■
•ƒ
m
8IBLIÖTH€.EK DER
RUKSUNIVERSITHIT
UTRECHT.
. ■ ■■ ■
H. BROERS
V i
i ^
• gt;
*
mà
-ocr page 3-l.' v'
J .Vil:
■ ■ gt;.' ■
'ia-il
ii . • . j- ■• , ■ • ; „
v gt;■
'li--'.-
m
-ocr page 4-'r't
... - -If-quot;
■ f, ': ' ' ' quot;■
' ' - :
y. - - .
-ocr page 5-•Ä* V.'
.. V '-/fïnbsp;' . •
se
X.
k:
' .'.5 1
IS ■
M
•Mï-;
' j
-ocr page 6-■ -
m m:-- y : ^■nbsp;:..
vvi ■ .
»rî ■■ ■ ■nbsp;. ■ y'quot;quot;: •
'■■'.v^v'
mmm
|
m.- |
, W -^ |
|
f ; ■ ■. | |
|
■ | |
|
rv--- |
■ , |
|
- 1 . • |
ïi^iS-i'j:-
-ocr page 7-EXPERIMENTEELE DIABETES INSIPIDUS
-ocr page 8-■■^ti ■
VI
■ .. /i
-af'
m.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
1291 4879
TTT
-ocr page 9-TER VERKRIJGING VAN DEN GRAAD VAN DOCTOR
IN DE GENEESKUNDE AAN DE RIJKS-UNIVERSITEIT
TE UTRECHT, OP GEZAG VAN DEN RECTOR-MAG-
NIFICUS D R. L. S. O R N S T E I N, HOOGLEERAAR
IN DE FACULTEIT DER WIS- EN NATUURKUNDE,
VOLGENS BESLUIT VAN DEN SENAAT DER UNI-
VERSITEIT TEGEN DE BEDENKINGEN VAN DE
FACULTEIT DER GENEESKUNDE TE VERDEDIGEN
OP DINSDAG31 MEI 1932 DES NAMIDDAGS TE 4 UUR
DOOR
ARTS
GEBOREN TE UTRECHT
KEMINK EN ZOON N.V. ^ OVER DEN DOM - UTRECHT
BIBLIOTHEEK DER
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT.
J! -
i^H'-y-.quot;
■ gt;-
•J
■U '4
-ocr page 11-aan mijn moeder
aan de nagedachtenis van mijn vader
-ocr page 12- -ocr page 13-Het verschijnen van dit proefschrift is mij eene aanleiding U, Hoog-
leeraren, Oud-Hoogleeraren en Docenten der Medische Faculteit der
Utrechtsche Universiteit, mijnen dank te betuigen voor het onderwijs
van U ontvangen.
Hooggeleerde Professor B ij 1 s m a, Hooggeachte Promotor. Met
beide handen grijp ik deze gelegenheid aan, uiting te kunnen geven
aan mijne dankbaarheid voor Uw hartelijken steun en Uwe warme
belangstelling, die Gij mij hebt willen schenken. Gij waart immer be-
reid, met Uwe groote kennis en ook met Uwe practische hulp, zonder
eenige beperking, de jongeren, die onder U werkten, ter zijde te staan.
Dit alles, gevoegd bij den vriendschappelijken geest, die in het Phar-
macologisch Laboratorium onder Uwe leiding heerscht, heeft den tij'd,
dien ik aan dit onderzoek heb besteed, tot een bijzonder gelukkigen
voor mij gemaakt.
Hooggeleerde Professor W i n k 1 c r, de belangstelling, die ik van
U bij dit onderzoek heb mogen ondervinden en de belangwekkende
gesprekken, die Gij dikwijls tegen mij hebt gevoerd, blijven mij eene
kostbare herinnering.
U, Hooggeleerde Professor Bouman, betuig ik mijne groote
erkentelijkheid, dat eenige praeparaten in Uw laboratorium mochten
worden gemaakt, en Gij mevrouw Boelman en mij toestondt, in
het maken daarvan eenige vaardigheid bij U te verkrijgen.
Tot eene groote vreugde reken ik het mij. Zeergeleerde Ie H e u x,
dat ik U hier mag danken, niet alleen voor de groote bereidwilligheid,
waarmede Gij steeds, mij Uwe zeer gewaardeerde hulp verleende, maar
ook voor de vriendschap, die ik steeds van U mocht ontvangen.
Zeergeleerde de K 1 e y n. Uw opwekkend voorbeeld en Uwe har-
e ijke aanmoediging zijn voor mij van groot belang geweest, en ik
oh)i U daar ten zeerste dankbaar voor.
Zeergeleerde H o n d e 1 i n k cn ook Gij, waarde T o x o p é u s,
dank ik voor Uw vriendschappelijke belangstelling en hulp.
pergeleerde F r e n k e 1, U ben ik ten zeerste erkentelijk voor de
hulp, die Gij mij bij de secties hebt willen verleenen.
Zeer geachte Mevrouw Boelman-Casoar^TT. u •
medewerking en Uw groote werkia-acl. «eUe^ « oX
U tir quot;nbsp;Uw viendsch p b
u, ook h,er nog eens, mijn zeer hartelijken danknbsp;®
Zeer geachte Mejuffrouw Postel, voor al Uwe zorgen bii het
Aan U allen, waarde I m h o f, K 1 o m p e n h o u w e r Hee.
INHOUD
Hoofdstuk I. Diabetes Insipidus................1
Hoofdstuk II. Anatomie van hypophysis en tuber
Hoofdstuk III. Experimenteele polyurie......40
Hoofdstuk IV. Werkmethoden en algemeeneuitkomstennbsp;52
Hoofdstuk V. Eenige onderzoekingen bij normale
Hoofdstuk vi. Onderzoek bij honden met permanente
Hoofdstuk VII. Onderzoek bij eenige andere geope-
reerde honden.........122
Hoofdstuk viii. Bespreking der verschijnselen bij honden
met experimenteele polyurie ....nbsp;135
Samenvatting...............158
-ocr page 16-IniiftliiTfiiiirquot;'' tT'^.-'Ä-tt- % 1 ï .nbsp;' quot;quot;
p.- .
Ipv-quot;quot;-:^'
Vnbsp;t
HOOFDSTUK I.
Diabetes Insipidus.
Aan dit onderzoek over experimenteele polyurie dient vooraf te
gaan een bespreking van den menschelijken diabetes insipidus, zijn
verdeeling in verschillende vormen en de symptomen daarbij waar-
genomen, om later de verschijnselen, die zich voordoen bij de experi-
menteele polyurie, daarmede te kunnen vergelijken.
De menschelijke polyurie, waarbij constant veel urine van lage
concentratie wordt uitgescheiden, terwijl geen andere ziekten, speciaal
geen anatomische nierafwijkingen, hiervoor aansprakelijk gesteld
kunnen worden, zijn reeds van ouds verdeeld in diabetes insipidus en
pnniaire polydipsie. De eerste kan sinds de onderzoekingen van
Veil onderverdeeld worden in een hypochloraemischen en een
nyperchloraemischen vorm. De primaire polydipsie zou een in
ootdzaak door psychische stoornissen veroorzaakte neiging tot ab-
normaal groot waterverbruik zijn, waardoor secundair de polyurie
veroorzaakt wordt, terwijl de diabetes insipidus (ik ga vooreerst niet
op de vele beschouwingen over zijn aetiologie noch op de verschil-
lende overgangsvormen in) niet berust op psychischen grond.
Dat de diagnose primaire polydipsie in de oudere literatuur op
zeer onvolledige gronden werd gesteld, toonde Ellern') in 1913
aan, waarbij hij duidelijk bewees, dat geen van de vijf belangrijkste
verschillen met primaire polyurie staande waren te houden.
Om tot een beter inzicht hierin tc komen, begon Veilquot;) in 1916,
m samenwerking met R e g n i e r '), den invloed te onderzoeken, die
opname van abnormaal groote hoeveelheden water, gedurende länge-
ren tijd achtereen, op een normaal individu had, dus met het op-
wekken van
J V -Vquot;'nbsp;P8-
3 p 'nbsp;f- klin. Med. 1916, Bd. 119, pg. 376.
) Rcgnicr, Zcitschr. f. cxp. Pathol, u. Thcrap. 1916, Bd. 18, pg. 139.
-ocr page 18-Experimenteele Polydipsie.
Hij vond hierbij een aantal veranderingen, die, naar zijn meening
geheel overeenkwamen met wat hij vond bij de gevallen van primaire
Polydipsie en eerder tegengesteld aan die bij diabetes insipidus waren
terwijl hij tevens, op grond van de opgemerkte bijzonderheden een
theorie over het dorstgevoel bij overmatig waterverbruik en het voort
bestaan daarvan opstelde. Op grond van deze overeenkomst tusschen
experimenteele polydipsie en primaire polydipsie zou mèn in deze
laatste mets anders moeten zien dan een door zeer uiteenloopende
oorzaken begonnen abnormaal waterverbruik, dat secundair polvurie
veroorzaakt en in zichzelf door die veranderingen de oorzaak voor
het voortbestaan draagt. Door psychischen invloed zou dezen circulus
vitiosus te doorbreken zijn en zou genezing kunnen volgen
Daar het echter moeilijk is de conclusies van V e i 1 geheel te
onderschrijven, zullen we de symptomen bij deze experimenteele poly-
dipsie nader moeten beschouwen. Veil constateert nu bij de expe-
rimenteele polydipsie o.a. het volgende: op drinkdagen bestaat een
toename van den renalen ten opzichte van den extra-renalen wateraf-
voer; de N-balans is in evenwicht, de NaCl-balans is sterk negatief-
door dit laatste reageert de proefpersoon op een NaCI-toelage als
een zoutarm gevoed mdividu, d.w.z. met geringe urineuitscheiding
retentie van NaCI, vermeerdering van lichaamsgewicht, terwijl s^
A en NaCl-concentratie van de urine verhoogd zijn; bij beperking
van de watertoevoer worden urinehoeveelheid, s.g., A en NaCl con
centratie van de urine normaal (doch hierbij dient vermeld te worden
dat de urinehoeveelheid den eersten dag procentsgewijze veel minde^
daalt dan de wateropname); het serum-NaCl is normaal, doch stiict
bij wateronttrekken; het bloed is iets ingedikt, hetgeen toeneemt bii
wateronttrekken; in het bloed is een ophooping van osmotisch wer-
kende stoffen te constateeren, hetgeen zich uit in een vermeerderde
vriespuntverlaging (slechts op één dag) en een sterke verhooging van
het totale aschgehalte van het bloed. Daar bij de proefpersoon al
spoedig lederen morgen een kwellend dorstgevoel aanwezig was komt
Veil nu tot de opvatting, dat bij dezen overigens normalen perron
waar noch waterverarming van het lichaam, noch zoutrijkdom van
het voedsel de oorzaak van den dorst kan zijn, deze geacht moet
worden in de, door de sterke doorstrooming vanuit de depóts naar
het bloed vervoerde, osmotisch werkzame stoffen. Hoewel, gezien
de negatieve NaCl-balans, steeds een groot gedeelte van deze stoffen
wordt uitgescheiden, blijkt toch uit de veranderingen in het bloed,
dat nog veel daarin achterblijft. Op normale drinkdagen is het asch-
gehalte te hoog en de vriespuntverlaging van het bloed slechts weinig
gewijzigd, bij beperking van de wateropname de totale asch weer
wemig hoog en de vriespuntverlaging vergroot. Daarom moeten we
volgens Veil tevens aannemen, dat bij ongelimiteerde wateropname
deze stoffen overwegend van mineralen aard, bij beperkten water-
toevoer van nièt-mineralen aard zijn. Deze theorie voor het dorst-
gevoel schijnt op het eerste oog wel erg gezocht te zijn en deze
indruk wordt nog versterkt, indien we de tabellen zelf nauwkeurig
bestudeeren. En nog bezwaarlijker wordt het om veel waarde aan
deze theorie te hechten wanneer, in een onderzoek van S t r a u s s '),
die deze proef van V e i 1 en R e g n i e r drie maal herhaalde, slechts
eenmaal bij waterbeperking een stijging in de moleculaire concen-
tratie van het bloed te constateeren valt, terwijl deze stijging bij de
andere twee proeven ontbrak en ook op de gewone drinkdagen nooit
voorkwam. De droogrest van het bloed was tevens normaal of iets
verlaagd. In zooverre klopt dit met de theorie van Veil, dat
, P'quot;°^fpersonen nu inplaats van dorst juist een afkeer van drinken
adden, maar als de dorst niet bestaat kan ook de dorsttheorie ver-
vallen. Verder vindt Strauss een bloedverdunning en meestal
een verhoogden extra-renalen afvoer. Zijn andere uitkomsten stemmen
evenwel overeen met die van V e i 1, zoo b.v. het niet verlaagd zijn
van het serum-NaCl.
^Ook de verschijnselen bij watervergiftiging, zooals die b.v. door
1 s a w abeschreven worden, zijn niet met deze theorie in over-
eenstemming. Onder vele andere bijzonderheden constateerde M i s a-
^ IJ konijnen die hij veel water per os gaf, dat in het serum een
er aag gehalte aan anorganische zouten en een verlaagde mole-
culaire concemratie bestond.
Wochcnschr. 1922, Halbj. i, pg. 1302.
) M I s a w a, naar referaat in Jap. Journ. of Pharmac. Dcc. 1928, pg. 36.
We zullen dus slechts kunnen vaststellen, dat bij experimenteele
polydipsie:
een negatieve NaCl-balans bestaat;
dat bij wateronttrekken de urinehoeveelheid, s.g., A en NaCl-con-
centratie direct of spoedig normaal worden;
het serum-NaCi normaal is en niet verlaagd (behalve volgens M i-
sawa?).
Noch het dorstgevoel, noch de bloedveranderingen, die hiervan de
oorzaak zouden zijn, kunnen we als bewezen beschouwen. Evenmin
den procentsgewijze verhoogden renalen afvoer en de bloedindikking.
Toch bhjft Veil, ook onder aanhaling van S t r a u s s, steeds ge-
bruik maken van de vaststaande „Übermineralisierung» van het bloed
bij experimenteele polydipsie.
Trachten we Veil nu verder te volgen in zijn betoog, dat de
experimenteele polydipsie gelijk is aan de
primaire Polydipsie,
dan doen zich hier weer feiten voor, die duidelijk doen zien, dat zijn
conclusie, hoe fraai ook om op verder te werken, allerminst be-
^^nbsp;^^ ^^^nbsp;Polydipsie
een NaCl-balans die in evenwicht is (dus tegengesteld als bij experi-
menteele polydipsie), met alle gevolgen die dat heeft voor de reactie
op een NaCl-toegift, n.l.: géén retentie van NaCl, dat uitgescheiden
wordt met behulp van meer urine van vrijwel dezelfde lage con-
centratie, óf door evenveel urine als vorige dagen met verhoogde
concentratie. Hieruit trekt Veil slechts de conclusie, dat de reactie
op een NaCI-toegift niet als onderscheidingskenmerk mag gebruikt
worden tusschen primaire polydipsie en primaire polyurie (dat n 1
bij de eerste géén urinevermeerdering, bij de tweede wèl urinever-
meerdering zou plaats hebben). Het verschil dat hier echter optreedt
tusschen experimenteele polydipsie en primaire polydipsie stelt hij
terzijde onder het uitspreken van de hoop, dat dit, met inachtnemen
van individueele verhoudingen, later duidelijker zal worden. Het is
natuurlijk zeer waarschijnlijk, dat ook de experimenteele polydipsie
bij langer bestaan een in evenwicht zijnde NaCl-balans gaat ver-
toonen, maar we dienen in het oog te houden, dat Veil aan het
bewijzen is, dat de symptomen van beide overeenstemmen. Ook de
ophooping van osmotisch werkende stoffen in het bloed, die Veil
vond bij zijn experimenteele polydipsie, is bij de primaire polydipsie
onder vergelijkbare omstandigheden nauwelijks te vinden, al meent
Veil het tegendeel. Daar uit het bovenvermelde onderzoek van
Strauss blijkt, dat dit symptoom toch al reeds niet als vaststaand
bij de experimenteele polydipsie kan worden beschouwd, is het niet
noodzakelijk tabel voor tabel zijn uitkomsten bij de primaire poly-
dipsie te gaan ontleden. Het serum-NaCI blijkt normaal of verhoogd
te zijn en het bloed is ingedikt of normaal. quot;Wat tenslotte gebeurt bij
waterbeperking kunnen we samenvatten met te zeggen, dat urine-
hoeveelheid en concentratie meer op normaal gaan gelijken. Later
zullen we dit belangrijkste punt nog nauwkeuriger moeten be-
schouwen.
We hebben nu gezien, dat een aantal symptomen, door Veil
voor de overeenkomst tusschen experimenteele- en primaire poly-
dipsie aangevoerd, niet zijn bewezen, zoodat hier dus weinig reden
bestaat voor de heerschende opvatting over primaire polydipsie. Als
aatste redmiddel grijpen we nu naar anamnese en sectieverslagen
van de gevallen van primaire polydipsie, om tenminste daarin te
Vinden de zeer uiteenloopende oorzaken en psychische stoornissen die
het abnormale waterverbruik veroorzaken. En ook hier weer stuiten
we op onduidelijkheid. Hoewel men bij den diabetes insipidus, naast
len van cercbalen oorsprong, ook een idiopathischen diabetes insipidus
aanneemt (d.w.z. dat men ook hier wat de aetiologie betreft in het
uister verkeert), doet dit schijnbaar niets af aan de scherpe scheiding
tegenover primaire polydipsie. Bij deze laatste komen echter naast
vele waarschijnlijkheidsoorzaken als veel drinken na zweetverlies,
na infectieziekten van de keelholte, bij alcoholici, imbecillen, enz., ook
^nedeltrauma, lues cerebrospinalis, enz. in de anamnese voor. Maar
^' 1 zegt b.v. ergens, dat het een „verführerische Vorstellungquot; is
e vragen, of deze ziekten in de laatste gevallen met het uitbreken van
de primaire polydipsie iets te maken hebben.
n nu de sectieverslagen. Hoewel mij natuurlijk vele gegevens
zu en ontgaan zijn, heb ik toch een groot aantal diabetes insipidus-
gevallen m de literatuur nagezocht. Slechts één sectie van een primaire
polydipsie heb ik kunnen vinden bij Ellern met de volgende
uitkomst: een achterlijke man met longtuberculose, adenocarcinoom
van den dikken darm. een oude cyste in de hersenen aan de basis van de
hnker lenskern die in het niveau van het chiasma verdwenen is
waarschijnhjk het residu van een oude hersenbloeding tengevolge van
cerebra e lues. De polyune trad op, toen hij op zijn ^ jaar een
hemiphlegie met epileptische aanvallen had. Geen andere sectiever-
slagen, dus ook met met negatieve uitkomsten, zijn mij opgevallen.
Dan de genezing door psychische invloeden. Het blijkt, dat som-
mige gevallen van primaire polydipsie, mede met eenigen goeden wil
van den patiënt, door replmatig beperken van de wateropname en
psychische therapie geheel genezen kunnen worden. Door het behou-
den concentratievermogen en het dientengevolge uitblijven van alle
symptomen die b, slecht concentreeren en beptking van de water!
opname zouden ontstaan is deze mogelijkheid wel te begrijpen. Maar
mag dit als bewijs gelden van zijn psychischen aard? Bij andere
primaire polydipsieen was echter genezing langs psychischen weg niet
gelukt. Dit wil dus zeggen dat, als achteraf de uitkomst gunstig is
men spreekt van pnmaire polydipsie, maar dit niet kan uitsluk n
indien de behandehng geen succes heeft. Abstinentieverschijns en
doen zich ook al of met bij primaire polydipsie bij het beperk n van
den watertoevoer voor. zooals b.v. V e i 1 vermeldt, terwijl het be-
kende symptoom dat bij temperatuursverhooging de ho ve h id
urine minder wordt en de concentratie van de urine toeneemt ook
bij primaire polydipsie is te constateeren. Ook pituitrine-inj ctLs
kunnen bij primaire polydipsie een gunstige werking hebben, ooa
Bauer') beschr^t m een artikel, waarin ook hij vergeefsch zoek
naar een goede differentiaal-diagnose voor primaire polydipsie
Samenvattende kunnen we dus aangaande de z.g. primaire poly-
dipsie zeggen, dat:nbsp;^ ^
deze misschien soms van psychischen aard is-
de uitgebreide overeenkomst met experime'nteele polydipsie en de
tegenstelling met diabetes insipidus zooals Veil die Lh denk
met bewezen is (want later zullen we bemerken dat de svrn^
tomen die vast staan ook bij diabetes insipidus kunnen voorkoS'
de NaCl-balans evenals de N-balans in evenwicht is;
•) Bauer, Wiener Arch. f. klin. Med. 19.5, Bd. „. pg. ,oz.
-ocr page 23-bij beperking van de wateropname de hoeveelheid urine en de con-
centratie van de urine meer of minder vlug normaal worden en
dat dus het concentratievermogen intact is;
het NaCl van het serum waarschijnlijk nooit verlaagd is;
het watergehalte van het bloed normaal of verlaagd is;
de ophooping van osmotisch werkende stoffen in het bloed in het
geheel geen duidelijk en constant verschijnsel is;
terwijl er tenslotte nog op gewezen wordt, dat het lichaamsgewicht
hij beperking van de wateropname meestal daalt, nooit echter
stijgt.
Op welke gronden heeft men nu verder de scheidingslijn getrokken
tusschen primaire polydipsie en
Ook hier vinden we in de opvattingen van Veil en E r i c h
^ e y e r moeilijkheden. Reeds velen hebben op onjuistheden in hun
indeehng gewezen. Als tegenargument wordt dan aangevoerd, dat de
aangehaalde voorbeelden in de verkeerde groep zijn gerangschikt.
Teckenend mag dit wel zijn, dat anderen steeds groote moeite hebben
nun gevallen in het gebruikelijke schema op de juiste plaats onder
te brengen.
Als belangrijk verschil tusschen diabetes insipidus en primaire poly-
dipsie stond het concentratievermogen van de nier wel op de eerste
plaats. T a 11 q u i s t was de eerste die constateerde, dat de hoeveel-
eid urine bij diabetes insipidus afhangt van de hoeveelheid opgeno-
men NaCl en N en dat een dieet, dat arm is aan deze stoffen, een
^rmindering van de hoeveelheid urine ten gevolp had, terwijl s.g..
en NaCl-concentratie stabiel laag bleven. Hij zocht daarom de
^^wijking in de nieren, evenals Meyer '), die een stoornis ziet in
e moleculaire conccntratiebreedte, zoowel in de dagelijksche 24-uur-
Porties als b.v. bij een NaCl-belasting. Voor diabetes insipidus geeft
IJ an ook ter onderscheiding van primaire polydipsie aan, dat in
et laatste geval, evenals bij normale individuen, op een NaCl-belas-
ting procentsgewijze een sterkere toename van A in de urine, dan
een toename van de hoeveelheid urine te constateeren valt. Bij dia-
') E. Mcycr, Dtsch. Arch. f. klin. Mcd. 190J, Bd. 83, pg. i.
-ocr page 24-betes insipidus evenwel bestaat onder deze omstandigheid procents-
gewijze een sterkere toename van de hoeveelheid urine dan van de
A. Hierbij stijgt de concentratie van NaCl in de urine wel eeniger-
mate, maar dit zou geschieden ten koste van de achloriden, waaruit
de geringe veranderingen in A zouden resulteeren. Toch ziet ook
hij reeds in afzonderlijke uur-porties hoogere concentraties dan in de
24-uur-porties, evenals dit bij koorts kan voorkomen en ook na
toediening van theocine. Maar desniettegenstaande meende hij, dat een
stoornis in de functie van de nier, die geen geconcentreerde urine kan
leveren, bij diabetes insipidus vaststaat als oorzaak van de polyurie,
terwijl de polydipsie secundair is. Voor we verder gaan dienen we
echter eerst te bespreken welke stoffen in het spel zijn als er van
een concentratiestoornis sprake is. T a 11 q u i s t en M e y e r meen-
den uit hun proeven te kunnen constateeren, dat dit zoowel het NaCl
als de N gold en niet de phosphaten. Dat de NaCl-concentratie be-
moeilijkt kan zijn hebben alle onderzoekers steeds bevestigd en dat
de phosphaten zonder stoornis worden uitgescheiden is o.a. door
Ling en Woo') met lang geleden nog eens bewezen. Wat echter
de stikstof betreft, deelt men niet meer de opvatting van de beide
eerstgenoemden. Het onderzoek van S t e n s t r ö m (evenals o.a.
Lichtwi tz^') ) heeft vastgesteld, dat een toegift van N aan een
diabetes insipidus-patiënt, die vooraf zoutarm gemaakt is, geen toe-
name van de polyurie veroorzaakt, terwijl zoowel de procentueele
stikstof- als de totale stikstofuitscheiding in de urine stijgt. Bij
Tallquist en Meyer is waarschijnlijk de sterkere polyurie
na een N-toegift veroorzaakt door moeilijkheden met de gelijktijdige
NaCl-uitscheiding.
Is er dus een concentratiestoornis, dan neemt men aan, dat deze
het NaCl betreft. In den laatsten tijd echter wijst M a i n z e r
er op, dat de centrale rol van het NaCl niet vaststaat, daar ook de
concentratie van bicarbonaat gestoord zou zijn.
Zooals wij zagen merkte M e y e r reeds op, dat de concentratie-
') Ling en Woo, The Nat. Med. J. of China 1930, Vol. XVI
2)nbsp;Stens tröm, Endocrinology, 1922, Vol. VI, pg. 365nbsp;'
3)nbsp;Lichtwitz, Arch. f. exp. Pathol. u. Pharmak.quot; ,91,', Bd 6c ne ,.8-
Dtsch. Arch. f. klin. Med. 1914, Bd. 116, pg. 127.
Mainzer, Arch. f. exp. Pathol. u. Pharmak. 1931, Bd. 160. pg. 461.
-ocr page 25-stoornis niet steeds duidelijk aanwezig was, waarna F i n k e 1 n-
burg ') twee gevallen van diabetes insipidus na organische hersen-
ziekte beschreef met vrij goed concentratievermogen (s.g. van 1012
en 1020, NaCl-procent van 0,80 en 0,77). De begrijpelijke vraag
werd hierop gesteld of het wel diabetes insipidus geweest was.
Forschbachquot;) wilde verschil gemaakt zien tusschen absoluut en
relatief concentratievermogen; het eerste is dan de hoogte waartoe
geconcentreerd kan worden en het tweede de procentueele toename
van de concentratie. Het relatieve concentratievermogen zou intact
zijn, het absolute zou verlaagd zijn, hetgeen door de polyurie ver-
klaarbaar zou zijn.
In 1918 schrijft Veil') tenslotte, dat het verminderde concen-
tratievermogen een constant symptoom bij den diabetes insipidus is,
hoewel in zeer verschillende mate en ook in éénzelfde geval afwisse-
lend in tijden van sterke en tijden van nauwelijks herkenbare concen-
tratievermindering. Erich Meyer schijnt het hiermede eens te
zijn. Deze uitspraak heft de tegenstellingen over deze kwestie bij den
diabetes insipidus op, maar is funest voor het toch al zoo moeilijke
onderscheid tusschen diabetes insipidus en primaire polydipsie.
Bij den diabetes insipidus is dus zeer vddk een stoornis van het
NaCl-concentratievermogen in de urine te constateeren; maar het
concentratievermogen behoeft niet stééds gestoord te zijn, terwijl het
bij de primaire polydipsie stééds normaal is.
Zijn er dan andere duidelijke onderscheiden tusschen diabetes insi-
pidus en primaire polydipsie? Reeds eerder hebben we gesproken over
het reageeren op een NaCl-toegift. Het verschil in de wijze van rea-
geeren wil men soms verklaren uit den waterrijkdom van de weefsels.
Zijn deze normaal waterrijk, dan ontstaat een bloedverdunning door
instroomen van weefselvloeistof, terwijl de NaCl-spiegel in het bloed
ongeveer normaal blijft (physiologische reactie). Zijn de weefsels
echter waterarm, dan stroomt er weinig water naar het bloed en er
ontstaat een hoogen NaCl-spiegel in het bloed die het dorstgevoel zou
unnen veroorzaken (pathologische reactie). Het gaat echter niet op
Finkclnburg, Dtsch. Arch. f. klin. Mcd. 1910, Bd. 100, pg. 33-
3nbsp;Ztschr. f. klin. Mcd. 1913, Bd. 77. PS-
) Veil, Bioch. Zcitschr. 1918, Bd. 91. pg. 317-
-ocr page 26-lO
om bij de primaire polydipsie steeds een physiologische reactie te
verwachten en bij den diabetes insipidus een pathologische. We heb-
ben reeds eerder gezien, dat Veil ook primaire polydipsie zag
reageeren op een NaCl-belasting met polydipsie en polyurie
Leschke') vat het gedrag van de primaire polydipsie, ook ten
opzichte van een NaCl-toegift, als volgt samen: „Bei der nervösen
Polydipsie kann bei freigewählter Wasserzufuhr die Ausscheidung
einer Salzzulage ebenso wie beim Diabetes Insipidus-Kranken zu einer
vermehrten Wasseraufnahme und -Abgabe führen (infolge des ver-
stärkten Durstreizes), wird jedoch bei Beschränkung der Wasser-
zufuhr ohne Beschwerden ebenso konzentriert und rasch ausgeschie-
den wie beim Gesundenquot;.
Om een duidelijk beeld te geven op welke wijze Veil tenslotte
tracht het onderscheid vol te houden, wil ik het gedrag van drie
gevallen bij beperking van den watertoevoer weergeven, zooals die
door hem zelf beschreven zijn. Hierbij noemt hij de eerste primaire
polydipsie, de derde hypochloraemische diabetes insipidus, terwijl de
tweede experimenteele polydipsie is. (Tabel i.)
Om te verduidelijken, dat bij patiënt M. diabetes insipidus (hypo-
chloraemische) moet aangenomen worden, schrijft Veil- Könnte
man nach der hohen molekularen Gesammtkonzentration dës Urins
zweifeln ob wir es hier nicht überhaupt mit einer primären Poly-
dipsie zu tun haben, so weist erstens die Diskrepanz zwischen der
auch im Durstversuch bestehen bleibenden Polyurie und dem kon-
stant bleibenden Wasserstand darauf hin, dasz hier ein Verhältnis
vorhegt, dasz dem bei der experimentellen Polydipsie beobachteten
entgegengesetzt ist, zweitens aber verändern sich auch im inter-
mediären Stoffwechsel die Dinge in diesem Fall im umgekehrten
Verhälltms zu dem der Polydipsiequot;.
Ik weet niet of de experimenteele polydipsie, die in deze ver
klaring ineens opduikt, de bedoeling was, maar daar Veil de
primaire- en experimenteele polydipsie gelijk vindt en het hier gine
om de differentiaal-diagnose tegenover primaire polydipsie zal het
wel geen bezwaar zijn de vergelijking ook met de primaire Polydipsie
voort te zetten. Vergelijken we nu III met I, dan blijkt direct, dat
') Lcschkc, Ztschr. f. klin. Med. 1919. Bd. 87, pg. 201.
-ocr page 27-TABEL 1.
Pat. B. Primaire Polydipsie (door VEIL beschreven in 1916)
I 1. IV begin van de waterbeperking.
II
. O
'S e
U
0
z
Z
O
Na Cl 7,
8. g.
0.66
0.60
9.26
8.98
8.77
9.ii
9.01
3300
3000
2150
1400
1500
16.81
16.50
12.69
7.00
7.65
1007
1008
1009
1010
1014
0.58
0.59
0.77
0.90
1.12
0.49
0.52
0.58
0.43
0.47
16.17
15.60
12.47
6.00
7.05
0.51
0.55
0.59
0.50
0.51
0.62
II.
m
Experimenteele Polydipsie (door veil beschreven
10. XII begin van de waterbeperking.
1916)
|
6750 |
84.3 |
5200 |
1004 |
0.44 |
0.42 |
21.89 |
0.26 |
13.42 |
7.03 |
0.56 |
_ |
|
6750 |
83.7 |
4700 |
1006 |
0.50 |
0.48 |
22.55 |
0.32 |
13.99 |
7.10 |
— |
— |
|
2550 |
83.7* |
2400 |
1015 ' |
1.20 |
1.02 |
24.43 |
0.62 |
14.78 |
7.10 |
0.57 |
0.71 |
|
2550 |
83.0 |
1300 |
1020 |
1.64 |
1.25 |
21.32 |
1.18 |
15.34 |
7.29 |
0.61 |
0.63 |
|
2550 |
82.8 |
1500 |
1021 |
1.82 |
1.32 |
19.83 |
1.24 |
18.60 |
7.39 |
— |
— |
III- Pat. M. Hypochloraemische diab. ins. (door veil beschreven in 1918)
'0. III begin van de waterbeperking.
|
8. Ill |
5000 |
69.7 |
|
9. III |
5000 |
69.5 |
|
10. UI |
2400 |
69.8» |
|
11. Ill |
3200 |
69.2 |
|
12.11! |
2200 |
69.5 |
*
**
***
0.46-0.490.409-0.515
0.42-0.520.445-0.515
6.14
5.18
4.15
0.54
0.52
0.58
0.57
0.89-0.98
0.73-1.4
orgen bepaling, du, gewicht voor het begin van de wnterbeperking.
aangegeven in verschillende afz. porties, waarvan ik hier de uitersten vermeld.
oor de waterbeperking zeer slechte voedselopname. hetgeen dus belangrijke invloed
op de cijfers had.
1.02-1.18
0.796-1.21
0.8 -1.190.772-1.15
24.400.117
20.720.119
33.860.134
23.030.134, 3.28
20.580.200 4.40
7.24-7.63
7.76
7.50
52501005—1006**
43501003—1006
31001010-1012
24501006—1014
22001009-1016
het onderscheiden niet makkelijk is, indien we ons alleen aan de
concentratie of aan de snelheid waarmede de urinehoeveelheid nor-
maal wordt (gelet op in- en uitvoer van water) willen houden en
dat we dus in de richting moeten zoeken als Veil hier aangeeft.
Dan is het een feit dat in III het lichaamsgewicht stabieler isquot; dan
in I (welke laatste echter slecht at, terwijl het verschil met II al niet
200 bijzonder groot meer is). Wat de intermediaire stofwisseling
betreft is inderdaad een duidelijk verschil in niveau zichtbaar, n.1.
een laag serum-NaCl bij den hypochloraemischen diabetes insip'idus.'
Het is echter jammer, dat deze hypochloraemie in zeer vele gevallen
niet aanwezig is, zoodat M e y e r zelfs liever spreekt van normo-
chloraemischen diabetes insipidus. Ook in het watergehalte van het
bloed is verschil, maar de omgekeerde verhouding waarin deze
niveaus zich veranderen is mij minder duidelijk (— beteekent: niet
onderzocht). Het doet natuurlijk niets ter zake, dat van patiënt M
een tweede dorstproef bestaat waarin veel minder sterk geconcen-
treerd werd. Hieruit kan men slechts constateeren hoe voorzichtig
men met zijn uitkomsten moet zijn. Ter voorkoming van onduidelijk-
heid wordt er nog op gewezen, dat we in dit geval slechts de diffe-
rentiaal-diagnose tegenover de hypochloraemische diabetes insipidus
bespraken; de hyperchloraemische is door zijn andere symptomen
veel gemakkelijker te onderscheiden.
Voor we nu deze overwegingen samenvatten en komen tot wat we
dus eigenlijk als onderscheid tusschen primaire polydipsie en diabetes
insipidus mogen aannemen, zullen we, om niet in herhaling te moeten
vervallen, eerst voortgaan met het verschil tusschen den
hypochloraemischen en den h y p e r c h l o r a e m i-
s c h e n diabetes insipidus.
Ter verduidelijking van deze indeeling volgt hier eerst een samen
vattende tabel (Tabel 2) van twee gevallen van hyperchloraemischen
en twee gevallen van hypochloraemischen diabetes insipidus welke
Vei (in 1918) samenstelde in zijn stuk, waarin hij deze indeelin-
voor het eerst maakte. Ik voeg er dan tevens de uitkomsten over^
genomen van de tabellen uit de onderzoekingen van Veir(i9i6)
over twee gevallen van primaire polydipsie, bij. Wel dient men bi
deze tabellen er aan te denken, dat de uitkomsten niet altijd strik
vergelijkbaar zijn, daar Veil de eene maal slechts waarden van
24-uur-porties gebruikt, de volgende malen weer bepalingen in af-
zonderlijke porties neemt, terwijl de omstandigheden van de proeven
ook nooit geheel gelijk zijn gehouden. In het algemeen kan geacht
worden, dat de waarden bij gemengden kost afkomstig zijn van
24-uur-porties, terwijl de waarden bij dorstproef en pituitrine-injectie
stammen van meer of minder afzonderlijke porties. Ook ben ik zoo
vrij geweest daar, waar de getallen niet kloppen met zijn afzonder-
lijke tabellen, het in de laatsten vermelde getal erin te plaatsen.
De conclusies van V e i 1 uit deze vier gevallen van diabetes insi-
pidus getrokken, volgen hierna (Tabel 3), waarbij tevens is bijge-
voegd de aanvulling en critiek door hemzelf geleverd in 1925 '),
waarin hij drie nieuwe verschillen (10, ii en 12) noemt, die niet
gebaseerd zijn op de vier in tabel 2 beschreven gevallen.
De bedoeling die Veil had, was, daar aetiologie en Pathogenese
nog onbekend zijn, door het samenvatten van de verschillende symp-
tomen misschien tot een beter inzicht te komen in de stofwisselings-
stoornissen, die bij den lijder aan diabetes insipidus op velerlei wijzen
tot uitmg komen. En het is zeker een groote verdienste van hem
geweest, dat op deze wijze een duidelijker begrip van den samenhang
der symptomen kan ontstaan. Doch tevens heeft dit het gevaar, dat
men zich doodstaart op een op onvoldoende grondslagen gebaseerd
schema en men zich daar steeds verder in verstrikt. Want beschouwt
men nu tabel 2 en vervolgens de conclusies die daaruit getrokken
werden (Tabel 3 behalve 10, 11 en 12), dan ziet men, dat de schei-
dingslijn toch op sommige plaatsen wel zeer kunstmatig is. Dit blijkt
»•V. uit het volgende. Eigenlijk het meest markante verschil tusschen
den hyper ~ en den hypochloraemischen vorm is de moleculaire con-
centratie van het bloei wat ook Veil eenigermate vindt door er in
Ï918 zelfs een kleine hypothese op op te bouwen. In 192J beschrijft
U echter een geval met duidelijke hypochloraemie en verschillende
symptomen van dien vorm, waarbij echter de moleculaire concen-
tratie van het bloed normaal is, vandaar dat dit symptoom in het
overzicht van 1925 voorkomt met de aanteekening „niet steeds gel-
Veil, Dtsch. Arch. f. klin. Med. 1915. Bd. 149. pg- 289-
-ocr page 30-TABÊ^
DIABETES INSIPIDUS
HYPERCHLORAEMISCHE DIABETES INSIPIDUS
PRIMAIRE POLYDIPSIE
__Mechler
Eyder
Pat.:
Wendling
Berenbach
Schwarzenbachei
Firer
b)nbsp;in dorstproef
c)nbsp;in aansluiting aan dorst-
proef pituitrine inspui-
ting met weinig H..,0
I. Algemeene waterbalans Tan het organittne
a) bij gemengde kost
labiel; dagel. gewichtsschom-
melingen tot 700 gr.
in 48 uur 2.3 KG. verlies
in 48 uur 3.36 KG. toename
dan verlies van 1.9 KG.
labiel; dagel. gew. schomiö'
lingen tot 1000 gr.
in 46 uur 5.2 KG. verlies
48 uur 1.8 KG. toenaflquot;
m
-nbsp;i.v/ rvvj. IOC
dan verlies van 0.4 KG.
™ehngcn tot 300 gr.
in 48 uur 0.3 K.G. 'verlies
stabiel; dagel. gew. schom-
melingen tot 300 gr.
in 48 uur 1.2 K.G. toename
in 48 uur 0.4 K.G. verlies
dan afgebroken
dagel. gew. schom-
melingen tot 400 gr.
in48uur2.3KG.Ter-
lies (at slecht)
dagel.gew.schom
mel. tot 800 gr.
II. Waterrijkdom van het bloed
± 8 % serum eiwit matig
verlaagd
tot 8.47 °/o serum eiwit matig
verlaagd
toename tot 6.2 quot;/oi dan labiel
a)
b)
c)
labiel; balansfouten tot 4 gr.
als a
sterke NaCl retentie tot water-
depóts opgevuld zijn
a)
b)
c)
IV. NaCI gehalte van bloed (d.w.z. van scrum)
sterke hyperchloraemie lot 0.7quot;/,
geen toename van hyperchlo-
raemie
daling tot 0.62, dan labiel
a)
b)
c)
8—9 7o serum eiwit matig vlt;'
laagd
tot 10.36 7o serum eiwit ze*
sterk verlaagd
toename tot 8.28 dan labi'quot;
- - ------- ........nbsp;lOt O.^önbsp;d
Iquot;- Algemeene NaCI balans (voor groot gedeelte niet uit tabellen te controleeren)
')nbsp;labiel; balansfouten tot 4 er. labiel; balansfoute.i tot 3 gr
lichte retentie
zeer sterke retentie, dan vfi
wel in evenwicht
0.63 7o = bovengrens v. nquot;'
maal volgens Veil
matige toename tot 0.66 7,
daling tol 0.59
quot;4- ft'/
— serum eiwit
1)nbsp;7.3-7 80,
2)nbsp;tot 8 47 »r
7.4—7 9'
__ * / O
hyperchlorurie
f'ypsrchlorurie
°quot;vcranderd
quot;ormaal 0.59 7
quot;ormaal 0.57-0.597.
7.3—7.5 serum eiwit
lot 8.9 serum eiwit
7.8-8.3 7.
stabiel
iets retentie tot 6 gr.
stabiel
verlaagd 0.51-0.56 7.
verlaagd; hoogstens 0.577,
onveranderd
± 9 '/o serum eiwit
tot 9.47o serum eiwit
stabiel
geen retentie
normaal 0.6
0.64-0.73 7. ver-
hoogd
eerste 2 dagen on-
bekend
6.8 serum ei-
wit
tot 7.4 7o serum
eiwit
zeer labiel
V. Moleculaire concentratie van het bloed
S hoog 0.63—0.64
i 0.67—0.7
daling tot 0.6; dan labiel
___'
A 0.32-0.45
»•g. 1003-1006
NaCl7„ 0.4-0.5
A 0.7—1.4
»•g. 1006—1016
VI. Concentratie breedte van de urine
a)
A 0.5-0.68
s.g. 1001—1006
NaCl% 0.13-0.26
A 0.54-0.9
8.g. 1005-1014
NaC. % 0.32-0.53
A tot 1.8
s.g. tot 1024
NaCI tot 0.85
b)
A 0.24-0.28
»•g. 1000 V,
NaCI 7. 0.12-0.18
A 0.18-0.46
'■«■ tot 1007
l Jaag 0.52-0 53
^ 0.52-0.54
^ tot 0.57
a)
b)
c)
3 hoog 0.63
S 0.68-0.71
daling tot 0.6
NaCI 7, 0.14-0.46
A tot 1.61
a g. tot 1027
NaCI 7. tot 0.73
c)
VII. Theocine werking
geringe werkmg op hyperchloraemie
germge hyperchlorurie en polyurie
geen duidelijke herstelperiode
^ laag 0.5—0.53
^ 0.5-0.52
^ 0.53-0.54
A 0.4-0.57
• g. 1002—1003
NaC17. 0.23-0.27
A 0.44-0.75
»•g. 1005—1010
NaC17, 0.12-0.56
A
5 0.57-0.6
5 0.62
A 0.22-0.73
s g. 1002-1008
NaCI 7. 0.19-0.52
A tot 0.90
s.g. tot 1010
Na CI 7, tot 0.58
S 0.56—0.57
S 0.59
A 0.24-0.31
s.g. 1004-1005
Na C17o 0.26-
A tot 1.4 [0.33
s.g. lot 1019
Na Cl 7. toi 1.4
14
IJ
TABfe
DIABETES INSIPIDUS
HYPERCHLORAEMISCHE DIABETES INSIPIDUS
PRIMAIRE POLYDIPSIE
Mechler
Pat.:
Eyder
Wendling
Berenbach
Schwarzenbache
Firer
b)nbsp;in doratproef
c)nbsp;in aansluiting aan dorst-
proef pituitrine inspui-
ting met weinig H.,0
I. Algemeene waterbalans van het organiame
a) bij gemengde kost
labiel; dagel. gewichtsschom-
melingen tot 700 gr.
in 48 uur 2.3 KG. verlies
in 48 uur 3.36 KG. toename
dan verlies van 1.9 KG.
labiel; dagel. gew. schomio'
lingen tot 1000 gr.
in 4ö uur 5.2 KG. verlies
in 48 uur 1.8 KG. toenaP»
dan verlies van 0.4 KG.
Sn^'nbsp;gew.schom.
™el'ngen tot 300 gr
48 uur 0.3 K.G. 'verlies
stabiel; dagel. gew. schom-
melingen tot 300 gr.
in 48 uur 1.2 K.G. toename
in 48 uur 0.4 K.G. verlies
dan afgebroken
dagel. gew. schom-
melingen tot 400 gr.
in48uuT2.3KG.ver.
lies (at slecht)
dagel.gew.schom
mel. tot 800 gr.
II. Waterrijkdom van het bloed
± 8 7o serum eiwit matig
verlaagd
tot 8.47 quot;/o serum eiwit matig
verlaagd
toename tot 6.2%; dan labiel
labiel; balansfouten tot 4 gr.
als a
sterke NaCl retentie tot water-
depots opgevuld zijn
a)
b)
c)
IV. NaCl gehalte van bloed (d.w.z. van serum)
sterke hyperchloraemie tot 0.77,
geen toename van hyperchlo-
raemie
daling tot 0.62, dan labiel
a)
h)
c)
°/o serum eiwit matig v«'
iaagd
tot 10.36 7. serum eiwit z««
sterk verlaagd
to^me tot 8.28 dan labi''
III. Algemeene NaCI balan. (voor groot gedeelte niet uit tabellen te controleereiö
labiel; balansfouten tot 3 gf-
lichte retentie
zeer sterke retentie, dan vf
wel in evenwicht
0.63 =» bovengrens v. n®'
maal volgens Veil
matige toename tot 0.66 7,
daling tot 0.59
± 8»/
« «erum eiwit
1)7.3-7nbsp;8°/
2)nbsp;tot 8 4^;°
7.4-7 9
Hyperchlorurie
•^yp^rchloruric
«»veranderd
quot;«maal 0.59»/
' O
0.57-0.597,
Bringe toename tot 0.62 7
7.3—7.5 serum eiwit
tot 8.9 serum eiwit
7.8-8.3 7.
stabiel
iets retentie tot 6 gr.
stabiel
verlaagd 0.51—0.56 7.
verlaagd; hoogstens 0.577,
onveranderd
9 7o serum eiwit
tot 9,4% serum eiwit
stabiel
geeij retentie
normaal 0.6
0.64-0.73 7. ver-
hoogd
eerste 2 dagen on-
bekend
6.8 serum ei-
wit
tot 7.4 7o serum
eiwit
zeer labiel
S hoog 0.63—0.64
ä 0.67-0.7
___'
V. Moleculaire concentratie van hel bloed
I Jaag 0.52-0.53
5 0.52-0.54
° tot 0.57
A 0.32-0 45
^g. 1003-1006
Na Cl 7. 0.4-Ö5
A 0.7-1.4
»•g. 1006—1016
5 hoog 0.63
5 0.68-0.71
daling tot 0.6
daling tot 0.6; dan labiel
VI. Concentratie breedte van de urine
a)
A 0.5-0.68
8.g. 1001-1006
NaCI 7. 0.13-0.26
A 0.54-0.9
8.g. 1005-1014
NaClquot;/, 0.32-0.53
A tot 1.8
s.g. tot 1024
NaCl tot 0.85
b)
A 0.24-0.28
«g. 1000 V,
NaCI 7, 0.12-0.18
A 0.18-0.46
■•8. tot 1007
NaCl 7. 0.14-0.46
A tot 1.61
a g. tot 1027
NaCI 7, tot 0.73
-0.8
c)
VII. Theocine werking
geringe werking op hyperchloraemie
germge hyperchlorurie en polyurie
geen duidelijke herstelperiode
^ laag 0.5—0.53
^ 0.5-0.52
S 0.53-0.54
A 0.4-0.57
»■g. 1002—1003
Na Cl 7. 0.23-0.27
A 0.44-0.75
«g. 1005-1010
NaCl 7. 0.12-0.56
A tot 0.63
3 0.57-0.6
3 0.62
A 0.22-0.73
s g. 1002—1008
Na CI 7. 0.19-9.52
A tot 0.90
s.g. tot 1010
Na Cl 7. tot 0.58
S 0.56—0.57
S 0.59
A 0.24-0.31
_„. 1004-1005
Na CI7.0.26-
A tot 1.4 [0.33
s.g. tot 1019
Na Cl 7. tot 1.4
■g
HYPERCHLORAEMISCHE DIAB. INS.
AANMERKINGEN
(VEIL 1925)
HYPOCHLORAEMISCHE DIAB. INB.
