewaard, gedaan is. Op do melodie nu van Ps. 60, Sout. brengt hij t. a. p. Uhland's Nr 116, dat echter in verband staat met den Duitschen tekst van het lied waarvan wij onder Ps. 49 eene navolging geven. Hij zelf deed reeds opmerken dat de melodie van Ps. 66 (deze komt insgelijks voor in Fruytiebs' Ecclesiasticus, 1565, Nr 96, bl. 180) herinnert aan die van Ps. 38 der Sout. : « Aen gheender linden daer staet een dal, » welke hier volgt. Misschien wel behoort de tekst Nr 116 bij U hl and ; « Es stet ein lind in jenem tal, » eigenlijk bij de melodie van Ps. 38.

Sout. uitg. 1'óiO.

ËPËï

;E

2-

Es stet ein lind in je - nem tal,

ist

ben

2=P=

rt:

breit und un-den schmal, dar - auf da sitzt frau Nach - ti -

^ .i ^ ' 3 quot;

quot;2:

I

hE

ge-lein vor dem wald.

und an-dre vö

gal

ocr page 43

301 —

\

X.LI.

RIJG GOD WIEN SAL IC CLAGHEN.

Ps. 67.

Hypodorisch.

ÊlËëi?==Ë

==1=

2

Rije God, wien sal ic

cla-ghen dat

-m

12,———^z

m

3—gizzg:

M2

5

ÊPË

±;

hei-me-lie li - don mijn? mijn bool is mi ver-

9=^

i—

3!-^

«—•

I

i

=F—

ip

iü

ja-yhet, scheiden is mi ghe-wor-den pijn; mijn

3 N

;3EL?~ 12—

g

lil

\_2:

P1Ü3

39

ocr page 44

302 —

S2

bool is mi ver - ja-ghot, scheiden is mi ghe-wor-den

i i i ~~ r

i M i ;i^ = gt; • H I

A J.

!■!

J.

;sê

üS

j?- »-»

-I----------1---h

p-

cont; dus dra-veie o-vorgheen hei - do, mijn

rv-

1 3 1 1 .1 r—Sgt;—m---

rTrt—j--

5—sj—p---

..Oquot; ■ .0

»1 ^ — •

-O-©---P_---

i~t- r

zzizz

zaz

z2-J

m=Ë=E

her-te is mi soor ghe - wont.

ocr page 45

— 303 —

1. Rijc Gód, wien sal ic claghen dat héimelic lide» mijn?

mijn bóel is mi verjaghet,

scheiden is mi ghewórden pijn;

mijn bóel is mi verjaghet,

scheiden is mi ghewórden cónt; dus drave ie óver gheen heide,

mijn hérte is mi séer ghewónt.

2. Ic bat si so minnelike met witten armen blanc,

dat si bi mi woude bliven : « die sómer en is niet lanc.

ic en mach bi il niet bliven,

ic en mach bi li niet sijn,

ic wil over ghéen groen hëide, tot die aider liefste mijn. »

3. Moet ic nu van haer scheiden, dat dóet mijnder hérte so wee, dus vaertse óver gheen heiden, tot dat icse wederómme sie.

adieu, mijn aider liefste,

mijn hérte blijft mi doorwónt,

ic en mach altijt bi u niet wésen, blijft ghi nu doch altijt ghesónt.

4. Een bitter eruit is scheiden, dat próeve ic wél nu ter tijt :

wie nóit van sijn liefken en schéide, hi en weet van ghéender pijn.

ocr page 46

— 304 —

mijn h'efken vaert óver gheen heide,

ic en mach bi haer niet sijn :

« adieu, mijn aider liefste,

het móet nu gescheiden si'jn. »

TEKST.

Anbv. Lb. Nr 142, bl. 213 ; « Een out liedelien « en H. v. F. Hor. Belg. Nr 11(5, W. 222. In liet A. I. komen nog twee andere liederen voor, die waarschijnlijk aan don bijval van Nr 112 hun ontstaan te danken haddon, namelijk Nr 139, bl. 20T : « Rijo God wie sal ic claffhen || dat heimelic lidcn mijn, » aangeduid als quot; een niou liedeken » en Nr 205, bl. 317 ; quot; Uijo God wie sal ic claghon |{ rainen flnic en mijn verdriet, » zonder verdere aanduiding. Eetie variante van dit laatste, getiteld « Een nieu liedeken » en aanvangende « Rijck God wy sal ickx claghen |{ dats alle mijn verdriet, » vindt mon in liet lis. gevoegd bij een exemplaar der Sout. ter bibl. to Leidon. Zie Diclsche Warande, 1861), hl. 514.

Dal hot besproken lied reeds in de XVquot; eeuw bekend was, blijkt uit, H. v. 1'quot; //or. Bt'lff. X, Nr 23, bl. 5lt;1, waar men het geestelijk lied : 'lt; Hei viel eens hemels douwe |{ op een jonc maechdelijn n op de wise quot; Heer God wie sal ic claghen |{ alle mijn verloren tijd « aantreft, alhoewel er verscheidene andero oude wijzen van dit zelfde geestelijk lied gekend zijn. In gemolde Hor. Belg. X, Nr GO, bl. 143, vindt men nog een ander geestelijk lied, dat aanvangt: « Heer God, wie sal ic claghen {| al mine verloren tijd? » en dat gezongen werd op de tv ijs quot; Help God, wlen sal ic claghen {| dat ic dus droevlch bin? ic en croech... »; terwijl ineen Devoot en prof. boeexken, Anlw., 1539,bl. 57 vquot;- 58 rquot;(Uitg. D. K. Scheurleer, bl. 1H3), een geestelijk lied voorkomt, dat met do twee eerste regelen van het hier besproken wereldsch lied aanvangt en gezongen werd op de wijs : quot; O rat van avonturen » — eeno zeer verspreide oude wijs — of op do wijs : « alsoot beghint, » dus ook op de melodie van I's. (gt;7 Sout. VAo moilo de aant. bij Sciieurlekr in gemelde uitg., bl. 341.

Ook bij Wackernaoel, Lied. der Nied. Reform., N'-4, bl. 81, vindt men een geestelijk lied : « lek hoorde een maechdekon singhen, » dat getrokken is uit VeelcUrhande Liedehens, 1569, en gezongen werd « nae de wijs : Rijck God wie sal lek claghen, » welke in deze laatste verzameling herhaaldelijk wordt vermeld.

Het klaaglied van Pon Frederik, Alva's zoon (1573), voorkomende in het deuzenliedboek en heruitgegeven met de melodie door Dp Loman, Tuuialf Geuzeliedjes, Nr IX : quot; Eylacon ick mach wel claghen {| tot u mijn ouden vaer, » werd insgelijks gezongen op de wijs quot; Rijck Godt, wie sal ick klagen. ». — Al do hier vermelde liederen hebben denzelfden versbouw. — Aangehaald bij Dr Kalff : liet Lied in de AI. E., bl. 325.

Over de Duitsche aanverwante teksten zie Röiime, A ltd. Lb., N' 208. bl. 291.

ocr page 47

- 305 —

AANTEEKENINGEN.

1 str., 4 r. tekst ; De muziek en fle tekst van W. va.n Zuylen, verzamelaar der Sout.j bewijzen dat scheiden hier, tegen allen regel, in arsis staat.

2 str., 1-3 r. t. : Hi bat, mi so minlijcko

met witten armen blanc,

dat ic bi hem woude bliven.

Voor deze drie verzen nemen wij hierboven de veranderingen aan door H. v. F., t. a. p. voorgesteld.

4 str., 3 r. t. : dus vuerlse over, met hiaat.

MELODIE.

Soul, I's. 67. Uit het bovenstaande blijkt dat de melodie zeer verspreid geweest is. Men vindt dezelve met lichte varianten bij Bohme, t. a. p., die meldt dat die zang — door een onbekenden componist driestemmig behandeld, zie R. Eitmer, Bibliog. der Musih-Sammetwerke des XVI und XVII Jhr., bl. 349 — met Nederlandschcn tekst te vinden is in Tricinia, ten jare 1542 in Duitschland (Wittenhergao npud. G. Rhau) verschenen. — Do Nederlandsclie componist Natiialis Bauldkwijk of BounFAVUN, kapelmeester der Onze - Lieve -Vrouwekork te Antw. (1513-1518, gest. 1529), heelt hot hier besproken lied, dat in Forstkrs verzameling, V, 38, Nürmb., 1556, voorkomt, vijfstemmig behandeld, hetgeen aan Ambros, (iesch. d. mus. 111, 275, doet zeggen : men zon kunnen denken dat Ned. componisten ook naar vreemde (hier Duitsche) liederen uitzagen, wisten wij niet door de Soutetiicdehens, dat dit lied ook in de Nederlanden thuis behoorde.

ocr page 48

— 306 -

XL1I.

IC HAD EEN AIDER LIEFSTE.

Ps. 08.

2

Ea==

rl^

ÊÜËiEiË

-r—E:

it

I ^ ^ I

ic mot o-ghen aen - sach, om haer quum ie ghe-

:lt; , 3

|

1 , ! I

—ö—J—C--

—•--

._a

--lt;3

-gi

-4

l=:1

■amp;

amp;

m-E^

iiEgEEEEiE^pgEEfeE^;iE^

:tic=t^±zip.—

re - den van den a - vont nl tot den dach, om

ocr page 49

— 307 —

lt;i; ^ ' if? ëmpmm i m]

haer quam ic ghe - re-don van dim a-vont al tot-ter

—a-

-3-.

=t=---q=

t *

its- rj-:r ï-l. 2

-G-

g

la - ten, dat

E®!

2-0-

s

m

tijt, och wou-de si mi in Ê^i

M=3

I

EE=é :b=ö:

C^Sr 2=

g -

ÖEE?=£EiEE^

rein trou sa-lich wijfl n

:'Ü=^3=3^

-lt;s»-

lt;N I /^3S I

„==15

2:

—g»—I--Q

Ml

ocr page 50

— 308 —

« Ic had een alder liefste die ic met óghen aensach,

om haerquam ic ghereden van den avont al tótten dach,

om haer quarn ic gliereden van den avont al tótter tijt,

och wóude si mi in laten,

dat rein trou salich wijf! »

Hi clópter also liselic al mét sijn hamerkijn,

dat al die plancskens sprónghen al van dat camerkijn :

« staet óp, mijn aider liefste staet óp ende laet mi In!

ic swere u bi mijnder tróuwen,

ic waer so ghéerne bi di. »

Dat méisken schoot aen een hémdeken.

tfr diiren dat si ghinc,

in haren blanken armen

dat si haer liefken omvinc :

« nu wéset wéllecómme,

mijn lief, mijns hérten bruit!

wi willen genóechte hantéren

ende maken ghéen ghelüit. »

Dat verhóorde die wachter,

op hógher tinnen hi lach :

« hier is een schóón frisch jónghelinc die wil bliven tótten dach;

ocr page 51

— 309 —

wat sal hi mi gheven?

twee hóoskens ende een paer schoen, óft ic sal van hem clappen wat sf opter cameren dóen. »

« Och swfghet, wachter, stille! laet dat verhólen sijn!

ic sal u laten maken van góude een vingherlijn. » met énen siden snóere dat méisken haar haer op bant;

haer mantelken h'et si gliden,

haer ére en düerde niet lanc.

Hi déde enen bóde sénden daer hi den wachter vant.

wat gaf hi hém ten lóne? een vi'ngherlinc aen sijn hant. dat méisken hief óp een h'edeken ende sóetelfc si sanc :

« rijc Gód, here van den hémel,

waer den nacht noch ééns so lanc! »

Die dit h'edeken dichte dat wils een ruiter fijn;

hi hévet so wél ghesónghen tAmsterdam al in den wijn ;

hi hévet so wél ghesónghen ter éren der liefste sijn;

God schéin der niders tónghen! bi schoon vróuwen ist goet sijn.

ocr page 52

— 310 —

TEKST.

Aiiiiv. Lb.. Nr 80, bl. 129 Een amoveus liedeken. v H. v. F., Hor. Belg, II, Nr60, bl. 14G.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 1 r. Sou/. Waer is myn aider liefste.

2 str., 2 v. teltst : met sinen hdmeré.

2 str., 4 r. t. : van (kr earner

3 str., 1 i'. t. : Hemdeken a:it mopro al ceno stereotype uitdrukking zijn, zij past hier niet op het motrum; het pimplex hemde is voldoende. — H. v. F. merkt hier aan, dat de mindere stand — in Duitsehland nog tot in hot begin der 18° eeuw — zonder eenige kleeding sliop.

4 str., 2 r. t. : op hogher tinnen.

4 str., 4 r. t. : ghecomen inne.

ö str., 5 r. t. : snoer.

6 str., 5 r. t. ; ende si sanc.

1 str., 6 .r. t. : die.

1 str., 1 r. t. : dees.

MELODIE.

Sotit. Pr. 68. Op dezelfde melodie, zie Böhme, /t/W. /,4. ,Nr 396, bl. 49(', werd c. 1545 het lied gezongen, dat aanvangt;

Wacht nuf, ir Christen alle,

wacht floiszig in dom Streit,

in diesem Jammerthalo wacht auff, isf mohr den Zeil.

Nederl. tekst :

Waect op, ghi Christen alle waect op ghi met groten vlijt,

vermeld bij Wackebkaoel, Zied. der Niederl. Ref., bl. 13. — Neder-duitschu tekst vermeld bij Böhme t. a. p.

Op do wijs 11 Waect op, enz. » zong men het lied op do ontlmlzinü' van Egmont en Hoorn : « Als men schreef duysent vijf honderd || in dat achtenseatichate jaer, n overgedrukt bij Wackkrnaoei. t. a. p. bl. 153, uit het Nieu Gev.sen Zieden-Boeckxken, 1588. — Volgens Van Ltjmmki. ;; Nieuw Geuzenlied-hoek, bl. 57, luidt do wijs « Ontwaockt gliy Christenen alle. j)

liet lied op do Spaansche Furie te Antwerpen, 157C, dnt aanvangt: quot; Waect opghy Nederlanden, || waect o|) 'tis meer dan tijt, n waarvan d aanvangsregelen blijkbaar aan het voorgaande ontleend zijn. werd volgen hetzelfde JVteu Geusen Lieden-Roeehxken, 1588, — zie I)1' Loman'k lijst der Geuzeliedjes, Bouwsteenen, II, bl. 221, — gezongen op do Wilhelmuswijs.

ocr page 53

311 —

1 w

XLIII.

DOEN HANSBLIJN OVER DER HEIDEN REET.

Ps. 69.

Dorisch.

ié=^

Doen Han - se - lijn o- ver der hei-den reet, hoe

nr

rd—iznetzipr

gt;4

v Th rir~=;

4 5

__

-éz

razrsmzz—rz=d

I fquot; I

=S2—PI

i

■ K

rrtr=t

haes-tich wert, hi ghe - van

ghen! hi

|e-

--:é_

-g:--

EEÊ

——s-—d—s—

- ren ghe - leit, ghe-

V $

I

i-P-

a

f r

weri al op o - uen to

ZÉ=jÊ==ÉZ

q=qzziq;

ocr page 54

312

boeit wel b1 - sn Btran - she, so fih'an

IÖi

f*

j-

rpr:

7~

1. Doen Hanselijn óver der heiden reet,

hoe haestich wért hi ghevanghen!

hi wért al óp enen toren gheléit,

ghebóeit wel also stranghe.

2. Ende dat verhoorde een meisken jónc, een méisken van sëventien jaren;

si ghinc al vóór haer móeder staën,

daer na al vóór haer vader.

3. « Och vader, » séide si, « vader mijn,

mijn alder genadichste hére,

och ghéeft mi désen ghevanghen man,

de vróme lantscnéchtjes ter ére. »

4. — « Dese ghevanghen man en crijgt ghi niet, want hi sal móeten sterven,

hi isser van séven lantshéren verwésen also vérre in vréemde érven. »

5. Het méisken liet backen twee wittebrootswégghen, daer in twee schérpe vi'len,

si wierpse al in den tóren was hóoch : « hei, hintscnechtje, wilt u los vilen. »

ghe.

ocr page 55

— 313 —

6. Hi vijlde so ménighen nacht ende dach, so menighe stoute ure,

tot datter den tóren ontsloten was;

hei, men sacher noit lantscnecht trüren!

7. Si tróc hem daer twee laersen aen daer tóe twee schérpe sporen,

si sétten hem óp haer vaders grau rós : « lantscnecht, gheeft den móet niet verlóren! »

S. Doen hi ter halver wéghe qilam,

hi kêec so dicwils ómme,

hi dóchter wél om den tóren was hóoch,

maer noch meer omt méisken was jonghe.

P. «Nu héb ic al de jóncfrouwen lief alómme de wille van éne,

si héefter behóuden het léven van mijn, och móchtic haren dienaer wésen! »

TEKST.

Oudi Amsl. LI., bl. 44. — Oudt Haerlms Lb., 27« druk, 1716, bl. 42. — Overgenomen door Willems, Oude VI. Lied., N' 62, bl. 162 en H. v. P., Hor. Belg., II, Nr 68, bl. 159. — Nederl. tekst met Duitsche vertal. bij Böhme, Altd. Lb., Nr 32, bl. 104, en daar onmiddellijk gebracht na de varianten van het lied « Der Herr von Falkenstein, „ dat blijkens H. v. F., Hor. Belg. X, waar men driemaal (Nquot; 45, 46 en 48, bl. 109, 111 en 114) als « wijs » aangegeven vindt quot; Ic sach den Here van Valkenstein, »ten onzent reeds in de XVe eeuw bekend was. De melodie, die bij de Duitschers ontbreekt, zie Böhme, t. a. p., wordt gevonden in J?en dev. ende prof. boecxken, Antw., 1539, bl. 108 (uitg. D. F. Scheurleer, bl. 227). In het Duitsch lied van den Here van Valkenstein, zoowel als in het Nederl. lied van « Hanselijn », wordteen gevangene door de tusschenkomst van een meisje verlost. Ook herinnert de aanvangsregel van str. 5, Nr 30, bij Böhme : « Den gefangnen mein dergeh ich dir nicht n aan den aanvang van str. 4 van « Hanselijn ».

Eene navolging van dit laatste lied, door J. J. Van Asten, komt voor

ocr page 56

- 314 —

in de Eaerlentsche Winter-Bloempjes, 1651, bl. 185, on werd herdrukt bij Le Jeune, Letterkundig overzicht, enz., 's Grav. 1828, Nr 56, bl. 221 en bij H. v. F. Hor. Belg., II, bl. 160.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 1 r. tekst: A mst. Lb.: Hanselijn over. — Hout.; Doen Hanselyn over.

1 str., 4 r. Het einde van den vierden regel wordt bij iedere etrophe herhaald.

3 str., 3 r. Sic. Willems, t. : Wondt ghi mi de sen ghevanghen man gheven.

3 str., 4 r. : lantscnéchtjes, — 4 str., 3 r.; lantshéren, — en 7 str., 4 r.: lantscnécht; die samenstellingen hebben we gescandeerd met den hoofdtoon op het tweede lid, gebruik makende van een wel gekende vrijheid der middeleeuwsche prosodia, om te voorkomen dat de arsis te lang en te zwaar wordt.

MELODIE.

tout. 69. — Zelfde mei. Fruytiers Ecclesiasticus, Nr 86, bl. 164. — Zie over de noteering bl. 74-76 hierboven. — De muziek zoowel als de teksten der Sout en van het Oudt Haurl. Lb. duiden de herhaling aan op het einde van het vierde vers van elke strophe.

ocr page 57

— 315 —

XLIV.

DEN LÜSTELIKEN MEI IS NU IN DEN TUT.

Ps. 73.

Hypojihrygisch.

ii=yii

• ü

WÊmÊ^ÊÊ

Den lus-te - li - ken moi is nu in don

I • ^

if

s

'/»|o quot;■ ■ (•

p-

•—p f

El—P-I—

: ±- ^ L- P - ' --------1----

=1=

tijt met si-nengroo - nen bla

i

:özz:

iS

s-

I

SÉ

ÊmmmËi

'ë=^=i

■jcr^z^z^:

• •

^ • •

den; int lie-ve - lie aan-schouweQ,ghl di Vo - nusdienaers

ocr page 58

in de Haerlemsche Winter-Bloetnpjts. 1651, bl. 185, on werd herdrukt hij Le Jeune, Letterkundig overzicht, enz., 's Grav. 185!8, Nr56, bl. 221 en bij H. v. K Hor. Belg., II, hl. 160.

AANTERKENINGEN.

1 str., 1 r. tekst; Amst. Lb.: Hanselijn over. — 8out.: DoenEanselyn over.

1 str., 4 r. Het einde van den vierden regel wordt hij iedere strophe herhaald.

3 str., 3 r. Sic. Willems, t. : Wondt ghi mi desen ghevanghen man gheven.

3 str., 4 r. : lantscnéchtjes, — 4 str., 3 r.; lantshéren, — en 7 str., 4 r. : lantscnécht; die samenstellingen hebben we gescandeerd met den hoofdtoon op het tweede lid, gebruik makende van een wel gekende vrijheid der middeleeuwsche prosodia, om te voorkomen dat de arsis te lang en te zwaar wordt.

MELODIE.

iïout. CO. — Zelfde mei. Fruytibrs Ecclesiasticus, Nr 86, bl. 164. — Zie over de noteering bl. 14-76 hierboven. — De muziek zoowel als de teksten der Sout. en van het Oudt Haart. Lb. duiden de herhaling aan op hot einde van het vierde vers van elke strophe.

ocr page 59

— 315 —

XLIV.

DEN LUSTELIKEN MEI IS NU IN i)EN TUT.

Ps. 73.

Hypophrygisch.

-•--9-Ü-

Den lus-te - li - ken mei is nu in den

I 3 ^

:q=z:=:i=d=3=dv=:qi=i

;2=z=—i )9---P—i-

rtr

nen bla

:Vv» -

_2:

tijt met si-nen grne

z^z=z^:

• i

------c-

den; int lie-ve - lie aan-schouwen,ghi di Ve - nusdienaers

plp^==i^ij=Égi^ii^E=j

| r f_^

ocr page 60
ocr page 61

— 317 -

S^r-T-r

JL»

=ë~\

bo

i

_o _

-CJ_

:p ■ —

1. Den lüsteliken niéi is nu i'n den tijt met sfnen groene bladen;

int h'evelic aenschóuwen, ghl die Véniis dienaers sijt,

men mach u niet versaden;

want bi' «les méis virtüit

so ménich clein vóghelken ruit,

sinen sanc is sóet om iióren :

dies willen wi vruecht orbóren.

^ -I ^

i

-11

ocr page 62

— 318 —

2. Bedrijft solaes, ghenóeclite ende vrüecht, die blómkens staen ontplókeu;

comt met u lievekeu buiten in des veldekens jüecht,

die crüiden staen seer sóet van róken.

si staen nét ende rein,

in dat sóete lustelike plein;

daer siet men se jilechdelic bloeien

door des sóeten meischen daus besproeien.

3. Die nachtegael singhet nacht ende dach met ménich dierken cléine ;

want ghi die Vénus dóet gewach,

went ü ten veldekens reine ende wilt ons cómen bi,

u lieveken, ic ende ghi,

en acht gheen niders bespringhen ende helpt ons den mei in bringhen.

4. O Vénus, had ic mijn lieveken alléin, het sóude mijnder hérten lusten,

ende wi tsamen lagheu op een béddeken cléin, daer ic l)i luier mocht rusten,

ende wi daer spéelden inoedernaect,

also men die bérvoetekinderkens maect; so soüde ic mijn lieveken gebruiken ende in mijn armkens luiken.

5. Amoréuse lievekens sijn hier vergaert tis élken éen melodie,

als déen ghesichte dander verclaert scout alle melancolie.

ocr page 63

— 319 —

haer caecsken sijn van cohiere root,

ende hoe menich versüchten gróót gheeft élc syn Hefken int wésen,

een sóenken van ü salt gheuesen.

6. Oorlof prmcelic lief seer amoréus,

nu bidde ie u óm een béde :

neemt desen mei in dane seer coragieus ende bewaert hem na réinder séde.

toont ons u getróuwighe ionste fier alónder desen sóeten eglentier ;

wilt uit den slape ontspringhen ende helpt ons vrólic singhen.

TEKST.

Antm. Lh., Nr 27, hl. 39. quot; Een nieu liedeken.» — Onder de Meiliederen aangeh. bij Dr G. Kai.ff, Het Lied in de M. E., bl. 301.

AANTEEKENINGEN.

De strophen van onzen tekst zijn zoo gebouwd, düt ieder lquot; en Sc vers vier, de andere drie slagen hebben; echter schijnen str. 4, v. 6, str. 5, v. 5 en str. 6, v. 5 moeielijk op die maat te passen.

2 str., 8 r. tekst : hepoeye».

3 str., 6 r. t. ; u meerste Hevelen,

5 str., 1 r. t. : vergadert.

5 str., 5 r. t. : caecxXen.

5 str., 8 r. t. : nan it, schoon lief.

6 str., 5 r. t. : ioncste.

MELODIE.

Sout. Pr. 73. Volgens de tafel der Sout. luiden de aanvangsregelen : « Den mey staet vrolio in sinen tijt met loverkens ombehangen. » Dat Nr 27, A.L., het nieuw lied, wel op do melodie van Ps. 73 wijs van het oud lied — misschien het geest, lied uit Beu devoot ende profitelyck boeckxkcn, hierna vermeld — gezongen werd, blijkt uit Fruytiehs' Ecclesiastic us, N'. 15, bl. 38 : Liedeken op de wijze : « Den lustelycken mey is enz., » waarvan de melodie, buiten enkele varianten, dezelfde is als die der Sout. Ps. 73.

Dit lied was zeer verspreid en bleef lang populair, zooals blijkt uit onze

ocr page 64

— 320

liodorbooken waai' het dikwijls wordt naugehaald en onder anderen uit: Een devoot endc profltelych boeckxkcn, Antw. 1539, bl. 83, r°-v0 : (uitg-, U. 1lt;quot;. Scheurleer, bl. 174 : zie aanteek. aldaar bl. 315.) « Den Uiste-lycken iney christuH playsant » geestelijk lied, tekst en melodie; nog aangeh. aldaar als wijs voor N1' 251; — Liederen van omstreeks 1540 in Hs. gevoegd bij een exemplaar der Sovi. in de bibl. te Leiden, besproken in de Dietsche Warande, 1869, bl. 572, door P. A. Tiele i quot; Een nieu lierteken op rtie wijse van den lustelijcken mey : Die werelt gaet nu al verkeert, || o God wat. salt geworden »; — Diversche liedehens van Casteleyn oz. j. (f 1550), Nr Vil, lied met de melodie; - Een nieuw hedenhoek, 1562, bl. 63, « Do wijse, alsl beghint. De lustelycko mey is nu in sijnen tijt. » Geest, lied overgenomen bij Wackernagki, I.ieder der Nied. Reformierten, Nr 12, bl. 88; — Ecclesiasticus van Jan Fruytibrs, Antw. 1565, Nr 15, bl. 38, Geest, lied met, de melodie : « Verwerpt u vrienden niet» op de wijse van « Den lust. mey is enz. »; — Veelderhande Liedekens pemaeckt uit den Ouden en Nieuwen testamente, 1577, uitg. 1599, aangeh. nis wijs : bl. 92, 147 vquot; en 308; — Een Duylsch iMnsyck-boeclt, Loven, Phalesius, ende Antw. J. Bellerus, 1572, bl. 18 : Do lustelycke mey ,, vierst. behandeld door Clemens n. p., vermeld bij R. Eitner, Bibliog. der Mustk-Sammelwerke des XVI und XVII Jhr., bl. 468; — Een nieu Oeusen Lieden-Boeckxken 1588, Lierl : « Den 30 Mey op Pinxterdach, op de wijse : Den lustelijcken Mey Christus playsant. „ I ekst herdrukt bij H. .1. Van Lummel, Nieuw Geuzenlied-Boek, Nr 94, bl. 214. Tekst en molodie in moderne noteering te vinden in Twaalf Geuzeliedjes, door Dr A. Loman, Amst. 1872, Nr X; - Nieu Amstelere-damsch Lied-boeck, 1591, aangehaald als wijs, bl. 5, 13 en 127; — Het Luitboek van Thysius, 16e-n» eeuw, uitgegeven door Prof. J. P. N. Land, in h«t Tijdschrift der Vereeniging voor Noord-Nedertands Muziek-geschiedenis, 1885, 1, Nr 12, bl. 166 « Den lustelijcken Mey. » Melodie;

Druyventros der amoureushei/1, 1602, door Pietkr Lisenaerts van der Goes, Melodie bij Prof. Land, t. a. p.; — Den Nieuwen verbet. Inst-hof, Amst. 1607, bl. 19, aangeh. als wijs voor het lied : « Een reyn maghet zeer delicaet »; — Het Prieel der Gheestelijke melodie, 3* uitg. Brugge, 1609, bl. 90. Lied : «Looit al Maria die reyn suyver jeucht » en hl. 122, lied ; u Met gheestelicke vruecht melodieus. » Telkens met de melodie. — Zelfde teksten doch zonder melodie, in de uitgave van 1620, Antw. bl. 92en 114: — Het Parad, der gheest. vreuchden, Antw. 1617, als wijs voor de geest. lied. : hl. 86, « Hoort toe ghy sondaers algemeyn, ,, hl. 88, « Met gheestelijcko vreuchdt melodieus, » bl. 92, « alsoo 'f begint: Den lustelijcken Mey Christus playsant,» bl. 94, quot; Devote Catholijcken algheraeyn, „ bl. 96, « Don edeion Mey, der deuchden jolijt »; —■ Het Paradijs der Gheestelijche en Kerckelijke Lof-sanghen, Antw. 1621, wijs voor het lied; « Met gheestolijeke vreught melodieus. » Tekst der I8'» strophe en melodie herdrukt bij W. Baumker, Das katholische deutsche Kirchenlied, 1886,1, Nr 294, bl. 571. Baumker doet opmerken dat dit lied, « eine üebertragung des Vldmtschen Volkshedes: Den lustelijken Mey, » met corrupte melodie gevonden wordt in de;

ocr page 65

— 321 —

Lieiliche Kinder-Cythar, Keulen, 1632, on deelt den Duitsohen tekst mede insgelijks met corrupte melodie, getrokker; uit den Seraphische Juslgart, Keulen, 1635, t. a. p., bl. 570; — De. Gulden Harpe van Karkl Van Mander, Antw. 1621, nldaar aangeliaald als wijze, bl. 122,247, 327, 618 en vermeld bij Prof. Land, t. a. p.; — Hoorns Liedt-boek, 1630, bl. 205, aldaar aangehaald als wijs, aanhaling vermeld bij J. P. N. Land, t. a. p.; — Boeck der gkeestehirke sungken, Anfw. 1631, 1quot;« Deel : Binden Jiequiem, bl. 11, als wijze voor het lied : « Myn herte dat saet op, vricn-dinnc blij, » doch de melodie aldaar heeft niets g-emeen mol Ps. 73 dor Koute r lie dekens; — Gheeslelyche Nanhtegael, Antw. 1634, 111, 162. Den lustelijken Mey Christus playsant. Tekst en melodie (Superius en Bassus);

— Stalpert, Guide Jacrs Feest-dagen, Antwerpen, 1635, melodie, hl. 423, aangehaald als wijs, bl. 986; — Arions Vingertuig, Haarlem, 1645, wijs voor het lied : « Den nangenamen Moyboom groeid, i, heruitgegeven bij Schei.tema, Nederl. liederen, Leiden, 1885, bl. 64; — Evangelische Leeutverck, Antwerpen, 1682, I, 112, melodie.

