ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4

,

ocr page 5

MAATSCHAPPIJ

Dim

VLAAMSCHE BIBLIOPHILEN.

— Nr «.

4« REEKS

ocr page 6
ocr page 7
ocr page 8

CPfalmaüï, tjoo^c ic fmgcit-Cum imm eaiem. ©c toijfe, tyct tajjct inöfoofïc / §ct Itcfytct oucr.

Fquot;i

—1-* , 1

li

9—1

11a gt;thticpmctoctlati0en.«êoöt^oo?öcaI

a

A

3^

JI£PLI[?£KESi UIIG .104

ITMOY, PHOl, GENT

ocr page 9

0UDI5 NEDERLANDSCHE

LIEDEREN;

MELODIEËN

UIT DE

SOÜTERLIEDEKENS,

UITGEGEVEN, MET

INLEIDING, AANTEEKENINQEN EN KLAVIERBEGELEIDING,

DOOK

FL. VAN DUYSE.

ocr page 10

Nr 37.

Exemplaar van Dr. J. A. GROTHE.

/ dé voorzitter,

ocr page 11

VERBETERINGEN EN BIJVOEGSELS.

lil adz. 49, laatston notenbalk, en bladz. 50,2equot; notenbalk, voeg Si t? bij den sleutel.

Bladz. 128 en 129, lees : « Het daghet, enz. — Uitg. Soul. 12en Juni 1540, beschreven onder Ausgabc D5, bij Wackernagf.l, Lieder der Niederl. Hefarm., bl. 4 — exempl. terGentsche Bibl., Nr 774', Réserve — heeft de variante ;

mijn lief - ken.

Eene andere uitgave in ons bezit, volgens den titel insgelijks van 12®quot; juni 1540, degene door Clemens n. p., die van 1564 en die van 1584 luiden zooals hierboven blz. 128. — Wij hebben de molodieën doorgaans teruggegeven volgens de uitg. van 1564, waarvan de muziekdruk duidelijker is dan van deze uitgaven van 1540, die to onzer beschikking stonden.

Bladz. 132. Bilo beter hclo, volgens Hoffmann v. V.-Ilor. Belg. 11,84, waar Grimm. Gr. III, 288 wordt aangehaald, waarschijnlijk van »»(? en ld, nog heden in het Engelsch la, lo; Ohd. ïvela, Ags. ivala drukt verwondering of smart uit.

Bladz. 133, regel 12, zie Een devoot ende projitelick boecxken, opnieuw uitgegeven door D. F. Scheurleer, 's Gravenhage 1889, bl. 19G eu volg., alsmede de aanteekeningen aldaar bl. 322 en volg.

Blad. 138,4e maat, tekst;

Bladz. 140, de mei. volgens uitg. Sout. 1584.

ocr page 12

YIII

Bladz. 151, S®quot; notenbalk, lees :

Hot wa-ren.

Bladz. 156, Pg. 13, tonaliteit: Ut modern.

Bladz. 159 on 1G0, Willoms, niot Hoffmann v. F., bracht op het lied van « den tienden Pennine » do melodie van Ps. 44, Soul.

Bladz. 167, regel 5, zie gemelde uitg. van D. F. Scheurleer, bl. 53.

Bladz. 168, regel 11, zie gemolde uitg. van D. F. Rcbourleer, bl. 50.

Bladz. 175, aant. op den tekst, regel 2, zie gemelde uitg. van D. F, Schourieer, bl. 212 on volg.

Bladz. 181, laatsten regel, zie zelfde melodie bij Stalpeet, Oulde-jaers feest-dagen, Antw., 1635, bl. 602.

Bladz. 185, aant. op den tekst, regel 2, zie gemelde uitg. van D. F. Scheurleer, bl. 119 en volg.

Bladz. 207, aant. regel 1, zie gemelde uitg. van D. F. Scheurleer, bl. 40 en volg.

Bladz. 218, regel 1, lees : O wrede fortune, enz.

Bladz. 220, 7cn notenbalk, Sout. uitg. 1540, en Clemens n. p. alsmede

Sont, 1564 en 1584 : als op gemelde bl. 220.

Bladz. 223, regel 7 : de eersto regel, enz.; lees in do plaats ; do eerste regel wordt als stemme aangegeven in dit laatste liederboek, bl. 120; bij Wackeunagel, lieder der Niederldndischen Reformierten, bl. 112, voor een lied uit do Veelderhande Liedehens, uitg. 1569; en in den Nieuwen Verbeterden Lusthof, Amst. 1607, bl. 62.

Bladz. 243, Ps. 44, tonaliteit : Ilypodorisch.

Bladz. 248, Ps. 47, tonaliteit: Ut modern.

Bladz 262, Melodie, bij Stalpert, Gulde-jacrs feest-dagen, bl. 896, komt eeno andere fraaie melodie voor, op do wijs : quot; Wy willen don moy gaen houwen. „

Bladz. 263, titel, lees : ovel.

ocr page 13

INHOUDSTAFEL.

Bladz.

Kapittel I. — De Souterliedekens......... 1

Kapittel II. — Metriek. — Rogel: het metrum teruggevonden in de volkstaal. — Afwijkingen van dien regel,

metri causa......................1

Kapittel III. — Noteering............20

Kapittel IV. — De oorspronkelijke tekst in de plaats van. den

** tekst der Souterliedekens hersteld .... 63

Kapittel V. — Strophe.............^

Kapittel YI. — Tonaliteit. — Begeleiding.......81

Kapittel YII. — Slotwoord............99

Aanhangsel. — Nevelingenvers. — Dietsch vers.....104

LIEDEREN.

Paalm der Sout,

Blad?,.

I.

120

II.

— Hot reghenda seer......

124

III.

— Het daghet in den Oosten ....

-128

IV.

— Aenmerct doch mijn gheclach . . .

. 5

134

V.

— Daer staet een clooster in Oostenrijc .

0

140

VI.

— Ic arm schaepken nen der heiden . .

7

143

VII.

— Het gingen twee gespeelkens goot

8

147

VIII.

— Ic ghine noch ghistren avont . . .

11

152

IX.

— Rijc God, hoe is mijn boel dus wilt .

13

156

X.

— Een ridder ende een meisken jonc. .

14

161

XI.

— Die mi morghen wecken sal . . .

15

169

XII.

— Alle mijn ghepois doet mi so weo . .

1(5

172

XIII.

— Een goet nieu liet heb ic ghedicht. .

17

177

XIV.

— Ic hadde een ghestadich minneken .

18

182

XV.

— Mijn sinnekens sijn mi doortoghen .

20

188

4'

ocr page 14

Psalm

der Sout. Bladf.

XVI. — Fortuine wat hebdi ghebrouwen? . ... 21 193

XVII. — Sorghe ghi moet besiden staen..........25 198 _ /

XVIII. — Ic weet een vrouken amoreus..........26 201

XIX. — Ic quam noch ghister avont............27 208

XX. — Daer ic eens was willecoraen..........32 211

XXI. — O wrede fortune..................34 215

XXII. — Rosina waer was dijn ghestalt..........35 219

XXIII. — Ic heb om vrouwen wille............36 224

XXIV. — Ic wil mi gaen verhueghen............37 229 -

XXV. — Ic quam tot enen danse..............39 234

XXVI. — Tyrannich were..................41 238

XXVII. — Die voghelkens inder muiten..........44 243 - '

XXVIII. — Den dach en wil niet verborghen sijn. . , 47 248

XXIX. — Gheen meerder vruecht ter werelt en is . . 48 251

XXX. — Een vriendellc beelt................49 255

XXXI.'— Die winter is verganghen............54 259

XXXII. — Mijn liefkcn siet mi ovel aen..........55 263

XXXIII. — Als allo die cruidekens spruiten .... 56 267

XXXIV. — Rigt;c God, gheeft mi goed aventuer! . . . 57 271

ocr page 15

KAPITTEL I.

DE SOUTERLIEDEKENS.

Het boek getiteld : SouterliedekensO) gemaecht ter eeren Gods op alle de Psalmen van David tol stichlinge en een geestelijche xermahingJie van allen Christen menschen, en gheprint Tantwerpen hy Symon Cock ten jare 1540, is een der eerste muziekboeken in Nederland gedrukte1).

Het werk vond zooveel bijval, dat liet in hetzelfde jaar verscheidene uitgaven mocht beleven, en later herhaaldelijk gedrukt werdl2).

1

1

Het jaar 1540 wordt gewoonlijk als het jaartal dor eerste uitgave opgegeven. Eon eenig bekend exemplaar dragende het jaartal 15'3i),

berust in do Bibliotheek van het Museum Meermanno-Westreenianum. J. H. ScinsLTisMA, Ned. Lied. uit vroegeren tijd, bl. 389.

Een devoot ende projitelijchboerxken enz., geestelijko-liederverzaraeling, inhoudende een zestigtal melodieën op Ned. tekst en waarvan het eenig bekende volledig exemplaar in bezit is van prof'. Alph. Willeras te Brussel,

werd mede te Antwerpen in het jaar 15139 gedrukt. Slechts één vroeger Ned. liedboek niet muziek, door l)r Kalpp, Eet Lied in de Middeleeuwen, het Kamper liederboek genaamd (zie aldaar bl. (jJiM'n volg.), en ver- ^2, scheidene liederen bevattende uit het Antw. Liedb. door Hoffmann von Fallersleben heruitgegeven, is tot hiertoe bekend. Dr Kalff stolt het onvolledig Kamper Liederboek, dat van Zuid-Ned. oorsprong schijnt, ongeveer tusschen 1520-1530.

2

Alph, Govaerts, Ilistoire et bibliographe de la typographie musi-cale dans les Pai/s-Das, 1880 Wackurnagel, lieder der niederldndischen Reformier ten en Edmond Van der Stiiabtbn, La Musique aux Paijs-Bas. V. 25ö. Tusschen 1539 en 1613 jaartal der laatste uitgave, werd het boek omtrent vijf en twintig maal herdrukt.

ocr page 16

— 2 —

Op de melodieën te dien tijde onder het volk verspreidt), werden « alle die Psalmen van David » berijmd door Jonker Willem van Zuylen van Neyvelt, of van Nyevelt, vader van den in 's lands geschiedenis bekenden deelgenoot aan het Verbond der Edelen!1).

Het werk schijnt tevens de oudste berijming der Psalmen in het Nederlandsch te wezen.

J. Lelong® getuigt : dat dit boek « onbekwaam was om in eenige kerkelijke vergaderinge gezongen te worden, vooral omdat de Psalmen op wercldsche wijzen gesteld waren, die meer tot ontstichting dan tot stichting dienden, schoon de protestanten, onder de zwaarste vervolgingen, er die nuttigheid van hadden, wanneer zij uit hetzelve, bij gebrek aan andere psalmboeken zongen, dat de vijanden der waarheid, zulks in eenig huis hoorende, daardoor misleid wierden, denkende dat het wereldsche liederen waren, welker gezang niet verboden was, gelijk wel de geestelijke zangen. »

Andreas Andriessen (aangehaald bij WackernageK2)) zegt hetzelfde; doch Wackernagel kan die bewering niet aannemen, daar, volgens hem, het aanwenden der wereldsche

1

Ten minste wordt W. v. Z. v. N. zoo niet voor don «lichter, dan tocli voor den verzamelaar dier Ps. gehoudon. Hierover Wackernaoel, t. a. p. bl. 0 § 14.

2

(•1) 1,ieder der mederlündischer lieformierten, bl. 8. Zio do geostolijko liederen vermeld bij do fokston der melodieën in onze verzameling, Ps. der Sout. 1,3,4,7,13,14, 26,30,37, 65, 67, 75, 82, 90, 99, 141 enz.; de lijst voorkomende bij Böhme, AUdeutsches zWeriwcA (1877), bl, 810, en Het Geestelijk Lied in de Nederlanden vóór de hervorming door D' J. G. U. Acqugy, studio verschenen in het Archief voor Ned. Kerkgeschiedenis (1886).

ocr page 17

melodieën voor geestelijke zangen, reeds tijdens de XV6 eeuw in Nederland in zwang was.

Zulks bewijzen inderdaad de geestelijke liederen der Wereldlijke

XV eeuw, uitgegeven door Hoffmann von Faliersleben kérk^gezongon,

(Pars X der Horae Belgicae). gc^toiijko

Maar reeds vroeeer zal te onzent, zoowel als elders, het liederen c herschapen,

wereldlijk lied in de kerk gedrongen zijn.

Reeds vóór het begin der XIII,lc eeuw toen de har-monieke kunst hare eerste klanken stamelde, gebruikten de discantors wier kunst bestond in het aaneenflansen —

hoe zoude men het anders noemen ? — van bestaande zangen, het volkslied tot het componeeren hunner motetten, stukken die tijdens processiën of godsdienstige plechtigheden uitgevoerd werden. Latijnsche en Fransche teksten werden met elkander vermengd, zooals wij leeren uit het H. S. van Montpellier.

Terwijl eene stem zong :

I'ovre secors ai encore recovre A ma dame qui j'avoie servi A sa volonté.

Zong eene andere :

Gaudo chorus omnium fldclium,

En eene derde :

Angelus.

Zulk eene vermenging komt voor in den «/fe Mis sa est»

eener mis van de XIII'lc eeuw, aan de hoofdkerk van Doornijk toebehoord hebbendel1).

Overbekend is het, dat de Nederlandsche Componisten der XVde en der XVIlle eeuw, de wereldlijke melodieën

1

De coussema.keu, LA rt harmonique aux XII' et XIII' siècles, bl. 45,133 en 220.

ocr page 18

— 4 —

gebruikten, niet alleen om er wereldlijke meerstemmige compositiën op te schrijven, maar ook om er geestelijke stukken, ja gansche missen op te bouwen.

Geen wonder, dat de kerkelijke overheden tegen dit binnendringen van het wereldlijk lied in de kerk menigmaal te velde trokken U).

Kerkzangen Klonken volksliederen in de kerk, buiten de kerk volksUederen dreunden daarentegen kerkgezangen. Plet zij genoeg aan herschapen. jie^ jje(j van j]ere JJalewijii te herinneren, dat van den Credo AevMissa in duplicibus el solemnibus dielus afstamt, aan het uit de hymne Creator alme siderum gesproten Retisenliedeken, en aan Die ConingMnne van elf jaren die op de melodie van den Veni creator gezongen werd.

De bundel der Souterliedekens zelf, waarin op het einde verscheidene kerkzangen, onder andere de voorlaatst-genoemde hymne, opgenomen zijn, bewijst hoe populair sommige kerkelijke melodieën waren.

Aan den uitgever der Souterliedekens hebben wij te danken, dat een groot getal der liederen door onze voorvaderen gezongen, trouw bewaard bleven.

Ons doel is : die zangen met toepassing van den oorspronkelijken tekst, waar het ons mocht gelukken dien op te sporen, in moderne notatie terug te geven.

Oude tonaliteit. Ofschoon de muziek zich gemakkelijk, ja veel gemakkelijker dan verzen, in het geheugen prent, moesten tocli

(1) Zio over de destijds bestaande misbruiken, Les Musiciens Néer-landais en Espngne. du XITquot; au XVIII0 siècle, door Edmond Van der Straeten (1885), bl. 81, en in Musica Sacra, uitgegeven door kan. Van Damme, Gent, 1881, l810 jaarg., den encyclieken brief van paus Bene-dictus XIV (1750). Zie ook De Couss., Hisloire de Vharmonie au moyen-age (1852), bl 81.

ocr page 19

op den duur de meeste volkszangen, onder den invloed der opkomende nieuwe tonaliteit, veranderingen in hunnen toonaard en dus in hun karakter zelf ondergaan.

Die veranderingen zijn zeer merkbaar, wanneer men hijv. de liederen door de Coussemaker ten jare 1856 uitgegeven, onder den titel van Chansons populaires des Flamands de France, met elkander vergelijkt. Enkele stukken, aldaar voorkomende, zijn in de oude tonaliteit bewaard, doch de moderne toonaard straalt in het grootste getal der aldaar opgenomen zangen door.

In de Souterliedekens integendeel, heeft de oude tonaliteit de bovenhand behouden. Op dit punt keeren wij terug.

Fetis(l) gelooft dat eenige dier liederen tot de XII'1quot; of XIIlde eeuw behooren. De gronden, waarop zijn gevoelen steunt, deelt hij ons niet mede, doch stellig is het dat vele van die melodieën zeer oud zijn; immers, in het Antwerpsch Liederboek (2) in 1544, dus vijf jaar na de eerste uitgave der Sout. verschenen, en waarin wij het grootste getal der oorspronkelijke teksten van onze melodieën terugvinden, wordt menig stuk alreeds met den naam van « oudt » bestempeld.

« Van de meeste liederen, die aldus worden aangeduid, » zegt Dr Kalfft2), « kan men bewijzen, dat zij minstens in de XV'le eeuw thuis behooren en ik meen », voegt de schrijver er bij, « dat men daarom ook van de andere hetzelfde mag aannemen. »

1

Catalogue de la bibliothèque de Fdtis, bi. 17C).

2

Het Lied in de Middeleeuwen (1884), bl. 169, noot 1, en bl. 175, 1quot;8.

ocr page 20

— 6 —

Maar niet alleen de tonaliteit dient bij het vertolken onzer oude melodieën in acht genomen, ook de regelen der midd. metriek moeten daarbij worden toegepast; overigens zijn die regelen nagenoeg dezelfde én voor de gezongene én voor de niet gezongene poëzie.

ocr page 21

KAPITTEL II.

METRIEK. — REGEL, HET METRUM TERUGGEVONDEN IN DE VOLKSTAAL. — AFWIJKINGEN VAN DIEN REGEL, METRI CAUSA.

Poëzie en muziek, metriek en muzikale notatie staan in innig verband.

Willems heeft dit te onzent vroeger dan iemand anders Willems. begrepen. Doch indien hij al bij het uitleggen van de regelen der midd. metriek de eerste was. die de rechte baan insloeg, toch wist hij niet altoos met evenveel geluk en voornamelijk bij de uitgave zijner Oude Vlaemsche liederen, zijn stelsel op de muziek toe te passen; daarenboven heeft hij zich, zooals H. V. F. het deed opmerken,

in de teksten ongepaste veranderingen veroorloofd^).

Reeds in 1846, in zijnen brief, antwoord aan Bormans l.1), stelde W. zich de vraag : « wat of onze

1

Belg. Mus., 1846, bl. 158.

ocr page 22

— 8 —

dietschc poëten deden bij het maken en opzeggen hunner verzen? Zij vergenoegden zich, » antwoordt hij, « gelijk ik reeds hierboven zeide, twee of drie toonslagen te laten hooren en plaetsten die willekeuriglijk, naer dat hun gehoor min of meer muzikael was. »

Verder verwijst W. naar eene aanmerking, die in zijne Oude Vlaemsche liederen, bl. 58, voorkomt: « Daer behoort. » zegt hij, « eene kunstmatige indeeling der woorden en dikwijls de bijvoeging van een klein nootje of appogiatura toe, om sommige coupletten van dit lied, — Die drie Lantsheren — in onze verzameling, behoorlijk te zingen. Hierover, » vervolgt W., « handelen wij in de Inleiding, en merken nu slechts aen, dat lange regels soms de plaets van kleine bekleeden, en dat dan de betooning naer het Rlijtmus der muziek moet worden geregeld. Ziedaer het raedsel onzer oude versificatie opgelost! »

Klein nootje : J* J, of appogiatura : J 0, komt hier

niet te pas, de indeeling der woorden laat geen van beide toe. W. wil spreken van vermenigvuldiging der noten, in dezelfde tijdruimte door verdeeling :

jj. j-, m j in plaats van J

Voegen wij erbij dat, waar het er op aankomt, zooals in het volkslied, verscheidene strophen op dezelfde muziek te brengen, de rhythmus der muziek naar de betoning of klemtoon der woorden, moet geregeld, en niet de betoning naar den rhythmus der muziek; de muziek blijft dezelfde, doch andere woorden vereischen soms veranderingen in den rhythmus der melodie.

In zijne, ten jare 1851, door het Nederlandsch Instituut

Prudens van Diiyse.

ocr page 23

— 9 —

bekroonde verhandeling over den Ned. Versbouw, stemt Prudens van Duyse met het gevoelen van W. in : « Het lijdt geen twijfel, » zegt hij, « of had men, bij de eerste aarzeling, de muzikale slagverdeeling op de rhythmische slagverdeeling der oude gedichten toegepast, do oude versmaat ware ah ovo gevonden geweest (!). »

Verder, ter plaatse waar de schrijver niet van kleine nootjes of appogiatura's gewaagt, maar wel van korte noten, door twee gelijkgeldende nog kortere noten of syllaben vervangen, drukt hij zich nauwkeuriger dan W. uit.

In zijne Geschiedenis der Rederijkers (2) komt P. v. D. Neveiingsvers-op de midd. metriek, in dezer voege terug : « De Nevelings- maat-versmaat stemt met die der middeleeuwsche in ons land,

haar hoofdbeginsel, overeen : zij berust, als een echt Gertnaansch kunstbegrip, op de hoofdeigenschap der taal, de beklemming der syllaben die hoofddenkbeelden voordragen en al of niet beklemming der nevendenkbeelden. — Dit prosodisch stelsel is zeker het eenvoudigste, het regel-matigste, het treffendste, dat er ooit in eenige taal heeft geheerscht; het verdonkert verre^yeg alle andere prosodische kunstbegrippen, zoo Grieksche als Romeinsche...

Het is dezelfde maatgang in 't gedicht van Ragnar Lodbrog'3), als in het Geleüsmort van den Heliand, als in het Nevelingenlied.

(1) Ook Bormans in do inloidinff van hot Leven van Sinte Christina de Wonderbare, 1850, nam zijne toovlucht tot muzikale notatie, om do regels der midd. metriek uit te leggen.

(2) Verhandeling over de Rederijkers, lslu Afdeeling, 2'- Hoofdstuk, S 3, de Maat.

De door do Belgische Academie bekroonde verhandeling is slechts een uittreksel van een uitgebreid werk in Hs. berustende.

(3) Oud-Skandinavisch heldenlied. Zio eeno Ked. vertaling van dit lied, door Pr. van Duyse, Belg. Mus., 1811, bl. 14 en volg.

i

ocr page 24

— 10 —

Eerst met de XVIe eeuw breekt dat nadrukkelijke, dat zinrijke versbouwstelsel, dat de verzen dezelfde zenuwen en spieren bijzette als de taal zelve bezat, in Nederland alleen, ten gevolge der kunstverfransching af. Doch, schoon aan Lucas de Ileere, in Vlaanderen, en aan Jan Van Houte, in Holland, de treurige eere toekomt die Fransche maat eerst bij ons te hebben aangewend, bleven de Rederijkers aan de oude klanktoonmaat getrouw.

De worsteling duurde tot in de XVIIe eeuw voort : Vondel in 't verhevene, en Cats in 't volksmatige, sloegen haar den bodem in, doch niet voor altijd, althans niet als geniaal kunsttuig voor de volkspoëzie, waartoe zij bijzonder treffend blijft. »

Hier hebben wij dus den regel :

])lt;f mot riek Beklemming der syllaben die Imfddenhheelden voor-onzer liederen dragen;

berust op de ^, . 7 7 .. 7 , r , 7

gesprokene taai. Al of met beklemming der hijdenhoeelden.

Daaruit ontstaat het metrum in het Dietsche vers en in het oude Nederlandsch volkslied, waarover wij hier in het bijzonder handelen. Dit metrisch stelsel is zoo eenvoudig en zoo natuurlijk mogelijk, want het vloeit voort uit de volkstaal zelve, uit de gesproken taal.

De gewone dagelijksche taal, zooals zij in de M. E. gesproken werd — en zoo wordt ze thans nog, bijna zonder verandering, in sommige plaatsen van West-Vlaanderen, gesproken — bevat, buiten enkele uitzonderingen aan het vers eigen (zooals het geregeld getal der beklemde syllaben [accenten of slagen], het verspringen van het accent in het midden van het vers of op het

ocr page 25

- 11 —

einde), alle de regelen der metriek yan het volkslied!1).

Ten bewijze, nemen wij de eerste regelen de beste eener sage, getiteld : Van den Waarzegger^).

« Er was eens een boerken met zijn wijf, en zij hadden een koetje en een kindeken. De man kwam ta sterven; de weduwe had moeite om te leven met dat zoontje. Hij zegde tot zijne moeder : a Moeder, ik ga reizen, en wij gaan onze koe doodslaan. » — « Dit zult ge niet doen, wij hebben slechts onze koe; waarvan zouden wij dan leven? » — «Ik ga reizen met liet vel, en het vleesch voor u thuis laten om er van te leven. » Hij stak het vel in eenen zak : « Moeder ik ga voort, verkoop het vleesch, enz. »

Plaatsen wij dit fragment in den mond van een West-Vlaming, van een bewoner van Veurne bijv., dan klinkt het zoo :

t / r

Twos e keer o boertje me se wuuf

r / ƒ

en z' haen o koeige en e Uinni^e.

De man die kwam te sterven;

/ f / f

de wee we die ha rusie om to leven mcttat seuntjo : / t « Moeder, 'k gaen gaen reizen,

p / /

en me gaon uus koeige doot slaen. »

/ ! f — quot; Jen doet inon hen mo daddc;

Wovan zourae toen leven ? »

1

« Die Germanisclie Versbetonung soil mit der Prowhetonung gennu Ubereinstimmen, jedes Wort ini Verse so gebraucht sein, wie os in der gewöhnlichen Rede ausgesprochen wird. n Dr Fbanck, Mittelnied. Grammat., 1883, ld. 10, § 12.

ocr page 26

I

— 12 —

f f f

— « 'k Gaen reizen met 't vel, moeder,

r r r

en 't vleesch vor joun thuuslaten

om der van te leven. »

' / /

He stak 'et vel in e zak :

r /

— quot; Moeder, 'k gaen vors :

r I

verkoppet't vleesch. »

Waar drukt in het voorgaande de stem ? Op de woorden

of op het zakelijk deel der woorden :

Twos — boertje — wuuf haen (hadden) — koeige — kinnige

man — sterven weewo — rusie — leven — seuntjo zei — moeder,

enz.

Zoo leeren wij de woorden kennen die in de redevoering de andere overheerschen, omdat zij de kern der gedachten zijn, de hoofddenkbeelden uitdrukken en dus door den minst geleerden mensch, ook buiten zijne wete, op het voorplan geschoven worden(1).

Wat de syllaben betreft, die den klemtoon missen en die tusschen de beklemtoonde staan, zij maken als het ware den grond der schilderij uit, waarop de beeltenis helder te voorschijn treedt, zij doen de hoofdgedachte uitkomen, en zetten der redevoering vuur en leven bij.

En wat werkelijk verschil bestaat er nu, tusschen de metriek der gesprokene taal en die onzer oude liederen? Bestaat er waarlijk eenig verschil dan is het wel, logisch gesproken, ten voordeele der eerste.

In de gesprokene taal, bijv., klinkt het:

/ r

Ik kwam aan eenen dans;

(1) Over het veranderen van den zin door verplaatsen van den klanktoon. £ellt;/. Mus., 1846, hl. 232.

B3

ocr page 27

In Veurnsch dialect : Uitzonderingen

(metri causa)

'k kwam an e dans;

daarentegen vinden wij, in het A. L. Nr 85, lsle regel :

/ t t

Ic quam an enen danso.

Hier valt de klemtoon meiri cmisa, om der wille van de Toonioozo maat, uit drie klemtonen, accenten of slagen bestaande, op beklemtoonlt;J-het woord enen, ofschoon het hier niet als telwoord gebruikt wordt, en dienvolgens uit zijnen aard toonloos is.

Ziedaar dus een bijdenkbeeld willekeurig beklemtoond.

Ja, om der wille van het metrum kan men den klemtoon op toonlooze aanhangssyllaben laten vallen U).

Zoo vinden wij :

/ P I f

Comt voort, comt voort sonder verdrach (2),

t r t t

Haer momlcken, haer oochskens claer(3),

Men denke niet, dat men die verzen anders en aldus te scandeeren hebbe ;

r ft f

Comt voort, comt voort, sonder verdrach,

t t !

Haer mondeken, haer oochskens claer,

Neen, de melodieën in de Sout. Ps. 123 en 26, zoowel als de rijmen -van W. v. Z. v. N., zoowel als de verschillige strophen van den oorspronkelijken tekst, bewijzen dat de eerste scansie de ware is :

ocr page 28

— 14

Ps. 123 luidt:

iüüi

t—i—

Sout. Str. I. En hafl ons God niet by - pc - staen A. L. Str. I. Comt voort, remt voort son - der ver - drach wachter sin - gliet sijn da-ghe-lics liet leide hem op liaer borst - kens ront, lei - do hom op haer

2. Die

3. Si

en Ps. 26 :

Sout. Str. I. God is mijn licht, mijn sa - lich - eyt A. L. Str. I. Ic weet een vrou - ken wel be - reit » 3. Haer mon - de - ken, liaer ooch - skensclaer

Het 2110 vers, l8,c strophe, Nr 91, A. L. uit drie slagen bestaande, moet men integendeel, volgens den algemeenen regel, scandeeren :

r r '

Si heeft mijn herteken bevaen.

Een ander voorbeeld van beklemtoonde aanhangssyl-labe vindt men in eene variante van ]Sr 18 bl. 24, A. L.l1).

Ps. 59.

P

iap—P-

lief - do

dan

noit en

Daer

was

p

I

• /

A.L. gloot.nochen heeftghe-weest mijns le-vens du Var. gloet, en-do heeftghe-weest al - le mijn le

rpü

9=

ren. ven.

1

Deze variante komt voor in een liederenhs. der XVI0 eeuw behoord hebbende aan een Rederijker van Ronse (Oost-Viaanderen).

ocr page 29

— 15 —

Er bestaat dus geen twijfel of men zong hier :

• t

alle mijn leven.

Nog een ander voorbeeld van willekeurige beklemtoning Versprinfren

levert het verspringen van den klemtoon op het einde van wlmtoon op

het vers, in hel rijmV): oftemid'tn

, i , i van het vors.

Elc si gemoet ghelic een Lupaert,

A. L. Nr 6. bl. 10, str. 3.

r t f r

Se en sal haer nimmer meer, af gaen.

A. L. Nr 38, bl. 53, str. 1, Ps. 17.

t / t Dat si di aerde op groef,

A. L. Nr 73, bl. 108, str. 12, Ps. 4.

f r f

Ic en sal u niet in laten,

A. L. Nr 94, bl. 141, Str. 2. Ps. 11.

ti ''

Haer eerbaer -wesen, haer claer aenschijn,

A. L. Nr 3, bl. 4, str. 2, Ps. 16.

ii ii Zo zijn gevaren naer Island,

Chants populaires des Flamands de France, N' 67, bl. 256, str. 1.

terwijl in dit laatste lied op eene andere plaats het woord Island klinkt volgens de gewone taal

r t ' t

Wel Island gij 'n bedroefde kust.

Maar ook midden in het vers, in samengestelde woorden zooals aenschijn, ivantroime, en afgeleide woorden zooals • viant. vindt men dergelijke accentverplaatsing, niet meer willekeurige beklemtoning van bijdenkbeelden, maar accentverplaatsing bij syllaben, die hoofddenkbeelden

(1) Zie Van Helten, t. a. p. § 20, die onder anderen als voorbeelden

r r r / r

opgeeft: « Darise te sprekene sinen viant, » Alex. IV, 1273; « hi sach i i

Bine ogen ende sijn anscijn, » Rose, 1381.

ocr page 30

— 16 —

uitdrukken, en dus uitzonderingen op den algemeenen regel vormen.

t tii Dat hoeft haer claev aenschjn ghedaen.

A. L. N1' 147, bl. 219, str. 2, Ps. 75.

Wantrouwe van allo wivon.

A. L. N'-98,W. 147, str. 1, Pa. 18.

f I t

Dat mijn vianden sijn.

A. L. N1' 73, bl. 108, str. 2, Ps. 4.

De twee laatste voorbeelden hebben, volgens de muziek,

onontbeerlijken voorslag.

sijn

9-—ö---r-

3

—r--| .....

----

M s ^

□J—-J ^

:—É ®

- u

- rr:

-_|L_p—

Want - trouwe van al - le wi - ven

Dat mijn vi * anden

Schijnen scansien als vianden,^) aenscMjn, en dergelijke vreemd, men mag niet vergeten, dat, alhoewel het volk, zooals Ambros zegt,(2) in het lied gewoonlijk ware declamatie betracht en den waren klemtoon treft, er

1

Bokma-NS, Sinte Christ., Inl.LXII, scandeerde,ten bewijze der twee-sylbige dalingen :

' . ' ' '

Want hi die vianden woudo bestaen.

Het voorbeeld was hier niet beslissend, want men kan het vers ook scandeeren, zooals P. v, D., Versbouw, I, 152, voorstelt:

t t t r

Want hl dio vianden woude bestaen.

2

Oeschichte der Mvsik, 2® uitg., II, 309 : « lm Kirchengesange war man dem natürlichen Accent der Worte, Sylbon und Redesatze unbe-fangen und als etwas Selbstverstandlichem gefolgt, me auch dus Volk in seinen Lkdern durchgehends gans mstinltmüssig richtige hcclamalion beoh-achtet. n

ocr page 31

— 17 -

oulings ook verzen waren, waarin het rhythmisch gevoel niet werd geëerbiedigd, met een woord, dat er oulings ook gebrekkige verzen werden vervaardigde1).

Ziehier voorbeelden van onlehlemtoonde hoofddenkbeelden :

ii li Doen si in haors litfs armen lach

A. L. N1quot; 45, bl. 63, str. 8.

Want hoe zoude men anders die woorden brengen op de muziek van het daarmede overeenstemmende vers der eerste strophe :

It ft

Hoe stille dat dat water stont

Ps. 14.

Hoofddonk-boelden onbeklemtoond.

$

êI 0

znz

Str. I.

n 8.

hoe doen

stil - le si in

dat

liefs

dat haers

water stont armon lach

Van mijns liefs daerder kelo,

A. L. Nr 133, bl. 200, str. 4.

Ps. 81.

Hl seide, God groet u, rene,

A.L. Nr Gl, bl. 91, str. 2(2).

t r r f

die jonghelinc op sijn vale ros trat.

A. L. Nr 19, bl. 25, sir. 5.

I lil

Laghe hi in sijns l/oels armkens blanc.

A. L. Nr 38, bl. 53, Str. 6.

3

1

P. v. D., Vei-sh., 1,149.

ocr page 32

en misschien wel te zingen :

ff f f

Laghe hi in sijns boels armkens blanc.

Men zou wellicht in de voorgaande voorbeelden willen scandeeren :

f t t f Doen si in haers liefs armen lach

Van mijns liefs claerder kele,

maar nergens in onze liederen ontmoet men twee elkander onmiddellijk opvolgende accenten, maar wel;

f f f Dat dede vrou Venus bloet.

A. L. Nr 2, bl. 3, str.3.

f f /

Mer die vrou Venus scliinct

A. L. Nr2, bl.8,8tr.6,

r r

Vrou Vénus bloet

A. L. Nr 101, bl. 152, str. 1.

en dit volgens den muzikalen regel: geen slag zonder opslag, geene beklemtoonde syllabe, die niet ten minste van èèm onbeklemtoonde gevolgd wordt, geene thesis zonder arsisW.

Het woord mou in de zoo even aangehaalde voorbeelden, maakt eene uitzondering op den regel, die wil, dat de syllaben die hoofddenkbeelden uitdrukken, beklemtoond

(1) « Entro deux ictus il faut une syllabe au molns, deux syllabes inter-médiaires au plus. — Deux syllabes accontuées qui se suivent immediato-ment produisent une cacophonie, n Gevaebt, Hist, et théorie de la Mus. de ïant., II, 94. — Do prosodisten noemen omgekeerd den zwaren tijd (frappé) arsis en den zwakken (levé) thesis. Die verwarring bestond reeds bij de Grieken. Ambros. Oesch., I, 406. Gevaert, Hist., II, 19. — Is de regel « geene thesis zonder arsis n ook toepasselijk op het niet gezongen Dietscli vers? Boemans [Leven van Sinte Christ., LXI, aangehaald door P. van Dutse, Versb., 1,147), meent ja. Jonckbloet was van een ander gevoelen, P. v. D. stemde met dezen in. — Ia onze liederen ontmoeten wij twee, drie en tot vier syllaben in arsis.

ocr page 33

zijn. Dr Van Helten(l) stelt die uitzondering insgelijks vast. Stond het woord vrou hier in thesis, het woord Venus zoude in arsis moeten staan, doch daar dit laatste het voornaamste is voor den zin, ontvangt het den klemtoon of slag.

Ps. 5.

ijN—

A.L.Nr2,str.3. Dat de - de vrou Ve-nua bleet,

Zoo staat insgelijks het adjectivum dat doorgaans met het substantivum gepaard gaat, als in schone vrouwen, schoon lief, rijc God, corte wile, enz. gewoonlijk in arsis^ en dergelijke scansie, zooals voornoemde schrijver dan ook terecht opmerkt!1), stemt overeen met het dagelijksch spreekgebruik.

1

t. a. p., bl. 30, opmerk.

ocr page 34

KAPITTEL III.

NOTEERING.

Muzikale I'1 muzikale schrijfwijze der Sout. worden de vol-

teokencn. gen(je teekenen gebruikt :

Longa.

Brevis. Somi-brevis. Minima. Semi-minima.

- -W-of-B---ö* -

--§—-

--é---

--f--

quot; 1

—;—

-'--

De brevis verdeelt zich als volgt :

« i « ? ! I M

rttntttt

of :

tmttitmtt

Het punt na de noot geplaatst, verlengt deze met de helft barer waarde.

Als rustteekenen vindt men :

minima.

Waarde dor brevis; semi brevis;

ocr page 35

_ oi _

De longa wordt alleenlijk gebruikt op het einde der melodie, in den zin van het modern orgelpunt.

De ligatuur, die van vroegere noteering afstamt en bij welker gebruik de noten met dubbele waarde, voor het oog, geschreven zijn, doet zich voor in Ps. 8 :

jj^—-j-p----lt;2*4^

waar zij het moderne verbindingsteeken voorsteltU), en zooveel beteekent als :

De vorm « J . insgelijks van oudere schrijfwijze afkomstig, geldt zooveel als ©'• j ; in Ps. 136 der Sout.

(uitg. 1564) vindt men beurtelings beide vormen tot het aanduiden derzelfde musicale waarden gebruikt.

In de uitgaven der Sout. die wij onder het oog kregen 1540, 1564, 1584,1613(1), worden nog geene maatstrepen (barns de mesure) aangewend.

De minima treedt als tijdmaat, rhythmische eenheid Maat. o^ uit hare evenmatige herhaling ontstaat de maat :

e ft ft i i' n' 11 f

1

De jongste uitg. der Sout. dagteekont zooals wij reeds zagen vaa 1(513.

VJ3) Bij de modernen wordt do quartnoot als tijdmaat aanzien. Wij zijn dus gerechtigd, wanneer wij do Sout. in moderno noteering brengen de waarde der noten in de oude notatie, met do helft ( ^ — ,• ) te verminderen.

ocr page 36

Hhythmus. Uit de verschillige verdeelingen die binnen de palen der maat plaats hebben, ontstaat de rhythmus :

e rrrTrirïri

De overwegende' maat in de Sout., zooals in alle oude volksmelodieën is de tweedeelige maatU). Zij wordt aangeduid door heffen en zinken van de hand of van den voet, — vandaar het woord versvoet(1) — door opslag en slag, want de opslag [auftakt) gaat natuurlijkerwijze den slag vooraf.

Thesis. Arsis. De beklemtoonde syllabe, buiten de uitzonderingen netri causa, ontvangt den slag; zij staat in thesis, de onbeklemde staat in opslag (arsis).

Tweedeeiige De eenvoudigste rhythmus ontstaat uit tweedeelige maat, door het onmiddellijk opvolgen van thesis en arsis, die zelfs wanneer beide gelijke tijdwaarde hebben, toch ten gevolge van het zwaarder accent, dat de slag medebrengt, in kracht verschillen :

2 j j i j j i .r .r .m

f f Soe - te weer-de lie - ve - ken

Andere rhythmus kan, zonder verandering van maat, spruiten, b. v., uit verdubbeling der arsis :

2 j i j .r ^ i j j i j j i j

/ tii Ic la - te bi u dat her-te mijn(3)

1

Accentverzen zoowel als metrische verzen bestaan dus uit versvoeten.

ocr page 37

of uit driedubbele arsis :

I J I J J*J*I J J I J

So dwin-ghet u die haghel/lia cou-do snee(l) of uit vierdubbele arsis, die zich echter weinig voordoet:

• JIJ///ƒlJ JlJ Jlj

' r r

En la-tet u niet so na ter her-ten gaon(2).

Dat men hier inderdaad met vierdubbele arsis te doen heeft, blijkt uit het derde vers der eerste strophe van hetzelfde lied :

J I J J 1 J J i J J 1 J

f ' /

Want wie ver - borghen hoeft sijn lief.

Andere voorbeelden van vierdubbele arsis zijn :

A

3

2=2.

do

i

/ gt; Nu moet ic met u-wen kin

bli - ven(3).

Het 4de vers der eerste strophe van hetzelfde lied biedt de volgende scansie aan :

3^=

-i—i-

-4—p_

Ge - brócht in groot

3

el

len - de.

amp;

•g-jg-

hi

he-vetvan si-nen scho-nen boel ghe - dicht,(4)

ocr page 38

Het vierde vers der eerste strophe van hetzelfde lied heeft tot scansie :

Doen mijn

De vierdubbele arsis is ook wel in de niet-gezongene M. E. poëzie te vinden, bijv. :

r r ff

met enen ververeleken anschine; hoert hoe(l):

De driedeelige maat vindt men zelden in de Sout. en dan nog wisselt zij gewoonlijk af met de tweedeelige :

Het was een clercsken dat ghinc ter scho - len.(,2)

P

lief-ste

—K-

-9,-.

—1— i

-i

IP arii-rr-

-g i-É J..

—J-

-2-quot;

Str. 1. Ic weet een uit-ver-co-ren, si etaet vaste in mi-nen Bin. Str. 2. Daerio eens was wil-le-co-men, hieten si mi el-ders gaan. (3)

De melodie van Ps. 3, « Na die wij se : Het regende seer ende ic werd nat, » die in de Sout. uitg. 1613, zooals bij Clemens n. p. in tweedeelige maat voorkomt :

m

(1) Bormaks. Leven van lt;S'0 Christina de Wonderbare, V, 1796, en Inleiding, LVIII.