1.nbsp;labiliteit van de waterbalans
2.nbsp;sterke uitputting der tot. waterhoev. in
dorstproef
3.nbsp;labiliteit van NaCI balans en neiging tot
hyperchlorurie *)
4.nbsp;hyperchloraemie (v. serum)
5.nbsp;hyperosmose
6.nbsp;slechte concentratie van urine
7 goede pituitrine werking
8.nbsp;geringe theocine reactie
9.nbsp;werkzaamheid van NaCI arme kost
10. grondstofwisseling normaal
I 1. geen verhooging van 10 door hooge water-
omzetting; daardoor geen toename lieh,
gew. in dorstproef
12. onwerkzaamheid van atropine
1.nbsp;stabiliteit van de waterbalans
2.nbsp;behoud der tot. waterhoev. in dorstproef
3.nbsp;goede NaCI balans en neiging tot hyper-
chlorurie
4.nbsp;hypochloraemie
5.nbsp;hyposmose
6.nbsp;goede concentratie van urine
7.nbsp;zwakke pituitrine werking
8.nbsp;sterke theocine reactie
9.nbsp;geen werking van NaCI arme kost
10.nbsp;grondstofwisseling gestoord
11.nbsp;belangrijke verhooging van 10 door ge-
stoorde wateromzelting, daardoor gew.
toename in dorstproef
12.nbsp;werkzaamheid van atropine
2. steeds geldig
5.nbsp;niet steeds geldig
7.nbsp;tamelijk regelmatig
8.nbsp;niet duidelijk
9.nbsp;steeds geldig
on
bloed normaal 0.54—0.58
NaCI
volgens Veil:
serum eiwit
*) uit tabellen noch uit zijn betoog te begrijpen
0.575—0.637 gewone voeding
0.643-0.612 NaCI rijk diëet
0.593-0.561 NaCI arm voedsel
6.3 — 7.3 nooit boven 8
digquot;. Het symptoom waar de vormen hun naam aan te danken heb-
ben, het NaCl-gehalte van het serum, blijkt in zeer verschillende
graden aanwezig te zijn en bij beide vormen ook als normaal te kun-
nen voorkomen. Daarom wil Erich Meyer inplaats van hypo-
chloraemisch van normochloraemisch spreken. Hij beschreef in 1923
zelfs een geval met symptomen van den hypochloraemischen vorm,
waarbij op normale dagen een NaCl-gehalte van het serum tusschen
ogt;57 en 0,65 % werd gevonden.
Zoo zal men bemerken, dat bij een geval van polyurie zich vaak
een combinatie van verschijnselen voordoet, die voor een groot ge-
deelte samen in één rubriek vallen, maar even vaak zijn dan tevens
een paar symptomen voorhanden die weer juist niét kloppen. Een
ieder kan zich bij de bestudeering van de tabellen zelf een oordeel
vormen of het gemaakte onderscheid houdbaar is of niet, waarbij
natuurlijk wel in aanmerking moet genomen worden, dat andere
gevallen sommige verschijnselen weer beter doen uitkomen of slechter.
De hier aangehaalde gevallen zijn echter zooals reeds werd gemeld
diegene, waarop Veil zijn indeeling maakte, terwijl hij in 1925
bericht, dat hij ook na zijn latere gevallen de indeeling geheel kan
bevestigen zooals die in tabel 3 is aangegeven. En ook Erich
Meyer schijnt in zijn overzicht in het Handboek van B e t h e deze
indeeling nog als het meest belangrijke te beschouwen.
Veil spreekt in 1918 samenvattende slechts over een algemeene
stoornis in de waterhuishouding, waarbij concentratiestoornissen zich
unnen voordoen en is geneigd de afwijking meer in de weefsels dan
m de nieren te zoeken. Hij wijst in 1925 alleen nog op de grondstof-
Jisseling, die bij hyperchloraemischcn diabetes insipidus. normaal, bij
.hypochloraemischen vorm verhoogd zou zijn. (De curve, die
hierbij geeft, waarin in 18 dagen 7 Liter water meer uitgescheiden
an opgenomen wordt, met tegelijkertijd een lichaamsgewichttoename
K.G., is wel erg onwaarschijnlijk),
maar^ Enbsp;^'^ceds den nadruk leggen op de symptoombeschrijving,
deelinnbsp;Meyer cn Meyer Bisch') verschuiven de in-
'ng naar het aangrijpingspunt der afwijking. Na venascctie bij
^'^ycr cn Mcycr Bisch, Zcitschr. f. klin. Med. 1923, Bd. 96.
PS- 469: Dtsch. Arch. f. klin. Mcd. 1921, Bd. 137. pg. 225.
hyperchloraemischen diabetes insipidus volgt niet, zooals bij norma-
len, een reactieve hydraemie en verhoogd NaCl-gehalte van het
serum, maar een hydraemie zonder stijging, ja zelfs afname, van het
serum-NaCl. Hieruit besluiten zij dat een hypotonische weefselvicei-
stof in het bloed gestroomd is en dat eenzelfde stoornis, als tusschen
bloed en nier, ook bestaat tusschen weefsels en bloed. In de dorst-
proef en de pituglandolwerking meenen zij een bevestiging van deze
opvatting te zien en zoo zou de hyperchloraemische diabetes insipi-
dus het gevolg van een combinatie van renale en extra-renale oor-
zaak zijn. Bauer en Aschner') zien in deze toestrooming van
hypotonische vloeistof echter juist een voorbeeld van normale regu-
latie van de weefsels om de primaire renale stoornis te compen-
seeren. Bij den hypochloraemischen vorm zou het verschijnsel van de
zijde der weefsels ontbreken en de oorzaak dus zuiver renaal blijven
zooals M e y e r vroeger aannam voor alle diabetes insipidus-geval-
len. Veil voelt er niets voor om zijn indeeling van hyperchlorae-
misch en hypochloraemisch te vervangen door het onderscheid com-
binatievorm en renalen vorm, o.a. om het door hem geconstateerde
feit, dat juist de hypochloraemische (dus de renale) vorm zeer vaak
een voortreffelijk concentratievermogen bezit.
Zien we nu verder, dat de Fransche schrijvers, o.a. L a b b é
bij alle diabetes insipidus-gevallen een onvermogen van de weefsels
om water vast te houden aannemen, iets wat V e i 1 zich in 1918 voor
den hyperchloraemischen vorm dacht, dan blijven we ook hier voor
een onopgeloste vraag staan: weefsels, nieren of een combinatie.
Hebben we uit het voorgaande ongeveer gezien hoe Veil di
Erich Meyer de menschelijke polyurie ingedeeld hebben, gehed
anders maakt J. Bauerquot;) het onderscheid als hij spreekt 'van:
gevallen door primair verlaagd concentratievermogen van de nieren
voor NaCI;
gevallen door primair verhoogde waterdiurese;
gevallen door primaire polydipsie.
«) Bauer en Aschner, Ztschr. f. cxp. Mcd. 1922, Bd. 27 ne ,01
«)Labbé. Violc, Guilbcrr-Drcyfus/prc^cMéd H pg
1609.nbsp;^ ' '
3) J. Bauer, KHn. Wochenschr. 1926, Halbj. 1, pg. 1017.
en
De tweede soort gevallen kan ook langzamerhand een verzwakt
concentratievermogen gaan vertoonen en dus overgaan in de eerste
soort, terwijl primaire polyurie en primaire polydipsie, dus de tweede
en de derde soort, steeds moeilijk te onderscheiden zijn. De indeeling
van Veil en Erich Meyer verwerpt hij, o.a. omdat alle ver-
schillen in de intermediaire stofwisseling te veel afhankelijk zijn van
den algemeenen toestand, van den water- en zoutrijkdom van de
weefsels en van den graad van polyurie op het moment van onder-
zoek. Wat er ook voor de indeeling van Bauer te zeggen valt,
veel verder brengt zij ons niet cn de symptomencombinatie van
Veil is hierbij geheel verloren gegaan.
Tenslotte mogen nog kort enkele overgangsvormen worden ge-
memoreerd. Lichtwitz ') beschrijft eenige gevallen van hypo-
physaire kachexie, waarbij o.a. in van de gevallen, nadat de
Polyurie weer verdwenen is, de stoornis in de concentratie van
NaCI afzonderlijk is blijven bestaan. Verder beschrijft Jungmann
m 1922quot;) een patiënt met oedeem, geen hart- of nierafwijkingen,
en een geïsoleerde stoornis in de NaCl-huishouding, zich uitende in
hypochloraemie en hydraemie, terwijl na een NaCl-toegift zout ge-
retmeerd wordt. Hierbij bestond geen polyurie, uitgezonderd één
moment bij wisseling van diëet. In 1923 ') beschrijft hij een ander
geval van voorbijgaande polyurie met daarna blijvende hyperchlo-
raemie en hyperosmose van het bloed. Beide gevallen vertoonen af-
wijkingen in de sella turcica en wel in het laatste geval een schrom-
pelend absces in de achterkwab, dat volgens hem misschien tijdens
ae Polyurie op het tuber cinereum heeft gedrukt. Ook zijn er in de
iteratuur verschillende gevallen te vinden die zich eerst in een be-
paalden vorm hebben voorgedaan, later echter weer in een anderen
zijn overgegaan, terwijl ook diabetes insipidus voorkomt tegelijk met
? afwijkingen van endocrinen oorsprong en deze laatsten zijn
quot;•e^alleen van hypophysairen aard.
h 1nbsp;van de symptomen bij menschelijke polyurie is
e aas breedvoerig en teleurstellend geworden (een overzicht kan men
Lichtwitz, Klin. Wochcnschr. 1922, Halbj. 2, pg. 1877.
Jungmann, Klin. Wochcnschr. 1922, Halbj. 2, pg. 1546.
Jungmann, Klin. Wochcnschr. 1923, Halbj. 1, pg. 18.
-ocr page 36-ook vinden bij Si eg en beek van Heukelom')) en we
zullen later moeten zien of bij de experimenteele polyurie hiermede
valt verder te werken. Men kan er in ieder geval uit constateeren, dat
er nog iets hapert aan de indeeling, zooals men die nog vaak aan-
neemt Wil men echter een geval van polyurie nog in deze indeeling
onderbrengen, dan heeft men in tabel 3 de gegevens voor het onder-
scheid tusschen hyperchloraemischen- en hypochloraemischen diabetes
insipidus, doch men zal de illusie, dat alle symptomen precies zouden
kloppen met het schema, van te voren moeten laten varen. Wil men
daarnaast ook nog de primaire polydipsie onderscheiden, dan is de
differentiaal-diagnose ten opzichte van hyperchloraemischen diabetes
insipidus, door het intacte concentratievermogen en het ophouden
van de polyurie in de dorstproef bij de primaire polydipsie, gemak-
kelijk te ste len. Ten opzichte van den hypochloraemischen diabetes
insipidus zal men zich moeten redden met symptomen die bij beiden
kunnen voorkomen, maar die misschien in combinatie een aanwijzing
ten gunste van de eene soort kunnen geven, terwijl het nooit ver
laagde serum-NaCl en het grootere gewichtsverlies bij waterbeper-
kmg b, primaire polydipsie eveneens behulpzaam kunnen zijn. 6ok
cTnstnrLrquot; n, rnbsp;polydipsie minder
constant zou zijn. Blijkt achteraf, dat suggestieve therapie genezing
geeft, dan weet men zeker, dat men dit primaire polydipsie kan
noemen, hoewel men dan toch kan blijven betwijfelen of dit nu een
psychische polydipsie is. Het onderscheid tusschen primaire poly-
dipsie en hypochloraemischen diabetes insipidus is dus uiterst vaag
wat b.v. duidelijk bhjkt uit een geval van polydipsie na encephalit^
door Beringer en György^) beschreven, dat zij na onder-
zoek onder de primaire polydipsie rangschikten, maar waarvan
laVkt ''''nbsp;hypochloraemischen diabetes insipidus
^^Datgene wat we tenslotte als vaststaande kunnen beschouwen is
bij menschen polyurie mèt en zonder concentratiestoornis kan voor-
komen. met alle overgangen daartusschen;
=) B.ringcr e„ György, Kim. W„ch.„.cl„. Halbj. ,, pg.
-ocr page 37-het onderscheid tusschen primaire polydipsie en primaire polyurie
niettegenstaande de onderzoekingen van Veil nog steeds zeer
moeilijk is;
de rol van de psyche onbekend is;
de dorsttheorie van Veil niet bewezen is;
de vele afwijkingen in de intermediaire stofwisseling, zooals die
biJ de polyurieën voorkomen, soms samenvallen in bepaalde groe-
pen, zooals V e i I ons dat heeft doen zien;
et dus onjuist is zijn symptoomindeeling reeds geheel terzijde te
Willen stellen;
^f'.!?nbsp;zoovele wisselingen voorkomen, dat er geen
aanleiding bestaat te vermoeden, dat hiermede reeds het essentieele
verschil is aangegeven.
We dienen ons nu ten spoedigste bezig te houden met de
Pathogenese van den diabetes insipidus,
tenminste met de richting waarin men die zoekt. De primaire poly-
ipsie kan hierbij buiten beschouwing blijven, daar deze, zoo de
psychische oorzaak niet zou blijken te bestaan, in dezelfde gebieden
^ vallen als we voor den diabetes insipidus zullen bespreken. En
IS eveneens het geval met den idiopathischen diabetes insipidus,
aarvan zeer waarschijnlijk een groot gedeelte ook van cerebralen
oorsprong is.
j ^^^ds de onderzoekingen van Frank i^izenVondenVel-
quot;^^t de hypophysis in de meeste beschouwingen over
vannbsp;middelpunt. In het samenvattende werk
over fi ^^quot;delenburg') kan men een uitgebreid overzicht
^orde slnbsp;van de hypophysis-functie vinden. Hier
nauw^^ ^^ volstaan met eenige belangrijke feiten te vermelden, die
SedeTnbsp;diabetes insipidus staan.
retischT quot; quot; ^ Schaefer in 1908 bij een hond de diu-
over een^nbsp;hypophysis-extract aantoonden, zijn hier-
dannbsp;Proevcn verricht, waarbij dan weer diuretische,
nog ine ^ .^quot;^'quot;d'uretischc werking werd gevonden. De zaak werd
gewikkelder, toen F r o m h e r z opmerkte, dat onafhankelijk
') P.
T
ren delen burg, Die Hormone; Springer 1929.
-ocr page 38-van de wateruitscheiding ook het zoutgehalte van de urine werd be-
ïnvloed.
Een poging om alles met elkaar in overeenstemming te brengen
vinden we in het onderzoek van B ij 1 s m a '). Hieruit blijkt, dat de
injectie van hypophysis-extract bij normale honden een toename van
de diurese geeft na voorafgaande toename van de NaCl-concen-
tratie; dat injectie van hypophysis-extract tegelijk met toedienen van
I L. water per os een tijdelijke remming geeft van de diurese ten
opzichte van iionden met alléén i L. water per os en, dat de daarna
volgende polyurie op denzelfden tijd verschijnt als bij injectie zónder
water, maar langer aanhoudt, terwijl de verhoogde NaCl-concen-
tratie ook nu op denzelfden tijd verschijnt als in de eerste proef. En
tenslotte blijkt, dat bij NaCl-arme weefsels meer hypophysis-extract
gebruikt moet worden om dezelfde werking te zien optreden.
B ij l s m a wijst op dezen steeds verhoogden zoutafvoer en neemt
bovendien een anti-diuretische werking van het hypophysis-extract
aan. Hij maakt verder, door berekening der benoodigde hoeveelheden
en van de hoeveelheid werkzame stof aanwezig in één klier, aan-
nemelijk, dat de werking van het hypophysis-extract die we zien
na watertoediening, zeker ook als hormonale werking zal kunnen
worden verwacht.
Het aangrijpingspunt, van de op de diurese werkende stof uit de
achterkwab, is het voorwerp van groote meeningsverschillen. Voor
de renale werking pleiten b.v. de bekende proeven van Starling
en V e r n e y, waarbij door een hart-long-nier-praeparaat een dia-
betes insipidusachtige urine wordt gevormd, terwijl door toevoeging
van een kleine hoeveelheid achterkwabextract de NaCl-concentratic
sterk stijgt, de urinehoeveelheid afneemt en de totale NaCl-uitschei-
ding tevens grooter is dan voor de toevoeging van achterkwab-extract.
Ook door inschakelen van een kop met hypophysis is dit resultaat
te bereiken, terwijl na verwijderen van den hypophysis de polyurie
en de lage NaCl-concentratie weer te voorschijn treden. B o r n s t e i n
en Roese^) zien bij het geïnnerveerde hart-long-nier-praeparaat
dezelfde lage NaCl-concentratie en een groote hoeveelheid urine.
«) Bijlsma, R.I.P.T.O. 1925, No. 10, pg. yj.
2) Bornstcin en Roesc, Pflügcr's Arch. 1932, Bd. 229, pg. 182.
-ocr page 39-welke laatste echter nog in geringe mate toeneemt als de innervatie
wordt opgeheven. Voor de weefselwerking pleit o.a. de proef van
M i u r a, waarbij we bij konijnen zonder nieren na infusie van hypo-
physis-extract het NaCl-gehalte van het serum zien toenemen, terwijl
het haemoglobinegehalte afneemt.
We hebben dus aanwijzingen, zoowel voor een werking op de
nieren, als voor een invloed op de weefsels. De vraag is natuurlijk,
of in het intacte organisme beide invloeden tot uiting zullen komen.
Veel hangt hier af van de dosis, die noodig is om de waargenomen
werking te verwekken. En daar het vergelijken van doses bij ge-
isoleerde organen of sterk gemutileerde dieren met die bij intacte
dieren meestal zeer moeilijk of onuitvoerbaar is, komt men op deze
Wijze niet tot een oplossing van de vragen: komen beide invloeden
in het intacte dier in aanmerking en zoo ja, welke van de twee is
dan de belangrijkste?
Wat den afvoer van de hormonen van de achterkwab betreft, be-
staan er aanwijzingen om aan te nemen dat dit via het tuber cinereum
naar den derden ventrikel geschiedt (o.a. Gushing 1910). Men
heeft b.v. de op den uterus werkende stof in den liquor kunnen aan-
toonen. Uit een belangrijk onderzoek van S a t o ') blijkt verder, dat
extracten van het tuber cinereum zoowel een geringe werking op den
uterus als een achterkwabwerking op de diurese (dus mlt;5ér zout en
minder urine) bezitten, wat bij de andere hersengebieden vrij alge-
meen niet voorkomt. Eenigen tijd na hypophysectomie blijkt de
uteruswerking en speciaal de zoutvermeerderende en urincbeperkcndc
Werking van tuber cinereum-extracten enorm verhoogd te zijn in
vergelijking met extracten van normale dieren. We moeten daaruit
dus besluiten, dat het tuber cinereum, misschien ook in normalen doen
(doch het dan aangetoonde hormon zou ook slechts door afvoer in
net tuber cinereum aanwezig kunnen zijn), maar zéker na hypo-
physectomie, het op de diurese werkende hormon kan vormen.
Een dergelijk op de diurese werkend hormon heeft Marxquot;)
m zooverre in het bloed kunnen aantoonen, dat hij bemerkte dat
bloed van een normaal dier, ingespoten bij een dier, dat veel HoO
') Sato, Arch. f. exp. Pathol. u. Pharmak. 1928, Bd. 131, pg. 45-
Marx. Klin. Wochcnschr. 1930, Halb). 1, pg. 2384.
per os heeft gehad, een duidelijke remming van de wateruitscheiding
veroorzaakte, terwijl bloed van een dier, dat veel H2O per os heeft ge-
had, op dezelfde wijze ingespoten, niet meer anti-diuretisch werkte Er
zou dus een anti-diuretische stof (afkomstig van den hypophysis')
in het bloed circuleeren en bij veel drinken zou de spiegel van deze
stof in het bloed te laag zijn om invloed bij anderen te kunnen doen
gelden. Marx kon deze zelfde uitkomsten ook bij het hart-long-
nier-praeparaat verkrijgen. Ook O 1 i v e t') meent op soortgelijke
wijze diuretische en anti-diuretische stoffen in het bloed te kunnen
aantoonen, waarbij op de lever gewezen wordt als mogelijke plaats
voor ontstaan van de diuretische stof,
M a r X wijst er verder op, dat bij sommige patiënten met hypo-
physaire afwijkingen in de verdunningsproef een duidelijk vertraagde
wateruitscheiding te constateeren valt en in tegenstelling met nor-
malen het NaCl-gehalte van het bloed en serum hierbij toeneemt
Er kan hierbij dus een duidelijke diureseremming bestaan. En ook
L i c h t w i t z ') wijst er op, dat bij deze ziekten afwijkingen in de
regulatie van de waterhuishouding bestaan (naast een eventueele
Polyurie), waarbij tevens vaak een „Darniederliegen der Kochsalz-
ausscheidungquot; zoowel wat de concentratie als wat den totalen
afvoer betreft wordt waargenomen. In dit verband noemt hij ook
de oedemen van onbekenden oorsprong (Wagner, Jungmann
Fa It a) waarbij hypochloraemie en hypalbuminaemie.
Wordt dus algemeen de hypophysis niet alleen voor de polyurie
maar voor de geheele water- en zouthuishouding in het centrum der
belangstelling geplaatst, al spoedig blijkt, mede door het experimen-
teele onderzoek, dat ook de hersenbasis (het tuber cinereum) en de
hier liggende centra voor vegetatieve functies een belangrijke rol
spelen. Door het zeer dicht bijeenliggen van tuber cinereum en hypo-
physis is uit de pathologische anatomie, niettegenstaande de'zeer vele
pogingen, geen besluit te nemen ten gunste van een van beiden. Velen
willen nog op grond van dit pathologisch-anatomisch onderzoek de
belangrijkste plaats aan den hypophysis blijven toekennen, zoo b.v.
gt;) Olivet, Zeitschr. f. cxp. Med. 1931, Bd. 78, pg. 6jo
2) Marx, Deutsch Arch. f. klin. Med. 1928, Bd. 158 p ' 145
Li cht Witz, Verh. Dtsch. Ges. f. Inn. Mcd. 1930', pg 3/
Ma ran on'), die twee en dertig gevallen bijeenzocht, waarbij
alleen de hypophysis-achterkwab was aangedaan. Anderen daaren-
tegen komen ten stelligste op voor het feit, dat men bijna steeds een
aandoening vindt zoowel van hypophysis als van tuber cinereum.
Weer anderen, o.a. Leschke^), Lhermitte en Lere-
. h o u 11 e t willen speciaal in het tuber cinereum de oorzaak zien.
Uit het pathologisch-anatomisch onderzoek is dus geen overeenstem-
mende opvatting te verkrijgen. Men heeft de theorie over de ach-
terkwab willen bewijzen, op grond namelijk van het belangrijke
feit van de fraaie werking van hypophysis-achterkwab-extract in
een groot aantal gevallen van diabetes insipidus. Hieruit mag men
echter niet zonder meer een gevolgtrekking maken betreffende de
oorzaak van den diabetes insipidus, want soms blijkt een achter-
kwab verwoest te zijn zonder diabetes insipidus en ook schijnt het
omgekeerde het geval te kunnen zijn. Ook werkt het achterkwab-
extract wel in heel veel gevallen van diabetes insipidus in meerdere
of mindere mate (F a 11 a meent dat de door Veil waargenomen
geringe werking bij hypochloraemischen diabetes insipidus slechts
zou berusten op onjuiste doseering en minder goede praeparaten),
maar zou soms ook niet werken, terwijl tóch de achterkwab bleek
aangedaan te zijn.
En tenslotte meenen velen, dat het achterkwabhormon ook bij
andere polyurieën een gunstige werking kan hebben, terwijl omge-
keerd Bauer bij diabetes insipidus soms een sterkere remming van
de diurese van novasurol dan van pituitrine zag. Zoo moet men dus
Uiterst voorzichtig zijn in de waardeering van de werking van
hypophysis-achterkwab-extract. Het behoeft echter evenmin juist te
zijn de geheele werking slechts als een pharmaco-dynamische te zien.
Bauer wil zich de regulatie van de water- en zoutstofwisseling
•v. als volgt voorstellen. Deze stofwisseling heeft een aantal regu-
eerende factoren, n.1. de nerveuse centra, de autochthone toestand
van de nier, en het hypophysis-achterkwab-hormon. Valt nu alleen
|t laatste uit en zijn de anderen intact, dan zou een diabetes insi-
pidus niet behoeven op te treden.
') Marafton, Endocrinology. 1921, pg. 159.
') L c s c h k e, I.e.
-ocr page 42-Frank') zegt, dat de secreetafgifte en de anatomische verhou-
dingen in de infundibulair-streek zoo ingewikkeld zijn, dat geen
experiment kan overtuigen van de uitsluitend zetelende oorzaak in
één van de afzonderlijke deelen van het hypophysis-tuber cinereum-
stelsel. Zijn vroegere theorie over hypophysaire hyperfunctie veran-
derde hij in een parasecretie van de pars intermedia en de pars tube-
ralis. Met deze parasecretie bedoelde hij dan een door afwijkingen
afgesloten normalen afvoer via de gliaspleten naar de derde ventrikel,
waarna het hormon stootsgewijze na opzameling geloosd wordt in de
bloedcapillairen in de buurt van de pars tuberalis. Als hij dan daarbij
weet, dat intraveneuse injectie (dus plotseling in de bloedbaan bren-
gen) van hypophysis-extract een diurese van ± 30 minuten veroor-
zaakt, terwijl subcutane injectie en langzame intraveneuse infusie
diureseremmend werken, dan zou door deze stootsgewijze afgifte van
hormon in de bloedbaan de diabetes insipidus verklaard zijn. Dat de
subcutane injectie bij diabetes insipidus vermindering van de polyurie
geeft zou dan te verklaren zijn, doordat het hormon nü op meer
physiologische wijze aangevoerd wordt. Daardoor zou ook verklaard
zijn, dat inplantatie van een hypophysis polyurie veroorzaakt. Tegen
deze theorie zijn ook weer vele bezwaren aangevoerd en het schijnt
dat Frank haar niet meer geheel staande houdt.
Piek, Mol i tor') en medewerkers stellen zich voor dat de
centra in den hypothalamus een reguleerende functie bezitten. Deze
centra zijn autonoom en worden beïnvloed door de autochthone
stofwisseling en door impulsen die via zenuwbanen en via de bloed-
circulatie worden aangevoerd. Een bijzondere plaats moet nu aan
den hormonalen impuls gegeven worden, die vanaf den hypophysis
deze centra bereikt; dus wordt een centrale werking van het hypo-
physis-hormon aangenomen. Indien nu blijkt, dat hypophysis-extract
geen remming van de diurese veroorzaakt, dan zou dit wijzen op
een stoornis van de diurese-centra in den hypothalamus. Hierbij een
algemeen remmenden invloed van de schors op den hersenstam in
aanmerking nemende, zouden zij op deze wijze het feit kunnen ver-
«) Frank, Klin. Wochcnschr. 1924, Halbj. i, pg. 847 cn 895.
2) Mchcs en Mo li tor, Arch. f. cxp. Path. u. Pharm. 1928, Bd. 127,
pg- 319-
-ocr page 43-klaren, dat bij menschen b.v. in slaap en in hypnose de anti-diureti-
sche werking van hypophysis-extract ophoudt. Tevens zou een inzicht
te verkrijgen zijn in den invloed van verschillende narcotica op de
diurese. Hoff en Werner gaan zelfs zoo ver hierbij, dat zij
als diagnosticum voor een hypothalamus-aandoening het negatief uit-
vallen van de pituitrine-injectie-proef beschouwen.
Tegen deze geheele theorie zijn echter o.a. door Jansen') veie
bezwaren aangevoerd. Na eerst gewezen te hebben op de proeven
van V e r n e y en op het feit, dat hooge doorsnijdingen van het
ruggemerg en dubbelzijdige vagotomie geen invloed op de polyurie
hebben, toont hij aan dat na decerebratie tot aan de corpora qua-
drigemina de anti-diuretische werking van hypophysis-extract weder
aantoonbaar is als de gebruikte narcotica geheel uitgewerkt zijn. Ook
bewees hij dat narcotica ook in de nieren hun aangrijpingspunt kun-
nen hebben. Indien men immers hypophysis-extract eerst de linker-
en daarna de rechternier laat bereiken, dan treedt de diureseremming
eerst links en daarna rechts op. Spoot hij nu op dezelfde wijze hierna
urethaan in, dan wordt de remming ook wederom eerst links en
daarna rechts opgeheven.
G r e V i n g die o.a. de vezelbanen van de kernen van het tuber
cinereum naar de achterkwab via het infundibulum beschreven heeft
en zoowel in achterkwab als in infundibulum tusschen de zenuw-
vezelüitloopers bepaalde eilandjes kon vinden, beschouwt dit hypo-
physis-tusschenhersen-systeem als regulator van de waterhuishouding.
Hierdoor zouden zeer vele verschijnselen verklaarbaar zijn en
Greving denkt, dat diabetes insipidus kan ontstaan door afwij-
kingen op de drie belangrijkste plaatsen van dit systeem, n.l. de
kernen in het tuber cinereum, het infundibulum of de hypophysis-
achterkwab. Een deel der aanhangers van deze opvatting gelooft
dan toch tevens aan een werking van het hypophysis-achterkwab-
hormon via den ventrikel op de centra in het tuber cinereum. De
meesten daarentegen meenen, dat de centra in het tuber cinereum
autonoom zijn en regelend voor de achterkwab. Voor dit laatste zou
') Hoff en Werner, Arch. f. exp. Path. u. Pharm. 1927. quot;9- P^'
15} en Bd. i2j, pg. 140.
Jansen, Klin. Wochcnschr. 1928, Halb]. 2, pg. 1680.
quot;) Greving, Verhandl. Dtsch. Gesellsch. f. Inn. Med. 193°. PS- 53-
-ocr page 44-pleiten, dat aandoeningen van het tuber cinereum secundair achter-
kwab-verandenngen kunnen veroorzaken, zooals o.a. beschreven
wordt door Kiyono'). Hij vermeldt n.1. een geval van niet kli-
msch onderzochten diabetes insipidus, waarbij chronische verande
ringen en infiltratieve processen te vinden waren in den nucl tuberis
den nucl. supraopticus en nucl. paraventricularis, terwijl de geweldige
atrophic van de achterkwab geen ontstekingsachtige veranderingen
vertoonde en waarschijnlijk secundair vanuit de centra langs de
vezelbanen zou ontstaan kunnen zijn. (Tevens bestonden er afwijkin
gen in alle andere endocrine organen). Zij nemen aan dat het omge-
keerde, dus een primaire aandoening van de achterkwab, geen degeL-
ratie van de centra in het tuber cinereum ten gevolge heeft.
Z a d e k die de oorzaak van diabetes insipidus ook in hét tuber
cmereum-hypophysis-stelsel zoekt, beschrijft een drietal gevallen van
diabetes insipidus, die klinisch en anatomisch goed onderzocht zijn
Na een breedvoerig overzicht komt hij tot de conclusie, dat Veil's
indeeling veel bezwaren heeft, maar niet geheel verworpen mag
worden. In zijn derde geval vindt hij symptomen, die volgens hem
pleiten voor verminderd waterbindend vermogen der weefsels nl
lage perspiratio insensibilis, sterke bloedindikking tijdens de dorst-
^fTV r-tr'? NaCl-toegift volgens de pathologische reactie,
afhankelijkheid van NaCl-gehalte van het voedsel en duidelijke
reactie op pituitrine (waaraan hier voornamelijk een weefselwerking
wordt toegedacht). Bij dit geval, waarvan de symptomen ecnigermate
passen in den hyperchloraemischen vorm van V e i 1, vindt hij een
tumor van hypophysis, infundibulum en tuber cinereum. Bij de twee
andere gevallen ziet hij geen teekencn van indroging, de dorstproef
wordt goed verdragen, de polyurie is niet afhankelijk van het NaCI
gehalte van het voedsel, een NaCl-toegift geeft een physiologische
reactie, pituitrinewerking is duidelijk maar niet sterk, hyperchlorurie
Deze twee gevallen zouden in den hypochloraemischen vorm van
y e 11 passen en hierbij vindt hij een tumor van hypophysis en infun-
dibulum, die met op het tuber cinereum is overgegaan Z a d e k
komt nu tot de opvatting, dat uitschakeling van het tuber cinereum
') Kiyono, Vfrchow's Arch. 1925, Bd. 257, pg. 477
2) Zadck, Zeitschr. f. klin. Med. 1927, Bd. 105, pg.'lt;;o2.
de verminderde waterbinding van de weefsels veroorzaakt. Alleen
verwoesting van hypophysis en infundibulum zou dus den hypo-
chloraemischen vorm veroorzaken. Het meest voelt hij zich in deze
opvatting gesterkt door een onderzoek van Jungmann en Bern-
hardt, waarover later, terwijl een geval van Meyer en Meyer
B1 s c h met deze opvatting in overeenstemming zou zijn. Veil
heeft echter aangegeven, dat encephalitis meer den hypochloraemi-
schen, meningitis meer den hyperchloraemischen vorm veroorzaakt.
Dit zou dus niet overeenstemmen.
Een geheel andere opvatting hebben o.a. Van Hann en
Meyenburg. Zij meenen dat de hypophysis-voorkwab een diu-
retische, de achterkwab een anti-diuretische werking heeft. Diabetes
msipidus zou nu slechts ontstaan als de achterkwab-functie uitviel,
de voorkwab echter intact bleef, terwijl indien béide verwoest zijn
geen polyurie zou optreden. Bij deze opvatting sluiten eenigermate
aan de onderzoekingen van Goldzieher en Kaldor'). Zij
vonden n.1. na opname van verschillende diuretisch-werkende mid-
delen bij caviae veranderingen in de voorkwab en meenen dat deze
Veranderingen in nauw verband staan met de verhoogde wateruit-
scheiding en niet alleen het gevolg daarvan zijn. De bevestiging van
deze theorie zou geleverd zijn door T e e P), die bij honden door
voorkwab-extract-injecties polyuqe kon opwekken (r maal zelfs
ccn 10 maal verhoogde urinchocvcclhcid).
En tenslotte moeten nog de opvattingen van eenige Japansche
onderzoekers genoemd worden, o.a. S a t o cn Y a m a g i s k i
die aannemen dat er een tweeledig centrum voor de zouthuishouding
estaat, n.1. e^ parasympathisch, dat bij stijging van den osmotischen
oruk, o.a. dpor injecties in de carotis van hypertonische NaCl-
oplossing bij nypophysislooze honden, vergrooting der urine-hoeveel-
neid en der NaCl-uitscheiding veroorzaakt en een sympathisch, dat
U daling van den osmotischen druk o.a. door hypotonische NaCl-
) Goldzieher cn Kaldor, Zcitschr. f. cxp. Med. 1931, Bd. 76, pg. 819
J Teel, Journ. of Amer. Mcd. Ass. 1929, Bd. 93^ pg. 760.
Saro, Referaat in Jap. Journ. of Pharmacology. Mrt. 1930, pg. 64-
) Yamagiski, Referaat in Jap. Journ. of Pharmacology. Mrt. 1930,
PS- 59 en 61.
injecties bij dergelijke dieren vermindering van de urine- en zoutuit-
scheiding geeft.
Hoe ook verder de toestanden nog ingewikkelder kunnen zijn, blijkt
uit de mededeeling van Klein en H o 1 z e r, dat naast pituitrine
en novasurol ook insuline een gunstigen invloed heeft op de polyurie
en wel in die gevallen, waarbij de achterkwab waarschijnlijk intact
zou zijn. En ook over alle andere endocrine klieren, in samenhang met
de werking van hypophysis-extract op de zout- en waterhuishouding,
zijn meerdere malen mededeelingen verschenen, doch dit alles voert te
ver op zijpaden.
Ook het tegengestelde van den diabetes insipidus, n.1. de primaire
olygurie (Veil en anderen) blijft buiten bespreking, daar nog te
weinig hierover met zekerheid bekend is.
Slechts worde ten slotte nog gememoreerd, dat er een diabetes
insipidus hereditarius voorkomt').
De rol van eventueele centra voor de water- en zouthuishouding en
hun verband met de achterkwab-werking op de diurese is dus nog
allerminst opgelost. Zoo blijft ook de oorzaak van den diabetes insi-
pidus nog in het duister. De aangetoonde verbinding van achterkwab
en tuber cinereum en de bereiding van het op de diurese werkende
hormon, ook in het tuber cinereum onder bepaalde omstandigheden,
geven o.a. echter de mogelijkheid het mechanisme op den duur te
leeren kennen. Voor het oogenblik is echter nog te veel twijfel molt;»c-
lijk tusschen hypophysis, tuber cinereum of een combinatie, tusschen
weefsels en nieren of een combinatie, tusschen hormonale regulatie
van centra of centrale regeling van hormonafgifte, water- of zout-
bindend vermogen van de weefsels, hormonvervoer of zenuwba-
nen, enz..
In een volgend hoofdstuk zullen we kunnen vinden wat de expe-
rimenteele polyurie ons tot nog toe geleerd heeft, maar eerst dienen
we ons eenigermate te oriënteeren in het gebied van tuber cinereum cn
hypophysis.
pg-
') Janzen en Broekman, Ned. Tdschr. v. Geneesk. 1921, Ha,
-ocr page 47-HOOFDSTUK 11.
Anatomie van hypophysis en tuber cinereum.
Een kort overzicht van tuber cinereum en hypophysis kan hier niet
achterwege blijven, doch het zal slechts eenige belangrijke feiten ver-
melden, die voor dit onderzoek noodzakelijk zijn, waarbij zoo veel
mogelijk op de toestanden, zooals die bij honden beschreven zijn,
wordt gelet.
Dandy en Goetsch') geven een beschrijving van de circu-
latie in dit gebied bij honden. De Circulus Willisi geeft in zijn ge-
heelen omtrek kleine vaatjes af naar den hypophysis, die over de basis
van het tuber cinereum verloopen naar het infundibulum. De veneuse
afvoer heeft op gelijke wijze plaats, terwijl de groote sinus venosus
den hypophysis omgeeft. De achterkwab ontvangt zijn veel geringeren
bloedtoevoer voor het grootste gedeelte door een bloedvat, dat direct
uit de beide art. carotis internae ontstaat en van achteren de lob. post.
bereikt.
Later geven P o p a en F i e 1 d i n geen nauwkeurige beschrij-
vmg van het bloedvaatstelsel tusschen hypophysis en tuber cinereum,
Zooals dit bij jonge kinderen is te vinden. Hieruit blijkt, dat via de
bloedbanen verbindingen bestaan tusschen de voor- en de achterkwab
^an den hypophysis met het tuber cinereum tot in de richting van
uen nucl. paraventricularis en den nucl. supraopticus.
C o 11 i n ') o.a. toont aan, dat het colloïd voor een gedeelte van
e middenkwab door de achterkwab en via de perivasculaire spleten en
ymphruimten naar het tuber cinereum vervoerd wordt en in contact
^omt met de kernen, die daar liggen. Het colloïd zou echter volgens
rendelenburg b.v. geen werkzame stoffen bevatten en slechts
een afvalproduct zijn, wat anderen weer ontkennen.
jj Dandy en Goetsch, Amer. Joum. of Anat. 1911, Bd. 11, pg. i37-
) Po pa en F i e 1 d i n g, Lancet. 1930, Vol. 209, pg. 238.
gt; Col! in, Ann. de M6d. 1925, Tome 18, pg. 428.
-ocr page 48-Vroeger is reeds melding gemaakt van de mogelijke afgifte van
achterkwab-hormon via het infundibulum naar de 3e ventrikel.
De voorkwab ontvangt zenuwvezels van den sympathicus, n.1. van
den plexus caroticus en niet van tuber cinereum of achterkwab (zie
Pines ')); de achterkwab ontvangt zenuwvezels van uit het tuber
cinereum, die later beschreven worden.
Aan den hypophysis worden onderscheiden: het infundibulum (de
naam hypophysis-steel dient eigenlijk voor den aanleg van de pars
glandularis) met de recessus infundibuli, de lobus anterior (of prae-
hypophysis of pars distalis), de lobus posterior (of neurohypophysis
of pars infundibularis), de lobus intermedia (of pars juxtaneuralis)
en de pars tuberalis, die langs het infundibilum naar het tuber cine-
reum opstijgt en zich splitst in lobus chiasmaticus en lobus prae-
mamillaris (samen lobus bifurcatus. Bolk). Tenslotte kan men bij
sommige dieren tusschen twee duraplooien de parahypophysis vinden,
terwijl de hypophysis pharyngia afkomstig zou zijn van de chorda
dorsalis en niet een rest van de canalis cranio-pharyngeus is. Hoewel
de pars tuberalis naar zijn structuur volgens sommige schrijvers
gelijk wordt gesteld aan de pars intermedia, zijn toch verschillen in
celvorm en bloedvoorziening voor anderen aanleiding dit vijfde deel
een meer afzonderlijke plaats toe te kennen. De fijnere anatomische
bouw blijft hier buiten bespreking.
Om een overzicht te krijgen van de indeeling van het tuber
cinereum kan de hierbij gevoegde tabel van S p i e g e P) (Tabel 4),
waarin de indeeling naar verschillende onderzoekers is opgenomen,'
dienstig zijn. Voor uitvoerige beschrijvingen verwijs ik o.a. voor den
mensch naar Nicolesco en Nicolesco') en Grün-
t h a 1 voor de kat naar W i n k I e r's atlas voor den hond
naar Spiegel en Z w e i g ®) en G r ü n t h a P), voor de
') Pines, Journal f. Psych, u. Ncur. 1925, Bd. 32, pg. 80.
Spiegel, Die Zentren d. Auton. Ncrvensyst. 1928. Springer.
Nicolesco en Nicolesco, Rev. Neurol. 1929quot;, Bd. 36 pg 289
*) Grün thai, Arch. f. Psychiatrie. 1930, Bd. 90, pg. 216.
») Winkler, An Anat. Guide to exp. Researches on the cat's brain 1914
«) Spiegel en Zweig, Arb. a. d. Neurol. Inst. a. d. Wiener Univ.
(Obersteiner) 1919, Bd. 22, pg. 278.
Grün thai, Zeitschr. f. d. ges. Neurol, u. Psych. 1929, Bd. 120, pg. 157.
-ocr page 49-TABEL 4.
|
Indeelingen van de kernen van het tuber cinereum (uit Spiegel). | |||||||
|
Meynert |
Ganglion opticum basale | ||||||
|
Lenhossék |
N. supraopticus |
N. anterior et N. posterolateralis | |||||
|
Köllilcer |
G. opticum basale dors. post. |
N. n. tuber. | |||||
|
Cajal |
N. perichiasmat. |
N. de la |
N. anter., N. poster, et N. super. |
N. sousventriculaire | |||
|
Ziehen |
N. supraopticus |
Ventrale kleinzell. |
Groszzellige laterale Gruppe |
N. subcommissuralis Gruppe) | |||
|
Malone |
G. opticum basale |
N. n. tuber. |
z. T. die Fortsetzung d. N. |
N. paraventricularis | |||
|
Friedemann |
N. supraopticus |
T X - y |
N. paraventricularis | ||||
|
Röthig |
G. supraopticum |
N. magno-cellularis | |||||
|
Winkler |
G. opticum basale |
N. infund. |
N. hypothalamicus med. et |
N. filiformis | |||
|
Spiegel-Zweig |
N. supraopticus |
N. n. tuber. |
N. supra- |
Perifomicale Diffuses |
N. paraventricularis | ||
|
Foix-Nicolesco |
N. de la bandelette |
1 N. ventr. |
Teil der N. ^^ , . . . parvocell. |
N. përiventricularis | |||
|
Greving |
N. supraopticus |. |
N. n. tuberis 1 |
z. T. N. inter-l Subst. grisea |
N. paraventricularis / ƒ | |||
|
1 / Taberkeme ƒ / j^jsj | |||||||
muis naar G r ü n t h a 1 , terwijl ook een overzicht gepubliceerd
is door D e w u 1 f f ').
Het onderzoek van Grünthal bij den hond voldoet in de
groote behoefte van een nauwkeurige beschrijving van dit gebied,
want de andere onderzoekers, en speciaal Spiegel en Zweig
voor wat den hond betreft, volstaan bij een korte beschrijving slechts
met een enkele schematische teekening. Dit, en de vele benamingen,
die de verschillende onderzoekers gebruiken, is oorzaak dat de plaats-
aanduiding bij het experimenteele onderzoek slechts uiterst vaag ge-
bleven is. Ik wil hier met een korte aanduiding van de ligging der
kernen en eenige verdere bijzonderheden volstaan, wat met bijge-
voegde schematische teekening (fig. i) de oriënteering bij het onder-
zoek mogelijk kan maken. Uitgebreider is dus een beschrijving van
de kernen in het tuber cinereum in de aangehaalde werken te vinden.
Het tuber cinereum wordt ongeveer begrensd door het chiasma,quot;
de beide tracti optici, den medialen rand van de pes pedunculi en
de corpora mamillaria en is om de derde ventrikel gelegen Dit
gebied wordt doorsneden door de columnae fornicis ascendentis, de
commissura Meynerti, terwijl aan de achterzijde zich de bundel 'van
Vicq d'Azyr bevindt. Aan de basis vindt men verder het infundibulum
met den hypophysis.
De grijze substantie van het tuber cinereum wordt voor het grootste
gedeelte gevormd door kleine cellen van verschillenden vorm en
grootte, samengevat als het diffuse tubergrijs. Grünthal onder-
scheidt hier drie gebieden naar den verschillenden celvorm, n.l. a, b
en c. Gebied a ligt meest dicht tegen het onderste gedeelte van 'de
ventrikel, door het geheele tuber cinereum heen; gebied b vormt
meestal het grootste gedeelte van het tuber cinereum, terwijl gebied c
meer aan de basis en lateraal gelegen is. Hiernaast heeft men nu
verschillende celgroepen afzonderlijk genoemd, waarbij de onder-
zoekers echter niet steeds overeenstemmen. We zullen de belang-
rijkste in het kort nagaan.
De nucleus paraventricularis (No. 6) die zich
uitstrekt langs beide zijden van het bovengedeelte van de 3e
gt;) Dewuiff, Arch. intern, de Pharmacod. et de Therap. 1931, Vol. 40
pg- 147-
l
fig. I.
Schematische teekening
van de ligging der kernen in het tuber cinereum en van de
hypophysisaanhechting.
•upraopticu. ant.nbsp;5. N. suprachiasmat.
supraopticus lat. (dors).nbsp;6. N. paraventricularis.
•upraopticus post. •nbsp;7. Gebied v. d. N. tuberis.
•upraopticus access.nbsp;8. Kernen behoorende bij corp. mam.
voorkwab.
WW achterkwab.
ventrikel en mediaal van de columnae fornicis gelegen is. Deze kern,
die in de frontaalcoupes tusschen chiasma en hypophysis te vinden
is, bestaat uit vrij groote cellen en is duidelijk te onderscheiden van
de kleinere cellen van het omgevende gebied b. Alle onderzoekers
vinden dezen nucleus paraventricularis dan ook, en men kan alleen
verschil vinden in meer of minder uitgestrektheid van zijn uitloopers.
Eveneens zeer belangrijk en steeds gemakkelijk te vinden is de
nucleus supraopticus (No. i, 2 en 3). Deze ligt voor
een gedeelte aan beide zijden lateraal tegen den rand van het chiasma
(zie ook fig. ij). Dit gedeelte kan men met sommige onderzoekers
nucleus supraopticus anterior (No. i) noemen.
Want in de coupes meer caudaalwaarts is de nucleus supraopticus
te vervolgen, nu aan den dorso lateralen rand van den tractus opticus
(zie fig. b), en men kan hier nu ter onderscheiding spreken van den
nucleus supraopticus lateralis of dorsalis
(No. 2). In de coupes waarin het chiasma verdwenen is en de beide
tracti optici afzonderlijk voorkomen, zijn aan den medialen voet
van den tractus opticus eenige groote cellen te vinden (fig. c). Bij
serie-onderzoek blijkt een samenhang van deze cellen met den nucleus
supraopticus anterior te kunnen bestaan, wat door sommige onder-
zoekers wordt beschreven als de uitlooper
van den nucleus supra-
opticus, die als een manchet den tractus opticus omgeeft. G r ü n t h a 1
geeft, evenals Friedemann, deze celgroep echter den naam
van nucleus pedamentl lateralis. Op welke gronden hij hier een af-
zonderlijke kern van maakt, is mij niet duidelijk, cn Ik zal mij in
de bespreking aan de eenvoudiger benaming van nucleus su-
praopticus posterior (No. 3) houden. Ook deze nucleus
supraopticus is niet te miskennen, Is ook weer duidelijk tegenover
het omgevende gebied c begrensd en bestaat uit groote cellen, die
eenigszins lijken op de cellen van den nucleus paraventricularis. Een
enkele maal kan men volgens sommige schrijvers te midden van het
tubergrijs geïsoleerde groepjes cellen vinden, die dan als nucleus
supraopticus accessorius bekend staan. Deze nucleus
supraopticus en nucleus paraventricularis zijn bij alle zoogdieren te
vinden, hetgeen niet met zekerheid te zeggen Is van de kern, die wij
nu moeten bespreken en die ook een veel minder typischen celvorm
heeft n.1. de
nucleus t über is (No. 7). Zooals uit tabel 4 te zien is, hebben
toch vele onderzoekers deze kern aangegeven, maar meestal is bij
de beschrijving vermeld, dat de grenzen niet duidelijk aan te geven
zijn en dat de cellen van veel kleinere afmeting dan die van de twee
eerstgenoemde kernen zijn. Spiegel en Zweig zeggen van deze
kern, dat zij bij honden minder duidelijk is dan bij menschen, en
dat zij zich meestal beiderzijds uitstrekt van den medialen rand van
de pes pedunculi tot aan de mediaanlijn, terwijl er soms een lateraal
en een mediaal gedeelte aan te onderkennen valt. Nicolesco
en N .i c o l e s c o v/ijzen er op, dat de nucleus tuberis aan de
ventrale zijde van het tuber cinereum liggende, aanvangt in het voor-
ste gedeelte daarvan en zich naar achteren uitstrekt, waar hij over-
gaat in de kernen van de corpora mamillaria. Doch eerst Grün-
thal beschrijft hem juister als hij opmerkt, dat de nucleus tuberis
slechts een zóne is, waar de cellen van gebied b dichter opeen liggen.
De cellen hebben ook geen specialen vorm of grootte, maar zijn
dezelfde als die van gebied b. Deze nucleus tuberis ligt aan de basis
van het tuber cinereum, aan beide zijden in het mediale gedeelte en
strekt zich niet zeer hoog in het tuber cinereum uit, terwijl hij zich
meestal bevindt in die coupes, die in de buurt van het infundibulum
jjggcn. Uit deze beschrijving is duidelijk, dat het lang niet eenvoudig
IS bij iederen hond te zeggen of de nucleus tuberis verwond is of niet,
cn dat men wel vaak zal moeten spreken van het gebied van den
nucleus tuberis. Zooals we later zullen zien speelt deze kern bij de
experimenteele polyurie een zekere rol en daarom is het van belang
hierbij te vermelden, dat Grünthal meent, dat deze nucleus tu-
beris van den hond niet overeenkomt met de eveneens nucleus tuberis
genoemde celgroep bij den mensch. Op gelijksoortige wijze moeten
wij ons de
supracbiasmaticHS (No. 5) voorstellen. Ook
deze komt het best met de beschrijving van Grünthal overeen,
'e hem een verdichting van cellen uit het gebied a noemt aan den
Voet van de derde ventrikel. De nucleus suprachiasmaticus is even-
als de nucleus tuberis moeilijk te begrenzen. De ligging is meestal
mediaal boven of achter het chiasma, hoewel Grünthal hem
Jets verder naar achteren beschrijft.
van veel minder belang zijn de door sommige genoemde peri-
-ocr page 54-fornicate groepen, die ook weder een verdichting in het
tubergnjs zijn, maar die lang niet altijd te vinden zijn. G r ü n t h a 1
beschrijft verder nog een 20»^ pigmentosa hypotha-
lami, die men in de buurt van den nucleus tuberis kan vinden.