Willem Baudartius, de medewerker aan den Statenbijbel, geboren te Deinze, die te Canterbury en te Gent de muziek beoefend had, schrijft in zijne Memoryen (zie Levenschets van Jan Pieter Smelinck 1H62-16H, door F. H. L. Tiedeman, gevoegd bij de Acht zes-stemmige Psalmen, bewerkt door R. Eitnkr, uitgave der Maatschappij tot bevordering der Toonkunst, 1876, bl. 16, aangehaald bij Prof. Land, t. a. p. bl. 167) : quot; My gedenckt dat ick eens met eenighe goede vrienden by meyster Jan Petersz. Swoolinck mijnen goeden vriend, gogaen zijnde, met noch andere goede vrienden, in de maend van Mey, ende hy aen het spelen op zyn Clave-cyrabel ghecomen zynde, het selfde continueerde tot omtrent middernacht, spelende onder anderen het liedeken Den luste-licken Meg is nu in zijnen tijdt, d'welck hy, soo ick goede memorye daer van hebbe, wel op vyf-en-twintigerley wijzen speelde, dan sus, dan soo. »

— Oude en nieuwe HoUantse Lielies en Contredansen, gedrukt te Amsterdam omstreeks 1700 bij Rogez, II, hl, 11 (beschreven door .T. C. M. Van Riemsdijk, X Oud Nederlandsche Danswijzen, uitg. rler Maatsck. tot bevorder, der Toonkunst) aangeduid als : « Genoeglijke Mey. « Melodie in Het Luitboeh van Thysius, t. a. p., en door den uitgever Prof. Land, terecht quot; verwaterd » genoemd.

Wij laten hier verscheidene varianten ter vergelijking volgen ;

A. Ken devoot ende prof tehjek boeexken, 1530.

Den lus-te - li - ken mey Cris-tus play-

sant. Vol al - der duechden groe - ne,

ocr page 66

322

mmmÊÊÊÊ

(l)

É

I-

-p—^-ë-M-

Is doer den hey

i - gen

3

koe

pheest als nu phe - plant In al - 1p ghe-loo - vi - ge

!i=iBi'H^=p^ÈS=§=g

ne. I)ie tot de - sen mey - e

lis

scrijt, Wort van al - len son - den fiuijt, Sijn

J J _

m

==1= -siz

ven Wil hem

dueoht en - de al - le sijn Ie n quot;quot;

fa=3=3=3=^^Hp

Cris-tus min-ne - lijc phe B. Ecclesiasticns, 1565.

Eg?

zaz

ZÉ—?=*—•-

•zz7;o::

$Ei=SE

Verwerpt u vrien-den niet, enz.

als nu glio-planf

:^=g=°zz^—rJ J J :^r:jzzg?izaE9=3E

(1) Zon moeten hebben : vier en niet vijf accenten in het vers, zooals het zich overigens \oordoet in do t, cd bewaarde lezing van den Gheest. Nachtegael, Antw. 1634, 111, 162.

Is door den lieilgen Geest

ocr page 67

- 323 —

-i—9^—quot;^=^==£3—^=3^3—J:

f—^-J J ^

z^—pzn^--

—fr---:----1---1—

q=

zzlÈE

örrgz

C. //fi! Prieel der Gheesielijcke Melodie, 1609, bl. 90 :^==i=^ '

pi=3

tzrzL^l

a die is sy

reyn vol

3=ïE.i3=ïEi;

Looft al Ma - ri Ghe - be - ne - dijt

P^ES=gEEiHg~;5Ej

:q=5ssi=:q3=H_ =■ •. * «•

suy goe

\er jeuclit, Moe-der en maecht vol trauwen, der deueht, Jae bo - ven al - le vrauwen,

quot;Vry son - der rau Deur 's geest bo - dau wen, Uut haer is wen.

i

^=1-


;3=-==^i=

irc

—s!—— ons ghe-bo

ren soet Jo - sus on - sen Paeys-ma

Dat is Godts Soon ver - co

ker goet,

ï==ËË^gi3===3=S=$

'zt^ïLzJgEzl

Die ons was toe - ge - swo-ren Tot

paeys

q=1—ts—^=q—r:

ö-* -r--J—te)-O;

■}a=

glio - bo

ocr page 68

— 324 —

1). Het Prieel der Uheest. Melodie, 1(301), bi. 122.

EïÜEÏ

ït

Met ghees-te - lick - o vreucht (')__________

lo

di - eus, enz.

E. Seraphische Lusigart, 1G38.

:^=;==j==irqrqr3:

MitGeistlichorfrewdMelo-di - os, enz.

»3 « li» f-T

—I--1--1:=*---1-

^==|.

iE=iEfa=i

3Ê

ÊSE

1—^—1:

• h-

t-M

Terwijl A. in lt;lo modurne tonaliteit van nt geschreven is, stemt B. met du hypophrygische tonaliteit van Ps. l;i der Hout. overeen, en vindt men in C. en in D, onder den invloed der moderne tonaliteit, den leidtoon in de cadenzen door accidentalen aangeduid. Dat men bij het aanbreken der 11quot; eeuw het begrip dor oude tonaliteit verloren had, blijkt onder andere aan de melodie van den « Veni creator » die men op bl. 29G van het Prieel der Uheestelijcke melodie, 1009, aantreft en waar niet alleen de fa f maar nog de ut % gebruikt wordt;

(1) Drukfout in den tekst voor :

ocr page 69

- 325 —

J—J—

Nog erger ziet het uit met de variante E. die tot geene tonaliteit terug-te brengen is.

In verscheidene nummers van het Een devoot cnde prof. boeckxken, wordt de tonaliteit miskend, terwijl integendeel de Souterliedekens door nauwkeurigheid der muzikale teksten uitmunten. Wij liouden het ervoor, ilat de melodie van het oud Meilied wel degelijk in de hypophrygische tonaliteit gezongen werd.

•■®T-

42

ocr page 70

— 326 —

XLV.

TRURREN SO MOET IC NACHT ENDE DACH. Ps. 75.

Re met Si t]

i

5=2=

=3^

é—s=

True-ren so moet ic nacht on - de

ÖESEEÏ

P

-

: gt;2-

\_l2:

-n'-j

(tach. en-de li-den al-so «root ver-lan

lyj j i» j l

-l-i

ü

2=;g

:==—E2

S—g=p=quot;-^

oil

g-hen om een die lief - «te die ic

-2=^quot; i=22=

—^=

E2—'

:=q=:=jSj=— ^ •' j • '

:qsgt;--^==3

:=t===z=E=z=d

ocr page 71

— 327 —

- ..... -].....1 ■

r__M----^-----^-;-

■9. j .----fquot;—-

3

—r~j—hl

.^Ë—*——J—a

h a

saeli; si heeft mijn her-fe-ken be ■ van

—(S---1--

.«jS

■ »

—ö—■■--1----

r ■

ÈI?- :

-----fe)-

-1=

ghen, door - scho - ten heeft sijt also me

nich-

J. j y

i f i i i

r—-g:

--U--—u.-.

fout. si heeft mijn her-te in haer ghe - wout, na

:=t

E2:

i2z_

z^rzr-

kft=.

ïEai ::2~=

^=t- ■

ocr page 72

— 328

iÜÜ:

jd—•;

;2— ghon.

mEirn

liaer staet mijn ver-lan

Ti s 1

zzzztz

'2---

;2i

1. Trüeren so móet ic nacht ende dach,

ende liden also gróót verlanghen

om een die liefste die ic oit sach;

si heeft mijn hérteken bevanghen, doorschóten heeft sijt also ménichfóut. si heeft mijn hërte in haer ghewóut,

na haer staet mijn verlanghen.

2. In wat plaetsen dat ic Mn,

si staet in mijn ghedachte.

daer en mach gheen liever liefken comen fn, bi rlagiie nóch bi nachte.

dat heeft haer claer aenschijn ghedaen. wónde si mi in haer hérteken ontfaén, so waer alle mijn liden sachte.

3. In alle dése wérelt wijt en wéét ic ghéen so lieve;

als ic aensie haer claer aenschijn,

daer af neme ic alle minen ghen'eve.

iner lacen, als ic van haer moet sijn,

só is alle mijn blischap pijn,

ic en dóe niet dan slichten en béven.

ocr page 73

— 329 —

4. Helpt, rijc Gód! hoe wee ist mi,

als ic van haer moet scheiden.

och móchten wi wesen van clappaerts vn, so waer mijn hérte ghenesen.

si brénghen die ménighe in swaer verdriet.

schóut quade tónghen waer ghise si'et;

si sijn so valsch gheprésen.

5. Clappaerts móeten clappaerts sijn,

ic wflse gaen laten varen,

ende schenken der aider liefste mijn thien duisent góeder jaren.

si is die liefste op al aertrijc,

ic wilse gaen dienen ghetróuwelijc.

(iod wil mijn liefken bewaren!

fgt;. Help, rijc God hére, hoe wee ist mi,

als ic van haer moet scheiden;

tnieren, ghi blijft mi altoos bi.

God wil mijn liefken gheléiden.

al is mijn avontiiere dus cranc,

ic hópe het sal béteren éer iet lanc,

den tijt moet ic verbéiden,

TEKST.

Anltv, Lb., Nr 147, bl. 210, « E(jn out liedekfn. » — Aangehaald bij Dr Kalfp, Hel Lied in de M. E., bl. 325. — Geest, lied, H. v. F. Hor. Belg. X., N' 50, bl. 116, op do wijs : « Truren moet ic nacht ende dach ende hebben swaer vorlangheti om een.,. „ doch mot vijf- in stede van zeveni'egelige strophe, —Geest, parodie in Een dev. ende prof . boecxken. Antw, 1539, bl, 78 r0-v0, (Uitgave D. F. Scheurleer, bl. 164 en aantee-keningen aldaar, bl. 343). — Aangeh. als wijs in : Den grheelen Sov.dter des II. Prnpheten enz., 1567, zie Wack.erna.oel, Lieder der Niederl. Reform., bl, 24,

ocr page 74

— 830 —

A ANTEEKENINGEN.

1 str.j 1 r. Soul, sic, tekst : Truerm moet ic.

.'i sir., 2 r. t. : lief.

3 str., 4 r. t : mijn gkerief.

6 str., 1 r. Vergel. str., 4, 1.

fi str., 6 r. f ; eyt lanck.

MELODIE.

Sout. Ps. 75. Deze mei. behoort minstens tot de XVe eeuw, en wordt, ooch met varianten, teruggevonden in Een dev. en de. prof. boecxhen. t. a, p. Wij laten do melodie uit dit laatste, met onze moderne noteering, volgen. — De «^-sleutel op de tweede lijn, ia den tweeden, dorden en laatsten notenbalk, dient in den muzikalen tekst door ,/«-sleutel op dezelfde lijn te worden vervangen.

Ke ('?)

i I ^ i I

En - de

van - ghen. Och si is moe-der en - de ma-ghet i. .j ^ ^ Sant.: Sol Sol

^9 m r|—^^—é—d—::1

(Jch wou-do si

'ij»)

i

^2—o_

rnijn - der ghe - na - dlch b ef\ _

-p—!

sijn, Soe en waer ic niet bo - ghan - ghen.

ocr page 75

— 331 —

XLV1.

O LUSTELIKE MEI, GHI STA ET NU IN SAISOENE.

Ps. 79.

r Hypodorisch.

•' O lus-to - li - lio mei, glii staet nu in sai -

1 3 . |

-s»—J

—É'—d—1—Y

—-—m

~10--

1

JT-i

—mr~r-n------|—p--

mSrrït f ZjÊEÊEt

soe-ne, schoon en-de groe-ne, die voghelkens sin - glien

^^ÉÉIg

ÖT-rr-t

- ö—^L

,-,-0___

ESteair-

' 2 : . r-

i 1 1 y^r._s;_d_I-_d__|_

r——i—i—-i^K nnEEgS—•==*

BE^r=:

^ ■ |


nacht en - do dach. dies ic wel mach

S~!i=r°=^-L:2;ö

r '

s=bJ=j^z

I^N 1

• :ibJ-

^ I

J ^-j

:-zzra.g*. ~r

2:p——-;P—-g-F^:

ocr page 76

332 —

aen sien rein oghe op -

±

son-der ver - drach,

1 Jul, ...........

t......Â¥ ^ J I

-H-

Zfc—.—P-

rZzztt-zzl

slach van mijn lief coe-ne; haer lief - de maect mi

:2rJ==: --,

* *

ÜS^iÊjï

'é

-t-r

tf

veel te

rl-amp;■

P ^ f f

' ^ I 1

SeëI

ICC

doe

ne.

/?s

r

-erii-

lil

-lt;sgt;—

ocr page 77

— 333 —

1. O liistelike mei, ghi staet nu in saisóene,

schóón ende groene,

die vóghelkens singhen nacht ende dach.

dies ic wel mach,

sónder verdrach,

aensien rein óghe opslach van mijn lief cóene;

haer liefde maect mi veel te dóene.

2. Int vélt staet ménich schóne blómme;

wie sóude se sómmen?

hoe lüstelic dat gerseken uiter aerden spruit! lóóf ende eruit ghéeft mi virtuit;

o mfjnder hérten juit verblijt den dómmen.

een tróostelic wóort laet, lief, van u cómmen.

3. Schoon lief, ghi sijt die liefste creature;

mijns lévens dure blive ic ghestadich tot in mijn dóet.

rein lief minjóot,

tróóst mi, tis nóót,

die mijn hérte doorschoot.

rein niaget püre,

om liwen tróóst ist dat ic labüere.

4. Schoon lief, ghi acht mijn wnordekens cléne.

dies ic in wéne blive met drücke so séer doorwónt;

ghi sijt diet dóet.

schóón beelde sóet,

verhüecht sin énde móet;

met liweu troost réne worde ic verblijt door li aliéne.

ocr page 78

- 334 —

5. Princérsselic grein, wien ic gheerne aenschóuwe, blüst minen róuwe,

hiet mi, arm dfenaer, tróóst ontfaen.

rein vróuwelic graen,

hóórt mijn vermaen;

laet mi in u gracie staen,

so sdl ic met tróuwe u dienen, lüstelike vróuwe!

TEKST.

Antn. Lb., Nr 128, bl. 194, « Een nieu liedeken. « — Over do « Mel-liclei'cn „ D' Kalpp, « Het Lied in de M. E. n bl. 298 en volg.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 1 r. ; Soul. sic. — A. L., zijl nu in.

1 str., 8 r. tekst : macht mi.

2 stv., 1 r. t : ménichté van blómmen.

2 str., f5 r. t ; juyt = jubilum, jubilatus (Kil.)

MELODIE.

Sout. Ps. 79. — Aangeh. in Een nieu Liedenboeh, 1562. Zie Waokeu-naoel, Lied. der Nted. Reform., bl. li.

ocr page 79

— 335 —

XLVII.

OP ENEN MORGHEN STONT.

Ps. 81.

•7

n HypocLorisch. ^ 3 ^ '3quot;

U'Jj r ■, ', 1 J 1 •• i ! quot;1

i cgt;

^9.------•_-d_J—

Op e - nen mor-ghen

n ' 3 quot; . ^

---1-H--,----s—1—1 *—j1-1—1—-

-j-H-2-^---—i—H-—^—»-:

W9,----a—=----=----P--

^2-—P— :2----—------ ■

stont, so ist dat. ic be - ghin-ne, daer

-TT 1 T 1

(

^Ifcpp^raz

jT-

-^i J 1 ^

fJ

hoor-de ic e - nen

ro

den

-1----

mont, si sane so

ocr page 80

— 336 —

iÜ

Mz2:

wel

van min

nen, van

i

amp;

T

5

lÜEEp

min

É-d—^—ö

nen.

-----

r-g—===--^----p---

^ u

sgt;-

^-i— ■

b'

1. Openen mórghen stónt,

So ist dat i'c beghi'nne,

daer hóórde ic enen róden mónt,

si sane so wél van minnen.

2. Haar vóis die gaf mi confórt,

béter dan een nachtegale;

désghelijcs en hébbe ic noit ghehóort, van éen so cüische smale.

3. Nature heeft mi gheléert,

mijn sinnen sijn daer toe bedwónghen, om te trécken in een prieel,

daer alle die vóghelen sónghen.

ocr page 81

— 337 —

Al óp der vóghelen sanc en acht ic niet seer véle;

veel sóeter is dat gheclanc van mijns liefs claerder kéle.

Ic quam aldaer ic vant een schóne maghet reine ghinder si'tten op énen cant al bi' een claer fontéine.

Als mi die maghet sach,

haren sanc heeft si ghelaten,

si riep so luide : « o wi, o wach, mine éere bóven maten !

« Ai, » séide si, « wel viiil cockijn, wilt ghi mijn vruecht versmaden, ic meende hier alléne te sijn, mi dünct ic bén verraden. »

Hi séide : « mijn ilitvercoren jüecht, mijn aider wéerste vróuwe,

ic en beghére ooc niet dan duecht, dat néme ic óp mijn tróuwe. »

Si séide : « gaet wéch vuil serpént, ii tónghe heeft séer ghelóghen, het fenijn is in u present,

mi dünct, ic bén bedróghen. »

Die dit liedeken éerstwerf sanc, wat lóón sal Gód hem ghéven? syn sóete lief al bider hant,

daer mé dat éwich léven.

ocr page 82

T

i

— 338 —

TEKST. I

Antw. Lb., Nr 133, bl. 200, quot; Een nieu liedeken. »

A ANTEEKENINGEN.

1 str., 1 r. sic, Soul. on Kamper Lb. — A. L. : stonde.

I str., 2 r. sic, Sou/. — A. L.: Alom den mei soa ist beghinnen.

4 str., 4 r. Zie bl. 17 hierboven.

5 str., 2 r. tekst •. A. L. schoon, reyn.

5 str., A v. al bijgev.

10 str., 2 r. t. : sal hém God.

MELODIE.

Soul. Ps. 81 quot; na die wise : Op enen morghen stont || so ist dat ic óeghinne. Int walsche : Sur le pont Davigon (sic). » — Over deze melodie, ïie bl. 100 hierboven. Bij nader onderzoek is het ons gebleken, dat dezelfde melodie schuilde onder superius en tenor van de vierstemmige behandeling door een onbekende, welke voorkomt in Pethucci's Bar-monice musices Odhecaton. Ziehier overigens den aanvang van dit stuk, zooals men dien vindt bij Weckerlin, La Chanson populaire, bl. 64 :

rlE-—

-1

iMZ---i-1-

Sur le

pont

d'A-vi -

J J

gnon, :-----

0 a K-fi quot;

* —t J

---------

—

—

--I—i—Fquot;

II C.

Sur le

, - .... , pont d'A-vi-

........■■

-

. O O.

f =:|

^9^----

(_ |—

ocr page 83

339

-lt;-1-

Ma. bell' paRSe et re - pas - se.

±ti

:or

gnon.

i

Van eene andere meerstommigo behandeling is ons alleen de baspartij bewaard in het Kamper Lb , beschreven bij Dr Kalff, Eet Lied in de M. E., bl. 642 en volg.

« Op eonon morgen stont » wordt aangeh. Amst. Pegasus, 1627, voor een lied met zesregelige strophe en ganseh anderen versbouw.

Sedert het schrijven dezer regelen werd de volledige melodie naar Pefrucei's Odhecaton, uitgegeven door Julien Tiersot, Histoire de la chanson populaire en France, bl. 464, Parijs 1889. Dezelfde schrijver leert dat er op dit lied eene mis bestaat van Certon, die gedrukt werd in 1558, en geeft bl. 209 en 383, twee oude, nog thans in Frankrijk zeer verspreide huwelijksliederen (chansons de noces) die dezelfde melodie tot grondslag hebben; verder, eene Gallicaansche kerkmolodie welke in de provinciën van Calvados gezongen werd vóór het invoeren der Romeinsche liturgie en waarvan de cadenzen met die van onze melodie nagenoeg overeenstemmen. Wij laten oen der huwelijksliederen, benevens de kerkmelodie volgen :

$

i

3^

--*

ü

ouï chan-ter la

jai

Sur lo pontd'A-vi - gnon.

:fi—;_:3

ii:

bel - ie, Qui dans son chant di

sait

i 5—tf=ïzz^=f—

m—É

chan-son nou - vel - lo.

ocr page 84

— 340

mm

Cum in - vo - ca - rem ex - au - dit me De - us

$

i

É' 1 d

jus - ti - ti - ae mo - ae : in tri - bu - la - ti - o - no

ri—É:

di - la - tas - ti mi - hi.

ocr page 85

— 341

J

XLVIII. IN OOSTLANT WIL 10 VAREN.

Ps. 82.

Rf. met Sity.

ill

In Oost-land-vvil ic va-ren,mijn bli-ven en

.1 quot; ^

ii

zéj^L

r

Js-«-■-

i

liier niet lane, met een - der scho-nen

iE^=É=l

—I—-a;

i

J. i

J

B

-S-

- i

vrou-wen, si heeft mijn hert in be - dwanc 3

i

rp=ii

Hi

3 1 H N

-n—1—1-^=

1=7

m=*

-ö»--

.c!---r-g-_

44

ocr page 86

— 342

•quot; - 1

:=1-

ZÉZ

ZÉ-

[::2=t-

:^==t

rei - ne al bi - der

nam dat maceh - de - lien

mm

—éi—3-

--2^-r !

i

F--

W

^rzirrric:

—iquot;—F

mm

J H -IS

b a a •

An c i. -f—-i -

------P-

kö2 , •. - * J d

r |

1,1 i 1

wit

ten hant, hi lei-de-se op een

•pj- ^ -Si-

r quot;cr

©2—

r-

£^rrr 'e r r j

ein-de, hi lei lil

=£=0

de-se opeen oin-de daer hi dat

£==r^

^2=?=^—tg—:

—25—

vant.

bed - de - ken

ocr page 87

— 313 —

]. « lu Oóstlant wil ic varen,

mijn bliven en is hier niet lanc, met eender schónen vróuwen, si heeft, mijn hért in bedwanc. »

2. Hl nam dat maechdeken reine al bider witten bant,

hl léidese óp een einde,

daer hi dat béddeken vdnt.

3. Daer laghen si twee verbórghen den lieven langhen nacht,

van savonts tótten mórghen, tot dat schéén den lichten dach.

4. « Wel óp, ghi ridder cóene! » sprac si, dat méisken fijn :

« keert u hérwaerts ómme, mi wéct een vóghelkijn. »

5. « Hoe sóude ic mi omkéren, mijn hóóft doet mi so séer!

en waer dat niet gheschiedet, ten schiede némmerméer.

6. « Had ic nü drie wénschen,

drie wénschen also éel,

so sóude ic nü gaen wénschen drie rósen op énen stéel.

7. « Die éene sóude ic pliicken, die ander laten staen,

die dérde soiide ic schenken der liefster die ic haen.

T

■*»

I

ocr page 88

— 344 —

8. « Aen ghene groene heide daer staen twee bóomkens fijn,

die een draecht noten muscaten,

de ander draecht naghelldjn.

9. « De naghelen die sijn sóete,

die noten die sijn rónt ;

wanneer so sal ic cüssen mijns liefkens roden mónt? »

10. Die óns dit liedeken schóne so wél ghesónghen haet,

dat heeft ghedaen een lantscnecht;

god ghëve hem een goet jaer!

TEKST.

Antw. Lb. Nr 97, bl. 146, « Een nieu liedeken, » waar de strophe uit Tier verzen bestaat, terwijl volgens de Sout. de strophe uit negen verzen samengesteld is. Dienvolgens is men verplicht, wil men de melodie der SotU. met bovenstaanden tekst bewaren, twee strophen bijeen te voegen met herhaling van een vers. — H. v. F., Hor. Belg., II, N' 103, bl. 206.

Over het quot; Oostlant, » d. i. « het verre lant », zie Dr Kalfk, Het Lied in de M. E., bl. 366.

Het lied bij Willems, Oude Vlaemsche liederen. Nr 19, bl. 35 « Naar Oostland willen wy ryden, » en door dezen Uitwijkelingslied der XII'' of XIIle oeuw genaamd, berust op een anderen, vijfregeligen tekst en o]) eene andere melodie. Zooals H. v. F. dacht en Dr K. bewees, is de tekst veeleer liquot; eeuwsch; men mag er bijvoegen dat de melodie bij Willems, insgelijks op de 17° eeuw wijst. Over dit laatste lied zie onze aanmerkingen verschenen in de Nederl. Dicht- en KmsthaUe^amp;m^amp;ng 1887, bl. 343. — Bij Wackernagel, Ueder der Nied. Re/., Nr 5, bl. 82, vindt men een geestelijk lied, op de wijs quot; Na Öostlandt wil ick varen, » getrokken uit de Veelderhande Liedehens, uitg. 1569, dat aanvangt : quot; Ick lioore de basuyne blasen » en dat zooals de berijming van I's. 82 der Sout. negenregelige strophe heeft.

AANTEEKENINGEN.

1 sfr., 4 r. sic. H. v. F.; tekst : herteken bevaen.

2 str., 1 r. t. : mnechdeken bij der hant. — Str. 2 en 3 geven de 8'en 0C str. weer van het lied bij W., IV' 19. Zie mede hierboven, bl. 227, str. 4.

ocr page 89

— 345 —

4 Btr., 1 r. ghiy bijgev.

5 str., 8 r. t. : nee.

5 etr., 8 r. t. : ghesciet.

1 str., 1 r. t. : een.

8 str., 4 r. t. : naghelkijns; H. v. F. : mghelkijn.

9 str., 4 r. t. : liefs.

10 str., 1 r. t. : liedeken sane.

10 str., 2 r. sic H. v. F.; t. hae.

MELODIE.

Soul. Ps. 82. Dr A. I.Oman, Twaalf Geuzen liedjes, Nr 6, melodie gebracht op het lied, met negenregelige strophe : quot; Ontwaect ghy christnen alle, „ dat dagteekent van 1573 en, volgens het Geuze Lb. (z. j., doch denkelijk van 1603), gezongen werd op de wijs : quot; Nae Oostland wil ic varen. „

ocr page 90

— 346 —

XLIX.

TE BRÜNSWI.TC STAET EEN STENEN HUIS.

Ps. 83.

Hi/pophrygisch. -quot;quot;Tquot;

$

Te Brunswijc staet een ste-nen huis, daer sit een fljn

-d__quot;quot;

.2;É——

m

2=t

maecht ter venster uit

met haer bruin o

ghen

piÈ-

SI

il

I

2-P=P=

—g:

'ë

!2=#

-i—F

mi

| I

ocr page 91

347 —

-r—f:

—|r-

jgzrp-

moet, hot cost mi wat

het wil - lo.

M

yj i r

-g:--

P—g —

eE==^

2~fS:

Ei==E2^E=^EE

^z==::2i=——

1. Tc réde een mael in een bóssche dal; ic vant gheschréven óveral,

hoe dat een schoon maechdeken waer. te Brüinswijc staet een hóghe hiiis,

daer i'c so gaerne waer.

2. Te Brüinswijc staet een sténen iuiis, daer siet een fijn maecht ter venster uit met luier bruin óghen clare.

de sélfde maecht, ic hébben móet, het cóst mi wat het wille.

3. Si sach mi óver de óxel an,

si séit : ic waer gheen édel man,

ic en waer niet haer gheh'ke,

si wil hébben een édel man,

een schóne ende óoc een rike.

