H E T J! O E K
DER
PSALMEN,
NEVENS DE GEZANGEN BIJ DE HERVORMDE KERK VAN NEDERLAND IN GEBRUIK.
OP LAST VAN DE
STATEN-GENERAAL DER VEREENIGDE NEDERLANDEN
UIT DK1K BERIJMINGEN IN IIKT JAAR 1773 GEKOZEN MET DE NOODIGK DAARIN GEMAAKTE VERANDERINGEN;
MITSGADERS
DE CATECHISMUS, GEBEDEN EN FORMULIEREN DER HERVORMDE KERK.
UITGEGEVEN DOOR HET
NEDERLANDSCH BIJBELGENOOTSCHAP. â¢1889.
Stoomdruk van J. van Boekhoven te Utrecht.
HET BOEK
ser
PSALMEN.
2. Want hij zal zijn gelijk een frissche boom, In vetten grond geplant bij ecnen stroom.
Die op zijn tijd met vruchten is beladen. En sierlijk pronkt met onverwelkte bladen: Hij groeit zelfs op in ramp en tegenspoed; Het gaat hem wèl, 't gelukt hem wat hij doet.
3. Gansch anders is 't met hem die 't kwaad bemint: Hij is als kaf dat wegstuift voor den wind;
Geen zondaar zal 't gewis verderf ontkomen,
Als in 't gericht door God wordt wraak genomen Hij, die van deugd en godsvrucht is ontaard. Zal niet bestaan waar 't vrome volk vergaart.
4. De Heer toch slaat der menschen wegen gamp;. En wendt alom het oog van zyn genii
Op zulken die, oprecht en rein van zeden. Met vasten gang het pad der deugd betreden; God kent hun weg, die eeuwig zal bestaan.
Maar 'theilloos spoor der boozen zal vergaan.
PSALM 2.
ii ^ v v
heeft het hart der volken ingenomen? De koningen
verheffen zich alom; De vorsten zijn vermetel saam-
'g-« ïquot;â=â== ----
gekomen. Om God den IIkkr zelfs naar de kroon
te steken, lin tegen zijn' Gezalfden optestaan.
* u
spreken saam: «Laat ons hun baiden breken. En
«van hun juk en touwen ons ontslaan.»
2. Maar de Opperheer, die zijn gedmhten stoel Op starren sticht en grondvest op de wolken.
Zal lachen met dat vruchteloos gewoel,
En spotten met den waan der dwaze volken.
God zal zijn wraak ontdekken voor hun oogen;
Straks gloeit de lucht door 't vlammend bliksemlicht; 'tis God die spreekt; Hij dondert uit den hoogen. En jaagt den schrik zijn haatren in 't gezicht.
3. «Durft gü bestaan te twisten met mijn kracht? «Zal nietig stof mij 'thoog gezag ontwringen,
«Of weerstand biên aan mijn geduchte macht? «Ontziet mijn toorn, verdoolde stervelingen.
«Gij zult vergeefs mijn rijksbestel weerstreven:
«Mijn Koning is gezalfd door mijn beleid;
«Hij, door mijn hand op Siona troon verheven, «Heerscht op den berg van mijie heiligheid.»
PAUZE.
4. En ik, die Vorst, met zooveel macht bedeeld. Zal Gods besluit aan 'twereldrord doen hoor en.
Hij sprak tot mij; «'k Heb hec.en U geteeld;
4
PSALM 3.
«Gij zyt myn Zoon, Gy zijt myn eengeboren*. «Zeg vrij uw eisch; ik zal uw macht verhoogen,
«Opdat uw naam alom ontzaglijk zij; «Het heidendom lig voor uw stoel gebogen, «En 'teind der aard erken uw heerschappij.
5. «Uw ijzren staf, die al hun macht verplet, «Maak hen eerlang eerbiedige onderzaten,
«En noodzaak hen te buigen voor uw wet, «Of sla ze aan gruis als nottebakkersvaten.n O vorsten, wilt de wet der wijsheid hooren.
Eer gij God zelf en zijn Gezalfde hoont; O rechters, tot den stoel der eer verkoren. Verdraagt zijn tucbt, die u zijn liefde toont.
6. Vreest 'sHeerex macht en dient zijn majesteit; Juicht, bevend op 'tgezicht van zijn vermogen.
En kust den Zoon, van ouds u toegezeid,
Eer u zijn toorn verdelg voor alllt;!r oogen, U op uw weg tot stof doe wederkeeren.
Wanneer zijn wraak, getergd door uw gedrag, U onverhoeds zou door baar jrloed vertereu. Tot staving van zijn langgehoond gezag.
7. Welzalig zij, die, naar zijn reine leer,
In Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen,
Die Sions Vorst erkennen voor hun lieer. Welzalig zij die vast op Hem betrouwen.
«als weleer; Hem is geen heil beschoren.))
2. Maar, trouwe God, Gij ziit Tïet schild dat mij bevrijdt.
Mijn eor, mijn vast betrouwen. Op U vest ik het oog:
Gij heft mijn hoofd omhoog.
En doet me uw gunst aanschouwen, 'k Riep God niet vruchtloos aan;
Hij wil mij niet versmaan,
In al myn tegenheden;
Hij zag van Sion neer.
De woonplaats van zijn eer.
En hoorde myn gebeden.
3. Ik lag en sliep gerust.
Van 'sHekken trouw bewust.
Tot ik verfrischt ontwaakte;
Want God was aan mijn zij, Hij ondersteunde mij In 'tleed dat mij genaakte.
Ik zal, vol heldemoed.
Daar mij zijn hand behoedt , Tienduizenden niet vreezen,
Schoon ik van alle kant Geweldig aangerand En fel geprangd moog wezen.
4. Sta op, verlos mij. Heer.
Gij hebt, o God, weleer
Getoond voor mij te waken.
Mijn haters onderdrukt.
En mij 'tgevaar ontrukt;
Gij sloegt hen op de kaken.
Verbrekend onverwacht Hun tanden door uw macht:
'k Heb de overhand verkregen. Gij Heeb'alleen. Gij zijt Verwinnaar in den strijd.
En geeft uw volk den zegen.
PSALM 4.
Herinnert u, gij roekeloozen.
Dat zich de IIker een Gunstgenoot Heeft afgezonderd en verkozen.
Hij doet mij nooit van schaamte blozen,
Die als ik riep mij hulpe bood.
Zijt gij beroerd, ontsteld , verlegen ,
Zoo zondigt niet; verzaakt uw wil; Spreekt in uw hart, herdenkt uw wegen.
0^ 't eenzaam bedde neerga
weest in alle ontmoeting stil.
3. Dan zult gij recht naar 't outer treden,
Eu offren Gode een rein gemoed.
Het ofter der gerechtigheden,
En 'tzuivre reukwerk der gebeden:
Betrouwt op Hem, want Hij is goed.
Daar velen twijfelmoedig vragen:
«Wie zal ons 't goede toch quot;doen zien ?» Doe Gij o Heer, na 't angstig klagen. Ons 't lieflijk liclit uws aanschijns dagen. En wil uw rijke gunst ons biên.
4. Gij hebt me in 'thart meer vreugd gegeven.
Dan andren smaken in een tijd Als zij , door aardsch geluk verheven, Bij koorn en most wellustig leven,
In hunnen overvloed verblijd.
Ik zal gerust in vrede slapen,
En liggen ongestoord terneer;
Want Gij alleen, mijn schil! en wapen. Schoon 't onheil schijnt voor mij geschapen. Zult mij doen zéker wonen. Heer.
PSALM 5.
----------
1. Neem, IIeeu , mijn bange klacht ter ooren; Zie,
quot;quot;quot;
Sla iedre zucht, mijn hart ontgleden. Opmerkend gA; schenk raij 't genot Uws heils, mijn Koning en mijn God! Ik zal tot U met mijn gebeden Eerbiedig treden.
Ik zal, door ijvervuur aan 'tb;aken, O Heer, bij 'tscheemrend morgenlicht. Mij stellen voor uw aangezicht, Oprechte boezemzuchten slaken , En biddend waken.
Gij, die geducht zijt in vermogen. Verdraagt de goddeloosheid niet; Gij zult, o God die 't èl doorziet. Den booze voor uw heilige oogen Geenszins gedoogen.
quot;Wie zinloos, zonder te overwegen Wat hem betaamt, tot U durft gaan. Zal voor uw aanschijn niet bestaan: Gij haat en staat hen billijk tegen. Die onrecht plegen.
PAUZE.
Gij Heer verdelgt den logensp-ekcr.
Ilij die zijn hand met bloed bevlekt. En gruwlen met bedrog bed(kt.
Tergt, als de snoodste wet verbreker.
Den Iloogsten Wreker.
Maar mij ontmoet uw mededcogen:
Ik zal, uw woning ingeleid.
En naar 't paleis der heiligheid In ware godvrees neergebogen.
Uw gunst verhoogen.
ÃÃE
8. Leid mij in uw gerechtigheden.
Om mijn verspiedren wil, en richt Uw wegen voor mijn aangezicht; Dan zal ik veilig voorwaarts treden Met vaste schreden.
9. Al 'trecht is van hun mond geweken. Zij leggen 't op verderven toe;
Hun keel is nooit verslindens moe; Hun tong tracht, vleiend, ons door treken Kaar 't hart te steken.
10. Draagt Gij o God hen nog geduldig ?
Verwoest hun raadslag; drijf hen heen. Daar ze uwe wet zoo stout vertreên. Zij tergen TJ te menigvuldig:
Verklaar hen schuldig.
11. Maar geef uw dierhren gunstelingen. Wier geest in U zijn sterkte vindt. Wier hart uw' naam oprecht bemint, In U volvroolijk optespnngen En blij te zingen.
12. 't Rechtvaardig volk zult Gij beloonen, Terwijl Gij IIkkk hen overdekt. Hun tot een veilig schild verstrekt. Gij zult goedgunstig hen bekronen. Ja bij hen wonen.
EjiiHi
Sla mij met medelijden. Gelijk een vader doet.
2. Vergeef mij al mijn zonden.
Die uwe hoogheid schonden :
Ik ben verzwakt, o Heer.
Genees mij , red mijn leven;
Gij ziet mijn beendren beven:
Zóó slaat uw hand my neer.
PSALM 6.
3. Mijn ziel, gansch neergebogen. Schrikt voor uw heilige oogen,
In dezen jammerstaat:
Hoelang zal ik nog klagen,
Hoelang uw gramschap draden, O Heer, mijn toeverlaat?
4. Keer eindlijk. Heer, toch weder; IVlijn ziel buigt zich terneder;
Ai red haar van 't verderf; Sla mijn ellende gade,
ïot roem van uw genade,
En help mij eer ik sterf.
5. Want wie kan na 't verscheiden Op aarde meer verbreiden
Uw grootheid en uw lof?
quot;Wie zal uw gunstbewijzen In 'tzwijgend «raf ooit prijzen, U zingen in het stof?
6. Uw strenge geeselroede
Maakt mij van 't zuchten moede,
Verteert geheel mijn kracht; Ik voel uw slagen klemmen.
En doe mijn bedde zwemmen In tranen , al den nacht.
7. Mijn oog is roodgekreten. Van tranen uitgebeten.
Verouderd en doorknaagt;
Daar ik in mijn ellenden Door al mijns vijanda benden Verdrukt word en gejaagd.
8. Mijn ziel grijpt moed: wijkt boozen. Vlucht van mij wèg godloozen:
De Heer heeft mijne klacht Met toegenegen ooren Genadig willen hooren ,
Eu al mijn smart verzacht.
9. I)e Heer wilde op mijn kermen Zich over mij ontfermen;
Hij heeft mijn stem verboord; De Heer zal , on mijn smeeken. Geen hulp mij uoen ontbraken ; Hij houdt getrouw zijn woord.
10. Hij zal mijn haters weren, Hen straks terug doen kieren.
Beschaamd en vol van schrik ;
Zijn grimmigheid, aan blaken. Zal hen te schande maken.
Zelfs in een oogenblik.
PSALM 7.
2. Mijn God, zoo 'k immer heb bedreven Het booze stuk, mij aangewreven,
't Onkreukbaar recht ooit heb gefnuikt, En een oneven schaal gebruikt.
Of kwaad voor goed heb toegewogen. En mijnen vreêgeuoot bedrogen:
(Hem heb ik zelfs 't gevaar ontrukt. Die mij ten onrecht had verdrukt):
3. Zoo moet mijn vijand op de hielen Mü volgen , ja geheel vernielen;
Hij roof mijn leven en mijn eer,
En werp miju kroon ter aarde neer. Sta op o Hëur , wil mij behoeden; Uw gramschap straf mijns vijands woeden; Ontwaak voor mij , en keer 't geweld: 't Gericht hebt Gij zelf Ingesteld.
4. Zoo zullen zich geheele scharen Van volkren om U heen vergaren;
Beklim dan, boven dit gewoel, Uw hemeltroon , uw rechterstoel. De Hehr zal al de volken richten. En 'tonrecht voor het recht doen zwichten: Geef dan, o Heer, dat voor elks oog Mijn recht en vroomheid blijken moog.
11
PAUZE.
5. Laat toch het kwaad der goddeloozen Een einde nemen, straf de boozen;
Maar sterk uw volk, dat hulp behoeft. Gij die elks hart en nieren proeft.
Laat vrij voor U mijn vijand vreezen,
Voor U, rechtvaardig Opperwezen:
Bij U, mijn Bondgod, is mijn schild, Die 't vroom gemoed behouden wilt.
6. God, die op 'trecht zijn troon wil stichten. God is rechtvaardig in zijn richten,
En toont zijn gramschap lag aan dag. Bestrijdt de mensch zijn hoog gezag.
Blijft hij zich tegen Hem verzetten,
God zal zijn glinstrend wraakzwaard wetten: Hij kromt en spant alrefi zijn boog, Eu dreigt met pijlen van omhoog.
7. God heeft de waapnen aangegrepen.
Tot 's vijands wissen dood geslepen:
Hij legt de pijlen op hem aan;
quot;Wie hittig woedt zal niet bestaan.
Be booze wringt en kromt de leden, In arbeid van onzinnigheden;
Hij gaat van dwaze moeite zwaar:
Verwacht dan dat hij leugen baar.
8. Hij heeft een diepen kuil doen delven,
Maar 't was bij de uitkomst voor zichzelven,
Schoon hij, met zooveel loos beleid,
Dien had tot mijn verderf bereid.
T)e moeite die hij dorst verwekken Zal zijnen kop eerlang bedekken.
En zijnen schedel al 't geweld quot;Waarmee hij andren had gekweld.
9. Ik zal het eeuwig Wezen prijzen .
Zijn recht de schuldige eer bewijzen.
En zingen 'sAllerhoogsten lof. Met psalmen, tot in 't hemelhof.
fü
1. Heer, onze Heer, grootmachtig Opperwezen,
:=i5|=ï======ÃS:ïi=;SÃÃ!sêS=
Hoe wordt uw naam op aard alom geprezen I
PSALM 8.
2. Uw mogendheid beeft sterkte willen gronden I'it kindren-, ja uit zuigelingenmonden ;
Zoo breekt uw band des vijands boos geweld. Daar Gij zijn baat en wraakzucht palen stelt.
3. Sla ik naar 't ruim der beldre hemelbogen, Dat heerlijk werk van uwe vingren, de oogen;
Zie ik bedaard den glans der zilvre maan, Eu 't starren heir, door U geschapen, aan:
4. Mijn God, wat is de mensch dan op deze aarde! De broze mensch ! hoe klimt hij tot die waarde,
Dat Gij aan hem in zooveel gunst gedenkt, En 's menschen zoon uw teerste liefde schenkt!
PAUZE.
5. Gij deedt hem wel een weinig tijds beneden Het englenheir een rang en plaats bekleeden.
Maar hebt hem ook uw rijkste gunst betoond. En hem met eer en heerlijkheid gekroond.
G. Gij geeft hem , wijd en zijd in alle landen. De heerschappij der werken uwer handen,
Ja zet èn aard èn zee voor 's menschen zoon. Door uw gezag, ter voetbank van zijn troon.
7. Waar schapen zijn of ossen in de weiden.
Waar eenig vee on bergen zij of heiden.
Waar 't wild gediert ook zwerf in woud en veld: Gij hebt het dl in zijne macht gesteld.
8. Wat vooglen door den ruimen luchtkring zweven. Wat visschen er in stroom en beken leven.
En wat de paan doorwandelt van de zee: Zyn boog bevel deelt hij aan allen mee.
9. Heer, onze Heer, grootmachtig Opperwezen, Hoe billijk wordt uw groote naam geprezen!
Hoe heerlijk rolt, uit aller vromen mond. Die groote naam door 't gansche wereldrond!
13
PSALM 9.
2. Ik zal in U, mijn God, van vreugd Opspringen , in den geest verheugd :
Uw naam zal door mijn psalmgezangen, O Allerhoogste, lof ontvang m ;
3. Omdat mijn vijand, hoe geducht. Teruggekeerd is en gevlucht;
Hij is, schoon stout te veld getogen. Vergaan, gevallen voor uw ODgen.
4. Want naar uw allerheiligst recht Hebt Gü mijn twistgeding beslecht.
En, op uw hoogen troon gezev.en,
Deedt Gij , o Rechter, 't vonnis weten.
5. Gij scholdt de heidnen keer op keer. En wierpt de góddcloozen neer;
Hun naam, hun roem hebt Gij vertreden En uitgedelgd in eeuwigheden.
PAUZE 1.
6. O vijand, hebt gij door uw macht
't Verwoesten voor altoos volbracht ? Hebt gij de steden gansch verdorven ? Is haar gedachtenis verstorven ?
7. Neen dwaas, uw hoop zal ras vergaan. Maar 's Hberen troon zal eeuwig staan;
Dien wilde Hij onwrikbaar stichten. Om naar het heilig recht te richten.
8. Hij zelf zal aan het wereldrond
Het recht doen hooren uit zijn mond. De volken voor zijn vierachaa: stellen, En daar 't rechtmatig vonnis vellen.
9. De Heer zal zijn een hoog vertrek Voor wie getrapt wordt op den nek.
Een hoog vertrek in drukker.d lijden. Een toevlucht in benauwde tijden.
14
PSALM 9.
10. Hij die uw naam in waarheid kent. Zal, Heer, op U in ziin ellend
Vertrouwen, wijl Gij nooit liet zuchten Hen die gelooviif tot U vluchtten.
PAUZE 2.
11. Zingt, zingt den Heer, die eeuwig leeft Die Sion tot zijn woning heeft;
En laat voor aller volleren ooren. Met psalmgezang, zijn daden booren.
12. Hij zoekt en Hij gedenkt het bloed. Gestort in wreevlen euvelmoed;
Hij toont der armen nood te weten. En zal hun kermen niet vergeten.
13. Bewijs, o Heer, uw knecht genft. Sla mij in mijn ellende ga;
Zie hoe mijn haters mij verdrukken, Gij die my wilt den dood ontrukken.
14. Opdat ik. Heer, U hlijtemoe In Sions poorten hulde doe.
En in uw heil ten allen tijde Met Sions dochter my verhlyde.
15. De heidnen zijn, door waan misleid. Gestort in kuilen, mij bereid ;
Hun voet verwart zich in de netten Die ze in 't verborgen voor mij zetten.
PAUZE 3.
16. Thans is de Heer bekend alom,
Door recht te doen bij 't heidendom;
De goddelooze raakt in banden,
Verstrikt in 'twerk van zijne handen.
17. De stoute zondaars zullen snel Terugge keeren naar de hel,
Met al de godvergeten benden
Der heidnen die zyn wetten schenden.
IS. Nooddruftigen vergeet God niet.
Noch laat hen eindloos in verdriet: 't Ellendig volk mag op Hem wachten; Hij zal hun hoop niet steeds verachten.
19. Sta op o Heer, en laat de mensch Zich niet versterken naar zijn wensch; . Maar oordeel Gy , in 't wraakgerichte, Dc heidnen voor uw aangezichte.
16 PSALM 10.
20. O Hker, jaa^ hun vervaardheid aan. En doe de heidenen verstaan, Dat zij, die Sions rampen wenschen, Geen goden zijn maar broze menschen.
i=s=ü
w
smaadt. Vervolgt uw volk in zijnen jammerstaat.
Dat hen 't besluit, tot ons verderf genomen.
In 't warnet breng en schielijk om doe komen.
2. Want op zijn wensch beroemt zich 't godloos rot; Het zegent vast den gierigaard, en spreekt
Tot laster van den allerhoogsten God;
Terwijl 't verwaand den neus omhooge steekt.
En in zijn hart geen onderzoeking kweekt.
Maar koestert deze onzinnige gedachten :
«Daar is geen God, geen loon noch straf te wachten.»
3. Zijn handelwijs baart altijd smart, op smart.
Terwijl zijn oog naar straf noch oordeel ziet: En, daar hij stout uw hoog gerichte tart.
Blaast hy met smaad op alwie weerstand biedt. En zegt in zijn gemoed: «Ik wankel niet,
«Terwyl ik, van geslachte tot geslachte,
«Op mynen weg geen tegenspoeden wachte.n
ee^s:
PSALM 11. 1/
4. Zijn mond is vol van vloek, bedroj? en list;
Zijn tong bedekt de moeite en 't zic-lsverdriet;
Zijn boosheid is met vnlschen schijn vernist: In hinderlaag, waar niemands oog hem ziet.
Verbergt hij quot;zich , valt ijlings uit, vergiet
Onschuldig bloed; hij weet van geen erbarmen,
Maar sluit zijn oog voor 't bitter leed der armen.
PAUZE.
5. Hij loert en hondt zich in bet donker schuil,
Gelijk een leeuw die in zijn hol zich zet:
1)'ellendige verrast hij uit zijn kuil;
Hij heeft zijn klauw en tanden scherp gewet.
En trekt zijn prooi in 't dichtbelommerd net;
Hij buigt zich, duikt, en ijlings toegeschoten.
Valt de arme hoop hem in de sterke pooten.
6. Hij vleit zich dat de Godheid dit vergeet,
Het aangezicht verberg, niet gadesla.
Noch immer zie der armen nood en leed.
Bewijs, o Hrhr, d'ellendigen genü;
Betoon dat U hun smart ter harte ga:
Sta op, verhef uw hand om hem te straffen.
En raad en hulp den armen te verschaffen.
7. quot;Waarom ontrooft de lasteraar Gods eer?
Wat vleit hij zich dat God het niet aanschouw?
Gij ziet het toch, waarheen hij zich ook keer;
Want Gij merkt öp de moeite, smart en rouw.
Opdat men 't U in handen geven zou.
Op U verlaat zich de arme: zou hij vreezen?
Gij immers zijt een trouwe hulp der weezen.
8. Fnuik Gij o Heer der goddeloozen kracht;
Verbreek hun arm; dat U de booze ducht'.
Zie neer in toorn op dit ontaard geslacht.
Opdat het nooit uw streng gericht ontvlucht'.
Maar ete van zijn werk de bittre vrucht.
De Heer zal toch als Koning eeuwig leven: Het heidendom is uit zijn land verdreven.
9. O Heer, gij wilt door goedheid aangespoord. Den wensch van uw zachtmoedig volk voldoen Gij zult hun hart versterken naar uw woord. Verdrukten door uw Godlijk recht behoèn,
En U ter hulp van arme weezen spoên;
Opdat een mensch, uit nietig stof geboren.
Niet voortga door geweld de rust te storen.
PSALM 11.
1. Op God alleen betrouw ik in mijn nooden, Hoe
2. Dus wordt gewis, in 't veilig samenleven,
De grondslag van 't vertrouwen omgerukt.
Wat heeft het volk, 'trechtvaardig volk, misdreven?
Maar de Opperheer, voor wien al 't schepsel bukt. Ziet van zijn troon oplettend naarleneden;
Hij, die nooit duldt dat de onschuld wordt verdrukt. Proeft elks gedrag, zelfs met zijn cogeleden.
3. De alwijze God beproeft wel eens de oprechten.
En tuchtigt hen; maar elk die 't kwaad bemint. Die met geweld zijn naaste durft bevechten.
Blijft steeds gehaat, tot hem de wraak verslind'. God heeft alreeds der boozen straf gezworen:
Straks dalen vuur en strikken , wervelwind En zwavel neer, die kelk is hun beschoren.
4. Rechtvaardig is de Heer in al zijn handel;
Hij, die in 't recht zijn welbehagen vindt.
Slaat gunstig 't oog op aller vromen wandel.
2. 't Is i\l bedrog en valscbheid wat zij spreken*.
De vleierij, een bron van bittre smart.
Glijdt van de tong als vloeiende oliebeken; Zij spreken niet dan met een dubbel hart.
3. De Heer, die 'twaar van 'tvalsch kan onderscheien.
En 's menschen hart, hoe listig ook , doorziet,
Snij spoedig af de lippen die ons vleien.
De trotsche tong wier grootspraak elk verdriet.
Die zeggen; «quot;Wij, wij zullen zegepralen
«Met onze tong, zij staat in ons geweld;
«AVat oppermacht zet onze lippen palen ?
«Wie is de heer die ons de wetten stelt?»
5. «Omdat mijn volk verwoest wordt en verdreven,
«Omdat het kermt, nooddruftig treurt en zucht, «Zal ik â zegt God â mij nu ter hulp begeven, «En drijven wie hen aanblaast op de vlucht.»
6. Des Hkeren woord is rein, en al zijn spreken
Is zuiver als het allerfijnst metaal;
Nooit is het schuim van 't zilver zóó geweken. Schoon in den kroes gelouterd zevenmaal.
7. Gij zult uw volk. in bange tegenspoeden,
Hoe 'tga, o Heer, bewaren door uw kracht; Uw arm zal hen in eeuwigheid behoeden Voor dit verdraaid en wrevelig geslacht.
8. De booze keurt zich vrij van alle banden,
En draaft rondom, terwijl hij 't land beroert;
Daar 't snoodste volk de teugels krijgt in handen , En tot den top van eer wordt opgevoerd.
lenden. Van mij uw vriendlijk aanschijn wenden.
Daar al mijn moed en kracht vergaat?
2. Hoelang zal ik, door tegenheên,
In 't hart vergeefs ontwerpen smefin , En vruchtloos schreien gansche dagen? Hoelang zal mij mijn vijand plagen.
En mij verachtelijk vertreên ?
3. Aanschouw mijn ramp, verhoor mij IIekr ; Ai zie op al mijn lijden neer;
Verlicht, mijn God, verlicht mijn oogen. En laat uw goedheid niet gedoogen Dat mij de slaap des doods verteer.
4. Opdat de vijand, die mij haat.
Niet juich in mijn bedrukten staat.
Mij nooit van God verlaten nosme.
Noch in mijn wanklen zich betoeme Dat mij hun overmacht verslaat.
5. Maar in dit smartelijk verdriet Mistrouwt mijn hart uw goedheid niet:
Neen, 't zal zich in uw heil verblijden.
Ik zal den Heek mijn lofzantr wijden, Die mij genadig bijstand biedt.
^ 1. De trotsche dwaas zegt in zyn boos gemoed:
^=i===Hl:ïï!;?=3= p=pii
«Daar is geen God.» Zij dooven 't licht der reden. En maken zich door gruwelijke zeden Afschuwe-lijk; daar is geen mensch die goed Op aarde doet.
2. De groote God, die 't recht verdedigt, sloeg Van 's hemels troon zijn oogen raarbeneden
PSALM 15. 21
Op Adams kroost, doorzocht hun hart on zeden;
Hij zag: of zich geen raensch verstandig droeg. En naar Hem vroeg.
3. Hij zocht alom, maar ach. Hij vond er geen;
Want alle vleesch is trouwloos afgeweken.
Het land is vol van stinkende gebreken.
Geen sterveling wil 't pad der deugd betreen,
Ja zelfs niet é(?n.