Aan de achterzijde van het tuber cinereum komen dan weer een
groot aantal, vaak zeer duidelijke, kernen te voorschijn, die echter
niet meer tot het tuber cinereum behooren en op de grens gelegen
zijn. Zoo bespreekt G r ü n t h a 1 nog den nucleus corporis mamilla-
ris, den nucleus supramamillaris en den nucleus intercalatus en
Greving noemt den nucleus mamillo-infundibularis, den nucleus
mamillo-cinereus, enz., doch deze kunnen bij deze bespreking achter-
wege blijven, evenals die kernen, die eigenlijk al tot het gebied van
den thalamus behooren (al deze kernen zijn niet meer in fig. r
aangegeven).
Van deze kernen zijn een groot aantal verbindingen onderling en
met andere gebieden beschreven, waarvan eenige door vele onder-
zoekers zijn vastgesteld, andere echter vage aanduidingen zijn, die
een enkele schrijver eens heeft meenen op te merken. Zoo zijn de
later te noemen verbindingen, die B r u g s c h, L e w y en D r e-
s e 1 zich dachten toen ze veranderingen constateerden in den nucleus
paraventricularis na een steek in de dorsale vaguskern, nooit be-
vestigd, maar anders is het gesteld met den
tractus supraopticus hypophysis. Kary')
Pines''), Greving') en anderen beschrijven deze verbindings-
baan van het tuber cinereum met de achterkwab. Uit den nucleus
supraopticus begeven zich van beide zijden zenuwvezels achterwaarts
in de richting van het infundibulum om tenslotte in de achterkwab
te eindigen. Greving vindt in de achterkwab tusschen de uit-
loopers der zenuwvezels typisch gebouwde eilandjes, die volgens
hem misschien de plaatsen van interne secretie zijn. Deze structuur
zou ook in het infundibulum te vinden zijn, hetgeen in overeenstem-
') Kary, Virchow's Archiv. 1924, Bd. 252, pg. 734,
Pines, Zeitschr. f. d. Ges. Neur. u. Psych. 192;,' Bd. 100 pg 12t
Greving Zeitschr. f^^ Nervenh. 192^, Bd. 89. pg. 17,; Zeits'chr. f. d.
Ges. Neur. u. Psych. 1926. Bd. 104. pg. 466; Verh. Deutsch. Ges. f Inn Med
1930. Pg- 53-
ming zou kunnen zijn met de ontwikkelingsgeschiedenis van de ach-
terkwab. K a r y vond na een steek in de achterkwab degeneratie
van den nucleus supraopticus en gliarozetten in de buurt van den
nucleus tuberis, maar anderen daarentegen nemen aan dat achter-
kwabafwijkingen geen centrale veranderingen in de kernen ten ge-
volge hebben. Greving neemt in het tuber cinereum-hypophysis-
stelsel een centrifugale geleiding aan.
Verbindingen van andere kernen met dezen tractus supraopticus
Hypophysis, zooals de resultaten van K a r y zouden kunnen doen
vermoeden, worden echter door velen niet aangenomen, hoewel som-
mige onderzoekers banen van den nucleus paraventricularis naar den
nucleus supraopticus of direct naar den tractus supraopticus hypo-
physis beschreven hebben. Dit is ook het geval met een ontelbare
hoeveelheid verbindingen van het tuber cinereum met andere hersen-
gebieden, waarvan men b.v. een uitgebreid stelsel bij Greving
kan vinden, waarbij tevens een hypothetische localisatie van allerlei
Vegetatieve functies in het tuber cinereum is aangegeven. Het heeft
echter geen nut, al deze nog onbewezen dingen hier nader te be-
schrijven. Alleen zij nog vermeld, dat S c h ü r m e y e r ook de
innervatie van de middenkwab bij kikkers vermoedt vanuit het
tuber cinereum.
Hoewel het natuurlijk van zeer veel belang zou zijn, ook den
«jneren bouw van de gangliëncellcn van dit gebied cn van de verschil-
ende kernen nader te beschouwen, om later de degeneratie van die
kernen nauwkeurig te kunnen beschrijven, heb ik deze fijnere cel-
a Wijkingen tenslotte weggelaten en mij ook bij de beschrijving van
e resultaten van de operaties, beperkt tot de grovere anatomische
Wijkingen. Dit besluit, waardoor natuurlijk een gedeelte der ver-
oorzaakte afwijkingen buiten bespreking blijft, kan mij echter vrij-
jaren later conclusies te trekken, die op onvoldoende kennis van
fijnere afwijkingen van gangliencellen zouden berusten.
Greving, Zcitschr. f. d. Ges. Ncur. u. Psych. 1925, Bd. 99. Pg-
•gt; ^chürmeyer, Klin. Wochenschr. 1926, Halbj. II, pg. 2311.
HOOFDSTUK III.
Experimenteele polyurie.
In een uitgebreid overzicht over „Neurophypophysial mechanismsquot;
komt Harvey Gushing') tot het volgende besluit- The
pituitary body is a combined neuro-epithelial organ present in all
cramates. lts purely epithelial lobe is the first of the endocrine
organs to be differentiated in the embryo; its neural portion is an
outgrowth of the oldest part of the brain to be laid down. Herein
he ancestrally important mechanisms common to all species which
have to do not only with their vegetative functions, but with their
primitive instincts in mating, in satisfying hunger and thirst in
restoration from fatigue by sleep, in regulation of body temperature
in selfprotection by combat or escape.quot;
Geen wonder is het, dat dit uiterst belangrijke gebied, dat het
meest centraa en het meest beschut in den kop gelegen is, tot ontel-
bare onderzoekingen aanleiding heeft gegeven (zie o.a. overzicht met
± 250 literatuuropgaven van de laatste 4 jaar van Rathery en
M 011 a r e t % Angstvallig zal ik me trachten te houden aan dat
wat alleen voor het volgende onderzoek van belang is, n.1. de onder-
zoekingen over de water- en zouthuishouding.
Deze voerden, voordat tuber cinereum en hypophysis in het mid-
delpunt der belangstelling kwamen te staan, eerst naar de omgeving
van de 4e ventrikel. Glaude Bernard, Kahler
Eckhard, Finkelnburg 1907, Jungmann en e'
Meyer 1913, Brugsch, D r e s e 1 en L e w y 1920 Veil
1920 hebben een groot aantal onderzoekingen gedaan, meestal bii
konijnen, waaruit bleek, dat naast de suikersteek in de 4e ven
trikei, ook door een steek in deze buurt zout en water in vermeer-
derde mate kunnen worden afgegeven. De meesten vinden hiervoor
') Gushing, Lancet. 1930. VoL 219, pg. „9 en 175
') Rathery en Mollaret, Paris Méd. 1930, pg. 391.
-ocr page 57-ongeveer dezelfde plaats. Volgens Brugse h, Dresel en
L e w y ') o.a. ligt dit punt in de formatio reticularis aan de mediale
zijde van het corpus restiforme, vlak bij de dorsale vagus-kern en
volgens Eckhard in den lobus hydroricus van het cerebellum. De
polyurie, die verkregen wordt, is van korten duur (de enkelen die
langer duurden zouden volgens Finkelnburgquot;) veroorzaakt zijn
door diëetfouten bij de konijnen), terwijl de NaCl-concentratie in
de urine en de totale NaCl-uitscheiding duidelijk verhoogd zijn.
Veil®) vindt hierin in 1920 aanleiding deze 4e ventrikel-polyurie
met polychlorurie en hypochloraemie te vergelijken met den hypo-
chloraemischen diabetes insipidus, die immers hyperchlorurisch zou
zijn. Deze polyurie zou dan tegengesteld zijn aan de experimenteele
tusschenhersenen-polyurie met oligochlorurie, die dan misschien
overeenkomst zou hebben met den hyperchloraemischen vorm.
Brugsch en medewerkers zien na den zoutsteek in de 4de ven-
trikel tevens veranderingen in de corpora mamillaria, in de nuclei'
paraventricularis van het tuber cinereum en in de gangliones ha-
benulae.
Soortgelijke polyurieën waren o.a. door Jungmann en
Meyer bij splanchnicotomie beschreven, doch deze uitkomsten zijn
door Ellinger en Hirt in 1925 tegengesproken. Deze kort
durende polyurieën, die ook wel een enkele aanmoediging uit de
klinische gegevens gehad zouden hebben, zijn geheel op den achter-
grond geraakt. We zullen later zien, dat eventueele zenuwbanen van-
uit de centra in het tuber cinereum naar de peripheric, waarvan men
zou kunnen vermoeden dat zij hier langs liepen, door andere experi-
menteele onderzoekingen uitgesloten schijnen. Tenslotte zij nog ge-
memoreerd, dat K a r p i n s k i vroeger een invloed meent te hebben
geconstateerd van een plaats in den gyrus sigmoideus op de diurese.
Verder hebben alle onderzoekingen zich naar den hypophysis en
den hypothalamus gericht, en wel in het begin zijn hierover mede-
deelingen verschenen o.a. door Cushing in 1913.
Vanaf 1913 verschijnen dan een groot aantal onderzoekingen van
') Brugsch, Dresel en Lewy, Ztschr. f. exp. Path. u. Ther. 19quot;.
pg. 358.
Fitïkelnburg, Dtsch. Arch. f. klin. Med. 1907, Bd. 91, pg. 345-
) Veil, Arch. f, exp. Pathol. u. Pharm. 1920, Bd. 87, pg. 189.
ook Roussy en G o u r-
n a y Bij hun onderzoekingen op honden en katten stelden ze
vast:
de hypophysis is niet noodzakelijk voor het leven (de sterfgevallen
bij hypophysectomie worden alleen door infecties, enz veroor-
zaakt);
hypophysectomie veroorzaakt alleen dan polyurie als de hersenbasis
beschadigd is;
de polyurie treedt ook op bij een steek in het tuber cinereum na
hypophysectomie;
de polyurie is primair, de polydipsie secundair;
de polyyie is zeer vaak temporair (slechts eenig'e dagen bestaande)
maar kan permanent zijn. Zij noemen een geval, o.a. van drie jaar
po yune; zij pubhceeren echter alleen één curve van permanente
Polyurie, waarbij het sectieprotocol vermeldt: laesie van het tuber
cinereum, hypophysis klein en geatrophieerd, cn bij andere per-
manente polyurieën is de hypophysis intact of geschonden-
bij jonge honden geeft de piqûre geen polyurie;
de werking van hypophysis-extract is zeer te'betwijfelen bii deze
polyurieën;nbsp;^
de polyurie ontstaat speciaal bij laesie van den nucleus tuberis-
de werking van dit regulatiecentrum voor de waterhuishouine
wordt met beïnvloed door denervatie van de nieren, want de
polyurie blijft bestaan, of is door een steek nog op te wekken;
zij noemen deze permanente polyurie diabetes insipidus (echter zon-
der eenig verder onderzoek);
tendotte wijzen ook verschillende gegevens omtrent glycosurie, adipo-
sitas en genitaalatrophie in de richting van het tuber cinereum
Dan volgt in 1921 een onderzoek bij C u s h i n g van B a i 1 e y
en Bremer') bij 23 honden waaronder 2 met permanente poly-
«) Camus en R o u s s y, C. R. de la Société de Biologie. 191,
1922; Endocrinology. 1920. Vol. IV, pg. J07; Journ. de Physiol, e d Pathol' Gén'
1922, Tm. 20, pg. yo^ en 535; Anales de Méd. 192^, Tm. i8 pg 4Ö7
Pnbsp;in: Traité de Phys. norm.« pathol. p. Roger.
Pans 1928, Tm. IV, pg. 403.nbsp;^ ^
3) Bai ly en Bremer. Arch, of Intern. Med. 19,1. Vol. 28. pg 77,.
Endocrinology. 1921, pg. 761.
une van 4 en maand (naast de verwonding van het tuber
cmereum was bij één hond de hypophysis intact, bij den andere
lag hij los). Zij constateerden dat:
een polyurie ontstaat door een laesie van de parainfundibulair streek;
bet verband van de polyurie met de corpora mamillaria onbeslist is;
een kleine laesie voorbijgaande, een grootere permanente polyurie
geeft, terwijl te groote laesies doodelijk zijn (apathie, coma, con-
vulsies);
de polydipsie de polyurie kan voorafgaan;
denervatie van de nieren niets aan het optreden of het voortbestaan
van deze polyurie verandert en dat de geringe tijdelijke vermeer-
denng van de polyurie hierbij aan vasomotorische invloeden ge-
weten zou moeten worden;
het optreden van glycosurie inconstant is.
Tenslotte volgt hier de belangrijkste conclusie: „This permanent
polyuria has all the caracteristics of diabetes insipidus in man, e.g.
possibility of concentration when intake of fluids is restricted, when
pituitary extract is injected subcutaneously or in the presence of
ever, excessive polyurie action to the administration of chlorids,
absence of theobromine effect.quot;
Na lezing van hoofdstuk I is het niet onjuist als ik constateer, dat
it Wel zeer oppervlakkig is uitgedrukt, maar waarschijnlijk was het
ook niet de bedoeling hier dieper op in te gaan. Zoo zijn ook de
3 tabellen cn de twee curven, die ons dit moeten bewijzen niet heel
^ Uit de 5 regels over de dorstproef maak ik op, dat de polyurie
oorgaat; de A is dan ± 2,5, vóór de operatie was deze 3,7. De
aCl-conccntratie blijkt op één dag met beperkten toevoer van
'^ater en 10 gr. NaCI echter 1,097 te zijn, vóór de operatie bij vrij
^ater en 10 gr. NaCI 0,92 (bepalingen steeds in 24-uur-porties, dus
?. 'gaarden in sommige afzonderlijke porties zullen hooger geweest
y^ P^ yerking van pituitrine is speciaal te zien in het verloop
^^n de vriespuntverlaging en minder duidelijk in de wateropname
brnbsp;^^^^^ dosis NaCI schijnt in de tabellen juist geen
^ijzonder effect bij de polyurie te hebben, n.1. verdubbeling van de
^oeveelheid urine, zoowel vóór als na de operatie. Wat de snelheid van
c uitscheiding van de extra dosis NaCI betreft, zien we vóór de
operatie, dat in 24 uur van 10 gr. extra 8,8 gr. wordt uitgescheiden,
na de operatie van 10 gr. extra i maal in denzelfden tijd 12 gr.,
de volgende maal 7,1 gr. NaCI. Noch de door hen geconstateerde
snelle uitscheiding van NaCI, noch de karakteristieke polyurische
werking van het zout bij de polyurie is hier te zien.
Bailey en Bremer hebben ons dus wat de eigenschappen
van deze experimenteele permanente polyurie betreft niet veel ver-
der geholpen, al is het meer dan de eenvoudige aanname van
C a m u s en R O u s s y, dat permanente polyurie diabetes insipidus
is. Localisatie van de plaats, waar de polyurie in het tuber cinereum
zou opgewekt worden, gelukt hen niet (zie hun schematisch over-
zicht van de aangebrachte verwondingen).
H o u s s a y en medewerkers die zich de laatste jaren meer
speciaal met het probleem der koolhydraatstofwisseling in verband
met het pancreas en het tuber cinereum bezig houden, hebben, hoewel
geen permanente polyurieën verkregen werden, het volgende ge-
constateerd:
hypophysectomie behoeft geen polyurie te geven;
dieren zonder hypophysis hebben een vertraagde wateruitscheiding;
honden zonder hypophysis hebben geen afwijking in hun bloed- of
urinesamenstelling;
polyurie zou veroorzaakt worden door een afwijking in het infun-
dibulum.
Ook M c. M i c k e n H a n c h e 11 heeft slechts voorbijgaande
polyurie kunnen opwekken, waarbij hij constateerde dat:
laesies van den hypophysis niet constant polyurie veroorzaken-
tractie aan den hypophysis de polyurie in sterkere mate kan doen
optreden;
de polyurie noch een hypo-, noch een hyperfunctie van de achterkwab
kan zijn, maar waarschijnlijk zijn oorzaak heeft in stimulatie van
den bodem van den 3den ventrikel of van de corpora mamillaria.
C u r t i s =■) gelukte het na een groot aantal operaties eenige dieren
met tijdelijke polyurie en één hond met permanente polyurie te ver-
gt;) Hou s say c.a., C. R. d. 1. Soc. d. BJol. 1918—1929.
2) Mc. Mie ken Ranch ctt, Amcric. J. of the Med. Sciences. 192'
Vol. 163, pg. 685.nbsp;^
») Curtis, Arch, of Intern. Med. 1924, Bd. 34, pg. goi.
-ocr page 61-krijgen. Deze permanente polyurie die na ± 4 maanden weer lang-
zaam verdween, is uitgebreid onderzocht en het is daarom van
belang hier nader op in te gaan. Nadat vanaf de temporale zijde
een steek was aangebracht in de buurt van het infundibulum, ont-
stond een polyurie gedurende vijf dagen, waarna èn de hoeveelheid
urine èn het s.g. weder normaal werden gedurende vier dagen. Hierna
ontwikkelde zich opnieuw een polyurie, wisselend in sterkte en met een
niet zoo bijzonder sterk verlaagd s.g. en NaCl-concentratie (echter
steeds lager dan de NaCl-concentratie van het bloed), waarna de
Polyurie langzamerhand weder afneemt tot normaal. De nieren blij-
ken bij een phenolsulphonphthaleïneproef een normale uitscheiding
te kunnen bewerkstelligen. Een NaCl-toegift geeft toename van
Polyurie en polydipsie; beperking van den watertoevoer, ook gecom-
bineerd met een NaCl-toegift, doet zien dat het concentratievermo-
gen intact is. Het NaCI-gehalte van het plasma is iets hooger dan bij
normale dieren, toediening van pituitrine bij vrije opname van water
doet de afwijkingen in urinehoeveelheid en concentratie verdwijnen.
De polydipsie ging waarschijnlijk aan de polyurie vooraf. Bij het
niicroscopisch onderzoek van de hersenen blijkt er een cyste in den
hypothalamus te bestaan, links tusschen chiasma, begin van den
tractus opticus, basis, fornix en infundibulum, terwijl over de achter-
kwab het volgende vermeld is. De hypophysis Is omgeven door een
kapsel van fibreus weefsel; de achterkwab is van het tuber cinereum
gescheiden door dicht llttcekenweefsel en is geatrophieerd. Er is geen
achterkwab-arterie te vinden. De pars anterior, intermedia en tu-
beralis zijn normaal. Bij zijn beschrijving blijft In het duister of de
genoemde scheiding van tuber cinereum en achterkwab door littee-
kenweefsel de aanhechting van de achterkwab aan infundibulum en
tuber cinereum betreft, of dat dit lltteekenweefsel zich uitstrekt
achter de hypophysis-aanhechting, waar Immers de geheele hypo-
physis als het ware teruggeslagen tegen het tuber cinereum aanligt.
Er zijn ook geen photo's die dit verduidelijken. Curtis zelf komt
tot de conclusie, dat de symptomen bij zijn hond met permanente
Polyurie waargenomen, het meest doen denken aan de menschelijke
primaire polydipsie. Met deze conclusie is, na hetgeen wij in hoofd-
stuk I aangaande deze afwijking geconstateerd hebben, zeer goed
te stemmen.
Gournay en Le Grand') zlen een enkele maal perma-
nente Polyurie optreden, (waarbij geen bijzonderheden omtrent de
locahsatie vermeld zijn) maar hierbij deelen zij slechts mede, dat daar
het concentratie-vermogen intact was geen bijzonderheden van deze
Polyurie werden geconstateerd, ook niet in het bloed. Het uitblijven
van invloed van ontzenuwen der nieren stemt overeen met wat
Bailey en Bremer daarbij vonden. Verder merkten zij op,
dat inspmten van de urine van honden met polyurie bij normale hon-
den, geen polyurie veroorzaakte. Ook gekruiste verbinding der caro-
tiden bij normale en polyurie-honden gaf geen bijzondere verschiin-
selen.
Maddock^') heeft door zilveren klemmetjes om de aanhech-
ting van den hypophysis aan te brengen, mooie polyurieën kunnen
opwekken. Hierbij was dus zoowel de zenuwgeleiding als de even-
tueele secreetafvoer onderbroken.
S h a r p e y Schäfer') besluit, dat de oorzaak van de polyurie
met gelegen is in de tusschenhersenen, maar een stoornis is in de
nerveuse en vasculaire verzorging van den hypophysis.
M O g 11 n 11 z k y *), die zijn experimenten uitvoert met behulp
van rontgenbestraling, zag o.a. een door gliaproliferatie gedeformeer-
de achterkwab, atrophic van de voorkwab cn dubbelzijdige dege-
neratief atrophische veranderingen in den nucleus supraopticus. Dit
geeft hem den indruk van een ontaarding van den tractus supra-
opticus hypophysis.
In een andere richting beweegt zich het onderzoek van B o u r-
quin'), echter zijn al deze volgende conclusies gebaseerd op ge-
vallen van polyurie van eenige dagen. De polyurie wordt opgewekt
door cauterisatie van de corpora mamillaria en wel door irritatie,
') Gournay en Lc Grand, Ann. de Méd. 1925, Tm. 18. n. 7,v
ook Roussy en Gournay, I.e. (blz. ...).
2)nbsp;M a d d O c k, geciteerd naar Gushing.
3)nbsp;Sharpey Schäfer. Autoreferaat Ber. ü. d. Gess. Phys. 1927 Bd xS
Pg- 271-nbsp;■ '
Mogilnitzky. Autoreferaat. Ber. ü. d. Gess. Phys. 1928. Bd. 44. pg.
276.
gt;) Bourquin, Amer. J. of Phys. 1927, Vol. 79, pg. jg, ^n Vol. 83, pg.
125; 1931, Vol. 96, pg. 66.
daar uitschakeling van dit gebied door grootere verwoestingen geen
polyurie veroorzaakt. Volledige destructie van alle weefsels binnen
den Circulus Willisi geeft geen polyurie, terwijl, als hierbij de cor-
pora mamillaria geheel of gedeeltelijk getroffen zijn, de polyurie wel
optreedt. Dit wijst dus ook op de prikkeling van de corpora mamil-
i^aria als oorzaak en sluit uitval van een anti-diuretisch achterkwab-
hormon, dat eventueel vervoerd of tevens gemaakt wordt in infundi-
bulum en tuber cinereum, als oorzaak uit. De polyurie is primair en
ontstaat niet door hypophysectomie. De werking op de peripheric wordt
niet langs zenuwbanen overgebracht, want doorsnijding van het hals-
berg, dubbelzijdige vagotomie of „uitschakeling van den parasym-
Paticusquot; door vergiftiging met atropine heeft geen invloed. Gekruiste
circulatie tusschen een hond met polyurie en een normaal dier geeft
geen, of slechts een uiterst geringe cn kortdurende polyurie bij het
normale dier, welke geringe toename echter nooit ontstaat bij een
dergelijke proef tusschen twee normale honden. Daaruit ontstaat bij
aar het denkbeeld van de vorming van een diuretisch werkende stof
m dit operatiegebied. Deze stof kan B o u r q u i n ook inderdaad
m de corpora mamillaria aantoonen, terwijl die stof in vermeerderde
niate voorkomt bij honden met polyurie en niet in andere hersen-
gedeelten is te vinden. In het bloed van honden met polyurie (waarin
geen afwijkingen voorkwamen betreffende het NaCI) is deze d i u r e-
1 s c h werkende substantie te vinden en niet bij normale dieren,
lar' ^^^^ conclusies dus in de richting van de corpora mamil-
^aria, ook wel in haar laatste mededeeling meer algemeen genoemd
la^at^^quot;^^'^ gedeelte van den hypothalamus, dan valt toch in die
^^atste mededeeling iets bijzonders op, wat zij niet in haar conclusies
zijn recht laat komen. Bij dit onderzoek op een zeer groot aantal
quot;onden komt één groep voor, die langer is geobserveerd. Drie daar-
hoenbsp;quot;diabetischquot; na 3 tot 3^ maand en leveren een urine-
jj geelheid resp. van 1850 cc., 750 cc. en 1000 cc. per dag. Meer
niet over deze dieren vermeld behalve het hersenonderzoek, dat
volgende uitkomsten peft:
het^ quot;quot; is het infundibulum en het naburige gedeelte van
et tuber cinereum gekwetst, terwijl één corpus mamillare ver-
bj. j ^^ het ze gelaedeerd is;
en zen hond was het infundibulum gekwetst cn het weefsel, dat
-ocr page 64-het ventrale gedeelte van den 3en ventrikel bedekt, was aange-
daan door het caudale gedeelte van het tuber cinereum en de cor-
pora mamillaria;
bij den 3 en hond waren tuber cinereum, infundibulum en corpora
mamillaria gedeeltelijk gekwetst.
De eenige maal dat dus van polyurieën van längeren duur sprake
is, zien we naast de laesies van de corpora mamillaria eveneens af-
wijkingen in infundibulum en tuber cinereum.
In 1928 bevestigt K a r 1 i k nog eens de proeven van Camus
en R o u s s y, waarbij opgemerkt wordt dat de polyurie, die alleen
volgt na verwonding van het tuber cinereum, meestal afwijkingen
doet vinden in den nucleus supraopticus en den nucleus paraventricu-
laris. Bij deze proeven werd één dier vermeld met een polyurie van
längeren duur.
Rubio en Ramire z-C o r r i avermelden geen nieuwe fei-
ten en ook geen permanente polyurieën.
R i c h t e r kon permanente polyurie opwekken bij ratten door
het aanbrengen van een verwonding in den hersenstam in de buurt
van den hypophysis. De polydipsie was waarschijnlijk primair. Hij
deed geen verder onderzoek over deze polyurieën. De localisatie van
de plaats waar de polyurie werd opgewekt zou in een latere mede-
deeling verschijnen, die mij echter ontgaan is, doch C u s h i n g zegt,
dat deze plaats bij deze proeven waarschijnlijk in de buurt van den
nucleus supraopticus ligt.
quot;Warner bericht in 1931 over een hypophysectomie, gecomr
bineerd met een mediale laesie van den bodem van den 3en ventrikel,
die beiderzijds den nucleus tuberis en den nucleus hypothalamicus
anterior gedeeltelijk verwoest. Deze hond had gedurende een half
jaar polyurie; toen werd hij opgeofferd. De schrijver beschouwt spe-
ciaal den nucleus tuberis als zeer belangrijk voor de waterhuishouding.
Reynolds en Spiegel') hebben na vele operaties bij ko-
gt;) Karlik, Zcitschr. f. d. gcs. cxp. Med. 1928, Bd. 61, pg. j.
2)nbsp;Rubio en R a m i r e z-C o r r i a, C. Rend. d. 1. Soc. d. Biol. 1927,
Bd. 97, pg- 589-
3)nbsp;Richter, Brain, 1930, Vol. 53, pg. 76.
*) Warner, Journ. of nerv. a. ment. Disaeses, 1931, Bd. 73, pg. 375.
5) Reynolds en Spiegel, Zeitschr. f. exp. Med. 1930, Bd. 70, pg. 504.
nijnen 2 maal een lichte polyurie zien ontstaan na piqûre in het
voorste gedeelte van den nucleus caudatus.
Vele andere schrijvers, die zich met het onderzoek van hypophysis
en tuber cinereum hebben bezig gehouden, worden hier verder niet
besproken, daar zij hun aandacht meer speciaal gewijd hebben aan
andere verschijnselen, zooals: groei, slaap, temperatuur, koolhydraat-
stofwisseling, kleur, voortplanting, obesitas, enz.
Slechts in het kort worde nog gememoreerd, dat Pohle na
exstirpatie van den hypophysis bij kikkers oedeemvorming consta-
teerde. Dit onderzoek werd in 1924 door Jungmann en Ber-
na r d t ') uitgebreid. Zij komen tot de conclusie, dat bij kikkers een
Verwonding van de corpora bigemina of van het infundibulum poly-
urie veroorzaakt, en dat achterkwabexstirpatie of laesie van de tus-
schenhersenen polyurie veroorzaakt, waarbij tevens een stoornis in
de zouthuishouding optreedt in den vorm van oedeem. Daar bij
achterkwabexstirpatie het infundibulum steeds iets verwond zal wor-
den, zou volgens hen de conclusie te trekken zijn, dat zoutstofwisse-
1'ngsstoornissen speciaal afhankelijk zijn van den hypophysis.
Koster en Geesinkquot;) vonden na hypophysectomie bij
honden hypertrophie van den lobus bifurcatus en bij jonge dieren
tevens hypertrophie van den parahypophysis. Hierdoor zouden
eenige tegenstrijdige uitkomsten bij hypophysectomie verklaarbaar
kunnen zijn, doch slechts voor het glandulaire gedeelte, want van deze
hypertrophicerende gedeelten is niet een overname van achterkwab-
functie te verwachten. Deze hypertrophie is echter ook wederom
tegengesproken door Karlik en Robinson').
S k O b 1 O voegt tenslotte nog trophische stoornissen aan het
symptomencomplex van tuber cinereum en hypophysis toe.
Bij verschillende gevallen van encephalitis heeft men ook getracht
tot een localisatie van de opgetreden verschijnselen te komen, echter
zonder resultaat. Tot slot van deze opsomming van de experimenteele
polyurieën zij vermeld, dat de glycosurie, die o.a. volgens de onder-
Jungmann en Bernard t, Zcitschr. f. klin. Med. 1924, Bd. 99lt;
Koster, Ztschr. f. exp. Med. 1928, Bd. 60, pg. 13$ cn Bd. 6}, pg- 799-
) Karlik en Robinson, Pflüg. Arch. 1931, Bd. 227, pg. 480-
) S ko blo, Ztschr. f. exp. Med. 1930, Bd. 73, pg. J7-
zoekingen van Camus soms in verband werd gebracht met den
nucleus paraventricularis, bij een onderzoek van D e w u 1 f f, in
die kern juist niet experimenteel was op te wekken, maar wel op
andere niet omschreven plaatsen in het tuber cinereum.
quot;Wat hebben nu al deze onderzoekingen ons geleerd? Het eerste,
dat opvalt is, dat de permanente polyurie veel moeilijker op te
wekken is dan de tijdelijke, terwijl deze experimenteele permanente
polyurieën nog zeer onvoldoende vergeleken zijn met de mensche-
lijke polyurieën. Herhalen wij nog kort wat over dit laatste bij de
polyurieën na tuber cinereum-steek bekend is geworden, dan vond
dus:
Curtis bij een hond met een tuber cinereum-afwijking en atrophie
van de achterkwab, symptomen van primaire polydipsie;
Bailey en Bremer bij twee honden met tuber cinereum-afwij-
kingen (bij één dier een normale, en bij het andere een losliggende
normale achterkwab), volgens henzelf symptomen van den men-
schelijken diabetes insipidus. Deze bestonden echter in een intact
concentratievermogen, polyurie na extra NaCl, reactie op pituitri-
ne, dat wil dus zeggen dezelfde symptomen als bij den hond van
C u r t i s en dus eigenlijk evenzeer de verschijnselen van primaire
polydipsie;
Camus en Roussy meerdere permanente polyurieën, waarvan
slechts éénmaal een curve van het verloop werd aangegeven, waar-
bij aangeteekend was, dat naast de verwonding van het tuber ci-
nereum de achterkwab klein en atrophisch was. Uit eenige korte
verslagjes blijkt echter bij sommige permanente polyurieën de hypo-
physis normaal te zijn geweest. Over de symptomen van de per-
manente polyurieën wordt door hen niet gesproken;
Gournay en Le Grand bij de permanente polyurieën een
intact concentratievermogen;
Bourquin bij de permanente polyurieën ook steeds een tuber
cinereum- of infundibulum-afwijking, naast de verwoesting van
één of beide corpora mamillaria. Ook deze polyurieën zijn niet
verder onderzocht;
Warner eenmaal permanente polyurie, waarbij o.a. de hypophysis
ontbrak.
Deze gegevens zijn dus nog zeer onvoldoende, maar wijzen meer
-ocr page 67-m de richting van primaire polydipsie, dan van diabetes insipidus.
Daarnaast zullen we ook voorzichtig moeten zijn, zooals uit de ge-
gevens blijkt, den hypophysis tegenover het tuber cinereum niet te
veel uit het oog te verliezen. Immers al is het heel opvallend, dat
hypophysectomie geen polyurie behoeft te veroorzaken, en al kan
het tuber cinereum in abnormale omstandigheden zelf ook achter-
kwab-hormon maken, bij de bovengenoemde experimenteele poly-
urieën blijkt toch ook zeer vaak een afwijking van den hypophysis
gevonden te zijn.
De tijdelijke 4e-ventrikel-polyurieën en de beschouwingen, die
V p 1 daaraan gewijd heeft, ook in verband met de tuber cinereum-
Polyurieën, zijn door de latere onderzoekingen allerminst duidelijker
geworden. De mogelijkheid van zenuwbanen, vanaf centra in het
tu^ber cinereum via deze plaatsen bij de 4e ventrikel naar de peri-
pheric, zijn door de experimenten vrij onzeker geworden.
Wat de localisatie van één of meerdere centra voor de water- en
zouthuishouding betreft zijn we nog niet veel verder gekomen. Door
ae veelal gebrekkige anatomische beschrijving valt hier nog niet veel
quot;leer van te zeggen dan dat de nucleus tuberis en de nucleus supra-
opticus als centra belangrijk voor de diurese genoemd zijn, maar in
noofdstuk II hebben wij op de moeilijkheid gewezen, die verbonden
^ou kunnen zijn aan de aanname van een dergelijke functie in den
nucleus tuberis.
Wat de anatomie van het tuber cinereum en den hypophysis en
unne verbindingen, zoowel langs zenuw- en bloedbanen als langs
ymph- en weefselspleten betreft, zijn wc echter van vele gegevens
voorzien.
In de volgende hoofdstukken zullen we moeten zien of de daar
schreven experimenten iets toe kunnen voegen aan onze kennis
Omtrent de experimenteele polyurie en daardoor aan de wetenschap
omtrent de oorzaak van den diabetes insipidus of omtrent de rege-
g van de water- en zouthuishouding. Bij de bespreking van de
gen resultaten zullen wc ook op de hier vermelde onderzoekingen
en teruggrijpen en kunnen we dus met deze opsomming volstaan.
HOOFDSTUK IV.
Werkmethoden cn algemeene uitkomsten»
Op zes verschillende manieren kan men het gebied van tuber ci-
nereum en hypophysis bereiken, n.1. i. van de temporale zijde (o.a.
P a u 1 e s c O, Gushing), 2. langs buccalen weg (o.a. Aschner),
3. door de orbita (o.a. Grünstein), 4. transcerebraal (o.a. Lo
Monaco en Van R ij n b e r k, C a m u s), 5. parapharyn-
geaal (Richter) en 6. door den sinus frontalis. Bij dit onderzoek
zijn de twee eerste methoden gebruikt; van de uitvoering volgt hier
een korte beschrijving. De andere methoden hebben allen het nadeel,
dat men het gebied van den hypophysis niet te zien krijgt, terwijl de
parapharyngeale weg tot nog toe slechts bij ratten werd gebruikt.
Operatie vanaf de temporale z ij d e :
zijligging, na morphine-injectie aethernarcose met kap, ontharing
van den zijkant van den kop, verticale incisie over den musculus tem-
poralis, onderbinding van de groote venae boven den jukboog, resectie
van den jukboog, de musculus temporalis wordt los gepraepareerd
van den processus coronoideus mandibulae, eventueele resectie van
den processus coronoideus als hij te hoog is, terugslaan van den ge-
heelen musculus temporalis om zijn bovenste aanhechting, hand-
trepanatie van het os temporale, vergrooting van deze opening zoo-
veel mogelijk basaalwaarts, een eventueele sterke diploë-bloeding
stelpen met heete was, onderbinding van de vaten op de dura, dura-
opening, kop daarna met trepanatieopening meer naar onderen ge-
richt, met behulp van wattenpropjes de temporaalkwab van de
Tn deze artikelen is een dergelijke operatietechniek beschreven (zelfde
nummering).
«) Karplus cn KreidI, Ztschr. f. biol. Tcchnik u. Method. 1910, Bd. 2,
pg- M-
RoussyenGournay, l.c.
3) Grünstein, Pflüger's Arch. 1930, Bd. 224, pg. ig,.
*) D e w u 1 f f, l.c.
5) RicHtcr, l.c.
-ocr page 69-schedelbasis verwijderen. Door meer of mindere uitgebreidheid van
het trepanatiegat en door een juiste ligging van den kop kan de
temporaalkwab zoo ver van de schedelbasis worden verdrongen, dat
het infundibulum zichtbaar wordt. Naar voren is dan de tractus
opticus en de carotis interna en naar achteren de nervus oculomoto-
nus te zien. Na aanbrenging van de verwoesting met een instrument
met scherpen punt of na wegname van den hypophysis, die uit de
sella turcica moet gelicht worden, geen sluiting van de dura, daar
de slippen te sterk gekrompen zijn. Als slot sluiting van spier- en
huidwond.
Velerlei afwisselende vormen van deze operatie zijn beschreven.
De wijd geopende bek om den processus coronoideus lager te brengen
IS lastig in verband met de kapnarcose en kan evengoed door een
resectie van een klein gedeelte van dit beenstuk worden vervangen.
De door sommigen aangegeven methoden om de hersenen te ver-
kleinen o.a. inspuiting van hypertonische NaCl-oplossing, zijn niet
noodzakelijk. De genezing ging meestal vlot, maar een enkele maal
Z'jn epileptische aanvallen opgetreden. De dieren herstelden zich niet
later dan een dier dat alleen een morphine-injectie heeft gehad, ter-
wijl de voedselopname meestal den tweeden dag, soms echter ook
reeds den dag na de operatie weder normaal verloopt. Het zelden
optreden van herseninfecties is wel het groote voordeel van deze
operatiemethode boven die langs buccalen weg, maar door de
nchting waaruit men het tuber cinereum nadert, heeft men het na-
deel, dat men de verwonding zeer vaak te lateraal aanbrengt. Een
enkele maal was een bloeduitstorting in de temporaalkwab te con-
stateeren, terwijl tenslotte nog als nadeel van deze methode moet
Vermeld worden, dat men bij het verwijderen van de hersenen van
e schedelbasis steeds tractie zal uitoefenen aan het chiasma, de
carotis interna en eventueel aan het infundibulum.
operatie langs buccalcn weg:
quot;■quot;ghgging, lengteas onder een hoek van ± 45° met horizon, wijd
^engesperden bek, na morphine-injectie aethernarcose volgens
^ e 11 z e r, waarbij door een buis om de insufflatiecanule via een
^ -stuk en lange afvoerbuis de uitademingslucht wordt verwijderd,
^mponade van de keelholte, al of niet desinfectie van den bek, lengte-
incisie door het weeke verhemelte die door 4 draden wordt open-
gehouden, tampon in de neusholte voor en achter, kruisincisie door
het slijmvlies van den achterwand van de neusholte en terugschuiven
van de slippen, electrische trepanatie van het os sphenoïdale ter
hoogte van de sutura tusschen os sphenoïdale anterior en posterior,
voorzichtige verwijdering van de laatste beenlamellen en zorgvuldig
sparen van den lateralen onderrand van het trepanatiegat waar de
sinus venosus blauw doorschemert, opening van het hersenvlies en
daarna aanbrenging van de verwonding.
Sluiting op twee manieren: óf het trepanatiegat blijft open, de
geringe afvloeiing van het cerebrospinaalvocht geeft uitspoeling en
we sluiten dus slechts het weeke verhemelte. Maar, daar eenige dieren
na hypophysectomie langs buccalen weg spoedig stierven, waarbij
een groote hoeveelheid liquor bleek te zijn afgevloeid (ventrikel-
opening?) werd later in dergelijke gevallen het trepanatiegat gesloten
met behulp van een zilveren plaatje en een afdrukmassa (zooals in
de tandheelkunde gebruikt wordt); de zoo behandelde dieren bleven
in leven. Bij deze buccale operatiewijze zijn de verwondingen veel
gemakkelijker op de juiste plaats in het mediale gedeelte van de
hersenbasis aan te brengen, t'rwijl de operatie ook veel eleganter is
dan de grove ingreep aan de temporale zijde. Doordat men bij de
buccale operatie door een niet steriel gebied moet manipuleeren, is
echter het aantal dieren, dat een infectie oploopt veel grooter, het-
geen dus een groot nadeel is. Het herstel is ook hier afhankelijk van
den duur der morphinewerking, terwijl de voedselopname zich iets
sneller herstelt.
Volgens deze beide methoden werden in den loop van den tijd ook
eenige controle-operaties uitgevoerd, waarbij slechts het aanbrengen
der verwoesting achterwege bleef. Op één uitzondering na ontstonden
geen polyurie en geen concentratieafwijkingen. Deze eene uitzondering,
waarbij het dier een toename der urinehoeveelheid vertoonde, ging in
24 uur te gronde, met een temperatuur van 40,6° en bij sectie bleek
er een meningitis en hypophysaire bloeding te bestaan. Zonder uit-
zondering mogen we dus in de optredende afwijkingen een verschijn-
sel zien, dat door de gemaakte laesie in eerste instantie opgewekt is,
hetgeen ook de andere onderzoekers naar aanleiding van hun con-
trole-operaties besluiten.
Bij de dieren die verder werden onderzocht, werd na deze eerste
operatie nog een kolpotomie verricht, om het catheteriseeren te ver-
gemakkehjken.
Het onderzoek werd verricht op honden, die gedurende het geheele
onderzoek in stofwisselingskooien leefden. Deze honden werden vaak
meerdere malen achtereen geopereerd. Alle dieren kregen eenmaal
daags voedsel en wel gelijke hoeveelheden per K.G. lichaamsgewicht
(n.1. 10 gr. vleesch, 20 gr. brood en 12]^ c.c. melk per K.G.), terwijl
ze voorts vrij waterdrinken hadden, dat hen in het begin geregeld
werd aangeboden, later echter door een installatie permanent in de
kooi aanwezig was, zonder dat een mogelijkheid van morsen bestond.
Indien de dieren slecht aten is dit in de curven aangeteekend, daar
de sterkte van de polyurie daardoor natuurlijk ook beïnvloed zal
worden. De opgenomen hoeveelheid NaGl is bij alle dieren per K.G.
lichaamsgewicht dus gelijk, maar er blijven niet te ontkomen dage-
lijksche schommelingen in het zoutgehalte van de afzonderlijke deelen
van het voedsel mogelijk.
lederen dag werd bij de dieren, bij de honden met permanente
polyurie dus maandenlang, de opname van voedsel, de opname van
water en de hoeveelheid urine gecontroleerd, terwijl in dfc urine altijd
het s.g. en de NaCl-concentratie werd nagegaan. Zoo ontstonden
dus overzichten van het geheele verloop van de polyurieën, waarbij
ook steeds een normale periode vóór de operatie werd opgenomen.
Gedeelten van deze curven zijn voor de honden met permanente
Polyurie hierbij gevoegd. Op sommige dagen werden de dieren aan
verschillende proeven onderworpen, waarbij dan tevens een aantal
andere bepalingen in de urine cn ook in het bloed werden verricht.
De verschillende bepalingen') werden verricht volgens de hier-
onder te vermelden methoden:
Bepalingen van het soortelijk gewicht werden verricht met behulp
van areometer of Pyknometer.
De concentratie van het NaCI werd in de urine bepaald volgens
de methode van Volhard (macrobepaling).
De vriespuntverlaging in de urine werd met behulp van den kryo-
skoop van Dekhuyzen bepaald, waarbij opgemerkt wordt, dat
') O.a. Pincusscn, Mikromcthodik. Leipzig 1928.
-ocr page 72-alle hier vermelde uitkomsten de schijnbare vriespuntverlaging aan-
geven en dat dus de omrekening in de werkelijke vriespuntverlaging
achterwege is gelaten, zooals dat gewoonlijk geschiedt. (Zie hierover
Cohen Tervaert')).
De
ureum-concentratie in de urine werd bepaald volgens de
methode van Van S 1 ij k e en Gullen, waarbij ammoniak-stik-
stof -f- ureum-stikstof wordt bepaald met behulp van urease (berei-
ding uit soja-boonenmeel met permutit) en daarnaast een ammoniak-
stikstof bepaling. Hierbij werd gebruik gemaakt van het toestel, door
Gohen Tervaert en Van Lier') beschreven, voor het
gelijktijdig verrichten van meerdere bepalingen.
In het totale bloed, in het plasma en in het serum werd het NaGl-
gehalte bepaald door middel van natte verassching en microtitratie
volgens Volhard. De gevonden waarden zijn steeds het gemid-
delde van een duplobepaling met een onderling verschil kleiner dan
X %. Het NaGl-gehalte van het serum werd bepaald, omdat we in
de onderzoekingen van Veil en Meyer steeds slechts de waar-
den voor het zoutgehalte van het serum vinden vermeld, en er mij
veel gelegen is aan vergelijkbare cijfers met hunne uitkomsten. Uit
de onderzoekingen van Hamburger en diens leerlingen is het
bekend, dat er verschil bestaat tusschen serum- en plasmachloriden.
De plasmachloriden zijn hier het belangrijkste, en ten overvloede
werd ook het NaGl-gehalte van het totale bloed bepaald.
De NaGl-bepalingen in de weefsels werden eveneens verricht door
middel van natte verassching en macrotitratie volgens Volhard.
Het haemoglobinegehalte van het bloed werd bepaald met behulp
van den colorimeter van K 1 e 11, waarbij de waarden uitgedrukt zijn
in grammen per loo c.c. totaal bloed.
Tenslotte werden de dieren tijdens het onderzoek steeds gecontro-
leerd op eiwit in de urine. Was dit aanwezig dan werden die dieren
niet gebruikt.
Op de proefdagen werd er steeds voor gezorgd, dat de toegediende
hoeveelheid voedsel volkomen gebruikt werd, om vergelijkbare toe-
1)nbsp;Cohen Tervaert, Onderz. lab. v. Phys. Scheik. te Utrecht. 1921,
Deel I, pg. 35-
2)nbsp;Cohen-Tcrvacrt en Van Lier, Ned. Tijdschr. v. Gcnecsk. 1916,
Bd. 2B, pg. 1457.
standen in deze proeven te verkrijgen. Mislukte de voedselopname,
dan werd de proef afgebroken.
Hoewel ik er mij zeer goed van bewust ben, dat vele andere be-
palingen ook van belang zouden geweest zijn, en dat voor het trekken
van conclusies het ontbreken van eenigen van dezen, speciaal wat
het bloed betreft, te betreuren is, kon onmogelijk het onderzoek van
de verschillende porties van urine en bloed op de proefdagen nog
verder worden uitgebreid. Een aantal belangrijke verschijnselen zal
men in ieder geval toch zeer goed uit de nu verkregen gegevens
kunnen constateeren.
Terwijl op gewone dagen slechts 24-uur-porties werden nagegaan,
werd op proefdagen, die meestal duurden van 8 tot 22 uur, ver-
schillende porties onderzocht. Een aantal van deze proeven werd
ook bij normale honden onder geheel gelijke omstandigheden, ook
van diëet, herhaald.
Deze onderzoekingen hebben zich uitsluitend beperkt tot de water-
en zoutbewegingen. Van de andere verschijnselen van tuber cinereum-
en hypophysis pathologie werden slechts eenige korte gegevens opge-
teekend. Zoo werd geconstateerd, dat na enkele operaties een of twee
dagen daarna suiker in de urine aanwezig was, in tegenstelling met
voor de operatie. Zeer vaak kwam dit niet voor en een langer du-
rende glycosurie werd in géén van de gevallen gezien. Adipositas deed
zich bij één hond in sterke mate voor, zooals later nog wordt be-
schreven. Temperatuurafwijkingen werden vaak kort na de operaties
pzien, maar het is uiterst moeilijk, hier eenige conclusie te trekken
m hoeverre of dit door de verwoesting in de hersenen veroorzaakt is,
of slechts een gevolg is van infectie of afkoeling na de operatie. Wat
den slaap betreft zijn hier in het geheel geen opmerkingen te maken,
daar de duidelijkste afwijkingen waarschijnlijk in den tijd van de
nawerking der morphine zouden gevallen moeten zijn. In ieder geval
Wordt dus opgemerkt, dat geen van de dieren enkele dagen na de
operatie een andere afwijking vertoonde dan de polyurie, behalve
dat zich één geval van blijvende sterke adipositas voordeed.
De honden werden tenslotte opgeofferd; bij de dieren met per-
manente polyurie geschiedde dit terwijl de polyurie nog in gelijke
mate bestond en de dieren overigens volkomen gezond waren. Er
Werd volledige sectie gedaan. De hersenen werden door inspuiting
Bijzonderheden
ope-
ratie
Hond
aangebr.iaesie
poly
afloop
une
r. temp. j steek tub. cin.
I. temp. ihyp. abl. steek
r. temp. | steek tub. cin.
» j geen steek
,nbsp;I
1. temp. ; „
r. temp. | steek tub. cin.
, I
1. temp. ; » „ «
r. temp. j bloeding, geen st.
i I. temp. , steek tub. cin.
! r. temp. » » „
hyp. abl. geen st.
geen steek
steek tub. cin.
geen
1 jaar
geen
dag
1. temp.
r. temp.
• I. temp.
! r. temp.
j I. temp.
! r. temp.
1. temp.
j r. temp.
I
, 1. temp.
.^emp.
26
28
29
30
31
«leek achterkwab
steek tub. cin.
geen steek
steek tub. cin.
t*nbsp;Wnbsp;M
hyp. abl. ateek
steek tub. cin.
geen steek
Mnbsp;m
hyp. abl.
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
r. temp. j atcck tub. cin.
I. temp. jhyp. abl geen at.
r. temp. j steek tub. cin.
buccaal / geen steek
r. temp. ƒ steek tub. cin-
buccaal
5
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
t24u.p.o.