^ w f

Do scansie met e nen door B. als dubbele voorslag aangegeven is niet te verdedigen. Het is ook gansch onnoodig, zooals B. voorstelt, liet stelsel van Joncbloet in te willigen, en lek of iets dergelijks te lezen, in plaats van leken.

(3) Willems. Oude VI. Lied., Nr 77, bl. 194, str. 1, v. 1 (Ps. 1).

(3) A. L. Nr 99, bl. 149, str. 1 en 2, v. 1 (Ps, 32).

O Heer hoe sijn - so so mo-nich fout mijn

êE=ÊÊ

1

boel

die

•was

Driedeelige maat.

«L.- ii

it

ocr page 39

— 25 -

t

wordt in eene andere liederverzameling Den Oheestelijcken Nacldegael (Antw. 163-4) eerste deel, bl. 138, met aanduiding der driedeelige maat — eigenlijk de samengestelde maat in | — aldus teruggegeven :

Hoo glo - ri - eus, En hoe ma-gni-fljck, Ik

Doch zelfs waar men driedeelige maat aantreft, wordt deze in de noteering der Sout. bijna zonder uitzondering, door tweedeellge maat teruggevenC1), zooals blijkt uit de uitgave van Clemens non papa, opnieuw, ditmaal m partituur, met aanduiding der maatstrepen, door Commer uitgegeven!2).

4

(

1

F. quot;W. Arnold in zijne uitgave vnn hot Lochcimer Liederbuch, verschonen in de Jahrbücherfür musihalische Wissenschaft, herausgegeben von Friedrich Chrysander, meiier Snnd (1867) Inleiding, bl. S9, is van meening dat de Contrapuntiston aldus handelden « da sich der tingeradü Takt für die contrapunktische Behandlung, » namelijk voor het gebruik der syncopen, « nicht so günstig erwies, wie der gerade.... »

2

Collectio Musicorum Batavorum Saeculi X VI, XI'' doel, uitgegeven door Fr. Commer (Berlijn 1857) naar het eenig bekend volledig exemplaar van Clemens' werk tor Bibliotheek van Berlijn berustondo, Clemens non papa bewerkte do Sout. met drie partijen; zijn werk maakt do laatste afleveringen (4, 5, 6 en 7) uit eener muziekverzameling, waarvan Tielman Susato, componist en drukker, te Antwerpen in 1551 de uitgave ondernam, en verscheen aldaar in 1550-1557.

De Brusselscho bibliotheek bezit een exemplaar der Tenorpartij behelzende do afleveringen 4, 5 en 6, dat vroeger aan Verhoeven, daarna aan Van Hulthem behoorde. Deze laatste, volgens eene aanteekening van zijne hand, en na hem Snellaert namen die afleveringen voor de « 4e, 5° on 6e muziekworkjens van Clement. » Zie, Willems, Oude VI. Lied. Inleiding, XXVIT, nota. — De ouden lieten alleen do afzonderlijke partijen hunner werken verschijnen; de oudste gekende partituur (buiten eene compositie van H. Isaac, 1493-1519, waar de vier stemmen op den notenbalk in verschillende kleuren geschreven zijn, facsimile in H. lii'.i.-lebmann's Contrapuriht, uitg. 1887,bl.65, zie mede : H. Riemann, Musik-Lcxicon, uitg. 1887, woord ; Partitvr) dagteekent van 1577.

4

ocr page 40

— 26 —

i^=e=e!EËEe=g=^g

Superins.

Sa-lich is die man on goet ghe - he -

m

2—si—^

;zSï=i=

Tenor (Volksmelodie).'

Sa - lich is die man en goet ghe - he -

Bassus.

Sa - lich is die

—sl—J—Ji'-

man en goet ghe - he -

S

Ê3=iEE

ten, die tot den boo

en gaet, nocli

sen niet

tot den boo-sen niet en gaet

Oquot; ten

die

m

3=

tot den boo-sen

die

ten

quot;O

niet en gaet

Ondertusschen blijft het eene vraag of dergelijke melodieën door liet volk op den oorspronkelijken tekst niet geheel en al in driedeelige maat gezongen werden, en niet zouden moeten in die maat volgender wijze genotèerd worden :

Hetwas een clercsken dat ghinc ter scho - len,sijn eerste

£:

=1=

=1—-F

les-ken en con - stehi niet wel, sijn jono dom enz.

Althans hebben wij getracht, rekening houdende met de metriek onzer liederen, die op de gesprokene taal berust, overal de noteering der Sout. zoo getrouw mogelijk terug te geven.

ocr page 41

Waar de maat wordt aangewezen door het teekcn 3 Maat in bij den sleutel geplaatst, heeft men niet met driedeelige maat, in den modernen zin, te doen, maar wel zooals wij onmiddellijk zullen zien, met tweedeelige samengestelde maat, voortspruitende uit twee saamgevoegde en in triolen verdeelde semi-breven :

en in moderne maat weer te geven door

S J J J 1 J J J 1

Zooals blijkt uit de hierboven gemelde voorbeelden, Voorslag vangt de melodie niet altoos op den slag aan; integendeel daar de opslag (levé) den slag (frappé) natuurlijk voorafgaat, is het even natuurlijk, dat melodie en tekst met voorslag beginnen.

Onze liederen beginnen dan ook, bijna zonder uitzondering, in opslag (auftaktig)!1).

Men mag zeggen, dat in het volkslied bijna alle verzen iambisch beginnen, terwijl de thetische vorm (begin op den slag) slechts bij uitzondering voorkomt.

Voorbeelden van voorslag zijn :

Enkele :

A. L. Nr 73, bl. 108, Ps. 4. o—o —o —o

TP—k—8--f—

--1--1—quot;

''Str. 1. Het

l J 3 1

daghet

—J—•

in dan

Oos

ton

(1) Over de anakrousis (voorslag) bij de Griolcen, Gevaeet, Eist. 11,22. Zie mede, Dr Fuchs, Die Freiheit des musihalischen Vortmges. Danzig, 1885, bl. 90, welke don voorslag (auftakt) met den menschel ij ken gang, den marsch, en met de ademhaling vergelijkend, dien « ein den menschen an-und eingebornes urgesetz » noemt.

ocr page 42

— 28 —

Dubbelen

A. L. Nr93, bl. 141, Ps.7. oo —o —o —o

Sgt;—4—

t)

Str. 3. So en wordi niet be - dro Dried ubbelen :

A. L. Nr 45, bl. 63, Ps. 14. o o o — o o o — o — o

3 ' ^

i

ghon.

tf

Str. 20. Van mi en sul-di niet gho - dra - ghen wer - den. Str. 27. So sal ic u tot e-nen wi - ve trou - wen.

A. L. 38, bl. 53, Ps. 17. o o o — o o o — o — o

3

J5—

~z*- t ■

Str. 2. En hoeft mijn ber-te-kon so seer be - ran-ghen

A. L. Nr 91, bl. 136, Ps. 26.

Str. 2, Die al-der - liefste die ic be - min

A. L. Nr 94, bl. 141, Ps. 27 :

O O O / f f

str. 2, mach ic noch leven een cort half jaer

o o o / r r

str. 4, hi vint hem selven tor doot ghewont.

Zulke voorslagen zijn door de muziek en ook door de vergelijking met de overige strophen bewezen.

Hierboven, bl. 19, zagen wij het adjectivum, dat gewoonlijk met het substantivum gepaard gaat, zooals in schone vrouwen, corle wile, ook doorgaans in arsis staan;

ocr page 43

— 29 —

in het begin van het vers vormen zulke adjectiva de anakrousis en zetten aan hetzelve meer leven bij.

Dit is ook het geval met uitdrukkingen als Hoort toe, Comt voort, enz.

Het schijnt ons integendeel onmogelijk, zooals een schrijver het wil doenO-), de in de volgende verzen gecursiveerde woorden als voorslag te beschouwen.

Reinaert sprac : Neve houddi u spot,

Sinte Martins vogel ende quam ghevloghen,

Ai hce droeve bleef vrouwe Hermeline.

In het eerste vers bestaat er geen voorslag, het tweede vers heeft er een dubbelen, het laatste geen, ten ware men het als een vers met drie accenten aanzag :

— o—: — ooo — (2)

—t

-r—

sy_ö_g=d

Rei-naert

—•—

eprac 0

F— ) - 0 •

Ne - veliout -00 0-0-0 i -ft—v

-di u

._i—r»

—topspot?

—J—J—

_j—■_

* é 1 é ë-

é ë

-- J 1

Sinte Martins vo-ghel en - de quam ghe - vlo-ghen,

(1) Heinaard de Vos, 2quot; uitgave, 1885. Inleiding, XIII, door J. De Gbytbr.

(2) De twee onmiddellijk in de niet-gezongene poëzie op elkander volgende accenten zijn uit te leggen door de punctuatie. (Zie : Pkudens van Duyse, Versb. 1,148).

Bovenstaande muzikale scansie volgt de gesprokene taal; maar men zou ook kunnen scandeeren :

r tri

Reinaert sprac : neve houddi u spot?

Vele Mnl. verzen kunnen op twee, drie verschillige wijzen gescandeerd worden (Zie : Van Helten Mid. Versb. § 85). Hetzelfde geldt natuurlek voor onze liederen.

ocr page 44

30 —

■0-00-00-0

3=È

Ai lioo droe - ve bleef vrouweHer-me

of met drie accenten :

li - ne

p—p—i----J—h-f—d—

k=é-'

--z?—J—^--É—i

lZ^I

Al hoe droe - ve bleef vrouweHer-me - li - na

Integendeel, moet men, in strijd met de zienswijze van denzelfden schrijver C1) scandeeren, niet :

f /

Frisch over de heide

maar wel met voorslag : « Frisch óver, t zooals het door de melodie bewezen is :

Al o-ver de groe - ne hei-do, frisch o-ver do hei-de

Kon er dienaangaande de minste twijfel bestaan, dezelfde scansie zou blijken uit eene andere melodie van hetzelfde lied, welke door J. Lemmens in de Brabandsche Kempen werd opgeteekend(1) :

Hier klinkt het insgelijks a locht óver, » het woord locht » dient tot voorslag.

1

f2) Zie onze aanteekeningen op dit lied in de Ned. Dicht- m Kunstholle, 1887, bl. 343,

ocr page 45

— 31 —

Zonderling mag het heeten, dat de voorslag in een vers aangewend, in de daarmede overeenstemmende verzen der overige strophen niet altijd wordt teruggevonden :

A. L. Nr 98, bl. 147, Ps. 18.

■Jfs---)-

1—^

^ w. -------

iS quot;T ^

-1—T-f-

E«—J 1-j

Weglaten van den voorslag.

V.I. Str. 1. Ie hadde een ghe - sta - dich min - ne - kijn,

n » 4. Hoe soude ic haer ver - ghe - ten,

n » 5. O Ve - nus soe - te vrou - wt,

n »2..... Twoe bruin o - ghen so dra-ghet si,

te weer

n ïï 3..... Soe

A. L. Nr l,bl. 2, Ps. 56.

de lie - ve - ken,

pÊ

' ö

Str. 1. Str. 6.

Tot Rein

meu vat

mm

op een maech-de - lie

so wil ic daer wi

i—r

P

m

züz

troost

tsa

den, don.

ver - bei men ver - huech

Ten opzichte der muziek heeft het weglaten van den voorslag niets aanstootelijks, wanneer hij geen deel uitmaakt van de melodie.

Maar nu doet zich de vraag op, wanneer maakt de voorslag al of niet deel van de melodie uit?

ocr page 46

— 2,2 —

Die vraag moet feitelijk beantwoord worden.

De regelen dienaangaande door Mathis LussyC1) vastgesteld, berusten, zooals Dr FuchsC2) bewijst, op loutere willekeur.

Zooals wij hierboven zagen, ligt de voorslag in de natuur en hebben onze liederen dan ook gewoonlijk den voorslag.

Men kan zeggen, dat de -voorslag deel uitmaakt van de melodie :

a) Wanneer hij slechts eene anticipatie is, en die noot laathooren, welke onmiddellijk herhaald wordt, zooals in bovenstaande voorbeelden getrokken uit Ps. 18 en 56.

b) Wanneer hij de noot herhaalt, die onmiddellijk voorafgaat.

A. L. N' 98, bl. 147, Ps. 18. N. B.

J|gt; J H J |J |j

W W

Str. 1. Want si mi nu be-gheeft, daar-om mach ic wel schri-ven. Str. 2. Seer Belden ben 1c bli, we-der ic ete oft drin-ke.

Men zal schrijven met voorslag:

Ps. 1.

- -

JÊ=MZ

ffir.

2—P-

,j - -r—ir-

(■Wil.Nr35. Str.1) Sijn jonghe dom lier-te-ken viel in do - len

Zonder voorslag :

1

(Wil.ib. Str.3) Maar hi dacht hi sou-do ver - lie - sen.

1

quot; Le rhythm musical, son origine, safonclion et son accentuation n, 1883.

2

« Die Freikeit des mus. Vort rages ».

ocr page 47

— 33 —

In Ps. 4 : « Het daghet in den Oosten » moet men dus zingen, in de vijfde strophe, niet zooals de tekst van het A. L. Nr 73, bl. 108 (Ps. 4) luidt :

Tmeisken nam haren mantel,

maar wel met voorslag, zooals die gevonden wordt in de eerste strophe ; « Dat meisken » :

piii

--j—T

44—a-P-g»-#- 4-i—f-

- _,_____: :ïz~

Str. I. Het daghet in den Oos-ton, hot lichtot o-ver-al, Str. V. Dat meisken nam haren mantel, en-do si g-hine enen ganc.

Schijnt de herhaling in de achtste strophe van hetzelfde vers « Tmeisken nam haren mantel » te bewijzen, dat men inderdaad zou gezongen hebben :

Tmels - ken nam ha-ren man - tel,

zoo mag, ja moet die onverdedigbare scansie verbeterd worden, des te meer daar de Platduitsche teksti1) den voorslag heeft ;

f t t Dat medeken nam ere mantel,

en men « Bat meisken » bij het begin van het vors in str. 10 van hetzelfde lied aantreft.

Hierboven scandeerden wij, volgens de muziek :

/ t f Ende si ghinc enen ganc;

de scansie :

' f /

Ende si ghinc enen ganc

ware misschien natuurlijker; doch door middel der eerste wordt de onontbeerlijke muzikale voorslag bewaard.

5

1

To vinden bij Willems, Oud. Vlatmche lied., bl. 112, overgenomen iiit Uitland, Volkslieder.

ocr page 48

— 34 —

In str. 2 van Nr 2, bl. 3, A. L., zou men willen scan-deeren ;

' '

Ende ic ghinc van daer;

volgens de muziek, heeft men vroeger gezongen :

/ t /

Ende ic ghinc van daer :

2.__a—-__p—

m m

P

■

4 * V

r r-

Str. I. Want om Str. III. Al mijn Str. II. En

een dia bloet nam do ic

ic eens

si - non ghinc van

sach, vloet, daer.

In hetzelfde lied, eerste strophe, moet men lezen, in plaats van « thert is » : « dat hert (of « herte ») is, » zooals

men overigens in de tweede strophe vindt:

^ *

i

hor - to dat hor-tois door

Str. 11. Str. I.

Bat Dat

docht mi te straelt van bre - ken, min - ne.


Volgens de melodie van Ps. 1 der Sout. moet het volgend lied (Willems, ]Sr 75, bl. 194) in de aangehaalde verzen met voorslag gezongen worden ;

i

ÉizJ=hriL_*_*_L • ë

Sijn eor-sto les-ken en Dorst hi dat wel op con - stehi niet wel, a - von - tuor.


Hetzelfde heeft plaats in Nr 221, bl. 343, A. L. (Ps. 6);

^---■—t—

. « S-s .

4-•----•--

^--

Het js so Wil - di u

wel ghe ton-ghe be

cie - ret, dwinghen,

ocr page 49

en in N'93, bl. 140 (Ps. 7) :

Die ic laotst coos is troos-te - loos,

Peinst om dat eint eer ghi bo - gliint.

Het is door de muziek der Sout. bewezen, dat vele verzen die men geneigd zoude zijn zonder voorslag te lezen, onder bet zingen werkelijk voorslag verkregen.

In den regel bestaat de voorslag uit éene, of twee, zelden uit drie onleAlmioonde silben.

Woorden die integendeel geroepen zijn om den klemtoon te ontvangen, in den voorslag te plaatsen, zooals : dorst bi, peinst óm, mlii, is een dichterlijke vrijheid die de volkszanger zicb soms veroorlooftC1).

Als eene verregaande vrijheid moet men aanzien :

O O ' ' '

« SchDidon is mi gheworden pijn. (2) »

De oude componisten vingen hunne meerstemmige werken, bijna zonder uitzondering, zelfs bij iambisch metrum, op den slag aan®. Vandaar de gewoonte, ook bij eenstem-

1

Deze soort -mn gedichten (volksliederen) staat te zeer buiten de gewone norm en kenmerkt zich ook in andere opzichten door zonderlinge eigenaardigheden. Van Hei.ten, Over Middelncderlandschen Versbouw, bl. 91, nota.

ocr page 50

3G

migen zang en bij iambisch metrum, op den slag te beginnen. In de Sout. vindt men,

Ps. 4 :

IÖ_

on

Oos - ten;

3=3ee£

Als ick riep mot ver-lan-ghen, Wereldsch lied ;

%=ltl

Hot da-ghot in don

Ps. 27 :

zaz

Tot u so sal ick Hoo Wereldsch lied :

Se

-a

m

Ick gliinc nocli ghis-ter a

Echter wordt de voorslag in dezelfde verzameling ook aangeduid door voorafgaande rustteeken,

Ps. 67 :

vont.

—1----1--1—

Laot ons den Hoor dor Hoo-ren.

In elk geval dient de voorslag, bij het overbrengen in moderne noteering, volgens de vereischten der taal en der metriek hersteld te worden, en zal men schrijven :

• gt;

Hot da-ghot

m

Oos - ten,

in den

i

tf ' --1-quot;

Ic ghinc noch ghis-ter

ÊS

vont.

ocr page 51

— 37 —

Wat den zanger niet belet bij de aanvangsnoot, waar de stem zich stelt, op diezelfde noot een weinig te rusten of te drukken, alsof er stond in gansch moderne noteering ;

3=

Hot da - ghet in den Oos - ten.

Men weet, dat er in de muziek eigenlijk slechts twee Maatsoorten, soorten van maten bestaan : de tweedeelige en de drie-deeligeW.

In beide valt de muzikale klemtoon, het accent op den slag of eersten tijd, thesis, terwijl de tweede tijd der tweedeelige maat, en de tweede en de derde tijd der drie-deelige in arsis staan. Echter kan, bij indeeling der drie-deelige maat, de derde tijd een accent bekomen :

1 Jquot; / / I J / / I J .N ,

r t ft

Hot was een clercsken dat ghinc ter scho-len.

De andere muziekmaten zijn slechts samengestelde maten (2).

Aldus zal men in reine, d. i. niet samengestelde maat,

schrijven :

l JIJ JIJ JI J'J IJ JI j J IJ J

Aanhoort al mijngo-cladi, glü rui-ters vri van sin-nen,

t J I J J N J U J I

Aen - hoort al mijn ge - clach, enz.

(IJ De vijfdeelige maat is in onze liederen onbekend, ten ware men als in zoodanige maat geschreven aanschouwde do verdeeling ;

/K • • • • • nf o3» m m

(P 11 i II I I II

die zich dikwijls, doch zonder regelmatig gevolg, voordoet. Over de vijfdeelige maat, Gevaekt, I/ïst., II, 17 en 20.

(2) « Nos mesures de §, de § et de 'g2, no sont que des dipodies, des tripodies ot des tëtrapodios issues du g. » Gevakrt, Htst., II, 33.

X

ocr page 52

— 38 —

Doch daar de reine maat te weinig leven bezit en licht tot eentonigheid zou aanleiding geven, doet deze zich zelden voort1).

Samengestelde Om die reden zijn onze liederen gewoonlijk in samengestelde, meestal tweedeelige, tweevoetige (dipodische) maat geschreven en vinden wij in de latere uitgaven der Soui, namelijk in de uitgave van 1584, en in die van Clemens non papa, in de meeste gevallen de (]} bij den sleutel geplaatst.

Inderdaad, de overheerschende maat in de Sout. is samengesteld uit twee semibreven, die zich elk in twee minima verdeelen; zoodat de geheele waarde der samengestelde maat de waarde der brevis bedraagt.

Door de samenvoeging der twee reine maten, die afzonderlijk genomen beide den slag ontvingen en beide thesis en arsis hadden :

th. ars. th. ars. th.

0 J I J J I J J I J

Aen - hoort al mijn ghe - clach,

ontstaat de dipodische maat — de gewone maat der oude Nederiandsche schooK2) — en verkrijgt het eene deel dezer

1

Les mesures simples sont des groupes trop peu étendus pour que leur retour continuel k l'etat d'unités puisse donner satisfaction k notre sens esthétique; une succession indéfinie de coups d'egale force ëquivau-drait a 1'absence de tout ictus ot n'amónerait qu'une fatigante monotonie, n Gevaert, Hist., II, 25. In denzelfden zin : Dr Hugo Uiemann, Nette Schule der Melodik, 1883, bl. 184 en 187 : « Der rein zweithoilige Takt ist aber sehr solten... weil er zu wenip dynamische Schattirungsfahigkeit, zu wenig Leben hat. Dem Choral ist diese ïaktart angemossen : denn ihm muss leidenschaftslose Rulio eigen sein. v

2

(8)« Die alton Musici haben das 0 genennet: tempus perfectum...Das ([j aber tempus perfectum majus oder signum majoris vel totalis tactus, dieweil sie in donen Cantionibus, wo mit diesem Signo (jj bezeichnet, zwo

ocr page 53

nieuwe maat tegenover het andere zelf het aanzien van thesis tegen arsis; in de moderne noteering :

th. ars. th.

4-

$

Aon - hoort al mijn ghc - clach.

Hierdoor verliezen de tot éene enkele vereenigde twee maten het hun eigen accent (thesis en arsis) wel niet geheel, maar bekomt het eerste deel der nieuwe maat,

die nu tot éenen slag en éenen opslag is geworden, een zwaarder accent dan het andere, en dit verschil is genoeg om de eentonigheid te doen verdwijnen, die uit het bestendig herhalen der reine maat zoude ontstaan.

Ps. 2, 6, 99 en 116 (uitg. 1584) zijn aan den sleutel Triolen, met 3 aangeteekend. Doch het valt gemakkelijk te zien,

dat de melodieën aldaar aangegeven, in triolen geschreven zijn en tot de tweedeelige maat behooren,

Ps. 99 :

Den Hee - re ghi aort-rijc al ge-meyn, Vruecht

wilt be - wij - sen proot en cleyn;

SeMtbreves und also zweette Tactus nnnores auf einen gar langsamen Takt den die Itali alia Breve genennet also mensuriret haben, das eino Q oder n in dcpressione (slag) die andere ^ oder beiden Minimse in elevatione (opslag) Tactus sind gesungen worden, n Michael Praetorius (1618), aangehaald bij Dr Hugo Riemann, Studiën xur Geschichte der Notenschrift, bl. 265. Zie mede, Gkvaert, Hist., II, 333, nota... Au XIV« siècle, en même temps que récole beige, la mesure binaire apparait, et prend bientót un développement tel, que chez les contropointistes du XVI0 siècle le trois-temps devient une rareté. Zie hierboven, bl. 24 en volg.

ocr page 54

I

•/gt;-

Elders wordt de tweedeelige triolenmaat (|) aangeduid door het teeken (jj 3, zooals in Ps. 130(uitg. 1584) of 3 0, zooals in Ps. 2 en 86 (bewerking door Clemens n. p. uitgegeven door Commer).

Een stellig bewijs dat het teeken : 3 de tweedeelige maat in aantoont, vindt men in de uitg. van 1564, waar Ps. 2 met 3 0 aan den sleutel voorzien is, terwijl dezelfde melodie, zooals wij zagen, in de uitgave van 1584 slechts met het teeken : 3 aangeduid wordt.

In onze liederen wisselt de maat in 0 eiken oogenblik met de maat in hetzij deze wisseling, die eigenlijk geene maat- maar alleen eene rhythmusverwisseling binnen de grenzen der tweedeelige maat is, in den loop van het stuk door verandering van 3 in 0 aangeduid weze, zooals in Ps. 86 en 130, hetzij diezelfde verwisseling geschiede zonder door eenig maatteeken aangekondigd te zijn, zooals in Ps. 13.

In dezen laatsten luidt de melodie :

i

-t?-

:il—il:==ib

Pb. 13. Een dwaes dio spreoct in sijn ghe - dacht,

quot;VVor. Lied. Rijc God hoo is mijn boel dus wilt,

wat wij vertalen, op het metrum der taal steunende, door

(]} en J Rhythmus-verwisseling.

is mijn boel dus wilt,

$

Rijc God hoo

ocr page 55

— 41

wat men — bewijs dat er geene maatverandering plaats heeft — kan weergeven door de schrijfwijze die wij in onze noteering gebruiken :

ik=z2-

Het volk, dat op een natuurlijke wijze spreekt en zingt, kan immers nooit gezongen hebben, zooals Clemens n. p. schrijft :

$

Rijc God hoe is mijn boel dus wilt,

en, dat Clemens n. p. het wel inderdaad zóo verstond, blijkt uit Commers uitgave :

amp;

-I--t

±z

Superius. | gsllLijL

ËÜ

EiË

dwaes die spreect in syn ge

Een

daclit

Tenor. Volkslied

eE=

ÊË

in syn ge - daclit

^=a==l:

Een dwaes die spreect

T-lt;g-

Bassus.

Een dwaes die spreect wijl de componist prosodieert :

daclit

in syn go

Een dwaes die spreekt in syn gedacht.

Doch de componisten uit die dagen bekreunden zich om geen verband tusschen versbouw en muziek en stoorden er zich niet aan of de slag al of niet, op eene beklemtoonde silbe vieK1).

1

Hetzelfde had natuurlijk bij de Duitschers plaats, zooals door R. v. Liliencron, Die Mstomchen Volkslieder der Deutschen vom 13. lis

G

ocr page 56

— 42 -

Men treft die rhythmus ver wisseling van 0 met ® of omgekeerd, nog op breedere schaal in andere liederverzamelingen nit later tijd aan, zooals bij Starter, Camphuyzen, Krul, en tot op onze dagen bij de Coussemakerl1).

Omgekeerde Nevens den vorm J J (iambus) bieden de Sout. den omgekeerden vorm J J (omgekeerden iarabus(2)) aan.

De aanvang van Ps. 130, luidt :

rfr-k-

Ps. : Mijn hert en is ver - lie - ven

Wer. Lied: Het voer een scheep-ken o - ver

niet, O Hoer wilt hoo-ren na mijn liet,

Rijn, het had-de ghe - la - den vrou-kens fijn(3)

1

J. J. Starter, Frieschc Lusthof, uitg. 1621, bl. 92. —D. R. Camphuyzen, Stichtelijke liijmen, uitg. 1624, — eerste uitg. — bl. 41. — I. H. Krul, Pampiere Werelt, uitg. 1641, 4° d. bl. 18, 24, 31, 32 enz. — Do Coussemaker, Chants pop. des flam, de France, Nquot; 15,83, 101,102 onz.

2

(21 Die dan toch troehaeus blijft, als hebbende den slag op de eerste stelling, zooals R. v. Liliencron in zijne Historische Volhslieder der Deutschen. Aanh. 13, doet bemerken.

ocr page 57

— 43 —

in de moderne noteering

N. B.

EÉESË3

-P—P-

N. B.

fl

■ 5r

g±

-P-P-

i i. ^

Men vindt insgelijks den dubbelen omgekeerden iambus : Dubbele I I I I orngokefirdo

J J J J ; iambus.

SE?a=g=3H^a^=f

Ps. 66: Ons Heer, ons God ont - for - men moet

Wer. Lied: Daor spruit een boom in glie - nen dal,

aldus te vertalen :

-s)—;

$

-r-

Böhrae meent, dat de omgekeerde iambus, door hem « falsche Betonung, eine sonderbarkeit der alten melodik » genoeind(l), in den eenstemmigen volkszang moeilijk uit te voeren is, en zijn ontstaan te danken had aan de vooringenomenheid der contrapuntisten met de quartli-gatuur in discant. Als voorbeeld haalt de schrijver aan :

(ïN^ï

N. B,

r---—

Maar, werd die inderdaad zonderlinge vorm door de contrapuntisten niet gevonden in den vroegoren eenstem-

(1) Altd. Lied. LXVI.

ocr page 58

- 44 —

migen zang, en werd hij niet door hen in hunne meerstemmige compositiën, met veranderingen van rhythmus en maat behouden? Ps. 66 wordt op de volgende wijze door Clemens n. p. teruggegeven ;

Suporius.

'e

t

Tenor (Volkslied).

Ps»: Ons Heer ons God ont - 1'er-mon moot [Wer.Liod : Daer spruit een boom in ghe-nen dal.

e quot;l ^ j

Bas.

-gj—g:

De omgekeerde iambus op de syllabe a ont » van het woord « ontfermen » wordt door C. n. p. in alle partijen aangewend, er kan hier diensvolgens van eene quart-ligatuur geene sprake zijn.

H. Lavoix, die hetzelfde punt bespreekt, drukt zich uit in dezer voege : « II y a selon nous, dans cette sorte de contretemps un problème singulier et nous appuyons nos doutes sur la connaissance du sentiment rhytmique chez le peuple, qui n'admet pas généralement ces subtilités d'un art plus avancé. Poser la question n'est pas la résoudre, mais peut-être un jour pourra-t-on trouver la solution de de ce petit problème dU).

quot;Welnu, dit problema, dat van groot belang is voor het

(1) Eecneil de motets francais des XII' et XIIIquot; siècles par Gaston Raynaud, suivi d'une dtude sur la musique au siècle de Saint-louis, par Henki Lavoix, Ills, 1883, II, 269. In die verzameling komen al de teksten voor van het Hs. van Montpelller, waarvan een deel werden uitgegeven door de Coussemaker in zijn voortreffelijk werk L'art har-monique au XIIe et XIIIquot; siècles (1865).

ocr page 59

— 45 —

overbrengen onzer oude liederen in moderne noteering, schijnt ons sedert lang door de Coussemaker opgelost.

Volgens hem was het gebruiken van den omgekeerden iambus, de Fransche manier van zingen, tijdens de Xlir10 eeuw, terwijl de Italiaansche manier van zingen den eigenlijken iambus huldigdeW,

Wanneer men, zegt de schrijver, den volgenden vorm ontmoet :

----

-!

gt;—4

J—

- -1

- S P- :

rv

-g—d-

A- dam

vau

- ri - ës

--m-u*.

vous ma

noir

3

l

—t—l-1—

—t-1—

_| -i—

--1^-----

\-■

M—

b-i-

i—ï-

—ë—J—

--J----P--

fgt;

ni

k Ar - ras ag men dien a

tou - te dus zingen :

YO

*

vi - e,

lt; a -i -

---1-----

^ 4

- 3=

—1—

—t J

—s) P

O

ï--

-0 m—

---h-

—©—■-

3

4—•

v9 m

F=i=3—i~

—s i

Overigens was de omgekeerde iambus reeds bij de Grieken bekend!1).

Door de gansche middeleeuwen heen vinden wij dien terug, namelijk in het H. S. van Montpellier, bij de nog ruwe Fransche school der XIIde, XIIIde en XIVde eeuw.

1

Gbvaebt, Hist., II, 05,117.

ocr page 60

— 46 —

waaruit onze glorierijke Nederlandsche school der XYic en XVIilc eeuw met den Dendermondschen Ockeghem aan het hoofd, ontstond; in het volkslied tot in de XVIdc en XVII'10 eeuw, onder anderen bij Starter, Friesche Lust-Hof (Amst. 1621); in den Amslerdamsclte Pegasus (Amst. 1627) en in den Oheestelijcken Nacht eg ael (Antw. 163-4). In deze laatste verzameling wordt de besprokene vorm opzettelijk door de schrijfwijze J m uitgedrukt.

Aldus vindt men reeds op de tweede bladzijde :

Als Phae - bus eer - tijda 't Zuy - der

/—„HM2—r^r-

^ ^ r-P-

Cruys, De rug - g-ho keerd' en hcrwaerts aen.

Ja, tot in den modernen tijd wordt dezelfde vorm aangewend bij Gretrj, namenlijk in de beroemde romance van Richard Cmw de Lion :

y m

- -

1

--Ö-

J

fin quot;

G J

m

De

sa triste

a - ven

- til

-

re

y

m n

r*

1

1

sue - cè - de le bon - heur.

Het ware dus geen wonder, als die vorm, welke na het verdwijnen der oude Fransche school en na het uitsterven der alleenheerschappij van den driedeeligen tempus 'perfectum^ iu den eenstemmigen zang is blijven leven, onder de handen der contrapuntisten eene andere inkleeding bekwam, zooals wij hiervoren in Ps. 66, bij Clemens n. p. zagen. In Gretry's lied worden de beide vormen

ocr page 61

— Al —

stellig tot afwisseling gebruikt; in de Sout. kan men die

3 3

zelfde verscheidenheid J J J J

cf J J J J eiken oogen-blik vaststellen.

Dr Loman in zijne uitgave van liederen getrokken uit Maat in 2 Valerius Nederlandschen Gedenck-Glanck'^) doet opmer- eninSofS ken, dat Willems de melodie van Ps. 132, « na een dansliedeken » in | overbracht, en drukt de meening uit, dat deze door ([} moet vertaald worden en wel :

i

d

3

Wie wilt or hoo ■ in plaats van :

ren een nieu-we liet,

i

Ü

Wie wilt er hoo-ren een nieu-we liet zooals W. schreef.

Böhme bracht dit lied insgelijks over in |.

De schrijfwijze doorDrLoman gevolgd en die van Willems zijn beide goed te keuren, volgens de min of meer vlugge beweging, die aan den dans en aan den zang — want onze dansliederen werden vroeger gezongen — gegeven wordt. De dans, zoaals Mone zegt, werd bij de Ouden « getreten », derwijze dat men onder het dansen zingen kon(1). Nu valt

1

Übersichtder Nied. Volks-lileratur, 1838, bl. 219. Zie mede, H. v. F. Hor. Belg., 11, bl. XXXV on Böhme, Oeschichte des Tames in Deutsch-land, 1886. Do Sout. bevatten niet vier, zooals deze laatste schrijver bl. LVI1I vaststelt, maar wol zes als dusdanig aangeduide dansliederen, namelijk Ps. 125, 127, 132, 133, 135 en het lied zonder nr op hot einde dor verzameling quot; Const ic don manoschyn bedoeken n. Tweo dozer liederen zijn in onzen bundel opgenomen, van de overige waarvan wij de wijze in hot aanhangsel geven, ontbreekt de Nederlandschen tekst.

ocr page 62

- 48 —

op te merken, dat de vorm ° bij herhaling gemakkelijk tot * J / overgaat!1).

Vertraging Met het vers eindigt gewoonlijk de zin, of ten minste n r einde5 le ontstaat er eene zekere rust : — het enjambement in van het vers. onze ije(jeren jg uiterst zeldzaam en wordt, zelfs wanneer het in de muziek bestaat, door de melodie, die onveranderd op al de strophen toegepast wordt, niet teruggegeven. — Die rust wordt in de muziek(2) doorgaans, en namelijk in de noteering der Sout., door eene verlenging der muzikale waarde op de laatste syllabe van het vers uitgedrukt, aldus bij staand rijm :

Ps. 5.

3:

s

Aen-hoort Heer mijn ghe-elach, Mijn woor-den wilt.

In zulk geval wordt het tweede vers, indien het met voorslag aanvangt, zooals het meestal het geval is, aan het eerste bij middel van voorafgaand rustteeken gevoegd : Wereldsch lied :

$

ghi rui-ters fraei,

Aen-hoort al mijn ghe-clach

Ps. 48 :

-O—Q—P-p-

i

Ghy al-lep,

|g=fg=

Hoort toe ghy menschengroot en - de cleyn,

Wereldsch lied :

'Tquot;-

dan die van.

SOES

Gheen meerdervruecht ter we-relten is,

ÈÉÉ

1

Geva ebt, Hist., II, 114.

2

Zie, Gevaebt, Etst., 11,126 en volg.

ocr page 63

49 -

Bij slepend rijm wordt die rust, die verlenging of vertraging niet alleen bij de voorlaatste syllabe van het vers, maar gewoonlijk nog bij de laatste uitgedrukt,

Ps. 37 :

fM

(l---1—d-1—-i----—-----——o--

n amp; n r) - ^ rj — n o ^

111-»

w -f-

H

ereldsc

ïer in u tor-nich lij -

h lied :

den

—(--1—

En will

mij,

V—m—

É f 51

—s»—

:=H-

h- N

Andermaal vangt de voorslag van het tweede vers op den slag aan,

Ps. 11 :

isë

Ef=E=ëï

i------

O Heer wilt mij be - liou-wen, Die hoi - ligo is,

letterlijk overgebracht op het wereldsch lied :

:E!Eamp;

hei-me-lie,

* *

amp;

)-2—g—

±2:

±z

Ic ghincnoch gliis-ter en bij samengestelde maat:

b=::

' quot; I?

a - vont so

Wat in moderne noteering kan geschreven worden, met lierstelling -van den voorslag in elk vers, met aanduiding der vertraging op de laatste syllabe van het eerste vers volgens de noteering der Sout. en der rust of insnede, die dan nog na do muzikale phrase ontstaat, ten einde den zanger toe te laten adem te halen :

7

ocr page 64

— 48 —

op te merken, dat de vorm ® ^ bij herhaling gemakkelijk tot a J overgaat!1).

Vertraging Met het vers eindigt gewoonlijk de zin, of ten minste n r einde 16 ontstaat er eene zekere rust : — het enjambement in van het vers. onze ije(jeren is uiterst zeldzaam en wordt, zelfs wanneer het in de muziek bestaat, door de melodie, die onveranderd op al de strophen toegepast wordt, niet teruggegeven. — Die rust wordt in de muziekC2) doorgaans, en namelijk in de noteering der Sout., door eene verlenging der muzikale waarde op de laatste syllabe van het vers uitgedrukt, aldus bij staand, rijm :

Ps. 5.

Aen-hoort Heer mijn ghe-clach, Mijn woor-den wilt.

In zulk geval wordt het tweede vers, indien het met voorslag aanvangt, zooals het meestal het geval is, aan het eerste bij middel van voorafgaand rustteeken gevoegd : Wereldsch lied :

-Ji-JQ----------1---

* i

Aen-hoort al mijn ghe-clach ghi rui-ters fraei,

Ps. 48 :

Hoort toe ghy menschengroot en - de cleyn, Ghy al - lep,

quot;Wereldsch lied : _

Gheen meerdervruecht ter we-relt en is, dan die van.

|

(1) Gevakrt, Eist., ü, 114.

(2) Zie, Gevaert, Eüt., 11,126 en volg.

T

ocr page 65

— 49 —

Bij slepend rijm wordt die rust, die verlenging of vertraging niet alleen bij de voorlaatste syllabe van het vers, maar gewoonlijk nog bij de laatste uitgedrukt,

Ps. 37:

iöi

T~

ï!

Â¥

Heer in u Wereldsch lied :

i

Ic wil mi gaen ver - hue-ghen ver - bli-den.

Andermaal vangt de voorslag van het tweede vers op den slag aan,

tor-nich lij - den En wilt mij,

Ps. 11 :

ÖEEF

O Heer wilt mij be - hou-wen, Die hei - lipe is, letterlijk overgebracht op het wereldsch lied :

jE^EpE^Ep;^FEfSj|

«

■i—r

Ic ghinc noch ghis-ter en bij samengestelde maat:

-7^-2-1-

UL

l_ .

ÉE2—A-

tJ

;_t~t * é

Wat in moderne noteering kan geschreven worden, met herstelling van den voorslag in elk vers, met aanduiding der vertraging op de laatste syllabe van het eerste vers volgens de noteering der Sout. en der rust of insnede, die dan nog na de muzikale phrase ontstaat, ten einde den zanger toe te laten adem te halen :

7

ocr page 66

n

50 —

-JT-S i—

—A—i-1--.

H—i-1-—

lt;)—

-■

—

-s)-p--1-

'j-*

bfcir

^ Ic

wil mi gaen ver

- hue-ghen, ver

- bli-den;

' 3 ^

-TT-S--—

. -1 -

3———rj---m—

-----

fezzzi-

-—F—B--

-24

—F=—

Ic ghinc noch ghister a-vont so hei-me-lie.

Von LiliencronW en Böhme(2) schrijven die noteering toe aan de wijze waarop de middeleeuwsche componisten de verzen in muziek brachten; het staat vast, zeggen die schrijvers, dat zij vers voor vers in muziek stelden, zonder zich te bekreunen om hetgeen volgde of voorging, en elk vers van het daarop volgende voelbaar afscheidden.

De ware reden daartoe is, dat de middeleeuwsche componisten aldus handelden, juist omdat die verlenging op het einde van het vers in den zang werkelijk bestaat.

Immers in het koraal der protestansche kerk wordt die muzikale vertraging bij middel van orgelpunt aangeduid. Het oudberoemdvolkslied «Insbruch,ichmussdichlassen» tot geestelijk lied herschapen md de woorden « O Welt, ich muss dich lassen », naderhand door J. S. Bach in zijne Johannes-Passion behardeld, wordt aldaar geschreven :

Wer hat dich so ge - 8chla-gen,niein

b—a- _

P-ï- rnF==:P__p=l

J

quot;1—

H—i

Heil, und dich rait

Pla - gen

-J—

80

ü - bel enz.

(1) Die historischen Volkslieder der Leutschen, Nachtrag, bl. 17.

(2) Alt. Lied., LXV.

ocr page 67

— 51 —

Het aanduiden der besprokene vertraging wordt in de Sout. zelden weggelaten. Onder Ps. 147 vindt men echter :

----ra-k®-

itrr—^

Lo-ven so wilt detiHee-re, Hie-ru-sa-lem t'al-der stont,

weglating, die misschien door den snelleren gang der melodie in het wereldsch lied kan uitgelegd worden ;

;:q==t

ZÉ—ÉZ

Wel op laet ons gaen ri- den, on sa-delt mi mijn poert.