4. Heeft dan dit volk, dat groeit in euveldaftn.
Geen kennis ? Neen! thans durven die ontzinden Met gulzigheid mijn volk als brood verslinden;
Zij roepen op hun godvergeten paan Den IIi;mi niet aan.
5. Daar valt de vrees hen aan, en breekt hun kracht. En pijnigt hen met doodelijke nepen ;
Zij worden door vervaardheid aangegrepen ;
Want God is bij 't rechtvaardige geslacht.
Dat op Hem wacht.
6. Gij spot vergeefs, beschimpende den raad Van 't arme vólk, dat, midden in de ellenden.
Naar 's hemels troon gewoon is 't oog te wenden,
En zich in zijn bedrukten jammerstaat Op God verlaat.
7. Och daalde 't heil uit Sion spoedig neer Voor Israel! Als God zijn volk uit lijden En banden redt, zal Jakob zich verblijden.
En Israel al juichend geven de eer Aan zijnen Heer.
üüüi
1. Wie zal verkeeren, groote God, In uwe tent?
Wien zult Gij kronen Met zulk (.'en onwaardeer-baar lot. Dat bij, bij 't heuglijkst gunstgenot.
Uw heilig Sion moog bewonen?
PSALM 16.
2. Wie in zijn wandel zich oprecht
En wars betoont van valsche streken,
Zijn aandacht aan uw wetten hecht.
Zich op de deugd met ijver legt, En waarheid met zijn hart blijft spreken;
3. Wie met zijn tong niet achterklapt.
Geen kwaad doet aan zijn medgezellen;
Niet in het spoor van laster stapt.
Maar, zoo men iemands eer vertrapt. Dien smaad wil hooren noch vertellen;
4. quot;Wiens oog verworpenen veracht.
Maar hen eerbiedigt die God vreezen; Wie zich voor roekloos zweren wacht.
Doch 't geen hij zweert getrouw betracht. Al zou 't hem ook tot schade wezen;
5. Wie nooit zijn geld op woeker geeft. Wie, de onschuld en het recht genegen. Het oog op geen geschenken heeft:
Wie dus oprecht en deugdzaam leeft. Zal nimmer wanklen op zijn w.'gen.
PSALM 1«.
_____
1. Bewaar mij toch, o alvermogend God: 'k Be-
iü
:=3EEE3EE
tot U mijn goedheid niet kan raken.
2. Maar 't heilig volk dat op deze aarde leeft, Dat heerlijk volk, mijn lust, ontvangt al 't voordeel. De snoode schaar, die rijke giften geeft
Aan andrc goón, verzwaart de smart in 't oordeel, 'k Zal op 't altaar hun offerbloed niet plengen , Noch ooit hun naam op mijne lippen orengen.
3. Getrouwe Heer , Gij wilt mijn goed, mijn God, Mijn erfenis en 't deel mijns bekers wezen;
Gij onderhoudt gestaag het heuglijk lot.
Dat Gij zoo mild voor mij hebt uitgelezen. De schoonste plaats mat Gij met ruime snoeren; O heerlijk erf, gij kunt mijn ziel vervoeren.
PAUZE.
4. Ik zal den Heer, die mij getrouwen raad Gegeven heeft j met psalmgezangen prijzen,
Daar 't Godlijk licht mij toestraalt vroeg en laat. Mijn nieren zelfs bij nacht mij onderwijzen.
Ik stel dien Heer gedurig mij voor oogen;
Zijn rechterhand zal nooit mijn val gedoogen.
5. Daarom heeft zich mijn kwijnend hart verblijd; Mijn tong, mijn eer zingt godgewijde tonen;
Ook zal mijn vleesch, thans afgesloofd, ten spijt Des vijands, in den grafkuil zéker wonen.
Gij zult mijn ziel niet in de hel vergeten; Uw Heiige zal van geen verderving weten.
6. Gij maakt eerlang mij 't levenspad bekend. Waarvan in druk 'tvooruitzicht mij verheugde;
Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend.
Schenkt mij in kort verzadiging van vreugde; De lietiijkheên van 't zalig hemelleven Zal eeuwiglijk uw rechterhand mij geven.
1. 'tBehaag U Heer, naar mijn gebed. Geschrei
2. Gij toetstet mij bij dag en nacht:
Gij vondt mij trouw, in vreugd of smarte; l)e mond sprak steeds de taal van 't harte ;
Door beiden is hun plicht betracht.
AVat ook de zondaar aan moog vangen.
Ik heb voor zijn afschuwlijk pad Een haat, een afkeer opgevat;
Ik gruw van zijn verkeerue gangen.
3. Ik zet mijn treden in uw spoor.
Opdat mijn voet niet uit zou glijden:
AMI mij voor struikelen bevrijden.
En ga mij met uw heillicht voer.
Ik roep U aan, 'kblijf op U wachten.
Omdat Ge, o God, mij altoos redt:
Ai luister dan naar mijn gebed ,
En neig uw ooren tot mijn klachten.
PA*JZE.
4. Maak uwe weldaan wonderbaar.
Gij die uw kindren wilt behoeden
Voor 's vijands macht, en vreeslijk woeden.
En hen beschermt in 't grootst gevaar. quot;Wil mij uw bijstand niet onttrekken; Uw zorg bewaak mij van omhoog; Bewaar me als d' appel van het oog ; quot;Wil mij met uwe vleuglen dekken.
5. Zoo zoeken mij vergeefs, o God, De boozen die mij fier omringen.
Mijn haters die mij stout bespringen.
En juichen om mijn naadrend lot.
Zij zijn met vet als overtogen;
Hun mond is vol van hoovaardi; ; Hun list en macht omsin^len mij ; Zij duiken, loerend met hun oogeri.
6. Geen leeuw is heeter op de jacht.
Geen jonge leeuw kan in zijn kuilen Met meerder list het oog ontschvilen.
Dan hij die mij ter prooi verwacht. Beschaam het aangezicht dier boazen, Uw grimmigheid vel hen terneer:
Bevrijd mij met uw zwaard, o Heer , Van 't snood geweld der goddeloozen.
PSALM 17.
voor uw heilig aangezicht Mijn recht gesteld zijn
PSALM 18.
7. Red mij van hen die 't ruim gecot Der wereld voor hun heilgoed achten, Geen deel, dan in dit leven, wachten.
En maken van den buik hun god; Van hen die weelde, schatten, staten , Hoe rijk, hoe uitgebreid, hoe groot. Verliezen moeten met den dood , F.n hunnen kiudren overlaten.
8. Maar (blij vooruitzicht dat mij streelt!) Ik zal, ontwaakt, uw lof ontvouwen, U in gerechtigheid aanschouwen , Verzadigd met uw Godlijk beeld.
bracht mij, geboeid, in nare streken, Bij Belials
^ verschrikkelijke beken; Een helsche band was om mijn heup gehecht. En door den dood mij
strik op strik gelegd.
2. 'k Riep tot den Heer in 't midden dier ellenden, Tot mijnen God, opdat Hij hulp ;;ou zenden:
Mijn klaagstem drong tot in zijn troonzaal door. Aan mijn geroep gaf Hij in gunst gehoor.
Toen beefde de aard, al golvend als de baren; Het hoo^ gebergt werd op zijn grcndpilaren Beroerd, geschokt, gerukt uit zijn gewricht.
Door 't vreeslijk vuur van Gods ontvlamd gezicht.
3. Een dikke rook ging op, waar Hij zich keerde. Uit zijnen neus; het vuur zijns monds verteerde.
Stak kolen aan, en wat Hem tegenstond; Hij boog het zwerk en daalde neer; de grond Waarop Hij trad was, in het oog der volken, Gansch zwart door dicht opeengepakte wolken;
Zijn wagen was een cherub, ja gezwind Voer Hy en vloog op vleuglen van den wind.
PAUZE 1.
4. In zijne tent, rondom Hem zoo vol luister.
Hield Hij zich schuil, verborg zich in het duister.
Door wolk op wolk, met kracht tezaamgeprest. En opgehoopt in 't bruine luchtgewest.
Zijn gloed ontbond der wolken vaste banden:
Toen daalde vuur en hagel op de landen ;
De donder klonk door gansch den hemel heen: God gaf zijn stem , en 't vuur viel naarbeneên.
5. Hij deed vol kracht hen voor zijn pijlen zwichten. Verschrikte hen door bliksemschicht op schichten.
De diepste kolk droogde op een ocgenblik, En 't hart der aard ontblootte zich van schrik, Wanneer Gij scholdt: uw adem, fel ontstoken.
Deed dus, o Hkek , èn land èn water rooken. Hij zond mij hulp; Hij nam mij. op mijn beê. En trok mij uit een groote jammerzee.
6. Ik werd verlost van 's vijands legerscharen. En 's haters hand, wijl zij te machtig waren.
Men viel mij aan ten dage van mijn smart.
Maar toen was God het steunsel van mijn hart:
PSALM 18.
Hij trok mij uit, cn bracht me in ruimer wefcen; Want Hij had lust aan mij, zijn knecht, gekregen: De Heer vergold mijn onschuld naar het recht. En schonk mij 't loon, den reinen toegezegd.
7. Want 's Heerex weg heb ik getrouw bewandeld. En niet godloos met mijnen God gehandeld:
Ik hield gestaag zijn rechten in het oog.
Terwijl zijn wet mijn ziel tot deugd bewoog. Ik werd oprecht en vroom bij Hem bevonden. Ik wachtte mij zorgvuldig van mijn zonden:
Dies liet mij God ook naar mijn recht geschiên, En heeft in gunst mijn onschuld aangezien.
PAUZE 2.
8. Hun zijt Gij goed die goedertieren handlen.
Oprecht bij hen die in oprechtheid wandlen;
Gij houdt U rein bij hen die rein zijn, maar Verkeerden toont Gij U een worstelaar;
Want Gij verlost het volk door druk gebogen,
Maar werpt terneer wie groot zijn in hun oogen. Poor u o Heek geeft mijne lamp haar licht;
Mijn God verdrijft den nacht uit mijn gezicht.
9. Ik kan met U door sterke benden dringen, Met mijnen God zelfs over muren springen.
Des Heeiien weg is gansch volmaakt en recht; Doorlouterd, rt'in en trouw alwat Hij zegt.
Hij is een schild en schutsheer voor den vromen, Voor wie tot Hem de toevlucht heeft genomen.
Wie is een God als Hij in tegenheèn ?
Wie is een rots dan onze God alleen?
10. 't Is God die mij met sterkte wil omgorden.
Hij doet mijn weg volkomen effen worden.
Maakt dat mijn voet als die der hinden snelt, Terwijl Hij mij op mijne hoogten stelt.
Hij leert mijn hand heldhaftig oorelogen ;
Mijn strijdbare arm verbreekt zelfs stalen bogen. Mij gaaf. Ge uw schild; nw hand heeft mij gesterkt Uw goedheid heeft mijn grootheid uitgewerkt.
11. Mijn voet hebt Gij doen in de ruimte treden; Mij . gang werd vast, ik ben niet uitgegleden.
De vijand week; ik volgde en trof hem aan. En keerde niet tot ik hem had ve rdaan;
Mijn spies doorstak alwie mij tegenstonden.
Zoodat zij zich niet weer herstellen konden;
Dus zag ik door uw bijstand hen verplet.
En mijnen voet hun op den nek gezet.
PAUZE 3.
12. Gij hebt mij. Heer, met kracht omgord tot strijden ; Mijn vijand moest, vernederd, straffen lijden;
28 PSALM 19.
Hij vlood vol schrik, wijl bij green kracht behield ; Mijn hater werd door mijne hand vernield. Zij riepen wel, maar zonder hulp te krijgen ,
Zelfs tot den IIf.eii, maar Hij vond goed te zwijgen. Toen heb ik hen als stof vergruisd, verjaagd. En als het slijk der straten weggevaagd.
13. Gij hebt mij uit den twist des volks verheven,
En tot een hoofd den heidenen gegeven:
Ik stelde 't volk, mij onbekend, de wet;
Zooras ik sprak, werd op mijn wil gelet; De vreemde zelfs zag mij vol schrik naar de oogen, Lag voor mijn troon geveinsdlijk neergebogen: Zij vielen neer, zij sidderden van schrik In burg en slot, óp ieder oogenblik.
14. Zoo leeft de Heer ; mijn rotssteen ;;ij geprezen ;
De God mijns heils moet steeds verheerlijkt wezen; Die God die mij volkomen wraak verschaft.
En volk op volk mij onderwerpt en straft;
Die mij verlost uit mijns vervolgers handen,
Die mij verhoogt, mijn vijand slaat in banden:
Ja Gij verhoogt mij boven al 't geweld.
Daar Ge op den troon van roem et eer mij stelt.
15. Daarom, o Heep. , zal ik U eer bewijzen,
Bij 't heidendom uw naam eerbiedig prijzen
Met psalmgezang, waar 't hart door wordt geraakt. Hij heeft het heil zijns Konings groot gemaakt; Hij wil zijn gunst aan zijn Gezalfde Hïhenken, Aan David en zijn nakroost eeuwig denken.
PSALM 19.
1. Het ruime hemelrond Vertelt met blijden mond Gods eer en heerlijkheid ; De heldre lucht en 't zwerk Verkondigen zijn werk, En prijzen zijn beleid. Dus kan ons dag bij dag , Tot roem van Jods gezag. Zijn wonderen verhalen ; Dus weet ons nacht bij nacht
PSALM 19. 29
ipü « »g-vw »I» r » ^ i
Zijn onbegrensde macht En wijsheid aftcmalen.
2. Hoe Goddelijk en schoon Luidt deze hemeltoon!
Daar is geen spraak of oord ,
Daar is geen volk bekend.
Dat, zelfs tot 's werelds end,
Der heemlen stem niet hoort. Hun evenredigheid Heeft zich zoo wijd verspreid,
Hun rede klinkt zoo krachtig,
Dat ze alwat de aard bewoont Het merk eens Scheppers toont.
Zoo gunstrijk als almachtig.
3. God heeft voor 't groote licht.
De zon, een tent gesticht.
Vanwaar ze in 't blinkend kleed,
En met een blij gelaat.
Gelijk een bruigom gaat.
Die uit zijn slaapzaal treedt.
Ze is vroölijk als een held,
Die in 't bestemde veld Zijn vuur en vaart doet blijken;
Zij heeft haar zwaai en spoor Den iranschen hemel door;
Niets kan haar gloed ontwijken.
PAUZE.
4. Des Herren wet nochtans Verspreidt volmaakter glans,
Dewijl zij 't hart bekeert:
't Is Gods getuigenis.
Dat eeuwig zeker is.
En slechten wijsheid leert.
AVat Gods bevel ons zegt Vertoont ons 't heiligst recht,
En kan geen kwaad gedoogen;
Zijn wil, die 't hart verheugt,
Eischt zuiverheid en deugd ,
Verlicht de duistere oogen.
5. Des Hkeren vrees is rein;
Zij opent een fontein
Van heil dat nooit vergaat.
Zijn dierbre leer verspreidt Een straal van billijkheid,
Daar ze alle onwaarheid haat.
Ze is 't menschdom meerder waard Dan 't fijnste goud op aard ;
Kiets kan haar ^lans verdooven:
Zij streeft in heilzaam zoet.
Tot streelinsr van 't gemoed , Den honig: ver te boven.
6. Pus krij? ik van mijn plicht, 0_ God, een klaar bericht. Wat is *tvooruitzicht schoon! Hij die op U vertrouwt.
Uw wetten onderhoudt.
Vindt daarin prooten loon.
Maar Heer , wie is de man , Die op *t nauwkeurigst kan Zijn dwalingen doorgronden â ' 0 Bron van 't hoogste go^l, Wasch , reinig mijn gemoed Van mijn verborgen zonden.
7. Weerhoud, o Heer, uw knecht. Dat hij zijn hart niet hecht' Aan dwaze hoovaardij:
Heerscht die in mij niet nv?er. Dan leef ik tot uw eer,
Van groote zonden vrij.
Laat. U mijn tong en mond, En 's harten diepste grond , Toch welbehaaglijk wezen, O Heer, die mij verblijdt.
Mijn rots en losser zijt: Dan heb ik niets te vreezen.
tâÃCEâ
de Heer ontdek!
f i
en te schragi
1. Dat op uw klacht de hemel scheure, Dat zich
De God van vader Jakob beure
U in een hoog vertrek. Hij doe in gunstrijk wel-behagen. Uit Sions tempelzalen. Om u te helpen
Zijn zegen nederdalen.
2. Hij wille uw offerspijs gedenken; De hemelvlam verteer
PSALM 21.
AVat se op liet brandaltaar zult schenken.
Tot 's Allerhoogsten eer.
Hij geve u, naar uw wensch, te ontvangen
Geluk in al uw daden;
Zijn gunst bestier, naar uw verlangen, Alwat gij moogt beraden.
3. Dan zal 'tgejuich ten hemel dringen;
Dan zullen wij Gods eer Bij opgestoken vaandels zingen:
Uw wensch vervul de Heer.
'k W eet nu, dat Gods gezalfden Koning
Geen heilgoed zal ontbreken ;
Want God zal uit zijn hemelwoning Hem sterken op zijn smeeken.
4. Op wagens, paarden , en op helden
Zij onze vijand stout:
Wij zullen de eer en grootheid melden
Van God die ons behoudt.
Zij zijn gekromd, terneergestooten ,
Van moed beroofd en krachten ;
Maar wij, wij hebben 't heil genoten. Waarop ons God deed wachten.
5. Behoud o Heer ; wil bijstand zenden ,
Verlos, bewaar, verschoon: Die Koning hoor, als we in ellenden Aanbidden voor zijn troon.
PSALM 21.
3. Gij , die hem gunstig hebt gered,
Zijt hem met volle stroomen Van zegen voorgekomen;
Ook hebt Gij hem op 't hoofd gezet, Hem die op U betrouwt. Een kroon van 't fijnste goud.
4. Hij heeft, o God, van U begeerd
Het on verganklij k leven :
Gij hebt het hem gegeven;
Zoo zijn de dagen hem vermeerd; Zoo leeft de Vorst altoos.
Zoo leeft hij eindeloos.
5. Hoe groot en schittrend is zijn eer.
Door 't heil aan hem bewezer ! Hoe is zijn roem gerezen, O alvermogend Opperheer! Wat glans, wat majesteit Hebt Gij dien Vorst bereid !
G. Gewis, Gij zult alle eeuwen dot-r Hem met uw gunst verzeilen , En tot een zegen stellen ;
Ja Gij geleidt hem op het spoor Der vreugde, bij het licht Van 't Godlijk aangezicht.
7. De Koning rust op uwe trouw, O eeuwig Opperwezen; Uw goedheid, nooit volprezen. Duldt niet dat hij ooit wanklen zou : Neen, de Allerhoogste zal Hem hoeden voor den val.
PAUZE.
8. Uw sterke hand zal onverwacht Al uwe haters vinden ;
Uw wraak zal hen verslinden ;
Uw rechterhand zal eens, met kracht. Vernielen en verslaan Hen die uw rijk weerstaan.
'J. Dan doet uw toornig aangezicht Hen als een oven rooken,
Door 't heetste vuur ontstoken;
Dan wordt in 's Heeren strafgericht De gloed, die hen verteert.
Met vlam op vlam vermeerd.
10. De vruchten van hun huwlijksbed Zult gij van de aard verderven. En doen door rampen sterven;
Totdat men, waar men zoek of let.
PSALM 22. 33
Geen nakroost meer bespeurt,
Dat hunnen dood betreurt.
11. AVant tegen U heeft dit geslacht
Een godloos kwaad besloten,
En met zijn bondgenooten,
Een schandelijke daad bedacht ;
Doch al dat listig woên Zal leed noch hinder doen.
12. Want uw alziend en toornig oog
Zal hen ten doelwit zetten;
Gii zult uw pijlen wetten,
En doen ze van uw stalen boog.
Tot hun verderf gericht.
Hun vliegen in 't gezicht.
13. Verhoog , o Heer, uw naam en kracht:
Zoo zal ons vroolijk zingen Door lucht en wolken dringen;
Zoo wordt uw heerschappij en macht Door ons, nog eeuwen lang.
Geloofd met psalmgezang.
PSALM 22.
. 'k Erken nochtans. Gij , Gij zijt heilig. Heer,
En hebt uw huis, den zetel uwer eer,
Bij Isrel, waar uw lof klinkt keer op keer,
In gunst doen bouwen.
Op U stond vast der vaderen betrouwen:
Gij zaagt hen aan; Gij hebt. wanneer ze in nooden Tot ü om hulp vertrouwend zijn gevloden, Hen bijgestaan.
. U smeekten zij, van menschenhulp ontbloot.
En zijn gered; zij hebben in hun nood Op t vertrouwd, vim schaamte nimmer rood Na hun gebeden.
Maar ik, ik ben een worm, van elk vertreden.
Een worm, geen man, Een spot en smaad van menschen, quot;Wien 'tboozc volk, naar zijn baldadig wenschen. Beschimpen kan.
PAUZE 1.
. Alwie mij ziet bespot mij boos te mo5:
Men schudt den kop, men steekt de l p mij toe.
Daar ik 't gebed tot God vertrouwend doe.
Moet ik nog hooren:
«Dat God, op wien hij steunt, hem gunstige ooren «Verleen, hem redd'1; Dat die nu hulp doe komen, «En hem, in wien Hij heeft zijn lust genomen, «In ruimte zett'.»
. Gij immers, lieer. Gij zijt het door wiens macht Ik uit den buik weleer ben voortgebracht;
Aan 's moeders borst vertrouwde ik op uw kracht Van ganscher harte.
Zij wierp mij reeds op U, in barenssmarte Gansch onbevreesd ; 'k Mocht nauwlijks 't licht aanschouwen Of Gij, Gij zijt, o srond van mijn vertrouwen.
Mijn God geweest.
. quot;Wees dan mijn hulp; houd U niet ver van mij; Mij prangt de nood, benauwdheid is nabij;
'k Heb buiten U, daar ik zoo bitter lij,
Geen hulp te wachten.
Een stierenheir uit Basan, sterk van krachten En fel verwoed. Omringt me aan alle zjden;
Mijn God, hoe zwaar, hoe smartlijk valt dit lijden Voor mijn gemoed I
7. Zij rukken aan met opgesperden mond,
Gelijk een leeuw, al brullend in het rond.
Ik vloei daarheen als waatren op den grond,
Die zich verspreiden.
Mijn beendren zijn in mij vanf-C-ngescheiden;
O doodlijk uur! \Vat hitte doet mij branden !
Mijn hart is week, en smelt in de ingewanden.
Als was voor 't vuur.
PSALM 22. 35
PAUZE 2.
8. Mijn kracht is, als een scherf, van sap beroofd. Mijn tong kleeft in mijn mond, door dorst gekloofd; Gg zult eerlang mij, door den dood, het hoofd In 't stof doen bukken;
Want van rondom zie 'k honden samenrukken. Een muitgespan Heeft mij ter prooi verkoren.
Mijn handen en mijn voeten doen doorboren.
Zoo fel het kan.
9. Mijn beendren kan ik tellen f-dn voor dén;
Hun boos gezicht beschouwt dit weltevreên;
Ze ontzien zich niet, om met mijn tegenheên
Hun geest te streelen,
En onder zich mijn kleedren te verdeden.
Verhard in 't kwaad, Kan hun geen spel verdrieten; Zij werpen 't lot, wat ieder zal genieten Van mijn gewaad.
10. Maar Gij o Heer, tot wien mijn ziel zich keert.
Sta niet van ver, mijn God, die 'tal regeert;
Ai haast U toch ter hulp; ik word verteerd
Door al de ellenden ;
Red mijne ziel van 't zwaard dier booze benden. Die schriklijk woên: Ai red haar uit hun handen.
Daar ze eenzaam ducht 'tgeweld des honds, wiens tanden Haar siddren doen.
11. Verlos mij van den leeuw die woedt en tiert;
Verhoor mij Heer, en red mij van 'tgediert.
Dat, sterk van hoorn, rondom mij henenzwiert,
Mij staat naar 't leven:
Dan wordt uw naam door mij met roem verheven;
'k Zal uwen lof Mijn' broederen vertellen;
'k Heb in uw huis bij al mijn medgezcllen Dan prijzensstof.
PAUZE 3.
12. Gij die God vreest, gij allen prijst den Heer ; Dat Jakobs zaad zijn grooten naam vereer:
Ontzie Hem toch, o Israel, en leer
Vertrouwend wachten.
quot;Wie mij veracht', God wou mij niet verachten,
Noch oor noch oog Van mijn verdrukking wenden,
Maar heeft verhoord, wanneer ik uit de ellenden Riep naar omhoog.
13. Ik loof eerlang U in een groote schaar.
En wat ik U beloofde in 't heetst gevaar Betaal ik op het heilig dankaltaar.
Bij die U vreezen.
'tZarhtmoedig volk zal rijkverzadigd wezen.
36 PSALM 23.
Ten disch geleid. Wie God zoekt zal hem grijzen. Zoo leef uw hart, door 's hemels gunstbewijzen, In eeuwigheid.
14. Eerlang gedenkt hieraan het wereldrond,
Haast wendt het zich tot God met hart en mond; En waar men ooit de wildste volken vond, Zal God ontvangen Aanbidding, eer en dankhre lofgezang-en;
quot;Want Hij regeert. En zal zijn almacht toonen; Hij heerscht zoover de blindste heidnen wonen, Tot Hem bekeerd.
15. quot;Wie vet is eet, en knielt voor Isrels Heer;
quot;Wie 't stof bewoont bukt mede voor hem neer, En wie zijn ziel bij 't leven nu nier, meer
Heeft kunnen houden.
Het vrome zaad van die op God betrouwden Zal, door zijn kracht. Hem dienen, voor Hem leven; Het zal den Heer eens worden aangescbreven In 't nageslacht.
16. Zij komen aan, door Godlijk licht geleid.
Om 't nakroost, dat den Heer wordt, toebereid, Te melden 't heil van zijn gerechtigLeid En groote daden.
spoor van zijn gerechtigheden.
PSAlTM Ã3.
PSALM 24. 3;
Ik vrees niet, neen, schoon ik door duistre dalen, In doodsgevaar, bekommerd om moest dwalen; Gij blijft mij bij in alle tegenspoeden;
Uw stok en staf zal mij altoos behoeden;
Gij troost mijn ziel, en richt in mededoogen De tafel aan, voor mijner haatren oogen.
Gij zalft mijn hoofd; Gij doet mijn blijdschap groeien, En van uw heil mijn beker overvloeien.
Het zalig goed, mij door uw gunst gegeven.
Verlaat mij niet, maar volgt mij al mijn levon;
Zoodat ik in het heilig huis des Heeren Een lange reeks van dagen blijf verkeeren.
2. Wie klimt den berg des Heeren op, AVie zal dien godgewijden top
Voor 't oog van Sions God betreden ? De man die, rein van hart en hand. Zich niet aan ijdelheid verpandt. En geen bedrog pleegt iu zijn eeden.
3. Die zal, door 'sHeeren gunst geleid. En zegen en gerechtigheid
Van God, den God zijns heils, ontvangen. Dit 's Jakob, dit is 'tvroom geslacht. Dat naar God vraagt, zijn wet betracht. En zoekt zijn aanschijn met verlangen.
4. Verhoogt, o poorten, nu den boog; Rijst, eeuwge deuren, ryst omhoog.
PSALM 25.
Opdat de Koningr in moog rijden.
Wie is die Vorst, zoo groot in eer? 't Is God, de almachtige Opperheer; 't Ia God, geweldig in het strijden.
5. Verhoogt, o poorten, nn den boog; Rijst, eeuwge deuren, rijst omhoog. Opdat ge uw Koning uioogt ontvangen. Wie is die Vorst, zoo groot in kracht? 't Is 't Hoofd van 's hemels legermacht; Hem eeren wij met lofgezangen.
