.
,/^/M TJV
HAET AAN HART
MET JESUS,
d3 godvruohtige ziel in vsr-troiawslljken omgang mst God,
DOOR
HUBERT LEBON,
li. A*. Priester.
f
KJ-
l |
fr
jé
I
's-Hevtogenbosch, Lijtkik amp; Ckanenburo, 1889.
tsbisdom ul Ktr.CHT gnummar Bibliotheslc
IMPKIMA.TÃE.
Datum iu Seniiuario liusc. iu Ilaaren, hac 9 Dccembris 1853.
J. CUYTEN,
Praes. Sent, el Libr. Censor.
EIGENDOM.
YOOKBERICHT.
De godvruchtige personen, die dit boekje lezen, zullen daarin niets vinden, dan hetgeen zij reeds weten. Immers, hebben zij ook niet dikwerf hart aan hart met hunnen welbeminden Jesus gesproken? Hebben zij Hem over hunne zwakheid niet geklaagd ? Hebben zij Hem niet gezegd, dat zucht naar vuriger liefde hunnen boezem ontgloeide? Hebben zij Hem niet duizendmaal beloofd, dat zij niets dan Hem en Hem alleen zouden beminnen ? O Ja! zij hebben ooquot; beseft, dat de naam van Jesus eer bergplaats van geheimen is, van lige geheimen, die wel begrepen r niet verklaard kunnen worden.,..
Doch, leest niettemin, getrouw
den van Jesus, dit kleine b-
*'
VI VOORBERICHT.
wat het behelst, is in tleze woorden besloten: Jesus alleen, Jesus vooral. Jesus bovenal, mijn God en mijn al. Steeds zult gij met vreugde datzelfde herzeggen, wat de schrijver op iedere bladzijde herhaalt. Ja, duizendmaal Jesus alleen!... Daarin ligt de geheele volmaaktheid van den christen in het ballingsoord ; daarin bestaat zgn gart-sch geluk in dit tranendal; en zullen wij. zelfs iu het midden der engelen en gedurende de eeuwigheid, niet dikwijls dezen liefelijken lofzang der uit-verkoornen herhalen : Jesus alleen !... mijn God en mijn al ?...
JgSRSTE pEEL.
inTXOODIGING TOT RUST IN IIET HART VAN JESUS.
Waar uw schat is, daar uw hart. Mattii. VI. 21.
*
Waarom vindt men zoo weinig men-schen, die zich toeleggen om in het Hart van Jesus te dringen? Alleen, omdat de ingang tot dat hart een wonde is, en men er niet kan intreden, zonder lijden. Kom evenwel.. kom ik zal u het geheim dezer zoete schuilplaats leeren : bemint gij de rust, zij is het bed der bruid. Wenscht gij uwe verlangens te uiten en uwe goede werken te toonen, zij is het nestje der duif. Bemint gij de ingetogenheid, zij is de rustplaats der eenzame musch. Bemint pij tranen en zuchten, de tortelduif laat hare treurtonen hooren. Wordt gij door honger gekweld, gij zult daarin het hemelsch brood vinden, dat inde woes-
1.
10
tijn nederdaalt. Wordt gij door dorst bevangen, daarin zult gij eens brou van levend water ontmoeten, die uit het paradijs vloeit en de harten aller
geloovigen ruimschoots overstroomt......
Kom! vrees niets; de Zaligmaker noo-digt u uit om, oven als de heilige Joannes, op zijn hart te rusten; Hij toont u, even als aan den heiligen Thomas, zijne geopende zijde; Hij zelf zal u aan die kostbare fontein uwen dorst doen lesschen....
Zalig is de ziel, die, in het midden der aardsche gedachten, altoos mag zeggen : Ik verkeer in den hemel...
Jesus wenkt; zijn minnelijk wezen
Lokt ons allen uit de smart!
quot;Wil als 't duifje nimmer vreezen;
Kust als 't duifje in 't godlijk hart....
I.
Met ü alleen, o mijn God.
Wie er op uit is, om tot liet inwendig en geestelijke te komen, die moet met Christus de meuigte ontwijken. Navolg. 1, 20.
Hoe veel heils belatten de eenzame overwegingen eens menschen, die waarlijk christen is! Wie zal de geheimen, de zoete uitstortingen zijner vertrouwelijkheid met God verklaren ? Wie zal het geluk schetsen, hetwelk in die onuitsprekelijke alleenhandeling tusschen hem en zijn welbeminde gelegen is? Wie kan begrijpen, wat er in zijn hart omgaat, welke verzuchtingen zijne ziel ten hemel opzendt?
Eerbiedig zijne eenzaamheid, onderbreek zijnen vrede of zijne stilte niet. O, nader hem toch niet met wereld-sche gedachten of woorden, want hij is in een lieldcgesprek met den Zalig-
10
tijn nederdaalt. Wordt gij door dorst bevangen, daarin zult gij eene bron van levend water ontmoeten, die uit het paradijs vloeit en de harten aller
geloovigen ruimschoots overstroomt......
Kom! vrees niets; de Zaligmaker noo-digt u uit om, oven als de heilige Joannes, op zijn hart te rusten; Hij toont u, even als aan den heiligen Thomas, zijne geopende zijde; Hij zelf zal u aan die kostbare fontein uwen dorst doen lesschen....
Zalig is de ziel, die, in het midden der aardsche gedachten, altoos mag zeggen : Ik verkeer in den hemel...
Jesus wenkt; zijn minnelijk wezen
Lokt ons allen uit de smart!
quot;Wil als 't duifje nimmer vreezen;
Rust als 't duifje in 't godlijk hart....
I.
Met U alleen, o miju God.
Wie er op uit is, om tot liet inwendig en geestelijke te komen, die moet met Christus de menigte ontwijken. Navolg. 1, 20.
Hoe veel heils bevatten de eenzame overwegingen eens menschen, die waarlijk christen is! Wie zal de geheimen, de zoete uitstortingen zijner vertrouwelijkheid met God verklaren? Wie zal het geluk schetsen, hetwelk in dis on-uitsprekeliike alleenhandeling tusschen hem en zijn welbeminde gelegen is? Wie kan begrepen, wat er in zijn hart omgaat, welke verzuchtingen zijne ziel ten hemel opzendt?
Eerbiedig zijne eenzaamheid, onderbreek zijnen vrede of zijne stilte niet. O, nader hem toch niet met wereld-sche gedachten of woorden, want hrj is in een lietdegesprek met den Zalig-
maker zijns harten, met Jesus, zijnen eenigen vrienden, zijnen troost, zijnen Vader. Aan de voeten van Jesus stort hij zijne ziel uit, in hem vergeet hij zijn eigen bestaan. O, hoe vraagt hij in bewondering verzonken, zich zeiven dan af: welke zijn toch die onmeetbare goederen, die geluksverrukking en grenzenlooze vertroosting verschaften ? Hoe klaagt hij daarna over de beperkte uitgestrektheid zijns harten! hoe bitter betreurt hij zijne behoefte en zwakheid! hoe dankbaar is hij, hoe vol vertrouwen, hoe beëedigt hij zijne liefde!.......
O mijn God roept hij uit, wees steeds mijn eenig goed, wees steeds het eenig verlangen mijner ziel. Ja, al wat gij begeert, mijn God, als ik mij maar nooit van uwe liefde scheide. Gaarne zal ik om u opofferingen, vernederingen en kruisen omhelzen. Lijden, indien u zulks behaagt o, dat zal een geluk voor mij zijn. Doch, spreid, o mijn God, spreid toch altijd uwe liefdevleugelen over de oogonblikken mijns kranken levens uit.
Verleen aan uw gebrekkig schepsel den steun, dien het van uwe genade verwacht, Versterk, verlicht, verzeker mrjn behoeftig hart, en voed aanhoudend in hetzelve de vurigheid van geloof, van hoop en van de zuiverste liefde.
Maar wie zal hier de uitlegging wagen van hetgeen er gezegd, van hetgeen er verhandeld wordt tusschen Gocl en den raensch, in die geheimvolle oogenblikken, waarin de godvruchtige ziel zich, in de volle gemeenschap met hem, die de eenige bezigheid der engelen is, verliest en zich in eene zee van goedheden en liefde vergeet!
Wel hoe ! gaapt er dan tusschen God en den mensch niet een peillooze afgrond? Heeft de een, ver boven den hemel der hemelen, niet eene eeuwigheid voor gebied, en de ander, op een beperkten wereldkring, ver van de ongenaakbare woning van het Opperwezen verwijderd, niet eene onmerkbare ruimte? De een bezit alle licht, alle wetenschap, alle volmaaktheid, alle eeuwig-
heid, alle macht; daarentegen isonkunde, ellende, macliteloosheid, en gebrek aan alles, liet aandeel des anderen.
En zie nochtans, hoe die behoeftige mensch, door eene groote liefde, tot den God aller rijkdommen nadert! Zie, hoe-vertrouwelijk hij met Hem spreekt! hoe nauw hij zich met Hem vereenigt, door de eenvoudigheid zijns gebeds en de vurigheid zijner begeerten ! War, vraagt een minnend schepsel naar een eindeloozen afstand tusschen zich en den welbeminde ? Het roept, en Jesus is reeds nabij en Hij zelf schept behagen en vermaak in de onderhandelingen met het schepsel, en de liefdevolle God bespeurt in die ziel, welke hij bruid noemt, dat hij op zijne beurt op eene wonderbare wijze bemind wordt.
O heerlijke alleenspraak met God; onschatbare eenzaamheid, kostbare verkeering, liefelijke gemeenzaamheid, wat bevat gij onuitlegbare liefdegeheimen!..
O mijn God! gij, die de gast eens goeden gewetens zijt, en met behagen
15
rnst in een hart dat u bemint, even als een vriend in de woning van zijnen vriend: o, geeft mij, mijn God! eene eenvoudigheid en liefde, die u steeds aangenaam zijn; want voor uw bezit, voor eene liefelijke alleenspraak metu, zal ik al de rampen van deze ballingschap, en do ijdelheden dezer aarde vergeten. Ja de gansche schepping zou ik vergeten om u alleen te beminnen, op u alleen te denken, en u alleen te kennen.
IT.
Met ii wil ik hart aan hart spreken.
l)e welbeminde des lleereu zal in Hem met vertrouwen wonen, en in zijne armen rusten. Deut. xxxiu.
Hart aan hart...... Maar met wien.'
O verheven woord, dat al het geluk der hemelen in zich besluit! Het is met Jesus, dien oprechten Vriend, die altijd getrouw, altijd vol troost, altijd toegenegen, altijd edelmoedig is. Ja, dat hart aan hart met Jesus, kan niemand, dan eene teederminnende ziel beseffen.
Veel oneindigs rost er reeds in den naam van Jesus! Hoeverrukkendspreekt een minnend hart dien naam ook niet uit!
Doch, beschouw dien vriend van God; zie hoe gerust hij is. Op zijne levens-
17
baan heeft hij eindelijk die langge-wenschte plaats gevonden, de eenige die hem betaamt! Daar rust, daar sluimert hij. Daar wil hij zijne tent spannen, en ze nimmer verlaten. Hij vergeet de aarde en gedenkt niet meer dat hij den eindpaal zijner reis nog niet bereikt heeft. Zijne wenschen, zijne begeerten, zijne blijdschap, zijn verlangen, in één woord, zijn hart is verzadigd, omdat hij in de gulste vertrouwelijkheid en hart aan hart met zijn welbeminde verkeert. Deze is een Vader, van wien hij geene straf of strengheid te duchten heeft; hij is een vriend, een boezemvriend, aan wien hij de geheimste plooien zijner ziel zal ontvouwen. Hem zal hij zijne twijfels, ongerustheden, voornemens en krachteloosheid kenbaar maken. Van hem alleen wil hij raad, troost en sterkte erlangen,... Hij smaakt, even als de geliefde leerling, de zoetste rust op deszelts borst. Daar komt hij klagen, zuchten en treuren. Daar, onder het gewicht der ballingschap
18
gebukt, door ijdele zorgen der aarde ontroerd, hervindt hij de rust, de stilte en den vrede. Een knagende honger, een brandende dorst woelden in hem, en daar heeft hij een verborgen Manna, eene fontein van levend water gevonden.
Gelukkig, Ja duizendwerf gelukkig hij, die slechts dat onverzaadbaar verlangen, die drift, dien honger, dien dorst van liefde gevoelt: dien namelijk, om zich altoos op het hart van Jesus te plaatsen en daar te rusten. O, hoe vroolijk ontlast zich de ziel in dat liefelijke hart aan hart! Hoe innig vervoert haar de liefde! in God verzonken, in die eerbiedige omhelzingen verslonden, door de zuiverste liefde ontvlamd, belooft zij hier beneden vurig eene blijde aanneming der kruisen van Josus, eene volkomene onderwerping aan zijn heiligen wil; moedig werkt zij daar, om haar hart te onthechten van al die vergankelijke voorwerpen, die het nog naar het aardsche trekken, en zulks
19
alleen, om het geheel aan het hart van Jesns te hechten. Daar, onwetend in alles, leert zij alles kennen. Daar vergeet zij alles, om aan niets dan aan haren welbeminde, alleen te denken.
O verrukkend hart aan hart! gelukkige vrede, onverstoorbare rust, kostelijke en heilige gemsenschap van God met zijn schepsel, zalige uitstorting der ziel in des Scheppers eindeloosheid, zoete echt der ziel van Jesus met de ziel des getrouwen christen, onverklaarbare liefde, o, machtig zijt gij om ons, ten einde Hem te behagen, niet alleen te doen aannemen, neen, maar vurig, allervurigst te doen haken naar de vermoeienissen en bitterheden van ons voorbijvliegend bestaan!.....
O mijn God, laat mij in u leven ! Leer mij de zoete taal, om hart aan hart met u te spreken. Wat geven mij dan al de goederen, de vermaken dezer wereld! Zijt gij alleen niet de eenige schat, dien ik begeer, het eenige doel mijner werken, het rustpunt mijner
20
bezigheden, het einde mijner verlangens?... Zijt gij alleen niet mijne blijdschap, mijne zuivere en onvervalschte vreugde, mijn eenig en hoogste goed?...
nr.
U gt;vil ik alles zeggen.
Voor u zal ik mijne zonden belijden en mijne ongerechtigheid zal ik niet verbergen. I's. xxxm, 3.
U, miju God, wil ik alles zeggen. Gedoog, dat ik u mijn hart opene, oiu deszelfs wonden voor u bloot te leggen, en in uwen schoot mijne zuchten en gebeden uit te storten.
Zijt gij niet de geneesheer der lijdenden, het spoor der eerstbeginnenden. de raadsman der zwakken, de leeraar der onwetenden, de troost der bedroefden en do kracht der strijders?
Luister, mijn God! m de dagen, die gij mij in uwe goedheid schonkt, heb ik zwaar gezondigd, en vele mijner zonden eertijds maar ten halve beweend, liggen reeds onder den sluier der vergetelheid bedolven ; en de gedachte, om nog tranen over dezelve te storten,
is mij ontvlucht. Ja, over velen der fouten die ik dagelijks bedrijf, laat ik geen enkele zucht hooren.
Mijn God. wat akelige duisternissen zweven in mij rond, zoo ten opzichte van de zonden mijner jeugd, als ten opzichte mijner boetvaardigheid; ja,zij dringen tot in de gewaande kalmte mijner ziel.
Dikwerf ook, mijn God, word ik op den weg der moedeloosheid overvallen. In weerwil uwer genaden, wordt ik dagelijks door ongestadigheden en droevige ellenden beheerscht. Mijn loven snelt henen, doch mijne Heide blijft koud. Gij gebruikt jegens mij het groot-sta geduld, en ik maak een aanhoudend misbruik van uwe langmoedigheid; en dagelijks stapel ik zonden opeen, die te beweenen.
Ach, mijn God, wanneer zal ik mij beteren? Wanneer zal ik mijn leven geheel hervormen? Wanneer zal mijne ziel ttn volle genezen zijn ? Wanneer, eindelijk, zal ik over mgne kwade ge-
23
T?quot;
neigdheden zegevieren ? Gelooft gij, Heer, dat ik nog tot een nieuw leven zou kunnen verrijzen ? O mijn God, gij wilt niet dat ik verloren ga; ondersteun mij dan door eene buitengewone genade, en sla de oog-en uwer oneindige barmhartigheid op mij neder! Geef mij, mijn God, den geest van vurigheid; want ik bemerk, dat mijn gebed verflauwt en afneemt, en zich niet meer ten hemel kan verheffen. Ach! verleen mij dikwijls die tranen, die de dorre aarde vruchtbaar maken, en haar vruchten van zaligheid doen voortbrengen.
Helaas, hoe droevig zijn de dagen dezer ballingschap ! Wanneer zal ik eens van de duisternis tot het licht, van den dood tot het leven, en van het gevaar van u te verliezen tot de zekerheid van u voor eeuwig te bezitten, overgaan.
Ja, u, o mijn God, wil ik alles zeggen. Hoe komt het toch, dat ik, terwijl ik u nog in mijn hart gevoel, zoo eensklaps verlaten ben, zonder dat ik uwe vlucht zelfs vermoeden kan ? Waar-
...1,10.1 II â i,.. W
24
om handelt gij aldus, o mijn God, met üalk een zwakken en machteloozen dienaar, die nog niets dan zonden voor uwe voeten kan nederleggen?
Mijn God, stel een einde aan mijne ( kwellingen door eene vermeerdering van liefde; doe de ongestadigheden mijns 1 harten ophouden, met het zoo nauw aan u te hechten, dat het zich nimmer van ' u meer kan scheiden ! Ik hoop, o ja, 'A
ik hoop alles, mijn God! gij immers i U leent met liefde het oor aan de klaag- d
stem uwer schepselen. Zorg dan vooral, ! v dat ik u hartelijk beminne. ' g
IV.
Zijt Gij niet mijn Tad er!
Onze Tailer, lt;lic iu Je Kémelea zijt.
Mijn God, wat zou ik ongelukkig-zijn, indien gij mijn Vader niet waart ! De wereld is zoo nietig in den troost, dien zij geeft! Zij is zoo karig in hare vriendschap, zoo trouweloos in hare gunsten. Ongelukkig is hij, die zijn vertrouwen op de gewaande mildheid stelt, welke zij voorwendt.
U alleen, mijn God, wil ik dan beminnen. In uwen vaderlijken schoot wil ik al mijne zorg en kommer neder-leggen; want gij zijt rijk genoeg, om mijne tallooze begeerten te voldoen ; Gij alleen zijt genoeg in staat, om mij te verstaan en mij datgene to verleenen, wat mij ontbreekt. Gij alleen, mijn God, voedt eene zoo vurige liefde, dat ik dezelve nooit kan evenaren maar u slechts
'26
eene onevenredige scliuld van dankbaar-lieid en wederliefde kan aanbieden.
Gij zijt mijn Vader, alles heb ik van u ; ja, roep ik do verloopen jaren mijns levens voor mijnen geest, dan bespeur ik, bij iedere ademhaling, niets dan bewijzen uwer barmhartigheid, bewijzen uwer grenzelooze mildheid. Neen, mijn God, nooit kwelde mij de honger, of aanstonds bracht gij mij het noodige voedsel, hoewel ik hetzelve niet verdiend had. Nooit plaagde mij deoorst, of aanstonds boodt gij mij dien reinen en levendmakenden beker aan, waaruit eene verkwikkende vreugd in het harte stroomt. Nooit, o mijn God, zaagt gij mij, op mijne levensbaan, van vermoeienis wankelen, of aanstonds kwaamt gij mij hulp bieden. Nooit heb ik aan uwe deur geklopt, of gij deedt ze voor mij open. Smolt ik in tranen, gij kwaamt ze afdroogen, en een enkel zoet woord uit uwen mond verfrischte mijne afgematte ziel. Uw engel toonde mij den hemel en met oen minnelijken lach be-
k 27
groette ik den heil vollen dag, waarop al mijne ellenden zouden eindigen.
Ja, mijn God, gij zijt mijn Vader,, t» want altijd liet gij een ontfermend oog' j op mijne zwakheid vallen; gij zijt inderdaad mijn Vader : immers, wanneer ik door mijne dwaling werd voortgestuwd, riept gij mij gedurig, om tot u weder te koeren, belovende dat gij alles zoudt vergeten. O mijn God, wees nog steeds mijn Vader. En waar zou ik, met uwe weldaden beladen, heentrekken? Met wien zou ik mijne liefde durven schandvlekken ? O dwing mij niet u te beminnen. Neen, het dankgevoel, dat in mijnen boezem blaakt, maakt het mij ten plicht. Ja, al te gelukkig ben ik, dat ik u mag beminnen ; daarenboven is het voor mij van O het hoogste belang, u alleen te beminnen.
O God, blijf dan altoos mijn Vader, en zorg dat ik ook altoos uw kind blijve. Toon mij gedurig uwe vaderlijke * teederheid, en verdubbel mijne getrouw-
28
heid, in u te dienen. Zorg o mijn God! dat ik u alleen liefhebbe, omdat ik u alleen en niemand dan u in eeuwigheid moet beminnen.
Mijn oprechte vriend.
Zoo gij Jesus verjaagd cn verloren hebt, tot wien zult gij dan uwe toevlucht nemen, en wien voor vriend zoeken.
Navolg, li, 8.
Hoe gering, hoe nietig is de vriendschap der schepselen, hoe bedriegelijk en ijde], hoe veranderlijk en onbestendig is zij! Hoe dikwerf schuilen kleingeestigheid en baatzucht in het hart, dat zich onzen vriend durft noemen ! Helaas! hoeveel onwaarheid in 'smen-schen mond! hoeveel valschheid in zijn hart! hoeveel bedrog in zijn verkeer! Gij alleen, o mijn God! kunt het schepsel eene oprechte, eene groote, eene oneindige, eene bestendige liefde toedragen; eene liefde met medelijden doormengd en steeds bereid, om alle ongelijk te vergeven, altijd genegen ora
30
de klachten te hooren, altijd mededoo-gend en gereed, om troost en moei in het hart te storten.
Zullen al de gezegden der wereld ooit zooveel gelden, als een enkel van die woorden, welke Jesus nederzendt in een hart, dat Hij bemint en dat Hem lief heeft ?
O welke dwaasheid, welke verblindheid zijn hart aan een ander dan aan u, o mijn God, toe te wijden 1 Hoe ellendig is hij, die uwe . vriendschap niet voor zijn grootsten rijkdom aanziet! Waar toch zullen wij heentrekken, indien wij u niet voor vriend hebben ; zinneloozen waar zullen wij onze liefde gerust verbergen ; om er geene schande voor te behalen 1 Hadden wij, daarentegen, de geheele wereld ten vijand, zouden wij dan nog niet zeer rijk, zeer gelukkig blijven, indien gij alleen, o mijn God, ons overbleeft; gij alleen, onze Beschermer en Vriend?
Ja, niemand kan u in vriendschap evenaren, o mijn God ! gij zijt de eeni-
31
ge, die schoon, die getrouw, die barmhartig zijt, en in waarheid ons vertroost. Nooit, o mijn God, heb ik van u met een wanhopend hart, met eene treurige ziel afscheid genomen. Nooit legde ik in uwen schoot het drukkend gewicht mijner loopbaan, of aanstonds traden onuitsprekelijke zoetheden in deszelfs plaats. Hoe verrukkend is uwe vriendschapsbetuiging ! hoe wegslepend en geheimzinnig zijn de wellusten uwer heilige liefde ! O ja, mocht ik u, mijn God, voor alles, mocht ik u steeds boven alles beminnen ! weiger mij gerust alle aard-sche goederen, maar onttrek mij nooit uwe vriendschap Dat alle menschen mij verlaten, indien gij, mijn Vriend, slechts altijd bij mij blijft. Alles, o Heer, wil ik afstaan, liever in alle opofferingen, kwalen en rampen toestemmen, dan dien zoo kostbaren schat uwer vriendschap verwaarloozen. Met dezen zal ik, reeds hier beneden, een ruim aandeel hebben in die gelukzaligheid, welke men in het vaderland der uitverkorenen geniet....
VI.
Mijn trooster.
Een ijverig ineuscli draagt Jesus, zijiicu troost, overal met zich, eu zegt hem ook dikwerf: Heer Jesus, bewaar mij iu alle plaatsen, oj; alle tijden. Navolg.
0 mensch, wie zal hier uwe tranen drogen, iudieu God zelf uw trooster niet is? Wie zal beter dan Hij den last verlichten, waaronder gij gebukt gaat; dan Hij, wien zonder te zwichten, liet gewicht van het heelal op de schouderen drukt? Wien zult gij met meer gerustheid uwe ellenden kunnen vertrouwen, dan Hem, die dezelve reeds kent? Keen, niets zal u, o mensch, verzaden : niets zal de ledige ruimte uws harten vervullen, noch deszelfs droefgeestigheid bedaren, dan Hij, voor wien gij geschapen zijt, en in wiens verwijdering gij
33
slechts onrust, bitterheid eu gemoeds-angsteu zult vinden, Immers, wat zijn de vertroostingen der aarde, dat dal van tranen, hetwelk alleen distelen en doornen teelt, wat zijn zij zonder de vertroostingen van God? Is Hij niet alleen de waarheid en het leven ? Is Hij niet alleen de bron van zaligheid in deze wereld, de bron waaruit de gansche eeuwigheid door, onuitsprekelijke genoegens zullen stroomen ?
O ja, mijn God, gij vertroost rijkelijk degenen, die u beminnen. Hoe bekoorlijk, hoe zoetluidend is uwe stem ! hö/i spoedig bedaart zij de stormen des harten ! wat geurigen balsem stort zij in do ziel! wat geluk voert zij met zich mede ! wat aangename geur laat zij achter! hoe heerlijk verlicht zij ons beneveld verstand ! hoe spoedig verdrijft zij de hersenschimmen, die ons willen misleiden ! hoe herstelt zij de orde en eensgezindheid daar, waar te voren niets dan wanorde en verwarring heersch-te! Mijn God, wat hebt gij mij dik-
34
wijls troostende woorden toegesproken ; en dat zelfs in de oogenblikken van kommer en verdriet, toen ik alleen en eenzaam op den weg van beproeving, kuilen en afgronden in mijne gedachten groef! Ach hoe minzaam beurdet gij mijne arme, afgematte ziel dan op ' hoe machtig was uwe hand, om mijne benauwdheden te stillen. Welke zoeto rust bracht uw aanzijn in mijn ha.rt ! O, welke genoegens dreef uw liefdelach in mijne ziel!
Helaas! hoe blind is dan degene, die, ver van u, bij broze schepselen vertroosting gaat af bedelen ; vertroosting, die zij zei ven niet bezitten ; hij, die in u alleen zijn kommer en verdriet niet komt afleggen!
Ja, mijn God, altijd zal üc alles, wat gij begeert, voor u verdragen ; want gij hebt mij geleerd, dat men u bemint, en dat het lijden blijdschap en vreugde verschaft, indien men enkel uit zucht om u te behagen, liet-zelve verdraagt..... Ik zal u loven in
35
de beproeving, o mijn God, ik zal u al de oogenblikken miins levens beminnen. Blijf gij alleen mijn goed, mijn schat en mijn al; blgf o God, mijn eenig aandeel, en ik zal ruim getroost zijn over de kwellingen van dit dal van tranen en elkmden.
VII.
Mijn eenig goed.
Wat zal hom niet wel sinalceu die in u smaak heeft; en wat zal hem die in n geenen smaak vindt, tot genoegen kunnen zijn ?
Navolg, nr, 34.
Hoo verheven troostend is deze gedachte voor den godvruchtigen mensch ;
God, al mijn goed in dit leven.....God,
mijn eenig erfdeel in de eeuwigheid.....
En indien God mijn goed is, welk beter goed kan ik dan nog verlangen ? Wat kan ik in den hemel en op de aarde beter wenschen ? Zullen de schepselen mij eene schat geven, die de voorkeur verdient boven dengene, welke ik in den Schepper zeiven zal gevonden hebben ?
Wie is goed, wie is groot, wie is rijk, wie is heerliik en machtig, tenzij de Heer alleen ? Is niet Hij alleen de
37
allerhoogste, de onmeetbare, de oneindige, de eeuwige, en hebben alle goederen niet in hem alleen hunne veiheid en volmaaktheid?
Ja, mijn God, beloof mij niets buiten u, bied mij niets aan, zoo gij het zelf niet zijt; want niets kan mij bevredigen, indien gij u zeiven niet geeft. Slechts in u alleen kan mijn hart zijne verlangens, zijne begeerten en wenschen verzadigen. Om mijn honger te stillen en mijnen dorst te lesschen, heb ik u alleen geheel noodig.
Waarom anders, o God, zijn onze harten steeds ontroerd, steeds meteene onstilbare onrust geplaagd, dan omdat wij buiten u onze gelukzaligheid willen zoeken?
Ach! kom dan, Heer, kom gij alleen... en blijf hier om mij te troosten, blijf gij alleen tot voldoening mijner ziel; want zonder u, zal ik elders niets dan ijdelheid en teleurstellingen aantreffen ?
Niets kan mij in dit leven behagen.
38
indien gij mijn eenig- goed niet zijt; en moet ik, om dit te bekomen, eene levensbaan van opoffering en strijd doorwandelen, het zij zoo ! al wat u zal behagen mijn God, als gij maar steeds hier beneden den eenigen schat mijner ziel blijft. Zijt gij, in de onveranderlijke eeuwigheid, niet liet zeker en bestendig erfdeel van degenen, die in den tijd a alleen bemind, naar u alleen zullen verzucht hebben ?
VIII.
lu u hel) ik deu weg, de waarheid, het leven gevonden.
Ik beu de weg, de waarheid en liet leven.
Joannes XI. G.
Ja, Heer, in u alleen heb ik de waarheid gevonden en buiten u heb ik niets dan bedrog, ijlelheid en verleiding ontmoet. Wat is de menscb, dat gij hem bezoekt, o mijn God! en wat kan hij, mo gij niet tot hem komt? Waar zal hij genoegen vinden, zoo gij zijn leven niet zijt? De mensch, o mijn God! altijd tot ijdelheden geneigd, gedurig door hersenschimmen beheerscht, en vaak den schijn aannemende, of hij zijn hart aan begoochelingen, lichtzinnigheden en bedriegerijen alleen wilde overgeven, zal indien gij zijn voetspoor, zijn voedsel en leven niet zijt, van zjjn doel afwijken, volgens de zinnen leven.
40
en zich met dierlijke vermaken verzadigen. Hoe ellendig groeit, verdort en verkwijnt weldra, o mijn God, het hart des dwazen, die uwe wegen niet wil bewandelen, en liever het leven, hetwelk uwe Helde teelt, dan het nietig voedsel der aardsche genegenheid wil opofferen!
Ik besef, o mijn God, dat ik, indien gij de ziel mijner ziel, het hart mijns harten, het leven mijns levens niet zijt, nimmer hier op aarde den minsten vrede mag verhopen. Indien gij in alles mijn geleider niet zijt, moot ik noodzakelijk dwalen; indien mijne gedachten met de uwe niet overeenstemmen, indien mijne begeerten met de uwe niet strooken indien mijne neiging en mijn wil met de uwe niet overeenkomen, dan, voorwaar, wijk ik van de waarheid af, en mijne ziel, metsmarten overladen en half levenloos op deze dorre en waterlooze heide, moet weldra van vermoeienis en ellende vergaan.
O onveranderlgke, o hoogste en onfeilbare waarheid, gij alleen stort het ware licht in onzen geest, de ware
41
wijsheid in onze werken, de ongeveinsde oprechtheid in onze harten, en gij alleen kunt onze zie) met woorden van het eeuwig leven opbeuren.
Spreek derhalve, o heer, spreek altoos tot uwen dienaar, en laat hem uwe liefde naar waarde schatten. Spreek en buig mijn hart naar de woorden uws monds. W ij hebben u zoo zeer noo-dig, o mijn God! Doe ons toch wel begrijpen, dat wij ons, op de steeds donkere en met doornen en kwellingen doorzaaide wegen, zonder u te vergeefs zouden afmatten. Doe ons verstaan, dat gij de eenige weg zijt, dien wij zonder vrees van te dwalen, mogen volgen; en de eenige waarheid, die wij, zonder gevaar van ons te bedriegen, mogen gelooven. Mijn God, trek ons tot u; verdrijf onze duisternissen door het licht uwer waarheid, versmelt ons aardsch in uw geestelijk en goddelijk leven. Van u verwachten wij licht en kracht,' om tot aan de eeuwigheid in de aanneming aller opofferingen, die uwe heilige liefde ons afvraagt, voort te sterven.
IX.
Diclit bij u, op uw hart, wil ik mijne rustplaats vestigen.
Stel mij als een zegel op uw hart. Gezaug. Vil, 0.
Hoe aangenaam is liet, o mijn God, zicli met dit zoete vertrouwen te voeden, dat men uwe vriendschap bezit! Hoe aangenaam, tot u met liefde le zeggen : Mijn vader \ Ach, hoeveel geluk smaak ik, zoo dikwerf ik u den bruidegom en welbeminde mijner ziel mag noemen!