Ps. 36 levert het volgend begin ;

ÜSSEaEafït

t=t

En wil-les niet bo-nij-den. Ter hev-ten la-ton gaen,

wat in moderne noteering, met den wereldschen tekst, kan vertolkt worden door :

■©=F

ÏE=E

tr

■ff» P-

Z±z

:p=i=

3E

P=f=f=

Ic heb om vrouwen wil-le gho - re-den so mo-ni-ghon dach. Bij uitzondering ontmoet men de volgende schrijfwijze, Ps. 141 :

Cl_u

rt

lek riep tot mij-nen Hee-re met mijn-der,

op het wereldsch lied gebracht :

tE-IrSEE

Met lus-te wil-len wi singhen, cn-de lo-ven dat.

ocr page 68

— 52 —

Zelden omtstaat de rustaanduiding na heU«7ce«?evers; zulks gebeurt ecliter in Ps. 6, 127, 132 :

zèaz

m

-O—Gh-

-a—s—G-

In dy-noti gvim en straft mi niot, noch mi met toor-ni-gen schijn En,

ira — rt

Vol sa-lich zijn-se op-ter aer-don le - ven-den Al,

ÊE

i

I

:a=ïE

±

2 o

Nu siot hoegoet,nietvrouchdensoet,genuechgelick by na-men, 1st, en met den wereldschen tekst :

O

3 3

Daerstaeteen clooster in Oos-ten ■ rijc, het is so wel ghe - cie-ret met.

SËÏ

n:»=amp;z»z

rtz^t

=CT:

a;

;fïzÉi

-2-

gt;2:

m

^=q

Die naclite-gael die sanc een liet,dat leerde ic; ic hebber,

Ic q uain al-dacr ic weet wel waer, met hei-me-lic ghe-schalle.

Maatstrepen. Het is in 't geheel niet onverschillig, welke plaats men in samengestelde maat aan de maatstrepen toekent. In algemeenen regel moet liet laatst accent van het vers op den zwaren slag vallen W.

(1) Le sentiment musical des Occidentaux a une propension innée k mettre I'ictus principal du membre sur la dernière mesure simple. C'est li qu'il attend «t qu'il exige la percussion la plus énergique. Gevakrt, Hist., II, 4C.

ocr page 69

- 53 —

t

3=

i

2—±

Het da - ghet in den Oos - ten druist tegen het muzikaal gevoel aan; men schrijve

Het da - ghot in don Oos - ten; en met de gewone vertraging :

-n

-J . '

---

v €gt;

) 2 J J ^

Het da - ghet in den Oos - ton;

en verder, in een vers :

a) met twee accenten,

Sliep io to nacht; #) met vier accenten :

1 2 3

$

ï

q:

Sor - ghe glii moet be - si - den stacn, 1 2 3 _ 4

^1=3=3

Die win-ter lioeft mi leots ghe - daen, 1 2 3 4

iEËj=p-=^

Hoe stil - lo dat dat wa - tor stont, 12 3 4

3

Het was eon cleres-ken dat ghinc ter scho - lor»,

ocr page 70

54

—P—■—■—»—F

Ghopeis, ghe - pois c) met drie accenten :

vol van en

vi - en(l);

^2=

t

±:

dan - se,

Ic

f

^r2;=p—

g-1-—r

Mijn

sin - ne-kens sijn mi door - to-ghen;

quam tot e - nen 1 2

Ëiö

-g_g-

met vijf accenten (deze doen zich in onze liederen zelden voor) :

-è-2

Hoe lui-de sane die lee-raep op-ter tin-nen;

e) Verzen met zes accenten, die insgelijks schaarsch te vinden zijn, moeten in twee helften van drie accenten verdeeld worden :

12 8 12 3

£2=

15-2:

Ic wil te lan-de ri-den, sprac meester Hil-do - brant.

Waar de vertraging op het einde van het eerste vers in de muzikale noteering niet aangeduid is, wordt gewoonlijk, bij samengestelde maat, van den algemeenen regel afgeweken, zooals blijkt uit het voorbeeld hierboven, bl. 52,

r r r i

(1) De scansie « Ghepeis, ghepeis vol van envien » biedt twee achtereenvolgende accenten aan.

ocr page 71

— 55 —

getrokken uit Ps. 132 : « Ic quam aldaer », waar het einde van het eerste vers het zwaar accent niet bekomt.

De verzen met twee, of vier accenten beginnen dus in samengestelde maat, zooals wij zagen de bijna bestendige maat in het volkslied — den voorslag daargelatei;, daar hij buiten het vers en buiten de maat valt, — op den halfzwaren tijd (levé); verzen met drie of zes accenten op denzwaren tijd (frappé), om alle op den slag te eindigen.

Met den zwaren tijd in de muziek (frappé) gaat ook het hoofdaccent van het vers gepaard; zoodat het vers in het volkslied, naarmate het uit twee, drie, vier, vijf of zes accenten samengesteld is, éen, twee, drie of vier hoofdaccenten verkrijgt,

5 accenten :

// f n r tt

Hoe luide sanc diejleraer opter tinnen;

4 accenten :

t n ' n

So wie mot sonden is belaen ;

3 accenten :

ft t ft God late hem wel verwinnen,

it t tt Het daghot in den Oosten.

Ten slotte, den voorslag daargelaten, vangen de verzen met drie, vijf of zes accenten aan met het hoofdaccent; in de verzen met twee of vier accenten heeft het tegenovergestelde plaats.

Elke sjllabe van den tekst wordt gewoonlijk op éene Meiismen, noot gezongen, doch kan ook op meer noten geplaatst worden. Wanneer in de melodie, meiismen (florituren of vocaliezen)^) gebruikt worden, daar deze, volgens de

(1) Over do meiismen bij da Grieken, en in dén Gregoriaanschen zang, Gkvaürt, Hist., II.

ocr page 72

- 56 —

noteering der Sout. op maat geschreven zijn, wordt in de vertaling, opdat de muzikale zinsnede — zoowel als het vers — op den slag moge eindigen, de tweedeelige maat soms uitgebreid tot driedeelige,

Ps. 25 :

£:

tzc

^3=

staen,

moet

be - si-den

Sorgho ghi

Ps. 14 :

i

Hoesti-le dat datwa-ter stont.

Soms brengen de meiismen het bijvoegen eener gansche maat mede,

3~z

z2z

Ps. 39 :

Ic

E

quam tot ee - nen

In andere gevallen beslaan zij meer dan eene maat. Dat zij somwijlen op niet onaardige wijze aangewend zijn, blijkt uit Ps. 81, bij het refrein waar « Het meisken jonc » met den « ouden ende verrompelden man » zoo luidruchtig den spot drijft:

ten.

dan

en uit Ps. 56, waar het « spruiten der cruidekens » schijnt weergegeven :

P

Als al - le die cruidekens sprui

ocr page 73

— 57 —

3=

%

-2z

moet een enz.

ars. th.

zooals bovenstaand fragment van Ps. 81 bewijst, wordt de maat in zekere gevallen op haar zelf verlengd® :

th. ars. th. ars.

Mijn boel-ken

Hetzelfde gebeurt in Ps. 65 :

th. ars. th. ars. th. ars. th.

$

Ic sech a - dieu, wi twee wi moe - ten schei - den.

Aan die eigenschap der muziek om op dezelfde syllabe Binnensluipen verscheidene noten te laten hooren, is het wellicht te hefmetrum wijten, dat er in de teksten op vele plaatsen overtollige boorden'6 woorden zijn binnengeslopen, en dat de verzen die in de verschillende strophen zouden moeten overeenstemmen,

niet hetzelfde getal accenten schijnen te hebben.

In Nr 45, A. L. bl. 63, Ps. 14, vinden wij :

i

amp;

3—3-

3^^

Versé. str. 6. Bi u - wer ke id. str. 7. Den bast al om ld. str. 8. Doen was den berch

Volgens het schema van dit lied : 4 —a

4 — ö 3-è

han-ghen, ke - le, ne - der.

len u

ter

(1) quot; La métabole dans la disposition de la rhytmopée était un changement sondain et earactéristique des valeurs de note, la mosure restant la même. n Gbvaert, Ifi'st., II, 71.

8

ocr page 74

— 58 —

telt het laatste vers, telkens drie accenten; nochtans lezen wij, str. I, vers 4 :

Als si van goeder minnen spraken,

en, wat moet doen veronderstellen, dat er hier geene drukfout bestaat, hetzelfde in str. 22.

Die verzen schijnen uit vier accenten te bestaan, doch door het woord « goeder » in arsis te lezen, kan men die tot drie accenten brengen en de muziek aldus noteeren :

ïü:

p

Als si van goeder min - nen spra-ken.

Misschien heeft men, van de muzikale verlenging der voorlaatste maat gebruik makende, gezongen :

t

Als si van goe-der min - nen spra-ken.

In elk geval is het woord « goeder » tusschengeschoven en onnoodig voor het metrum. Misschien ook hebben wij hier met eene verlenging te doen zooals in het laatste vers van sommige strophen der Nibelungen.

Het eerste vers van Nr 27, bl. 39, A. L. telt vier accenten:

Den lusteliken mei is nu in den tijt;

men kan ook scandeeren :

don tijt.

Den lusteliken mei is nu in den tijt:

Ps. 73.

Den lus-te - li-ken mei is nu in

ocr page 75

— 59 —

Het derde vers van dezelfde strophe wordt op dezelfde muziek als het eerste gezongen en moet dus insgelijks vier accenten hebben, zoowel als de geestelijke parodie van dit liedC1) in het eerste en derde vers telkens vier accenten telt. Het ware moeilijk het woord lievelic als overtollig te beschouwen; indien men dus het vers onveranderd wil bewaren, moet men lezen :

Doorgaans behooren de overtollige woorden tot de adjectiva of tot stereotype uitdrukkingen(2) ;

f ! ft En hadden ghedaen quade niders tonghen (3),

t r t f

Mer quade niders tonghen gheeft hij die wijt (4),

f III

Daer en mach gheen liever liefken comen in (5),

gt; iii Daer siet een fijn maecht ter venster uit (6),

II I I

Mi rout so seer haer ghelu ghecrult hair (7),

Men vint der valscher boden so vele (8),

1

Zie hierna de aanmerk, onder de melodie van Ps. 73.

ocr page 76

— 60 —

gt;

Haer stomme singhet nel goede inusiko(l),

/ ff Dese quade, valsche clappaerts tonghen (2).

In N' 40, bl. 57. str. 1. A. L. staat :

ff ff Een jonghe maecht heeft mi ghedaecht,

terwijl de Sout. Ps. 98 den aanvangsregel aldus opgeven ;

f f ff Een schoon jonghe maecht heeft mi ghedaecht.

De woorden « schoon lief » worden, als stereotype uitdrukking, dikwijls tusschengeschoven : A. L. N' 18, bi. 24 Ps. 59.

Str. 1. V. 4 :

ff ff Noch en heeft gheweest mijns levens duren,

Str. 4. V. 4 :

ff ff Spreect een woort duecht, schoon lief, wat di misquame.

Andere voorbeelden vinden wij in het A. L.

f t t t Ter eren van u, schoon lief, so wil iet ghedoghen(3),

f fff Mocht ic een corte wile bi u 8ijn(4),

f f f Ic gave daer om mijn ros, mijn waghen(5).

Samentrekking Dat het Dietsch vers in het samenkomen van een voorafgaand, op eenen onduidelijken klinker eindigend, en een volgend, met vocaal of h aanvangend woord, zoowel samentrekking als hiatus kende, behoeft, zegt Dr Van Heiten (1), nauwelijks vermelding.

1

OverMidd. Versbouw, 1884, bl. 71.

ocr page 77

— 61 —

In de Sout., geestelijken tekst, vinden wij dien regel toegepast bij Ps. 75 :

/ gt;

jong end' out,

bij Ps. 62 :

! fff U liofd' heeft my onstokon nu.

Derhalve zal men lezen, in het Antw. Lb. :

ff ff Het reghende seerendeic worde nat(l),

/ / f Si custe hem voor den mont(2),

f f Stille heimelic 8'wijcht(3),

alsof er stond : end'ic; si cust'em; stiVeimelic.

De regel kan niet nageleefd worden wanneer het hiaat, metri causa, onontbeerlijk is; dus zal men lezen :

ff f Al voor dat hoghe — huls (4)

ff f f Vrou Venus liefde — hem Beer quelde(5).

In onze noteering hebben wij den regel van de nog heden gebruikelijke Vlaamsche uitspraak gevolgd.

Dat de elisie echter niet door alle zangers in eere werd gehouden, blijkt onder andere uit de geestelijke liederen-verzameling; Een devoot ende prqfitelych boecxhen, enz., Antw. 1539, dat een zestigtal melodieën op Middel-nederlandschen tekst bevat, in dewelke zij geheel en al

(1) A. L. Nr 79, bl. 118, str. I, Ps. 3.

(2) A. N' 73, bl. 108, str. 11, Ps. 4.

(3) A. Nr 140, bl. 208, str. 5. Ps. 57.

(4) A. Nr 23, bl, 32, str. 4, Ps. 137.

(5) A. N' 14, bl. 19, str. 8, Ps, 123,

ocr page 78

— 62 -

onbekend is, en waarin men in een geestelijk pastiche van Nr 88, Antw. Lb., zooals door de noten bewezen is, de quot;volgende scansie aantreft :

t t t r

Schoonder vroue — en is nye gheboren lek gheve— haar op Biel, lijf ende goet(l).

In het Prieel der Gheestelijcle Melodie, Antw. 1609, 3« uitg., — de twee vroegere uitgaven bleven tot hiertoe onbekend, — wordt de elisie daarentegen aangenomen en ook in den tekst aangeduid ;

Meynd'ick mij te vermeydeti (2).

Ic soud'haer blijde maken (3).

(1) BI. 48.

(2) BI. 195,

(3) BI. 60.

ocr page 79

KAPITTEL IV.

DE OORSPRONKELIJKE TEKST IN DE PLAATS VAN DEN TEKST DER SOUTERLIEDEKENS HERSTELD.

Indien men de noteering der Souterliedekens kent, valt het gemakkelijk de berijming van Willem van Zuylen door het oorspronkelijke lied te vervangen; daartoe dienen op den sterken (frappé) of op den halfsterken (levé) tijd van iedere samengestelde maat de geaccentueerde of halfgeaccentueerde syllaben van elk vers gebracht, in overeenstemming met de plaats, welke de accenten van elk vers in de berijming bekleeden.

Op den 4«» Ps. «na de wise : Het daghet in den Oosten » schreef W. v. Z. de volgende woorden :

/ f /

Als ick riep met verlangen

gt; t t godt hoorde al myn leyt(l),

/ / /

wanneer mij droefheyt heeft bevanghen

r r r

ghy Heere my troost verbreyt.

De gansche contextuur van den oorspronkelijken tekst bewijst, dat ieder vers uit drie slagen bestaat; de bovenstaande berijming telt ook drie slagen in al de verzen; mocht het derde vers in dat opzicht eenigen

(1) « hoorde al n, te lezen zonder elisie.

ocr page 80

— 64 —

twijfel wekken, de volgende strophe van Ps. 4 zou dien twijfel doen verdwijnen;

i i r Geeft God u offerhande

dats hem soer -vast betroudt: t

ghy blyft uit alle schande

/ I /

hy eest die u behoudt.

Het oorspronkelijk lied stemt met de eerste strophe van den Ps. volgenderwij ze overeen :

r * t

Het daghet in den Oosten / t /

het lichtet overal,

/ f f hoe luttel weet mijn liefken(1)

; t I

Och waer ic henen sal.

« Het daghet in den Oosten n genoteerd door Willems

■ pi

Ziehier de notatie van Willems

largo.

£

3-

Het( da-ghet in den Oos-ten, Het lich-tet o - ver-

Hoe wei-nich we - tet mi - ne lief-

i

s

al;

ste

Waar dat ic he - nen

--$*■

(1) Willems stelt; quot; Hoe wenich wetetmine liefste; » (aldus te scan-

; /

sal.

deeren); ook de Platduitsche tekst telt drie slagen, u wo wenich wet min

leyeken ».

ocr page 81

— 65 —

uit die noteering ontstaat de scansieU) :

Het daghet In den Oosten,

// t n

het lichtet overal;

hoe weinicli wetet mine liefste

n / tr

waer dat ic henen sal.

Die vertolking werd, niet zonder reden, door de Cousse- Noteering maker berispt^) doch hij zelf verloor de rechten der taal deCoussemaker. uit het oog, en zoo waar is het, dat eerbied voor de taal een hoofdvereischte bij de gezongene muziek is, dat die geleerde, ofschoon hij de oude noteering nagenoeg getrouw teruggaf, de volgende misgeboorte in 't aanzijn riep :

3:

1?(?)

$

EÖE

3

waer dat

ic he - non sal.

Nooit heeft het volk zóo gezongen; daartegen had zijn « gezonde zin », volgens Dr Riemann's uitdrukking!1) protest aangeteekend!

9

1

Zie do nota 2, bl. Gl hierna.

ocr page 82

— 66 -

BöhmeO) in zijne « Volksthümliche Fassung der Melodie » scandeerde het lied volgens de vereischten der metriek, doch bracht nuttelooze veranderingen in de melodie en moderniseerde die door bijvoeging dér fa # in de sluitcadence.

Wij laten Böhme's muzikale vertolking met zijne vertaling van den tekst volgen.

Noteering door Böhme.

rtrg:

P

lifiEgE

Es ta-get in dem

O-aten, das Licht echeint ü - ber-

i

all: wie wo-nig weisz die Lieb - ste, wo

É

ich be - nach - ten

Scheltemal1) deelt ons verscheidene andere muzikale vertolkingen mede, onder andere die van Viotta en Boers, die alhoewel van de noteering der Sout. afgeweken en in de sluitcadence door de verhooging der zesde noot, gemoderniseerd, dan toch de taal eerbiedigen.

Waarom echter Scheltema de bovenstaande monsterachtige vertolking door de Coussemaker « op verschillende gronden als de juiste meent te mogen aanschouwen » verklaart hij ons niet. Zij moge, wij zegden het reeds, nagenoeg de melodie, zooals deze uit de handen der contrapuntisten kwam, teruggeven; als Nederlandsch volkslied noemen wij zulk een stuk barbaarsch.

Noteering door In eene aanteekening op zijne vertaling van Naumann's OescJiiedenis der Muziek, deelt Boers ons mede dat hij

Boera.

soil.

1

Ned. Lied. uit vroeger tijd (Leiden, 1885), bl. T7.

ocr page 83

— 67 —

meende, in « Het daghet » « de beweging — de maatsoort — met de voetmaat van het gedicht te moeten overeenbrengen, met namelijk de tweedeeiige maat door eene driede8lige,het trouwens in de middeneeuwenheerschende tempus perfectum, te vervangen!1). »

Hierin kan de schrijver gelijk hebben, voor zooveel het tempus perfectum den wfezang, zoowel als den geleerden zang, beheerschte(2), en voor zooveel de melodie van '« Het daghet » zooals tot hiertoe gedaan werd, tot de XIVe eeuw moet gebracht worden; maar tijdens de XVI» eeuw had de binaire maat reeds lang hare rechten hernomen, en stellig is volgens de Sout. ons lied niet uitsluitend in driedeelige maat geschreven.

Overigens komen er in de Sout. melodieën voor, die hoegenaamd niet in ternaire maat kunnen vertolkt worden en voor deze zijn wij wel verplicht zooveel mogelijk de noteering der Sout. te volgen.

Gulden woorden spreekt Boers wanneer hij zegt: « Men Veranderinff heeft hier in Ps. 4 der Sout. blijkbaar met eene melodie te in ontTtaan'611 doen, welke reeds door den een of anderen onzer oude mt do^mlddquot;1^ contrapuntisten eene meerstemmige bewerking ondergaan contrapuntiston. heeft. Hun streven was niet zoozeer het volkslied als zoodanig te verheffen, als wel, door het aan eene kunstige.

1

Qesch. der M. I, bl. 244, nota.

2

quot; Der gesimde Sinn des Volkes freilich wird dem Tripelfakt auch damals nicht als alleinif? vollkommenem gehuldigt habea, vielmehr bevveisen die im vorigon Capltel gegebenen Beispiele weltlioher Lyrik, dass auch die geraden Taktarten noch gekannt und geliebt waren, freilich aber nicht bei den Gelehrten, sondern bei musikalischen Laien — denn dafür hielt man sicher alle, die nicht mit den Rcgeln der Perfection und Alteration vertraut waren und sehlechtweg mit « lang und kurz » notirten. n H. Riemann, « Studiën zur Qeschichte der Notenschrift, » (1878) Cap. 8 « Die Alleinherrschaft des Tripeltaktes », bi. 235.

ocr page 84

- 68 —

dikwijls gekunstelde bewerking te onderwerpen, van eigen meesterschap te doen blijken. »

Het gekunstelde moet dus uit de noteering verdwijnen, alleen het kunstige moeten wij bewaren.

De oude contrapuntisten, zooals wij reeds zagen (1), kenden het nauwe verband tusschen poëzie en muziek, tusschen tekst en zang niet; door het bijvoegen van « onvoegzame syncopen, » zooals Boers die noemt, stoorden zij de monodie ten voordeele der polyphonie, verkrachtten zij het lied en tevens de taal.

Muzikale Ziehier de letterlijke vertaling in moderne schrijfwijze Tertalintf van y, tit- j n j.

Ps.IV derSout. vanPs, IV der Sout.

De maatstrepen bij den oorspronkelijken tekst, duiden wij aan naar het werk van Clemens non papa, volgens de uitgave van Commer(2).

-ü-tvtï

—)-1-

—ö—rn--

—1——1—s

ö

-_E2—©—

t amp;

itt-ari

Als

ick riep met ver -

lan-ghen

Godt hoor - de al

—iHrr

-1—

-i—

—j ^

--ö-m—

- 4 i

=ï=

o Ö

---f—-F—

--P—1--1-

-et-?

tr

Het

j j

daghet in

den

Oos-ten,

het licl

- tet o-

--

=f=f=pd

r® - j?

--£•*-

—\—

^^--.— t-

myn leyt.

--1—

Wan-r

ieer my droefheyt heeft be-van-

4—-

'~i— 4-

~U-F

-t-p • •

- gt; --

t r

er

ver - al

)

hoe

weinich we

—1-1--

et mijn lief-

(1) Z. hierboven bl. 41.

(2) Z. hierboven bl. 35, nota 2, de aanmerking overgenomen uit H. Bellermann, die daar nog bijvoegt ; « Dalier möchte die Riehtigkeit dor in der Commerschen Ausgabe der Souterliedekens des Clemens non Papa Imüfigen Anfange mit dem Aultakt, z. li. Psalm 3, 4 u. s. w. sehr zu bezwolfeln sein,» enz.

ocr page 85

— 69 —

-0---1 -i-S

' a ~ glien,

ghy Hee-ro my

- © 1 .

troost verbreyt.

--:--quot;i—n

jt'-b—rt—

N ï

^r

rr-----

J -J

ken, Waer dat ic he-nen sal.

--1- ;

t. *

il2—

z) rr. . . r: . .

Ware het niet, dat het werk van Clemens non papa, in de jaren 1556-1557 verscheen en men er enkele varianten met den vroeger yerschenen muzikalen tekst der Sout. in vindt, wij zouden geneigd zijn te gelooven, dat die uitgave tot het samenstellen der eerste uitgave gediend heeft, en dat het aldus ineens bewezen is, dat al de aldaar opgenomen zangen vóór 1539 werden gecontra-punteerdO).

Ondertusschen kan het niet betwijfeld worden, dat sommige dier liederen vóór 1539 meerstemmig behandeld werden.

Zoo zien wij, dat Ps. 72 der Sout. « na de wise. Een liedeken met vruechden soet, Int walsche : Du (d'ou) vient cela, » in de schrijfwijze de grootste overeenkomst heeft met het lied door Claudin vierstemmig behandeld en dat te

1

uitgave en die van 1540.

2

Volgens hetgeen wij dooi' den hoer D. F. Scheurleer vernamen, die de goedheid had op ons verzoek het unicum van 1539 (z. hierboven hl. 1)

ocr page 86

- 70

EE:

5

-o—

Dou vient

ö

ce

Parijs omstreeks 1529-1531, bij Pierre Attaignant gedrukt werd!1).

Wij laten het begin van beide teksten hier volgen :

__________ï____

is=s

la, bel-

-é—l é • ' • *

lie-de-ken met vruech-den soet en

W

Een

i

le Je vous sup

piy

e, quo

Ifu ^ rJ ]

ghon, fiVerf.

dat wil - lie u

3=^

SF

o~

dez.

EgE

[iËiii

1

Claudin's lied werd opnieuw uitgegeven door Commer, Collectio oper. music. Bat. Saeculi X VI, Tome XII. Men vergelijke verder Sout. Ps. 103, 118, 117, 128, 135, met Nquot; 4, 3, 26, 2, en 13 van die nieuwe uitgave. — Ps. 31 « L'amour de moy „ en Ps. 81, « Sur le pont d'Avignon worden genoemd in de lijst der verzameling, bij Potruccite Venetian in 1501-1503 gedrukt, lijst te vinden in Wekkrlin's werk : « La Chanson populaire n en waar verscheidene meerstemmige Nederl. Liederen in vermeld zijn.

ocr page 87

— 71 —

Men ziet, dat dezelfde syncopen in beide teksten bestaan, doch zoo zij al in het meerstemmig lied van Claudin te pas komen, in het eenstemmig volkslied moet men ze als « onvoegzaam » beschouwen.

Wij hebben het recht die « onvoegzame » syncopen, zooals het overigens ook door Bohme voorgesteld wordt, overal waar zij de melodie belemmeren weg te laten, of die op zingbare wijze te vertalen door het aanwenden der maat in J of het schrijven van triolen : bij voorb. in plaats van :

te schrijven ; 7 |f~amp;--p—

—6=2

- quot;P—Ö ■

---!

4

p* ■ • J

—P—

tJ

of ;

7^-2-P—

—4—r q

3 3

Pm Ij

F — •-

quot; 3 ^

^gt;—2--E—

—F—f—«sl—*—

--=-c-4--

Steunende op den versbouw, en zooveel mogelijk rekening houdende van de noteering der Sout., stellen wij voor, onze melodie volgender wijze te vertalen :

'-ttb-r

^ ra —^ ® - -

Als ich riep met ver - lan-ghen, Godt

7

—i—a-g---

•-

-J-

Het

m m

da - ghet in

-m--9r--a P ■■

don Oos - ten, h

et

ocr page 88

4ti-r-----

72

—

P-®=P-

g- p—

-Pï

i

---S-V—--

IC. 1

hoor-de

0 ^

al myn

quot;quot;iP*

leyt.

7

-M--

uquot;

—f—l-

Wanneer my

—1-1—

—i—

f^

—1—J—

—s»-■—

•-

* j *

lich - tet o - ver - al; hoe -weinich

7 lt;•»

j-

ü- L, ? ■ rz ^

7

17 1

Tj amp;

■ u ■ i

droefheyt heeft be

van

ghen, ghy

1 i 1 s

V b n F

lirT^ 1 i

*} G n m ' m

\\s\j 1 1

A

A ^ 1

wo - tet mijn

lief

kon, waer

\ Hee - re mij troost ver - breyt.....

1-9----quot;Tl——--

dat ic he - nen sal.

Onze oude melodieën aldus genoteerd moeten niet in strenge maat, maar eenigszins tempo rubato, ia vrije maat, voorgedragen worden, op zulke wijze dat de rhyth-musverwisseling bij de uitvoering niet te zeer merkbaar zij.

De muzikale voordracht moet hier vooral steunen op de taal, op de metriek, zoowel als in de neumatische noteering van den kerkzang de uitvoering grootendeels — ook bij proza — op de taal en op de metriek berust.

De lezer zal onder de verdere aanmerkingen op de melodie en den tekst van « Het daghet » onze vertolking

ocr page 89

— 73 —

vinden van eene variante der melodie, die in Latijnschc neumatische noteering der XIVc-XVe eeuw voorkomt in Een devoot ende projitelijck hoecxken, 1539.

Daar de midd. componisten gewoonlijk de liederen behandelden die reeds populair waren, moet men, indien het waar is dat de Sout. geheel of ten deele uit meerstemmige compositiën overgenomen werden, inderdaad met Fétis aannemen, dat vele dier liederen zeer oud zijn. Stellige bewijzen van die oudheid hebben wij in de melodieën waarop, reeds tijdens de XVlle eeuw!1), geestelijke liederen toegepast werden.

In hoeverre de contrapuntisten zich veroorloofden de muziekmaat ten gunste hunner bewerking te veranderen, moge uit een enkel voorbeeld blijken.

Het begin van Ps. 113 der Sout. :

Als sy sijn ge - to-ghon al uit E-gyp-ten lant,

« na de wise : Waer so mach se sijn die my die heeft verhuecht. Int walsche : De ma tristesse et desplaisir, » zoodat de aanvang van het Fransch volkslied klonk :

De ma tris-tesse ot des of, volgens de variante van dit vers :

Ü

2t

plai - sir,

plai - sir,

De mon tris - te des

10

1

Zie Pars X dor Hor. Belg. waaruit wij de aangegeven wijzen van wereldsche lied. voor de hier aangeduide nummers, in do Sout. terugvinden als volgt: Nr8 23 en 66, Ps. 6T; Nr 50, Ps. 75; Nquot; 74 en 82, Ps. 8: Nr 89, Ps. 26; Nr 123, Ps. 90.

ocr page 90

— 74 —

wordt in de bewerking door Richafort(i), aldus weergegeven :

Superius, Volkslied.

Contra-tenor.

ri

H

--©—

Ifehrt1----

M .

~ri—hrh

R

mon __ ^

j fj p

■ ■ rquot;1'

tris - te

O' • 1

r---d-

De

mon

tris - te

Tenor.

Bassus.

■ =*-ir -

i-----

wm

J P f 1

-jü-T—

---- Q

De mon

triste et de

Ito

bïËÉËÜ

—S=

-f*---j--

1 O w quot;

Do

tris

te et. de.

Ps. 69 waarvan de tenor geheel en al met de melodie door de Sout. gegeven overeenstemt, wordt aldus door Clemens non p. behandeld :

« Den Tenor na die wij se : Doen Hanselij n over der heyden reedt » :

Superius.

t

ver-laet

toe

Ghe - na-di-glio hee-re mijn

|

Ghe-na-di-glie hee-re mijn too

ver-laet

mijn

lÜri j-^i-— --

Bassus.

o

It

ver - laet mijn

Ghe - na-di-ghe hee-re mijn toe

1

Die bewerking is te vinden bij Commer, t. a. p. Tome XII, Np III, bl. 13. — Jan Ricliafort was in 1543-47, kapelmeester der St-Gillis-kerk, te Brugge.

ocr page 91

- 75

If

i lij' l .

i

i '1

i

Us I

—=—-j—j—j-

Pl -t

*

----i--!—I—

--.—sj—d—sL

-m-g—a—sl-

ES Q rz^

._! si ^Zt-

mijn hui-por wilt

-®T-

32--©

doch we

:q.

son coemt l.aeste-

H-

- ——-J—cl—cï'

jl

$ H

per wilt doch we

hul

coemt haeste-

-Sz

mi

^111

por wilt doch we

hul

coomt haeste-

' 'iW

gEQ=aE|gEgE=r^i

EgE^

lie in mijn noot te baot ^=i=iÈi

u - wen naein moet zijn ghe-

i=iÊü=

lie in mijn noot te baot

moet

uwen naem

lt;i|

gj-l J- ^

u- wen naem moet zijn ghe-___ _#__

g^sHt^EpiaEE

lie in mijn noot te baet

^==E

3

sen moot zijn ghe

pre - sen.

pre

te

:di

;a;

sen.

zijn ghe-pre

-P~P~'y

S=p;

:£2;

H-H

pre - son moot zijn gho - pre - sen.

Zoude een lied volgender wijze genoteerd :

: i 1

BI

=i=

-p-

I |

,j; i p

i

li

É=zst

ghen,

Doen Han-se - lijn o - ver der hei-den reet, hoe

haes-tich wert hi ghe - van

■*ESEÏE£ïEEê.

ocr page 92

76

m

5

Poen Han-se-lijn o - ver dor hei-den reet hoe enz.

Zoo begreep het insgelijks Böhme, die het stuk in drie-deelige maat schreef. Wij hebben hier opnieuw met eene door de contrapuntisten misvormde melodie te doen, en hebben het recht den zang zijn vroeger karakter weer te geven. Zooals RiemannO) zegt: « Die richtigste Lösung, kann man immer annehmen, wird die sein, welche die Melodie am volksmassigsten und graziösesten erschei-nen lasst », en, voegen wij erbij, de beste oplossing is vooral die welke de taal eerbiedigt. Nog op eene andere plaats zijn wij van den muzikalen tekst afgeweken. Er bestaat geene reden om naar aanleiding van Ps. 14 :

$

IN

O Hoer wie zal in u - we tent,

te schrijven

-p-

Een rid- der ende een meis-ken jonc.

(1) Studiën zur Oeschichle der Notenschrift, bl. 223.

ocr page 93

77 —

Diensvolgens geven wij aan de melodie haren natuur- Aanduiding

lijken gang terug, en schrijven : maatbewepn^

en nuancen.

Een rid-dor ende een meisken jonc.

In de Sout. worden noch maatbeweging, noch nuancen aangeduid. De midd. componisten kenden zulke aanduiding niet.

De tekst en de muziek onzer liederen dragen zulke aanduiding in zich zelfU).

Het zij genoeg, hier op te merken dat de oude melodieën,

zoowel als de oude dansmuziek ietwat trager dan de moderne muziek voorgedragen worden.

Böhme vestigt de aandacht op het feit, dat in de middeleeuwen alles niet zoo vlug ging als thans in « unserer eisenbahnhastige raschlebige Zeit(1). »

Deze regelen waren geschreven, toen wij over den invloed der contrapuntisten op de noteering der Souter-liedekens dezelfde meening uitgedrukt vonden door Prof. J. P. N. Land, in zijne uitgave van Het Luitboek van ThysiusW). De geleerde schrijver beroept zich daarenboven op eene studie van F. W. Arnold(2) waarin deze

1

Geschichte des Tanzos in Deutschland, 1886, I, 250.

2

« Het daghet in den Osten. « Kritische Abhandlung über Rhythmik und Tonalitat der alten Volksweisen. Hs. der Maatsch. t. b. d. toonk.

ocr page 94

— 78 —

laatste het gevoelen uit, dat den melodieën der Sout., vooraleer zij uit verschillende muziekboeken eenstemmig in een bundel opgenomen werden « bereits auf dem Prokrustesbette des Contrapunkts die gesunden Glieder verrenkt worden waren. »

ocr page 95

KAPITTEL V.

STROPHE.

Het Ned. Lied bestaat uit verscheidene strophen; het getal der strophen is zeer afwisselend. Liederen van éene strophe komen zelden of nooit voort1).

Het getal der verzen in de strophe is insgelijks zeer verschillend; men vindt drieregelige, vierregelige, en zoo voorts, tot twaalf- en dertienregelige strophen toe. Böhme heeft voor het Duitsch Lied eene tabel der verschillende vormen opgesteld, welke geheel en al op het Nederl. Lied toepasselijk is; ook werd over den vorm der liederen door Dr Kalfl'breedvoerig gehandeld.

Wij willen er alleenlijk bijvoegen, dat de verschillende strophen op de muziek der eerste strophe gezongen werden — dezelfde muziek dient in al onze liederen voor al de strophen — door de geaccentueerde syllaben van elk vers op de daarmede in verband zijnde slagen der muziekmaat te brengen, met verdeeling der noten volgens het getal lettergrepen in arsis.

Tot voorbeeld mogen de twee eerste strophen van Nr 94, A. L. dienen :

1

Kalff, Het Lied in deM. E., bl. 542 en volg.

ocr page 96

- 80 -

Ic

ghinc

noch

ghis

ter

a -

vont,

so

hei -

melic

e

nen

ganc,

al

voor

mijns

lief -

kens

do

re.

die

ic

ghe-

slo

ten

vant.

ic

clop

- te so

lei -

selic

aen

den

staet

op,

mijn

al

der

lief -

8te,

staet

op

ende

la -

tetmi

in.

« — Ic en

aal

u

niet

in

la

ten.

ic en

laet

u,

ja,

niet

in.

gaet

thuis

- waert

en

gaet

sla -

pen

daer

is

een

an

der

in. n

si

lie -

te mi

daer

al

le

ne

ic

salt

haer

noch

wel

lo

nen

mach ic noch

1 le -

ven een

1 cort

half

1 jaer (1).

Het verdient opgemerkt te worden, dat staande en slepende rijmen elkander afwisselen in de verzen die in verschillende strophen dezelfde plaats bekleeden.

In N' 3, A. L. bl. 4, Ps. 16 bijv. vinden wij :

Str, 1. Al mijn ghepei» doet mi so wee,

wien (so) sal ic cl allien mijn verdriet?

die liefste en acht op mi niet meer,

eilacen, wat is mi gheschietl enz.

Str. 3. Die goede ghestadige minne draecht,

ende daer hi dan wordt bedrogken,

voor Gode moet dat sijn gheclaecht,

met twee beweenden oghen, enz.

Men kan verder vergelijken de overige strophen van hetzelfde lied en A. L. Nr 19, bl. 25, str. 1, 2, 4, Ps. 47; Nr 85, bl. 128, de veschillende strophen; Nr 153, bl. 128. Ps. 41, str. 1, 2, 3, 4, en 5; enz.

/ / I

(1) Mach ic noch leven een cort half jaer, vers van drie accenten mot driedublielen voorslag.

ocr page 97

KAPITTEL YI.

TONALITEIT. — BEGELEIDING.

In zijn uitstekend werk, door ons reeds dikwijls aange- Verschil haald, over de muziek der Oudheid, toont Gevaert aan, ^ndemoderne6 hoe de moderne muziek slechts twee toongeslachten (modi) tonaliteit, kent, het harde «n het zachte — ut majeur en la mineur,

in de natuurlijke toonladder, — daar bij de modernen de eindrust slechts op twee trappen ut en la der diatonische toonladder valt (eigenlijk moet de harde toonladder alleen als zuiver diatonisch beschouwd worden), terwijl de Oudheid daarentegen zeven toongeslachten bezat, die niet alleen in den katholieken kerkzang, maar nog in de nationale melodieën der Europeesche volkeren terug gevonden worden!1).

Die toongeslachten zijn de volgende :

Ilypodorisclt (la grondnoot):

Eypophrygisch (sol grondnoot):

Hypolydisch, (fa grondnoot) :

1

Gevaert. Hist. i, 129. — Over de benamingen der Griekschu modi averechts op de Gregoriaansche toegepast, zie ib. I, 266.

ocr page 98

- 82 —

Dorisch (mi dominante) : ^___-

Phrygisch (re dominante) ;

Lydisch (ut dominante) : -o '4 —-—

Daarbij hadden de Grieken nog de volgende vormen, uit de voorgaande gesproten :

Mixolydisch (si mediante) verwant met het Phrygisch en HypophrygischU) ;

i

tJ ^ -Ö-

Syntotio-Lydisch (lamediante) verwant met het ZydischiZ):

i

■er

Q_

ZocmcA (to dominante) (3):

De laatste noot van die verschillende modi — de Mixo-lydische en de Syntono-lydische worden in onze liederen niet teruggevonden — is hunne melodische (niet harmonische) eindnoot.

Hieruit volgt, dat de Grieksche modi, alhoewel eenige hunner, namelijk de Hypodorische, de Hypophrygische, de

(1) Gevakrt Hiü. I, 150. « Corame la plupart des harmonies non terminées sur une tonique, le mixolydien antique s'ost éteint au moyen-age. II ost étranger au choral protestant; dans les anciens airs nationaux, je n'en ai trouvó qu'un seul exemple « (Zweedsche melodie t. a. p,).

(2) lb. I, 154-155. quot; En dehors de cette catégorie do chants (de aangeduide greg. zangen) la syntono-lydisti ne parait avoir laissé aucune trace dans la musique homophone des peuples Européens ».

(3) lb. I, 157.

ocr page 99

— 83 —

Hypolydische, de Dorische en Phrygische, in den gang der

melodie den anthentieken of den plagalen yorm kunnen

aannemen, alle authentiek zijn, in dien zin, dat do plagale

vorm in den Gregoriaansclien zang altoos melodisch met

de grondnoot var/den authentieken toon eindigt W.

Tot staving zijner leer haalt Gevaert monigvuldige v*»or- , Do

ü J omU tonaliteit

beelden aan uit den katholieken en uit den protestantscnen tu da gout.

kerkzang, alsook a it d? oude liederen der ïïuropeosche

volken, en, onder andere, wat de volgende modi betreft,

uit de melodieën in de Souterliedekens voorkomend» ;

Hypodorisch(2), Ps. 33 (voor den anthentieken vorm),

Ps. 40 (voor deu plagalen vorm).

HypophygrischW, Ps. 37, 51, 95, 118 R.

Dorisch(4\ Pa. 27, 35, 60, 89, 01.102, Uto, 138,. 148.

Lydischl®), Ps. 10.

Integendeel kenden lt;ifl Grieken de twee volgende modi niet, die zich in onzo oudü liederen, en in den katholieken kerkzang voordoen (1) :

He grondnoot

Ut grondnoot

Voor die modi haalt Gevaert als voorbeelden aan, uit de Sout. :

1

Ib. 1,177, alwaar do schrijver de hymne Ave Maris stella, voor den anthentieken vorm aanhaalt. Volgens kanunnik Van Damme, Musica sacra, le jaarg. bl. 58 — men zie zijne harmoniseering in Vesperae et Latides Vespertinae, bl. 37 — is dio hymne quot; un mode do la transposé modulant. n Wij deelen het gevoelen van Gevaert, de hymne vangt aan in re met si ^ en sluit in re.

ocr page 100

Modus van Re Ps. 5, 14, 17, 23, 24, 30, 43, 46, 52, 82, 84, 100, 112, 116, 123, 136 (voor den autheu-tieken vorm).

Ps. 22, 28, 53, 58, 70, 71, 74, 75, 76, 85, 87, 129, 128, 148 (voor den plagalen vorm) (*).

Modus van Ut Ps. 7 (voor den authentieken vorm).

Ps. I (voor den plagalen vorm) (2).

De modi van re en van ut zijn ook diegene, waarin onze

liederen zich het meest voordoen.

Zestoni^e Niet immer worden de noten, in de toonladder voorko-melodieën.

mende, alle tot vorming der melodie gebruikt. In sommige zangen, voornamelijk in den hypodorischen modus, wordt de zesde noot {fa in de natuurlijke toonladder) opzettelijk weggelaten ter vermijding van den tritonus (ya-si).

Sprekende over het weglaten van de zesde noot der toonladder als karaktertrek der melodieën in zachten toonaard (mode mineur) bij de meeste Europeesche volken, wijst Gevaert insgelijks op de Sout. en namelijk op Ps. 3, 33, 40, 45, 49 en 62 (3).