I
i
I
148 U.p.o.
■fquot; operatie
■{■48 u.p.o.
O.
^24u.p.o.^ macrosc.: tubet cinereum steek links.
n macrosc.: tuber ciner- êtëeJc.'hJ^j^linTbreZkt '^geheè/.
'f4Su.p.o./
/ƒ g'cen sectie,
quot;fquot; operatie
microsc.: tub. cin. steek; kernen en hyp. intact
microsc.: hyp. en infund. laesie; tub. cin. steek in gebied van n. tuberis.
microsc.: meningitis; laesie van n. supraopt., tuberis, inf. en hyp.
microsc.: tuber cin. steek tot n. paraventr. dextra; hyp. laesie,
geen sectie,
geen sectie.
brengt 4 weken later 5 levende jongen ter wereld,
microsc.: tub. cin. steek; infundib. en hyp. laesie
tub. cin. steek (volgt later).
microsc.: geen steek; meningitis en hyp. bloeding,
microsc.: tub. cin. en hyp. intact,
tub. cin. steek (volgt later).
microsc.: tub. cin. steek o.a. bij n. supraopt. dextra; hyp. laesie,
microsc.: meningitis.
dubbelzijdige pneumonie en longabsces; geen hersensectie.
geen sectie.
tub. cin. en hyp. intact (volgt later).
pneumonie; macrosc.: hyp. ontbreekt,
hyp. ontbreekt (volgt later).
geen sectie,
geen sectie.
tub. cin. steek en hyp. abl. (volgt later).
hyp. verwonding (ygt;olgt later).
geen
1' en 2' dag
geen
I hypophysis ontbreekt,, tuber ciner. steek (volgt later).
geen sectie.
I microsc.: geen enkele afwijking van hyp. of tub. cin.
epileptische aanvallen; geen sectie.
I tuber cinereum steek (ooigt later).
tuber cinereum Steek {volgt later).
microsc.: geen enkele afwijking van hyp. of tub. cin.
macrosc.: verwonding lateraal, buiten tub. cin.
I hypophysis ontbreekt (vo/glt; later).
macrosc.: verwonding boven chiasma en rechts lateraal.
na beide operaties epileptif. aanvallen,
macrosc.: verwonding link» lateraal.
tuber cinereum steek (volgt later).
macrosc.: steek rechts in tub. cin. en in corp. mam.
oo
vo
O. = opgeofferd; f 24 u.p.o. = sterft 24 uur post operationem.
-ocr page 75-Bijzonderheden
ope-
ratie
Hond
aangebr.laesie
poly
afloop
urie
\ 1. temp.
r. temp. j steek tub. cin.
1. temp. |hyp. abl. steek
r. temp. steek tub. cin.
geen steek
1. temp. j „
r. temp. i steek lub. cin.
*nbsp;]nbsp;»•nbsp;I»nbsp;w
1. temp. „ „ „
r. temp. : bloeding, geen st.
I 1. temp. steek lub. cin.
! r. temp. « „ „
1. temp.nbsp;„ „
r. temp. , hyp. abl. geen st.
i 1. temp.nbsp;geen steek
r. temp.nbsp;steek lub. cin.
r. temp.nbsp;h » »
1. temp.nbsp;.. » »
I hypophysis ontbreekt, tuber ciner. steek (volgt later).
geen sectie.
microsc.: geen enkele afwijking van hyp. of tub. cin.
epileptische aanvallen; geen sectie,
tuber cinereum steek (oolgl later).
tuber cinereum steek (volgt later).
microsc.: geen enkele afwijking van hyp. of lub. cin.
macrosc.: verwonding lateraal, buiten tub- cin.
5
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
00
hypophysis ontbreekt (\gt;olgl later).
macrosc.: verwonding boven chiasma en rechts lateraal.
na beide operaties epileplif. aanvallen,
macrosc.: verwonding links lateraal
tuber cinereum steek (volgt later).
macrosc.: steek rechts in lub. cin. en in corp. mam.
macrosc.: tuber cinereum steek links.
\B
y
21
20 jr. temp. j ateek tab. cin.
I. temp. j hyp. abl. geen st.
r. temp. / steek tub. dn.
macrosc.: tubcr einer- steek: hyp. ontbreekt geheel,
geen sectie.
|
/ buccaal |
geen ateek |
— |
/ iquot;operatie / | ||
|
22 |
ƒ r. temp. |
steek tub. cin. |
geen |
i O- |
1 microsc.: tub. cin. steek; kernen en hyp. intact |
|
23 |
buccaal |
..MM |
1' en 2'dag |
O. |
microsc.: hyp. en infund. laesie; tub. cin. steek in gebied van n. tuberis. |
|
24 |
- |
».MM |
dag |
fMd.p.o. |
microsc.: meningitis; laesie van n. supraopt., tuberis, inf. en hyp. |
|
25 |
MM» |
dag |
1 O. |
microsc.: tuber cin. steek tot n. paraventr. dextra; hyp. laesie. | |
|
26 |
geen steek |
— |
1 ■j* operatie |
geen sectie. | |
|
28 |
bloeding |
geen |
later O. |
geen sectie. | |
|
29 |
*• |
steek tub. cin. |
1'—8' dag |
— |
brengt 4 weken later 5 levende jongen ter wereld. |
|
30 |
tf •• 1. |
1'—5' dag |
O. |
microsc.: lub. cin. steek; infundib. en hyp. laesie | |
|
31 |
n n ^ |
2«—12' dag |
1 |
1 | |
|
steek achlerkwab |
2'-7' dag |
/ tub. cin. steek (volgt later). | |||
|
steek tub. cin. |
7 mnd |
O. |
) | ||
|
32 |
geen steek |
dag |
■[quot;24 u.p.o. |
microsc.: geen steek; meningitis en hyp. bloeding. | |
|
33 |
geen |
O. |
microsc.: tub. cin. en hyp. intact. | ||
|
34 |
m |
steek tub. cin. |
l'-5' dag |
O. |
tub. cin. steek (volgt later). |
|
35 |
M MM |
geen |
•j* 48 u.p.o. |
microsc.: tub. cin. steek o.a. bij n. supraopt. dextra; hyp. laesie. | |
|
36 |
M |
hyp. abl. -f-steek |
*• |
124 u.p.o. |
microsc.: meningitis. ^ |
|
37 |
steek lub. cin. |
t* |
■Jquot; 48 u.p.o. |
dubbelzijdige pneumonie en longabsces; geen hersensectie. | |
|
38 |
M |
geen steek |
— |
■{■ operatie |
geen sectie. |
|
39 |
f» |
(. M |
geen |
O. |
tub. cin. en hyp. intact (volgt later). |
|
40 |
n |
hyp. abl. |
M |
•{■ 24 u.p.o. |
pneumonie; macrosc.: hyp. ontbreekt. |
|
41 |
» |
■t n |
1' en 2' dag |
O. |
hyp. ontbreekt (volgt later). |
|
42 |
W |
M H |
— |
quot;{quot;operatie |
geen sectie. |
|
43 |
geen |
■fquot; 24 u.p.o. |
geen sectie. | ||
|
44 |
hyp. abl. steek |
2 mnd |
O. |
lub. cin. steek en hyp. abl. (volgt later). | |
|
45 |
- |
steek hyp. |
\'—7' dag |
O. |
hyp. verwonding (volgt later). |
O. = opgeofferd; 24 u.p.o. = sterft 24 uur post operationem.
-ocr page 76-6o
van neutrale formaline in de carotis gehard en na eenigen tijd werden
zij uiterst voorzichtig uit den schedel gepraepareerd. De bekleeding
van de sella turcica en desnoods de processus clinoidei werden mee
weggenomen, om geen resten van den hypophysis achter te laten
en pen nieuwe beschadigingen in dit gebied aan te brengen. Het
gebied van tuber cinereum en hypophysis werd aan Nissl-coupes
microscopisch onderzocht. De coupes waren 25 ß dik, terwijl één
op de drie gekleurd en nagezien werd. Bij eenige minder belangrijke
dieren werd slechts een macroscopisch hersenonderzoek ingesteld.
Een overzicht (zie Tabel 5) volgt hierbij van de uitkomsten der
operaties, waaruit men zich een oordeel kan vormen over de mortali-
teit, de beste operatiemethode, de tijdelijke- en de permanente poly-
urieën, enz. Een aantal van deze polyurieën zal in de volgende hoofd-
stukken nader behandeld worden. De ontbrekende nummers in de
tabel zijn van proefoperaties en van honden, die voor de operatie
reeds ziekteverschijnselen vertoonden.
Bij dit algemeene overzicht kunnen eenige aanteekeningen worden
gemaakt. Bij 28 operaties van verschillenden aard vanaf de temporale
zijde stierven 6 honden tijdens of vlak na de operatie. De andere
dieren bleven steeds één of meer weken na de operatie onder controle
en werden daarna opgeofferd. De dood van één van deze 6 gestorven
dieren kan te wijten zijn aan de narcose; bij 4 anderen werd sectie
gedaan zonder dat een andere afwijking werd gevonden dan de
hersenlaesie. Ook is duidelijk te zien, dat het mij vaak niet gelukt is
vanaf de temporale zijde de verwonding in het juiste gedeelte van het
tuber cinereum aan te brengen, maar dat deze nog al eens te veel
lateraal was geschied.
Bij 16 operaties van verschillenden aard door den bek zijn echter
II dieren tijdens of spoedig na de operatie overleden. De anderen
bleven eveneens onder controle en werden later opgeofferd. Van deze
II dieren stierven er 4 tijdens de operatie, wat door de moeilijke
narcose kan veroorzaakt zijn. Drie honden bleken pneumonie te heb-
ben, bij 3 honden was een beginnende meningitis waarschijnlijk cn
ook kunnen de dieren door de aangebrachte hersenlaesie te gronde
gegaan zijn.
Bloedingen waren een enkele maal de oorzaak dat de operatic
onderbroken moest worden, doch waren geen aanleiding tot den dood
der dieren. De ongunstige uitkomsten bij de buccale operaties zullen
voor een gedeelte zeker aan den niet aseptischen ingreep en aan de
narcose gelegen hebben, voor een klein deel zijn die mede veroorzaakt
door de slechte toestanden waarin de proefdieren zich in een bepaal-
de periode bevonden en waarbij etterige neusinfecties vóór de operatie
waarschijnlijk over het hoofd gezien zijn. Het resultaat van het
macroscopische of microscopische hersenonderzoek van sommige die-
ren met of zonder tijdelijke polyurie is in Tabel 5 reeds opgenomen.
Die dieren, waarbij een verder onderzoek werd verricht of waarbij
de hersenverwonding van speciaal belang was, b.v. wegens het dui-
delijk verwoest zijn van een bepaalde kern, zullen in de volgende
hoofdstukken nader besproken worden.
HOOFDSTUK V.
Eenige onderzoekingen bij normale honden.
Om de uitkomsten van de proeven bij de honden met polyurie te
kunnen vergelijken met het gedrag van normale honden in geheel
gelijke omstandigheden, en levende op hetzelfde standaardmenu, werd
een aantal van deze proeven ook bij normale dieren gedaan, waarvan
hier de resultaten beschreven worden.
De hoeveelheid opgenomen water, de hoeveelheid uitgescheiden
urine, het s.g. van de urine en de concentratie van NaCl daarin, bij
de normale 24-uur-porties, kan men bij iedere normale periode van
den hond met polyurie zelf vinden en behoeft hier dus niet afzonder-
lijk voor normale dieren te worden vermeld. De uitkomsten voor de
vriespuntverlaging van de urine liggen bij normale honden in gewone
24-uur-porties tusschen r en 2 graden.
Ter bepaling van het NaCl-gehalte van het bloed op normale dagen
werden bij niet-geopereerde dieren, evenals bij de honden met poly-
urie, ongeveer 14 uur na de laatste voedselopname kleine hoeveel-
heden bloed onderzocht met de volgende uitkomsten als uitersten.
Het NaCl-gehalte in het totale bloed bedraagt 0,537 en 0,553 %gt; het
NaCl-gehalte in het plasma bedraagt 0,651 en 0,666 % en het NaCl-
gehalte in het serum 0,670 en 0,683
Wat het zoutgehalte van de weefsels betreft, wordt hier voor
normale dieren verwezen naar spoedig te publiceeren proeven van
T O X O p é u s in het Pharmacologisch Laboratorium verricht, waarbij
o.a. een reeks bepalingen voorkomt over het zoutgehalte der weefsels
in normalen toestand. Hij vond bij honden, dat het NaCl-gehalte van
de huid ligt tusschen 2,4 en 5,4 m.g. per gr. huid, met een gemiddelde
van 3,3 m.g., terwijl die waarden voor de spier resp. zijn 0,79 en
1,3 m.g., met een gemiddelde van 1,1 m.g. per gr. spier.
Vervolgens werden bij deze normale honden een aantal dorstproe-
ven gedaan. De indeeling van deze proeven verliep op de volgende
wijze, volgens welk schema ook alle andere dorstproeven bij de
andere onderzochte honden werden verricht. Om 8 uur werd de blaas
geledigd en vanaf dat uur ontvingen de dieren geen water meer. Om
10 uur werd voor de tweede maal gecatheteriseerd, waarna de dieren
wel hun gewone diëet kregen van brood, vleesch en melk, echter niet
als anders met water aangemaakt. In de dorstproef werd dus niet
de watertoevoer beperkt, maar alle watertoevoer werd zooveel als
mogelijk stop gezet. Het dagelijksche voedsel werd op de proefdagen
TABEL 6.
Hond A.
15 K.G.
Dorstproef.
19 Mei 1931,
tot. NaCI
mgr.p. k.g
lich. gew.
c.c. urine
p. k.g.
lich. gew.
Uur
NaClo/o
ureum quot;L
c.c. urine
8.g.
10 uur gewoon
voedsel zonder
water.
8-10
j0~12
12-14
14-16
6-18
18-20
20-22
•0-22
35
25
^^^
47
47
255
2.3
1.7
1.7
3.7
3.7
3.1
3.1
17.0
1019
1027
1034
1030
1035
1037
1038
3.7
5.1
8.2
15.2
15.5
16.2
16.7
8.7
8.5
14.0
56.2
57.0
50.9
52.3
239.0
2.092
3.595
3.675
Drinkt na afloop van de proef direct 8J c.c. HjO per k.g. lichaamsgew.
dus wèl gebruikt, waarbij steeds gezorgd werd, dat het geheel werd
opgenomen. De dieren werden nu om de twee uur geregeld gecathe-
teriseerd, het laatst om 22 uur. Op dit uur werd tevens vaak een
kleine hoeveelheid bloed afgenomen (soms ook op andere uren), en
de zoo verkregen afzonderlijke urineporties en het bloed werden on-
derzocht volgens in hoofdstuk IV beschreven methoden. Na afloop
Van de proef werden de dieren, die dus 14 uur volkomen gedorst
hadden, weer van water voorzien, waarbij dan tevens het eerste
Verbruik werd gecontroleerd, om eenigen indruk te krijgen van het
dorstgevoel na deze periode van dorst. Als totale hoeveelheid urine
en uitgescheiden NaCI werden de porties gedurende 12 uur van 10
tot 22 uur, dus nä de voedselopname gebruikt; de eerste portie werd
|
Dorstproef. | ||||||||
|
Hond A. | ||||||||
|
15 K.G. |
11 Mei '31. | |||||||
|
c.c. urine |
tot. NaCl | |||||||
|
uur |
c.c. urine |
p. k.g. |
s.g. |
A |
NaCl 0/00 |
mgr. p. k.g. |
ureum | |
|
lich. gew. |
lich. gew. | |||||||
|
8-10 |
50 |
3.3 |
1015 |
1.16 |
3.2 |
10.8 |
1.347 |
10 uur gewoon |
|
10-12 |
28 |
1.9 |
1027 |
1.81 |
6.0 |
11.3 |
voedsel zonder | |
|
12-14 |
43 |
2.9 |
1028 |
2.13 |
9.9 |
28.3 |
water. | |
|
14-16 |
55 |
3.7 |
1028 |
2.11 |
13.5 |
49.3 |
3.070 | |
|
16-18 |
50 |
3.3 |
1030 |
2.30 |
14.2 |
47.2 | ||
|
18-20 |
36 |
2.4 |
1036 |
2.49 |
12.3 |
29.5 | ||
|
20-22 |
35 |
2.3 |
1036 |
2.66 |
13.5 |
31.4 |
3.851 | |
|
10-22 |
247 |
16.5 |
196.9 | |||||
hierbij verwaarloosd om zooveel mogelijk invloeden van vóór 8 uur
uit te schakelen.
De uitkomsten van drie dorstproeven bij normale honden volgen
hierbij (zie Tabel 6, 7 en 8), terwijl men een vierde soortgelijke proef
bij de bespreking van hond 44 kan vinden (zie Tabel 30 biz. 108).
TABEL 8.
|
Dorstproef voor de operatie. | ||||||||
|
Hond 42. |
30 Juli '31. | |||||||
|
20 K.G. | ||||||||
|
c.c. urine |
tot. NaCl |
----- | ||||||
|
uur |
c.c. urine |
p. k.g. |
s.g. |
A |
NaClo/„„ |
mgr. p. k.g. |
ureum | |
|
lich. gew. |
lich. gew. | |||||||
|
8-10 |
40 |
2.0 |
1017i |
1.13 |
1.4 |
2.8 |
1,669 |
10 uur gewoon |
|
10-12 |
22 |
1.1 |
1040 |
2.68 |
3.0 |
3.3 |
voedsel zonder | |
|
12-14 |
41 |
2.0 |
1040^ |
2.94 |
7.4 |
15.2 |
water. | |
|
14-16 |
52 |
2.6 |
1038^ |
2.98 |
13.6 |
35.9 |
4.547 |
22 uur |
|
16-18 |
54 |
2.7 |
1038 |
3.09 |
15.3 |
41.3 |
Hb. 14.3 | |
|
18-20 |
60 |
3.0 |
1037 |
2.97 |
17.4 |
52.2 |
NaCl o/otot.bloed 0.581 | |
|
20-22 |
43 |
2.1 |
1040 |
2.96 |
18.1 |
38.9 |
3.973 |
NaCl o/o plasma 0.680 |
|
13.6 |
186.9 |
NaCl o/o 0.697 | ||||||
|
10-22 |
272 |
' U | ||||||
|
Gewichtsvermindering (na voedselopn. tot 22 uur) 610 gr. | ||||||||
|
drinkt na afloop van de proef direct 18 c.c. H.jO |
per k.g. lich. gew. | |||||||
|
____ | ||||||||
We zien dus, dat bij normale honden tusschen lo en 2Z uur bij
dorsten de volgende hoeveelheden urine per K.G. lichaamsgewicht
worden uitgescheiden, n.1. 17,nbsp;13H en loH c.c., terwijl in
denzelfden tijd resp. 239, 197, 187 en 174 m.g. NaCl. per K.G.
lichaamsgewicht met de urine worden geloosd. De hoogste NaCl-
14,2, 18,1 en 21,3 pro mille. Ook van de verschillende andere
TABEL 9.
Hond F.
22i K.G.
NaCl belasting met vrij water drinken.
9 Sept. '31,
C.C. H,0
p. k.g.
lich. gew.
tol. NaCl
mgr.p.k.g
lich. gew.
c.c. unnt
p. k.g.
lich. gew.
C.C. H,0
NaCl 0/0
uur
c.c. urine
8.g.
10 uur } gewoon
voedsel zonder
water -f 1 gr.
NaCl. p. k.g.
lich. gew.
8-9
9-10
10-11
11-12
12-13
13-14
14-15
15-16
16-17
17-18
18-19
19-20
20-21
21-22
10-22
10
28
19
45
111
138
130
135
135
127
158
94
158
53
1303
0.4
1.2
0.8
2.0
4.9
6.1
5.8
6.0
6.0
5.6
7.0
4.2
7.0
2.3
57.9
4.9
2.2
10.7
11.5
10.9
5.1
3.8
2.2
1.1
5.1
0.0
4.4
1.6
0.2
56.7
1018
1006^
1016
I022i
1019
1018^
1019i
1019
1018}
1019
1017}
1018
1017
1018
no
50
240
260
245
115
85
50
25
115
O
100
37
5
1277
0.9
0.3
1.8
13.8
15.7
17.0
15.1
16.4
15.7
16.4
18.8
16.2
14.6
13.7
0.4
0.4
1.5
27.6
77.3
104.6
87.1
98.1
94.0
92.3
132.0
67.8
102.6
32.2
917.2
14,2, i8,r en 21,3 pro mille. Ook van de verschillende andere
waarden cn van hec dorstgevoel kan men uit deze tabellen een
indruk krijgen hoe die zich bewegen bij een dorstproef bij normale
honden.
Gaan we nu na hoe een normale hond reageert op een NaCI-toe-
gift dan krijgen wij uitkomsten als in tabel 9 zijn aangegeven. Deze
proeven werden gedurende den zelfden tijd gedaan, maar om het
uur werd nu gecatheteriseerd. Ook nu werd om 8 uur de blaas
geledigd, waarna de dieren gedurende den geheelen dag vrij water
konden drinken en zij kregen ook nu om 10 uur hun voedsel. Dit
bestond bij deze proeven met extra NaCI uit de helft van het dage-
lijksche menu, waar ook nu geen water door gemengd was. Zoo-
doende geeft de kolom van de wateropname dus aan dié hoeveelheid
water, die zij uit geheel vrijen wil hebben gebruikt. In dit halve
menu werd bij de verschillende dieren steeds een overeenkomstige
hoeveelheid NaCl toegevoegd n.1. i gr. per K.G. lichaamsgewicht. Bij
deze voedselopname ontstonden vaak moeilijkheden, waarom het zout
dan ook slechts in het halve menu werd gegeven in deze proef. Bij
de beschreven proeven werd echter steeds het voedsel en het zout
geheel gebruikt, bij het hier aangehaalde geval van hond F dus
iiYz gr. NaCI.
We zien dus dat deze hond in 12 uur tijds 0,917 gr. NaCI per
K.G. lichaamsgewicht heeft uitgescheiden van de i gr. NaCI per
K.G. lichaamsgewicht. Doordat tevens de helft van het gewone menu
per K.G. lichaamsgewicht werd gebruikt is dus iets meer dan i gr.
toegevoegd, maar dit was bij de honden met polyurie eveneens het
geval en geeft ons dus later het recht deze uitkomsten te vergelijken.
Ook voor de mate van wateropname en -afgifte en voor de NaCl-
concentratie hebben wij in deze normale honden waarden, waarmede
wij het gedrag van de honden met polyurie kunnen vergelijken.
Bij een soortgelijke proef bij een normaal dier, waarbij echter H gr.
NaCI per K.G. lichaamsgewicht werd gegeven, nu echter in water
opgelost, werd dus een hoeveelheid water gedwongen toegevoerd.
Daarbij bleek, dat de hoogste NaCI-concentratie 18,6 pro mille was,
dat in 10 uur 0,44 gr. van de H gr. per K.G. lichaamsgewicht werd
uitgescheiden, terwijl niettegenstaande de gedwongen wateropname
in het begin van de proef de wateropname en -afgifte iets geringer
zijn, dan het in tabel 9 het geval is. Bij een normalen hond wordt dus
in 12 uur een zeer groot gedeelte van het extra NaCI afgevoerd met
weinig polyurie en polydipsie, terwijl de NaCl-concentratie in de
urine op haar hoogste punt omstreeks 18 pro mille bedraagt.
Een verdunningsproef werd op de volgende wijze ingesteld. Den
dieren werd gedurende 5 uur water en voedsel onthouden. Daarna
werd de blaas geledigd en werd met de maagsonde 50 c.c. water per
K.G. lichaamsgewicht toegevoerd, waarna gedurende 5 uur om het
uur werd gecatheteriseerd. Bij een normalen hond werden hierbij uit-
komsten verkregen als in tabel 10 zijn aangegeven.
|
Hond B. |
Verdunningsprcef. |
17 Sept. '31. | ||||
|
uur |
c.c. urine |
c.c. urine |
s.g. |
1 1 NaCI quot;/„O |
tot. NaCI | |
|
\n-ui 4i-15i m-ui |
102 |
17.0 9.2 3.3 |
1003 |
0.1 |
2.0 |
Na 5 uur dorsten en vasten om |
|
336 |
56.0 |
10.3 | ||||
We kunnen ook hiermede later de proeven bij de honden met
polyurie vergelijken, maar eigenlijk hebben deze proeven betrekkelijke
waarde. Is toch voor een normalen hond 50 c.c. water per K.G. wel
buitengewoon, geheel anders moet dit zijn bij een hond met polyurie,
als bijv. hond 31, die dagelijks 6 tot 8 L. water gebruikt. Ook is de
polyurie-hond na 5 uur dorsten meer of minder (al naar den aard
van de ziekte) uitgedroogd, maar lieten wij het dier niet vooraf
dorst lijden, dan zouden de uitkomsten van de proef ook niet zuiver
zijn.
Zooals reeds gezegd werd, zouden nog veel meer bepalingen, spe-
ciaal b.v. van het bloed, van belang zijn geweest en ook andere soor-
ten controleproeven bij normale honden hadden nog ingesteld kunnen
worden. De proeven die echter gedaan zijn, werden onder nauwkeurig
gelijkgehouden omstandigheden verricht en met deze proeven cn met
een aantal, dat bij de honden met polyurie alleen werd verricht,
zullen we reeds genoeg verschillen bij de experimenteele polyurieën
kunnen vaststellen.
HOOFDSTUK VI.
Onderzoek bij honden met permanente polyurie.
Het gelukte dus na een groot aantal operaties 3 honden met per-
manente polyurie te verkrijgen. De tijdelijke polyurieën duurden
meestal slechts een paar dagen, doch bij één hond was tot den twaalf-
den dag nog een lichte verhooging der urinehoeveelheid te consta-
teeren. De polyurieën bij de honden 16, 31 en 44, die resp. i jaar,
± 7 maanden en ± 2 maanden voortduurden tot op het moment,
dat zij allen tegelijk werden opgeofferd, mogen dus als permanente
polyurieën worden beschouwd.
HOND 16.
Deze hond, die na een normale periode van 5 dagen op 21 October
1930 aan de temporale zijde werd geopereerd, waarbij een verwon-
ding in het tuber cinereum werd aangebracht, vertoonde een polyurie,
die bleef bestaan totdat het dier werd opgeofferd op 9 October 1931.
Het dier, dat ± 7 K.G. woog, behield dit lichaamsgewicht vrijwel
ongewijzigd tot het einde. Achterin is een curve gevoegd, waarop
men een groot gedeelte van het verloop van deze polyurie, die ge-
durende dat geheele jaar dagelijks werd gecontroleerd, kan volgen *).
Hieruit kan men zien, dat er tijden zijn, dat de polyurie in het geheel
niet duidelijk was, terwijl in andere maanden daarentegen deze weer
zeer duidelijk bestond. Toch valt aan het voortduren van de polyurie
niet te twijfelen, ook bv. indien men let op de NaCl-concentratie,
die, hoewel weinig verlaagd in de eerste maanden, dan toch steeds
1) Alle curven zijn op gelijke schaal gcteekend. De water- cn urinehoeveelheden
zijn hierbij echter niet zooals in de tabellen ook per K.G. lichaamsgewicht aange-
geven, maar als totaal. Bij de curve van hond 16 kon echter als uitzondering de
zelfde maat voor de water- en urinehoevcelheden niet gehandhaafd blijven in de
reekening, daar door het geringe lichaamsgewicht van het dier de lijnen te veel
door elkaar zouden geloopen hebben.
onder de helft van de NaCl-concentratie blijft welke in de normale
periode bereikt werd. Ook verkeerde deze hond gedurende het ob-
servatiejaar zeer vaak in een slechten toestand, at vaak slecht en
maakte verschillende ziekten door, bv. de eerste dagen na de ope-
ratie, een tijd later hevige diarrheën en tenslotte een lichte pneumonie
met koorts.
Het verloop van de polyurie op de curve op den voet volgende,
valt het volgende te constateeren. De polyurie treedt den eersten
dag na de operatie op en gaat de polydipsie vooraf. Dit blijkt nog
beter uit het feit, dat het dier, dat geen water in zijn kooi had, en
dat ik alleen geregeld water aanbood, 17 uur na de operatie voor
het eerst dronk (terwijl hij ook nog niets gegeten had) en toen reeds
600 cc. urine had geleverd of meer dan eenige 24-uur portie had
bedragen. De sterkte van de polyurie is zoowel dagelijks, als in lan-
gere perioden, zeer wisselend. De duidelijke polyurie na de operatie
vermindert omstreeks den negenden dag post operationem tot bijna
normaal, om daarna weer toe te nemen. Omstreeks een maand na
de operatie is de grootte van de urinehoeveelheid weer vrijwel nor-
maal, doch dan eet het dier ook zeer slecht cn heeft dagelijks diar-
rhee. Daarna blijft de polyurie zich op een weinig hoog niveau be-
wegen, in welken tijd een pneumonieaanval valt, om ± 4 maanden
p.o. gemiddeld op een z^/i maal verhoogd niveau te blijven (i Liter).
Het tweede half jaar is de polyurie nog sterker en wordt dagelijks
tusschen de i en L. urine geloosd. De NaCl-concentratie is even-
eens sterk wisselend. Nadat zij eerst duidelijk verlaagd was, bereikt
zij dan echter den negenden dag p.o. een normale hoogte van 8 pro
mille, om daarna altijd verlaagd te blijven, doch met deze bijzonder-
heid, dat de duidelijk verlaagde zoutconcentratie in de urine zich pas
geleidelijk en na maanden ontwikkelde. Immers de NaCl-concen-
tratie bedraagt vóór de operatie ± 7 pro mille, de eerste dagen na
de operatie ^—3 pro mille, dan in den tijd van de geringe polyurie
tusschen i en 4 pro mille, om tenslotte bij de sterkere polyurie te
hggen tusschen i en 2 pro mille. Of de onregelmatigheid van de
polyurie door de wisselende voedselopname veroorzaakt is valt niet
te zeggen, maar deze zal in ieder geval mede oorzaak daar van zijn.
Zoo is in de curve te zien, dat bij betere voedselopname ook de
polyurie sterker wordt, hoewel dit niet altijd het geval is.
Uit het algemeene overzicht van de polyurie valt dus te conclu-
deeren, dat de polyurie primair is, dat de mate van de polyurie op
den duur toeneemt, na tijden dat er, gezien de urinehoeveelheid, geen
polyurie bestond die echter naar de NaCl-concentratie te oordeelen
toch voortduurde en dat tegelijk met de toename van de polyurie
de NaCl -concentratie verder afneemt. Een zelfde beeld als de po-
lyurie vertoont ook het s.g. (in het begin van de polyurie niet be-
paald), dat in den tijd van de geringe polyurie vrijwel normale
waarden vertoont en eerst in de tweede helft van de polyurie waar-
den geeft zooals we die bij polyurie verwachten, nl. tusschen 1007
en 1003. De concentratie van het NaCl ten tijde van de tempera-
tuursverhooging is wel de hoogste die gedurende de polyurie gecon-
stateerd werd, maar verschilt vrijwel niet van bedragen, die ook
reeds m gezonden toestand bereikt werden.
De vriespuntverlaging werd gedurende längeren tijd in de dage-
lijksche porties bepaald in de 6e en loe maand van de polyurie.
Bij een gemiddelde hoeveelheid urine van 1300 c.c., een s.g. van
± 1005 en een NaCl-concentratie van ± 1,2 pro mille, schommelen
de waarden voor A tusschen 0,334° en 0,540° in de loe maand,
terwijl die waarden in de 6e maand hooger liggen bij een geringere
polyurie.
Het NaCl-gehalte van het bloed (op gelijke tijden genomen als bij
normale dieren, blz. 62) leverde op gewone dagen de volgende
waarden op: NaCl in het totale bloed 0,522, 0,542 en 0,544 %, NaCl
in het plasma 0,627, en 0,641 % en NaCl in het serum 0,652 en
0,665 Deze uitkomsten zijn dus normaal of misschien iets ver-
laagd, maar zeker niet verhoogd.
Het haemoglobinegehalte bedraagt op gewone dagen 14,8 gr. per
100 c.c. bloed.
Door middel van dorstproeven dienen wij ons nu op de hoogte te
stellen van het concentratievermogen van dezen hond, doch hieraan
gaat vooraf een onderzoek hoe de uitscheiding van urine, s.g., NaCl-
concentratie en totale NaCl-uitscheiding zich op een gewonen dag
met vrij drinken gedragen indien men, in plaats van in de 24-uur
porties alleen, de bepalingen verricht in afzonderlijke porties, in ge-
lijke tijden verkregen, zooals bij de dorstproeven. (Zie tabel 11.)
We kunnen er immers van overtuigd zijn, dat in eenige van deze
afzonderlijke porties de NaCl-concentratie veel hoogere waarden
bereikt dan in de 24-uur porties. Terwijl op den dag voor deze
TABEL II.
|
Horjd 16. |
Normale dag met vrij drinken. |
21 Aug. '31. | |||||||
|
Uur |
c.c. urine |
c.c. urine P.K.G. |
c.c.HjO |
c.c. H,0 lich. gew. |
s.g. |
A |
NaCI O/,, |
mgr. NaCI lich. gew. | |
|
,8-10 6-18 |
135 |
19.3 20.6 34.4 32.0 41.1 |
295 |
42.1 30.0 32.1 |
1002 |
0.189 |
0.06 1.5 1.6 |
1.1 0.4 27.4 57.8 42.9 |
lOuurgewone |
|
'0-22 |
1193 |
170.4 |
1265 |
180.7 |
244.7 | ||||
bepalingen in de 24-uur portie een NaCl-conccntratie van i,r pro
mille en een s.g. van 1004 werd gevonden, zijn de toppen in de
afzonderlijke porties op den proef dag resp. 2 pro mille en 1006. Deze
proef, evenals de meeste andere onderzoekingen bij dit dier, valt,
zooals uit de data blijkt, in den tijd dat de polyurie zeer duidelijk
bestond, dus in het tweede halve jaar.
Beschouwen wij nu het concentratievermogen, dan werd, voordat
een volledige dorstproef werd ingesteld, in het begin van de polyurie
het volgende geconstateerd. Den vijfden dag na de operatie werd
een kleine hoeveelheid zout extra toegediend, waarna in een afzon-
derlijke urineportie voor NaCI pro mille werd gevonden 6,4. Den
negenden dag na de operatie bereikt de NaCl-concentratie in de
24-uur portie spontaan 8 pro mille, dus volkomen normaal en onge-
veer drie weken na de operatie bereikt de NaCl-concentratie bij
beperking van den watertoevoer en extra NaCI 18,9 pro mille in
een afzonderlijke portie (in de 24-uur portie van dien dag toch ook
14 pro mille). Hier kunnen we dus uit opmaken, dat het concen-
tratievermogen na de operatie intact gebleven was en dat dit ook
Dorstproef.
Hond 16.
7i K.G.
1 Mei '31,
|
uur |
c.c. urine |
c.c. urine p.KG. lich. gew. |
s.g. |
A |
NaClo/oo |
mgr. NaCI lich. gew. |
ureum | |
|
8-10 |
30 |
4.0 |
1006 |
0.517 |
0.5 |
1.9 |
0.945 |
10 uur gewoon |
|
10-12 |
20 |
2.7 |
1015 |
1.116 |
0.9 |
2.5 |
voedsel zonder | |
|
12-14 |
22 |
2.9 |
1020 |
1.834 |
6.7 |
19.7 |
water. | |
|
14-16 |
22^ |
3.0 |
1024 |
2.267 |
13.2 |
39.7 |
3.466 | |
|
16-18 |
24 |
3.2 |
1030 |
2.373 |
14.8 |
47.5 | ||
|
18-20 |
24 |
3.2 |
1030 |
2.363 |
15.6 |
49.7 | ||
|
20-22 |
17 |
2.3 |
1031 |
2.376 |
15.3 |
34.7 |
3.058 | |
|
10-22 |
129i |
17.2 |
193.8 |
later zoo blijft, blijkt als, ongeveer een half jaar na de operatie, ter-
wijl de hoeveelheid urine dagelijks meer dan i L. bedraagt, complete
dorstproeven ingesteld worden (zie tabel 12, 13 en 14).
TABEL 13.
|
Dorstproef. | ||||||||
|
Hond 16. | ||||||||
|
7i K.G. |
19 Mei '31. | |||||||
|
c.c. urine |
mgr. NaCI |
- -- -. -------- | ||||||
|
uur |
c.c. urine |
P.K.G. |
s.g. |
A |
NaCP/oo |
p. KG. |
ureum |
• |
|
lich. gew. |
lich. gew. | |||||||
|
8-10 |
16 |
2.1 |
1014 |
0.5 |
1.0 |
1.291 |
10 uur gewoon | |
|
10-12 |
3.V |
0.5 |
— |
0.5 |
0.2 |
voedsel zonder | ||
|
12-14 |
14 |
1.9 |
1029 |
7.9 |
14.7 |
water. | ||
|
14-16 |
28 |
3.7 |
1026 |
12.8 |
47.6 |
3.112 | ||
|
16-18 |
26 |
3.5 |
1031 |
16.9 |
58.7 | |||
|
18-20 |
25 |
3.3 |
1030 |
17.4 |
58.0 | |||
|
20-22 |
24k |
3.3 |
1031 |
17.3 |
56.5 |
3.139 | ||
|
10-22 |
121 |
16.1 |
235.7 | |||||
|
Drinkt na afloop van de proef direct 66 |
c.c. HjO p |
.. K.G. lich |
i. gew. | |||||
Dorstproef.
25 Aug. '31,
Hond 16.
7 K.G.
u . ^
^^ bc
h . JB
E
uur
«g.
u
IB
z
li
10 uur gewoon voedsel zonder
water.
22 uur.
Hb. 14.6.
NaCl o/o tot. bloed 0.565
NaCl o/o plasma 0.680
NaCl »/„ serum 0.707
8-10
10-12
12-14
14-16
16-18
18-20
20-22
10-22
68
2H
35
38
29
30
27
180^
0.304
0.992
1.374
1.777
1.995
2.041
1.804
9.7
3.1
5.0
5.4
4.1
4.3
3.9
25.7
1003i
1013
1017
1021
1024i
1025
1024
0.06
0.2
5.3
10.1
12.8
14.6
11.4
0.241
2.381
2.037
0.6
0.7
26.7
54.8
52.9
62.6
43.9
241.6
Gewichtsvermindering (na voedselopname tot 22 uur) 250 gr.
drinkt na afloop van de proef direct 77 c.c. H^O p. K.G. lich. gew.
We zien hieruit, dat bij hond i6 in drie dorstproeven tusschen lo
en 22 uur 17, 16 en 253^^ cc. urine per K.G. lichaamsgewicht wordt
uitgescheiden, terwijl in dienzelfden tijd resp. 194, 23en 241M
m.gr. NaCl per K.G. met de urine wordt geloosd. De hoogste con-
centratie, in die drie proeven bereikt, is 15,6, 17,4 en 14,6 NaCl pro
mille. Vergelijken we deze uitkomsten met die van dorstproeven bij
normale dieren (zie blz. 64), dan is er geen twijfel of we mogen
zeggen dat het concentratievermogen van hond 16 geheel normaal is.
Zeer kleine verschillen, die soms in het s.g., de A en de concentratie
van ureum te vinden zijn, en ook de iets grootere uitscheiding van
urine in de laatste proef, kunnen slechts nauwelijks een aanduiding
geven dat deze proeven van een hond met polyurie afkomstig zijn.
Ook in de bloedwaarden zijn geen verschillen zichtbaar in verge-
lijking met de proeven bij normale honden. Het eenige dat opvalt
is, dat waarschijnlijk de extra-renale afvoer ingekrompen is (maar
het gewicht werd op een grove bascule bepaald) en dat zijn dorst
na afloop van de proef duidelijk veel grooter was dan bij een nor-
malen hond. Den dag na de dorstproef was het verschil tusschen
wateropname en urinehoeveelheid steeds iets grooter dan op normale
polyuriedagen.
Het blijkt dus, ook gezien de uitkomsten van een normalen dag
(tabel ii), dat bij dezen hond bij het onthouden van water de po-
lyurie geheel verdwijnt, terwijl het dier urine gaat leveren van een
normale concentratie. Bij eenige bepalingen in het bloed valt bij
deze proeven niets bijzonders te constateeren. Er bestaat echter de
mogelijkheid, gezien de urinehoeveelheid in de laatste dorstproef,
dat de polyurie aan het erger worden is.
Bij alle dieren met permanente polyurie werd vervolgens nage-
gaan hoe zoo'n dorstproef verliep bij gelijktijdige injectie van hypo-
physis-achterkwab-extract. Hoewel bij dezen hond i6, waarbij èn
de urinehoeveelheid èn de concentratie in de dorstproef reeds normaal
werden, dit onderzoek van weinig belang is, volgen hierbij, ter ver-
gelijking met de andere dieren, toch de zoo verkregen uitkomsten.
De proef werd geheel gedaan volgens het gewone schema, doch om
de 2 uur, en wel vanaf lo uur tot en met 20 uur, werd telkens onge-
veer 2/5 eenheid van een hypophysis-achterkwab-extract, bereid vol-
gens Smith amp; Mc. Closky (U.S. Pharm.), per K.G. lichaamsgewicht
TABEL 15.
Dorstproef hyp. achterkw. extr.
Hond 16.
7 K.G.
7 Sept. '31,
^ • i
^Ü t
2. ^ ee
li . -C
E
s.g.
U
IS
Z
10 uur gfcwoon voedstl zonder
wattr, om de 2 uur 3 een-
heden achterkwab extr.
22 uur.
Hb. 14.7
NaCl o/o lot. bloed 0.575
NaCl o/j plasma 0.675
NaCl V, serum 0.692
8-10
10-12
12-14
14-16
16-18
18-20
20-22
10-22
48
23
27
34
36
28}
25
173i
6.9
3.3
3.9
4.9
5.1
4.1
3.6
24.8
1002
1019}
1025}
1025
1028
1033
1032
0.238
1.366
2.056
2.151
2.229
2.472
2.500
0.06
3.0
6.0
12.3
13.9
15.1
17.3
0.4
9.9
23.3
59.7
71.6
61.4
61.7
287.6
0.194
3.213
3.049
Gtwichtsvfcrmindering (na voedstlopname tot 22 uur) 270 gr
drinkt na afloop van de proef direct 42 c.c. H,0 p. K.G. lich. gew.
subcutaan geïnjiceerd. Deze hoeveelheid werd gekozen, nadat bij
hond 31 eenige verschillende doses waren geprobeerd en met deze
het beste resultaat verkregen werd. Om de twee uur werd geïnji-
ceerd, omdat uit de reeds genoemde onderzoekingen van B ij 1 s m a
bleek, dat de verhooging van de concentratie van het NaCI in het
tweede uur na de injectie het sterkst was, om daarna af te nemen,
terwijl dan daarna ook de urinehoeveelheid ging toenemen. Bij hond
16 werd dus 6 maal een injectie gegeven van 7 maal -V5 eenheid of
± 3 eenheden of cc. van het i pro mille standaard-extract. Zoo-
veel mogelijk werd zorg gedragen, dat eenige verschillende proeven,
in niet te ver uiteenliggende tijden, ter vergelijking, werden verricht.
De uitkomsten van deze dorstproef met injecties van achterkwab-
extract zijn in tabel 15 aangegeven.
Vergelijken we deze uitkomsten met de dorstproef op 25 Augustus
(tabel 14), dan is er slechts een geringe werking van het achterkwab-
extract te constateeren. De totale NaCl-uitscheiding en de concen-
tratie zijn iets hooger dan in de gewone dorstproeven, evenals de
ureum-concentratie in vergelijking met die dorstproeven, de urine-
hoeveelheid is ongeveer gelijk, de NaCl-waarden in het bloed zijn
gelijk en de dorst schijnt iets geringer (dit blijkt ook uit de hoeveel-
heden van den volgenden dag). We kunnen dus constateeren, dat
injectie van hypophysis-achterkwab-extract tijdens een dorstproef
bij hond 16 slechts zeer geringe veranderingen veroorzaakt.
Herhalen wij deze injecties van achterkwab-extract op dezelfde
wijze op een normalen dag, dus met vrij waterdrinken, dan worden
de volgende uitkomsten verkregen (zie tabel 16, niet geheel volgens
het gewone schema).
Vergelijken we deze uitkomsten met die van een normalen dag
(tabel 11) en van een dorstproef hypophysis-extract (tabel ly),
dan zien we, dat ook nu na toediening van achterkwab-extract iets
meer NaCI met de urine wordt uitgescheiden en dat de dorst en de
urinehoeveelheid veel geringer zijn bij een hoogere concentratie dan
op een normalen dag. Het hypophysis-extract heeft dus op een ge-
wonen dag een duidelijk gunstige werking op deze polyurie.
Onderzoeken we vervolgens hoe deze hond 16 zich gedraagt bij
de toediening van een extra dosis NaCI met tegelijkertijd vrij water-
drinken, dan blijkt uit een enkele bepaling van de daghoeveelheid
|
Normale dag met vrij water drinken hyp. achterkw. extr. 7 K.g. 7 Oct. '31. | ||||||||
|
uur |
V 'C ü |
quot; . gt; |
0 X ó |
OH i |
s.g. |
i J IS Z |
U . St | |
|
10-12 |
31 |
4.4 |
1 ^^ |
110.7 |
1015i |
3.0 |
13.4 |
10 uur gewone voedsel |
op 28 Febr. '31 (zie de curve), dat een toelage van 2 gr. NaCl dien
zelfden dag vrijwel geheel wordt uitgescheiden door middel van
een toename van de polyurie van 800 c.c. tot 1400 c.c., terwijl de
concentratie van het NaCl in de 24-uur portie ongeveer constant
blijft op ± 3,3 NaCl pro mille. Herhalen we later deze proef met
een NaCl-toegift van i gr. per K.G. lichaamsgewicht volgens het
vroeger vermelde schema, dan krijgen we uitkomsten als in tabel 17
zijn aangegeven.
Vergelijken we deze uitkomsten met die van een gelijksoortige
proef bij een normalen hond (zie tabel 9, blz. 65), dan* blijkt, dat
wat de totale NaCl -uitscheiding betreft, gedurende 12 uur vrijwel
geen verschil te constateeren valt. Het verschil dat optreedt, nl.
ogt;997 gr- uitgescheiden van de i gr. NaCl door hond 16 en 0,913 gr.
van de i gr. door een normalen hond, is zoo gering, dat dit waar-
schijnlijk wel als een natuurlijk proefverschil verwaarloosd mag
worden. Anders is het echter met het opgenomen en afgegeven water
en met de concentratie. Uit de tabellen is te zien, dat hond 16 bij
gebruik van ongeveer 6 maal zooveel water (opgenomen zoowel als
uitgescheiden) en bij ongeveer 3H maal verlaagde topconcentratie
van het NaCl, het zout dus vrijwel even vlug verwijdert als een
normaal dier.
Ook een verdunningsproef werd bij dezen hond ingesteld volgens
het in hoofdstuk 5 genoemde schema. De uitkomsten van deze proef
zijn in rabel 18 aangegeven.
NaCI toegift met vrij waterdrinken.
Hond 16.
7 K.G.
Uur
6^9
0-11
2-13
4 15
8-19
0-21
21-22
'0-22
4 Sept. '31,
|
c-c. urine |
c.c.H.,0 |
--------- |
mgr. NaCI | |||
|
c.c. urine |
P.K.G. |
c.c.H.,0 |
P.K.G. |
Sg- |
NaCI»'« 3 |
p. KG. |
|
lich. gew. |
lich. gew. | |||||
|
28i |
4.1 |
200 |
28.6 |
1003 |
0.1 |
0.5 |
|
57 |
8.1 |
5 |
0.7 |
1002 |
0.06 |
0.5 |
|
69 |
9.9 |
190 |
27.1 |
1003 |
0.2 |
2.3 |
|
217 |
31.0 |
265 |
37.9 |
10041 |
3.4 |
106.1 |
|
356 |
50.9 |
335 |
47.9 |
1004 |
4.1 |
209.4 |
|
302 |
43.1 |
325 |
46.4 |
1005 |
4.6 |
200.2 |
|
284 |
40.6 |
300 |
42.9 |
1004 |
4.2 |
169.4 |
|
221 |
31.6 |
30 |
4.3 |
1003i |
3.1 |
97.1 |
|
197 |
28.1 |
295 |
42.1 |
1003 |
2.6 |
71.8 |
|
190 |
27.1 |
280 |
40.0 |
1002i |
2.0 |
53.5 |
|
211 |
30.1 |
0 |
0.0 |
1002 |
1.2 |
35.0 |
|
142 |
20.3 |
140 |
20.0 |
1002 |
1.3 |
25.9 |
|
69 |
9.9 |
95 |
13.6 |
1003 |
1.3 |
13.1 |
|
106 |
15.1 |
60 |
8.6 |
1002 |
0.9 |
13.2 |
|
2364 |
337.7 |
2315 |
330.7 |
997.0 |
10 uur helft gewone
voedsel zonder
water I gr.
NaCIp. K.G. lich.
gew.
De gevolgtrekkingen, die hieruit te maken zijn, nl. dat het toege-
voerde water iets langzamer wordt uitgescheiden en dat de verdun-
ning misschien iets geringer is dan bij een normalen hond, kunnen
TABEL 18.
|
Hond 16. |
Verdunningsprcef. |
14 Sept. '31. | ||||
|
uur |
c.c. uriue |
c.c. urine |
••8- |
NaCIVoo |
mgr. NaCI lich. gew. | |
|
]3i-l4i |
92 10 I |
13.1 |
1003 1004 |
0.2 0.06 0.06 0.2 0.9 |
3.0 |
Na 5 uur dorsten en vasten om |
|
337 1 |
48.1 |
6.9 | ||||
gecontroleerd worden in een andere soortgelijke proef. Hierbij ech-
ter werd een hoeveelheid water toegediend, die ook berekend was
naar het lichaamsgewicht, maar nu tevens naar de dagelijks ge-
bruikte hoeveelheid water in vergelijking met andere honden met
polyurie en met normale honden. Daar echter ook deze toediening
van water geen omstandigheden schept, die wij geheel vergelijken
kunnen, wordt er slechts het volgende kort van vermeld. Hond 16
blijkt nu nog iets beter te kunnen verdunnen dan een normale hond,
maar wederom treedt een duidelijke vertraging in de volkomen uit-
scheiding van de toegevoerde hoeveelheid water op. Dit laatste kun-
nen we dus wel als een vaststaand feit bij deze polyurie beschouwen.