O mijne ziel, werp u dan met een zoet vertrouwen in den schoot van uwen God. Eust in Hem, die de eeuwige rust der heiligen is. Plaatst u dicht bij Hem, die door een enkelen blik al de bitterheden uwer moeieliike reis kan verzachten. Leg uw hart, evenals do welbeminde leerling, op het hart van uwen Jesus, en zeg Hem dikwerf, dat gij
43
geen vrede, geen geluk, geene vertroosting dan in Hem alleen zoekt. Is hij niet de bron aller vreugde, zoetigheid en tevredenheid ? O allerbeminnelijkste en zoetste Jesus, ontvang mij in uw aanbiddelijk hart, want ik heb een afkeer van elke andere schuilplaats. Zonder nw aangenaam verkeer, zonder uwe heilige onderhandeling, zonder uwe liefderijke gemeenzaamheid, zijn mijne uren steeds van vreugde ontbloot. Voor u wil ik alles, wat gij niet zijt, verwerpen ; eene geheel vrije en onverslaafde ziel wil Ik op uw hart neder-leggen. Heb dan toch medelijden met mijne teedere zuchten. Heb deernis met mijne zwakke liefde, en beschik gij zelf over mijn hart, opdat het mir.der onwaardig op het uwe moge rusten. Ik leef niet, o mijn God, gij weet het, ik leef niet, zoolang ik in u niet leef.
Doch waarom, Heer, maakt gij dio rust zoo aangenaam, welke gij ons somwijlen op uwe borst laat genieten ! Vraag, o mijn God, eisch van ons edel-
44
moedige beloften voor die dagen, waarop het u zal believen ons te beproeven ; maar geef gij ons dan ook den moed, om die beloften na te komen; want, na al i^we barmhartigheden, blijven wij echter nog altijd trage en onedelmoedige kinderen.
Wat mij betreft, gaarne leg ik voor n mijne ellenden bloot. Zij zijn groot en talloos. Het is mij hoogst noodzakelijk, dat gij dikwerf de oogen uwer barmhartigheid op mij nederslaat, en met mij slechts volgens uwe groote liefde handelt. Gij weet het, ik misbruik al uwe milddadigheden ; ik verwaarloos zoovele genaden, die gij mij ieder oogen-blik schenkt. Laat niet toe, mijn God, dat ik altijd zoo spaarzaam in mijne liefde blijve, en u met zoo weinig ijver diene. Euk mijn hart uit die handen, die hetzelve nog altijd aan het aard-sche kluisteren. Geef, o God, dat ik nimmer eenig geluk smake, dan met mijne rust en mijnen vrede in u alleen te zoeken. Het zou mij zoo aangenaam
45
zijn, Heer, indien ik in u alleen leefde! Ach, wanneer zal ik toch met waarheid mogen zeggen: Neen, ik leef niet meer, maar Jesus leeft in mij/..
Ik weiisclite wel, dat ik u alleen bemiude.
Liever ben ik arm om u, dan rijk zouder u. Liever wil ik met u deze wereld als een vreemdeling rondwandelen, dan zonder u den hemel bezitten. Waar gij zijt is de hemel, en waar gij niet zijt is slechts dood eu hel. Navolg.
Wie zal schetsen wat er in een liart omgaat; waarin uwe liefde gloeit, o mijn God! Wat aangename geuren zendt het hemelwaarts! Wat zoete gebeden, wat heilige dankbaarheid, wat oprechte verzekering, wat goddelijke neiging naar alles dat tot u leidt! O, wat edelmoedige belofte van opoffering !.. Hoe verleidend en bedriegelijk zijn de beloften eener verblindende en betooverende wereld geweest, daar integendeel, die van God
47
onze verwachting zoover overtreffen, dat de ziel, op hare beurt, hem eeno onschendbare, eene eeuwige trouw zweert!
O mijn God, een hart dat u bemint, schenkt gij al den vrede, al de blijdschap en geneugten des hemels. Mijn Grod en mijn al... Dit is genoeg voor eeue oprecht minnende en teedere ziel; in die woorden vindt zij alles, wat de wereld niet inhouden, wat de wereld niet geven kan ; alles, wat het heelal niet kan bevatten. Zij mint haren Jesus vooral en bovenal. Zij mint en looft hem zelfs in het midden der verlatenheid, der smart en der rampen. De beproeving zelve kan hare liefde niet vermoeien, noch hare verrukkingen â¢wederhouden. Jesus heeft haar zijne vriendschap beloofd, zij rekent er op en houdt zich daarvan verzekerd, zelfs in de schijnbare verlatenheid. Alles is vergankelijk en bedriegelijk voor hare oogen; alles komt haar ijdel en nietig voor. Jesus hier beneden, Jesus daar boven, Jesus voor altijd en eeuwig;
48
ziedaar, wat in haar leeft. Dat is haar honger, haar dorst, het doel barer bezigheden en verlangens. Daarin berust het geheim haars harten. Waar toch zal zij het geluk gaan zoeken, Avan-neer God het haar aanbiedt ? Zou zij bij den arme eene aalmoes afbedelen, zoo de rijke, de eenige ware riike, haar dezelve ruimschoots wilde toedeelen ?
O mijn Jesus, die heilvolle kalmte eener zalige en van u beminde ziel, die heilige vrijheid, die zoete eenheid, die vlammende liefde, in één woord, die gelukzaligheid der zielen ontvlamt
mijnen ijver........ Wat zou ik gelukkig
zijn, indien ik u ook zoo beminde, indien ik in u en om u alleen leefde ! Waarom, o mijn God, stelt mijn hart altijd hinderpalen aan uwe liefde? Waarom zoo weinige gezindheid om u te dienen? Waarom dat morren onder het kruis, die koude onverschilligheid in uw afwezen ? Helaas, wat is mijne deugd nog onvolmaakt! wat bemin ik u weinig, o mijn God, wat ben ik uwer guns-
49
teu onwaardig! Ach, neen! ik bemin u niet naar beliooren, maar maak, dat ik u beminne, niet een weinig-, o Heer, maar veel, teeder en vurig. Maak, dat ik niets dan bloedige tranen en grievende bitterheid vinde in alles, wat gij niet zijt, opdat ik in die gelukkige noodzakelijkheid kome, van n alleen geheel en gansch toe te beliooren. U alleen, o mijn God, met al tiiijn verstand, met mijn hart, met al mijne werken, in den tijd, om U alleen toe te beliooren in alle eeuwigheid.
Xi.
Helaas: vat hel) ik u laat beraind,
O sclioonheid die altijd nieuw zijt, wat lieb ik u laat bemind. Aug.
. Zeer laat, helaas! heb ik aan mijne 'bokeering gedacht, o mijn God! De vermoeienis, welke ik my zeiven in cje wereld had op den hals gehaald, hadden mij zoo afgemat. Het gewicht mijner bitterheid drukte mijne ziel ter neder. De eenzaamheid had mij somwijlen zulke overvloedige tranen zien plengen, ik moest mij overgeven, o mijn God ! ik kon niet langer aan uwer berispingen wederstaan ; de krachten, om tegen u te worstelen, hadden mij begeven ; ik was eindelijk verplicht, u mijne vergiffenis af te smeeken, maar hoe laat was het, om toen eerst een
51
begin te maken met u te beminnen ! Waarom heb ik u niet eerder gekend! en nochtans, o mijn God, hoe weinig dankbaar heb ik mij voor uwe gunsten getoond ! Welke traagheid in mijnen voortgang, hoe weinig warmte in mijne liefde! Gij, gij hadt zoo veel blijdschap getoond, toen gij mij terugzaagt, en hebt mij daarna met zoo vele weldaden verrijkt! Elk uur mijns levens getuigt van eene gunst, en nochtans, gij weet het, helaas! o mijn G)d, hoe weinig* geweld ik mij tot dusverre heb aangedaan, om mijne driften te beteugelen; hoe weinig pogingen om over alle hinderpalen te zegevieren, en den weg, dien gij mij aanweest, kloekmoedig in te slaan.
Ja, mijti God, ik ben uwer vriendschap ten eenemale onwaardig, want ik heb u zoo laat bemiüd!.... Ach ! maak toch, dat ik u nu vuriger beminne. Nooit heb ik, van u gescheiden, vrede gehad. Wat zou er van mij geworden, o mijn God, indien gg, wars van mij
52
steeds aan te moedigen, mij in mijne verouderde dwaling liet hervallen. O, trek allo mijne verlangens tot u alleen ; versmacht mijne driften door de kracht uwer liefde; versterk mijn geloof; stort in mijn hart eenebrandende lietde. Maak mij deelachtig aan den vrede, dien uwe kinderen genieten. Schenk mij uwen vrede, mijn Gjd, dien vollen en onverander-lijken vrede, die in de versterving des harten en de goddelijke omhelzing uwer â¦liefde bestaat.
Ja, mijn God, schenk mij uwe liefde, geheel uwe liefde, want ik heb li te laat bemind. Geheel uwe liefde, want alle liefde buiten u is slechts ijdelheid en bedrog ; trouwens, in u alleen schuilt de eenige, de hoogste waarheid; geheel uwe liefde, want gij zilt de eenige, die waarlijk beminnenswaardig zijt, de eenige, dien wij hier moeten beminnen, de eenige, dien wij geheel de eeuwigheid door zullen beminnen.
XII.
Heden rerlaiig ik naar ti alieon.
Uw welbemimle is van die geaardheid, dat hij gecu anderen beminde wil toelaten ; maar hij wil alleen uw hart bezitten en daarin heerschen, als eeu koning op zijnen troon.
Navolg, ii, 7.
Waarlijk, mijn God, 's menschen geluk is in U alleen besloten. De aard-sche vermaken kunnen ons wel voor een oogenblik door hunne schijnbare geneugten verleiden : doch, in ons zalven teruggekeerd, vinden wij niets dan ijdelheid en smart. Te vergeefs zal onze ziel de schepselen het geluk afvragen; zij zijn machteloos om ons hetzelve toe te reiken. Ach, mijn God! het is, omdat wij voor ü alleen geschapen zijn,
54
en nergens dan in ü alleen rust kunnen vinden.
Dat uwe liefde zich echter niet ont-stelle, o mijn God! Neen, nimmer zult gij op de kronkelpaden dezer wereld dat hart terugvinden, dat gg wildes ontroeren en zegenen. Ik zal de plaatsen, waar gij verblijft opzoeken; maar niets zal ik zoozeer trachten, als u te bezitten. En om u, o mijn God, te vinden, om uwe stem te hooren, om mij, onder uwe liefdevleugelen te koesteren, zal ik u aan de eenzaamheid afvragen, en in de bedaardheid mijns harten zal ik u aanroepen; schreiend zal ik mijne klachten uiten, in uw afwezen zal ik diepe zuchten loozen, en altoos zal ik om mijnen welbeminde roepen, om hem, die het eenigste en hoogste goed is, naar hetwelk mijne ziel zoo vurig verlangt.
Dat anderen, in plaats van u alles najagen, wat zij begeeren; dat zij dit sterfelijk leven alle genietingen, die het geven kan, afbedelen. Mij zal niets
55
meer behagen, dan gij alleen, ,en ik weet, dat gij mij, na mij aan u ver-bonien te hebben, niet zult verstoeten. Uwe liefde is noch bedriegelijk, noch onstandvastig, noch baatzuchtig, noch zelfzoekend, eglijk die der wereld ; integendeel, zij is oprecht, edelmoedig en bestendig.
Wanneer dan, o mijn God, zal ik een eeuwig vaarwel aan de schepselen zeggen ! wanneer zal ik mij van al die aardsche IJdelheden ontdoen! wanneer zal ik mijne ziel van dit alles geheel ontbonden zien, om haar aan u alleen vastgehecht te mogen zien ! O, als gij, mijn God, die ziel bezoekt, hoe verrukt is zij dan door de goederen, die gij baar medebrengt! Hoe menigmaal zucht ik onder het gewicht mijner rampen ! Hoe vele smarten komen mij ontrusten, verstrooien en mij van uwe zoete liefkozingen berooven ? Indien ik u vuriger beminde, o mijn God; indien mijn zwak hart niet steeds den een of anderen band, die het nog aan de aarde
56
vasf.kluistert, moest verbreken: o, dan zou ik, gelaten in uw afwezen, u in de armoede zoowel als in den overvloed liefhebben en steeds uwe liefde genieten; ik zou niets zien, niets beminnen, niets begeeren dan u alleen. Niet ik zou dan leven, maar gij, o mijn God, gij in den stal van Bethlehem, gij op den weg naar Kal varië, gij op het kruis, gij in do verrukking op Thabor.
Maar wie belet u dan, o mijne ziel, om alles voor Jesus te verlaten, en hem alleen, hem geheel alleen te beminnen?
O mijn God, laat het aldus geschieden ; mijne ziel begeert het; zij vraagt hit u. Heb toch medelijden met haro zwakheid, vergeef hare lafhartigheid, en hecht haar zoo nauw aan u vast, dat zij zich nimmer kunne losrukken.
XIII.
Gij alleen, om mij aan uwen aanlmldelijlien wil gelijk-Tormig te maken.
Uw wil geschiede op dc aarde, gelijk iu den heme-l
Hoe gelukkig is de mensch, die, door eene vurige neiging tot het beschouwend leven aangedreven, eindelijk aan de wereldsche zaken een laatst vaarwel kan zeggen, om zich in de zoete rust eener onbekende schuilplaats te gaan verdiepen ! Het hart, waarin Gods vrede huisvest, heeft geen afschrik van de eenzaamheid. De lange eentoonigheid desnachts breekt dan gelijk aan voor eene ziel, die vurig verlangt, om van het aardsche ontbonden te zijn en zich steeds te mogen vergeten, verdiepen en voor eeuwig verbergen in de beschouwing der eeuwige waarheden.
3.
58
Spreid dan, eindelijk, uwe vleugelen ti
uit, o mijne ziel; laat aan dit ballings- v
oord het stof, dat u nog aankleeft; d
laat daar die beuzelingen die ijdele p genegenheden, die vruchtelooze verlan- f d
gens, die verwaande rusteloosheden, die n
trotschegemaaktheden, die vergankelijke v
liefde. Streef naar rustiger zaken, en 1
verzaad u met de gedachte aan het on- 1
eindige. Sta aan de minnaars der wereld i
dit zorg- en kommervol leven af, maar c
gij, ga en verheug u, omdat gij uwen c
welbeminde bezit. i
Zoo, mijn God, heb ik, in de vrome â
gevoelens van een ijverig, doch slechts i
uieuwbekeerd hart verslonden, dikwerf i
van voorspoed gedroomd. Ach ! hoe vurig i
wenschte ik alsdan alles to verbreken, 1 wat mij nog aan de noodwendigheden
van eenen staat van arbeid, moeite en i
zorgen verbond ! i
Die geluksdroomen, o mijn God,
was ik moede, zeer moede; want in : mijn hart verhief zich een ernstige
strijd tusschen uwen en mijnen wil; i
tussclien mijne verlangens, die ik steeds voor wettig aanzag, en uwe alvoorzienen-de oogmerken, die mij gedurig in eenen poel van verstrooiing en moeilijkheden dompelden. Hoe menigmaal heb ik toen mijn hart klagend en morrend verrast! want het scheen, alsof een noodlottige hand voor mijne oogeu zweefde, eene hand die ik voor de uwe, o mijn God niet durfde aanzien, maar die, bestendig tegen haar offergericht hetzelve gedurig in de golven, waaruit het zich trachte te redden, wederom nederplofte. Dan, ach ! toen gij u gewaardigdef mij te verlichten, o mijn God, toen ik naar u alleen verlangend, eene grootere kennis van de bedriegelijkheid mijns harten en van do geheimen uwer warme liefde kreeg, toen, o mijn God, toen zag ik wel, dat mijne verlangens niet op u alleen gericht waren. Nu erken ik, dat het eenige hoogste goed niet bestaat, zelfs niet bestaan kan, dan in de volmaakte overeenstemming met uwen goddelijken wil, hoe smartelijk derzel-ver voltrokking ons ook toeschyne.
üO
Ja, mijn God, alle drukkende bezwaren, zoo u zulks behaagt; alle huiselijke zorgen, de zwaarste moeilijkheden de tallooze kommernissen des levens, indien gij zulks wilt; eene lange jaren-reeks in de harde wederwaardigheden, die eene verleidende wereld ons berokkent, indien gij zulks ook begeert; altoos opotïeringen en kruisen, altijd tegenspoed en verlies, altijd moeielijk-heden en strijden : daarenboven een smartvol leven, een leven van bezoeking, eene dagelijksche, eene aanhoudende worsteling tegen onze neiging naar de eenzaamheid, waar wij alleen datgene kunnen vinden, wat onze najaging waardig is :â God namelijk â wat het ons ook moge kosten: â God, ondanks ons hart, ondanks ons zeiven: God en altoos God alleen, om zijnen wil alleen te volbrengen. Keeft de hemel in alle levensstaten zijne vrienden niet ? Wij ook, wij kunnen ons in den onzen heiligen. Volgen wij dan vooral den wil Gods, en dien maakt God ons
61
altoos bekend, indien men daarom vraagt met ootmoed en met een waar verlangen om ons, wat het ook moge kosten, volkomen naar denzelven te schikken.
Neen mijn God, niet mijn, maar uw wil. U alleen begeer ik; en altijd zal ik, uw leerling, ondanks mij zeiven, tot op den lijdensberg van Kalvarië, uwe voetstappen volgen; en indien mijne zwakheid klaagt, aanhoor dan slechts mijn hart, dat het morren der natuur steeds onderdrukken, en niets dan uwe barmhartigheid en liefde wil huldigen.
X1Y.
U alleen met uwe verlatenheid en uw kruis.
Zoo ie ui a ud 111 ij wil volgen, dat hij zich zelveii verloochene cu zijn kruis opucme.
Matt, xvi, 24.
Hoe weinigen zijn er, ü Heer, die u om u te beminnen, en u in droetlieid zoowel als in vreugde, in verlatenheid zoowel als in vertroosting, hunne hulde bieden 1 Hoe hevig, hoe vurig, hoe edelmoedig is de liefde tot Jesus, wanneer zij van alle hebzucht en eigenbelang is onthecht ! Ach! waarom o mijn God, u om uwe gunsten alleen bemin nen ? Waarom zoo veel afschrik van dien weg van ontbering en kruisen, dien gij zelf bewandeld hebt, en die met uw aanbiddelijk bloed is besproeid ?
Weten wij dan niet meer, dat het
03
kruis de grondzuil des chistendoms is; dat het kruis liet kenmerk eens chis-tens, de haven der zaligheid, de kortste weg naar den hemel is, en dat wij daarin alléén sterkte voor onze ziel, waren vrede voor ons hart en vervulling voor alle deugden kunnen vinden?
O iniin God uw kruis heeft de aarde geheiligd. Uw kruis was ten allen tijde de wellust uwer uitverkorenen. Waarom weigeren wij toch hetzelve kloekmoedig te dragen? En over de wereld, èn over de afgoden, èn over de driften heeft het de zege behaald; hoe komt het dan, dat het over onzen onwil en onze lauwheid niet kan zegevieren? Hem die aan den voet des krui-ses nederknielt, is alles mogelijk, o mijn God? Waarom toch verwaarloozen wij, van vijanden en hinderpalen omringd, datgene wat ons stellig kan doen zegevieren? Wij haken naar eene groote liefde, en wij willen helaas! niet ge-teekend worden met het bloed, dat uit het hart van Jesus, die bron van eeuwige liefde ontspringt.
G/j.
Ach! daar, aan den voet des krui-ses, daar voorzeter vertoont zich de too verglans der wereld, gelijk hij is; nietig en bedriegelijk. Daar erkent men de ijdelheid van alles, wat voorbijgaat.
Gelukkig derhalve, ja, duizendmaal gelukkig hij, die zich aan het kruis hecht; hij, die Jesus in de vernedering wil volgen, om zich met Hem hoven het vergankeljike dezer wereld door het kruis te verheffen.
Christenen, gedenken wij immer, dat onze vereeniging met den gekruis-ten Jesus, de maat onzer vereeniging met den verheerlijkten Jesus zal wezen. Gedenken wij steeds dat zelfverloochening voor Jesus, ware verkleefdheid en, ter zelfdertijde een zeker bewijs onzer liefde is.
O, zonder twijfel, het kruis is eene dwaasheid, maar eene verhevene dwaasheid, dewijl zij de wijsheid, en met de wijsheid alle goederen verschaft.
O heilig kruis, geheiligde schandpaal, o mijn sterkte, mijne blijdschap, mijne zaligheid en mijn leven ! welk vermaak
is het, dagelijks met u te leven en te sterven, dewijl men, met u levende en stervende, leeft en sterft met Jesns. Mijn God. druk die groote waarheden ' diep in mijn hart, en maak mij eenen minnaar van uw kruis. O, hoe sterk zal ik zijn, als ik al miine liefde zal gezocht hebben aan dat kruis, waarop miin Jesns rust.
âolt;xXgt;c â
XV.
ü alleen in mijnen dood.
O verblindheid en versteendheid van dat menschelijk hart, dat slechts de tegenwoordige diugen betracht, en het toekomende niet heter vooruitziet.
Navolg. 1. 23.
's Menschen leven gaat voorbij als rook. De stroom des tijds sleept koningen en onderdanen, kinderen en grijsaards, rijken en armen, deugdzaraen en hoozen te gader, met eene toomlooze snelheid naar hot graf. Alle eerzucht zinkt, vroeg ot laat, in het graf ter neêr. Daar nemen alle bedrijven, alle bezigheden, alle ontwerpen een einde. Gelukkig dan hij, die, rijk voor den hemel, schatten van deugden, welke hij aan gene zijde des grafs terug zal vinden, bijeen heeft vergaderd. Gelukkig
67
dan bij, die met zich zeiven in vrede heeft geleefd, eu dagelijks stierf, om door den dood niet te worden verrast. Gelukkig hij, die de taal, welke iu het ander leven gesproken wordt, elk oogenblik op de lippen had, en geen vreemdeling is voor die wereld, welke hij gaat intreden. Gelukkig, ja duizend gelukkig hij, die u, o God, dan levend in zijn hart gevoelt!
Mijn God, ik koester die zoete hoop dat gij, op dat jongst en beslissend uur, al de dwalingen mijner jeugd zult vergeten, om u slechts uwe einde-looze barmhartigheid te gedenken. Ja, dan zal ik met een onwrikbaar vertrouwen in Hbin hopen dien ik mijnen God en mijn al, mijn eenig goed, den eenigen vertrouweling mijner ziel zal hebben genoemd. In Hem zal ik hopen, die mij zoo dikwerf dat hart aan hart zijner goddelijke genegenheid toestond. Zou ik gedoogen, dat datzelfde hart door de angsten en folteringen van den booze op dat ontzaggelijk uur werde verscheurd ?
G8
Ach ! zoo nochtans het voorgevoel uwer geduchte oordeelen mij met schrik en vrees mocht komen vervullen, dan zal ik mij uwer barmhartigheid en tegenwoordige lietde gedenken, en voor mijn geest brengen die geringe opofferingen, welke ik om uwentwil heb geoefend, en die gij met oneindige goederen, zonder evenredigheid, belooft te beloonen.
Ja, mijn God, op uwe goedheid zal ik hopen; want in dit laatste uur wil ik van u niet gescheiden worden. Zonder u wil ik hot ander leven niet ingaan. Onder eene plechtige verzekering mijner eeuwig liefde, wil ik in uwen schoot, o mijn God, den laatsten adem geven.
Wat baat mij eene prachtige begrafenis ? Wat de heete tranen veler vrienden ? Wat een marmeren praalgraf ? dat alles kan slechts dienen, om een nietig stof te vereeren. O neen, niets van dien ijdelen tonstel, die liet graf der grooten dezer aarde versiert, mag bij mij gevonden worden , neen, dat mijn graf
C9
verlaten en arm zij j maar dat de engelen mij te gemoet snellen, om mijne ziel hemelwaarts te voeren. Ziedaar den stoet, dien ik begeer. Geef mij dan, indien u zulks behaagt, o mijn God! geef mij gebrek aan vergankelijke goederen, maar verleen mij den ovBrvloed der deugd. Laat mg arm voor de wereld, maar rijk voor den hemel sterven. U begeer ik in dit leven, naar u verlang ik in mijnen dood. Wat kan ik in den hemel, wat zal ik op de aarde anders wenschen, dan u alleen o mijn God!...
Om u iu allo eeuwigheid te bezitten.
Vader, ik begeer dat deze, die gij mij gegeven hebt, mij overal volgen. Joaim. xvii, 24.
Rampzalig hij, die, met God in vijandschap levende, beducht is om den dood, dien overgang van de dagen van barmhartigheid tot die van gerechtigheid, te aanschouwen !
Helaas ! vlucht, bedriegelijke glans ; vlucht rijkdom, voor een ingebeeld welzijn vergaderd ; vlucht vermaken, onbestendig van duur; vlucht armzalige en treurige hersenschimmen! gij immers kunt den en gen weg des grafs niet inslaan ; want weelde en vermaken, alles moet eenmaal onder een kouden steen nederzinken.
Wat angstvollen storm is het leven! Wee hem, die zich onder de liefdevleugelen van zijnen God niet verschuilt
71
noch zich met de zoete hoop kan vleien, van eens in het gezelschap zijner kinderen te worden opgenomen !
En toch, hot leven is zoo kort!... En het uur van scheiden kan op het onverwachts slaan! Een hemel voor erfdeel, of eene eeuwigheid van pijnen indien men geene eeuwigheid van geluk wil verdienen!,, Dan, zulk een oordeel kan binnen weinige dagen, ja misschien morgen, misschien in het vallen van den avond, misschien va* nacht, onherroepelijk uitgesproken worden ! En echter in weerwil dezer waarheden die voor geene beuzelingen mogen doorgaan, vestigen wij, het oog steeds omsluierd, onze blikken nog op de weelderige buitensporigheden van dezen aardschen dampkring, en wij ver-waarloozen de eenige, d« enkel noodza-kelijke zaak, die wij op deze wereld hebben te verrichten.
O mijn God, indien uwe barmhartigheid zoo groot, zoo lijdzaam, zoo onuitputtelijk is in dit leven ; hoe ontzaglijk
zullen dau ook uwe oordeeleu in het ander zijn ! Hoe schrikwekkend is uwe rechtvaardigheid voor dengene, die dezelve rijp overweegt!
Gij zult nochtans, o miin God in dagen van toorn, degenen, die uwe geboden onderhouden en in uwe liefde geleefd zullen hebben, niet verpletteren. Dozs immers zullen zich niet in de ingewanden der aarde voor uw gelaat behoeven to verbergen! Neen op uwe beletten zullen zij hopen, op uwe goedheid zullen zij zich met liefde verlaten. Bannelingen op deze aarde, met hijgende borst zuchtend naar hun vaderland, zullen zij aan hunne verrukking en blijdschap den vrijen teugel laten, wanneer zij op den oever des vaderlands zullen nederknielen ; als dappere kampvechters zullen zij, na zich in het strijdperk te hebben afgemat, van vreugde opspringen, zoodra zij den grooten rustdag boven hunne hoofden zullen zien aanbreken.
Ja, de eeuwigheid behoort u toi, o
mijn God! doch gij hebt haar aan uwe uitverkoorDen beloofd, opdat zij u daar zo aden kunnen beminnen, en beminnen, zonder vrees van u ooit te verliezen. Dat zal voor uwe gunstelingen de dag van het groote paaschfeest wezen, de overtocht van de slavernij tot de vrijheid. Dan zal ook de bespotting der goddeloozen, de verachting der wellustelingen, de drievoudige verleiding der wereld, de hartverscheurende rampen der ballingschap, ja, alles zal gedaan, alles zal voorbij zijn... liefde en vrede zullen dan alleen heerschen...
Jerusalem! Jerusalem! prachtvolle burcht, beloofd land der uitverkoornen, wanneer zal ik uwe schansen op de heuvelen des hemels zien prijken ! wanneer zullen uwe muren van jaspis en goud zich voor mijne oogen vertoonen, die eene schepping van meesterstukken en wonderwerken omvatten, alles wat de God des hemels. Zijne hoogste Majesteit, waardig, heeft kunnen bijeenzamelen, alles wat zijne almacht en liefde, ter
74
voltrekking van hei geluk zijner uitver-koornen heeft kunnen uitdenken !
O, hoe aangenaam zal het alsdan zijn, geleden, gestreden en gearbeid te hebben ! Dan is er geene vrees meer, de stad Gods is eene onoverwinbare burcht Geen kommer voor de toekomst meer. De toekomst der gelukzaligen is de onveranderlijke eeuwigheid, de eeuwigheid van God zei ven, de eeuwigheid zijner vreugde, de eeuwigheid zijns vre-des. Hef nu, o Israel! hef de gezangen van Sion aan, bezing met de engelen de heerlijkheid uws Scheppers. Doe met hen uwe dank- en liefdetonen schallen! Voortaan niets meer dan eene volmaakte eenheid, eene ontsluierde en onschendbare eenheid tusschen uw hart en het hart van uwen God, van hem, o minnende ziel, dien gij steeds uwen Jesus, uwen welbeminde en uw al noemdet.
Ja, mijn God, dan zullen de men-schen ondervinden, dat gij hen niet bedrogen hebt, wanneer gij weleer zeidet:
Zalig zijn zij, die vwvolging, verdrukking en armoede lijden; want in de eeuwigheid zal uw eigen erfdeel het hunne worden. Zij zullen deel hebben in uw koningrijk, en deszelfs schatten ja, deszelfs glans en luister zullen hem, die in de rampen dezes levens gelaten zal geweest zijn ter belooning strekken. . O, hoe rijk zal God dan zijn, hoe mild en edelmoedig, om der gelukzaligen honger naar rechtvaardigheid en dorst naar liefde te verzaden, om hunne vervolging, verachting, beproeving en strijd te bekronen!
O gelukkig, dnizendwert gelukkig zg die, in vrede met den Heer, het hoofd zullen nederleggen, om als zalige ge-nooden op het gastraaal der eeuwige vreugdefeesten te ontwaken.
O mijn God doe mij dan hier op de gloeiende kolen der beproeving gaan, maar ondersteun mij, en geleid mij tot aan de poorten der eeuwigheid; want u wil ik in uwe heerlijkheid aanschouwen, gij moet voor eeuwig mijne vreug-
de, mijn schat miiu rijkdom en mrjn loon wezen.
O zalige eeuwigheid ! van daag, morgen misschien nog, lijden, gebrek, en kwelling, maar daarna, o eeuwigheid! niets dan rust, niets dan geluk niets dan onuitsprekelijke blijdschap...
xvrir. Liefde-ontboezemiiig.
Ecu groot geroep iu de ooreu van God is reeds de brandende zucht van onze ziel, die zegt: mijn God, mijne liefde : gij zijt geheel de mijne, en ik ben geheel de uwe. Navolg, m, 5.
O mijn allerzoetste en allerliefste Jesns, u kom ik de volle liefde mijns harten opdragen. Ja, in weerwil der onbesefbare ellenden, die gij lietzelve toekent, o mijn Jesus! verzekert dat hart mij nog altijd, dat het geen loven, geene liefde, dan voor n alleen bezit. Gij zijt zijn hoogste, zijn eindeloos, zijn alverzadigend goed. Het overige is een niet voor zijne oogen, aan u geeft het de voorkeur, niet alleen boven al de vergankelijke goederen der aarde, maar ook boven al de schatten des hemels.
indien gij zelf er de eenige en hoogste waarde niet van waart.
Wat toch zonden de heerlijkheden van het eeuwig lustverblijf voor mij zijn, indien gij daarin niet woondet, o mijn God? Welk onheil, daarentegen, zouden de kruisen van een langdurig en pijnlijk leven, de ontbering en de ballingschap mij kunnen berokkenen, indien ik u daarin slechts mocht bezitten? Ja, u alleen, u zonder verdeeling, u geheel en gansch en altijd u alleen : ziedaar, wat mijn ziel verlangt, waarnaar zij streeft, wat zij bovenal met vurigheid zoekt.
O Jesus, die mij, van mijn eersten levensdag af zoo vele weldaden hebt geschonken!
O Jesus, die mij zoo dikwerf met uw vleesch en bloed, aan de heilige tafel, hebt gevoed!
O Jesus, die mij zoo dikwerf hebt opgericht en met troost overladen!
O Jesus wiens hart met het mijne dikmaals zulke zoete woorden heeft ge-
79
wisseld, zulke geheime en verrukkende verkeeringen heeft gehad!
O allerliefste Jesus, u bemin ik, u heb ik uit ganscher harte lief. Ja ik gevoel, dat elke hartklopping eene zucht naar u is.
Ach! zend dan alle vernederingen, alle kruisen, alle rampen en smarten op mij af; maar o, ik smeek u dit, onttrek mij uwe liefde niet; gedoog, dat ik u altijd als mijn eenigst, onverwisselbaar en onvergangbaar goed bemin-ne.. Neen, niets, o mijn God, niets op de aarde, niets in den hemel, niets in den tijd, niets in de eeuwigheid kan u vervangen...
Gg zijt mijne eeuwigheid. Gij zijt mijn hemel, mijn leven. Niets verlang ik, niets hoop ik, dan u alleen.