Metabolische In enkele melodieën der Sout. vinden wij de si t] en de toonladder. ^ in hetzelfde stuk naast elkander bestaande. De Grieken kenden mede die afwisseling. Door middel der metabolische

(1) Gevaebt t. a. p. I, 143, nota 1. « Ce mode n'a pris une grande extension que vers la fin du raoyen-age; il a fleuri principalement au XVl® siècle ».

(2) lb. 1,177 en 138, alwaar men leest: « La substitution fréquente du si t? au S! tj, motivée par la dureté de 1'intonation du triton, a eu, de bonne heure, pour effet d'entamer Tintégrité du mode hypolydien. L'echelle de ƒ« s'est ainsi transformée en une échelle d'«lt; transposée, entièrement semblable k I'octave lydienne, quant au placement des tons et demi tons, mais distincte de celle-ci par la maniére dont elle se partago en quinte et quarte. De cette nouvelle octave d'ut est né notre majeur moderne «.

(3) lb. I, 143. quot; On peut le délinir théoriquement (« co trait caracté-ristique, » dit is het weglaten van de zesde noot der toonladder) en disant que le mode mineur, dans sa forme antique, est hexaphono. n

ocr page 101

— 85

toonladder konden zij van eenen toon tot eenen anderen overgaan, -en aldus, volgens de moderne benaming, moduleeren (1).

De modulatie bestaat insgelijks in den Gregoriaanschen Modulatie, zang; doch, eenvoudiger in de kerkmuziek dan bij de Grieken, bepalen de zangen der liturgie zich doorgaans tot -den overgang van grondnoot tot boven-quint of tot onder-quart(2).

In de Sout. komt bij de Ps. 5, 6, 16, 36, 146, die afwisseling van si met «b, en wederkeerig, voor.

In Ps. 36 ontmoeten wij de verwisseling [ASTafidkyj mro, yévog, bij de modernen, het overgaan van de harde tot de zachte toonladder, of omgekeerd :

m

$

£

ocr page 102

Tritonus. Alhoewel de tritonus slechts sedert ongeveer eene eeuw in de muziek burgerrecht heeft verkregen(l) en vroeger, zooals de hexaphone melodieën bewijzen, in den regel vermeden werd, zien wij dien in de Sout. meermaals voorkomen, benevens de vermeerderde quarte of verminderde quinte zooals in Ps. 20 en 48.

Ook in den Gregoriaanschen zang treft men die intervallen aan (2).

Modulatie Behalve de toonverandering, die uit de verwisseling van

spruitende uit si \) met si fa ontstaat, zooals van fa, in ut. van re met si \)

do melodie, ^ ^

door pfoene in vinden wij in de Sout. nog eene andere modulatie, die

quot;asingeiiuid? 'n de melodie door geene accidentalen wordt uitgedrukt en nochtans het gebruik daarvan in de harmoniseering rechtvaardigt, zooals bijv. in Ps. 106 :

és rö-if j Ti

ry\

• w

N.

—s—=—■—f—■—d——

- «

B.

1--1

1

--1--

amp; r J * r

i.1

---

(1) Gevabrt. Ifïst. 1,118 in line.

(2) Dom Pothier, Ziier Oradualis (Doornijk, 1883), voorbeelden van -j-4 (tritonus) bl, 3, 8, 9 op do -woorden nobis, qui regis, qui deducis, en van —5 (verminderde of kleine quint) bl. 9 op de woorden alleluia, veni, nos, bl. 12 nolite, bl. 15 ejus, enarrant, bl. 36 imperium, enz. en Inleiding, bl. 'VIII, waar de schrijver zegt: quot; Quidam musici corrumpunt cantum, saepius introducentes in eo semitonium contra naturalem generis diatonici constitutionem, aut logitimam modorum dispositionem; aiii vero al) hujusmodi deductionibus modulandi etiam per i? molle, ita abhorrent, ut in tertio et quarto modo fere nunquam, in aiiis rare admittant.

ocr page 103

Het is onbetwistbaar, dat dit fragment in de boven-quint moduleert.

Zoo verstond het Clemens non papa insgelijks, daar hij schreef:

N. B. fr

Superius.l

c r - ^

m

Tenor. (Zang.)

?a-

Bassus.

quot;Wil men dus de les volgen, die ons van dezelde melodie, door de liederen van Mathjs de Casteleyni1), ofschoon min goed, bewaard is, zoo moet men de si op het einde van het volgend fragment, met lezen :

m

i

i—1~±-

Zooals men weet, schreven de mid. componisten in hunne meerstemmige compositiën, het verhoogingsteeken niet; het verhoogen der noot word aan den zanger overgelaten.

Ziedaar hoe de toonladders waarop onze liederen gebouwd werden, samengesteld zijn.

Maar — zal men zeggen — zijn de regelen van den Dc,,, .

, bb „ , J , f oude tonaliteit

diatonischen zang in de oudheid, op de mid. eenstemmige voortlevend liederen toepasselijk? mid.'voUcsUcd.

Als wij die vraag bevestigend beantwoorden, steunen wij niet alleen op het gezag van Gevaert, maar ook op de wijze, waarop die zangen tot op onzen tijd in den mond des volks voortleefden.

1

Diverscho Liedekens, Nr XXII.

ocr page 104

De aloude phrygische toon werd nog tot voor weinige jaren in het Halewijns-lied bewaard. « Dit lied » zegt Willemsl1) « wordt nog heden in Braband en Vlaanderen gezongen. »

Mijn geachte vriend, dichter Pol de Mont, verzekert mij, dat het ten huidigen dage nog in Braband gehoord wordt.

Wel is waar, werd die fraaie melodie door W. niet onberispelijk weergegeven, doch de Coussemaker die de onjuistheid der noteering van W. aantoont, geeft getrouw den phrygischen modus terug, en voegt er bij lt; dat hij de melodie uit den mond des volks heeft opgenomen en dat dit lied bij de Vlamingen van Frankrijk algemeen bekend is» (2).

Ongetwijfeld bracht het roerend verhaal der Halewijn-sage ook het zijne tot bewaring van den zang mede. « Geen wonder » zegt de dichter Prudens van Duyse, die den tekst der volksuitgave welke door den tijd veel te lijden had, in zijnen vorigen glans herstelde, « dat een zoo sterk ingrijpend stuk zich diep in het hart des volks heeft gegrift(2). »

De melodie werd dan ook door Gevaert aangehaald als voorbeeld der in den volkszang nog voortlevende phrygische tonaliteitW.

Een verder bewijs van het voortbestaan der rein-dia-tonische tonaliteit, vinden wij in verscheidene andere melodieën door de C. in zijne verzameling opgenomen.

De lieve melodie van het « Soudaens dochtertje, die tot den zestonigen hypodorischen modus behoort, leert ons

1

Oude Vlaemsche liederen (1848) 1)1. 119.

2

Prudens van Du^sk, Nagelaten gedichten, V0 deol, l'ta stuk, bl. 39,

ocr page 105

dat er geene de minste reden bestaat om onze oude volkszangen door bijvoeging van accidentalen, zelfs niet in de sluitcadencen, zooals W. bet deed voor het Halewijnslied en menige andere melodie, te modernisecren.

Het bijvoegen van accidentalen ontneemt aan de melodie haar archaïek karakter; ja maakt dat zij valscb klinkt voor hen, die door eenige oefening den ouden toonaard hebben leeren kennen en waardeeren.

Men mag zeggen, dat dit moderniseeren onzer oude melodieën ietwat gelijkt op het overschilderen onzer gothieken. Zoo zagen wij eene schilderij, een meesterstuk, aan de Van Eycken toegeschreven, waarop een « retou-cheur » het noodig achtte de vingeren der personages in te korten en te overkladden.

Ziehier een staaltje van zestonigen hypodorischen modus, waarvan wij de bewaring aan de Coussemaker te danken hebbent1) :

^ Aitiaiile.

Eon soudaen had een doch-tor - tje, zeer schoon van grooten

• F-«r'--P-

al in uaer va - tiers no - ve.

In zijn belangwekkend werk over het Fransch volks-liedl2) maakt Wekerlin dezelfde opmerking aangaande de

12

1

Nr, 55, bl. 191, zie medo aldaar voor wat du oudn tonaliteit betreft, TJr' 28, 48, 51, 52,02, 72, enz, on de melodie quot; Nuer Rozenland zullen wy rydea n hiervcren vermeld, bl. 30, nota 2.

2

La Chanson populaire par J. B. Wekrrlin, Paris 1886, p. 191.

ocr page 106

— 90 —

melodieën door hem in Rretagne, uit den mond des volks, genoteerd.

De volgende muzikale zinsnede,

-j—1?«—-ïl

EÖE

iz

en duizend andere van dien aard, zegt de schrijver, ontmoet men ieder oogenblik. « Wij hebben somtijds, » voegt hij er bij, « do zangers op de proef willen stellen en hun voorgezongen :

f gt;

maar die goede lieden deden ons telkenmale opmerken, dat wij, op het einde, eene fout begingen. »

De wijze, waarop wij de samenstelling onzer melodieën, volgens hunnen toonaard, hunnen modus beschouwen, zal dienen tot het oplossen der vraag : hoe moeten die zangen begeleid worden?

Harmoniseoren Zeker is het volkslied, zooals Ambros zegt, doorgaans volksliodoren. zonder begeleiding opgevat en geschreven; die begeleiding is voor hen die met de oude tonaliteit bekend zijn onnoodig, zij kunnen zonder deze de schoonheden van den diatonischen zangsmaken; doch voor oningewijden, schijnt zij onontbeerlijk, vooral op een tijdstip waar de monodie, door den geweldigen invloed der harmonie, gansch buiten gebruik gekomen is.

Onze melodieën kunnen, zoowel als de Gregoriaansche zangen, geharmoniseerd worden.

quot;Wij stipten reeds aan en wij herhalen liet hier, dat de midd. componisten bij het harmoniseeren onzer liederen, die met de kerkelijke melodieën, gedurende eeuwen, en bijna zonder uitzondering, tot grondslag hunner composi-tieën dienden, liet verhoogingsteeken — de diësis werd

ocr page 107

slechts in de tweede helft der XVIC eeuw ingevoerd — niet noteerden. Het was inderdaad hunne bedoeling, en voornamelijk in de cadencen, de « gevoelige noot » (note sensible) aan te wenden, en derhalve hadden Commer, in zijne uitgave der Sout. door Clemens non papa geharmoniseerd, Ambros, Otto Kade en anderen in hunne uitgaven van werken der midd. Componisten, het recht en den plicht de verhoogde noot bij middel der diësis aan te duiden, maar dat belet niet, dat diezelfde componisten de regelen van den diatonischen zang verleerd hadden, en dat die melodieën door het volk zonder de aangewende verhooging gezongen werden. '

Hetzelfde geschiedde met den Gregoriaanschen zang. zooals een bevoegd schrijver getuigt; hot gebruik van vermeerderde en verminderde intervallen oefende daar insgelijks zijnen verderfelijken invloed uit!1).

Aan den geleerden bestuurder der Brusselsche muziekschool komt de eere toe het eerst vaste regelen voor de harmoniseering van den Gregoriaanschen zang aangeduid te hebben en wel in de inleiding, van het Vadc-viccum do VOryanistefi) uitgegeven met de medewerking van den Kan. Van Damme(2). Op hun spoor traden Lemmens en

1

quot; L'application d'uno harmonie aussi barbare (hot organum van Hucbald) aux cantilenes de St-Grégoire produisit dos résultats qui leur furent singulièrement désastreux, sous lu rapport du rhythme commo sous celui do la tonalité; et quand beaucoup plus tard Ie contrepoint eut revêtu pou è peu des formes plus artistiquos, (in de XV'' en in de X Vlc eeuw), los compositeurs ne songcrent point cl l'appliqiter diatoniquemenl a la mélodie de la liturgie ; ils lo flrent, sinon chromaliqwment du moins pluritoniqucment. Par l'admission d'intorvalles augrncntds ou diminue's, ils iiniront par altérer le genre diatoniquo du chant lui-mêrae de Kt-Gi-pgoire. n Lemmens. Du chant Grégoricn, sa mélodie, son rhythme, sou harmonisation. Gand 1880, bl. 20 en volg.

2

Artikelen in Musica sacra, 1° on 2I,lt;! jaarg. Gent, 1882-83, en 0° jaarg., 188(3-87, bl. 53, hot artikel getiteld : Un roman hislorique.

ocr page 108

— 92 -

diens opvolger als bestuurder der kerkelijke muziekschool te Mechelen, de begaafde componist Edgar Tinei.

De Vlaamsch-Belgische-kerkmuziekschool door die meesters vertegenwoordigd, neemt als grondbeginsel aan, dat, wil men den geest der diatonische muziek getrouw blijven, men eerst en vooral zorg te dragen heeft, dat er in de begeleiding geene klanken sluipen, die aan het bouw-stelsel van den zang, aan de toonladder zelf, vreemd zijn.

Op dien regel steunende, aarzelen wij niet in de harmoniseering onzer oude volkszangen alle akkoorden te gebruiken waarvan de klanken in de melodie voorkomen, en waar het pas geeft alle mogelijke doorgangsnoten, wissel-, noten, anticipatiën en appogiaturen aan te wenden, ten einde haar vrijheid van beweging te geven en haar niets van hare jeugdige frischheid te ontnemen.

Natuurlijk moetdehannoniseering met de eenvoudigheid dier melodiëen gelijken tred houden, en slechts dienen om hunne tonaliteit op te helderen en beter te doen verstaan.

Daar het weglaten der zesde noot in de zestonige gezangen slechts om redenen de melodie betreffende, ter vermijding van den tritonus plaats heeft, bestaat er geene noodzakelijkheid om die zelfde noot in de begeleiding der hexaphone melodieën te vermijden(l).

Men denke overigens niet, dat de midd. componisten het noodig achtten, in elk geval het verhoogingsteeken, de gevoelige noot, aan te wenden. Bij Ockeghemi1),

1

Den invloed beschouwende door Ockeghem, op zijne beruchte leerlingen uitgeoefend, zegt Ambros, Geschichte II, 1T1; « In dissem Sinne darf also der ehrwürdige Okeghom wirklich als der geistige Stamm-valer aller folgende Generalionen von Musikern geiten. »

ocr page 109

- 93 -

den « Vader der dietscher toondichtren algader, » omstreeks 1415-1420 te Dendermonde geboren!1), ontmoeten wij de volgende sluitcadence die, aangaande het niet gebruiken der gevoelige noot, niet den minsten twijfel overlaat!2).

F ® r t

j N. B. 1 .

' g^==5=°——^=Fa=||

l-=r=--

De harmoniseering der Sout. door Clemens non papa, moge voor haren tijd een echt kunstwerk gelden, Clemens' werk moge, zooals Commer getuigt, tot den « interessanieslen Erscheinungen » der Nederlandsche school behooren, het blijft niettemin waar, dat het gestadig inlasschen van tonen, aan de toonladder vreemd, het gedurig contrapunteeren noot tegen noot, aan de melodie allen zwier, alle losheid, ja, alle melodie ontneemt. Zoo was het vóór eenige jaren insgelijks met den kerkzang gelegen, toen het bijvoegen van accidentalen den Grego-riaanschen zang had doen ontaarden en het bestendig op elke noot geplaatst accoord die fraaie melodiëen in zware lompe gezangen had vervormd.

Ten slotte laten wij hier een voorbeeld volgen van de wijze, waarop Clemens n. p. do Sout. harmoniseerde :

Den Cl. Psalm. Domine exaudi orationem meam. Den Tenor nae die wijse : Gequetst ben ic van binnen (Uitg. Commer. bl. 78).

1

Eene veronderstelling afgeleid van hot feit, dat er omtrent 1100, te Dendermonde eene familie « Van Oi'l.e^hem » bestond.

2

Notenbcilagen, vervolg op Ambios door Orro Kade, bl. II.

ocr page 110

— 94 —

EÜEE^

----G-G-

=P=;

Suporius

Hoort myn ghe - bet o Iieo en wilt toch niet so seo

Tenor (Volkszang)

Hoort myn ghe - bet o heo en wilt toch niet so see

m

Baasus

:Ö£2=

^ÊË=B

myn ghe - bot o hoe wilt toch niet so see

Hoort

en

ÊëËÊË

ro, myn roo re ii aen ont - faon mi Blaen

wilt van

pen sicht


Ff—

-_p!--3-quot;--

-IR-------

ro, myn

ro u jy--------

i

roe - pen wilt aen-Bicht van

1

ont- faen mi slaon

. s_.p—«-p—e-i

Ff -

----

\_4-1_—1_—1-—

1 i

----ö—

re, myn roe re u aen

pen wilt sicht van

ont mi

faen slaen

SEgEES

Ê i i

EÊEÈ

op

op sul-clan dach, op sul-cken tyt als my die

- ?!

op sul-cken dach, op sul-cken tyt als my die

sul - eken dach, op sul-cken tyt ala my die

ocr page 111

— 95 —

|_A.___^___

m-:^EEg:z=o^:

droofheyt heeft ghe-sla - ghen

fei=gig==iiii=i I droefheyt heoff, ^lio - sla - ghon

droefheyt heeft ghe - sla - ghen u oo - ren

l$i-=p*=:pi—g—-^zzp---—^~p=rp-pr^zrp—f—pri ^^Ë^È^EEEE^^EE^EÈÊ^EE^E:

I lieer ghe - be - ne - dyt ont - fan-ghen moe - ten myn

■ i P r P -D

-------Ö»—

s—ö—P- =P:q

U r r P

o _

P 1 -—

R 1

i 1

fl------1--

lieer ghe - be - no - dyt ont - fan-ghen moe -

jsg^E^iË^giEëaEga^g^-]

hoer ghe - be - no - dyt ont-fan-ghen moe-(en myn

cla - ghen.

I - ten myn eln - ghen.

da - ghen.

m--

u oo - ren

u oo - ren

ocr page 112

— 96 —

Karakter(ethos) De vraag of de verschillige modi in onze liederen nog dat toonladders bijzonder karakter, dien ethos bewaard hebben, welke de (modi). Oudheid aan de modi harer muziek toekende, en waarvan enkele Gregoriaansche zangen ons een denkbeeld kunnen geven, moet men ontkennend beantwoorden(1).

De melodie van het lied «Rosina waer was dijn gestalt,» Ps. 35, moge hare statigheid, hare grootschheid aan den dorischen modus te danken hebben, toch bevatten de Sout. in hypodorischen modus — modus die bij de Grieken nog statiger, prachtiger en grootscher klonk — gezangen waarvan de tekst en ook de muziek, zooals « Rijc God wien sal ie claghen, » Ps. 67, of « Het ghingen twee gespeelkens goet, » Ps. 8, stellig niet door grootschheid noch verhevenheid schitteren.

Een onzer oudste liederen is het Hale wijnslied. De melodie stamt af van den fraaien kerkzang van den Credo, in phrygischen modus. De Ouden aanzagen dien modus als de uitdrukking der begeestering.(2) Indien men nu het lied, waarin de dood van den maagdenroover bezongen wordt, kan aanschouwen als een heldenlied, waar opwekking en geestdrift in heerschen, en men zich aldus het gebruik van den phrygischen modus kan verklaren, mag dezelfde uitlegging niet gelden bij de melodie « Fortuine wat hebdi gebrouwen,» een^ smartvolle klachte

(1) Wat ons aan Oieksche muziek overbleef, is bittor weinig. De sporen van do muziek der Oudheid mouten derhalve in den Gregoriaanschen zang, haren afstammeling opgezocht worden (Zie Gevaeht, Eist. I, 5 en volg. id, 127 en volg.)

(2) L'harmonie phrygienne produit l'enthousiasme, Arist. Polit. VIII, 5,aangehaald bij Gevaert. i/w/. 1,184. die. t. a. p. over den phrygischen modus zegt : « Son effet étant d'enivrer, d'étourdir, de remplir 1'esprit d'uno fureur divine, il est k sa place surtout dans la musique du culte de Dionysos. »

ocr page 113

van den Brugschen gevangene, zang die nochtans insgelijks in phrygischen modus geschreven is.

Liederen zooals « die Coninghinne van elf jaren, » een tragisch verhaal, of het Reuselied : « Al die secht de Reus die comt, » een oud danslied, hebben, wat den tekst betreft, niets gemeens met den a Veni creator, » de begeesterde hymne in hypophrygischen modus, op Pinksterfeest in de Katholieke kerk gezongen, of met de hymne « Creator alma siderum, » in hypodorischen modus, waarvan zij de melodieën bijna overanderd teruggeven.

Onder een ander opzicht bestaat er echter verband tusschen de modi der Oudheid en de tonaliteit onzer liederen.

Bij de Ouden was het zachte toongeslacht (mode mineur), indien men onder dien naam de Grieksche modi met kleine terts begrijpt, zooals de dorische en hypodorische, het gewone uitdrukkingsmiddel der vreugde, terwijl het harde (mode majeur) algemeen als tolk der droefheid beschouwd werdW. In den Gregoriaanschen zang zijn de luidruchtigste, de blijdste gezangen in hypodorischen modus geschreven, en ja de componisten van het einde der XVIIlle eeuw leveren het bewijs van de overwegende rol welke het zachte toongeslacht nog tot op dien tijd in de muziek vervulde!1).

Jiekerlijk vinden wij in de Sout. weemoedige gezangen, wier melodieën in het zacht toongeslacht geschreven zijn, zooals « Gequetst ben ic van binnen, » Ps. 36 en « Rijc God wat mach dat wesen, » Ps. 148; maar in veel andere waarvan de teksten geluk en vreugde uitdrukken, behoort

13

1

Gevaebt, t. a. p. bl. 203.

ocr page 114

de melodie insgelijks tot het zacht toongeslacht, zooals : « Gheen meerder vruecht ter werelt en is, » Ps. 48, « Die winter is verghanghen, » Ps. 54 o Als alle die cruidekens spruiten, » Ps. 56, « Een oude man sprac een jonc meisken aen, op het einde der Sout., « Die wachter die blies aen den dach, » Ps. 136, enz. Van eenen anderen kant doen zich in de Sout. vele liederen voor, die weemoed, smart of droefheid uitdrukken en die in tegenstrijdigheid met de gebruiken der moderne muziek in het harde toongeslacht geschreven zijn, zooals « Ic arm schaepken aen der heiden, » Ps. 7, « Dat ic om een schoon heelde soet, » Ps. 59, « Die eerste vruecht, die ic ghewan, » Ps. 01, « Ic sech adieu, wi twee wi moeten scheiden, » Ps. 65.

ocr page 115

KAPITTEL VIL

SLOTWOORD.

Verscheidene der liederen uit het A. L., vinden wij Verwantschap terug in het Duitsch, en soms laat de Nederlandsche tekst, sommige zools D' Kalff reeds heeft opgemerkt, veel te wenschen ^ Duftsehf over. Doch, dat wij een Duitschen tekst ontmoeten, bewijst niet dat deze altoos de oorspronkelijke is. Menig Duitsch lied moge in het Nederlandsch vertaald zijn, zegt BohmeO); omgekeerd zijn vele Nederl. liederen naar Duitschland getrokken, dat met de Nederlanden, in de XVe en in de XVIquot; eeuw, liedergemeenschap heeft.

Een paar liederen waarin de vertaling het meest te wenschen overliet, ja, louter onzin opleverde, hebben wij, voor enkele verzen,nader aan hetDuitsch gebrachte1).

Eenige liederen waarvan de Duitsche tekst alleen overbleef, en die nochthans te onzent gezongen werden, zooals de aanhefsregelen der Souterl. bewijzen, hebben wij, ter bewaring der melodie, en in afwachting dat het origineel moge teruggevonden worden in oude taal overgebracht!2).

1

Ps. 8, 9G, 107.

2

Ps. 25,60, 61, 89,99,13G.

ocr page 116

— 100 —

Fransclie In de Souterl. komen, ten minste volgens de aanhefs-liederen

regelen, ook een tiental Fransclie wijzen voorU). Ps. 72, 81, 95, 113, 117, 135 hebben tevens Ned. en Fransche aanhefsregelen. Onder deze wijzen is Ps. 81 — waar het luidt : « Na de wise : « Op enen morghenstont, so ist dat ic beghinne. Int quot;Walsche : Sur le pont Davignon. » — het eenige stuk niet uitsluitend eenen Ned. aanhefsregel hebbende, in onzen bundel opgenomen. De melodie heeft echter niets gemeens, met het thans nog alom bekende Fransche lied, noch met het fragment uit Petrucci's verzameling, aangeduid door Wekerlinl1).

In zijne uitgave derSout. met drie partijen gecomponeerd door Clemens non papa, en die wij reeds vermeldden, leert dommer 2), dat de melodieën van Ps. 72, 103, 117, 128, 135 reeds omtrent 1529-1531 — dus ongeveer tien jaar vroeger dan de uitgave der Sout. te onzent — gedrukt werden te Parijs bij Pierre AttaignantW.

Buiten de uitdrukkelijk opgegeven Fransche zangwijzen, ontmoeten wij ergeene andere onder de melodieën

1

(2; La Chanson populaire. Paris, 1806. Petrucci's Harmonice musices Odhecatum omtrent 1501-1503 gedrukt, hevat, volgens de reeds aangehaalde tafel van dit werk, ons doorWekerlin bekend gemaakt, de muziek van verscheidene Ned. liederen, waaronder hot lied quot; myn herr »(te lezen « mijn hert, » d. i. Mijn hertken heeft altijt verlanghen) en de liederen : « Tandernaken, « en u O venus bant, » waarvan de tekst in het A. L. te vinden is.

2

XIe deel, Collectio operuM musicorum Ba tav. bl. II.

ocr page 117

- 101 —

der Sout. Wij mogen dus gerust aannemen, dat de melodieën ons door de Sout. ten getale van omtrent honderd en vijftig bewaard, alle, behalve de hierboven aangeduide Fransche liederen, zooniet op Nederlandschen, dan toch op Germaanschen grond geboren werden.

Wat de namen betreft van schrijvers en componisten Dichters der liederen die in onze verzameling voorkomen, deze bleven ons, zooals het bijna voor alle oude volksliederen liet geval is, onbekend.

Een enkel naam wordt ons door de Sout. opgegeven.

Het lied Nr 218, bl. 238 van het. A. L. « Wie wil hooren een nieuwe liet van dat Thantwerpen is ghesciet, » werd,

zooals blijkt uit de melding bij Ps. 149 gevoegd, « na de wise van Potteren » gezongen.

Twee midd. componisten wier wellicht verfranschte naam met dien van « Potteren » overeenstemt, zijn ons bekend; namelijk Mathias Pottier die, volgens Fétis, in de XVIquot; eeuw, zangmeester in de O. L. K. te Antwerpen was en Christophe Potier. Van beiden werden compositiën in Antwerpen gedrukt; in 1599 verscheen aldaar de eerste uitgave eener mis van Mathias Pottier en in 1553 werd insgelijks een werk van Christophe Potier uitgegeven'1).

Het zou niet onmogelijk zijn dat deze laatste de componist van de melodie onder Ps. 149 ware.

De naam van een enkelen dichter is ons bewaard. Zooals Dr Kalff reeds heeft doen opmerken'2), is liet lied N' 49, A. L. : « Ghepeis, ghepeis vol van envien » van Mathysde Oasteleyn en komt het voor onder Nr 22 zijner « Diversche Liedekens. »

1

Govaerts. liist. et bibliog. dc la typogmp. musicale dans les Pays-Bas.

2

Hel Lied in de M. E, bl. 633. Kap. VII, Dichters cn Zangers.

ocr page 118

- 102 —

Aldaar vinden wij insgelijks doch, zooals wij reeds aanstipten, met eenige veranderingen en, ten slotte, min goed bewaard, de melodie van Ps. 149 der Sout.

Zeker is dat alle de alhier opgenomen stukken, zoowel wat de muziek als de woorden betreft, minstens tot het begin der 16° eeuw behooren, buiten de teksten op de melodieën van Ps. 15 en 147 gebracht. Het eerste dier twee stukken dachten wij met kinderlijke liefde, en ter bewaring der fraaie melodie in onzen bundel te mogen opnemen; het tweede, vroeger in Willems' Oude Vlaemsche Liederen gedrukt, dachten wij mede in onze verzameling eene plaats te mogen verleenen.

Dat de schrijvers en componisten onzer oude liederen onbekend zijn, belet niet, dat vele dier gezangen zoowel wegens de woorden als wegens de muziek verdienen niet vergeten te worden.

Trouwens, waar ontmoet men zieltreffender toon dan in de melodie ; « Ghequetst ben ie van binnen? ». Waar vindt men roerender uitdrukking der smarte, dan in het lied : « Fortuine wat hebdi ghebrouwen? » Hoe heerlijk klinkt tusschen die weemoedige klachten van den banneling die « nu Brugghe moet laten, die schone stede soet, » het refrein : « O liefelic lief! ».

Wat is er jonger en frisscher dan die eeuwenoude zang : « Ic sech adieu, wi twee wi moeten scheiden? » Welke componist sloeg liefelijker tonen aan dan de kunstenaar die de melodieën van liederen als : « O liefelike mei, » « Het vlooch een clein wit voghelken, » of « Ic kwam aen enen danse, » in het leven riep?

Hoe edel klinkt de zang van Wachterliederen als : « Den dach en wil niet verborghen sijn,» of « Die wachter, die blies aen den dach! »

ocr page 119

— 103 -

De tijd moge de muziek met een ander gewaad getooid hebben, de muzikale gedachte moge thans op eene andere ■wijze uitgedrukt worden, het gevoel blijft door alle eeuwen hetzelfde, alleen de vorm verandert.

Na honderden jaren doen de melodieën van de liederen : «lt;}hequetst ben ic van binnen, » of « Het daghet in de» Oosten, b onze harten nog trillen. Zij die deze zangen schiepen, gevoelden diep; die tonen stroomden hun uit volle borstader, en, zooals de dichter spreekt :

Het lied dat uit het harte vloeit,

Is als de lieve zon:

Hetzij de zoete lente bloeit,

Of 's winters adem stroomen boeit,

Het is een laafnisbron.

*

Het lied dat is 't gevleugeld woord,

De tolk van jong en oud.

Het lied ia 't volk; ja, 't stemakkoord

Wordt meest in 't burgerhuis gehoord,

Het lied is meer dan goud(l).

Geen volk ter wereld, dit getuigen de ontelbare lieder-loeken sedert eeuwen in Nederland verschenen, heeft imeer gezongen dan ons volk. Wij achten ons gelukkig eeaige onzer oude liederen te mogen doen herleven en met Dr Kalff en Prof. Land drukken wij den wensch uit, dat ook anderen de handen aan het werk mogen slaan om onze verstrooide volkszangen met de daarbij behoorende melodieën tot eenen geurigen ruiker uit de Vaderlandsche gaarde te verzamelen, opdat wij eens in liet bezit mogen treden van een volledig Nederlandsch Liederboek.

(1) Prudens Van Duyse, Nagelaten Gedichten, V0 deel, Ie stuk, bl. 81.

ocr page 120

AANHANGSEL.

NEVELINGENVERS. — DIETSCH VERS.

Hierboven zagen wij, dat het Nevelingetivers berust op de beklemming der syllaben die hoofddenkbeelden uitdrukken.

Maar hoe is het gelegen met den bouw van het vers zelf, met de metriek van dien kunstvorm?

Uit den rhythmus, die uit beklemde en onbeklemde syllaben ontstaat, komt het geheele vers, het metrum voort!1) en uit het vers ontwikkelt zich de strophe.

Na vastgesteld te hebben, dat de volkstaal zich op eenvoudige wijze uitdrukt, zegt Werner Hahn, over de Nevelingenversmaat sprekende(2) ; In het dagelijksch gesprek krijgt het begrip of de begrippen door den spreker bedoeld (in denen die Absicht der Aussage liegt), een voornaam accent, hoofdaccent (Hauptton, logischen Satzton), dat het accent, door denzelfden spreker aan alle andere begrippen gegeven, overtreft!3). Nemen wij de

1

Metrik is die Lehre von den Taktarten (maatsoorten) und ihrer uatürlichen Dynamik, Rhytmik die Lelire von der freien musikalischen Bewegung innerhalb der raetrischen Schemata. Riemann, Neue Schule der Meloiik (Hamburg, 1883) 182.

2

Das Nihelmgenlied, nebst Vorwort und historisch-asthetischer Ein -leitung von Werner Hahn (Stuttgart, z. j.) bl. 65.

3

Wat overeenstemt met den regel hierboven bl. 10, uitgedrukt.

ocr page 121

— 105 -

woorden Ez mas ein hüniginne gesezzen über se, als eene uitdrukking des dagelijkschen levens; volgens hetgene door den spreker verondersteld wordt, kan liet hoofdaccent op hüniginne vallen, of op se. In het eerste geval wil de spreker aauduiden wie « üher se » zat, in het tweede geval wil hij doen kennen waar de hüniginne zat.

Gansch anders gaathetmetderhythmischebeklemming; hier wordt niet een begrip boven de andere geplaatst, maaide verschillende begrippen, waaruit de gedachte bestaat, worden tegen en door elkander geldigU).

Volgens W. H. accentueert de volksdichter,

/ t Ez was ein künisinno,

en vaart dan voort :

/ /

gesezzen über se.

Vier tegen elkander opwegende accenten laten zich twee aan twee aaneengeschakeld hooren. (Vier gegen-einander sich abwagende Töne erklingen in einer Glie-derung von je zwei zu zweien).

Men leze niet snel, men loope voornamelijk over de zwakkere syllaben niet spoedig voort, en men zal, zegt de schrijver, de volgende scansie bekomen :

Ez was ein küniginne gesezzen über se,

' ' '

Nindor ir gelicho was deheiniu mo.

' ' ' '

Si \fas unmazen(2) schoeno, vil michel was ir kraft ' lt; / ! /

Si sclioz mit snellen degnen umbe minne den schaft.

Indien het waar is, zooals W. H. (Nib. bl. 59) getuigt,

(1) W. H. handelt hier over do betrekkelijke waarde der klemtonen in den volzin en niet over hunne plaats; zoodat, volgens hem, de waarde der klemtonen niet gelijk is in het dagelijksch gesprek, in het vers echter wel.

(2) In het woord unmazen, valt het accent op de tweede syllabe, dus : unmuzeu.

14

ocr page 122

— 106 —

en zooals het algemeen wordt aangenomen, dat de oorsprong der Nibelungenstrophe in den volkszang, in het volkslied ligt, dat deze van de Hildebrandsstrophe afstamt en op de melodie van het Hildebrandslied gezongen \verd(l), dan moeten wij de regelen die de Nevelingen-versmaat beheerschen, ook in de muziek terugvinden.

De melodie van het Hildebrandslied werd ons bewaard in de tweestemmige liederen uitgegeven door G. Rhaw (Wittenberge, 1541) en wordt ons in de oude notatie door Böhme medegedeeld.

quot;Wij geven hier de melodie in moderne schrijfwijze, met bijvoeging van den oud-Nederlandschen tekst(2).

É

« Ich wil zu land aus - roi-ton»sprach sich mei-stor Hil-te-« Ic wil to lan-do ri-den „ sprac mee-ster Hil-le-

ZÉ—ÉZ

brant, «der mir die weg tot wei -sen gen Bern wol 1 inn dio brant, «die mi den wecli wil wi-sen te Ber-nen in dat

P

m

3=±z

sind mir un-kund ge sijn ral on-be-kent ghe wor-den vil weest(3) so

land; lant;

sie sl


(1) Böhme, AUdeutsches Lieberbuch, bl. 6.

(2) A. L. Nr 83, bl. 122 en H. B., II, N-quot; I, bl. I.

(3) In het vijfde vors der Nederlandsche vertaling, want de Duitsche

tekst is do oorspronkelijke, hapert de rhythmus, het vers zou slepend

moeten eindigen, daarenboven schijnt het vier accenten te tellen : t t r t

si sijn mi onbekcnt gheu-eesl; het kan echter tot drie slagen gebracht worden : si sijn mi oubekenl gheweest. — De woorden Ey ja zijn, volgens Böhme, eene soort van refrein, dat door liet koor gezongen of liever tusschengeworpen werd.

ocr page 123
ocr page 124

108 —

M

Ez was ein kii - ni - gin - ne ge - sez - zen ü - ber

se,

$

nin-der ir ge - li - che was do hei-niu

me, si was un-ma-zen sclioe-ne, vil mi-chel war ir

i

si schoz mit snollen deg-nen umbe

kraft,

P

min - ne don

Niemand zal ontkennen dat de tekst der aangehaalde Nib. str. het halfvers ;

muget ir nu wunder hceren sagen,

dat hier, zooals op het einde van sommige andere strophen, eene verlenging ondergaat, — verlenging die aan de Hilde-lirandstrophe onbekend is — niet uitgezonderd, goed op de muziek past.

Hieruit besluiten wij dat het Nevelingenvers drie accenten teltC1), maar dat een dier accenten, het tweede, min

—a— schaft.

1

Dio regel geldt alleen voor de typische Novelingenstrophe. d. i. die van het volksgezang. Veelmaals echter komen halfverzen voor met min,

ja ook met schijnbaar meer dan drie accenten, als 670' do sprach die

quot; n gt; t n . .

vrouwe of 1« muget ir nu minder hceren sa pen. Die afwijkingen van, net typische schema zijn te verklaren door misverstand van den vorm van wege don verzamelaar der Nibelungen, « erklaren sich.... aus einen Miszvorstandnisse der Form,... « (W. Haun, Das Ntbelungenlied, blz. 69).

ocr page 125

— 109 —

gewicht heeft dan de twee andere, omdat de melodie, en dienvolgens ook het metrum van het vers gesteld zijn, niet in de eenvoudige maat (mesure simple) van twee slagen of tijden, zooals maar in de samengestelde maat (mesure composee) van 0. En dit is, zooals wij reeds zagen, het geval in bijna al onze oude liederen; de eenvoudige of niet samengestelde maat valt zwaar en eentonig, terwijl de samengestelde integendeel aan de melodie afwisseling, kleur en leven bijzet'.1).

Men beproeve het de Nib. str. in niet samengestelde maat te zingen, en men zal onmiddelijk overtuigd worden, dat liet gedurig herhalen van hetzelfde zwaar accent, aan de melodie allen zwier ontneemt.

th. a. th. a. th. th. a. th. a. th.

| |

--i—1-

-j--

•»

/rv

•• -4—

gt; id ■! 2 3

1- É j

-é—é—

. 9 1

é

Uns ist in al-ten mseren wunders vil go - seit.

Terwijl de samengestelde maat integendeel door hare indeeling der accenten(2), het vers losheid en beweging

bijzet:

th. a. th. th. a. th.

/

i 1 ■' 1quot;

—W-

rni

-1—

fj

im---

Uns

: * É • '' ï-

ist in al - ten

# p -

in se-ren

ë * w ë

wunders vil ge -

: ö

seit.

(1) Zio hierboven, bl. 38 en volg.

(2) Gevaert, Hist. II, 32. « De même que dans chaque meaure simple l'un dos temps premiers parson energie plus grande domino les autres temps et leur donne la cohesion nécessairo, de mème dans chaque mesure composée l'nne des mesures simples, par rintensité de son tomps frappé, domino toutes les autres et absorbo en grande partie la force do leur frappé. « — Ib. « Dans la dipodie 1'uno des deux mesures simples ost considérée comme arsis, l'autre comme thesis. »

ocr page 126

— 110 —

Derhalve zullen wij scandeerenC1) :

n r rr n t n

Uns ist in alten meeren, wunders vil geseit :

tr t n H r //

Von helden lobebseren, von grözer arebeit ;

// r u

Von vröiule und hóchgezïten, enz.

Wat de verlenging der thesis op het einde van het hallvers en het aldaar voorkomende rustteeken betreft, zij duiden de rust aan, die natuurlijker wijze op het einde van ieder halfvers der Nib. ontstaat. De plaats van het rustteeken wordt in de meeste gevallen door de anakrousis, voorslag van het volgende vers ingenomen!2).

Het ligt in den aard van het Dietsche vers, juist omdat wij niet altijd weten op welke syllabe de dichter den nadruk heeft willen plaatsen, en ook niet altoos kunnen beslissen of hij voorslag heeft willen gebruiken of niet, dat hetzelfde vers niet zelden op twee, drie wijzen kan gescandeerd worden; dienvolgens willen wij niet beweren, dat de door ons aangenomen scansie overal de volstrekt ware zij; doch, dit belet niet, dat de algemeene gang van het gedicht zich in de aangeduide samengestelde maat bewege.

Wanneer wij spreken van « op maat gesteld vers,» willen wij niet zeggen, dat men, onder het lezen, de maat moet

1

Zie hierboven, bl. 22.

2

Gevaert, Hist. II, 22. « Les tenues et les silences n'apparaissent qu'ila fin du vers rhytraique. n 1b. bl. 66. « ... la dernière mesuro du membre, sauf le frappé, est généralement rcraplie, soit par dos silences, soit par la prolongation du son unique... „ — lb. bl. 46. « Le sentiment musical des occidentaux a une propension innée a mettre 1'ictus principal du membre sur la dernière mesuro simple. »

ocr page 127

— Ill —

slaan, of dat men deze streng in acht moet nemen. Neen, de strenge, mathematische maat dient evenmin onder het spreken of opzeggen, als onder het zingen of spelen te worden gevolgd.De metronoom is een anti-muzikaal werktuig en wordt alleen gebruikt om den algemeenen gang van een muziekstuk te doen kennen. Wanneer de componist de maat bijmiddel van den metronoom aanduidt, blijft er nog menig aanwijzingsteeken van snellere of tragere beweging te zijner beschikking om zijn gevoelen aan den uitvoerder mede te deelen; maar, van welke teekenen de componist zich ook bediene, hoe hij zoeke al zijne indrukken uiting te geven, veel moet hij aan de kunst van den zanger of speler overlaten.

En indien het voor den componist moeielljk, ja, onmogelijk is, zijn muzikaal gevoelen door de notatie heel en al uit te drukken, is het even moeielijk alle de nuances van de gesprokene taal weer te geven. Dienvolgens kan onze notatie van het Nev. vers slechts den algemeenen maatgang teruggeven, doch dit is voldoende om te doen zien wat het metrum, de versbouw der Nib. str. is.

Tot voorbeeld kiezen wij uit het eerste ons bewaard gebleven Nederl. fragment, de volgende regelen :

ocr page 128

— 112 -

J J* J J*

al-le si - no

J. J

clö - dre

^J.

haddehi o-nen roc


j ï

Boven al-lo si-ne

J ^ ^ ^ • •••••

vat hie-re me-de ge-

I I ^

• •

leclite alse een

J / J ^

ja-gen - ne doe

J Jquot; J f

ie-pen ie - gen

J J ^

'el den coe - nen

raec - te

I* *

• • • I •

i'aec - te dat bleef

I N i ^

• • • *1

ia-ge-ro

I ^ h • • • *] •

co - men des

I I ^

lie - me,

J. tif

he - me, endeont-

I I ^ ■ • ■ *|

lie - re ;

J. •NJV

hp - re: daer was

J

•

J.