4. Joncfróuken laet mi ónbeghéct,

ic bén mijns góets een arm cnécht, ic waer wel üws ghelike :

een rike cóopman wórt wel arm, een arme lantscnecht rike.

ocr page 92

— 348 -

5. Adieu joncfróuwe, ic vaer daer heer,

ic sette ü al i'n mijn deer,

door énen róse gderde;

daer sal ic wachten een cléine wijl,

daer sal ic ü verwachten.

6. Die dit liedeken éerstwerf sanc,

éen vroom lantscnecht is hi ghenaemt.

hi hëvet wél ghesónghen;

hi drinct veel liever den cóelen wijn dan twater üiter bronnen.

TEKST.

Antm. Lb., Nr 84, bl. 121, « Een nieu liedeken. » — Willems, Oude VI. Lied., N1' 102, bl. 241. Naar de Duitsche bronnen bewerkt, zie Dr Kalfp, Het Lied in de M. E., bl. 448. —Paradiis dergheest. vreuchden, Antw. 1617, bl. 198, geest, lied « op de wijze : Te Bruynswijck staet een hooghe huys. » — Duitsche teksten bij Uhla.nd, Nr 134 A en B, en bij Bohme, Altd. Lb. Nr 429, bl. 535.

AANTEEKENINGEN.

2 str., 1 r. tekst : sic. Sout. — A. L., hooghe huis.

2 str., 3 r. t. : daer.

2 str., 4 r. t. : wil ic hebben.

2 str., 5 r. t. : tcost, mil.

3 str., 5 r. t. : schoon.

4 str., 2 r. t. : arm, lees ar rem, gelijk nog in de 17« eeuw. Duitsche tekst ; quot; Ic bin mins guts ein armer knecht,. »

4 str., 4 r. t. : rijc.

4 str., 5 r. t. ; een arm lantscnecht wort ml rike. Duitsche tekst : « Ein armer reuter reiche. »

5 str., 2 r. sette u, zonder elisie.

MELODIE.

Sout. Ps. 83. — Volgens de aanduiding in de Sout. vangt het lied aan met de hierbovenstaande tweede strophe.

Ecclesiasticus van Fruytiers, Antw. 1565,Nr 19, bl. 46, zelfde melodie, naar de wijs : » Te Munster staet een steenen huya. »

« Te Brunswijck » enz. wordt aangegeven als wijs voor het lied ;

ocr page 93

— 349 —

quot; Adam waa een -verloren man. » Zia Wackernagel, Lie der der Nied. Jtef. bl. 13. Dit lied dat ook voorkomt in -Een nieu Liederboek, 1562 (zie Wackernagel, t. a. p., bl. 14) wordt mede gevonden in het vermelde Paradiis der gh. vr., bl. 77, met het opschrift : « Op «Ie wijse van 't liedeken van Munster. » Het lied « Vanden storm van Munster n is te vinden : Nr 168, bl. 253, A. L.; het heeft denzelfden strophenbouw als Nr 84 hierboven uit dezelfde verzameling-. In Ps. 83 hebben wij dus ook de melodie van Nr 168 A. L. — De wijs « van Munster n wordt nog aangehaald voor de liederen ; quot; Die den spaenschen Senacherib hoort n [Beleg van Alchmaer, 1573) en « Wie wil hooren een niea liet n (Slag bij Mooch, 1574); zie Van Lummel, Nieuw Oeuxenlied-Boek, bl. 147 en 206.

45

ocr page 94

— 350 —

L.

EEN BOERMAN HADDE EEN BOMMEN SIN.

Ps. 86.

Hypodorisrh (xestonig).

:fgt;:

q=

-----^

Een boer-man hadde een dom-mon sin, daer op so

gt;4—E

EÉEEEE^==g

aft-~

Eé—t

$

-P—J-

z*=*=iz

Êfe=Èi^

iggi

ESEE

lii broclit si - nen

ocr page 95

351 —

ï

dl

:i2z

here een voe-der houts, sijn-der vrou-we don coe-len

_

j j Tp

T---1-

[éz

-s-

I

-Squot;-

:s2

/ ^ q ..V

mei

G 0.

n ^ 1

1^—j-J

m—----4--

L -Q_ tt

-o-

—g—:

^ - —P- J

1. Een bóerman hadde een dómmen sin, daer óp so schafte hi sijn ghewin; het vóer die bóerman uit meien,

hi brócht sinen hére een vóeder hóuts, sijnder vróuwe den cóelen mëie.

1

die vróuwe op hógher tinnen lach, si lach op hógher salen :

« mocht ic een corte wile bi u sijn, ic gave mijn rós, mijn wdghen. »

ocr page 96

- 352 -

Die vróuwe die réden so haest vernam,

si liet den bóeman cómen an,

so héimelic al stille;

al in een duister camerken,

daer déden si twee haren wille.

Doen hi sijn willeken hadde gediien, die bóer moste van der tinnen gaen,

ende hi bestónt te claghen :

« ic segghe u dat het een ghelijc dander is mi róut mijn rós, mijn waghen. »

Die hére qüara niter jachte gheréen, hi hóórde den bóerman claghen séer, hi hóórde den bóerman claghen : « ghi secht dat het éen als dander is; die waerheid süldi mi saghen. »

Die bóer had schier een lóghen bedacht : « ic hadde een vóederken hóuts ghebracht ende daer was een cróm hout ónder, ic ségghe u dat het éen als dander brant, als si bi den viere cómen.

« Hierom was u vróu so gram,

dat si mijn rós, mijn wïighen nam, om sillken cléinen schiilde.

ic bidde u, lieve hére mijn,

verwerft mijnder vróuwen hulde. »

Die hére ghinc voor sijnder vróuwen staen « wat hééft desen armen bóer misdaen, schaemtghi u niet der sónden?

gbeeft hém sijn rós, sijn waghen wéér,

laet hem varen tot sinen kinder.

ocr page 97

— 353 -

9. « Vaert henen, vaert hénen, goed bóere mijn, dat eerste sal u vergheven si'jn,

vaert hénen dijnre straten;

och cómt ooc wéder als ghi méucht,

brengt óns dat cróm hout vake. »

TEKST.

Antw. Lb. Nr 35, bl. 50, « Een out liedeken. » Bij Willems, N' 113, bl. '270, is de tekst overgenomen uit Coster's « Klucht van Teewis de Boer. ,,

Men vindt aldaar nog eene tiende strophe :

Die boorman over der heide reet,

hl hief op en sanc een liet,

hi sanc mit luder kele :

« Ic heb mijn erom hout wel verkocht,

en al tot minen wille. „

Zie de aant. van Snellaert op W., t. a. p.

Over dit lied, Dr G. Kalff, Het Lied in de M. E., bl. 216.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 1 r. Sout. : een; A. L. : eenen.

1 str,, 3 r. W. : mien.

1 str., 5 r. tekst : mey.

2 str., 5 r. sic W.; A. L. ; ic gave daerom.

4 str., 2 r. t. : tinne.

4 str., 5 r. t. : Ic segghc u dat het deen is ghelijc dander. Zie str. 5.

5 str., 1 r. sic W.; A. L. : ghereden.

5 str., 2 r. sic W.; A. L. : sere cUghen.

8 str., 3 r. t. : Schaemt ghi u der sonder niet.

8 str., 4 r. t. ; Weder.

MELODIE.

Sout. I's. 86.

Het lied behoort minstens tot de ISquot;1 eeuw, zooals blijkt uit de benaming : « Ben out liedekon, » uit de melodie zelf en uit de met onzen tekst in verband staande strophe voorkomende bij Monk, « A nzeiger ,, 1837, aangehaald bij Böhme, A ltd. Lb., Nr 82quot;, W. 170. Böhmb geeft do melodie naer een Lb. van 1537, als volgt:

ocr page 98

— 354 —

-----

■ | -p-quot;

IdyèJ

-T—Z-

CJ

rz®— —tz:

Die welt hat ei - nen thura-men mut,

fiir-war es

^ q-

—t—1—^—

—b--1—

5—

quot;-3 e

..CJ

-1—rj—

—

thut die leng kein gut,

ein baur ins

rqr

£)2

set in ee - nen

_a___sSr

hoi

-Ggt;-

tze,

er bracht seira herrn ein fu - der

- -) 3—^

-bamp;——j—

.....

—1----

IC) o

rJ rJ

--si—

L quot;• *=3

holtz,

mit sei-nem rosz-lein stol

De wijs « Een boerman » onz. wordt aangegeven voor twee geestelijke liederen in Een dev. endeprof. boecxken, Antw. 1539, bl. 47 r0-v0 en48r0 (Uitg. D. F. Scheurleer, bl. 103-104), doch de melodie aldaar — wij laten deze in moderne notatie volgen met de eerste strophe van een der geestelijke liederen — is zeer verschillend van die der Sout., alhoewel de cadenzen in beide melodieën nagenoeg overeenstemmen :

ESEÏ

Die si - nen voet

i

—I—

-4-

do-ren en - de noch-fans wel weet te vo - ren dat hem 3 quot;

3

droefheyt sal bren-gen

ne,coemthem

i

—m

52=*

daer af li - den oft tho-ron,men claecht hem veel te

SLf

ocr page 99

— 355 —

E ro minne, drukfout voor : ja te minne; een refrein mot het niet zelden daarbij gebruikte bijvoegsel ja.

Het lied : « Ic sie die morghen sterre broit » (Vaat Vriesken), A. L., Nr 92, bl. 138; — Uhland, Volkslieder, Nr 129; — Willems, Oude VI. TAederen, Nr 111, bl. 265; — H. v. F., Hor. Belg., II, Nr 36. bl. 104; — D1- G. Kallf, Het Lied in de M. E., bl. 199 (volgens dezen laatste behoort het liod « Vant Vriesken « minstens in de ISquot;5, waarschijnlijk wol in do 14e eeuw thuis), werd insgelijks gezongen op de wijs « Eoti boerman « enz., zooals blijkt uit bet Haerlems Oudl Lb., ITlö, 27en druk, bl. 34.

Bij Baümker, Dus katholische deutsche Kirchenlied, II, n' 370, bl. 334, treft men het begin onzer molodie (Pa. 83 Sout.) aan, ontleend aan een n° eeuwsch Duitsch Lb.; do tekst, derde Boetpsalm, overgenomen uit een Duitseh psalmboek van 1582.

ocr page 100

— 356

LI.

PEINSEN M TRUEREN, DUCHTEN EN HOPEN.

Ps. 87.

He met Si 1

Pein - sen en

Se met Si fa n

zffizri:

true - ren, duch - ten en

^=3

i®

eï

m=m

■f p

SI

ho-pen, mijn sin-ne-kens van mi stro - pen

Sziib

2zaz

ZZ2Z

T f

E

$

e

in gro-ter

mijn hert ghe - stelt

±=±

2:

T ?Ê

j.

j-

itS:

[$

ocr page 101

— 357 —

5^-0

E5EQ:

Ei-Pi;

^EEÜa^EE^

pijn; dio traenkons o-ver mijn ooch - skens lo - pen,

3

r^:-1--

^ 3 ^

® quot;quot; quot;iquot; ■

—J-

—t

—r-l

-----C2__

Pr-f^---e--

-a-K—

^ r f

--(sa---

L-gj--

-o-

P i :-® «

quot;quot;l?-

- - .. 1_

-2-1--

:^2- . i

J J

^EÏEÏEÏEÏEl

:*=P=:*

W-gt;-p~-~~t=P=w-

Tt— —h

dnor ic mijn aenschijn in moot do-pon, als icpeiasomdie

Jd.

-r:______ -0

'céV

2-q=^-=ps;

i

——«—,—

• r:

der lief-ste mijn, daer ic al-tijt moctal'glio-

d—^

rr j j rr i

2J

- li

-|±

1

tm~*==--

4G

ocr page 102

— 358 —

Peinsen en trüeren, duchten en hopen,

mijn si'nnekens van mi strópen mijn hért ghestelt in gróter pijn;

die traenkens óver mijn óochskens lópen,,

daer ic mijn aenschijn in moet dopen,

als ic peins om die aider liefste mijn,

daer ic altijt moet af gescheiden sijn.

TEKST.

Alleen de eerste strophe bekend door/ïet troeeste musyck boecxken\SS\. Zio over dit werk do nota op Ps. 34, bl. 218 hierboven en do aldaar aangehaalde Bijdrage tot het Nederlandsch volkslied in de 10' eeuw, door Jhr. Mr J. C. Van Riemsdijk, Nr 35, die het woord stropen, in het tweede vers, uitlegt door rooven. Ook met die uitlegging blijft voor ons het vors onverstaanbaar.

MELODIE.

Sout. Ps. 87. — Vierstemmig behandeld in Het tmeestc musyck boecxken, t. a. p., door Tiei.man Susato.

ocr page 103

— 359 —

LIL

HELP GOD, HOE WEB DOET SCHEIDEN.

Ps. 89.

den, hoo

Dorisch.

3=

Holp Gort, hoe weo doet schei

—--s:--t-a----1

12—^1

2—t

1

nu vare ic o-ver die

is mijn hert door - wont.

I/'—S

-g—

JLd.

e;

=Ea :E2

I

P

hoi-de en-de true-re tal - der stont. die stonden

_p, ^,

SEEEebëSE

EE

ËönÈS;

Ji

r

mi

ocr page 104

12—'.

nl - so vo - lo sijn, mijn hertdraechtheimlic

m

102= i*T -ö-

9=

3^=1

pï

den, al

-Q-

I

2ic=i^

lEiïE^P-

^=^ÊiÊ^

ocr page 105

— 361 —

Help Gód, hoe wee doet scheiden, hoe is mijn hért doorwnnt. nu vare ie óver die heiden ende truere talder stónt. die stónden also véle sijn,

mijn hért draecht héimelio liden, al éest dat ic vrólic schijn.

Ic hadde een hóveken gheplantet met veil ende chlver fijn,

liet isser te vróech vervrósen, dat dóet mijnder hérten pijn; vervrósen ist mi bi sónnen schijn, dat cniit so langher so iiéver, dat blóemeken verghéet niet mijn.

Dat blóemeken dat ic méne, dat isser van édeler aért,

van aller düechden réne,

haer móndeken isser saert,

haer óghen sijn hüpsch en daertoe als ic dor liefsten ghedénke, bi haer mocht ic ghéren sijn.

Mi dunket in al mine sinnen ende als ic bi haer bin,

si is een kéiserinne,

gheen liever ic émmer ghewin, met vróuden is mijn liérte becléet, als ic der liefsten ghedénke verdwénen is alle mijn léet.

ocr page 106

— 362 —

5. Sal ic mijn bóelken begheven,

als dicwils een ander dóet,

ende vóórt met ghenéuchte léven ende voeren enen hupschen móet?

dat en can, dat en mach er dóch niet sijn. God seghen ü int hérte,

het móet gheschéiden sfjn!

TEKST.

Navolging van den Duitschen tekst bij Uhland, N'67, bl. 99 en bi Böhme, /1 ltd. Lb., Nr 202, hl. 939. Hot eerste vors alleen van den Ned. tekst is ons dooi' de Hout. bewaard gebleven.

MELODIE.

Hout. I's. 89. — Ecclesiasticus van Fuuytiers, 1565, 11, bl. 165 — Variante bij Böhme, t. a. p.

ocr page 107

— 363 -

Lin.

HOE LUIDE SANC DIE LEERAER OFTER TINNEN

Ps. 90.

Hypodorisch.

m

s3-2—*

Hoo lui - do sane dio loo-raer op - ter an - non :

%

të-

--r -ö-

g^-i

4-

=it

i

« so wie met son - den is be - swaert, God

3

1

ê

r-ir—

——^j--1--1—

^ J.

W---quot;--

F 0 • a gl

isF-

7?:fc—4—H--1--1—

-

s s 1

tv * *—•—J-

cT

E 8 \t t.....H ^ ^

lato hom wol ver - win - non, on - do ko - re sijn

|S

ocr page 108

— 364

^E^3=iE

Ieie^EEE^EEI^

hor - te tot Go - de waert, oor hom dio

it=^H==3=i=pi

3=i

S:

^—te—

=f2=

2

=13=qr

té:

ztizzziz

doot don wech on - dor - gaet.

.^7;

r

=I==H—

f5EE3=

L23_

=g:-;-i—

=3^

si sijn wijs diet connen ver-sin

-f-i jT ^ m

oz

i r ■•- r -•- -©-

1 i | l |

:iaEEE=

gt;r2i

2z f:2-

•Gr

ir3E^E=

È2

---,

•'

I I

ocr page 109

1. Hoe luide sane die léraer ópter tinnen :

« so wfe met sónden is beswaert,

God Liet hem wél verwinnen,

eude kére sijn liérte tot Góde waert,

eer hém die dóot den wéch oudergaet.

si sijn wijs diet cónnen versfnnen. »

.#•

2. « Och édel ménsche, dénckt dat glü moet stérven; en maect ghi u niet van sóiulen (iilijt,

Gods rike móet ghi dérven.

gin' helil di'cwijls versüimt den tij(.

ten si door Góds genadichéit,

die hélle móet 11 érven. »

.5. Ende dat verhóorde een Jónghelinc jónc van jaren, « léraer, » séit hi, « d('iet mi ghewach,

hoe móochdi diis ghebaren?

ic sal noch léven ménighen daeh,

ende hébben bli'schap tils ic plach,

daer na te Góde varen. »

4. Die léraer sprac : « dat fs seer hóghe verméten, óch waer sijn u gheséllen nü,

die bi u waren gheséten?

si hadden der jaren so véél als ghi,

waer sijn si nü? beréchtes mi :

die wónnen hébbense ghéten. »

5. Die jónghelinc sprac : « ic en cans mi niet bedwinghen, ic wil ghebrüiken dat léven mijn

met dansen énde springhen.

si moéten stérven die véghe sijn,

luet óns gaen drinken den cóelen wijn.

God sal ons wél ghehinghen. »

ocr page 110

— 36G —

6. Die léraer sprac : « dit léven en mach niet duren, mer het verkeert so ménichsins

in also córter uren.

och waerdi van den sinne mijn,

als glu mi dünct vol sónden sijn,

ghi en sóut niet dóen dan tniren. »

7. Die jónghelinc sprac : « men can mi niet ghoraden dat ic dese werelt sonde scheiden van

ende léven in versmaden.

ic sal mi béteren als ic can ;

der wérelt vrüecht ende haer ghespan en can ic niet versmaden. »

8. Die léraer sprac : « ghi dünct mi buiten kere, dat ghi der wérelt vrüechden kiest

voor dat léven van onsen Hére.

siet dat ghi so niet en riest,

dat ghi dat rike Góds verliest,

dat duren sal immermére. »

0. Die jónghelinc sprac : « sal ic Gods rike dérven, so claech ic mijnder armer sielen misval dat ic sal móeten sterven.

ic hébbe ghemist den réchten pat;

wat sal ic dóen? berécht mi dat,

dat ic schóuwe der héllen érven. »

10. De léraer sprac : « wildi in diiechden risen? den réchten wéch te Góde waert wil ic u so ghéerne wisen,

daer némmerméer eu is verdriet;

doet altoos wél, en twifelt niet God sal u siele spisen? »

ocr page 111

— 367 —

11. Die jónghelinc sprac : « sal ic er sijn verlóren, so imicli mi wel róuwen dat leven mijn,

dat ic oit was ghebóren;

ic wille schóuwen der héllen pijn,

so dat mijn arm siele mach sijn hier na met Góde vereóren. »

12. Die leraer sprac : « wildi u sónden gaen bedinken ende léven op Góds genadichéit,

sijn rijc sal hi u schinken.

siet dat ghi u daer tóe beréit,

óft ghi móet, voorwaer gheséit,

in die éwige allénde sinken. »

13. Die jónghelinc sprac : « die wérelt wil ic laten, ic wille Góde dienen altijt

in minnen éndc in charitaten,

ende draghen éjien grauwen róc;

al waer ic aider wérelt jóc,

ic hópe het sal mi baten. »

14. Die léraer sprac : « ghi ségghet alte wale;

dóet der wérelt sónden af,

het brénghet u in die sale daer Gods énghelen singhen lóf.

doet altoos wél ende qüijt u belóf,

ende schóuwet der héllen quale. »

15. Die jónghelinc sprac : « die quale móet ic schóuwen, ic wille Góde dienen altijt,

die wérelt wil ic verdouwen ende maken mi van sónden qüijt,

dat ic van Góde niet en hóre verwijt,

ic düchte het sóude mi róuwen.

ocr page 112

16. Die léraer sprac : « overdenken wi ónse sónden,

ondc dienen den here met hérten devoot,

die doorsiet alle grónden,

ende béteren óns met haasten gróót,

eer óns comt aen die bitter doot :

wi wórden salich vónden!

TEKST.

Antm. Lb., Nr 55, bl. 81 « Van den Looraor upter tinnen. » — Geogt-liederen van denzolfdon inhoud ; //or. Belg., Pars X, N1, 122, hl, 246! Nr 123, bl. 248; — Een dev. ende prof . Boecxhen, Antw. 1539, Nrg 120,121 (Uitff. D. F. Scheurleer, bl. 148 en vlg. en aant. bl. 328); —Antw. Lb., Nr 50, bl. 84; — Wackerna.gel, Lied. der Nied. Reform., bl. 125, getrokken uit Een nieu JAcdenboeck 1562, bl. 37; — Vermeld bij Dr Acquoy, Hel Geesl. lied in de Ned. vóór de hervorming, bl. 47-48; — Paradiis der gheest. vreucMen, Antw. 1017, als wijs nanpeli. voor geest, liederen, bl. 04, 124 « Hoe luyde sangh do leeraer », 127, 202. — Het voorlaatste lied, N1' 127, is eone herhaling van N1' 121 uit Een dev. ende prof. B. — De aanvangsregel ; Hoe luide riep de ziel tot God van binnen « wordt op zijne beurt aangehaald als wijs in JSen nieuw devoot Geest. Lb., door Niclaes Janssens van Roosendaei-, Antw., z. j., bl. 73 (eerste druk omtr. 1594), voor het lied : quot; lek arme ziele mag wel droevig klaegen. »

De wijs aangeduid door de Hor. Belg., Nr 123 ;

Hoe lustelie werd der minnen bant

ontsloten, mit groter.....

zal naar alle waarschijnlijkheid het begin uitmaken van een vroeger wereldlijk lied. — Nog als quot; stemme „ aangehaald in den Rederijkersbundel, Consthoonende Juweel, Zwol, 1()07, bl. R r r 111. — In hot 16° eeuwsch Hs. Nr 1042 van Meerman, beschreven bij Dr Acquov. Bijlagen tot het verslag der historische commissie van de Maatschappij der Nederl. LctterMmle te Leiden, ISS7-ISSS, vindt men een lied dat aanvangt ; « Hoe luydt see sanc die geest wt rechter minnen. «

Nr (iü, bl. 90, Antw. Lb. « Een out liedekon, n dat volgt, waarvan de aanvang dor 2° en 3° str. herinnert aan Nr 55, A. L. en dat denzelfden buitengewonen strophenbouw heeft als dit laatste, werd, buiten twijfel, ook op dezelfde melodie van I's. 90 Sout. gezongen.

1. Hot worp eon cnaep so heimoliko dinghon al voor oen borgliers caraerlijn;

sijn boelken was daer binnen,

hot was eens borgliers dochter goot.

daerop so schafto die cnape sinen moet ;

na haer stent sijn verlanghen.

ocr page 113

- 369 —

2. Moo luido sinjihef. dio wncliter opter tinnon :

« als twoo schoon liefkflns to saraer. sijn,

•si moghen hom wol vort'innon,

hot is gheluc onde eon goot jaor :

ic schonko mijn lief vijf diiisent jaor,

mijn boel enen goeden morghen. n

3. Dat maechdeken sprac : « mach mi den cnaop niet werden, in een duister camorken

van rouwe moet ic sterven.

och stervo io nu, so ben ic doot,

so graeft mi onder dio rooskens root,

so verre aon gheon groen heide. »

4. Ili nam dat maechdeken bider witter hant,

hi leideso door dat groene wout,

dat groene wout ton oinde;

hi leideso onder een linde staet breit,

daer vonden si twee een bedde bereit,

si laghon daer bi malcanderen.

5. Si laghen daer den langhen nacht verborghen,

al in een duister camerken,

tot dat quarn den lichten morghen.

tsmorghens vroech, alst was schoon dach,

dat machdekon dode den ruiter gheclach :

si haddet so gheerno verborghen.

6. Die dit liedeken eerstwerf heeft gesonghen,

het was een ruiter uit Brabant.

uit Nerterlant is hi ghecomen,

hi voerde «en spiese op sijnder hant,

met pipen, met trommen trect hi door tlant,

sijn sinnen staen na don crigho.

De 4° en 5« strophe komen dikwijls en bijna onveranderd, in onze liedoren terug, men vindt ze onder anderen in het A. Nr ül!, bl. 115 !

Str. 11. Daer laghen si twee verborghen,

die lieve iangho nadit,

vandon avont totten morghen,

tot dat scheen den lichten dach.

Ib. Nr 1)7, bl. 146 (vg. Wiixems, Oude VI. Lied., bl. 36, str. 8 en 9 en H. v, F., Hor. Itelg., 11, N1' 104, bl. 208, str. 4 en 5) :

Str. 2. Hi nam dat maechdeken bider hant,

al bi dor witter hant,

lii leidese op oen eindo daer hi dat beddeken vant.

ocr page 114

— 370 -

Str. 3. Daer laghen si tweo vevborghon,

dun lieven langen nacht,

van tsnvonts totten morghen,

tot dat scheen den lichten dach.

Ih. Nr 102, bl. 154; zie hierboven hl. 221, str. 4.

AANTEEKENINGEN.

1'quot; TEKST.

3 str., 6 r. tekst : met Gode, zie H. X, N1, 123.

4 str., 2 r. Och bijgov.

5 str , 1 r. sic H. B., Nr 123; t. : mi en can mi niet ontbringhen.

1 str., 1 r. t. ; ontraden.

11 str., 1 r. er bijgev.

11 str., 4 r. t. : wil.

11 sir , 5 r. t. : arm, vg. bl. 347 hierboven, str. 4 en zie aant. bl. 328.

13 str., 2 r. t. : wil.

11 str., 1 r. t. : seght.

14 str., 5 r. endc bijgev.

15 str., 2 r. t. : wil.

2' TEKST.

1 str., 3 r. t. : boel.

4 str., 1 r. witter bijgev.

6 str., 4 r. t. : spijse — spies, lans.

6 str., 5 r. hi bijgev.

MELODIE.

Kout. I's. »0. Zelfde melodie, buiten kleine varianten, in Een dev. ende prof. Boecxkeii, t. a p. Wij deelen deze door ons in moderne notatie gebracht, hieronder mode. — Eene andere variante bij Baumker, -Viederl. geist. Lieder, Nr 35, Vierteljahrsschrift, 1888, bl. 228; daarbij nogmaals eene variante van de hierboven aangehaalde geestelijke teksten.

Onder Nr 10(5, bl Sü2, deelt Bohme A ltd. Lb. eene vergeestelijking mede « Ein leerer ruft », in 1429 door H. von Loupenberg naar eer. Wachterlied gedicht. Zie echter over dit punt H. v. F., Oesch, dc.i deutschen Kirchenliedes, Nr 220, aant.— Ofschoon, zooatsBiniME zegt, da tonaliteit der melodie van dit laatste lied moeilijk kan bepaald worden, heeft deze zang toch zekere karaktertrekken gemeen met Ps. 90, zoodat die wijs tot de 14° eeuw kan opklimmen. — De melodieën bij Baumker on bij Böhme, waarnaar wij hier verwijzen, werden beide herdrukt bij 1). F. Scheukleek, t. a. p. bl. 329.

ocr page 115

— 371 —

IS

$

z»—tz

Hoe luy - do satic die ieo - raer op - tor

iüili

tin-nen:«So wio met son-don is bo - swaert, God

ÜI

i

*—li

-o—Jr-.gr

la - tet hem ver - win-nen, en - de keo-re hem in

zli^g=jE*EjzjiÊi^=*z=j^iE^

tijts to Go-de waort, eer hom dio doot den weoh on-dor

gaot. hi is wijs diet can ver-

—ö--

nen. n

$

d-d-M-

ocr page 116

— 372 —

L1V.

HET SOUDE EEN MEISKEN GAEN OM WIJN. Ps. 92.

Re met Si p 'quot;quot;■j v

_|-J--J._

zri===z==±=

z^=:-iz

ÊÜ

te;

q=r

±=i

EgE^SgE^EaE^E^EE;

-gt; glio

wat vantse in lia - ren we

ocr page 117

— 373 —

zêfe—--

ö 3 ö. —1—F rH

15==

Ur—

s-P i -O

e--

-----------

F=Ê- f

:rp---

quot;Öquot;

--^--

------1-

—Ö—

1. Het sóude eeu méisken gaen om wijn,

twas savonts ^lso late;

wat vantse in hdren wéghe stóen?

een liaselaersbóom was groene.