Ja in dit en het ander leven, in de voorbijgaande en de eindelooze dagen, één enkel goed, o mijn God! niets dan uwe liefde, niets dan u geheel. O, dan toch zal ik rijk genoeg ïijn!....
XVIII.
Godvriiclitige gedachten.
Gotl is liefde, eu hij, die iu de liefde volhardt, Llijft iu God eu God in hem.
Joau. IV, 1G.
Hij, die zijn hart aan de reine liefde van Jesus heeft toegewiid, wordt niet door vrees van bestraffing, niet door hoop op belooning, tot dienstvaardigheid aangedreven ; neen, hij bemint God om God; dat is te zeggen, omdat God de schoonheid zelve.... de goedheid zelve.... omdat God zijn Vader Ij.... Zijn eenig vermaak is God te behagen, zijn eenige vrees, hem te mishagen. Ja, ware er zelf geen hemel, geen hel, nog zou hij de vurigheid zijner liefde en achting, welke hij God toedraagt, niet laten verkoelen ; en niemand nochtans is meer beducht voor de hel, en meer verlangend
8l
naar den hemel; niet omdat eigenbelang hem hiertoe aanspoort, maar om de liefde, die hij voor God in het harte draagt. Ik vrees de rechtvaardigheid Gods niet, zegt hij, maar ik huldig dezelve, en echter doet de gedachte der hel mij beven, omdat God daar niet bemind wordt; omdat hij daar gelasterd wordt; omdat daar zijn evenbeeld vernietigd wordt, en zijne verdiensten en zijn bloed daar nutteloos zijn. Ziedaar, wat mij nacht en dag naar den hemel doet verzuchten, in afwachting van het gelukkig oogenblik, waarop ik zal mogen zeggen: God is over mij tevreden, al zijne oogmerken zijn vervuld, zijn werk is voltooid, en mijn hart is verzekerd, dat het hem eeuwig, zonder vrees of gevaar van hem ooit te vertoornen, mag beminnen.
De christene ziel, van de wereld ontbonden, heeft, zoo voor den tijd als voor de eeuwigheid, slechts één verlangen namelijk, om met Jesns vereenigd te worden door die onbesefbare eenheid,
4.
8-2
welker goddelijke schildering in den geheimen zang der liefde ons van verrukking vervoert: Mijn welbeminde is aan mij en ik aan hem; h ij sluimert tusschen de leliën, tot dat de dageraad aanbreekt en hel duister verdwijnt. Helaas ! wat zoekt gij buiten u zei ven ? Treed, treed in uw hart; bereid daar voor uwen hemelsclien bruidegom eene zijner waardige woonplaats, en hij zal komen en daarin rusten; want het is een vermaak voor hem het hart, dat hem verbeidt, te bewonen. Alsdan, alleen met Jesus, ver van het gerucht der wereld en der schepselen verwijderd, zal hij tot u als een vriend lot zijnen vriend spreken, en gij, verrukt door hem te hooren, zult nimmer naar iemand, dan naar hem alleen luisteren.
Ongetwijfeld zijn niet alle christenen geroepen tot dien verheven trap van v«lmaaktheid, welken zoovele beschouwende heiligen, die in de wildernis leefden hebben bereikt. Allen echter,
83
door liet gewoel en gerucht der samenleving omringd, moeten zich in het ge-geheimste huns harten eene eenzaamheid scheppen, waar zij zich kunnen afzonderen, om daar met Jesus te ver-keeren en zijn bijzijn te genieten. Aldus van de gedachten des tijds en der aarde tot die eeuwige zaken verheven, zullen zij weldra eenen walg krijgen van de dingen, die voorbijgaan, en zij zullen. even als ontelbare heiligen, die hier in de vergetelheid hebben geleefd, met den Apostel mogen zeggen: Ons leven is met Jesus Christus in God verborgen.
O Jesus! met den H. Joannes wenscli ik op uwe geheiligde borst te rusten, en mij, door mijn hart op het uwe te leggen, met liefde te verzadigen... Even als de beminde leerling, begeer ik, dat uwe liefde mij onderwijze....... Die leerling zeide, na rijpe ervaring : Be zalving leert ons alles. Die inwendige zalving uws geestes onderricht ons in
stilte..... Men bemint en men weet alles, wat men weten moet. Men is verrukt
en men wenscht niets meer te hooren.....
In het hart draagt men het zelfstandig woord dat de ruimte onzer zielen aanvult, alle waarheid vindt men in hetzelve.... o Jesus! o liefde! ik heb geen ander
boek meer dan uw hart..... Daarin
weet ik alles met niets te weten en mij zei ven te vernederen.....dan leef ik datzelfde leven, dat gij leeft in den schoot uws vaders ; ik leef van liefde ; de liefde werkt in mij... Zwijg dan, nieuwsgierige en waanwijze wereld; op de borst van Jesus heb ik die zalige onwetendheid en heilige droefheid den kruises geleerd, in welker vergelijking al uwe wetenschappen niets dan onkunde zijn.... Ik weet dan alios, en wil slechts het eenig noodzakelijke weten, namelijk de liefde. God is liefde!....
Het heilig hart van Jesus zegt een dienaar Gods, is de zetel aller deugden de bronwel aller zegeningen, de schuilplaats aller heilige zielen ; dat aanbid-
85
delijk hart brandt altoos van liefde voor den mensch, is altoos geneigd om allerlei genaden over hem uit te storten, is altoos door onze rampen getroffen, altoos gereed om ons te ontvangen en ons ter schuil-, woon- en rustplaats jn dit leven te verstrekken. Nadert dan dat hart, gij vooral, die met kruisen, bekoringen en ellenden overladen zrjt, nadert!....
De ziel, waarin de liefdevlam brandt, verlangt alleen naar den hemel, haakt alleen naar de eeuwigheid, en verzucht alleen naar haren Zaligmaker, die haar rustpunt, haar verlustingsoord is.
In Jesus vind ik duizende zoetigheden, hij is mijne vreugde, mijn geluk, mijn schat en mijn leven ; met volle teugen laat hij mij den kostelijken drank zijner liefde drinken, in mijn hart ontsteekt hij het vuur zijner goddelijke liefde......
Dat alles verga.... dat alles verdwijne...
86
dat alles mij verlate ! zonder moeite zeg ik aan alles vaarwel, omdat ik
God alleen zoek..... Hij is mijn eenig
goed, dat mij dierbaar is: Mijn God en mijn cd /
-êJ®8KS-
TWEEDE DEEL.
UITNOODIGING TOT DE HEILIGE COMMUNIE.
'Wie van dit brood eet zal in eeuwigheid leven. Joan, vi, 52.
d C
z t
a z z
c
VOORWOORD.
Hoe ongelukkig' zijn zij, die zich van de heilige ïalel verwijderen ! De eerste Christenen naderden alle dagen tot dezelve.
Hoe ongelukkig zijn zij die, hoewel zij bij de heilige Offerande der Mis tegenwoordig zijn en hunne broeders aan het feeetmaal der engelen zien aanzitten , nochtans na een blik op zich zei ven geworpen te hebben, verklaren dat zij zulks niet waardig zijn !
Ongi lakkig zij, die, terwijl, ze hunne hongerige broeders zien toesnellen, nochtans zeggen, dat zij zeiven geen honger hebben en niet behoeven te eten; ongelukkigen, want den hongerigen naaiden God van liefde, is de eeuwige verzadiging beloofd.
Wee u, onwaardigen en onverschilligen, wee u duizendwerf! want de
90
menscli kan op aarde dikwerf en heilig te Communie gaan; een brandend verlangen sluit een diepen eerbied niet uit. Wee u, want de Heer spuwt diegene uit, die eenen walg hebben of onverschillig zijn.
Wee ook degene, die niet durven, want zij, die op aarde uit zijn aanbid-delijken kelk niet willen drinken, zullen eens, ondanks hunzelven, den kelk-zijner gramschap ledigen.
' Voor dezulken zijn deze bladzijden niet geschreven ; neen, zij zijn slechts bestemd voor die godvruchtige personen, in wier hart zij weerklank vinden ; voor de dischgenooten aan het feestmaal dei-Engelen. Hen roep ik toe : schept moed, Christenen, ondanks de wereld, de opofferingen en beproevingen, schept goeden moed..... De Communie op aarde,
hoe zoet reeds, is slechts een voorsmaak van hetgeen wij in den hemel zullen smaken.
Doch de Heer heeft ons die voorsmaak reeds hier beloofde Hïgv is het
91
brood, dat uit den hemel is nedergedaald. Diegene, die er van eet, sterft niet en bezit hel eeuwige leven, en ten jongste dage zal ik hem verwekken. Hechten wij ons dus sterker clan ooit aan de gelukkige en heilige gewoonte vast, van een Sakrament te ontvangen, waar alle goed uit voortvloeit; ja alle deugden des Christen-doms vinden daar hun oorsprong, geloof, hoop, liefde, ootmoedigheid, liefde tot liet kruis, liefde tot de afzondering, tot stilzwijgendheid, onderwerping aan den wil vau God, zelfverloochening. Ja daar vindt men alles: alle troost, macht, liefde, vurige liefde, reine liefde. Wel! hoe zal dan de ons omringende gloed, die de engelen in zulk een verheven liefde ontvlamt, ook in ons niet een weinig liefde ontsteken ?
O mochten deze weinige regelen iets goeds uitwerken! mocht God ze zegenen ! Dit wensch ik uit geheel mijn hart, dit smeek ik Hem van zijne goedheid af.
1.
De proeftijd voor den Hemel.
Gelijk dc leventle Vader, mij gezonden heeft en ik voor den Vader leef, zoo zal ook die mij eet, voor mij leven. Joan, vi, *58.
Aarde, gij zijt voor ons slechts een doortocht, een tranendal, eeue treurige ballingschap ! Dagen van vermoeienis en ellende, dagen van dikke duisternis en hitter bedrog, welke de menseh op aarde doorbrengt! Doch in den hemel wacht hem de eeuwige rust, in den hemel de waarheid en het licht, in den hemel alle goederen, welke Christus aan zijne leerlingen beloofd heeft, die moedig in het strijdperk der zaligheid zullen gestreden hebben. En opdat wij met moed op den weg der zaligheid zouden voortgaan heeft de in zijne
93
oneindige barmhartigheid zoo goede God, op den tocht van den tijd naar de een-wigheid, bronnen gesteld, waaraan wij onze ziel kunnen verkwikken en nieuwe krachten kunnen putten. Die bronnen zijn de Sakramenten : het heilig Sakrament des altaars is uitstekender dan de andere, wijl het niet alleen de genade mededeelt, maar den oorsprong der genade schenkt,
Zoo kunnen wij, met God in de heilige Communie te bezitten, waarlijk zeggen, dat wij alles bezitten, wat het verblijf der uitverkoornen bevat; alles wat er het geluk en het leven van uitmaakt; alles water, de geheele eeuwigheid door, de gelukkige en onverklaarbare bezigheid zal zijn.
Met God zich door de heilige Communie vereenigen, hem dikwerf daar ontvangen, hem er met liefde ontvangen, is dus reeds doen onder den hemel, hetgeen wij in den hemel zelve zullen doen, wat wij geroepen zijn eeuwig te doen. Dit is zich vooruit te
94
gewennen aan de taal der nieuwe wereld, waarin wij na dit leven geen onderricht meer kunnen ontvangen; dit is onze harten toetsen aan de goddelijke liefde, die ze in den eeuwigen luister onverdeeld moeten bezitten ; dit is het voorspel tot de schoone gezangen, welke wij met do engelen zullen aanheffen; dat is in de ballingschap beginnen, hetgeen wij in het vaderland zullen voleindigen.
Gelukkige roeping, God in de oneindige opvolging der eeuwen te prijzen, te verheerlijken, te danken! Doch hier op aarde wordt deze roep beproefd. In de heilige Communie hebben wij den zaligen proeftijd, om tot de gemeenschap der heilige vrienden van Jesus te worden toegelaten. Hier de proeftijd, in den hemel de gelofte !.....
O zalige proeftijd der heilige Communie, gij ontvangt mij aan een geurenden disch, om mij eens de zoete spijs van 't feestmaal der uitverkoornen te doen smaken. Op aarde, opent ge mil
93
slechts de bruiloftszaal van liet Lam, om mij later aan zijne eeuwige bruiloft te ontvangen.
Zalige proeftijd, uwe kortstondige, doch dikwerf hernieuwde vereeniging, met den God des hemels, is reeds het schitterendste proefstuk van den onverbreekbaren vereenigingsband, welken Hij, in den luister van zijn verblijt hechter zal toehalen.
Ja, de proeftijd door de heilige Communie, om daarin te smaken, om daarin onder onze zwakke tenten denzelfden God te danken, dien wij zullen smaken eu danken in den hemel.
De proeftijd op aarde, om van onze verachtelijke woningen Gode welgevallige woonsteden, en eeuwigdurende tempels te maken, waarin de opperste liefde zich wil verwaardigen reeds hier het rijk van lielde te stichten, dat zij in de heilige stad zal voltooien.
De -proeftijd op de aarde, in de ver-eeniging van Jesus onder den schijn van brood, om ons met vurige liefde
9(3
te doen verzuchten naar het geluk van hem van aanschijn tot aanschijn, gelijk hij is, in den schoot zijner uitverkoor-nen te bezitten.
De proeftijd op aarde, om ons in de heilige Communie, op aarde eenen voorsmaak te geven van de Communie des hemels; om ons, in de verzadiging aan dit goddelijk feestmaal, een meer brandenden, en meer onleschbaren dorst naar de hemelsche rechtvaardigheid te schenken.
De proeftijd op de aarde en de proeftijd des hemels, om ons tot de heiligheid van het altaar der aarde, tot het altaar in de Hemelen, van de tafel in de ballingschap, tot de tafel in het vaderland uit te noodigen.
De proeftijd voor den hemel, opdat de intrede van Jesus in ons hart, ons met vurigheid naar het vertrek uit dit loven van ellende mocht doen verlangen, om in een onsterfelijk en roemvol leven in te gaan.
De proeftijd voor den hemel, opdat
97
onze aanbidding' en onze dankbetuiging aan do heilige tafel de voorzang tot danklieden moge zijn, welke wij in de eeuwige tabernakelen zullen doen â weergalmen; daar, waar nimmer de aanbidding, de dankbetuiging, de liefde zullen ophouden.
5
107
II.
De Heer is daar.
ZieJaar de Meester. Hij vraagt naar u. Op dit woord stond Maria dadelijk op, eu giug uaar hem toe.
Jois. xr, 28^ 39.
De Heer is daar..... Dit woord, dat
zooveel vreugde verschaft aan degenen die Jesus vurig beminnen; dit woord, dat hun hart ontroert en hen zich doet haasten, om zich aan zijn goddelijken maaltijd te begeven; dit woord wordt helaas! door vele andere Christenen, koud en onverschillig aangehoord. De Heer is daar, roept hun de Kerk toe, en zoo gij hem in uwe woning niet ontvangt, sterft gij voor de genade. Tenzij gij het vleesch van den Zoon des rnenschen eel en zijn bloed drinkt, zegt Jesus zelf zult gij het leven in u niet hebben.
00
Maar altijd gevoelloos voor zulke dringende en eervolle vermaning, be-rooven zij hunne ziel van het eenige voedsel dat haar kan doen leven. De God des hemels noodigt hen aan de tafel van den algemeenen huisvader, maar de aarsche aangelegenheden, de bovenmatige zorgen der wereld trekken hen onophoudelijk in den woedenden draaikolk der nietigheden. Eeniggoud, een stoffelijk goed, beuzelachtige vermaken, die binnen eenige dagen aan de poort des grafs zullen ontnomen worden, ziedaar, wat de onzinnigen verkiezen, boven het onderpand der onsterfelijkheid en het zegel van een eeuwig luisterrijk leven, dat hun wordt aangeboden.
O, in de schoone dagen van hunne kinderlijke onschuld, bezaten zij een zuiver hart om Jesus aan te bieden en als gelukkige dischgenooten, verdrongen zij zich aan zijne tafel. Thans hebben de stormen der wereld het veld des Hee-ren verwoest, hun hart stort die ver-
100
zuchtingen niet meer, op hun voorhoofd blinkt niet meer die reinheid der Engelen. Alles is geschonden; hunne ziel sleept zich voort door een leven met last en bitterheid bezaaid: de vermaken der aarde en niets dan de aarde: ziedaar alles wat hun overblijft; de uitgezoch-ste spijzen aan de hemelsche tafel worden opgedischt, de goddelijke drank, die, de geheele eeuwigheid door de wellust der uitverkorenen zal uitmaken, wordt geschonken ; doch dit is overgelaten aan de blinden, de armen, de kreupelen; de onwetenden en de een-voudigen. Zoo ziet men de dienaars met overvloed begiftigd en met volle teugen, aan die bron der hemelsche geneugten, hunnen dorst lesschen, terwijl de gelukkigen dezer eeuw, in dit leven, de verborgene droefheid van een verontrust en nimmer vredesmakend gemoed blijven verduren, en, in het andere leven de smart van een verscheurenden honger en van een de ingewanden verterenden dorst zullen gevoelen.
101
Wat is er van die schüone eeuwen des Christendoms geworden, toen men de onverschilligen, zoo weinig in getal, nog kon tellen en ze met den vinger aanwijzen ? Waar zijn die gelukkige dagen? Waar die tijd van heiligen ijver, toen een Theodosius, nederig geknield aan de deur der kerk, het keizerlijk purper met asch en tranen bedekte en Am-brosius om de liefde Gods bezwoer, hem vergiffenis te schenken, ten einde aan de tafel der kinderen te kunnen aanzitten? Toen kende men waarfijk het geluk van te communiceeren. De Heer was immers daar. Hij was wezenlijk de levenskracht der zielen.
O mensch! waarom thans die laffe onverschilligheid ? Voedt dan het manna des hemels reeds te lang de kinderen der woestijn ? Wilt gij dan nog langer, met uw walgen en verachten, de verkwistende goedheid van uwen God vergelden ?
O mijn God! gij zijt nochtans de verwachting der volkeren! gij die reeds
102
voor nwe komst op aarde, waart; gij, het voorwerp der verlangens en vurige verzuchtingen van de aartsvaders, de profeten en heiligen van Israël; en thans, mijn God, na uwe komst, thans na zulk een langen tijd, waarin gij de belofte van met ons te blijven vervult, thans na zoovele verloopene eeuwen in eene oneindige, bovenmatige, onverklaarbare liefde, die nooit ontrouw is geweest, vindt gij den mensch onverschillig voor zulle eene groote liefde.
Ongelukkige Christenen, die slechts den naam van Christenen draagt, die u zeiven verlangt en u buiten de gemeenschap der heiligen stelt; trouwe-looze leerlingen, die hem verlaat of voor eene dienstmaagd beeft; gij durft niet verstandig zijn, omdat de onzinnigen n zouden uitlachen ; gij durft niet naderen tot de tafel, welke duizende engelen met hunne vereering omgeven, gij durft daar niet gaan aanzitten, wijl rampzaligen, van wier lippen slechts onzin en domheid vloeit, uw geloof zouden bespotten!
103
0, welke keten is 't menschelijk op-zickt, dat den Christen, als een lagen slaaf, zoo schandelijk gekluisterd houdt! Kon het Christendom, dat de slavernij verbroken heett uwe kluisters niet verbreken en u in vrijheid stellen ? o Christen ! daar gij uwe lippen niet aan den kelk van Jesns aanbiddelijk bloed durft brengen, vrees dan ten minste eens uit den beker zijns toorns te drinken; vrees dat hij u van dit unr af, in uwe ijselijke onverschilligheid late insluimere, om u niet eer uit uwon slaap op te wekken, dan wanneer de donder zijner eeuwige gramschap over u zal losbarsten.
O mijn God! moet men dan den mensch met straf bedreigen, om hem tot het zalige genot uwer heilige liefde over te halen. Waarom toch, mijn God, volhardt gij, om u zeiven aan uw schepsel te schenken, daar dit ondankbaar schepsel u halstarrig ontvlucht?... Kan dit uw geluk dan vergrooton ! Laat het veel liever verdwalen en smachtend
«)4
van dorst op het brandende zand der â woestijn bezwijken. Verlaat de aarde, die u bespot en veracht, en blijf in de hemelen, waar de engelen u loven en aanbidden.
Maar neen, God is geheel liefde. Wanneer het liefde voor zijn schepsel betreft, kan hij alles. Dit zal altijd het-wondasbaarste, het diepste, het on-peilbaarste zijner geheimen uitmaken.
Ja, onze God zal immer onder ons blijven. Voor tien rechtvaardigen zoude hij Sodoma gespaard hebben, voor tien rechtvaardigen zal hij nogmaals toestemmen, de verachting en de lasteringen van een millioen onverschilligen, te verdragen. God heeft de zijnen, zijne welbeminden, zijne kinderen ; en met dezen stelt hij zich schadeloos voor de lafhartigheid des verraders.
Bij mijn ontwaken, zal ik mij in den schoot van Jesus werpen !.... De Heer is daar!... Nog een oogenblik en ik zal mij aan zijne tafel nederzetten, ik zal hem in mijn hart innig omhel-
105
zen, en dit hart zal zich in het zijne, in betuigingen eener onuitsprekelijke liefde Terliezen!...
O ja, dit zijn de gevoelens dergenen, die door een weinig geloof slechts bezield worden; en Jesus weet dit, en Jesus schept er vermaak in, om met hen te wonen, en in zijne onverklaarbare liefde stemt die goede God toe, om voor hen alles te verdragen, tot zelfs de onteering der heiligschennis... gelijk hij reeds voor ons allen, op den kruisberg, de bespottingen en den dood aan het schandhout had willen verduren.
O mijn God! hoe diep, hoe peilloos is de afgrond uwer oneindige liefde! Ach, blijf, blijf altijd, o mijn God! wijl het uw vermaak is, blijf altijd om uwer kinderen wille, geef ons opdat dit tegen de traagheid der wereldlingen op-wege, geef ons, al den ijver der eerste Christenen, al de liefde van die kampvechters des geloofs, op wier gelaat, bij het verschijnen aan de heilige Tafel, Kl7 5
106
in de diepte der Katakomben, ver-torsen, de sporen van het vuur der vervolging nog blonken. O zij beminden u o God, gil waart wezenlijk daar. Gij ontvlamdet in liefde tot u, de harten van hen, die niets zoo vurig wenschten, dan den brandstapel te beklimmen, of onder den tand der leeuwen verslonden
te worden.... .. n .
Ontsteek dan in ons, o mijn boa, een weinig dezer liefde 5 dat wij gansch blaken van liefde, wijl ons dezelfde voor-deelen geschonken zijn, wijl gij aan ons u zeiven geheel en al schenkt.
Uwe liefde, uwe grootste liefde, 0 mijn God! want de engelen zouden onmachtig zijn, om u genoeg te bedanken voor de liefde, welke gij zelf het eerste aan ons in de heilige Communie zoo buitensporig verkwist.
III.
God iu ous.
Die mijn vlecsch eet ca mijn bloed drinkt, blijft iu mij, eu ik in hem.
Joan, vr, 57.
Slechts één leven hegeer ik in mijn hart; het leven van God in mij... Wijk, aardsche liefde, vluchtigeschaduwheelden, die den mensch een oogenblik vermaken, om hem later des te zekerder ia het verderf te storten ; verdwijnt, be-driegelijke hersenschimmen, die op het graf uiteenstuiven, ik duld maar ééne liefde in mij, die alléén eeuwig, alléén onvergankelijk is, gelijk het voorwerp dat haar onderhoudt.
God in ons door de genade, God in ons door de heilige Communie, ziedaar, het eenige goed, dat de mensch behoort te zoeken. Daar is de God van het
â 108
Evaugelie, de God van ware kennis, de God van alle waarheid; daar is het brandpunt, waaruit, langs alle zijden, op ons verstand de stralen der opperste wijsheid nederschieten. De zachtaardigheid der liefde, de sterkte des geloofs, de onderwerping, het geduld en al de deugden van den Christen; dit zullen de vruchten zijn van den booni in onze harten geplant, dit de stralen dei zon van rechtvaardigheid, door de heilige Communie in onze zielen geplaatst.
God in ons.... zoo communiceeren wi] op aarde. Wij in God.... zoo zullen wij communiceeren in den hemel. O zoo gij in ons in den tijd verblijft, o mijn God! zullen wij gewis in de eeuwigheid in u verblijven. Zoo wij door u leven, onder de menschen, zullen wij in het midden der engelen zeker door u leven. Zoo wij uwe vrienden zijn in dit leven, zullen wij dit ook wezen m het andere, zoo wij uwe tempels zijn op aarde zult gij de onze wezen in den hemel.
lOU
God in ons op aarde en in den hemel.... en nooit scheiden, altijd ver-eenigd blijven ; eeuwig in God uitgestort, in God alleen ademend....
God in ons.... o neen! het geluk van met Jesus te wonen, is niet, bij uitsluiting, het verblijf in die eeuwige woonstede ; God is in ons door zijne liefde! in de heilige Communie is hij er daarenboven waarlijk, wezenlek, met lichaam; ziel en godheid. De geheele uitgestrektheid der hemelen kan hem niet bevatten, en in de zwakke woning van 's menschen hart plaatst hij zijn heiligdom en zijnen tempel. De plaats is eng, waarom is zij dan nog door de aarsche bekommeringen overweldigd ? O mensch, gij arm schepsel, breid toch het gebied uws harten uit, dat geene hoogmoedige genegenheid het reeds zoo bekrompen plekje, dat gij in uw ballingschap bezit, aan God nog kome betwisten. Vergroot, vergroot gij zelf, o Heer, die zoo kleine woning; dat mijne ziel bij het verlaten der aarde,
no
ruim genoeg zij, om u in de hemelen te bevatten, als daar het licht en de zaligheid in stroomen op ons zullen nederstorten.
God in ons.... In ons zijn leven, zijne liefde, zijn vrede, zijne goedheid, zijne zuiverheid....
God in ons als wetgever; dat hij daar regele, daar gehiede, daar alles beschikke naar zijn welbehagen... Als koning; dat hij zijn koningrijk her-kenne, dat geen enkele zijner onderdanen, geen enkele onzer gedachten aan zijnen wil niet gelijkvormig zij. Als rechter, zal hij ons geen onverzoenbaar, en vervaarlijk aangezicht keeren, hij, die ons in zijne goddelijken maaltijd zoo veel troost, leven, hoop, vergiffenis en vrede heeft gebracht. Als vriend; dat hij het reukwerk onzes harten, de zalving der liefde zij: laat ons hem getrouw zijn, en hij zal ons ook getrouw wezen tot in de eeuwigheid.
God in ons.... en zoo gij in ons zijt, o mijn God! wat zal ons dan onmoge-
Ill
lijk zijn? gii voor ons, wie zal dan tegen ons zijn? Zijt gij niet de leeuw van Juda, de nieuwe Samson, de machtige God, de God der heerscharen? Met u, zal noch de rampspoed, noch de strijd, noch de vervolging met hare pijnbanken en brandstapels iets op ons vermogen, en met u, o mijn God, bekleed, zal onze ziel zuiver en altijd van uwe liefde brandende blijven, tot in het eeuwige leven. O bewaak ons in onze onstandvastigheid, maak ons rijk in onze armoede, ondersteun ons in onze broosheid, versterk ons in onze zwakte, spoor onze kleinmoedigheid aan, verwarm onze lauwheid, onderschraag deze geheele woning, maak deze dorre aarde vruchtbaar, o God, leef in onze harten, dan zullen wij door uwe gunst, op de baren zachtjes voortgestuwd, zonder schipbreuk in het vaderland aanlanden.
God in ons ... Ja, dit is een grooter geluk, dan dat der herders, die hem slechts in de kribbe konden aanbidden ; dit is een grooter geluk dan dat van
112
Simeon, die hem slechts op zijne arme» droeg; wij omhelzen hem, in de heilige Communie, in het binnenste onzer harten.
God in ons.... Wel hoe! kunnen wij dan nog eene plaats aan de schepselen geven ! De God des hemels vervult er de geheele ruimte van. O mensch wat zijt gij arni en ongelukkig, als gij naast uwen God, die er vermaak in schept om over uw hart te heerschen, toestaat dat de verwaande nietigheden dezes levens, de groota aangekleefd-heid aan het vergankelijke, en zoo vele verlangens, die in geenen deele met zijne liefde stroken, met hem in nw binnenste verblijven. Leg dan, mijne ziel, al het nietige der schepselen af, en sterf, in het gelukkige bezit van uwen welbeminde, voor alles, wat hij niet is; vergeet dan u zelven geheel en al, in de oneindigheid zijner liefde.
God in ons... In ons de troon zijner barmhartigheid cn do zetel zijner liefde.
1 13
Vragen wij hem tranen over 't ver-ledene en opoffering voor het toekomstige. O mijn God! door u leven, omdat gij in ons leeft! Wat verlangen wij nog, wat beminnen, wat verwachten wij, als wij u niet verlangen, als wij u niet beminnen, u niet verwachten ?
_ God in ons... De vader in ons, gelijk hij in Jesus en dezen in den Vader is. Weet en geloof dat de Vader in mij is, en ik in den Vader. In ons do welbeminde Zoon, het welbehagen des Vaders; in ons de heilige Geest, do band van liefde die den Vadsr cn den Zoon vereenigt; in ons de voltrekking der ontzagwekkende Drievuldigheid, in de éénheid der drie aanbiddelijke personen ; in ons de gansche hemel, behalve de engelen ; in ons het geheele vuur der oneindige liefde.
O wie zal ons dan van de liefde Gods scheiden ? Wie zal ons terughouden om tot Jesus te naderen ? Wie zou ons kunnen weerhouden, om niet meer naar de heilige Tafel, dan naar den
114
hemel te verlaugen, zoo, na de afbeelding en schaduw, de innige vereeniging met God ons geluk nog niet moest uitmaken ?
Mijn God, dat ik in u ben gelijk gij in mij zgt.
Wanneer zal ik kunnen zeggen; mijn leven is iu God met Jesus verborgen. Ik leef niet meer. Ik ben gestorven. Jesus Christus leeft alleen wezenlijk in mij.
IV.
Het Brood der Keizenden.
Ziehier het brood der engelen tot voedsel der reizenden.
Lofzang der H. Kerk.
Hoe zoet is voor den vermoeiden reiziger, het honigraatje dat hij met zijn stok uit de boom holte losmaakt! Hoe zegent hij de verkwikkende en heldere bron, die voor hem uit de onvruchtbare woestijn-rots ontspringt! Ook aan ons, pelgrims in de droevige levens-woestijn, biedt de heilige Communie hare honigraat en hare verkwikkende wateren aan. Diiar in die bewonderenswaardige en geheel hemelsclie vereeni-ging, baden wij ons in de genoegens zeiven der oneindige liefde, aan des levens eigen oorsprong. Gelukzalige vermenging van het vleesch van God met ons vleesch.
116
van zijn bloed met ons bloed, van zijnen eeest met onzen geest, van zijne godheid met onze ellende; gelukzalige vermenging, gij schenkt ons het leven van God zei ven!... .. â ,,
Hoe geurig is uw wijn, o mijn boa. waarmede gij onze bekers aan uwen heiligen maaltijd vult. Hoe voedend en smaakvol is uw brood dat gij ons geelt. Weikeu moed en kracht schenkt net ons in het midden der wanhopende at-matting dezes levens. Het is waarlik het brood des levens, het brood der Engelen, want daarin is de smaak verborgen van elke deugd, van^ alle godsvrucht, van alle volmaaktheid en alle heiligheid. Dit brood bestaat uit de wonderen der goedheid Gods voor de menschen ; dit is het vleesch geworden woord, door een buitensporige lietcle ons ten voedsel gegeven.
Wonderlijke leeftocht van den reizende, Alle kracht wordt hem gegeven, alle moed wordt hem in deze voedzame spijs aangeboden. Daar kan hij tol-
ken dage zich ophouden, om levensmid delen voor de ziel op te doen, ten einde moedig op den weg voort te snellen en den grenspaal te bereiken. Thans is het geen engel, die hem gelijk weleer aan Elias, brood en water verschaft, opdat hij zijnen tocht naar het heilig land mocht voortzetten; maar het is God zelf, die door hem met zijn vleesch te voeden, de ondersteuning, de beschermer en de trouwe deelgenoot zijner vermoeienissen wordt.
Ach wat zou onze woestijn ijselijk wezen zonder hem; wat zou zo dor en treurig zijn! hoezeer hebben wij dit gezegend brood noodig! hoe behoeven wij dien getrouwen vriend, die ons nooit verlaat, maar altijd aanhoort en troost! Ja, daar bij het breken des broods herkennen wij onzen getrouwen reisgenoot, die dikwerf ons verlicht, geruststelt, aanmoedigt en ons met troost en kracht vervult.
O mijn God, geef ons altijd honger naar dit brood, hetwelk het geloof
118
onderhoudt, de liefde versterkt en altijd doet leven. Geef ons steeds van dat breed, opdat wij op den weg niet van honger bezwijken, en maak, dat wij daardoor met een vasten tred den heiligen berg, waar God dan onze beminde cn eeuwige bezitting zal zijn, moedig bestijgen.
V.
De bekende Gastvriend.
Jesus ijeide ; Zaclieus, kom haastig af, waut ik wil vandaag bij u verblijven.