•

maect

na

he -

me

J

•

1

• •

J

u

J

die

waer -

J.

heit

J

e -

nen

ko -

ker

.rjv

jr

sta-le

ge-

maoet.

I I h

• • • •

swar - ten cor - de

J Ï J ^

al be - see - den

J ^ J J*

al vol stra - le

J J* J j*

^roe - te vin - gre

J .* J Ï

vier roe-te vin - gre

J J* J J*

dat bleef doet ge-

r ^ I I* •• •

doet ge-

Ze-ge vrijt,die helt,

J h h ^ ^

• • m» 9 m

co - ninx hel-dege-

J ^ J

(

i

I:

r

n

en - de ont - vin - gen j:

(

i

(

v: (

V]

J Jquot; J

daer was me - nech

Jr--

nech,


ocr page 129

— 113 —

en uit het tweede fragment:

J ï

J .N i

J J ^

irj,

Geer - noet en - de

Ghi-se-leer

sei - den:«Sus - ter

mijn.

J /J J

J' j *|

J J ^

JTJ i

nu getroest u

sel - ven,

e - del vrou - we

fljnl

J. ï, ï

J ^ J ^

J' J 1

Wi

wil-len u sijn ge-

hel - pech, die

wi - le dat wi

le-ven. »

J J*

■ • J 1

J / J

J. J 1

Here en cons - te

nie - men

troest ge-noeeli ge-

ge-ven 1

h •

J. J ƒ

jr~quot; j i

J ^ J ^

JTJ -]

Sijn

sarc was ge-

reet;

doe om-trent mid-

dach.

Jgt; J *j

J ^ J

JTJ i

Men

hief-fe-ne van der

ba - ren

daer hi doe op

lach;

h m

J ƒ J X

•• J 1

j Jquot;

rJ i

in

e - nen die - ren

pel - len,

datmenden doe - den

want;

r* i h • • • •

J 1 M

J J

1

daer was me - nech

droe - ve.

doe ie u bo-

cant.

J. J ï

1 1 ^ •• ■ *1

Daer

was me - nech

droe - ve,

J ï J ^

J. J 1

J.J •,

Oec was har - de

drue - ve

U-te, die e-de-le

vrouwe;

h m

j .quot;Jï/.r

J 1 „ • • • *1

J ^ J

J. J *i

om

Ze - ge-vri-te, den

he - re.

had - si groe - ten

rou-we.

,J ^

J 1

J ^ J

JTJ 1

Al - si dat ver-

na - men,

dat men mia - se

sanc

ï

IJ. J ^

J. J .V

jr^j ^

J?J •

Al-

ï si dat ver-

na - men dat men

mis - se

sanc

Jlt; J *1

J J

JTJ .

en-de men of - fren

sou - de,

wardt daer groet be-

dranc.

15

ocr page 130

— 114 —

Men scandeere hoe men wille, op zekere plaatsen met of zonder voorslag, toch wordt de loop van de melodie, wat de Duitschers den Fluss in de muziek noemen, overal volgehouden(l).

Ook het vers van den Reinaert, dat nu eens drie accenten, zwaar — halfzwaar — zwaar, dan weer vier accenten, halfzwaar — zwaar — halfzwaar — zwaar, ontvangt, dient in samengestelde maat'van % of van | gescandeerd.

Volgens hetgeen wij hierboven gezien hebben, begint het vers van drie accenten, daar de laatste accentsyllabe van het vers op den slag valt, insgelijks met den slag, frappé, — den voorslag daargelaten; — om dezelfde reden, begint het vers van vier accenten, met den opslag, levé.

Verzen van drie accenten :

a 1 2 3

Die goe - de ha - no Crai - ant,

Son-der Vos Rei-naert al - le- no, 12 3

=

-H---

v)

-4 - .....

■

Noch-tan hoon - di mi sint(l).

1

Fluss in der Polyphonic, zie do voorbeelden getrokken uit do werken van J. S. Bach, aangehaald bij J. C. Lobe, Lehrhuch der musihalischen Koniposition, III, bl. 37 en volg.

ocr page 131

— 115 —

Verzen van vier accenten :

J-a--1—««-

r- j1 •-*-

^5-H-—J—

Doe spranc Tp-fr----flt;r-

op Grim-bert die L ■ ^--K-J

das,

9J

----S—J-J-

'v m

H—

Svi-ants mont seit sel-den wel.

Aldus wisselen de verzen van drii en van vier accenten met elkander af, zonder dat er uit die afwisseling eenige stoornis voor het metrum ontsta. Daarin ligt de reden van de mogelijkheid dier afwisseling in de Dietsche poëzie.

Hiermede wordt de vraag beantwoord door Dr Van Heiten gesteld!1), of wel eens bij uitzondering — wij meenen dat zulke uitzondering niet zeer zeldzaam is — een vers van drie heffingen met een ander van vier tot een paar werden vereenigd.

In de volgende notatie, die slechts dienen moet om ons gevoelen te beter te doen verstaan, en waarvan de tekst ontleend is aan Dr Van Helten's uitgave Van den Vos Rcynaerde, vinden wij reeds bij den aanvang zulkdanig verzenpaar :

rit t

Alle die diere groot ende cleene,

t t r

Sonder vos Reynaert alleene.

Ziehier nu, hoe wij de scansie van den Reinaert begrijpen ;

1

Over Mnl. Versbouw, blz. 91.

ocr page 132

- 116 —

I- s 1 •• j;r ; I ^;

Het was in e - nen sin-xen da-gho, Dat

if

*3

2-a--.--^—p-

•-

■T- -h —-

amp;-t=bi

^-

quot;M

—r

--1--

k---

bee - de hosch en - de ha - ghe Met groe-nen

S—a;

=^1

lo - ve-ren wa-ren be - vaen. No-bel die

had - de ghe - daen Sijn hof my -

3=£3=^

e-ren o - ver - al, Dat hi waen-de, hadde hijs ghe-

15-^,

val, Hou - den te wel groe - ten lo - ve. Doe

qua - men tes co - ninx ho - ve Al - le die

$

ZMt

-I-b»

p

lee-ne.

die - re, groet en-de clee-ne, Son-der vos Reynaert al ■ 1 -i--i-1 lt; 0 g ■

Hi had-de te ho-ve so ve-le mes-

;*== EEEBz

Egprr^r-fxj

1

3EEEE£iÖ

daen. Dat hi - re niet dor - ste gaen : Die hem be-

Dat hi - re

ocr page 133

1

117

schuldich kent, ont - siet; Al - so was Rey-naer-de ghe-

sciet, Ende hier otA-mo scu-we - di sco-ninx hof, Daer hi in

P

had-de cran - eken- lof.

Volgens Dr te WinkeK1), moet de oude Fransche acht-silbige versmaat aangezien worden als uitgangspunt voor bet Dietsch episch vers.

Als grondslag voor de maat werden echter niet acht lettergrepen aangenomen, maar vier (soms drie) lettergrepen met klemtoon, ieder gevolgd door eene of twee lettergrepen zonder klemtoon, ook wel door drie, ja soms door vier, zooals wij vroeger zagen.

Dit feit is wel te danken aan de overwegende rol, welke het woordaccent in de Germaansche talen speelt, maar het lokt de vraag uit, of niet ook de oude Fransche acht-silbige versmaat, niettegenstaande het geregeld getal der syllaben, op het accent der Fransche taal berust?

Dit is immers het geval met het Alexandrijnsch vers,

dat met vier accenten gelezen wordt :

' ' ' '

Oui, je viens dans son temple adorer l'Eternel,

/ ff r

Je viens selon l'usage antique et solennel, ff ff Célébrer avec vous la fameuse journëe, ' ff f Oü sur le mont Sina la loi nous fut donnée.

1

Gesch, der NederU Letterh,, 1887, I, 87.

ocr page 134

— 118 -

« Cette fajon de scander les vers Alexandrins t, zegt Pierson(i), wien wij het bovenstaande voorbeeld ont-leenen, « est la seule aujourd'hui en usage. L'ancien rythme dissyllabique ne pouvait se soutenir que grace a la musique, mais dans la simple recitation il serait beaucoup trop lent et trop pesant. »

Ook voor de muziek, zelfs in het eenvoudig volkslied, zou wat Pierson « l'ancien rythme dissyllabique » noemt, zwaar en eentonig klinken. De oude Fransche meesters, vooral in het recitatief, volgden het accent der gesprokene taal. Zoo vindt men bij Campra, in het zangspel:

—tr;:-r—r # f r-p—

1 r Jg?—^ :

Mon coeur s'est done flat - té d'une es - pé - ran - ce

1,6 vai-ne, Eh bien : sui-vez l'ardeur qui voub en - trai- ne

Het schijnt ons niet onmogelijk, dat men vroeger, niettegenstaande het geregeld getal der syllaben, naar aanleiding der gewone gesproken taal, gescandeerd hebbe :

i i gt;

Ce fu en la douce saison i t /

Que cler chantent li osellon

/ f I

Pors le tens qui est nez et purs, gt; / gt;

Que Renart ert dedenz les mure

/ ! r

De Malpertuie son fort manoir(3).

(1) Métrique naturelle du lang age, bl. 226.

(2) Hésione, tragedie en musique, Paris, nOO, bl. 107.

(3) Tekst aangeh. bij Jonckbloet , Étude sur le roman du Renart, bl. 150.

ocr page 135

LIEDEREN

ocr page 136

I.

HET WAS EEN CLERCSKEN

Ps. 1.

Ut modern.

Het was een clercs-ken dat ghino ter echo - len,

—F320--^ F§:=°==:1

—P—I——Fa-e---------^

sijn eer - ste les - ken en con - ste hi niet

ocr page 137

— 121 -

sijn al - der

i

m

do

len :

ESE

$

m

ft—^

wel.

de niet

lief - ste en wou

I

f

:2:

te

1. Het was een clércsken dat ghinc ter scholen, sijn eerste lesken en cónste hi niet wél,

sijn jónghe dom hérteken viel in dólen :

sijn aider liefste en wóude niet wél.

16

ocr page 138

— 122 —

2. Het ghi'nc dat gheselleken tsavonts uit vn'en, des avonts in den maneschijn;

lii clópte vóór sijn h'evekens düere,

hi wóude daer in ghelaten sijn.

3. Een ander boelken sóude hi wel kiesen,

dorst hi dat wél op aventüer;

maer hi düchte hi soüde verliesen so als hi déde te ménegher lier.

4. Ghesélleken als ghi nóch gaet uit vrien;

so dónct altijt op vróukens diiecht;

dan mdechdi draghen den schilt van prise,

ende métten vróuwen sijn verhiiecht.

A

TEKST.

Wiij.ems, Oude Vlnemschc liederen, Nr 11, bl. 194. — Aangehaald bij Dr Kalpf, liet lied in de M. E., bl. 407. Dr Kal ff stelt do vraagr of het referein bij W. :

Maer, ruiters gheselle, ton mach niet sijn ; bi u te-comen waer mij verdriet;

wat ghi cloppet, ie en hore u niot.

waarin van een ruiter gesproken wordt, niet oorspronkelijk bij een ander l ied heeft behoord. Die vraag moet men bevestigend beantwoorden, daar dit referein in de melodie en dus ook in don tokst door Willem van Zuylon van Nyevelt als psalm op de muziek gebracht, niet bestaat.

Bij 'Willems wordt geene bron aangeduid. Doch volgens eene recensie van zijn work, doorL. H. C. B., destijds in Den Gids verschenen en overgenomen in he Eendragt, 1848-1849,1)1. 39 en volg., is het lied door Willems geput uit een Hs. van Prof. Serrure, uit den aanvang der XVI0 eeuw en schijnt van Anna liijns to zijn. Schrijver dor recensie verzendt naar Mone's Übersicht waar men Nr 316, bl. 227 leest : « Een amoreus liedeken. In dors. Hs. (Serruro's) mit dom Boisatz : nota A mm Antwerpic soli sich das auf Anna 13ijns von Antwerpen als Verfassorin beziohen? — Es sind 4 achts. str. Anf.

Eon ander boelkon sonde ie kiesen dorst ic will op aventuere,

maer ic duecht, ic soude verliesen,

als ic dedo ter lester ure.

ocr page 139

— 123 —

quot;I , ii

! gt;!

i

Mer ruyters gesello, t-en mach niet syn

van u te comen is my confuys,

wat ghy doppet ic en ben niet t-huys.

Het lach een clercken (sic) langhen tijt ter schoen,

syn yersto lesken en const hij nyet -will etc. n

Het is in het geheel niet bewezen, dat het lied van A. B. zoude zijn.

Dat dit stuk zeer verspreid was en lang populair bieef, blijkt onder andere uit den Ecclesiasticus van J. Fruytiers Antw. 1565, uit de Yeel-derhande Liedekens 1569, aangehaald bij Wackernagol, lied. der Nied. Re/., bl. 29 en 90, en uit Van Manden Gulden Harpt, bl. 358, uitg. 1527, waar het als « wijs » wordt opgegeven, telkens met den aanvang : quot; Ic was een clercsken. n

AANTEEKENINGEN.

1 str., 1 r. Verg. : Antw. Lb. Nr 69, bl. 103, str. 3 :

Ic was een clercsken, ic lach ter scholen, den rechten wech heb ic ghemist.

2 str., 3 r. tekst: dewe,

3 str., 2 r. t. : aventure. Vers met voorslag volgens de muziek. 3 str., 3 r. t. : ducht.

■ '!■

it lit i

|ïl

'li l!r (

Ml

3 str., 4 r. t, : ure.

MELODIE.

Sout., Ps. I. Variante in den Ecclesiasticus, Nr 34, bl. 76, welke wij hier laten volgen.

I

a

ËÜËïi

I');

P

psp--n

ii

I

||

111 i, | „

1

fj

1 '

ocr page 140

— 124 —

II.

HET REGHENDE SEEK.

Ps. 3.

Eypodoritch (Zestonig)^ ^ „ 3 3 3

^-ra=3:

Het re-ghen-de seer ende ic wor-de nat; bi mi-nen

3 3

2=t:

Wz

2z

W:, 2 - _—

-ö-

C-

wtgt;a—p---------«-

*1 j j J

5

boel sliep ic te nacht, sliep ic te nacht: bi

3 3

r r

L_1

£

3

P

gt;i ^ j j j ji

m

hem bo sliep ic al - la

1

ne, rijc God, mocht

3K ' I

3

ocr page 141

— 125

#

w

-o

Bijn.

ic bi der lief - ste

i

t-2

2

r

1. Het réghende séer ende ic wórde nat, bi mmen bóel sliep ic te nacht,

sliep ic te nacht:

bi hém so sliep ic alléne;

rijc Gód, mocht ic bi der liefste sijn!

2. Hi clópte voor haer clein yensterkijn : « staet óp mijn lief, ende laet mi in,

ende Idet mi in;

ic héb hier so langhe ghestdnden, mi dunct dat ic vervrósen bin. »

3. Dat méisken schoot aen een hemdekijn; doen liet si in den ruiter fijn,

den ruiter fijn;

in haren blanken armen hiet si den ruiter wéllecom sijn.

4. Mer snachts, omtrent der middernacht, doen gaf die bédsponde énen crac,

ende sie wéende séer; si wéender also sére;

haer dócht dat si bedróghen was.

ocr page 142

— 126 —

5. « En wenet niet, mijn sóete lief,

ic sal u schriven énen brief,

ende tróuwen di,

ende tróuwen di, tot enen wive,

ghi siilter certëin die liefste sijn. »

6. « Ghi ghelóoft mi veel, ghi hóut mi clëin,

ghi en biet mi daer toe gróót noch cléin,

ende ic draghe een kint;

een kindeken also cléine,

ic en weet certéin den vader niet. »

7. « Draecht ghi een kint, so cléinen kint,

so siet dat ghi den vader vint,

oft ghévet mi;

oft mi, oft minen ghesélle,

dat kint dat móet gehóuden sijn. »

8. Dat mëisken swóer al bi Sint Jan :

« bi mi en sliep noit ander man,

niet meer dan ghi;

dan ghi, ghi valsche bedriegher,

ghi staet so vaste in minen sin. »

9. Die dit liedeken éerstwerf sanc,

dat was een ruiter al vander banc;

ende hi sanghet fijn,

hi hévet so wél ghesónghen,

hi der aider liefste en mócht hi niet sijn.

TEKST.

Hersteld naar Nr quot;79, bl. 118, Antm. Lb. « Een nieu liedeken ». Zooals blijkt uit de strophen 6 en 9, welke hier in hun geheel met het origineel overeenstemmen, heeft het lied dit schema ;

ocr page 143

- 127 -

De tekst onder de melodie in de Sout., en liet (feestelijk lied bij Wacker-nagel, Lied der Nied. Ref. bl. 114, zoowel als de melodie zelve, bewijzen dien vijfregeligen versbouw. Willems, Oude Yl. Lied. 1^58, bi. 151, bracht op de melodie van Ps. 3, het lied : quot; Hi sprac ; lief, wiltu raijns ghedincken? » getrokken uit hot groot Van Hulthemsch Hs., XIVquot;-XVe eeuw, en liet daarbij het grootste deel van het refrein achterwege. Zooals Serrube, Vaderlandsch Museum, III, 149, reeds vaststelde, we.-d de tekst van dit laatste lied vroeger nauwkeuriger uitgegeven door Willems in zijne Mengelingen, bl. 29(5. Noch het Van Hulthemsch Hs, noch het Hs. van Anna Bijns, dat vroeger aan W. behoorde, en thans ter Brusselsch Bibl. berust — W. beroept zich op dit laatste — maken melding van de mei. van Ps. 3, noch van de wijs; « Hot reghende seer, n Dit laatste « Een nieu liedeken », behoort overigens tot de XVI0 eeuw, terwijl liet eerste ton minste tot do XVe eeuw moet teruggebracht worden, ja, door Dr J. te Winkel, Geschied, der Nederl. Lelterk., 1887, I, 449, onder de meest karakteristieke minneliederen der XIV6 eeuw wordt geteld. Aangehaald bij Dr Kai.fp, Het Lied in de M. E., bl. 391. — « Het regende seer en ick wordt nat, n is als « wijs n aangehaald Nieu Amst. Lb., 1591, bl. i7, voor het lied met vierregelige stropho « Dees wijn maeckt vrolijck ende rijck, n doch het woord ; quot; etc. n aldaar na den tweeden regel der tweede strophe geplaatst, bewijst dat er insgelijks bij het tweede vers eone herhaling plaats had.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 4 r. tekst: worde nat. Volgens « de wijs » opgegeven door do Sout.: roert nat.

1 str., 5 r. t. : mocht ic die liefste sijn.

5 str., 1 r. t. ; meent..

7 str., 4 r. t. : oft mi bijgev.

7 str., 5 r. t. ; houden, op-houdon oen kind, alere, educere, educare puerum. Kil.

9 str., 5 r. t. : bi die liefste.

MELODIE.

Sout., Ps. 3. Aangehaald bij Gevaert, Hist, bl. 143, nota 2, als voorbeeld van zestonigen hypodorischon modus. — In Den Gheestelijcken Nachtcgael, Antw. 1034, 1, 138, vindt men do mol. als volgt :

tr

ocr page 144

— 128 —

III.

HET DAÖHET IN DEN OOSTEN.

Ps. 4.

Toon van Re ? --i—

iet Si fy.

L quot; 1

-3—^----f-

«gt;—2-J—

^ Het

; Z-t—y.---—

da-ghet in den

_2— — —1« l-— Oos - ten, het

—A—4-----

^5—2--

^ Q rJ p,_r-

(amp;_S—

3 ■■

4 )-^2:—f—F—®—--------^ -----

lich-tet o - ver - al; hoe lut-tel

|tr_ ö------o-------j=^——f

o—

-

^^-0-9!----

—f—p——1---

Lr ■

-JjL ^---fs'—'~m—0—

A~J H J -P

-a—i--1—I

Wb ......£ -!L-_Êr-

--4=3 r «tzq

weet mijn

lief

ken, waer

ocr page 145

— 129 —

zamp;z

I

dat ic he - nen sal I

m

122

T

fil-fr—ËÊjÉ

Het daghet in den Oosten, het llchtet óveral;

hoe luttel weet mijn liefken, waer dat ic hénen sal I

« Och, warent al mijn vrienden dat mijn vianden sijn,

ic voerde u uiten lande,

mijn lief, mijn minnekijn! »

1.

2.

3. — « Dats waer soudi mi voeren,

stout ridder wél gheméit? ic ligghe in mijns liefs armkens, met gróter wéerdichéit. »

n

4. — « Lichdi in ü liefs armen?

biló 1 gin en sécht niet waer : gaet hénen ter linde groene, versléghen so léit hi daer. »

ocr page 146

— 130 —

Dat méisken nam haren mantel ende si ghinc énen ganc al tótter linde groene,

daer si den dóden vant.

« Och lichdi hier verslaghen versmoort al in u blóet! dat heeft ghedaen u róemen ende uwen hóghen móet.

« Och lichdi hier verslaghen die mi te tróósten plach! wat hébdi mi ghelaten so ménighen dróeven dach! »

Dat méisken nam haren mantel, ende si ghinc énen ganc,

al vóór haers vaders póorte die si ontsloten vant.

« Och is hier énich hére, oft énich édel man,

die mi nu minen dóden begraven hél pen can? »

« Die héren swéghen stille, si en maecten ghéen ghelüit; dat méisken kéerde haer ómme, si ghinc al wénende uit.

Si nam hem in haren drmen, si custe hem vóór den mónt, in eender córter wilen,

tot also ménigher stónt.

ocr page 147

— 131 —

12.

Mot sfnen blanken swderde dat si die aerde op gróef, met haer snee witten drmen ten grave dat si hem dróech.

«Nu wil ic ml gaen beghéven in een clein clóosterkijn,

ende draghen swarte wiien, ende wórden een nónnekijn. »

Mot hare claerder stemme, die misse dat si sanc,

met haer snee witten handen dat si dat belleken clanc.

13.

14.

TEKST.

Antrv. LI., Nr 73, bl. 108 • Een out Lie delen n. — Oudt Amst. Lb., 1561, bl. TO. — Haerlems Oudt Lb., 21' Druk, 1716, bl. 66. — Uhland, Volkslieder, 1844, Nr 95, B. — Willems, Oude VI. Lied., 1849, Nr 48, bl. 111. — Hoffmann v. F. Llorae iïelg., II, 2e uitg. 1856, N' 16, bl. 65. — Böhme, A ltd. Lb., Nr 16, bl. 67, met eene Duitscho vertaling door den uitgever.

Over dit lied, dat ten minsten uit den aanvang der 14quot; eeuw zou dag-teekenen en waarvan de melodie op een geestelijk lied toegepast, dagelijks door de heilige Geertruid, begijn van Delft, geboren te Voorburg in Holland, in de eerste helft dor veertiende eeuw zou gezongen zijn, zie Dr G. Kalfp, Het Lied in de M. E., bl. 629 en Dr J. G. Acquoy, Het Geestelijk Lied in de Nederlanden vóór de Hervorming, studio verschenen in Archief voor Nederlandsche Kerkgeschiedenis, 1886, bl. 32, nota, bl. 42 en volg., waar over verscheidene geestelijke navolgingen gehandeld wordt. Echter, volgens Dr J. te Winkel Ge sok. der Neder l. Letterk., 1887, bl. 455, wordt het beroemde lied misschien op al te zwakke gronden tot de 14° eeuw gebracht. — Ook de melodie zal best, volgens ons, tot de XVe eeuw teruggebracht worden.

— quot; Een nieu liedeken n met behoud van den aanvangsregel, bewijs van de populariteit van het oud lied, wordt reeds in hoiAntw. Lb. Nr 75, bl. 112 gevonden.

— Als wijs vermeld, voor het lied : van Jacques, Hoe hij verraden ende gevangen werd, voorkomende in Het Offer des Heeren. 1570, en herdrukt bij Wackernagel, Lieder der Niederlandischen Rejformierten. N' 100, bl. 198 en voor het lied : « Och God, wilt doch vertroosten », Geuzenliedboek, 1588, tekst on melodie opnieuw uitgegeven doorD1' Loman

ocr page 148

— 132 —

ia zijne Twaalf Geuzenliedjes, 1Ö72, Nr XI. Vorder wordt dezelfde ■wijs aangehaald in Het Paradiis der gheestelither vrcuchden, Antw. 1617, bl. 102; — bij Joh. Stalpardi (Van der Wielen's) Eair actum Catholicum, loven, 1631, bl. 126, meteene andere melodie dan die der Sout.; bij Cami'huyzen, SticUelyke Hymen, 1624, bl. 58; in den Amsterdamschen Pegasus, 1627, bl. 71,138 en 171; in Pers' Bellerophon, 1638, bl. 33 en 44. Niet zelden ontmoet men als aanvangsregel « Het dagliet uyt den Oosten » namelijk in Het OJfer des Heeren, t. a. p. in den Amst. Peg., bl. 71; in den Bellerophon en in het Haerl. Oudt. Lb.

Duitsche aanverwante tekst der XVquot; eeuw bij Böhme, AUd. Lb. met eene melodie, welke, zooals B. zegt, maar moeielijk tot de Neder-landsche kan teruggebracht worden. — Nederduitsche tekst, bij denzelfden, bl. 70.

Geestelijke pastiche van het jaar 1421 bij Hoffmann v. F. Geschichie des Leulschen Kirchenliedes, 3« uitg. 1861, Nr 230, bl. 389; eerste strophe met do melodie, gansch van de Nederlandsche melodie verschillend, bij Böhme t. a, p. Nr 17, bl. 69.

Nog gewaagt Böhme, bl. 72 van een Duitsch Reformatielied, van omstreeks ï 524-1527, op de wijs : « Es faget in den Osten. »

AANTEEKENINGEN.

2 str., 2 r. tekst : vianden. Zie de aanteekening. Inleiding, bl. 16.

3 str., 2 r. t. -.Mhemeit. Willems schrijft met het Oudl Amst. Lh. : quot; Ghemoet. n H. v. F. Hor. Belg. t. a. p., leert dat de uitdrukking « wel ghemeit n die zooveel beteekent als het Duitsche « stattlich toen zij in lateren tijd onverstaanbaar was geworden, vervangen werd door « ghemoet. » In een ander lied, N8 96, Anln. Lb., heruitgegeven in de Hor. Belg, 11, Nr 58, bl. 142, wordt dezelfde uitdrukking gebruikt en door H. v. F. verklaard als hebbende den zin van « stolz, keek, und wolhgemuth, wie das m. h. d. n H. voegt er bij dat de uitdrukking « ridder wel ghemeit » mede te vinden is in den llenout, Hor. Belg. V bl. 73, alwaar het luidt:

doe voer die bode vele saen te Renout van Montalbaen ende heeft den heelt ghemeit,

die sake al uut ende uut gheseit,

also alsem was gheladen.

4 str., 2 r. t. : bilo. De oorsprong van Ulo (ouder bilode) ia onbekend. Willems. Ned. Letteroefeningen, Gent, 1839, Over eenige oude Nederlandsche vloeken, eeden en uitroepingen, leidt het woord af van lo, lode, vlam, waarvan hot werkwoord lo-en, loejen (gloeien) en het frequentatief loderen (lodderen?). Anderen zien er in Bij Loden (d. i. St. Lodewijk), of Bij Looi (d. i. St. Elooi), of ook nog eene opzettelijke verbastering van Bij

zooals die in vloekwoorden dikwijls voorkomt (Z. Vkrdam, Mnl. WdOneli, in voc.)

5 str., 1 r. t. : Tmdisken. Platduitsche tekst bij Willems, bl. 114.

ocr page 149

— 133 —

Dat medeken. De voorslag is hier onontboerlgk voor de melodie, ten ware men gezongen hebbe : 't meiskén. Zie, Inleiding, bl. 33,

8 str., 1 r. t. : Tmeishen. Zie str. 5,

9 str., 3 r. t. ; nu, bijgev. door H. v. F.

11 str., 4 r. t. : mengher. H. en W. menegher.

13 str., 2 r. t. De gesprokene taal zou vergen : In een cléin clóoster-hij n; de melodie eischt eene andere scansie.

13 str., 3 r. t. : mie = sluier, voile.

MELODIE.

Sout. Ps. 4. Zie over deze mei. de Inleiding, bl. 63 en volg. Zelfde melodie, buiten lichte varianten en eene de tonaliteit storende aanvangs-noot, in een Devoot ende profitelijk Boecxken, Antw. 1539.

« Warent alle mijn vrienden, » aanvang der 28 strophe vindt men ais wijs aangegeven in Van Mander't Gulden Uarpe, 1627, bl. 330 en in den Amst. Pegasus, 1627, bl. 13. In deze laatste verzameling voor het lied getiteld : Homerus Hym : Vene : waarvan de eerste strophe luidt: quot; Singht zangerin de schoone!

de schoone Venus bly !

die met een gouwe kroone draeght Cypres heerschappy :

die met een gouwe kroone, etc. n

De laatste regel bewijst op stellige wijze — Dr Kalff, Eet Lied in de M. E., bl. 548, handelde reeds over dit punt, — dat het 3' en 4° vers dor strophe van quot; Het daghet n onder het zingen herhaald werden.

Devoot ende prof. Boecxken, 1H39.

Sol(?)

lüi

Het da - get in den Oos - ten, Die

SeeêëeEEEEE

3=i$ü

i

—5—:B

1

sla - pe nu niet so

ghe.

lan

ocr page 150

— 134 —

IV.

AENMERCT DOCH MIJN 6HECLACH.

Ps. 5.

Re metabolieh,.

Aen-merct doch mijn ghe-clach, ghi rui-ters fraei van

sin

- ' ¥ 1 ■

-a—J-1-

4^-* ^J

nen; ic

'■JtrS-ï-ii---

— 'e=£—f--

L_ö---

rf—p---

-ja - a ^

1 1 1

—! 1 J -M

:2-t=:pi fd-1 quot;! 1—j

£ J 2—• quot;------P quot;- ■-

*J true - re nacht en - do dach, en - de

-——•—•—i—| poepe; o wi, o

fD9i---J-----J-----

---quot;1---

((U-3—§--S---O—P—■-

ocr page 151

— 135 —

lil r t-

wach 1 dwelc

-T-N---

:2r—-—-i-

®3=3%^l

ic wel cla-ghen 9----

' - P--f=:

----P—b^-

mach; want om

-•--1

--2---P-

^-p-C—^

J:

? -

,-2- b2f—t-t - rk r-~7Tr - H

F-fH

E—Srqrr-^-i

i—F-gp—T—^_p_ -P-p.—

een die ic eens sach, dat

_.. . lerto i

' ^ ^ -

s doorstraelt van

-Jt- r\ fid

F=r

:—

f = '

^-=3=

r-

-4-f-^f

T

» 3

7^a—i—J

^-j^J .N

— quot;*

*j

mm

) A

éV* J * • É

-O iquot;^

-#-

—4-#-•-

—o

nen.

D------

------

Fv-e -

-G-\

^ h

-D.

-©-

—®--

^-91-------

Efc

ocr page 152

— 136 —

1. Aenmérct doch mijn geclaeh, ghi ruiters fraei van sinnen; ic truere nacht ende dach,

ende róepe ; o wi, o wach!

dwelc ic wel claghen mach;

want om een die ic eens sach,

dat hérte is doorstraelt van minnen.

2. Mer lacen! hóórt hier naer :

al heeft se mi gheléken,

een ander sach ic daer staen spréken téghen haer; dat schouwen viel mi swaer endé ic ghinc van daer;

dat hérte dat dócht mi te bréken.

3. Beroert was al mijn blóet,

ic en const mi niet bedwinghen, dat déde vrou Vénus blóet die alle hérten vóet,

al métter minnen glóet;

al mijn blóet nam sinen vlóet,

tmóst ter nósen uitspringhen.

4. Den nacht viel mi te lanc,

ic en cónde niet langher duren, ic was in haer bedwanc,

die minne ghinc haren ganc. die swaer ghepéinsen stranc,

haer en wéét ics ghéen ondanc, mocht si mi nóch ghebüren!

ocr page 153

— 137 —

5. Och, mócht eens Anders gden,

wildé den tfjt verkeren!

Al bén ic dróef ghevaen,

bedrüct met ménighen traen,

al óm dat mmnelic grden,

alle drüc soude ic versmaen,

ende altijt vrüecht vermeren.

6. Elc die dit Hedeken singt,

mint vrólic tot allen tfden,

die üiter schalen drinct;

mer die vrou Vénus schinct,

mijn liden óverdmct,

ist dat ghi int bëecsken sprinct,

certéin ghi móet wat liden.

TEKST.

Anttv. Lb. Nr 2, bl. 3, quot; Een nieu lie déken. „ — Geestelijke aanverwante liederen in Een dev. ende prof. SoecxXen, Antw., 1539, bl. 49 vquot; : quot; Aenhoort doch mijn gheclach |{ ghi hertekens vervult met minnen. »

In het Hs. gevoegd bij een exemplaar der Sout. ter Bibliotheek te Leiden : quot; Och hoort toch al hier naer 11 ghy sondaers int ghemeyne, » en in het Paradiis der gheest. vruechden, Antw. 1617, bl. 73. Geestelijk pastiche in Het Prieel der Oheestelijcke Melodie, Brugge, 1609, bl. 151. Als stemme vermeld in den Amst. Pegasus, 1627, bl. 45.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 1 r. tekst : Sout. Aenhoort alle mijn.

1 str., 7 r. t. : thert is, of, met voorslag, dat Mrte, zooals in de tweede str. v. 7. Antw Lb. Nr 49, bl 71, str. 4 wordt the He als dubbelen voorslag gebruikt.

2 str., 6 r. t. : endfmot onmisbaren muzikalen voorslag en zonder elisie met ic.

3 str., 4 r. t. : alle herten, met hiatus.

3 str., 6 r. t. : tmost, met weglating van den voorslag ook in de melodie.

4 str., 5 r. t. : Kil. strangh, strengh, arctus.

4 str., 6 r. t. : icx of ics voor ic des.

5 str., 2 r. t. : wildé, mot voorslag door de melodie vereischt.

o str., 3 r. t. : droef bijgev.

18

ocr page 154

— 138 —

MELODIE.

Soul. Ps. 5. Dezelfde melodie met lichte varianten in Een dev. ende prof. Boecxlun t. a. p. en insgelijks in Het Prieel der Oheesl. Mel. t. a. p. — Paradys der Geestelijke en Kcrchelijlte Lof-Sanghen door Theodotus (lquot;te uitff. 1621), nits'. Antw., 1005, bl. 173 en bl. 440 aldaar, hetzelfde Geestelijk pastiche als in het Prièel der 0. M.

Devoot ende prof. Boecxlen.

Soul. Re

-P-t

-|—

Aenhoortdochmijngheclach Ghi her-te-kens ver-vult met

SËéE

min - nen, Ic true - re nacht en - de dach, Dwelc

ÜSÊ3

O-

llz

ic wel cla-ghen mach, Ai - la - cy, noyt sul-cken ver-

zpr.

Dat ic

-F-h-

drach, Tes mi eenswaerghe - clach

ÈEEtE^EÈERE • *

de - se droefheyt ken

Set Prieel der Oheesl. Melodie.

:P=ip=p;

-O-

é-■-

Aanhoort toch mijn gheclach O Heer'der Se-ra-pliin-nen,

tt

lek treur'nacht en-de dach, Wel ickbe-cla - ghen mach

ocr page 155

— 139

De sond' daar ick in lach : lek bidde u om ver-drach ___f. - *

pEfejE^EÖEEiE

P

■s-

O Heer'der Se-ra-phi - nen, Se - ra - phin - nen.

Paradys der Geestelij eke ende Kerch. Lof-sanghen.

=j=«==*

Ghy die nu sijt be-vrijdt Door Christus doot ge-

Sout.

Sol

C/ ^ .

sen. Maecktvreughten

groot jo-lijt, En looft den Heer met vlijt.

I

5^

Be - no-men is't verwijt, Al tot dos vy - andts spijt:

i

=^È

it

'tz^m

liEE

±=iz.

i

pre

i

T f j

fsrzs:

m

F-F-

Want Christus is ver - ro

serL

ocr page 156

— 140 —

DAER STAET EEN ClOOSTER IN OOSTENRIJC.

Ps. 6.

Eypodorisch, metabolieh.

é—ö—ë-

Daor staet cen cloostor in Oos-ten - rijc, het is so wel gho-

3

35:4==EE3

:3rrE

as-

8r

-I-

l^~a==a — :4~^ —3—^zzj — ^eJzri:

cie - ret met sil - ver en - de ro - den gout, ja

3

i

X

E2:ö

f

r

eM=

E2:

-p- -

T

z2=

i

tr

m:2z

i^f==pi=r~?—=Ff:

F—s---4—[=----

:2:

-si—^-3-

3=^

ro - den gout, met gran - wen steen door-mu-ret.

---^1

f2==rr.

-•——^— ÊEfSE

ocr page 157

— 141 —

1. Daer staet een clóoster in Oóstenrijc,

het is so wél ghecieret

met silver ende roden góut,

met grauwen steen doormiiret.

2. Daer in so wóont een jóncfrou fijn,

die mi so wél bevallet,

rijc Gód, mocht ic haer dienaer sijn! ic sóudese mét mi voeren.

3. Ic vóerdese in mijns vaders hóf,

daer staet een gróene linde,

daer óp so singhet die nachtegael,

si singhet so wél van minnen.

4. « Och nachtegale, clein voghelkijn,

wildi u tónghe bedwinghen,

ic salder al u véderkijn,

met góudraet dóen bewinden. »

5. — « Wat vraghe ic na u róde góut,

oft na u loser minnen;

ic bén een cléin wilt vóghelken stóut,

gheeti man en can mi bedwinghen.

6. — « Sidi een cléin wilt vóghelken stóut,

can ü gheen man bedwinghen,

so dwinghet u die haghel, die cóude snée, die lóvers van der linden. »

7. — « Dwinghet mi die haghel, die cóude snée, die lóvers van der linden,

als dan schijnt die sónne schóón,

so sal ic weder vrüecht beghinnen. »

ocr page 158

— 142 —

8. Doen hi sijn sporen had aenghedaen hi reet ten óostenwaert inne,

hi sach so ménighen lantscnecht staen in haer blanc harnas blinken.

9. Hi is een weinich vóórt gheréen al óver die gróene strate;

so wie sijn bóel niet hébben en mach,

die móetse varen laten.

10. Den rüiter sprac, met móede vri,

doe hi sijn bóel moest laten :

« ic wille bliven den lantscnechten bi,

rijc Gód, comt mi te baten. »

11. Die óns dat liedeken eerstwerf sanc,

hi hévet wél ghesónghen,

met pipen énde trómmelen gheclanc,

in spijt der niders tónghen.

TEKST.

Antm. Li., Nr 221, bl. 343, « Een nieu liedeken. » — Uhland, VolKsl. 17». — Willkms, Oude VI. Lied., Nr 64, bl. 166. — H. v. F. Hor. Belg., Nr Tl, bl. 163. — Aangeli. bij Dr Kalff, Het Lied in de M. JE., bl. 359, 364.

Nederduitscho aanverwante tekst uit de 17° eeuw, Uhland, Volksl. 17» en Böïime,^quot;1 ltd. Lb., Nr 158, bl. 253. — Geest, zesregelig lied, wellicht met herhaling van het tweede deel der melodie, in Het Parad, dergheest. vruechden, Antw., 1617, bl. 196, « op dewijse : In Oostenrijck daer staet een huys. »

AANTEEKENINGEN.

1 str., 1 r. tekst : ghcciert.

1 str., 4 r. t. ; sic. H. v. F. doormoeret. Doormuret in sommige plaatsen, zooals te Dendermonde, waar de uitspraak « met i verward wordt, klinkt doormieret, en zou dus rijmen op ghccieret.

4 str., 1 r. t. : voghelken.

9 str., 1 r. t. : g her eden.

10 str., 3 r. t, : tc mil.

MELODIE.

Sout. Ps. 7 « Na de wise : In Oostenrijc daer staet een stadt si is so wel geciert. n — Bij Böhmk, t. a. p. Nr 158quot;, vindt men eene quot; Oberdeutsche melodie » uit de 17* eeuw, en die van Ps. 6 Sout. afstamt. — Moderne volkswijs in het Miederdeutsokes Lb. uitgegeven door het Verein/ür Nied. Sprachjorschung, 1884, Nr 50, bl. 59.

ocr page 159

— 143 —

VI.

IC ARM SCHAEPKEN AEN DER HEIDEN.

i

IE

« •

Ps. 7.

Ut Mod.

•-J-

±1—t

Ic ar-omschaopkenaander hoi

I

r^2i==;:

q:

'gEEEEEi

'^9.—P-

—p—a---4—

i 5=^-i-s P-r -

—p-F—a —é--

den, waer sal ic ho-nen

—-v ^-P-

-3- -si-===g:

---r4=-

I

Ji •

gaen? myn lief wil van mi schei

5

Él

rö:

s—=

tf

£g__

•P-

H

ocr page 160

— 144 —

den, dat cost mi me - ui-ghen i

lt; _ -H- ^ -P-

=e=

I

3

m

a=E

t—P-

traen, waer sal ics mi ont - hou

den?

, Q . ^quot;--1---

r J-T-

((ni s

-J—J—

F d

__

—

■p--

■amp;-

quot;f a

---F-J

----®—

die ic laatst coos is trooste - loos; dus blive ic inden

l|i

rou

(pSigi=E^Spi$

ld:

m

^5

Bi|=É

ocr page 161

— 145 —

Ic dm schaepken aender heiden, waer sdl ic hénen gaen?

mijn Hef wil van mi scheiden, dat cóst mi ménighen traen.

waer sal ics mi onthóuden?

die i'c laetst cóos is troosteloos; dus blive ic in den róuwe.

O rat van avonturen,

wildi niet ómmeslaen,

dat mi mocht tróóst ghebüeren,

alsoot vóormaels heeft ghedaen!

dus móet ic daer om trüeren;

den bitteren dóot, na liden gróót,

schoon Hef, moet ic besueren.

Ghi jónghers int hantieren,

die nu ten spéle gaen,

met vrou Vénus camem'eren,

ghi móecht int wilde slden

wildi altfjt ghelóven.

peinst óm dat éint, eer ghi beghint,

so en wórt ghi niet bedróghen.