Tenslotte werd de werking van theocine nagegaan. De dieren
kregen in den loop van 24 uur ongeveer 42 m.gr. per K.G. lichaams-
gewicht per os toegediend, over drie gelijke porties verdeeld. De
dagen voor en na de toediening zijn eveneens in de tabel opgenomen
(zie tabel 19), terwijl de bepalingen zijn gedaan in 24-uur porties
van de urine loopende van 18 tot 18 uur, met voedselopname om
Hond 16.
7 K.G.
TABEL 19.
Theocine toediening.
voedsel opn.
c r-i ^
'C U u
PU f
X'quot; lt;8
ü O
y
Datum
y is
2060
1970
1620
1420
1365
325
1690
1267
655
1922
997
610
1607
1777
294.3
281.4
231.4
202.8
195.0
46.4
241.4
181.0
93.6
274.6
142.4
87.1
229.6
253.9
1750
1780
1410
1190
1078
400
1478
1074
475
1549
1190
325
1515
1635
250.0
254.3
201.4
170.0
154.0
57.1
211.1
153.4
67.9
221.3
170.0
46.4
216.4
233.6
1004
1004}
1004i
1006
1007
1003
1005}
1006
1003
1005
1005}
1003
1005
1006
eten op, melk}
eten op, melk }
eten op, melk
eten op, melk }
alles op
alles op
alles op
alles op
|
0 u IS z |
U |
^ • i ^^ u e |
|
1.2 |
2030.0 |
290.0 |
|
1.4 |
2477.8 |
353.9 |
|
0.9 |
1308.5 |
186.9 |
|
0.6 |
690.2 |
98.6 |
|
1.9 |
2063.3 |
294.8 |
|
0.8 |
301.6 |
43.0 |
|
1,6 |
2314.6 |
330.7 |
|
19 |
1993.3 |
284.8 |
|
0.3 |
165.3 |
23.6 |
|
1.4 |
2156.2 |
308.3 |
|
1.9 |
2277.7 |
325.4 |
|
0.3 |
113.1 |
16.2 |
|
1.6 |
2372.5 |
338.9 |
|
1.4 |
2275.9 |
325.1 |
24-25 Sept. 18.^
uur telkens J
theocineI nachts
dagportie
24 uur portie
n. p.
d.p.
24 uur portie
n. p.
d.p.
24 uur portie
-ocr page 95-i8 uur. Sommige porties zijn echter gesplitst in een nacht- en een
dag-portie resp. van 15 en van 9 uur.
Theocine geeft bij menschen óf door toename van de concentratie
met gelijk blijven van de hoeveelheid urine, óf door vermeerderde
uitscheiding van urine met nu gelijk blijven van de concentratie, een
vermeerderde uitscheiding van het totale NaCI, terwijl den volgen-
den dag dan meestal een compensatie optreedt. In de proef bij hond
16 is van eenig resultaat van de toediening van theocine eigenlijk
geen sprake. Dit komt ook door de groote schommelingen, die op nor-
male dagen te zien zijn. De mogelijkheid bestaat echter, dat de ge-
bruikte dosis niet voldoende is geweest, maar dit geldt dan toch
alleen voor dit dier. Want bij hond 31 werd deze proef eenige malen
verricht om een werkzame dosis vast te stellen, waarna deze dosis
per K.G. lichaamsgewicht bij de andere dieren werd gebruikt. Wc
kunnen dus zeggen, dat door de in deze proeven gebruikte dosis
theocine bij hond 16 geen merkbare wijzigingen in de urineuitschei-
ding veroorzaakt wordt.
Vatten we nu kort de gevonden symptomen van deze polyurie
samen, dan komen we tot het volgende:
primaire polyurie na een steek in het tuber cinereum;
permanente polyurie, in het begin duidelijk, dan minder hevig, met
tijden dat geen polyurie bestaat (de hond eet dan echter slecht),
om langzamerhand tot het einde toe steeds sterker te worden;
de polyurie is onregelmatig;
steeds lager wordende concentraties van NaCI in de 24-uur porties,
doch in de eerste maanden een betrekkelijk weinig verlaagde NaCl-
concentratie en een hoog soortelijk gewicht;
quot;Volkomen intact concentratievermogen in de dorstproef cn weinig
gewichtsverlies hierbij;
het NaCl-gehalte van het bloed, serum en plasma is normaal of iets
verlaagd;
geen afwijkingen in het bloed bij wateronthouden;
geen duidelijke werking van achterkwab-extract tijdens het onthou-
den van water, zeer goede werking op een normalen dag, dus
tijdens vrije opname van water; in dit laatste geval geeft het ach-
terkwab-extract verhooging van de NaCl-concentratie en vermin-
dering van de polyurie en de polydipsie;
een extra dosis NaCI veroorzaakt polyurie en polydipsie en een veel
minder sterke verhooging van de concentratie van het NaCI dan
bij een normalen hond;
in de verdunningsproef blijkt de wateruitscheiding vertraagd te zijn;
theocine heeft in de hier gebruikte dosis in dit geval geen duidelijke
werking.
Willen we deze polyurie nu onderbrengen in de indeeling van
Veil, dan is de hyperchloraemische diabetes insipidus zonder eenige
moeilijkheid uit te sluiten (b.v. al door het intacte concentratie-
vermogen). Het onderscheid tusschen psychische primaire poly-
dipsie en hypochloraemische diabetes insipidus hebben we in het
eerste hoofdstuk leeren kennen als zeer moeilijk. Toch zou bij deze
polyurie zeer veel voor den eersten vorm pleiten, die dan ontstaan
zou kunnen zijn na een tijdelijke primaire polyurie door een steek
in het tuber cinereum. Het hooge soortelijk gewicht en de lichte
vorm van polyurie, die vanaf ongeveer een week na de operatie
langzamerhand eerst tot een duidelijke polyurie werd, het volkomen
intacte concentratievermogen en de sterke golfbewegingen in de
polyurie zouden hiervoor aangevoerd kunnen worden. Ook het feit
dat hond op 16 Augustus 1931 een toeval kreeg, echter na een
lichamelijke bestraffing en steeds een zeer nerveus hondje was, zou-
den deze opvatting kunnen versterken. Tegen primaire polydipsie
en dus voor hypochloraemische diabetes insipidus, waarbij het con-
centratievermogen immers ook intact kan zijn, pleit echter in de
eerste plaats eenigermate het NaCl-gehalte van het bloed, dat bij
dezen hond normaal of aan den lagen kant was, terwijl het bij de
primaire polydipsie nooit verlaagd zou zijn. De bepalingen in het
bloed van normale honden zijn echter te klein in aantal'), om als
de grenzen, waartusschen deze waarden kunnen schommelen, be-
schouwd te worden. Trouwens later zal nog een hond besproken
worden, waarbij een hypochloraemie bestaat, die een veel grooter
verschil met de normale waarden voor het NaCl-gehalte in het bloed
vertoont. Toch kan deze eenigermate lage NaCl-waarde van het
In de waarden hiervoor in de literatuur komen te groote schommelingen
voor, zoodat ik mij hier slechts houd aan de bepalingen bij normale dieren, onder
de omstandigheden levend, als bij deze proeven geregeld was.
8i
bloed niet geheel op zijde gezet worden, waarbij dan als tweede
argument tegen de primaire polydipsie het feit komt, dat hond i6
in het begin (tot omstreeks Maart) geen water in zijn kooi had maar
telkens, evenals alle honden in dien tijd, zijn water aangeboden kreeg.
Dit laatste wil dus zeggen, dat wel overdag en 's avonds, maar nooit
's nachts, opname van water kon plaats hebben en dat de toestand
dus zeker niet op zijn gunstigst was om het optreden van psychische
polyurie te bevorderen.
Dat het hypophysis-extract tijdens de dorstproef geen speciale
werking had, behoeft niet te verwonderen bij het toch al intacte
concentratievermogen, maar bij vrij waterdrinken zien we wel een
duidelijke werking en daarentegen geen theocinewerking. Beide ge-
gevens zouden dus volgens de indecling van Veil weer meer
tegen den hypochloraemischen diabetes insipidus pleiten. Wat nog ten
slotte de reactie op een extra dosis NaCl betreft, hebben we reeds
gezien, dat het niet opgaat hier eenige gevolgtrekking uit te maken
en deze hond voldoet ook wat dit laatste betreft aan de door
L e s c h k e beschreven voorwaarden voor de primaire polydipsie
(zie blz. lo).
Natuurlijk moeten we in het oog houden, dat nergens een hypo-
chloraemische diabetes insipidus beschreven is vanaf zijn begin en
dat dus het vreemde eerste gedeelte van de polyurie van hond i6
eigenlijk niet mede gebruikt mag worden in deze vergelijking met
de indeeling van Veil. Maar ook zij nog hierop gewezen, dat de
indeeling van Veil immers nooit volkomen opgaat en dat hijzelf
er veranderingen in aanbrengt, als een geval van polyurie er niet
goed in passen wil.
We hebben hier dus, eenvoudig uitgedrukt, een polyurie met in-
tact concentratievermogen, waarvan we tevens zouden kunnen zeg-
gen, dat zij veel gelijkt op wat men primaire polydipsie noemt.
Volgt nu het anatomisch onderzoek van de aangebrachte laesie,
dan is het jammer, dat door de slechte indeeling der polyurieën het
mij niet gelukt is onomstootelijk vast te stellen tot welke groep deze
polyurie zou gerekend moeten worden. Want deze anatomische uit-
komst zou direct voor de aanhangers van het bestaan der psychische
polyurie een aanleiding zijn hond i6 tot den hypochloraemischen
vorm te rekenen. Blijkt toch dat bij hond i6 een dubbelzijdige ver-
woesting van den nucleus supraopticus bestaat, benevens een vol-
komen atrophic van de hypophysis-achterkwab, dwz. een totale
uitval van het systeem dat volgens Greving en anderen de
water- en zouthuishouding regelt, dan zou het wel moeilijk zijn vast
te blijven houden aan de opvattingen over het ontstaan of het wezen
van de primaire polydipsie. Aan deze moeilijkheid (primaire poly-
dipsie bij volledigen uitval van het regulatiesysteem voor de water-
huishouding) valt slechts te ontkomen door te beweren, dat hond 16
duidelijk een hypochloraemische diabetes insipidus heeft (wat echter
nauwelijks mogelijk is), of door te betwijfelen of het wel juist is de
primaire polydipsie altijd als iets zoo volkomen anders als diabetes
insipidus te beschouwen, zonder dat men in de klinische gegevens
(zie hoofdstuk I) eigenlijk één steeds steekhoudend argument kan
vinden voor deze opvatting.
Het belangrijkste is echter niet de bestaande indeeling met al haar
vreemde maaksels en wij kunnen, dit verder voorbijgaande, de laesie
bij hond 16 nader beschouwen uit het veel belangrijker oogpunt n.l.
van een polyurie met volkomen intact concentratievermogen.
Op 9 October 1931 werd hond 16 in narcose gedood. Bij sectie
bleek het volgende: kop onsymmetrisch; rechter jukboog ontbreekt;
sterke atrophic van den musc. temp. dexter; trepanatiegat opgevuld
door bindweefsel; schedelbasis volkomen normaal. De hersenen wer-
den uiterst voorzichtig weggenomen, speciaal wat den inhoud van
de sella turcica betreft. Bij de verdere sectie blijkt: dat het dier in
goeden voedingstoestand verkeert, gezien het onderhuidsche vet, doch
geen adipositas (lichaamsgewicht bleef gedurende het observatiejaar
ook steeds gelijk); longen geen afwijkingen, hart niet vergroot, spier
en kleppen normaal; lever, pancreas, milt, maag-darm-kanaal geen
bijzonderheden; nieren macroscopisch en microscopisch geen afwij-
kingen behoudens een lichte vetafzetting; de endocrine klieren ver-
toonden macroscopisch geen afwijkingen; de genitaliën worden nader
onderzocht.
Ter bepaling van het NaCl-gehalte der weefsels werden bij deze
dieren bepalingen verricht in huid en spieren, zijnde de weefsels
waarin de belangrijkste depóts van het zout aan te treffen zijn. Het
kan immers van belang zijn om te weten of bij deze honden met
polyurie en met stoornissen in de zouthuishouding (zooals we later
bij eenige honden zullen constateeren), afwijkingen in het zoutge-
halte der weefsels bestaan. En tevens, omdat Toxopéus heeft
aangetoond, dat onder invloed van inspuiting van hypophysis-
extract de verdeeling van NaCI over huid en spieren gewijzigd
wordt.
Bij hond i6 bleken in huid en spier, genomen op den dag van de
sectie, de volgende hoeveelheden zout aanwezig te zijn: per gram
huid 3,66 m.gr. NaCI en per gram spier 2,44 m.gr. NaCI (duplo-
bepaling). Dit wil dus zeggen, dat in vergelijking met de cijfers voor
normale honden van Toxopéus (zie blz. 62) in de huid een
normale hoeveelheid zout aanwezig was en in de spier een iets ver-
hoogde hoeveelheid, maar van te geringen aard om als iets bijzonders
te mogen worden beschouwd. Hoewel men zou kunnen vermoeden
dat bij een polyurie, waarbij de concentratie van het NaCI in de
urine wel laag is, maar waarbij het concentratievermogen ongestoord
bleek te zijn, meer kans op zoutarme weefsels zou bestaan, blijkt uit
deze uitkomsten dat dit zeker niet het geval is.
De hersenen werden op de vroeger beschreven wijze gesneden cn
gekleurd en bij het onderzoek was het volgende te vinden. Een steek
van rechts gaat door den rechter tractus opticus (fig. 4) via de
mediaanlijn, juist langs de bovenzijde van den linker tractus en
veroorzaakt hier boven den linker tractus een groote verwoesting.
De fout van de operatie vanaf de temporale zijde treedt hierbij
Weder op, n.1., dat de verwonding een uitlooper heeft, die te ver
lateraal doorgaat, buiten het tuber cinereum tot in de buurt van
den globus pallidus en de capsula interna. Deze laterale verwoesting
valt echter buiten de hierbij afgedrukte overzichtsphoto's. Meer naar
voren (fig. 3), waar alleen het chiasma te vinden is, is rechts de ver-
wonding zeer klein, maar toch is nergens aan deze zijde iets van
den nucleus supraopticus anterior te bespeuren. Links daarentegen
(zie ook fig. 2) zijn eenige cellen van den nucleus supraopticus ante-
nor blijven bestaan, hoewel de verwonding hier veel grooter is. In
de coupes voor deze coupe 45 liggend, is de nucleus supraopticus
anterior volkomen afwezig. Wat de nucleus supraopticus lateralis
betreft, deze is links geheel afwezig; op die plaats is een open ruimte
te vinden (fig. 4 en 5). Maar ook rechts ontbreekt deze kern geheel,
al bereikt de nog zichtbare verwoesting niet overal den top van den
tractus. Wat de nucleus supraopticus posterior betreft, ook deze is
op eenige zeer spaarzame cellen na niet meer te vinden. Dit gedeelte,
immers medio-dorsaal van den tractus opticus gelegen, valt ook nog
voor een gedeelte in het verwonde gebied, hetgeen eenigermate in
fig. 5 is te zien. In deze figuur zijn links nog de resten van de ver-
woesting zeer duidelijk te vinden, evenals rechts langs den aan deze
zijde zeer sterk verkleinden tractus opticus. In de hierna volgende
coupes meer caudaalwaarts waren geheel mediaal van de beide tracti
optici enkele cellen van den nucleus supraopticus posterior te vin-
den. (Er wordt hier kort bij aangeteekend dat bij hond i6 geen oog-
afwijkingen waren opgevallen).
De drie gedeelten van den nucleus supraopticus zijn dus door een
gelukkigen steek aan beide zijden voor het allergrootste gedeelte ver-
woest. Verder is de nucleus paraventricularis aanwezig, doch aan
beide zijden zeer weinig uitgestrekt in vergelijking met een normalen
hond. Meer caudaalwaarts is vervolgens een tweede steek zichtbaar,
rechts ingaande (fig. 6) en door de derde ventrikel links eindi-
gende (fig. 7). Hierdoor is beiderzijds een klein gedeelte van het
gebied van den nucleus tuberis getroffen. Het aantal cellen is hier
veel geringer, maar vastgesteld moet worden, dat lang niet het geheele
gebied van deze kern door de verwoesting getroffen is.
Aan de hypophysis-voorkwab en aan het infundibulum zijn geen
bijzonderheden te constateeren. Anders is het echter met den over-
gang van infundibulum in hypophysis-achterkwab cn met de achter-
kwab zelf gesteld. Ter verduidelijking van het volgende zijn hierbij
gevoegd fig. 8 t/m. fig. 13. In coupe 120 vinden we nog slechts het
infundibulum met voorkwabweefsel, doch in c. 125 zien we aan de
onderzijde van het infundibulum een begin van de achterkwab, om-
geven door losliggend en gespleten voor- en middenkwabweefsel.
Vervolgen we nu de coupes langs c. 126, c. 127 (waar de recessus
infundibuli geëindigd is), c. 129 tot c. 132, dan blijkt in deze laatste
doorsnede de achterkwab reeds geheel verdwenen te zijn. Dit wil dus
zeggen, dat de sporen van dit orgaan zich slechts uitstrekken van
c. 125 tot c, 132 of over 7 maal 75 micron. En wat er tenslotte in
deze halve m.m. van de achterkwab te vinden is, is waarschijnlijk
voornamelijk op rekening van het infundibulumeinde te schrijven.
De middenkwab is nog gedeeltelijk aanwezig, maar ook in uitge-
H. 16. IV. -15.
Chla.smn;
link.s verwonding tot a/d fornix a.sc.;
n. .supraopticus ant. ontbreekt vrijwel geheel, speciaal rechts.
FIG. 3
H. 16. V. A9.
Chiasma:
verwonding links duidelijk en rechts klein:
n. supraopticus ant. ontbreekt vrijwel geheel, speciaal rechts.
H. 16. V. 54.
Chiasma en tracti optici;
steek door rechter tractus en langs linker tractus;
geen n. supraopt. lat.
H. 16. VI. 61.
Tracti optici;
verwonding zoowel boven linker als rechter tractus;
geen n. supraopt. post.;
rechts begin van den n. paraventricularis.
H. 16. Vm. 91.
Voorste gedeelte van de voorkwab;
steek van rechts door gebied van n. tuberis.
FIG. 7
H. 16. IX. 96.
Voorste gedeelte van de voorkwab;
steek (als in fig. 6) links eindigende:
links is gedeelte van het gebied v. d. n. tuberis getroffen.
H. 16. X. 120.
Infundibulum en voorkwab.
FIG. 9
• ^nbsp;-V-N
H. 16. XI. 125.
Corpora mamillaria;
infundibulum en voorkwab;
achterkwab geatrophieerd.
H. 16. XI. 126.
Infundibulum en voorkwab;
achterkwab geatrophieerd.
L
FIG. 11
H. 16. XI. 127.
Einde van het infundibulum.
H. 16. XI. 129.
Laatste resten van infundibulum en achterkwab.
FIG. 13
H. 16. XL 132.
Corpora mamillaria liggen los;
uitsluitend voorkwabweefsel.
8S
breidheid sterk verminderd, terwijl de voorkwab normaal is. Hoe
interessant een nauwkeurig histologisch onderzoek van deze atrophie
ook zou wezen, ik beperk mij hier tot het constateeren van het dui-
delijk getoonde feit van de practisch volledige atrophie van de ach-
terkwab.
Het vraagstuk van het quot;ontstaan van deze atrophie zal in een
latere bespreking, nadat ook de andere honden beschreven zijn, nader
worden beschouwd. Hier zij nog gewezen op de photo's, waaruit
blijkt, dat de overgang van infundibulum in achterkwab aan de
rechterzijde niet is omgeven door voorkwabweefsel. Een toevallige
laesie van de achterkwab bij de steken in het tuber cinereum zal ik
dus nooit pertinent kunnen uitsluiten en zeker niet aan de hand van
deze coupes, een jaar na de operatie vervaardigd. Ook de diepte
v/aarin dit kleine operatieterrein in den kop gelegen is en de moei-
lijkheid die de geheele techniek met zich mede brengt, zouden een
stellige verklaring, dat hier geen kunstmatig aangebrachte laesie in
de achterkwab de oorzaak van de atrophie kan zijn, slechts twijfel-
achtig maken. Maar toch dient er op gewezen te worden, dat de
uiterste voorzichtigheid is betracht om slechts in het tuber cinereum
de verwoesting aan te brengen, terwijl de ligging van de voorkwab
op de wijze als uit de photo's blijkt, zeker niet uitsluitend op een
laesie behoeft te wijzen. Bij een anderen hond zullen we tevens later
ditzelfde verschijnsel wederom zien optreden.
quot;Wat tenslotte het gespleten en grillige weefsel om het infundibu-
lum betreft, zij verwezen naar S t e n d e 11'), die zeer nauwkeurig
o.a. de hypophysis bij een hond beschrijft en steeds den nadruk legt
op de grillige uitloopers van de hypophysisholte in het gebied van de
omslagplaats van voor- en middenkwab. Mede, doordat de achter-
kwab geatrophieerd is en de voorkwab de ontstane holte meer heeft
opgevuld en de middenkwab in gedrang is gekomen, kunnen we dit
beeld verklaren.
Hond 16, waarbij we een polyurie vonden met intact concentratie-
vermogen en die lijkt op primaire polydipsie, had dus een dubbel-
zijdige verwoesting van den nucleus supraopticus, atrophie van de
Stendcll, in: Lchrb. d. vcrgl. mier. Anat. d. Wirbeltiere v. Oppel.
Teil 8, 1914.
achterkwab en gedeeltelijke atrophie van de middenkwab, terwijl
een steek gaat door een gedeelte van het gebied van den nucleus
tuberis en de nucleus paraventricularis klein is.
We vervolgen nu de beschrijving van de permanente polyurieën om
later de verkregen gegevens verder uit te werken.
HOND 31.
Deze hond had van 25 Maart 1931, op welken dag hij voor de
derde maal langs buccalen weg werd geopereerd, tot 8 October 1931,
den dag dat hij werd opgeofferd, dus gedurende 6]/2 maand een
sterke polyurie. Achterin dit boek is ook van deze polyurie, die ge-
durende dien tijd dagelijks werd gecontroleerd, een curve van het
verloop opgenomen. De laatste dagen werden bij dezen hond nog
eenige proeven herhaald, waardoor de 5 laatste dagen niet in deze
curve konden worden aangeteekend. In deze curve ziet men tevens
een beeld van tijdelijke polyurieën, zooals die ook bij zoovele andere
honden werden waargenomen. Men dient bij het verloop van de
polyurie in het oog te houden, dat dit dier een sterke gewichtstoe-
name vertoonde, n.l. van 15 K.G. in Februari 1931 tot iets meer
dan 28 K.G. kort voor het einde. Hoewel natuurlijk een gedeelte
van de stijging van het gewicht veroorzaakt is door de geringe be-
weging, is dit zeker niet de voornaamste oorzaak. Immers hond 16
nam gedurende i jaar niet in lichaamsgewicht toe en bovendien werd
dezen dieren ook, onder controle en na urineloozing, in een kamer
gedurende eenigen tijd per dag meer beweging gegund, om hen in zoo
goed mogelijke conditie te houden. We zullen bij de sectie zien, dat
er een enorme adipositas bestond.
Uit het verloop van de curve blijkt, dat na de twee eerste opera-
ties steeds een tijdelijke polyurie optrad, terwijl eerst na de derde
operatie de permanente polyurie inzette. Op 24 Febr. '31 werd het
dier voor de eerste maal geopereerd. Noch de urinehoeveelheid, noch
de wateropname, die voor de operatie ± i L. bedragen, stijgen direct
na den steek in het tuber cinereum, zooals dat bij hond 16, wat be-
treft de urinehoeveelheid, zoo duidelijk was. Hier bedragen de eerste
24 uur deze beide hoeveelheden o c.c., terwijl het dier den geheelen
dag slaapt en niets gebruikt. Dit vindt zijn oorzaak in de groote
hoeveelheden narcotica., die bij dezen hond noodig waren tijdens de
operatie. Den tweeden dag was echter vóór de wateropname i L.
urine geloosd, doch dit geeft nu niet meer een zoo duidelijk bewijs
voor primaire polyurie, zooals we dat bij hond i6 konden vinden.
Den vierden dag na de operatie bereikt de urinehoeveelheid een top
van 6gt;2 L-, om daarna vrij snel te dalen en na nog een lichte stij-
ging, op den twaalfden dag weer tot het normale niveau terug te
keeren. De concentratie van het NaCI, die zeer duidelijk verlaagd
was in het begin, bereikt dan ook weder normale waarden. Terwijl
de polyurie afnam werd op 3 Maart 5 gr. NaCI bij het voedsel ge-
geven, zonder dat deze belasting een ongunstigen invloed op het her-
stel met zich bracht, zooals in de curve te zien is.
Op 16 Maart, toen dus de urinehoeveelheid weer geheel normaal
was, werd voor de tweede maal geopereerd, waarbij nu getracht
werd een verwoesting van den hypophysis aan te brengen! Het ge-
zicht op het operatieterrein was nu door bindweefsel en daaruit
ontstane kleine bloedingen tijdens de operatie veel slechter dan bij
den eersten ingreep, waardoor het resultaat natuurlijk veel meer
onzeker werd. Ook nu weer slaapt het dier de eerste 24 uur (operatie
ditmaal in dial-narcose), eet en drinkt niet cn loost V2 L. urine van
nog vrij goede concentratie, n.1. 3,2 pro mille NaCI. Ook hier is dus
slechts een zeer vage aanduiding, dat de polyurie primair is. Den
tweeden dag treden polyurie en polydipsie duidelijk op. Wat echter
opvalt bij deze polyurie is, dat bij een urineloozing van 3 L. op den
tweeden dag, bij gewone voedselopname, nadat den vorigen dag
vrijwillig gevast werd, de NaCl-concentratie 4,6 pro mille bedraagt.
Dit is dus bijna een waarde zooals die in de normale periode van
H. 31 voorkomt, hoewel de concentratie van NaCI toen gemiddeld
laag was. Hierdoor ontstaat tijdens deze polyurie een sterke afvoer
van het NaCI uit het lichaam. De totale NaCl-uitscheiding op dezen
dag is met 13H gr- bijna dubbel zoo hoog als op normale dagen en
we zien dus een tijdelijke negatieve NaCl-balans te voorschijn treden.
De volgende dagen treedt geen compensatie op (ook geen retentie op
de voorafgaande dagen). Dit verschijnsel, dat b.v. niet in de eerste
tijdelijke polyurie van hond 31 te zien is, komt later bij andere hon-
den nogmaals voor en eveneens zullen we later het tegenovergestelde,
dus een tijdelijke positieve NaCl-balans, kunnen vinden. In latere
beschouwingen wordt hierop teruggekomen, maar we kunnen dus
vaststellen, dat bij de tweede tijdelijke polyurie van hond 31 een
tijdelijke negatieve NaCl-balans bestond na een poging tot ver-
woesting van den hypophysis.
Ten slotte werd hond 31 op 25 Maart voor de derde maal ge-
opereerd, maar daar het operatieterrein nu nog moeilijker was ge-
worden, kan de uitgevoerde steek eigenlijk slechts als trans-sphenoi-
dale piqûre worden aangeduid. Daar hierbij uitsluitend aether werd
gegeven en het dier hierdoor na de operatie vrijwel onmiddellijk in
goeden toestand verkeerde, ontstaan nu direct polydipsie en polyurie.
In dit geval ging nu het wateropnemen vooraf, doch drinken na een
narcose en een operatie kan toch slecht als een bewijs voor primaire
polydipsie gelden. Ook hier valt dus niet met zekerheid te zeggen,
welk van de twee verschijnselen primair was. Den eersten dag na
de operatie worde 8 L. urine van lage concentratie n.1. 1,0 pro mille
NaCl uitgescheiden, waarna de polyurie, juist als na de eerste
operatie, snel afneemt, om na den zesden dag plotseling te stijgen
en op een hoog niveau te blijven.
Het begin van de tijdelijke en de permanente polyurie is dus
steeds gelijk. Omstreeks een week na de operatie, als de polyurie
reeds zeer belangrijk gedaald is, gaat in het eerste geval de daling
door en treedt volledig herstel in, terwijl in het tweede geval om-
streeks dit tijdstip opnieuw een toename van de polyurie optreedt.
In dit geval blijft nu steeds de urinehoeveelheid op dit verhoogde
niveau. Een dergelijk verloop zien we zoowel bij de hier beschreven
permanente polyurieën, als bij de meeste gevallen der andere onder-
zoekers. Dit feit geeft ons het recht een permanente polyurie te ver-
wachten, als tusschen de eerste en de tweede week dit typische op-
houden van het herstel zich voordoet. Wat hier echter de oorzaak
van is valt niet te zeggen en betreft misschien wel het meest be-
langrijke van de oorzaak van de permanente polyurie.
Vervolgen we nu de curve, dan zien we de polyurie vrij constant
blijven op een niveau van 4 à. S Liter. Slechts omstreeks 14 April
(den dag na de kolpotomie) is de urinehoeveelheid grooter en min-
der constant. Vanaf begin Mei, wanneer geregeld proeven met het
dier gedaan worden, neemt de dagelijksche hoeveelheid urine lang-
zamerhand toe tot een niveau van 8 Liter, om zelfs een enkele maal
de 10 Liter te overschrijden. Doch dit hangt ook samen met de
voeding.
De voedselopname per K.G. lichaamsgewicht bracht door het
steeds stijgende gewicht bezwaren met zich mede. Over het algemeen
werd het gewicht, waarnaar de hoeveelheid toe te dienen voedsel
berekend werd, längeren tijd constant gehouden, om eenige malen
echter in overeenstemming met het gewicht te worden gebracht,
speciaal voor de proefdagen, terwijl daarentegen op sommige tijden
zijn geheele diëet werd gehalveerd, om het dier niet te overvoeren.
Dit is bv. in de curve te zien van 22 tot 27 Juli, waaruit tevens
blijkt dat de hoeveelheid urine zich nu op een lager niveau beweegt
van ongeveer 5 Liter, om, zoodra weer al het voedsel gebruikt wordt,
tot 7 ä 8 Liter te stijgen.
Hond 31 heeft dus een polyurie die veel stabieler is dan die bij
hond 16, misschien mede door een dagelijks volledige voedselopname.
Ook de concentratie van het NaCl in de urine vertoont uiterst
weinig schommelingen, is constant laag en wel in de eerste maanden
van de polyurie tusschen i en 2 pro mille en later omstreeks i pro
mille. Het s.g. van de urine geeft in het begin van de polyurie o.a.
nog waarden als 1006 en 1005 te zien, maar is gedurende alle latere
maanden gelegen tusschen looi en 1C03. De vriespuntverlaging in de
urine werd de eerste maand na de operatie in de 24-uur porties
geregeld gecontroleerd en bewoog zich tusschen 0,3 en 0,4°, terwijl
in de vijfde maand ook een lange reeks van bepalingen werd gedaan,
waarbij de waarden lagen tusschen 0,2 en 0,3°. (De uitkomsten vallen
voor een groot gedeelte buiten de hier opgenomen stukken van de
curve, maar uit de daar vermelde waarden is toch reeds een voldoen-
de indruk te verkrijgen).
We dienen nu door middel van de bekende proeven weer een
verder beeld van deze polyurie te verkrijgen. Achteraf zeer tot mijn
spijt, had ik gewacht met de opstelling van de apparatuur voor het
chemisch onderzoek en de proef bepalingen totdat een tweede hond
permanente polyurie zou hebben. Daar dit nu dus eerst gereed moest
gemaakt worden, is de eerste iH maand van deze polyurie niet
onderzocht en ontgaan ons dus belangrijke feiten, die ik, achteraf
gezien, zelf maar al te graag had willen weten. Dit was natuurlijk
ook het geval bij hond 16, maar door eenige eenvoudige proeven
was daar, b.v. over het concentratievermogen, ook in het begin ge-
noeg bekend.
Het NaCl-gehalte van het bloed, ook weer onder gelijke omstan-
digheden als bij de normale honden bepaald, maar dus pas nadat de
polyurie längeren tijd bestond, gaf de volgende waarden: NaCl-
gehalte van het totale bloed 0,516, 0,517, 0,541 en 0,542 %; NaCl-
gehalte van het plasma 0,633, 0,645 en 0,650 %; het NaCl-gehalte
TABEL 20.
Normale dag met vrij waterdrinken.
Hond 31.
22 K.G.
19 Juni '31,
O
X
ó
ü
U . i
^o s
tt
E
Ori ^
,1
A
s.g.
u
CIt
z
s ij
10 uur gewoon voedsel
zonder water.
8-10
10-12
12-14
14-16
16-18
18-20
20-22
10-22
410
425
735
1009
850
1000
730
4749
18.6
19.3
33.4
45.9
38.6
45.4
33.2
215.9
290
700
960
875
1010
980
650
5175
13.2
31.8
43.6
39.8
45.9
44.5
29.5
235,2
lOOli
1002
lOOli
1002^
1002^
1002
1002
0.140
0.180
0.181
0.203
0.264
0.232
0.204
0.06
O.I
0.5
0.9
1.5
1.6
1.0
1.1
2.2
17.4
42.6
58.3
73.8
34.6
228.9
0.079
0.136
0.095
van het serum 0,659, ^gt;670 en 0,671 %. In het serum was met
soedan III vaak veel vet aantoonbaar. Deze waarden van het NaCl-
gehalte van het bloed stemmen vrijwel geheel overeen met die van
hond 16 en zijn ook weer in vergelijking met de waarden van nor-
male honden normaal of iets verlaagd. De verlaging is echter ook
nu weer zoo gering, dat we de uitkomsten misschien wel als normale
grenswaarden moeten beschouwen.
Het haemoglobinegehalte is op normale dagen gemiddeld 15 gr,
per 100 c.c.
Ook nu volgt voor de dorstproeven een tabel met bepalingen in
afzonderlijke porties der urine op een normalen dag, dus met vrij
waterdrinken (zie tabel 20).
Bij deze tabel zijn verder geen opmerkingen te maken en we kun-
nen vervolgens overgaan naar de dorstproeven.
|
Hond 31. |
Dorstproef. |
M Mei '3\. | ||||||
|
---— |
c c. urine |
mgr. NaCl | ||||||
|
Uur |
c.c. urine |
p.K.G. |
s.g. |
A |
NaCI Voo |
p. KG. |
ureum °/o | |
|
lich. gew. |
lich. gew. | |||||||
|
8-10 10-22 |
321 962 |
15.7 47.0 |
1000} 1013 1014 |
0.201 |
0.5 |
7.3 56.6 54.7 35.5 26.6 195.8 |
0.159 |
10 uur gewoon voedsel |
Drie dorstproeven werden ingesteld volgens het bekende schema
en in deze proeven treden een aantal verschijnselen op, die steeds
terug keeren. We kunnen een andere wijze van reageeren op het
wateronthouden bij hond 31 (tabel 21, 22 en 23) constateeren dan
we bij hond 16 hebben gezien.
TABEL 22.
|
Dorstproef. | |||||||
|
Hond 31. |
19 Mei '31. | ||||||
|
20} K.G. | |||||||
|
c.c. urine |
mgr. NaCl | ||||||
|
uur |
c.c. urine |
p.KG. |
s.g. |
NaCI Voo |
p. KG. |
ureum quot;/o | |
|
lich. gew. |
lich. gew. | ||||||
|
8-10 |
250 |
12.2 |
1001 |
0.2 |
2.8 |
0.156 |
10 uur gewoon voedsel |
|
10-12 |
145 |
7.1 |
1005 |
0.7 |
4.9 |
zonder water. | |
|
12-14 |
140 |
6.8 |
1008 |
2.1 |
14.3 | ||
|
14-16 |
202 |
9.8 |
1009 |
5.9 |
58.5 |
1.417 | |
|
16-18 |
153 |
7.5 |
1017 |
7.7 |
57.1 | ||
|
18-20 |
110 |
5.4 |
1018 |
7.1 |
38.0 | ||
|
20-22 |
110 |
5.4 |
1015 |
5.5 |
29.6 |
1.384 | |
|
10-22 |
860 |
42.0 |
202.4 |
j | |||
|
Drinkt na afloop van de proef direct 78 c.c. |
HjO p. KG. lich. gew. | ||||||
De hoeveelheid urine die per K.G. lichaamsgewicht geloosd wordt,
bedraagt resp. 47, 42 en 37 c.c., terwijl daaraan toegevoegd kan
TABEL 23.
Dorstproef.
Hond 31.
22 K.G.
U . b.-
Z ^ 60
•r-U t)
6
s.g.
U
(3
z
10 uur gewoon voedsel zonder water.
18 uur NaCl tot. bloed 0.5740/
NaCl plasma 0.744Vo.
22 uur Hb. 16.4.
NaCl tot. bloed 0.584 V„.
NaCI plasma 0.7400/0.
NaCl serum 0.767o/„.
8-10
10-12
12-14
14-16
16-18
18-20
20-22
10-22
236
121
150
232
118
93
105
819
10.7
5.5
6.8
10.5
5.4
4.2
4.7
37.2
1002^
1007
1009
1011
1018
1016^
1013i
0.213
0.489
0.802
0.827
1.211
1.140
1.023
0.2
0.3
3.2
6.2
6.3
5.7
4.8
2.5
1.9
22.1
65.6
34.2
24.0
22.7
170.5
0.243
0.904
1.246
Gewichtsvermindering (na voedselopname tot 22 uur) 1135 gr
dnnkt na afloop van de proef direct 109 c.c. H^O p. K.G. lich. gew.
worden, dat, eenige dagen voor het dier werd opgeofferd, kort werd
nagegaan of een dorstproef nog op dezelfde wijze verliep, waarbij
toen een overeenkomstige hoeveelheid van 40 c.c. werd gevonden.
In vergelijking met normale dieren en ook met hond 16 bestaat bij
hond 31 dus een polyurie, die niet ophoudt tijdens de concentratie-
proef, gedurende welke immers ongeveer 3 maal zooveel urine per
K.G. wordt uitgescheiden als door de normale honden. Tevens blijkt
uit deze dorstproeven, dat de hond vrijwel evenveel, dus een nor-
male hoeveelheid, NaCl per K.G. uitscheidt (196, 202 en 170 m.g.
NaCl.), waaruit dus reeds de gevolgtrekking te maken valt, dat de
concentratie van het NaCl in de dorstproef niet de normale hoogte
zal bereiken. En inderdaad blijkt, dat in géén van de drie dorst-
proeven de concentratie van het NaCl in de urine veel hooger wordt
dan die in het bloed. De hoogste concentraties van het NaCl, die
zich regelmatig in de vijfde porties voordoen, zijn resp. 6,0, 7,7 en
6,4 pro mille. Slechts de middelste waarde is hooger dan het NaCl-
gehalte in het plasma bij dezen hond. quot;We moeten hierbij ook in
aanmerking nemen, dat in het glomerulusfiltraat andere waarden
zullen gevonden worden, daar de colloïden met het hieraan gebon-
den water niet meer aanwezig zijn en dat die waarden dus hooger
zijn dan in het plasma. Nu blijkt uit de nog ongepubliceerde proeven
van Griethuyzen in het Pharmacologisch Laboratorium ge-
daan, dat in het ultrafiltraat, dus ook in de vloeistof in de Bowman-
sche kapsel, de waarden voor het NaCI ± lo % hooger zijn dan in
het plasma. Ook de proeven van R i c h a r d s doen deze zelfde
verhouding vermoeden. Er bestaat dus nauwelijks meer verschil tus-
schen de hoogste NaCl-concentratie in de urine bij deze proeven en
de NaCl-concentratie van de vloeistof in de Bowmansche kapsel.
Tevens zien we uit tabel 23 dat het NaCl-gehalte van het plasma,
ten tijde van de hoogste concentratie van NaCI in de urine, bij de
dorstproef duidelijk verhoogd is en om 18 uur 0,744 pro mille be-
draagt. Hieruit volgt dus met vrij groote zekerheid, dat hond 31
bij het onthouden van water wel NaCI kan concentreeren, maar
niet hooger dan in het bloedplasma en zeker niet hooger dan in de
vloeistof in de Bowmansche kapsel. Ook s.g. en A geven een dui-
delijke toename te zien, al bereiken zij nergens de waarden die in
normale dorstproeven worden gevonden. Door het bestaan blijven
van de polyurie bereikt ook de concentratie van het ureum geen
normale waarden, maar uit de enkele bepalingen is op te maken, dat
de totale uitscheiding waarschijnlijk normaal zal zijn. In het bloed
blijkt na afloop van de proef het NaCl-gehalte duidelijk verhoogd
te zijn. De gewichtsvermindering is grooter dan bij hond 16, doch
niet veel anders indien men het gewicht van het dier in rekening
brengt en tenslotte vertoonde hond 31 ongeveer een even sterken
dorst na afloop van de proef als hond 16 en veel sterker dan een
normale hond (natuurlijk slechts grof bepaald). Ook den volgenden
dag kwam dit tot uitdrukking in een zeer groot verschil tusschen
wateropname en -afgifte.
quot;We zien dus, dat de polyurie bij hond 31 bij het onthouden van
water doorgaat, dat de concentratie van het NaCI in de urine hierbij
niet boven die van het bloed kan komen, dat de concentratie van
NaCI in het bloed Iets hooger wordt dan bij hond 16 en dat er een
even duidelijke dorst bestaat na afloop van de proef als bij hond 16.
Om na te gaan of hond 31 inderdaad in een dorstproef geen hoo-
gere NaCl-concentratie in de urine bereiken kon, werd nu tijdens
een volgende dorstproef i gr. NaCI per K.G. lichaamsgewicht aan
de helft van het gewone voedsel toegevoegd. Het steeds in het voed-
sel aanweizge NaCI was dus hierdoor met de helft verminderd (voor
gemakkelijker opname), maar het dier kreeg nu tijdens het dorsten
ongeveer 23 gr. zout extra. De uitkomsten van deze proef zijn in
tabel 24 opgenomen.
TABEL 24.
Dorstproef -f NaCI belasting.
Hond 31.
23i K.G.
13 Juli -31,
|
uur |
V c •c ü |
quot; ii |
s.g. |
A |
e 0 u 19 z |
ids Zv^ ec |
0 0 3 V M p |
|
8-10 |
435 |
18.5 |
1002 |
0.134 |
0.1 |
2.1 |
0.058 |
|
10-12 |
260 |
11.1 |
1005 |
0.398 |
2.3 |
25.7 | |
|
12-14 |
292 |
12.4 |
1009^ |
0.805 |
8.6 |
103.8 | |
|
14-16 |
234 |
10.0 |
1014 |
1.000 |
10.4 |
104.0 |
0.528 |
|
16-18 |
175 |
7.5 |
1014 |
0.956 |
8.8 |
65.7 | |
|
18-20 |
132 |
5.6 |
1015 |
0.982 |
8.1 |
45.3 |
0.710 |
|
20-22 |
Gewichtsvermindering (na voedselopname tot 20 uur) 1200 gr.
na afloop slechts langzaam water toegevoerd,
temp. tot 40.8 om 18 uur, 39.8 om 22 uur.
10 uur i gewoon voedsel zonder water
1 gr NaCI p. K.G. lich. gew.
16 uur NaCI tot. bloed 0.665»/o-
NaCI plasma 0.802«/o.
NaCI serum 0.8060/0.
20 uur Hb. 16.6.
NaCI plasma 0.842 V,,.
Deze proef is helaas onvolledig, doch zooals in de tabel is aan-
gegeven vertoonde het dier een sterke toename van temperatuur tot
40,8° en verkeerde in een zoo slechten toestand, dat ik de proef niet
wilde voortzetten (zoutvergiftiging). Toch is reeds duidelijk te zien,
dat, indien we de NaCl-concentratie in de urine (waarvan de top nu
in de vierde portie valt) vergelijken met de NaCl-concentratie in
het plasma en daarbij een lo % verhooging voor de vloeistof in de
kapsel van Bowman aannemen, het in de vierde portie gelukte de
NaCI -concentratie van de urine boven die van de vloeistof van de
Bowmansche kapsel te brengen. Dit komt slechts alléén in de vierde
portie voor, in de volgenden echter niet meer. We kunnen tevens bij
deze proef een geweldig hooge concentratie van het NaCI in het
bloed constateeren, o.a. 0,842 % NaCI in het plasma, terwijl de
concentratie van het ureum in de urine misschien ongunstig door
deze groote hoeveelheid zout beïnvloed wordt, maar voor een groot
gedeelte veroorzaakt is omdat slechts het halve menu gegeven werd.
TABEL 25.
Dorstproef -}- hyp. extr.
Hond 31.
23 K.G.
6 Juli '31,
U . i
40 l
UI
Ë
Uur
A
s.g.
u
n)
z
ü
10 uur gewoon voedsel zonder water;
om de 2 uur 10 eenheden achterkw.
extr.
22 uur.
Hb. 15.8.
NaCI tot. bloed 0.5520/0.
NaCI plasma 0.677''/o.
NaCI serum 0.730»/o-
213
86
140
109
133
66
72
606
9.3
3.7
6.1
4.7
5.8
2.9
3.1
26.3
1003
1014^
1014i
1025^
1017
1028
102H
0.255
0.961
1.122
1.799
1.289
2.029
1.676
0.2
2.1
6.1
11.1
8.1
12.6
10.3
1.1
7.8
37.4
52.5
46.9
36.3
32.3
213.2
0.165
2.342
2.436
6-18
20-22
'0-22
Gewicht.wermindering (na voedselopname tot 22 uur) 707 gr.
drinkt na afloop van proef direct 88 c.c. H.,0 p. K.G. lich. gew.
De uitslag van deze proef, waarbij tijdens het onthouden van
water en een sterke belasting met NaCI slechts éénmaal en dan
slechts weinig, boven de berekende concentratie van het NaCI in het
glomerulusfiltraat werd geconcentreerd, is wel haast een bewijs, dat
hond 31 practisch slechts zout in zijn urine concentreert tot aan dit
niveau en niet daarboven.
De werking van hypophysis-achterkwab-extract tijdens de dorst-
proef is in tabel 25 aangegeven.
Deze hond kreeg ook weer van 10 tot en met 20 uur iedere twee
uur 2/5 eenheid achterkwab-extract per K.G. lichaamsgewicht, dus
23 X is 10 eenheden. Een gunstige werking is in alle kolom-
men te bespeuren. In vergelijking met een gewone dorstproef b.v.
tabel 23 (blz. 92) heeft hij minder polyurie en een iets sterkere
totale NaCl-uitscheiding en dus ook een betere concentratie van
NaCl in de urine. Deze laatste bereikt n.l. in één urine-portie een
top van 12,6 pro mille. Kleinere hoeveelheden achterkwab-extract
zijn bij dezen hond ook beproefd, doch gaven iets minder stijging
van de concentratie; nog grootere doses dan de gebruikte zijn niet
beproefd, doch zullen waarschijnlijk een niet zoo heel veel sterkeren
invloed hebben, daar, zooals reeds gezegd werd, bij kleinere doses
slechts weinig minder werking was te bespeuren. Hoewel dus met
behulp van het achterkwab-extract de NaCl-concentratie in de urine
zeer duidelijk boven die van het bloed en zeker ook boven die van
de vloeistof in de Bowmansche kapsel stijgen kan, kunnen we toch
geen waarde verkrijgen, zooals we bij normale honden in de dorst-
proef vonden. Zooals later zal blijken, kunnen we dit resultaat met
dezelfde hoeveelheid achterkwab-extract wel bij hond 44 bereiken.
Ook in de andere bepalingen van deze proef is de invloed van het
achterkwab-extract te constateeren. Zoo vinden wij b.v. een veel
minder sterke toename van het NaCl-gehalte in het bloed en speciaal
in het plasma (hetgeen waarschijnlijk voor een groot gedeelte te
verklaren is door den vluggeren afvoer van NaCl in de urine), een
vrij hoog s.g., dat meer verhoogd schijnt dan de concentratie van het
NaCl en een goede concentratie van het ureum. Ook de gewichts-
vermindering is geringer, maar het dier heeft na afloop van de proef
echter toch een sterken dorst.
Het hypophysis-achterkwab-extract is dus in staat tijdens een
dorstproef de polyurie eenigermate te verminderen, de concentratie
van de urine te verhoogen, de concentratie van het NaCl boven die
van het bloed op te voeren, hoewel niet normaal te maken en ook
in het bloed minder abnormale NaCl-verhoudingen te doen ont-
staan.
Geven wij het extract op een normalen dag, dus bij vrij water
drinken, dan vinden we uitkomsten als in tabel 26 zijn aangegeven.
Nu worden in vergelijking met den normalen dag (zie tabel 20,
blz. 90) ook weer zoowel de wateropname en -afgifte als de con-
centratie van de urine gunstig beïnvloed, doch bij deze proef (al
duurt zij slechts tot 20 uur) is de totale NaCl-uitscheiding te klein.
De oorzaak hiervan is mij onbekend, maar is misschien slechts aan
|
Hond 31. |
Normale dag hyp. |
extr. |
7 Oct. '31. | |||||
|
uur |
V 'C ö |
« . gt; |
O 6 |
jdi |
s.g. |
O O Ö |
U . i Z^ co M . ^ Ë | |
|
10-12 |
149 |
5.4 |
1 1170 |
42.5 |
1010 |
3.1 4.7 4.8 |
16.3 |
10 uur gewoon voed- |
een toevallige omstandigheid te wijten. Achterkwab-extract heeft
dus ook onder deze omstandigheden bij dit dier een gunstige werking.
Op een extra dosis NaCl (zie tabel 27), op gelijke wijze toegediend
TABEL 27.
NaCI belasting met vrij water.
Hond 31.
± 22 K.G.