2. « Wel haselaer, » séise, « wel liaselaersbóom, waervan sijt ghi so groene? »

« wel méisken, » séi die liaselaersbóom,

« waervan sijt ghi so schóne? »

3. — « Waervan dat ic so schóne bén,

dat sal ic li gaen ségghen :

ic éte der ghebraden ende drinke den wijn,

ende slape op een pluimen bédde. »

4. — « Eét ghi der ghebraden ende driiict ghi den wijn, ende slaept ghi op een pluimen bédde,

die cóele dauwe valter op mijn,

ende daervan bén ic so gróene. »

5. — « Valt er die cóele dauwe op ü,

ende sijt ghi daervan so gróene,

mer swinters alst hagelt, cóut valt die snée ende sijt ghi weer, haselaer, gróene. »

48

ocr page 118

— 374 —

6. — « Gherake ic swinters mijn blaren qinjt,

inden sómer cnjghe icse were;

mer een nieisken dat hare ére verliest,

si en crijcht die nemmer mere. »

7. — « Wel liaselaer, » sëise, « wel haselaersbóom, ic danke u vóór n lésse,

ic wasser te weghe naer mijn sóete lief,

mer nü ga ic wéder kéren. »

8. — « Ja, kéert ghi wéder, so dóet ghi wél,

trect bóven al óp u camer;

al waert ghi vier hóndert milen er van,

so Gód gheeft, ghi cómt noch te samen.

TEKST.

In Mnl, gebracht naar aanleidingr van de nieuwere teksten voorkomende bij Dr G. Kalff, Het Lied in de M. E., bl. 350, en bij Lootrns on Feys, Chants populaires Flamands, Nr 33. bl. 54 quot; Er zou een maagd om bloemetjes gaan. „ Over dit lied, ook bij do Duitschers bekend, zie Het Lied in de M. E., t. a. p.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 3 r. Hetzelfde vers Anttv. Lb., Nr 67, str. 2, bl. 101. MELODIE.

Sout. Ps. 92, na die wise ; quot; Hot soude een meisken gaen om wijn ». — Andere melodie bij Lootens en Feys, t a. p. — Er bestaan van den componist Sampson of Samson, een vierstemmig liod : « Es sout ein meiskin holen win », gedrukt in 1537 on eene vierstemmige mis op liet lied : « Es solteen megdlein holen wein », gedrukt in 1540. Zio Ambros, ffesc/i. der Musik, 2° uitg. 111, 276 en R. Eitner, Bibliogr. der Mufik-Sammelnerke des XVI. und XVIII. Jahrhunderts, bl. 829. Deze laatste, t. a. p., bl. 316, vermeldt nog twee meerstemmige bewerkingen van den Duitschen tekst, door onbekende componisten, gedrukt in 1545 en 1550.

ocr page 119

— 375 —

LV.

HET VLOOCH EEN CLEIN WILT VOGHELKEN.

Ps. 96.

Ut mod.

;D:ar

5ËÈi==E=S

E®

ISÏI

:2®z

2z

-2-

--©o-st

'a^E:

i

E

■=i

-■—S-

in, het clop-ter al - so li - se - lijc met

5=E=:?:

shi

rd-?;

si - non sna-vel - kin: quot; staet op en - de doet mi

±z=t=±:2zt

mÊ

M

ocr page 120

376

pen, ic heb - be te nacht ghe - vlo

i

33

Iamp;I

H=a:

[Üj^-

=3=

15

-ö»-

\_f=rjz;

l=*=j=:--=:

i

s

1. Het vlóoch een cléin wilt ■vóglielken

tot mijns liefs venster in, het clópter also h'selijc met sinen snavelkfn :

« staet óp ende dóet mi ópen, ic hébbe te nacht gevlóghen al dóór die wille dijn. »

ocr page 121

- 377 —

— « Hebfh' te nacht glievlóghen al floor die wille mijn,

so cómt ter halver middernacht, ic sal ii laten in;

ic wil u décken ■warme,

ic wil ii vriendlic sluiten al m den armen mijn. »

Ende dat verhoorde een wachter op hógher tinnen hi lach : « ic dacht ghi waert een hüpsche een hüpsche maechdelijn,

ende ghi hebt in ghelaten den la'ntscnecht van der straten, den aider liefsten dijn.

« Och willet wachter swighen, laet dat verhólen sijn,

so wil ic wachter u schenken, van góude een vingherlijn ende een cranselijn van silver, och here. Gód van den liëmel, hoe is die dach so lane. »

— «Die dach en is so langhe niet, het wërt wel wederom nacht; mi heeft so hüpsch een maechdelijn een bislapen tóegesacht.

och, mocht ic bi haer slapen,

mijn trüe'fen sóude ic laten ende hébben enen vrien móet. »

ocr page 122

_ 378 —

6. « Och mócht ic bi n slapen

schoon lief, mocht dit geschien,

mijn trüeren sóude ic laten,

weder frisch ende vrólic sijn,

ende hébben enen hüpschen móet. om mines bóelen willen verte re ic al mijn góet. »

'7. Die ons dit liedeken ëerstwerf sanc,

so wél ghesónghen hééft,

dat heeft ghedaen een lantscnecht vroom; God ghéve hem een vrólic jaer.

bi hévet so wél ghesónghen,

God scénde alle niders tónghen!

bi hévet enen vrien móet.

TEKST.

Navolging van don Duitschen tekst voorkomonde bij Böhme, Mtd. Lb., Nr 115, bl. 214, met behulp van Nr ^7, bl. 115, Antm.Lb. quot; Een amoreus liedeken, » waarvan de tekst corrupt is. De Duitsche versbouw en do berijming van Ps. 96 der Sout. wijzen op eene zeven-re gelige strophe, terwijl de strophe van het A. L. zesregelig is; ook de melodie wijst op een zevenregelig schema. Zie over dit lied ; Df G. Kalff, Het Lied in de M. E., bl. 291. - Er bestaat volgens Hoffmann v. F., Geschichtc des deutscken Kirchenliedes, 3° uitg., Nr223, bl. 393, eene Duitsche vergeestelijking van dit lied. Die meemng wordt op goeden grond bestreden door Böhme, t. a. p., Nr 597, bl. 706 en door Baumker, Das kath. dcvtsche Kirchenlied, II, Nr 40, bl. 109.

AANTEEKENINGEN.

Volgens den algemoenen gang van het lied, bestaan al de verzen uit drie accenten. Echter in str. 1, r. 1 en 3; str. 2, r. 3; str. 5, r. 1 en 3 en str. 7. 'J — ten ware men dit laatste vers scandeerde : « dat heeft ghodnon een lantscnecht vroom » — wordt de vertraging die in de melodie op het laatste accent van het vors ontstaat, uitgebreid, zoodat het vers werkelijk vier accenten bekomt.

1 str., 1 r. Sout. sic. Antw. Lb., « Het vlooch een so deinen wilt

voghelken. »

ocr page 123

— 379 —

MELODIE.

Sout. Ph. 97. Zelfde mei. Ecclesiasticus van FnuvxiKus, 16g5, N1' 110 bl. 204. — Variante,bij Böhme, t. a. p. — Vierstemmige bewerking doo' oen onbekend 10« eeuwsch componist, herdrukt bij von Lilienckon Die historischen Yolkslieder der Deutschen, Nachtrag, 186S), bl. Hl' Beüage 2.

ocr page 124

— 380 —

LVI.

EKN JONGHE MAECHT HREPT MI GHEDAECHT. Ps. 98.

Re met Si tj.

rp=J=f

----,—-H-

a-P—g-

Een jon-ghomaechtheeftmi ghe-daecht ta eo-men

p -ö- •

;È

Ü

I

Pï

iiaËiËË^lÊÊEi

=1-

in haer ca-mer - kijn. stout on - ver-saecht,Ueb iet ge-

_.jlL—JJquot;quot;

tr

Ü:

:l-25

sa;

Es-i

* waecht; ic was bo - spiet van ni-ders fe - nijn. sal ie nueh

i^r -J—J—J

T-

ocr page 125

— 381

moe-ten ia drucke sijn? want si mi liefde heeft be-wo -

r

•P3 -é^T- -lt;3- -^3- P I

pE2E?~

(?-

ttg _■

ö-

;2:

sen. mocht si glie-bue-ren mi, mocht si gho-buo-ron

t-

:3=

Ri

£

r-ff-

f //ij! J

.. , =q=^=;

;2^EEE#==

iü.

mi! en - de so waer ic vri van al - lo mi - nen

liiki

1:3 i?

SI;

2Ï

g-

J-J-

druc ghe - ne

(ii^ssgg

11^1=1

te

;2E

m

49

ocr page 126

— 382 —

1. Een jónghe maecht heeft mi gedaecht te cómen in haer camerkijn.

stout ónversaecht, heb iet ghewaecht;

ic was bespiet van mders fenijn.

sal ic noch móeten in drücke sijn?

want si mi liefde heeft bewésen.

mocht si ghebüeren mi!

ende só waer ic vri van alle minen druc ghenésen.

2. Haer aanschijn claer heeft mi, voorwaer,

mijn óochskens al te séer verblent;

dat ic bén door haer in drüc ende vaer,

dat is den hóochsten hére bekent.

had ic mijn lieveken hier present,

so waer mijn vrüecht verrésen.

mocht si ghebüeren mi!

ende só waer ic vri van alle minen drüc ghenésen.

3. En al óm mijn lief lide ic miskief,

want icse sélden spréken mach.

mer als een dief lide ic miskief,

mocht icse versóeken nacht ende dach! dat wildi hóren mijn gecldch

van minen lieveken gheprésen?

mocht si ghebüeren mi!

ende só waer ic vri van alle minen drüc ghenésen.

4. Princérselijc aensien moet ic haer bien boven alle die léven int aertsche ddl.

al móet ic van haer vlien door niders bespien, ic hóópt niet langhe duren en sdl

ocr page 127

- 383 —

want Gód die here is bóven al.

so wil ic swighen met désen.

mocht si ghebueren mi!

ende só waer ic vri van alle minen drde ghenésen.

Mint daer gin trouwe vini.

TEKST.

Antm. Lh., Nr 40, bl. 57. Vorgoestelijkingen in Een dev. ende prof. Jloecxkt'n, Antw. 1531), bl. 85, v0-v0 (Uit#. D. F. Scheurleer, b'. 178), en in Het pncel der Qheest. mei., Brugge, 1609, 3° uitg, hl. 134, « op lt;le wijse : alsoot l)ogint «. — Zelfde tekst als deze laatste in Het i'aradns der geest, vreuchdcn, Antvv., 1617, bl. 129 « op de wijse : Mijn hert vervult altijdt met pijn. »

AANTEEKENINGEN.

Do herhaling van het 7° vers der str. wordt aangeduid in het A. L.

1 str. 1 r. Soul. ; « Een schóne jonghe maeeht hoeft mi gedaecht, »

2 str. 3 r. tekst : dut ic haer in.

3 str. 5 r. t. : sic.

Na str. 4. Mint daer enz. Wellicht de kenspreuk van een ons onbekenden dichter.

MELODIE.

Sout. Ps. 98. — Varianten in de aangeduide geest, liedb. van 1539 en 1609. Wij laten deze varianten volgen.

•(i)

(1) Tekst

Devoot ende prof. Boecxhen, 1539.

BI

amp;

we - relt mis - haecht.

(2) Over den vorm : J* j J** J , zie bij Dom Pothier, Les Mélodies Grdgonennes, uitg. 1881, bl. 185, het voorbeeld : Justus Dominus, enz., onder het cijfer 8.

ocr page 128

I

— 384 —

i]—i—|—V-g:

:é—J—

ÈSÉS

ÊtË

paecht, mijn hert daertoe draecht : Te kie-sen een an-der

ass

God don Heer te aeri-

En - de

Ie

.2:

zp=i=gz

}2=i?

m

•ti. - »-

sen.

mi, mocht hi ge - bue - ren mi, So waer ic

vri van al - le mijn druc ghe - no Het Prieel der Oheestelijche Melodie, 1609, bl. 134.

-, -r i V ■ .....J1

.......- ^.....^ • O

E=#d • c» d

ver-saeeh t:

%)

Want t'her

my draockt

;j=igg=i=^=s=P^=a=^=;=^e

te jaocht En Godt

ocr page 129

-p=p

ho

ven;

Tot oe - nen staot ver

Éi - vj ^

f

;e=f:

Mijn Heer'wil ick aen-cle

:C2iz(!—p;

sen. Mocht hy ghebeuren my,

Dits my int hert' ghe-re

Mocht hy ghe - beu - ren my, Soo waer

ick vry

Van al-lendruckghe-ne

ocr page 130

_ 386 —

LVII.

DAER HAD EEN MEISKEN EEN RUITER WAT LIEP.

Ps. 99.

Re met Si tj.

if

m

wil - de

Daer had een meis-ken een rui - ter wat lief voor sil - ver

^5 - =

J:=!--

1 ^

:=q—5—g—

lt;B4-P.....--

«T

ri'

—s---

. s? * 0 « d

—©------■

-F-

r-i-

:4=Pr

quot;g—p

tzz

noch voor ro - den gout en

di:

-St

A

g---quot;gf

S3

--F

i—Fa---P-

_e__

EËEE

=z^=q= —I-J-

81

niet schei-den van hem; si wachto hem

ocr page 131

— 387 —

1. Daer had een meisken een ruiter wat lief voor silver nóch voor roden góut

en wilde si niet scheiden van hém;

si wachte hem ónder die linde was gróen.

2. Daer quam een vróme ridder gheréden,

sijn swarte hóet was ontwée ghesnéden,

sijn harnas blónc van góude claer :

« wel schóne jóncfrou, wat dóet ghi daer! »

3. « Ic hébbe hier also langhe ghesëten,

die liefste mijn die heeft mi verghéten ;

het isser wel seven jaer en een dach,

dat ic mijn lieveken niet en sach. »

4. Wat tróc hi daer uit si'ner tassche? een sluierlijn was wit gewaschen :

« lief méisken, dat wil ic di ghérne schenken, so ghi dines boéles nemméer wilt ghedénken! »

5. « Al ware die sluier nóch so lane,

dat hi van den hémel totter aerden hanc, dan nóch so wóude ic hem varen laen,

mijn sóete lief willic wéder haen. »

ocr page 132

— 388 —

Wat nam hi dan van sinen vingher?

van roden góude enen schonen riiighe .

« lief méisken, dien wülic daer l)i u schenken, so ghi dines bóeles nemmeer wilt ghedénken. »

_ « Die rinc is schóne ende daerhi goet,

behóut uwen nnc ende ic minen moet,

die rinc dien wülic varen laen,

mijn sóete lief moetic wéder haen. »

_« Wat wildi nóch den ridder verbeiden,

airéde so lane van hier geschéideu?

nu schinet voor hém een ander dach,

dat men hém een ander jóncfrouken gal. »

— « Waeróm en sóude ic hem niet verbéiden, den vrient van mi so langhe gheschéiden? beware Gód dat édel blóet,

so dat hi voor mi noch liefde voelt.

« Ic vóere nü enen droeven móet,

ghelijc die tórteldüive dóet,

als si haer bóelken verlóren heeft,

op dórren tacke truerich si leeft.

« Si drinket dat water met droeven sinne, ende dat uit réinder liefde ende minne, si isser emmer so dróeve ghemoet.

rijc Gód, hoe is die liefde so soet. »

Doe nam hi af sinen iseren hóet, doe verkénde si dat edel bloet :

« sijt ghijt mijn liefste schat, mijn léven.' twi en hebt ghi u niet te kénnen ghegéven?

ocr page 133

— 389 —

13. — Omdat ic di' bepróeven wóude,

ic meende dat ghi mi' vervlóeken sóude, mer haddet glii mi' met vlóec beLien, ghi haddet móeten becópen saen.

14. Daer dóór ghi mi rein bewaert hebt u tróue, so blijfdi emmer die liefste vróue,

nu salie, waer ic óoc verblijf,

schoon lief, di némen tót een wijf.

15. Die óns dit liedeken éerstwerf sanc, een vróme ridder was hi ghenaemt,

hi singhet ons dit ende nóch veel meer j behoede God aller jóncfrouwen eer!

TEKST.

N'N40VObf1 ^ DUitS,Chten1tekSt voorkoniende bij Böhme, A lid. Lb.,

Bezinwiquot; « Es Stre le,Zlngeri' ZG-t Böhme. vafgt; thans nog

hfiTTur ' ' ^ elne Llnd lln ««fen 'hal. „ Zieden tekst N'' 115 j Uhland . « Es stet ein lind, enz. „ Zie mede hierboven bl. 300 Dat

vlenL Sr oVlrminkt' t0t 0P Iateren tijd be8tond' bliJkt

volgenden tekst, overgenomen uit De Nieuwe Overtoomsche Markt-schipper of Dunkerdammer Kraanter, enz. Amst. 1793, bl. 4(),

Daer zou 'er een magetje vroeg opstaan,

om haer zoete lief te zoeken g'aen,

en zy zogten onder de linden,

maar kon daar haar lielje niet vinden.

Met kwam daar een heer aan gaan,

nfVi6/ quot;Jkind Wat hoeft sy Wer'alleen te staan,

ol teld gy do groene boomen,

en al de geele goude roozen. „

— quot; Ik tel de groene boomen niet,

en pluk ook alle gouden rooze niet •

ik heb' myn lief verloren,

en kan 'er geen tyding van hem hoeren. „

- « Hebt gy 'er jou lief verloren,

kaïye ook geen tyding van hem hooren hy is er op zeelands douwe

en verkeerd met een andere schoon vrouwe. „

50

ocr page 134

— 390 —

— « Is hy 'er op zeelands douwe,

verkeerd hy daer met schoone vrouwe,

zo raag den hemel zyn leidsman zyn,

mot alle raooijo meisjes die by hem zyn. »

Wat ti'ollt; hy uit zyn mouwen?

een kettinff rood van gouwen ;

« dio (zal) ik u schoon kind schonken wild op u lief niet moer denken. »

—■ « Alwaar do ketting nog eens zoo lang,

dat hy van de hemel op de aarde hang,

veel liever wil ik ze verliezen eer ik oen ander liefje wil kiezen, n

Doe ontroerde de heer zijn bloed ;

« schoon kind, zie wel voor u wat gij doet;

gij bent 'er mijn regte huysvrouwe,

en ik wilder geen ander trouwe. »

Zelfde tekst bij Willems, Oude VI. Lied., Nr 90, bl. 219, getrokken uit I.ummeren-Vrev.ght, II, Amst. n78 en H. v. F., Eor. Belg., II, Nr 2i5, bl. 86. Vgl. Lootens en Feys, Chants pop. flamands, Nr 48, bl. 92. — Willems, t. a. p., Nr 99, bl. 237 en H. v. F., t. a. p., Nr 38, bl. 109, heeft met bovenstaande lied alleen den aanvangsregel gemeen.

u Een meysken had eon ruyter lief, n aangeh. als wijs, Veelderhande liedehens, 1509, bl. 320, voor het lied : quot; Wel hera die in Gods vreese staet, n herdrukt bij Wackehnagkl, Lieder der Niederl. Reform., Nr22, bl. 97.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 1 r. Het eerste vers is ons bewaard door de Sout.

MELODIE.

Sout. Ps. 99.

ocr page 135

— 391 —

LVIII.

GHEQÜETST BEN IC VAN BINNEN.

Ps. 101.

Re met Sity.

w

b2i?;

Ghe-quetetben ic van bin-nen, fluor - wont mijn hert so

Éi=p=l

3

1

prrzE Ë2—t

I

;EEeêe=

q=r|r

:*=S=E2:

min - nen ghe -

u - wor ganscher

[i

:=!=

E:quot;BE3-

2-ï

-sgt;-

-s»-

w

-I-

;~a;

-ö-

;3—ö_ö

f-

g—a—Ü-F-9!-^—P:

t^=Ea-a:

±

quetst so lane so meer. waer ic mi wend,waeric mi

ocr page 136

392 —

keor, ic en can gho - rus-ten dach noch nach - te;

$

7---T—

@P=E

^ r

1«

£

=Ê

é=5t:

a=

■waer ic mi wend,-waor ic mi keer, ghi sijt al-

• i

2—P-

--F

*G-

—--p--

r-P--i

rTf -C-

^-g -^. .

-f---

-2----1---

it

$

r^=a

±r

leen

in mijn ghe - dach - te.

-J=t

i

_ö-_

p=ÊEfeeE

ÊËt

ocr page 137

— 393 —

Ghequetst ben ic van binnen,

duerwónt mijn hért so séer,

van uwer ganscher minnen ghequetst so lane so meer.

waer ic mi wénd, waer ic mi keer,

ic en can gherusten dach noch nachte;

waer ic mi wénd, waer ic mi kéer,

ghi sijt alléén in mijn ghedachte.

TEKST.

Willems, Oude VI. Lied., Nr 16, bl. 30; volgens eene aanteekeninfr aldaar bl. 32, aan W. medegedeeld door Van Hulthem en ook te vinden in eene oude liederverzameling berustende ter Bibliotheek te Doornijk. — H. v. F., Hor. Belg., II, Nr 87, bl. 200, die denzelfden tekst geeft, verklaart niet te weten op welken grond dit stuk door W. aan Margaretha van Oostenrijk wordt toegeschreven. Het is zoomin van deze Prinses als het lied « Mijn hert altijt heeft verlanglien », dat door W. insgelijks aan Margaretha toegeschreven is, maar dat reeds in 1501-1503 gedrukt werd te Venetiën, bij Petruccl, vierstemmig behandeld door Pieter de la Rue, die op het einde der XV® eeuw leefde. Zie onze uitgave van dit lied, in de Nederl. Dicht- en Ktcnslhalle, Antw., 1886, bl. 291. — Aangeh. bij I)r Kai.ff, Het Lied in de M. E., bl. 323, die eene geestelijke omwerking vermeldt uit het 15e eeuwsch liederboek van Marigen Remen, Hs. toebehoorende aan de Maatschappij der Nederl. Letterkunde, te Leiden.

MELODIE,

Sout. Ps. 101. — Vermeld in de tafel van het meerstemmig Kamper. Li. Zie Dr G. Kalff, t. a. p., bl. 643.

r

ocr page 138

394

LIX.

GHEPEINS, GHEPEINS VOL VAN ENVIEN. Ps. 106.

Ut Modern.

M ~ ^ ^ ^

SH—, i

022 . • • • :

E=Ez=ipEEE^t=:^3

451 -3-

Ghepeins, ghe-poins

vol van en

ö-j j r* ^ quot;J-r.n fs j

-ö- ^ -o- -0-

cö-Qr

I

:nra:

-p-

• •

itz

P

1

Wi—i»—

*,9*

me-nich

dat

:2=-r

ilwele oorsprono is --I-TZ

» » f !'!•

~p—•

SEi

l^S

3^

-G-

=iI=E^E5==5

quot;T ■ I ■ ■-

zp=i=i.

m

hoe quel - di mi nu

truert,

--1—zi^zziz^n-.

al

rr-

met fan - ta -

[i=3J|ei=Éii=P V-Tff

±z

ocr page 139

— 395 —

-------1-J—«r

3=ÈS^=S=|

—efc

2z^--=—:

I

zÉ=siz

:SïEE

3fcE

r

-P—i-

|^=i

schuert. Godghovehaer vruecht duer wiont gho-

!—-i r

11=^:

È^E

hS—m--1—

quot;1 - -

-quot;2-n-~

- —i -4—1 -

—3—

_P q J-J 1Squot;T~ -—«—M—m g m—

:2_^—g-

S • * :

buert,

n 1 doct-se mi deos

qua - le.

iiaer we-sen

-9-1--—

—r-J J 1

^r-r

r r

E23—^

^ nj j ^

(W?-

-f=F-—

-----

-.4- ■ —

E2^ ^

E--

ocr page 140

— 396 —

mits tco-luer van co

1

E

ghi nach - te -

r

tier heeft mi be - cuort

if/ quot;ÖH

2=

$2—^^=0

ra - le. Rast u,

5

El

If2I

SEB

WB=

^=5=*=

±

de

ifr

ga - le, viiecht uit dat wil

3ipi3 -2—i—g—^-ö-

^=r-

ocr page 141

— 397 —

=s==

ê

5

H—

wo at,

secht haor d.'t al

te

j--——---

f» n n

• 0

r l. i

r p'

j

1 Ghepéins, ghepéins vol van enviën,

dwelc óorspronc is dat mënich trüert,

hoe ([üeldi mi mi met fantasien?

mi dunct dat nu' mijn herte schuert.

God gliéve haer vruecht duer wfent ghebuert,

al dóetse mi dees qiiale.

iiaer wésoa fier heeft mi becüert

mits tcóluer van corale.

Rast ü, glii nachtegale,

vliecht uit dat wilde wóut,

secht haer dit altemale

ende gróetse mi ménich fout.

51

ocr page 142

— 398 —

Ic péinse om Venus discipline,

die mi so late sant dese sücht;

hoe stadigher liefde, hoe meerder pine,

hoe vüilder wónde, hoe érgher ducht.

een tijtlic fruit neemt saen de vlucht

gheplüct ten groenen dale;

men prijst best ëen volwassen vrucht,

ghelijc een cuische smale.

Rast ü, ghi nachtegale,

vliecht üit dat wilde wóut,

secht haer dit altemale

ende gróetse mi ménich fóut.

Beloften veel is si mi schüldich,

mer ónder al eene excellent,

daer na verlanghet ml ménichfüldich ;

wat is, tis haer en mi bekent.

wat ic bedrive in mijn convent,

dit altoos ic verbale,

vinde ic mi léech als si is absent,

van haer ic niet en fale.

Rast ü, ghi nachtegale,

vliecht üit dat wilde wóut,

secht haer dit altemale

ende gróetse mi ménich fóut.

Ghepéins, hoe sóudic di niet ghehinghen ic móet, eilaes, tis gróte noot;

dat dóen tien duisent vreemde dfnghen ons béiden ghebüert, si weet al blóot. wi drinken vrüecht en droefheid gróót beide üit fortuinen schale,

door tswaer ghepéins van dit exploot therte stérft al waert van stale.

ocr page 143

— 399 —

Rast ü, ghi nachtegale,

vliecht uit dat wilde wout,

secht haer dit altemale ende gróetse mi ménich fóut.

5. Mocht mén met crude oft médecine ghenésen mijnder liefden brant,

ic waer ghenésen van der pine, mer niet en hülpt sulc ónderstant. dus gatet, eilaes, aen minen cant,

door tlast der minnen strale,

ic vlóeke den afgod die mi bant met Vénus bitter dwale.

Rast li, ghi nachtegale,

vliecht üit dat wilde wóut,

secht haer dit altemale ende gróetse mi ménich fóut.

6. Princésse ic swighe véél om béter, als ic pëinse óm ons óude spél;

ic en vaat ter wérelt nóit secréter,

dus en vrése ic twint dese m'ders fél.

vrou Vénus déct haer kfnderkens wél,

draghén si hüesche tale;

tsal al wel sijn door mijn bevél,

schoon lief, dats tprincipale.

Rast li, ghi nachtegale,

vliecht ilit dat wilde wóut,

secht haer dit altemale

ende gróetse mi ménich fóut.

TEKST.

Antw. lb., N1' 49, bl. 71. — Dr G. Kalfp, Het Lied in de M. E., bl. 323, 356 en 633 nota, tlie daar doet opmerken, dat dit lied van Matthys dk

ocr page 144

— 400 —

Casteleyn ia (f 1550) en onder Np XXII der « Diversche Liedehens » wordt teruggevonden. Zie hierboven bl. 101.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 5 r. deur ontbreekt in het L.; echter te vinden bij Casteleyn Nr 22, Div. Lied.

1 str., 6 r. Div. Lied., dees. — A. L., dese.

1 str., 8 r. Het blijkt stellig uit do muziek der Div. Lied., dat do dichter do verkeerde scansie tcóiuer heeft aangenomen, dio wij echter in de melodie vermeden hebben.

1 str., 11 r. Div. Lied., sic. — A. L., Gael secht haer, enz.

2 str., 3-4 r. Div. Lied., Hoe spagher liefde hoe meerder pyne || hoe blender wonde hoe argher ducht.

2 str., 8 r. Div. Lied., gh'lijch is dees kuyssche smale.

3 str., 3 r. Div. Lied., verlanght.

3 str., 4 r. en mi ontbreekt in het A. L.

4 str,, 1 r. Div. Lied., sic. — A. L. : soudi niet.

4 str., 4 r. Div. Lied., been voor beiden. — Sy meet 'tal bloot.

4 str., 8 r. Div. Lied., thert, met enkelen, — A. L. ■ therte met dubbelen voorslag.

5 str., 4 r. Div. Lied., mer neent ten helpt.

5 str., 5 r. Div. Lied., gaet 't he tas.

6 str., 1 r. Div. Lied., swijghs.

fi str., 1 r. en bijgev.

ü str., 2 r. peinst om, met hiaat.

6 str., (i r. draght'n, misselijke sennsie door do mol. aangowezen. — Div. Lied., hoefTsche tale.

6 str., 8 r. Div. Lied., sic. — A. L., dat is.

MELODIE.

Sout. Ps. 106. — De melodie uit do Div. Lied., die wij hierna goven naar de uitg. van Rotterdam, 1616, wijkt grootendeels van die der Sout. af en is minder good bowaard ; hot slot, d. i. do terugkeer tot de tonaliteit van het begin (vgl. Ps. 106 en zie bl. 87 hierboven) ontbreekt. — Kene vierstemmige bewerking door een onbekenden componist wordt gevonden in Hetierste musych boeexhen, Antw. 1551.

ocr page 145

— 401 —

ils;g=#E£EgH^_H_

SEEeèeêË

Gotl geve haer vreucht deur wient ge - beurt, Als

treurt, scheurt.

m

=(=p=-p-r :L—I--b—

wt dat wil groet-se my duy

de want, sent-f'aut.

ocr page 146

— 402 —

LX.

WAER SAL IC MI HENEN KEREN.