Heer, ai maak mij uwe wegen
Door uw woord en Geest bekend; Leer mij hoe die zijn gelegen , En waarheen Ge uw treden wendt. Leid mij in uw waarheid, leer IJvrig mij uw wet betrachten ;
Want Gij zijt mijn heil, o Heer; 'k Blijf U al den dag verwachten.
Denk aan 't vaderlijk meêdoogen, Heer , waarop ik biddend pleit; Milde handen, vriendlijke oogen Zijn bij U van eeuwigheid.
Sla de zonden nimmer gft, Die mijn jonkheid heeft bedreven;
PSALM 25.
Denk aan mii toch in gena.
Om uw goedheid eer te geven.
's Hekken goedheid kent geen palen ;
God ia recht, dus zal Hij door Onderwijzins hen die dwalen Brensên in het rechte spoor;
Hij zal leiden 't zacht gemoed In het effen recht des Heeren:
Wie Hem needrig valt te voet Zal van Ham zijn wegen leeren.
PAUZE.
Loutre goedheid. liefdekoorden,
quot;Waarheid zijn des Heeren paan, Hun die zijn verbond en woorden Als hun schatten gadeslaan.
Wil mij, uwen naam ter eer, Al mijn euveldaan vergeven;
Ik heb tegen u, o Heer .
Zwaar en menigmaal misdreven.
Wie heeft lust den Heer te vreezen,
't Allerhoogst en eeuwig goed ? God zal zelf zijn leidsman wezen, Leeren hoe hij wandlen moet; 't Goed dat nimmermeer vergaat Zal hij ongestoord verwerven,
En zijn godgehtnligd zaad Zal 't gezegend aardrijk erven.
Gods verborgen omgang vinden
Zielen waar zijn vrees in woont; 't Heilgeheim wordt aan zijn vrinden. Naar zyn vreêverbond , getoond. De oogen houdt mijn stil gemoed Opwaarts, om op God te letten;
Hij die trouw is zal mijn voet Voeren uit der boozen netten.
Zie op mij in gunst van boven.
Wees mij toch genadig. Heer: Eenzaam ben ik en verschoven , Ja de-ellende drukt mij neer. 'kRoep U aan in angst en smart; Duizend zorgen, duizend dooden Kwellen mijn angstvallig hart:
Voer mij uit mijn angst en nooden.
Sla op mijn ellende de oogen j
Zie mijn moeite, mijn verdriet; Neem itiijn zonden, uit meêdoogen. Gunstig weg, gedenk die niet. Zie mijn haters , daar 't getal Vast vermeert van die mij vloeken.
En die rusteloos mün val Heet en wrevelmoedig zoeken.
10. Hoed myn ziel, en red ze uit nooden; Maak mij niet beschaamd, o Heer; Want ik kom tot U gevloden:
Laat de oprechtheid meer en meer Met de vroomheid mij hehoên; 'k Wacht op U in mijn ellenden.
Laat uw hand in tegenspoên Israel verlossing zenden.
2. Beproef vrij van omhoog Mijn hart, dat voor uw oog.
Alwetende, steeds open lag.
Doorzoek mij, toets mijn gangen, Doorgrond al mijn verlangen.
En stel mijn oogmerk in den dag.
3. Uw goedertierenheid.
Die zich alom verspreidt,
Is te allen tijd voor mijn gezicht. Ik houd, oprecht van handel.
Daar 'k in uw waarheid wandel,
Mijn schreden naar uw wet gericht.
4. Hij die, vol ijdelheid.
Een spoorloos leven leidt.
Wordt met mijn vriendschap niet vereerd; En huichlaars, die hun vlekken Schijnheiliglyk bedekken,
Zijn van mijn omgang ver geweerd.
5. Mijn hart verfoeit en bant De werkers van het kwaad,
PSALM 26.
Bij wie ik mijnen voet niet zet.
ïk zit bij geen godloozen,
'k Ontwijk de plaats der boozen:
Zoo word ik niet door ben besmet.
PAUZE.
6. Tk wascb, aan U verpand,
In onschuld mijne hand.
Mijn hart springt in mij op, o Heer, Wanneer ik, met uw scharen.
Verschijn voor uw altaren,
En U met offergaven eer.
7. Daar wordt uw lof verbreid, O Oppermajesteit,
Door mij, die U bemin en acht;
Daar zal mijn stem U prijzen Voor al de gunstbewijzen.
Voor al de wondren uwer macht.
8. Wat blijdschap smaakt mijn ziel. Wanneer ik voor U kniel
In 'thuis dat Gij U hebt gesticht!
Hoe lief heb ik uw woning.
De tent, o Hemelkoning,
Die Ge U ter icr hebt opgericht!
9. Wanneer Ge uw arm verheft. Den snooden zondaar treft.
Wees Gij dan. Heer, mijn toeverlaat; Doe mij met hem niet sneven,
O neen, behoed mijn leven.
Als Gy den man des bloeds verslaat.
10. Doe mij niet mee vergaan Met hen die U weerstaan.
Wier bart steeds schandlijk misdrijf kweekt; Die trouw en plicht verachten,
En 't recht om goud verkrachten ,
Als de onschuld om bescherming smeekt.
11. Maar ik, ik ben oprecht:
Verlos dan uwen knecht
Van 't ongeval dat hem genaakt.
Wil mij in gunst gedenken,
Mij uw genade schenken;
Zoo wordt door TJ mijn heil volmaakt.
12. Nu stap ik rustig aan :
'k Betreed een effen baan.
Mijn God verhoort nu mijn gebed.
'k Zal Hem met blijde klanken In zijn vergaadring danken ,
WTanneer zijn gunst mij heeft gered.
Al zie ik zelfs een leger mij omringen,
Nog vrees ik niet: 'kverlaat mij op den Heer;
Al wil men mij door eenen oorlog dwingen, 'k Leg mij gerust, hierop vertrouwend, neer. Deze ééne zaak heb ik begeerd van God,
Daar zoek ik naar, dit zij mijn zalig lot: Dat ik, zoolang mij 'tlevenslicht bescheen, In 's Heeuen huis mocht wonen hierbeneên.
Och mocht ik in die heilige gebouwen
De vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog.
Zijn lieflijkheid en schoonen dienst aanschouwen! quot;Hier weidt mijn ziel met een varwondrend oog. Want God zal mij, opdat Hij mij beschutt', In ramp en nood versteken in zijn hut. Mij bergen in 't verborgen van zijn tent,
En op een rots verhoogen uit le ellend.
PSALM 28.
PAUZE.
4. God zal mijn hoofd nu boven 's vijands benden
Verhoogen; dies wil ik, met blij seschal,
In zijne tent het offer opwaarts zenden,
Daar psalm en lied zijn lof vermelden zal.
Verhoor, o Heer, toon mij een gunstig: oog;
Ik zal mijn stem verheften naar omhoog;
Verhoor mij toch, bewijs mij uw gena.
En antwoord mij, die voor uw aanzicht sta.
5. Mijn hart zegt mij , o Heer , van Uwentwegen:
«Zoek, door gebeèn, met ernst mijn aangezicht:» Dat wil, dat zal ik doen; ik zoek den zegt-n Alleen bij U, o Bron van troost en licht.
Verberg toch niet uw oog van mij, o Heer;
Ik ben uw knecht, zie niet in toorne neer;
Gij waart mijn hulp in al mijn zielsverdriet:
O quot;God mijns heils, begeef, verlaat mij niet.
6. Want schoon ik zelfs van vader en van moeder
Verlaten ben, de Heer is goed en groot;
Hij is en blijft mijn vader en behoeder.
Leer mij, o God, uw we? in allen nood.
Bestuur, om mijns verspieders wil, mijn voet Op 'teffen pad; dat 'svijands euvelmoed Mij nimmer tref; vervoerd door list en dwang Getuigt men valsch tot mijnen ondergang.
7. Zoo ik niet had geloofd, dat in dit leven
Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,
Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven? ïk was vergaan in al mijn smart en rouw.
Wacht op den Heer, Kodvruchte schaar, houd moed; Hij is getrouw, de bron van alle goed:
Zoo daalt zijn kracht op u in zwakheid neer;
Wacht dan ja wacht, verlaat u op den Heer.
2. Hoor naar mijn stem en kermend smeeken. Als ik mijn handen op zal steken
Kaar de aanspraakplaats, uw heiige woning; Trek mij niet weg, o Opperkoning,
Met hen wier argelistigheid ,
In schijn van vrede, kwaad bereidt.
3. Poe 't kwade, bij hen ondernomen ,
Op hen, naar hun verdiensten , konen ;
Geef hun, opdat ze uw hoogheid merken.
Naar hun verkeerde en booze werken;
Dat uw gestrenge geeselroc Hun naar het recht vergelding dce.
4. Omdat zij nooit naar 't werk des Hkeren Oplettend hart of oogen keeren,
Maar onbedacht en stout versmaden Het oogwit zijner groote daden,
Zal Hij hen doen tegrondegaan,
Ontbloot van hulp om optestaan.
5. Geloofd zij God, wiens open ooren Mijn smeekstem gunstig wilden hooren:
Hij is mijn sterkte en schild in 't strijden;
'k Vertrouwde op Hem, Hij hielp me uit lijden; Dies springt mijn hart van juichensstof. En zingt des Allerhoogsten lof.
6. God geeft zijn gunstvolk moed en krachten; Hij zal, in weerwil aller machten,
Zijn Rijksgezalfde staag behoeden.
Red, lieer, uw Isrel uit al 't woeden;
Geef zegen aan uw erf, en weid Uw volk; verhef ze in eeuwigheid.
2. 's Heerkx stem , op 't hoogst geilucht, Rolt en klatert door de lucht;
Berst met vreeselijk geluid Op de groote waatren uit;
Klinkt, met nadruk en vermogen, Heerlijk uit de hemelbogen :
't Schepsel beeft en staat verwonderd, Als de God der eere dondert.
3. 's Hebren wonderstem verbreekt, Als zijn grimmigheid ontsteekt, 't Ceedrenboscli van Libanon ;
Schhdt den hoogen Sirion ;
Ceedren, uit den grond gewrongen', Hupplen als der rundreu jongen ;
Bergen voelen sidderingen,
Haar ze als wilde stieren springen.
4. 's Heerex stem verbaast natuur. Houwt uit bergen vlammend vuur. Schiet, van 't zwerk den bliksem neer. Kades beeft voor 't buldrend weer:
Woestenijen slaan aan 't zuchten ; Hinden krijgen onder 't vluchten Barenswee; door vrees gedrongen, Werpen ze in dien nood haar jongen.
5. 's Heerex stem ontbloot het woud; Maar hij die op God vertrouwt Buigt zich veilig. Hem ter eer. Juichend in zijn tempel neei*.
'tls de Heer wiens wenk de stroomen In hun woede kon betoomen;
l)ie, in macht nooit aftemeten,
Eeuwig is ten troon gezeten.
6. Looft den Heer, die wondren werkt, Israel, zijn volk, versterkt;
Hem, die Jakobs heilig kroost Zeegnen zal met vrede en troost.
PSALM 30.
2. Mijn God, Gij hebt mij, op mijn klacht. Genezen en mijn smart verzacht â
Gij hebt mijn ziel, door angst beroerd. Als uit het graf weer opgevoerd;
Gij hebt het leven mij geschonken ,
Ik ben niet in den kiiil gezonken.
3. Fsalmzingt, Gods gunstgenooten, geeft. Geeft lof den Heer die eeuwig leeft:
Zijn vlekkelooze heiligheid
Zy ter gedachtenis verbreid.
Een oogenblik moog ons doen beven:
Zijn gunst verduurt een eeuwig leven.
4. Perst eens de bittre tegenspoed I)es avonds het benauwd gemoed Tot naar gejammer en geklag:
Nauw rijst des morgens vroeg de dag.
Of God verleent in plaats van lijden Weer stof tot juichen en verblijden.
PAUZE.
5. Ik sprak, door mijn geluk m.sleid: «Ik wankel niet in eeuwigheid ;)gt; quot;Want Gij hadt mijnen berg, o Heer, Door uwe gunst, uw naam ter eer. Zóó vast gezet, alsof gevaren En rampen nu verdwenen waren.
4r.
PSALM 31. 47
6. Maar toen Ge U slechts een oojjenblik Verbergdet, trof mij vrees en schrik ;
Dies riep ik om uw heilgenot;
Ik smeekte en zei: «0 groote God,
«Wat winst is uit miju bloed te halen?
«Waartoe zou ik ten grave dalen ?
7. «Zou in den kuil 't ontzielde stof «Den mond ontsluiten tot uw lof,
«En van uw redding zingen? Zou «Het dildr verkondigen uw trouw ?
«Hoor mij o Heer, help mij genadig:
«Bekroon mij met uw gunst gestadig.»
8. Gij hebt mijn weeldacht en geschrei Veranderd in een blijden rei,
Mijn zak ontbonden en mij weer Met vreugd omgord, opdat mijn eer
Kiet zwijg: zoo klimt uw lof naarboven.
Mijn God, U zal ik eeuwig loven.
2. Och neig tot mij uw gunstige ooren;
Schiet haastig toe; dat mij Uw naam een rotssteen zij; Een huis, een wclgesterkte toren, Die, op een klip verheven. Mij veiligheid kan geven.
3. Gij zijt alleen (wat zou ik vreezen ?)
Mijn rots, mijn burg, o Heer; Ja, uwen naam ter eer.
Zult Gij mij tot een herder wezen. Mijn Helper, scheur de netten. Die ze in 't verborgen zetten.
PSALM SI.
4. 'k Beveel m\)n geest in uwe handen;
Gij. God der waarheid, Gij ,
O Heer , verlostet mij.
Ik haat hen die het reukwerk branden Ter eer van valsche goden:
Op U steun ik in nooden.
PAUZE 1.
5. 'k Zal in uw goedheid mij verblijden;
Gij hebt mij aangezien.
En hulpe willen bi«v,n In mijn verdrukking en mijn lijden.
Toen, in mijn zielsellende. Uw aangezicht mij kende.
6. Ook hebt Ge mij niet wepgestooten,
Noch mü van alle kant
Benauwd door 's vijands hand;
Neen 'k heb uw trouwe hulp genoten: Gij deedt met vaste sctiredeu Mij in de ruimte treden.
7. Bewij»;, o Heer, uw medeüoogen;
Verhoed mijn ondergang;
Ik ben beklemd en baig;
Het zwaar verdriet doorknaagt mijn oogen. Het doet mijn ziel bezwijken. En 's lichaams krachten wijken.
8. De bittre smart verteert mijn leven;
Mijn tijd wordt dag aan dag
Versleten in geklag;
Ik voel mijn krachten mij begeven Door zonden, die met plagen Mijn beendren fel doorknagen.
PAUZE 2.
9. Mijn weerpartijdera, zeer te duchten.
Verwekken mij elks haat
En mijner buren smaad ;
'k Ben tot een schrik: mijn \riendcn vluchten. Daar ze, om mijn blaam en lijden. Mij op de straten mijden.
10. Ik ben, als dood, in 't hart vergeten,
En word niet meer geschat
Dan een bedorven vat;
'k Hoor hoeveel kwaads mij wordt verweten. Waar zou ik veilig wezen ?
'klleb van rondom te vreezen.
11. Terwijl zij samen zich verbinden.
Besluiten zij mijn dood;
PSALM 31.
Maar Heer , 'k vertrouw in nood Op U : dit doet mij sterkte vinden:
'k Mag, met geloovig roemen,
U mijn Verbondsgod noemen.
12. In uwe hand zijn mijne tyden;
'k Verlaat mij in mijn leed
Op U alleen, die weet De maat en 't einde van mijn lijden: Red mij van wie verbolgen Ter dood toe mij vervolgen.
13. Laat over mij uw aanschijn lichten;
Zie op uw dienstknecht neer;
Verlos mij toch, o Heer,
Doe mij nooit voor mijn haatren zwichten; Beschaam niet, laat niet zuchten Dien gü tot U ziet vluchten.
PAUZE 3.
14. Beschaam, verschrik de goddeloozen.
Verstom hen in den dood.
Och of uw almacht sloot De valsche lippen van die boozen. Die stout en trotsch verachten Hen die uw wet betrachten.
15. Hoe eroot is 't goed, dat Gij zult geven
Hem wiens oprechte geest Op U betrouwt, U vreest;
Hoe groot is 't heil dat Ge in dit leven, Ver boven bede en wenachcn.
Reeds wrocht voor 't oog der mensehen 1
16. Gy zult uw volk een schuilplaats wezen;
Gij bergt hen in het licht Van 't Godlijk aangezicht,
Daar zij geen leed van troticben vreezen; Een hut, waarin zij 't woelen, Den twist der tong niet voelen.
17. Geloofd zij GoJ, die zyn genade
Aan mij heeft groot gemaakt; Die voor mijn welstand waakt: Zyn oog slaat mij in liefde gade;
Hij wil mij heil bereiden,
My in een vesting leiden.
18. Ik heb, te moedloos neergebogen.
En door de vrees gejaagd,
Weleer te ras geklaagd;
tt'k Ben afgesneên van voor uw oogen:)) Dan, nog woudt Ge U ontfermen.
Toen Gij mij hoordet kermen.
PSALM 32.
19. Bemint den Heer, Gods gunstgcnooten; Den Heer, die vromen hoedt. En straft het trotsch gemoed;
Zijt sterk; Hij zal u niet verstooten; Hun geeft Hij moed en krachten. Die hopend op Hem wachten.
Ni
2. Toen 'k zweeg, en TJ mijn ongerechtigheden. Weerhouden door de vrees, niet heb beleden.
Verouderden mijn beendren door j;eklag,
In mijn gebrul en angst den gaDSchen dag;
Want Heer, uw hand, die my bezocht met plagen. Deed dag en nacht mij zware smarten dragen;
Mijn levenssap droogde uit van uur tot uur. Gelijk het land door zomerzonnevuur.
3. 'k Bekende, o Heer, aan TJ oprecht mijn zonden, 'k Verborg geen kwaad dat in mij werd gevonden;
Maar ik beleed, na ernstig overleg.
Mijn booze daftn: Gij naamt dit gunstig weg.
Dies zal tot U een ieder van de vromen, In vindenstijd, met ootmoed sineekend komen;
Een zee van ramp mooa: met haar golven slaan, lioe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan.
PAUZE.
4. Gij zijt mij. Heer, ter schuilplaats in gevaren; Gij zult mij voor benauwdheid trouw bewaren;
Ge omringt me, daar Ge mij in ruimte stelt. Met blij gezang dat mijn verlossing meldt.
Mijn leer zal u o mensch naar 't recht doen handlen. En wijzen u den weg dien gij zult wandlen;
Ik zal u trouw verzeilen met mijn raad.
Terwijl mijn oog op u gevestigd staat.
5. Wil toch niet stug, gelijk een paard, weerstreven. Of als een muil, door domheid voortgedreveti;
Gebit en toom, door 's menschen hand bestierd, Beteuglen 't woest en redeloos gediert:
Laat zulk een dwang voor u niet noodig wezen. Wie God verlaat heeft smart op smart te vreezen; Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen.
Ziet zich omringd met zijn weldadigbeên.
6. Rechtvaardig volk, verheft uw blijde klanken. Verheugd in God, naar waarde nooit te danken;
Zingt'vroolijk, roemt zijn deugden te aller tyd, Gy die oprecht van 'aart en wandel zijt.
|
52 |
PSALM 33. | |
|
2. Roemt nu met nieuwe lofgezangen De nieuwe blijken van zijn gunst; Het speeltuig moet dien toon vervangen. Heft vroolijk aan, wijdt Hem uw kunst. Alles moet Hem eeren; Want het woord des Heeuen , 't Richtsnoer zijner daLn , Is volmaakt rechtvaardig. Al onze achting waardig. Eeuwig zal 't bestaan. |
7. | |
|
3. Hij schept in 't heilig recht behagen, Zijn wijsheid is alom verspreid. Men hoort al 't wereldrond gewagen Van zijne goedertierenheid, 's Heeken alvermogen Bracht de hemelbogen Door zijn Woord in 't licht. Heeft de flonkervuren. Die den Ujd verduren. Door zijn Geest gesticht. |
8. | |
|
PAUZE 1. | ||
|
4. Hij doet de groote waatren zwellïn, Tezaamvergaadren tot een hoop. En naar den diepen afgrond snellen. Daar zij beperkt zijn in hun loop. Laat al de aard Hem vreezen. Die, als 't Opperwezen, 't Al heeft voortgebracht; Laat de wereld schrikken , Laat ze alle oogenblikken Siddren voor zijn macht. |
9. | |
|
5. Geen ding geschiedt er ooit gewisser, Dan 't hoog bevel van 's Heeren mond: Zijn Godlijke almacht spreekt en 't is er, Zijn wil gebiedt en 't wordt terstond. Schoon de heidnen samen List op list beramen, God verbreekt hun raad ; Schoon de Mogendheden Snoode ontwerpen smeden. Hij belacht haar haat. |
10 | |
|
6. Maar de altoos wijze raad des Heeren Houdt eeuwig stand, heeft iltoos kracht; Niets kan zijn hoog besluit ooit keeren, 't Blijft van geslachte tot geslacht. Zalig moet men noemen Die hun Maker roemen Als hun Heer en God , 't Volk door Hem tevoren Gunstig uitverkoren Tot zijn erf en lot. |
11 |
PSALM 33.
PAUZE 2.
7. De sroole Schepper aller dinpen
Ziet uit het ongenaakbaar licht Het gansch gedrair der stervelingen.
Niets is bedekt voor zijn gezicht.
Uit zijn vaste woning,
Waar Hij heerscht als Koning,
Waar zijn lof, zijn eer Klinkt door al de bogen.
Zien zijn Godlijke oog:ca Op al 't inenschdom neer.
8. 't Is God, aan tijd noch nlaats verbonden.
Wiens toezicht over alles gaat;
Dié 't harte vormt en kan doorgronden , Die aller werken gadeslaat.
Schilden, bogen, dolken.
Dappere oorlogavolken,
Wijsheid, moed noch kracht Kunnen ooit in 't strijden Eenig vorst bevrijden Zonder 's Heereu macht.
9. Het brieschend paard moet eindlijk sneven,
Hoe snel het draaf in 't oorlogsveld ; 'tKan niemand de overwinning geven.
Zijn groote sterkte baat geen held.
Neen, de Heer der heeren Doet ons triomfeeren;
Hij , geducht in macht,
Slaat elk gunstig gade.
Die op zijn genade In benauwdheid wacht.
PAUZE 3.
10. Zijn machtige arm beschermt de vromen.
En redt hun zielen van den dood; Hij zal hen nimmer om doen komen In duren tijd en hongersnood.
In de grootste smarten Blijven onze harten
In den Hekr gerust.
'k Zal Hem nooit vergeten. Hem mijn Helper heeten.
Al mijn hoop en lust.
11. Laat ons alom zijn lof ontvouwen:
In Hem verblijdt zich ons gemoed. Omdat wü op zijn naam vertrouwen. Dien naam, zoo heilig, groot en goed. Goedertieren Vader,
Milde Zegenader,
Stel uw vriendlyk hart.
PSALM 34.
2. Komt, maakt God met mij groot; Verbreidt, verhoogt met hart en stem Den nooit volprezen naam van Hem,
Die ons behoedt in nood.
Ik zocht in miin gebed Den Heer ootmoedig met geween: Hy heeft mij in anicstvalligheên Geantwoord, mij gered.
3. _ Zij sloegen 't oog op God,
Zij liepen als een stroom Hem aan: Hij liet hen nimmer schaamrood staan. Hij wendde straks hun lot.
Hii, die door smart op smart Gedrukt werd, zond tot God zijn beê: Terstond verdween 't ondraagbaar wee Uit zyn benepen hart.
PAUZE 1.
4. Des Heerex Engel schaart Een onverwinbre hemelwacht Rondom hem die Gods wil betracht:
Dus is hij welbewaard.
Komt, smaakt nu en b;schouwt De goedheid van d' Alzegenaar:
54
Op welks {runst wij hopen, Eeuwia: voor ons open; Weer steeds alle smart.
PSALM 34.
Welzalig hij din in trevaar Alleen op Hem betrouwt.
Vreest, vreest Hem te allen tijd. Gij heiligen, daar ffe ondervindt.
Dat bij die God vreest en bemint Gebrek nocb schade lijdt.
In bonstr komt noch moed Noch kracht dm jonden leeuw te baat; Maar wie den Heer zoekt vroej? en laat Mist nimmer 't noodig goed.
Komt kindren, hoort naar mij, Neemt mijn getrouwen raad in acht: Ik loer, opdat ge uw plicht betracht. Wat 's Heeuex vreeze zij.
Hebt gij in 'tleven lust,
In dagen waar men 't goede in ziet, Waarin men vrij is van verdriet.
Daar niets ons heil ontrust:
Houdt dan uw tong in toom,
Dat zij nooit schandlijk spreek of smaal; Dat nooit bedrog of lofjentaal Op uwe lippen koom ;
Betreedt het rechte spoor,
Veracht het kwaad, jaagt naar den vr ê: God ziet de vromen, en hun beft Geeft Hij altoos.gehoor.
PAfZE 2.
God slaat een gram gezicht Op boozen die Hem tegenstaan;
Hij doet hun naam met hen vergaan Door 't hoogste strafgericht.
Maar Hij ziet gunstig neer Op hem die naar zijn wetten leeft; God is het die hem uitkomst geeft.
Zijn grooteu naam ter eer.
God is 't verbroken hart, 't Verbrijzeld en bedrukt gemoed. Ten allen tijd nabij en goed, In tegenheid en smart.
Veel wederwaardijfheên,
Veel rampen zijn des vromen lot;
Maar uit die alle redt hem God;
Hij is zijn heil alleen.
God zorgt, als 't leed srenaakt, Dat hij niet gansch temederstort', Dat hem geen been gebroken word : 't Is God die hem bewaakt. De snoode boosheid baart Den goddelooze vloek en dood.
Daar hij, die de onschuld stout verstoot, Zelf schuldig wordt verklaard.
11. De Heer verlost en spaart
Zijn volk. dat op zijn hulp vertrouwt: Het zal, door Hem in gunst beschouwd, Niet schuldig zijn verklaard.
Beschaam ze in hunnen trotschen waan. Die mij zoo wreed naar 't leven staan; Zoo worden ze achterwaarts gedreven En rood van schaamte. Doe hen beven, Die kwaad verzinnen tegen mij;
Dat al hun list verijdeld zii;
Verstrooi hen, als ile wind het kaf:
Gods Engel drijf hen van mij aA
Doe hen altoos onzeker gaan , In duisternis, op gladde pain;
En daar Gij zijt op hen veroolgea.
Moet, Heer, uw Engel hen vervolgen. Zij hebben in hun listigheid Een kuil, een net voor mij bereid; En, schoon ik nimmer hun misdeed. Steeds lagen voor myn ziel gesmeed.
Mijn vijand worde, eer hij 't verwacht Door ramp op ramp teniet gebracht;
PSALM 35.
Hij raoog, in eigen net gevangen,
Het loon van zijn bedrijf erlangen:
Zoo val hij in den kuil, weleer Voor mij geschikt, verslagen neer.
Dan zal mijn ziel, verheuijd in God,
Steeds juichen in haar heilrijk lot.
PAUZE 1.
Mijn beendren spreken tot uw eer: Wie, wie is U gelijk, o Heek,
TJ die van de overmacht der sterken De zwakken redt door wondre werken. Die voor der roovren woede en zwaard 't Nooddruftig volk getrouw bewaart? Gij weet hoe valsch men mij belaagt. En onverdiend ter vierschaar daagt.
Mijn vijand, dorstis? naar mijn bloed. Vergeldt mij wreevlig kwaad voor goed; Maar ik, hem ziende in krankheid zuchten. Nam deel in al zijn on!?enugten.