Lue. xix, 5. C.
Wie is er in staat te verklaren, welke liefde er vonkt, welk edelmoedige uitboezemingen er branden in eene ziel, door de liefde van Jesus ontstoken!
Ja, ik stijg af, o mijn God! omdat gij bij mij wilt huisvesten. Ik spoed mg, ik snel vooruit, om u mijne woning gereed te maken. Doch de woning der beminnende en waarlijk godvruchtige zielen, is altijd gereed. Jesus doet er niet, gelijk bij Zacheus, zgne intrede voor de eerste maal, zij is reeds duizend maal door zijne tegenwoordigheid gezegend en geheiligd. Hij neemt er bezit van, als van zijn eigendom, hij treedt
120
daar bij de zijnen in; hij is er de bekende gast.
Voor die zielen, die zich oprecht aan God hebben gegeven, en op aarde leven al waren zij reeds in den hemel, voor de zielen is Jesus het leven, het gewone voedsel, de welbeminde, zonder wien alles kwelling en droefheid is. Voor haar bestaat er geen geduld zonder hem ; ontneem haar alles, maar laat haar Jesus. Veroordeel ze tot alles, maar onthoud haar het genot van Jesus niet. Haar hart heeft in den afgrond zijner liefde wortel geschoten; daar vindt het zijne groeikracht: Dat hart zou verkwijnen, zoo het niet voor Jesus klopte.
O welk onverklaarbaar verlangen tot de heilige Communie gevoelen die minnende en van den goddelijken Bruidegom zoo beminde zielen! vinden die engelachtige zielen, daar geheel hunnen Jesus niet? Wat zou ik in den hemel en op aarde hegeeren, tenzij u mijn God? Welk goed bezit ik bui-
121
ten u? Wat gaat mij het overige aan? Geen goed verlang ik tenzij u, Jesus j u Jesus alleen...
Dikwerf gingen godvruchtige christenen de stormen des Oceaans en het brandende zand der woestijnen tarten, om op het graf des Heeren te bidden, en den grond door zijne voeten betreden, to kussen. Maar bezit men niet denzelfden Jesus in de heilige Communie ?
Om het hemelsch vaderland te bereiken moet men ook al de gevaren vau een leven, vol strijd en beproeving, moet men ook den zengenden middaggloed verduren: maar diezelfde Jesus, die in de hemelen het geluk der engelen is, maakt ook de wellust der heilige ïafel uit. Ziedaar de reden, waarom wii in het geluk van te communiceeren, geheel de aarde vergeten. Ziedaar de reden, waarom wij gaarne den hemel vergeten, als wij gevoelen dat Jesus in onze harten is nedergedaald. Wat zou de hemel zonder Hem voor ons zijn. Is 107 'g
122
hij er de vreugde, de liefde, de luister niet van?
O ougeschapen schoonheid, oneindige wijsheid, opperste goedheid, wat is alles zonder u, wat anders dan ijdelheid en niet? Gij zijt de eenige waarheid, buiten u ontdek ik niets, dan bedrog en leugentaal. Gij zijt ons begin en ons einde ; gij zijt die voor de gansche eeuwigheid onze hoop kunt vestigen ; de eenige, die rijk genoeg is om de oneindigheid onzer verlangens te vervullen, en den honger naar het hoogste geluk, die ons verteert, te verzadigen.
O ja, ik zal tot u snellen, o mijn God, omdat gij, zonder af te wachten dat ik u zoeke, zelf mij roept en aanspoort, om tot u te gaan. Ik zal mij het oneindige goed der heilige Communie ten nutte maken ; ik zal mijn voordeel doen met eene gunst, welke de engelen mij benijden. Mijne ballingschap zal ik zegenen, of ten minste zal ik mij getroosten, wijl ik mij, met den God in mi] te ontvangen, die mij-
123
ne blijdschap in het vaderland zal zijn zoo overvloedig kan troosten. Ik zal u ontvangen, o mijn God, zoo dikwerf ik vermag wijl het de heiligste daad is, welke ik kan verrichten,cn de verdienstelijkste, welke ik voor den hemel kan doen; wijl ik honger heb en zonder dit brood het leven niet zal hebben ; wijl ik moet strijden en ik kracht en moed noodig heb, wijl men in het bezit van u, o mijn God, de liefdedaden vermenigvuldigt, wijl ons vertrouwen u aangenaam is ijj ons geloof u vor-heerlijkt; will gij de opperste zaligheid zijt in dit leven en in de eeuwigheid.
VI.
Kust aan liet hart van Jesns.
I)e. leerling, welken Jesus Lemiiit, rustte in het Avondmaal aan zijn hart.
Joan, xiii, 35.
Hoe zoet is de rust eener godminnende ziel in de heilige Communie! Ongestoorde rust van onze verlangens, van onze begeerten, vau geheel ons hart, in het verlangen, in de begeerten en in het hart van Jesus. De ziel vergeet alles wat haar omringt, als ware het afbeeldsel van haren laatsten slaap in de armen van haren Heer. Zij sluit de oogen, voor alles wat vergankelijk is, ©n haar worden als 't ware reeds gelijk den rechtvaardige in zijnen dood, de hemelsche geneugten ter aanschouwing getoond.
Eindelooze, onuitsprekelijke en kostbare gunsten, bewonderenswaardige
quot;lüo
voorrechten die de mensch door de heilige Communie ontvangt! Ondanks den grenzenloozen afstand, welke ons van God scheidt, is de onpeilbare afgrond gevuld, 's menschen aanzijn wordt op eene wonderbare wijze in de liefde van God versmolten. Hij is aan de borst zijns Meesters neergezeten. Zijn hart klopt aan het hart des Heeren. En wie kan de verbazende geheimen en de verborgenheden der liefde ontdekken, die aan de heilige ziel getoond worden1 Wie kan dat zuchten, dat klagen, die vurige verlangens, die heilige uitboe-zemingen vertolken, waarvan deze onverklaarbare vereeniging voor haar de overvloedige bron is ? De verzadiging zelve aan dezen hemelschen disch, brengt eenen nog meer brandende dorst naar rechtvaardigheid en liefde voort.
Jesus zegt tot de ziel: Kom, mijne welbeminde! en de ziel zegt weder-keerig: Kom, mijn goddelijke bruidegom, kom! maar hoe ! ben ik niet bij u? bezit gij mij niet geheel en al? o
-126
Heer! kom toch om altijd bij mij te blijven, kom en verlaat mijn hart niet meer! O ik wordt ongeduldig, om slechts u alleen te bezitten, en dan u nooit meer te verlaten; en dan ontstaat er tusschen Jesus en de ziel eene heilige wisseling van begeerten, en liefde, en â verzuchtingen; wordt de ziel met een onoverwinnelijken moed bekleed tegen de zware dagen van strijd en beproeving welke zij nog moet verduren.
O heilige Communie ! hoe doet gij ons zoo naar Jesus hongeren. O mij9 God! zult gij spoedig, door de vereen i-ging m den hemel, de Communie op aarde komen voltrekken. Onthecht mijn hart aan de schepselen, 0 mijn God! ontdoe mij van de aardsche banden Heer! opdat ik tot de eeuwige woonstede, waar gij verblijft, kunne opstijgen.
Welke ook de ontberingen en het lijden zijn, die gij in den beker mijner nederige levensdagen mengt, 0 Heer! doe ray u altijd en ondanks alles beminnen met eene vurige liefdquot;, met eene . op-
127
offerende liefde, met die liefde, die u het aangenaamste is; opdat na hier gesluimerd te hebben in de zoete rust, welke gij mij toestaat, ik in het eeuwig verblijf, waar uw aanschijn alleen het geluk der zaligen uitmaakt, moge ontwaken.
VII.
De genoegens der heilige Tafel.
Zie en smaak hoe zoet de Heer is. I's, CXV.
Gij, die aan uw hart de aardsche wellusten laat knagen, en uwe ziel ten prooi geelt aan hersenschimmige vermaken ; gij, die u, door de vluchtig schil terende begoocheling der wereld laat verleiden, terwijl gij naderhand door don angel van naberouw en gewetensangst verscheurd wordt; gij, die geene hoop op de toekomst meer hebt; gij; wiens hart, door den wellust verflauwd, de taal der liefde niet meer bezit, om met de engelen te spreken, gij, o wereld-l;ng! wat zrjt gij ongelukkig... wat zijt gi] met uwe schatten, met al uw geluk te beklagen; wat benijd ik, in mijn zaligen toestand van aan Jesus tafel verzadigd te worden, weinig uwe dnizenderlei genoegens.
129
Gewis, moet men aan den aardsch-gezinden mensch, die nooit naar het brood des hemels hongert, niet spreken van het geluk der heilige Tafel. Dat geluk moet men smaken, om het te kennen. Men moet die onverklaarbare zielsbedwelming, die zalige verrukking gevoeld hebben, omdat de God, wien de ziel bezit, haar begin, haar einde hare hoop, al hare vreugde, al haar goed, en geheel haar leven uitmaakt... Men moet die altijd onvoldane verzadiging, die altijd hernieuwde dorst, die tranen van geluk, die zaligheid, die reeds een voorsmaak der hemelsche geneugten zijn, gekend, men moet God gevoeld, men moet geheel zijn hart aan God gegeven hebben; men moet zich in de volmaakte overeenstemming met Hem, waar de deugd 's menschen hart in plaatst, bevinden, om te begrijpen, hoe genoegelijk voor den christen de heilige Communie is.
O hemelsch feestmaal, hoe weten uwe gelukkige genoodigden de nietigheid 107 6.
130
van de beloften der wereld te schatten, de naaktheid van hare eerzucht, van haar geluk, van hare bedwelming en hare feesten te waardeeren.
Mijn God, welke groote vergelding en troost hebt gij voor uwe geliefden beschikt. Wij hadden in 's levens rampwoestijn dit gezegend brood noodig, o mijn God ! want wij, zwakke schepselen, die zoo vaak uwe weldaden vergeten, wij zouden wellicht op de aarde zijn voortgetreden zonder ons nog den hemel te herinneren; maar aan de hemelsche Tafel bevroeden wij, wat de eeuwige gelukzaligheid zal zijn; daar doet gij ze ons smaken, en zegt: dat wij nog eenigen tijd moeten arbeiden, en dat gij ons daarna zult verzadigen.
En daar geeft gij u geheel aan ons, o Heer! Ja, er ontbreekt ons niets aan uw kostelijk feest..... die prachtige tafel geeft ons het noodzakelijke, stilt geheel den honger onzer ziel. Bezit zij niet de spijs dor engelen, en de levende wateren van het eeuwige leven!
131
O afgrond van genade! dronkenmaken-de kelk 1 schitterend gastmaal, heilig gerecht, hemelsche feestdisch, bron des levens, wonder der goddelijke liefde, algoede handelwijze van onzen God, ruime milddadigheid zijner onverklaarbare liefde! o gelukkige ontmoeting van ons hart met dengenen, die de luister des hemels is, en die eens ons allen moet oordeelen. Maar, mijn God, als wij op het einde des levens voor den troon uwer rechtvaardigheid zullen verschijnen â gedenk dan toch de zoete liefkozingen, waarmede gij ons in dit leven overladen hebt. Gedenk dan uwe belofte van aan hen, die uw goddelijk vleesch gegeten hebben, het eeuwig leven te schenken.
O Jesus, duld toch niet, dat ik uwe groote gunst, van tot de tafel der kinderen te mogen naderen, ooit imsbruike. Doe mij door het geloof leven, en dat mijne ziel haar geluk slechts in uwe liefde vhide. Waak gij zelf, o Heer, door uwe goedheid op liet zaad der Helde,
132
dat gij door de heilige Communie in onze harten strooit; opdat wij eens in den hemel waardig worden, onder den gloed van een goddelijk licht en dei-onuitsprekelijke vreugde, welke gij uwo uitverkorenen hebt voorbereid, in liefde weg te smelten. Want wij begeeren u alleen, o mijn God! u boven al onze ontwerpen, u in allen tegenspoed, u in elke vreugd. Wij verlangen u, o mijn God, die goed zijt en u zeiven met zoo veel lietde aan ons geeft.
VIII.
De Thai)or des tegeinvoordigen leveus.
En Petrus nam het woord eu zeide tot .Tesus : Meester liet is ous goed hier te zijn Laat ous drie tenteu maken: eenc voor n, eene voor Mo-zes en een voor Elias ; want liij wist niet wel wat hij zeide.
Mare. ix. 4.
Hoe beminnenswaardig zijn uwe tenten, God der heerkrachten/'Een' dag, in uive woning is heter, dan duizend dagen elder* doorgebracht, Ik wil liever de minste van het huis van mijnen God zijn, dan in de tenten der zondaren iconen.
Ja mijn God, duizenden dagen aan nietige beuzelarijen der wereld gewijd; duizenden dagen op het tooneel harer dwaze vreugde gesleten; duizenden dagen in het midden der vermaken, der
134
rijkdommen en der eer, hebben de waarde niet van één oogenblik aan uwe zoete vertrouweliikheid geschonken. O hoe gaarne zou ik, wanneer men mij, voor eene enkele Communie, al den luister der paleizen en der koningen aanbood, hoj gaarne zou ik dit, in oprechtheid des harten opofferen, zoo ik onder het purper, u o mijn God, van eene enkele zielsuitboezeming moest bercoven, zoo ik daar van een enkel uwer troostende woorden moest beroofd worden.
O heilige Communie, die ons alles schenkt: de liefkozingen van Jesus, do rijkdommen van God, de hoop door het geloof, en de zoo zoete openbaringen van het toekomstige leven ! O heilige Communie, gij zijt in mijne oogen het grootste goed, dat de mensch in den tijd kan bezitten. Meester het is goed voor ons hier te zijn. Zoo gij wilt, zullen wij hier niet drie tenten, maar slechts ééne voor u maken. U alleen in mijn hart. Wat heb ik noodig naar andere stemmen, dan naar de uwe
135
te luisteren, andere waarheid te zoeken, andere kennis to begeeren dan u ? Gij zijt de beminde Zoon, waarin de Vader zijn welbehagen heeft, en naar wien men moet hooren; die den Zoon hoort, hoort den Vader. Gij zijt de weg de waarheid en het leven, gij zijt de eenige kennis, het eenige licht, dat eiken mtnsch die in de wereld komt bestraalt.
Neen, mijn God, op den gelakvolien Thabor uwer heilige Communie, zijt gij niet door sluiers aan onze oogen onttrokken, want ons geloof heeft u ontdekt ; het ziet u en onze harten gevoelen u. Zij raken u aan, zij spreken tot u, zij hooren naar u, zij begrijpen uwe waarheid, uw loven, uwe lietde. Gij stort stroomen lichts over ons uit, gij ontvlamt onze harten met al het vuur uwer lielde. Wol bedekt eene wolk de wezenlijkheid van het heilig geheim, maar het oog des geloofs dringt er door honen, en zoo gij u onder de nederigste en verborgenste gedaante verschuilt, is dit slechts voor de oogen van het verstand.
130
om u genaakbaarder voor uwe arme schepselen te stellen.
Blijf, o mijn God, blijf menigmaal met ons op den ïhabor der heilige Communie. Verwijder u niet en laat ons hier de eeuwige tenten spannen, welke wij niet meer zullen toeslaan, dan om ze in den hemel over te plaatsen.
â Maar arme banneling, wat zegt gij ? Daal, daal nog neder in het dal van tranen, gij moet nog werken, nog lijden, uw uur is nog niet gekomen. Wacht nog eeu weinig met geduld. Bid, werk, ween' in stilte; wandel nog pelgrim, arme reiziger; gij moet den Kruisberg nog overstijgen, voor dat gij tot de roemrijke verrijzenis komt. Wandel nog, pelgrim, in tranen, en gij zult waardig worden de poort der gelukzaligheid in te treden ; gij zult eenmaal in het verblijf mijner heerlijkheid ontvangen worden, waar men wel altijd weent, maar waar men tranen van vreugde stort.
Dit wil ik, o mijn God, maar dat
137
geheel mijn wezen dan slechts door u leve ! Dat geheel mijn hart zich in uwo liefde vestige! En wat zal ik u dan weigeren, o Heer, wat zal ik u weigeren in ai de daden van mijnen wil, in al de nitboezemingen mijner ziel, bij elke klopping van mijn hart ? Wat zal ik u weigeren, die u geheel en al aan mij komt schenken ? Zal het leven ge-noegopofferingen, genoeg kruisen, genoeg ontberingen, genoeg verlatenheid, genoeg beproevingen bevatten, om u mijne dank- en liefdebetuiging te kunnen toonen ?
Jesus, die mijn leven, mijne kracht, mijnen moed zijt, Jesus, die mijne liefde zijt, o verander mij geheel in n. Leef geheel in mi], opdat ik eens van den verborgen luister uwer heilige tafel tot de aanschouwing van uwen eeuwigen luister worde overgevoerd. Dan geene onzekerheid, geeno vrees meer !o geene vrees van u te verliezen, mijn God ! Wij zullen geheel voor u zifn, in den eindeloozen duur uwer eeuwisrheid....
IX.
De tijdelijke verMijftent van Jesus.
Zoo iemand mij bemint... zal mijn Vader hem ook lierninuen; wij zullen hum bezoeken en onze woning in hem vestigen.
Joan. XIV, 23.
Wie zijt gij groote God, en wie ben ik, om tot u te naderen ? O heilige Communie, welke geheimen bevat gij niet! o meesterstuk der kunstgewrochten van den almachtige ! onbegrijpelijk wonder zijner liefde tot het schepsel!...
Hij, die de zon der hemelen is, en die zijne woontent in den eeuwigen luister heeft opgeslagen, stelt zich met een verblijf onder het bederfelijk vleesch van den mensch tevreden. Hij, die de hemelen tot tempel heeft en die duizenden Serafijnen voor zijnen troon ziet
139
neergeknield, om hem te aanbidden, te aanschouwen en te bedanken, bouwt zich een heiligdom in den geringen omvang onzer lichamen. Hij die den loop der hemellichamen naspeurt en de overeenstemming aller wezens, welke zich in het luchtruim bewegen, gadeslaat, komt zelfs in zijne goedertieren eindelooze goedheid, zich onder de zwakke woning, die wij hem in ons land van ballingschap aanbieden, nederzetten, om beter ons gebed en onze klachten te hooren... Hij die met zijne hand, de stormen, de plagen, het leven en den dood bezweert, hij stelt zich gevangen onder de macht van den zoon der aarde.
Maar, mijn God, de sterren des hemels zijn zelfs niet zuiver voor uwe oogen ; de steunpilaren des hemels beven voor u; de Cherubijnen buigen zich met eerbied bij uwe nadering en bedekken mot de vleugelen hun aanschijn..... en de mensch, dat onzuiver
vat, dat werktuig der zonde, de mensch, die tot niets dan tot het kwaad schijnt
140
over te helleu, de in«uscli zoo menigmaal trouweloos en ondankbaar...... de
mensch raag u in zijn hart ontvangen !
O ja, mijn God de geheimen uwer liefde gaan ons verstand te hoven, en de engelen ïelven zullen nooit den grond dier diepte peilen. Ach, Heer, wijl gij u gewaardigt de nietige woning van ons hart te bewonen, bewaar het dan zuiver van elke smet; verbied er den toegang aan alles, wat u mishaagt. Versterk er de boawing van. Maak er u, in het binnenste, een verborgen heiligdom, een heilig der heiligen, ongenaakbaar voor elke aardsche gedachte, en leg daarin de grondslagen van het rijk uwer liefde, hetwelk wij volgens onzen roep, in den hemel zullen voltooien. Wees, gij, o mijn God, er de eenige hoogepriester. Sla alles neer, wat niet met uwen heiligen wil overeenstemt. Kap onze aardsche godheden af en stel uwe liefde daarvoor in de plaats. Zuiver dit geheiligd oord van zoo vele booze genegenheid, die het wil-
141
den overweldigen; versier het naar uw welbehagen. Handel or in als in uw gebied eu met alle vrijheid; maar dewi]! gij in ons hart, in eene tent voor uwen doortocht bereid, uw verblijft houdt, vestig er u dan ten minste door uwe genaden in. Dat wij u hier zonder de geringste aangekleefdheid aan de schepselen, beminnen, en dat uw verblijf in ons het onderpand zij van het verblijf in u, gedurende de eeuwigheid.
Ach, wanneer zullen wij het geluk hebben, van uit deze kleine tent, die gij in onze zielen hebt opgeslagen, tot die eeuwige tabernakelen over te gaan, waar wij skchts in uwe liefde ademen en niet meer vreezen zullen uwe liefde te verliezen ?...
X.
Ziedaar liet Lam Gods.
Joannes zag Jesus tot hem komen en zeide : Ziedaar het Lam Gods, dat de zouden der wereld wegneemt! Joan, i, 29.
Ziedaar, mijne ziel! het Lam Gods, dat ii nadert. Ziedaar dengene, die met zoo groote goedheid zich in de handen van den priester stelt, gelijk hij zich weleer op de armen van Maria, van Joseph en van Simeon plaatste.
Ziedaar liet Lam, dat zonder klachten de ontblooting in de kribbe, de beroo-vingen in de ballingschap, den arbeid, het verborgen leven in de woning van Nazareth, de vervolging en den nijd zijner vijanden heeft willen verdragen.
Ziedaar het Lam Gods, dat ten laatste op de slachtbank des kruises werd ter dood gebracht, omdat het de boosheden van allen op zich genomen had.
U3
Ziedaar het Lam Gods.... O hoe zoet is ons dat woord; welke toegenegenheid en liefde bevat het niet! Het Lam Gods-het is de aangename geur van Gods hart zelve; het is honing en melk die uit zijne oneindige liefde vloeien, het is het kort begrip aller wonderen het kort begrip van alle gelukzaligheid des hemels.
Welaan, mijne ziel, tracht het tot u te leiden. Zijn blik, op zijne lievelingen gevestigd, doet over hen vergiffenis, zegen en geluk nederdalen.
Welke ongekende toegevendheid, tee-dere klachten, ongewone liefkoozingen heeft het Lam Gods! Gelukkig zij, die hot met zachtmoedigheic! trachten te naderen : Eeali mites. Gelukkig die zijnen vrede bezitten. Beo.ti pacifici. Gelukkig, die, als hetzelve, vervolging lijden. Beali qui persecutionem paiiuntur, wijl ze met hetzelve het rijk der hemelen zullen bezitten.
Ziedaar het Lam Gods..... Ziedaar,
mijne ziel, het komt, om het Paascli-
144
feest, waarna zijn hart zoo vurig verlangt, met u te houden. Desiderio desi-deravi hocPa scha manducare vobis-cum. Toon het uwe tranon ; het droogde ze altijd af. Toon het uwe wonden; altijd was het bereid om ze te heelen.
O gelukkig degene, die dikwerf aan de zachte wol van het Lam Gods, zijne tranen heeft afgedroogd. Gelukkig, die zijne ziel aan deszelfs liefde zal hebben gelaafd. Want deze zal den groo-ten overtocht van den dood tot het leven volbrengen, deze zal eeuwig leven. Deze zal in de kudde der uitverkorenen geteld worden, en het Lam dat op den troon is gezeten, zal hem tot de bronnen der levende wateren voeren, en God zelf zal eiken traan van zijne oogen wegvagen.
XI.
Tot wien zullen wij saan. Heer!
lieer, antwoordde hem Simou Petrus, tot wien zullen wij gaan! Gij hebt de woorden des eeuwiiron levens; wij hebben geloofd en quot;erkend, dat gij de Christus, de Zoon Gods zijt.
ïot wien zullen wij gaan, zoo wij niet tot u gaan, o mijn God? welk ander goed kunnen wij nog op aarde on in den hemel begeeren ? Welken anderen Heer kunnen wij dienen ? Wie beter dan gij zal onze vader, onze trooster, onze vriend zijn ? Wie zal onze ziel in de rampwoestijn onzer ballingschap voeden ?
Wie zal ons hart verlevendigen, wie ons hart, dat zonder uwe liefde zoo ledig is, vervullen ? Wie zal den vertee-rende dorst lesschen van hen die alleen
146
naar u verlangen, en buiten u steeds in onrust en kwelling zijn ? Ja, mijn God, aan u alleen kunnen wij ons hecliten, zonder vrees van bedrog of dwaling. Gij alleen hebt de ivoorden des levens en met één woord vervult gij de diepte van ons hart met meer geluk, dan al de beuzelachtige vermaken in geheel ons leven vermogen. Gij zijt ons begin en ons einde, onze gelukzaligheid, onze hoop, ons tegenwoordig goed, ons toekomstig leven. Uwe taal is eene taal, welke de wereld niet kent, maar die uwe ware kinderen, boven alle kennis en de ijdele gesprekken der menschen, liefhebben.
O ja, Heer, wij gevoelen het wel, vooral in de gelukkige oogenblikken der heilige Communie; dan zeggen onze harten luide, dat gij alleen de weg, de waarheid en hel leven zijl. Dan wordt het ons duidelijk, dat alles, buiten u, slechts schijn en dwaling is; dat er, buiten u, slechts bedrog en leugentaal heerscht, dat er, buiten u, slechts de dood,
147
een treurige en droevige dood gevonden wordt.
Wijl gij in uw gevolg slechts vrijwillige en edelmoedige leerlingen duldt, zoo zullen wij u, o Heer, altijd, ondanks de wereld en ons zeiven, volgende tot op den kruisberg, onwrikbaar getrouw blijven, al moest ons bloed daar ook droppel voor droppel zich met het uwe vermengen en uitgestort worden. Wij versmaden den hoon, het lijden en de verachting. De eenige waarheid, die voor onze oogen blinkt, zijt gij alleen, en buiten u is alles niets dan ellende. Daarom willen wij u slechts gelooven, u alleen begrijpen. Is het zelfs voor ons onverstaanbaar en onder sluiers bedekt, wij zullen het niettemin gelooven, omdat uw woord uw werk tot getuigenis heeft, omdat wij erkend hebben dat gij de Christus en de Zoon Gods zijt, en dat wij weten, dat gij ons niet wilt en niet kunt bedriegen.
Maar sta ons bij, Heer, want onze verklaringen van trouw mochten som.-
148
wijlen, helaas ! niet bewaarheid worden. Wij kunnen van u nog afvallig worden, zoo gij ons niet bijzonder bewaart. O mijn God, dat wij ons toch nimmer van uwe liefde scheiden, en laat ons dikwerf moed en krachten scheppen, in de frissche wateren van uw hemelsch feestmaal, waar gij u geheel en al ten beste geeft tot kracht en ondersteu-nig uwer kinderen.
XII.
Trees niet, ik l)eii liet.
-Maar liij zeide hun ik hen het, vrees niet.
Joan. VI, 20.
Ik beken liet uit den grond van mijn hart, o mijn God ! dat ik duizendmaal onwaardig ben tot uw aanbiddelijk Sacrament te naderen. Wat bezit ik anders dan onstandvastigheid, verblindheid, diepe ellende bederf en zonden, Wat is toch de mensch, anders dan een zeer verblind wezen in zijne voornemens, een zeer ijdel wezen in zijne verlangens, en wegens zijne trotsch-lieid de grootste verachting waardig; en ik zelf, o Heer, die u zoo menigmaal heb vergramd, ik die zoo menigmaal een treurig misbruik van uwe genade heb gemaakt, o hoe zal ik u eene plaats in mijne woning durven aanbieden ?
De heilige Joannes, in den schoot
150
zijner moeder geheiligd, verklaart, dat hii niet waardig was uwe schoenriemen te ontbinden. Het hoofd der apostelen roept uit; Ga van mij, o Heer, want ik ben een zondaar ; en ik, mijn (iCd, zal ik den moed hebben tot u te naderen, ik, die altgd zoo boos, uwe weldaden niet gedachtig, zoo weinig edelmoedig in miine besluiten, zoo weinig waardig ben uwe liefde op mij tetrek-
_'t Is waar, arm kind,zoo ik slechts
uwe onwaardigheid beschouwde, zou ik nooit met mijne godheid bij u intreden; maar zoo ik uwe lasten mot verlicht, zoo ik uwe gebeden niet zegen, zoo ik uwe vermoeienis niet ondersteun, zoo ik uwe krachten niet opwek, zoo ik uwe zwakheid niet herstet, zoo ik geene vergiffenis schenk aan uwe vergetelheid, zeg het mij, wat zou dan in deze ballingschap van tranen, van arbeid en lijden, van u worden ? ..
' â Maar Heer, Osa werd, wijl hr) onberaden de ark des verbonds had
151
aangeraakt, op staanden voet met den dood gestraft. DeBethzamieten beschouwden dezelve met te veel nieuwsgierigheid, en gii bezwaardet op hen uwen arm, om ze voor deze vermetelheid te tuchtigen.
â Heer! uwe aartsvaders en proleten spraken tot u, met het hoofd en in het stof gebogen, terwijl gii u met de wolken voor hen bedektet. Wie zijt gij, o God! hoe heilig zijt gij niet, eu wie zal voor uw aanschijn kunnen bestaan ? En ik, hoe zal ik u durven verzoeken om in mijn hart te treden, u, uwe heilige menschheid, uwe ziel, geheel uwe godheid?...
â Gij zegt waarheid, daarom moet gij ook met vrees en sidderend tot mi] naderen. Doch dat uwe liefde boven alles heersche, want uit liefde alleen kom ik ik tot u. Uit liefde ben ik uit den schoot mijns Vaders op aarde nedergedaald, om mij met het stof der menschheid te bekleeden : daarom heb ik in de kribbe gerust en heb ik den
152
Kalvarieberg bestegen. Vrees dus niet, ik ben het,.. Ik bun het, die om meer tot u te naderen, mij eenigen tijd beneden de engelen heb gesteld en die, om van slaaf die gij waart, u tot aangenomen zoon van mijnen Vader te maken, zelf de gedaante van slaaf heb willen aannemen. Ik ben het... dezelfde Jesus, die do lammen en melaatschen genas, die met de zondaars at, dezelfde die de hongerige scharen, welke mij volgden, spijsde; dezelfde, die aan de winden gebood, de stormen deed bedaren. Om door mijn schepsel ontvangen te worden en tot het binnenste van zijn wezen door te dringen, heb ik, door een wonder mijner liefde, geheel mijne godheid onder den schijn van een stoffeliik brood, verborgen. Voor den mensch ben ik offeraar en offerande, voeding, leven en troost geworden.
Zie of ik in geheel mijne almacht meer had kunnen doen, om mij toegankelijk te stellen, en u tot mij te noodigeit.
Kon mijne liefde, hoe oneindig die
153
ook is u meerder geven ? En toen ik het vuur der liefde op aarde heb gebracht ; wat wilde ik anders dan dat het in alle harten mocht ontvlammen 1 Ik hen het.... Vrees dus niet. Verneder u, maar bemin en ontvang met liefde en vertrouwen Dengene, die zijn vermaak schept, met de kinderen der menamp;chen te wonen. Bereid mij uwe woning, bereid mij dezelve zoo goed gij kunt, want het behaagt mij bij u te komen, en zoo dikwerf te komen, als gij het goed vindt er mij te ontvangen.
â Maar hoe zal ik u onthalen, mijn God ! in zulk een arm en ontsierd hart! Doch wijl gij het wilt; o stel u dan met mijn goeden wil tevreden.
Ja, mijn Jesus, gij, goede, inschikkelijke, genadige, met liefde vervulde gast, neem, neem altijd plaats aan de tafel van mijn hart. Ik zal u de erken-tenis mijner ellende, mijne verlangens van beter te worden, het weinige dat ik heb, gul aanbieden. O zegen dit
7.
15-4
alles, en sla altoos uwe barmhartige oogen genadig op mij.
Kom dikwijls, mijn God ! kom toch dikwijls. Welk beter goed kan ik verlangen ? Kom, mijn Jesus, want gij zijt mijn leven, mijn eenig goed, mijn al.
-«XXgt;o-
XIII.
Een engel des Hemels deelt de heilige Communie uit aan een engel op aarde.
Zie hier het brood der engelen.
Lofzang der Kerk.
Men verhaalt dat God, gewis om het brandend verlangen en de engelachtige onschuld van een jongen heilige â de heilige Stanislaus Kostka â te beloonen, toeliet, dat hem de heilige Communie door de hand van een engel werd toegediend, Gelijke gebeurtenissen vindt men ook in het leven van eeni-ge heilige kluizenaars aangeteekend.
Hoe ik dit goed voor zou stellen, weet ik niet wel; zie echter, wat mij menigmaal verrukkende overwegingen verschafte : Ik kan niet zeggen onder welke liefelijke gedaante, met welke
156
zuivere kleuren deze gebeurtenis zich dikwerf aan mijne ziel vertoonde, maar ik wenschte het vernuft van L'aphaöl te bezitten, ik benijd Michel-Augelo het penseel om aan het doek toe te vertrouwen, die engelachtige beeltenissen, die stille heilige aandacht, dat. hemelsch gevoelen, die zoete en verrukkende indrukken, welke opdaagden voor mijne in mijmeringen verslonden verbeelding, die, in eene godvruchtige sluimering, zich zelve en de hemelen scheen te willen vergeten. Om zulk eene verhevene schildering te ontwerpen behoorde godsdienstig vernuft, dat van ontzag voor het opperwezen doordrongen was; men behoorde te hebben eene hand die zuiver van gebreken was, om er de grootsche trekken van te maken; een oog, dat menigwerf tot in de hemelen had geschouwd, dat er dikwerf had kunnen doordringen, en wederkeerend zich herinnert, wat het daar gezien heeft; want ofschoon de daadzaak op aarde geschiedt, wordt
-157
echter liet onderwerp er van bij de engelen genomen.