Ps. 107.

Hypodonsch teüonig. ' J -

Waer sal ic mi lio - nen ke-ren, ic

S==be3=

ill

---h2

(ÜE

ar - rorn broo-der - lijn? wes sal ic mi gho-

;B-

S7--

quot;2^

s

S=3=g=^;^g.:Eg=lEg^Ei^EElEj

no-ren? mijn goet is veel te clein. als

ocr page 147

— 403 -

rjjrrct:

ic een we-sen haen,

fe'fc--a - \S-—•----

-

-P=Ë=—|L-

^■£0---------

-p——

w

:a—w~-

ren, dat

daen; dat ic nu sou-de ver - te

ocr page 148

— 404 —

1. Waer sdl ic mi hénen kéren

ic arm bróederlijn?

wes sal ic mi' ghenéren? mijn góet is véél te cléin; als ic een wéseu haen, so móet ic balde van daen; dat ic nu sóude vertéren, dat héb ic te vóren verdaen.

2. Ic bén te vróech ghebóren,

al kéer ic mi óm ende óm

mijn gheldc komt mi eerst mórghen; al had ic een kéiserdóm,

daer tóe den tól van den Rijn,

ende waer Venégien mijn,

het waer doch al verlóren, het móeste versldimet sijn.

3. So en wil ic dan niet sparen,

ende óf iet al vertéer,

ic en wil daeróm niet sórghen. God besórghes mi mórghen méér; wat helpt mi dat ic spaer?

al licht verlóor iet te gier;

sóut mi een dief ontdraghen, het róude mi wél een jaer.

4. Ic wil hem laten sórghen die dat ter hérten gaet,

mijn ghélt wil ic verbrdssen verslüimen vróech ende spa;

ocr page 149

— 405 —

ic néme tót een vóorbeelt so ménich dierken wilt,

liet springhet ópter heiden,

God hóedet in den nóot.

5. Ic sie op gheender heiden

so ménich blóemeken staen,

si sijn so wél ghecléidet,

wat sórghen sóude ic haen,

hoe mi goet óver cómt?

ic bén so frisch ende jónc,

sou mi die nóot bedwinghen,

ic en tréurde daer niet óm.

6. Gheen béter dinc op aerden dan éen goet léven haen,

gheen béter dinc en wéét ic dan slüimen vróech ende spae;

daer tóe enen vrien móet;

ic en sta niet séer na tgóet,

als ménich rike bórghere na gróten wóeker dóet.

7. Die wint sijn góet met slaven,

daer tóe met sórghen gróót,

wannéér hi riist sal haven,

so léit hi als waer hi dóot :

so bén ic frisch ende jónc.

God ghéve mi ménighe stónt! God hóede mi, jónghen cnape,

dat mi geen hómoet en cómt.

52

ocr page 150

- 406 —

Die voghelen laet ic sórghen al téghen deseu winter calt;

wil mi de weert niet bórghen,

mijn roe glieve ic hem balt,

mijn hüikelijn óoc daer tóe;

ic en heb noch rust noch roe des avonts énde des mórghens tot dat iet al verdoe.

Heer weert, steect aen tghebraden, daer tóe die hoenderen jónc!

daer óp mach óns wel smaken enen frischen, cóelen drónc;

brenct hier den cóelen wijn,

ende schénct ons dapper in :

mi is een buit toecómeii,

die móet versluimet sijn.

Drie wórpen énde een caerte,

dat is dat wapen mijn,

ses hüpsche vróulijns hérten op élke side drie.

comt hier, du schoonste wijf, ghi verblijt dat hérte mijn;

lief, mócht ic bi u skipen,

so waer mijn hérte bli.

Dat swaert aen mijnder siden, ic make mi haest van daen,

en héb ic niet te riden,

te vóet so móet ic gaen;

ocr page 151

— 407 —

het en is niet altijt ghelijc,

ic en bén niet emmer rijc .

ic móet den tijt verbiden tot iet ghelue vercrijgh.

TEKST.

Antw. Lb., Nr 166, bl. 249, quot; Een out liodeken. » Enkile veranderingen in den Ned. tekst gebraclit bij middel van den Duitschen voorkomende bij Uhland, Volhslieder, Nr 21Ü, bl. 448; Böhme, Altd. Lb., Nr 358, bl. 430 en bij Rochus Freihebrn vom Liliencron, Deutsches Leien im Volkslied vm 1530, Nr 6!gt;, bl. 217. Eene Diiitsohe vergeestelijking bestond reeds in de 15quot; seuw. — Vermeld bij Dr Kalff, Het Lted in de N. E., bl. 458, als vrij gebrekkig uit het Duitsch vertaald.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 1 i'. Volgens do Sout. vangt het stuk aan met den derdtm regel der 1° strophe hierboven.

1 str., 2 r. lees arrem; vg. hierboven bl. 347, str. 4 en 367 str. 11.

1 str., 5 r. mesen — woning.

MELODIE.

Sout. Ps. 107. — Böhme, t. a. p., variante naar Forster (1540).

ocr page 152

— 408 —

LXI

HET GINGHEN DRIE GBESPELEN.

Ps. 109.

üt Modern. -quot;T

M-

Het ghinghen clrioglio - spe-len spa - co - rea in dat

5

:uzaz

s

E2=£=

SiËëS

if=pi

:2±=—-

;2;

itz

wout;

si wa-ren al-lo drie

^■r—i—r----

ü f f

HU

____11J -i Ï»

3EEE:3

J iJJ-

2^=J2Z

:2=g=pc=p=ip=

■g-j—I-1--1—

iP^

l=ü

lior - voet, die ha-gliol en - do sneo was cout.

ocr page 153

— 409 -

Het ginghen drie ghespelen spacéren fn dat wout;

si waren alle drie bervoet,

die haghel ende snee wat? cóut.

Die een die weende sére,

die ander hadde hupschen móet, die derde begónste te vraghea wat héimelic boelschap dóet.

« Wat hebt ghi mi te vraghen wat héimelic boelschap dóet? het héhben drie rüitersche cnéchten geslagheu mijn h'ef ter dóot. »

— « Hébben drie rüitersche cnéchten geslaghen u lief ter dóot,

een ander bóel suit ghi kiesen,

ende draghen hupschen móet. »

— « Sóude ic een ander boel kiesen, dat dóet mijnder hérten so wee ; adieu, mijn vader ende móeder!

ghi en siet mi némmerméer.

« Adieu, mijn vader ende móeder ende mijn jónghste süsterkijn !

ic wil gaen ter linden gróene,

daer léit die aider liefste mijn. »

Die dit liedeken dichte,

dat was een ruiter fijn,

sinen bddel was seer lichte,

daer óm drinct hi sélden wijn.

ocr page 154

— 410 —

TEKST.

Anlw. Lb., Nr 80, bl. 119, « Een nieu liedeken. n — AVii.lems, Oude VI. Lied., N'- 69, bl. HG; — H. v. F. Hor. Belg., II, N1' 118, bl. 225. — Aangeh. bij Dr Kai.ff, Het Lied in de M. E., bl. 442.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 1 r. Soul. Ps. 105, sic. — A.L., ghespeelkensgoet.

7 str., « Am Schlusse noch diese hier nur storende strophe, » zegt H. v. F.

MELODIE.

Sout. Ps. 109. — Wjllbms, t. a. p., bracht op dit liod de melodie van Ps. 8 Sout., te vinden bl. 147 hierboven. — Bij een der laatste stukken van de Soul. : « Pen Pater nost«r, * vindt men de melding : quot; de wijse : Het ghingen drij gespeelkens goet spa.. . soectse (namel. de wijs) voro (hiervoren) Ps. 109 n, zoodat de melodio van dezen Ps. wel degelijk de muziek uitmaakt van Nr 80, A. L. : « Een nieu liedeken, » terwijl de wijs door Ps. Iu9 aangeduid : « Het waren drie ges))elon || sij waren vroech opgestaen, « ons waarschijnlijk den aanvang leert kennen van het « out liedeken „ waartoe Nr 80, A. L. aanleiding gaf. — Als wijs voor het geest, lied Nr 46 in Een dev. ende prof. Boecxhen, Antw. 1539, (Uitg. D. F. Scheurlukr, bl. 62) vindt men : « Si ghinghen alle drie bervoets. « (zie hierboven str. 1, v. 3), terwijl men onder NTr 156 van dezelfde verzameling (Uitg. D. F. Scheum.eeh, bl. 188) een ar dergeost. lied, met de melodie, aantreft op de wijs : « Het souden drie ghespeelkens goet {{ spaceren gaen in dat wout. » —Wij laten de melodio, die dezelfde cadenzon heeft als Ps. 109, volgen in moderne notatie en getransponeerd van ut in fa, ten einde de vergelijking te vergemakkelijken :

-1--1—r , -f-»

--v—:--^—

—| =1=

• ,

2 P .

--1-

cgt;

Wij a--

wil-len

ons gaen ver - hef- fen

Bo-ve

n

al - le a»

jrtsche _—

•

■l_P r r •—*-

L - •- i- t

f

...

din-ghon, En-de dimmen met on-se ghe - clach - ten Al

7 ^---1—F—d—d—

1 1 1

on - der die Se - ra - phi - nen.

ocr page 155

~ 411 —

LXII.

DIE WINTER IS EEN ONWEERT GAST. Ps. 110.

Hypodorisch (hexaphone).

Diu win-ter

dat —

—Ü—

TZ1*1

ia eon on-weert t;ast,

Ëi=Èi=?H-^

:pz:

m--

-t2=^

i

3—

ghe.

da

ic had een

mere ie aen den

-■d' jOL.

—1--I-'

^ I

• •

boel-ken en - de dat was waer

int o - pen-

ocr page 156

— 412 —

Zamp;l

i2

baer: si en was mi niet ghe-trou-we, des lijt ic

J—

SU

rou - we.

m te=l

:q;

EÈ

1. Die winter is een onweert gast,

dat mere ic aen den daghe.

ic luid een bóelken ende dat was waar

int ópenbaer :

si en was mi niet ghetróuwe,

des iide ic róuwe.

Het gast ten vastelavont waert, nu léngiieu óns die daghen,

mijn lief Loot mi een cranseliju

van péerlen fijn,

oft ic sóude willen draghen tótten daghe.

ocr page 157

— 413 —

3. Daer na comt óns die lieve tfjt,

so spruiten óns die blóemlcens,

si springhen uit so menigherléi,

coel is die mei,

ic hóre den nachtegael smghen een liet van minnen.

4. Wat achte ic óp der vóghelen sane oft op qüade niders tónghen?

mijn lief boot mi haer armkens blanc,

ic weets haer danc;

ic en sals mi niet berómen,

mach ic daer in cómen.

5. Ghi sijt mijn lief, weet dat voorwaer,

ic vare na Oostenrike.

schóonder wijf en sach ic nie;

als icse aensie,

waer vint men haers ghelike,

ja, haers ghelike.

/

6. Oorlof, schoon lief, van Aerdenbórch!

wi twee wi móeten scheiden.

ic eet mijn córenkén noch gróen,

ic hébs van dóen.

Maria wil óns gheléiden,

als wi nu scheiden.

TEKST.

Lb., Nr 25, bl. 36. — Willems. Oude VI. Lied., Nr 152, bl. 360; H. v. F., Hor. Belg., II, Nr 108, bl. 213 en Uhland, Volhs-lieder, N' 41b, gevea de vier eerste strophen. — H. v. F. noemt de tweu laatste str. « ein ungehöriger Zusatz. » — Variante uit het Weimarsch

53

ocr page 158

— 414 —

H. S., bij H. v. F., t. a. p., Nr 109, bl. 214. — Dr G. Kalff, Bef, lied in de M. E., bl. 326, is van gevoelen dat Nr 25, A. I., waarsclii.jnlijk eene bewerking van den Duilsohen tekst is, zoonis deze voorkomt bij Uhland, t. a. p., Nr 41a en bij Böhme, Attd. Lb., Nr 151», bl. 24'7.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 6 r. A des lijt mijn hertelen rouwe.

2 str., 2 t. a. l., de.

3 str., 1 r. tekst : lieven-

3 str., fi r. t. : van minnen.

4 str , 1 r. A. L., den.

5 str., 2 r. /1 L., Onstcnrijc.

5 str., 5-(5 r. t. : gelijcken,

5 str., 6 r. ja bijgev.

6 str , 3 r t. ; connkeii groene.

6 str., 6 r. nu bijgev.

MELODIE.

Sout. Pp. 110. — Böhmf, t a. p., Nr 151», geeft de melodie met de 1° str. van den Nederl. tekst en do vertaling van dezen tekst in het Duitsch.

ocr page 159

— 415 —

ocr page 160

T^A—J—4--i-

— 416 —

3 3 -2-1-,---

-B ■ * i , ;

E25i-^ ^ 4

van-ghen so swaer-lic op sijn lijf, hi lelt ghe-

■®- I®- 5 ÏJ-

1. Het is goet peis, goed vréde in alle düitsche landen,

sender Thijsken van den Schilde,

hi léit te Délder ghevanghen,

hi léit ghevanghen so swaerlijc óp sijn lijf.

2. Die vróu al van den Schilde,

si lach op hógher tinnen,

si sach die héren, die ruiters,

die bórghers cómen binnen,

si en sach daer Tijsken, haer liefste bóele, niet.

ocr page 161

— 417 —

« Ghi ruiters ende ghi rovers,

ghi héren van der straten,

waer hebdi Thijsken van den Schilde,

dats mi'nen bóel, ghelaten,

waer hébdi ghelaten die liefste bóele mijn? »

— « Och vróuken van den Schilde,

nu en laet u niet verlanghen,

dat Thijsken van den Schilde

te Délder léit gevanghen,

hi léit ghevanghen die liefste bóele dijn. »

Dat vróuken van den Schilde

en wóudes niet ghelóven,

si déde haer paardeken sadelen,

ja, sadelen énde tómen,

si réet te Délder al vóór dat hóghe hiiis.

« Och Thijsken van den Schilde,

dats bistu nü hier binnen,

so stéket u hóofdeken üte,

al uit ter hógher tinnen,

laet mi aenschóuwen u fiere jónghe lijf. »

Ende Thijsken van den Schilde

en liets hem niet verdrieten,

hi liet ter hógher tinnen

sijn hóofdeken üte schieten,

hi liet haer aanschóuwen sijn fiere jónghe lijf.

« Och Thijsken van den Schilde,

ghi en wóut mi niet ghelóven,

dat ghi bi daghe, bi nachte,

sout laten u ruiten, u róven,

sout laten u róven ter halver middernacht. »

ocr page 162

— 418 —

9. — « Ja, vróuken van den Schilde,

dat qüam bi uwen schulden,

dat ghi wout draghen dat silver,

dat silver ende róden gulden,

dat ghi wout draghen dat róde beslaghen góut. »

10. — « Och Thijsken van den Schilde,

haddi dat wóort gheswéghen,

met silver ende róden góude,

haddic u óp doen wéghen,

dat ü nu sal cósten u fiere jónghe lijf. »

11. — « Och vróuken van den Schilde,

en sóude u dat niet verdrieten,

dat mi die swarte raven,

die vóghelen sóuden éten,

dat mi souden éten so ménich clein vóghelkijn? »

12. — « Och Thijsken van den Schilde,

en laet u niet verlanghen,

ic sal u radeken schóne

met róoskens ómbehanghen,

daeróp sal rusten dijn. fiere jónghe lijf.

TEKST.

Att/w. Lb., Np 59, bl. 88, « Van Thijsken van don Schilde n; — Wil-lems, Oude VI. Lied., Nr 108, bl. 258; — H. v. F., Hor. Belg., II, Nr 23, bl. 81. — Over de oudheid van dit lied, dat minstens in do XVe eeuw thuis hoort, zie Dr Kai.ff, Hel Lied in de M. /?., bl. 125. De Noderlandsche tekst is, wat de versmaat betreft, zoer bedorven; wij hebben hem trachten in verband te brengen met de melodie, die, zoowel als de woorden van Ps. 112 der Sout., op eene vijfregelige strophe wijst.

ocr page 163

— 419 —

AANTEEKENINGEN.

1 str., 1 r. Soul., sic. — A. L. Het is goed vrede.

1 str., 5 r. Het vijfde vers worc't telkens herhaald.

2 str., 3 r. die ruiters, bijgev. ; zie de volgende strophe.

3 str , 1 r, ende, b'jgev.

quot;7 str., 1 r Ende, bijgev. : volgens de melodie is een voorslag onmisbaar.

T str., 4 r. teUst; uit.

12 str., 3 r. schone, bjgevoegd.

MELODIE.

Sout. Pu. 112. — Böhme, Altd. Lb., le st. mot de mei. der Sout.

ocr page 164

I

— 420 —

LXIV.

MARIA SAERT VAN EDELDER AERT. Ps. 118.

Dorisch. -

i

Ma - ri

i

4~_

:2:

saert van e - del - der

^=2:

W

EiËÊiË

E3=3=3=tiij:

:q=:zp

=Ö=öi

aart, een roo-se bo-ven al-len do - ren, du hebt-ste met

i=r-

==F

3=

)2;

::e=n^—Ï

\_2rr|

#É:

w2:

r^—J—cEgiE^zr

2-g:

macht we-der-om ghe - bracht dat lan-gen tijt was ver-

^32^^:

fi

-rr

Ê

fi;

tei=

:firf2=E

ocr page 165

— 421 —

ren door A-dams val; di he-vetghe-

lo

-J=

d—

__

:--ö=3=ÈfcöE5?=2^=--5

---ö---L^-ö»---G----1

equot; 'A A

-^=^=1

walt sin - te Ga - bri - el voer - spro - ken; helpt dat

s

trazz: -o-

----^

-8

Pft—

niet en wert ghe - wro-ken

mijn-ro son-den

^A-i^ -~3quot;quot;quot;'

-£gt; -—©-

S'fir

_2:

2Z=t:

ÉËÊ

igipzza^r^rrrzrr:-—

04

ocr page 166

— 422 —

A—-g=p=

m

zó :

ËÉÊ==^=£

schuit; nu wert mijn hulp, want geon troost on

_4--1--

I?=Ö—ii

---

-Z—©-

-Ö----1

lt;2.

ZOO

•G-

1E?=

:z2®r

iü

b.-2z

iiië^

4 mzz^t

-S-

is, daer du Ma - ri - a niet en bist, berm-

ifEiEE-iii

taz

--

;q=

-q=

her-tich - eyt

-®-ven.

te ver - wer

^—az

-'=\-

quot;S^Tquot;

-©-

® f T

-Q.

:oz=;

-22-

ismar

r

ocr page 167

— 423

in don les - ten ent u van mi niet en

4-

m

iËËi

ÈÊz

- f - : r ^ ___j___A

1

ESEE

i;

:EgE

wont, als ic sal moe - ten ster

q=ct

:=r

zaz

-O'

zjcn ~az

=3—

m

zaz _a_

1. Maria saert van édelder aert,

een róse boven alle dóren,

du hébtste met macht wederom gebracht dat langen tijt was verlóren door Adams val; di hévet ghewalt sinte Gabriël voorsproken ;

helpt dat niet en wért gewroken mijnre sónden schuit; nu wert mijn hulp,

want geen tróóst en is, daer du Maria niet en bist, bermhértichéit te verwerven.

in den lésten ént u van mi niet en wént,

als ic sal móeten stérven.

ocr page 168

— 424 —

2. Maria milt, du hébst gestelt

die aide vaders uiten verlanghen, die jaer en dach, in wee en clacht, die vóerhel hielt ghev^nghen;

in alder tijt sidf ghebenedijt,

daer dóór des hémels póórten te samen sijn ontsloten;

een heer af quam, die hém benam die sware pijn, die nü door dijn cüisch joncfrónwelic baren is afghestélt; daer óm sidi ghetélt als een cróne van hógher waerden.

3. Maria réén, du bist alléén der sóndaren tróóst op érden,

daer óm u hééft de éwige wijshéit een móeder laten wérden

den hóochsten héil, die int gróte oordéil ten jóncsten daghe sal richten.

hout mi in dijnre verplichten.

ovwéerde vrucht, alle mijn toevlucht heb ic tot di. aent crüice bistu mi met sinte Jóannes gheghéven,

op dat du mijn lief móeder wilste sijn. beschermt mi in dit léven.

4. Maria claer, du biste voorwaer in gróten smérte bevanghen,

als dine vrucht in ére ende ducht, so schandelijc wért ghevanghen.

door sinen dóot, verwérft mi, rose róot, te béteren hier mijn léven.

ocr page 169

— 425 —

terstont ben ic ghegheven met sware pijn, ende aldoor allein mijn sónden schuit grote smerte ic duit aen lijf ende allen einde.

o róse róot, dese crancheit gróót wil córts nu van mi wéinden.

5. Maria saert, ghemeerdert wert in di groot liden en smérte,

als ü kint dóot ene spére gróót doorstac sijn sachte hérte.

sijn bloeden sacht, dat crancte dijn crachi,

mistróost dat déde u sinken.

men sach Joannes winken;

gheras hi liep ende li op hief,

doen dat sweert so wréet dijn siel door snéet,

daer Simoens wóórden af ghewaghen.

o vróuwe waert, hi léit int aert,

des lévens hére beclaghet.

6. Maria weert, als mijn siele keert,

van déser wérelt moet scheiden,

so cómt tot mi ende beschermt ghi,

opdat mi niet en verleide

die valsche tiran, als ic niet en can sijn duivels list bekinnen.

O Maria, dóet mi u minnen,

werpt óm mi cóen dijns mantels sóem; wanneer dijn kint mi rechten wil,

so toont ii joncfróulike bórsten dinen sóne Jesü; spreect ; ghëeft mi nü den sóndaer die éwighe ruste,

ocr page 170

- 426 —

TEKST.

Een devoot ende profdelic Boecxhen, Antw. 1539, Nr 245 (uitg. D. F. Schkurliser, bl. 282 met de melding « Pit liedeken gaat op die wise alsoot beghint », hetgeen bewijst dat de melodie bij den oorspi'onkelijken Duitschen tekst gevoegd — onze tekst is slechts eene zeer gebrekkige vertaling — ook oorspronkelijk daartoe behoort.

Duitsdie tekst bij Wackeenagel, Deutsches Kirchenlied^II, 148 en volg. met verscheidene varianten; — Böhme. A ltd. Lb., Nr 506, bl. 705 en Baumkek, Das KathoHsche deutsche Kirchenlied, Nr' 18, bl. 89 en vgl., I'1 str. — Hoffman v. F., Geschichte des deutschen Kirchenliedes, N1' 264, bi. 454 en volg

Volgens dezen schrijver is dit lied, wellicht het eenige onder allo do Meistergesüngen dat populair werd, ontstaan op het einde der XV eeuw. — Zie mede aant. bij F. A. Scheurleer, t. a. p., bl. 335.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 5 r. tekst: hehl met g he walt. Duitsch : Dir het gei valt H sanct Gabriel versprochen.

1 str., 11 r. t. : niet en vint. Duitsch ; bid dich, nit wend.

2 str., 9 r. t. : pinen s/vare, door een joncMfroumlic baren. Het overige der str. ontbreekt in don tekst en is hier naar het Duitsch aangevuld.

3 str., 1 r. t. : rein, alleen.

3 str , 7 r. t. : verlichten.

3 str., 9 r. ; navolging van het Duitsch : hab ich zu dir, || am creutz bis mir. — Ned. t. ; heb ic sondaer aent cruice bistu maer.

4 str., 9-11 r. t. : met sulcke pijn ende alder alleyn || sonden schuit ben ic u geduld || aen lijf ende ooc aen einde.

Duitsch ; mijt merer pyn, || id gheschtlth dorch mijn || grote sunde und schuit, |{ ik swerlik duld || am lyre und allen enden.

5 str., 1 r. Duitsch : Joannes tket man wincken — Johannes bleef niet roerloos, aarzelde niet.

5 str., 9 r. So wreet, bijgev. — Duitsch : Da dir das schwdrt. — Zie Lukas, 2, 34-35 en Stabat Mater, str. 2.

6 str., 1 r. t. : mijn arm siele; Duitsch : so niein seel kehrt.

6 str., 9 r. : «e bijgev.

6 str., 11 r. t. : soon.

MELODIE.

Sout. Ps. 118. Dat dit lied ook ten onzent groote populariteit ■quot;erwierf, bewijzen de Sout. waar het met de wijs : Dy wou van hemel roep ic aen-, — deze laatsto insgelijks aan een Duitsch lied ontleend — de twee eenige geestelijke aangehaalde Ned. wijzen uitmaakt. Wel vindt men, onder Ps. 85, nog de wijs vermeld : u Op u betrou ic Heere, « doch deze schijnt ontleend aan het t. z. p. aangehaald wereldlijk lied . quot; Venus, Juno, Pallas, n — Böhme en Ba.umk.er, t. a. p. varianten.

ocr page 171

— 427 —

LXV.

COMT VOORT, COMT VOORT 80NDER VERDRACH. Ps. 123,

:2zFz=E=z~z £g~--ri-_=3

2:--:

M:

r

Ir.

j.

Wz~=

E3ËS=Ë

r «

!2=l

|S^=Pi

boel

bor-ghen;

ic seg-gho

-H

j—f^-r—T—j-

■ - 1

, 1

1

• j ■' . *

gt;2———quot;—*—•--

Ü È quot;

^ :

f ^

iJO-©----——-

—1--amp;—

Ö L

-g-

ÜIe?

J-,

i

-t=T-

i^r*

ten is noch glieen

~J=^sz

:djn.az

ocr page 172

— 428

i

Â¥=0-

52—^1

rt=t?:

:i=^—P—

dach, ten is noch glieon dacli ten is

lï^EE

2:

W-1

paï

i

noch ghe-nen mor-ghen. n

m

im

JÉ-»-

Lip-------

-g-

1. « Comt vóórt, comt vóórt soudér vero'rach,

mijn liefste bóel verbórghen;

ic ségghe vri, ten is noch gheen dach,

ten fs noch ghénen raórghen. »

2. — « Die wachter singhet sijn daghelijcs liet. » — « hi can siju tónghe wel bedwinghen,

cómt in huis, mijn sóete lief,

■wi twee wi sullen noch ghenóechte beghinnen. »

3. Si léide hem óp haer bórstkens rónt,

daer óp so ghinc hi ligghen rusten

si séide : « schoon lief, mijn waerde mónt, wat dinghe mach u lusten ? »

ocr page 173

- 429 —

4. Si léide hem in haer armkens vri,

van vruechden began thérte ontspringhen :

« bedect mijn ére, dat bi'dde ic di',

lief, bóven alle dinghen.

5. « Dat bi'dde ic ü, o liefste mijn,

die aider liefste siildi bliven ;

daer twee goede lievekens vergadert sijn,

hoe nóde laten si hem verdriven. »

6. — « Waer mi Virgilius cónste cónt,

den lichten dach soude ic vertrécken,

énde mijns liefs witte bórstkens rónt,

daerméde soude ic vrüecht verwecken.

7. «Ai lacen, neen ic en kénse niet!

den ddch die cómt, ic moet vertrécken. »

— « lief, van mi vliet, lief, van mi vliet,

dat óns die niders niet en beghécken ! »

8. Die óns dit liedeken éerstwerf sanc,

vrou Vénus liefde hem seer quelde;

hi wisser ghéerne op vruechden banc,

daer hi hem wél toe stélde.

TEKST.

Antm. U., Nr 14, bl. 19, « Een nieu liedeken. » — Aang. bij Dr G. Kalfp, Eet Lied in de M. E., bl. 244 en 290.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 1 r. Soul., sic. — A. L. Confoort, cotfoort. — Sondér, zie hierb. bl. iy.

ocr page 174

— 430 —

1 str., 3 r. Volgens den tekst der Sout. wordt de tweede helft van het derde vers telkens herhaald.

4 str., 4 r. tekst: bedeel mijn ere, lief, boven alle dinghen.

6 str , 4 r. t. : Sal ic.

7 str., 1 r. kense bijgev.

8 str., 3 r. t. ; nas.

MELODIE.

Sout. Pb. 123.

ocr page 175

431

LX VI

DIE NACHTEGAEL DIE SANC EEN LIET. Ps. 127.

Dorisch.

Die nach-to - gael die sane eon liot, dat leer-de

m

f

r

2=

* 4i

ic, ie heb-ber oen ver-ho-len liof, die vri - de

:

(:(

£

Ï2z

r

Zzfzsz

r

--1-H--K-

h—d-t^= ty

;_d—J. ^

'L-d--

en die wil ic niet la - ten, ja, la - ten;

#=iN^i=Ëp

EÜE

1

'li

(p g

EgE

i!

■; ;

it

Ifll !! 111

'1 ]|l

'I «

j:[

m 1

a*

ocr page 176

— 432 —

# ■- ■ —H f~f-~=3=p-r. t-

fc:-P-H—M-k-É.---quot;—r-quot;-

ic ho - pe noch een cort half

È---^----3

nacht in mijns liefs

§ ^ -

M~---------P=—

r

—\--

^-•*- ■-J. •-

arm te

-0-

: ö—S

sla - pen. »

—h-d—

—~—-

r-r

P-F-^-II|^(g=rE|

______ '

« Die nachtegael die sanc een liet,

dat leerde 1c,

ic hebber ëen verhólen lief,

die vrfde fcgt;

en die wil ic niet laten,

ja, laten;

ic hópe nóch een córt half nacht in mijns liefs arm te slapen. »

Die móeder van den bédde sprdnc,

wntstac haer licht;

si vant haer jóncste dóchter óp haer bédde nicht:

ocr page 177

— 433 —

« waer is si nii gheganghen,

ja, ganghen ?

nu is mijn jóncste dóchter wech, met èen so vremden manne. »

3. — « Hi en was mi also vrëmde niet,

hi hat mi lief;

iü voerde mi al óver die hei,

hi misdéde mi niet.

hi vóerde mi óver der heiden,

ja, heiden;

daer twee schoon liefkens samen gaen, hoe nóde ist dat si scheiden.