Ghelijc Sampsón die stérke,

en verlóos hi niet sijn cracht,

al dóór der vróuwen wérke?

ende Salmon wijs bedacht

moest óoc den dóot beslieren,

die een ieghelic can, tsi wijf of mdn,

brénghen in swaer dolüeren.

ocr page 162

— 146 —

TEKST.

Antw. Ui, Nr 93, bi. 140. « Een oudt liedoken. n — Aangeh. bij

Dr G. Kai.pf, Het Lied in de M. E.. 310.

Nr139,bl. 207. A . L., 2destr. herhaalt de vier eerste verzen der 2quot;° str. van Nr 03; zie insgelijks str. 5 van Nr 101, bl. 153 der zelfde verzameling. Geestelijke navolg, bij Wack., Iteder der Nicderl. Reform., Nr 30, 60, (33, bl. 103, 135, 139. De eerste dier geest, navolg, werd, volgens do overlevering, door Axthoms Fukdericks, bij zijnen marteldood in Den Haag op 26 October 1829, aangeheven : zie De Nederlanden onder Keizer Karei, door Dr Paul Fredericq, I, 94.

AANTEEKENINGEN. .

1 str., 1 r. tekst : arm,uit te spreken arem. Zie A. L., N'84,bl. 121, str. 3, Sout. Ps. 83 ;

quot; Joncfrouken laet mi onbeghect ie ben mijns goets een arm cnecht, »

en Nr 55, bl. 81, str. 11, Soul. Ps. 90 ;

« So dat mijn arm siele mach sijn. n

1 str., 7 r. t. : troosteloos beteekent hier : die geen troost wil geven, terwijl het tegenwoordig beteekent : die niet vertroost kan morden, ontroostbaar.

2 str., C r. t. :

« Den bitter dool lesuren

Och lief, milt dit verstaen. n

3 str., 1 r. t. : hanteren.

3 str., 2 r. t. : gaen -vBor gaet; het relatiefis van den 3en persoon.

3 str., 6 r. t. : eyndc, einde, k'inkt thans nog in W.-Vlaanderen inde; einde of einl is hier dus een rijm op beghint.

4 str', 1 r. t. : Zie A. L., Nr 139, bl. 207, str. 4, waar ook over « Samson die sterke n en quot; Salomon seer wijs bedacht, « gehandeld wordt.

4 sir., 7 r. t. : dolueren, pijnen.

MELODIE.

Mout. Ps. 7. Aang. bij Gevaeht, Hist. I, 177. — Do eerste str. der geestelijke navolging bij Wack. t. a. p. Nr 30, komt voor, door een onbekend componist met vier partijen behandeld, in Het ierste musych hoexken, uitgegeven door den drukker en componist Thielman Susato, Antw., 1551. en werd heruitgegeven in partituur door Jhb. Mr Van Riemsdijk, Bijdrage tot het Neder'.. VoiUslied in de !(gt;' eeuw, Tijdschr. der Vereenig. voor Noord-Ned. Mnziekgesch. 1888, III, 61 en volg.

De aanhefsregel wordt als quot; wijs » vermeld in Van Manders Gulden Harpe (1627) bl. 176 en 229; zoodat de melodie die van de 15* eeuw dagteekent, vermits zo tot een, volgens het A, L., « oudt liedeken » behoort, in dè 16® en in de 17e eeuw populair bleef.

ocr page 163

- 147 —

Vil.

HET GINGHEN TWEE GHESPEE1KENS GOET. P,s. 8.

Hypodorisch.

m

:Z3zz?-

re, die een die

m

-Fg-

iiS

Het gin-ghon twee ghe-speel-kens goet aen

^-U-9.—----

F-q

----

— (^-2--

-----ö)---

1

F=--

F-? ~ =1

' 3

l-r

1 r - -.........

im

gheen groen hei-de bo ver

r-—-1 i -®-

$

Fa-g—

m

P

A

ocr page 164

148 —

quot;STquot;

an - de - re ween-de se - re.

li

2;

jar -©-

f

:2—

1. Het ghinghen twee ghespéelkens góet aen gheen groen heide so vérre,

die éne die voerde enen hüpschen móet, die andere wéende sére.

2. « Ghespéle, wel h'eve ghespéelken góet, waer om wéende ghi' so sére,

mer wéent ghi óm u vaders góet,

of wéent ghi óm u ére? »

3. — « Ic en wéen niet óm mijns vaders góet, ic en wéen niet óm mijn ére,

wi twéé, wi minnen enen lantscnecht sóet, rijc Gód, wie sal hem ghewérden? »

4. — « Ghespéle, wel lieve ghespéelken góet, laet mi den lantscnecht alléne,

ic sal u géven minen broeder sóet,

mijns vaders góet een déle. »

5. — « Och, dfnen bróeder en wil ic niet, noch dines vaders góede,

ic hébbe veel liever mijn sóete lief, dan silver oft róden góude. »

ocr page 165

— 149 —

6. Dat hóórde die lantscnecht aldaer hi stóet, dat hóórde hi ónder der linden :

« rijc Gód, wie ghëve ic mijn hérte sóet, wie sal ic mijn hérte schinken?

7. « Neme ic die rike jóncfrou aen,

so truert die süverlike,

die rike wil ic varen laen,

ende némen die armelike.

8. « Een luttel góets is haest vertéert, dan hééft die liefde een éinde,

wi twee wi sijn noch jónc ende stérc,

meer góets mach óns ghewérden. »

9. Hi nam dat maechdeken bi der hant, bi haer sneewitten handen,

hi vóerdese dóór dat groene wóut, dat gróene wóut ten éinde.

10. Hi vóerdese dóór dat gróene wóut,

daer hi vant sijn móeder réne :

« ach móeder, lieve móeder sóet, dat maechdeken is mijns alléne.

11. Hi stac aen haer sneewitte hant, een vingherlinc róot van góude :

« hou daer, sprac hi, » « dat ónderpant, jonc maechdeken, van mijn tróue. »

12. Si schanc hem van góude een cranselijn : « wil mijns taller tide ghedénken,

ic draech u al int herte mijn,

wi en siillen némmer meer scheiden, »

ocr page 166

- 150 —

TEKST.

Antw. Lb., N' 162, bl. 242, « Ben nieu liedeken, » met enkele veranderingen naar den Duitschen tekst, die te vinden is bij Uhland, Nr 115, en vollediger bij Böhme, Nr 41, bl. 119. — Wii.lems, Oude VI. Ld. N' 57, bi. 149. - Horae Belg. II, N' 66, bl. 155.

quot;Volgens het A. L. vangt het lied aan met de volgende strophe, die •chter door de Sout. niet als aanvang opgegeven wordt:

quot; Wie wil horen een goet nieu liet en dat sal ic u singhen,

mer dat te Wittenberch is gheschiet,

van also vreemde dinghen. »

Over dit uit het Duitsch vertaald lied, zie D' Kalff, Het Lied in de M. £., bl. 443.

AANTEEKENINGElSf.

1 str , I r. tekst : A. L. Daer ginghen.

1 str., 2 r. t. : so verre aen gheen groen heide. 1 str., 2 r. t. ; een. De ghespelen zijn twee vrouwen.

3 Btr.,'4 r, t. : werden. Zie str. 8,ghengt;erden.

4 str,, 3 r. t. ■. A. L. ic sal u ruinen broeder g heven.

MELODIE.

Sout. Ps. 8 « na die wise : Het waren twee ghespeelkens goet. » — Hor. Belg. X, N' 14, bl. 155, geest, lied : quot; O goede Jesus wees ons bi » op de wijs : u Het reden twee ghespelen goet || ter heiden plueken bloemen. » Van dit wereldsch lied werd ons de eerste str. volledig bewaard door de Hor. Belg. II, quot; Licderanfange, „ bl. XXVI.en deze eerste str. schijnt de aanvang te zijn -van eene variante van Nr 162, Anttv. Lb. Nochtans berust het gemelde geest, lied op eene andere melodie, zooals blijkt bij W. Baümkeb, Niederl. geistl. Lieder nebst ihren Singmisen, CVierteljahrsschrift für Masikwissenschaft, 1888), Nr 4*, welke wij hier in moderne noteering geven en op den wereldlijken tekst brengen.

Lg--

3

—F----i—f—f—-----^---j—H

•——p—I-—r f - —P—■—i

Het re- den twee ghe-spe- len goet ter

ÏEfeïiE

$

die een die

hei-den pluc-ken bloe

ocr page 167

- 151 —

$

W-T-

reet nl la

uit,

die

^=É-^=É=i:

chende

ES=3E

t

-i—'PzF

vich.

an-der dio was droe

Het vierregelig geest, lied « Adieu mijn vroude, adieu solaes, « Hor. Belg. X, Nr 82, bi. 167, heeft voor wijs ; quot; Het ginghen twee ghespelen goet || aen gheenre wilder heiden; » met dit laatste kan N' 162, Antw. Lb. insgelijks worden in verband gebracht. Do melodie van dit geest, lied, die van de twee voorgaande mei. verschilt, wordt gevonden bij Baumker t. a. p., N' 2. — In de «Liederanfangen Hor. Belg. II, vindt men : «Adieu mijn vreuchden, adieu solaes, || adieu, adieu, ic wil van heen; » en : « Adieu mijn vreuchden, adieu solaes, || adieu lief, blijft in eren. »

In Fruytikrs' Ecclesiasticus, 1565, Nr 3, bl. 16, vindt men het lied « Do lydtsaem sal verduldelijck, » « op de wyse : Het waren twee ghe-apeelkens. n De melodie welke door Willems Oude VI. Lied., bl. 546, — men weet niet waarom — gebracht werd op het lied van quot; Heer Daneel-ken n en welke wij in moderne noteering laten volgen, verschilt nogmaals van de voorgaande.

I

:ü;

21°:

IE2z=±Z

Het wa-ren twee ghe - spoolkens . ,

ËgES

=i=I=

a

—t

?t—!-

Doze melodie is niet zonder analogie met die van quot; Een ridder ende een rneisken jonc, » Sout. Ps. 14.

Nog in het Nieu Amst. Lb., 1591, bl. 26, vindt men als wijs : « Het waren twee gespelen stout, n voor het lied : « Die mij dit bekerken schencken deet. »

ocr page 168

— 152 —

VIII.

IC GHINC NOCH GHISTREN AVONT

Ps. II.

UI mod.

■nz za-^-p--gr :zj—p—j _J. -4

ir —P-^= :2; ' ' S

-mzz-W

SE2

Icghincnochghistren a-vont so hei-me-lie o-nen

(i

5È6

ïë

die

ra:

i-F-2-F-

ganc, al voor mijn lief-kens do - re,

i

E

:2

it

;t==

:2z

i

-F

■zrquot;

ö=Pt=£

ic ghe-slo-ten vant; ie clop-te so lei-se-lie

I 3 3

~i-

i=3-

iiz

=r

ocr page 169

— 153

1 ^^==3-

den rinc : quot; staet op mijn al-dor

£—quot;^=

Â¥

m

r -lt;2_

fe

-P-z\zz

El

-B-

:q_

d:

U.

lief-sto, staet op en-de la - tet mi in! n

2=*—d=

E2Ei=

1. Ic ghinc noch glu'ster avont, so hoimelic énen ganc,

al vóór mijns liefkens tlóre,

die ic gheslóten vant;

ic clópte so leiselic aen den rinc : « staet óp, mijn aider liefste, staet óp ende latet mi in! »

2. — « Ic en sal u niet in laten, ic en laet u, ja, niet in.

gaet thüiswaert én gaet slapen, daer is een ander in. »

20

ocr page 170

— 154 -

si liet mi daer allene stacn.

ic salt haer nóch wel lonen,

mach ic noch léven een córt half jaer.

3. O Vénus, tóont u cüren,

want ic u dienaer si.

mach si mi niet ghebüren,

den dóet ben ic seer bi.

ic en hadt betróut in ghéender stónt.

al móet ic van haer scheiden,

si hoüt mijn hérteken doorwónt.

4. Men hóórt gheméinlic ségghen :

— dies ben ic bedrucc tot in den grónt —

die sijn sinnen aen vróuwen wilt légghen,

hi vint hem sélven ter dóet ghewónt.

want si hébben énen lósen grónt.

ic vinde mi nü bedróghen,

si cósten mi so ménich pónt.

5. Na dat bi niders tóngben mijn lief is mi ontvréemt,

so wórt van mi ghesónghen,

dit liedeken in danke neemt van die aider liefste mijn;

God wil haer wél bewaren,

ic en mdch bi haer niet sijn.

TEKST.

Antw. II., N' 94, bl. 141. quot; Een nieu liedeken. n De mei. van Ps. 11 iler Sout. werd, volgens do tafel derzelve, gezongen « na die wise : Ic ghinc noch gliister avont || bo heimelic enen ganc, n terwijl, volgens diezelfde tafel, de mei. van Ps. 27, gezongen werd « na die wise : Ic ghlac al ghister avont so |{ heimelic op een oort. n —Varianten van Nr94, A. L.en namelijk van de eerste strophe van dit lied, doen zich niet zelden

ocr page 171

— 155 —

voor. Zoo maken de str. 6, 7 en 8 van Nr 94, A. L., zelf een tweede lied uit, dat insgelijks met dezelfde woorden aanvangt. — Vergelijk Lootens en Feys, Chants pop. flam., Nr 10, bl 136, 2da en 'J'1'' strophe en de aldaar vermelde liederen uit andere verzamelingen.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 6 r. tektst : alderliefste lief.

4 str., 1 r. t. ; Tis naer dat hieii ghemeynlycseyt.

4 str., 3 r. t. : Die sulcke sijn sinnen aen vrouwen leyt.

5 str., 3 r. t. : i. e. Alzoo het door mij enz.

MELODIE.

Sout. Ps. 11. Vierstemmig behandeld door Carolus Swillaert of Souliart, in Het ierste musyck boecxken, Antw., 1551. Dezelfde mei. buiten zeer lichte veranderingen, in Fruvtiers' Ecclesiasticus, 1565, N-169, bl. 134 ;

^-Tl

k--s—e--—egt;—i—^-s—j-i--

p 0 r-

F-e—amp;—quot;-------amp;—

—i---

■s--)-1—-A—n—©—(Si-^-

_(ö_e=: Ï

(1)

-3 L-„ 1 d-------^-d--1-1--^--1-

—

----

^3-------

/

\ n 0

r ^ « 1-J

v

; ^ li—

tJ

(1^ De J werd vroeger wel eens na de noot geplaatst; zie onder anderen: Hel Prieel der Gheest. Melodie, Brugge, 1609, bl. 163 en 205. in het tegenwoordig geval telt do J natuurlijk voor do beide Jat. Het is waarschijnlijk zooniet de eerste maal, dan toch een der eerste malen dat het verhoo-gingeteeken zich in een Nederl. Lb. voordoet.

ocr page 172

— 156 —

IX.

RIJG GOD, HOE IS MIJN BOEL DUS WILT

Ps. 13.

RijcGod,hoo is mijnboelkonduswilt! So menich als men in dun

^±-—b.

w*

H—h

/ €■

fc2-===

i

r^!5ï

flj

• •

dio

EËgiB

gho vint!Weerni

-I--1

-j--,

SE

C7quot;

f=

S=§

9^

2

g=g£gE^

'-h-

gro

to el - len - de 1 doen mijn

ocr page 173

ii-2-

---L.

it—t:

9A--1---

boel dio liof-ste was, doon moes

te ic quot;quot;

$

'2-ri--p--

—i» -

É2=®=i=;—=

:g------

Ee;

iÉ^3=^i3=Ë^=i

-L—m—'

.-inzc-t

tr

haor schei - den.

2;zj_____=zli

J

équot; I

•—c?—

2i-i

-©— =t=—

K3a_

1. Rijc Gód, hoe is mijn bóelken dus wilt! so raenich als men in den weghe vint! wee mi, die gróte ellénde!

dóen mijn bóel die liefste was,

doen móeste ic van haer scheiden.

2. Dat wout is breet, die liefde is gróót! dat ic dit liómoet liden móet,

des wil mijn jonghe hérte breken, die minen bóel ghestólen heeft,

dat wil ic nóch eens wreken.

ocr page 174

t

— 158 —

3. Mi roüt so sëer haer ghélu ghecrult haer,

ende dat haer Gód in düechden spaer!

si is so wél ghestallet.

ic en weet in alle de landen gheen,

die mi' so sëer bevallet.

4. Schoon h'ef, nu wüt u kéren tot mi,

ende wüt mi dóch u vrientschap bien, een tróostelic wóort toe spréken.

uwen oorlof is mi so bitteren eruit;

des wil mijn hérteken bréken.

5. Mijn bóel is aider éren waert,

si hééft al dat haer hérteken beghéert,

dat wil ic haer wel gunnen.

al hééft si mijn hért so séer beswaert,

ic hópe ic sal verwinnen.

6. Die óns dit liedeken éerstwerf sanc,

een vróom lantscnécht was sinen naem;

hi hévet so wél ghesónghen :

hi hévet van sinen schónen bóel ghedicht. God schéinde die niders tónghen!

TEKST.

Anlro. Lb. Nr 138, bl. 206. « Een amoreus liedeken. « AANTEEKENINGEN.

1 str., 3 r. tekst : De melodie bewijst dat men zong; wee ml.

3 str., 1 r. t. : ghecrult tusschengeschoven adj., overtollig voor het metrum.

4 str., 1. en 2 r. t. : Nu ghi schoon lief, Kilt tot mi keeren || ende wilt ghi mi u vrientschap bieden, verandering ter bewaring van het schema.

6 atr., 2 r. t. : beter : een vróme lantscnécht was sinen ndem.

ocr page 175

— 159 —

MELODIE.

Sout. Ps. 13. Op da wijs « Rye God hoe is mijn boelkon dus wilde r (volgens do Sout. quot; wilt ») word, zooals men zien kan bij Wackernaqel lied. der Nied. Ref. N' 92. bl. 172, het lied « van den Honden Pennine „ (1570) gezongen. H. t. F. H. B. II (l'i» uitgave) es na hem, Wiixems Oude VI. Lied. Nr 35, lil. 78, Ijrachton dit lied op do melodie van Ps. 44 dir Sout. u Na de wise : Die voghelkens in der muiten || si singhon haren sanc. * Om welke redenen H. v. F. en Willems dit deden, is ons onbekend. Willems t. a. j). bl. 232, bepaalt zich met te zeggen : Sprekende van het lied « Die voghelkens in der muiten „ : quot; de melodie in do Sout. Ps. 44, gemoderniseerd, door H. v. F. in zijne Hor. Belg. p. II. „ Dr Loman, Oud. Ned.-Lied. 'uit Valerius' Oedenck-danck), bl. 52, doet opmerken, dat Willems op den « tienden Pennine „ « de volstrekt niet voegende wijs van Pr. 44 uit de Sout. „ bracht. Inderdaad de strophen-bouw der berijming van dit laatste lied is achtregelig, terwijl deze in het eerste, zooals in Nr 138, A. Z., vijfregelig is. Het metrum in de twee laatste stukken verschilt daarenboven met hot metrum van hot eerste. Mon oordeele :

Ps. 44.

Mijn hért wat góeds wou dichten,

en dót tot cónincx ëer,

mijn tóng sal haer so stichten

al const si schriven séer.

enz.

A. L.,W 28, bl. 40.

Die vógholkens in der muiten

si singlien haren tijt, (Sout. haren sanc)

waer sal ics mi onthouden?

ic bén mijns liefkens qüyt.

enz.

Nr 138.

Rye Gód, hoe is mijn bóelken dus wiltl so tnénich éls men in den wéghe vintl

wee mi die gróte olléndo!

dóen mijn bóel die liefste was doen móeste ic van haer scheiden.

quot; Do tiende Pennine, v

Helpt nu u self, soo hélpt u Gódt uit dér tyrannen bant en slót,

beminde néderlanden,

ghy draecht den bast al óm u strót.

rept fluks u vróme handen.

ocr page 176

— 160 —

Het is zeker, dat het krachtige Geuzenlied niet op de melodie van Ps. 44 gezongen werd on dat de muziek door H. v. P. on Willems 0)1 dat zelfde lied gepast, slechts een « arrangement n is. Het lijdt geen twijfel of de tekst van « den tienden Pennine » werd op de melodie van Ps. 13 Soui. gedicht.

Bühme, A lid. Lb. Nr 433, bl. 529, geeft da eerste str. van Nr 138, A. L. en de daarbij passonde melodie met weglating dor meiismen, die in dit geval zoor wel kunnen gomist worden.

Wij laten hier do eerste str. van « den tiendon Pennine » mot de moderne-noteoring volgen.

:E==

dor - lan-den, ghy

do ne

draocht don bast al - om u strot,ropt fluks u

me han-den.

ocr page 177

BEN RIDDER ENDE EEN MEISKEN JONC.

Ps. 14.

Re met Si

ff

E2E°=

dr

Eon rid-der ondo een meis-ken jonc op oen ri-— quot; Och seg-ghet mi, stout rid-dor goot, ic sou-de ■«Waer-om dat dat wa-ter stil-lo staot? och, dat en

(P

ëSË

vier-ken dat si sa-ten;

gheer - ne we-ton,

glieoft mi glieen vrom-de :

hoc stil - lo waer-om dat dat ic heb - bo so


zé

;;2;

Tiquot;

/„V o amp;

(Sè-s -

--1--*-i---

wa-------

21

ocr page 178

- 162 -

—K

±=t:

• •

3:2

dat \va mo

iüSiËSSË

tfi?quot;

dat wa-ter stont, als si van goeder ter stil-le staet, als wi van goeder nighe jon-ghe maecht gebrocht in

1^235—o-

fe;13=Et::

3;

itzrJ

nen spra-ken. nen spre-ken. al - len - de.

mm min groot

3

imi

]. Een ridder ende een méisken jónc op een rivierken dat si saten; hoe stille dat dat water stónt,

als si van goeder minnen spraken.

2. « Och, sëgghet mi, stout ridder góet, ic sóude ghéerne wéten,

waer óm dat dat water stille staet, als wi van goeder minnen spréken. »

EöEEê:

ocr page 179

— 163 -

— « Waeróm dat dat water stille staet? och, dat en ghëeft mi gheen vrémde ;

ic hébbe so ménighe jónge maec'ht gebrócht in groot allénde. »

— « Hebdi so ménighe jónghe maecht gebrócht in swaer allénde,

wacht ü, wacht ü, stout ridder góet,

dat Gód u niet en schénde! »

— « Ie wéét noch éen so hóghen bérch,

boven alle bérghen is hi hóghe,

in dale brénghen sal ic dien nóch,

daer óm ist dat ic póghe. »

« Suldi mijns vaders hóghen bérch tot énen dale brénghen?

ic saghe u liever, stout ridder góet,

bi uwer kélen hanghen.

« Ic hadde noch veel liever, stout ridder góet, dat ü die sónne beschéne al ónder thól van uwen vóet,

den bast al óm u kéle. »

Dat méisken was jónc ende daer toe dóm : si en wist niet wat si séide;

doen si in haers liefs armen lach,

doen was den bérch ter néder.

« Och, sécht mi, sécht mi, méisken jónc,

is nü mijn kéle ghehanghen?

Nu is dijns vaders hóghen bérch in énen dale ghevallen. »

ocr page 180

— 164 —

10. Och, dóen dat meisken gheware wért,

dat si een kindeken bleef draghen,

si ghi'nc al vóór den ridder staen :

si bat hem óm ghenade.

11. « Ghenade, ghenade, stout ridder fijn, ghenade voor minen live!

ic wasser een goet maechdelijn,

nu moét ic met uwen kinde bliven. »

12. — « Wel, wat ghenade soude ic u dóen? ghi en sijt gheen kéiserinne,

minen schiltcnecht ic u ghéven mócht,

cost ic hem daer tóe ghewinnen. »

13. — « Wel, uwen schiltcnecht en wil ic niet; hi is mi veel te snóde;

al is minen hóghen bérch ter neer,

ic hópe ghi suit hem noch wel hóghen. »

14. Dat mëisken luidde enen broeder stóut, hi was haer góet ende ghetróuwe,

als hi haer déde wel int aenschijn, hi bewëest haer al métter tróuwen.

15. Och, dóen die broeder gheware wért,

dat si een kindeken bleef draghen,

hi ginc al voor den ridder staen,

hl bat hem méde te grave.

16. « Godgróetu, » séit hi, « stout ridder vri, stout ridder vri van waerden!

och, die met uwen kinde was bevaen, die léit hier dóot ter aerden. »

ocr page 181

- 165 —

17. « Och, is si dóot, dat schóne wijf, die óverschóne die ic beminne,

so en sal ic nü, noch nemmermeer,

mijn grauwe rós beriden.

18. « Haelt minen spére ende óoc mijn schilt,

mijn swaert al aen mijn side!

ic wil gaen riden selver daer,

men vint der valscher bóden so véle. »

19. Och dóen hi óp der heiden quam,

hi hóórde die clócken clinken,

hi hóórde wél aen der clócken clanc dat si inder aerden moeste sinken.

20. Doen nam hi sinen bruinen schilt hi wórp hem óp der aerden :

« ligghet daer, ligghet daer, goet bruine schilt van mi en siildi niet ghedraghen wérden.

21. — « Heft óp, heft óp, uwen brüinen schilt hanghét hem ónder u side;

als waer u vjïder ende móeder dóot den róuwe móet ghi liden. »

22. — « Al waer mijn vader ende móeder dóot endé mijn bróeders alle vive,

so en waer den róuwe niet also gróót als hi is van desen schónen wive. »

23. Och, dóen hi óp dat kérchof qüam hi hóórde die papen singhen,

hi hóórde wél aen der ptlpen sanc,

dat si vigélie sónghen.

ocr page 182

— 166 —

24. Ende dóen hi fn der kérken trat,

hi sach sijn liefken staen in bare,

met énen barencléde ghedéct,

recht óf si nu óoc doot ware.

25. Doen hief hi óp dat barencléet;

hi sach haer clein vingherken róeren,

och dóen so lóech haer róde mónt,

doen si den ridder vóelde.

26. « Staet óp, staet óp, mijn sóete lief, wel óverschóne joncfróuwe!

ic en sal u nü noch némmerméer noch dóen so gróten ontróuwe.

27. Wel óp, wel óp, mijn sóete lief,

mijn óverschóne joncfróuwe!

al waert mijn vader ende móeder léet,

so sal ic ü tot enen wive tróuwen.

28. Al waert mijn vader ende móeder léet endé mijn bróeders alle vive,

so sal ic u hóuden vóór mijn brdit ende tróuwen ü tot enen wive.

TEKST.

Anlm. Lb. Nr 45, bl. 63 « Een out liedeken ». — Uhl. N' 97, B. — Willbms, Oude VI. Lied., Nr 60, bl. 154. — Hoffm. Hor. Belg., N' 15, bl. 61. — Dr G. Kalff, Het lied in de M. E., bl. 177.

Hoffm. viol Willems aan wegens de veranderingen door dezen in den tekst gemaakt, maar hijzelf gevoelde de noodzakelijkheid verscheidene plaatsen te veranderen. Duitsche jongere tekst, Böiime, Altd. Lb. Nr 69, bl. 156. Als stemme opgegeven, bij Wackernagel lied der Niederl. Ref. Nr 37, bl. 108, voor het aldaar uitgegeven lied getrokken uit Yeclderhande liedekens, 1569, eu in A mst. Pegasus, 1627,

ocr page 183

— 167 —

hl. 9, alsmede in Het Parad, der gheest. vmechden, Antw. 1617, bl. HO, voor het geest, lied ; quot; lek heb een eselken seer traech, n waarvan de tekst met eene meer moderne mei. insgelijks te vinden is in Het Prieel der gheest. mei. 1609, bl. 143. Een oudere tekst van dit laatste lied komt voor in Een devoot ende prof. Boecxhen, Antw., 1539, en werd gezongen op do wijs van een ander aldaar met de mei. voorkomend geest, l ed : « Had ic eenen getrouwen bode. „ Deze mei., welke beneden volgt, is dio van Ps. 14 Sout.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 4 r. Het 2'quot; en het 4lle vers hebben telkens drie slagen; adject, zooals goeder (1,4), valscher (18,4) staan in arsis.

2 str., 1 r. tekst : segt. Will, segghet.

2 str., 3 r. t. : steet.

3 str., 1 r. t. : dat dat water : de volksdichter herhaelt doorgaans letterlijk een voorgaand vers.

3 str., 2 r. t. : och bijgev. voorliet behouden van den voorslag inde melodie.

4 str., 1 r. t. ; jonghe bijgev. Zie str. 3, v. 3.

4 str., 3 r. t. ; wacht u, stout ruyter goet. Zie wat de herhaling der woorden macht u betreft: str. 20, 26, 27. Dr G. Kalff, Het Lied in de M. E., bl. 390, nota 1, doet opmerken, dat in een zeilde stuk eens graven zoon ruyter en dan weer ridder genoemd wordt. Hier vinden wij liet woord ruyter slechts in de 4(le strophe; zie str. 11,15, 16.

5 str., 3 r. t. : Die sal ic noch in dale brenghen.

7 str., 1 r. t. : stout ridder goet, \)\)%.; vergelijk 13, 4, waar de woorden hem noch nel in arsis staan.

7 str., 3 r. t. : voeten.

9 str., 1 r, t. ; W. sic. — A. L. Och, segt mi, meisken jonc, zie aant. str. 4.

10 str., 1 r. t. : Sic. Hopfm., t. ghewaer wert, zie str. 15.

11 str., 1 r. t. : ghenade, stout. W. ghena. ghena, stout. Zie aant. str. 4, r. 3.

11 str., 3 r. t. : was.

12 str., 1 r. t. : Sic W., tekst ; nat ghenade.

12 str., 3 r. t. : ic mocht u mijnen schiltknecht gheven.

13 str., 1 r. t. : Uwen schiltknecht, enz.

13 str., 3 r. t. : neder (Hofkm. stelt: neder gheleit; dit laatste woord is hier een nutteloos bijvoegsel.)

18 str., 1 r. t. : mijn, t. schilde.

20 str., 1 r. t. : Hi nam sinen.

20 str., 4 r. driedubbele voorslag; zie hiervoren, bl. 28.

21 str., 1 r, t. : Heft op uwen. Zie aant. str, 4, r. 3.

21 str., 3 r. t. : al.

22 str., 2 r. t.: endé. Hetzelfde vers komt voor str. 28.

ocr page 184

— 168 —

23 str., 1 r. t. : och, trijgev.; zie str. 9, 10, 19.

24 str., 1 r. t. : W. sic, t. Doen hi.

24 str., 3 r. t. : ghedect met een baren cleede.

25 str., 1 r. t. : Sic W. t. Ui hief.

25 str., 3 r. t. : haerroode monde.

2G str., 4 r. t. ; wocAbijgov.

28 str., 2 r. t. ; Zio stv. 22.

MELODIE.

Sout. Ps. 14. De melodie wordt uitdrukkelijk als zijnde in re met si ^ geschreven, aangeliaald door Gevaert, Hist. 1,176. — Zelfde mei., hier in inodorrie noteering gobraelit, in Een devoot endeprof. boecxhen, t. a. p.;

q-

• • • r I

Had ick ee-non getrouwen bo-de en diewaar hoghe van

==q=q=

pn

lant,

=i-

ic sou-den seyn-den in mijns va-ders

iNP

mi en lust liier niet lan-ger te lgt;li - ven.

Dezelfde melodie werd uitgegeven door Prof. Acquoy, Midd. Oheest. Lie der. en Leisen, 1S88, Nr 18, bl. 3G; zie mede de aanteekeningen aldaar bl. 55.

Ecclesiasticus van J. Fuuvtiebs, zeilde zangwijs, als in de Sout. buiten lt;le drukfouten in het begin van den laatsten versregel :

.:a_~

(do) (re) (do)

==i-

ocr page 185

— 169 —

XI.

DIE MI MOKGHEN WECKEN SAL.

Ps. 15. Re met Si t].

Die mi mor-ghen-wee-ken sal, dat sal-der

p^g£:=y=i^ffzlllg

M

1

die nach - te - ga - 1»

we-son die nach-te -

IM? 2 a

-lt;sgt;-

=M=i

te, ic wil - le dan gaen in e - nea

' -

jr

i

Eg:

a

d=±

-H

i

■r (fe|

22

ocr page 186

— 170 —

lt;1

$

* CTquot;

die su - ve - ra lo - li - ën groe - ten.

dal

3

EÖE

^sr -lt;©-

(W-:—

ö---

Pf F H

p=^-

r lt;_

4-

O

Die mi mórghen wecken sal, dat salder wesen die nachtegal,

die nachtegale sóete,

ic wille dan gaen in énen ddl die süvere lélièn groeten.

Tussen die dóren dat si stóen so isser mijn jonc hérte bevaen

met gróten hérteséren,

mijn bóelken lief is wéch ghegaen; ic en wéte, wén hi sal kéren.

Ké, als de lievert kéren sal,

wilt mi dan, sóete nachtegal,

dijn béste liedekens singhen, en van den léliën inne tdal een witte bladeken bringhen.

Dut bladekén, vol ghéuren fijn, dat móeter hém gheschónken sijn

gheschónken uit puurder minnen dat bladeken sal die tróue mijn den lieven bóele versinnen.

3.

ocr page 187

— 171 —

TEKST.

Zie hierboven, bl. 102; uit de Nagelaten Otdichten van Prudens van Duysb, Liedekens, Oude en Nieune, Deel V, Eerste stuk, bl. 16, waar verscheidene liederen in den ouden trant, met behoud der alleen bekende aanvangsregelen te vinden zijn.

MELODIE.

Sout. Ps, 15,

Zooals blijkt uit de woorden van den Psalm en uit de muziek, heeft de strophe de volgende seansie :

BewAert my Héér, op u certéyn staet Al myn hóóp en tróóst alléyn,

ghy sijt myn Gód vol éeren,

die niet en behóeft myn góeden clëyn,

maer mócht die wél ontbéeren.

ocr page 188

SS

I

— 172 —

XII.

ALLE MIJN GHEPEIS DOET MI SO WEE. Ps. 16.

it

Hypodorisch metatoliek.

m.

Al-le mijnghe-peis doet mi bo wee, wien sal ic

I

P

■

=Srr=:

'MM

^2—P-

#—J-

' r;.

*' cla - ghenrnijn ver-driet? die liefste en acht op mi niet

q. r1^

jar

-G-

r ^_

miEM

g- - ----

a

•-•

is mi gheschiet! ic mach wel

Ill

meer, ei - la-cen, wat

■ja: -ö-

tïx g

«—

---

amp;

-fS------

^ r—.....

—m--

—t—d

---

--fc—

--:

pip==pi|piii

li I

'l n

-

ocr page 189

1

$

ÏP~~W

I

ZSTTi.quot;

^ j ^

s

i

mi true-ren.

(p

3

■

WT~J~T-±

9.-*^—a^-i1

-®—:ör

/SZ=g „

-y-sl—

-S»--

-f±=---

2 f3

r-Ê t=

Alle mijn ghepéis doet im so wee, wien sjU ic claghen mijn verdriet? die liefste en acht op mi niet meer, eilacen, wat is mi geschiet!

ic mach wel ségghen tis al om niet, dat ic aldus labüere :

dies wil ic singhen een vrólic liet, verlanghen, ghi dóet mi trueren.

liet, ver-lan-ghen ghi doet

.|CiQ.

Sr

bue - ro : dies wil ic sin-ghen eon vro - lie

p^=fg^^=j=f

m

mÊSÊB

seg-ghen tis nl om niet, dat io al - dus la

3EEE

173

I

ocr page 190

— 174 —

Moet ic nu derven die liefste mijn,

so móet ic trüeren tot inder dóot;

haer eerbaar wesen, haer elder aenschijn, dat bréngt mi nu in liden gróót.

helpt mi, schoon lief, uit déser nóót,

en wilt mi daer niet in laten,

wat ic vermach, schoon róse róot,

dat cóemt u al te baten.

Die góede ghestadighe minne draecht,

énde daer hi dan wórdt bedróghen,

voor Góde móet dat sijn gheciaecht, gheclaecht met twee beweenden óghen. men mach wel ségghen : tis gróte pijn,

diet minnen niet en can ghelaten;

nochtans coemt hém, al in den drmen sijn, sijn lief tot sijnder baten.

Gaef si mi nü een tróostelic wóort,

so waer mijn trüeren al ghedaen : mer, lacen, neen si, noch ghéen confóort en can ic van die allerliefste ontfaen.

dat sal mi cósten ménighen traen,

mach ic ghenen tróóst van haer verwerven, schoon lief, wilt mi in staden staen,

van rou so moet ic anders sterven.

Dat góede ghestadighe minnaers sijn,

wacht ü van qüade niders tónghen,

si sijn veel argher dan fenijn,

dan quade slanghen hare jónghen;

ocr page 191

— 175 —

want daer dese niders sijn versaemt,

si en cónnens niet ghedóghen;

al dóet men anders niet dant wél betaemt, si aensient met valschen óghen.

6. Dese niders sijn argher dan fenijn,

dese quade, valsche clappaerts tónglien,

als si vruecht aensien, dat dóet hem pijn, si hebbent haestelie ghesónghen.

ic mach wel ségghen : droeven schijn,

ende claghen bóven maten;

daer óm so triiert dat hérte mijn,

der niders valsche daden.

7. Dit is ghedaen om drücs verslaen,

met cléinder cónste so ist begónnen;

ja, dit vermaen wilt wél verstaen,

dit wü ic alle minnaers jónneu :

plantéit van ghélt, in sijn ghewélt,

sijn lief tot sijnder érven,

vri ónghequélt mijn vrüechde smélt,

die liefste móet ic dérven.

TEKST.

Antiv., Li. Nr 3, bl. 4. « Een nieu liedekon. » — Geestelijk pastiche in Een devoot ende profiteUjck Boecxken, Antw. 15^9, bl. 100 v0 101 rquot;.

AANTEEKENINGEN.

In sommige verzen is de voorslag bewaard naar aanleiding der melodie.

Het 66 on 8e vors van iedere strophe hebben maar drie slagen.

3 str., 4 r. : gheclaecM, bijgev.

5 str., 2 r. ; niders, bijgev. Zie over de « niders tonghen n Het Lied ■in de M. £. door G. Kalkf, bl. 332. Ook in de niet gezongen poëzie treden de « niders tonghen n te voorschijn; zieH. v. F. Hor. Belg. V. Lansloot, vers 25 en 110. — 4 r. t. hare, bijgev.

6 str., 4 r. t. : haest.

^ str., 4 r. t. : dit ml ic die minnaers.

ocr page 192

— 176 —

MELODIE.

Sout. Ps. 16. Het begin en het einde der melodie geven de muziek torug van de 5e antienne der Vespers voor den Zondag in de Katholieke kerk, op de woorden : In exitu Israel de Aegypto : domus Jacob de populo iar-baro. Zelfde mei. in Fhuytiers' Ecclesiastkus, N'TO, bl. 151. — Komt voor, driestemmig behandeld door eenon onbekende, in Tricinia apud Oeorg. Rhau, 1542, en vierstemmig door Clemens non papa, in een Duytsch musyck boee.k, Phalesius, 1572, zio Eitner, Bibliog. der Musik-Hammeliverke des X VI. und X VII. Jahrhunderts, en wordt vermeld in liet quot; Kamper Lb., » zie Dr Kalpf, t. a. p., bl. 643. De melodie uit een Devoot endeprof. Boecxlien, welke wij met onzo noteering laten volgen, verschilt veel mot die der Hord.

---J_

P-

JE

ÉZ

3:

Al - Ie mijn ghe-peysdoet mi so wee, Wie sal ic

ü:

cla - ghenmijn ver - drietV Die son-de en

i' maal: ,----^

fa

-jf lt; --J—,—1—1—

1 ^ '

—=1-

mem ^ ^ q

—é—•

—1

é

■ 1

^-1

wilt van my niet scheen. Ai - la - cy, wat

is my ghe-

_g._j——^-

-----,--1--1—

« 3=

schiet? Al poo-ge iek er om tis al om niet, Si is al-

7- - -•-■-

W 0-»-0-g-

tijt in mi-nen ooghen.Des moetic sin-ghen dit druc-ke-lijc

8'^ d 11 ^

E

f—F

2-s)—i—^

liet. Och son-de, ghi doet

1=13=3=

S

doo-ghen.

Aangeh. als stem in Veelder/tande Liedekens mil den ouden en nieuwen Testamen te, Amst. 1599, bl. 3, 90, 133.

ocr page 193

— 177 ~

XIII.

EEN GOET NIEÜ LIET HEB IC GHEDICHT

Ps. 17.

Jié met Si t|.

$

Ken goet nieu

liet lieb ic ghe-

^=3=3=

dicht, met al - so

droe

ü-

2i

gZ*_ :2=?r=S=É=ii

5=

nn

i

_3=—3quot;

siu - ne, die lief - ste heeft mi ilaer toe ghe-

ïTquot;; —=R T—

r,^1

■1- —T—j—|

-3. —B-f J—J=3

-■

—i

pp3

ocr page 194

(vrquot;

'I I i

l'!:

ill:

i

zS=~£

si

lo

— 178 -

=(===^=j^!— =E==EzrMr=J==É—«EE^

sticht, met liaer der

j=F^FFn=i

È3^

lEs^EES

SEEp

| I

i f ƒ ^ rm-j 3 j

fc

T=3;—^

min - ne; ic en sal haer nem-mor meer af-

ï

y

££=i:

k

-G-

•J-i.

m

1

r

m

i

r. i '-j

gaen, bi da-ghe noch bi nach - te,

si cost mij ii

iJ=ï

(P

3E

-d- -J-

\m=^f=±

-p—

a

1=^==ps:

mirÉz

i5

r

aEgEEE^;

her - te - ken so me - ni-ghen traen; al heeft bo

i^t:=32^-P_Zs==fc

:2E=:=

ocr page 195

179 —

liPlE^ÊÜl

mi nu on-troughe - daen, noch staet sein

m

3^

^E3^5E

dach - to.

glie

mijn

:ö: -ö- -lt;sgt;-

l±2z

r

Een góet nieu liet heb ic ghedicht,

Met also droeven sinne,

die liefste heeft mi daer tóe gesticht,

met haerder lóser minne;

ic en sal haer nemmermeer afgaen,

bi daghe nóch bi nachte,

si cóst mijn hérteken so mënighen traen;

al héeftse mi nu óntrouw ghedaen,

noch staetse in mijn gedachte.