Na met een lach van liefde tot den jeugdigen heilige, wien Jesus zoo ba-minde genaderd te zijn ; na met afgunst zijne vlammende begeerte aanschouwd, en met eerbied het heilig kleed, dat zulk een schuldelooze reinheid bedekte, gekust te hebben, o, dan Stanislaus daarlatende in dien serafijnschen liefdegloed , begaf ik mij in den geest tot voor den troon van God, en tot dankzegging voor zijne duizenden weldaden, bood ik hem als een vat van dat aangenaam reukwerk, als een zuiveren en hem aangenamen wierook aan, al de vurige toegenegenheid, de verrukkingen van innige zaligheid, de beloften, de offerande, de heilige dankbetuigingen en de reine uitboezemingen van liefde, welke de Communie van dat heilig kind bevatte, üie rozen, welke op dit jeugdig gemoed hadden gebloeid, wierp ik voor de voeten van Jesus, en ik vroeg hem, ter vergelding voor dit
158
geschenk, dat hem aangenaam moest zijn, een weinig liefde, een weinig ijver, een weinig meer zelfopoffering, om hem te dienen.
Daarna vroeg ik mij zei ven : Welke engel zon, indien hij niet terug gehouden werd door den eerbied, welken men God in den hemel waar men hem beter kent dan op aarde, toedraagt; welke eugel zou, mogelijk gedurende duizenden eeuwen en door den Wakenden gloed zijner liefde, de gunst niet hebben afgesmeekt, om aan een van ons arme schepselen het heilig geheim te brengen, waartoe wij zoo gemakkelijk naderen.
O ! zonder twijfel werd deze gunst slechts aan de vurigste der Seralljnen toegestaan. Zonder twijfel werd Jesus terwijl hij zich door een engel liet dragen, om zich aan een anderen engel op aarde te geven, door de dankliederen begeleid, waarvan de hemelen weergalmen.
Het is schoon, mijn God! o sta inij
159
nogmaals toe, dat ik het eenvoudiger en met genoegen zegge: liet is schoon.... Grij waart hier wel wonderlijk verkwistend met uwe giften en uwe liefde, maar ten minste ontvingt gij tot vergelding niet minachting en onverschilligheid en laster. Daar was geene onteering of heiligschennis. Gij vermaakt u tusschen de leliën, maar gij vondt in Stanislaus eene lelie van zuiverheid. Gij ontvonk-tet dit hart met uw vuur; maar dat hart was noch ongevoelig, noch ijskoud; het bevatte reeds veel liefde.
Gewis, mijn God, wanneer de harten aller menschen de vurige liefde van een Stanislaus bezaten, konden zij al uwe liefde nog nooit vergoeden; maar dan ten minste, zoudt gij, mijn God, niet beleedigd worden; en dit feestmaal, waar uwe liefde zoo onverdiend, zoo eindeloos is; dit kostelijk feestmaal, tot troost voor allen arbeid en genaakbaar voor allen, zou door zoo een groot getal niet versmaad worden.
Treed niet met ons in het gerecht, o
1(30
Heer, treed met ons niet in hetgerecht... schenk altijd vergiffenis..- Laat de liefde welke de heiligen u hebben toegedragen, tegen onze flauwheid opwegen en vergeef ons onze weinige liefde. Gij kunt den steen vermurwen: sla op onze harten en overvloedige wateren zullen er uit ontspringen. Vermeerder dan telken dage het getal dergenen, die u in de gelukkige eeuwigheid moeten prgzen.
XIV.
Onderpand der onsterfelijkheid.
Die mijn vleesch ee t en mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven; en ik zal hem ten jongsten dage opwekkeu. Joaun. VI, 55.
Het verblijf, dat Jesus door de heilige Communie in onze harten houdt, is niet van langen duur: maar telkens als hij in ons komt, laat hij het zaad der onsterfelijkheid, dat eens als de kiem van het eeuwige leven, uit dezen dorren grond zal opschieten, achter.
Na hem, voorgelicht door het geloot wezenlijk in ons binnenste te hebben ontvangen en geëerd, na hem in de kribbe te hebben aanbeden, zullen wij hem eers van aanschijn tot aanschijn aanschouwen; daar zal hij geheel ons wez-n
162
met zijnen luister omringen en onze harten met den overvloed zijner eeuwige gelukzaligheid overstroomen. Dan zal er geene duisternis, geene verborgenheid, geen schaduw, geen geheim meer zijn. Het geloof in onzen zoeten Jesus, het geloof in zijn goddelijk Sakrament, het geloof in zijne belofte, zal ons de gunst verwerven, van tot de onbedekte aanschouwing zijner heerlijkheid, tot hot volle bezit zijner liefde, gedurend-een leven zonder einde te worden toegelaten.
Hoe, mijn God! gij geeft ons in dit loven zoo veel zaligheid; gij staat ons toe ons hart aan uw hart te hechten en om het geluk van u hier te beminnen volkomen te maken, vereenigt gij u nog eeuwig met ons.
O heilige Communie, o heilige Communie 1 die met den G id des hemels te geven, waardoor wij vereenzelvigd worden met dengenen, die in de eeuwen der eeuwen leeft, het vertrouwen instort, dat wij hem eeuwig
163
in den hemel zullen bezitten. O heilige Communie! is het mogelijk dat de menscli nog in andere goederen, in nietige en vluchtige vermaken, zijn leven en zijne zaligheid wil zoeken...
O mijne ziel, verheug u ! God zal ziine liefde niet beperken, tot de voorbijgaande dagen des tegenwoordigen levens; liet bloed van Jesus, geelt telken male dat het in uwe aderen stroomt u meerder recht op de heerlijke verrijzenis, wanneer gij onophoudelijk verzucht. ten einde hem zoo doende eens te aanschouwen. Zijn heilig vleesch bevat de bevruchtende kracht, die het sap van den boom uws geestelijken levens bergt, en hem doet opschieten, om in den laatsten dag in vollen bloei te prijken.
Ja, ik weet dat mijn Verlosser leeft. Ik weet, dat ik op zal staan voor het eeuwige en verheerlijkte leven; want hij heeft gezegd: »Wie mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, zal het eeu-
16i
wige leveu liebben, en ik zal hem ten jongsten dage opwekken.quot; sik draag in mij het onderpand mijner onvergankelijkheid, de kiem des levens welko iu mij ontspruiten en eens de vrucht der onsterfelijkheid zal dragen.quot;
O mijn God! dat dan de kiem van het ^ kostelijke zaad, dat gij door de heilige Communie in ons hebt gelegd, niet op de steenen verdroge. [Do grond waarin gij het gelegd hebt, is zoo onvruchtbaar!... Onze harten zijn zoo versteend en bedorven; bevrijd ons, o Heer door uw vleesch, door uw bloed, door uwe ziel en uwe godheid, van de knellende slavernij onzer zinnen; Ontdoe ons hart van alles, wat gij niet zijt; doe ons afsterven aan alles wat U mishaagt. O heilige onthechting, o geestelijke dood, o algeheele dood met Jesus, wees gij ons leven en het onderpand onzer zaligheid !
Kostbare hoop, die ons hart aan de heilige Tafel vervult! Zoo ik leef door het leven van mijnen God; zoo ik mij
165
door eene opoffering aan zijn liiden vereenig dan zal ik met hem leven; na den konden winter in het land der pelgrimschap, zal ik in de eeuwi
lente der uitverkorenen wederom bloeie.
u Heer, dat mijn hart het geheele mtweiksel der heilige Communie ge-voele; uwe liefde, uw leven hier, uw leven in de eeuwigheid, dit is heteenige-wat ik begeer.
XV.
Tan de Tafel in lt;le balling-scliap tot het Gastmaal in het Vaderland.
Komt tot mij, gij, die belast eu beladen zijt, eu ik zal li verkwikken, zegt de Heer. Mare. xr. 28.
Arme reizigers in het land der ballingschap, voeren wij den zwaren pelgrimsstaf van verdriet en lijden. De mensch put zijne krachten uit, om de droevige vallei, welke voor hem open ligt te doorloopen; hier is het dag van werken; het loon is hiernamaals, en de waarde daarvan is eene geheele eeuwigheid. Hoe gelukkig is dus de mensch die zijn hart aan den weg van dit leven niet vasthecht, maar die des-zelfs vleugelen uitgespreid houdt, om
167
op den grooten dag tot de eeuwige gewesten te kunnen opstijgen. In de hoop dat deze dag voor ons aanbreke, be-schonwen wij de uitstekende liefde van onzen God: hij zal de hemelen doen neder buigen om tot ons te komen, hij zal zelf door de heilige Communie tot ons naderen, en dan, in de zalige verrukkingen, waarmede zijne godheid ons overstelpt, zullen wij de aardsche smarten vergeten. Wij zullen reeds eeniger wijze de eindelooze genoegens van dit eeuwig feest, door dezen voorsmaak van een oogenblik, bevroeden: genoegens die ons wachten, aan den feestdisch in het vaderland.
Dierbaar oogenblik aan de heilige Tafel, gij wordt ons aangeboden, als eene bron van levend water op den dorren weg, die ter zaligheid geleidt, 't Is eene rustplaats voor onze vermoeienis. Wij staan met grooten moed wederom op. O hoe verhaasten wij onzen tred, na onze ziel aan deze tafil met versterkende spijs gevoed te heb-
168
ben! Hoe bemoedigd snellen wij op den weg dor beproevingen voort, waarvan de eindpaal de eeuwige rust is!
Ga voort, ga voort, o mensch! 6a meer bemoedigd voort, en vertraag uwe schreden niet meer.
Gij bezit in de heilige Communie den voorraad voor uw pelgrimstocht. Om u den last der vermoeienis to helpen dragen, om uwe krachten te herstellen, om u op den weg, die naaiden hemel leidt, te doen voortijlen, is ii een klein oponthoud toegestaan, eene rustplaats, waar u het kostelijke brood der engelen en de drank der uitverkorenen wordt aangeboden.
Hoe gelukkig, o mijn God, hoe gelukkig is het to denken, dat men zich aan uwe tafel op aarde met u slechts vereenigt, om in de hemelen eeuwig met u verbonden te worden.
Werk gij in ons, o Heer, verkwik onze verflauwde harten door uw goddelijk voedsel, ontvonk ons geloof, voed onze hoop. Doe ons als den grootsten
169
rampspoed vreezen, uwe liefde, waarin het ook zij, te wederstreven.
Ach, Heer! hoe zouden wij u nog kunnen beleedigen, u die geheel barmhartigheid, geheel liefde jegens ons zgt. Gij komt slechts tot ons, opdat wij met te grooter vertrouwen tot u zonden gaan.
Gij verzadigt ons slechts aan uwe heilige Tafel met den overvloed van uw huis, opdat wij, door het lijden van eenige dagen, er de eeuwige bezitting van mogen waardig worden. Hier doet gij ons slechts het brood der Engelen smaken, om er ons eens in den hemel mede te verzadigen.
Uw goddelijk licht verheugt ons slechts een oogenblik om ons later met uwen eeuwigen luister te omgeven, gij vraagt ons slechts weinig aan de tafel in de ballingschap, om ons aan den feestdisch in het vaderland met onmetelijke goederen te overladen.
O verheug u dan, mijne ziel, en dank
8
107
-170
uwen God, voor zulkeene grootmoedig» gift en zulk eene bewonderenswaardige vertroosting, die hij u in dit tranendal heeft nagelaten.
XVI.
Ik zal mij nooit scheiden van Hem dien mijne ziel bemint.
Ik heb hem gevoudeu, uien mijue ziel bemiut. Ik zal hem nooit verlaten. lïoogl.
Ik zocht u, mijn God, ik zocht u reeds langen tijd, want de wereld en haren omgang, het leven met al des-zelfs kommer, zorgen, tegen heden en kwellingen drukten op mijne ziel; ik gevoelde mij gedrongen om mij met u te onderhouden, mijn hart in het hart van een vriend uit te storten, en tot u riep ik uit de volheid mijns harten, tot u o Jesus! mijn eenige troost en mijn schat; gij hebt medelijden met mijne tranen en droefheid gehad, gij hebt vnij verhoord, en zijt gekomen niet alleen dicht bij mij, maar in mijn hart
172
zelfe in het binnenste mijner ziel. Ik gevoel u, ik omhels u daar innig
Welke gelukkige overeenstemming hebt
o-ji in mijn gemoed doen dalen! Welke wonderlijke harmonie, welke zalige vrijheid! welken vrede! welk geluk! hoe wonderlijk is uwe leiding, o God!
Nadert allen en beschouwt hetgeen de Heer groots in mij heeft uitgewerkt, beschouwt hoe wonderbaar het werk des Heeren is. Hij heeft het leven aan miine ziel geschonken. Ik leef, maar ik hen het niet die leeft, maar 'te-is Jesus Christus, die in mij leeft. Nadert, zondaars, en proeft hoe zoe^ de Heer is, en welk geluk en welke waarheid er in gelegen is, om zich van de vergankelijke zaken des levens las te maken om zijne ziel alleen aan haar beginsel en einde vast te hechten O hoe duidelijk begrijpt men dan, dat er slechts, in waarheid een eenig, een wezmlijk goed bestaat en dat dit goed in God alleen te vinden is. Daar leert men die onmatige zorgen, die groote
eerzucht, dien overvloed, al die bedrie-gelijke en vergankelijke vermaken naar hunne rechte waarde kennen. O hoe nietig schijnen ons al die nuttelooze bekommeringen, die ons hart vermoeien en onze dagen verslinden, in vergelijking met den vrede, welken men op het oogenblik der heilige Communie smaakt. O, als de ziel God verstaan, als zij hem gevoeld heeft, als zij heeft beginnen te bevatten hoe zoet de handen zijn, die ons zoo nauw aan hem en aan zijne heilige liefde vasthechten wat kost het haar dan zich daarvan te scheiden; want, dat is â onze ziel gevoelt het â haar hoogste goed en haar leven. Zonder hem kwijnt, zonder hem sterft zij.
Maar neen, mijn God, ik zal mij nooit van u scheiden. Als gij mijne ziel, na haar door de heilige Communie bezocht te hebben, weder zult verlaten zult gij door uwe genade in mij leven. Uwe gedachten zullen mijne gedachten uwe begeerten mijne begeerten, uw wil mijn
174
wil zijn. Gij zult in mg, en ik in u leven. Gij zult de ziel van mijne ziel, het hart van mijn hart zijn... In u alleen wil ik mijn vermaak, mijne vreugde, mijn geluk zoeken. U alleen begeer ik in den hemel, en op aarde wil ik ook niets, dan n alleen beminnen. Blijf dan, mijn God, want ik kan niet leven door eenen geest die^ nieo geheel de uwe is. O wie zal mij ooit van de liefde van mönen God scheiden Ik heb hem gevonden wien mijne zie' bemint, en moet het mij een leven van ontbering, van smaad en lijden kosten, toch zal ik hem hier nimmer verlaten, om hem, en op aarde en eeuwig in den hemel te bezitten.
xvir.
De Communie op aarde is de Toorbereiding tot de Communie des hemels.
Gij, wiens wijsheid en macht geene palen kennen: gij, o Heer voedt ons met uw eigen vleesch in dit leven : o maak, dat wij i u het andere aan uwe tafel kunnen aanzitten, en wij disehgenooten, medeërfge-namen en burgers van het h em elsch vaderland wo rden.
Lofz. der Kerk.
Onze ziel behoort aan God: Het is een veld, dat het heilig Sacrament des Altaars bedauwt en vruchtbaar maakt: de oogst zal er van in den hemel zijn. Daar zullen wij de vruchten van onzen arbeid plukken, en ons geloof inJesus zal daar zijne belooning vinden. Eo-
176
venal in de heilige Communie wordt men verlicht door deze groote waarheden, en daar verzucht men met vurige verlangens naar die eeuwige Communie die de voltooiing der aardsche Communie is.
O, hoe gemakkelijk leert men daar de wereld te verachten, om enkel naar dat onveranderlijk leven te haken,waar men nimmer meer datgene, wat men bemint, zal beleedigen.
Zalige maaltijd voor ons ballingen, welke zoete en onsterfelijke hoop schenk gij ons niet! Wie kan verklaren welke brandende begeerten, vurige wenschen en heilig ongeduld er dan uit eenc welgestelde ziel voortkomen. O wanneer zal ik ongestoord in uw eeuwig bezit gesteld worden, o mijn God!... Zal ik weldra van het gastmaal hier beneden, tot den feestdisch der uitverkorenen toegelaten worden?.,. Hoelang is de ballingschap!... hoe gevaarvol is de overtocht!... hoe zeer vrees ik, o Heer mij van uwe liefde te scheiden! .
177
O! uren, uwe tijdelijke vereeuiging voldoet aan den brandenden dorst niet die mijn hart verteert. Gij zijt het opperste goed, en zonder uwe tegenwoordigheid, zoude het verblijf der uitverkorenen zelfs mij eene straf zijn. Ik bezit u wel op aarde door de heilige Communie, maar de sluier des geloofs bedekt uw wezen voor mij. Wanneer zal ik u van aanschijn tot aanschijn aanschouwen! hoe vurig doet het zoete uwer tegenwoordigheid, in het geheim des altaars verborgen, mij naar uwe eeuwige, naar uwe onbevlekte tegenwoordigheid, verlangen! Hoe doet uwe tijdelijke vereeniging met mijn hart mij naar de eeuwige vereeniging in den hemel versmachten ?
O mijn God, gij zijt de oorsprong en bron van al onze verdiensten; zonder u blijven wij in den dood en veroordeeld. Waak, gij dus zelfs over den kostbaren schat dor genade, welke Gij ons aan uwe heilige ïafel als een waarborg der eeuwige goederen, voor ' ~ 8.
178
ons in de eeuwigheid weggelegd, zoo overvloedig uitdeelt. Waak, want zoo gij u niet over onze zwakheid ontfermt zullen wij bij elke voorwaartsche schrede verflauwen, en de kroon, aan de volharding toegezegd, verliezen. Maar neen, o Heer, wij hopen in u en onze hoop zal niet beschaamd worden, wij zullen, door uwe genade geholpen aanlanden in dit verlangde Jerusalem, dat het einde en het groote doel uwer belofte is. TM
Hoe verkwikkend is het, bemoedigd door die zoete hoop, door de liefelijke samenspraken der heilige Communie heen te wijzen op de heerlijke liederen die in het verblijf der uitverkorenen weergalmen!.... Hoe zoet is het, door onze dankzeggingen die eeuwige dankliederen aan te stemmen, welke in den luister der heiligen worden gehoord?
Hoe verrukkend is het, zich in de gedachte te verheffen tot den vuuroven der oneindige liefde, waarvan eenige stralen onze harten hier beneden aan
179
de Tafel uwer kinderen komen verwarmen !...
O mijn God, zie niet op onze onstandvastigheid, op onze grillen en onze groote ellende; maar geleid ons, ondersteun ons op den weg, die nog voor ons ligt, alvorens wij van de Communie op aarde tot de Communie in den hemel kunnen geraken.
XIX.
Dankzegging.
Mijne ziel maakt groot den Heer.
Lofzang van Maria.
Wal zal ik u ivedergeven, o mijn God ! voor ul de gunsten waarmede gij mij hebt overladen. Gij hebt dit onverschuldigd gedaan, zonder behoefte aan mij te hebben, die slechts stof en asch voor uwe oogen ben; zelfs bij de volmaakte kennis, die gij hebt van mijne algeheele onmacht om u te bedanken, hebt gij niet opgehouden mij ⦠met duizenderlei weldaden te begiftigen. Uit de duisternissen hebt gij mij, ondankbare, geroepen tot het licht van het Evangelie, on tot hét katholieke geloof, vervolgens tot de beoelening der deugd,en tot het gebruik der heilige Sakramenten.
181
Wat is de mensch, o Heer, dat gij zijner gedachtig zijt, en wat zal ik u voor zulke uitgelezene weldaden wedergeven ? Hef dan, mijne ziel! het danklied aan : Mijne ziel maakt groot den Heer, en mijn geest is opgetogen in God mijn Zaligmaker,
Ik gevoel liet, o Heer, gij hebt in mij een wel geschudde en opgehoopte maat van genade uitgestort. Verwijd u dus, mijne ziel! om er de volheid van te kunnen bevatten. Verwijd u, om al het bloed van Jesus, dat tot het diepste uwer ellende heenstroomt te ontvangen. Verwijd u, om u van alle zijden door dankbaarheid, zonder maat en einde té laten doordringen.
Ja, ik zal mij verheugen, Heer in uwe barmhartigheid, omdat gij mijne vernedering hebt aangezien en mijne* ziel van al hare ellende bevrijd hebt. Gij hebt Israël onder uwe bescherming genomen, hoewel het menigwert van uwe wet afvallig was. Ik was arm en zwak en van alles ontbloot ; maar gij
182
hebt uw oog op mijne verworpenheid en mijne nietigheid geslagen. Ik was in den diepsten afgrond nedergezonken en gij hebt mij op den berg der rechtvaardigheid geplaatst, en van daar hebt gij mijne hoop gericht naar uwe eeuwige tabernakelen.
O welke groote dingen hebt gij in mij uitgewerkt, die alleen machtig zijt, en iviens naam alleen heilig is ! En hoe zal ik ophouden hem te loven, die alleen lofwaardig is! hoe zal ik hem genoeg bedanken !
Maar neen, ik zal in uw huis ingaan, o Heer! u in uwen heiligen tempel aanbidden, uwen naam altijd verheerlijken en de dankbetuiging, welke ik u aan de heilige Tafel mag doen, zal slechts de voorzang der dankliederen zijn, die ik in het rijk uwer uitverkorenen eeuwig zal uitgalmen.
O zoete Maagd Maria, mijne zoete beschermster, die ik zoo dikwerf mijne toevlucht en mijne moeder noemde, spreek gij menigmaal tot mijn hart,
183
en zeg het, door welk leven van gebed, opoffering en liefde gij n, in de dagen uwer ballingschap, tot hetdage-lijksch ontvangen van het heilig Altaar-Sakrament voorbereiddet.
Welk geluk moest de Apostel, bij het toedienen van de heilige Communie, niet gevoelen, van den zoon aan de moeder te geven ! Welk liefelijk reukwerk steeg voor Jesus niet uit uw hart op! hoe genoeglijk moest het Jesus zijn, zich met uwe ziel te vereenigen! Welk hart van een Serafien, o goddelijke Maagd, kon de diepe aanbidding, de vurige liefde-uitboezemingen en al de liefde bevatten, die uw hart overstroomden.
O Maria, gij kent mijne gebreken... O geef mij een weinig liefde, een weinig uwer heilige gesteldheid en uwer verheven dankzegging. Verkrijg van Jesus voor mij een zuiver hart, om hem te ontvangen ; een beminnend hart, om hem al mijne neigingen toe te heiligen ; een dankbaar hart opdat elke klopping
184
van mijn hart immer eene zucht van nederige en levendige dankbaarheid zij voor zijne oneindige weldaden.
Zoo dit nederige boekje eenige verdienste bij uwen Zoon mocht hebben, o zoete Maagd, bid hem dan dat hij zijne eigene gaven zegene, en mijn nietig werk als eene dankzegging aanneme, voor al die liefde, welke hij mij betoont als hij zich gewaardigt, zich, niettegenstaande mijne uiterste onwaardigheid, zoo dikwerf door de heilige Communie aan mij te geven.
DERDE DEEL.
VERTROUWEN OP JESUS.
1
1 1 1
Vertrouwen op Jesus en Maria.
Hem die op God vertrouwt, is de eeuwigheid ten erfdeel beloofd, en hij alleen zal liet heilig gebergte bewonen: Isa!as 57.
Wel hem, die zich op den Heer verlaat; hij zal den boom, aan den oever der bevruchtende wateren geplant, gelijk zijn. Op zijn tijd zal hij bloemen en vruchten dragen. Droogte zal hem niet schaden cd voor onweder zal hij niet bukken.
Jerem. 17.
BESPIEGELING.
Het vertrouwen op God is een krachtig' hulpmiddel tot verzekering onzer zaligheid ; eene hechte borstwering tegen alle bekoringen.
i. Een krachtig hulpmiddel tot verzekering onzer zaligheid. De ondeu-
188
gendste en strafwaardigste menscb, die door de boetvaardigheid uit zijne ongeregeldheden wil opstaan, zal, in het vertrouwen op God, een krachtdadig geneesmiddel tegen zgne ellende vinden. Dat hij zich vernedere en hope; hij zal zalig worden ; God zelf heeft het gezegd en beloofd. Daarom vergelijkt men het vertrouwen met het anker van het schip ; en deze vergelijking is door liet gebruik, dat er de apostel Paulus in zijne brieven van maakt gewettigd. Laat een schip al zijn touwwerk in den storm verliezen, indien er slechts een anker over blijft, is dit toereikend, om hetzelve uit het nakend gevaar te redden. Aldus is het met het vertrouwen op God gelegen en men mag zeggen, dat Caïn en Judas in hunne zonden zijn gestorven, alleen omdat zij van dit vertrouwen geen gebruik hebben gemaakt. De eerste had door zijne afgunst en broedermoord Gods toorn ontstoken; doch wat het zegel op zijne verdoemenis drukte, was
180
dit wanhopig gezegde : Mijne misdaad is te groot, dan dat zij vergiffenis verdiene. (Gen. 49.) De tweede had berouw over het schandelijk verraad tegen Jesus Christus gepleegd. En, helaas! roept de heilige Chrysostomus uit, hadde hij op de goedheid zijns goddelijken Meesters vertrouwd, hadde hij zich om barmhartigheid smeekend, voor deszelfs voeten geworpen, de Zoon Gods, die aan Petrus zijne ontrouw vergaf en voor zijne beulen zoo vurig bad, zou dien verrader ongetwijfeld in genade ontvangen hebben.
'2. Het vertrouwen op God is eene hechte borstwering tegen alle bekoringen. In de hoop, aldus leest men in de heilige Schrift, zidt gij uwe sterkte vinden. (Is. 30;. En elders: Ik zal hopen en niets zal mij doen beven. (Ps. 25), Inderdaad, wie gaat hem, die op God vertrouwt, in sterkte te boven ? Op God vertrouwen, is zijne goedheid, waarheid en macht ter hulp roepen. Wat heeft men met dergelijke
190
â wapens, van eenen vijand, die tegen God niets vermag, te vreezen ? Hel hart des rechtuawdigen, zegt de profeet, is geneigd, om altoos te hopen; dat geeft hem sterkte, en niets kan hem doen wankelen. (Ps. 14.)
Edelmoedige gevoelens.
T.
O Heer! mijn wezen, mijn leven, mijne gezondheid, mijne lichaams- en geesteskrachten, rede, oordeel en geheugen ; de liefde voor de deugd, alle middelen van zaligheid, die mij omringen, zijn geschenken uwer gronrldelooze mildheid. Gij hebt mij slechts doen geboren worden om mij met weldaden te overladen ; immers, welke andere reden kon a bewegen, om een verachtelijk schepsel, dat u noch roem noch geluk kan aanbrengen, uit het niet te scheppen? Doch zoo de gunsten, welke gij mij bewijst in de raadsbpsluiten uwor em-
191
delooze wijsheid niet voorbeschikt waren, om mijne eeuwige zaligheid te vergemakkelijken, dan toch zouden zij aanstonds ophouden weldaden voor mij te zijn. Zoo is het echter niet, o mijn God. Nooit zal die argwaan in mijn hart opkomen; zij zou de dank- en liefdegevoelens, welke geheel mijn geluk uitmaken, weldra versmoren. Gij zijt de God mijns harten, mijn eenig erfdeel voor de eeuwigheid. Hierin alleen bestaat mijn eenig weizijn: namelijk, in mij aan uw vast te hechten en op u alleen mijn vertrouwen testellen. Geef mij dan, o Jesus, geef mij den goeden geest, dien gij ons in uws Vaders naam beloofd hebt, alles wat mij voortaan te beurt valt, zal ik als een bewijs uwer goedheid, als een voorbeschikt middel ter bevordering mijner zaligheid aanzien. Op dit denkbeeld wil ik de rust, den vrede mijner ziel gronden, en gij zelf. o Heer, gij' zelf bezielt mij met de zoete hoop.
192
II.
Bewaar mij als den appel uwer cogen, bescherm mij onder de scha-duwe uwer vleugelen. Tot welken sterveling, o mijn God, zou ik aldus mogen spreken ? Aan wien zou ik durven zeggen, dat ik hem zoo dierbaar ben als de appel zijner oogeu ? Dan, gij zelf beveelt en gebiedt mij dit vertrouwen. Niets is zoo gevoelig, niets zoo teeder, als de appel eens oogs: ook hierin is hij mijn afbeeldsel. Moge hij in het overige het ook wezen, o mijn Got! Gij hebt hem met oogleden en wimpers omgeven; o verleen mij zooveel hulp, als gij voorzorg voor hem hebt gehad. Bewaar mij als den appel uwer oogen! Als roofvogelen gieren mijne vijanden om mij heen ; indien ik mij inuwen schoot niet verberg, is de vlucht mijonmogelijk. De nog teedere jongen hebt gij de geneigdheid ingeschapen, om zich onder de vleugelen hunner
(93
moeders te verschuilen, en den moe-ers hebt gij voor hunne kleinen die zorg en teederheid welke ons van verwondering wegsleept in het harte gedrukt. Uwe werken spreken van u. Gij hebt de menschen aangemaand, om door de bewijzen, die de gausche natuur van uwe goedheid ten toon spreidt, tot u op te treden. Gedoog toch, o mijn God, dat mijn vertrouwen uwe goedheid evenare ! Bescherm mij onder de schaduwe uwer vleugelen.
III.
Op u mijn God ! God van g oedheid heiligheid en macht, stel ik mijn vertrouwen op u alleen vestig ik mijne hoop. Op wien zou ik mogen betrouwen, op wien anders buiten u ? Van mijne eigene verdiensten verwacht ik niets. Helaas! wat ben ik voor uwe oogen anders, dan een voorwerp, door ellenden sn zonden misvormd ? En mijn leven, ver van mij eenige zekerheid to 107 9
194
geven, wat kan het mij anders voorstellen, dan redenen en vrees en ontmoediging ?
Weg met de wereld! op haar wil ik niet vortrouwen ; ik heb helaas! te wel ondervonden, hoe bedriegelijk, hoe trouweloos zij is. Ontelbare zielen hebben op haar vertrouwd en zijn hare slachtoffers geworden. De wereld ver van gelukkigen en heiligen te vormen, kan slechts rampzalige verworpelingen maken. De mensch zal mijn vertrouwen ook niet verwerven. O, wee hem, die zich op den arm des sterveling? verlaat! machtelooze schepselen!.... zij kunnen niets voor zich zeiven, wat zouden zij dan voor het geluk van anderen vermogen? Vandaag tintelt het leven in hunne aderen, en morgen liggen zij ijskoud onder de aarde bedolven. Welke hulp toch mag men verwachten van hem, die uit stof en asch gevormd is ?
195
IV.
Op u alleen o mijn God, ja op u alleen, mag en moet ik hopen, en in u alleen vind ik overtuigende redenen en onwrikbare gronden van vertrouwen. Ik verlaat mij op uwe eindelooze barmhartigheid. Helaas ! door misbruik heb ik die gehoond, ik weet het; doch ik weet tevens ook, dat zij onuitputbare schatten in zich besluit. Vele zondaren hebben even als ik, met uwe barmhartigheid den spot gedreven; echter is er niet een die met een rouwmoedig hart voor haar nederknielde, verstooten geworden. Getuigen hiervan eene zondares Magdalena, een boetplegende Au-gustinus, die onomstootelijke bewijzen uwer grenzelooze goedheid. Helaas! ware die barmhartigheid niet zonder palen, wat zou er van ons geworden ! Zouden wij niet voor eeuwig verloren zijn?
God van goedheid! doe mij de werking
196
dezer onbegrijpelijke barmhartigheid gevoelen ; op aarde alleen kunt gij dezelve oefenen ; na onzen dool zal het rijk uwer rechtvaardigheid een aanvang nemen. Heb dus deernis met mijne ziel, zoolang ik hier nog moet zuchten. Eene eeuwigheid, om te straffen, tgil voor uwe gerechtigheid gereed ; vergeef derhalve nu het nog tijd is, en toon door de vergiffenis, dat gij groot zijt in goedheid, dewijl gij door de eeuwige straf zult bewijzen, dat gij rechtvaardig en verschrikkelijk zijt in uwe wraak.
V.