4. a Daer twee goe liefkens tsamen aen

den danse gaen,

hoe vriendelic dat si haer óochskens óp

malcanderen slaen.

ghelijc der mórghen sterren,

ja, sterren;

mijn hérteken is van suiker aert,

bruin óochskens sie ic ghéren.

5 « Mijn hérteken is veel wilder dan

een wilt conijn,

dat én mach m'emant temmen dan

die liefste mijn;

dat én mach m'emant témmen,

ja, témmen,

en waer die aider liefste mijn;

dat is so fraeien ghesélle, och waren alle duvels só,

en ic voer in der hélle. »

ocr page 178

— 434 —

TEKST.

Nieu : Amstelredams Lüd-boeck, 1591, b). 63 : « op de wijse : Alst begint. »; — F. A. Snellaebt, Oude en nieuwe Liedjes, 1864, Nr 62, bl. 67, gemoderniseerd. — Bij do laatste strophe moet er op het einde, in do muziek eene herhaling hebben plaats gehad.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 2 r. zonder elisie.

1 str., 3 r. tekst : heb.

1 str., 4 r. zonder elisie.

2 str., 1-2 r. Vgl. H. v. V. Hor. Belg. II, Nr 56, bl. 137, str. 14 en D' G. Kalpf, Hel Lied in de M. E., bl. 238.

3 str., 3 r. tekst ; mi over die hei/den.

3 Btr., 6 r. t. ; t' so hei/den.

4 str., 5 r. t. : ghelyckm die.

5 str., 7 r. t. : dan den aider lief sten, waarin de voorslag ontbreekt.

MELODIE.

Soul. Ps. 127 : « Na die wise van oen dansliedeken n; — Böhme, Altd. Lh., Nr 308, bl. 390; — Het Paradys der geest, en lurch. Lof-Sanghen door Theodotus (1° uitg. 1621) uitg. 1663, bl. 709. — Variante in J. Fruytiers, Ecclesiasticus, N1, 88, bl. 167 :

Ecclesiasticus.

-ö---—

/ l* —

~j--h—|—

_j---

^--

fj

t

j J J. J-

—e-£-

sl1—i----

---m-0--

—1------

r r i —1—---

é s z

^—j_

7^-iquot;

a

-1--1 ;--r

---1 cl' *-

-sl-

—1-----

amp;--

: q 'J ïc

Deze melodie wordt dikwijls als wijze in onze liederen aangegeven; onder anderen in Den nieuiven verbeterden Lnslhof, Arast., 1607, bl. 74. Het A'ieu : Amst. Lb. bevat nog vier andere liederen op dezelfde muziek, bl. 3, 22, 25 en 118. Wij laten hot tweede, het eigenaardigste van de vier, hier volgen :

ocr page 179

— 435 —

Ghy dochters fray comt maecht eon ray met lierten coen.

ghebruyct de may vroeeh ende spay,

want sy staet groen, met crüyden soet van roken, ontloken tot u verdoen;

dus wilt u spoen 't ontfaen den May voorsproken.

De Mey present,

t' sy u bekent,

staet schoon ontdaen. met bloemkens jent seer excellent is by belaen.

dus wilt u nu ten tijden verblijden,

comen ter baen den Mey t'onlaen,

met u lief aan u zijden.

Wilt u nu spoen in smeys saysoen,

met u lief jent;

en zijn int groen aVont en noen,

by hem present.

loont hem sijn liefde vierich, manierich;

blust zijn torment en groot ellenf,

als een lief goedertierich.

A1 met genuecht keert u tot vrueclit,

alsl die tijt jont,

en u verheucht,

in eer en deucht,

tot aller stont.

ocr page 180

— 436 —

met (rmer?) u lief wtve rcooron wilt liooren,

maeckt horn ghesont zijn hort gewont,

so wert hy nieus herbooren.

U lief bemint,

dit wel versint, van herten wel;

waer ghy hem vint blust zijn torment en groot ghequel.

wilt u zijnder ontfermen, erbarmen;

ontfangt hora snel met goet opstel in u sneo witter armen.

ocr page 181

— 437 —

LX VI I.

Dl, VKOU VAN HEMEL, ROEP IC AEN.

Ps. 129.

Hypophrygisch.

-J i

Örp-p^e

Squot;

3^EE2^EiEË

4—r |

Di, vrou van ho-mel, roep ic aon ia do - son

1__=:

}m

amp;-

mijn;je-ghen God ic

gro - ton no

de

^==535

iEErt

'rnm

_a_ -s»-

ii=ÏÉË=IÉ^

Ei==S==

=^=

liaen; sprooct, lt;lat ic

mi voi' - scluü - dl^t

[=4--=^=^—q=-

fTquot;-]

50

ocr page 182

— 436 —

met (naer?) u lief wtve rcooren wilt hooren,

maeckt hem ghesont zijn hort ge wont,

so wert hy nieus herbooren.

U lief bemint,

dit wel versint, van herten wel;

waer ghy hem vint blust zijn torment en groot ghequel.

wilt u zijnder ontfermen, erbarmen;

ontfangt hem snel met goet opstel in u snee witter armen.

ocr page 183

— 437 —

lxvii.

Dl, VROÜ VAN HEMEL, ROEP IC AEN. Ps. 129.

Eypophrygisch.

2£=t

wz=ëz

Di, vrou van he-mel, roep ic aen in de - son

3=3=?^= .....

t2zz

a »

3

3

/ Q i

|

/

4- 1 ' ! p»

f?

i r i ^

gro - ton no

do

mijn; jo-ghon God

®tE£=:

a

.o, jOiZ.

BEEEzEE^Eï

ér-:

zêÈEz

-a:

^2—

zaz -o-

e-

te

-f-i-----quot;—-

;2-°=r

m—y

3

mi ver - schul - dipt

haen. spreect, dat ic

—^—ii-z;:

-I-J-l-H-

-4

;a:

'if

j.

:aï

-©-•

1

5(5

ocr page 184

— 438 —

naor dijn, on - de van 11

si oon tlio

Ér^—1

SE^

kint, Ma - ri - a, u went sinen to

ren van

gbEiEg=^^!Cj-_0___—3

:r:=É2z®

=g-

^£2

-s»--lt;5gt;-

;q—q

:=L

lar^g—ö;

^tEE^Et

toevlucht neem ic tot

mi! minen troost en-do

3=i

(p

E9=d-:

ist

-----^1-----r-

Miü

.

ocr page 185

di, och helpt! ic vre-su, die doot is na bi.

_ -®- -g- C_ _;?

Di, vróu van hémel, róep ic aen in désen gróten nóde mijn;

jeghen Gód ic mi verschüldicht haen ; spreect, dat ic si een dienaer dijn,

ende van u kint,

Maria, wént sinen toren van mi!

minen tróóst ende tóevlucht néme ic tot di, och hélpt! ic vrése, die dóet is na bi.

Maria, mijn beschérmerin,

ghi móeder Góds ende jóncfrou saert, hoe dróevich ist mi in minen sin,

als ic ghedénke der üiterster vaert,

ende stérve van angst,

dat mi sedertlanc niet ghebueren en mócht te ghedénken miner armer siel;

mi hévet doch misléit mijn vrfe wil.

ocr page 186

— 440 —

3. Daer óm beschermt mi, reine maecht,

der sónden aflaet mi vei'wérft!

die wile dijn kuit u doch niets ontsaecht,

ende ic niet wéte wanneer ic sterf,

so draghe ic dóch der róuwen jóc ende vraghe ghenade,

rou, hóet, belofte ic óp mi lade;

helpt, dat mijn lijf miner sielo nieten schade!

TEKST.

Navolging van den Duitschon tokst to vinden liij Böiimis, A ltd. Lb., N1, 592, hl. 102. Dit lied, waar later verschillende strophon worden bijgevoegd, was reeds vóór de Hervorming zeer verspreid en werd door haar aangenomen quot; christlich verandert und corrigirt, n in de eerste plaats door Hans Sachs, bij wien de aanvang luidt : « Christum von himol rüf ic an. ,gt; —Luther schijnt op dit lied to zinspelen in zijne Tischreden, wannéér hij zegt: « Die liebe Mutter Gottes Maria, hat viel schöneren Gesang und mehr geliaht denn ihr Kind Jesus, n Zie H. v. F., Qeschichte der deulschen Kirdmlicdes, Nr G8, bl. 1(57. — Zie verder Uhland, Volkslteder, N1' 317; - Böhme, t. a. p.; — BXumkkk, Das lath, dcntsche Ktrchenlied, II, Nr Cl, bl. 126.

AANTEEKENINGEN.

Het cerate vors van den Nederl. tekst is ons als wijsaanduiding door do Sout. bewaard.

MELODIE.

Sout. Ps. 12!).— Zelfde melodie bi j Böhme en Baumkeb, t. a. |). — Deze schrijvers vermelden eono viersteinmige bewerking uit do XV0 eeuw. oone andere uit de XVIC.

ocr page 187

441

Lxviir.

WIE WILT ER HOREN EEN NIEU LIET ?

Ps. 132.

■ 1) i

i

ül, getransp.

Wio wilt or ho-ren oen nieu lieclt? hoort toe, ic salt u iüippliiiÉiiiÉÉiÜ iiigpügppHSEeig

-IZ]-^--1—H—-|S—^

rrÉxnÉ___;Ji__ii=r3

„_________, r2t^_

z2-tzzrr±=^?—tz: E2:b=Cz:

sin - ghon, van d'ou-don man die Al - va liiet, (tio

i

m

jj sa |

fTf W

nlü

If 1'

din-ghen. :=l-

•—'±

•• y

Al - va hiet,'tsijn nl soo vrem-do

pipp

Ui

rlt;-^-

zfe—

f--Ér

ÈpfgEE^

-L----^-

■L

i

ocr page 188

— 442 —

1. Wie wilt er hóoren een nieu h'edt? hoort tóe, ick sal 'tu singhen,

van d' ouden man die Alva luet,

die Alva hiet,

't .sijii al soo vrémde dinghen.

2. Hy is ghecómen in ons landt, als gouverneur ghecómen;

al sijne rancken sijn becant,

ja sijn becant,

het sijn al blauwe bloemen.

3. Gheen privilégie, cléyn of gróót, wilt hy den stéden laten;

hy bréngt de vróomsten tót de dóód,

ja tót de dóód,

versmadend raedt en staten.

1. Papen, papisten, alleghaer,

hadden naer hém verlanghen ; nu dancken sijt den papenvaer,

den papenvaer,

dat hy is wéch gheganghen.

5. Hy 's mét processie fnghehaelt, men ginc met hém slampampen, hy laet sijn schulden ónbetaeld,

ja ónbetaeld,

by nacht soo gaet hy schampen.

6. Dien ouden man was al te béus, men wóu voor hém niet nijghen! noch liever riep men Vive le Géus!

Vive le Géus!

hy kón geen tienden crijghen.

ocr page 189

— 443 —

7. Hy sóu wel maken éenen sóen,

maer óns gaot daeraf walghen;

wy mérckten wél aent vals pardoen,

aent vals pardoen,

sijn raderen en galghen.

8. Sijn cónterfeytsel van inetael dat mach hy n li wel breken;

de hérten ontliepen hem al te mael,

ja al te mael,

al dóór de géusen préken.

9. Den prins oprécht, dat édel blóedt,

had hy wel willen verraden ;

maer Gód quam dóór den prins seer góed,

den prins seer góed,

den Spangiaert séer beladen.

TEKST.

witxems, Oude VI. Lied., Nr SO, bl. 80, ondor den titel : quot; A /ra's Vertrek, A.quot; 1513. — Bij gebrek ann den tekst van liet orijjinoolo lied, peven wij hot bovenstaande stuk zooals het bij Willems voorkomt. Deze zegt in oene nota : « Los blad onder do Analecta van Van Winohe (ter Koninklyke Bibliotheek to Brussel), uit welko ik do brieven van 1580-1584 heb medegedeeld i» mijno Mengelingen, bl. 87. Eenigzins anders in hot (Uuie-Lielboeck. » — Dit los blad is tor Brussolsche Bibl. onbekend.

MELODIE.

Sout. Ps. 132, « na con dansliedoken : « Ie quam aldaor, ic weet wol waor, || met heimolic goschatlo. n — Dr Loman, die mede tekst en melodie uitgaf in zijne Twaalf Geuzeliedjes, Amst.-Utrecht 1872, (do tekst, die merkelijk van Wim.kms' tekst verschilt en ook oorspronkelijker schijnt, naar Een nieu Geuzen Lieden-Boecxken, 1588; insgelijks te vindon bij Van Vlotkn, Nederl. Geschiedzangen, II, 93, en bij Van Lummel, Nieuw Geuzen X4., bl. 181), stelt vast dat in hot Geuzen-U., do wijs heet:

ocr page 190

_ 444 —

quot; Don oudon man bij do vyore sat, » en vorondorstolt, dat Willems do wijs van Ps. 132, aangeduid vond in do door hem aangegeven bron. — Do melodie voor hot lied : « Den ouden man bij do vyoro sat, n hebben wij even min als I)1' Lüman, ergens aangetrolfen. — Zie over de notatio van dit lied, bl. 47 hierb. — Böhme, -1 ltd. Lb. Nr8 309quot; on 309', bl. 391, nam do melodie op onder do oude danswijzen, én volgens do lozing der Sout. én volgens do notatie bij Willems.

ocr page 191

— 445 —

LXIX.

HET QUAM EEN RÜITERKEN ÜIT BOSSCHAIEN.

Ps. 134.

Vt modern.

• -lt;r

Het quam een rui - ter-ken uit Bos - schai-en

:2——-

=!=

2—

(tó2

-_—

-E3--:

--_---

2----

9

-g- -®- quot; -J- -J- • »-

jrhis - ter a-vont in den wijn: « ou,secht,ou, en

F=S=1^

ifÉÉS

=g=E^irÉ23^;

jJiazj-ï

t2:

2;

I

-fi?- -ö-

Bi

2=

2E3

2==z^

ö—m—»

^-^rdzurir-

sal men hier niet nai-en? ic heb - be ghe-

rj L ri

r x

:g

^|=s^=h°:

:ar_«: itmt:

61

ocr page 192

— 444 —

quot; non oudon man bij do vyoro sat, » en vorondorstolt, dat Willems do wijs van Ps. 132, nangeduid vond in de door hem aanpo^even l)ron. — Do melodie voor hot lied : « Don oudon man bij do vyoro sat, n hebben wij even min als Dr Lüman, ergens aangetrolfon. — 7Ao over de notatio van dit lied, bl. 47 hiorb. — Böhme, Altd. lb. Nquot; ;ï09o en 309', bl. 391, nam do melodie op onder do oude danswijzen, én volgons do lozing der Sout. én volgens de notatio bij Willems.

ocr page 193

— 445 —

LXIX.

HET QUAM EEN RÜITERKEN ÜIT BOSSCHAIEN. Ps. 134.

Vt modem.

schai-en

$=.

—j—i-

Het quam een rui - ter-ken uit Bos

i

I

|=r-

pS

ESr 2=

=—E2= ——Fa-

U -m- — -1|: -e-

ghis - tev a-vont in den wijn ;

—:g—J- * 4-

quot; ou^ocht^u, en


3=3=03^=,

; ^

-0- (9-

I

'g;

rizztrtr

TT

3=^

sal men hier niet nai-en? ic heb - be ghe-

—p-

•. n_..:

:c5ia^pz

: ^F—F-

fs

2^=5'-:

ST

ocr page 194

— 446 —

n J___3____________3____3__

p—--.E_d

schuert mijnhom - de - kijn. noch hebbe ic e-nen gul-den

-H—q_ -ö-

quot;S- -g- -«I-

-J3-

-£

•s- v-

—- I 1 i i

2--h—(

rg^::a:

^ « b-t nol T /% n wi^kici lr/-\v* npr*/\w vi /-»Vi * t VI

fijn, dien sal io u, meis-ken, gaer - no ghe-ven,

(i=

Fquot; i0quot;

p_ __—

: ■—P o •

n

- 1^— —|---

2h*d--1---

hrezrb

E=ESEE^^E

—i--y--P—

- -*—d—d—--•

f-g- » '

=]—=1-

wil - di ta-vont mijn boelschap sijn ; s(

3EE== t2---

- r

i i i =*===1=*=J=FE=Ï= :2rD—=

-a:

F-r

ocr page 195

447 —

#21 P

1. Het qüam een rüiterken uit Bosschaien ghister avont i'n den wijn :

« ou, secht, ou, en salmen hier niet naien? ic hébbe geschüert mijn hémdekijn.

noch hébbe ic énen gulden fijn,

dien sal ic u, méisken, gaerne ghéven,

wild! tavont mijn boelschap sijn ;

so sal ic mét u vrólic sijn.

2. « Téghen den wint come ic gheséilt,

als éen die schéeps hem niet en verstaet; ghi en hebt gheen sinnekens aen mi gheléit, mi dunct ghi hébt mijns liever verlaet. na dat nü aldus met mi gaet,

so wil ic maken een góet verdrach : een ander te kiesen is minen raet,

adieu, die ic te minnen plach.

quot;Öquot;

ocr page 196

~ 448 —

3. c Schütterkens die den bóghe hantieren, cópen twee pésen tot haren bóghe;

breken si deen, na tspëels manieren,

si stéllen een ander ten sélven tóghe. desghelijcs -wil ic te dóene póghen,

want vróuwen smnekens sijn als stóf;

ghelijc den wint quaemdi mi aenghevlóghen. hier méde, schoon lief, neme ic oorlof.

i. « Och lieve gheséllen, ic móet u claghen, ghi móet mi ghéven góeden raet;

ic bén ghecómen in Vénus plaghen,

ic en weet wat mi te dóene staet.

mijn hópe, mijn tróóst, mijn tóeverlaet heeft mi beghéven ende séer onwaert;

dies is mijn hérteken so séer beswaert; mer tsóp en is der kólen niet waert.

5. « Hi stélt sijn hérteken in swaerder sórghen, die sijn sinnekens aen vróukens lécht;

want hi hanghet altijt sónder wórghen,

als éen die strijt ende niet en vécht.

wient ic claghe, ic hébbe onrécht;

so gaet si altijt haren pat,

si en hééft gheen sinnekens aen mi ghehécht, al blive ic in drücke, wat acht si dat. »

6. Die dit liedeken éérst heeft ghesónghen, dat wiis een rüiterken van ghélde bloot; en hadden ghedaen quade niders tónghen, hi laghe sijn liefken in haren schóót.

ocr page 197

- 449 —

daer hi toe dróech sijn liefde groot,

die en mach hem ghebiieren tot gheender tijt. hi had hem ghehólpen uit sijnder nóót,

mer quade niders tónghen gheeft hi die wijt

TEKST.

Anttv. Lb., N' 66, bl. 91), quot; Van dun miter uit Bosschayen. n

AANTEEKENINGEN.

1 str., 1 r. Over het woord Bosschnyen, zie L)r ü. Kalff, Het Lied in de 319.

2 str., 8 r. tekst ; dien.

5 str., 4 r., bijgev., zie str. 2, 2.

5 str., 6 r. t. : altijt so gaet si.

MELODIE.

Soul. I's. 134. De strophen in de berijming van dien Ps. tollen maar zeven regels, derhalve waren wij verplicht de laatste maten der melodie te herhalen. — quot; Het quam een ruterken wt bosscayen, n aangeh. als wijs in Een devoot ende prof. Boecxken, Antw. 1539, Nquot; 116, 117 (Uitg. D. F. Scheurlekk, bl. 144, 145), met achtregelige strophen. — De aanvang der mei. geeft nagenoeg hot begin der hymne Yexilla Regis weer.

ocr page 198

— 450 —

LXX.

DIE WACHTER DIE BLIES AEN DEN DACH.

Ps. 136.

2z

gt;2:

--q_

;§ * • ? - • ■ • ^

i

Jquot; •

wach-ter die blies

aen den

gt; gt;

/-_Q--

.O... ---

lt;^91-P—

---H-M---

9 0 ---

L é * ' é-

L^i-------1----

:Sr

daoh op ho-gher tin-nen daer

_l--lt;3--

M2:

=1=

•—P

ii;

:2=?Ezt

hi lach, dner blies hi aen des da-ghes

ilgïÜlg:

.2^.--s,--d

=P=

'ë-

isa~

ocr page 199

Ü:—a-——^'^»=rÉrijr=:—3

schijn; waer

lia - ve-kens bi

mal-cin-cler

Ü

:d—qr=i^=a—7

a4==

:r

-q^qsi=^=i r*i

-p---quot;—.ö-i I

I-—- I J


iül

\^2z

3

f¥ J 1 J—r

BadÈEfES

^__/TS_

-—F^-p—■—

____^ _l_____j

sijn, so scheiden si saen : voor tgroe-ne wout den

^-2=2

2--=^rrq:

.3= =^=^^=13 -ö'

J

1=1

2S-

2--:

•z=É=i=g=f=J=E2zB=

2-

■jj— breect aen.

dach

E|=H

Sq1 ;2i

~i—r~T-

-0-5.—a—sr

-.ar ■amp;-

I

fe:

1

--—---—

ocr page 200

— 452 —

Die wachter die blies aen den ddch op hógher tinnen daer hi lach,

daer blies hi aen des daghes schijn ;

waer Ifevekens bi malcander sijn,

so scheiden si saen :

voor tgróene wout den dach breect aen.

« Hoort aen, o jónghelinc, mijn beclach, ten is noch ghénen lichten dach,

die mane schijnt door die wolken claer, die wachter baert ons angsten swaer,

dat claghe ic di,

die middernacht en is nóch niet voorbi. »

Hi hélst sijn liefste, si hélst hem weer, hi cdstse na sijns hérten beghéer. si móesten schéiden nu ter tijt.

hi tróc al óver die héide verblijt,

al dóór den dóu :

« nu séghen u Gód, mijn schóne vróu. »

« Adieu, schoon lief, » sei tméisken fijn, « beware u Gód voor drüc ende pijn, die minen hérte tróoste boot.

ghedénc, schoon lief, der smérten groot

die ic nu lijt!

mijn hérte blijft u emmer ghewijt. »

Wat tróc hi van den vingher sijn? van róden góude een vingherlijn :

« hout daer, mijn liefste, désen pant, ghedéncke mijns int vérre lant;

nu énde altijt ghi mi die aider liefste sijt. »

ocr page 201

— 453 —

6. Die óns dit h'edeken heeft ghemaect,

die nacht al dóre hi heeft ghewaect; die jónghelinc hadde vrou Vénus in ére,

voor schóne vróukens hi bérnde sére

te aller stónt :

mi hóghet, h'ef, dijn róde mónt.

TEKST.

Navolging van liot Duivscli liod, voorkomondo bij Bühme. N'r 102,

bi m.

MELODIE.

Sout. Ps. 130. .De aanliefspejlt;el alleen is ons door de Sout. bewaard.

58

ocr page 202

— 454

LXXI.

DIE MI TE DRINKEN GAVE.

Ps. 137.

Ëi=ï

:=!-

Die mi te drin - ken ga

ve, ie

-

C—Q=

mm

-I—

il;i™EÊEÈ

Bonghe hem een niou-we

liet

al

—I—J—4

--1-

amp;

*=er=i=EE3r3

—tz2=

:tEE_=PBr^

ill

—±

van mijn vrou-we van

Lut

sen - borcli,

ocr page 203

455 —

hoe si lia-ron lants-ho - re ver - riet.

3 | 3

----JJ--------a----u

ESEÉe^b^EEa

L--

1. Die mi te drinken gave,

ic sónghe hem een nieuwe liet al van mijn vróuwe van Lütsenborch, hoe si haren lantshere verriet.

2. Si déde een briefken schriven

so vérre in Gulker lant tot Frederic haren bóele, dat hi sonde cómen int lant.

3. Hi sprac tot sinen cnape :

« nu sadelt mi mijn paert! tot Lütsenborch wil ic riden, het is mi wel ridens waert. »

4. Als hi te Lütsenborch qüame

al vóór dat hóghe hüis,

daer lach de valsche vróuwe tot haerder tinnen üit.

ocr page 204

— 456 —

Hi sprac : « God gróet u, vróuwe, God gheve it góeden daeh !

waer is mijn here van Lutsenborch, dien ic te dienen plachï »

— « Ic en derfs n niet wel ségghen,

ic en wil u niet verraen,

hi isser héden mórghen

met sinen hónden uit jaghen ghegaen.

« Hi réter héden mórghen al in dat sóete dal,

ende daer suldi hem vinden met sinen hóndekens al. »

Hl sprac tot sinen cnape :

« nu sadelt mi mijn paert!

ten dale waerts wil ic riden,

het is mi wel ridens waert! »

Als hi bi der jachten qüame al in dat sóete dal,

daer lach die édel hére met sinen hóndekens al.

Hi sprac : « God groet u hére. God ghéve u góeden dacli,

ghi en sillt niet langher léven dan dé.sen halven dach. »

ocr page 205

— 457 —

— « Sal ic niet langher léven dan désen halven dach,

so mach iet wél beclaghen,

dat ic óóit mijn vróu aensach. »

Hi sprac tot sinen cnape :

« spant uwen bóghe góet,

ende schiet mijn hére van Lütsenborch in sijns hérten blóet. »

— « Waeróm soude ic hem schieten? waeróm sou de ic hem slaen?

ic hébbe wel séven jaren tot sijnder tafelen ghegaen. »

— - « Hebdi wei séven jaren tot sijnder tafelen ghegaen,

so en dórfdi hém niet schieten noch niet ter dóot hem slaen. »

Hi tóoch uit sijnder scheiden een més van stale góet,

hi stac mijn hére van Lütsenborch in sijns hérten blóet.

Hi sprac tot sinen cnape :

« nu sadelt mi mijn paert! tot Lütsenborch wil ic riden,

liet is mi wel ridens waert. »

ocr page 206

— 456 —

Hi sprac : « God gróet u, vróuwe, God ghéve u góeden dilch!

waer is mijn here van Liitsenborch, dien ic te dienen plach? »

— « Ic en dérf's u niet wel ségghen,

ic en wil u niet verraen,

hi isser héden mórghen

met sinen hónden uit jaghen ghegaen.

« Hi réter héden mórghen al in dat sóete dal,

ende daer suldi hem vinden met sinen hóndekens al. »

Hi sprac tot sinen cnape :

« nu sadelt mi mijn paert!

ten dale waerts wil ic riden,

het is mi wel ridens waert! »

Als hi bi der jachten qüame al in dat sóete dal,

daer lach die édel hére met sinen hóndekens al.

Hi sprac : « God gróet u hére, God ghéve u góeden dach,

glii en sült niet langher léven dan désen hal ven dach. »

ocr page 207

— 457 —

11. — «Sal ic niet langher léven

dan desen hal ven dach,

so mach iet wél beclaghen, dat ic óóit mijn vróu aensach. »

12. Hi sprac tot smen cnape :

« spant uwen bóghe góet,

ende schiet mijn hére van Liitsenborch in sijns hérten blóet. »

13. —- « Waeróm soude ic hem schieten?

waeróm soude ic hem slaen?

ic hébbe wel séven jaren tot sijnder tafelen ghegaen. »

14. — « Hebdi wel séven jaren

tot sijnder tafelen ghegaen, so en dórfdi hém niet schieten noch niet ter dóot hem slaen. »

15. Hi tóoch uit sijnder schéiden een més van stale góet,

hi stac mijn hére van Lütsenborch in sijns hérten blóet.

16. Hi sprac tot sinen cnape : « nu sadelt mi mijn paert! tot Lütsenborch wil ic riden,

het is mi wel ridens waert. »

ocr page 208

— 458 —

17. Als hi te Liitsenborch qüame

al vóór dat hóghe hiiis,

daer qüam de valsche vróuwe van haerder tinnen uit.

18. Hl sprac ; « God sëghen u, vróuwe,

God ghéve u góeden dach ;

uwen wille is bedreven, ii verraderie is volbracht. »

lö. — « Is mi'nen wille bedreven,

hebdi minen sin volbracht, so dóet mi sülken téken,

dat ic daeraen ghelóven mach! »

20. Hi tróc uit sijnder scheiden

een swaert van bloede róot . « siet daer, ghi valsche vróuwe, uws édel lantsheren dóot. »

21. Si tróc van haren halse

van péerlen een cranselijn : « hout daer mijn liefste bóele, daer is die tróuwe van mijn. »

22. — « Uwe tróuwe en wil ic niet hébben,

ic en wilse niet ontfaen,

ghi mócht mi óoc verraden,

ghelijc ghi uwen lantshere hebt ghedaen.

ocr page 209

— 459 —

23. Hi tróc uit sijnder mouwen een siden snóerken fijn :

« hout daer, glii valsche vróuwe! ghi suiter bi bedróghen sijn. »

24. Te Lütseuborcli óp de muren daer lóópt ee u water claer,

daer sittet vróu van Liitsenborch int héimelic ende int ópenbaer.

TEKST.