Ik vastte, met een «ak omgord;
'k Had mijn gebeden uitgestort;
Ik ging in 'tzwart, met rouwmisbaar. Alsof 'tmijn vriend, mijn broeder waar.
'k Had om mijn haters 't kleed gescheurd, Als een die om zijn moeder treurt;
Maar als ik moest met rampen strijden. Verheugden zij zich in mijn lijden; Zij kwamen schielijk op mij af.
Eer iets mij zulks te kennen saf; Elk spotte met mijn zielsverdriet. Hun valsche tong bedwong zich niet.
Bij dartle brassers aan den disch,
Wien 't huichlend spotten eigen is,
Wier lastertaal mij snood onteerde. Was vreugd om 't onheil dat mij deerde. ' Hoelang zult Gij zulks zien, o God ? Vergun mijn ziel een beter lot;
Verlos haar, door uw sterke hand. Uit dezer leeuwen klauw en tand.
PAUZE 2.
Ik zal, in tegenwoordigheid Van 'tgroote volk. Uw Majesteit De erkentnis van mijn hart bewijzen:
'k Zal U voor aller dogen prijzen.
Dat zy dan, die mij zonder reen Vervolgen, om mijn tegenheên Niet juichen, noch in hunnen waan Op my hun schimpende oogen slaan.
Zü spreken nooit van vrede, neenl Manr zij bedenken listi}?heên,
Ten val van hen die, stil van zinnen, Den vrede, 't dierbaarst pand, beminnen. Zij bassen me aan met open mond; Hun schimptaal, die mijn ziel doorwondt. Bespot mijn leed, zij zijn verheugd Op 'tzien van al mijn ongeneugt.
O Heer, Gij ziet het: zwijg niet stil; Uw recht beslisse mijn geschil.
Ontwaak, treed toe tot mijn bescherming; Miin God, betoon mij uw ontferming; Doe mij, o hoogste Majesteit,
Eens recht naar uw gerechtigheid.
En Laat die wreeden dag aan df.g Niet juichen om mijn droef gek.ag.
Laat hen niet zeggen in het hart:
«Geluk mijn ziel, hij is benard!,-) Men hoore nimmer uit hun monden; «Wij hebben hem in 't eind verslor den.» Wil hen veeleer met schand belat.n,
Om al den smaad mij aangedaan Opdat mijn trotsche weerpartij Zich niet verheffe tegen mij.
Laat vromen, juichend te allen tijd. Om mijn gereclitigheid verblijd.
Dien lust, dien ijver nooit bedwingen.
Maar zeggen onder 'tvroolijk zingen: «Verheerlijkt zij de hoogste God, Hij schenkt zijn knecbt een vreedzaam lot.» Dan meldt mijn tong met diep ontzag Uw recht, uw lof den ganschen dag.
2. Uw goedheid, Hehr, is heraelhooc; Uw waarheid tot den wolkenboog;
Uw recht is als Gods benren; Uw oordeel grondloos: Gij behoedt En zesjent mensch en beest, en doet Uw hulp nooit vruchtloos verben. Hoegroot is uw goedgunstigheid! Hoe zijn uw vleuglen uitgebreid!
Hier wordt de rust geschonken. Hier 't vette van uw huis gesmaakt: Een volle beek van wellust maakt Hier elk in liefde dronken.
3. Bij u Heer is de levensbron;
Uw licht doet, klaarder dan de zon, Ous 't heuglijk licht aanschouwen. Wees die U kennen mild en goed. En toon d' oprechten van gemoed
Uw recht, waar ze op vertrouwen. Dat mij nooit trotsche voet vertrap. Noch booze hand in ballingschap
Ellendig om dop zwerven.
Daar zijn de werkers van het kwaad Gevallen in een jammerstaat, Waarin zij hulploos sterven.
|
60 PSALM 37. | ||||||||||||
| ||||||||||||
|
door 's maaiers zeis geveld. | ||||||||||||
2. Stel op den Heer in alles uw betrouwen,
Betracht uw plicht, bewoon het aardrijk, leer Uw welvaart op Gods trouw volstandig bouwen ,
Verlustig u met bliischap in den Heer ;
Dan zal Hij u in liefde en gunst aanschouwen, U schenken wat uw hart van Hem begeer*.
3. Geen iidle zorg doe u van 'theilspoor dwalen;
IIouu in uw weg het oog op God gericht;
Vertrouw op Hem, en de uitkomst zal niet falen:
Hij zal welhaast uw recht voor elks gezicht Doen dagen als de morgenzonnestralen,
En blinken als het helder middaglicht.
4. Zwijg Gode, wacht op 't eind van 'sHeeren wegen,
â Wanneer gij hier der snoodea voorspoed ziet; En hebben zij door list hun wensch verkregen, 't Ontsteek uw drift noch baar u zielsverdriet: Misgun hun dan geen ingebeelden zegen;
Laat af van toorn, en zoek de wrake niet.
5. God roeit hen uit die 's vromen rust ve :storen;
Maar wie den Heer verwachten met geduld.
Zien 't aardrijk zich ten erfbezit bescho â en.
Verbeid den stond die beider lot vervult.
En tracht dan 't zaad der boozen optesporen,
Waarvan gij plaats noch voetstap vinden zult.
PAUZE 1.
6. 't Zachtmoedig volk zal eens den vollin vrede
Genieten, in de zoetste rust verblijd,
En erven de aard. Hoe ook de booze en wreede
Op de onschuld loer, de tanden kners van spijt, Hoe listig hij op haar zijn aanslag smede:
De Heer belacht het wrokken van dien nijd.
7. Hij ziet zijn dag, den dag zijns oordeels, komen.
Men trekt het zwaard, men spant den boog, en mikt
PSALM 37.
Op 't zuchtend bart der onderdrukte vromen ;
Daar 's boozen raad ben wreed ter slachting scbikt, In 't stout bestaan, in 't woeden niet te toornen. Voordat bem God verbystert en verschrikt.
8. Gods wraak ontwaakt, en trekt de trotschpn tegen;
Hun eigen zwaard vergiet bun ziedend bloed; Dan breekt bun boo?, dan vallen ie op bun wegen;
Dan blykt op 't klaarst, dat bier het weinig goed Van 's Heeren volk. r echt vaar diglijk verkregen,
Veel beter is dan 's boozen overvloed.
9. Gods macht verbreekt den arm der goddeloozen.
Terwijl zijn band rechtvaardigen geleidt;
Al treden ze op geen weg bezaaid met rozen. Zij wachten 't beil door God bun toegezeid .
Ilii kent hun tijd; zij zien, in spijt der boozen. Hun erfenis bewaard in eeuwigheid.
10. Geen druk beschaamt hun hoop in bange tijden;
Geen hongersnood doet hen verlegen staan:
Gods goedheid zal hen voeden en verblijden,
Maar 's Heeren toorn de boozen nederslaan. Als 'tmestlam, dat men zag ten offer wijden.
Zal met den rook bet heilloos rot vergaan.
PAUZE 2.
11. De booze neemt, door hebzucht aangedreven.
Met list ter leen, en legt de schuld niet af; De oprechte, vol ontferming, mild in 'tgeven.
Bezit deze aard als 'terf dat God bem gaf;
Dees smaakt in rust den zegen en het leven.
De vloek vervolgt den ander tot in 't graf.
12. 't Alwijs bestier bevestigt 's vromen gangen.
De booge God keurt zijne wegen goed ;
Hij zorgt voor bem en waakt voor zijn belangen;
Hij wordt geenszins om 't glibbren van sijn voet Of om zijn val verworpen, maar vervangen En ondersteund door God die hem behoedt.
13. 'k Ben jong geweest, en draag nu grijze haren.
Maar zag nog nooit rechtvaardigen door nood Zóó zwaar gedrukt, alsof hen God liet varen.
Noch ook bun zaad, al bedelde 't om brood. Hun mildheid schijnt te groeien met hun jaren; De zegen vloeit bun nakroost in den schoot.
14. Wijk af van 'tkwaad, en sta met al uw krachten
Het goede voor, in weldoen onvermoeid;
Woon eeuwig hier, in late nageslachten ; , ., .
Want God, die 't recht, waardoor zijn heilrijk bloeit Op 't hoogst bemint, bewaart ben die 'tbetrachten ; Maar 't godloos zaad wordt door Hem uitgeroeid.
G2 PSALM 38.
PAUZE 3.
15. Het aardrijk zy rechtvaardigen en vromen
In erf bezit ter woon , eeuw in , eeuw uit.
De oprechte doet een vloed van wijsheid stroomen.
Daar hij den mond tot 's Hoogsten lof ontsluit. Wat menschenvrees zou ooit zijn tong hetoomen? Zij spreekt naar 't hart, waar enkel recht uit spruit.
16. De wet zijns Gods is in zijn hart geschreven.
Waardoor zijn gang van glibhren wo *dt bevrijd. De booswicht loert, door haat en spijt gedreven.
Spant strik op strik , of wapent zich ten strijd. En staat, ontzind, rechtvaardigen naar 't leven. Naardien hy, trotsch, hun 's Heeren gunst benijdt.
17. God laat hen nooit in 's haters wreed vermogen.
Wie hen verdoem, de Beer verdoemt hen niet.
Wacht op den Heer, en houdt zijn weg voor oogen;
Hij zal gewis in 't wettig erfgebied Van 't aardrijk u op 't zegenrijkst verhoogen ,
Terwijl gij 't eind der godeloozen ziet.
18. Ik heb het lot eens dwingland» waargenomen;
Hij breidde zich verbazend uit in 't rond,
Gelijk een boom die, tot zijn kracht gekomen. Op 't weligst groent, geplant in eigen grond;
Maar 'k zocht welhaast vergeefs die plaag der vromen; Hij was niet meer, hoe vast hij eertijda stond.
19. Let toch en zie op vromen en oprechten;
Want, wat men denk van de uitkomst hunner paamp;n. God kroont met vreê het einde zijner knechten;
Maar durft men stout des Heeren wet versm«:\n, Dan zal Gods wraak den berg van hoogmoed slechten. En 't boos geslacht ten grond toe doen vergaan.
20. Het heillot, dat rechtvaardigen verkregen.
Vloeit af van God, hun sterkte als de angst hen knelt. Hij laat in tijd van nood hen niet verl;gen.
Des Heeren hulp bevrijdt hen voor quot;t geweld Van 'tgodloos rot: Hij komt hem gunstig tegen.
Die op zyn macht een vast vertrouwen stelt.
PSALM 38.
dat uw kastijden, In inün lijden. Uit geen grim
migheid geschiedt.
2. Want uw pijlen doen mij dragen
Bittre plagen ;
Zij doorprieven vleesch en been. 'k Voel uw hand, in de ongelukken Die mij drukken.
Neergedaald op al mijn leên.
3. Door uw gramschap, fel ontstoken,
Is verbroken Al mijn vleesch en lichaamskracht: Rust noch vrede wordt gevonden, Om mijn zonden,
In mijn beendren, dag of nacht.
4. Want mijn hoofd is als bedolven
In de golven Van mijn ongerechtigheCn;
Zulk een last van zonde en plagen, Niet te dragen,
Drukt mijn schouders naar benefin.
5. 'k Voel door stinkende etterzweren
Mij verteren;
Walglijk zijn zij voor het oog: Mijne dwaasheid deed die builen Dus vervuilen,
Daar ze mij tot kwaad bewoog.
PAUZE 1.
G. 'k Ben, door uwe wet te schenden. Krom van lenden.
Vol van druk , benauwd van hart; Zeer gebogen en verslagen,
Moe van klagen.
Ga ik al den dag in 't zwart.
7. Mijn ontstoken ingewanden
Doen mij branden.
En voor elk verachtlijk zijn ;
'k Voel mij van de smart doorsneden; In mijn leden Is niets heel, of vrij van pijn.
8. Uitgeteerd door al mijn klachten
Zijn mijn krachten.
Zeer verbrijzeld en vergaan;
'k Brul van bittre ziclesmarte,
64 l'SALM 38.
Want mijn harte Is verzwakt door al uw slaan.
9. Maar wat klaag ik. Heer der heeren?
Miin begeeren Is voor U, in al mijn leed. Met mijn zuchten en myn zorgen. Niet verborgen,
Daar Gij alles ziet en weet.
10. 't Hart schokt in mij heen en veder,
Op en neder:
'tLichaam valt nnj krachtloos neer; De oogen, hiina blind gekreten. Uitgebeten,
Zien het daglicht nauwlijks meer.
11. Die voorheen mij teer beminden ,
En mijn vrinden Wijken, angstig voor mijn plang. Nabestaanden gaan terzijden.
Wegens 't lijden En de ellenden die ik draag.
PAUZE 2.
12. Zij, die mijnen dood bejagen.
Leggen lagen.
Dreigen mij den laatsten slap; Spreken, hoe mij best te krenken. En bedenken Mijn verderf den ganschen dag.
13. Maar ik ben , in de ongelukken
Die mij drukken.
Als een doove die niet hoort. En uit wiens verstomde lippen Niet kan glippen 't Flauwst geluid van eemg woord.
14. Ja ik ben als een wiens ooren
Niet meer hooren.
Wat men zegge, kwaad of gced; Wien de tegenreên ontbreken.
Om te spreken.
En die daarom zwijgen moet.
15. Want, o trouw en eeuwig Wezen,
In mijn vreezen Staat mijn hoop op U alleen; GU, mijn God , zult in ellen ien Bijstand zenden. En verhooren mijn gebeên.
IG. 'k Zei: Liat nooit mijn bitter lijden Hen verblijden
PSALM 39.
In hun trotschcn euvelmoed;
Wijl die boozen juichen zouden, Als ze aanschouwden 't Wanklen van mijn zwakken voet.
PAUZE 3.
17. Want, o Heer, ik ben aan 't zinken.
En tot hinken Ieder oogenhlik gereed.
'k Heb mijn smart en onvermogen Steeds voor oogen. By 't vooruitzicht van mijn leed.
18. 'k Wil mijn misdaamp;n, die U tergen.
Niet verbergen;
Ik bedek voor U die niet.
'k Ben vanwegen al mijn zonden. Die mij wonden.
Vol van kommer en verdriet.
19. Maar mijn vijand zie ik leven.
Hoog verheven.
Machtig, vrij van smart en nood; Die, om valsche reön verbolgen. Mij vervolgen,
Nemen toe en worden groot.
iO. Zij , die kwaad voor goed vergelden Lastren, schelden En vervolgen mü gestaag;
Ja ze zyn op mij gebeten.
Want zij weten Dat ik naar het goede jaag.
21. Zie mij. Heer wien elk moet duchten
Tot U vluchten;
O mijn God, verlaat mij niet;
Blijf niet, wegens myn gebreken. Ver geweken;
Toon dat Gü mijn rampen ziet.
22. Heer, ik voel mijn krachten wijken
En bezweken;
Haast U tot mijn hulp, en red, Red mij. Schutsheer, God der godeu. Troost in nooden,
Groote Hoorder van 't gebed.
| ||||||||||
|
1. Ik zei: Nu zal ik letten op mün paamp;n. Om |
2. Ik was verstomd, ik sprak van 't goede niet.
Maar dit verzwaarde mijne smart:
Mijn geest werd heet in 't binnenst door verdriet;
Een vuur ontstak mijn peinzend hirt. Dat. ondanks mijn besluiten, in mijn leed.
Mijn tong op 't laatst dus spreken deed:
3. «O Heer, ontdek mijn levenseind aan mij:
«Mijn dagen zijn bij U geteld;
«Ai leer mij hoe vergankelijk ik zij;
«Een handbreed is mijn tijd gesteld;
«Ja die is niets; want schoon de mensch zich vleit, «De sterkste is enkel ijdelheid.
4. «Gaat niet de mensch als in een beeld daarheen,
«Gelijk een schaduw die verdwijnt ?
«Men woelt vergeefs; men brengt met zorg bijéén
«Alwat op aard begeerlyk schijnt:
«En niemand is verzekerd , wie eens al «Die goedren naar zich nemen zal,»
PAUZE.
5. Nu dan o Heer, wat is 'tdat ik vei wacht?
Mijn hope staat op U alleen ;
Verlos mij, door uw onweerstaanbre kracht.
Van al mijn ongerechtigheên ,
En stel mij niet, getrouwe Toeverlaat,
Den dwazen stervling tot een nmaai.
6. Ik ben verstomd, en zal mijn mond voortaan
Niet opendoen, wijl Gij het deedt.
Neem uwe plaag van mij; houd op van slaan,
En maak een einde van mijn leed:
Mijn kracht bezwijkt, omdat mij uwe hand Zoo fel bestrijdt van alle kant.
7. Wanneer uw straf op eenen stervling stort.
Omdat hij uwe wet vergeet.
PSALM 40.
Verdwijnt zyn glans, zijn kracht vergaat in 'tkort.
Gelijk de schoonheid van een kleed.
Waarover zich alom de mot verspreidt:
Gewis, de mensch is Edelheid.
8. Hoor mijn gebed, mijn bang geroep, o Heer,
Daar 'k schreiend U mijn leed vertoon ,
Ik, die bij U als vreemdeling verkeer.
En hier gelijk mijn vaders woon.
Ai wend uw hand en plagen van mij af;
Verkwik mij , eer ik daal in 't graf.
:±i=-1~
2. Hij geeft me op nieuw een danklied tot zijn eer. Een lofzang: velen zullen 'tzien.
En God eerbiedig hulde biön ,
Hem vreezen, en vertrouwen op den Herr.
quot;VVèl hem die 't Opperwezen Dus kinderlijk mag vreezen.
Op Hem vertrouwen stelt.
En in gevaar geen kracht Van ijale trotschaards wacht.
Van leugen of geweld.
PSALM 40.
Mijn God, Gij hebt uw wondren groot gemaakt; Wie is 't die 't onbepaald getal Van uw gedachten melden zal?
Wat geest zoo vlug, wat tong zoo welbespraakt? Geen slachtvee , geen altaren,
Vol spijs ten offer, waren liet voorwerp van uw lust;
Gij hebt mij , naar uw woord,
Mijn oor en doorgeboord,
Eu 't lichaam toegerust.
Brandofferen noch offer voor de schuld Voldeden aan uw eisch noch eer;
Toen zeide ik: Zie, ik kom o IIe?r;
De rol des hoeks is met mijn naam vervuld.
Mijn ziel , U opgedragen.
Wil U alleen behagen:
Mijn liefde en ijver brandt;
Ik draag uw heiige wet,
T)ie Gij den stervling zet,
In 't binnenst ingewand.
PAUZE.
Uw heilleer wordt door mij alom verbreid; 'k Bedwing mijn tong en lippen met; Gij weet het IIeer , die alles ziet.
Mijn hart verbergt nooit uw gerechtigheid: Uw waarheid doe ik hooren ;
Uw heil, den mensch beschoren.
Vloeit daaglijks uit mijn mond; Uw gunst, uw trouw, uw woord En godsgeheimen hoort Uw talrijk volk in 't rond.
Ge onthoudt, o Heer, dan uw barmhartigheên Mij nooit in knellend zielsgevaar;
Dat mij uw gunst en trouw bewaar.
Daar ik door ramp op ramp mij vind bestreen. Ik voel mij aangegrepen Door zonden, fel benepen.
Een heir niet te overzien,
Die ik veel minder dan Mijn hoofdhaar tellen kan;
Zij doen mijn krachten vliê i.
. 't Behaag U mij te redden uit den nood; O Heer, bied vaardig onderstend. En overstort met schaamte en schand Hen die mijn ziel verbolgen tot den dood;
Laat ze, achterwaarts gedreven. Met schande in 't vluchten sneven,
Wier lust is in mijn kwaad; Verwoesting zij het loon Voor al den schimp en hoon Van hem die mij versmaadt.
PSALM 41.
8. Verheug het volk, verblijd hen allen. Heer, Die naar U zoeken te eiken stond; Leg steeds uw' vrienden in den mond: «Den grooten God zij eeuwig lof en eer.» Schoon 'k arm ben en ellendig,
Denkt God aan mij bestendig:
Gij zijt mijn hulp, mijn kracht.
Mijn Redder: o mijn God,
Bestierder van mijn lot.
Vertoef niet, hoor mijn klacht.
Ã1P
maar bewaard Voor 's vijands boos beleid.
2. De Heer zal hem, op 't ziekbed neergestort.
Versterken door zijn kracht;
Gij maakt, dat zelfs zijn gansche leger wordt
Veranderd door uw macht.
Ik heb tot God geroepen om gena;
'k Zei in mijn ansst en leed:
Genees mij Heer. die bij U schuldig sta En tegen U misdeed.
3. In plaats van troost vervolgt mij 's vijands blaam;
Zij zeygen tot elkaar:
«Waar blijft zijn dood? wanneer vergaat zijn naam?»
Komt iemand van die schaar Om mij te zien, dan spreekt hij valsch, en smeedt
Mij kwaad, zooveel hij kan;
Als hij terutj van mij naarbuiten treedt.
Spreekt hij er andren van.
PSALM 42.
PAUZE.
4. Zij inomplen saam, vervuld met bittren haat; Yan raadslaan nimmer moe.
Bedenken zij een goddeloos verraad;
Men zegt: «Gods geeselroe «Treft hem gewis; een schendaad kleeft hem aan;
Hij ligt voor eeuwig neer;
Nu zult gij hem niet weder op zien staan. Hersteld gelijk weleer.»
5. Zelfs hij op wien ik voormaals heb vertrouwd.
Mijn vreö- en dischgenoot.
Verhief zijn hiel en sloeg mij fier en stout.
Terwijl hij at mijn brood.
Maar Gij o Heer, schiet tot mijn hulpe toe ,
Bewijs geni , en red En richt mij op; dat ik vergelding doe En de ontrouw palen zett'.
6. Ik ken uw gunst, ik ken uw trouw hieraan,
Dat zich mijn vijand niet Beroemen zal, noch ik tegrondegaan ;
Wijl Gij mij bijstand biedt. Mij onderhoudt in mijn oprechtigheid.
En voor uw aangezicht,
Met teedre zorg en trouwe hulp, geleidt Kaar 't eeuwig zalig licht.
7. Looft Isrels God, roept door alle eeuwigheên
Des Heerex grootheid uit:
Dat elk met mij zijn lofzang en gebeön Met amen, amen, sluit*.
70
2. 'k Heb mijn tranen onder 't klagen
Tot mijn spijze da? en nacht.
Daar mij spotters durven vragen:
((Waar is God, dien gij verwacht?» Mijn benauwde ziel versmelt.
Als zij zich voor oogen stelt,
Hoe ik, onder stem en snaren, Feesthield met Gods blijde scharen.
3. 0 mijn ziel, wat buigt ge u neder?
Waartoe zijt ge in mij ontrust?
Voed het oud vertrouwen weder.
Zoek in 's Iloo^sten lof uw lust;
quot;Want Gods goedheid zal uw druk Eens verwisslen in geluk.
Hoop op God, sla 'toog naarboven. Want ik zal zijn naam nog loven.
4. 'k Denk aan U o God, in 't klagen.
Uit de landstreek der Jordaan; Van mijn leed doe 'k Hermon wagen; 'k Roep van 't klein gebergt U aan. 'k Zucht, daar kolk en afgrond loeit. Daar 'tgedruisch der waatren groeit. Daar uw golven, daar uw baren Mijn benauwde ziel vervaren.
PAUZE.
5. Maar de Heer zal uitkomst geven.
Hij die 's daags zijn gunst gebiedt 'k Zal in dit vertrouwen leven,
En dat melden in mijn lied.
'k Zal zijn lof, zelfs in den nacht. Zingen, daar ik Hem verwacht. En mijn hart, wat mij moog treffen. Tot den God mijns levens heften.
6. 'k Znl tot God, mijn steenrots, spreken:
«Waarom, Heer, vergeet Ge mij ? (('k Ga in 't zwart, door rouw bezweken, «Om mijns vijands dwinglandij, «Die mij hoont, mij 't hart doorboort, «Dat gestaag dees lastring hoort: «Waar is God, op wien gij bouwdet. «En aan wien ge uw zaak vertrouwuet ?»
PSALM 43.
7. O mijn ziel, wat buigt ge u neder? Waartoe ziit ge in mij ontrust? Voed het oud vertrouwen weder. Zoek in 's Iloogsten lof uw lust; Menigwerf heeft Hij uw druk Doen verandren in geluk.
Hoop op Hem , sla 't oog naarboven; Ik zal God, mijn God, nog loven.
2. Mijn God, ik steun op uw vermogen,
Gij zijt de sterkte van mijn hart;
Waarom verstoot Gij me uit uw oogen? Waarom ga ik, terneergebogen.
Door 's vijands wreed geweld benard. Gestaag in 't aaklig zwart ?
3. Zend, Heer, uw licht en waarheid neder.
En breng mij, door dien glans geleid. Tot uw gewijde tente weder;
Dan klimt mijn bange ziel gereeder Ten berge van uw heiligheid ^
Waar mij uw gunst verbeidt.
4. Dan ga ik op tot Gods altaren.
Tot God. mijn God, de bron van vreugd; Dan zal ik juicLend stem en snaren Ten roem van zijne goedheid paren, Die. na kortstondige ongeneugt. Mij eindeloos verheugt.
5. Miin ziel , hoe treurt ge dus verslugen?
Wat zijt ge onrustig in uw lot?
Berust in 's Heeren welbehagen:
Hii doet welhaast uw heilzon dagen. Uw hoop herleef, naar ziin gebod: Myn redder is mijn God.
|
PSALM 44. 7.1 | |
|
PSALM 44. | |
|
1. 0 God, wij mochten met onze ooren Weleer van | |
|
^ onze vaadren hooren. Wat werk Gij in hun dagen | |
|
amp;z- | |
|
)or |
wrocht, Hoe Ge oudtijds hen met heil bezocht. Gij |
|
is- |
hebt de heidnen met uw hand Verdreven, dat zij |
|
0 || ^ Oquot; ^ 9 || | |
|
at |
't erf verlieten, Hen fel geplaagd, uw volk geplant. |
|
En op het weeldrigst voort doen schieten. | |
|
2. Hun zwaard deed hen dit land niet erven. Hun arm deed hen geen heil verwerven. Maar uwe rechterhand, uw macht Heeft hun dien voorspoed toegebracht; De glans van 't Godlijk aangezicht Heeft hen de zege weg doen dragen; Want Gij omscheent hen met het licht Van uw genadig welbehagen. | |
|
3. Gij zelf o God, die uit uw woning Ons hulp verleendet, zijt mijn Koning: Verlos ons van 't gedreigde kwaad ; Gebied het heil voor Jakobs zaad. Gij doet ons onze weerpartij Met hoornen stooten in de lenden; In uwen naam vertreden wij Wie tegen ons de wapens wenden. | |
|
4. Stap ik vol moed ten ooreloge, 'k ^ ertrouw niet op mijnen stalen hoge: Ik weet, dat in den heeten strijd Mij zwaard noch dapperheid bevrijdt. Maar Gij verlost deu veegen staat Van 'svijauds macht, waarvoor wij duchten: Ook doet uw hand alwie ons haat Met schande en schaamte henenvluchten. |
PSALM 44.
PAUZE 1.
't Is God dien we onzen Redder noemen, In wien we ons al den dag beroemen. De lof uws naams, alom verbreid. Verheffen wij in eeuwigheid.
Maar nu verstoot Gij ona, o Heer. Wij zien ons hoofd met schand bedekken.
Dewijl gij met ons heir niet meer Ter hulp, als eertijds, uit wilt trekken.
Gij doet ons bevend rugwaarts wijken. En steeds voor de overmacht bïzwijken Van baatren, die ons goed en bloed Vast rooven in hun euvelmoed.
Gelijk de schapen die men slacht.
Hebt Ge ons aan hen tot spijs gegeven;
Ons onder 't heidendom gebracht.