Ik hoop nog en hoop alles van de verdiensten van Jesus Christus. Dat is de ware grondslag van mijn vertrouwen. O aanbiddelijke Zaligmaker, wanneer ik overdenk, wat gij voor mij gedaan , wat gij voor mij geleden hebt, o, zou ik dan nog hopeloos durven blijven ? Wanneer ik overv/eeg dat gij, om het in zonden geboeide menschdotn
197
te verlossen, den hemel voor de aarde hebt verlaten ; wanneer ik diep in uwen tempel dring, en, met het oog des ge-loofs op uwe altaren gericht, u daar aanschouw in de gedaante van een lam, dat dagelijks voor ons ter slachtbank wordt geleid; vooral wanneer ik in den geest den Kalvarieberg bestijg, en uw dierbaar bloed voor de vergiffenis der zondaren zie stroomen; wanneer ik mijne aandacht vestig op uw aanbiddelijk hart, doorboord en opengereten, om hen te ontvangen ; op dien laatsten zucht, die biddend ten hemel vliegt, om voor hen de genade en verzoening en boetedoening af te smeekenzouden zoo vele stemmen , zoo vele hartroerende stemmen mijn vertrouwen niet verlevendigen; zouden zg mij geene schuilplaats tegen mijne vrees en noodkreten aanbieden ? God van goedheid ! heilig de zielen, die gij zoo duur hebt gekocht. O, verspil de vrucht, uws lijdens,. de vrucht uws bloeds, de vrucht van uwen dood toch niet!...
198
VI.
Ik weet, o mijn God ! dat ik mijne hoop, wil zij niet ijdel en vermetel wezen, door werken moet bezielen, en â¢door beantwoording aan uwe genade moet versterken. Zonder mijne hulp hebt gij mij uit het niet getrokken, doch zonder mijne medewerking zult gij mij nooit zalig maken ; ik heb dan vast besloten, aan de zaligmaking mijner ziel te arbeiden. Dior mijn vertrouwen op uwe goedheid aangespoord, za,l ik uwe heilige wet eerbiedigen, uwe geboden onderhouden, mijne zonden verfoeien, dezelve door mijne tranen uit-wisschen, over mij zeiven waken, mijne driften beteugelen, de rampzalige neigingen mijns harten bevechten, mijnen naaste behandelen zoo als ik van hem wensch behandeld te worden... In deze heilzame gesteltenis, die uwe genade in mij doet opwellen, zal ik op u, mijn God, hopen. Gij zijt mijn Schepper,
199
mijn Zaligmaker, mijn Vader; ik hoop, dat gij mijne zonden, hoe talrijk die ook zijn, zult vergeven. De grootheid zelve mijner boosheden, die ik nu verfoei, ver van mijne hoop te doen wankelen, zal een nieuwe spoorslag van volharding voor haar zijn. Met den boetvaardigen profeet zal ik u zeggen : «Heilige God ! gij zult medelijden met mij hebben, omdat myne zonden groot zijn, en omdat zij door hunne grootheid uwe goedheid doen uitschijnen en uwe genade zichtbaar doen zegepralen.quot;
Ik hoop, dat gij mij, in de ellenden en wederwaardigheden des levens, zult ondersteunen, opdat ik deszelfs kwellingen met geduld verdrage, de rampen verdure, mij zei ven met gelatenheid aan de beschikking uwer voorzienigheid, hoedanig die ook zijn moge, onderwerpe. Alles, wat mij van uwe vaderlijke hand zal toekomen, zal ik met een onderworpen hart aannemen.
Vooral hoop ik, dat gij mij in het bange doodsuur zult bijstaan, dat gij
200
mij, in den angst vollen overtocht van den tijd naar de eeuwigheid, niet zult verlaten. Dan vooral zal ik uwen bijstand noodig hebben ; dan vooral zal ik uwe genade inroepen, om mijne loopbaan in de wegen van heiligheid en gerechtigheid te eindigen.
Eindelgk hoop ik, dat gij mij in deze wereld met uwe genade, en in de andere met uwe heerlijkheid zult vereeren,
VII.
O mijn God, verrijk mijn vertrouwen met die uiterlijke kenteekenen, waardoor hetzelve u behagelijk wordt.
Maak, dat mijne hoop oprecht, en n het diepste mijns harten gegrift zij ; dat niet slechts mijn mond, maar tevens mijne gevoelens u zeggen : ik hoop op u.
Maak, dat mijne hoop onwrikbaar zij, dat zij door niets kunne verzwakt worden. Neen, noch mensch, noch wereld, noch de zaamgezworen machten der hel zullen in mij die gevoelens van ver-
201
trouwen, die ik voor den God mijns harten heb opgevat, doen verflauwen.
Maak, dat mijne hoop bestendig zij, mijn laatsten adem vergezelle, mij tot in het graf volge ; en dat mijn vertrouwen, zelfs dan, wanneer gij mij den doodslag zult toebrengen, u mijn laatsten zucht toewijde. In die gevoelens wil ik sterven.
O mijn God! zou ik, met deze vaste en zoete hoop bezield, al de kwellingen van dit vergankelijk leven niet geduldig verdragen, wanneer ik mijne oogen sla op dat onsterfelijk leven, dat gij voor mij hebt bereid?... Zou ik, in afwachting van de eeuwige goederen des hemels, mijn hart van het vergankelijke
der aarde niet onthechten ?..... Zou ik,
de oogen op mijn heilig vaderland gevestigd, mij hier niet als in eene ballingschap aanzien ?
Zal ik mij voor slechts weinige dagen geen heilig geweld aandoen, ten einde de genoegens der zalige eeuwigheid te mogen deelen ?... Schoone hemel! eind-107 9.
202
paal mijner verlangens, wees steeds het eenig voorwerp mijner wenschen, de eenige bezigheid mijns levens, en vooral van die oogenblikken, welke mij vergund worden, om naar mijn geluk te verzuchten en te verlangen.
VUL
Heer Jesus, minnelijke Zaligmaker mijner ziel, wie is mijne toevlucht in dit leven, wie is mijn zoetste troost in al hetgeen de aarde aan mijne oogen vertoont ? Zijt gij het niet, mijn Heer en God, wiens barmhartigheid eindeloos is? Waar kan ik zonder u genoegen vinden ? Waar kan ik zonder u gelukkig zijn ? Ach ! liever ben ik arm met u, dan rijk zonder u. Liever wil ik als een verstooteling de aarde met u ronddwalen, dan zonder u den hemel bezitten. Waar gij zijt, is de hemel ; waar gij niet zijt, heerscht de dood en de hel. Gij zijt het voorwerp mijner wenschen. en daarom kan ik, van u
203
gescheiden, niets verrichten, niets dan zuchten, weenen en hidden. Op u alleen mag ik mij gerust verlaten; van u alleen, o mijn God, mag ik in den nood hulp verwachten. Gij alleen zijt mijne hoop, mijn vertrouwen, mijn oprechte vertrooster. Op u houd ik steeds, het oog gericht; op u alleen, o mijn God, vestig ik mijn vertrouwen. Heilig mijne ziel, zend uwen hemelschen zegen op haar neder, opdat zij uwe heilige woonplaats, de zetel uwer eindelooze goedheid worde en er in dien tempel, welken gij wilt bewonen, niets aanstootelijks huisveste. Aanzie mij, Heer, in uwe grenzenlooze goedheid en volgens de overmaat uwer barmhartigheid; verhoor mijn aebed, bescherm mij, bemoedig mij in de gevaren van dit vergankelijk leven, laat uwe genade mij vergezellen en mij door den weg des vredes, tot in het vaderland van het eeuwig licht geleiden. O Jesus, mijn goede meester, die genade durf ik van uwe barmhartigheid verwachten.
204
IX.
O Jesus, welk geluk voor ons, dat men u, een zoo goeden Meester, mag dienen ! Welk geluk, dat men alles op uwe liefde mag laten berusten! Op u wil ik voortaan een grenzenloos vertrouwen stellen ; geheel en gansch wil ik mij aan u toewijden. Grij zijt mijn beschermer, en gij waakt gedurig over mij. Wat kan mij derhalve nog ontstellen, of wat heb ik nog te vreezen ? Immers, een vorst wordt van zijne lijfwacht omringd, en hij is gerust; de eene sterveling wordt, even als hij, door andere stervelingen omgeven, en hij gelooft zich in veiligheid; en zou ik dan nog vreezen, wanneer een God mij bewaakt? Neen, o Jesus, neen, altijd zal ik op u vertrouwen. Dat de geheele hel tegen mg losbreke, nog zal ik vertrouwen. Wanneer gij mij bijblijft, heb ik geene reden, om hare woede te duchten ; ook zal zij mij nimmer datgene, wat gij
205
mij geschonken hebt, ontnemen. Daarom zal ik het hoofd steeds gerust in uwen schoot neder leggen, en dan zal ik een zoeten, een onverstoorbaren vrede smaken.
X.
O mijn God! ik ben zoo overtuigd van uwe waakzaamheid over hen, die in u hopen, en van uwe genegenheid tot hen, die alles van u verwachten, dat ik heden het vast besluit neem, mij voor altoos onder uwe hoede te stellen, en mij geheel op u te verlaten. De mensch kan mij, wel is waar, van eer en goed berooven ; lichamelijke krankheden kunnen mij èn krachten èn middelen om u te dienen, ontnemen; ook kan ik, o God! uwe genade door de zonde verliezen; doch nimmer zal ik den moed opgeven. Neen, tot het laatste oogenblik mijns levens zal ik op u hopen, en door uwe genade versterkt, zal de hel vergeefs alles aanwenden, om mij aan uwe vaderhand te ontruk-
206
ken. Deze mag het geluk, of van zijne rijkdommen, of van zgne begaafdheden verwachten , gene mag zich op de schuldeloosheid zijns levens, of op de strengheid zijner boetvaardigheid, of op het getal zijner goede werken, of op de vurigheid zijner gebeden beroemen; ik voor mij. Heer! ik stel al mijn vertrouwen op u, en zeg dan met den Profeét David: Die op u hoopt, zal in eeuwigheid niet beschaamd worden.
Gij dan alleen, o mijn God, zijt het anker mijner hoop. Ik weet, helaas! maar al te wel, hoe zwak en veranderlijk ik ben; ik weet wat de bekorir g, zelfs tegen de diepst gegronde deugd, vermag ; maar als gij mij met uwe genade ondersteunt en met uwen machtigen arm beschut, heb ik niets te vreezerr Ik neem dan heden hemel en aarde tot getuigen, dat ik op u, mijn God\ mijne hoop veslig. Ik weet, dat ik niet te veel op u kan hopen ; ik weet ook, dat ik eenmaal datgene, wat ik van u hoop zal bezitten. Ik hoop dus,
207
o mijn gnede Jesus, dat gij mijne zonden zult vergeven, Jat gij mij altijd zult beminnen en dat ik u, zoowel hier als hierna zal mogen liefhebben.
VERTROUWEN OP MARIA.
Eer zullen hemel eu aarde in het niet verzinken, dan dat Maria hare hulp zal weigeren aan hem, die zich op haar verlaat en vertrouwt.
(Lud. Blos.)
Nooit zal er een zondaar, hoe groot hij ook zij, gevonden worden, die, met vertrouwen tot Maria gaande, zieh niet bekeeren en zalig worden zal. (H. Hilar.)
Zalig hij, die op Maria vertrouwt, die deze glinsterende zeester nooit uit het oog verliest! Eenmaal zal hij de deur des hemels voor zich zien ontsluiten, en met zijne lieve moeder in de onveranderlijke gelukzaligheid der heiligen deel hebben.
208
Wie, o Maria! zou op u niet hopen? Gij zijt de hoop en de steun der hopeloozen, (H. Bonavent.)
O Maria! overgroot is de maat der goederen, welke gij verschaft aan hen, die u beminnen en op u hun vertrouwen stellen.
(H. Bonavent.)
BESPIEGELING.
Maria is Gods Moeder, Maria is te gelijker tgd ook mijne Moeder, O, welk vertrouwen moet ik dan op haar niet hebben! Zij vermag alles bij haren Zoon; elk harer gebeden is, om zoo te spreken, een bevel voor Jesus, die haar niets weigeren kan. Zij is mijne Moeder! Zij bemint mij, zij wil dat ik zalig worde; o, nogmaals, welk vertrouwen moet ik op haar dan niet hebben.
Maria is onze Moeder â¢' Maria is onze Moeder !... herhalen wg toch dik-
â :o9
werf deze aangename en troostvolle woorden : Maria is onze Moeder ! Hoe gelukkig zijn zij, die onder de bescherming eener zoo teedere, zoo machtige Moeder leven ! Wie durft zich vermeten, van Maria's schoot die kinderen, welke daarin eene schuilplaats tegen hunne vijanden zoeken, weg te scheuren ? Welke drift, welke bekoring is in staat, over hen, die op de bescherming eener zoodanige Moeder vertrouwen te zegepralen? Verheugt u dus, gij kinderen van Maria! Verheugt u en vertrouwt; hij, die de minnelijke Maria bemint, hij, die zich op hare bescherming verlaat, moet zich verblijden en zeggen ; M^tl vreest gij,. mijne ziel! de beslissing uwer zaligheid kan niet slecht uitvallen, want Jesus uw broeder, en Maria uwe Moeder, hébben het vonnis in handen,. De heilige Anselmus in deze gedachte verdiept, sprong van blijdschap op en riep in vervoering en vuur uit ; O zalig' vertrouwen \ o ware toevlucht1. Gods . Moeder is ook mijne moeder! met3
210
â welke zekerheid moeten wij niet hopen, vermits onze zaligheid van den besten der broeders en de teederste 'der moeders afhangt!
Edelmoedige gevoelens.
L
j
O Maria! Moeder der heilige liefde, gij weet dat uw goddelijken Zoon, niet tevreden met zich onzen voorspreker bij den Vader gemaakt te hebben, u tot onze middelares bij zich benoemd, en zoo veel kracht aan uwe gebeden toegekend heeft, dat hij u om dezelve niets weigeren kan. Tot n, hoop der ellendigen, neem ik dus mijne toevlucht; mijn vertrouwen op u is zoo groot, dat ik meer op uwe bescherming en barmhartigheid, dan wel op mijne goede werken durf rekenen. Hij, wien gij beschermt, kan niet verloren gaan ; hemel en aarde weten dit. Welaan dan, dat alle schepselen mij vergeten, dat de gansche schepping mij verstoote; alles wat ik verlang, is, dat ik door u toch niet vergeten, door u toch niet ver-stooten worde. O Maria, ik verlaat mij
212
op u. In deze hoop wil ik leven, in deze hoop wil ik sterven, met hart en mond steeds herhalende : Jesm is mijn eenige hoop, en na hem, gij, o Maugd Maria!
II.
O Maria, onze allerheiligste Moeder! de wijze zoon van Sirach zegt, dat gij de Moeder aller hoop, de Kerk, dat gij de hoop zelve zijt. Waar zullen wij dan eene andere hoop gaan zoeken ?... Na Jesus, zijt gij onze zoetste hoop; met dezen eerenaam begroette u steeds de H. Bernardus, en met dienzelfen eertitel willen wij u ook groeten. Met den heiligen Bonaventura zullen wij zeggen : O Maria, zaligheid van hen, die u aanroepen, verhoor ons
III.
O Maria, gij stondt aan den voet des kruises, toen de heer Jesus, die de
213
zijnen, welke in de wereld bleven, bemind had en tot het einde toe beminde, een laatst bewijs zijner teedere genegenheid wilde geven met u tot onze Moeder aan te stellen; nooit hebt gij den duren plicht, dien een titel van vertroosting en blijdschap u op het harte drukt, verzuimd Gij zult mijne ellenden in uwen moederlijken schoot met vol vertrouwen nederleggen. 6ij zijt mijne Moeder, eene Moeder met teederheid en medelijden begaafd; al-tfld zal ik aan uwe overgroote goedheid door een grenzenloos vertrouwen beantwoorden, meer genegen allen roem en eeretitels te verwerpen, dan dien van uw welbemind kind te verliezen.
IV.
O Maria, allerheiligste Maagd en doorluchtige Vorstin ! ik stel mij onder uwe bescherming ; vol vertrouwen werp ik mij in den schoot uwer barmhartigheid ; mijn lichaam, mijne ziel, alles
214
wat ik bezit, wijd ik u toe, niet slechts voor de dagen mijns levens, maar vooral wanneer mijn doodsuur zal slaan. Aan u, o teedere Moeder, sta ik mijne zorg, mijn kommer, mijne vertroosting en hoop af, opdat ik door uwe verdiensten en machtige voorspraak, in al mijne werken het eenig doel, namelijk uw welbehagen en den heiligen wil uws goddelijken Zoons betrachte. Amen.
VOORBEELDEN
VAN
YERTROUWEN OP MARIA.
De heilige Joannes Nepomucenus kwam in een wanhopigen staat ter wereld, en was het behoud zijns levens aan de bescherming der heilige Maagd, welke zijne godvruchtige ouders in eene bijgelegene kloosterkerk gingen afsmee-ken, verschuldigd. Die eerste weldaad van Maria was een gunstig voorteeken voor de toekomst; godsvrucht, ijver, behendigheid in het zielbestuur waren er de gevolgen van. Joannes, van zijnen kant, toonde zich de genegenheid zijner goddelijke weldoenster waardig door de hartelijke dankbaarheid en het kinderlik vertrouwen, dat hij haar ten allen tijde, doch vooral in eene schitterende omstandigheid, welke hem voor eeuwig beroemd maakte, betuigde. Door den-
216
wreeden Wenceslaus aangezocht, om de biecht der Koningin, zijne vrouw te verraden, en op zijn weigeren den beulen overgeleverd, nam hij zijne toevlucht tot Maria, en hield op de pijnbank niet op, haren heiligen naam, met dien van haren goddelijken Zoon, aan te roepen. Overwinnaar in deze eerste proef, doch beducht dat zijn vervolger het daarbij niet zou laten, verdubbelde hij zijne vurigheid jegens de heilige Maagd, en begaf zich naar een der meestge-achte bedevaarten des lands, om zich tot den marteldood voor te bereiden, dien hij den volgenden nacht werkelijk onderging.
Geschied, van den H, Joannes Nepomucemts.
Smeekgebed tot de allerheiligste Maagd.
Opdat door haar machtige voorspraak het geloof over de gaasche aarde verspreid worde.
Sterre der zee, behoud van hen, voor wie gij ten beste spreekt; machtige beschermster der ijverige zendelingen, die aarde en zee doorkruisen zich aan allerlei gevaren en beroovingen blootstellen, om het licht des geloofs tot op de grenspalen der aarde te ontsteken en zielen voor Jesus te winnen; o Maria, gij, die hen zoo dikwerf van schipbreuk en dreigende gevaren verlost hebt, gij zijt de schutsengel, kom hen steeds ter hulp, bid gedurig voor den goeden uitval hunner zending en voor de voortplanting des geloofs door de gansche wereld; bescherm ook alle zeelieden, welke dien schrik- en gevaarvollen afgrond bevaren ! bid Jesus, dat hij alle ziels- en lichaamsgevaar van hen ver-107 10
wijdere en hen door de verdiensten zijns lijdens en dood zalig make. Deze genade vragen wij voor ieder in het bijzonder als ook voor alle Evangelische arbeiders; wij vragen u die door uwen naam en uw teeder en meedoogend hart.
O Maria, kom toch alle christene slaven door uwe gebeden ter hulp; verzoet door de zalving der genade de bitterheid hunner kluisters, versterk hen door Gods kracht, opdat zij onverwinbaar blijven; bidt, ja, b;;dt ook voor alle afgodische en ongeloovige volkeren, opdat zij alle in den schoot der ware Kerk samenvloeien; toon ook uw moederlijk hart voor de op aarde verspreide krijgslieden : vraag vcor hen een geloof door werken verlevendigd, alsmede de genade, om door lijdzaamheid hunne gemoedsaandoeningen te beheerschen; eindelijk, spreek tot het hart van Jesus, opdat hij de zondaren, die zich in den poel hunner boosheden rondwentelen, tot eene heilzame vrees
219
en liefde opwekke; help alle reizigers en schipbreukelingen, wees gij op de moeilijke en gevaarvolle wegen, welke ztj doorwandelen, hun vuurtoren en geleidster, en verkrijg voor alle stervende en ongelukkige veroordeelden, voor wie de eeuwigheid heden eenen aanvang neemt, een waar en levendig berouw, dat uit vertrouwen en liefde voortspruit.
MOEGENGEBEDEN.
Allerheiligste en hoogwaardigste Drievuldigheid, één God in drie personen! ik geloof dat gij hier tegenwoordig zijt ik aanbid u met de gevoelens van den diepsten ootmoed, en bewijs u uit gan-scher harte den eerbied, dien men uwe opper majesteit verschuldigd is.
Ik dank u, o weldadige God, uit den grond mijns harten, voor al de genaden, die ik ooit van u ontvangen heb. Uwe goedheid heeft mij tot dezen dagbewaard ik wil denzelven ook alleen tot uwen heiligen dienst besteden; al mijne gedachten, woorden en werken draag ik u op. Zegen dezelve, o Heer opdat zij alle door uwe liefde bezield, en zoo tot uwe meerdere verheerlijking geschikt worden.
Liefderijke Jesus, goddelijk voorbeeld der volmaaktheid, naar welke wij moeten trachten; met de hulp uwer genade wil ik mij bevlijtigen om u in alles
221
zooveel mogelijk, gelijk te worden: zachtmoedig, kuisch, ijverig, geduldig liefdadig en gewillig zoo als gij geweest z§t. Bijzonderlijk wil ik met allen vlijt mij bewaren van de zonden, die ik zoo dikwerl bega en waarvan ik mg oprecht verlang te beteren.
ü, o God, is mijne zwakheid bekend; ik mag niets in de orde der zaligheid zonder de hulp uwer genade. Weiger mij dezelve niet, o mijn God, Geef mij genoegzaam sterkte om al het kwaad dat gij verbiedt, te vermijden, om al het goed te oefenen, dat gij van mij verlangt, en om al het lijden geduldig te dragen, dat uwe barmhartige Voorzienigheid mjj heden zal overzenden
Onze Vader, enz. Wees gegroet, enz. Ik geloof in God den Vader enz.
Allerheiligste Maagd, Moeder van Jesus en mijne machtige voorspreekster! ik beveel mij in uwe moederlijke bescherming, en verberg mij met vol betrouwen in den schoot uwer mild-
222
dadige barmhartigheid. O goedertierenste Moeder! wees mijne toevlucht in allen nood, mijn troost in allen tegenspoed, en mijne middelares bij uwen gezegen-den Zoon, heden en al de dagen mijns levens, bijzonderlijk in het uur van mijnen dood. Heilige Bewaarengel, mijn getrouwen en liefdadige leidsman, verkrijg mij de genade van uwe heilzame inspraken na te volgen, en van mijne voetstappen zoo in te richten, dat ik van den weg der geboden Gods niet afwjjke.
Groote heilige, wier naam ik het geluk heb te dragen! heilige Patronen van dit Bisdom en van deze Parochie ! roemrijke H. Jozet, waardige Bruidegom van Maria! en gij bijzonderlijk wier feestdag men heden viert! beschermt mij, bid voor mij, opdat ik God diene gelijk gij hem op aarde gediend hebt, en hem met u in den hemel voor eeuwig love en danke. Amen.
223
Aki» van geloof.
Mijn Heer en mijn God! ik geloof vastelijk al hetgeen gij geopenbaard hebt, en onze moeder de H. Kerk ons voorhoudt om te gelooven, omdat gij de eeuwige waarheid zijt.
In dit geloof wil ik leven en sterven.
Akte van hoop.
Mijn Heer en mijn God! ik hoop met een vast vertrouwen van u te bekomen het eeuwige leven en alle middelen die ons daartoe noodig zijn, omdat gij oneindig goed zijt tot ons, almachtig en getrouw in uwe belolten, die ons dit beloofd hebt door de verdiensten van Jesus Christus.
In deze hoop wil ik leven en sterven.
Akte van liefde.
Mija Heer en mijn God! ik bemin
224
u bovenal, uit geheel mijn hart, uit al mijne krachten, omdat gij in u zelve oneindig goed zijt, en alle liefde waardig. Mijnen evennaaste bemin ik gelijk mij zeiven uit lielde tot u.
In deze liefde wil ik leven en sterven.
Akte van berouw.
Mijn Heer en mijn God ! het is mij leed uit den grond van mijn hart, dat ik gezondigd heb, niet zoo zeer, omdat ik door mijne zonden den hemel verloren en de hel verdiend heb, maar bij zonder, omdat ik u daardoor vergramd heb, die het opperste goed zijt.
Ik haat en ik verzaak al mijne zonden uit liefde tot u, en maak een vast voor nemen van voortaan niet meer te zondigen, en alle genegenheden en gevaren van zonden te vluchten, van eene recht-ziimige biecht te spreken en nog liever te sterven dan u nog met eene doodzonde te vergrammen.
AVONDGEBEDEN.
Ik aanbid u, o mijn Güd, met al den eerbied en de onderwerping, die mij uwe tegenwoordigheid inboezemt; ik verootmoedig en verneder mij voor u, als voor mijnen Schepper en volstrekten Opperheer.
Hoe zal ik u, o mijn God, genoegzaam danken voor al de weldaden, die ik van u ontvangen heb? Gij zijt mij van eeuwigheid gedachtig geweest, gij heb, mij uit het niet getrokken, hebt uw leven ten beste gegeven om mij te verlossen, en vervult mij nog dagelijks met ontelbare genaden. Ach! Heer I wat zal ik doen ter erkentenis van zoovele goedheJen? Vervoegt u met mij, o gelukzalige Geesten! om den God der barmhartigheden te loven, die aan mij, onwaardigst en ondankbaarst schepsel, onophoudelijk zijne weldaden mededeelt.
Heilige Geest, eeuwige oorsprong van 107 10.
226
licht! verdrijf de duisternissen, die mij de leelijkheid en de boosheid mijnei zorfden verbergen, doe mij van dezelve! eenen zoogrooten afschrik krijgen, mijn God, dat ik niets zoo zeer vreeze, dan dezelve in het toekomende te bedrijven.
. Onderzoek hier uw geweten over hetgeen gij hebt gedacht, gezegd, gedaan en verzuimd, tegen God, tegen uwe naasten, en tegen u zeiven.
Mijn God! ik verfoei al mijne zonden ter uwer liefde, omdat zij u mishagen. Ellendige die ik ben! misschien dezen nacht zal Jesus Christus komen om mij die ziel af te vragen, die geschapen is naar het beeld van God, en gansch misvormd door de zonden. O Vader! ik heb tegen den hemel en tegen u gezondigd, ik ben niet meer waardig uw kind genoemd te worden... O Algoede en lietwaardige ! was het dan dit, hetgene gij van mijne erkentenis te verwachten hadt, na mri zoozeer
227
bemind te hebben, dat gij uwen laat-sten droppel bloeds vergoot! Walk eene boosheid ! welk eene ondankbaarhèid! welk misbruik heb ik van uw geduld gemaakt. Thans bevind ik mij aan u-we voeten, o Heer! gansch overdekt met schaamte en doordrongen van droefheid op het gezicht mijner zonden ! ik vraag er u zeer ootmoedig vergiffenis over, en smeek u, o mgn God, door diezelfde goedheid, waarvan ik zoo dikwijls de uitwerkselen gevoeld heb, verleen mij de genade, opdat ik van nu af, tot den dood toe, er eene oprechte boetvaardigheid over doe.
Ach! had ik u, liefderijkste Vader, nooit vergramd; maar dewijl ik zoo ongelukkig ben geweest van u tebeleedi-gen, zoo wil ik u voortaan des te getrouwer dienen, en door eene gansch andere levenswijs toonen, hoezeer mijne bedrevene zonden mij smarten. Van nu af verzaak ik aan alle gelegenheden tot dezelve. Met de hulp uwer goddelijke genade, die ik ootmoedig vraag en met
228
betrouwen van u verwacht, wil ik mijn best doen om u in alles te behagen en u, o opperste Goed, door geene zonden meer te vergrammen.
Onze Vader, enz. Wees gegroet enz. Ik geloof in God den Vader, enz.
GEBEDEN
ONDER DE
HEILIGDE MIS.
In den naam des Vaders en des
Zoons en des H. Geestes. Amen.
Het is in nwen heiligen naam, o allerheiligste Drievuldigheid, en om u den lof en de eer te bewijzen, die wij u schuldig zijn, dat ik bij deze offerande der Mis wil tegenwoordig zijn. Gedoog, raijn Zaligmaker,dat ik mij met uwen dienaar, den priester, vereenige, om u het dierbare slachtoffer mijner zaligheid op te dragen : geef mij dezelfde gevoelens, die ik op den Kalvarieberg zoude gehad hebben, indien ik bij de bloedige offerande van uw lijden tegenwoordig geweest ware.
hageiil ie zon-l
â¢t enz. enz.
230
CONFITEOR.
Jk beschuldig mij voor u, o mijn God, van al de zonden, waaraan ik plichtig ben; ik beschuldig mij in de tegenwoordigheid van Maria, de allerzuiverste der maagden, van alle Heiligen en van alle geloovigen, dat ik met gedachten, woorden werken en door nalaten van deugden, door mijne schuld, door mijne schuld, ja door mijne allergrootste schuld heb gezondigd. Daarom bid ik de H. Maria, altijd Maagd, en alle Heiligen, voor mij te willen bidden.
Heer, verhoor genadig mijne gebeden, verleen mij vergiffenis en kwijtschelding van alle zonden.
KYRIE EI.EISON.
Heer, die onze zielen hebt geschapen, heb medelijden met het werk uwer
231
handen; Vader van barmhartigheid, wees uwe kinderen genadig.
Eeuwig woord des Vaders, voor ons mensch geworden en aan het kruis gestorven, maak ons aan de verdiensten van uwen dood en uw dierbaar bloed deelachtig. Minnelijke Zaligmaker, zoete Jesus, heb medelijden met onze ellenden, en vergeef ons onze zonden.
GLORIA IN EXCELSIS.
Eere zij aan God in den hooge, en op de aarde, vrede, aan de menschen van goeden wil. Wij loven u, wij verheffen u, wij aanbidden u, wij verheerlijken u, wij danken u om uwe groote glorie. God, hemelsche Koning! God almachtige Vader! Heer Jesus Christus, eemggeboren Zoon I Heer God, Lam Gods, Zoon des Vaders, die de zonden der wereld wegneemt, ontferm u onzer; die de zonden der wereld wegneemt, neem onze smeeking aan; die zit aan de rechterhand des Vaders ont-
232
ferm u onzer; want gij zijt alleen heilig; gij alleen Heer, gij alleen de allerhoogste, Jesus Christus, met den H. Geest in de heerlijkheid van God den Vader. Amen.
GEBEE.
Verleen ons. Heer, door de yoorspraak vau de allerheiligste Maagd en -van alle Heiligen, de genade, die de priester voor zich en voor ons vraagt. Ik vereenig mij met hem, en ik offer u hetzelfde gebed op voor al degenen, voor welke ik verplicht ben te bidder; en ik verzoek u, o Heer, voor my en voor hen, al den bijstand, dien gij weet ons noodig te zijn, om het eeuwig leven te bekomen, in den naam van Jesus Christus, onzen Heer. Amen.
EPISTEL.
Mijn God, gij hebt mij boven zoo vele volken, die in de onwetendheid
233
leven, tot de kennis van uwe heilige wet geroepen : ik aanvaard uit geheel mijn hart die goddelijke wet, en ik luister met eerbiedigheid naar de heilige Godspraken, die gij door den mond der Profeten en Apostelen hebt uitgesproken ; ik eer die met al de onderwerping, die men aan het woord van eenen God schuldig is, en ik verlang met al de genegenheid mijner ziel de voltrekking daarvan.
Waarom heb ik, o mijn God, voor u niet een hart, gelijk de heiligen van het Oude Verbond ? Waarom verzucht ik niet naar u met den brandenden ijver der Oudvaders ? Waarom, o Heer, betracht ik u niet, en hecht ik mij niet alleen aan u, gelijk de heilige Apostelen ?
EVANGELIE.
Het zijn, mijn God, do Profeten nocli de Apostelen, die mij mijne plichten leeren: het is uw eenige Zoon zelf; het
234
is zijn woord, dat ik ga hooren. Maar, helaas! wat zal het mij haten te ge-looven, dat het uw woord is, o Jesns Christus, wanneer ik volgens mijn geloof niet leef? Wat zal het, wanneer ik voor u zal verschijnen, mij dan baten, geloofd te hebben, indien ik de verdiensten der liefde en der goede werken niet heb.
Ik geloof en handel bijna, alsof ik niet geloofde, en alsof ik een ander Evangelie, dan het uwe, geloofde: oordeel mij n!et, o mijn God, naar die gedurige tegenstrijdigheid, die er tusschen uwe grondregels en mijn gedrag is: ik geloof, maar geef mij ook de kloekmoedigheid, om te beoefenen hetgeen ik geloof: en aan u aan u alleen zal de eer en glorie daarvan toekomen.
CREDO.