Antrv. tb., Nr 23, bl. 32, quot; Van Vpon vaa Lutsenborch «; — Wili.ems, Oude VI. Lied., Nr 22, bl. 48; — Uhla.nd, Volksl., 123 c., bl. 289; — H. v. F., Hor. Belg., II, Nr 8, bl. 36; — Böhme, Altd. Lb., n1, 34, bl. 107. — Besproken bij Dr G. li al ff, Het lied in de M. E., bl. 210; behoort volgens den schrijver tot de 15' eeuw.

AANTEEKEWINGEN.

4 str., 1 r. tekst : quam.

6 str., 3 r. t. : is.

I str., 1 r. t. : reedt.

9 str., 1 r. t. : quam.

II str., 2 r. t. ; dan h'den dfstndach. Zie str. 10, 4.

14 str., 4 r. : hem bijgev. dooi H. v. F.

18 str., 1 r. t. : vrou, Gnd seghen tl, vroiove. zie str. 5.

18 str., 2 r. t. : miile in, zomler elisie.

22 str., 1 r. : hebben bijgev.

22 str., 2 r. t. : wille met : ^V. ca H. v. F. tviUe.

24 str., 3 r. t. : sit.

MELODIE.

Hout. Ps. 137

ocr page 210

- 460 —

LXXII.

MET LUSTEN WILLEN WI SINGHEN.

Ps. 141.

JJt moilern.

e!2=t

Met lus-ten wil-len wi sin-ghen en-de lo-ven dat

Ê3=—=^=3-

ES^=i

-J-

I

Ife--- ---------2:®

1~=*-=*=Ê:

van Co-ninc Maxi - mi -

scho rijc,

W r P

L____-

lffP-2—lt;s---

^2~c

r-

-----^ . t-—

ip—F *—P—F'——£_[—2:

I

f9i---1--1----:-2:

ren uit Oos-ten

li - aen, ff lie Ijo

ocr page 211

461

aü

i

rijc; den e-de-len co-nincjden e - dt'- len

=SF=f=£

w

m

.j_n

3=* zz=:p^=j—=r:q=H--,--q

pFËP1^-^3

«=(t

:=F

i p r

ig^=^

staet, hoe dat hi sijn - der vrou-wen uit Bri - ta -

-ö- ^

p===E3^—

—E=t^—■-=pr~E2^r-—t~P—

=i;

^^E^=jEEi=P

Q-

nien be - schre - ven haet.

rei -ggt;-

teii^=E=^

59

ocr page 212

— 462 —

Met lusten willen wi singhen ende loven dat róomsche rijc,

van cóninc Maximiliaen,

ghebóren uit Óostenrijc;

den édelen cóninc, den édelen staet, hoe dat hi sijnder vróuwen uit Britanien beschréven haet.

Die brieven heeft si vernómen,

die édel jóncfrou saert :

« die met mi wil riden,

die maket hem óp die vdert;

ic moet riden na dat düitsche lant

tot nunen édelen hére,

ti is mi ónbecant. »

Die brüit sat óp met éren,

si réet na dat düitsche lant met süchten énde met béven,

groot jammer qüarn daer vau;

dat déde die cóninc van Vrankerijk; door sijn lant so móeste si riden, die jóncfrou was duechdelijc.

Doen réet si een wéinich vóórt;

die cóninc quam haer téghen ghegaen.

van tranen werden hare óghen nat,

si wért seer ónghedaen.

hi séide : « God gróete u, jóncfrou téer,

u ére wil ic behóuden,

den róomschen cóninc te lée. »

ocr page 213

- 463 —

Si sprac : « dat ea wil Gód nemmerméer,

ghi hebt een ander wijf,

ic héb enen cóninc tot een here,

ghebóren uit Oostennjc;

hi is édel énde daartoe fijn,

ter éren van hém willic draghen

van góude een cranselijn. »

— « Mijn wijf en was niet óut ghenóech,

si en heeft maer néghen jaer,

si was mi teghen wil gheghéven,

dat ségghe ic ü voorwaer;

het was een jóncfrou op désen dach,

si wért mi tóegheschréven,

doen si in der wieghen lach.

« Die paus nam dat ghélt van mi',

hi schéide mi van minen wive;

hi schéide ons béide te samen,

twee sielen ende énen live.

mer dat sal cósten so ménighen man

die daerom sullen stérven;

luttel schulden hébben si daervan. »

Si schréide nacht ende dach;

si schréide al óm haer éer;

van tranen werden hare óghen nat,

si versüclite so lanes so méér.

si sprac : « dat en wil God nemmerméer,

ic sal mijn ére behouden

den róomschen cóninc ter éer. »

ocr page 214

— 464 —

9. Die dit liedeken eerstwerf sónghen,

dat waren drie ruiters fijn; si hebbent so lichte ghesónghen, te Cüelen óp den rijn;

si trócken al dóór des cónincs lant, om buit so sóuden si ganghen,

si en hadden ghélt noch pant.

TEKST,

Ant., Lb., Nr 115, bl. 114, quot; Vnn Keyser Maximiliaen. » — Karei VIII, vorlool'd met de dochter van Maximiliaen, Margaretha van Oostenrijk, zond deze tot haar vader terus, en trouwde mot Anna van Bretagne (1491). — Duitscho 15e eeuwsche tekst bij Böhme, Nr SIS, bl. 465,

AANTEEKENINGEN.

1 str., 5 r. L., die edel coninc.

1 str., 1 r. A. L., hae.

3 str., 5 r. tekst : Vrancrijc.

6 str., 3 r. t. : teghen minen ml.

9 str., 1 r, t. : sanc.

MELODIE.

Sout. Ps. 141. — In de JVied. Gerst. Lied. des XV Jahrh., Hor. Belg., X, vindt men twee lezingen met achtregelige strophe, van het lied van Joannes Brugman (Zie over dit laatste : W. Moll, Joannes Brugman, II, 207; D1' Acquoy, Middeleeimsche geestelijke liederen en leisen, hl. 10 en 52; 1). F. Scheurleer, Fen dev. en de prof. hoecxken, aant. bl. 336), N' 107, bl. 211, op do wijs : quot; Het toghen uut drie lantsheren, al.... » dat aanvangt: « Mit vroochden laet ons singhen, » en Nr 108, bl. 244, variante van Nr 107, dat met dezelfde woorden begint en gezongen werd op do wijs : « Mit vrouden willen wi singhen || schoon boelken bi der hant || van drien..., »

De aanvangsregel der Sout. : quot; Met lusten willen wi singhen || ende loven dat Roomsche rijc, » bewijst dat het bovenstaande zevenregelig lied op de melodie van Ps. 141 gezongen werd. Zooals Böhme het doet opmerken, had W. geen recht om het lied, quot; Die drie Lantsheren, » Nr 109, bl. 165, A. L., dat aanvangt : « Met luste willen wi singhen, |{ schoon lief, al bider hant || van drie lanlsheren dinghen, » en waarvan de strophe achtregelig is, door veranderingen aan do melodie op da muziek van gezegden Ps. te brengen. De strophe en de berijming der

ocr page 215

— 465 —

der Sout. is insgelijks zevenregeliff. « De drie Lantsheren » zooals het daarop gebouwde hierboven gemelde geestelijk lied, werden stellig op eene andere melodie gezongen. — Als wijze aangehaald ; « Met vreuehden willen wij singlien n in de Geuzenliederen, uitg. H. J. van Lummel, bl. 1'77, voor het lied met zevenregelige strophe ; quot; Duckdalve ben ick gheheeten. n — Do melodie bij Böhmh, ofschoon tot het dorisch toongeslacht beboerende, staat in verband met de melodie van Ps. 141. Wij laten die, naar de lezing van Böiime, hier in moderne notatie volgen :

±

$

iet

gen und

Nun wölln wir a - ber

±r=t=E==t=

-H

-3=

wol-lens he - ben an Von Kei-ser Ma - xi-, '^3 ^ ^ s ^

I $

H-

:t-d

kron, Und sei - ner Kei-ser-lichn ma - je-stat;dasz -A-gt;- ^

ztzzg:

zh:

mi - li - an und

/T\

3quot;=£

IÖI

—H

ner Kei - ser - li - chen ^ 3 ^

SÉ

er dem frewlein aus Bri - ta - nia heim-Iich verschriben hat.

ocr page 216

— 466 —

LXXIII.

HET VOER EEN MAECHDELIJN OVER EIJN.

Ps. 146.

Re metaboliek.

m

zMzr~Mz

■?=WZ

ig-P—^

m—m~

Het voer een maech-de-lijn o - ver rijn

—~r

:a=!=f=t

m

t

tsa-vonts al in der ma - ne - schijn

met

—1—i-

;e

gt;2~ai

^=-*-

■g--

fefeEp|;g^EEE=^E!E|i^E^

f-s , . . . , 'S'-

haer sneewit-te han - den, die win-ter tot haer-der

iii

e:

:2iö:

:2;

ttf ^

cy

ÜÉ

ocr page 217

- 467 —

schanden, dia

tri

win-ter tot liaer-der

schan - den, ja,

f-lfl—J- J J [2-J---J--,--

—r--^--1—i—-J--

fe—1quot;——F2;p:--d—^

PF1-:---

^ i:J

^ 3=^-4

1. Het voer een maechdelijn óver rijn tsavonts al inder manen schijn met haer snee -witte handen,

die winter tot haerder schanden, ja, schanden.

1

Met dien quana daer een ridder gherëden, hi gróete die maghet tót dier stéde,

hi séide : « God gróet u reine,

waer óm staet ghi hier alléine? ja, alléine? »

ocr page 218

— 468 -

3. — «En dat ic hfer alleine std,

dat dóet dat ic ghenen bóel en ha,

die ic met hérten meine,

daer óm sta ic hier alléine, ja alleine. »

4. — « Och maechdelijn, wóude mét mi gaen,

ic sóude u léien daer róoskens staen,

so vérre aen gheender gróender heiden,

daer schapen ende lammeren wéiden, ja, weiden. »

5. — « Crfjchsman ghi sijt te hóoch ghebóren,

ic ontsie so sére mijns vaders tóren,

ic wilt mijnder móeder vraghen,

of ic metten lantscnecht mach waghen, ja wdghen. »

6. « Och móeder, » séit si, « móeder mijn,

nu wécket mi inder mane schijn,

laet mi die lammeren wéiden,

so vérre aen gheender gróender heiden, ja héiden. »

7. — « Och dóchter, ghi sijt noch véél te cléin, ghi slapet noch wél een jaer alléin,

tso héime so suit ghi bliven,

ende spinnen die gróene side, ja, side. »

8. — « Dat ic tso héime bliven móet,

dat dóet mijnder hérten grote wéder spóet,

die lantscnecht mach wi wérden,

desghelijcs en was nóit opter derden, ja, derden. »

9. Die móeder slóot haer dóre tóe,

dat maechdelijn spranc ter venster üit,

si wilde den Idntsnecht hdven,

haer léven wóude si wdghen, ja, wdghen.

ocr page 219

— 469 -

10. Die dit h'edeken eerstwerf sane,

een vroom lantscnécht is hi' ghenaemt,

hi hé vet wél ghesónghen,

van die alder liefste is hi ghedrónghen, ja, ghedrónghen.

TEKST.

Autre. XJ., Nr 61, bl. 91. — Van Duitsche aflcomst, zie Dr Kalff, Bet Lied in de M. E., bl. 390. — Duitsche tekst, doch anders bewerkt, bij Uhland, Nr 109, bl 251, en Böhmb, Nr 56, bl. 140. — Aangehaald als « wijs n Een dev. ende prof. Boecxken, Antw. 1539, Nr 34 (Uitj?. D. F. Scheurleer, bl. 54) voor het lied ; « als Jesus sal rechtvoerdica sijn n en Nieu Amst. £i.,1591, bl. 93, voor het lied : « Met liefd' ghequelt soeck ick u raet. n

AANTEEKENINGEN.

3 str., 1 r. tekst : om dal.

7 str., 1 r. t. ; nel le cleyne.

MELODIE.

Soul. Ps. 146, na de wise : quot; Het voer een maochdelijn over rijn, || si hoede haers vaders lammerlijn. n Scheurleer, t. a. p. bl. 327, doet terecht opmerken, dat het niet gewaagd is te veronderstellen, met hot oog op de 6® strophe, dat de mei. van Ps. 146 tot Nr 61, A. L., behoort. Volgens de Soul. wordt het derde vers telkens herhaald on sluit ieder strophe mot een referein; alleen de 3 str., A. L. heeft het refrein bewaard ; wij hebben het in bovenstaanden tekst bij elke stropho lior-steld. — Böhmk, t. a. p.

60

ocr page 220

— 470 —

LXXIV.

WEL OP, MIJN CNAEPJES ÖOET.

Ps. 147.

Rc metabolieX.

quot;Wel op,n)ijn cnnepjos goet, en sa-delt mi mijn

j J jT1

f-iï-t---

rprj-T-i^

-t—

—J^-i^---—

?5-

• i

naer Cro-nenburch wil-ion wi

paert!

5—i

i

-3—quot;^

r

^=r=q=:F:

=rarr==—é—n

den, on do wech is wel ri - dens

1 : ^

^.=3=

z—P-

p-2

*• amp; '

ocr page 221

471 —

112:

K—T

«lens waert.

waert, wel ri

--1-1-1---

:|F=?=ifr

/i®

ai-

fciEgH

1. « Wel op, wel op, mijn cnaepjes goet, en sadelt mij mijn paert!

naer Cronenburch willen wi riden, en de wech is wel ridens waert. »

2. Als si wel over der heide quamen beneven het groene velt,

daer quam hem ontmoeten een ridder, het was een jonghen helt.

3. « Och ridder, och ridder, hoe vaerjo toch, was isser de vaert van jou?

en gaetje misschien opt jaghen en latet alleen u schoon vrou? »

4. — « Willecom, willecom, mijn vreemdelinc,

mijn vrou die isser so trou.

daer staet er mijn slot, daer woont er mijn vrou, gaet, haelt er den lone van jou! »

;ï=5;

ocr page 222

— 472 —

5. Jonc Gherrit die ghingher uit jaghen, uit jaghen den helen dach;

hi keerder hem wel weder omme, den vreemdelinc wast dat hi sach.

6. « En kenje ooc wel den gouden rinc en den rinc van roden gou?

jonc Gherrit, kenje den gouden rinc en daer op dat bloempje so hlau? »

7. — « Mijn ridder, bilo! dat en is niet waer, dat en isser gheen rinc van mijn vrou,

en ic sweer het al op mijn ridderwoort, 'r toe isser mijn wijfje te trou! »

8. — « Jonc Gherrit, kenje den gouden rinc en daer op dat bloempje so hlau ?

en daer op met rode ghescreven de name al van u schoon vrou? »

9. Jonc Gherrit wierp hem den hantschoen voor, jonc Gherrit street er te paert;

hij sloech wel den vreemden riddersman, so dat hi nederseech ter aert.

10. Jonc Gherrit reet opt hoghe slot, wel vliegende op het slot;

hi en clopte niet lanc met den poorten rinc, hi ranner de poorte op.

ocr page 223

— 473 —

11. a Och moeder, » seidese, « moeder, jone Gherrit comt er so fel;

hoe brenghen wi hem wel te vrede? och moeder, wat raet je mi wel? »

12. Haer moeder nam uiter wieghen, dat kintje so cleine si nam,

si droech het so bli op haer armen, den vader onteghen si quam.

13. « Mevrou, wat salder het kindekijn? ten isser bi god niet mijn!

mevrou, het en is niet mijn soontje, het moet er een bastaert sijn. »

14. Hi liep er van trappe tot trappe en hi deder wel menighen ganc, tot hi er op hogher tinnen

moi Ale sijn huisvrou vant.

15. Moi Ale quam hem te groeten,

gheen woordeken hi haer boot! hi nam het swaert uiter scheiden, moi Aeltje sal sterven den doot.

16. Wat sach hi aen haar handen? den vingherlinc root van gou.

bilo! dat wasser den selven rinc,

dien hi wilen ontvinc ter trou.

ocr page 224

_ 474 —

17. Hi nam se wel in sijn armen,

hi custe haer roder mont;

si seghenden God van hemel,

si dankten hem duisent stont.

TEKST.

Dit lied verscheen voor het eerst bij H. v. F., Hor. Belg., II, bl. 156, Iquot;8 «itgave (1833) met de melding : dies und das folgende lied sind in Holland entstanden. Naheres darüber behalte ich mich vor gelegentlich nachzuholen. — Ondertiisschen werd het lied, als een echt oud lied, uitgegeven door Kretschmbr, Deutsch», Volhslieder, I, Nr 20, bl. 27, vertaald in het Duitsch en door Snüllaert opgenomen met den teltst van H. v. F., in Willems' Oude VI. Liederen, Nr 18, bl. 195. Eerstin 1852 maakte H. v. F. in het VI1I« deel der B., bl. V, bekend, dat het lied van hem zelf was. — De twee regelen ons door de Sout. bewaard, hebben zoowel als den tekst van den psalm zelf drie accenten in ieder vers. De^verzen^van H. v. F. hebben daarentegen niet overal een gelijk getal accenten; het eerste vers heeft in de verschillende strophen nu eens vier, dan weer drie accenten.

AA.NTEEKENINGEN.

I str., 3 r. tekst : nil.

MELODIE.

Sout. Ps. 147. Na de wise : Wel op laet ons gaen riden || en sadelt mi mijn peert. — Kbktzschmeb, t. a. p. De melodie eindigt onregelmatig op de dominante.

ocr page 225

— 475 —

LXXV.

E1JC GOD, HOE MACH DAT WESEN. Ps. 148.

Be met Si t|.

2itfe=i=e

Rijc God, hoe mach dat we

p.

EE

Pil

zm:—ê

dat

Wz

3=

-p—«

m

-S -

©

-q-

30--

mi

Br

2

:2z

zl

—1--^—

quot;J —1 ^

fe

.....r- r —^

L * ?*=i«

ic dus droe-vich ben? ic haddo een uit-ghe-

I 3 3

----f--irzrq—

b^zö;

:^s=

s----

I J

-0—■-

^S=?=iË

.2:

sen,

vast in mi - nen

ocr page 226

- 476

i

±

u

W-zaz

5

sin; ic en can haer niet ver - ghe-ten, hoe

/

?—n

■—(--

J-

i

;==--É_

i«gt;

—P—*--:

---s»--

- M—P—

t r J

^2--Ï^L

ê

se - re dat ics mi pijn. wat wil ic mi ver-

ê

É=-

me-ten? druc moet mijn ei-ghen sijn.

ocr page 227

— 477 —

1. Rijc Gód, hoe mach dat wesen, dat i'c dus dróevich bén? ic hddde een üitghelesen, so vast in mi'nea sin;

ic en can haer niet verghéten, hoe sére dat les mi pijn. wat wil ic ml verméten ?

druc móet mijn éighen sljn.

2. — « Schoon Hef, ic sóu u vraghen, woudljt in düechden verstaen,

sal 1c noch langher jaghen,

eer ic u sal cónnen ghevaen? ic hébbe u üitvereóren al in dat hérte mijn;

secht mi', salt sfjn verlóren,

druc móet mijn éighen sijn. »

3. — « Ghesélle, wel lieve ghesélle, secht mi tot déser tijt,

hoe dórst ghi mi vertéllen,

dat ghi in drucke sijt?

al hébdi mi üitvereóren,

wat wéét ic üwen grónt ?

mach ü wat góets ghebueren weest hüesch in üwen mónt.

4. — « Schoon lief, cost ic vercrighen van u een tróostelijc wóort,

mijn cniekens sóude ic büighen voor ü, alst wél behóórt,

61

ocr page 228

- 478 -

seer stille sóude iet dr^ghen al in dat hérte mijn ;

wat baet dat ic veel claghe?

druc móet mijn ëighen sijn. »

5. — « Gheselle, ghi sljt schóne van wóórden, bedróch is ü gheléert;

ghelijc den wint van nóorden,

sidi van mi ghekëert;

men mach u niet betróuwen,

dat ségghe ic ü goet rónt;

beghéerdi wil van vróuwen,

sijt hüesch in üwen mónt. »

6. — « Schoon lief, wilt góelic wésen, antwóort mi niet te fél,

ic heb dicwils hóren lësen,

dat twee liefkens namaels maken spél;

ic hópe den tijt sal kéren.

al schiet ghi u fenijn,

nochtans wil ic u éren,

al soude druc mijn éighen sijn, »

7' — « Ghesélle, ghi sóut u schamen,

dat ghi mi dus die vermaent;

ghi gaet al dóór die bramen,

den wéch is ónghebaent dien ghi beghint te tréden.

och, wiste ic üwen grónt!

ic waer noch bat te vréden,

waerdi hüesch in üwen mónt. »

*

ocr page 229

— 479 —

— « Schoon lief, laet uws ghedinken so ménighen swaren sücht,

die ic u plach te schinken ende al uit goeder duecht;

ter straten ënde ter kérken als ic sach u blide aenschijn,

hebdijs niet willen mérken,

so moet drüc mijn éighen sijn. »

— f Ghesélle, u sóete wóórden die gaen uit hérte mijn,

mer óft alsó ghebüerde,

dat water wórde wijn

ende ghi mijn minne cost crighen,

waer ü dat niet een vónt ?

soudi wel cónnen swighen

ende hüesch sijn in uwen mónt? »

— « Och ja ic, rein vróuwelic wésen, van ü heb iet gheléert,

so waer minen drüc ghenësen,

wes ghi op mi beghéert;

och mócht mi dat volcómen!

u lieflic blide aenschijn en dérf ic niet berómen;

druc móet mijn éighen sijn. »

— « Ghesélle, laet u niet verlanghen, leeft vóórt op góeden tróóst,

men léit so ménighen ghevanghen, die namaels wért verlóst;

ocr page 230

— 480 -

weest hiiesch tot allen tiden,

en maect dat memant cónt,

trou siildi aen mi vinden,

sijt hiiesch in üwen mónt. »

12. — « Ic danke u, Venus minne,

van uwer ddechden gróót,

God laet mi tróu aen u vinden,

helpt mi uit déser nóót;

u vriendelic aenschóuwen ^loet mijnder hérten pijn,

o rein nature van vróuwen,

laet vniecht mijn ëighen sijn. »

13. — « Gheselle, wilt vruechde bedriven, als nü tot déser tijt,

ic wil u vrüecht toeschriven,

mijn hérte hebdi verblijt;

al mét vrou Vénus strale hebdi mijn hérte dcorwónt,

u éigen ben ic altemale,

weest hüesch in üwen mónt. »

14. — « Vrouwen ére mach ic wel schriven, wat mach mi anegaen?

een blóeme boven alle wiven die hééft mi tróóst ghedaen;

mijn tróuwe is mi ghelónet,

vaert wéch, mijnder hérten pijn!

mijn drüc derf mi niet róuwen vruecht sal mijn éighen sijn. »

ocr page 231

— 481 —

15. Ter eren van alle vróuwen,

so is dat liet ghemaect,

mer lóónt si dat met tróuwen,

dan is dat wél betaelt;

men mach wel ére bewisen schoon vróuwen op élc termijn;

cost ic tróóst van haer vercrighen,

druc soude verghéten sijn.

TEKST.

An/w Lb., Nr 141, bl. 210, « Een out liedeken. » — Vgl. str. 1 en 11 met str. 1 en 5 van Nr 131, bl. 197, A. L.ln dit laatste lied, dat denzelfden strophenbouw heeft, vindt men voor de vier eerste verzen van str. 1 ;

O lécen! hóe macht wésen,

dat ic dus trüerich bén?

ic had een mtghelesen,

si staet so vast in minen sin.

en van str. 5 :

Ghesélle, -wel lieve ghesélle,

leeft vóórt op góeden tróóst,

hi léit dicwils gevanghen,

die namaels wórt verlost.

Wellicht werden beide liederen op dezelfde melodie gezongen. — Tegenover het vierde vers der eerste str. van Nr 141 is het vers : « si staet so vaste in minen sin n (ook te scandeeren : quot; si stóet so vaste in minen sin „) een stellig bewijs van hetgeen wij hierboven bl. 57 en vgl. van voor het metrum overtollige d. i. tusschen- of bijgeschoven woorden, gezeid hebben.

Aang. bij Dr G, Kalff, Het Lied in de M. E., bl, 270, onder de i samenspraken ».

AANTEEKENIN GEN.

5 str., 1 r. tekst ; f/heselle, ghi sijt seer schone.

14 str., 2 r. tekst : mes mach mi aengaen.

15 str., 2 r. t. ; men loont so die.

15 str., 4 r. t. ; daerom ist.

MELODIE.

Sout. Ps. 148 en J. Fiuiytiers' Ecclesiasticus, Antw. 1565, nr 90, bl. 170.

ocr page 232

— 482 —

LXXVI.

WIE WIL HOREN EEN GOET NIEU LIET. Ps. 149.

Dorisch.

:^;E^=;=~=ÏEÉil^=5E3EEÏ

Wie -wil ho-ren een goet nieu liet van dat Tant-

-3E33

ESr 2=

=~i--1—=1=:

^=Sz=grrf=::

IZz

-•—3quot;

qzzzqr

3=

::2z

17

ig—trzit

ne? si had - den dea

1

V j quot;Pquot;—1

-3--_---1-----

lt;r

\tgt;

)_J—J_Z^--1--

rs: - S

b n - g- ^

ocr page 233

483 —

I2r=i—j:

t' ' ' ' ^ .

cna - pe van den hui - se so lief, si en

•—•-ë-

m

3

m

:p;

r

m

ii

lie-ten hem niet sla-pen al - le

amp;

m=^

Éi

w

1. Wie wil hóren een góet nieu liet van dat Tantwerpen is geschiet,

al van drie vróukens réne?

si hadden den cnape van den hüise so lief, si en lieten hem niet slapen alléne.

2. Deen dat was de dóchter fier,

de twéeste was de camenier,

die derde mach men óoc wel nóemen, het was dat schoonste ónder joncwijf, een schóne róse blóeme.

ocr page 234

_ 484 —

3. Die maechden dlle waren beducht, want alle drie si waren bevrucht, en al met cléinen kinde;

deen al tótter ander sprac : den vader sullen wi wel vinden.

4. Als vader en móeder dit verndm, si wdren alle béi seer gram al óm der dóchter wille;

al sónder die cléine kinderkéns si hadden wel geswéghen stille.

5. Maer smórgens vróech als twds schoon dach, den vdder totten cnape spréken men sdch, en al met grimmen sinne :

« hout daer, mijne cnape, daer is u ghëlt, ende en cómt hier niet meer inne. »

6. Als die dóchter dat heeft aenhóort, haer hérte beswaerde réchte vóórt, si en cóst een wóort niet spréken; si sach den liefsten ten liüise uit gaen, haer hérteken dócht haer te bréken.

7. Die dóchter en vergat haer sélven niet, si déde dat haer die cnape riet,

si stréec hem na met lusten;

si nam hem in haren witten arm : bi ü, lief, wil ic noch eens rusten.

ocr page 235

- 485 -

8. Maer alst den Landeken heeft verhoort, van hérten was hi séer verstoort,

en al óm des meesters wille.

hi heeft den cnape bi hém ontbóon : oft hi de wé we tróuwen wille.

9. « Heer Ldndeken, hóórt na mijn bedfet : die wéwe die en beghére ie niet,

ken bén daer niet in gehouwen;

maer tis die dóchter vfin den hüise, ic sóude haer gherne tróuwen. »

10. Die Landeken dfe aenhóorde dwóort, hi was opten cnape so séer ghestóort omdat hise niet en wilde tróuwen,

ende liet hem leiden óp den stéen,

daer wil hi hem ëwelic houwen.

11. Wacht ü, ghi méiskens gróót en cléin, bewaert altóós u éerken réin,

wacht ü van gróte büiken;

wanneer dat willeken is ghedden, dan is die vrientschap üite.

TEKST.

Antrv. Lb., Nr 218, bl. 338. « Een nieu liedeken. » — Aang. bij Dr Kalff, Eet Lied in de M. F., bl. 414, waar de schrijver zegt: « De gang van het verhaal is mij niet geheel duidelijk. Misschien moet men echter In aanmerking nemen, dat dergelijke liederen gedicht werden voor een publiek, dat dikwijls aan een half woord genoog had, omdat het op de hoogte was van de leiten. n

62

ocr page 236

- 486 -

AANTEEKENINGEN.

3 str., 2 r. tekst : want si alle drie.

4 str., 3 r. t : des dochters.

5 str., 1 r. als, bijgev.

5 str., 2 r. t. ; cnaep.

5 str., 4 r. t. : de liefste.

8 str., 4 r. t. : ontboden.

9 str., 1 r. t. : hoor.

10 str., 4 r. liet bij ge v.

MELODIE.

Sout. Ps. 149.

ocr page 237

— 487 —

LXXVII.

EEN OUDE MAN SPRAC EEN JONC MEISKEN AEN.

Einde der Ps.

Re met Si Jj.