Waar wij verstrooid, vol kommer, leven.
liet volk, dat Gü hebt uitverkoren, Verkoopt Ge aan die uw erfdeel storen, Voor geen waardij, hoe min nen bied'; En hunnen prijs verhoogt Gij niet. Gij stelt ons tot een bittren smaad Voor schampre buren die ons hoonen:
De spot en schimp straalt van 't gelaat Der volken die rondom ons wonen.
Gij doet ons tot een spreekwoord strekken Den heidnen waar Ge ons heen doet trekken. En 'tvolk dat ons te snood berooft Schudt over ons afkeerig 't hoold.
Mijn schande stelt men valsch ia 't licht. Ze is nimmer uit mijn oog geweken: De schaamte dekt mijn aangezicht.
Zoodat ik 't hoofd niet op durf steken.
De stem des hooners moet ik hooren,
Zijn lastertaal klinkt mij in de ooren; De booze vijand koelt zijn moed,
En dorst wraakgierig naar ons bloed. Wij hebben echter in die smart.
Schoon wij dit alles ondervonden,
U niet vergeten in ons hart,
Noch trouwloos uw verbond gescnonden.
PAUZE 2.
Ons hart heeft zich van U in nooden Niet afgekeerd tot valsche goden,
En onze gang week niet van ''.pad.
Dat Gij ons voorgeschreven hurt:
Al hebt Ge ons in uw toornegloed Verpletterd in een plaats der draken.
PSALM 15. 75
En ons verdrukt en bang gemoed De doodsvalleien doen genaken.
11. Ja hadden we, in dien druk gezeten.
Den naam van onzen God vergeten.
De handen in verlegenheid
Tot vreemde goden uitgebreid:
Zou God, naar zijn onkreukbaar recht. Die euveldaad niet onderzoeken ?
Alwat in 't hart wordt overleed Kent Hij, tot in de diepste hoeken.
12. Maar wij, om Uwentwil verdreven.
Verliezen al den dag het leven;
Wij worden slechts van hen geacht
Als schapen voor het mes gebracht.
Waak öp o Heer; waarom toch zoudt Gij slapen, en de smart vergrooten ?
Ontwaak, toon dat Ge ons nog aanschouwt.
En ons niet ecuwig wilt verstooten.
13. Waarom, daar wij uw bijstand vergen,
Zoudt Gij uw aangezicht verbergen?
Waarom vergeten onze ellend
En onderdrukking zonder end?
Want onze ziel die nauwlijks leeft,
Is treurig in het stof gebogen ;
Daar onze buik aan de aarde kleeft.
Bezwijken wij in onvermogen.
14. Sta öp o God, toon medelijden,
Laat ons uw arm van nood bevrijden;
Verlos ons uit den angst, o Heer,
Zoo krijgt uw goedheid eeuwig de eer.
gestort, Des Ge eeuwiglijk van Gol gezegend wordt.
2. Gord, sjord, o Held, uw zwaard aan uwe zijde. Uw blinkend zwaard, zoo scherp gewet ten stride;
Vertoon uw glans, vertoon uw majesteit;
Rijd zegerijk in uwe heerlijkheid Op 't zuivre woord der waarheid, rijd voorspoedig. En heersch alom rechtvaardig en zachtmoedig; Uw rechterhand zal 't Godlijk rijk behoên.
En in den krijg geduchte daden doen.
3. Uw pijlen, fel van uwen boog gedre?en.
Zijn scherp, en doen geheele volken beven.
Zij vellen neer wat uw vermogen tart.
En dringen diep in 's vijands wreevüg hart.
Gij zult, o God, in eeuwigheid bekleeden Den vasten troon van uw gerechtighe len: De rijksstaf, dien uw hooge Majesteit In 't Godsrijk zwaait, heerscht met rechtmatigheid.
4. O God, uw God heeft mild U overgoten Met vreugdezalf, meer dan uw meeger.ooten.
Omdat uw ziel de goddeloosheid haar .
En 't recht bemint. Uw vorstlijk rijksgewaad, U toegevoerd uit elpenbeenen hoven.
Vol eedlen geur, doet elk uw hoogheid loven; Hoe riekt de mirre en kassie wijd en zijd.
En de aloë, wier geur uw ziel verblijdt.
PAUZE.
5. Men ziet U blij, in statelijke reien.
Door dochtren zelfs van koningen geleien;
De Koningin staat aan uw rechterhand,
In 't fijnste goud van Ofirs mijnrijk land. O Dochter, hoor en zie, en neig uw ooren;
Verlaat, vergeet wat ooit u kou bekoren,
Uws vaders huis, uw volk, en wat voorheen U dierbaar en beminnenswaardig scheen.
6. Dan zal de Vorst van al uw achoon getuigen;
Hij is uw Heer, dies moet ee u voor Hem buigen.
'k Zie Tyrus dan, die rijke wereldstad,
U hulde doen en offren schat op schat.
PSALM 46. 77
De Koningstelg, die Hij zijn Bruid wil noemen,
Is meeat om haar inwendig schoon te roemen, 't Borduursel is, naar vorstelijken staat,
Van louter goud gewerkt in 't praalgewaad.
7. Straks leidt men baar in staatsie uit haar woning, In kleeding rijkgestikt, tot haren Koning:
Zoo treedt zij voort met al den maagdenstoet Die haar verzelt, U vroolijk tegemoet.
Zij zullen blij, geleid met lofgezangen,
De vreugde voên, die afstraalt van haar wangen.
Tot zij, daar elk gewaaKt van haven lof.
Ter bruiloft treên in 't koninklijke hof.
8. In plaats van uw doorluchte en vrome vaadren Zult Gij eerlang uw zonen zien vergaadren.
En stellen hen door uw geduchte hand.
Al 't aardrijk door, in vorstelijken stand.
Ik zal uw naam bij elk geslacht doen kennen.
Van kind tot kind zal 't zich aan U gewennen;
Zoo rolt uw lof op 't ruime wereldrond In eeuwigheid uit aller volkren mond.
2. Laat vrij bet schuimend zeenat bruisen, De ontroerde waatren hevig ruischen, De golven mogen door haar woên Het berggevaarte daavren doen:
PSALM 47.
De stad, hat heiligdom, dc quot;woning;
Van God, den allerhoogsten KoninK,
quot;Wordt in haar muren te allen tijd Door beekjes der rivier verblijd.
3. Geen onheil zal de stad verstoren Waar God quot;zijn woning heeft verkoren;
God zal haar redden uit den nood,
Bij 't dagen van het morgenrood.
Men zag de heidnen kwaad beramen, De koninkrijken spanden samen:
Maar God verhief zijn stem, en de aard Versmolt, voor 's Hoogsten toorn vervaard.
PAUZE.
4. De IIeer, de God der legerscharen,
Is met ons, hoedt ons in gevaren ;
De Heer, de God van Jakobs zaad,
Is ons een burg, een toeverlaat.
Komt, wilt op 's Hekken daden merken. Aanschouwt des Hoogsten grooie werken.
Zijn macht, die nooit te stuiten is.
Maakt de aarde tot een wildernis.
5. God stilt alom het oorelogen;
Zijn arm verbreekt de taaie boiren.
Doet spies en speer aan stukken slaan. En wagens door het vuur verbaan «Laat af! â dus spreekt de Heer de- Heeren -«Weet, ik ben God, elk moet mij eeren; «Het heidendom, ja 't gansch heelal «Verhooge mij met lofgeschal.»
6. De Heek, de God der legerscharen,
Is met ons, hoedt ons in gevaren;
De Heer, de God van Jakobs zaad,
Is ons een burg, een toeverlaat.
2. Naar Gods wijs bestel.
Op Gods hoog bevel,
Slaan wij, door zijn band,
Volken aan den band.
Die door ons verneerd.
Door ona overheerd.
Strekken tot een blijk Hoe Hij , liefderijk,
Aan zijn woord gedenkt.
De erfenis ons schenkt,
Jakobs heerlykheid.
Aan hem toegezeid.
3. God vaart voor het oog Met gejuich omhoog;
't Schel bazuingeluid Galmt Gods glorie uit.
Heft den lofzang aan ,
Zingt zijn wonderdaün;
Zingt de schoonste stolquot;;
Zingt des Konings lof.
Met een zuivren galm ,
Met een blijden psalm:
Hij, de Vorst der aard,
Is die hulde waard.
4. Zingt des Iloogsten eer.
Opdat ieder leer,
Hoe Hij heerscht alom Over 't heidendom,
Hoe Hij van zijn troon Geeft zijn rijksgeboón,
quot;Waar het iü voor bukt.
Eedlcn, gansch verrukt Nu hun 't Godlijk licht Straalt in 't aangezicht,
Deelcn in ons lot,
Eeren Abrams God.
5. De eersten van den staat.
Die den onderzaat.
Naar Gods wijze wet.
Zijn ten schilü gezet.
Eeren 's Hoogsten macht: God munt uit in kracht.
FSAÃM 43.
1. De Heer is groot; elk zing zijn lof In Salems
ÃIÃ;
In haar paleizen vestigt God Zijn troon, wordt daar erkend een slot En hoog vertrek voor 't volk te wezen: Geen vorsten heeft men daar te vreezen. Pas hadden zij , verbonden,
Den tocht zich onderwonden; Pas hadden zij de stad in 'toog.
Of hun verwondring steeg zóó hoog, Dat Sion slechts van ver te zien Hen straks van schrik terug deei vliên.
Daar greep hen beving aan, ^rvaard. Vol smart, gelijk een vrouw die baart. Zoo doet Ge een oostewind de kielen Van Tarsis' vloot in zee vernie' en. Wij zagen 't geen onze ooren Voorheen slechts mochten hooren, In deze stad, den troon der eer Van God, der legerscharen Hiïer:
PSALM 49. 81
Hij zal. door macht en kloeke daan,
In eeuwigheid haar vast doen staan.
PAUZE.
4. Wij, o verheven Maiesteit,
Gedenken uw weldadigheid,
In 't midden van uw heiige woning.
Gelijk uw naam is, groote Koning,
Bij ons terecht geprezen.
Zoo is uw roem gerezen.
En bij de volken zeer vermaard.
Tot aan het uiterst eind der aard;
Uw rechterhand, die 't kwaad niet duldt,
Is met gerechtigheid vervuld.
5. T)at Sions berg weergalm van vreugd;
Laat Juda's dochters zijn verheugd,
quot;Wijl Gij haar vijand sloegt in 't strijden.
Gaat Sion rond aan alle zijden;
Telt al de vestingwerken En torens die 't versterken;
Ja, ziet, met een oplettend oog.
Paleizen steigren hemelboog.
En stout verduren al 't geweld.
Opdat gij 't aan uw kroost vertelt.
6. Want deze God is onze God;
Hij is ons deel, ons zalig lot,
Door tijd noch eeuwigheid te scheiden:
Ter dood toe zal Hy ons geleiden.
C
TVat zou mij toch doen vreezen in een tijd.
Waarin het kwaad, het onrecht mij bestrijdt.
Als ik omringd, benauwd ben door 't geweld,
Dat in mijn val zijn hoogst genoegen stelt?
Wat hem betreft die op zijn schat betrouwt.
En al zijn roem op grooten rijkdom bouwt:
Zijn schat behoudt zijn' broeder niet in 'tleven.
Hij kan daarvoor aan God geen losgeld geven.
Hij kan dien prijs der ziele, dat rantsoen Aan God in tijd noch eeuwigheid voldoen; Hij wenscht vergeefs hier altoos 't licht te zien, En door zijn schat het naar verderf te ontvlièn. Hij ziet elk uur der wijzen levensend;
Der dwazen dood blijft hem niet onbekend:
Hij ziet dat hun in 't sterven niets kan baten,
Maar dat zij 't amp;1 aan andren overlaten.
Al zegt zijn hart: «Mijn huis zal eeuwig staan, «Van kind tot kind gedurig overgaan ;vgt;
Al heeft hij 'tland, waarop zijn trotschheid roemt Zijn grootschheid bouwt, naar zijnen naam genoemd: 't Is alles wind waar zich zijn hart mee streelt; De mensch, hoe mild door 't aardsch geluk bedeeld, Hoe hoog in eer, in macht en staat verheven.
Vergaat als 't vee, en derft in 't eind het leven.
Hoewel zijn weg niets is dan ijdelheid.
En hij zichzelf door dwazen hoogmoed vleit. Stapt echter 't kroost, dat in der oudren woord Behagen schept, op 't zelfde doolpad voort: De dood maait ook dier kindren leven af; Zij volgen hen, als schapen, naar het graf; En in den dag, den grooten dag des Heeren, Zal over hen de oprechte triomfeeren.
Men denkt niet meer aan hun voorleden staat, Wijl al hun glans met hen in 't graf vergaat; Maar na den dood is 'tleven mij bereid; God neemt mij op in zijne heerlijkheid.
PSALM 50.
Vreest hem dan niet die groote schatten heeft. Wiens machtig huis in eer en aanzien leeft;
Want hij zal niets in 't sterven met zich dragen:
Zijn naam, zijn roem, 't ligt al terneergeslagen.
Schoon hij zich op deze aard in wellust baadt. En ieder roemt zijn weelde en overdaad.
Hij daalt nochtans, gelijk zijn gansch geslacht. Vervreemd van God, in 's afgronds donkren nacht. Gij dan o mensch, hoe waard, hoe groot in eer. Zoo gij den wil versmaadt van uwen Heer, Dan gaat gy , als de beesten, haast verloren; Een wis verderf is u ten lot beschoren.
Verterend vuur gaat voor zijn aanzicht heen; Een felle storm verzelt alom zijn treèn; Nu Hn zijn volk zal richten voor elks oog. Roept Hij tot aard en hemel van omhoog: «Verzamelt mij mijn dierbre gunstgenooten, «Die mijn verbond op 't heilig offer sloten.»
De heemlen zijn getuigen van zijn recht. Want God is zelf de Rechter die 't beslecht. Hoor gij, mijn volk, hoor Isrel, daar ik tot U spreek en roep: Ik God, ik ben uw God; 'k Bestraf u niet van wege de offeranden,
Daar die gestaag voor my op 't outer branden.
PSALM 51.
J. 'k Zal uit uw huis geen var, noch uit uw kooi Voor 't brandaltaar begeeren bok of ooi j quot;Want al 't gediert der wouden is het mijn'; quot;Wat beesten er op duizend bergen zijn,
Wat vogels ooit rondom bun toppen vlogen. Het wild des velds, 'tis èl in myn vermogen.
PAUZE.
i. Nooit klaagde ik 'tu, indien ik honger had;
Want de aard is mijn en alwat quot;.ij bevat. Zou stierevleesch, of wat ooit menschen voedt, Myn spijze zijn, mijn drank der bokken bloed? Neen, offert Gode uw dankbre lofgezangen;
't Geen gij belooft moet de Allerhoogste ontvangen.
gt;. Boept in den nood tot mij, uw God en Heer; Dan help ik u, en gij geeft Gode de eer.
Maar zijne taal tot goddeloozen luidt:
quot;Waarom toch spreekt gy mijne wetten uit? Wat roemt gij u als mijn verbondelingen.
Daar ge u door woord noch straffen laat bedwingen ?
Ziet gij een dief, gij loopt met he:n en steelt; Gij zyt het, die met overspelers d=elt In 't Vuil vermaak van hun ontuchtigheên; Uw mond is vol van ongebonden rcên;
Uw snoode tong is afgericht op liege.i.
En steeds gewend aan veinzen en bedriegen.
1. Gij zit, gij spreekt van uwen broed.;r kwaad; Uw moeders zoon vervolgt gij bits met smaad. En lastert hem; dit doet ge vrij en blij;
Ik zwijg, dies meent ge dat ik ben als gij:
'k Zal over u een heilig vonnis vellen,
En uw gedrag u klaar voor oogen stellen.
i. Verstaat dit toch, vergeters van Gods wet.
Opdat ik niet verscheur', en niemand redd*.
Wie 't dankbaar hart my biedt ten offerand'. Die geeft mij eer, en elk wie met verstaud Zijn wegen richt mag op mijn gunst vertrouwen: Ik zal Gods heil hem eeuwig doen aanschouwen.
^ 1. Geni o God, genamp;, hoor mijn gebed; Verschoon
mij toch naar uw barmhartigheden; Delg uit
3. Want ik gevoel de grootheid van mijn kwaad. Mijn zonde zie 'k mij steeds voor oosen zweven: 'k Heb tegen U, ja U alleen, misdreven.
Uw wil en wet, hoe heilig, stout versmaad. Ik heb gedaan wat kwaad was in uw oog;
Dies ben ik. Heer, uw gramschap dubbel waardig:
'k Erken mijn schuld, die U tot straf bewoog; Uw doen is rein, uw vonnis gansch rechtvaardig.
3. 't Is niet alleen dit kwaad dat roept om straf: Neen, 'k ben in ongerechtigheid geboren.
Mijn zonde maakt mij 't voorwerp van uw tooreu Keeds van het uur van mijn ontvangnis af. Zie, Gij hebt lust tot waarheid in 'tgemoed. Gij Heer, die weet alwat ik heb misdreven.
Gij die mijn geest met wijsheid hadt gevoed. En in mijn ziel uw Godlijk licht gegeven.
4. Ontzondig mij met hysop, en mijn ziel.
Nu gansch melaatsch, zal rein zijri en genezen; Wasch mij geheel, zoo zal ik witter wezen Dan sneeuw die versch op 't aardrijk nederviel. Ai geef mü weer gewenschte zielevreugd.
Laat uit uw mond mij stof tot blijdschap hooren: Zoo wordt op nieuw 't verbrijzeld hart verheugd. En in mijn geest de ware rust herboren.
PAUZE.
5. Verberg uw oog van mijn bedreven kwaad. Waardoor mijn ziel gevoelt de diepste wonden: Delg, delg toch uit myn schuld en al mijn zonden.
En spreek mij vrij van myne gruweldaad. Herschep mijn hart, en reinig Gij, o Heer, Die vuile bron van al mijn wanbedrijven.
86 PSALM 52.
Vernieuw in mij een vasten geest, en leer Mij aan uw dienst oprecht verbonden blijven.
6. Verwerp mij van uw aangezicht toch niet;
Ai laat van mij uw Heiige Geest niet scheiden; Die kan alleen op 't rechte spoor mij leiden.
Bestier mijn gang, daar Gij mijn zwakheid ziet. Geef mijn gemoed, dat nu angstvallig vreest. De blijdschap weer, doe op uw heil mij hopen;
Laat mij, gesterkt door eenen eedlen geest. Vol vaardig 't pad van uw geboden loopen.
7. ^ Dan zal ik elk die 't heilspoor bijster is Vrijmoedig al uw rechte wegen leeren;
De zondaar zal zich dan tot IJ bekeeren.
En scheppen moed uit mijn behoudenis.
O God, Gij God mijns heils. vergief mijn schuld. Mijn bloedschuld toch , hoe billijk ook te doemen;
Dan zal mijn mond, met zangstof weer vervuld. Uw heilig recht, gepaard met goedheid roemen.
8. Heer, open Gij mijn lippen door uw kracht. Zoo zal mijn mond uw lof gestaag vermelden;
Geen offer kan voor myne zonden gelden;
Behaagde U dat, straks werd het U geslacht. Indien Gij lust in brandende offren hadt. Dan werd het vuur door mij gewis ontstoken;
Ik spaarde dan noch zorg noch vlijt noch schat. Maar zou 't altaar van offervee doen rooken.
9. Gods offers zijn een gansch verbroken geest.
Door schuldbesef getroffen en verslagen:
Dit offer kan uw heilig oog behagen,
'tls nooit, o God, van IJ veracht geweest. Doe Sion wèl, laat om mijn zwaren val Uw goedheid niet van zijne burgren wijken;
Bouw Salem op, laat nooit zijn muur en wal. Door uwe straf, voor 's vijands macht bezwijken.
10. Dan vindt Gij in onze offeranden lust,
Waarmee wij U naar 't heilig recht vereeren; Dan zal 't altaar de varren gansch verteren, Dan wordt het vuur daarop nooit u.tgebluscht.
| ||||||||
|
dwingeland? Ik steun gerust op Gods genade |
2. Uw tong, die toelegt om te schaden.
En als een scheermes snijdt.
Durft zich met snood bedros beraden. Uit bittren wrok en nijd.
Gij mint het onrecht, haat de deugd; De logen baart u vreugd.
3. Gij grieft mij door uw schampre woorden.
Door taal die mij verbaast;
Gij tracht mij door uw tong te moorden; Maar beefl gy wordt welhaast Door God, die uw gedrag verfoeit.
Voor eeuwig uitgeroeid.
4. God zal u voor zijn wraak doen bukken.
En door zijn sterke hand U uit uw tent en schuilplaats rukken, Ontwortlen uit uw stand.
De vromen zullen, vrij van nood. Dan lachen om uw dood. i
5. «Zie, â zal men zeggen â zie den dwazen,
«Die, op zijn rijkdom stout, «Ons wilde door zijn macht verbazen, «Op God niet heeft vertrouwd;
«Zijn sterkte kreeg hij door geweld: «Nu ligt hij neergeveld.»
6. Maar ik zal als de olijfboom groeien
In 't huis des grooten Gods.
Ik zal in eer en godsvrucht bloeien;
God is mijn steun en rots.
Op zijne gunst mij toegezeid,
Vertrouw 'k in eeuwigheid.
7. Mijn God, U zal ik eeuwig loven.
Omdat Gij 't hebt gedaan ;
'k Verwacht uw trouwe hulp van boven; Uw waarheid zal bestaan:
Uw naam is voor 't oprecht gemoed Van al uw gunstvolk goed.
2. God, die liet recht met kracht â¼â¢Â«rdedigt, sloeg Van 's hemels troon zijn oo^en naavbeneden
Op Adams kroost, doorzocht hun hurt en zeden; Hij zag of zich geen mensch verstandig droeg, En naar Hem vroeg.
3. ^ Hij zocht alom, maar ach, Hij vend er geen ; Want alle vleesch is trouwloos afgeweken.
Het land is vol van stinkende gebreken,
Geen sterveling wil 't pad der deugd betreên, Ja, zelfs niet één.
4. Heeft dan dit volk dat groeit in euveldaamp;n,
Geen kennis? Neen! thans durven die ontzinden Met gulzigheid mijn volk als brood verslinden;
Zij roepen op hun godvergeten paamp;n Zelfs God niet aan.
5. Op 't onverwachtst zijn zij in angst gebracht; Want God heeft uw belegeraars doen vluchten. Hun beendren zelfs vestrooid; die u deên zuchten
Hebt gij beschaamd; want God verwerpt, veracht Dit boos geslacht.
6. Och daalde 't heil uit Sion spoedig neer Voor Israel! Als God zijn volk uit lijden En banden redt, zal Jakob zich verblijden.
En Israel al juichend geven de ':er Aan zijnen Heer.
PSALM 53.
PSALM 54.
2. Want vreemden steken 't hoofd omhoog Tot mijn verderf; ik zie tyrannen.
Om mij te dooden, samenspannen; Zij stellen God zich niet voor 't oog. Zie, God, die nimmer mij vergeet, Is mij een helper in mijn lijden; HU voert hen aan die voor mij strijden. En ondersteunt mij in mijn leed.
3. Hij zal dit kwaad, dit boos bestaan. Aan mijn verspiederen vergelden.
Roei uit wie tegen my zich stelden;
Het gaat uw trouw en waarheid aan. Ik zal U met een blij gemoed Vrijwillig offren. Heer der heeren;
Ik zal uw naam met lofzang eeren: Dit eischt uw naam, want hij is goed.
4. Want God wil mij zijn bijstand bién; Hij heeft mij 't onheil doen ontkomen. En mijn benauwdheid weggenomen;
Ik heb mijns vyands val gezien.
89
2. 't Geroep des vijands doet mij boven; Ik word door angst en schrik gedreven. En fel geperst door goddeloozen;
Men schuift op mij, met snood beleid, Een last van ongerechtigheid;
Hoe vinnig treft de wraak dier boozen I
3. Mijn hart voelt weên en bange nepen; De doodschrik heeft mij aangegrepen; De vrees heeft mijne ziel bevangen;
Een kille beving komt mij aan. En siddring doet mijn leden slaan;
Dies roep ik uit met sterk verlangen:
4. «Och gaf mij iemand duivevleuglen: «Gewis, myn drift waar niet te teuglen; «Ik vloog tot waar ik kon verwachten
«Mijn veiligheid, waar 't ook mocht zijn, «In 't barste zelfs der zandwoestijn, «Waar ik in stilte zou vernachten.»
5. quot;Welhaast had ik de vlucht genomen. Om dezen wind, dees storm te ontkomen. O Heer, laat hen uw vuur verslinden;
Verdeel hun tong, verwar hua spraak; Want twist en wrevel, haat en wraak. Zijn in de stad alom te vinden.
6. Bij dag, bij nacht, ja te aller uren Omringen die haar op haar muren;
Geen recht, geen onschuld kan er baten.
PSALM 55.
Maar binnen in haar heerscht de twist; Het wreed verderf, de snoode list,
*t Bedrog: wijkt nimmer van haar straten.
PAUZE.
Zag ik mü door een viiand jagen,
Dan kon, dan zou ik dit verdragen;
Maar 't was mijn hater niet voordezen, Die tegen mij zich thans verheft:
'k Had anders wel 't gevaar heseft,
En zou voor hem verborgen wezen.
Neen, gij, gij zü.t het, dien ik eerde.
Dien ik gelijk mijzelf waardeerde.
Met wien 'k gemeenzaam placht te handlen, Mijn leidsman, met mij eensgezind. Met wien ik raadpleegde als mijn vrind. En samen naar Gods huis mocht waadlen.
Dat hen de dood als schuldheer veile. En levend stort' in 't diepst der helle;
Want boosheid huisvest in de harten En tenten van dit booze rot;
Maar ik zal roepen tot mijn God,
Die mij zal redden uit mijn smarten.
'k Zal 's avonds klagen, zuchten, stenen;
'k Zal 's morgens kermen, 's middags wccnen. En God zal op mijn bede merken.
Die God, die mij'van dezen strijd In vreê door zijnen arm bevrijdt,
Hoevelen ook mijn val bewerken.
God zal mij hooren en hen plagen,
Die God, die reeds van oude dagen Als rechter zat, om 't kwaad te weren:
Dewijl dit volk, de tucht ontwend, In 't minste geen verandrins: kent.
En God noch vreezen wil noch eeren.
Hij slaat zijn handen aan zijn vrinden.
Geen vreêsrenootschap kan hem binden; Hij schendt verbonden, speelt met eeden; Hij vleit, en gladder is zijn mond Dan boter, maar zijns harten grond Is vol van krijg en bitterheden.
Zoo zacht als olie is zijn spreken.
Maar spies noch zwaard kan scherper steken. Mijn ziel, God zal u onderhouden;
Werp uwe zorgen op den Heer:
Zijn trouwe gunst duldt nimmermeer. Dat wie hem vreezen wanklen zouden.
14. Gij Heer, Gij zet den boozen palen. En zult hen doen ten afgrond dalen. Wie op bedrog zijn hoop wil bouwen. En dorst naar bloed, dien kort uw straf Ue helft van zijne dagen af;
Maar ik, ik zal op U vertrouwen.
2. Maar word ik ooit met bange vreea belaftn. Dan zal op U mijn vast betrouwen staan.
Ik prijs in God zijn woord ; ik steun voortaan Op Hem : zou vleesch mij deren?
Ik vrees hen niet die mijne smart vermeeren. Mij dag op dag door lastertaal onteeren.
Mijn woorden in een valschen zin verkeeren, Arglistig mij verraamp;n.
3. Zij rotten saam en houden boozen raad.
Terwijl mij elk in 't heimlijk gadeslaat.
Mijn schreden volgt, en mij naar 't leven staat, Door ramp noch klacht bewogen.
Zoudt Gij, o God, nog met uw heilige oogen Hun boosheid zien, en straffeloos gedoogen?