Ik geloof in eenen God, den almach-tigen Vader, schepper van hemel en aarde van alle zichtbare en onzichtbare
1235
dingen ; en in eenen Heer Jesus Christus, den eeniggeboren Zoon van God, die voor alle eeuwen uit den Vader is ïeloofl geboren, God van God, licht van het : voorl licht, waarachtig God van den waar-, ge-I achtigen God, geboren en niet gemaakt, dieti-l van dezelfde zelfstandigheid met den irkeni Vader, door wien alle dingen gemaakt | zijn; die, om ons menschen en om onze niet I zaligheid, uit den hemel is nederge-van-1 daald: en hij heeft, door den H. Geest, 'deel I fit de Maagd Maria het vleesch aan-uri- I genomen, en is mensch geworden; hij hen | 's ook onder Pontius Pilatus voor ons : ik | gekruist, heeft geleden en is begraven: we- | en hij is ten derde dage wederom op-ik | gestaan volgens do schriftuur; is op-de geklommen ten hemel, en zit aan de rechterhand des Vaders, en zal met heerlijkheid wederkomen, om levenden en dooden te oordeelen; van wiens rijk geen einde zal zijn. En in den H. Geest, h- den Heer en den levendmaker, die en van den Vader en den Zoon voortkomt re 'die met den Vader en den Zoon te za-
236
men aangebeden en verheerlijkt wordt, die door de Profeten gesproken heeft. En ééne Heilige, Katholieke en Apostolische Kerk. Ik belijd één doopsel tot vergiffenis der zonden, en ik verwacht de verrijzenis der dooden en het toekomend eeuwig leven. Amen.
OFFERANDE.
Oneindige Vader, almachtige en eeuwige God, hoewel ik ten eenemaal onwaardig ben., in uwe tegenwoordigheid te verschijnen, durf ik u door de handen des Priesters, deze offerande opdragen, met do meening, die Jesus Christus mijn Zaligmaker gehad heeft, wanneer hij deze offerande instelde, en die hij nog heeft, wanneer hg zich door de handen des Priesters opdraagt.
Ik draag u dezelve op tot erkenning uwer opperheerschappij over mij en over alle schepselen tot dankzegging voor al de weldaden, die gij mij verleend hebt, tot verzoening voor mijne
237
zonden, en tot verkrijging van nieuwe gunsten.
Ik draag u ook, o mijn God, dit heilig en eerbiedwaardig offer op, om voor mij, voor mijne nabestaanden, voor mijne weldoeners en vrienden, van uwe oneindige goedheid de ons noodige genade te bekomen, welke aan ons zondaars, niet kan gegeven worden, dan door de verdiensten van hem, die de rechtvaardigheid zelve is, en die zich tot een slachtoffer van verzoening voor ons allen gesteld heett.
Gij, Heer, kent al de ellenden, aan welke wij naar ziel en lichaam zijn onderworpen : gij weet, aan welke gebreken wij onderhevig zijn, welke deugden wij het meeste behoeven: ach ! gelief in dit alles goedgunstig te voorzien en verleen ons, om de verdiensten van Jesus, die zich door de handen des Priesters aan u gaat opdragen, den krachtigsten hijstand uwer genade, om ons gedrag steeds te verbeteren en naar het voorschrift van uwe heilige wet te regelen.
'238
Vergeet ook, mijn God, uwe of mijne vijanden niet, heb medelijden met alle ongeloovigen, ketters en zondaren: verleen uwen zegen aan allen, die mij vervolgen ; en vergeef mij mijne zonden, gelijk ik het ongelijk vergeef, dat zij mij hebben aangedaan, of zouden willen aandoen.
PREFATIE.
Nu nadert het gelukkig oogenblik, op 't welk de Koning der engelen en der menschen zal komen: vervul mg, Heer, met uwen geest; dat mijn hart, van de aarde onthecht, niets anders, dan u, begeere. Welke verplichting heb ik niet, om u Schepper van hemel en aarde, oneindig groote God, almachtige en eeuwige Vader, altijd en op alle plaatsen te loven en te verheerlijken ?
Niets is redelijker, niets is heilzamer, dan ons met Jesus te vereenigen: het is door hem, dat de hemelen en de he-melsche krachten, vol van eerbiedige
239
vrees, zich vereenigen, om u te verheerlijken. Gedoog o Heer, dat wij onze zwakke lofzangen bij die der he-mij | melsche geesten voegen, en dat wij te :on- I zamen met blijdschap zeggen :
dat I
Jen sanctüs.
Heilig, heilig, heilig is de Heer, de God der heerkrachten: hemel en aarde zijn vol van uwe glorie: Hosanna in den hooge! Gezegend hij, die komt in den naam des Heeren ! Hosanna in den hooge!
canon.
Wij bidden u ootmoedig, o goedertieren Vader, in den naam van Jesus Christus, onzen Heer, ons barmhartig te zijn, en de offerande, die wij opdragen, aan te nemen en te zegenen, opdat het u believe de heilige katholieke Kerk, met al hare lidmaten, den Paus van Rome, onze geestelijke oversten
mij-met ron;
240
en alle herders der zielen, te bewaren te beschermen en te besturen.
Wij bevelen u, Heer, in het bijzonder, allen, voor wie wij uit rechtvaardigheid en dankbaarheid verplicht zijn te bidden, alsmede al degenen, die in deze aanbiddelijke offerande tegenwoordig zijn en opdat ons gebed aan u aangenaam zij, vereenigen wij ons met de roemrij ke Maria, altijd Maagd, Moeder van Jesus Christus, onzen Heer, met alle . uwe Apostelen, gelukzalige Martelaars en al de Heiligen, die met ons eene en dezelfde Kerk uitmaken.
Waarom heb ik nu, o mijn God, die vurige begeerte niet, waarmede de heilige Oudvadors naar de komst van den Messias verlangden? Ach! waarom heb ik hun geloof en hunne liefde niet ? Kom Heer Jesus, kom, minzame Zaligmaker der wereld, kom, voltrek dit geheim, dat het korte begrip van al uwe wonderen is. Zie daar komt dat Lam Gods, hetwelk voor de zonden der wereld vol daan heeft.
241
ELEVATIE.
Menschgeworden woord des Vaders , 'oddelijke Jesus, waarachtig God en ivaarachtig mensch, ik geloof, dat gij lier waarlijk tegenwoordig zijt! ik aanbid u met ootmoedigheid; ik bemin u uit geheel mijn hart, en daar gij hier uit liefde tot mij komt, zoo offer ik mij zeiven ten eenemale aan u op.
Ik aanbid dat dierbaar bloed, hetwelk gij voor de verlossing van hetmensch-dom vergoten hebt; en ik hoop, o mijn God dat het voor mij niet vruchteloos zal uitgestort zijn. Laat mij aan des-zelfs verdiensten deelachtig worden : ik offer u mij zeiven, o lielderijke Jesns, uit dankbaarheid voor die oneindig liefde, die gij gehad hebt, van uw bloed voor mijne zaligheid te vergieten.
VERVOLG VAN DEN CANON.
Hoe groot zou voortaan mijne boosheid en ondankbaarheid wezen, indien 107 11
242
ik, na bijgewoond te hebben hetgene bier gebeurt, u nog zoude vergrammen! Neen, mijn God, nimmer zal ik vergeten, hetgene gij mij in dit aanbiddelijk geheim voorstelt, namelijk uw heilig lichaam, uw dierbaar bloed, welke hier voor de oogen mijns geloofs op het altaar tegenwoordig zijn.
Het is hier, o eeuwige Majesteit, dat wij door uwe genaden, u die zuivere, heilige en onbevlekte offerande opdragen, welke gij zelf ons hebt willen verleenen, en van welke al de anderen slechts afbeeldsels waren : hier is oneindig meer, dan al de offeranden van Abel, Abraham en Melchisedech: hier is de eenige offerande, uw altaar waardig, onze Heer Jesns Christus, uw goddelijke Zoon, het eenig voorwerp van uw eeuwig welbehagen.
Dat allen, die hier deze heilige offerande bijwonen, aan der zeiver vruchten deelachtig worden.
Dat deze zich ook uitstorten, o mijn God, over de zielen der geloovigen,
243
die in vrede gestorven zijn, en bijzonderlijk over degenen, voor welke ik verplicht ben te bidden ; verleen. Heer, door deze offeranden, aan dezelve de volle verlossing van hare pijnen en smarten.
Gewaardig u ook, oneindig goedertie-rene Vader, ons eene dezelfde genade te verleenen, en maak dat, wij met uwe fl. Apostelen, Martelaren en alle Heiligen deel mogen hebben, opdat wij met hen, in de glorie des hemels, u eeuwig mogen beminnen en verheerlijken.
PATER KOSTER.
Hoe gelukkig ben ik, o mijn God, u voor Vader te hebben! Welke vreugde gevoel ik, als ik denk, dat de hemel waar gij zijt, eens miin verblijf en mijne woning zal wezen ! Dat uwe heilige naam over geheel de aarde geëerd zij! Heersch volkomen over al de harten ; weiger aan uwe kinderen het geestelijke ot lichamelijke voedsel niet:
244
wij vergeven uit geheel ons hart, vergeef ons ook: ondersteun ons in de bekoringen van dit ellendig leven, en behoef! ons voor alle kwaad. Amen.
AGNUS DEr.
Lam Gods voor mij geslachtofferd, wees mij genadig; aanbiddelijke offerande van mijne zaligheid, maak mij zalig; goddelijke Middelaar, verwerf mij genade bij uwen Vader, en geef mij u-wen vrede.
n. COMMUNIE.
Hoe zoet ware het mij, o liefdergke Zaligmaker, onder het getal dier gelukkige christenen te zijn, aan wie een zuiver geweten en eene teedere godvruchtigheid toelaten, thans tot uwe heilige Tafel te naderen! Welk geluk ware het voor mij, indien ik u in mijn hart mocht bezitten, u daar mijne liefde betuigen, mijne noodwendigheden
245
vertoonen en aan de gunsten deelachtig worden, welke gij, aau degenen die u ontvangen, in dit geheim mededeelt-Gelief, Heer, hetgene mij ontbreekt, goedgunstig aan te vullen : vergeef mij al mijne zonden, ik verzaak die uit geheel mijn hart omdat zij u mishagen aanvaard de oprechte begeerten, die ik heb, om mij met u te vereenigen; reinig mij door uwe genade en maak mij bereid, om u waardig te ontvangen.
Terwijl ik dien gelukkigen dag verwacht, bid ik u, o Heer, mij aan de vruchten van de Communie des priesters deelachtig te willen maken. Vermeerder mijn geloof door de kracht van dit goddelijk Sacrament, versterk mijne hoop, zuiver mijne lietde; vervul mijn hart geheel met uwe liefde, opdat ik niets anders dan u betrachte, en voortaan niet meer dan voor u alleen leve..
LAATSTE COLLECTE.
O mijn God, gij slachtoffert u voor mijne zaligheid, ik begeer mij ook voor-
i
246
uwe glorie te slachtofferen : ik ben uw slachtoffer, ik aanvaard gewillig de kruisen. welke gij mij zult gelieven toe te zenden; ik omhels die, ik neem die van uwe liand gaarne aan, en vereenig die met uw kruis.
O mocht ik nu door uw heilig geheim geheel gezuiverd henen gaan ! Ik zal met zorgvuldigheid alle zonden vermijden, bijzonderlijk die zonde, waartoe mijne genegenheid mij met meerder geweld aandrijft: ik zal aan uwe wet getrouw blijven, en heb een vast voornemen van liever alles te verliezen en alles te lijden, dan uwe geboden te overtreden.
BENEDICTIE.
Zegen, o mijn God, deze heilige voornemens: stort door de hand van uwen dienaar over ons uwen heiligen zegen, en doe de uitwerkselen van den-zelven eeuwig over ons blijven ih den naam des Vaders, en des Zoons en des 11. Geesies Amen.
'247
ST. JANS EVANGELIE.
In het begin was het Woord en het Wóórd was bij God, en het Woord was God. Dit was in het begin bij God Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt, en zonder dat is er niets gemaakt van hetgene er gemaakt is. In hetzelve was het leven, en het leven was het licht der menschen ; en hot licht schijnt in de duisternissen, en de duisternissen hebben het niet begrepen. Er werd een mensch van God gezonden, wiens naam Joannes was .Deze kwam tot getuigenis, om van het licht getuigenis te geven, opdat allen door hem zouden gelooven. Hij was het licht niet, maar hij was, om getuigenis van het licht te geven. Dit was het waarachtigs licht, hetwelk alle menschen, in deze wereld komende, verlicht. Hij was in de wereld, en de wereld is door hem gemaakt, en de wereld heeft hem niet gekend. Hij kwam in zijn eigen, doch de zijnen namen hem niet aan. Maar aan allen,
248
die hem aangenomen hebben, heeft hij macht gegeven, om kinderen Gods te worden, aan degenen, die in zijnen naam gelooven, die niet uit den bloede, noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar, uit God geboren zgn. En het Woord is vleesch geworden, en het heeft onder ons gewoond. En wij hebben zijne glorie gezien, eene glorie als van den eenigge-borenen Zoons des Vaders, vol van genade en waarheid.
GEBED NA DE H. MIS.
Ik bedank u. Heer voor de gunsten welke gij mij verleend hebt van te ge doogen, dat ik heden in de heilige offerande der Mis ben tegenwoordig geweest, boven zoo vele anderen, die zulk geluk niet gehad hebben. Ik vraag u vergiffenis voor al de gebreken, waaraan ik mij door lauwheid des harten en verstrooidheden heb schuldig gemaakt. Dat dit offer o mijn God, mij
249
van het verleden zuivere, en tegen het toekomende versterkt!
Ik keer nu met vertrouwen naar de bezigheden, tot welke gij mij roept: ik zal gedurende den dag, aan de gunsten gedenken, die gij mij verleend hebt; ik zal trachten, dat mij geen werk geen woord, geene begeerte, noch eenige gedachte ontvalle, die mij de vrucht van de heilige Mis, welke ik nu gehoord heb, zou kunnen doen verliezen. Dit is hetgeen ik met den bijstand uwer genade voorneem.
In den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes. Amen.
11.
âolt;Xgt;Ooâ
107.
GEBEDEN
VOOR DE
HEILIGE COMMUNIE.
OEFENING VAN GELOOF.
0 mijn Jesus, ik geloof vast el ijk, dat gij werkelijk en waarachtig in het al lerheiligste Sakraraent des Altaars, met godheid en menschheid, met ziel en lichaam, onder de gedaante van brood en wijn tegenwoordig zijt. Ik bid u, Heer, versterk mijn geloof.
OEFENING VAN HOOP.
O mijn Jesus, ik hoop door uwe verdiensten, vergiffenis mijner zonden en uwe genade te bekomen, om u toch waardig in dit allerheiligst Sakrament
251
te mogen ontvangen. Ondersteun, o Heer mijne hoop.
OEFENING VAN LIEFDE EN BEROUW.
O Jesus, ik bemin u uit geheel mijn hart uit al de krachten mijner ziel. Ach! mocht ik toch steeds meer en meer in liefde toenemen.
O mijn Jesus, uit liefde tot u heb ik een (precht berouw over mijne zonden en misslagen, waardoor ik u be-leedigd heb; o Jesus, vergeef mij mijne zonden, zij doen mij leed uit den grond mijns harten ; ik haat en verzaak ze altijd, Liever wil ik sterven, dan nog eenmaal te zondigen, O Jesus, mijn Zaligmaker, schenk mij hiertoe uwe genade,
OEFENING VAN VERLANGEN,
O mijn hart, het oogenblik nadert; gevoelt, begrijpt gij de overmaat van uw geluk ! Zie uw welbeminde wacht u. O, kom, spoedig, mijne eenige liefde,
L
252
kom gij, wien ik vurig bemin, voor wien ik door liefdevuur verslonden wordt. Kom u met mij vereenigen, haast u ; mijn liart springt op van blijdschap en snelt u te gemoet. Het werpt verre van zich af wat gij niet zijt; het wil zijne liefde aan niemand anders schenken, dan u. Ach, kom dan. Heer, ik sterf van verlangen om u te bezitten... O, ik hoor uwe verrukkelijke stem; zwijg mijne ziel en luister naar de liefelijke uitnoodiging van Jesus; »Doe open mijne bruid, mijne welbeminde; zie, hier ben ik : ik kom tot u met groote vreugde en eene brandende liefde.
»Ja, 'tis Jesus. Wat kan ik op dit oogenblik doen ? welke gedachten en gevoelens moeten mijn hart vervullen ? Hij komt!... O, hoe schoon is mijn goddelijke Bruidegom! de genade is op zijne lippen uitgestort; de hoogste majesteit straalt van zijn wezen af; hij opent zijne armen om mij te omhelzen... Ik zie zijn goddelijk hart, waaruit liefdevlammen opstijgen; hij noodigt mij uit
253
om er mij in te komen verbergen. Hij spreekt mij toe; luister wat Hij zegt: «Hier ben ik, mijne bruid, mijne welbeminde! doe open, ik wil in uw hart mijne woning vestigen en er mijne wellust van maken; doe open..... Ach,
H-jer Jesus, ik bezwijk; ik ben een zondaar een onwaardige, ik ga gebukt
onder de overmaat van mijn geluk.....
Doch, Heer Jesus gij wilt bet : treed dan in mijn hart binnen.....quot;
r
quot;tquot;
GEBEDEN NI DE H. COMMUNIE.
UITDOEZEMING EN BEDE.
Ik ben met God vervuld, God is geheel aan mij, en ik geheel aan hem : zijn hart en het mijne maken slechts één hart meer uit... O hart van mijnen Jesus ik aanbid u. O Maria mijne heilige Moeder hemelsche Geesten, heilige inwoners des hemels, aanbidt gij Jesus voor mij. Ik bezit hem geheel en al. Ach, mijn welbeminde, hoe zal ik u mijne dankbaarheid betuigen ? ik kan u beminnen, ziedaar wat mij met vreugde vervult en mijn hart met geluk bezielt, ziedaar, wat ook voortaan mijne eenige bezigheid zal uitmaken.
Dierbare en goddelijke schat, dat ik
255
liever duizendmaal sterve, dan mij nog ooit van u af te scheiden. Prent in mijn hart de deugden, die het uwe vervullen : leef gij steeds in mij, bemin steeds in mij. O hoe verheven is mijn Bruidegom! hoe beminnelijk is hij 1 Ach konde ik hem aan allen doen kennen, hem van allen doen beminnen.
Hoe hecht en vermogend, o heilige liefde, zijn uwe banden. Gij vereenigt mij, een nietig schepsel, dat verachtelijker is dan het niet voor altoos aan mijnen Jesus. Niets zal die dierbare banden meer kunnen verbreken; ik behoor aan Jesus toe, aan Hem alleen, voor altijd. Ik voel zgne tegenwoordigheid, ik hoor zijne stem, die mij verrukt en ontvlamt; hij vraagt mij alles op te offeren, mij aan alles te onthechten, wat hij niet is. O, hoe zoet valt mij dat offer, mijn lieve Jesus! Ik verzaak aan alles, om aan u voor altoos toe te be-hooren. Mij blijft niets meer te wen-schen over, dewijl gij u gewaardigt de gift gunstig te aanvaarden, die ik u
256
van mij zeiven doe; maar duld, mijn welbeminde, dat ik smeeke, uw zegeningen en genade uit te storten over zoo vele wezens die mij dierbaar zijn, doch die u nog maar weinig kennen, en het geluk niet hebben, de zoete wellusten uwer liefde te smaken. Verander hunne harten, o mijn Jesus ! doe hun kennen, dat gij alleen beminnelijk zijt en verdient bemint te worden. Bekeer alle zondaren, voor wie gij uw dierbaar Bloed vergoten hebt. Schenk uwe Kerlf, die getrouwe Bruid, al uwe genaden in de volste mate; doe de ergernissen ophouden, die haar bedroeven; verleen haar bedienaars volgens uw hart; behoud voor haar degenen, die haar door hunne getrouwheid tot s.eraad en eer verstrekken, en vereenig al de leden dier heilige maatschappij in het verblijf der uitverkorenen. Amen.
257
DANKZEGGING.
In vereeniging met de liefde der allerheiligste Maagd, uwe en mijne roemrijke Moeder, en in vereen iging met damp; lofzangen aller hemelsche geesten, loof en prijs ik U, liefderijke Zaligmaker, Heer Jesus Christus! Ik bedank u voor de onuitsprekelijke liefde, welke u bewogen heeft tot mij te komen en mijne arme en hongerige ziel te spijzigen. Gezegend zij uwe barmhartigheid en goedheid, dat gij u gewaardigd hebt, in de arme woning mijns harten binneö te komen. O veel schooner was de stal en de kribbe, waarin gij bij uwe geboorte hebt willen rusten, dan mijn hart. Hoe kan ik uwe oneindige vernedering vergelden, welk offer u daarvoor aanbieden, daar ik armer ben, dan de herders, die u in den stal kwamen aanbidden ?... O, al had ik ook al de stemmen der engelen en heiligen, dan zoude ik u nog niet genoeg kunnen danken en loven. Neem echter, o mij»
258
Jesus! mijn verlangen om u te danken â¢en te loven; zooals gij verdient, goedwillig aan ; en wil mij de genade schenken, om u eenmaal in eeuwigheid met alle scharen dor zalige geesten te mogen danken, loven, prijzen, en verheerlijken. Amen.
GEBED TOT DE 11. MAAGD MARIA VOOR DE BEKEERING DER ZONDAARS.
O allerliefste Maagd Maria! welk eene vreugde, welk een onuitsprekelijk genoegen, welk eene onbegrijpelijke blijdschap moet uw allerreinst en allerheiligst Hart doorstroomd en vervuld hebben, toen de heilige Geest over u nederdaalde en gij den Eeniggeboren des Vaders, den Verlosser der wereld, Jesus Christus, in uwen moederlijken schoot ontvingt! Welke vreugde, welke verrukking moet gij gehad hebben, toen gij negen maanden lang het kind Jesus onder uw hart gedragen, en eindelijk in den stal van Bethlehem gebaard
'259
nken ebt. En wie kan uwe blijde en innige â oed- efde en vreugde begrijpen, toen gij dat hen- oddelijk Kind op uwe armen dragen met n met uwe borst voedsn kondet.Onu mo-lust ook diezelfde Jesus, wien gg van leer- fen H. Geest ontvangen, wien gij oner het hart gedragen, gebaard en op-â¢evoed heb, in mijn hart, omdat ik oor flem wezenlijk en waarachtig in deH. !ommur.ie ontvangen hebt. Groot, on-fcogrijpelijk groot is dit geschenk van sene | jod. Met Jesus, uwen goddelijken Zoon, loor de H. Communie vereenigd. roep lik u aan voor mij zeiven en alle zon-hei- j Jaren. Wil mij, o Moeder, aannemen, leb- jen de grootste genade, de genade eener volkomene bekeering, door uwe machtige voorspraak verwerven. Amen.
lijd-
ier-des sus loot ror-3en sus lijk ird
GEBEDEN OiSTDER HET LOF
Geloofd, aangebeden en gedankt zij ten alle tijdo het allerheiligste Sakra-ment des Altaars! Zegen mij, o Heer Jesus! met den Vader en den heiligen Geest; versterk mij door uwe genade, om zoo te leven volgens uwen heiligen wil, dat geheel mijn leven tot uwe meerdere eer en glorie strekke : geef aan alle rechtvaardigen volharding, aan zondaren vergiffenis en aan alle geloovige zielen verlossing: help ons allen nu en in het uur van onzen dood.
In den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Gtestes. Amen.
261
GELOOF EN AANBIDDING.
O liefderijke Jesus! gij zijt waarlijk tegenwoordig onder de gedaante des broods, met lichaam en ziel, met vleesch en bloed, met godheid en menschheid, Ik gehot het vastelijk, omdat gij het zelf gezegd hebt. Wel is waar, mijne lichamelijke oogen zien u niet, en mijn verstand kan deze waarheid niet begrijpen; maar uw onfeilbaar woord laat mij niet twijfelen. Daarom val ik met de diepste ootmoedigheid voor u ter aarde neder, en bid u met alle mogelijke eerbiedigheid aan. Gij zijt mijn Heer en mijn God, Gij zijt diegene, welken de herders eertijds in de krib aangebeden hebben en ontelbare Engelen aanbidden in den hemel. Genen hebben u aangebeden onder de gedaante van een kind: dezen bidden u aan, zittende op den troon der heerlijkheid, aan de rechterhand van uwen hemelschen Vader. Met hen beiden aanbid ik u hier, als den waren onder de gedaante des broods
262
verborgen, God. O dat u alle mensches met mij erlienden! o dat zij allen u met een levend gelooi en heiligen schrik in dit allerhiiligst Sakrament aanbaden! Ik verlang nu en altijd eene bijzondere godvruchtigheid tot dit allerheiligste geheim te hebben. Nooit wil ik voor hetzelve anders dan met alle mogelijke ingetogenheid verschijnen; nooit wil ik hetzelve dan met de noo-dige bereiding ontvangen. Geef mij hiertoe, o Jesus! uwe genade.
LIEFDE EN DANKZEGGING.
Hoe onbegrijpelijk is uwe liefde o Jesus! voor ons ellendige menschen! Gij hebt niet alleen drie en dertig jaren bij ons op de aarde willen blijven en voor ons lijden en sterven, maar gij hebt vóór uw bitterst lijden dit allerheiligste Sakrament ingesteld, opdat wij u altijd bij ons zouden mogen hebben, tot onze troost en toeverlaat, tot onze geestelijke spijs en voedsel. Gij
263
hebt te voren geweten al de oneer en den smaad, dien niet alleen de ketters. Joden, en heidenen, maar ook uwege-loovigen u in dit allerheiligste Sakra-ment zouden aandoen, nochtans uwe lielde is hierdoor niet verschrikt geweest.
(ïij blijft in hetzelve bij ons tot het einde der wereld. O wonderbare liefhebber onzer zielen! welken dank, welk© liefde ben ik u schuldig? Ik dank u o Jesus! en wensch u zoo te kunnen danken, gelijk het verdient de verhevenheid van do weldaad, welke gij ons hierin bewijst. Ik bemin u, o Jesus ? en wensch u zoo vurig te kunnen beminnen, gelijk gij om deze overmaat uwer liefde tot ons verdient bemind te worden. Om de lauwheid mijner liefde en dankzegging eenigszins te vergoeden, offer ik u op al de eer en liefde, die in uw allerheiligste Sakrament ooit uwe getrouwe dienaren door de gansche wereld u bewijzen. O! dat ik die duizend en duizendmaal kon vermeerderen.
264
^ verlai
lof en zegening. onder
Geloofd en gezegend zij het allerhei- u ligste Sakrament des altaars; geloofd v.en «n gezegend zij liet allerheiligste vleesch m â en bloed, het allerheiligste lichaam en de allerheiligste zijl, de godheid en menschheid van Jesus Christus, onzen Verlosser en Zaligmaker, die in het allerheiligste Sakrament waarlijk en wezenlijk tegenwoordig is. Zoo vele engelen en heiligen in den hemel, zoo vele menschen op de aarde, zoo vele grasjes in het veld, zoo veel stofjes in de lucht, zoo vele droppeltjes in de zee, zoo veel duizend en duizendmaal zij geloofd en gezegend het allerheiligste Sakrament. Dit is mijn vurigste en hartelijkste wensch, dit verlang ik zoo dikwijls te vernieuwen als ik adem schep.. Neem dit aan, o in dit allerheiligste Sakrament waarlijk tegenwoordige Jesus! en laat dit allerheiligste Sakrament in mijn leven zijn mijn troost,
mijn sterkte ; in mijnen dood mijn toe-
265
verlaat, mijne teerspijs en een zeker onderpand der eeuwige zaligheid, opdat ik u na mijnen dood zonder einde loven en danken moge in den liemel. Amen.
--Y=-
107 12
LITANIE
TOT DE
ALUMEILIGSTE DRIEÃULDIGHEID.
Heer, ontferm u onzer.
Christus, ontferm u onzer.
Heer, ontferm u onzer.
God Vader, uit wien alle dingen zijn
ontferm u onzer.
God Zoon, door wien alle dingen zijn God H. Geest,'in wien al e dingen zijn Heilige en ondeelbare Drievuldigheid
één God,
Onbegrijpelijke Majesteit,
Onbeperkte Macht,
Oneindige Wijsheid, g
Onuitputbare Goedheid,
Heer der Heerschappijen,
Eeuwige Wet,
Eeuwige Waarheid,
God, almachtige Koning,
2ü7
pie alteen God, en één God zijt, ont
ferm u onzer.
n wien wij leven, ons bewegen en het aanwezen hebben,
iens Majesteit de aarde vervult, an wien alléén alle eer en glorie toekomt,
jDie ons troost in onze droefenissen, JDie alléén groote wonderen doet,
(Die zijt en waart en wezen zult, 2 Rechtvaardig en verschrikkelijk in 3 uw oordeel, «Die zijt en waart en wezen zult, 2 Rechtvaardig en verschrikkelijk in 3 uw oordeel, «
Heerlijk en wonderbaar in uw rijk, § Die alléén de onsterfelijkheid bezit, g en het ongenaakbaar licht be- r' woont.
Eeuwige Vader,
Eeniggeboren Zoon,
H. Geest, van beiden voortkomende, H. Drievuldigheid één God,
Wees genadig, spaar ons. Heer.
Wees genadig, verhoor ons. Heer.
Wees genadig, verlos ons. Heer. Van alle kwaad, verlos ons. Heer. Van alle zonden, verlos ons. Heer.
3
ZIJÃ;
zijn
leid.
B
§
26S
Van allo otigelooviglieid en dwaling1, verlos ons, Heer.
Van de overtreding uwer geboden, Van liet veronachtzamen en misbruiken uwer genade, S Van de verwaarlooziug der heilige 変 zaken, ^ Van den eeuwigen dood, = Door uwe Almacht,
Door uwe Wijsheid, S
Door uwe oneindige goedertierenheid, ^ Door uwe overgroote barmhartigheid. Door uw geduld en langmoedigheid. Wij zondaren, wij bidden u, verhoor ons. Dat gij ons de genade wilt verleenen, om altijd en overal te belgden, dat gij de ware God zijt, wij bidden u, verhoor ons.
Dat gij ons de genade wilt verleenen, om u te vereeren, éénen God in de Drievuldigheid van Personen, en de Drievuldigheid in do Eenheid van uw wezen, te aanbidden, wij bidden u, verhoor ons.
Dat gij ons de genade wilt verleenen
2G9
om D uit geheel ons hart lief te hebben, wij biddnn u, verhoor ons. Dat gij het volk hetwelk uwe heiligen Naam is toegeheiligd, wilt behouden en zalig maken, wij bidden u, verhoor ons.
Dat gij dwalenden op den weg der gerechtigheid wilt terugleiden, wij bidden u, verhoor ons.
Dat gij u gewaardigt ons te verhooren,
wij bidden u, verhoor ons. H. Drievuldigheid, verlos ons. H. Drievuldigheid, maak ons zalig. H. Drievuldigheid, maak ons levend. Heer, ontferm u onzer.
Christus, ontferm u onzer.
Onze Vader, enz.
v. Laat ons loven den Vader, den Zoon en den tf. Geest.
a. Laat ons hen loven en verheerlijken, in alle eeuwen.
v. Wees geloofd, Heere ! in het uitspansel des Hemels.
a. Zeer geprezen, en verheerlijkt, on hoog verheven in eeuwigheid.
'270
v. Dat God ons zegene, God, onze God, zegen e ons.
a. Dat de gansche aarde Hem vreeze. v. Heere! verhoor mijn gebed. a. En mijn geroep kome tot u.
Laat ons bidden.
Almachtige en eeuwige God ! die aan uwe dienaren de genade verleend hebt, door het licht van het ware geloof, de heerlijkheid uwer eeuwige Drievuldigheid te erkennen, en in uwe opperste Majesteit hare Eenheid te aanbidden ; verleen ons, dat wij door de kracht van datzelfde geloof ten alle tijde voor alle kwaad mogen bewaard worden, door Jesus Christus, uwen Zoon, onzen Heer, die, waarachtig God, met u leeft en heerscht, in de eenheid des H, Geestes, in alle eeuwigheid. Amen.
LITANIE
TOT HET
AIHUEILIGST 1I4RT VAN JESUS.
Heer, ontferm u onzer,
Christus, ontferm u onzer.
Heer, ontferm u onzer.
Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons.
God, hemelsche Vader, ontferm u onzer. God, Zoon verlosser der wereld ontferm n onzer.
God, H. Geest, ontferm u onzer, H. Drievuldigheid één God, ontferm u onzer.
Jesus, Zoon van de heilige Maagd
Maria, ontferm u onzer.
Hart van Jesus, waardige woonplaats van den H. Geest ontferm u onzer. Hart van Jesus, schatkamer van de H. Drievuldigheid, ontferm u onzer,
272
Hart van Jesus, glorie en vreugd dei-
Engelen, ontferm u onzer.
Hart van Josus, oneindig in majesteit, Hart van Jesus, voorwerp aller liefde, Allerootmoedigst Hart van Jesus, Allerzuiverst Hart van Jesus, Allerminnelijkst Hart van Jesus,
Hart van Jesus, vol van zegen en genade.
Wellust van hemel en aarde.
Licht van geheel de wereld, g Onoverwinlgke sterkte legen onze g; vijanden, g
â7 Bron van alle rechtvaardigheid, ö S Oorsprong van alle goedheid en _ ^ ontferming, g
« Vol medelijden en teederheid, ^ quot; Woonplaats aller deugden, quot;S Hetwelk aller lof en eer waardig a zijt,
Wien alle aanbidding toekomt, Onpeilbare diepte van alle he-
melsche gaven.