1 Juni '31
Uur
|
V c ü |
.gd ï ü |
O ü |
S-d^ |
s.g. |
O O Ö |
hi . _c Ë |
|
200 |
9.1 |
220 |
10.0 |
1003 |
0.5 |
4.2 |
|
186 |
8.4 |
0 |
0.0 |
1002} |
0.2 |
2.0 |
|
211 |
9.6 |
790 |
35.9 |
1002} |
1.0 |
9.4 |
|
614 |
27.9 |
850 |
38.6 |
1003} |
3.9 |
110.1 |
|
813 |
36.9 |
1080 |
49.1 |
1004 |
4.2 |
156.5 |
|
885 |
40.2 |
450 |
20.4 |
1004 |
4.6 |
186.6 |
|
850 |
38.6 |
1000 |
45.4 |
1004 |
4.3 |
165.8 |
|
550 |
25.0 |
75 |
3.4 |
1004 |
4.2 |
104.5 |
|
686 |
31.2 |
790 |
35.9 |
1004 |
3.9 |
121.2 |
|
525 |
23.9 |
200 |
9.1 |
1004 |
3.2 |
76.1 |
|
450 |
20.4 |
390 |
17.7 |
1004 |
3.2 |
65.2 |
|
425 |
19.3 |
210 |
9.5 |
1004 |
2.7 |
51.5 |
|
425 |
19.3 |
510 |
23.2 |
1003 |
2.3 |
44.8 |
|
215 |
9.8 |
0 |
0.0 |
1003 |
2.0 |
19.8 |
|
6649 |
302.2 |
6345 |
288.4 |
1111.4 |
10 uur } gewoon voedsel zonder
water met 1 gr. NaCl p. K.G.
lich. gew. dus 22 gr. NaCl.
8-9
9-10
10-11
n-12
12-13
13-14
14-15
15-16
16-17
17-18
18-19
19-20
20-21
21-22
10-22
als aan de andere honden, reageert hond 31 op dezelfde manier als
de eerste hond met permanente polyurie. Polyurie en polydipsie zijn
met getallen als 302 en 288 c.c., ongeveer gelijk aan de uitkomsten
bij hond 16, evenals de hoogste waarde voor de concentratie van
NaCl in de urine, die toevallig een precies gelijke hoogte bereikt, nL
4,6 pro mille. De uitscheiding van NaCl is echter iets gunstiger, daar
in 12 uur meer dan i gr. NaCl, nl. 1,1 gr. wordt verwijderd, zon-
der dat wij hier echter kunnen spreken van een duidelijk versnelden
TABEL 28.
|
Hond 31. |
Verdunningsproef. 25 Sept. '31. | |||||
|
uur |
V c •c ü |
•Sü ^ ü iS |
s.g. |
0 0 u IS Z |
Zs^ ÖO | |
|
13.4-14.4 |
190 |
6.8 |
1003 looH |
11.6 0.6 |
7.9 4.2 1.3 2.4 |
na 5 uur dorsten en vasten om |
|
13.4-18.4 |
1218 |
43.5 |
21.9 | |||
afvoer van NaCl. Want in een tweede proef, waarbij het zout in.
water opgelost werd gegeven en dus geen geheel zuivere cijfers voor
de wateropname en -afgifte werden verkregen (er wordt nu immers
gedwongen water toegevoerd), is de totale uitscheiding van NaCl in
12 uur iets beneden de toegevoerde hoeveelheid zout, n.l. 0,46 gr.
bij een halve gram extra. Ook bij H. 31 wordt het zout dus door
middel van polydipsie en polyurie op normalen tijd verwijderd.
Ook de verdunningsproef werd bij dezen hond uitgevoerd (zie
tabel 28), waarbij nu een nog iets duidelijkere verlangzaming in de
uitscheiding van de toegevoerde hoeveelheid water ten opzichte van
een normalen hond en ook ten opzichte van hond 16 blijkt. De mate
van verdunning geeft echter geen duidelijke afwijking met het nor-
male te zien. Deze uitkomsten stemmen overeen met een tweede
verdunningsproef, waarbij de toegediende hoeveelheid water nu niet
alleen berekend was naar het lichaamsgewicht, maar tevens naar de
dagelijksche wateropname. De grootste hoeveelheid urine valt, zooals
te zien is bij de eerste proef, in de tweede èn de derde portie, bij de
tweede proef in de derde portie, dus beide malen later dan bij het
normale dier.
Hond 31.
28 K.G.
TABEL 29.
Theocine toediening
•c U u
|
1 s.g. |
0 0 u IS z |
U ä |
U . 5: £f d.'o |
|
10021 |
0.9 |
7127.0 |
254.5 |
|
1002 |
0.8 |
6341.7 |
226.5 |
|
1002 |
0.6 |
4338.4 |
154.9 |
|
1002 |
0.6 |
4239.8 |
151.5 |
|
1003 |
I.l |
6384.0 |
228.0 |
|
lOOH |
0.4 |
1354.0 |
48.5 |
|
1002i |
0.9 |
7860.4 |
280.7 |
|
1002 |
0.2 |
1357.2 |
48.5 |
|
1002 |
0.7 |
1218.0 |
43.5 |
|
1002 |
0.3 |
2644.8 |
94.5 |
|
1002 |
0.9 |
4593.6 |
164.1 |
|
1002i^ |
0.9 |
1276.0 |
45.6 |
|
1002i^ |
0.9 |
5869.6 |
209.6 |
|
1003^ |
0.8 |
5176.5 |
184.9 |
6-7 Sept. 18, 23 en 9 uur
telkens 400 mgr. theocine
nachtportie
dagportie
24 uur portie
n.p.
d.p.
24 uur p.
n.p.
d.p.
24 uur p.
u
c
•c
9
O
X
ó
6
Oh ^
Voedsel-
opname
■'atum
l
Sept.
Sept.
' Sept.
alles op
alles op
alles op
alles op
alles op
8220
7840
8430
7730
6900
2880
9780
6030
1775
7805
5665
1185
6850
6375
293.6
280.0
301.1
276.1
246.4
102.9
349.3
215.4
63.4
278.7
202.3
42.3
244.6
277.7
7680
7810
7480
7310
5700
3335
9035
5850
1750
7600
4950
1375
6325
6375
ö Sept.
alles op
alles op
alles op
3ept.
'O S:
ept.
274.3
278.9
267.1
261.1
203.6
119.1
322.7
208.9
62.5
271.4
176.8
49.1
225.9
277.7
Tenslotte werd de invloed van theocine nagegaan. Op gelijke wijze
als bij hond i6 werd deze proef uitgevoerd en hond 31 kreeg dus
28 maal 42 mgr. of 1200 mgr. in drie giften van 400 mgr. toege-
diend (zie tabel 29).
Hoewel bij de menschelijke polyurieën soms nog een veel sterkere
werking van het theocine kan optreden, is bij hond 31, bij eenzelfde
dosis als we aan hond 16 gaven, nu toch een duidelijk gevolg zicht-
baar. Zoowel de polyurie als de concentratie van het NaCI in de
urine nemen op den dag van de toediening van theocine eenigermate
toe, waardoor een duidelijk vermeerderde uitscheiding van NaCI
«ontstaat (280 mgr. per K.G. in 24 uur). Den volgenden dag echter,
als de polyurie ongeveer normaal en de concentratie van het NaCI
laag is, wordt veel minder NaCI uitgescheiden, dan op den dag
van de toediening der theocine (94 mgr. p. K.G. in 24 uur). Zoo-
als uit de normale dagen blijkt, zijn ook dan groote verschillen
in de totale zoutuitscheiding aanwezig, maar de cijfers van 7 en
8 September zijn toch niet te miskennen. De mogelijkheid bUjft be-
staan, dat grootere doses bij honden een nog beter resultaat geven;
kleinere giften werden wel geprobeerd, maar werkten minder goed.
Vatten we nu evenals bij hond 16 de symptomen van de polyurie
van hond 31 samen, dan hebben we dus het volgende geconstateerd:
na een tijdelijke polyurie door een steek in het tuber cinereum en
een tweede tijdelijke polyurie met tijdelijk negatieve NaCl-balans,
na een steek waarschijnlijk in den hypophysis, ontstaat na een
derde operatie, waarbij de steek niet zichtbaar was, een polydipsie
en polyurie, zonder dat uit te maken valt welke primair is;
de permanente polyurie beweegt zich op een hoog niveau, is stabiel
en neemt langzaam toe;
het lichaamsgewicht neemt tijdens de polyurie toe van / j tot 28 K.G.;
de concentratie in de urine is zeer constant en laag;
het concentratievermogen is gedeeltelijk gestoord, de concentratie van
het NaCI in de urine kan nauwelijks boven die van het bloed
komen;
de polyurie gaat door bij het onthouden van water;
er bestaat een sterk dorstgevoel, na afloop van de dorstproef;
het gewichtsverlies tijdens de dorstproef is in overeenstemming met
de polyurie;
het NaCl-gehalte van het bloed is normaal of misschien iets verlaagd
(bepaald toen de polyurie al langer bestond);
matige werking van hypophysis-achterkwab-extract in een dorst-
proef, maar op een normalen dag, dus tijdens vrij water drinken
is een vrij goede werking te zien;
een extra dosis NaCI veroorzaakt toename van de polyurie en poly-
dipsie en een veel kleinere toename van de concentratie van het
NaCI dan bij een normalen hond;
in de verdunningsproef blijkt de wateruitscheiding vertraagd te zijn;
theocine heeft een duidelijke werking (tenminste in vergelijking met
hond 16).
Willen we nu ook deze polyurie weer vergelijken met de verschild-
lende vormen van het schema van Veil, dan denkt men het meest
aan den hypochloraemischen vorm. Hiervoor toch pleiten het matig
gestoorde concentratievermogen, de niet sterke werking van het
achterkwab-extract (tenminste in de dorstproef, waar deze werking
veel geringer is, dan we bij hond 44 zullen vinden) en de betere
theocine-reactie dan bij hond 16. Ook kan hierbij genoemd worden,
dat dagelijksche controle van het lichaamsgewicht, na catheteriseeren,
gedurende twee weken in September 1931, een grootste gewichts-
verschil in 24 uur gaf van 550 gram. Meestal was het echter veel
geringer, terwijl bij hond 44 verschillen tot i K.G. konden worden
geconstateerd. Veil zou dus misschien spreken van stabiliteit van
de waterbalans, wat bij den hypochloraemischen vorm zou passen.
Wat de hypochloraemie betreft (volgens Meyer bestaat echter bij
dezen vorm van diabetes insipidus heel vaak normochloraemie),
deze is niet te constateeren, al bestaat er misschien een neiging tot
verlaagd zijn. Deze verlaging is echter even gering als bij hond 16
en valt misschien binnen de normale grenzen. Later zal blijken, dat
er een mogelijkheid bestaat, dat tijdens de tweede tijdelijke polyurie,
waarbij een negatieve NaCl-balans bestond, een mogelijke hypo-
chloraemie heeft bestaan, doch dit is zuiver vermoeden, daar het bloed
van hond 31 in het begin niet is geanaliseerd. We vinden hier dus
bij langer bestaan van de polyurie vrijwel normochloraemie. Het
vreemde verschijnsel, dat Veil noemt het behouden van de totale
waterhoeveelheid in de dorstproef, waarbij hij b.v. een patient in
48 uur tijdens dorstlijden 1,2 K.G. zwaarder ziet worden en welk
verschijnsel bij den hypochloraemischen vorm zou behooren, is niet
aanwezig, maar dit is niet erg te betreuren. Eenige andere symptomen
uit zijn indeeling zijn door mij in deze proeven niet nagegaan, terwijl
ik in het midden wil laten of Veil deze andere symptomen wel
heeft aangetoond.
Zeker is echter, dat de polyurie van hond 31 niet onder den
hyperchloraemischen vorm met het zeer slechte concentratievermo-
gen gerangschikt zal moeten worden en ook primaire polydipsie kan
men deze polyurie toch moeilijk noemen.
We kunnen dus zeggen, in dit dier een hond voor ons te hebben
met permanente polyurie, met matig gestoord concentratievermogen
(speciaal gestoord voor waarden boven de bloedconcentratie), met
niet sterke hypophysis-achterkwab-extractwerking en die lijkt op
den hypochloraemischen diabetes insipidus van Veil.
Op 8 October 1931 werd de hond opgeofferd door middel van
narcose. Aan het sectieverslag gaan echter vooraf de uitkomsten, die
gevonden werden voor het zoutgehalte van huid en spier. Deze be-
droegen per gr. huid 5,37 m.gr. NaCl en per gr. spier 1,51 m.gr.
NaCl. Dit wil dus zeggen, in vergelijking met de normale cijfers van
T o X O p é u s, dat de waarde voor de huid binnen de normale
grenzen ligt, maar vlak bij de bovengrens, terwijl de waarde voor
de spier even buiten de bovengrens gelegen is. De weefsels vertoonen
dus een vrijwel normaal zoutgehalte, maar aan de hooge zijde.
Bij de sectie werd het volgende gevonden: de kop is klein in ver-
gelijking met het enorme lichaam; de breedte van het dier is buiten-
gewoon groot; sterke adipositas, vooral op het achterste gedeelte van
den rug, waar zich een ongeveer 5 cM. dikke onderhuidsche vetlaag
bevindt; zeer veel vet in omentum, in kleine bekken en nierlóge;
longen licht emphysemateus en er bestaat anthracose; hart niet ver-
groot, misschien zelfs iets aan den kleinen kant, kleppen normaal,
spier niet verdikt en wat lichtbruin van kleur; lever hyperaemisch
en brokkelig, een sterke vetlever; maag-darm-kanaal geen afwijkin-
gen; knobbelige hyperplasie van de milt; nieren liggen weggezakt in
enorme vetmassa's; oppervlakte van de nieren glad, geen schrom-
pelnier (microsc.), wel een sterke vetafzetting in de nier; in de bijnier
zijn eenige kleine knobbeltjes te vinden; pancreas vertoont geen af-
wijkingen; genitaliën worden nader onderzocht.
De schedel vertoont uitwendig geen bijzonderheden; in het weeke
verhemelte is een duidelijk litteeken, terwijl het trepanatiegat geheel
verbeend is. In de dura blijken verschillende kleine beenachtige stuk-
jes aanwezig te zijn (pachymeningitis ossificans), die van congenitalen
oorsprong kunnen zijn. De hersenen worden uiterst voorzichtig, spe-
ciaal aan de basis, verwijderd en daarna microscopisch onderzocht,
op de wijze als vroeger beschreven.
Beschouwen we de verschillende coupes in volgorde vanaf het
chiasma naar achteren, dan blijkt In het begin naast het chiasma
beiderzijds vrijwel niets van een nucleus supraopticus anterior te vin-
den te zijn (zie fig. 14 ter vergelijking met fig. 15). En terwijl bij
H. 31. II. 24.
Chia.sma;
beidcr2ijd.s vrijwel geen n. supriiopt. ant.
(vergelijk de toestand bij een normalen hond).
FIG. 15
Normale hond.
Chiasma;
beiderzijds van het chiasma is de n. supraopt. ant. duidelijk zichtbaar.
-ocr page 126-H. 31. III. 35.
Chiasma en tracti optici;
n. supraopticus links klein, rechts vrijwel geheel afwezig.
FIG. 17
H. 31. IV. 42.
Tracti optici;
zeer fijne verwonding boven linker tractus.
H. 31. VII. 67.
Voorste gedeelte van voorkwab (geschonden);
verwonding rechts in tub. cin..
Bindweefsel
om voor-
kwab-weefscl.
H. 31. VI. 62.
Voorste gedeelte van voorkwab (geschonden);
verwonding rechts in tub. cin.;
rechts ontbreekt de n. supraopt. post.
r
H. 31. VIII. 80.
Infundibulum en voorkwab;
vooral rechts verwonding van het infundibulum.
FIG. 21
H. 31. IX. 83.
Laatste gedeelten van het geschonden infundibulum;
voorkwab-weefsel.
l
H. 31. IX. 89.
Voorkwab nog gedeeltelijk verwoest:
begin van verwoeste achter- en middenkwab;
geen duidelijke samenhang met infundibulum.
FIG. 23
H. 31. XI. 101.
Hypophysis normaal;
duidelijke verwonding rechts in tub. cin.
H. 31. XII. 116.
Achterkwab met vrij veel bloedvaten.
FIG. 25
H. 31. XIII. 124.
Begin v. d. corpora mamillaria;
achterkwab met groote colloïdcyste.
het eerste begin van den tractus opticus de nucleus supraopticus late-
ralis, op den bovenrand van den tractus gelegen, links duidelijk,
hoewel klein is, ontbreekt dit laterale gedeelte rechts vrijwel totaal
(zie fig. i6). Toch zijn in het voorste gedeelte van het tuber cinereum
nog geen verwondingen te vinden. Wat den nucleus supraopticus
betreft constateeren we dus, dat de rechter kern vrijwel geheel ont-
breekt, terwijl zij links aanwezig, maar niet uitgebreid is (speciaal wat
het voorste gedeelte betreft). Zooals in het volgende zal blijken vin-
den we hetzelfde ook voor het posteriore gedeelte van deze kern. De
oorzaak hiervan is misschien gelegen in verwoestingen, die we in de
latere coupes zullen vinden en die de zenuwuitloopers in den tractus
supraopticus hypophysis kunnen hebben getroffen.
Vlak achter het chiasma is links een zeer fijne verwonding te
vinden, die van den medio-dorsalen rand van den tractus opticus
naar boven loopt (zie fig. 17). Dit is waarschijnlijk geen steek, daar
de verwonding te klein is voor het gebruikte instrument; het kan
echter een rest van een kwetsing van dit gedeelte bij de operatie zijn,
want normaal is het in ieder geval niet. Iets meer naar achteren komt
aan de rechterzijde een veel duidelijker verwonding te voorschijn,
die we nu dienen te beschrijven. Uit fig. 18 tot 22 blijkt, dat het
voorste gedeelte van de hypophysis-voorkwab waarschijnlijk gedeel-
telijk door een steek, gedeeltelijk door bindweefselwoekering ge-
schonden is en eerst in de latere coupes wordt de voorkwab normaal.
Evenzoo is de overgang van infundibulum in achterkwab niet regel-
matig, maar heeft zooals fig. 20, 21 en 22 vertoonen een abnormaal
verloop. In fig. 23 komt dan pas een normale anatomie te voor-
schijn. Infundibulum en achterkwab zijn n.l. in het begin naar links
boven en lateraal verplaatst. Tevens is rechts in het infundibulum een
laesie te zien (zie fig. 20) en de overgang van infundibulum in de
achterkwab is eigenlijk niet te vinden.
Bij een steek in den hypophysis is dus het grootste gedeelte van de
voorkwab en de overgang van het infundibulum in achterkwab ge-
troffen. De verwoesting van het infundibulum hangt naar de zijde
van het chiasma toe rechts samen met een duidelijke laesie tusschen
rechter tractus, ventrikelwand en hypophysis-aanhechting (fig. 18
en 19), terwijl meer achterwaarts de verwoesting weer duidelijker
wordt en in een gedeelte van het tuber cinereum rechts zelfs een
groot gat vertoont (fig. 23). Of deze rechtszijdige verwoesting van
het tuber cinereum, die zich dus over een zeer groot gedeelte van de
basis daarvan uitstrekt, bij de verschillende operaties of gelijktijdig
bij één van deze is aangebracht, is niet meer te zeggen.
Het laatste deel van den nucleus supraopticus, het posteriore ge-
deelte, ontbreekt rechts en het gebied van den nucleus tuberis is
rechts zeer duidelijk getroffen (fig. 23), echter is een klein gedeelte
voor coupe loi rechts nog intact. Links daarentegen is de nucleus
supraopticus posterior nog intact en ook de nucleus tuberis heeft
aan deze zijde vrijwel niets geleden (immers de linker verwonding
is zeer vooraan in het tuber cinereum gelegen).
De nucleus paraventricularis is in de buurt van de 62e coupe dui-
delijk, is rechts veel kleiner dan links, maar deze kern valt buiten
deze overzichtsphoto's.
De achterkwab is in de latere coupes normaal, maar zooals mis-
schien eenigermate in fig, 24 te zien is, zijn er zeer veel bloedvaten
in te vinden, terwijl in het achterste gedeelte een zeer groote colloid
cyste (fig. 25) voorkomt, welke cyste met de middenkwab samen-
hangt.
Vatten we het anatomische onderzoek samen, dan blijkt bij hond
31, waarbij we een permanente polyurie vonden met gedeeltelijk ge-
stoord concentratievermogen (gelijkende op hypochloraemischen dia-
betes insipidus) en sterke adipositas, dat de hypophysis-voorkwab ge-
deeltelijk geschonden is, de overgang van infundibulum op achter-
kwab niet normaal is, terwijl de achterkwab zeer rijk aan bloedvaten
is en er tevens colloïdophooping in te zien is. De rechterbasis van
het tuber cinereum is voor een groot gedeelte verwoest, terwijl links
slechts een fijne verwonding in het voorste gedeelte van dit gebied te
vinden is. De rechter nucleus tuberis is gedeeltelijk verwoest, de lin-
ker is intact, de rechter nucleus supraopticus ontbreekt vrijwel vol-
ledig, de linker is klein en de rechter nucleus paraventricularis is
kleiner dan die aan de linkerzijde.
Ook op deze uitkomsten komen we in het laatste hoofdstuk terug.
HOND 44.
Bij dezen derden hond met permanente polyurie werd 10 Augus-
tus 1931 langs buccalen weg de hypophysis geheel weggenomen en
tevens werd een steek in het tuber cinereum aangebracht. De polyurie
bleef bestaan, totdat het dier op 7 October 1931 werd opgeofferd;
dus bestond er een permanente polyurie gedurende 2 maanden. Uit
de curve van het dagelijksche verloop (fig. 26) kan men het volgende
omtrent deze polyurie constateeren. quot;Wat het primair zijn van polyurie
of polydipsie betreft, valt bij dezen hond uit de eerste 24 uur, waarbij
nog geen voedselopname plaats vond, niets te zeggen en ook in af-
zonderlijke porties van dien dag houden beide ongeveer gelijken tred.
Eerst den tweeden dag beginnen polyurie en polydipsie duidelijk op
te treden, om op den derden dag een maximale hoogte te bereiken
van bijna 6 L. Daarna neemt de polyurie af, die vervolgens op een
vrij stabiel niveau van ongeveer 4 L. blijft voortduren en dan onge-
veer 4 maal zoo hoog is als de urineuitscheiding in de normale
periode. In de laatste maand neemt de polyurie iets af tot ongeveer
3 L. De concentratie van het NaCI in de 24-uur porties van de
urine, die voor de operatie tusschen 6 en 12 pro mille ligt, is na
de operatie constant laag, tusschen r en 2 pro mille en wel in de
eerste maand iets lager dan in de tweede maand. Het s.g. van de
urine vóór de operatie wisselend van 1015 tot 1033, schommelt na
de operatie tusschen 1003 en 1007, terwijl de getallen voor de A
in de urine voor en na de operatie resp. zijn: i tot 3° en 0,2 tot 0,6°.
De eerste dagen van de polyurie vallen verschillende merkwaar-
digheden op. Zoo blijkt de wateropname, waarbij ook steeds het
mengwater van het voedsel berekend is cn die dus steeds door het
extra-renale verlies hooger is dan de urineafvoer, nu zeer belangrijk
hooger te zijn dan de hoeveelheid urine. Op 12 Augustus wordt
iH L., op 13 Augustus % L., op 14 Augustus iH L. en op 15 Augus-
tus ï]/2. L., of in de eerste 5 dagen na de operatie 5 L. meer water
opgenomen dan wordt afgegeven met de urine. Een dergelijk verschil
tusschen wateropname en urineafgifte werd bij geen der andere poly-
urieën geconstateerd en kan niet geheel op rekening van den extra-
renalen afvoer geschreven worden. Het lichaamsgewicht van dezen
hond stijgt dan ook de eerste week van 23 K.G. op 25 K.G. en
bedraagt in de tweede week meer dan 26 K.G.
Het tweede dat opvalt is de zeer sterke verlaging van de NaCl-
concentratie in de urine, waardoor, niettegenstaande de polyurie,
slechts zeer weinig NaCI in het totaal wordt uitgescheiden. Dit wordt
FIG. 26.
/O/A'
lOZa
/Oir
/om
mo
/OUi
ton
leifL
/oii
leio
/tof
lOOli
/tai
/oef
laaif
leoti
/oaT
/oai^
/lt;gt;lt;«;
/to6i
tOOTi
/Offi
/«of
/■JU
/.ri3
lifié
Hf'-
/W
ifii
oitj
oxai
0 2//
Oijf
oiff/
oytl
esjj
ofjr
oXoJ
o/jf
véoi
oSn
OfTi
/0*il
/O 01/
Uori
/opF
loei
(O 06
I006
/Otjr
/oe6l
tooj
/Ooi':
oiji
/lt;ufi
/O 06
/et/
/tfrf/
/óU
/otj
■I I T-triW^«' I_I_'_I I ' I
I
K.
t
^ N
bevestigd door de volgende berekening, waarbij de hoeveelheid ge-
bruikt voedsel tevens in rekening wordt gebracht. Van 27 Juli tot
en met i Aug. gebruikt het dier iederen dag zijn geheele menu. De
uitgescheiden hoeveelheid NaCI gedurende die dagen bedraagt resp.
7,24, 8,67, 8,41, 4,95, 8,54 en 7,63 gr. NaCI of gemiddeld 7.57 gr.
NaCI per dag. Tot en met den zevenden dag na de operatie heeft
de hond ongeveer 4^ geheelen maaltijd gebruikt, hetgeen in dien
tijd dus een uitscheiding van 4^^ maal 7,57 of ongeveer 34 gr. NaCI
moest hebben veroorzaakt. We zien echter dat gedurende die dagen
slechts 233/2 gr- NaCI in de urine te vinden is. In de eerste week na
de operatie is er dus een duidelijke zoutretentie van io}/2 gr.; er
bestaat dus een positieve NaCl-balans, hetgeen de curve ook duide-
lijk aangeeft. Dit wordt vergezeld door een stijging van het lichaams-
gewicht en door retentie van water. Na deze eerste periode van de
polyurie komt er echter later vrijwel evenwicht tusschen de opname
en de afgifte van zout en ook wat de water-balans betreft keeren
normale toestanden terug.
Bij dezen hond met polyurie dus, waarbij naast een steek in het
tuber cinereum, ook de hypophysis was weggenomen, ontstaat tevens
een positieve NaCl-balans, een positieve water-balans en zien we
toename van het lichaamsgewicht optreden. Het tegengestelde hier-
van vinden we bij de tweede tijdelijke polyurie van hond 31, waarbij
misschien een verwonding van den hypophysis was aangebracht en
waarbij een negatieve NaCl-balans optrad. In de latere hoofdstukken
komen we hier weder op terug.
De waarden van het NaCl-gehalte van het bloed zijn voor de
operatie normaal, nl.: NaCl-gehalte van het totale bloed 0,537,
NaCl-gehalte van het plasma 0,652 en NaCl-gehalte van het serum
0)^77 %. Bepalen wij deze nu ook spoedig na de operatie, dan blijkt
bij dezen hond een week p.o. op 19 Aug., dus nadat juist meer even-
wicht was gekomen in de water- en zouthuishouding, dat er een dui-
delijke hyperchloraemie bestaat. De gevonden waarden op dien dag
zijn: NaCl-gehalte van het totale bloed 0,600, NaCl-gehalte van het
plasma 0,681 en het NaCl-gehalte van het serum 0,753 Zonder
twijfel zijn dus èn in het totale bloed èn in het serum de waarden
verhoogd; in het plasma is het NaCl-gehalte slechts aan den hoogen
kant te noemen. Er bestaat dus in het begin van de polyurie een
duidelijke hyperchloraemie (Veil noemt immers zijn hyperchlor-
aemie naar het NaCl-gehalte van het serum). Evenals de balans-
afwijkingen zich herstellen, zien we ook deze afwijkingen in het
bloed na eenigen tijd verdwijnen. Bepalen we n.1. de NaCl-concen-
tratie in het bloed twee weken na de operatie op x6 Augustus, dan
vinden we weer normale waarden, n.1.: NaCl-gehalte van het totale
TABEL 30.
Dorstproef voor de operatie.
Hond 44.
23 K.G.
6 Aug. '31,
U . i
S ~
.Sü I
6
9g
U
C8
Z
10 uur gewoon voedsel zonder
water.
22 uur.
Hb. 15.
NaCI tot. bloed 0,544''/o
NaCI plasma 0.676°/..
NaCI serum 0.699«/o.
8-10
10-12
12-14
14-16
16-18
18-20
20-22
10-22
19
16
20
31
46
58
67
0.8
0.7
0.9
1.3
2.0
2.5
2.9
10.3
10274^
1039|
1048
1047
1042
1038i
1037
2.055
3.000
3.691
3.581
3.262
3.073
2.769
0.1
0.9
2.8
14.2
18.6
21.0
21.3
0.1
0.6
2.4
19.1
37.1
52.9
62.2
174.3
3.616
4.595
3.460
238
Gevgt;richtsvermindeiing (vanaf voedselopname tot 22 uur) 500 gr
drinkt na afloop van de proef direct 10 c.c. HjO p. K.G. lich. gew.
bloed 0,544, NaCl-gehalte van het plasma 0,662 en NaCl-gehalte
van het serum 0,690 %. Op 17 September worden dan nog eens de
volgende resp. uitkomsten gevonden: 0,560, 0,648 en 0,676 %. We
zien dus reeds dat de hond kort na de operatie meerdere symptomen
vertoont, die direct doen denken aan den hyperchloraemischen dia-
betes msipidus van Veil, welke symptomen, zoowel wat het bloed
als wat de zout- en waterbalans betreft, na eenigen tijd weder ver-
dwenen zijn.
Ditzelfde verschijnsel zullen we vinden indien we dit dier nu aan
de verschillende proeven onderwerpen. Vooraf gaat een dorstproef
(tabel 30) bij dezen hond ingesteld voordat hij geopereerd werd,
die dus uitkomsten geeft overeenkomstig aan die, welke reeds bij de
normale dieren besproken zijn en die nu zeer goed met de dorstproef
na de operatie van het dier kan vergeleken worden.
Den dag na de dorstproef vallen geen bijzonderheden op. Uit deze
proef blijkt dus, dat zijn concentratievermogen volkomen intact was
en dat hij zich geheel gedraagt als de andere normale honden.
Bepalen we vervolgens hoe het dier zich gedraagt op een normalen
TABEL 3L
|
Hond 44. |
Normale dag met vrij waterdrinken. 21 Aug. '31. | |||||||||
|
uur |
v 3 |
ü |
0 X |
JdÈ X^ M |
a.g. |
A |
0 0 Ö |
ld! ^^ 60 1 |
0 0 s S 3 | |
|
8-10 |
240 |
9.2 14.6 |
260 |
10.0 14.4 14.2 22.3 |
1003^ 1005quot; 1005 1005 1004^^ 1004^ 1004^ |
0.291 |
0.7 |
6.4 |
0.134 |
10 uur gewoon |
|
10-22 |
2323 |
89.3 |
2845 |
109.4 |
124.9 | |||||
dag met vrij drinken ii dagen na de operatie, dan krijgen we uit-
komsten als in tabel 31 zijn aangegeven.
Uit de cijfers van dezen normalen dag van hond 44 blijkt, bij
vergelijking met de waarden op gelijke wijze verkregen bij de twee
andere honden met permanente polyurie, dat polyurie en polydipsie
minder hevig zijn, dat de totale zoutuitscheiding nog duidelijk achter-
blijft, terwijl de hoogste NaCl-concentratie in de urine ongeveer
gelijk is aan die bij de andere dieren. Uit de curve (blz.106) blijkt
echter dat op dezen proefdag iets minder zout en urine wordt uitge-
scheiden dan op de dagen die den proefdag voorafgaan. Toch schijnt
er dus nog steeds een geringe moeilijkheid met de zoutuitscheiding
te bestaan, die echter niet gecompenseerd wordt door sterkere poly-
dipsie en polyurie dan bij de andere honden. Deze zijn zelfs duide-
lijk lager dan bij de andere dieren. Ook zien we niet, dat de hond
door uitsluitend grootere wateropname den zoutafvoer op normaal
peil tracht te houden en dat dus slechts een geringere urineafvoer
bestaat. Immers, het verschil tusschen polydipsie en polyurie in deze
proef is in vergelijking met de vorige twee honden slechts zeer gering.
Het schijnt dus dat inderdaad de moeilijke zoutafvoer hier op den
voorgrond staat.
TABEL 32.
|
Hond 44. |
Dorstproef. |
27 Aug. '31. | ||||||
|
uur |
V D ü |
1 quot; ■ St' |
s.g. |
A |
0 0 U |
0 . gt; Ë |
1 1 ^ ' S V 5 | |
|
8-10 |
180 |
7.2 5.7 6.8 6.7 6.8 |
1005 1006 1007 1008 |
0.318 |
0.6 |
4.2 4.3 |
0.225 |
10 uur gewoon voedsel zonder 22 uur. Hb. 16.6. NaCl in tot. bloed 0.572 »/o- |
|
10-22 |
1005 |
40.2 |
18.5 | |||||
Gewichtsvermindering (vanaf voedselopname tot 22 uur) 1375 gr.; drinkt na afloop
van de proef direct (2 uur later dan anders) 45} c.c. H,0 p. K.G. lich. gew.
Laten we dit dier nu eenige dagen later dorsten, dan gedraagt hij
zich zeer opvallend (zie tabel 32).
In deze proef valt de buitengewoon slechte NaCl-uitscheiding wel
het meest op. We hebben bij de twee eerste dieren met permanente
polyurie gezien, dat ze in de dorstproef, óf door middel van voort-
gaande polyurie, óf door middel van concentratieverhooging, óf door
een combinatie hiervan, steeds een hoeveelheid NaCl per K.G. tijdens
de dorstproef weten te verwijderen, die practisch overeenkomt met
de uitscheiding bij normale dieren in een dergelijke proef. Bij dezen
hond 44 is echter van een NaCl-uitscheiding in de dorstproef nau-
welijks meer sprake. Bij alle besproken honden worden immers per
K.G. in 12 uur tijdens dorstlijden hoeveelheden tusschen 175 en 235
mgr. NaCl. uitgescheiden, terwijl hier slechts 18H mgr. per K.G. in
de urine van 12 uur is te vinden.
De sterkte van de polyurie tijdens de dorstproef is even groot als
bij hond 31, n.l. ongeveer 40 c.c. per K.G. lichaamsgewicht, doch in
vergelijking met de resp. normale dagen is de polyurie tijdens de
dorstproef bij hond 44 nog sterker blijven doorgaan. De abnormaal
lage concentratie van NaCl in de urine is dan ook alleen de oorzaak
van de zeer lage cijfers voor den totalen NaCl-afvoer. We zien bij dit
dier, dat tijdens de dorstproef de mogelijkheid niet bestaat het con-
centratievermogen ook maar eenigermate te gebruiken sterker dan
op een normalen dag. Zelfs komt hier het merkwaardige verschijnsel
bij, dat de hond bij vrij water drinken een topconcentratie voor
NaCl bereikte, die 50 % hooger ligt, dan de topconcentratie tijdens
het dorstlijden. (Bij de dorstproef werd nog een achtste portie onder-
zocht om misschien een verlate toename van de concentratie van
het NaCl te kunnen constateeren, zonder dat die echter te voorschijn
trad.) Het is wel haast niet aan te nemen, dat dit vrij groote verschil
een toevallige omstandigheid zou zijn. Heel duidelijk is verder ook,
b.v. in vergelijking met tabel 23 (blz. 92) van een dorstproef bij
hond 31 te zien, dat deze stoornis zich beperkt tot het NaCl, ten-
minste dat wat het ureum betreft niets abnormaals is te constateeren.
Immers, de ureumconcentratie en de urinehoeveelheden zijn van dien
aard, dat een normale hoeveelheid totaal-ureum kan worden aange-
nomen. Tevens valt op, dat de waarden voor het NaCl-gehalte in
het bloed in de dorstproef bij hond 44 eigenlijk niet hooger zijn, dan
m een dorstproef bij hond 31, waar wel het zout werd afgevoerd.
Ten slotte viel op, dat het dier zeker geen dorstiger indruk maakte
dan hond 31, wat ook in zijn wateropname direct na de proef blijkt,
al is dit slechts een vage indruk.
Den dag na de dorstproef is de polyurie weder op een hoogte als
de andere dagen, de wateropname is meer dan i]^ Liter hooger dan
de urinehoeveelheid, de concentratie van het NaCl in de urine en de
totale NaCl-uitscheiding zijn vrijwel gelijk aan die van den dag na
de operatie en dus laag.
Tot nog toe blijkt dus, dat hond 44 zeer moeilijk zijn zout kan uit-
scheiden. Dit is waarschijnlijk niet aan een onmogelijkheid van con-
centreeren te wijten, immers, in de dorstproef blijft de concentratie
zelfs lager dan op een normalen dag, maar veel meer aan een vast-
houden van NaCl, dat bij ontbreken van water nog duidelijker te
voorschijn komt dan op de normale dagen. Toch was ditzelfde ver-
schijnsel ook op normale dagen te zien, zooals het o.a. in de duidelijk
positieve NaCl-balans kort na de operatie tot uiting kwam. Ook
bestaat er dus een polyurie, die bij wateronthouden niet ophoudt.
TABEL 33.
Dorstproef -j- hyp. achterkw. extr.
|
Hond 44. |
1 Sept. '3L | |||||||
|
uur |
v 'C 3 ü |
« . v Cri f •g U 0 |
s.g. |
A |
0 0 U 2 |
U . ^ M a's |
B 0 | |
|
8-10 10-22 |
205 74 75 420 |
8.4 3.1 3.2 2.5 3.0 3.1 17.1 |
1005 |
0.354 |
0.3 |
2.9 211.7 |
0.220 |
10 uur gewoon voedsel zonder 22 uur. Hb. 14.6. NaCl in tot. bloed 0.590»/o- |
Gewichtsvermindering (vanaf voedselopname tot 22 uur) 900 gr.
drinkt na afloop van proef direct 29 c.c. HjO p. K.G. lich. gew.
Reeds wees ik er op, dat de verschijnselen bij dit dier zich wijzig-
den. Voordat ik echter een tweede, latere dorstproef beschrijf, wil ik
eerst den invloed van hypophysis-achterkwab bij dit dier bespreken,
terwijl hij nog in het eerste stadium verkeerde. Vijf dagen na deze
merkwaardige dorstproef liet ik het dier opnieuw dorst lijden, doch
spoot geregeld hypophysis-achterkwab-extract in volgens het be-
kende schema. Dit dier kreeg dus 25 maal 2/5 eenheid =10 een-
heden iedere 2 uur. Deze proef gaf nu resultaten, zooals in tabel 33
aangegeven is.
We zien hieruit, dat de frappante afwijking, die in de dorstproef
te constateeren viel, (zie tabel 32) door achterkwab-extract (per K.G.
evenveel als bij de andere dieren) geheel kan worden opgeheven,
zoodat uitkomsten ontstaan, zoowel wat betreft de urinehoeveelheid,
als de totale zoutuitscheiding en de concentratie van NaCl in de
urine, die geheel identiek zijn aan de uitkomsten bij dorstproeven
bij normale honden verkregen (zie tabellen 6, 7 en 8). Slechts blijken
de urinehoeveelheid en de totale zoutuitscheiding eenigermate aan
TABEL 34.
Hond 44.
25i K.G.
Dorstproef.
29 Sept. '31,
|
c.c. urine |
mgr. NaCl | ||||
|
uur |
c.c. urine |
p. K.G. |
s.g. |
NaGl'/oo |
p. KG. |
|
lich. gew. |
lich. gew. | ||||
|
8-10 |
29 |
1.1 |
1011} |
0.4 |
0.5 |
|
10-12 |
96 |
3.8 |
1015} |
0.4 |
1.5 |
|
12-14 |
165 |
6.5 |
1011} |
2.0 |
12.8 |
|
14-16 |
152 |
6.0 |
1013 |
4.9 |
29.0 |
|
16-18 |
162 |
6.3 |
1015 |
6.8 |
43.5 |
|
18-20 |
121 |
4.7 |
1016} |
8.2 |
39.1 |
|
20-22 |
125 |
4.9 |
1016 |
8.0 |
39.2 |
|
22-24 |
86 |
3.4 |
1018 |
8.1 |
27.1 |
|
10-22 |
821 |
32.2 |
165.1 |
10 uur gewoon voedsel zonder
water.
GewicKtsvermindering (vanaf voedselopname tot 24 uur) 1375 gr.; drinkt na
afloop van de proef (dus om 24 uur) direct 66} c.c. HjO p. K.G. lich. gew.
den hoogen kant te zijn. Den dag na deze proef is de urinehoeveel-
heid nog klein (1800 c.c.); er wordt weer bijna ij^ L. water meer
opgenomen dan uitgescheiden en de NaCl-concentratie en de totale
NaCl-uitscheiding zijn hoog.
Later, na alle honden volledig besproken te hebben, wordt ook
hier uitvoerig op terug gekomen. Nu worde alleen geconstateerd, dat
deze hond met hyperchloraemie, doorgaan van de polyurie tijdens
dorstlijden, zoutretentie en sterke reactie op achterkwab-extract, na
zijn operatie een vorm van polyurie had, die zonder twijfel tot den
hyperchloraemischen diabetes insipidus zal moeten gerekend worden.
Maar alleen in den eersten tijd, want reeds hebben we gezien, dat het
bloed na eenigen tijd weder normale waarden voor het NaCl-gehalte
vertoonde en nu zullen we tevens vinden, dat ook het gedrag in de
dorstproef zich gaat wijzigen.
Toen de polyurie iM maand bestond werd wederom een dorst-
proef uitgevoerd, waarvan de uitkomsten in tabel 34 te vinden zijn
Hieruit blijkt, dat zich een grondige wijziging bij hond 44 heeft
voorgedaan. Hoewel er een klein verschil in de mate van urineuit-
scheiding met de eerste dorstproef te constateeren valt, is de totale
zoutmtscheiding geheel veranderd. Deze is met een uitkomst van
165 mgr. per K.G lichaamsgewicht in 12 uur gelijk geworden aan
de uitscheiding m de dorstproef voor de operatie (1743^ mgr NaCI)
en nadert ook de waarden bij de andere honden in de dorstproeven
gevonden. De concentratiestoornis is dan ook voor een zeer groot
gedeelte verdwenen, en met een topconcentratie voor het NaCI in de
urine van 8,2 pro mille, doet deze proef ons sterk herinneren aan
de uitkomsten bij hond 31 verkregen in de dorstproef. Tevens viel
op, dat het dier tijdens de proef in veel slechter toestand verkeerde
dan bij de eerste dorstproef, hetgeen eenigermate tot uitdrukking
schijnt te komen in de grootere wateropname na afloop van de
proef. Hoewel dus nog niet het resultaat verkregen werd, dat bereikt
werd in een dorstproef waarbij tegelijkertijd achterkwab-extract werd
ingespoten, is toch een aanmerkelijk betere reactie van het dier waar
te nemen, m ieder geval voor zoover het de NaCl-uitscheiding be-
treft. We moeten uit dit alles wel de conclusie trekken, dat er een
herstel of overname van functies heeft plaats gehad, doch daarover
later meer.nbsp;'
Den dag na deze dorstproef gedraagt de hond zich ongeveer als
na de proef van 27 Augustus.
Hond 44, die eerst leek op een hyperchloraemischen diabetes insi-
pidus, hjkt nu in de tweede maand op hond 31, dus eenigermate op
den hypochloraemischen vorm, tenminste wat het NaCl-gehalte van
het bloed en wat het gedrag bij de dorstproef betreft.
In dit tweede stadium van de polyurie van hond 44 werden ook
nog de andere proeven ingesteld. In de eerste plaats moeten we
nagaan, hoe dit dier reageert op een zoutbelasting. De uitkomsten
zijn aangegejn in tabel 35, waarbij in de helft van het gewone menu
weer i gr. NaCI per K.G. extra werd gegeven
Het blijkt dus dat in deze proef hond 44 zich vrijwel niet anders
gedraagt dan hond i6 of 31. De uitscheiding van NaCI heeft op
gelijke wijze plaats wat de totale hoeveelheid betreft, de top van de
concentratie van het NaCI in de urine ligt iets hooger, evenals het
gemiddelde s.g., terwijl polydipsie en polyurie duidelijk zijn, maar
minder hoog, dan bij de andere honden (hier 201 c.c. urine en bv.
302 c.c. urine bij hond 31). Toch kunnen we zeggen dat een proef
TABEL 35.
Hond 44.
25i K.G.
8-9
9-10
10-n
11-12
12-13
13-14
14-15
15-16
16-17
17-18
18-19
19-20
20-21
21-22
10-22
NaCI belasting met vrij waterdrinken.
21 Sept. '3L
uur
|
V •c 3 |
« . S. C r-i ^ aü ^ 0 . -fi |
0 X 6 |
X^ quot; O . -è ü a^ |
s.g. |
e 0 u (S Z |
U . fe 40 z Z;^ cc d -c E |
|
128 |
5.0 |
300 |
n.8 |
1007i |
1.4 |
7.3 |
|
171 |
6.7 |
0 |
0.0 |
1006i |
1.2 |
7.8 |
|
115 |
4.5 |
835 |
32.7 |
1007 |
1.3 |
6.0 |
|
260 |
10.2 |
350 |
13.7 |
1005 |
2.7 |
27.8 |
|
438 |
17.2 |
1100 |
43.1 |
1005 |
4.0 |
68.7 |
|
520 |
20.4 |
360 |
14.1 |
1005i |
4.7 |
95.8 |
|
575 |
22.5 |
480 |
18.8 |
1005^ |
4.7 |
105.9 |
|
495 |
19.4 |
1045 |
41.0 |
1006 |
5.6 |
109.2 |
|
620 |
24.3 |
210 |
8.2 |
1005 |
5.6 |
135.4 |
|
500 |
19.6 |
490 |
19.2 |
1005 |
4.9 |
95.5 |
|
530 |
20.8 |
200 |
7.8 |
1005 |
4.5 |
94.0 |
|
410 |
16.1 |
15 |
0.6 |
1005 |
4.8 |
76.5 |
|
370 |
14.5 |
250 |
9.8 |
1005 |
5.3 |
76.6 |
|
300 |
11.8 |
330 |
12.9 |
1005^ |
5.2 |
61.4 |
|
5133 |
201.3 |
5665 |
221.9 |
952.8 |
10 uur gewoon voedsel zonder
water 1 gr. NaCI p. K.G.
lich. gew.
met NaCl-belasting bij alle honden met permanente polyurie op
vrijwel gelijke wijze verloopt. Anders is het echter bij normale hon-
den, die in deze proef geen polyurie en polydipsie vertoonen, maar
een sterke verhooging van de concentratie van NaCI in de urine.
Natuurlijk zou de NaCl-belasting in het eerste stadium van de po-
lyurie van hond 44 wel zoo interessant geweest zijn, doch niet alle
proeven konden tegelijk gebeuren.
Ook de verdunningsproef (zie tabel 36) viel in dit tweede sta-
dium. Reeds hebben we opgemerkt, dat in de verdunningsproef bij de
twee vorige honden met permanente polyurie de wateruitscheiding
iets vertraagd was. Bij dezen hond 44 vinden we dit nu veel duide-
lijker, immers, in tabel 36 komt de grootste urinehoeveelheid pas in
de derde portie. We kunnen dit opvatten als een aanwijzing voor
zoutrijkdom van de weefsels, want normaal komt de top in de uit-
scheiding in het tweede uur, bij zoutarm gemaakte dieren in het
|
Verdunningsproef. | ||||||
|
Hond 44. | ||||||
|
26 K.G. |
15 Sept. '31. | |||||
|
c.c. urine |
mgr. NaCI | |||||
|
uur |
c.c. urine |
p. K.G. |
8.g. |
NaCI 0/0 0 |
p. KG. | |
|
lich. gew. |
lich. gew. | |||||
|
13.3-14.3 |
86 |
3.3 |
1007i |
1.0 |
3.5 |
na 5 uur dorsten en vasten |
|
14.3-15.3 |
165 |
6.3 |
1004^^ |
0.9 |
5.9 |
om 13.30 26 X 50 c.c. H,0 |
|
15.3-16.3 |
176 |
6.8 |
1003Ï |
0.4 |
2.7 |
per maagonde, daarna geen |
|
16.3-17.3 |
152 |
5.8 |
1003 |
0.4 |
2.4 |
water meer. |
|
17.3-18.3 |
122 |
4.7 |
1004 |
0.7 |
3.3 | |
|
13.3-18.3 |
701 |
26.9 |
17.8 | |||
eerste uur. Tevens is in vergelijking met normale honden, waar de
toegevoerde 50 c.c. water per K.G. in de gecontroleerde 5 uur reeds
was uitgescheiden, hier te zien, dat in dienzelfden tijd slechts de helft
weer te voorschijn kwam. Ten slotte is nog op te merken, dat de
verdunning minder ver gaat, dan bij een normaal dier. Werd deze
zelfde proef herhaald, met tegelijkertijd toediening van achterkwab-
extract, dan is de top van de urinehoevcelheden, evenals bij normale
dieren, later en de concentratie van het NaCI is veel hooger.
Als laatste proef bij dezen hond werd nagegaan de invloed van
toediening van theocine (zie tabel 37), en ook deze proef werd in
het tweede stadium van de polyurie verricht.
Deze hond kreeg zyH niaal 42 is ongeveer 1080 mgr. theocine
per os, verdeeld over drie porties, zooals gebruikelijk is. Door de
vele proeven in dezen tijd kon geen lange normale periode aan deze
proef voorafgaan. Duidelijk is echter te zien, dat al veroorzaakt de
theocine uitkomsten voor de totale NaCl-uitscheiding, die op gewone
dagen ook bijna te bereiken zijn, op den dag van de toediening ech-
ter vrijwel tweemaal zooveel zout wordt uitgescheiden als op den
dag volgend op deze proef. Deze verhooging van de totale zoutuit-
scheiding op den dag van de theocine-toediening, evenals de ver-
laging op den volgenden dag, vinden hun oorzaak vrijwel uitsluitend
in de concentratie van het NaCl. Immers, noch in de urinehoeveel-
TABEL 37.
Theocine toediening.
Hond 44.