Keen, stort hen neer door uw geuucht vermogen; Uw gramschap straf hun kwaad.
PAUZE.
4. Gij weet o God, hoe 'k zwerven moet op aard; Myn tranen hebt Ge in uwe ilcsch vergaard:
PSALM 57. 93
Is hun getal niet in uw boek bewaard.
Niet op uw rol geschreven?
Gewis dan zal mijn wreevle vijand beven,
En, als ik roep, straks rugwaarts zijn gedreven; Dit weet ik vast. God zal mij nooit begeven:
Niets maakt mijn ziel vervaard.
5. Ik roem in God, ik prijs 't onfeilbaar woord:
Ik heb het zelf uit zijnen mond gehoord;
'k Vertrouw op God, door geene vrees gestoord: Wat stervling zou mij schenden?
Ik heb beloofd, wanneer Ge in mijn ellenden Mij bijstand boodt en 't onheil af zoudt wenden.
Tot U o God mijn lofzang optezenden,
Door yver aangespoord.
G. Gij hebt mijn ziel beveiligd voor den dood;
Gij richt mijn voet, dat hij zich nimmer stoot'; Gy zijt voor mij een schild in allen nood;
Gij hebt mijn smart verdreven ;
Uw dierbre gunst is me altoos bijgebleven.
'k Zal voor Gods oog naar zyn bevelen leven:
Zoo word' door mij zijn naam altoos verheven. Zoo word' zijn lof vergroot.
2. Ik roep tot God, den Koning van 't heelal. Tot God, die 't werk aan mij voleinden zal.
Die van omhoog mij redt uit mijn ellenden.
En, hoe men woed', mijn vijand brenst ten val: God zal zijn gunst en waarheid nederzenden.
3. Door Gods gen^ wordt mijne ziei gered.
Schoon zij rondom van leeuwen is bezet.
Ik lig, gedrukt door felle stokebranden;.
Hun tongen zijn als zwaarden scherp gewet. Als spiesen en als pijlen zyn hun tanden.
PAUZE.
Verhef o God, verhef IJ hemelhoog:.
Uw eere straal op aard in ieders oog.
Zij, die een net bereidden voor mijn panden.
Zijn zelv', terwyl mijn ziel zich nederhoog, In eenen kuil, voor mij bereid, gevangen.
Uw hand o God heeft veilig mü geleid.
Ik ben gered: nu is mijn hart bereid.
Het is bereid om U, mijn God, te loven;
Nu wordt uw naam door mij met vreugd verbreid. Mijn psalmgezang klim tot uw roem naarboven.
Waak öp mijn eer, waakt óp mijn harp en luit; Mijn zanglust streeft den dageraad vooruit;
'k Zal onder al de volken. Heer, U prijzen;
Mijn psalmgezang zal, bij cymbaal en fluit. Uw naam alom de plechtigstequot; ter bewijzen.
Uw goedheid. Heer, is groot en hemelhoog; Uw waarheid reikt tot aan den volkenboog. Verhef u dan ver boven 's hemels kringen;
Uw eer versprei haar luister in e.ks oog;
Laat ieder die door heel de wereld zingen.
Neen, gij smeedt ongerechtigheden In 't harte dat van boosheid zwelt; Gij weegt op aard uw snood geweld, In schijn van billijkheid en reden. Godloozen sijn van God vervreemd Zooras hun leven aanvang reemt.
. De booze leugensprekers dolen Van 't uur dat zij geboren ajjn:
PSALM 59. 95
In hart en mond ligt heet venijn gt;
Als in een Timrge slang, verscholen;
Zij geven 't goede nooit gehoor.
Maar stoppen, als een adder, 't oor.
4. Gelijk zich die niet laat bezweren,
Zoo willen deze niet verstaan.
Verbreek hun tanden , laat voortaan,
O God, uw arm hun kracht verneêren:
Breek jongen leeuwen, heet op buit,
O Heer, de wreede tanden uit.
PAUZE.
5. Smelt hen tot water, laat ze draven ,
En maak hun pijlen, waar zij boos Mee mikken, stomp en krachteloos;
Laat toch uw arm hun boog niet stijven.
Doe hen in in armoe en gebrek Vergaan, versmelten als een slek.
6. Och laat hen in hun kwaad niet groeien.
Maar doe hen als een misdracht zijn;
Dat nooit de zon hun oog beschijn'.
Eer dan uw potten zullen gloeien Van 't doornenvuur, stormt Hij gezwind Hen weg, als in een wervelwind.
7. 't Rechtvaardig volk, gered uit lijden.
Zal eens, wanneer 'tde wraak aanschouwt, In God, wien 't zich had toevertrouwd ,
En in zijn waarheid zich verblijden;
't Zal zijne voeten, welgemoed.
Zelfs wasschen in der boozen bloed.
8. De mensch zal eerlang vroolijk zeggen:
«Gewis de deugd geniet haar vrucht;
«Gods grootheid wordt terecht geducht,
«Die loon en straf weet toeteleggen;
«Gewis daar is een God die leeft,
«En op deze aarde vonnis geeft.»
2. Laat, Heer, uw bijstand niet vertragen; Zie hoe zij müne ziel belagen:
Zij zijn doldriftig op de been.
En rukken al hun macht bijéén ;
Schoon ik geen misdaad heb bedreven. Die stof tot wraakzucht koude geven.
Waak op, ontmoet mij, en beschouw Hoe 'k op uw macht alleen vertrouw.
3. Ja 't luste IJ, Heer der legerscharen. Als Isrels God U te openbaren;.
Ontwaak, en straf dit heidendom; Dat niemand uwe wraak ontkom. Zii trekken, trotsch op wanbedrijven , W aardoor zij trouwloos 't onrecht stijven, De stad om, aan den avondstond,
En ieder tiert gelyk 'een hond.
4. De snoodste laster stroomt d' ontaarden Ten mond uit, ja geslepen zwaarden
Zijn op hun lippen ; ieder woord Is schimp, vervloeking, wraak en moord. «Wie hoort het?» vragen ze onder 't woeden; Maar gij , o Schutsheer aller goeden ,
Zult hen belachen, en den spot Haast drijven met al 'theidensch rot.
5. Mijn vijand roem op zijn vermogen ;
Maar ik, ik sla op U mijn cogen;
Ik wacht op uwe hulp o Heer;
Gij zijt mijn hoog vertrek, mijn eer.
'k Zal Uod met goedertierenheden Mij eerlang tegemoet zien r.reden.
En mij welhaast gewroknn zien Aan hen die listig mij bcspiên.
PAUZE.
G. Beroof hen niet terstond van 't leven,
Opdat mijn volk, van angst ontheven,
geweld Mij tot een hoog vertrek gesteld. Mijn God,
PSALM CO.
Uw oordeel teffens niet vergeet.
Uw macht, als Gy ter vierschaar treedt. Doe elk van hen als balling zwerven, En, 'tkwaad ten spiegel, schandlijk sterven; Ja werp, o God, mijn schild, hen neer. Als trotsche schenders uwer eer.
7. Men neem hen, daar hun lastermonden En valsche lippen 'thart doorwonden.
Gevangen in hun hoovaavdij.
Vergeld hun vloek, hun razernij.
De logens die zü snood verdichten; 't Betaamt U hen gestreng te richten.
Verteer ze in grimmigheid; uw kracht Verteer, verdelg dat snood geslacht.
8. Laat hen eerlang hij de uitkomst weten, Dat God als Heerscher is gezeten
In Jakobs erf, daar 't kwade weert.
Ja tot aan 'saardrijks eind regeert.
Laat, als het licht begint te dalen, Hen wederkeeren, zoeken, dwalen. Vol ongeduld, van pad tot pad.
Als houden tierende om de stad.
9. Laat hen, o God, om spijs verlegen. Omzwerven, en op nare wegen
Vernachten in de duisternis,
Schoon geen van hen verzadigd is.
Maar ik zal U mijn sterkte noemen. Uw goadheid 's morgens vroolijk roemen. En zingen met een dankbren geest: «Gy zijt mijn hoog vertrek geweest.»
10. Ik zal, omdat Ge in bange dagen Mijn toevlucht waart, van U gewagen:
quot;Nan U, mijn sterkte, zij mijn zang En snarenspel, mijn leven lang.
Ik heb in nood, aan God verbonden, In Hem mijn hoog vertrek gevonden, In God, wiens goedertierenheid Zich over mij heeft uitgebreid.
2. Gij hebt uw volk een harde zaak Doen zien door uw gestrenge wraak. Door twist op twist het land gekrenkt. En ons met zwijmelwijn gedrerkt. Maar nu hebt Gij een heilbanie-,
Tot roem van uw geducht bestier, Hen die U vreezen op doen steken: Zoo is uw waarheid ons gebleken.
3. Geef Heer, opdat van angst en istrijd 't Beminde volk moog zijn bevrijd.
Geef heil door uwe rechterhand.
En red het zuchtend vaderland. God sprak weleer in 't heiligdom,
Dies juich ik met uw volk alom:
'k Zal Sichem deelen, Sukkoth meten: Die zullen mijn bezitting heeten.
PAUZE.
1. Nu zie ik Gilead, gered.
Gehoorzaam luistren naar mijn wet; Manasse kent mii als zijn Heer, En knielt eerbiedig voor mij neer; Aan 't hoofd van mijne legermacht Toont Efraïm zün moed en kracht; Mijn Juda, tot die eer verkoren. Zal mijne rijkswet elk doen hooren.
gt;. Het trotsche Moab, overbeerd.
Strekt mij ten waschpot, diep rerneêrd. Ik werp op Edom mijne schoe. En eigen hem ten knecht mij coe. En gij o Palestina, juich.
Juich over mij met eerbied, tuig U neer, om mij, die tot regeeren Gezalfd ben, als uw Koning te eeren.
5. Wie voert mij in een vaste stad,
Waar zich mijn vijand veilig schat?
PSALM 61.
Wie zal mij door een sterke hand Geleiden tot in Edoms land?
Zult Gij 't niet zijn, geduchte God, Die ons verstiet tot 's vijands spot.
Onze uitgetogen legermachten Vergeefs naar hulp en heil deedt wachten?
Geef Gij ons hulp in tesrenheên:
Bij U is raad, bij U alleen: 't Is vruchtloos, waar men zich mee vleit. Want 's menschen heil is ij delheid. Wij zullen dappre heldendaamp;n In God verrichten: hoe 't moog gaan, Hij , die van ons wordt aangebeden, Zal onze weerpartij vertreden.
2. Leid mij Heer, ik zou in 't stijgen
Nederzijgen,
Leid mü op een booge rots. Wil my tot een toevlucht wezen.
Als voordezen,
's Vijands wreed geweld ten trots.
3. 'k Zal in uwe tent verkeeren,
Heer der heeren,
Voor uw oog, in eeuwigheid; 'k Zal op U mijn vast vertrouwen
Altoos bouwen,
Door uw vleuglen overspreid.
4. Want uw goedheid, die wij loven.
Heeft van boven Mijn gelofte ea beê gehoord. Gij deedt my tot de erfnis komen
Van de vromen Die de vrees uws naams bekoort.
5. Gij zult nieuwe dagen voegen.
Vol genoegen.
Bij des Konings levenstijd;
Zijner Jaren tal vermeeren.
In 't regeeren Door uw gunst van ramp bevryd.
6. Hij zal eeuwig in vermogen,
Voor uw oogen,
Zitten op zyn troon, o lieer;
Zend uw waarheid, uw ontferming. Ter bescherming.
Zend ze tot zijn wachters neer.
7. 'k Zal dan door mijn blijde galmen.
Door mijn psalmen.,
Loven uwe majesteit;
Mijn geloften U betalen, Menigmalen Plechtig aan U toegezeid.
Ik zal geen groote wankling vreezen.
Hoelang, o wreedaards, zoekt gij dan Het kwade nog van zulk een man ? Uw kracht is veel te zwak en teader;
Haast sterft gij allen door Golt;is hand: Zoo stort een ingebogen wand. Een aangestooten muur terneder.
Zij raadslaan slechts, vervoerd door haat. Om hem uit zynen hoogen sf.aat Te stooten met bedrog, en zoeken Met lust hiertoe een leugenvond ; Zij zeegnen wel met hunnen mond,
Maar 't godloos hart doet niets dan vloeken.
4. Doch gij mijn ziel, het ga r;oo 't wil.
Stel u gerust, zwijg Gode stil.
Ik wacht op Hem; zijn hulp zal blijken: Hij is mijn rots, myn heil in nood.
Mijn hoog vertrek; zijn macht ia groot: Ik zal noch wanklen noch bezwijken.
PAUZE.
5. In God is al mijn heil, mün eer.
Mijn sterke rots, mijn tegenweer:
God is mijn toevlucht in het lijden. Vertrouw op Hem, o volk, in smart. Stort voor Hom uit uw gansche hart: God is een toevlucht te allen tyden.
gt;. Gemeene lieden immers zijn
Slechts ijdelheid, een damp, een schijn; De grooten anders niet dan logjen : Zij zouden, hoe hun hart zich vleit, Nog lichter zijn dan de ijdelheid,
In eene weegschaal opgewogen.
Vertrouwt, wat uw begeerte ook zij. Nooit op geweld of rooverij ,
En wordt niet ijdel, als 't vermogen Gedurig aanwast; waakt en let.
Dat gij het hart er nooit op zet: Zoo wordt ge door geen schijn bedrogen.
1. Eenmaal sprak God tot mij een woord. Tot tweemaal toe heb ik 't gehoord : «Dat 's Heeren zijn de sterkte en krachten.» Ook is bii U de goedheid, Heer;
Dies heeft yan U elk stervling weer Vergelding naar zijn werk te wachten.
PSALM 63. Wijze van Psalm 17. 1. 0 God, Gij zyt mijn toeverlaat; Mijn God, U
zoek ik met verlangen. Zooras wy 't morgenlicht
ontvangen, Bij 't krieken van den dageraad. O
Heer, mijn ziel en lichaam hygen En dorsten
naar U in een land. Dat, dor en mat, van droogte
brandt. Daar niemand lafenis kan krijgen.
2. 'kHeb U voorwaar in 't heiligdom Voorbeen beschouwd met vroolijke oogen; Hoe zag ik daar uw alvermogen,
Hoe blonk uw Godlijke eer iloml Want beter dan dit tijd lijk leven Is uwe goedertierenheid:
Och wierd ik derwaarts weer geleid,
Dan zou myn mond U de eere geven.
3. Dan zou ik voor uw Godiijk oog Uw deugden al mijn leven prijzen .
En in uw naam mijn zang dom rijzen.
Mijn handen heffen naar omhoog.
Mijn ziel zou nieuwe kracht ontvangen , Verzadigd, als met vet en smeer;
Mijn mond zou U vol vreugd, o Heer, Verheffen in zijn lofgezangen.
PAUZE.
4. Wanneer ik op mijn legerstee Aan U gedenk in stille nachten ,
Dan peinst mijn ziel met al haar krachten,
Hoe Gij voorheen in angst en wee.
Als mij de vijand wilde omringen.
Mij vaardig zijt ter hulp geweest:
Dies zal ik nu ook, onbevreesd,
In schaduw van uw vleuglen zingen.
5. Mijn ziel kleeft U standvastig aan : Gij ondersteunt mijn zwakke schreden; Uw rechterhand vól mogendheden
Doet mij getroost en veilig gaan;
Maar deze, die mijn ziel bcgceren.
Opdat ik tot verwoestinK raak,
Staan bloot voor uw gedxichta wraak Zij zullen haast ten afgrond keeren.
6. Men zal die boozen door 't g,eweld Van 't scberpgewette zwaard doen sneven , En aan de vossen overgeven.
Ter prooi alom in 't open V2ld.
Maar 's Koninjcs hart zal zich verblijden In God die 'tgansch heelal regeert;
En elk, die heilig bij Hem zweert,
Zal zijne trouw met roem belijden.
7. Want hoe het ga, de logenmond
2. Verberg mij voor de listiffheden
En voor den heimelijkcn raad Der boozen, die geneigd tot kwaad, Oproerig in hun doen en reden,
Steedn onrecht smeden.
3. Bescherm mij tegen 't wreed vermogen
Van hen wier tong is als een zwaard, Wier taal, met bitterheid gepaard. Tot pijlen dient op hunne bogen.
Om te oorelogen.
4. Zij leggen lagen voor de vromen,
Verschuilen zich voor hun gezicht. En treffen straks hen met hun schicht; Waardoor zij wreed hen om doen komen. En niemand sohromen.
5. 't Is 't kwaad, waarin ze elkander sterken,
Dat hun tot samenspraak verstrekt; Hun strikken houden zij bedekt; Zij zeggen van hun booze werken ,
«Wie zal die merken?»
PAUZE.
6. Hun drift, aan snood bedrog verbonden.
Spitst daaglijks zich op listigheên. Hun hart, hun binnenst peinst alleen Op valsche en eerelooze vonden,
Om elk te wonden.
7. Maar God, aanschouwende al hun lagen, Die bloot zijn voor zijn aangezicht.
Zal ijlings met een scherpen schicht Hen treffen, en door zware plagen Hen straf doen dragen.
8. Hun tong, die andren durfde onteeren.
En ware vromen trotsch versmaan, Zal zelf met schande hen belaftn ; Ja elk zal hun den rug toekeeren. En hen verneèren.
9. Dan zullen alle menschen vreezen.
Het werk verheffen van den Heer, Zijn lof verbreiden en zijn eer.
En op zijn da^n, alom geprezen. Oplettend wezen.
10. 't Rechtvaardig volk zal zich verblijden,
Betrouwende op den Hf.br alleen ; De oprechten zullen weltevreên. Terwijl zij Hem hun harten wijden. Zijn naam belijden.
2. Een stroom van ongerechtigheden Had de overhand op nrj;
Maar ons weerspannig overtreden
Verzoent en zuivert Gi .
Welzalig wien Gij hebt verkaren,
men Ge uit al 't aardsch gedruisch Doet naadren, en uw heilstem hooren. Ja wonen in uw huis.
Daar zal ons 't goede van uw woning
PSALM 65. 105
Verzaden, reis op reis,
En 't heilig deel, o groote Koning ,
Van uw geducht paleis.
Gij, Gij zult vreesclijke dingen
Ons in gerechtigheid Doen hooren, en ons blij doen zingen Van 't heil voor ons bereid.
4. O onze God, o vast vertrouwen
Van 't allerverste land,
Op wien al 's aardrijks einden bouwen.
En 't wijdstgelegen strand!
Gij , die de hemelbooge bergen
Doet palstaan door uw kracht.
Zoodat zij vloed en stormen tergen.
Gij zijt omgord met macht.
5. 't Gebruis der zee doet Gij bedaren,
Daar Gij haar golven stilt;
't Rumoer der volken , als der baren,
Betoomt Ge, waar Gij wilt.
Die de einden dezer aard bewonen,
Aanschouwen dag aan dag De teeknen die uw almacht toonen,
Met vrees en diep ontzag.
PAUZE.
6. Gij geeft dat de uitgang van den morgen
En van den avond juich ,
En dat men U voor al uw zorgen
Ootmoedig dank betuig.
Het land bezoekt Gij met uw zegen.
En, door U droojgemaakt,
Verrijkt Gij 't grootlijks weer met regen.
Die tot den wortel raakt.
7. De godsrivier doet Ge overvloeien.
En op 't bereide land Het nuttig koren welig groeien.
Uw Goddelijke band Maakt de opgeploegde voren dronken,
Tot uit de weeke kluit.
Waar 't dropplend nat is ingezonken,
Gezegend voedsel spruit.
8. Uw goedheid kroont de jaargetyen;
Waar Gij uw voetstap zet.
Daar doet Gij 'till ten zegen dijen.
Daar druipt het amp;1 van vet.
Het woeste veld vangt zelfs die droppen.
Zijn weide blijft niet droog;
De heuvels steken blyde toppen Met lachend groen omhoog.
9. De velden zijn bedekt met kudden;
PSALM 66.
De dalen zyn bekleed Met halmen, die van zwaarte schudden.
En loonen 's land mans zweet. Zij juichen, elk op zyne wijze;
Uw eer klimt uit het stof; Zij zinsen, uwen naam ten prijze, Uw goedheid en uw lof.
2. Al 't aardrijk smeek U, neergebogen;
Het hef de schoonste psalmen aan , Gezangen die uw naam verhoosfen ,
De glorie van uw wonderdain.
Komt allen, ziet Gods wijze wegen ;
Wat is zijn werking hooggeducht. Hetzij Hij 't menschdom met zijn zegen Bezoekt of met zijn strenge tucht.
3. God baande door de woeste baren
En breede stroomen ons een pad ;
Daar rees zijn lof op stem ea snaren ,
Nadat Hij ons beveiligd had.
Hij zal eeuw uit eeuw in regeeren ;
Zijn oog bewaakt het heidendom: Hij zal de afvalligen verneêren, Hij keert hun trotsche ontwerpen om.
4. Looft, looft den Heer der legerscharen,
0-volken, heft een lofzang aan :
PSALM 66.
Hü wil ons in het leven sparen,
Ons hoeden op de steilste paamp;n.
Voor wanklen onzen voet bevriiden.
Gü hebt ons voor een tijd boöroefd, En ons gelouterd door het lijden.
Gelijk het zilver wordt beproefd..
Een net belemmerde onze schreden , Een enffe band hield ons bekneld; Gü liet door heerschzucht ons vertreden,
Gy gaaft ons over aan 't geweld.
Ilif.r scheen ons 't water te overstroomen, Daér werden wij gedreigd door 't vuur; Maar Gij deedt ons 't gevaar ontkomen , Verkwikkende ons ter goeder uur.
PAUZE.
Door quot;quot;s Iloogsten arm 't geweld onttogen ,
Zal ik, genoopt tot dankbaarheid, Verschijnen voor zijn heilige oogen
Met offers, aan Hem toegezeid.
Ik zal, nu ik mag ademhalen
Na zooveel hangen tegenspoed.
Al mün geloften U betalen,
U die in nood mij hebt behoed.
Ik zal het brandaltaar doen rooken Van 't edelst vee uit kooi en stal; Zoo worden vet en merg ontstoken,
Bij 't lieflijk rijzend lofgeschal. Het reukwerk zal zijn geur verspreiden. Daar ram bij ram wordt aangebracht; *k Zal bok en rund ten offer leiden,
Opdat men ze U ter eere slacht'.
Komt, luistert toe, gij godgezinden , Gij die den Heer van harte vreest, Hoort wat mij God. deed ondervinden , Wat Hü gedaan heeft aan mijn geest, 'k Sloeg heilbegeerig 't oog naarboven ,
Tk riep den Heer ootmoedig aan; Ik mocht mH mond en hart Hem loven , Hem die alleen mij by kon staan.
Ware ik door ongerechtigheden En haar aanlokselen bekoord.
Dan had de Heer naar mijn gebeden
En jammerklachten niet gehoord.
Maar nu, nu heeft met gunstige ooren
Mijn God op mijnen weusch gelet;
Ilii, die het Al kan zien en hooren , Merkte op de stem van mijn gebed.
God zij altoos op 'thoogst genrezen. Lof zij Gods goedertierenheid ,
108 PSALM 67 , 68.
Die nimnipr mij heeft afgewezen , Noch mijn gebed gehoor ontzeid.
2. Do volken zullen U belijden,
O God, U loven altezaam;
De landen zullen zich verblijden. En juichen over uwen naam:
Volken zult Gij rechten.
Hunne zaak beslechten _ In rechtmatigheid;
Volken op deze aarde.
Die uw arm vergaarde.
Die Gij veilig leidt.
3. De volken zullen, lieer, U loven,
O Heer, U loven altemaal.
Die de aarde vruchtbaar maakt van boven. Dat ze ons op haar gewas onthaal.
God is ons genegen.
Onze God geeft zejren ;
Hij die alles geeft.
Hij zal zijn geprezen.
Hem zal alles vreezen Wat op aarde leeft.
asch; 't Zal voor uw oog vergaan als was, Hat Ãtai
smelt voor glofinde kolen.
2. Maar 't vrome volk, in U verheugd. Zal huppelen van zielevreu^d,
Daar zij hun wensch verkrijgen; Hun blüdschap zal dan onbepaald.
Hoor 't licht dat van zijn aauzicht straalt.
Ten hoogsten toppunt stijgen.
Heft Gode blijde psalmen aan ;
Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan;
Laat alwat leeft Hem eeren:
Bereidt den weg, in Hem verblijd,
Die door de vlakke velden rijdt:
Zijn naam is Heer der heeren.
3. Springt op van vreugd, verheft zijn lof. Die , daar Hij woont in 't hemelhof.
Een Vader is der weezen ;
Die weduwen haar recht verschaft.
Die streng haar onderdrukkers straft.
En voor zijn wraak doet vreezen;
Een God, die zet, uit menschenmin, De onvruchtbren in een huisgezin.
En, om zijn macht te toonen,
Gevangnen uit de boeien redt;
PSALM 68.
Maar die verlaters van zijn wet Doet in het dorre wonen.
PAUZE 1.
O Gud, toen Gij , met majesteit,
quot;Uw Israel hebt uitgeleid.
En op uw heil doen bopen;
Toen Gij langs Parans woestcn grond Hun voortoogt, schokte de aard in 'trond;
De hooge, heemlen dropen ;
De bergen rezen zelfs omhoog;
Men zag dit Sinaï voor 't oog
Van Isrels Koning beven.
Een milden regen zondt Ge, o Heer, Op uw bezwijkende erfnis neer.
Om sterkte aan haar te geven.
Uw hoop, uw kudde woonde daar; Uit vrije goedheid waart Gij haar
Een vriendelijk beschermer.
En hebt ellendigen dat land Bereid door uwe sterke band,
O Israels Ontfermer.
De Heer gaf rijke juichensstof.
Om zijne wondren en zijn lof
Met hart en mond te melden:
Men zag welhaast een groote schaar Met klanken van de blijdste maar Vervullen berg en velden.
. De koningen, heozeer geducht.
Zijn met hun heiren wegsïevlucht;
Zij vloden voor uw oogen:
De buit van 't overwonnen land Viel zelfs de vrouwen in de hand.
Schoon niet mee uitgetogen.
Al laagt ge, o Isrel, als weleer.
Gebukt bij tichelsteenen neer.
Toen gij uw juk moest dragen.
En zwart waart door uw dienstbaarheid: U is een beter lot bereid,
Uw heilzon is aan 't dagen.
, Gelijk een duif, door 't zilverwit En tgoud dat op haar veedren zit.
Bij 't licht der zonnestralen Ver boven andre vooglen pronkt.
Zult gy, door 't GodUik oog belonkt.
Weer met uw schoonheid pralen. Wanneer Gods onweerstaanbie hand De vorsten uit het gansche land
Verstrooid had en verdreven,
Ontving zijn erfdeel cedler schoon, Dan sneeuw, hoe wit zij zica vertoon. Aan Zalmon ooit kon geven.
PSALM 68.
PAUZE 2.
S. Dat Basans hemelhooge berg Met al zijn heuvlen Sion terg.
En wane te overtreffen;
Wat springt gij bergen trotsch omboog ? Wat wilt ge u, in der volkren oog.
Bij Sions berg verheffen ?
God zelf heeft dezen berg begeerd Ter woning, om, aldaar gecerd.
Zijn heerlijkheid te toonen :
De Heer, die hem verkozen heeft. Die trouwe houdt en eeuwig leeft. Zal hier ook eeuwig wonen.
9. Gods wagens boven 't luchtig zwerk Zijn tien- en tienmaal duizend sterk.
Verdubbeld in getalen:
Bij hen is zijne majesteit.
Een Sinai in heiligheid,
Omringd van bliksemstralen.
Gij voert ten hemel op, vol eer; De kerker werd uw buit, o Heeu;
Gij zaagt uw strijd bekronen Met gaven tot der menschen troost, Opdat zelfs 't wederhoorig kroost Altijd bij U zou wonen.