Zaligheid dergenen die in u hopen. Fontein der wateren, springen-
273
de tot liet eeuwige leven, ontferm u onzer.
Hart van Jesus, verzoening onzer zonden.
Troost van alle bedrukte harten, Hoop dergenen, die in u sterven, Ons leven en onze verijzenis. Toevlucht van alle zondaren Om ons met bitterheid vervuld, o a Om. ons met versmading overla- g.
CO , âº-â¦a
^ den, s?
_ Om onze boosheden doorboord, 5 ^ Om onze zaligheid aan het kruis e -g gestorven, g
^ Met eene lans doorstoken, g
Levende, heilige en Gode beha--'
gelijke Offerande,
Altaar, waarop alle Heiligen geofferd worden,
Hart van liefde en barmhartigheid.
Lam Gods, dat wegneemt de zonden
der wereld, spaar ons, Heer. Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, verhoor ons, Heer. 107. 12.
274
Lam Gods, dat wegneemt de zonden
dor wereld, ontferm u onzer.
Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons.
Heer, ontferm u onzer,
Christus, ontferm u onzer.
Heer, ontferm u onzer.
Onze Vader enz.
v. O Hart van Jesus, Koning dei-
heerlijkheid.
r Gij zult nooit versmaden een boetvaardig en vernedert hart.
v. Heer, verhoor mijn gebed.
r. En laat mijn geroep tot u komen.
Laat ons hidden.
O Heer Jesus Christus! die u ge- 1
waardigd hebt aan uwe Kerk de on- I
uitsprekelijke rijkdommen van uw god- 1
delijk Hart kenbaar te maken, wij 1
bidden u verleen ons waardig te wor- 1
den, om aan de liefde van dit aller- \ heiligst Hart te kunnen beantwoorden ;
door i aange( gen t wii u H. 6( der e(
275
door de ondankbaarheid der menschen aangedaan, door waardige eerbewijzin-gen te mogen vergoeden. Dit smeeken wij u, die met den Vader en den 11. Geest leeft en heerscht in alle eeuwen der eeuwen. Amen.
Heer, ontferm u onzer.
Christus, ontferm u onzer.
Heer, ontferm u onzer.
Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons.
God Vader in den hemel, ontferm u onzer. God Zoon, Verlosser der wereld, ontferm u onzer.
God, Heilige Geest, ontferm u onzer. H. Drievuldigheid, één Goi, ontferm u onzer.
H. Maria, bid voor ons.
H. Moeder Gods, bid voor ons. H. Maagd der Maagden, bid voor ons. Moeder van Christus, bid voor ons. Moeder der goddelijke genade, bid voor ons.
LITANIE
Allerreinste Moeder, bid voor ons. Allerzuiverste Moeder, Ongescbondene Moeder,
Onbevlekte Moeder,
Beminnelijke Moeder,
Wonderbare Moeder,
Moeder des Scheppers,
Moeder des Zaligmakers, Allervoorzichtigste Maagd, Eerwaardige Maagd,
Lofwaardige Maagd,
Machtige Maagd,
Goedertierene Maagd,
Getrouwe Maagd,
Spiegel der gerechtigheid,
Zetel der wijsheid.
Oorzaak onzer blijdschap, Geestelijk vat.
Eerwaardig vat.
Uitmuntend vat van godsvrucht,
Geheimzinnige Eoos,
Toren van David,
Ivoren toren.
Gulden Huis,
Ark des Yerbonds,
27«
Deur des llemels, bid voor ons. Morgenster,
Behoudenis der kranken,
Toevlucht der zondaren,
Troosteres der bedrukten,
Hulp der Christenen,
Koningin der Engelen, ^
Koningin der Patriarchen, ^
Koningin der Profeten, g
Koningin der Apostelen, s-
Koningin der Martelaren, g
Koningin der Belijders,
Koningin der Maagden,
Koningin van alle Heiligen,
Koningin, zonder erfsmet ontvangen, Koningin van den Allerheiligsten Eo-zenkrans.
Lam Gods, dat wegneemt de zonden
der wereld, spaar ons, Heer. Lam Gods, dat wegneemt de zonden
der wereld, verboor ons. Heer. Lam Gods, dat wegneemt de zonden
der wereld, ontferm u onzer. Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons.
279
Onze Vader, enz.
Onder uwe besclierming nemen wij onze toevlucht, H. Bloeder Gods ! versmaad onze gebeden niet in onzen nood; maar verlos ons van alle gevaren, o roemwaardige en gezegende Maagd! onze Vrouw! onze Middelares ! onze Voorspreekster ! verzoen ous met uwen Zoon, beveel ons aan uwen Zoon, vertoon ons aan uwen Zoon.
v. Bid voor ous, o H. Moeder Gods! a. Opdat wij der beloften van Christus waardig worden.
Laat ons hidden.
Wij bidden u, o Heer! stort uwe genade in onze harten : opdat wij die door de verkondiging des engels, de menschwording van Christus, uwen Zoon gekend hebben, door zijn lijden en kruis tot de heerlijkheid der verrijzenis gebracht worden door Christus onzen Heer. Amen.
GEBED
OP DEN EERSTEN DAG VAN HET JAAR.
Almachtige, eeuwige God, ik werp mij neder voor den troon uwer allerhoogste Majesteit; ik aanbid u met den diep-sten ootmoed en dank u, dat gij mij tot het begin van dit nieuw jaar hebt laten leven. Mijn voornemen is, u in dit jaar ten ijverigste te dienen, u door geene zonde vrijwillig te vergrammen en alles ter uwer eer te doen en te lijden. Door het dierbare bloed, dat Jesns heden in zijne besnijdenis vergoten heeft, bid ik u, verleen mij te dien einde u-we genade. Ik offer u op hetgeen gedurende dit jaar, in de geheele wereld ter uwer eer zal geschiedei), en ik wensch het duizendmaal te kunnen vermeerderen.
Zoo dikwijls ik dit jaar adem zal scheppen, zooveel duizendmaal verlang ik u, mijn God te aanbidder, in u to
'iSl
gelooven, op u to hopen, u van harte te beminnen, en uit liefde tot u. berouw te hebben over alle zonden welke ik tot heden begaan heb. Zoo veel duizendmaal roep ik u aan, om uwen bijstand in al mijn doen en laten, in leven en sterven. U wil ik dienen, voor u wil ik leven en sterven. Amen.
Bij dit geheel kan men voegen de Litanie van het allerheiligste ITarl van Jesus. Bladz. 271.
DE HEILIGE KRUISWEG.
VOORBERIilDINGS-GEBt:!).
1. O God, ik aanbid uwe liefde, dewijl gij uwen eenigen Zoon voor mij ten beste hebt gegeven; en u, lieve Jesus, bedank ik duizendmaal voor de onbegrijpelijke goedheid, weike gij mij betoond hebt, met voor mij aan een schandelijk kruis te sterven. Uit kinderlijke dankbaarheid en wederliefde, wil ik u op uwen heiligen en Moedigen kruisweg volgen.
2. O Jesus, ik aanbid de liefde van uw heilig Hart ; niemand is bekwaam te bevatten, met wat liefde het ons bemind heeft: Uitliefde voor mi] zijt gij uit den hemel gekomen, uit liefde hebt gij u ter dood laten veroordeelen, uit liefde hebt gij het kruis op uwe schouders genomen, om mijne zial, die verloren was, op te zoeken. Ach, lieve
283
Jesus, wat he«ft het u veel moeite en pijn gekost, om mij te vinden en tot uwen Vader terug te brengen ! Hoe dikwijls liebt gij in liet binnenste van uw hart over mijne zonden en ondankbaarheden gezucht! en toch, helaas, blijf ik ongevoelig. O hoe groot moet de liefde van uw heilig Hart wel niet geweest zijn, daar de brand uwer liefde door geene wederwaardigheden, vernederingen noch pijnen zoude uit-gebluscht worden. Hoe dikwijls zijt gij niet onder het kruis bezweken! Tus-schen hoevele pijnen zijt gij niet aan hetzelve vastgenageld! Hoe schandelijk zijt gij niet aan hetzelve gestorven! En dat uit liefde voor mij !.... Waarlijk de liefde van uw heilig Hart.was groot. O ziel, zoudt gij nog koud en ongevoelig blijven ? Neen, neen, lieve Jesus ik wil u eeuwig beminnen.
O Maria, maak mij deelachtig aan uwe gevoelens, opdat mijn hart geheel voor Jesus zij. Amen.
O Engel Gods, die mijn bewaarder
284
zijt, aan wiens zorg ik door de opperste goedheid ben toevertrouwd, gewaar-dig u mij te verlichten, te bewaren en te bestieren. Amen.
I. STATIE.
Jest us wordt ter dood veroordeeld.
Wij aanbidden en loven u, Christus omdat gii door uw kruis de wereld veriost- hebt.
O Jesus, hoe ellendig was op dat oogenblik uw toestand, maar ook hoe groot was de liefde van uw heilig Had! Het is immers uit liefde voor mij en tot boeting mijner zonden, dat gij u ter dood hebt laten veroordeclen.... O welk eene groote liefde ! en zou ik dan nog zonde bedrijven? Neen, ceen,lipve Jesus, voortaan geene zonden meer! En daarom zal ik steeds waken en bidden, opdat ik niet valle in bekoringen.
O Maria, bid voor mij, opdat ik vreeze voor de zonde, waarom Jesus ter dood veroordeeld is. Amen.
285
Onze Vader, Wees gegroet.
Ontferm u on/.er, Heer, ontferm u onzer.
God ! wees ons zondaars genadig,
lt;â¢5*
â¦
II. STATIE.
Jesus neemt hel kruis op zijne schouders.
Wij aanbidden, enz
O Jesus, ik aanbid de liefde van uw heilig Hart, die u bewogen heeft uw bitter kruis met zooveel liefde te omhelzen, en met zulk een geduld to dragen. Hoe zwaar was het kruis van gewicht, maar hoewel zwaarder was het van zonde; immers de goddelijke Vader had de zonden der gansche wereld op uw kruis gelegd: hoe bitter viel u de last van al die zonden, en van de mijne in het bijzonder! O Jesus, hoe spijt het mij, u door mijne zonden zooveel hartzeer aangedaan te hebben! Ach, of
zijt, aan wiens zorg1 ik door de opperste goedheid ben toevertrouwd, gewaar-dig u mij te verlichten, te bewaren en te bestieren. Amen.
â¦f
I. STATIE.
Jeans wordt ter dood veroordeeld.
Wij aanbidden tn loven u, Christus omdat gij door uw kruis de wereld verlost' hebt.
O Jesus, hoe ellendig was op dat oogenblik uw toestand, maar ook hoe groot was de liefde van uw heilig Hart! Het is immers uit liefde voor mij en tot boeting mijner zonden, dat gij u ter dood hebt laten veroordeelen.... O welk eene grooto liefde ! en zou ik dan nog zonde bedrijven? Neen, neen,lieve Jesus, voortaan geene zonden meer! En daarom zal ik steeds waken en bidden, opdat ik niet valle in bekoringen.
O Maria, bid voor mij, opdat ik vreeze voor de zonde, waarom Jesus ter dood veroordeeld is. Amen.
285
Onze Vader, Wees gegroet.
Ontferm u onzer, Heer, ontferm u onzer.
God ! wees ons zondaars genadig,
â¦
II. STATIE.
Jesus neemt heL kruis op zijne schouders.
Wij aanbidden, enz
O Jesus, ik aanbid de liefde van uw heilig Hart, die u bewogen heeft uw bitter kruis met zooveel liefde te omhelzen, en met zulk een geduld to dragen. Hoe zwaar was het kruis van gewicht, maar hoewel zwaarder was het van zonde; immers de goddelijke Vader had de zonden der gansche wereld op uw kruis gelegd: hoe bitter viel u de last van al die zonden, en van de mijne in het bijzonder! O Jesus, hoe spijt het mij, u door mijne zonden zooveel hartzeer aangedaan te hebben! Ach, of
Ã86
mijn hart in liefde ontvlamde, om uit liefde voor u alle zonden nauwkeurig te vermijden, zeggende met de heilige Catharina van Senen : O Jesus, mijne liefde ! voorlaan geene zonden meer?
O Maria, bid voor mij, opdat ik tot boeting mijner zonden voortaan met liefde het kruis omhel ze. Amen.
Onze Vader. Weesgegroet.
Ontferm, enz.
*
III. STATIE.
Jesus vall voor de eerste maal onder het kruis.
Wij aanbidden, enz.
O Jesus, ik heb medelijden met u, ziende dat gij onder het kruis bezwijkt, en met voeten vertrapt wordt: ik aanbid de liefde van uw heilig Hart, die u bewogen heeft om dit met blijdschap uit liefde voor mij te doen. O Jesus, ik wil u ook bemimnen, en uit liefde
'2S1
tot u alles lijden, en mijn hart geheel aan u geven, zonder hetzelve door ee-nig schepsel te laten innemen. Neen, lieve Jesus, ik wil mijn hart nergens meer aan vasthechten, noch aan de vermaken, noch aan de gezelschappen, noch aan de maaltijden of kermissen, noch aan de pracht en grootheden, noch aan de rijkdommen of tijdelijke goederen, noch aan mijnen eigen wil of zinnelijke voldoeningen. â Neen, lieve Jesus, uw hart is geheel voor inrj: ik geef mijn hart ook aan u.
O Maria, bid voor mij, opdat ik ontbonden van alles, geheel voor Jesus zij, en alles uit liefde voor hem lijde. Amen.
Onze Vader. Wees gegroet.
Ontferm, enz.
â¦f
IV. STATIE.
Jesvs ontmoet zijne lieve Moeder.
Wij aanbidden, enz.
'288
Hoe droevig waren hier de heilige Harten van Jesus en Maria! Het hart van Jesus lijdt bij het zien der smartten van liet hart van Maria, en het hart van Maria lijdt om den ellendigen toestand van Jesus, haren beminden Zaon, hebbende de doornenkroon op het hoofd, hot kruis op de schouders, het lichaam vol wonden en het aangezicht met bloed bedekt.
O Jesus, o Maria, uwe smarten waren groot, maar uwe iiefde voor God was nog grooter; want alle gevoel van de natuur overwinnende, hebt gij uwe heilige Harten geheel aan Gods wil overgegeven,
O Jesus, o Maria, leert mij deel nemen in uwe droefheden, en alle gevoel der natuur overwinnen, opdat ik mij in alls bitterheden, droefheden, dorheden en bekoringen gehee aan Gods Voorzienigheid overgeve. Amen.
Onze Vader. Wees gegroet.
Ontferm, enz.
289
â¦f
V. STATIE.
Simon helpt gedwongen hei kruis dragen.
Wij aanbidden, enz.
O Jesus, hoe bitter was het voor u, in het midden van uw lijden van allen verlaten te worden; gij draagt uw kruis voor allen, gij wordt als machteloos, en toch was er niemand om u te helpen; Simon, een vreemdeling, moest er met geweld toe gedwongen worden, en desniettegenstaande was uw heilig Hart vol liefde en volkomen met Gods wil tevreden. O Jesus, ik maak nu het voornemen, om uit liefde tot u zoo gevoelig niet meer te zijn, als de men-schen mij weinig medelijden toonen en zonder bijstand laten: word ik dan in mijn lijden zonder medelijden of zelfs â¢net bitterheid behandeld, dan zal ik
mij troosten in uw heilig voorbeeld.....
107 13
2C0
0 Jesus, sta mij bij en versterk mij door uwe genade.
O Maria, bid voor mij, opdat ik niet alle vertroosting derve. Amen.
Onze Vader. Wees gegroet.
Ontferm, enz.
â¦f
VI. STATIE.
Veronica zuivert Jesus aangezicht.
Wij aanbidden, enz.
O Jesus, hoe medelijdenswaardig was de gedaante van uw lichaam, maar hoe goedaardig bleef uw heilig Hart in het midden van al uw lijden !... De heilige Veronica u ziende, ontvlamde in liefde en wierp zich in het midden van het volk, zonder aanzien van de moeite of gevaren, om uw heilig aangezicht te zuiveren. â O Jesus, ik wil u ook beminnen, en zal voortaan mijn best doen, om uit, liefde tot u alle moeilijkheden te overwinnen, gewaardig u
291
een afbeeldsel van uw lijden in mijn hart te prenten, gelijk gij in den doek van de heilige Veronica gedaan hebt, om mij zoo in alle wederwaardigheden te troosten.
O Maria, maak dat mijn hart aan uw hart en aan dat van Jesus gelijkvormig worde. Amen.
Onze Vader. Wees gegroet.
Ontferm, enz.
â¦
T
VII. STATIE.
Jesus valt ten tweede male onder hel kruis.
Wij aanbidden, enz.
O Jesus, hoe meer gij lijdt en hoe pijnlijker deze uw tweede val bij de gerechtspoort was, des te grooter schijnt mij de minzaamheid van uw heilig Hart te zijn, toch dacht gij aan mij, opdat ik niet zou vallen, en in het oordeel niet zou verworpen worden... O Jesus,
292
uit liefde tot u zal ik trachten alle bitterheden, ziekten, zwakheden en vernederingen met geduld en zelfs met blijdschap te lijden. O Jesus, versterk mij door uwe genade.
O Maria, bid voor mij, opdat mgn hart geheel voor Jesus zij, en aan het zijne gelijkvormig worde. Amen.
Onze Vader. Wees gegroet.
Ontferm, enz.
*V
VIII. STATIE.
Jesus vermaant de weenende vrouwen.
Wij aanbidden, enz.
O Jesus, hoe goed passen hier in uwen mond deze woorden van het Evangelie: leert van mij, dat ik zachtmoedig van harte ben. Immers, lieve Jesus, hoe groot was de meêdoo-gendheid van uw heilig Hart! Gij lijdt zoo veel in uw lichaam, dat het volk
293
medelijden met u had, en luid over u weende: maar de goedaardigheid van uw heilig Hart was zoo groot, dat gij al uw smarten schijnt te vergeten, om medelijden met ons te hebben, zeggende: weent niet over mij', maar weent over u zeiven en over uwe kinderen-, want indien zij zoo handelen met het groene hout, wat zal er dan met het dorre geschieden '? o ,'^
O Jesus, ik zal ook trachten quot;meé-doogend van harte te zijn, zelfs jegens hen die mij afkeerig zijn, mij onwaardig kennende eenigen troost van iemand te ontvangen.
O Maria, bid voor mij, opdat ik zachtmoedig en minzaam van harte zij. Amen.
Onze Vader. Wees gegroet.
Ontferm, enz.
IX. STATIE
Jesus valt ten derde male onder het kruis.
Wij aanbidden, enz.
294
0 Jesus, hoe ootmoedig van harte waart gij, alle vernederingen en ver-smaadheden met liefde verdragende ! Het is nu reeds de derde keer, dat gij onder het kruis bezwijkt, dat zij u versmaden en met voeten vertreden, en toch lijdt gij alles met geduld in eenen geest van ootmoedigheid. Mij dunkt, ik hoor u hier zeggen: »Zie eens, hoe zij
quot; mishandelen ; zie «eens, met wat jib^ ik alles lijd; »en leer van mij dat ik zachtmoeaig en ootmoedig van harte ben.
O Jesus, uw heilig voorbeeld ziende, maak ik het vaste besluit, om alle vernederingen en versmaadheden met liefde te verdragen; immers, de knecht is niet beter dan zijn meester, en als zij den meester versmaad hebben, zou het dan niet billijk zijn, dat de knecht ook de versmaadheden lijde ? â Ja zeker, lieve Jesus, ik ben nu bereid met u alle vernederingen te verdragen ; sta mij bij door uwe genade, zonder welke ik niets vermag.
295
O Maria, bid voor mij, om gaarne vernederd en voor niets geacht te worden. Amen.
Onze Vader, Wees gegroet,
Ontferm, enz.
â¦f
X STATIE.
Jesus wordt ontkleed en met gu#. gelaafd.
Wij aanbidden, enz.
Zoo wordt gij dan hier, lieve Jesus, van alles ontbloot en met bitteren gal gelaafd! Gelijk uw lichaam hier van alles ontbloot is, zoo is uw heilig Hart van alles ontbloot geweest, om ons te leeren, dat wij ons hart van alles onthechten en alle bitterheden met liefde omhelzen moeten.â Lieve Jesus, ik omhels nu met liefde de armoede met alle hare gevolgen; ik zal mijn hart nergens meer aan vasthechten, noch mij ergens over beklagen ; noch over
296
den last van geringheid van kleederen, van meubels, van spijs en drank, nosh over koude en gebrek welke altemaal gevolgen van de armoede zijn, en die ik te zamen met de armoede gewillig omhels.
O Maria, bid voor mij, opdat ik, ontbloot en onthecht van alles, geheel voor Jesus zij. Amen.
OnzeVader. Wees gegroet.
-^ntferm, enz.
â¦f
XI STA.TIE.
Jesus wordt aan het kruis genageld.
Wij aanbidden, enz.
Zoo zijt gij dan, lieve Jesus, gehoorzaam geworden tot den dood toe, met uit gehoorzaamheid aan de beulen uwe handen voeten gewillig uit te steken, om ze te laten doornagelen ! â Ik sta over de grootheid uwer gehoorzaamheid nog meer verwonderd, als ik bedenk,
297
dat gij van het begin af in uw Hart met liefde den kruisdood omhelsd hebt.
O Jesus, ik onderwerp mij van nu af aan het doodvonnis, wegens de zonden tegen mij uitgesproken, om zoo met volkomene overgeving evenals gij te mogen sterven.
O Maria, bid voor mij, opdat ik altijd en aan allen met liefde gehoorzame. Amen.
Onze Vader, Wees gegroet. ^ Ontlerm, enz.
XII. STATIE.
Jesus sterft aan het kruis.
Wij aanbidden, enz.
O Jesus, gaat gij nu voor onze zaligheid sterven ? O welke liefde!... O Jesus, ik bewonder de minzaamheid van uw heilig Hart, omdat gij het offer van uw leven, niet alleen aan het kruis, maar reeds van het begin uwer ontvangenis, in uw hart gedaan 107. 13.
298
hebt. O Jesus, ik slachtoffer mg ook van dit oogenblik af, en vereenig mij met het heilig Offer dat, gij op het altaar van uw heilig Hart gedaan hebt, en in deze vereeniging wil ik voor u leven en sterven.
O Maria, bid voor mij, opdat ik sterve voor Jesus en leve voor God. Amen.
Onze Vader. Wees gegroet.
CS.tferm, enz.
XIII. STATIE.
Het lichaam van Jesus wordt van het kruis gedaan.
Wij aanbidden, enz.
O Jesus, gij hebt ons waarlijk met eene standvastige liefde bemind. Uw heilig Hart was zoo vol liefde, dat gij het kruis voor uwen dood niet hebt willen verlaten..... O liefde.... o standvastige liefde, ons beminnende tot den
'2C9
dood toe. O Jesus, ik maak nu het vaste besluit, om u ook te beminnen met eene standvastige liefde, en het kruis niet te verlaten, voordat ik sterve. O Jesus, geef dat ik volharde en zalig worde.
O Maria, bid voor mij, opdat ik volharde tot het einde toe. Amen.
Onze Vader. Wees gegroet.
Ontferm, enz.
â¦f
XI7. STATIE
Jesus wordt in een nieuw graf begraven.
Wij aanbidden, enz.
O Maria, hoe groot was op dit oogen-blik uwe droefheid â Jesus, uw beminde Zoon, wordt in het graf gelegd; geef, dat ik met u bedroefd zij over de diepe vernedering, welke Jesus om mijnentwil heeft moeten lijden.
O Maria, hoe droevig waart gij in
300
uw Hart, toen het graf van Jesus moest gesloten worden, en gij hetzelve moest verlaten. Uwe liefde was zoo groot dat gij Hem niet kondet verlaten. Jesus wordt begraven, het graf wordt gesloten, en gij moet vertrekken, maar uw heilig Hart kan van hem niet gescheiden worden. Het was door de liefde verbonden met het heilig Hart van Jesus; want zijn hart was het uwe en nw ftaft was het zijne : O Jesus, o JViaria, ik bid u van mijn hart met uwe heilige Harten te vereenigen, om gescheiden van de wereld, in de stilte van het grat, te zamen met u veree-nigd te blijven.
O Maria, bid voor mij, opdat ik met u moge rusten in het heilig Hart van Jesus en gij te zamen met Jesus zoudt gelieven te rusten in mijn hart. Amen.
Onze Vader. Wees gegroet.
Ontferm, enz.
SLUITGEBED,
O Jesus, ik bedank u voor alleont-vangene weldaden; en bijzonder voor de genaden, die gij mij nu op den kruisweg verleend hebt: ik vraag u vergiffenis voor al de onachtzaamheden en fouten, waardoor ik uw heilig Hart en dat van Maria bedroefd heb. .â O Jesus, leer mij in liefde voor wwont-vlammen.
2. O Jesus, de liefde van uw heilig Hart moet wel groot geweest zijn ; aangezien gij voor mij zoo veel hebt willen lijden ; helaas, hoe klein is mijne liefde ! Het minste is genoeg, om dezelve to doen verflauwen. Ach, mocht mijn hart eens gelijkvormig aan het uwe worden ! Ach, konde ik uit liefdevoor u alle bitterheden met liefde lijden, en mij van alle rjdele zoetigheden onthouden ! â O Jesus, al kan ik het nog niet doen, ik heb toch een vurig verlangen om het te doen; ik bid u, ver-
yos
sterk mij. Helaas, wat heb ik tot nog toe weinig voor u gedaan ! Gij de Koning van hemel en aarde, hangt vo schande en vernederingen aan het kruis, en ik nietige aardworm, zoek mij te verhoovaardigen ; uw hoofd is gekroond met doornen, en ik zou het mijne willen versieren en optooien! Uw lichaam is geheel verscheurd en van alles ontbloot, en ik zou het mijne willen koesteren, en met schoone kleede-rën versieren ! Uw hart is met eene lans doorstoken, vol minzaamheid jegens allen, en ik zou ongevoelig blijven voor u, of voor de armen, of voor de noodlijdenden, of voor die mij iets misdaan hebben ! ... Uw hart heeft liefde gehad voorde armoede, evenals vooruwe Bruid, en daarom zijt gij in armoede geboren, daarom hebt gij in armoede geleefd, en daarom zijt gij in armoede gestorven. En ik zou mijn hart aan de rijkdommen willen hechten ? â Uw heilig hart heeft de versmaadheden bemind en overal gezocht, en ik zou de eer en
303
achting willen zoeken ? Gij lijdt honger en dorst, en wordt met bitterheden verzadigd, en ik zou mijn genoegen willen zoeken, in smakelijke spijzen of dranken.... ? Neen, lieve Jesus, dat kan niet meer ziin ; ik wil geheel voor u zijn en uit liefde tot u alle ijJe-le zoetigheden, grootheden en genoegens verachten ; ik wil geen leven meer hebben dan voor u ; gij aan mn. t'.\ ik aan u, ziedaar, mijn veAW^en en mijn eenigst streven.
O Maria gij hebt altijd een volmaakt afbeeldsel van zijn hart in uw hart gedragen, geef dat ik daarvan ook een volmaakten spiegel in mijn hart drage, opdat mijn hart voortaan een volmaakt afbeeldsel zij van zijne ootmoedigheid, zachtmoedigheid en zijn geduld; van zijne overgeving aan Gods wil en zijne heilige bescherming; van zijne liefde voor de vernederingen, voor zijne vijanden, en voor de zaligheid der zielen. O Maria, ziedaar de vurige verlangens van mijn hart, maar mijne zwakheid
304
kennende, bid ik u, daartoe voor mij de noodige sterkte te vragen. Amen.
Voeg hier desverkiezende nog bij vijf Onze Vader vijf Wees gegroet, en vijf Glorie zij den Vader, ter eere van de vijf wonden van Christus ; â en pen Onze Vader, een Wees gegroet en een Glorie zij den Vader, ter i^iiiisntie van den Paus van Rome.
GEBED
VOOR HET
CHRISTELIJK HUISGEZIIC-
»0 God van goedheid en barmhartigheid, aan uw almachtige bescherming bevelen wij ons huis, ons gezin, en alles wat wij bezitten. Zegen ons allen zooals gij de heilige Familie in Nazareth gezegend hebt.
Heilige Verlosser Jesus Christus, om de lielde, waarmede gij mensch geworden zijt, om ons te verlossen, om damp; barmhartigheid, waardoor gij voor ons aan het kruis gestorven zijt, bidden wij u, zegen ons huis onze huisgenoo-ten. Bewaar ons voor alle kwaad en voor de boosheid der menschen, bewaar ons voor de bliksem, hagel, brandgevaar, voor overstrooming en ongunstig
306
weer, behoed ons voor uw toom, voor den haat en de booze plannen onzer vijanden, voor pest, hongersnood en oorlog. Laat niet toe, dat iemand van ons zonder de heilige sacramenten sterve. Geef ons uw zegen, opdat wij standvastig ons geloof belijden, dat ons ter zaligheid voert, opdat wij ook in lijden en beproevingen onze hoop bewaren en in de liefde tot u en tot den naaste altijd vooruit mogen gaan.
O Jesus, zogen en behoed ons!
O Maria, moeder van genade en barmhartigheid, zegen ons, behoed ons, tegen den boozen geest, geleidons aan uwe moederlijke hand door dit tranendal ; verzoen ons met uwen zoon, en beveel ons aan Hem, opdat wij zijne beloften waardig worden.
Heilige Josef, voedstervader van onzen Verlosser, behoeder van zijne heilige Moeder en hoofd der heilige Familie, wees onze voorspreker zegen en bescherm ten alle tgde onze woonstede.
307
Heilige Michael verdedig ons tegen alle boosheid der hel
Heilige Gabriel, laat ons den heiligen wil Gods erkennen.
Heilige Rafael behoed ons voor ziekten en levensgevaar.
Heilige Engelbewaarder bewaar ons dag en nacht op den weg der zaligheid. Gij heilige Patronen bidt voor ons bij den troon Gods.
Ja zegen dit huis, o God, Vader die ons geschapen hebt, God, Zoon, die voor ons aan het kruis geleden hebt, en Heilige Geest, die ons in het doopsel geheiligd hebt. Moge de allerheiligste Drievuldigheid ons lichaam bewaren, onze ziel reinigen, onze harten besturen en ons tot het eeuwig leven voeren !
Eer zij den Vader, eer den Zoon, eer den H. Geest. Amen.
EINDE.
IMPEIMATUE.
Buscod, 20 Octobris 1889.
J. J. VERSTERKEN, Rector. ad hoc delegatus.
INHOUD.
Voorbericht......
Bladz.
. V
EERSTE DEEL.
Uitnoodiging tot rust in het Hart van Jesus . 7
I. Met u alleen, o mijn God . . . 11
II. Met u wil ik hart aan hart spreken . 16
III. U wil ik alles zeggen .... 21
IV. Zijt gij niet mijn vader ... 25 V. Mij n oprechte vriend.....29
VI. Mijn trooster.......32
VII. Mijn eenig goed......36
VIII. In u heb ik den weg, de waarheid het leven gevonden ... 39 IX. Dichtbij u, op uw hart wil ik mijne rustplaats vestigen .... 42
X. Ik wensehte wel dat ik U alleen
beminde.........46
XI. Helaas wat heb ik u laat bemind . 50 XII. Heden verlang ik naar u alleen . 53
XIII. Gij alleen, om mij aan uwen aanbid-delijken wil gelijkvormig te maken . 57
XIV. U alleen met uwe verlatenheid en
uw kruis.........82
INHOUD. I
Bladz.
XV. U alleen iu mijueu dood ... 66
XVI. Om u iu alle eeuwigheid te bezitten ..........70
XVII. Liefde-ontboezeming.....77
XVIII. Godvrucbte gedachten .... 80
â nvEÃDU DEEL.
Uitnoodiging tot de heilige Communie . 87
Voorwoord..........89
I. De proeftijd voor den hemel . . 92 II. De Heer is daar......9$
III. God iu ons . .......107
IV. Het brood der reizendeu . . . .115 V. De bekende gastvriend . . . .119
VI. Eust aan het Hart vtm Jesus . . 124 VII. De genoegens der heilige Tafel . 128 VHI. De Thabor des tegenwoordigen levens...........133
IX. De tijdelijke verblijftent van Jesus . 138 X. Ziedaar het Lam Gods .... 142 XI. Totwien zullen wij gaan Heere I . 145 XH. Vrees niet, ik ben het.....149
XIII. Een engel des hemels deelt de heilige Communie uit aan een engel
op aarde.........155
XIV. Onderpand der onsterfelijkheid . . 101 XV. Vau de Tafel iu de ballingschap
tot het Gastmaal in het vaderland. 166 XVI. Ik zal ip'j nooit scheiden van hem
dien rn':- ziel bemin;.....171
?'â ''â l '' 1 1,'r' '' fs'' ' i'l ' , nïKKWP /gt;gt;-â M
â â â ,⢠â â â¢â : â v, v.v â¢
: V :-:C/. i ; 1 f. -Jf S
iâ¢â¢ , â¢
£S-3- , . , â
.â â â .