25i K.G.
|
Datum |
Voedsel- |
Q, X |
V c 3 |
s.g. |
c 0 0 B3 |
0 |
idï | |||
|
opname |
6 |
ü |
UÉ |
ä |
Si a's | |||||
|
ü |
u |
ü |
z |
S |
Ê - | |||||
|
hierin valt gedeelte van een proef | ||||||||||
|
dag na i |
de proe |
f 113.8 |
2625 |
103.0 |
1006^ |
2.1 |
2481.0 |
214.9 |
24- 25 Sept, 18, 23 en | |
|
alles op |
2960 |
116.1 |
2325 |
91.2 |
1008 |
2.8 |
6607,7 |
259.1 |
theocine. | |
|
540 |
21.2 |
580 |
22.7 |
1007 |
1.7 |
1009.2 |
39.6 |
dagportie | ||
|
Sept. |
3500 |
137.3 |
2905 |
113.9 |
1008 |
2.7 |
7750.5 |
303.9 |
24 uur portie | |
|
alles op |
2580 |
101.2 |
1970 |
77.3 |
1007 |
•1.4 |
2742.2 |
107.5 |
n. p. | |
|
1075 |
42.2 |
900 |
35.1 |
1007 |
1.6 |
1409.4 |
54.9 |
d.p. | ||
|
Sept. |
eet Vo |
3655 |
143.3 |
2870 |
112.5 |
1007 |
1.5 |
4327.9 |
169.7 |
24 u. p |
|
2430 |
95.3 |
2550 |
100.0 |
1007 |
1.9 |
4880.7 |
191.4 |
n. p. | ||
|
melk op |
760 |
29.8 |
370 |
14.5 |
1008 |
1.9 |
708.2 |
27.8 |
d.p. | |
|
3190 |
125.1 |
2920 |
110.6 |
1007 |
1.9 |
5588.9 |
219.2 |
24 u. p. | ||
|
alles op |
3245 |
127.3 |
2950 |
115.7 |
1007i |
2.7 |
7870.6 |
308.6 | ||
|
een proefdag | ||||||||||
heid, evenmin als in de opname van water, zijn verschillen te con-
stateeren op deze dagen. Hond 44 heeft dus een even duidelijke
reactie als hond 31 op een theocine-toediening, al zijn bij beide
honden de uitkomsten ook niet zoo duidelijk als men ze soms in de
literatuur bij menschelijke diabetes insipidus beschreven kan vinden.
Maar dit kan ook veroorzaakt zijn doordat honden minder gevoelig
voor purinederivaten zijn dan menschen.
In perioden van dagelijksche gewichtscontrole bleek de grootste
gewichtsschommeling in 24 uur bij hond 16 250 gr., bij hond 31
550 gr. en bij hond 44 bijna 1000 gr. te bedragen. Meestal waren de
verschillen echter veel geringer en als men deze uiterste waarden per
K.G. lichaamsgewicht zou berekenen, (we krijgen dan resp. 36, 20
en 40 gr.) dan zou alleen te besluiten zijn, dat hond 31 het meest
stabiel is en hond 16 en hond 44 meer labiel. Volgens Veil zou
dit dus met den door mij aan deze dieren toegedachten vorm van
polyurie kloppen. Immers, zoowel de primaire polydipsie (hond 16)
als de hyperchloraemische diabetes insipidus (hond 44 in het begin)
vertoonen grootere gewichtsschommelingen dan de hypochloraemische
diabetes insipidus (hond 31). Maar evenals bij de gevallen van Veil
is het wel gezocht dit als een duidelijk verschil aan te merken.
Vatten wij de verschijnselen die wij bij hond 44 hebben kunnen
constateeren samen, dan hebben we dus het volgende gevonden:
■permanente polyurie na hypophysectomie en steek in het tuber cine-
reum;
de uitscheiding van urine is vrij constant 4 d j maal verhoogd, op den
duur iets afnemend;
de concentratie in de 24-uur porties is duidelijk verlaagd, maar min-
der dan bij hond ji;
de polyurie vertoont kort na de operatie andere verschijnselen dan
in de tweede maand;
in het begin: hyperchloraemie; een positieve NaCl-balans; water-
retentie; gewichtstoename; tijdens dorst lijden gaat de polyurie
door, waarbij een nog slechtere procentueele NaCl- en totale NaCl-
uitscheiding dan tijdens normale dagen, waarschijnlijk omdat het
NaCl bij gebrek aan water niet losgelaten wordt; deze afwijking
hij het dorst lijden wordt volledig opgeheven door hypophysis-
achterkwab-extract; bij het onthouden van water maakt het dier
in dit staduim een beteren indruk dan later, terwijl nu het NaCl-
gehalte van het bloed niet hooger is dan bij hond ji; de ureum-
uitscheiding is niet gestoord;
in het latere stadium: normochloraemie; geen duidelijke retentie; geen
gewichtstoename, maar wel belangrijke dagelijksche gewichts-
schommelingen; doorgaan van de polyurie tijdens dorsten (iets
minder dan in het eerste stadium), maar nu met goede totale NaCl-
uitscheiding en matig gestoorde concentratie van NaCl, ongeveer
als bij hond jj; het dorstgevoel schijnt nu sterker te zijn; het NaCl-
gehalte van het bloed is in dit tweede stadium tijdens dorst lijden
echter niet bepaald; een extra dosis NaCI geeft polydipsie en
polyurie bij een verminderde toename van de concentratie van het
NaCI in vergelijking met normale dieren en vrijwel gelijke uitkom-
sten als bij de andere honden met polyurie; in een verdunningsproef
is de wateruitscheiding duidelijk vertraagd; theocine heeft een dui-
delijke werking (als bij hond ji).
Zooals we reeds eerder opmerkten lijkt het begin van deze polyurie
geheel op hyperchloraemischen diabetes insipidus, het tweede ge-
deelte lijkt echter meer op de polyurie van hond 31 en dus zooals
we daar reeds bespraken meer op den hypochloraemischen vorm.
Tot mijn spijt blijft een zeer belangrijke vraag onopgelost, n.l. of
het concentratievermogen van hond 44 zich zal herstellen via het
matig gestoorde, zooals we dat bij hond 31 hebben leeren kennen en
we dat in de dorstproef op 29 September 1931, tabel 34, blz. 113,
bij hond 44 vonden, tot het volkomen intacte, zooals we dat bij hond
16 vonden.
De topconcentratie in de tweede dorstproef van 8,2 pro mille kan
hier helaas geen uitsluitsel over geven, hoewel men kan vermoeden,
dat dit cijfer meer wijst in de richting van een nog verder gaand
herstel. Beschouwingen over deze polyurie blijven ook hier achter-
wege tot later.
Op 7 October 1931 werd de hond opgeofferd met behulp van
narcose. Zoutbepalingen in huid en spier werden ook bij dit dier
verricht, met de volgende uitkomsten: per gr. huid wordt 5,14 mgr.
NaCI gevonden en per gr. spier 2,29 mgr. NaCI. In vergelijking met
de normale waarden zijn deze dus voor de huid bij de bovengrens
van het normale gelegen, voor de spier echter zeer belangrijk ver-
hoogd (normaal tusschen 0,79 en 1,13). Toxopéus vond, dat
bij toediening van hypophysis-extract het NaCI vlugger uit de huid,
dan uit de spier wordt afgevoerd. Het is dus mogelijk, dat indien de
weefsels van hond 44 ook in een vroeger stadium waren onderzocht,
ook in de huid nog een verhooging te constateeren zou zijn geweest.
Bij de sectie blijkt het volgende: de hond maakt een zwaren indruk,
maar is niet zoo dik als hond 31; panniculus adiposis is ook hier
sterk ontwikkeld, maar veel minder dan bij hond 31; longen geen
afwijkingen; hart niet vergroot, spier niet verdikt, kleppen normaal;
omentum niet bijzonder vetrijk; maag-darm-kanaal geen afwijkin-
gen; milt en lever geen afwijkingen; pancreas voelt wat vast aan-
meren glad van oppervlakte, vetnier, geen schrompelnier (mier.);
bijmeren normaal; genitaliën worden nog onderzocht
Aan den kop zijn uitwendig geen afwijkingen te vinden: litteeken
m het weeke verhemelte is uiterst klein; het trepanatiegat is op een
zeer klem gedeelte na verbeend, boven de aangebrachte sluiting. De
hersenen worden zorgvuldig uitgepraepareerd, waarbij weer de groot-
ste zorg wordt besteed aan het gedeelte bij de sella turcica. Er zijn
geen resten van den hypophysis hierin achter gebleven. De hersenen
rderzoch?'quot;'
In de voorste coupes is naast het chiasma slechts uiterst weinig van
den nudeus supraopticus anterior te vinden (fig. .7), doch als de
tractus m de doorsnede begint te verschijnen, wordt de kern aan beide
zijden duidelijker (fig. z8), dus het laterale gedeelte. Beiderzijds is
dus de nucleus supraopticus aanwezig, doch de geheele kern is veel
minder uitgestrekt dan normaal.
Een verwonding treedt eerst in die coupes op, waarin het chiasma
verdwenen IS en de beide afzonderlijke tracti optici voorkomen. In
flg. 29 IS het begin van de verwoesting van het tuber cinereum te
vinden ventraal van de ventrikel, tusschen de beide tracti optici
echter nu alleen nog maar rechts. Rechts zoowel als links zijn echter
de cellen van den nucleus supraopticus posterior vrijwel intact ge-
bleven (zie flg. 30), op slechts eenige cellen rechts na. In deze phL
IS ook reeds te zien dat op de plaats van het begin van hypophysis-
voorkwab weefsel, slechts een massieve massa bindweefsel te vinden
IS. Het infundibulum, dat ongeveer gelegen is tusschen fig. 31 en 32
IS met de geheele hypophysis voor- en achterkwab afwezig en door
die bindweefselmassa vervangen. Hierin is geen spoor van hypophy-
sis weefsel meer te onderkennen.nbsp;^^ y ^
Het geheele mediale basis-gedeelte van het tuber cinereum is aan
beide z,den verwoest en een groot gedeelte van den nucleus tuberis
IS daarbij getroffen. Slechts de laterale groepen van deze kern val-
len buiten de verwoesting (zie ook fig. 33 en 34). Deze verwoesting
verdwijnt geheel, voor de corpora mamillaria in de coupes ver-
schijnen.nbsp;^
H. 44. II. 30.
Chiasma;
beiderzijds is de n. supraopt. ant. kleiner dan normaal.
FIG. 28
H. 44. III. 36.
Chiasma en begin v. d. tracti optici;
beiderzijds kleine n. supraopt. lat..
l
H. 44. IV. 56.
Tracti optici;
begin van de verwocsting in het tub. cin.
FIG. 30
Bindweefsel-
massa.
R
L
H. 'H. VI. 78.
Verwoesting van het tub. cin.;
bindweefsel om de resten van het infundibulum.
FIG. 32
H. 44. Vil. 85.
Als fig. 31.
H. 44. VIII. 104.
Verwoesting van het tub. cin.;
bindweefselmassa op de plaats v. d. hypophysis.
H. 44. IX. 111.
Als fig. 33.
De nucleus paraventricularis is beiderzijds aanwezig en is te vinden
o.a. in coupe 56 en 66, maar valt büiten deze overzichtsphoto's.
Bij hond 44, waarhij we dus na de operatie een duidelijken hyper-
chloraemischen diabetes insipidus vonden, die later overging in een
polyurie die meer geleek op den hypochloraemischen vorm, is de
hypophysis voor- en achterkwab afwezig, evenals het infundibulum.
De nucleus supraopticus is aan beide zijden klein, evenals de nucleus
paraventricularis. Het tuber cinereum is in het mediale gedeelte ver-
woest, waarbij ook een groot gedeelte van den nucleus tuberis aan
beide zijden is getroffen.
Nadat hiermede de honden met permanente polyurie zijn afge-
handeld, zullen we nu nog eenige honden met tijdelijke polyurie of
met andere verschijnselen bespreken en de anatomische veranderin-
gen beschrijven, voorzoover dit in verband met de drie besproken
honden van belang is. De tijdelijke polyurieën op zich zelf vormen
echter een verschijnsel, waaruit men niet veel kan concludeeren aan-
gaande de oorzaak van polyurie. Immers, een tijdelijke irritatie van
uit het verwonde gebied van andere, voor het ontstaan van de po-
lyurie belangrijke, gedeelten, kan hier in het spel zijn. De anatomische
uitkomsten zouden dus hierbij slechts met de uiterste voorzichtigheid
beschouwd moeten worden. Daarom wordt wat deze polyurieën be-
treft volstaan met de in tabel 5 op blz. 58 aangegeven bijzonder-
heden in het algemeene overzicht.
HOOFDSTUK VII.
Onderzoek bij eenige andere geopereerde honden.
In verband met het feit, dat bij hond i6 na een dubbelzijdige
verwoesting van den nucleus supraopticus, eveneens een volkomen
atrophic van de hypophysis-achterkwab werd gevonden, is het van
belang te onderzoeken of soms bij andere honden deze verschijnselen
ook gecombineerd zijn opgetreden. Ik ben echter niet zoo gelukkig
geweest, nog een tweede geval met dubbelzijdige verwoesting van
deze kern te verkrijgen, maar daarom zijn eenige gevallen met een
volkomen ontbreken van den nucleus supraopticus aan ééne zijde
ook van belang om hier beschreven te worden.
HOND 9.
Hierbij werd vanaf rechts temporaal een steek in het tuber cine-
reum aangebracht, zonder dat zich een tijdelijke polyurie ontwik-
kelde. Drie maanden later werd dit vanaf links temporaal herhaald.
Ook nu ontstond geen tijdelijke polyurie. Ongeveer 3 weken na deze
laatste operatie werd de hond opgeofferd, en werden de hersenen
microscopisch onderzocht. Hierbij bleek, dat een steek was ingegaan
vanaf links (dus van de tweede operatie afkomstig) door den linker
tractus opticus, achter den linker nucleus supraopticus anterior en
mediaal van den linker nucleus supraopticus lateralis verloopende,
zich langs den dorsalen rand van het chiasma voortzettende, om
rechts rond den tractus opticus zijn einde te vinden. Rechts ontbreekt
volledig zoowel de nucleus supraopticus anterior als lateralis, terwijl
slechts eenige cellen van het posteriore gedeelte getroffen zijn. Links
is de nucleus supraopticus intact. Een tweede steek van links geeft
meer naar achteren een kleine verwoesting in de basis van het tuber
cinereum links, waarbij misschien het voorste gedeelte van den nu-
cleus tuberis getroffen is, doch dit is onzeker. De nucleus paraven-
tricularis is aan beide zijden normaal. Wat nu den hypophysis
betreft, deze was zoowel wat voor- als achterkwab aangaat volko-
men intact, zooals uit fig. 35 blijkt. Ook het infundibulum vertoont
geen bijzonderheden. Drie weken na de eenzijdige verwoesting van
den nucleus supraopticus, was dus geen aanduiding van atrophie van
de achterkwab te vinden.
HOND 10.
Deze hond werd eerst rechts temporaal geopereerd, waarbij echter
geen verwonding in de hersenen werd aangebracht, omdat bij de
trepanatie een vrij sterke bloeding ontstond. Bij de dagelijksche con-
trole hierna bleek geen tijdelijke polyurie ontstaan te zijn. Twee en
een halve maand later werd links dezelfde operatie herhaald, waar-
bij nu wel een steek in het tuber cinereum werd aangebracht. Ook nu
trad geen polyurie op. Bijna 4 wéken later werd het dier opgeofferd,
en bij hersenonderzoek bleek het volgende. Een steek loopt vanaf
links direct mediaal achter het chiasma langs en gedeeltelijk door
den tractus opticus. De nucleus supraopticus anterior en lateralis
ontbreken rechts volledig, terwijl de nucleus supraopticus posterior
bij dezen hond volledig intact is. De nucleus paraventricularis rechts
is tevens buitengewoon veel kleiner dan links, zonder dat een steek
in deze omgeving te vinden is. Infundibulum en voorkwab zijn als
bij hond 9 volkomen intact, doch de achterkwab vertoont nu een
vreemd beeld. Hoewel deze hond slechts een dag of j langer na de
laatste operatie geleefd heeft dan hond 9, is nu wel een afwijking
van de achterkwab te constateeren. Uit fig. 36 blijkt n.l., dat binnen
een geheel intacten ring van voorkwabweefsel een kleine teruggetrok-
ken achterkwab ligt, terwijl de hypophysisholte zeer groot is.
Kan nu dit beeld bij normale honden voorkomen? Bij microsco-
pisch onderzoek is geen duidelijke degeneratie van de achterkwab te
constateeren, maar nooit heb ik, noch bij mijn normale honden, noch
bij de geopereerde dieren, deze wanverhouding of een aanduiding
hiervan een tweede maal kunnen vinden (uitgezonderd dan bij hond
16). Steeds lijkt het beeld op dat van fig. 35, dat van hond 9 af-
komstig is. T r a u t m a n n '), die in een uitgebreid onderzoek zeer
quot;) Trautmann, Arch. f. wissensch. u. prakt. Tierheilkunde. 1909, Bd. 3J,
pg. 614; Arch. f. micr. Anatom, u. Entwicklungsgesch. 1909, Bd. 74, pg. 311.
uitvoerig, zoowel macroscopisch ais microscopisch, den hypophysis
van eenige zoogdieren heeft beschreven, geeft geen waarden voor
den inhoud van de achterkwab in verhouding met het lichaamsge-
wicht aan, hetgeen ook nergens anders te vinden is. Doch uit het
tweede aangehaalde werk stammen de volgende gegevens aangaande
de hypophysisholte bij honden. T r a u t m a n n schrijft daar, dat
de hypophysisholte bij honden steeds aanwezig, maar vaak weinig
groot is. In zulke gevallen liggen voor- en middenkwab dicht tegen
elkaar, doch steeds duidelijk gescheiden. De holte is vaak leeg en de
grootste breedte in zoo'n geval bedraagt gewoonlijk 65 micron.
Dubbele of zelfs drievoudige waarden kunnen vastgesteld worden,
als colloïd in de hypophysisholte aanwezig is en deze sterk opvult
en uitrekt. Dit wil dus zeggen, dat als we aannemen, dat de holte
bij hond 10 vol met colloïd gelegen heeft en dit er bij de behandeling
op de een of andere wijze uit geraakt is, de grootste breedte van de
holte 200 micron kan bedragen, dus voor rechts en links samen 400
micron. Het blijkt nu echter, dat bij hond 10 de grootste breedte
van de holte 750 micron bedraagt (daar de achterkwab geheel naar
een zijde verschoven is, is dit ook de gezamelijke waarde voor links
en rechts), dus bijna 2 maal zoo groot als de grootst mogelijke
breedte. Tevens ligt de voorkwab in alle coupes volkomen gaaf en
geheel rond om de achterkwab heen en deze is dus niet met snijden
naar boven of naar achteren uit de voorkwab gelicht. Ook is in
geen van de coupes een spoor van een verwonding van den hypo-
physis te vinden. Evenmin is in een vari de coupes ook maar een
spoor van colloïd te vinden en we kunnen dus niet aannemen, dat
deze groote hypophysisholte door opvulling met colloïd veroorzaakt
is geweest. Een atrophie van de achterkwab schijnt hier dus wel
degelijk aanwezig te zijn. Bij hond 10 zien we dus wel gecombineerd
een éénzijdig ontbreken van den nucleus supraopticus en een atrophie
van de achterkwab. Dit is dus geheel anders dan bij hond 9, terwijl
toch de tijd voor de ontwikkeling van de atrophie bij beide honden
vrijwel gelijk was. Ook in de uitgebreidheid van de verwoesting van
den nucleus supraopticus heb ik geen verschil bij de twee honden
kunnen vinden, behalve dat bij hond 10 tevens de nucleus paraven-
tricularis rechts zeer klein is.
Ook bij hond 34 bestaat, naast een andere verwoesting, een laesie
-ocr page 157-H. 9. X. 119.
Normale achterkwab bij hond 9,
waarbij een rechtszijdige verwoesting v. d. n. supraopticus bestond.
FIG. 36
Jr-.-.....■ v.«
H. 10. XI. 132.
Geatrophieerde achterkwab bij hond 10,
waarbij een rechtszijdige verwoesting v. d. n. supraopticus bestond.
van een groot gedeelte van den linker nucleus supraopticus zonder
atrophie van de achterkwab, maar dit dier, dat een tijdelijke polyurie
had, werd reeds na een week gedood. Volkomen overeenstemmende
resultaten heb ik dus in deze gevallen niet verkregen, maar in het
laatste hoofdstuk wordt ook hierop terug gekomen.
HÖND 34.
Deze hond, die ik zoo juist genoemd heb, had ook verder een
paar symptomen, waardoor hij van belang is en hier nader besproken
FIG. 37.
»,/ür)u£'3t ff Vu
*—»»faei
wordt. Op 12 Maart 1931 werd een steek in het tuber cinereum aan-
gebracht, langs buccalen weg, waarop een tijdelijke polyurie ontstond
(er valt niet te zeggen of polyurie of polydipsie primair was). Deze
polyurie duurde tot den vijfden dag (zie fig. 37). Het dier, dat 6,2
K.G. woog, loosde den tweeden dag na de operatie 4,8 L. urine of
vrijwel ^/s van zijn lichaamsgewicht (in 24 uur). Er bleek tijdens de
polyurie een sterk negatieve NaCl-balans te bestaan, hetgeen anders
bij de meeste tijdelijke polyurieën (zie b.v. de eerste polyurietop van
hond 31) niet opvalt, maar dat we bij de tweede tijdelijke polyurie
van hond 31 ook reeds hebben geconstateerd. Hond 34 blijkt op nor-
male dagen per dag bij totaal gebruik van zijn voedsel gemiddeld
2,13 gr. NaCl uit te scheiden. De zes dagen na de operatie wordt
totaal menu gebruikt, dus zou hij ongeveer 10,9 gr. NaCl ge-
durende die dagen hebben moeten uitscheiden. In die 6 dagen werd
echter 23^ gr. NaCl. in de urine aangetoond, dus meer dan 2 maal
zooveel. Er werd nu direct na afloop van de polyurie onderzocht of
in de weefsels iets van dit zoutverlies aantoonbaar was, doch de
uitkomsten voor het NaCl-gehalte van huid en spier waren zelfs aan
den hoogen kant, n.l. 5 mgr. NaCl per gr. huid en 1,26 mgr. NaCl
per gr. spier.
Wordt deze sterke NaCl-uitscheiding nu uitsluitend veroorzaakt
door de sterke polyurie, of is deze NaCl-uitscheiding juist oorzaak
van de hevige polyurie? En waardoor zou die NaCl-uitscheiding
dan veroorzaakt kunnen worden?
Bij hond 31, waar ook een negatieve NaCl-balans bestond, zonder
dat juist de polyurie hier bijzonder sterk was, was een steek in den
hypophysis aangebracht, die later ook anatomisch kon worden be-
vestigd. Deze hond was echter drie maal geopereerd en er kan dus geen
zeker verband meer gelegd worden tusschen die tweede operatie en
de sterke NaCl-uitscheiding. Bij hond 34 werd na anatomisch on-
derzoek echter een volkomen intacte hypophysis-achterkwab gevon-
den. Hier kan dus geen verband tusschen hypophysis-achterkwab en
de sterke zoutuitscheiding worden gevonden.
Er bestond echter bij hond 34, zooals reeds werd opgemerkt, wel
een rechtszijdige verwoesting van den nucleus supraopticus. Tevens
was nog links een verwonding te vinden, die tot den fornix asc.
reikte, en een gedeelte van den linker nucleus paraventricularis ver-
woest had, terwijl nog een derde steek links door het tuber cinereum
zich tot in de corpora mamillaria voortzette, waarbij het gebied van
den nucleus tuberis links eenigermate gelaedeerd is.
Mogelijke invloeden, die prikkelend op de werking van de achter-
kwab gewerkt hebben, zijn dus niet uit te sluiten (b.v. vanaf de
verwonde nucleus supraopticus, enz.), maar een aantoonbare laesie
van de achterkwab was dus niet aanwezig. Toen echter bij de per-
manente polyurie van hond 44, waar o.a. de hypophysis was wegge-
nomen, tijdelijk een positieve NaCl-balans optrad, gecombineerd met
hyperchloraemie, werd toch bij een nieuwen hond geprobeerd, of
door een geringen steek in de hypophysis-achterkwab, en dus door
een poging tot prikkeling, soms het tegengestelde was op te wekken.
HOND 45.
Op 3 September 1931 werd deze hond buccaal geopereerd, waarbij
slechts een steek in de achterkwab, echter door de voorkwab, werd
aangebracht. Het hersenonderzoek leerde later dat de voorkwab ge-
heel verwoest was, maar dat ook de achterkwab zeer ernstig be-
schadigd was. Slechts in het achterste gedeelte van de achterkwab
was nog een normale structuur te vinden. Het tuber cinereum was
absoluut gaaf en het infundibulum was slechts aan zijn uiterste
punt bij zijn overgang in de achterkwab geschonden. Het gevolg van
deze operatie is in fig. 38 aangegeven. Zooals direct te zien is, was
het resultaat oppervlakkig beschouwd juist het tegengestelde van het
verwachte, n.1. een daling van de totale NaCl-uitscheiding, waarop
dan later echter geringe verhooging volgt. In de curve valt verder
op, dat deze lage NaCl-uitscheiding echter samenvalt met slechte
voedselopname. Als echter op den vierden dag p.o. de voedselopname
weer normaal is, neemt de NaCl-uitscheiding toe en wordt de
polyurie ook nu pas belangrijk. Deze polyurie ontstaat eigenlijk pas
later na de operatie, dan de andere tijdelijke polyurieën, en valt
samen met de verhoogde NaCl-uitscheiding. Als we nu evenals bij
hond 44 de voedselopname mede in rekening brengen, dan blijkt er
toch iets meer zout dan normaal te worden uitgescheiden. Volgens
de gemiddelde normale dagen, en de voedselopname na de operatie
in rekening brengende, moet in de eerste week 20 gr. NaCl uitge-
scheiden worden, doch er wordt 28 gr. NaCl geloosd. De slechte
voedselopname heeft echter de conclusie over de gevolgen van de
operatie voor de NaCl-balans onzeker gemaakt. Ook blijft het na-
tuurlijk een open vraag, of het effect van den steek zoo gering ge-
weest is, dat een prikkelende werking is uitgeoefend, of dat de
verwoesting te groot geweest is en we dus een uitval van de achter-
kwabwerking veroorzaakt hebben. Het anatomische resultaat wijst
meer in de laatste richting.
FIG. 38.
iöo-i.tify.'-J' quot;nbsp;/ ' y
Belangrijk is echter, dat we duidelijke veranderingen in het bloed
kunnen aantoonen en wel tegengesteld aan dat wat we bij hond 44
vonden kort na de operatie. Zes dagen na de operatie werden bij
hond 45 de volgende uitkomsten in het bloed gevonden: NaCl-
gehalte van het totale bloed 0,466, NaCl-gehalte van het plasma
0,585 en NaCl-gehalte van het serum 0,631 Er valt dus, indien
we deze cijfers vergelijken met de waarden bij normale honden ge-
vonden (zie blz. 62) aan de hypochloraemie, die na deze operatie
ontstaan is, niet te twijfelen. Evenals bij hond 44 verdwijnt ook bij
dezen hond de afwijking in het bloed spoedig, en twee weken na de
operatie vinden we practisch normale waarden voor het NaCl-
gehalte van het bloed n.1.: NaCl-gehalte in het totale bloed 0,529,
NaCl-gehalte van het plasma 0,646 en NaCl-gehalte van het serum
0,676 %.
Ook werd een week na de operatie het zoutgehalte van huid en
spier bepaald. Hierbij werd gevonden, dat i gr. huid 3,97 mgr. NaCl
bevat, en i gr. spier 2,58 mgr. NaCl. Dat wil dus zeggen, dat in
vergelijking met de normale waarden van Toxopéus (gemid-
deld 3,3 mgr. NaCl per gr. huid, en 1,1 mgr. NaCl per gr. spier)
in de huid de normale hoeveelheid zout, in de spier echter een ver-
hoogde hoeveelheid aantoonbaar is.
Samenvattende vinden we dus bij hond 45, waarbij uitsluitend
een afwijking in den hypophysis bestaat, waardoor óf prikkeling óf
uitval van achterkwab-functie kan veroorzaakt zijn, een verlate
polyurie, samenvallende met een hoogere NaCl-uitscheiding, een ge-
ring teveel bij de NaCl-uitscheiding, een duidelijke hypochloraemie,
die na korten tijd verdwijnt, cn, naast een normaal zoutgehalte voor
de huid, een verhoogd zoutgehalte voor de spier.
Tenslotte valt nog op, dat bij deze polyurie, evenals bij de tweede
tijdelijke polyurie van hond 31, s.g. en NaCl-concentratie niet zoo
sterk dalen als bij de meeste andere polyurieën (immers bij deze
twee honden vinden we tijdens de polyurie s.g. van 1008 tot 1013 en
NaCl-concentraties van i tot 5 pro mille). Ook deze gegevens zullen
later in hoofdstuk VIII nader onder het oog worden gezien, maar
eerst dienen we nu eenige honden, waarbij hypophysectomie werd
verricht, te beschrijven.
HOND 4.
Bij dit dier werd de hypophysis weggenomen, vanaf links tempo-
raal, nadat vroeger een steek in het tuber cinereum vanaf de rechter
zijde geen polyurie had doen ontstaan. Er ontwikkelde zich na de
hypophysectomie een polyurie van 2 dagen. Het anatomisch onder-
zoek leerde, dat voorkwab, achterkwab en infundibulum ontbraken,
maar dat tevens een kleine verwonding van het tuber cinereum aan-
9
-ocr page 163-wezig was. Deze verwonding kan echter van de eerste operatie
afkomstig zijn.
HOND 13.
Hierbij werd de hypophysectomie verricht vanaf rechts temporaal.
Er ontstond geen polyurie, en bij anatomisch onderzoek bleek de
geheele achterkwab en het grootste gedeelte van de voorkwab te zijn
weggenomen. Het infundibulum was voor het allergrootste gedeelte
gespaard en het tuber cinereum was volkomen intact.
HOND 41.
Hier werd op 15 Juli '31 eveneens de hypophysis weggenomen,
waarbij nu de buccale weg gevolgd werd. Ook dit dier vertoonde
weer gedurende twee dagen na de operatie polyurie. Anatomisch
onderzoek had tot resultaat, dat voor- en achterkwab volledig ble-
ken te ontbreken, dat het infundibulum gedeeltelijk gespaard was,
echter door een sterke bindweefselwoekering tegen de hersenbasis
was gecomprimeerd. Deze sterke bindweefselmassa was tevens oor-
zaak, dat bij het snijden der coupes duidelijk artificieele verwon-
dingen in sommige coupes zijn opgetreden. Of hier tusschen zich een
verwonding van het tuber cinereum, bij de operatie gemaakt, be-
vindt, valt niet meer uit te maken.
Hond 13 en de gevallen uit de literatuur hebben echter wel vast-
gesteld, dat een hypophysectomie alleen, geen polyurie behoeft te
veroorzaken. Zoowel bij hond 4 als bij hond 41 kan de polyurie aan
mijn operatietechniek geweten worden. Belangrijker dan om nog
eens aan te toonen, dat een zuivere hypophysectomie geen polyurie
behoeft te veroorzaken, is echter om te onderzoeken, hoe een dier
zonder hypophyse zich gedraagt, in den tijd dat de tijdelijke polyurie
reeds lang verdwenen is. Hiervoor werd hond 41, die dus inderdaad
achteraf bleek geen hypophysis te bezitten, gebruikt. Negen dagen na
de operatie, dus duidelijk na de tijdelijke polyurie, werd een dorstproef
ingesteld. Op de dagen vóór deze dorstproef had de hond een nor-
male hoeveelheid urine met s.g. van 1018 en een concentratie van
NaCI van 7 pro mille. De uitkomsten van deze dorstproef zijn in
tabel 38 aangegeven.
Uit normale dagen vóór en na de operatie bleek, dat na de operatie
dagelijks zeker niet minder NaCI werd uitgescheiden dan daarvoor,
zelfs is er een kleine vermeerdering van iets meer dan twee gram in
8 dagen na de operatie (de voedselopname in rekening gebracht).
24 Juli '31.
Dorstproef.
Hond 41.
7 K.G.
|
uur |
V c 'm s |
•Sa t |
s.g. |
0 0 Ü |
U . i | |
|
8-10 |
5 |
0.7 |
1018 |
1.4 |
1.0 |
10 uur gewoon voedsel zonder |
|
10-12 |
4 |
0.6 |
1037 |
1.4 |
0.8 |
water. |
|
12-14 |
9 |
1.3 |
1035 |
2.9 |
3.7 | |
|
14-16 |
13 |
1.9 |
1034 |
6.2 |
11.4 | |
|
16-18 |
22i |
3.2 |
1032 |
11.1 |
35.8 | |
|
18-20 |
11 |
1.6 |
1034 |
15.1 |
23.7 | |
|
20-22 |
13 |
1.9 |
1037 |
13.7 |
25.4 | |
|
10-22 |
72i |
10.4 |
100.8 |
Gewichtsvermindering (na voedselopname tot 22 uur) 295 gr.
drinkt na afloop proef direct 50 c.c. HjO p. K.G. lich.
gew.
Toch blijkt nu in een dorstproef een bemoeilijking van den zoutaf-
voer te bestaan. Immers, in deze proef, die weer onder geheel gelijke
omstandigheden als bij de andere dieren werd verricht, wordt slechts
100 mgr. NaCI per K.G. in 12 uur uitgescheiden. Dat wil dus zeggen,
dat slechts de helft van wat een normale hond en ook van wat hond
16 en hond 31 in een dorstproef loost, door dit dier werd uitge-
scheiden. Deze zelfde afwijking, hoewel in veel sterkere mate, kwam,
zooals we reeds gezien hebben later ook bij hond 44 te voorschijn, een
hond, waarbij ook o.a. de hypophysis ontbrak. Naast dezen bemoei-
lijkten afvoer van NaCI blijkt de urine-uitschelding tijdens de proef
normaal te zijn, d.w.z., gelijk aan de geringste hoeveelheid, die bij
een normaal dier gevonden werd tijdens zulk een proef. Hierin
verschilt hond 41 dus duidelijk van hond 44, waarbij een polyurie
bestond die ook tijdens de dorstproef doorgaat; maar bij dezen laat-
sten hond waren ook andere afwijkingen te vinden. Deze slechte uit-
Tan'wITl quot; 'nbsp;^^nbsp;^^ concentratie
van het NaCl m de urine tijdens de proef, waar men een vertraagde
toename kan constateeren. Ook het dorstgevoel na afloop van de
TABEL 39.
13 Aug. '31,
Dorstproef.
Hond 41.
7 K.G.
8
11
17
21
24}
20}
21
115
|
CrA gt; • j. U ü ü . -c |
s.g. |
0 0 O a |
U . i «q t 14 |
|
1.1 |
1034} |
1.4 |
1.6 |
|
1.6 |
1041 |
1.9 |
2.9 |
|
2.4 |
1036 |
3.5 |
8.5 |
|
3.0 |
1034} |
8.6 |
25.8 |
|
3.5 |
1031 |
12.8 |
44.7 |
|
2.9 |
1033 |
15.1 |
44.2 |
|
3 |
1033 |
16.5 |
49.4 |
|
16.4 |
175.5 |
Gewichtsvermindering (na voedselopname tot 22 uur) 290 cr
drmkt na afloop proef direkt 16} c.c. H,0 p. K.G. lich gfw.
proef is grooter dan bij normale honden en komt in afmetingen
ongeveer overeen met wat bij hond 44 gevonden werd
Evenals we bij hond 44 deze afwijking in de uitscheiding van het
NaCl zagen verdwijnen, zien we ook bij hond 41 een goede maand
tabelnbsp;''' dorstproef optreden (zie
De totale NaCl-uitscheiding tijdens de dorstproef ligt nu binnen
de onderste grens van de normale waarden, terwijl de hoeveelheid
urine overeenkomt met de hooge waarden bij normale dieren ge-
vonden. De afwijking in de zoutuitscheiding is dus practisch ylr-
dwenen. Of verder in de eerste dorstproef naast een slechten zout-
afvoer ook een lichte waterrententie moet worden aangenomen, is
8-10
10-12
12-14
14-16
16-18
18-20
20-22
10-22
uit de eerste proef niet duidelijk, maar in verband met de uitkom-
sten van de tweede proef, bestaat daartoe wel de mogelijkheid.
De uitkomsten van het bloedonderzoek bij hond 44 en 45 kort na
de operatie leerden pas dat het van belang was dit spoedig te doen.
Helaas heb ik van hond 41 slechts zoutbepalingen in het bloed van
week na de operatie. Op 8 Augustus werden daarbij de volgende
uitkomsten verkregen: NaCl-gehalte van het totale bloed 0,545,
NaCl-gehalte van het plasma 0,651 en NaCl-gehalte van het serum
0,680 %. Het zoutgehalte van het bloed was dus toen normaal en
of eventueele veranderingen daarin kort na de operatie aanwezig
zijn geweest, heb ik dus niet nagegaan. Ook deze honden zullen later
nog weer nader worden besproken.
HOND 39.
Tenslotte volgen hier eenige bepalingen in 24-uur porties van een
hond die voor contrôle werd geopereerd en waarbij dus geen ver-
woestmg in eenig hersengedeelte werd aangebracht. Hieruit zal men
zich kunnen overtuigen dat na opening van den schedel door het os
sphenoidale en opening van de dura geen polyurie ontstaat. Bij
microscopisch hersenonderzoek waren tuber cinereum en hypophysis
intact, behalve een uiterst kleine verwonding in de voorkwab, die
ontstaan is bij het splijten van de dura, die hier gespannen tegen de
voorkwab ligt. Deze kleine verwonding behoeft natuurlijk niet bij
een operatie langs buccalen weg te ontstaan en ontbrak ook bij ver-
schillende andere operaties. Toch is het niet steeds gemakkelijk ook
de kleinste laesie hierbij te ontgaan. De achterkwab, die geheel in en
boven de voorkwab ligt („als een drukknoopsluitingquot;), heeft dan
natuurlijk niet het minste letsel ondervonden.
Van hond 39 zijn nu eenige bepalingen, in 24-uur porties verricht,
vermeld en wel gedurende 3 dagen voor cn 8 dagen na de operatie.'
De operatie viel dus aan het einde van den 3en dag en de uitkom-
sten waren resp.:
360 335 465 465 460 370 280 375
1019 1027 1017 1022 1020 1021 1026 1026
3.6 10.2 6.0 7.0 6.8 6.5 9.2 8.9
urinehoev. : 365 380 330
8.g.:nbsp;1020 1022 I02I
NaCI pro mille: 7.4 7.7 10.0
De voedselopname was steeds volledig, behalve den eersten dag
na de operatie, toen het dier slechts de helft gebruikte.
Hiermede zijn de belangrijkste uitkomsten van het onderzoek be-
schreven. Rest alleen nog om in een laatste hoofdstuk de gegevens
nader te bespreken en na te gaan welke gevolgtrekkingen hieruit te
maken zijn.
HOOFDSTUK VIII.
Bespreking der verschijnselen bij honden met experimenteele
polyurie.
We hebben in de voorgaande hoofdstukken gezien, dat het ook nu
weer gelukt is, door het aanbrengen van verwondingen in het tuber
cinereum-hypophysis stelsel, permanente polyurie op te wekken. Dit
kan slechts als bevestiging gelden van wat andere onderzoekers reeds
hebben vermeld. Bij deze permanente polyurieën en ook bij de tijde-
lijke polyurieën werd nu echter een uitgebreid onderzoek ingesteld,
waarbij bleek dat eigenlijk alle verschijnselen, die bij de menschelijke
diabetes insipidus kunnen optreden, ook bij de experimenteele poly-
urieën kunnen worden geconstateerd.
Hoewel ik mij zelf er zeer goed van bewust ben, dat ook dit mate-
riaal, hoewel grooter en meer onderzocht dan dat van de andere
onderzoekers, nog weer te klein is om vergaande conclusies mede
bewezen te achten, meen ik toch bij de bespreking van de resultaten
cn aan de hand van deze, eenige beschouwingen te mogen wijden
aan de verschillende symptomen en aan den diabetes insipidus in
het algemeen.
De uitkomsten bij hypophysectomie (hond 4, 13 en 41) zijn bij
mij niet gunstig geweest, wat het niet veroorzaken van polyurie be-
treft. Doch reeds heb ik er op gewezen, dat bij twee gevallen van
hypophysectomie, waarbij een tijdelijke polyurie toch is opgetreden,
inderdaad een laesie van het tuber cinereum niet was uit te sluiten.
Met de conclusie waartoe vele onderzoekers gekomen zijn, nl. dat
hypophysectomie geen polyurie behóéft te geven, kan ik mij dan ook
zeer goed vereenigen, daar ik in hond 13 een geval heb dat hier-
mede geheel overeenstemt.
Van groot belang is echter, dat bij een hond zonder hypophysis,
ook indien hij weer geheel normaal is, ook wat de hoeveelheid urine
en de concentratie betreft, toch nog bij nader onderzoek afwijkingen
kunnen worden vastgesteld. Hond 41 bleek immers, toen in de 24-
uur-porties van de urine niet de minste afwijking meer viel te con-
stateeren, negen dagen na de hypophysectomie, toch in de dorstproef
nog een stoornis in de zoutuitscheiding te hebben overgehouden. Uit
tabel 38 (blz. 131) bleek, dat dit dier gedurende 12 uur dorstlijden
slechts iets meer dan de helft (100 mgr.) van de hoeveelheid zout
mtscheidt per K.G. lichaamsgewicht, die een normale hond in die-
zelfde omstandigheden loost (ongeveer 200 mgr.). Hierbij bleek
tevens, dat geen compensatie optrad door polyurie, dat zelfs geen
poging daartoe werd gedaan, hetgeen blijkt uit de hoeveelheid urine
die bij de laagste grens van de waarden van normale honden ligt De
concentratie van het NaCI in de urine was tevens van normale
hoogte, maar steeg lets langzamer dan bij normale honden. Wij zien
hieruit dus, dat na de hypophysectomie een zuiver geïsoleerde stoornis
van de uitscheiding van zout is blijven bestaan, die slechts duidelijk
wordt indien geen water wordt toegevoerd. Hierbij moeten we niet
denken aan een stoornis van het concentratievermogen van de nier
maar veel meer aan een minder los laten van het zout door de weef-
sels of minder uitscheiding door de nier ').
Een maand na de operatie en ongeveer 3 weken na de eerste dorst-
proef werd deze proef herhaald (zie tabel 39, blz. 132), en nu bleek
m 12 uur tijdens dorstlijden 175 mgr. NaCI te worden uitgescheiden.
Deze hoeveelheid IS gelijk aan de kleinste hoeveelheid zout bij nor-
male honden in de dorstproef geloosd en 75 % hooger dan in de
eerste dorstproef. Ook de concentratie van het NaCI stijgt gedu-
rende deze proef al weer vlugger dan in de eerste. De hoeveelheid
urine is nu iets grooter (16^ c.c.) en ligt in de buurt van de grootste
hoeveelheid bij normale honden tijdens een dorstproef geconstateerd
De stoornis m de zoutuitscheiding, die niet lang na de hypophy-
sectomie tijdens het onthouden van water te voorschijn trad, is dus
later gecompenseerd. De oorzaak van de slechte zoutuitscheiding
moeten wij bij deze zuivere hypophysectomie wel zoeken in het ont-
breken van den hypophysis en daar de achterkwab een belangrijke
rol speelt in de water- en zoutstofwisseling, speciaal van de achter-
kwab^to heeft nu aangetoond, dat de functie van de achter-
Op de kwcsde van de zoutuitscheiding in verband met de weefsels en de
nier wordt iets verder uitvoeriger ingegaan.
kwab en ook speciaal deze functie voor water- en zoutregulatie na
hypophysectomie, door het tuber cinereum wordt overgenomen. Het
is dus wel aan te nemen dat dit hier tot uiting komt en dat de uit-
scheiding van zout eenigen tijd na de hypophysectomie weer normaal
wordt als het tuber cinereum voldoende inspringt. Ontbraken deze
proeven van S a t o, dan zou men nog altijd deze vicarieerende
functie in een andere klier met interne secretie kunnen zoeken, doch
S a t O' s proeven wijzen ons, waar wij de overgenomen functie
moeten localiseeren.
Toch moet er met nadruk op gewezen worden, dat deze overge-
nomen functie bij den hypophysisloozen hond 41 uitsluitend den
zoutafvoer betreft, cn niet de anti-diuretische functie, die ook aan
de achterkwab wordt toegeschreven. Immers de dagen voor de eerste
dorstproef bestond geen polyurie meer, in de dorstproef was in het
geheel geen polyurie merkbaar en in de tweede dorstproef, toen het
hormon van de achterkwab weer voldoende werd gevormd, was er
zelfs iets meer urine dan in de eerste dorstproef. Dit wijst dus meer
op een vasthouden van water door de slechte zoutuitscheiding; maar
van een ontbreken van anti-diuretisch hormon na de hypophysecto-
mie, dat terugkeert eenigen tijd na de operatie toen het tuber cinereum
voldoende insprong, is geen spoor te constateeren.
Beschouwen wij vervolgens de uitkomsten bij hond 44, waar im-
mers ook onder meer de hypophysis-achterkwab volledig ontbrak,
dan vinden wij hier een dergelijk gedrag, al is hier de toestand veel
ingewikkelder, daar tevens een permanente polyurie bestaat. Bij
dezen hond vinden wij in het begin, niettegenstaande de polyurie,
reeds een vertraagde uitscheiding van NaCI, die zoowel op de nor-
male dagen merkbaar is (zie tabel 31, blz. 109), als ook duidelijk
uitkomt in de positieve NaCl-balans. Het dier verschilt dus met hond
41 daarin, dat een polyurie bestaat en een, reeds op normale dagen,
merkbare stoornis in de uitscheiding van het NaCI, terwijl wat de
verwonding betreft hier tevens een laesie van het tuber cinereum
bestaat. Of er een oorzakelijk verband tusschen deze feiten bestaat,
d.w.z. of de polyurie haar oorzaak vindt in het tuber cinereum, en
of de slechte uitscheiding van zout, ook op normale dagen, hier
eveneens aan toe te schrijven is, blijft vooreerst buiten bespreking.
Laten we hond 44 nu korten tijd na de operatie dorst lijden (tabel
-ocr page 171-blz. IIO) dan blijkt hij, hoewel de polyurie doorgaat, vrijwel
geen .out te kunnen uitscheiden. De oorzaak hiervan 1 z k™ nk
dVenbsp;™nbsp;J-« quot;quot;kwaar-
ofn , A 'nbsp;NaCl lager concentreert dan
op normale dagen pro mille op normale dagen en r,. pro mille
m de dorstproef), w.jst dit duidelijk uit. We kunnen hier slech
aannemen, dat .n de dorstproef geen zont wordt losgelaten. Cde
kannen we constateeren dat in het bloed geen sterke opho^pinTvan
zout njdens de proef bestaat, d.w.z. in vergelijking met noLalê
honden m het totale bloed een normale hoeveelheid (in het pTma
hTeveeZr^nbsp;quot;nbsp;quot;quot; duidehjk v rhtgl
riwlns ^nbsp;r^.'.nbsp;-quot;g^liiking met hond 3,, die
t, den de dorstproef z„n zout zeer goed kon verwijderen, de ^aar!
den alle vrijwel overeenstemmen.
We moeten dus aannemen, dat in het begin bij hond 44 bij ont-
houden van water, het zout in de eerste plaats niet door de w efee s
wordt losgelaten, en dat op normale dagen de dan plaats hlbel
mtsche,dmg van zout waarschijnlijk geheel op reLing van het
kTb^quot;?';quot;nbsp;-gheid vL achtt
stltetrTnbsp;■quot;»P'-'nsend nieuw hormon is niet te con-
stateeren^ Door de hypophysectomie is dus de uitscheiding van zout
b langnjk bemoe.l.,kt; door tevens water te onthouden wordt die tö
vnjwel mets gereduceerd.
Indien men verder zou willen aannemen, dat de ophooping van
.out ,n het bloed van belang is voor het dorstgevoel en den toestand
van het md,v,du tijdens de dorstproef, dan is het inderdaarmerk-
waard,g, dat zeer duidelijk te constateeren was, dat dit dt niet
egenstaande de zeer s echte uitscheiding van NaCl, zeker niet in'sle h-
h t blo'd Lfnbsp;van z^t, nij:^;
net Dioed, maar m de weefsels.
Herhalen we nu, evenals bij hond 41, ook bij hond 44 ongeveer
maand na de operatie de dorstproef, dan blijkt ook nu eeTb
langnjke verbetenng te zijn ingetreden. Uit tabel 34 (blz. 1,3) Mijkt
dat de hond nu m staat is tijdens dorstlijden ,65 mgr NaCI du^
een normale hoeveelheid, tc verwijderen. Tevens L w e^^n dalt
van de hoeveelheid urine van 40 op 32 c.c.nbsp;^
Ook hier moeten we weer aannemen, dat het tuber cinereum de
functie van de achterkwab heeft overgenomen, en ook hier weer
betreft dit in de allereerste plaats duidelijk de functie van de uit-
scheiding van NaCl en niet de werking op de uitscheiding van
water. De eerste is n.l. verbeterd van buitengewoon laag tot normaal,
terwijl de diurese wel gedaald is, maar volstrekt nog geen normale
waarde heeft bereikt.
^ Aan het herstel van de uitscheiding van het NaCI valt dus ook
hier niet te twijfelen; wat de verminderde uitscheiding van urine
betreft, zijn drie opvattingen mogelijk.
le. De hoeveelheid urine in de eerste dorstproef was door de
slechte uitscheiding van NaCl tot het uiterste opgevoerd, waarvoor
zou pleiten dat de hoeveelheid urine, die per K.G. in de eerste dorh-
proef geloosd werd, in verhouding tot de 24-uur-hoeveelheden groo-
ter was dan bv. bij hond 31, waarna dan in de tweede dorstproef, als
het zout gemakkelijker wordt afgegeven, pas het normale niveau
van de polyurie tijdens het onthouden van water (voor dit geval)
bereikt is.
2e. De polyurie is geheel het gevolg van de slechte uitscheiding
van het zout'en zoo deze laatste zich herstelt, zal ook de polyurie
langzamerhand, en in ieder geval tijdens dorst lijden, ophouden en
ontstaat een toestand, zooals we bij hond 16 gevonden hebben. Wat
dit laatste betreft, blijkt het bezwaar dat niet een nog latere dorst-
proef bij hond 44 werd verricht, waarbij we hadden kunnen consta-
teeren of de polyurie tijdens de dorstproef dan nog verder gedaald
zou zijn.