10. Geloofd zij God met diepst ontzag, Hü overlaadt ons dag aan dag
Met zijne gunstbewijzen:
Die God is onze zaligheid;
Wie zou die hoogste Majesteit
Dan niet met eerbied prijzen ?
Die God is ons een God van heil; Hij schenkt, uit goedheid zonder peil.
Ons 't eeuwig zalig leven :
Hij kan en wil en zal in nood.
Zelfs bü het naadren van den dood. Volkomen uitkomst geven.
PAUZE 3.
11. Gewis, hoe hoog de nood mag gaan. God zal zijns vijands kop verslaan.
Dien haargen schedel vellen.
Die trotsch wat heilig is onteert.
En, daar hij schuld met schuld vermeert.
Zich tegen Hem durft stellen.
De Heer heeft zelf ons toegezeid:
«'k Zal u, door macht en wijs beleid,
«Uit Basan weer doen komen: «U zullen, als op Mozes' beê,
«Wanneer uw pad loopt door de zee,
«Geen golven overstroomen.
12. «Dan moogt ge in zegepraal uw voet.
112 PSALM rgt;8.
((Ja uwer hondpn tong, in 't bloed
((Van eiken vijand steken.»
O groote God, geduchte Heer,
Uw gangen, zoo vol roem en eer.
Zijn aan uw volk gebleken;
I)e gangen van mijn God en Vorst, Wen, schoon Hij 's werelds rykskroon torscht.
Dees woningen behaagden.
De zangrei trad den speelrei \oor;
In 't midden ging het vroolijk koor Der trommelende maagden.
13. Looft God in zijn gemeente alom.
Den Heer: gij die in 't heiligdom,
Als Isrels kroost, moogt naadren. Hoe vroolijk gaan de stammen op Naar Sions godgewijden top.
Met Isrels achtbre vaadren ;
De vorsten van elk huisgezin,
Zij trekken aan; hier Benjamin,
Schoon klein, hij mocht regeeren;
DAar J uda's stam, die glorie von;
Ginds Naftali en Zebulon,
Om God, hun Koning, te eeren.
PAUZE 4.
14. Uw God, o Isrel, heeft de kracht Door zijn bevel u toegebracht.
O God, schraag dat vermogen;
Versterk hetgeen Gij hebt gewrocht.
En laat uw hulp, door ons venocht.
Uw volk voortaan verhoogen.
Dan passen, uwen naam ter eer.
Om uwes tempels wil, o Heer,
De vorsten op uw wenken:
Zij zullen U van alle kant.
Zelfs uit het allerverste land.
Vereeren met geschenken.
15. Scheld met uw stem het wild gediert.
Dat in het riet zoo weeldrig tiert.
De stier- en kalverbenden;
Het volk dat stukken zilvers gaeft.
En dus zich onderworpen heeft.
Maar loert op onze ellenden.
Gewis, wij zien hen reeds berooid. En 't oorlogzuchtig volk verstrooid;
Gezanten zullen naadren;
Egypte zal met Moorenland Tot God verheffen hart en hmd,
Den God van onze vaadrer.
16. Gij koninkrijken, zingt Gods lof;
Heft psalmen op naar 't hemelhof.
Van ouda zijn troon en woning.
PSALM 69.
Waar Hij, bekleed met eer en macht, Zijn sterke stem verheft met kracht.
En heerscht als Sions Koning.
Geeft sterkte aan onzen God en Heer; Hy heeft in Israel zijn eer
En hoogheid willen toonen:
Erkent dien God, Hij is geducht. Hij doet zijn sterkte boven lucht En boven wolken wonen.
17. Hoe groot, hoe vreeslijk zijt Ge alom. Uit uw verheven heiligdom,
Aanbidlijk Opperweien 1 't Is Isrels God die krachten geeft, Yan wien het volk zijn sterkte heeft. Looft God: elk moet hem vreezen.
Men telt veeleer de haren van mijn hoofd. Dan hen die mij , doch zonder oorzaak, haten; Men zoekt mijn dood, geen onschuld ka.n mij baten; Hen zie ik sterk, maar mij van kracht beroofd. Men eischt van my , daar ik me onschuldig ken, 't Geroofde weer, 'k moet voor voldoening zorgen.
Gij weet, o God, hoever ik strafbaar ben; U is mijn schuld, mijn dwaasheid niet verborgen.
PSALM 69.
Beschaam door mij de stille hope niet Van hen die u, o Hekr der legerscbaren,
Verwachten; laat geen schande wedervaren
Aan hen die U steeds zoeken in verdriet.
Met mij verging hun hoop, o Isrels God,
Daar ik mijn smaad om Uwentwil moet dragen.
Mijn aanschijn is bedekt met schande en spot: Helaas, wat heb ik stof tot bitter klagen!
PAUZE 1.
Mijn broedren ben ik vreemd, door elk onteerd. En onbekend den zonen mijner moeder;
'k Vind onder hen noch schutsheer noch behoeder;
quot;Want de iiver van uw huis heeft mij verteerd.
Ik draag den schimp, den smaad en overlast Dergenen die, alziende God, U smaden;
Ik heb geweend, mijn ziel heeft steeds gevast.
Maar 'k word temeer met smaadheid overladen.
Ik heb mijn vleesch met eenen zak bekleed,
Maar hoor mijn naam ten spot er spreekwoord maken De rechters zelfs doen niet dan klappen, laken;
'k Ben quot;t snarenspel van dronkaards in myn leed.
Maar Heer , tot U, tot U is mijn gebed;
Daar is, o God, een tijd van welbehagen.
Een tijd van gunst, te mijner hulp gezet;
Hoor, naar uw trouw en heilwoord, dan mijn klagen.
Ruk door uw macht mij uit het slijk: behoed En laat mij niet verzinken in de waatren,
Maar red mij uit de handen mijner haatren,
Uit dezen kolk en diepen watervloed.
Och laat de stroom mij over 't hoofd niet gaan,
Maar dat uw arm 't geweld der diepte stuite;
Dat toch de put niet worde toegedaan.
Noch over mij zijn mond voor eeuwig sluite.
Hoor mij o Heer ; uw goedertierenheid Is goed; zie mij dan aan met gunstige oogen: Hoe teer, hoe groot is mij uw mededoogenl
Verhoor uw knecht, die heete tranen schreit;
Verberg voor hem uw aangezicht toch niet.
Want ik'bezwijk door angst en tegenhedm;
Ai haast U mij ter hulp in mijn verdriet:
De nood klimt hoog, verhoor mijn smeekgebeden.
PAUZE 2.
Genaak, genaak in gunste tot mijn ziel.
Bevrijd ze ; laat de boozen, die mij haten.
Vijandig zijn, en alle deugd verlaten,
Nooit roemen dat ik in hun handen viel.
Gij weet wat schaamt' en smat.d my treft, o God, Daar niemand zich mijn onheil aan wil trekken;
Hoe schandlijk ik der boosheid strek ten spot; Gij kent hen die mij dezen angst verwekken.
PSALM 09.
9. Versmaadheiil breekt en scheurt mij 'thart vanéén; Ik ben zeer zwak; de lasteringen snijden Mij door de ziel; ik wacht naar medelijden.
Naar troosters, maar belaas, ik vind er geen. Ja groote God, zij bebben mij tot spijs.
Bij al mijn smart,.nog bittre gal gegeven;
Een edikteug is zelfs een gunstbewijs.
Wanneer de dorst mijn lippen saam doet kleven.
10. Hun tafel worde, o God, bun tot een strik, Een valstrik waar zij straks in blijven bangen, En vollen loon van al bun kwaad ontvangen:
Vervloek bun spijs, dat niets hun ziel verkwik; Verblind hun geest, verduister hun verstand. Verdonker hun gezicht, bewolk hun oogen;
Verbreek hun kracht door uw getergde hand. Dat' rusteloos hun lendnen wagglen mogen.
PAUZE 3.
11. Stort over hen uw gramschap uit, vertoon Uw heeten toorn, grijp ddn hen die U haten;
l)at hun paleis verwoest zij en verlaten.
Dat niemand meer in hunne tenten woon.
Want dit geslacht, dat zich in 't kwaad verheugt. Vervolgt dien Gij verwond hebt en geslagen ;
Zijn smart strekt bun tot tijdverdrijf en vreugd: Zij doen van praat en schimp schier alles wagen.
12. Doe misdaftn toe tot al hun euveldaAn;
Laat hen tot uw gerechtigheid niet komen;
Maar delg hen uit het levensboek der vromen,
Schrijf hen met uw rechtvaardig volk niet aan.
Maar ik, ik ben ellendig en vol smart:
Uw heil, o God, voer me in een hooge woning;
Dan zing ik bhj, en uit een dankbaar hart. Den grooten naam van mijnen God en Koning.
13. Dat zal den Uekk veel aangenamer zijn Dan qs of var, die hunnen klauw verdeelen. De blijdschap zal het hart der vromen streelen,
Als zij mij zien verlost van smart en pijn.
Gij die God zoekt in al uw zielsverdriet,
lloudt aan, grijpt moed, uw hart zal vroolijk leven:
Nqoddruftigen veracht zijn goedheid niet.
Nooit zal Hij zyn gevangenen begeven.
14. Gij hemel, aard en zee, vermeldt Gods lof;
Laat al wat leeft zyn trouw en goedheid prijzen;
Want God zal aan zijn Sion hulp bewijzen.
En Juda's steên herbouwen uit het stof.
Daar zal zijn volk weer wonen naar zijn raad. God eeuwig hun zijn volle gunst betuonen:
Daar zullen zij, Gods knechten met hun zaad.
Zij die zijn naam beminnen, erflijk wonen.
2. Laat allen die met schampren spot Mij hoonen, tergen en ontejren. Hun schimp ten loon , terugge keeren ,
Vergaan op uw geducht gebod.
Laat hen die zich tot ü begeven,
Hen die uw heil beminnen, Heer, Gedurig juichen tot uw eer.
En zingen: «God zij hoog verheven.»
3. Ik ben nooddruftig, arm en naakt: O God, mijn Helper uit ellenden.
Haast u tot mij; wil blistand zenden:
Uw komst is 't die myn heil volmaakt.
Red mij door uw gerechtigheuen; Bevrijd mij, neig
2. Wees mij een rots om in te wonen;
Een schuilplaats, waar mijn hart Steeds toevlucht vinde in smart: Uw hoog bevel zal blijkbaar toonen. Dat Gij, o {croote Ontfermer,
Mijn burg zijt en beschermer.
3. Bevrijd mij van 't geweld des snooden.
Die 't heilig recht verkracht.
Wiens trotschheid mij veracht. Ik wacht op U, o God der goden,
Op wien ik vast vertrouwde.
Vandat ik 't licht aanschouwde.
4. Zoo gij, vandat ik werd geboren.
Ja van mijn eerst begin.
Mij niet uit teedre min Hadt ondersteund, 'k waar lang verloren: Dies doe ik in gezangen XJ steeds mijn lof ontvangen.
PAUZE 1.
5. 'k Was als een wonder in elks oouen;
Doch Gij, mijn toevlucht. Gij Stondt mij met sterkte bij.
Laat dan mijn mond uw naam verhoogen, En al mijn levensdagen Van uwen roem gewagen.
6. Verwerp mij niet in hooger jaren;
Laat, bij den ouderdom Dien 'k in uw gunst beklom. Uw voorzorg ovrr mij niet varen;
Laat, met de kracht van 't leven. Uw hulp mij niet begeven.
7. Hen , die op mijne ziele loeren ,
Hoort men in hunnen raad. Uit onverzoenbren haat. Een goddelooze schimptaal voeren. En , tegen recht, tezamen Mijn ondergang beramen.
8. «Zie, â zeggen zij â hij ligt verschoven,
«God staat niet aan zijn zij:
«Jaagt, jaagt hem, grijpt hem vrij, «Hij kan geen uitkomst zich beloven.» O God, toon me uw ontferming. En haast u ter bescherming.
9. Doe hen beschaamd staan en bezwijken,
PSALM 71.
Wier woede mij bestrijdt.
Wier haat mijn rust benydt; Doe hen met smaad en schande wijken. Die tejren my zich sterken. En mijne ramp bewerken.
PAUZE 2.
10. Mijn hart zal steeds op U vertrouwen;
Mijn mond vindt tot uw lof Gedurig ruimer stof.
En zal uw recht en heil ontvouwen; Schoon ik de reeks dier schatten Kan tellen noch bevatten.
11. Ik zal blijmoedig: henentreden
In 's Heeren mogendheid.
Mijn hart is uitgebreid,
O Heer, om uw gerechtigheden.
Ja die alleen, te prijzen Op aangename wijzen.
12. Gij hebt mij van mijn kindsche dagen
Geleid en onderricht:
Nog blijf ik, naar mijn p icht, gt; an uwe wondren blij gewagen.
O God, wil mij bewaren.
Bij 't klimmen mijner jarei;
13. Blijf mü in myne grijsheid sterken.
Verkwik mijn ouderdom;
Bewaak my van rondom:
Zoo meld ik dit geslacht uw werken, Zoo zal 'k uw grootheid zingen Voor hun nakomelingen.
PAUZE 3.
14. Ik roem, o eeuwig Alvermogen,
'k Roem uw gerechtigrheid, Die zooveel glans verspreidt. Zoo heerlijk schittert uit den hoogen. O Heer der legerscharen,
Wie kan u evenaren ?
15. Gij deedt mij veel benauwdheid smaken
En drukkend hartcleed;
Maar, tot mijn hulp gereed.
Zult gii mij weder levendmaken ,
Mij uit den afgrond trekken. En met uw vleuglen dekken.
16. Gij zult met luister mij omringen.
Mij troosten in mijn smart;
Dan zal ik, blij van hart.
Met luit en harp uw goedheid zingen.
O heilig Opperwezen,
Door Israel geprezen.
17. Mijn lippen zullen juichend roemen , In psalmen, Ã gewijd,
I)at Gij mijn Helper zijt:
Mijn tong zal U mijn Redder noemen. Uw gunst den godgetrouwen Den ganschen dag ontvouwen.
13. 'k Zal uw gerechtigheid verheffen,
Die mij in eer herstelt.
Die al mijn haters velt.
'k Zie hen door schande en schaamte treffen. Ik zie hen schaamrood vluchten. Die mijne ziel doen zuchten.
ïiü
lendigen regeeren. Hun recht doen op hun klacht.
2. De bergen zullen vrede dragen.
De heuvels heilig recht;
Hij zal hun vroolijk op doen dagen
Het heil hun toegezegd.
't Ellendig volk wordt dan uit lijden
Door zijnen arm gerukt;
Hij zal nooddruftigen bevrijden,.
Verbrijzlen wie verdrukt.
3. Zij zullen U eerbiedig vreezen.
Zoolang er zon of maan Bij 't nageslacht ten licht zal wezen,
En op- en ondergaan.
Hij zal gelijk zyn aan den regen Die daalt op 't late gras.
120 PSALM 72.
Aan droppels die met milden zegen Besproeien 't veldgewas.
4. 't Rechtvaardig volk zal welig groeien ;
Daar twist en wrok verdwijnt, 't Zal alles door den vrede bloeien.
Totdat geen maan meer schijnt. Van zee tot zee zal Hij regecren,
Zoover mfn volkren kent;
Men zal Hem van d' Eufraat vereeren Tot aan des aardrijks 'ïnd.
5. Het woeste volk zal voor Hem knielen;
Zijn vijand likt het stof;
En Tarsis voert, met rijke kielen.
Geschenken naar zijn hof; Met giften zullen lan^s de stroomen
De koningen der zee.
En Scheha nevens Seha kome.i.
Hem smeekende om den vreê.
PAUZE.
6. Ja elk der vorsten zal zich buigen
En vallen voor Hem neer^; Al 't heidendom zyn lof getuigen,
Dienstvaardig tot zyn eer 't Behoeftig volk, in hunne noc den ,
In hun ellende en pijn Gansch hulpeloos tot Hem gevloden. Zal Hy ten redder zijn.
7. Nooddruftigen zal Hij verschoonen.
Aan armen uit gen^
Zijn hulpe ter verlossing toonen:
Hij slaat hun zielen gA,
Als hen geweld en list bestrijden.
Al gaat het nog zoo hoog; Hun bloed, hun tranen en hun lijden Zijn dierbaar in zijn oog.
8. «Zoo moet de Koning eeuwig leven 1»
Bidt elk met diep ontzag;
Men zal Hem 'tgoud van Scheba geven.
Hem zeegnen dag bij dag.
Is op het land een handvol kor ;n,
Gekoesterd door de zon,
't Zal op 't geberpt geruisch dosn hooren Gelijk de Libanon.
9. De stelt;lelingen zullen bloeien,
Gelijk het malsche kruid; Zgn naam en roem zal eeuwig groeien;
Ook zal, eeuw in, eeuw uit. Het nageslacht zijn grootheid zingen Zoolang het zonlicht schijn*
Hun zal een schat van zegeningen In Hem ten erfdeel zijn.
10. Dan zal, na zooveel gunstbewijzen t
't Gezegend heidendom *tGeluk van dezen Konin? prijzen.
Die Davids troon beklom.
Geloofd zij God, dat eeuwig Wezen,
Bekleed met mogendheên; De Heer, in Israel geprezen.
Doet wondren. Hij alleen.
11. Zijn naam moet eeuwige eer ontvangen;
Men loof Hem vroeif en spa: De wereld hoor, en volg mijn zangen Met amen, amen, na.
Ik zag met nijdige oogen aan, Hoe dwazen hier op rozen gaan, En hoe frodloozen in hun gangen Al veeltijds rust en vreê erlangen; Zij weten van seen tranenbrood. Van geene banden, tot hun dood; Hun kracht is frisch, zy zijn gezond. Tot op hun laatsten avondstond.
Zij weten doorgaans van verdriet En moeite, als andre menschen. niet;
122 PSALM 73.
Men ziet hen bittre smart noch plagen, Als andre stervelingen, dragen:
Dies zijn ze trotsch, en doen den waan, Gelijk een gouden keten, aan ;
't Geweld, dat deugd en plicht versmaadt, Bedekt hen als een praalgewaad.
4. Indien men op hun voorspoed let. Hun oogen puilen uit van vet;
Hun weelde, wat zü zich beloven.
Gaat hun verbeelding nog teboven. Zij mergelen de menschen uit. En spreken, trotsch op roof en buit. Steeds uit de hoogte van hun macht. Terwijl hun hart de deugd belacht.
PAUZE 1.
5. Hun mond tast zelfs den hemel aan,
Gods albestuur schijnt hun een waan;
Terwijl hun tong op aarde wandelt.
Geen mensch ontziet, maar elk mishandelt. Daarom keert zich Gods volk hiertoe, En schrikt wanneer hun, bai'g te moe. Het water, daar hun niets gelukt. Met bekers vol wordt uitgedrukt.
6. Dan peinst de ziel: Is 't waar ? zou God Ook weten van mijn droevig lot?
Zou de Allerhoogste van mijn kiagen En bittre rampen kennis dragen?
Zie, deze, hoe godloos en wreed.
Zijn evenwel bevrijd van leed;
De rust volgt hen op al hun paan, ⢠En hun vermogen groeit steeds aan.
7. Zoo heb ik dan vergeefs gestrefin,
Mijn hart gezuiverd, en gebeên;
Vergeefs heb ik in reine plassen Van onschuld mijne hand gewasschen; AVant al den dag ben ik geplaagd;
Mijn ziel verschrikt, mijn boezem jaagt; En nooit verscheen er morgenstond. Waarop ik geen kastijding vord.
8. Zoo ik dit zeggen staven zou,
Gewis, dan ware ik niet getrouw
Aan 't waard geslacht van uwe kindren. En zou hun hoop en moed veroindren. Nochtans heb ik met al mijn kracht Die Godarejjeerin»; overdacht.
Maar 't was een stuk dat in .nijn oog My moeilik viel en veel te hoog.
9. Dit duurde tot ik uit dien drom Van neevlen ging in 't heiligdom
PSALM 73. 123
Om met de godspraak raad te plegen:
Daar zag ik op wat gladde wegen De voorspoed zelf de boozen leidt.
En hoe Ge in 't eind hun val bereidt.
Zij storten van den top van eer In eeuwige verwoesting neer.
PAUZE 2.
10. Hoe worden zij , tot ieders schrik,
Vernield, als in een oogenblik;
Hoe moeten zij het leven enden.
Van angst verteerd in hun ellenden!
Hun weelde is als een droom vergaan.
O Heer, wanneer Gij op zult staan,
Zult Gij hun toonen , onverwacht,
Hoe Gg hun ijdel beeld veracht.
11. Toen 't zwellend hart met ongeduld En wrevele afgunst werd vervuld.
En ik geprikkeld in mijn nieren. Om trotsch mijn drift den toom te vieren , Was mijn verstand van licht beroofd; Ik heb Gods waarheid niet geloofd.
Maar was, door mijn verwaanden geest. Bij U een onvernuftig beest.
12. 'k Zal dan gedurig bij U zijn,
In al mijn nooden, angst en pijn; U al mijn liefde waardig schatten.
Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten. Gij zult mii leiden door uw raad, O God, mijn heil, mijn toeverlaat. En mij, hiertoe door U bereid,
Opnemen in uw heerlijkheid.
13. Wien heb ik nevens U omhoog?
Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog Op aarde nevens U toch lusten?
Niets is er waar ik in kan rusten: Bezwijkt dan ooit, in bittre snuirt Of baniren nood, mijn vleesch en hart. Zoo zult Gij zijn voor mijn gemoed Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.
14. Wie, ver van U , de weelde zoekt, Vergaat eerlang en wordt vervloekt:
Gij roeit hen uit, die afhoereeren En ü den trotschen nek toekeeren;
Maar 't is mij goed, mijn zaligst lot. Nabij te wezen by mijn God; 'k Vertrouw op Hem geheel en al. Den Hebr, wiens werk ik roemen zal.
PSALM 74.
2. Herdenk de trouw, aan ons voorheen betoond;
Denk aan uw volk, door U van oirds verkregen;
Denk aan uw erf, het voorwerj) va.i uw zegen,
Aan Sions berg, waar Ge eertijds hebt gewoond.
3. Ruk spoedig aan, verdubbel uwe jchrefin;
Zie hoe de stad verwoest ligt en vergeten:
Des vijands macht heeft alles neergesmeten.
Uw heiligdom verdorven en vertreén.
4. Uw vijand heeft ter plaatse van 't gebed Gelijk een leeuw gebruld, bij 't zegevieren;
Zelfs, U ten schimp, heeft hij zijn krijgsbanieren,
In trotschen moed, tot teekenen gezét.
5. Elk woedt om strijd en toont zich onbeschroomd; Men houwt en hakt, dat poort en binten beven;
Gelijk men slaaft om bijlen aantegeven.
En ijvrig kapt in 't hoog en dicht geboomt.
6. Dus hebben ze ook, doldriftig, onbesuisd, Graveerselen, pilaren, wanden, bogen ,
Wier kunstsieraad de lust was van elks oogen, Met zwaard, houweel en hamer woest vergruisd.
7. Uw heiligdom is door het vuur verteerd,
Niets heeft zijn glans voor 't woên des gloeds beveiligd ; Uw schoon paleis, uw woning is ontheiligd.
Ten gronde toe in puin en asch verkeerd.
8. «Laat, â zeiden zij â laat ons het gansche land, «Geplunderd, voor onze overmacht doen zwichten;)) Hun wreede vuist heeft al de godsgestichten.
Uw naam ten hoon, verbrijzeld Df verbrand.
124
PSALM 74.
PAUZE 1.
9. quot;Wij zien aan ons, na al dit ongeval.
Geen teeknen meer van uwe gunst gegeven;
Niet één profeet is ons tot troost gebleven;
Geen stervling weet hoelang dit duren zal.
10. Hoelang, o God, zal in dit zwaar verdriet De vijand ons zijn wreede trotschheid toonen?
Zal hij uw naam in eeuwigheid dan hoonen?
Neen, 't kan niet zijn, dat duldt uw glorie niet.
11. Ach waarom trekt Ge uw hand dus van ons af. Uw rechterhand, die ons ten steun kan strekken? Ai wil haar eens uit uwen boezem trekken.
En maak een eind van uw gestrenge straf.
12. Gij evenwel. Gij blijft dezelfde, o Heer:
Gij zijt van ouds mijn toeverlaat, mijn Koning, Die uitkomst gaaft, en uit uw hemelwoning.
Voor ieders oog, uw haatren gingt tekeer.
13. Gij spleet weleer de Schelfzee door uw kracht; Gij hebt den kop der woeste en felle draken. Het vreeslijk heir dat Isrel dorst genaken,
In 't hart der zee verbroken door uw macht.
14. Uw sterke hand heeft 's leviathans woêu Betoomd, gestuit, deed Farao bezwijken.
Daar 't woest geiiert aan duizenden van lijken
Op 't dorre strand zijn rooflust mocht voldoen.
15. Hoemenigmaal hebt Ge ons uw gunst betoogd,
't Zij Ge een fontein deedt uit een rots ontspringen, Of op een hoop de waatren samer.dringen.
Wanneer de stroom door U werd uitgedroogd.
1G. De dag is de uwe, ook vormdet Gij den nacht; Gü schiept het licht, de zon met gloed en stralen. Door U is de aard gesteld in juiste palen; Elk jaarseizoen hebt Gy tot stand gebracht.
PAUZE 2.
17. Herdenk, mijn God, herdenk die wonderda^n: Een dwaas geslacht heeft uwen naam gelasterd; De vijand, van uw vrees en dienst verbasterd.
Heeft uwen roem met smaad en schimp belaAn.
18. Geef 't wild gediert, dat niets in 't woên ontziet. De ziele van uw tortelduif niet over ;
Laat, groote God, om een gehaten roover Uw kwijnend volk niet eeuwig in quot;t verdriet.
19. Beschouw, herdenk uw vastgestaafd verbond;
Laat dat uw hart tot ons in liefde ontvonken: Het land is vol van duistre moordspelonken,
Vanwaar 't geweld ons grieft met wond op wond.
|
126 PSALM 75. 20. Dat elk verdrukte uw bijstand eens erlang; Laat, laat uw volk niet schaamrood wederkeeren. Maar wil van hen ellende en nooddruft weren. Opdat ze uw naam verheffen in gezang. 21. Rijs óp o God, rijs öp, toon uw gezag; Betwist uw zaak, wees onze pleitbeslechter 't Is meer dan tijd, gedenk, o hoogste Rechter, Wat smaad de dwaas U aandoet dag op dag. 22. Vergeet niet. Heer, dien onverdraaghren hoon, I)at luid geroep van al uw weerpartijders: Het woest getier van uwe machtbestrijders Stygt telkens op tot voor uw hemeltroon. PSALM 75. 1. U alleen, U loven wij; Ja wij loven U o |
1 é!à h |
|
Heer; Want uw naam, zoo ryk van eer, Is --O-A || ft â tot onze vreugd nabij; Dies vertelt men in ons land Al de wondren uwer hand. 2. Als ik 't ambt ontvangen zal, Wil ik, volgens eed en plicht. Altoos recht doen in 't gericht. Land en volk was in verval; Maar zijn pijlers stelde ik vas';. Tegen woede en overlast. 3. Tot het dom en dwaas geslacht Zei ik; «Wees niet zinneloos » Tot de snooden: «Weest niet boos, «Dat gij hoornen, sterk van kracht, «Woedende naar boven steekt, «En met styven halze spreekt.» 4. Geen geval, geen zorg, geei list. Oost noch west noch zandwoestijn. Doet ons meer of minder zijn: God is Rechter die 't beslisc; Die , als aller Oppervoogd, Dees vernedert, dien verhtogt. |
SS |
3. Want des Heerbn hand besluit Eenen kelk vol bitterheid,
In zijn gramschap toebereid.