Een ou - de

man sprac een jono

----

SÜ

•—■

ken an:quot; schoon lief, wil - di

:Wz I2z

:ö;

2r

r

p™

$

te-ren mijn ver - driet?»— quot; neen ic, n

:F=~=

--=\-

-0-

Sp

i

q=i=

be

3

@=E

ocr page 238

488 —

mm

2=

sei - de - se, quot; lie

iiÊ

3=i

:B=z3z -ö—Ö-

zz3=:S=

7 rr

Ei

3=5=3=5^=9=^

Jan, van u - wen bio

re en dorst mi

ik=35

p2;

^ J

i^ÊËpÊSiÈ5=mi

niet. tis be - ter dat ghi van mi vliet, ghi doet toch

r f-

H=—=

!2zz3I

L:r

:2E^

3=

r

g=r=r

ocr page 239

489 —

al ver - lo - ren

$

mijn boel - ken

PUquot;

-H

;i—-j;

r

mz tj

ÏÊ

li

E=ê

ocr page 240

- 490 —

1. Een óude man sprac een jonc méisken in :

« schoon lief, wildi béteren mijn verdriet? »

— « neen ic, » séidese, « lieve Jan,

van uwen biere en dórst mi niet.

tis béter dat ghi van mi vliet,

ghi dóet doch al verlóren pijn :

mijn bóelken móet een jónc man sijn. »

2. — « Schoon lief, ic sóude mi ghéerne paren,

waert ü beliefte, nü ter tijt. »

— « spreect een óude qüene van tséventich jdren, out énde verrómpelt alsó ghi sijt !

aen ü en is doch ghéen profijt,

ghi en tapt niet dan verschaelden wijn :

mijn bóelken móet een jónc man sijn. »

3. — « O mijnder waerde süver jüecht,

hérte ende sin hanghet al aen di! »

— « stelt ü te vréden óft ghi müecht,

wi en dienen niet te samen ic ende ghi.

out énde versléten dünct ghi mi,

wat sóudt ghi schriven in mijn francijn?

mijn bóelken móet een jónc man sijn. »

4. — « Schoon lief, wilt dóch doen mijn avijs,

so sal ic u maken van góede rijc. »

— « een jónc man staet bat in minen prijs,

ghelijc soect altijt sijns ghelijc.

wat sóudt ghi düeghen op enen tijt,

dan drónken drinken als een swijn ?

mijn bóelken móet een jónc man sijn. »

ocr page 241

— 491 -

5. — « Ic mach wel claghen mijn verdriet,

ic minne en wórde niet ghemmt. »

— nu swighet, « séit si, » lürefaes!

•vrijt elders daer ghi tróóst ghewint.

ic hébbe bemint enen jónghelinc,

mijn hérte verblijt in sijn aenschijn :

mijn bóelken móet een jónc man sijn

TEKST.

Antn. Lb., N0 87, bl. 52, « Een nieu liedekea. n — H. v. P., Hor. Belg. II, N' 121, bl. 229. ~ Dr G. Kalff, Het lied in de M. E., bl. 447.

— Dergelijke liederen bestaan in proot getal ook bij andere volkeren.

— Sprekende over het lied : quot; Mon pére et ma mére sy m'ont mariée )| è un viel bon horame, » dat voorkomt in Chansons du XV' siècle, uitgegeven door Gaston Paris, met de muziek in moderne noteering prebracht door A. Gevaert, Parijs, 1875, zegt de uitgever : Cette chanson appartient amp; toute une classe, qu'on peut appeler les chansons de la mal mariée, ou de la maumariée.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 1 r. Sout. sic, A. L., sprac een meisken an.

3 str., 1 r. mijnder, bijgev. — H. v. F., o n-aerde suiver jochet.

4 str., 5 r. tekst : doeghen, H. v. F. doghen.

MELODIE.

Op het einde der Sout. zonder Nr. — Komt voor in de tafel van het meerstemmig Kamper Lb. beschreven bij Dr G. Kalff, t. a. p. bl. 643.

— Stalpert, Oulde-jaers feest-daghen, Antw. 1633, bl. 1004, zelfde melodie ; « Stem : als 't begint, „ voor het lied : « Gegroet zijt Simon. „

ocr page 242
ocr page 243

AANHANGSEL

DANSWIJZEN

EN

FRANSCHE LIEDEREN

ocr page 244
ocr page 245

1.

\

DEN LANCSTEN BACH VAN DESEN JAREI1).

Ps. 125.

Hypodoritch (zestonig).

Den lancstendaeh van dfl-sen ja-re die brengt ons vreuchden

•v m—d

ï-t-sfz

clei-ne.

iiizzS=?-iE

Sit

f-F

-(Sgt;-1

S -öquot;

M

2l2ii:

2

'ü^

r i r r r

EÈÈEfEEJ

TEKST.

Ontbreekt, buiten de aanvangsregelen opgegeven door do Soul. MELODIE.

Sout. Ps. 125, na die wise van een dansliedeken : quot; Den lancsten dach, „ enz. — Volgens de tafel der Sout. : « Die lancste nacht, n enz.

1

Zie bl. 47 hierboven, aant. 2 en bl. 100, aant. 1.

ocr page 246

— 496 —

II.

HOE SOÜDE IC VRUECHT BEDRIVEN ?

Ps. 133.

Hypodorisch (zcstonig).

Hoo Boude icvrueeht be - dri-ven? mijn le - ven valt....

/quot;* maal. i! 2'quot; maal.

=j s! J .fr-=| ■ d-

^f)9!—d—«3 F-41—3—St —--C

--.fl-?—: -----

--------g— ;

—----^----i-r—:---

-0-—J—J. 1 J 1 - j.- j— J.- - j-r—1—r-——

r .

1 1 ^

t-

=—

^--—P—----

----H

1 -

TEKST.

Ontbreekt, buiten don aanvang opgegeven door do SoxU.

MELODIE.

Hout. Ps. 133, na die wise van oon dnnsliedeken : « Hoe soude ic, « enz

ocr page 247

— 497 —

III.

LE BERGER ET LA BEROIERE.

Ps. 135.

Re met fgt;'i t|.

IE2--.

Lo her - per ot la bor - gio - rn sont n

■ctë

W-2=zz-

...................^--

mz

1

$——P--F

m-F-—F—

^Ftzzta:

:fHf=E=E

l'oin-bre d'un buis - son, ilz son( si pres rung de

L=

-p-

r:;-

-I----\s

raui-tro rju'a grant poi-ne les voit on; la dame a

:trr^

Êbrip^-—§

---g-

Zamp;—Z

ocr page 248

498

-J^h ft

p—ftzz^

—f^-f f.

m-

--f5—*-Fquot;•—|

——*-p-

L ^ 1—H

diet a Ron mi - gnon : re - pre-nons nos - tre nl - lai -

1

ES

%-

-(=-

□—------

_______

*1

--p:_

f gt;

i-•-■-J±--

P*

■: •• M

ne, le loup em - por - te noz mou - tonz,poiirDiou,saul-

ZÉ1

te

P

vez la lei

7^—!

£

F^i—fl

•

■

1 «

fczrg ö

Eg?=p—Pir=,

TEKST.

flederlandsch : Onbekend, buiten den aanvang opgegeven door de Sotit. — Fransch : Commkr, Collectio operum musicorum Batavonm

ocr page 249

— 499 -

Saeculi XVI, Tom. XII, Nr 13, bl. 39, vijfstemmig bewerkt door Nic. Gombert. — Weckkrun, L'cmcienne chanson populaire en France, 1887, bl. 264, variante (1573).

MELODIE.

Hout. Ps. 135, na die wise van een dansliedeken : « Lijnken soa backen, mijn heer sou kneen. » Int walsch : « Le berger et la bargiere sent a lumbre dung buysson. » — Gedeeltelijk bij Cümmer, t. a. p. — Dr G. P. N. Land, Luitboek van Thysivs. Nr 43, variante.

ocr page 250

— 500 —

IV.

COST IC DIE MANE SCHIJN BEDECKEN.

Einde der Ps.

Ut modern. Cost

ic die ma - no schijn bo-

3=3:

r

J.

I

jL

dec-ken, hoe gaern soud ic bi nach-te

yar-ï

I v •

1quot;e maal. gaen....

3—1—P—*

ji—•

:J=rfc2:

2*' maaL

11

:q=qvr^^jEj—jEji

f - 1 * 1Ï

r r r

iEF=^EE^^E^E8EsB

-(Sgt;-quot;5r

ocr page 251

— 501 —

TEKST.

Ontbreekt, buiten de aanvangsregelen opgegeven door de Sout.

MELODIE.

Op het einde der Sout. : quot; Den lofsanc der drie kinderen in den vierigen oven, Daniel 3 cap. Na een danslieken ».

04

ocr page 252

— 502 —

V.

DONT VIENT CELA, BELLE, JE VOÜS SÜPPLYE.

Ps. 72.

Hypodorisch (zestonig).

pi

vient jours

3=

Ti

Â¥

=l= ray

bolde

Dont

ce so

aïz

j i—i-Fa^- j j É—i—d—P-

lo, jo vous sup - ply - e,

tris-tos-so rem - ply

ï I

quo jus-

i=i=

~ö-

f

Bi

ocr page 253

— 503 —

ÏEÏE5!

i

9—-

dez? Tous-dez. Jo

com le

man man

M ^ ^

----ta

_Ö-p.

É?EEö=i

croy que plus d'a - my ne de

id=z:i^ :EEazr:5.

ocr page 254

— 504 —

-•—r-vais bruit de

ï

-p—Sr ~ * maul

■öquot;

®i

iEiP^Ê

moy on vous re

vel

le,

êpe*

Ê

W-

É

ou vos-tre cueur

:B=zÉ=za(z

a

rquot; r -r

fes

=P!

2^

:tzj=

iéhSITÉ

9

a fait a

it=£

Jï—#

ocr page 255

— 505 —

JOiOr

-i-

—i—

—------------

--W-J

—i—

4

4 -Sni

--1-3=2=--*

mour

nou

-

vel

le.

-----1

N quot; 1

3

-----—^

V

m.'

-Q-

—«

•

-ö-

1

^ i

---------n

m.

-^rri

tamp;tb

111

=fi

1-

—i—

—

l=e ^

—

--—- i

TEKST.

Trente et quatre chansons musicales, Paris, P. Attaigna.nt, z. j., orastr. 1529-31 ; eersto strophe, vierstemmige bewerking iloor Claudin. Zie Commer, Collectio operum musicorum Batavorum snecuii XVJ, Totu. XI, bl. II en Tom. XII, Nr 5, bl. 16. — Een vijfstemmig lied : « Dont vient cela belle » door Crecquillon, wordt aangeli. bij Kitneh, Bibliogr, der Musik-Sammelmirke des XVI und XYI1 Jahrh. bl. 499.

MELODIE.

Ps. 12, quot; na die wise : Een liedeken met vruechden goot j| en dat sal ic ons gaen beghinnen. Int walsce : Don vien oela. » — De toevallige Sz t] die zich voordoet in de cadenz op de grondnoot He en de tonaliteit stoort, is ontstaan uit later bijgevoegde meiismen en wordt bij Claudin in don superius niet gevonden.

ocr page 256

— 506 —

VI.

LANGÜIR ME FAIS SANS TA VOIR OPFENSÉE.

rjs. 103.

Ut modem.

Ê.

$

J=^=

3-

:2z=iE

s

--3=*

Lan - guir me

fais sans t'a-voir of - fen-

-i-

:inr

p

(^i—p-F i9 ^

~| J I i

e. plus ne m'es - cripz,

--I-

t'en

5=E25

o-

plus de moi no

7

EÈ

-C15

EÉ

£

fei

ocr page 257

507

^[Eg:--pEg=|3_-iEj=£t

2=3=pi g-°—F—r-

quiors; mais non-ob

stant, aul - tro «la-me ne

MÉ

m

-i—

quiers. plus-

^Vgt;

iüi«

s

örrin

K:

7

^____________=i=i

1

-1 J I

È3-F~rJ

• i

tost inou

rir, que chan-ger ma pon-

i—p-

tejEEEp

ES

H

ocr page 258

— 508 —

sé - e.

I ^

ö

F-o e

-----je--

5

È2_^_ _ZEË1

TEKST.

Trentc et quatre chansons musicalcs, Paris, P. Attaignant, z. j., omstr. 1529-31; eerste strophe, vierstemmige bewerking door Claudin j zie Commeh, Collectio ope.rum musicorum Batavorum saeculi XVI, Tom. XI, bl, II en Tom. XII, Nr 4, bl. 15, en zesstemmige bewerking door Clemens non papa, herdrukt bij Commer, t. a. p , Tom. XII, Nr 24, bl. 72 en getrokken uit Le trenieme ft'we, Anvers, Tii.man Susato, 1550. Zie mede Eitner, Bibliogr. der Musik-Sammelwerkc, bl. 475.

MELODIE.

Sout. Ps. 103, na die wise ; « Lauguir me fault, n

ocr page 259

— 509

\

VII.

DE MON TUISTE DEPLAISIR.

Ps. 113.

Hypodorisch (zestonig). __

lk|===i=^=i^=^Ei^Siiz

plai-

Do mon tris - te do

EiSE

vous, bol

lo, je

(1=

3E3=aEgË3Ej

my com

plains; car vous traic - tés mal

^=rq=-

I

mi

zSz

amp;

65

ocr page 260

— 510 —

L

b_ö. -

sy lt;lu - ro

de - sir,

p---,

-m-

5=1==^

-p-------

plains, en - tro vos mains soulquot; - fre maulx

-U

gplii^=i§=pi=^ f r -rf T '

-gt-—

ocr page 261

511 —

$

-j-j---1—

d*-. M

a . 3

e=i=Ê

mains, sans nul con - fort; (lont, sur ma

n 3 | 3

2-t J—J—i

----

-1--

-v-P—m—quot;—-ö—s—

47 a

-=g—P—J—

rji. S

J

E53

per

s

-3E^=Tz

z2EE3:

foy, commo ap

EEï

Ig* ff

©T-

-Ö-.--r—.----1-:--:---

■fcfi l * • quot;J •

amp;

—%-G---

fJ

coy, vous a - voz

tort.

É* iquot; 1 1 3 j

„2. . ......

W u cj

■ ■ Ö .....

ocr page 262

— 512 —

TEKST.

Trente et quatn chansons music ales. Paris, P. Attaionant, z. j., omstr. 1529-31; eerste stropho, vierstemmige bewerking door Bichafort; zie Commeb, Collectio operum musicorum liatavorum saeculi XVI, Tom. XI, bi. II en Tom. XII, Nr 3, bl. 14. Zie mede Eitnku, Bibliogr. der Musik-Sammclrcerke, bl. 809.

MELODIE.

Ps. 113, quot; na die wise : Waer soo machse zijn, die mi dick hoeft verhuecht. Int walsche : Do ma tristesse et desplaisii'. » — De tj, dio de tonaliteit stoort, is toevallig en aan latere meiismen to danken.

ocr page 263

— 513 —

VIII.

J AY MI8 MON CUEUlt EN ÜNE SEÜLEMENT. Ps. 117.

Hypodorisch (Msionig).

lib

no sen - le -

ii

J'ay mis mon cuour on u

m

Et==

1

m

S-ï

-i—Ü—

-9,—^—P-

mont si trés a - vant

quo no s'on peult sor-

gEE{|Eg^E3EjigEgE-^

2z

\s

rt=EiE^

I _l

Map

m.

:p:=j=jE3:£jz=j—

?=£=?-

tir. tant plus y

ce, et

pon

it;

EÉ

ocr page 264

514

plus ay do soul - cy. las, jo ne puis vi-

üipi

I

0=

q--t

m

P-•-

vro Joy - eu

so - mont, las, jo ne

yh—i—ƒ—t---

-1 J^j J

¥V * *—si---

tr =

. f-

1

=!=

'-i

-—ö— mont.

/O

puis

vi - vre joy-ou - so -

-JTri J J-Ni

EfeJ^E

_C2_

Bi

ocr page 265

— 515 —

TEKST.

Trente et quatre. chansons musicales, Paris, P. A'-taicinant, z. j., omstr. 1529-31 ; oersto strophe, driostemmige bewerking rtoov Jac. Akcadelt ; zie Commer, Collectio opernm Batavorun snecuh XVI, Tom. XI, bl. II en Tom. XII, Nr 90, bl. 77, alsmede Eitner, Bibliogr. der Musik-Sammehverke, bl. 329.

MELODIE.

Ps. 127, « na die wise : Deso niders met haer quaet fenijn || deso niders met haer quaet funijn (andere versbouw door verdubbeling der muzieknoten), int walsche : Je my men cueur. » — Eene andere driestemmige bewerking aanvangende : « J'ay mis mon cueur en ut.g lieu seulement, n wordt gevonden in oen der liederboeken toebehoord hebbende aan Margaretha van Oostenrijk en berustende in de Kon. Bibl. te Brussel. Deze lezing werd uitgegeven bij B. J. Van Maldeghem, Trésor Muziral, 1888, bl. 5. — In beide bewerkingen wijkt do Tenor geweldig of van de melodie van Ps. 127. — Aangeh. als wijs in do Veelderhande Liedehens, 1599, bl. 231.

ocr page 266

- 516 —

IX.

IL ME SUPFIT DE TOUS MES MAULX.

Ps. 128.

lie met iSV h.

mm ^ii

rl—q=q=q

II me suf - fit do tons mes maulx, puis q'uilz m'ont

=1--i T

'

tV2

3:

— p -

^!EEp.qEg=g;

li - vré a

la mort. j'ay en-du - répoinoot tra-

ilEÏ^iggü

r

-J==*k*

-J-

Sd

:2i|=:

-jfTzez

;Lh 3 -J -J H

:t 3

.....-4

-9,—1--I—H

fc!| s p J g-j

S=Ê.:^ES ]

vaulx, tant do dou - leur et dos con - fort; quo

ocr page 267

517 —

fnult il quo jö fa - co pour ostro on vos - tro

1 r r

£=^=.p=

a-

l2z

quot; . «

m

^==qir„n

^EE*=1

do clou - lour men cuour si ost

gr a • ce?

S=g=ï

w I ; I

mÊÊÊÊM

:=r:

mort s'il no voit vos-tro fa

—i-

:=j= -«a

.■ I? fl

.zZEÊEfE^EE^-EïË

—p—jSl-

33=Ê

ÖZZl^ë), -p-

li Ml

GU

ocr page 268

- 518 —

TEKST.

Trente et quatre chansons musicales, Paris, P. Attaiqnant, z. j., omstr. 1529-31; eerste strophe, vierstemmige bewerking door Claudin; zie Commkr, Collectio operum musicomm Batavorum saeculi J VI, Tom. XI, bl. II en Tom. XII, Nr 2. bi. 12. — Seplieme livre des chansons a quatre parties, Louvain, P. Phalese, 1510, en in do uitga-ven Autw. 1597 en 1630, vierstemmige bewerking door een onbekende; zie Eitner, BibHogr. der Musik-Sammehverhe, bl. 327.

MELODIE.

Sout. Ps. 128, quot; na die wise ; II me soufflt de tous mes malz. n — De mei. komt voor onder de koralen van J. S. Bach ; zie Choix dt Chorals de J. S. Bach annotés par Ch. Gounod, Nr 29, bl. 30 en Nr 129, bl. 116.

ocr page 269

MAATSCHAPPIJ

DEU

VLAAMSCHE B1BLI0PHILEN

--.—O—--

B E S T U U R ;

Voorzitter: F. VANDERHAEGHEN, tc Genl. Secretaris : J. 0BR1E, te Gent. Schatbewaarder: PROSPER CLAEYS, te Gent.

ocr page 270

LIJST DER LEDEN.

De Heeren:

I.

Fk. Vergauwen^o Gent, overleden in 1881.

Dr. V. VANDER IIAEGHEN, tc Gent, benoemd den 22quot;°quot; Juni 1882.

II.

Mr. Ph. Blommaert, te Gent, overleden in 1871. J.-P. Blommaert, te Gent, overleden in 1874.

Dr. Eelco Verwijs, te Leiden, overleden in 1880.

Mr. N. de PAUW, te Gent, benoemd den 8!tequot; Mei 1880.

III.

I).-J, Vandekhaeohen-Hulin, te Gent, gaf zijn ontslag in 1845. K. Annoot-Braeckman, te Gent, gaf zijn ontslag in 1864. H. Annoot, te Gent, overleden in 1880.

Mr. L. DE HONDT, te Gent, benoemd den 9Jon Juli 1881.

IV.

R. Brisart, te Gent, overleden in 1851.

E. Van Damme-Bernier, overleden in 1882.

Dr. P. WILLEMS, te Leuven, benoemd den 22'Un Juni 1882.

V.

R. Chalon, te Brussel, overleden in 1889.

vacat.

VI.

Mr. P.-F. de Decker, te Gent, gaf zijn ontslag in Juli 1839.

F.-II. Mertens, te Antwerpen, overleden in 1867. Mr. A. Anqillis, tc Rumbeke, overleden in 1870.

Mr. A. de Portemont, te Geeraardsbergen, overleden in 1886. Mr. A. SERESIA, tc Gent, benoemd den 4'lcquot; December 1886.

VIL

Th. de Jonohe, te Brussel, overleden in 1860.

Ridder Gust. van HAVRE, te Wijncgem, benoemd den Is10quot; Juni 1860.

ocr page 271

- 521 —

De Eeeren :

VIII.

J.-J. de Mulder, te Oudenaarde, overleden in 1853.

J. de Crane van Heyselaer, te Meohelen, overleden in 1857.

Martinus N1JH0FP, te 's-Gravonhage, benoemd in 1858.

IX.

L.-J.-A. de Roovere van Roosemeerscii, te Brussel, overleden in 1842.

Mr. F.-J. de Bonne, te Brussel, overleden in 1870.

Dr. P. FREDEIllCQ, te Gent, benoemd den 8quot;1quot;1 Mei 1880.

X.

Mr. Baron J. de Saint-Genois, te Gent, overleden in 1867.

K. de Bkou, te Brussel, overleden in 1877.

J.-B. LAVAUT, te Gent, benoemd den 16lt;lon Februari 1878.

XI.

Graai.' Fr. Goetiials-Pecsteen, te Brugge, overleden in 1840. Baron Ph. kervyn van Volkaersbeke, te Nazareth, overleden in 1881,

Mr. J.-P. LAMEERE, te Gent, benoemd den28quot;0quot; Januari 1882.

XII.

J. Ketele, te Oudenaarde, overleden te Brussel, in 1856. L. Geelhand van Merksem en Dambrugge, te Brussel, gaf zijn

ontslag in 1887.

Dr. W. YAN HELTEN, te Groningen, benoemd den Januari 1888.

XIII.

P. Kocks, te Gent, gaf zijn ontslag in 1845.

J. van den Bossche, te Gent, gaf zijn ontslag in 1853. P. Visschers, te Antwerpen, overleden in 1861.

Graaf Maurits de Rohiano, te Brussel, overleden in 1870. F. de Gort, te Elzene, overleden in 1878.

A. Verbaere, te Gent, overleden in 1881.

Dr. L. VANDER KINDERE, to Brussel, benoemd den 9'l°quot; Juli 1881.

ocr page 272

— 522 —

De Heeren

XIV.

A. Kreolinger, te Antwerpen, gaf zijn ontslag in 1851.

C. Welvaert, te Gentbrugge, overleden in 1867,

Dr. M. ROOSES, te Antwerpen, benoemd den 22'lon Juni 1882.

XV.

J.-B.-F. lb Roy, te Brussel, gaf zijn ontslag in 1853. Dr. J.-F.-J, Heremans, te Gent, overleden in 1884. J. VERCOULLIE, te Gent, benoemd den 8quot;on April 1884.

XVI.

K. Piuters-Morel, to Gent, overleden in 1863. En. Neei,emans, te Eekloo, gaf zijn ontslag in 1879. Mr. Baron J.-B. BETHUNE, te Oost-Rozebeke, benoemd den 8'quot;quot; Mei 1880.

XVII.

M.-L. Polain, te Luik, gaf zijn ontslag in 1852.

Eug. Herry, tc Gent, overleden in 1857.

Aug. Daele, te Gent, gaf zijn ontslag in 1871.

Mr. A. Orts, te Brussel, overleden in 1880.

Mr. J,-0. DE VIGNE, te Gent,benoemd den 28,t,n Januari 1882.

XVIII.

Mr. C. P. Serrure, te Moortzele, overleden in 1872.

Mr. C.-A. Serrure, te Kuregem, gaf zijn ontslag in 1877. Mr. P.CLAEYS,te Gent, Schalbewaarier, benoemd den 8quot;,n Januari 1882.

XIX.

L. van Alstein, te Gent, gaf zijn ontslag in 1846.

Graaf K. de Kerchove van Denterohem, te Gent, overleden in 1882.

Mr. Graaf O. de KERCHOVE van DENTERGHEM, te Gent, benoemd den 22quot;,!quot; Juni 1882.

ocr page 273

— 523 —

Dt Heeren ••

XX.

Dr. D.-J. van der Meersch, te Oudenaarde, overleden in 1863. Mr. Graaf DIED KRIK van LIMBURÖ-STIRUM, te Gent, benoemd den ld'11'quot; December 1803.

XXI.

Mr. P.-C. van der Meersch, te Gent, overleden in 1868.

P.-H. d'Hoop, te Gent, gaf zijn ontslag in 1881.

Mr. Au. HOSTE, te Gent, benoemd den Q110quot; Juli 1881.

XXII.

Mr. S. van de Weyer, te Londen, overleden in 1874.

Dr.M.DE VRIES,te Leiden, benoemd den 31'leo December 1874.

XXIII.

A. Voisin, te Gent, overleden in 1843.

J. Gautier, te Brussel, gaf zijn ontslag in 1850.

Dr. C.-A. van Coetsem, te Gent, overleden in 1865.

Dr. A.van der Linde, Te 's-Gravenhage, gaf zijn ontslag in 1876. Dr. K.-A. BARACK, te Straatsburg, benoemd den 28,quot;m December 1876.

XXIV.

Dr. J.-G. de Block, te Gent, gaf zijn ontslag in 1850. J. Diegerick, te Gent, overleden in 1885.

A. DIEGERICK, te Gent, benoemd den 30,quot;,n April 1880.

XXV.

P.-F.-X. de Ram, te Leuven, overleden in 1865.

Ridder de Schoutheete van Tervarent, te St-Nicolaas, gaf

zijn ontslag in 1887.

Mr. Fl. VAN DUYSE, te Gent, benoemd den 24stcquot; Juni 1887.

XXVI.

J.-B. David, te Leuven, overleden in 1866.

Dr. A. WILLEMS, te Brussel, benoemd den ll'1'in Mei 1866.

ocr page 274

— 524 —

De Heeren :

XXVII.

C. Carton, te Brugge, overleden in 1803.

Dr. Gr. CARTON, te Wijngene, benoemd den ld1quot;0quot; December 1863.

XXVIII.

Ant. van Dale, te Brussel, gaf zijn ontslag in 1847.

J.-J. de Smet, te Gent, overleden in 1877.

Mr. J. OBRIR, te Gent, Secretaris, benoemd den lGd8quot; Februari 1878.

XXIX.

Ridder K. van Eersel, te Brussel, gaf zijn ontslag in 1850.

Mr. V. Gaillard, te Gent, overleden in 185G.

Ph. Cuypers van Velthoven, te Brussel, gaf zijn ontslag in 1809.

Mr. A. van den Peereboom, te leperen, overleden in 1884.

Johan VAN RUYMBEKE, te Kortrijk, benoemd den lGd'!n Januari 1885.

XXX.

P. de Brauwere van Steeland, te Elzene, overleden in 1855.

Mr. H. Raepsaet, te Lokeren, overleden in 1871.

Prins Alk -Emm. de CROIJ, te Brussel, benoemd den 29quot;cn December 1871.

XXXI.

Ed. Malou, te leperen, overleden in 1849.

Baron H. Surmont de Volsberghe, te Gent, overleden in 1887.

Baron SURMONT de VOLSBERGHE, te leperen, benoemd den ll116quot; Januari 1888.

ocr page 275

- 525 —

De Heer en:

XXXII.

Baron E. t'Serclaes, te St-Joost-ien-Oode, gal'zijn ontslag in 1853.

Baron Isid. van Stein van Altenstein, te Brussel, gal' zijn ontslag in 1871.

Mr. E. de Borcugrave, tc Brussel, gaf zijn ontslag in 1882.

Dr. A. KLUYVER, to Leiden, benoemd den 4de' DecemTjer 1880.

XXXIII.

J. de Mersseman, te Brugge, overleden in 1853.

Dr. Ferd. VANDER HAEGHEN, te Gent, Voorzitter, benoemd den 20 December 1853.

XXXIV.

Ant. Dael, te Gent, gaf zijn ontslag in 1866.

Dr. F.-A. Snellaert, te Gent, overleden in 1872.

Dr. C.-J.-K. Ledeganck, te Brussel, overleden in 1882.

Mr. Julius VUYLSTEKE, te Gent, benoemd den 22'lim Juni 1882.

XXXV.

Theod. de Valenzi, te Gent, overleden in 1855.

J.-B. de Ghellinck van Elseghem, te Gent, gaf zijn ontslag in 1875.

Baron James von Rothschild, te Parijs, overleden in 1881.

Graaf de GHELLINCK van ELSEGHEM, te Elzegem, benoemd den 22,'lt;in Juni 1882.

XXXVI.

F. van de Putte, te Kortrijk, overleden in 1882.

Mr. G1LLIODTS-VAN SE VEREN, te Brugge, benoemd den 228'«quot; Juni 1882.

ocr page 276

— 526 —

De Heeren :

XXXVII.

Dr. J.-A. GROTHE, te Utrecht, benoemd den 21quot;'quot; November 1884.

XXXVIII.

K.-F. STALLA.ERT, te Everberg, benoemd don 21quot;cn November 1884.

XXXIX.

Th.-J.-I. ARNOLD,te Gent, benoemd den 21•,quot;, November 1884.

XL.

R. VANDEN BERGHE, te Gent, benoemd den 21Bten November 1884.

ocr page 277
ocr page 278
ocr page 279
ocr page 280