3e. Dat toch na de overname van de zoutfunctie ook de eventueele
anti-diuretische werking van de achterkwab wordt overgenomen en
dat daardoor de polyurie in de tweede dorstproef minder is gewor-
den.
De kwestie hoe wij de polyurie in het algemeen dienen te beschou-
wen en in dit geval in het bijzonder, brengt ons in een moeilijk
gedeelte van het probleem. Ik moet hier dan ook straks uitvoerig op
terug komen, maar eerst dient de zoutfunctie van de achterkwab nog
nader onder het oog te worden gezien.
Het is toch duidelijk, dat de overname van de functie bij hond 41
uitsluitend de uitscheiding van zout betreft en dat bij hond 44 deze
overgenomen achterkwabfunctie in de eerste plaats eveneens de uit-
scheiding van zout betreft. We kunnen ons nu afvragen of het niet
een vreemd verschijnsel is, dat van de functie van de achterkwab,
die immers zooals men algemeen zegt een werking op de wateruit-
scheiding heeft (zij het dan dat dit al naar gelang van de omstan-
digheden of naar gelang van de verdedigde stelling diuretisch, anti-
diuretisch of beiden is), terwijl daarnaast, min of meer in de tweede
plaats, de werking op het zout wordt genoemd, of het dus niet
vreemd is dat van deze functie slechts het tweede gedeelte wordt
overgenomen. Of kan het misschien zijn, dat juist de werking op de
uitscheiding van zout de eigenlijke werking van de achterkwab is en
niet de grillige werking op de wateruitscheiding. Dat wil dus zeggen,
dat de achterkwab het hormon levert niet voor de waterregulatie,
maar wel voor de zoutregulatie van het lichaam.
Immers waarom heeft hond 41 alleen moeilijkheid met de zout-
uitscheiding nadat de hypophysis is weggenomen, evenals we dat bij
hond 44 zien? Omdat het hormon voor den zoutafvoer ontbreekt.
Waarom behoeft hypophysectomie geen polyurie te veroorzaken?
Als we in de achterkwab een anti-diuretisch hormon wilden aan-
nemen, dan was het toch te onbegrijpelijk dat volkomen uitval
hiervan geen polyurie zou veroorzaken. Is het daarentegen een zout-
hormon, dan is het uitblijven van de polyurie zeer goed te verklaren.
Nu zullen we, indien het tuber cinereum niet snel inspringt, zelfs
meer kans op oedeem hebben. En nu zien we ook dat Pohle bij
hypophysectomie oedeem vindt, dat Jungmann in de kliniek
oedeem vindt bij aandoeningen van den hypophysis en dat Marx
oedemen van onbekenden oorsprong in verband met hypophysaire
afwijkingen noemt. (Zie de eerste hoofdstukken.) Oedeem na hy-
pophysectomie, dus na het wegnemen van het orgaan waar het anti-
diuretisch hormon gevormd zou worden, is toch weer wat te vreemd.
Of werkte het nu diuretisch? En dan straks bij Injectie maar weer
anti-diuretisch. Een aanhanger van de theorie der werking van de
achterkwab op de diurese zoekt dan waarschijnlijk dit verschil in
werking uit de hoeveelheid toegediende stof te verklaren. Hier tegen
valt slechts op te merken, dat de werking van het achterkwab-extract
op die wijze verklaard slechts tot de grootste verwarring heeft ge-
voerd, terwijl de hier genoemde werking constant is en steeds een
verklaring van de resultaten biedt.
En zoo volgen er telkens meer verschijnselen, die eenvoudig hun
verklaring vinden, indien men de achterkwab slechts zijn zout-
functie wil toekennen en niets meer. Houssay en Hug vmden
na hypophysectomie vertraagde uitscheiding van water (proeven,
waarbij geen zoutbepalingen zijn gedaan). Ook dit volgt vanzelf uit
de zout- en niet uit de anti-diuretische werking. En ditzelfde vindt
toch ook weer M a r x eenigermate, als hij patiënten beschrijft met
hypophysaire afwijkingen, waarbij een vertraagde uitscheiding van
water werd aangetroffen. Ook is het volgens Bauer mogelijk,
dat novasurol soms sterker anti-diuretisch werkt bij diabetes insipi-
dus, dan achterkwabhormon. Dit is te verklaren omdat het hormon
van de achterkwab geen anti-diuretische werking maar een werking
op het zout heeft. En tenslotte is uit de proeven van J u n g m a n n
en Bernhardt reeds gebleken, dat het neurale gedeelte van' den
hypophysis voor de stoornissen in de zoutstofwisseling van belang
is, terwijl de polyurie in het tuber cinereum was op te wekken.
Anti-diuretische werking van de achterkwab kunnen we in geen
van bovengenoemde gevallen aannemen, een diuretische nog wel. En
als men het achterkwab-extract inspuit, dan ziet men een diuretische
öf anti-diuretische werking. Maar in alle gevallen waarbij het extract
wordt ingespoten ziet men in de eerste plaats het zout in verhoogde
mate uitgescheiden worden en alle optredende' verschijnselen zijn uit
het zout alléén te verklaren. Het feit echter, dat overal zout en
water zich in nauw verband met elkaar bewegen, maakt het dikwijls
moeilijk een van beiden boven den ander te plaatsen. Doch blijkt
bij hond 41 en 44 duidelijk, dat het de regulatie van de zoutuitschei-
ding is, die na hypophysectomie ontbreekt, welke zich later onaf-
hankelijk van, of veel duidelijker dan de waterafwijking herstelt
door overname van de functie van de achterkwab door het tuber
cinereum.
Hieronder volgen nu twee tabellen over de werking van hypo-
physis-achterkwab-extract bij honden, overgenomen uit het onder-
zoek van B ij 1 s m a. Zij dienen om de steeds verhoogde zoutuit-
scheiding te toonen naast het wisselende gedrag van het water (zie
tabel 40 en 41).
TABEL 40 1).
Inspuiting van hypophysis-extr. bij een normalen hond.
|
c.c. urine |
NaCl. m.gr. |
NaCl. o/oo | ||
|
I® uur |
10.2 |
167 |
16.4 | |
|
2' uur |
14.3 |
197 |
13.7 | |
|
3® uur |
11.4 |
207 |
20.8 |
1 mg. Hyp. extr. |
|
4® uur |
15.5 |
372 |
24.0 | |
|
5' uur |
29 |
382 |
13.2 | |
|
6' uur |
73 |
189 |
2.59 | |
|
7' uur |
27 |
76 |
2.81 |
TABEL 41 1).
Inspuiting van hyp.-extr. bij norm. hond tegelijk met
watertoediening (1 L.) per os.
|
Uur |
Contrôle |
0.5 Blomberg |
Contrôle | ||||||
|
Water |
NaCl |
Water |
NaCI |
Water |
NaCl | ||||
|
m.gr. |
100 |
m.gr. |
100 |
m.gr. |
Inn | ||||
|
1 |
75 |
77 |
1.03 |
19 |
207 |
10.89 |
15 |
35 |
2.33 |
|
2 |
430 |
264 |
0.61 |
7 |
110 |
15.71 |
233 |
170 |
0.73 |
|
3 |
290 |
170 |
0.59 |
19 |
23 |
1.21 |
163 |
91 |
0.56 |
|
4 |
47 |
87 |
1.85 |
167 |
195 |
1.11 |
145 |
38 |
0.26 |
|
5 |
23 |
75 |
3.26 |
165 |
106 |
0.64 |
90 |
21 |
0.23 |
|
6 |
133 |
31 |
0.23 | ||||||
|
7 |
145 |
25 |
0.17 | ||||||
De vraag is nu of men b.v. ook aan de hand van deze tabellen de
uitsluitende werking van het achterkwab-extract op de zoutregulatie
kan blijven verdedigen, en alle veranderingen, die in de wateruit-
scheiding te zien zijn, slechts als een gevolg van de bewegingen van
het zout zal kunnen verklaren. Het zou mij veel te ver voeren en ook
geheel buiten dit onderzoek vallen om uitvoerig te gaan bewijzen.
l.c.
') Byh
-ocr page 176-dat dit zeker het geval is. Ik kan hier volstaan met op te merken,
dat men aan de hand van de vele theorieën, die bestaan resp. over
de nierwerking en over de waterdiurese, steeds de waterbeweging uit
die van het zout kan afleiden. Dit is zoowel mogelijk als men een
uitsluitend renaal als uitsluitend extra-renaal aangrijpingspunt van
het achterkwab-extract aanneemt, als men de theorie van C u s h n y
voor de nierwerking volgt, als men de uitkomsten van het onder-
zoek van B. S a g e r in dit Laboratorium verricht over de wer-
king van achterkwab-extract op de functie van de nier aanneemt
en evenzoo indien men door opname van water tijdelijke hydraemie
of hypochloraemie in het bloed als gevolg daarvan meent te zien
ontstaan. Daar we uit de verschillende bekende onderzoekingen (zie
voor al deze aanhalingen de eerste hoofdstukken), zoowel een extra-
renale als een renale werking van het achterkwab-extract moeten
aannemen, zijn dus beide invloeden in het spel.
Door dit alles worden we nog meer gesterkt in onze overtuiging,
dat de achterkwab slechts regulator van de zouthuishouding is, d.w.z.
dat het hormon het zout uit de weefsels los maakt, en in de nier
een mindere terug-resorptie van zout doet plaats hebben. De achter-
kwab heeft dus door dit dubbele aangrijpingspunt de functie het zout
uit de weefsels en uit het bloed te verwijderen en heeft geen afzon-
derlijke werking op de wateruitscheiding. Het achterkwab-hormon
is dus een zouthormon en niet een diuretisch noch een anti-diuretisch
hormon.
Een gevolg hiervan is, dat men meer belang zal dienen te hechten
aan de werking van achterkwab-extract in toestanden van oedeem.
Misschien toch heeft het een gunstige werking bij vele gevallen van
oedeem, en in het bijzonder bestaat de kans daartoe bij de zg. oede-
men van onbekenden oorsprong, die reeds met den hypophysis in
verband worden gebracht. En daarnaast dienen we ons af te vragen
of niet veel vaker bij hypophysaire aandoeningen stoornissen zooals
Marx en Lichtwitz beschreven, in de zouthuishouding zul-
len voorkomen, en of er niet veel meer gevallen zullen bestaan met
geïsoleerde stoornissen in de zoutstofwisseling, zooals de twee pa-
tiënten, door Jungmann beschreven. Immers, ook al komt het
I) B. Sagcr. Arch. f. Rxp. Path. u. Pharm. 1930. Bd. 153. pg. 33i-
-ocr page 177-niet tot oedeem, toch kan een kleine afwijking in de achterkwab
misschien aanleiding zijn tot verschillende stoornissen in de NaCl-
huishouding, die slechts bij een speciaal daarop gericht onderzoek
opvallen.
Uitgaande nu van de opvatting, dat dus de achterkwab de regu-
lator van de zouthuishouding is, gaan we verder met de bespreking
van de resultaten van dit onderzoek,
Keeren we terug naar de twee dorstproeven van hond 44, dan
hebben we hierbij de volgende drie mogelijkheden aangaande de ver-
mindering van de polyurie opgemerkt:
le. de hoeveelheid urine is gedaald, omdat de uitscheiding van
NaCI niet meer de uiterste inspanning vergt;
2e. de polyurie kan misschien de daling verder voortzetten tot
dat een toestand tijdens de dorstproef als bij hond 16 is ontstaan;
3e. na de overname van de zoutfunctie wordt toch ook de z.g.
anti-diuretische functie overgenomen.
Willen we hier tot een nadere beslissing komen, dan dienen we in
de eerste plaats den invloed van injecties van hypophysis-extract
tijdens de dorstproef te beschouwen (zie tabel 33, blz. 112). Onder
invloed van het extract zien we èn hoeveelheid urine èn hoeveelheid
zout tot vrijwel normale waarden tijdens het dorstlijden terugkeeren.
(Het zout wordt nu zelfs beter uitgescheiden dan in de dorstproef
voor de operatie (blz. 108) en de hoeveelheid urine is nu nog ver-
hoogd in vergelijking met toen.) Maar dus tóch een anti-diuretische
werking naast die op de uitscheiding van zout? Dit zou hier inder-
daad aan te nemen zijn. Maar het is daarom, dat ik deze beschou-
wing over de werking van de achterkwab hieraan liet voorafgaan,
om aan te toonen, dat evengoed nu ook hier weer uit de zoutwerking
de uitkomsten van deze proef volkomen te verklaren zijn. Slechts
doet zich hier het bezwaar gevoelen, dat hond 44 niet langer werd
geobserveerd en dus een verklaring slechts op de veronderstelling
berust, dat bij hond 44 als het tuber cinereum op den duur zonder
eenige moeite de functie van de achterkwab zou overgenomen heb-
ben, de polyurie ook tijdens volgende dorstproeven verder gedaald
zou zijn onder de 32 c.c. en we waarden zouden zijn gaan vinden,
zooals we die bij normale honden hebben gevonden. Een voorbeeld
hiervan hebben we in hond 16, waarbij, bij een volkomen ontbreken
van de achterkwab, de polyurie tijdens de dorstproef ophield. De
dorstproef met toediening van hypophysis-extract bij hond 44 kan
dus een beeld geven hoe de dorstproef er bij verder herstel ook zon-
der hypophysis-extract zou hebben uitgezien. En evengoed is het
mogelijk dat een latere dorstproef hetzelfde beeld als tabel 34 zal
geven cn dat de genezing dus niet verder voortgaat, zooals een
zelfde toestand bij hond 31 bleef bestaan. Maar dit blijft dus wegens
het te korte onderzoek een veronderstelling, doch het is dus mogelijk,
dat zoowel het boven, onder le. als onder 2e. aangehaalde, even-
goed de oorzaak van de afgenomen hoeveelheid urine is geweest.
Een consequentie van dit laatste betoog zou nu zijn zich de vraag
te stellen of dan de geheele polyurie bij bv. hond 44 slechts berust
op het in het begin ontbreken van het zouthormon en of, als dit
steeds meer vervangen wordt, ook de geheele polyurie zal verdwij-
nen, evenals zij verdwijnt bij injectie van achterkwab-extract en
misschien verdwenen zou zijn in latere dorstproeven. quot;We dienen nu
dus na te gaan, eerst in het algemeen, om daarna nog weer op hond
44 terug te komen:
le. of de polyurie slechts gevolg is van bestaande stoornissen in
de uitscheiding van het zout;
2e. of dat een afwijking in een eventueel watercentrum mede oor-
zaak van de polyurie is.
We hebben reeds in het overzicht van de literatuur gezien, dat
Sato naar aanleiding van de vele bezwaren (die wij straks nog weer
zullen noemen) tegen het aannemen van een watercentrum in het
tuber cinereum, tot zijn onderzoekingen kwam, waarbij het resultaat
was dat het hormon van de achterkwab na hypophysectomie in het
tuber cinereum wordt gemaakt. Deze opvatting stemt geheel over-
een, zooals we gezien hebben, met de anatomische gegevens bv. van
G r e v i n g. Er bestaat hier dus een verklaring voor het ontstaan
van polyurie als gevolg van een steek in het tuber cinereum, wanneer
vooraf de hypophysis is weggenomen. In dit geval kan dus door een
steek in het tuber cinereum de vicarieerende aanmaak van hormon
daar ter plaatse gestoord worden en kan opnieuw door slechte af-
voer van zout polyurie ontstaan. Het eenige dat hiermede eigenlijk
in strijd is (doch evenzeer met het bestaan van een watercentrum in
het tuber cinereum), is het onderzoek van B o u r q u i n, waarbij
10
-ocr page 179-de geheele hypophysis en het geheele tuber cinereum werden wegge-
nomen. Hierbij ontstond geen polyurie. Echter zijn deze proeven
door den geweldigen ingreep, waarbij de uitkomsten steeds op slechts
24 uur of nog veel korter tijd na de operatie betrekking hebben, niet
zoo overtuigend.
Bij honden zonder hypophysis, waarbij door een steek in het tuber
cinereum polyurie ontstaat, kan men zich dus door wegvallen van
het inspringende hormon voor de zoutregulatie zeer goed het ont-
staan van een polyurie verklaren.
Maar ook een steek in het tuber cinereum bij intacte hypophysis
geeft polyurie. Dit zou men dus meer als een bewijs voor het bestaan
daar ter plaatse van een watercentrum kunnen beschouwen. Doch
ook dit is zeker voor een aantal gevallen zeer goed verklaarbaar uit-
sluitend uit een stoornis in de regulatie van het zout en zeker voor
alle gevallen van tijdelijke polyurie. Wij dienen hier nu eerst verder
op in te gaan.
Het systeem nucleus supraopticus-hypophysis van Greving
wordt tegenwoordig wel algemeen aangenomen. Greving zelf
wil dit stelsel (zooals vroeger reeds gemeld werd) als het regulatie-
mechanisme voor de waterhuishouding zien, zonder dat hij dit ech-
ter experimenteel bevestigd heeft. Zijn geheele zienswijze komt mij
voor slechts te berusten op de onjuiste opvatting over de functie van
de achterkwab, waarbij steeds de werking op de wateruitschelding
op den voorgrond geschoven Is. Blijkt nu echter dat dit op de diurese
werkende hormon In de achterkwab niet bestaat, dan vervalt ook
vanzelf de aanname dat het genoemde systeem de regulator voor de
waterhuishouding is. Daar komt echter een andere mogelijkheid voor
in de plaats, die we uit de hier beschreven experimenten zullen
trachten af te leiden.
Bij hond 16 werd bij een dubbelzijdige verwoesting van den nucleus
supraopticus een volkomen atrophie van de achterkwab gevonden.
Bij de beschrijving van het anatomisch onderzoek bij hond 16 (blz.
85) heb ik reeds opgemerkt, dat een kunstmatige laesie van de ach-
terkwab niet geheel uitgesloten kan worden en dat dus de atrophie
van de achterkwab hier, als misschien in verband staande met de
dubbelzijdige verwoesting van den nucleus supraopticus, moet wor-
den beschouwd. Bij hond 10 (blz. 123) vonden wij echter een zelfde
atrophie bij eenzijdige verwoesting van den nucleus supraopticus,
terwijl hier nu uit de praeparaten een laesie van de achterkwab
absoluut kan uitgesloten worden. Daarentegen is bij hond 9 (blz.
122), waarbij vrijwel geheel dezelfde kernverwoesting werd gevon-
den, geen atrophie van de achterkwab te vinden.
We kunnen nu echter ook deze gegevens nog verder uitbreiden
met de resultaten van andere onderzoekers. Bij C u r t i s vinden wij
een cyste achter het chiasma (de ligging ten opzichte van de kernen
is niet aangegeven), waarbij een atrophie van de achterkwab bestaat.
Bij de beschrijving van dit geval van C u r t i s (blz. 44) heb ik echter
al aangegeven, dat ik niet kan opmaken of het bindweefsel dat hij
vindt, wijst op een kunstmatig losmaken van de achterkwab, of dat
dit achter het infundibulum gelegen was. Verder publiceerden
Camus en Roussy (blz. 42) een curve van een permanente
polyurie met een laesie in het tuber cinereum achter het chiasma en
voor het infundibulum, waarbij is aangeteekend „hypophyse petite
et atrophiéequot;. En tenslotte valt nog te vermelden de patiënt van
Kiyono (blz. 28), waarbij een ontstekingsachtige verandering o.a.
van den nucleus supraopticus werd gevonden, met daarnaast een
atrophie van de achterkwab van niet ontstekingsachtigen aard.
Hierbij merkte hij op, dat deze atrophie waarschijnlijk secundair
veroorzaakt is door de afwijking in de kern.
Ieder van deze aangehaalde gevallen, zoowel uit mijn onderzoek
als uit de literatuur, wijzen op de belangrijkheid van den samenhang
van nucleus supraopticus en achterkwab en zijn een volkomen be-
vestiging van de anatomische gegevens omtrent den tractus supra-
opticus-hypophysis. Een verwoesting van de cellen van den nucleus
supraopticus heeft dus vaak via den genoemden tractus een atrophie
van de achterkwab ten gevolge. Ook bestaat de mogelijkheid, dat de
nucleus paraventricularis hierbij een rol speelt; immers deze vertoont
bij al mijn honden met geatrophieerde achterkwab of bij de honden
zonder achterkwab afwijkingen in uitgebreidheid, soms enkelzijdig
soms dubbelzijdig, en juist bij hond 9, waarbij geen atrophie te vin-
den was, vertoont deze kern geen bijzonderheden.
Gaan we nu verder dit systeem beschouwen in verband met de
functie van de achterkwab als plaats van het ontstaan van het zout-
hormon, dan volgt de vraag of de nucleus supraopticus en de ach-
terkwab soms samen het regulatie-mechanisme van de zouthuishou-
ding zijn. Een dergelijke gedachtengang dus als Gr e ving had,
behalve dat uit dit onderzoek enkele gegevens geput kunnen worden,
die hier voor pleiten.
In dit verband wil ik die gevallen van polyurie noemen, waarbij
een duidelijk negatieve zoutbalans te vinden was. Eenmaal kwam dit
voor bij de tweede tijdelijke polyurie van hond 31, waarbij was
getracht een steek in den hypophysis aan te brengen (blz. 87). Is het
mogelijk dat hier door prikkeling van de achterkwab meer zout-
hormon wordt uitgestort, waardoor een sterke zoutuitscheiding volg-
de en secundair nu de polyurie is ontstaan? En een tweede maal zien
we dit verschijnsel van de negatieve NaCl-balans ontstaan bij hond
34 (blz. 126), waarbij o.a. aan ééne zijde een bloeding quot;en verwoes-
ting om den nucleus supraopticus te vinden is. Hebben wij hier mis-
schien hetzelfde feit nl. prikkeling van het mechanisme voor de
bereiding van het zouthormon, met daarop gevolgde uitstorting van
zout en daardoor polyurie?
Op deze wijze zou men zich een voorstelling kunnen maken van
het ontstaan van die polyurieën, waarbij we naast de polyurie tevens
een sterke uitscheiding van zout zien ontstaan. Dit soort polyurie
zou dus een zuivere zout-polyurie door prikkeling van het mecha-
nisme van de vorming van zouthormon (n. supraopticus en hypo-
physis) kunnen zijn.
Een bezwaar hiertegen zou men kunnen zien in het feit, dat deze
sterke uitscheiding van NaCI niet o.a. bij hond 16, hond 9 en hond
10 te vinden was, waar toch ook een afwijking in dit mechanisme
bestond. Echter zal waarschijnlijk, en wel veel vaker, door de aan-
gebrachte verwonding inplaats van prikkeling, vermindering van de
werking ontstaan. In dat geval, zij het dat de slechte uitscheiding
van zout ontstaan is door uitval van de achterkwab, zij het dat die
ontstaan is door een steek in de buurt van den nucleus supraopticus,
is de vermeerderde uitscheiding van de urine slechts een middel om
de zoutuitscheiding op peil te houden.
Uit dit betoog volgt dus, dat men alle gevallen van polyurie,
waarbij een afwijking bestaat in het systeem nucleus supraopticus-
hypophysis zou kunnen verklaren uit stoornissen in de zouthuishou-
ding, evenals we dat reeds gezien hebben voor die polyurieën, die
na een hypophysectomie kunnen opgewekt worden.
Voor deze opvatting aangaande de oorzaak van polyurieën is nog
meer aan te voeren, hetgeen we nu eerst zullen doen, om daarna de
bezwaren, die hiertegen aangevoerd kunnen worden onder oogen te
zien. Bij het in dit onderzoek beschreven materiaal ziet men het
toch wel opvallende feit, dat bij alle drie honden met permanente
polyurie op de een of andere wijze een afwijking van de achterkwab
is ontstaan. Bij hond i6 vinden wij een geatrophieerde achterkwab,
bij hond 31 een verwonding in het voorste gedeelte van de achter-
kwab en bij hónd 44 een operatief verwijderde achterkwab. En
tevens valt op, dat bij den hond met permanente polyurie van
Curtis een geatrophieerde achterkwab bestond; dat bij den hond
met permanente polyurie van Warner de hypophysis was weg-
genomen; dat de permanente polyurie, waarvan Cam us en
Roussy een curve publiceeren, een atrophische achterkwab had;
en dat hond 10 van Bailey en Bremer, dat is de hond die
zij iets nauwkeuriger hebben onderzocht, een losliggende maar nor-
male achterkwab had met intacte bloedvoorziening, terwijl alleen
bij hun tweeden hond met permanente polyurie (gedurende
maand), wordt gezegd, dat de hypophysis intact was. Alleen bij
enkele gevallen van Camus en Roussy zijn eenige afbeeldin-
gen van coupes van het tuber cinereum te vinden, waarbij kort is
aangeteekend, dat er permanente polyurie bestond, en dat de hypo-
physis intact was.
Een onloochenbaar feit is dus dat, voor een groot gedeelte onop-
zettelijk, bij de experimenteele permanente polyurieën zeer vaak een
afwijking van de achterkwab bestaat, en dat dit alleen niet zoo is,
bij eenige gevallen van Camus en Roussy en bij één geval
van Baily en Bremer, waarvan echter zoo weinig is vermeld,
dat er niet al te veel waarde aan kan worden gehecht; maar toch
wordt op deze gevallen later nog terug gekomen.
Met de menschelijke permanente polyurie is het eigenlijk al even-
zoo gesteld. Zeer vaak wordt een afwijking van de achterkwab ge-
vonden (zie b.v. M a r a n O n met 32 gevallen van diabetes insipi-
dus, waarbij steeds een afwijking van de achterkwab bestaat), maar
even vaak vindt men aanhangers van de opvatting, dat diabetes insi-
pidus bij geheel intacte achterkwab kan voorkomen. In deze gevallen
kan echter nog zeer goed een afwijking bestaan hebben in een ander
gedeelte van het systeem nucleus supraopticus-hypophysis. Vast staat
dus, dat bij zeer vele gevallen, zoowel van experimenteele permanente
polyurie, als van diabetes insipidus, een afwijking in het reguleerend
systeem der zouthuishouding te vinden is.
Wat verder de experimenteele polyurieën (slechts tijdelijke) betreft,
die opgewekt werden geheel buiten het systeem van nucleus supra-
opticus en hypophysis en veel meer naar achteren in het tuber cine-
reum (zie b.v. bij Bailey en Bremer), deze kan men over
het algemeen toch minder belang toekennen, daar prikkeling, van uit
het verwonde gebied op het zoutreguleerende systeem, steeds zeer
moeilijk uit te sluiten zal zijn. Of er menschelijke permanente poly-
urieën bestaan, waarbij zoowel de achterkwab, als het in het tuber
cinereum gelegen deel van het genoemde systeem, intact was, is mij
niet bekend, en die mogelijkheid moet ik dus open laten.
Uit deze lange opsomming blijkt echter duidelijk, dat in een zeer
groot aantal gevallen het systeem van nucleus supraopticus en ach-
terkwab, dus het systeem van de zoutregulatie, met de polyurie in
verband kan worden gebracht. Ons uitgangspunt, de vraag of dus
de polyurie geheel veroorzaakt wordt door afwijkingen in de zout-
regulatie, schijnt dus voor een zeer belangrijk gedeelte der polyurieën
bevestigend te kunnen worden beantwoord.
Echter kunnen er ook bezwaren tegen deze opvatting worden
aangevoerd, en wel in de eerste plaats de reeds genoemde gevallen
van C a m u s en R o u s s y, die permanente polyurieën zagen bij
intacte hypophysis en een verwonding van het tuber cinereum op
een plaats iets achter het genoemde systeem gelegen. Daarnaast kan
men het misschien moeilijk te gelooven vinden, dat een stoornis in
het reguleerend mechanisme voor de zouthuishouding een vóórtdu-
rende polyurie zou veroorzaken, zelfs wanneer het tuber cinereum
in het gedeelte, dat de achterkwab-functie kan overnemen, even-
eens aangedaan is. Doch ondenkbaar is het natuurlijk niet, dat bij
een blijvend tekort aan zouthormon, ook blijvend de uitscheiding
van zout slechts door vermeerderde doorstrooming van water zal
kunnen plaats hebben. Maar als wij bv. bij hond 44 zonder hypo-
physis en met een verwonding van het tuber cinereum en infundi-
bulum toch al weer herstel zien intreden, dan kan men natuurlijk
ook veronderstellen dat volledige genezing zou kunnen volgen.
Een ander bezwaar zou het volgende kunnen zijn. Bij uitval van
het zouthormon door hypophysectomie zagen sommige onderzoekers
oedeem ontstaan, doordat het zout tevens water vasthoudt. Hoewel
we nu bij hond 44, waarbij de hypophysis ontbreekt en een verwon-
ding in het tuber cinereum bestaat, eveneens retentie van water naast
de retentie van het zout zien optreden, vinden we toch polyurie.
Men kan het nu als een bezwaar voelen dat polyurie naast retentie
van water optreedt als gevolg van één en dezelfde oorzaak.
Ook mag men, bij deze verklaring van de polyurie, invloed ver-
wachten van de voedselopname op het verloop, d.w.z., dat door
minder opname van zout de polyurie minder hevig zou zijn of
langzamer zou ontstaan. Dit vindt men ook inderdaad bij toedie-
ning van zoutarm voedsel en ook ziet men b.v. bij hond 45 (blz. 127)
bij slechte voedselopname een vertraagde tijdelijke polyurie ontstaan,
die pas duidelijk wordt zoodra de voedselopname normaal wordt.
Echter is dit ook niet steeds zoo duidelijk het geval. Zoo vonden we
dat bij hond 30 (niet afzonderlyk beschreven), die gedurende y dagen
na de operatie geen eten, doch wel melk ontving, direct na de ope-
ratie de tijdelijke polyurie optrad. Hier blijft echter weer de moge-
lijkheid bestaan, dat die polyurie bij voedselopname veel sterker
geweest zou zijn.
Door deze bezwaren komt vanzelf de mogelijkheid van het bestaan
van een watercentrum in het tuber cinereum op den voorgrond. De
verklaring van de polyurieën wordt hierdoor eenvoudiger. Immers,
bijna alle honden met tijdelijke, zoowel als met permanente polyurie
in het onderzoek vermeld, en ook bij de door anderen beschreven
polyurieën, vindt men een verwonding in het tuber cinereum (uitge-
zonderd eenige polyurieën na hypophysectomie, waarbij men niet
steeds een verwonding van het tuber cinereum heeft kunnen vast-
stellen). In dit onderzoek heeft b.v. hond 41, zonder hypophysis een
polyurie gedurende twee dagen, hond 44, zonder hypophysis en met
een verwonding van het tuber cinereum een polyurie, die twee maan-
den voortduurt.
Zoo zou men dus in het tuber cinereum een watercentrum, en het
systeem van nucleus supraopticus en hypophysis als reguleerend
mechanisme van de zouthuishouding aannemend, alle verschijnselen
kunnen verklaren. Het groote bezwaar tegen het watercentrum is
echter, dat men niet één aanwijzing heeft, op welke wijze het zijn
invloed in het lichaam doet gelden. Immers, allerlei onderzoekingen,
met behulp van hooge doorsnijdingen van het ruggemerg, of van de
vagus, of van de zenuwen van de nier, hebben steeds weer tot resul-
taat gegeven, dat geen invloed daarvan op de hoeveelheid urine be-
stond (zie o.a. blz. 27). Geen invloed, als al een polyurie aanwezig
was, evenmin invloed, als men daarna de polyurie opwekte. Dit
onbegrepen centrum in het tuber cinereum wordt dan tevens nog wel
eens gelocaliseerd in den nucleus tuberis, een kern, die zooals
Grünthal aangeeft, waarschijnlijk niet bij alle dieren voorkomt.
Ook dit is merkwaardig voor een centrum van zoo elementaire
functie. Mocht een watercentrum dus al bestaan, dan zal het niet
gebonden aan, maar wel in de buurt van de plaats waar de nucleus
tuberis gelegen is, kunnen zijn. Zooals echter reeds gezegd werd, is
het eigenlijk zeer moeilijk een watercentrum te blijven aannemen
(zie ook Sato), tenminste indien men dat een functie voor de
waterhuishouding in weefsels en nieren zou willen toekennen. Alleen
de mogelijkheid, dat dit watercentrum eigenlijk een dorstcentrum is,
blijft open. Is dit het geval, dan behoeven de experimenten met door-
snijding van het ruggemerg, enz., geen invloed op de polyurie te
hebben.
Het is omdat deze bezwaren tegen het aannemen van een water-
centrum bestaan, dat ik trachtte aan te toonen dat een groot gedeelte
van verschillende soorten polyurieën uit afwijkingen in het zout-
mechanisme ontstaan kunnen zijn. Daar hierbij echter ook eenige
moeilijkheden denkbaar zijn, moet men die dus vooreerst naast zich
neerleggen of anders het in het tuber cinereum zwevende watercen-
trum (of dorstcentrum) aanvaarden. Er schijnen dus twee soorten
van polyurie te bestaan, n.1. met en zonder negatieve NaCl-balans.
De eerste kunnen waarschijnlijk als secundaire polyurieën door ver-
hoogde zoutuitscheiding worden opgevat; de tweede soort moet ont-
staan zijn ter compensatie van een vertraagde uitscheiding van zout, of
door een steek in een hypothetisch watercentrum.
Een ander gebied, dat nu onze belangstelling vraagt, is dat van de
verschillende vormen van menschelijke polyurie en van de verschil-
lende verschijnselen daarbij waargenomen, zooals men die in hoofd-
stuk I beschreven kan vinden. In die beschrijving bleek reeds, dat er
een groote onduidelijkheid bestaat in de indeeling en in de opvattin-
gen over de afwijkingen. Valt hier nu aan de hand van het voor-
gaande iets te verduidelijken?
Wat de primaire polydipsie, wel de minst begrijpelijke vorm van
menschelijke polyurie, betreft, het volgende. Hond i6 vertoonde
bijna alle verschijnselen van dezen vorm, waarbij ik naar hoofdstuk
VI verwijs, waar alle argumenten, die voor en tegen deze opvatting
kunnen pleiten, zijh aangevoerd. Bij dezen hond ontbrak het anato-
mische systeem van Greving volledig. De hond met permanente
polyurie van C u r t i s, die uitgebreid werd onderzocht, bleek zeer
veel overeenkomst in de verschillende symptomen met hond i6 tc
bezitten (blz. 44). C u r t i s kwam hierbij tot de conclusie, dat het
de symptomen van primaire polydipsie waren. Ook bij dezen hond
bestonden afwijkingen van het tuber cinereum en een atrophie van
de achterkwab. Bailey en Bremer komen aan de hand van
een minder volledig onderzoek tot de conclusie, dat de verschijnselen
gelijken op die van den menschelijken diabetes insipidus (blz. 43).
Reeds is in hoofdstuk III er op gewezen, dat de door hen gevonden
verschijnselen echter juist die van de primaire polydipsie zijn. Hier
wordt alleen nog gewezen op het feit, dat Bailey cn Bremer
niet uitdrukkelijk vermelden, dat het geen primaire polydipsie is.
Dezen vorm noemen zij in hun onderzoek in het geheel niet, waar-
schijnlijk niet verwachtende, dat men na het aanbrengen van een
steek in het tuber cinereum bij een hond een afwijking van de psyche
zou kunnen verkrijgen. Meerdere onderzoekingen over de dieren met
experimenteele permanente polyurie zijn niet verricht. Hond 31 en 44
uit dit onderzoek, blijven nu nog even buiten bespreking.
Het is toch merkwaardig, dat wij nu zien dat bij de drie honden
door andere onderzoekers beschreven, en bij één hond van dit onder-
zoek, waarbij dus permanente polyurie was ontstaan na een steek in
het tuber cinereum, de verschijnselen zeer vaak doen denken aan
primaire polydipsie. Al is deze vorm moeilijk af te grenzen, speciaal
tegenover den hypochloraemischen diabetes insipidus, dit blijft toch
voor de gevallen van de kliniek en voor de experimenteele gevallen
even bezwaarlijk. We zeggen daarom dus ook slechts, dat gedacht
wordt aan primaire polydipsie. Om het vreemde verschijnsel van
het optreden van primaire polydipsie bij het aanbrengen van ver-
wondingen in het tuber cinereum nog te verergeren, wijs ik ook nog
eens op het sectieverslag van de primaire polydipsie door E11 e r n
gepubliceerd (blz. 5), waarbij anatomische hersenafwijkingen heel
duidelijk te vinden waren.
Er schijnt in dit alles dus wel een aanwijzing te zijn, dat men de
uiterste voorzichtigheid dient te betrachten met de benaming van of
de opvatting over primaire polydipsie. Ten eerste dus, omdat men in
het experiment toestanden kan opwekken, die er zeer veel overeen-
komst mede hebben en waarbij men toch ook niet steeds de psyche
van den hond hier voor aansprakelijk kan stellen. En ten tweede,
omdat in de klinische gegevens een duidelijke differentiaal-diagnose
eigenlijk ontbreekt. Hiermede wil ik niet beweren, dat er geen hyste-
rische polydipsie kan bestaan, of dat er van gewenning geen sprake
kan zijn, maar slechts wijzen op de gevallen van ongeneeselijke pri-
maire polydipsie, die eigenlijk zonder grond onder dezen vorm van
polyurie worden gerangschikt. En de opvatting over primaire poly-
dipsie zou nog onjuister worden, indien we den diabetes insipidus
als een zoutstofwisselingsstoornis zien, waarvan de oorzaak zou kun-
nen zijn, naast een trauma, even zoovele invloeden, die onze kennis
nu nog ontgaan (denk ook aan de idiopathische diabetes insipidus),
maar daarom niet van psychischen aard behoeven te zijn. Dat gene-
zing van de polyurie voorkomt, al of niet in verband met suggestieve
therapie, kan toch ook niet uitsluitend pleiten voor den psychischen
aard van deze polyurie. Het kan toch evengoed zijn, dat bij lichte
aandoeningen het tuber cinereum langzamerhand volledig inspringt,
cn de afwijking geheel verdwijnt. Primaire polydipsie is dus waar-
schijnlijk beter op te vatten als diabetes insipidus van geringen graad,
waarbij herstel gemakkelijker mogelijk is. Zij zou dan evenals de
diabetes insipidus veroorzaakt zijn door een trauma of door andere
invloeden op het reguleerend mechanisme van de zouthuishouding.
Nog geringere aandoeningen zou men dan moeten zien in de gevallen
van geïsoleerde zoutstofwisselings-stoornissen, zooals door J u n g-
m a n n werden beschreven, waarbij niet een compensatie door mid-
del van polyurie behoeft op te treden. Naast den diabetes insipidus
blijft dan slechts een veel kleinere groep van polydlpsleën door ge-
wenning en van hysterische polydipsieën bestaan.
Nu dienen wij tenslotte nog den hyperchloraemischen cn den
hypochloraemischen diabetes insipidus te bespreken. Uit de beschre-
ven proeven is gebleken, dat zoowel een hyperchloraemie (bij hond
44 met permanente polyurie, blz. 107) als een hypochloraemie (bij
hond 45 met tijdelijke polyurie, blz. 128) door een verwonding m
het gebied van tuber cinereum en hypophysis kon worden opgewek^^
Tevens zagen we bij hond 31 (blz. 100) en later ook gedeeltelijk bij
hond 44 (blz 118) symptomen, die geleken op den hypochloraemi-
schen diabetes insipidus. Het bleek echter dat èn dc hypochloraemie
èn de hyperchloraemie met dc symptomen, die daar verder bij voor-
kwamen, slechts van korten duur waren, cn dat de verandering m
het bloed eigenlijk niet langer dan een weck na de operatic te consta-
teeren was. Het is nu tc betreuren, dat het zoutgehalte van het bloed
van hond 31 kort na dc operatie hier niet mede kan worden bespro-
ken. Hoe zullen wc echter aan dc hand van de nu beschikbare ge-
gevens cn voortwcrkcndc op hetgeen tot nu betoogd is, deze vormen
van diabetes insipidus kunnen verklaren?
Zooals misschien cenigermate uit de beschrijving der proeven ge-
bleken is, heb ik eerst gedacht, dat een hyperchloraemie misschien
behoorde bij het ontbreken van dc achtcrkwab cn dus m het algemeen
door een hypo-functic zou veroorzaakt zijn. Dc hypochloraemie zou
dan misschien berusten op een hypcr-functic van dc achtcrkwab.
Hoewel misschien wel dc mogelijkheid, dat dc achtcrkwab een blij-
vende hypcrfunctic zou verkrijgen, bestaanbaar zou zijn, is er een
grooter bezwaar hiertegen b.v. gelegen in het feit, dat wc noch bij
hond 45 met dc hypochloraemie (blz. 128). noch bij hond 31 met een
op hypochloracmischcn diabetes insipidus gelijkende po yuric (blz.
102) zoutarme weefsels konden vinden. Het zoutgehalte van dc
weefsels was bij alle honden steeds aan de zeer hooge zijdc, terwijl
men toch bij een hypcr-functic van dc zoutklier juist zoutarme wcet-
scls zou mogen verwachten.nbsp;. . ,
Een betere verklaring van dc hypo- cn hyperchloraemie is cchtcr
mogelijk, waardoor ook vclc van dc verschijnselen die bij die vormen
optreden, begrijpelijk worden. Een bewijs tc leveren voor deze theorie
is uit dit onderzoek niet mogelijk; toch wil ik deze beschouwing met
achterwege laten, omdat zij aansluit aan het voorafgaande en nog
een zoo belangrijk deel van het diabetes insipidus-vraagstuk betreft.
We hebben reeds gezien, dat het hormon van de achterkwab zoo-
wel een renaal als een extra-renaal aangrijpingspunt moet hebben. We
kunnen nu veronderstellen, dat de hypochloraemische en de hyper-
chloraemische verschijnselen veroorzaakt zijn, doordat zeer kleine
hoeveelheden achterkwab-extract op één van de beide aangrijpings-
punten eerder werken dan op het andere. Bijvoorbeeld, dat bij vol-
ledigen uitval van het zouthormon, zoowel de weefsels hun zout niet
kunnen afvoeren naar het bloed, als de nieren het zout niet in de
urine kunnen brengen, waardoor zoutrijke weefsels en hyperchlorae-
mie zouden ontstaan. Is slechts een zeer geringe hoeveelheid zout-
hormon aanwezig, dan wordt in de eerste plaats de zoutuitscheiding
in de nier hersteld, waardoor bij zoutrijke weefsels een normo- of
hypochloraemie zal ontstaan.
Op deze wijze zou dus hypo- of normochloraemische diabetes
insipidus een geringere afwijking zijn dan de hyperchloraemische
diabetes insipidus, terwijl de primaire polydipsie als de minst ernstige
vorm beschouwd zou worden.
Van deze veronderstelling uitgaande, kan men nu verschillende
van de symptomen van de beide vormen van diabetes insipidus (zie
tabel 3, blz. i6) verklaren. Ik wil hier niet voor elk van die symp-
tomen dit trachten te doen. We hebben immers in het eerste hoofd-
stuk uitvoerig besproken, dat deze indeeling van de symptomen lang
niet altijd opgaat en vrij willekeurig is aangebracht. Echter zij cr
hier op gewezen, dat volgens tabel 3 de hypochloraemische diabetes
insipidus ook werkelijk verschillende symptomen in veel minder crn-
stigen graad vertoont, dan de hyperchloraemische. Doch ook dien
ik er op te wijzen, dat deze opvatting geen verklaring kan geven
waarom pituitrine slechts zwak bij den hypochloraemischen diabetes
insipidus werkt. Weliswaar heeft Falta medegedeeld, dat men
de oorzaak hiervan slechts zou moeten zoeken in een onjuiste doscc-
ring of in slechte praeparaten, maar ook in dit eigen onderzoek
blijkt, bij gebruik van hetzelfde achtcrkwab-extract cn bij gelijke
hoeveelheden, bij hond 31 een minder goede werking verkregen te
worden dan bij hond 44. Indien hond 31 zoutarme weefsels had, zou
dit verklaarbaar zijn, doch wij hebben gezien, dat ook bij dit dier
de weefsels juist rijk aan NaCl waren. Dit 7e punt van het schema
van Veil blijft dus onverklaarbaar.
Hoewel dus nog symptomen onverklaarbaar zijn, hoop ik toch
in dit hoofdstuk te hebben aangetoond, dat de ontelbare hoeveel-
heid symptomen en experimenten den diabetes insipidus en de water-
en zouthuishouding betreffende, niet een zoo verwarrend geheel
behoeven te vormen, indien men het op de wateruitscheiding wer-
kende hormon volkomen laat vallen en de achterkwab zijn functie
voor de zouthuishouding wil toekennen. En als uitvloeisel daarvan
geloof ik dat er alle reden bestaat, om, zooals hier gepoogd is, de op-
lossing van de vraagstukken over den diabetes insipidus te zoeken
door deze afwijking slechts als een stoornis in de zouthuishouding
tc beschouwen.
Samenvatting.
Bij honden werden verschillende verwondingen aangebracht in het
gebied van tuber cinereum en hypophysis. Als gevolg daarvan wer-
den naast vele tijdelijke polyurieën drie permanente polyurieën
(maanden lang) geconstateerd.
Bij deze polyurieën werden de verschillende symptomen, die bij
den menschelijken diabetes insipidus kunnen voorkomen, voor kor-
teren of längeren tijd waargenomen. Toevallig vertoonde elk van
deze drie experimenteele permanente polyurieën längeren of korteren
tijd belangrijke overeenkomsten met resp. de drie bestaande vormen
van menschelijke permanente polyurie, nl.: primaire polydipsie,
hypochloraemischen diabetes insipidus en hyperchloraemischen dia-
betes insipidus.
Er wordt op gewezen, dat de symptomen van de experimenteele
permanente polyurie vaak doen denken aan die van primaire poly-
dipsie, terwijl eigenlijk geen duidelijke differentiaal-diagnose tusschen
deze vorm en de echte diabetes insipidus bestaat. Het vermoeden
wordt uitgesproken, dat een groot gedeelte van de gevallen van
primaire polydipsie niet anders is dan echte diabetes insipidus van
lichteren graad. Er zou slechts een kleine groep van polydipsieen
overblijven die op gewenning of op hysterie berusten.
Aan de hand van de uitkomsten van sommige proeven wordt er
op gewezen, dat het onjuist is tc blijven spreken van een op de
wateruitscheiding werkend hormon uit de achterkwab. Het hormon
uit de achterkwab zou uitsluitend een werking op het zout moeten
worden toegekend, met zoowel een cxtra-renaal als een renaal aan-
grijpingspunt.
De mogelijkheid wordt aangetoond, dat het systeem van nucleus
supraopticus en achterkwab het reguleerend mechanisme voor de
zoutstofwisseling van het lichaam is. Alle veranderingen door hor-
mon van de achterkwab in de wateruitscheiding veroorzaakt, zou-
den slechts een gevolg zijn van de bewegingen van het zout.
Aan de hand van eenige uitkomsten van dit onderzoek en van
-ocr page 192-gevallen uit de literatuur wordt er op gewezen, dat waarschijnlijk
atrophie van de achterkwab kan voorkomen als gevolg van een ver-
woesting van den nucleus supraopticus.
Tenslotte is ook een poging gedaan den diabetes insipidus slechts
als een zoutstofwisselingsziekte op te vatten. Bij dit laatste kunnen
echter ook eenige bezwaren worden aangevoerd, die echter evenmm
aanleiding geven weer een watercentrum in het tuber cinereum aan
te nemen. Slechts de mogelijkheid van een dorstcentrum daar ter
plaatse kan eventueel open blijven.
iRite' tf-»^Jte^.-- V
......
ir
.f.l
Homd. lé It ölt;. t.'^o - lt;j oa'i/. 11 K.Ç.
////////
//////nbsp;, , , , , , , , , , , i V, gt; \ % 'A 'a / k K ^ ' if ' o 'A h i 'J,'A V, o i/i o jj
^OO-avqU,nbsp;-J- XI
O- -y V -V s gt;; N
»N ^ V ^ 'n ^
tcUlMp.
1.nbsp;Het IS van belang na te gaan of hypophysis-achterkwab-extract
bij verschillende soorten van oedeem soms een gunstige werking
heeft.
2.nbsp;Bestaat het vermoeden van een hypophysaire aandoening, dan
diene men o.a. door bloedonderzoek en verdunningsproef een on-
derzoek in te stellen naar eventueele afwijkingen in de zout-
huishouding.
3.nbsp;De uitkomsten van de onderzoekingen van Kapfhammer
en Bischoff over het voorkomen van acetylcholine in het
normale bloed moeten op een foutieve waarneming berusten.
H. S. Zcitschr. f. Phys. Chem. Bd. 191, pg. 179-
4-nbsp;Koolzuur-inhalatie dient bij pneumonie meer in toepassing te
worden gebracht.
Henderson, Arch, of Intern, medic. Vol. 45, pg. 72.
5-nbsp;De prognose van de operatieve behandeling, volgens Weber-
Ram s t e d t, van de pylorusspasmus bij zuigelingen wordt naast
andere factoren hoofdzakelijk bepaald door het juist kiezen van
het moment van den ingreep.
6. Het is wenschelijk, dat in de bouwverordening het bouwen van
mecr-gezinshuizcn zooveel mogelijk beperkt wordt.
7- Desinfectie van een geïnfecteerde wond kan gunstig resultaat
afwerpen.
8. Adipositas bij carcinoom mag niet als aanwijzing voor het bestaan
van metastase in het gebied van hypophysis cn tuber cinereum
worden opgevat.
;nbsp;■ ■■ •• , • - -.-r' . -.quot;.r •. v^-
;nbsp;4 • I
-Mquot; ' y
r, . i',. • ■ .
.V . . ' ■
• ,. t- '
'^vinbsp;- ;. .
I. ■
m
quot;gt; :
i. -v ' , ■ ;
■ *r ' quot; *
m
i,
■ •
? ■ i' «l'quot; • \
-
» lt;.• »
t
••s
(.
-ocr page 200- -ocr page 201-y m
. • • ' V. r,.
'..' i
^ ^ . Vquot;
■t- ■ .V V ^
•.. »v, ■ -7, . ..
- -nbsp;L . • « .
■ : '
- i '- ^ V
' ;
|
-m | |
.....^^^M^ià?quot;^ ■
.nbsp;^ ■ V,
■y.
-.■'Hquot; ^
. * .
-
■ - , '
l'W:quot;quot;
gt; -
-ocr page 203-