Noit róse sóet van sóeter rüec,

en heeft mijn hérteken so bevanghen; al hébbe ic sómtijds quaet ghelüc,

naer haer staet mijn verlanghen.

ocr page 196

- 180 —

rijc gód, mocht nóch eens anders gaen! en móchte den tijt noch kéren,

dat ie mocht tróóst van haer ontfaen so sóude ic allen drüc verslaen,

ende altoos vrüecht vermeren.

Met een die aider liefste mijn

so ghfnc ic mi vermeiden;

ic en mach altóós bi ü niet sijn,

wi twee wi móeten scheiden.

si hóut mijn hérteken so séer doorwónt,

hoe sóude ic vrólic wésen?

dat hééft ghedaen haren róden mónt,

mocht ic dien cüssen ic waer ghesónt,

so waer mijn drdc ghenésen.

Altijt staet si in mfjn vermaen,

ende al uit góeder düechden,

mocht ic noch tróóst van haer ontfaen, so waer mijn hért in vriiechden. mer néén ic niet, ic blive alléin,

ende si' hééft mi beghéven;

si is nochtans dat liefste grein,

riese ic dit jaer noch twéé voor éin, so mach ic vrólic wésen.

Oorlóf, schoon lief, alst wésen móet, ende ic moet hénen varen;

ic bidde Maria maghet sóet,

dat si ons wil bewaren.

ocr page 197

— 181 —

mijn sinnekens hadde ic op ü ghestelt;

schoon lief, ist al verlóren?

ic minde u bóven góet of ghelt,

mi dünct dat ü mijn vriendschap Fmelt,

adieu, mijn üitvercóren!

6. Mer die dit liedeken ëerstwerf sanc,

dat was een ruiters ghesélle,

hi weet hem allen góeden danc die duecht van hém (ende van sijn boel) vertéllen, met schóne vróukens sit hi op der banc,

te biere, óft te wine,

al is sijn bórse dicwils cranc.

laghe hi in sijns boels armkens blanc,

het waer sijnder hérten een medicine.

TEKST.

Antw.lb. Nr 38, bl. 53.

AANTEEKENINGEN.

De voorslag is het heele lied door behouden, naar aanduiding gegeven door de melodie.

1 str., 1 r. tekst: Sout. « Een ninu liet heb ic ghedkht || met also domme sin. n

2 str., 2 r. t. : so seer bevang hen.

4 str., 8 r. Deze regel is blijkbaar bedorven. Misschien moet men lezen ; kiese. Het woord riese hoeft hier geen zin.

6 str., 4 r. t. ; overtollig voor het metrum.

6 str., 6 r. t. : biere o/i, met hiaat.

MELODIE.

Sout. I's. 17.

ocr page 198

— 182 —

XIV.

IC HADDE EEN GHESTADICH MINNEKEN,

Ps. 18.

Phrygisch.

dich min - ne-ken, gheen

Ic hadde een ghe-sta

im

2-dL

II—E

'SA

schoonder die daer leeft, ver - co-ren in mijn

zh

'É:

^=S-

sin - ne-ken, van rou-we mijn her - te beeft, want

m

ocr page 199

- 183

ÏËËËÊ

si mi nu be - gheeft, daer - om mach ic yel

-I-

r

.Q.

scri-ven: van trou-we van al - le wi-ven, want

i^Es.=

i

S

2i^I

Ï3=^q—-~E2iq— '2~^r. zrEEir :2=öa—

ff-

-Ü

2-

r|

---B

--Pt

der heeft.

si een au

?2-

1. 1c hadde een gestadich mmneken,

gheen schóonder dfe daer leeft, vercórea in mijn sinneken, van róuwe mijn hérte beeft,

:a;

ocr page 200

— 184 -

want si mi nü beghéeft;

daer óm mach. fc wel scrlven : wantrouwe van alle wiven,

want si een ander heeft.

2. Twee bruin óghen so draghet si so vriendelic int ghesicht;

daer méde so verjaghet si druc liden int gewicht.

tis langhe te vóren ghedicht, tis langhe te vóren ghescréven,

dat si mi sóude beghéven,

want vróuwen wóórden die sijn licht.

3. Sóete wéerde lieveken,

peist somtijds eens om mi,

doet vri al ü gherieveken,

al sónder fantasi.

seer sélden bén ic bli;

wéder ic éte oft drinke,

om ü is dat ic dinke,

al wijsdi mi voor bi.

4. Hoe sóude ic hder verghéten? ic ligghe in swaer verdriet; van drinken nóch van éten,

can ic ghevóeden niet.

ic weet wel hóe si hiet,

die mijn hérteken hééft bevanghen; naer hder staet alle mijn verlanghen, ic léve in swaer verdriet.

ocr page 201

- 185 —

5. O Vénus, sóete vróuwe,

is ddt u dienaars lóón int einde van u tróuwe,

so ist beghinsel schóón.

dies sterf ic düisentich dóon,

dat haer een ander sal tróuwen,

die blóem van dlle vróuwen,

al ónder des hémels tróon.

6. Adieu, mach ic wel scriven,

adieu is mijn ad vijs,

bedróghen móet ic bliven als Salomón, die wijs,

ter schóle vin Parijs,

ende Absolón die schóne.

schone vróuwen spannen die cróne,

die ghéve ic den hóochsten prijs.

7. O bitterlike scheiden,

waer tóe sidi ghemaect?

die dóot wil mi verbeiden,

die also bitter smaect.

het móet gescheiden sijn;

schoon lief, staet mi te spraken,

ic vdlle in desperdten,

ic blive al in die pijn.

TEKST.

Antiv. Lb. Nr 98, bl. 147, « Een nieu liodeken. «

Geest. Lied, in Een dev. ende prctf. Soecxhen, Antw. 1539, bl. 55 v° ; « Ic weet een suverlicke || glieen schoonder niet en leeft, n; Ander geest, lied ; « Maria suyver kerssouwe || moeder ende maghet fijn n iu het H. S. gevoegd bij een exemplaar der Sout. ter bibliotheek te Leiden;

24

ocr page 202

— 186 —

zio Dietschc Warande, 1869, bl. 574. In hetzelfde H. S. vindt men eene variante van Nr 98, Antw. Lb., welke in het voornoemd tijdschrift, bl. 578, werd uitgegeven door P. A. Tiele.

Aangehaald als wijs in Veelderhande Liedekens% 1599, bl. 243.

AANTEEKENINGEN.

2 str., 1 r. tekst : Variante in de Dietsche War. ; « Twee bruyn oochxkens draecht zij. «

2 str., 8 r. t. ; lichte.

6 str., 5 r. t. : die scole.

6 str., 6 r. t. : ende bijgevoegd.

6 str., 8 r. t. ; De tekst dezer strophe is niet geheel duidelijk.

MELODIE.

Sout, Ps. 18. Zelfde mei. met zeer lichte varianten in Een dev. ende prof. JioecxTten, t. a. p., welke wij, door ons in moderne noteering overgebracht, laten volgen, alsmede in den Ecclesiasticus van J. Fruvtiers, Antw. 1565, Nr 9, bl. 26.

3E

EE

h-

ÊÉ

Devoot ende prqf. Boecxlen.

—i—j---

-----1-tH--

.c

-p—•

—1 i—,

Ie weet een su - ver - li - ke, gheen schoonder niet en

I

leeft, si woont in he-mel - ri - ke, in weel-den dat sy

ip

leeft; wie dat haar lief-de heeft en die-nen haer met

ZÉUÊZ

trou-wen, die schoonste bo-ven al - lo vrou-wen, die liaor

^ 3 ^ ^ 3 ^

die - na - ren niet en be - gheeft.

ocr page 203

— 187 —

Ecclesiasticus.

—1--1-1---

-1—----^^----

=t=

—-j-

ci sl s) J-*■

—1—1---1--• ■

• J fJ'—J-7---

• — —1--! P P—

7^---

—e^—ö——o1 z q-

S—ö -i= P

! i' i I I

£ _____l

y—-= ^ j=

J J J J

^ ^ ^ gj—d—«L

ocr page 204

— 188 —

XV.

MIJN SINNEKENS SUN MI DOORTOGHEN.

Ps. 20.

(i|iEE

II

'er

m

m

—P-

P

•=ZMZ

ghen van e - ne scho-ne joncfrou fijn. si

----p—J—j r- -

3 , ,3

-•ai J J—j~

—^—_---

1

E^= 3

dB-.

i

=i=

m

m

•=zt

$

1

doet mi pi - ne do

ocr page 205

189

:É=É-pz

$=

ghen, si is die al - der-lief-sto mijn. om

ÉIeS:

■■3' - F S=-

rr

___l-H—l-L

:2q=j=fc

2:#p

Pi=§

y J' 11 i* i* SF~T

*J haer so wil ic wa-ghen rniin liif ends al miin

mijn lijf ende al mijn

t f Vif

$

• J-

'S

i

1

f—

iö—pz

^U £gt;'

goet, mijn lijf ende al mijn goet; en - de

-=lr

j=i=iS-:

rr:

f—f—jirrg

=b2=k=

la - ten vrienden en - de

' 1

(1?

—ESLs?^-----

-ör

IC?I

^ t

©----

-a

^ b

^ p—

r ^

amp;

-^-S'------1----

ocr page 206

190

M^££*Eëïg

zfzzjamp;z

phen, en - de schen - ken haer mijns her-ten bloet.

[ëjEEf,

:Sr

Mijn smnekens sijn mi doortóghen

van éne schóne jóncfrou fijn.

si dóet mi pine dóghen,

si is die aider liefste mijn.

om haer so wil ic waghen

mijn lijf ende al mijn góet;

ende laten vrienden ende maghen,

ende schenken haer mijns hérten blóet.

Die liefste mach ic wel schriven,

door u vróuwelike béelde schóón,

want bóven alle wiven

spant si int hérte der minnen cróón.

si staet in mijn behaghen,

op haer rust minen móet,

dus wil ic haer liefde draghen,

ende schénken haer mijns hérten blóet.

Twifel ghéeft mi veel nópen,

anxt énde süchten is mi bi,

naer haer staet alle mijn hópen :

dus ic moet sijn van hérten bli.

ocr page 207

- 191 —

mijn si'nnekens na haer ja'ghen,

die nu die slichten dóet,

al sóude mi drüc noch plaghen,

ic móet haer schenken mijns hérten blóet.

4. Vénus strael van minnen

die heeft mijn hërte séer doorwónt,

ic blive ghequétst van binnen,

doort dérven van mijns liefs rode mónt.

nu, énde tot dllen daghen

wort si van mi ghegróet,

om haer moet ic nu cldghen,

ende schenken haer mijns hérten blóet.

5. Princérsse melódiéuse,

schenct uwen dienaer médecijn,

boven alle schóne amoréuse

suldi in thérte die liefste sijn.

al légghen die niders laghen,

hout mi in ü behóet,

ende wilt mi niet verjaghen,

ic sal u schenken mijns hérten blóet

TEKST.

Antw. Lb. N' 114, bl. 112. « Eon nieu liedeken. n

AA.NTEEKENINGEN.

ocr page 208

— 192 —

3 str. 1 r. t. : Terwijl men in het eerste vers den voorslag, voor wat de melodie betreft, missen kan :

Twi - fel gheeft mi veel no

is zulks, in het tweede onmogelijk, daar de melodie hier eenen melo-dischen (d. i. van de melodie deel uitmakenden) voorslag heeft:

anxt en - de such-ten

4 str., 2 r. t. : die bijg,

MELODIE.

Sout. Ps. 20. Ecclesiasticus van J. Feuytiers, Antw. 1505, Nr 82,bl. 156, zelfde mei. in re met si fa. Vermeld in het Kamper Li., zie Dr G. Kai.ff, Het Lied in de M. E., bl. 644; werd dus vóór 1520-1530 meerstemmig behandeld.

ocr page 209

— 193 —

XVI.

POKTUINE WAT HEBDI GHEBEOUWEN ? Ps. 21.

Phrygisch. T1 3

wen? ic en

-»--quot; ■ ^O-

For - tui-ne wat heb-di ghe - brou

=i

Jf-9.-r-^

1 s

$2=3-^

^d-4

weet mi ghe - nen raet. waer sal ic mi ont-

P§=^

ö p

houwen? mijn her-te wart ge-heel des-pe - raet, dat

^———-

r--^

k—J—i-J

m

25

ocr page 210

— 194

i '

33

ii

i=i

U ^ -m- ~ *-

io nu Brugghe moet la

ten, die

m

trE2=

fe

:2if

rjquot;irTti)^EBEf-f3-£j!

iiaiÈ

de soet. rijc God^oeratmi

scho-ne ste

te

P

-ö—.g.-

-ö-

a j

-J_

ism-1

j|=«===quot;

T~~p ^ ■

i

—»:

il

»

ba-ten, mijn her - te ver-brant al in-den gloet! O

ii

i j :pÉ=t

li;

Ül

ocr page 211

— 195 —

^2

lie

fe - lie

-2-------;

Ji

lief, door —91--------1

---

^^---—-i-—.

—

% ^ -ar

- 9. r ---1

S22-

(2 -

0—h p -

-2—p---—-1

-p------r i i —r--—__ir —q

u schoon aan - schijn soet, dat

tnach ie wel be-

W:-e--^--

■ï--

1

■fL ' a J

-sgt;-

=3=^- ^

--i--

quot;f

——

•-•ö-J—

cla - ghen, dat ic u nu la - ten moet.

1. Fortüine, wat hebdi ghebróuwen?

ic en wéét mi ghénen raet.

waer sal ic mi onthouwen?

mijn hérte wert geheel desperaet,

ocr page 212

— 196 —

dat ic nu Brügghe moet laten, die schóne stéde sóet.

rijc Gód, comt mi te baten,

mijn hérte verbrant al inden glóet! O liefelic lief,

door ü schoon aenschijn sóet, dat mach ic wél beclaghen,

dat ic u nu laten móet.

Wat stillen wi nü gaen beghinnen, wi ghildekens al gheméin? si wóont te Brügghe binnen, dat alder waertste gréin.

si heeft mi nü beghéven ende ghelaten in der nóót.

boven alle die ter wérelt léven, so stérve ic, ja, die dóot.

O liefelic lief,

door ü schoon aenschijn sóet, dat mach ic wél beclaghen,

dat ic u nu laten móet.

Dat ic ooit was ghebóren, van móeder lijf ontfinc,

daer óm so móet ic trüeren,

het is mi een dróevich dinc,

vrou Vénus wat cóndi maken? ic en wéets mi ghénen rdet, het sijn so vreemde saken die ghi nu hier aengaet.

ocr page 213

— 197 —

O Hefelic lief,

door ü schoon aenschijn sóet,

dat mach ic wél beclaghen,

dat ic u nu laten móet.

4. Dit liedeken is eerst ghesónghen,

te Brügghe al óp dat steen,

in spite van alle niders tónghen,

ter éren van vróukens réén;

een Méchelaer hévet gheschréven,

daer hi lach in der nóót,

nu móet hi haer beghéven,

dat sal hem dóen die dóot.

O liefelic lief,

door u schoon aenschijn sóet,

dat mach ic wél beclaghen,

dat ic u nu laten móet.

TEKST.

Antw. Lb. N' 48, bl. 10. Aang. bij D' Kalff, Het Lied in de M. E., bl. 325.

AANTEEKENINGEN.

2 str., 1 r. tekst : Och boven.

3 str., T r. t. : so bijgev.

3 str , 8 r. t. ; hier bijgev.

4 str., 2 r. t. : die steen.

4 str., 4 r. t. : rein.

4 str., 8 r. t. : doot, 2 str. vrouw.

MELODIE.

Sout. Pb. 21; vergel. Ps. 53 ; daar komt een deel der mei. van P«. 21 nogmaals voor,quot; na de wise n : Wat sullen wi gaen beginnen || wi gilden al gemeyn, » die den aanvang uitmaakt der o tweede hierboven vermelde strophe.

ocr page 214

— 198 —

|j' I

I

II ■i

n

i I •.

I

I

XVII.

SORGflB 6HI MOET DESIDEN STAEN. Ps. 25.

a

in:

r

m

d—3= -p—3—üjj:

staen, ghi sijt te vroech ghe - co-men, die win - ter

m

IÊ

-p—f

heeft mi leet

ghe - daen, dat wil - lie

m=É

-g=

±z

mÊÊm

=Ê=i=

ocr page 215

— 199 -

--

i^gEES

Sórghe, ghi móet besi'den staen,

ghi sijt te vróech ghecómen,

die winter heeft mi léet ghedaen, dat ■wi'llic claghen den sómer.

Heeft u die winter léet ghedaen, die sélfde blóemekens ontspringhen,

ende die een gestadich bóelken heeft, hi mach wel vrólic singhen.

Ende die een ghestadich bóelken heeft die hébbe hem lief met maten,

ende als het óp een scheiden gaet,

mach hi dat varen laten.

Och, al te veel is ónghesónt,

heb ic dicwils hóren ségghen,

die brónne die heeft enen valschen grónt waer men water hénen moet draghen.

Der bronnen grónt en prise ic niet, hi hééft mi dicwils bedróghen :

hi heeft een ander liever als mi,

hi hééft mi dicwils belóghen.

ocr page 216

6. Och, süider- nóort- en -westerwint si bliven sëlden stille,

ende wder twee hérten móeten scheen, so scheen si teghen wille.

TEKST.

Navolging van den Duitschen tekst voorkomende bij Uhland, Volks-lieder, Nquot; 48, a en 4, bl. 74 en bij Böhme, Altd. Lb., N' 152, bi. 248. Van den Ned. tekst bleef ons alleen het eerste vers door de Sout. bewaard.

MELODIE.

Sout. Pb. 25.

ocr page 217

201

XV1IL

rc WK UT VllOUKEN A MORBUS

Ps. 26.

Ut modern.

Ic weet een vroukon a - mo - reus, die ic met

§

ft

:23-P;

f

if

f

'i2=F=ö:

3-0-

-*—*:

5=2;

77

her-ten min

33___x

a a:

no, haor we - sen

E—

-=1=

ra;

SE2

Mi J * J

-Ö-I

te

ISEiE

t2

^f2=g:

-^-k-2---

. 1 1

—_)---h-—^—s—

fe—■

h- ^ * •-—

—a—n—•—J—^=:

is so gra - ci

eus,

si staet in

mÊi

--P-

j i 1

'föjr9—fS»--—

mm

26

ocr page 218
ocr page 219

- 203 —

ront, ende een snee wit - te ke

le.

^ilipHlipËÈpS

2zz

:2izz:

/p,2=ê=

2:

f

L2^

zl2:

Ic weet een vróuken amoréus, die ic met hérten minne,

haer wësen is so gracieus, si staet in minen sinne. ghestadich is si in aider stónt, men vinter sülke niet véle : want si heeft enen róden mónt,

twee bórstkens rónt ende éen snee witte kéle.

Alle vróukens héb ic lief, om éender vróuwen wille, om haer so lijt mijn hérte grief hëimelic al stille.

ocr page 220

— 204 —

niet dan reine liefde eerbaer en wil ic haer betóghen;

want si heeft een geluwe hair,

een aenschijn claer ende daer op twee bruin óghen.

Aen haer en weet ic ghéen misset, des wü ic vrüecht orbóren.

haer tandekéns sijn also wit als warent fijn ivoren.

haer lippen bloeien als córael,

ende uit gedaelt van kinne.

waert geen sonde int génerael,

dit ist principael,

ic hieltse voor een goddinne.

Móedich énde fier is die ganc,

mer sélden cóemt si buiten;

haer-ringherkens spélen snaren clanc

op harpen énde op luiten.

haer tónghe, waer ic vrüecht bi ghewan,

spreect woorden van retorike.

noit en sach ic aerdighér an

die vrüecht ghewan.

haer stémme singhet (wel goede) musike.

Dit singhe ic uit jónsten réin ter éren van alle schone vróuwen,

geen schoner lief in swérelts plein, op haer staet alle mijn betróuwen.

ocr page 221

— 205 -

mocht mi' ghebüren een cüssen vn'

van hare bloeiende wanghen!

waer ghi sijt, lief, peist om nu

als i'c om di,

daer na staet alle mijn verlanghen.

6. Princésse mijnder hérten fijn,

oorlof néme ic met désen,

want u compléxie is sangüijn;

laet mi u dienaer wésen.

schoon lief al hóórt ghi iet of wat quade tónghen die liefde scheden,

al hóór ic óoc van ü, in die stat,

nu dit, nu dat,

ghi en móocht mi niet verléden.

TEKST.

Anitv. Li. N' 104, bl. 137, « Een nieu liedeken. »

AANTEEKENINGEN.

2 str., 5 r. tekst : niet dan réine eerbaerhéde.

3 str., 1 r. t. : en bijgev.

4 str., 7 r. t. : derdighér en sdch ic noü dn.

4 str., 9 r. t. : wel goede overtollig voor het metrum.

5 str., 3 r. t. : mant om mijn lief.

5 str., 4 r. t. : op u staet.

5 str., 6 r. t. : Daer na staet mijn verlanghen. Verg. 5 str., 4 r.

(5 str., 7 r. t. : ooc, bijgev.

MELODIE.

Ps. 26, quot; na de wise » ; « Ic weet een vrouken amoreus, si heeft mijn herte bevaen. » Het lied, Antrv. Lb. Nr 91, bl. 136, « Een oudt liedeken * vangt aan : « Ie weet een vrouken wel bereit, H si heeft mijn herteken bevaen, » en zou dus het door de Soul. aangeduid lied wezen;

ocr page 222

— 206 —

doch N' 104, Antw. Lb. dat anderen sfrophenbouw heeft, past,zonder herhalingen, op de melodie der Sout.. wat met het Nr 91 niet het geval is. De aanvangsregel van N' 91, Antw. Lb. wordt opgegeven in de Hor. Belg. X, Nr 89, bl. 179, als « wijs » van een geest, lied, dat het oude lied, jlwte. Lb. N' 91, bijna letterlijk weergeeft. Wij laten van beide de twee eerste strophen volgen :

Antn. Lb. N' 91, bl. 136.

1. Ic weet een vrouken wel bereit,

si heeft mijn herteken bevaen,

met haerder ganscher minlicheit,

ie en cans haer niet ontgaen;

haer jonste moet ic draghen,

haer wesen is so wel ghedaen,

si staet in mijn behaghen.

2, Schoonder wijf en sach ic nie,

dies wil ic mi vermeten,

tis recht dat ic haer vrientschap bie,

want si doet mi mijn druc vergheten,

so rein sijn alle haer sinnen,

mi is te bat dat icse aensie,

die aider liefste die ic beminne.

Hor. Selg. X, N' 89, bl. 179.

1. Ic weet heer Jesus wel bereit,

hi heelt mijn herte bevaen mit sijnre soete minlicheit,

ic en can hem niet ontgaen,

ic moet sine goetheit drnghen,

sijn wesen dat is so wel ghedaen,

hi staet in minen behaghen.

2. Schoonre here en sach ic nie,

des wil ic mi vermeten.

tis recht dat ic hem vrientschap doe, (bie)

hi doet mijn druc vergheten.

hoe reine is alle sine minne!

mi is te bet, dat ic hem sie :

dat doet sine soete minne.

quot;Variante van de mei. in J. Kruytiers' Hcclesiasticns, Antw. 1565, N' 38, bl. 83, welke wij hier laten volgen :

ocr page 223

— 207 —

/f U/ J- — quot;1 ~1 I

--^-f- | ' j J J

—~j-----j--=

d ri, id rJ 0 °

-_-1--r--1--1-

amp;. a n

=?= _ - - ^

h _^=zd

y ----- -

yffc n quot;1 iquot; i S d i—!—1

C') « J cJ- 0 rJ rJ gl 0 a

■ _ H quot;1 ! i , i ...... i ■■

a a. o o = (1

Geestelijk lied in Een dev. endeprof. fioecxken 1539, bl. 13 v0-14r0 : k Van hooger minne die ic draghe » op de wijs : quot; 1c weet een vrouken wel bereit; * doch de melodie aldaar is gansch verschillend met die van Ps. 26.

ocr page 224

— 208 —

XIX.

IC QUAM NOCH GHISTRK AVONT. Ps. 27.

Dorisch.

Ie quatn noch ghis-ter a

vont,

3

ii

T

'giÊ

£Ë

2=^

—G-

2=Pr

7 F-H—1—

|

: 1

■

—d—'—r—

•—

m—\—^ J ■

—J-

- P '

■ _{:—

.

HH

i

5

p-f :

—d-i-

-P—~

—s-------

:---

''J

ii^

3=

^=p=

3wt

frou

kens, so se - re be-droe - vet

ocr page 225

— 209 —

7p—r—T—,■-

ha-H—H quot;1'^=H —f~p m H

is:=3—g-g^

-9,-=—■—J—-4—P—S—

staen; die e - ne was die lief - ste m;jn, die

im

(i

2::

I—r

mw^-.

:=p=p^r ten dat

=P=Z2

P=#

an - der had - de door - scho

f-':'

—P-

-S:

t=*i

jon-ghe her-to-ken mijn.

-lt;sgt;— -Ö-

(g:

--1_

2-7

1221

ocr page 226

— 210 —

1. Ic qüam noch ghi'ster avont,

in énen bóomgaert ghegaen,

daer vant ic twee schóne joncfróukens,

so sére bedróevet stien;

die éne was die liefste mijn,

die dnder hddde doorschoten dat jónghe hérteken mijn.

2. 1c bóót haer een mmnellke gróete,

ic sprac haer so mi'nnelic an;

mach sf mi niet ghebüeren,

so bén ic een alléndich man.

ic wénsche des niders tonghen léit,

si hébben, mi ghestólen mijn ghenóechte, mijn vrólichéit.

3. Dese niders gaen hier achter straten,

si stróeien haer fenijn,

mijn lief en wil ic niet laten,

ic wilder noch tdvont bi sijn.

ic sal se so minnelic spréken,

al héb ic éen verlóren,

een ander ic kfesen sal.

TEKST.

Zooals wij hierboven zagen (aant. op Ps. 11, bl. 154), werd Ps. 21, volgens de tafel dfir Soul., gezongen « na do wiso » ; quot; Ic ghinc al ghister avont, so heimelic op een oort. » Van dit lied vindt men, zooals de mei Ps. 2t verwante mei. bewijst, den Duitsellen tekst bij Böhme, AMd. Lh., Nr2r.i), bl. 346.

Paar wij den Ned. 'tekst niet bezitten, brengen wij op de mei. van Ps. 27 het lied dat voorkomt onder str. 6,1 en 8, Nr 94, bl. l4l,Atilgt;v. Lb., en dat hetzelfde metrum heeft nis Nr 269 bij Bohmk.

MELODIE.

Sovt. Ps. 27. Zie twee varianten der mei. bij Bohmk t. a. p.; eene dezer, vierstemmig behandeld door Matthks Grkiter (gest. 1550), werd uitgegeven door Otto Kade, vervolg op Ambros, « Notenheilagen » bl. 361.

ocr page 227

- 211 —

XX.

DAER IC BENS WAS WILLECOMEN. Ps. 32.

Ut Modern.

Daer ic eens was wil - le - co - men, hie-ten

iH

3S3

w

2z

:2=o—gfc

si mi el-ders gaen; die Win-den oft die

Êirzj=K

;2=ai

r r

FH g

--©V-----1

^2 f— F

-2---

----1

J* 11 ^=gFj-

^=p:

9, r—

stom-men die en heb-bens niet ghe - daen. tis

_a_3 -!=3—prE2=3zr:J—q—.-

,|32=^==^EiÊS^=S=a3

ia;

ocr page 228

— 212

ï£ïEï

» iü

al bi ha-ren schulden dat si migheeft oor

3—ï

:isr

zB^rp

^2ï

a==E2

amp;

5

7V~J r i i

3

-2—| gt; -

3

n -T quot;N -f*-

F * J........

tJ

J

-9- c,'—

LZ-o---

2rJ é i

f—öquot; #- 'J--

lof

nu; een an-der al waer si root

lEIÜ

-ö-

g ëh hÖ --

12®--

--G---

E2?2— ---

: P= :

gul-den, en core ie, lief-ken, niet voor u.

ü

2:

-gJ—4-

Éi—g

©

^=zöii

i

ocr page 229

— 213 —

Ic -weet een uitvercóren,

si staet vaste in mmen móet,

na mi en wil si niet hóoren,

groot liden ist dat si mi dóet;

aen haer weet ic groot létten,

si dóet mi aen groot léit,

in alle stéde van wétten,

dóet si mi so cléin beschéit.

Daer ic ééns was wülecómen,

bieten si mi nu élders gaen;

die blinden óft die stómmen die en bébbens mi niet ghédaen.

tis al bi baren schülden dat si mi gbeeft óorlof nü;

een ander, al waer si root gulden, en córe ic, liefken, niet voor u.

Noch weet ic éen die xiit gaet vrien, tisser misselijk wat bi bróut;

seer amoréus is bi bi tiden,

als bi de aider liefste aenscóut : « die liefste, waer icse béffe oft léggbe, der minnen last valt mi te gróót, » bi en cans baer niet gbeséggben,

bi is bicans van minnen dóot.

Die póórten énde die muren die dóen mi dicwil gróte pijn,

nu móet ic altoos trüeren,

al óm der aider liefste mijn.

ocr page 230

- 214 —

als een ander gaet dansen en spélen ende bedriven haer jolijt,

dan sit ic thuis en truere énde péinse waer dat ghi sijt.

5. Schoon lief, u schóón visagie dóet mi dicwils na u staen,

ic héb so ménighe passagie om uwen wille dóór ghegaen;

te water énde te lande,

tallen tijden van der nacht,

mijn schóenkens gevült met sande,

énde die bléven in den grócht.

6. Hier méde willen wi sluiten,

schoon lieveken, ónser béider sanc,

ic hópe ic sal ghebruiken

nóch eens uwen arem blanc;

dan is minen wil volcómen in al dat mijn hérte beghéert;

de liefste en wil ic niet nómen want si is mi M. gulden wéert.

TEKST.

A.L. Nr99,bl. 149, aangehaald bij G. Kalff^W liedm de jl/.,1)1.828, AANTEEKENINGEN.

Het mefrutn in de verschillende strophen laat veel te wenschen over.

4 str., 4 r. tekst : alder bijgev.

4 str., 8 r. t. : peynsde, schoon lieveken, waer.

5 str., 8 r. t. ; lacen in den gracht.

6 str., 2 r. t. : schoon lief.

6 str., 4 r. t. : arme.

MELODIE.

Sout. Ps. 86. Volgens de Sout., vangt het lied aan met de tweede hier-bovenstaande strophe.

ocr page 231

— 215 —

XXI.

O WEEEDB FORTUNE.

Ps. 34.

=3=

ocr page 232

216 —

mi ghe-wor-den schu. hoe soud - ic des ghe-

2rd—t

dE=É

r

-J_t!cl__

quot;OÖI

m

EEEEEÈ23

è^-n

B ^ - t M.-J J 1

0

1 —tid-------

y_g-------

s» 'p -P

E quot;• é £ 3

r p - .

w:____1---

E 3

pi=^=J=i=^Ë^:

sen? daer is - ser een

;2==r=»z=p—S=iczp—3 ;2zzt=^-^EÊE^=d

an - der int her - te ghe-


ocr page 233

- 217 —

EEEE2

sen. dit ben ic da-gl.'e-lics aan-

il

(W5^-

-=^-

--F-----

= ?-

i ?i=gr—

sien - de; ic mein - de dat ics noit en ver-

g^=|^=Éir-==^F==i

f—

^ t±_4

1 -T-'v -, ■■■

5-i

—J-W—^—•—■—W—

dien

---■—•

*-é—

3 1 1

lö-S

J 1

|pEi=É^E^^^SEEïd==El

@E^E?EE^EEEFEEEE^^=pSEEEEE| --b—_—p——=fc---—=±

ocr page 234

— 218 -

O wrede fortune, ghi dóet mi trüeren nü :

daer ic eens die liefste plach te wé sen,

die fs van ghewórden schü.

hoe sóudic dés ghenésen?

daer i'sser een ander int hérte gherésen.

dit bén ic dighelics aensiende;

ic tnéinde dat ics nóit en verdiende.

TEKST.

Naar den versbouw van den tekst van Ps. 34 Sout. en de twee varianten dor eerste — de eenige bekende — strophe, voorkomende onder Nquot; 5 en 11 in Het ientt mv.syck boecxhen, Antw. Tielman Susato, 1551. Over de « musyck boecxkens n van Susato, waarvan de Souterliedekens met drie partijen behandeld door Clemens n. p., deel uitmaken, zie Commer : Collectio operutn mmicorum hutavornm saeculi XVI, Tom. XI, alsmedeZte fttee eerste musychboechskeHS van Thielman Susato, Bijdrage tot het Nederlandsch volkslied in de 10' eeuw, door Jhr. M' J. C. Van Riemsdijck, Tijdschrift der Vereeniging voor Noord-Nederlands nmiekgeschiedenis, III, blz. 61 en volg.

MELODIE.

Sout. Ps. 34, Vierstemmig behandeld in : Het ierste musyck boelshen, nr 5, door Tielman Susato; Nr II, door Jeronimus Vinders.

ocr page 235

— 219 —

XXII.

ROSINA WAER WAS DIJN GHESTA1T. Ps. 35.

Dorisch.

S3

7^-2--

—i--1—

-f—

#-2—Jï

—amp;—©—

é- ,—• è-

Ro - si - na, waer was dijn

ghe - stalt bi

:2

r-

fe—--

r-S»--

'J'j

h

r

7^—P P

~4-f^r

s~i—^ivp

cJ

1 1

-_c2i-J—J—

--

rr

fej—;

rj

J i

-3-l-a

Sè_L_

rgt;

E^J —1

r-H

i.3

p

;as

^=^=.z\

h^-HS-

2:

rS=3t;

ven? doe hi den ap-pel haddein

la=iEf^

©—•—#-

Ez

I

Q-a_— quot;■

9.

2:

2i

2z

ocr page 236

— 220 —

ghe - walt, der schoon-ste woude hi hem

$

sijn

ÏFf;

Ê

\ /

—ö-

p

^=PD

rj —

—-

-1-----

r

I i

ghe

Ê3i=Si

stèt

r

$

r

quot;er

f—P-I

m.

* —i

S—-j-

—|-

quot;•quot;F F

ft-TT-

■3

S0—

ven.

ghe

- loof mi

—sL

vri,

-M—

had-de

Pa-

ris

3

di ghe-

#e—

-«--:--]-

f

-H-

1

rt

E2^ö =

--a—-4--

c-

---:

(Z ts--

-)

'j rgt;

pa_c---

1!- -

f)

n ^ ■

Z

Z

-c; .,

'li | '■

ï

1

ocr page 237

— 221 —

ï

£2

ÉS

_P=t=E2:

sien met si - nen o-ghen, Ve - nus en

(ii=É

IE£

r.

■d-^—f--

=E:

t2—

2=

li

Ê3=i^^

had - de gheen prijs ont - faen, den prijs had

•z?quot;

-i—

-1---1--1-

::z:iö=ir

i

ghi

be

| ^ i- i

Si

fE

rziaz

=p: EE:

-o-

ocr page 238

1. Rosi'na, waer was dfjn ghestalt bi cónincs P£[ris léven?

doen hi den appel hadde in sfjn ghewalt, der schoonste wóude hi hem gheven.

ghelóof mi vri, hadde Paris di ghesien met smen óghen,

Vernis en hadde gheen pnjs ontfaen,

den prijs had ghi becómen.

2. Ic weet, hadde Póntus, bi sijnder tijt,

ghesien ene dier ghelike,

Sidóna die hadde bréet ende wijt met haer schóonheit móeten wiken,

ende ander quot;veel meer; daer ic nu deer lief hébben u in tróuen,

saert jóncfrou fijn, u dienaer wil ic sijn so langhe als ic tléven mach behóuen.

3. Ic weet hadde Virgilius u ghecdnt eer hi hem sétte tot schriven van Helena uit Grieken lant,

een cróón boven alle wiven,

hi hadde di, veel meer dan haer die schóonheit tóegheméten.

tis sware last, daer thérte so vast door liefde wórt beséten.

TEKST.

Omwerking van den Duitschen tekst, A mhraser lüderbuch, N'174, met behulp van Nr 137, bl. 205, A.L. quot; Een amoreus liedeken. n Over deze twee laatste teksten, zie D' Kalpf, Hei Lied in de M. li. bl. 327. — Willems, Oude VI. Lr., Nr30, blz. 65, Eerdooperslied: « Een nieuwe liet || vat dit bediedt, » op dezelfde wijs, getrokken uit Het Qfer des

ocr page 239

— 223 —

Eeeren, 1566. Van eene geestelijke parodie wordt de eerste regel : quot; O Christe waer was u gestalt » vermeld in het Qeutenliedboék, uitg. H. J. Van Lummel, bl. 46, voor het lied : quot; Vit liefde hiet, dicht ick dit lied ji, dat aldaar ook aangeduid wordt als gezongen op de wij/e : « Uit hejfden sint, lijd' ic verdriet. » De tekst van dit laatste lied wordt gevonden in het A ntm. Lb. Np 170, bl. 256, en in het Nieu Amsteleredams Ited-hoeck. 1591; de eerste regel wordt als stemme aangegeven in dit laatste liederboek, bl. 120, in de Veel derhande Liedekens, uitg. 1569; de tekst is te vinden bij Wackernagkl, Lie der der Niederlfindischen Refor-mierten, bl. 112 en in den Nieuwen Verbeterden Lusthof, Amst. 1607, bl. G2.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 7 r. tekst : Vernis, met voorslag, volgens de melodie,

2str.,r. 1 en 3. Pontus en Sidonia is de naam van een beroemden

iniddeleeuwschen Franschen roman, die in de 14° eeuw in het Engelsch, lt;m einde 15° eeuw in het Duitsch werd vertaald. Ook moet een Neder-landsche vertaling bestaan hebben, daar Pontus ende Sidonie voorkomt in den Index van 'J. Malderus, bisschop van Antwerpen (1621).

2 str., 5 r. t. : Deer voor daer uit dar = durf.

3 str., 1 r. t. : Virgilius, de « overkunstenair van nygramacien n volgens de uitdrukking van Dihc Potter, I, 2603-4 (Kalff, Het Lied in de M. bl. 244.).

MELODIE.

Sout. Ps. 35. Vierstemmig door eenen onbekende behandeld, te vinden in een Duitsch Liederboek omstreeks 1519 te Keulen gedrukt bij Aent. von Aich, zie Eitner, Mnsih-Sammelwerhe des XVI. und X VU. Jahrh.\ insgelijks vierstemmig en ook zesstemmig door L. Senpl, in Johann Ott's Liedersammlung von 1544, opnieuw uitgegeven, door R. Eitner, L. Erk en O. Kade, bl. 205 en 343. Zie mode de melodie en de aantee-keningen in de uitgave van dezelfde schrijvers : Einleitung, enz. op Ott's Lb., Berlijn, 1876, bl. 211.

ocr page 240

— 224

XXIII.

IC HEB OM VROUWEN WI11E.

Ps. 36.

Hypophrygisch, metaboliek.

2—±

quot; Ic heb om vrouwen wil - le glie - re-den so me-ni-ghen

quot;T^

:2=i=p=?=

3—*izzf:

:p=3r

nu secht mi,schoon vroude -

dach,

3:

'li

:S=quot;

=6=£

:lfE=SEiiïs

och,

lin - ghe, hoe si di nu be - dacht?

wr v---------- P r

amp;

ocr page 241

225

m

wil-di bi mi bli - ven, so segghet ini nu tei'

mÉÊ^m^ÊÊÉméi

I

I J*

fB^

B

:2jSZ=zz=Z£

I

i

t:r

tijt, want ic moet van liier nu schel

WÊÊ

1

i

iy=3

EHÈEE^i

P=g!

1

—Êrj

r^zt:

:3=e=—p=:Sr

den. ei, scho - ne lief, mi lus - tet een

—p—F

-J-

3:

-a_

^=i^É=i=l

ï3: 22'.

29

ocr page 242

1. «Ie héb om vróuwen wille

ghereden so ménighen dach, nu sécht mi, schoon vróudelinghe, hoe sidi nu bedacht?

och, wildi bi mi bliven,

so ségghet mi nu ter tijt,

want ic móet van hier nu scheiden.

ei, schóne lief,

mi liistet een ander wijf. »

« Lust ü een dnder wijflijn,

so keert u hérte van mi;

nu ségghen alle die lieden dat ic die schóonste si.

die éere wil ic behouwen tot den lieven bóele mijn.

uit vrien, vranken wille, t

ei, schóne lief,

sal ic dijn éighen sijn. »

« Hiermede heb ic ghecósen,

het is mi van hérten léet,

ic héb om üwent wille gheréden so ménighen dach.

ocr page 243

— 227 —

schoon lief, laet li ghedenken die tróuwe die fc u gaf;

och, dóet uw hért weer ópen,

ei, schóne lief,

ende sluitet mf daerfn. »

4- Hi nam die süiverlike

bi hder sneewi'tte hant,

hi léidese also vérre,

al óver dat smale pat,

al i'n een camerken démster;

daer lach die bóele en sliep, die wdchter op hógher tinnen,

— ei, schóne Hef, —

den eieren ddch aen blies.

5. «Is daar iemdnt verbórghen?

hi rise nü ter tijt.

dat hem die nfders niet en verspieden al bf dat schóne wijf.

ic sie die raórghen stérre ende den dach die spruit daer bi'; ic hóór die vóghelkens singhen,

ei, schóne lief,

daer tóe die nachtegael. »

« Laet singhen wat si willen,

ten is nog ghénen dach,

so móetse Gód bewaren,

daer ic te nacht bi lach.

si heeft twee valken óghen,

daertóe enen hüpschen mónt.

so móet ic van haer schéiden,

— ei, schóne Hef, —

God sp^erse l^nghe ghesónt. »

ocr page 244

- 228 —

TEKST.

Naar het Antngt;. Lb., N' 102, bl. 154, quot; Een nieu liedeken » en den DuitBehen tekst, die Toorkomt bij Böhme, Altd. Lb., N' 121, bl. 221.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 1 r. tekst ; eender vromven. Tafel der Soul. . om vrouwen mile.

3 str., 1 r. t. ; ghecosen : geschertst. Zie 6e str. van het A. L., Nr 102.

4 str. Verg. den tekst van Nr 82, A. L., str. 2 eu 3; de melodie onder Ps. 82, Sout.

MELODIE.

Sout. Pflt;. 36.

ocr page 245

229 -

XXIV.

IC WIL MI ÖAEN VERHUEGHEN.

Ic wil mi gaen ver - hne-Khen. Ter-

Ps. 37.

Hypophryguch.

m

:2=?-

te

Et^t

bli-den mi - nen moet, en-de doen naer mijn ver-

tl .

i

Sr

5=

sa:

ü

£

tü

r(r=

f—^

:p=--S=

—Jquot;

mue-ghen, al

val - tet mi te

ghen-

/#fl—--——

1---d

----j

S2_|---=J

Ei^ 1

amp; =J

ocr page 246
ocr page 247

— 231 —

Ie wil mi gaen verhuegen,

verbliden minen móet,

ende dóen naer mijn vermüegheu,

al valtet mi tëghen spóet.

vrou Vénus blóet

dat is van dier uatüren;

ist qüaet, ist góet,

die mint die móet besuren.

2. Die fiere nachtegale

singt een so hüpschen saüc,

mocht ic mijn lief betalen al in haer armkens blanc,

sondér bedwanc,

so sóude ic met vrüechden lévea;

mijn léven lanc

waer dlle mijn drüc ghenësen.

3. Rein iéliken uit gheléseu door ü ootmóedichhéit,

laet mi u dienaer wésen,

aensiet mijn bitterheit.

weest wél beréit,

wilt mi uit minnen ontfanghen;

doet mi beschéit,

daer na staet mijn verlanghen.

4. So schóne róse vau minnen en héb ic nóit ghesien,

si stdet int hér te vau biuuen, die schóne van mélodien.

ocr page 248

— 232 —

wilt tót mi vlien,

wilt mi met minnen verwachten,

doet mi beschéit,

om ü dole ic bi nachten.

O rat van avonturen,

wildi niet ómmeslaen,

mach mi gheen tróóst ghebüren

dat cóst mi ménighen traen :

laet mi ontfaen,

rein blóeme só gheprésen,

een tróostelic wóort,

so waer ic gans ghenésen.

Nu hóórt, ghi jónghe gheséllen, eer ghi dat minnen beghint; vrou Vénns sal u quéllen met wóórden ghelijc den wint. eer ghi beghint so hóórt na mijn prológhe : aensiet dat éint,

so en wórdi niet bedróghen.

Ende die dit liedeken dichte oft éerstwerf heeft ghestélt, vrou Vénus was sijn nichte, met Mer was hi ghequélt.

sijn vrüecht ver smélt,

hi leeft in gróten trüren,

daer óm hi qüelt si en m^ch hem niet ghebüren.

ocr page 249

— 233 -

TEKST,

A. £., Nr 101, hl. 152, « Een nieu liedeken. « Door Dr Kalff, Hel lied ■in de M. bl. 322, gerangschikt ouder de latere liederen, overwaard nog eens gelezen, kon het zijn, voegt hij er bij, nog een# gezongen te worden.

le, 3', 5e, 1' strophe van Nr 101, A. L., ook te vinden in het H. S. gevoegd bij een exemplaar der Sout. ter bibliotheek te Leiden. Zie Dietsche Warande, 1869, bl. 574. — Geest, lied ; « Ic wil mi gaen verheuyen, nac de wijse alst beghint. „ in de Veelderhande Liedehens, Leuven, 1599. bl. 152; aldaar als wijs aangehaald, bl. 276 vquot;.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 3 r. tekst ; vermoeghen.

2 str., 5 r. t. : sondér, volgens de mei.

2 str., 7 r. t. : alle mijn leven.

4 str., 1 r. t. : Schoondér rosé.

5 str., 6 r. t. : so bijgev.

7 str., 1 r. t. : ende bijgevoegd.

7 str., 2 r. t. ; gestelt, in den zin van ; « op eene bekende wijs brengen, n want do melodie is hier ouder dan de tekst. Over het woord « stellen » zie Dr Kalfp, Het Lied in de M, bl. 636.

MELODIE.

Sout. Ps. 37 en Ecclesiasticus van J. Fruytiebs, Antw. 1565, Nr 17, bl. 42. Deze hypophrygische melodie zal wel de wijs zijn van eenen ouderen tekst dan Nr 101, A. L. Immers wordt dit laatste « een nieu liedeken n genoemd.

30

ocr page 250

— 234 —

ill

I;

XXV.

IC QÜAM TOT ENEN DANSE.

Ps. 39.

Tie met Si tj.

1--1 —-----b=ai------

|2_g—Li—g-

BzSEïB

Ic qimm tot e - non clan

se daer

È

imc r f f Ij. ^

i

■'a.

1« I.

feï

*' 1110

;^Sr=ff=

L--b#

mo-nioli jonefrou - ken was, en - do daer vant icse al-

I 3 I

=±

--J-

:ai

-t-s

rj:J- f

fefE

l, •

«I

1

t=Â¥-

li

I

■=zzE=zfi~z*z

ilio soer bo - droe

\et

I '■ li

i ï

---rn:--hV------^---„---

lil

i

i3 i ^

-.T-i

Bi

R

ocr page 251

— 235

*i-iE

M-

was. ic hoot haer vrien-de - lie mijn groet, waer-

;=jF-=-a

d-

E2-|

*

/«S:

ilÊtÊ

i*='-

1

E

frrpjcrffrfz^z^:

de. haer soe - te

om-me si mi loon

J:

ü

ïSEa

'-F

^UL-J^

SEËE=E;

2i:

woor-den be - vie - len mi.

i

ocr page 252

- 236 —

Ic quam tot énen danse

daer ménich joncfróuken was,

ende daer vant icse allene

die sêer bedróevet was.

ic bóót haer vriendelic mijn gróet,

■waerómme si mi loonde.

haer sóete wóórden bevielen mi.

lt;x Mijn móerken is ghestórveu,

die mi ten bésten riet;

een ander hébbic verwórven,

des lijt mijn hérteken verdriet.

si gaven mi enen ouden man,

al óm dat góeikens wille ghinc ic, eilaas, dat hirwelic an.

« So cómt hi vóór mijn bédde,

al vóór mijn béddeken staen,

sijn schóen ende óoc sijn cóussen

heeft hi al liit ghedaen;

hi hééft so veel maselen aen sijn been,

ende dan móet ic hem gaen verwérmen,

óch, den léliken óuden man.

« Dan sit hi aen den dische,

hi hééft van als ghenóech,

van wiltbraet ende óoc van vische,

veel méér dan hijs behóeft.

hi sit en babbelt al waert een gans,

hi en hééft, in alle sinen mónt

óch, niet meer dan énen tant.

ocr page 253

— 237 —

5. a Dit claghe ic u, lieve ghespele,

och, lieve ghespëelken góet,

dat ic mijn jonghe léven

aldus versh'ten móet,

ende al met énen ouden man;

dan móet ic er bi te bédde gaen die ghenóechte noch vriiecht en can.

6. « Die óude man is ghestórven,

die óude man die is dóot,

enen jónghen hébbic verworven,

hi ghëeft mi slaghen so gróót.

dan dénke ic óp den óuden man :

och, vónde ic wéder sijns ghelike,

némmerméer en schéide ic er van 1 *

TEKST.

Antgt;c. Lb. Nr85, bl. 128 quot; Een out liedeken. « — H, v. F., Hor. Belo.ï II, Nr 135, bl. 246.

De tekst schijnt wal het metnim betreft, noR nl jreleden te hebben. Volgens den tekst der Sout. liebbeti het vijfde en het zevende vers vmi elke strophe vier, de andere verzon drie slagen, ofschoon hel vierde en het zevende vers op dezelfde muziek gezongen worden.

AANTEEKENINGEIS'.

1 str., 1 r. Sout. : aan enen danse.

1 str., 5-6 r. t. : Ic boot haer vrievdehke \\mijngroete, si loondes mi.

2 str., 1 r. eilaes, bijgev.

3 str., 2 r. t. : schoen is het meerv., ten onrechie door H. v. F. in schoenen veranderd.

3 str., 3 r. t. : sijn cousen ende oor, sijn schoen.

3 str., 4 r. t. : mnssel, Kil. i. e. ninsel, exanthemata.

3 str., 7 r. Och, bijgev. zie laatste vers der volgende strophe.

MELODIE.

Sout. I's. 31).

ocr page 254

m

11

ilf

— 238 —

XXVI.

in

li! ^

KI

1 i;i

TYRANNICH WERC.

fi,

Ps. 41.

Phnjgüch.

il fl ;j [ §i

il' 11

;|| jfot

i ' !

II Ir

rg—c

-I---

«he-

Ty - ran - nich were, vol archs

jpi

W i

m

2z

P

: i

[■'

-£i

noit

flron - ghen, mi en twi-felt niet

(i

a

—=qi

■J—gi.gt;

-m-

\W*=Â¥

I: I ili

i'Ü

quat't, itat ie oit was van

er - gher

$

ii^

|;

1

i

5

i li

im

2=se=n

12

I

I

«j r

tf

pEaig

E

1 ll

f fl 1 IN t

11

Â¥

B il

ocr page 255

— 239 -

Ve - ruis jonghen. dat maect mijn lier

to al

s 'Fs

;dz=—

lSiESiii=ii=a==^ii=sl

-S- * ■%■■ ~ *

3 quot;fSHHn . J

4 TT r' f \

des - pe - raet. ie heb-be u ver - lo-ren,mijn toe-vor

—fj—i=d

--£=z

I l

-=P=P=rP--P—F—*-—i—

11 ?

-I-»—»- ■

laet, U' en weetniet lioe tgaet; al-leen so

zBz

-2=n-

-Ö-

ocr page 256

240

lili-vo ic lioelkon in der noot,

p-

want trouwe in

fm

:=r

—I-

iöi

sö

_2

3 3

itl

ter we - relt doot.

tt -j ■ ■ r i i

....... —1 -.-i-

----fl

^ i s ^ J

mmmmmmm

1. Tyrdtuüch were, vol archs ghedrónghen, mi en twifelt niet noit érgher quaet,

dat ic oil was vau Vénus jónghen, dat maect mijn hérte al désperaet. ic hébbe u verlóren, mijn toeverlaat,

ic en weet niet hoet gaet;

alleen so bh've ic bóelken in der nóót, want tróuwe is nü ter wérelt dóot.

2. Alle nunen drüc moet ic nü ontbinden, hoe wél mi tvermaen is liérde lëet; ghenen tróóst en can ic aen ü ghevinden, elders te sóeken dat waer mi ongheréet.

ÊgEEj^SfeiEEfl

ocr page 257

— 241 -

noit schérper snéde mijn hérte doorsnéet,

och, noit spére so wréet,

si heeft mijn hérte heel doorvlóghen;

ter éren van li so wil iet gedóghen.

3. Gheen dinc ter wérelt en ddnct mi so fél,

dat mijn jonc hérte also sére déert,

als dat si met een ander bedrijft haer spél,

die mijn jonc hérte also séer beghéert.

het is mijnder hérten een snideiide swéert,

och, ic béns onwéert dat ic die aider liefste moet wésen schü,

des stérve ic tien ddisentich doden nü.

4. Wee mi dat ic oit was ghebóren!

ter droever tijt ic die wérelt aensach,

dat ic moet dérven die ic héb uitvercóren,

dat is mijnder hérten een swaer geclach.

ic mach wel roepen : o wi, o wach!

ende bedriven geclach,

comt dóot, comt haelt mi uiten verdwine !

want langer te léven is mijnder hérten pine.

5. Schoon lief, als ic van deser wérelt sal schéiden, ende ghi met enen anderen dóet u gevóech,

sécht doch eens : « Gód wil sijn siele gheléiden. » hebluc also véle, tis mi genóech.

die noit dat pac van minnen en dróech

oft en tróc die plóech der jalousien in swaer verdriet,

ic rade u voor tléste, sidier niet en comt er niet.

31

ocr page 258

— 242 -

TEKST.

Aniw, Lb. Nr 153, bl. 228, « Een oudt lietleken. » Aangehaald bij Dr Kalff, Het Lied in de M. E., bl. 316.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 3 r. tekst : Venus discipels jonghen.

2 str., 2 r. herde, bijgev.

2 str., 7 r. t. : herte heel, zonder elisie.

2 str., 8 r. t, ; van u schoon lief, de twee laatste woorden zijn nutteloos bijvoegsel.

3 str., 7 r. t. : schou.

4 str., 7 r. t. : comt doot, haelt mi.

5 str., 8 r. t. ; tbesk.

MELODIE.

Soul. 41. — Ecclesiasticus van J. Fruytiers, Antw. 1565, Nr 10, bl. 27. — Aangeh. als « wijs » in de Veelderhande Liedekens, Leuven, 1599, bl. 235 v» en 349 v0.

ocr page 259

— 243 —

XXVII.

DIE V06HELKENS INDER MUITEN.

Ps. 44.

ton si

E-_EEÖ:

Dio vo-gliol-kons in - der mui

mz2=EE:

I

-M

ÊÊ

bs—p-

ii

sin-ghen ha-ron tijt. waer sal ics mi ont-

I

- 5

Ö3É

E23EEEEES

4

EÊ=J

clen?ic ben mijns liofkon quijt. waer

--3 : I i~i -i

h

hou

f—fr

^----lp_—

• 3 3 '3

-c—f—---!*=——--q

—

ocr page 260

— 244 —

sal ics mi ont-hou - den? ende ic haer so gaer - neaon-

f.' quot; ■——t^«l—3-V—'—d j j

f^r—Tr Tr^

$

sie. al spreec ic u lief-ken so sel

den, ic

Pi

i-A-

g

ÉL-zpp-J

©

1=1

ê

fc

;t-

schenc u mijn hor-to - kon is lier.

EiÉfeES

ft F

-©~ -ö-

f

ocr page 261

— 245 —

« Die vóghelkens fnder muiten si singlien haren tijt.

waer sal ics mi onthouden?

ic bén mijns liefkens qüijt.

waer sal ics mi onthouden?

ende ic haer so gaerne aensie. al spréec ic u liefken so sélden. ic schénc u mijn hérteken is fier.

a Ic ghinc noch ghister avont so héimelic énen ganc al vóór mijns liefkens dóre,

si wist mi cléinen danc :

staet óp, mijn aider liefste,

staet óp ende laet mi in;

ic swére u al óp mijn tróuwe :

ic en had noit liever dan di.

« Schoon lief, laet u ghedénken, dat ic eens die liefste was ende lach in uwen armen,

nu bén ic een ónwaert gast.

al hébdi mi nü beghéven,

noch draghe ic enen hupschen móet. die liefde bloeit winter en sómer, dat de cóele méi niet en dóet. »

Hi tóoch van sinen handen van góude een vingherlijn :

houdt daer, mijn aider liefste,

daer is die tróuwe van mijn.

ocr page 262

- 246 —

mér oft iemant vraghet,

wie li dat vi'ngherlinc gaf,

antwoord hem met hüpsche wóórden : die ëens die aider liefste was. »

5. « Ic hóórde ghister avont so lüstelic énen sane!

mijn liefken die gaet hóuwen,

ic en wéets haer ghénen ondanc. al heeft si mi mi hegheven,

noch draghe ic enen hüpschen móet : die liefde bloeit winter en sómer, dat de cóele mei niet en dóet. »

6. Die dit Hedeken heeft ghesónghen, dat was een ruiter fijn,

sijn hérteken ghinc int lichte met schóne vróukens fijn.

dit liet heeft hi ghesónghen ter éren der liefste sijn in spijt der niedcrs tónghen,

sinen naem is jónghen Stijn.

TEKST.

Anln. IJ/., Nr 28, bl. lt;10. — Willkms, Oud/; VI. Lied., Nr 94, bl. 231.— H. v. F. Hor., Belg., II, 26 uitg., Nr80, bl. 187. — Dg tweede strophe, aanftcli. bij Dr Kalff, Het Lied in de M. E., bl. 317, is oone variante van do lquot;10 strophe, A. L., Nr9-4, bl. Ml. Zie hierboven, 1)1. 152. — Zelfde tekst in het Hs. gevoegd bij een exemplaar der Sout. tor bibl. to Leidon. Zio Dietschc Warande, 1869, bl. 575. — Vcelderhando Tiedehens, Leuven, 1599, aangoh. als wijs, bl. 44. — Paradijs der gheest. vrcuchdcn, Antw. 1617, bl. 81, aangeh. als wijs voor het geest, lied : « Komt al van Suyden en van Oosten. »

ocr page 263

— 247 —

AA.NTEEKENINGEN.

2 str., 1 r. tekst : op al mijn trouwe.

4 str., 7 r. t. : voorslag, volgens de melod.

(i str., 8 r. t. ; Jonghen Stijn. — H. v. F. : Jonghemtein.

MELODIE.

Sont. I's. 44. Zie hierboven, bl. 159, de aanteekeningen op Ps. 13. — Variante, Ecclesiasticus van J. Fruvtiers, Antw. 15G5, N1' 23, bl. 55.

Ecclesiasticus.

gt; k-ih---_—1__|l, 1—t-J-

• p

éi d 7 \ij-H—|—1—1—— •

JS-J' -

. _ T

gt;1 r-

11 i 01 1 ll li

ö———j5?-

p cl1

t.)

yrrh ! (^ quot;! quot;I ,i 1

• ö

-d-^ quot;~f

É»-^h-£ll3/T-g—

■=m

? ai -J-

ocr page 264

- 248 —

XXVIII.

DEN DACH EN WIL NIET VEEBORGHEN SUN. Ps. 47.

---j—j---1—

—■,—---1--

——-j—j—

-1

mï.rj j-j-

^ i

—■---■

—•- g ë—b

L-l

quot; Den dag en wil niet ver - hor

ghen

[É

2=

m

Bz2—

p—r——^-ra--—«t--

im

3^5

-lt;sgt;-

sijn, het is schoon dach,dat dun

ket

FËÊÉii

i

Â¥

-2-3—,—

—f2—V-'^P—

P- J ^

9f—-—■

—1--^--1--

ocr page 265

249 —

3 3

ES5

node iet dat si schei

p=ëii^^igE5-.5

f^E

den! dat si

c2—-_t=i

23

r j^j_

-gr

a

m

EE

——r—i—-

m~9.—quot;—p—^—

^ * J—Ü—

-a-o---

schei

den! »

a

2-:^

-a—

1. « Den dach en wil niet verbórghen sijn, liet is schoon dach, dat dunket mijn.

tner wie verbórghen heeft sijn lief,

hoe nóde ist dat si scheiden! »

2. — « Wachter, nu laet u schimpen sijn ende laet hi slapen die aider liefste mijn ! een vingherlinc róot sal ic u schinken, wildi den dach niet mélden. »

ta=®;

32

ocr page 266

- 250 -

3. — « Och méldic hem met, rampsdlich wijf, het gaet den jónghelinc aen sijn lijf;

hebdi den schüt, ic hébbe die spéir,

daerméde maect u van héir! »

4. Die jónghelinc sliep ende hi' ontspranc,

die liefste hi in sijn armen nam :

« en latet u niet so na ter hérten gaen !

ic cóme noch tavont wéder. »

5. Die jónghelinc óp sijn vale ros trat,

die vróuwe op hógher tinnen lach;

si sach so vérre óostwaert inne

den dach door die wolken op dringhen.

(5. « Haddic den slótel van den daghe,

ic warpen in ghéender wilder Masen,

oft van der Masen tot inden Rijn al en sonde hi nemmer vónden sijn. »

TEKST.

Antn. Lb., Nr 19, bl. 25 « Een niou liedelcen ». — Willemp, Oude VI. lied., C6, bl. 172. — Uhlakd, Volksld., N' 78, bl. 170. — H. v. F., Kor. Belg., II, Nr 04, bl. 152. — Aangeh. bij Dr G. Kalff, Het Lied in de M. E., bl. 294. — Duitsche vertaling, Böhme, A ltd. Lb. N1' 103, bl. 199.

Het begin van de zesde strophe wordt aangegeven als wijs van het geestelijk lied, N' 101, bl. 199. Hor. Belg. Pars. X, dat denzellilen strophenbouw heeft: « Jesus minne heeft mi ghewont n.

AANTEEKENINGEN.

1 str., 2 r. tekst ; mi.

3 str., 4 r. t. : heir =quot;hier, voor het rijm.

5 str., 3 r. t. : noortmaert.

(i str., 2 r. t. ; neerpen ' warpen = wierp hem.

MELODIE.

Sovi. Ps. 47.

ocr page 267

— 251 -

XXIX.

GHKEN MEERDER VRUECHï TER WERELT EN IS.

Ps. 48.

Re met Si ^ ^ 3 ^

f=t

Ghoen moordpr vruecht ter we-relt on is, lt;lnn die van

(pil

i

EE5E

ii^

£=r~-Ë-

^£7^=31^

S:

hor-ten te vre-den is bi si - ner liefste al-

-éi ^ J Vf=q - -

r j j.....t~-

--5-°- ---

^--^ 1

t 3 É ,—

-O-

ocr page 268

— 252 —

spro-ken van phe - luc, hi he - vet al wat sijn her - t«

ïi

=ik

-I-

-P—ö1

—ö

-----

Er=

lust, die sijn lie - ve-ken mach aen - schou

ÈEÊfeiBg=:

j__j-

i

£

£s=e

M~l U-U:

:r

:-S'

-t=

1

Gheen meerder vruecht ter wérelt en is, dan die van hérten te vréden i's

bi siner liefste allene;

hl mach wel spréken van ghelüc,

hi hévet al -wat sijn hérte lust,

die sijn lieveken mach aenschóuwen.

ocr page 269

- 253 —

Ic ghi'nc er door die gróeae !aen,

ende sach veel hüpsche jóncfrouwen staen;

mijn sóete lief was daer ónder :

si dóchte mi die schoonste te sijn,

die aider liefste bóele mijn,

boven andere üitvercórer.

Mijn bóelken draghet so sAvart een cleet, daer ónder draecht si groot hertenleet, dat niemant van haer en can wénden, dan ghi' alleen, ghi hóógste schat.

so tróóst haer dan met e«n vriendelic wóort, och tróóst haer int allen de.

Ie hébbe enen n'nc aen miner hant,

ic en ghave hem m'et voorghehéel dat lant, bi cómt van haer sneewLtten handen,

hi isser ghemaect van róden góut;

si heeft mijn hérte in ha«r ghewóut,

rijc Gód, mocht ic haer dienen.

Eer i'c mijn bóelken liet varen gaen,

wilde ic noch Hever in armoe vergaen, beghéven der wérelt vniechden;

ic héb ghebóut op góeden grónt;

die ic mijn hérteken hébghojónt,

sal ic noch wéder vinden.

Die óns dit liedeken éerstwerf sanc, een vróme lantscnecht hi wért ghenant, iii hévet also wél gesónglieii;

bi gaet te Lünenburch iliten in,

al bi die aider liefste sijn en wért hi némmer verdrónghen.

ocr page 270

— 254 —

TEKST.

Navolging van den Duitsclien tekst bij Uhland, Volks/., Nr 60, bl. 93.

Do twee eerste verzen van den Ned. tekst werden ons door de tafel der Soul. bewaard. — Geest, lied in Een dev. ende prof. Boccxken, Antw. 1539. bl. 34 vquot; en 35 r», « GUeen meerder genuechte op nerde niet en is {{ dan die int herte te vreden is. „ — Nieuwe uitg. door D. F. Scheurleer, 1H89, bl. T.) en aant. aldaar bl. 321. — Als wijs aangegeven voor « Een geestelijk liedeken ; Een groote vreught is int ghemeyn n toegeschreven aan Anneken van Rotterdam, die, ten jare 1539, den marteldood onderstond, en gevoegd bij een Testament dat zij « haeren sone Esaïm bestelt heeft. » Dit lied vorscheon voor de eerste maal, zoo het schijnt (Zie Van dor Haeghen, Arnold en Van den Itorghe, Bibl. Belg. M. SISquot;), te Delft, bij Alb. Heyndricxz,ten jare 1586, met \wiTestament en het daar bijgaande lied van de Gentsche martelares Sootken van den Houte, gest. 1560. Beide liederen herdrukt in het Taelverbond, Antw. 1854, bl. 225 en volg.

MELODIE.

Sout. I's. 48. De melodie t. a. p. in Een dev. ende prof. Boecxken, is in den grond dezelfde als die van I's. 48, doch geheel gestoord on zonder onalitoit. Wij deelen deze laatste, door ons in moderne noteering gebracht, hier mede :

EiE

is, Dan die int her-te te vre-den is; Dien

Gheen meer-der ghe - nuech-te op aer-de niet en

=EF3E:=r

:2~r—?:

God in min-nen rey

we - relt die we - relt sijn. Want al - lo

^ 3 ^ ^ 3 ^ b

w—«:

ne hn laet die

^2E

t

52=

din-ghen ver-ganc-ke-lijck sijn, Be - hal - ven God al-3^3

I

-sine.

0 g

i«y

ocr page 271

— 255 -

XXX.

EEN VEIENDELIC BEELT.

Ps. 49.

Hypodorisch zestonig. 3 ^

Een vrien-de - lie beelt mijn hert be-dwonghen

;e

gt;

*-7-9----3---quot;--

Â¥

|_ __P

---p----—--V_.--p—F—

A' i r8^ i-ft r'A-r-E

^3 quot;

-—ij, ^ i-q

4^;—•—---quot;—■—ë—1-9-^—F—#——ë-H

heeft, uit roch-te fflie-

7

—1 —-3 i—- -t-

P te

f i =t2Eg_ J

Hr—P'----^---:aJ=------:

^9 -^ -9.-X-

amp; i- i È-Ö p S 1

sta - di-ghen moet mi haer ghe-den-ken

ocr page 272

— 256 —

quot; H i. quot;ft quot;

V _ ' 1^ 1 i

r ^ m —P—■

doet.

al mijn ghe - peis, so

^-i^—-zrrESITT__=j==Eamp;:iji=^L.IIii:

(P

P

-SJquot;

(g=é

S:

wél bi dach als bi nacht,

$

tepii

mm

~r

m

:P=F

ë

uit rech-ter ghe-sta-di-gher lief

de mi

3.==SÖ5É

te

'f

m

jbziEEfcr^—j—[EE-El

$

stets haer ghe-den-ken doet.

mm

□--L.

s?~

.Q_

J-

ü

ocr page 273

- 257 —

Een vriendelic beeit mijn hért bedwónghen heeft, uit réchte ghestadighen móet mi haer ghedénken dóet.

al mijn ghepéis,

so wél bi dach als bi nacht, uit réchter ghestadigher liefde mi stéts haer ghedénken dóet.

Och lieveken sóet,

gheeft hulp ende raet daertóe, ende raet mi vóór het bést hoe ghi mijns ghedénken siilt,

bi ü te sijn dat brénghet mi soldes; nu ghévet mi, schoon lief, u róde móndekijn.

O liefelic lief,

doet ópen dat hérte dijn,

sluit mi in dinen armen blanc al in den armen dijn.

ende sluitet mi wel vriendelic aen u bórst, so wért mijn jónghe hértekijn al dóór u liefde getróóst.

Och schéiden droef waertóe sidi ghemaect? die dóot wil mi verbeiden die also bitter smaect.

ocr page 274

_ I!

/

— 258 —

hoe wëe hem dóch dat jónghe hérteken dóet die gheren bliven sóu ende emmer scheiden móet.

5. Mer di'e dit liedeken sanc

ten tróoste der liefste sijn, dat was een ruiter van der banc, joncfróukens sijn so fijn.

ic wénsche der liefste wel duisent góeden nacht,

ten is gheléden gheen óghenblic si was in mijn ghed^cht.

TEKST.

Navolging van den tekst te vinden in het handschrift van 1537, uit Zutphen in Gelderland, in de Bibl. te Weimar, waarover Hoffmann v. F., Hor. Belg. II, Inleiding, XVI. — Een lied met ander metrum, aanvangende : i. Ein weiblich bild mein hertz bezwungen hat, » en waarvan do str. 1, 3, 4 en 8 overeenstemmen met str. 1-4 hierboven, komt voor lSr 198, bl. 248, Ambraser Lb. van 1582, uitg. door J. Burgmann, 1845 (Bibl. des Liter. Vereins te Stuttgart).

MELODIE.

I's. 49.

ocr page 275

— 259 —

XXXI.

DIE WINTER IS VERGAMHEN.

Ps. 54.

Hypodorisch.

P4

3:

ffhen, io

Die win-ter is ver - gan

ÜË

.=F=gi

Bi

ff

d

22-^-:;

hSi'zzrt

2r=t

#^-r f'■ ? 9 m

tr—sdprfr

3=Êi=fej=:Li=

j—

sie des mei-en schijn, ic sie die bloemkens

a 3 , 3 .

J al .] J

-—----fl----

SÖ2 S, -

-Ö

-©--

12-

3 , 3

(

han

IeQee^ÈI

ghen, des is mijn hert ver-

2=0

=ij£

:öi=i=

EgzzÖEÈa

teülEEEiÊ

Fgb

SE

ocr page 276

— 260

S2

Wijt;

ver aan gho-nen da

3i

i A-

i.

-A

\Tr=S

L

ï=5fe

_zz:a=

lo, daer ist ghe-noech

lie

a=3=5=

23-iE

^Ü2_

f==t=p

--j—

jOZ

'§p^==fS

q:

rt;

k--1--1-----|S----

g^jEli^EjEg:

Seeeê

sijn, daei' sin-ghet du nacli

to -

--A--N-

5eï

iË

-J-

—i-

i

IZJT

(PIP^ 'S^===

ocr page 277

261

al so me-nich wout-vo-ijhel - kijn.

ga - le

-3—--]—i--j —g1

^2—S—g—P-r*--:2^Ê:

zaz

ïm

r

\2zisr.

1

Uie winter is verganghen,

ic si'e des meien schijn,

ic sie die blóerakens hanghen,

des is mijn hért verblijt;

so vér aen ghénen dale,

daer ist ghenóechlic sijn,

daer singhet die nachtegale al so ménich woutvóghelkijn.

Ic wil den méi gaen houwen

al in dat groene gras,

ende sciiénken mijn bóel die tróuwe

die mi die lieiste was,

ende bidden dat si wil cómeii

al voor haer vénsterkcn staen,

ende ontfanghen den méi met bloemen,

hi is so wél ghedaen.

Ende dóe die süiverlike sijn réden luidde ghehóorf,

doe stónt si trürentlike,

met dés sprac si een wóon :

ocr page 278

— 262 —

« ic héb den raei ontfanghen met gróter eerwaerdicheit. » hi cüst si aen haer wanghen : was dat niet eerbaerheit.

TEKST.

H. v. F. //or. Belg., II, Nr 63, bl. 151, overgenomen uithetH. S. berustende fe Wuimar, Verp. str. 2-3, An/ir. lb., Nr 74, bj. 110 « Epn out liedeken; ii Willems, Oude VI. Lied., Nr51,1)1.359 en ii hl and, Volkslied., N' 82, bl. 178. De drie bovenstaandu strojihen alleen maken deel nit van een Meilied, de overig-o bij H. v. 1'. en in het A. L , behooren tot een Wachterlied. Zie Dr G. Kalfk, Het Lied in de AI. E., bl. 287 en volg.

MELODIE.

Hout. I's. 54, « nao die wyso ; Wy willon den mey ontfanghen met groter eerweerdighoyt «. Zooals Böhme, A ltd. Lb. Nr 114, bl. 212, reeds deed opmerken, stemt die aanduiding nagenoeg overeen met het4een het .■)• vers in de derde str. van bovenstaanden tekst. Te rechte mocht hij veronderstellen dat niet de aanvangsregel door de Hout. opgegeven wordt en denken dat de melodie van Ps. 54 hier de go pas to is. — In het Nieu Amst. Lb., 1591, bl. 145, vindt men als wijs aangegeven ; quot; Die winter is ons verganghen, » voor een lied dat denzelfden strophenbouw als het bovenstaande heeft. Dezelfde wijs wordt aangeh. in de Veelderhande Liedekens, Leuven, 1599, bl. 53 en 320. — In het Luitboek van Thysivs, uitg. door Prof. Land, Tijdschr. der Vereenig. voor Noord-Ne.d. muziekgesch. I, bl. ITO, Nr 16, komt, onder den aanvangsregel : « De winter is ons vergangen, n eene melodio voor die eeno variante is van het Wilhelmuslied en welke aldus aanvangt :

gL-Lgd

Nog eene andere melodie, « Stem : wy willon de mey gaen houwen. » voor eene achtregelige strophe mot ander metrum, komt voor in llxtrac-tum Catholicum Joh. Stai,igt;aiuji, Loven, 1631, bl. 40.

ocr page 279

— 263 —

XXXII.

MIJN LIRFKEN SIET MI OWEL AM.

Ps. 55.

Hypodorisch.

■T

=1=

ven?

---BT

:2:

:»—»

=g=

fi

$

Mijn lief - ken siet mi o - vel aan, wat

3

Lj!---

■ p

i

—■—— -|—

ï2—P-^

i

-_._d-J--

—sgt;-----

É=g--ë

f/iVo

g--1

(ei

- u 1

t - i

heb ic doch mis - dre

SFs'

Tr-^

te^EEJEg;

êS

si heeft een an - der in - ghe - laen, si

piiiiig

in

ocr page 280

— 264 —

rfFK-J-

laet mi staen in den we

---1-

al - so doet een

_d_:

É_

.£^_®-----

-1

E2_ -

-ö-

—

IÜ

arfli

- plien. hoe sta ic hier al - le - ne

mÈÊM

^J=i:=zgt;.

BEgEE ^2

_é

rr^

-------

. r

------

2 t .a

9---f—--

g=^ËiEÊÊÊÊËÈ

.^pgt;

[EEEEz

me onecht? dat comt dat ic gheen ghelt en

^=J--

ocr page 281

265 —

heb, tis al gho - daen, haer ontrou is mi ghe-

EE

I

F

) A

'm=~

-g-

2;

gg3=

■2=3=

ken.

ble

badf---:

-f

T-

PSE

V-2ja_

1. Mijn liefken siet mi óvel den, wat héb ic dóch misdreven?

si heeft een ander mghelaen,

si laet mi staen in den wéghen. hoe sta ic hier alléne also dóet een arme cnécht? dat cómt dat ic gheen ghélt en héb,

tis al ghedaen,

haer óntrou is mi ghebléken.

34

ocr page 282

— 266 —

2. Die selfde hupsche jóncfrou fijn si en wilt haer niet verdrieten,

si latet deen uit ende dander in,

die derde wacht upter straten;

si can so lieghen, bedrieghen,

si isser van lóser aert,

daerómme draghet si bruin root ende ghéel,

si isser so fél ende can ooc vleien ende strelen.

3. Ic meende bi haer die liefste te sijn,

si had mi tróue gheswóren,

si had een ander liever dan mijn,

dien heeft si üitvercóren.

daerómme Van haer te scheiden dat düncket mi het bést;

een ander vóghel jónne ic dat nést,

ende vri van den last,

daerméde Idet ic haer varen.

TEKST.

Navolging van den tekst te vinden in het handschrift van Weimar, waarover H. v. P. Eor. Belg. II. Inleiding, XVI.

AANTEEKENINGEN.

2 str., 7 r. root en gheel waren, zoo het schijnt, de kleuren door ontuchtige vrouwen gedragen. Götzinger, lleallexicon, woord : Frauenhaus.

MELODIE.

Pa. 55.

ocr page 283

— 207

XXXIII.

ALS ALLE DIB CRÜIDEKEN8 SPRUITEN.

Ps. 56.

Hypodorisch.

P

i

m

Als al - le die crui - de-kons sprui

2—t

2—E

3quot;^ ITr-r-f-j

$

ten ende al - lo dinc ver-

3=e

I 3 ' J_cL

$

('raeit, ic wil mi gaen ver - mul

asj

I*.

■i-lt;S-

ocr page 284

268

ïM

^2i

pS

paeit.

'=# iï

©

üfcEp

--F=---=

^ J—?—P— 1

—p-

_£2I

eJ-EE£

bens ont

jaz

'P-

l

zaz

Ê^Ê

ocr page 285

- 269 —

« Als alle die cniidekens spruiten ende alle di'nc verfraeit,

ic wil rni gaen vermuiten,

ic bén mijns liefs te biiiten. het compas gaet al verdraeit. tis récht, ic béns ontpaeit. »

— « Hebdi u bóel verlóren, wat schaden hébdi daer van?

ic séit ii van te vóren,

een ander had ic vercóreu;

daer léit u seer Uittel an,

al kiest ghi een ander man.

— « quot;Wat schaet den rijm der rósen? ghi vilijn door liwen hals,

ghi waert di éerste glóse,

die mi bróchte in nóse;

dus léere ic nu van als :

vlaems, spaens, duits énde wals. »

— « God gróet u, schóón kersouwe, ghi snijt mijn hérte ontwée.

ghi sijt die liefste vróuwe,

aen ü staet mijn betrouwen.

int lant en óver de sée,

en léven nu gheen liever twée. »

— « U lóf, u danc, u waerde,

neme ic nu éen verdrach :

ic wéét een ander op aerde,

een édel man te paerde,

een rijckaert diet wél vermach, die vrijt mi nacht eude dach. »

ocr page 286

— 270 -

— « Vrijt ü een man tenen bóele, een ruiter óft een baróen,

wacht ü dat hi niet en cóele,

want ghevóelde hi, dat i'c ghevóele, hi en sóu niet gaen aen dóen een anders mans óude schoen. »

7. « Adieu, wel viiil clergésse,

tis meer dan schéidens tijt.

al ist dat ic nu mésse,

ic leerde u die eerste lésse.

tróuwen ic ként, ic lijt boven alle die wereld wijt. »

TEKST.

Antw. Li., N' 1, bl. 2, quot; Een amoreus liedeken ».

AANTEEKENINGEN.

1 str., 6 r. tekst : « tis recht, schoon lief, ic ben ontpaeil. » « Schoon lief» overtollig, zooals in str. 4, Ps. 59.

MELODIE.

Sout. Ps. 56.

ocr page 287

— 271 —

XXXIV.

RIJG GOD, GHEEFT MI GOED AVENTÜER! Ps. 57.

Re met Si t|.

$

ven - tuerln sprac damp;ereen

« Rijc God,ghaeftmi goed a

•' f

«sa

:t=

fg

j

iffriÉi

2z

tzt

Iris - che jon-ghe-line, «dat icmachcomen bin - non den

(P

rr^

^ f

»1

-I—

T

=i==P

:zzM

sto

=g=p—d-1^-

muer, daar woont die al - der lief

w

-Ö-'Ct

te

m

p

m

.

se

ocr page 288

- 272

=1-

$

mijn. rijcGod, gheeftraetl die wachter en is mijn vriende-ken

$

f

•. s ! 2

m=g-

£

-B—F~

1

:2:

niet,

dat dunct mi quaet. »

7^8-

—

—1---

-2---

--■—d-

É2

-Ggt;-

—1--

-1

1

a

.a ::

DLL

1 1

Pi§:—0

1. « Rijc Gód, gheeft mi goed avontuer! » sprac daer een frische jónghelinc,

« dat fc mach cómen binnen den muer, daer wóont die aider liefste mijn.

rijc Gód, gheeft raet!

die wdchter en is mijn vriendeken niet, dat ddnct mi qüaet. »

2. Die jóncfrou niet so vaste en sliep, si hadde verhoort den jónghelinc,

seer hdestelic si ter vëinster liep,

si bant een cóordeken aen den rinc.

\

ocr page 289

— 273 —

daer na niet lane,

doen si dat cóordeken dalen liet,

den rinc die clanc.

Die wachter niet so vast en sliep,

bi hadde verhoort des riucs ghelüit,

seer haestelic hi ter tinnen liep,

hi stac sijn hooft ter véinster nit.

hi sprac ; « wie is daer? » die jónghelinc néder ter aerden viel van gróter vaer.

Die jóncfrou sprac, met sinnen verstoort: « wat isser, wachter dat u deert?

het sijn mijn vëinsteren die ghi hóórt, die hérren sijn dróghe en ónghesméert.

maect mi niet gram!

ic sie al na den lichten dach,

al óf hi iet qilam. »

Hi sprac : « joncfróu en bélghet u niet, ic dóe als een goet wachterkijn;

den lichten dach, daer ghi na siet,

dat is die aider liefste dijn.

stille héimelic swijght.

want qüaemt int claer, wi waren voorwïier ons lévens quijt. ».

Die jónghelinc sprac : « och, wachter góet, wilt óns niet mélden dóór u düecht :

daer mócht of cómen gróót onmóet; wat schadet dat wi twee sijn verhiiecht? »

ocr page 290

— 274 —

hi sprac : « ic sal;

nu gaet al daert die liefste beghéert; raaect gheen gheschal. »

7. Al in den rinc sette hi sinen voet, ghelijc hi dicwils hadde ghedaen; lii haelde hem óp al métter spóet,

seer vriendelic was hi daer ontfaen.

in córter stónt si ciiste hem meer dan düisent werven aen sinen mónt.

8. « Och, willecome, séit si, sóete lief,

mi en qüam mijn daghen noit liever gast, nu laet ons mét ghenóechte sijn,

wi willen gaen drinken den cóelen wijn.

wi wórden ghewacht:

die wachter sal sinen hóren blasen als cóemt den dach. »

0. Een córte wile was daer niet lanc, die wachter sanc sijn daghe liet.

in sinen armen dat hise nam.

het scheiden was hém een gróót verdriet:

och, leider dach!

ghi dóet mi vander liefster scheiden die ic oit sach.

TEKST.

Anhv. lb., N' 140, bl. 208,quot; Een out liedeken.» H. v. F. Hor. £elg. II, Nr 59, bl. 144.

ocr page 291

— 275 —

AANTEEKENINGEN.

1 str., 1 r. tekst : Sic, -volgens de wijs aangeduid door de Soul. Antm. 1b. : Byck God verleent avontnere ons.

1 str., 2 r. t. : frisch.

2 str., 6 r. t. : dale.

5 str., 2 r. t, : //oei, bijgevoegd.

5 str., 6 r. t. : quaem.

MELODIE.

Soul. Ps. 57.

ocr page 292
ocr page 293
ocr page 294

:

ocr page 295

' \ -fjpl

mm

■

'

k % gt;■ 's i ' '?■quot; V . gt; • • ... , -■ -r.-

i' l :S ' ■ gt; , '. .' .?ftif:l

•' ■-•■■■; -■ \ ■ :ss ■ ■ m ';

:

•1

•ai-V - ■ ■ u ' fls®

■

raiffir gflW

■'^ 'ii-:

i'4-' •'.

■ ' •' '

(

,, , . I

SfiSi

•r

I

'■04^

_

I

Iff 1»

s 1 Vy ' ^ /IJ ' ^ ' J ^

■: ■ ■ . .....

M x}s s , -v ■ :• A. ' ' - •; If ■'• '■• v ■ • kf?

, - ■ ■, . ■■■

/■ . . . i;-, ;: - . . v

vV: \r-,.- '• .■,,

■

fM

I

4

riivvs^iS , «.■• :Ê'ïê'ï0x ■'■

-fc quot; J'

' ï'ihrH

_

i

ocr page 296