En Hii drenkt er 't menschdom uit; Doch der goddeloozen mond Zuigt zijn hef uit tot den grond.
6. 'k Zal dit melden, 'k zal altijd Zingen Jakobs God ter eer.
Slaan der boozen hoornen neer. Vellen wat zyn naam bestrijdt; Maar der vromen hoorn en macht Zal verhoogd zijn door Gods kracht.
1=^^=5=^=
Hemelkoning; Op Sion is zijn heiige woning.
2. Daar heefc de vijand boog en schild En vuurge pijlen op verspild;
God brak het zwaard , bedwong den krijg.
Dat vrij het roofgebergte zwijs:
Uw roem, o groot en heerlijk Wezen, *
Is tot veel hooger top gerezen.
3. Stouthartigen zijn daar beroofd;
Daar sliep èn heir èn opperhoofd;
De kloekste had geen handen meer.
Maar viel iu 't stof verslagen neer.
O God van Jakob, door uw schelden Vergingen paarden, wagens, helden.
4. Gij, vreeslijk zijt Gij in 't gericht:
Wie zal bestaan voor uw gezicht ?
Zooras uw mond het vonnis streek.
Uw oordeel van den hemel bleek.
Toen vreesde de aarde voor uw oogen.
Toen werd ze stil door uw vermogen.
5. Als God ter hooge vierschaar steeg,
'tZachtmoedig volk verlossing kreeg.
PSALM 77.
Ontzette zich het gansch heelal.
Gewis, der menschen gramschap zal, quot;Wanneer ze op 't hevigst is aan 't blaken, Uw grooten lof nog grooter maken.
6. Woedt nog de wraaklust onbeschroomd. Die wordt door U ras ingetoomd.
Doet dan geloften aan den Heer, Betaalt die, uwen God ter eer.
Gij allen die uien grooten K oning Omringt in zijn doorluchte woning.
7. Men voer dien God geschonken aan. Die vreeslijk is in al zijn daamp;n:
Hij stoot de vorsten weg in 't graf. En snijdt hun geest als druiven af. Hij die den koningen der aarde Zelfs op hun troonen vreeze baarde.
üSÃüi
Ã^aiü
niet af mijn hand en oog Opteheffen naar omhoog.
2. 'k Schatte mij geheel verlo?en;
'k Mocht van geen vertroosting hooren;
Als mijn ziel aan God gedacht,
Loosde ik niet dan klacht op klacht;
Peinsde ik aan mijn vruchtloos kermen, Vruchtloos roepen om ontfermen.
Dacht ik hoe God ander;) helpt.
Mijne ziel werd overstelpt.
3. Slaap weerhieldt Gij van mijn oogen;
'k Was verslagen, neergebogen;
En, verstomd door al 't verdriet.
Wars van menschen, sprak ik niet.
PSALM 77.
'k Overdacht al de oude dagen,
Jaren, eeuwen, gunsten, plagen.
En wat immer aan mijn ziel Van Gods hand tebeurte viel.
'k Dacht, hoe 'k God met vreugd voordezen Op mijn snaren had geprezen;
'k O verleide in diepe tmart 's Nacbts met een mistroostig hart. En mijn geest doortocht de reden.
Waarom God die tezenheden Mij in zulk een mate zond,
Eu wat mij te duchten stond.
Zou de Heer zijn gunstgenooten,
Dacht ik, dan altous ver^tooten ?
Niet goedgunstig zijn voortaan ?
Nimmer ons meer gadeslaan?
Zouden zijn beloftenissen Verder hiar vervulling missen.
Vruchtloos worden afgewacht. Van geslachte tot geslacht ?
PAUZE.
Zou God zijn genft, vergeten?
Nooit meer van ontf.-rminii weten ?
Heeft hij zijn harmliartiiclicén Door zyn gramschap afgesneên?
'k Zei daarna: «Dit krenkt mij 't leven; «Maar God zal verandring seven; «De Allerhoogste maakt het goed: «Na het zure geeft lly 't zoet.»
'k Zal gedenken, hoe voordezen Ons de IIebk heeft gunst bewezen;
'k Zal de wondren galt;ieslaan.
Die Gij hebt van ouds gedaan;
'k Zal nauwkeurig op uw werken En derzelver uitkomst merken ,
En, in plaats van bin re klacht.
Daarvan spreken dag en nachquot;.
Heilig zijn, o God, uw wegen;
Niemand spreek uw hoogheid tegen. Wie, wie ig een God als Gij,
Groot van macht en heerschappij ?
Ja Gij zijt die God, die de ooren Wondren doet op wondren hooren;
Gij hebt uwen roem alom Groot gemaakt by 't heidendom.
Door uw arm en alvermogen Hebt Gij Isrel uitgetogen,
Jakobs kindren, Jozefs zaad Vrijgemaakt van Faro's haat.
PSALM 78.
't quot;Water zag, o God, U komen;
't Water za^ quot;ü: en de stroomen Steigerden vol schrik omhoog. De afgrond werd beroerd en droog.
10. Dikke wolken goten water;
Hoogor zwerk gaf fel geklater;
Uwe pyli n, zoo geductit.
Vlogen vlammend door de lucht, 't Zwaar geluid der donderslagen Deed het èl in 't ronde wagen.
En de wereld werd ver .icht Door herhaalden bliksemschicht.
11. De aarde sloeg van schrik aan 't beven. Toen ze U langs uw pad zag streven.
Zee en groote waters door,
In het nooit ontdekte spoor:
Toen Ge uw volk den wej: bereiddet. Daar Gij 't als een kudde leiddtt; Mozes' en Aürons hand Bracht hen dus naar 'tbeilig land.
2. Verborgenheên, met diep ont tag te melden, Die ons voorheen de vaderen pertelden. Die wij hun kroost ook niet verbergen mogen, Die stellen wij het nageslach' voor oogen:
PSALM 78.
Des Heeren lof uit 's lands historieblaftn, Zgn sterken arm en groote wonderdaamp;n.
3. ^Yant God beeft zyn getuigenis gegeven
Aan Jakobs huis, een wet om naar te leven, l)ie Israel zyn nageslacht moet leeren.
Opdat men nooit haar kennis moo^ ontberen; God vordert dat de naneef, eeuwen lang.
Van kind lot kind, dit onuerwijs ontvang:
4. Opdat ze op God hun hope stellen zouden,
In 't oog zijn daa,n, in 't hart zijn wetten houden, En nimmermeer weerspannig God verachten, Verdraaid en krom als vorige geslachten.
Wier hart niet was gericht naar zijn gebod.
Wier geest niet was getrouw met hunnen God.
PAUZE 1.
5. Wat kon de boog den besten schutter baten ?
Toen Efraim Gods wegen had verlaten.
Vlood al het heir ten dage van het strijden. En moest aldus de zwaarste neerlaag lijden.
Op Gods verbond werd niet van hen gelet; Zij weigerden te wandlen in zijn wet.
G. Zijn wonderdaln, door niemand aftemeten,
Zijn trouweloos en snood van hen vergeten; Die wonderdarin, waardoor Egyptes helden Bezweken zijn in Zoans vette velden ;
Waar Hij, tot troost in hunner vaadren leed.
Voor ieders oog de grootste teekens deed.
7. Zijn almacht wist de zee van^éntescheiden,
En 't angstig heir daar droogvoets doorteleiden; Als op een hoop deed Hij de waatren rijzen;
Hii gaf des daags, om hun den weg te wijzen. Een wolkkolom, een licht dea vuurs bij nacht. Totdat Hij hen in 't vruchtbaar Kanan bracht.
8. Ook spleten zelfs de rotsen op zijn wenken.
Geen afgrond kon het volk ooit milder drenken; De woestenn gaf zuivre watervlieten,
Die de Almacht uit de steenrots voort deed schieten. Gelijk een stroom, die, golvend afgegleên.
Zijn armen spreidt door al de velden heen.
PAUZE 2.
9. Maar schoon zij dus Gods goedheid ondervonden. Nog pleegden ze in 't vervolg de snoodste zonden: In 't woest gewest uit vetter land (ceiogen. Vergramden zij des Allerboogsten oogen.
Verzochten God, en eischten, ten bewijs Van zijne macht, naar hunne lusten, spijs.
10. Zö spraken stout: «Kan God in wildernissen
PSALM 78.
«Ook keur van spiis op onze tafel disschen? «quot;tls waar. Hij slopp de rots, en deed de stroomen «In overvloed uit harde klippen komen;
«Maar is zijn macht zoo onbepaald en proot, «Hij geef dan hier zijn volk ook vleesch en brood.»
11. Dit hoorde God en werd op 'thoosst verbolgen; Zün vuur ontstak om Jakob te vervolgen;
De felle toorn van 't eeuwig Opperwezen Deed Israel al sidderende vreezen;
Omdat zij niet geloofden aan Gods mond,
Noch op zijn heil vertrouwden naar 't verbond;
12. Daar God, voor hen bezorgd, lii hunne nooden De wolken zelfs van boven had geboden.
De hemeldeur ontsloten, mild ia 'tzeegnen. En 't manna doen rondom hun -.enten reegnen, Opdat zijn volk, ten blijk van zijne trouw. Dit hemelkoorn op reis genieten zou.
PAUZE 3.
13. Elk mocht zijn brood, zoo mild hem toegemeten, Dat wonderbrood der machtigen, nu eten:
Den teerkost, tot verzading hun iregeven. Een oostewind werd door Hem voortgedreven. En 't zuilen gaf, in 'taangevoerde zwerk.
Geen minder blijk van zijn krachtdadig werk.
14. Toen daalde 't vleesch, als stof en dichte regen: Een groote vlucht van vooglen neergezegen,
In menigte gelijk aan 'tzand der stranden.
Viel toen vanzelf hun rijkelijk in handen.
Viel op Gods wenk rondom elks woning neer. En spijsde 't heir van Isrels Opperheer.
15. Toen aten zii, en werden zat van eten;
Hun eetlust werd voldaan, hoe scodvergeten;
Maar eer hun drift en toomeloos begeeren.
Waarmee dat volk Gods almacht dorst onteeren.
Verzadigd was, ziedaar de straf cerstond.
Terwijl de spijs nog was in hunnen mond;
1G. Ziedaar Gods toorn, gelijk een vuur, ontstoken;
Zijn eer werd op hun machtigster gewroken.
Daar plaag op plaag geweldig nedcrvelden 't Aanzienlijkst deel, het puik vai Inrels helden. Maar 't volk ging voort, hun cngeloof hield aan ; God had vergeefs zijn wonderen gedaan.
PAUZE 4.
17. Daarom deed Hij in ij delheid bun dagen
Vergaan, en, door een reeks van felle plagen, In schrik en angst hen slijten l unne jaren;
Maar bracht Hij hen op nieuw in doodsgevaren.
PSALM 78.
Dan vraagden zij naar God, en keerden weer. En zochten vroeg uit bange vrees den Heer.
18. Dan dachten lij, hoe 'teeuwig Opperwezen Hun rotssteen was, en hoe in angst voordezen De hooge God verlossing had gezonden;
Dan vleiden zij Hem valschlijk met hun monden, Eu bukten laag, omdat de nood ben drong.
Maar logen Hem met hun geveinsde tong.
19. Hun hart was boos, vervuld met slinksche streken Van zijn verbond was groot en klein geweken; Doch God vergaf barmhartig hunne schulden, Verdierf ze niet, schoon zij de maat vervulden;
Hij wendde zelfs zijn gramschap dikwijls af. En wekte nooit zijn ganschc wraak ter straf.
20. Hjj dacht in gunst, door hunne ramp bewogen: Zij zijn toch vleesch, zij hebben geen vermogen; Zij zijn een wind, die gaat en nooit zul keeren. Hoe dikwijls dorst hun wrevel God onteerenl
De wildernis zag door hun booze paftn Hem bitterheên en smarten aangedaan.
PAUZE 5.
21. Want elk ging voort in God op 't snoodst te tergen En nieuw bewijs van /.ijne macht te vergen.
Den heilgen God van Israel te kwellen.
En paal en perk aan zijne dain te stellen; Zii dachten niet aan dien doorluchten tijd. Waarin Gods hand hen had van 't juk bevrijd:
£2. Hoe Hij zijn oog op hen had neergeslagen,
Egypte van zijn tceknen deed gewagen.
En Zoans veld, daar Hii hen af wou zondren, Een streng tooneel deed worden van zijn wondren; Daar poel en beek en groote en kleine vloed Ondrinkbaar werd en niets dan walglijk bloed.
23. Hij zond een heir, door niemands band te weren. Veel onsrediert, om alles te verteren;
Zijn groote kracht deed vorachen uit de stroomen Tot wis verderf van ganscb Egypte komen;
Hij gaf 't gewas, met vlijt gekweekt, en 't kruid Den kruidworm en den sprinkhaan tot een buit.
24. De wijnstok werd door hagel neergesmeten. De wilde vijg daardoor van^ngereten;
De landman zag zijn vruchtbaar veld verderven.
Zijn kleiner vee door zwaren hagel sterven.
Zijn beesten door den feilen bliksem slaan. En jammerlijk door vuur en vlam vergaan.
25. Ook zond Hij toorn, verbolgenheid en nooden. Verstoordheid, angst en vreeslijke onheilsboden;
Hij baande een weg voor zijne grimmigheden, Waarlangs de -wraak zou treên met wisae schreden; Hun ziel werd niet onttrokken aan het graf;
Terwijl hij 't vee aan 't pestvuur overgaf.
PAUZE 6.
20. Egypteland zag al het eerstgeboren'
Door 's hemels wraak geslagen en verloren;
De dood der jeugd, 't beginsel van Chams krachten, Vervulde tent en veld mét jammerklachten,
Waaruit Gods volk als schapen werd Keleid,
En vrij en blij op Parans grond geweid.
27. Ja zonder vrees mocht Isrel veilig trekken,
Het zag: de zee zijn haatren overdekken;
Want God, hun God, bracht hen bevrijd van banden Naar 't land, door Hem sjeheiliird uit de landen. Tot dezen berg, dien zijne han l verkreeg.
En die daarna ten hoogsten luister steeg.
28. Het heidendom werd voor hen weggedreven,
Aan elk naar 't snoer zijn erfeniit gegeven,
En Isrel mocht in ei^en tenten wonen;
Maar 't wufte volk ging voort in God te boenen, Verzocht den Heer, versmaadde zijn gebied.
En hield het recht des Allerhoogsten niet.
29. Zij weken af door trouweloozen handel.
En volgden dus der vaadren snooden wandel: Zóó keeren zich bedriegelijke bogen.
Waardoor somwijl de schutter wordt bedrogen. Des Heeren toorn en ijver werd getergd Door beeldendienst en hoogten op 't gebergt.
PAUZE 7.
30. Dit hoorde God, en heeft, op 't felst ontstoken, Dit boos bestaan op Israel gewroken,
Dat volk versmaad met beelden en altaren;
Dies li^t Hij lent en tabernakel varen.
Die Hij zich daar ter woning had gesticht.
En tot zijn eer te Silo opgericht.
31. Het onderpand van 't heerlijk a'vermosren,
Zijn heilize ark, gaf Hij . voor ïsrels oogen, Den Filistijn in de ongewijde handen;
Zijn volk ten zwaarde of in de f laafsche banden.
Gods majesteit, getergd, zag 'an omhoog Zijn erfnis aan met een verbolgen oog.
32. Het vuur verslond de striJdbre jongelingen. Der maagden lof vergat men optezingen;
Hun priesterschap, hoe hoog door God verheven. Werd, laag verneerd, aan 't zwaard ter prooi gegeven; En de arme weeuw bezweek van zielsverdriet.
Of zat door schrik verstomd, en weende niet.
PSALM 19. 135
33. Toea stond God op met sunstige gedachten,
Als na een slaap ontwaakt met nieuwe krachten.
Ja als een held, ontzaglijk in zijn santen.
Die nieuwen moed heeft door den wijn ontvangen; En sloeg tot smaad, met zijn geduchte hand. Het uiterst deel van 's vijands ingewand.
PAUZE 8.
34. Doch Jozefs tent liet Hij verachtijk varen,
In Efraïm verkoos Hij sreen altaren;
Maar Hij had lust in Juda's st-tm te wonen,
Om daar zijn macht en heerlijkheid te toonen Op Sions berg, dien 's werelds Opperheer Beminde en koos ten zetel van zijn eer.
35. Daar bouwde Hii als hoogten zijne muren,
Zijn heiligdom, uat de eeuwen zou verduren,
Gelijk deze aard, tregrond door zijne krachten, In eeuwigheid geen wanklen heeft te wachten.
Held David, dien Hij van de schaapskooi nam. Verkoos Hij zich ten Vorst uit Juda's stam.
36. Hij deed zijn knecht van achter 't vee zich spoeden, Om Jakobs zaad, zijn dierbaar volk, te hoeden. Zijn Israel, ten erfdeel Hem verkregen:
Dus heeft die Vorst geheerscht met roem en zegen, Gods volk oprecht en m»*t verstand geweid, En 't rijk beschermd door dapper krijgsbeleid.
2. Het kostlijk bloed van uwe gunstgenooten, Als water om Jeruzalem vergoten.
Doet wijd en zijd des vyands woede blijken; Het gansche veld is nu bezaaid met lijken.
Van de eer des grafs beroofd.
De nabuur schudt bet hoofd.
En lacht met onze ellenden: Ons deerniswaardig lot Stelt ons ten smaad, ten spot Van vreemden en bekenden.
3. Hoelang zult Gij in gramschap zijn ontstoken ? Zal 't hevig vuur uws ij vers eeuwig rook en?
Stort uwe wraak op hen die ons verteren,
Op volken die uw grooten naam niet neren;
Want Isrel. door hun macht Verschriklijk omgebracht.
Ligt in zijn bloed verdronken;
Zijn woning, al de troost En lust van Jakobs kroost.
Gelijkt thans naar spelonken.
4. Gedenk nint meer aan 't kwaad dat wij bedreven; Onze euveldaad worde ons uit gunst vergeven.
Waak óp o God, en wil van verder lijden
Ons klein getal door uwe kracht bevrijden.
Help ons, barmhartig Heer,
Uw grooten naam ter eer;
Uw trouw kome ons te stade;
Verzoen de zware schuld,
Die ons met schrik vervult;
Bewijs ons eens genade.
PAUZE.
5. Waarom zou zich der heidnen macht vermeeren, Uw hoog gezag door biltren schimp onteeren , En vragen, door hun trotschen waan bedrogen: «Waar is hun God? Waar blijkt nu zijn vermogen?»
Vergeld hun overmoed,
Wreek uwer knechten bloed,
O God van ons betrouwen;
Verdedig onze zaak.
Doe 't lu-idendom uw wraak,
Zelfs voor ons oog, aanschouwen.
6. Ai hoor naar hen die in gevansrnis kwijnen;
Laat hun gekerm voor uw gezicht verschijnen; Bevryd hen die, gedreigd met doodsgevaren.
PSALM 80.
Op uwe hulp met smeekendc oogen staren: Vergeld den quot;wreeden smaad.
Waarmee des nabuurs baat Uw mogendheid dorst schenden;
Geef hun , o Opperheer,
Dien zevenvoudte weer;
Zie neer op onze ellenden.
7. Zoo zullen wij, de schapen uwer weiden, In eeuwigheid uw lof, uw eer verbreiden, En zingen, van geslachten tot geslachten, Uw trouw, uw roem, uw onverwinhre krachten.
Die glans strale Efraïm in de oogen;
Toon Benjamin uw groot vermogen; Verlos Manasse tot uw eer.
Getrouwe Herder, breng ons weer; Verlos ons, toon ons 't lieflijk licht Van uw vertroostend aangezicht.
Hoelang, o Hker der legermachten. Verwerpt Gij toornig onze klachten? Hoelang verlaat Ge ons in den nood ? Gij spijst uw volk met tranenbrood; Gij drenkt het, in zijn jaminerstaat. Met tranen, uit een volle maat.
. In 't bitter leed, dat wij verduren,
Zien we ons aan onze nageburen. Helaas, door U ten schimp gesteld. Ons door hun twisten neergeveld. Wij zien, daar ons bun haat vertreedt, Hen spotten om ons harteleed.
=E3£E id.
138 PSALM SI.
5. Laat ons, o God der legermachten.
Niet vruchtloos op uw biiatand wachten;
Ga onze haatren zelf tekeer;
Getrouwe Uerder, breng ons weer;
Verlos ons, toon ons 't lieflijk licht Van uw vertroostend aangezicht.
PAUZE.
6. Gij vondt in ons een welbehagen;
Gij bracht, o God, in vroeger dagen
Ãw wijnstok uit Egypteland;
Gij zelf hebt gunstig hem geplant.
Vóór hem de volken uitgeroeid.
Hem plaats bereid, hem mild besproeid,
7. Hij heeft zijn wortels uitgeschoten;
De bergen werden door zijn loten.
Als waren 't ceedren , overdekt:
Hij heeft zijn ranken uitges-.rekt,
In zijnen bloei en frisschen staat.
Tot aan de zee, tot aan d' Eufraat.
8. Waarom hebt Gij zijn muur verbroken. Hem van uw zorg en hulp verstoken?
Men plukt, men trapt hem met den voet; Het boschzwijn heeft hem omgewroet. Het wild gediert hem afgeweid.
Daar 't zich door 't gansche land verspreidt.
9. Keer weer, o God der legermachten,
Tot ons die op uw bijstand wachten;
Zie uit den hoogen hemel neer;
Herstel uw wijnstok ala weleer.
Den stam, ter liefde uws Zoons geplant. Dien Gij gesterkt hebt door uw hand.
10. Hij ligt verbrand en afgehouwen.
Als Gij verwoest, wie zal dan bouwen! Uw hand zij over 's merschen Zoon,
Dien Ge U gesterkt hebt tot den troon: Zoo leven wij, door U bevrijd.
Altoos aan uwen dienst gewijd.
11. Behoud ons. Heer der legermachten; Zoo zullen we ons voor afval wachten,
Zoo knielen we altoos voor U neer. Getrouwe Herder, breng ons weer;
Verlos ons, toon ons 't liedijk licht Van uw vertroostend aangezicht.
PSALM 81.
1. Ztngt nu blijtemoe 't Machtig Oppeiwezen Eenen
2. Zingt een psalm, on geeft Trommels aan de reien;
Wat in Isrel leeft Roep zijn grootheid uit; Harp eu zachte luit Moet zijn roem verbreien.
3. 't Blij bazuingeschal Klink in Isrels ooren,
T)oe nu overal Deze maar verstaan: (('t Feest der nieuwemaan, «'t Feestuur is geboren.»
4. Want dit ia 't bevel Van den Heer der heeren
Aan zijn Israel;
Dit is 't hoos; gebod, 't Recht van Jakobs God , Dat wij billijk eeren.
5. Pit doet Jozefs zaad Aan Egypte denken.
En in welk een staat.
Daar 't een sprake vond Die het niet verstond, God zijn heil wou schenken.
PAUZE 1.
6. 'k Heb hun bals bevrijd Van den last te dragen;
't Was die blijde tijd ,
Toen hun moede banc.
Werd in 's vijands land Van den pot ontslagen.
7. Op uw noodgeschrei Deed ik groote wondren ;
Onder mijn gelei Vondt gij hulp; mijn woord Werd van u gehoord.
Uit de plaats der dondren.
8. 'k Nam te Meriba Proef van uw vertrouwen.
Of ge op myn genamp;,
In uw tegenheên.
PSALM 81.
Op mijn naam alleen En mijn woord zoudt bouwen.
9. Hoort mij â zei ik toen â Onder u betuigen.
Wat jfij hebt te doen: Och dat Israel Zich, op mijn bevel,
Onder mij wou buigen!
,0- Eert geen uitlandsch god , Wacht u voor uw zielen;
Wilt naar myn gebod , Mijnen naamquot; ten hoon, Voor geen valache goOn, gt;oor geen vreemde, knielen.
11. Ik, ik ben de Heer;
'k Ben uw God, die heilig
IJver voor mijn eer,
Hie u door mijn hand Uit Egypteland Leidde vrij en veilig.
PAUZE 2.
12. _ Opent uwen mond,
Eischt van mij vriimoedis:.
Op mijn trouwverbond: AlWcit u ontbreekt â.Schenk ik, zoo gij 't smeekt. Mild en overvloedig.
13. Maar mijn volk wou niet Naar mijn st'-mme hooren:
Israel verliet Mij en mijn gehoon,
't Heeft zich andre godn Naar zijn lust verkoren.
14. 'k Liet hen dies, veracht, Naar't hun goeddocht hardien ;
kLiet dit boos geslacht. Naar de keuze viel Van hun dwaze ziel,
In hun wegen wandlen.
15. Och had naar mijn raad Zich mijn volk gedragen!
Och had Isrels zaad Op mijn effen pa^n IJvrig willen gaan.
Naar myn welbehagen I
16* 'k Had hun haters ras En geheel verslonden;
PSALM 82.
Wie hun tegen was Had, aan alle kant.
Mijn geduchte hand Zeker ondervonden.
17. Haters van den Heer Hadden Hem gegeven,
Schoon geveinsd, zijn eer; Ook zou Isrels tijd. Van de smart bevrijd. Eeuwig zijn gebleven.
18. 'k Had u dan tot spijs Vette tarw doen groeien.
En u , ten bewijs Hoe ik u kon voên, Houigbeken doen Uit de rotsen vloeien.
, Toont aller goden God te vreezen,
Doet recht aan armen en aan weezen. Rechtvaardigt hem die billijk klaagt. Verdrukt of arm uw hulpe vraagt; Verlost eeringen uit hun lijden. En wilt behoeftigen bevrijden ;
Rukt ze uit der goddeloozen hand; Gerechtigheid verhoogt een land.
PSALM 83.
3. Maar ach, hier is het recht vergeten; Men heeft noch kennis noch geweten;
Men wandelt in de duisternis; Het wankelt èl wat zeker is:
Dies ziet men 's aardrijks grondvest beven, 'k Ileb wel voorheen u de eer gegeven, Dat ik u goden heb genoemd,
En als Gods kinderen geroemd:
4. Gij zult nochtans het leven derven, En , als gemeene menschen. sterven;
Eens storten van den stoel der eer In 't graf, als elk der vorsten, neer. Sta öp o God, en wil ontwaken ; Ai oordeel 't aardrijk, richt de zaken; quot;Want Gij bezit op aard alom De volkeren in eigendom.
Hun aanslag is verwoed en boos;
Zij zoeken heimelijk en loos Uw volk, dat zij zoo bits verachten. Te dempen met vereende krachten. Dat Gij, met zooveel gunst cn zorgen, Houdt als een schat bij D verborgen.
Zij zeiden stout, en heet op buit:
«Komt aan, men roei ganuch Isrel uit; «Opdat dit volk, gelijk voor dezen, «Voortaan geen volk meer moge wezen, «Dat niemand Isrels naam (.oe hooren, «Dat zijn gedachtnis ga ver'.oren.»
PSALM 84. 143
4. Want samen zijn zij 't ééns seraakt;
't Verbond is tegen U gemaalct:
Dddr zien wij Edoms tenten naadren.
Ginds Ismaël zich saamvergaadren;
De Moabiten, Hagarenen,
En Gebal zich in 't veld vereenen.
5. Met hen trekt Amnion ééne lijn,
En Amalek, en Palestijn1,
En die in 't rijke Tyrus wonen ;
Ook liet zich Assur bij hen troon en.
Een machtig rijk, waarop zij linnen.
En Lots ontaarde kindren steunen.
6. Dat hen, o God, uw gramschap sla. Als Midian, als Sisera,
Als Jabin, die bij Kisons stroomen En te Endor gansch zijn omgekomen;
Wanneer uw ijver niemand spaarde.
Maar hen vertrad, als slijk der aarde.
PAUZE.
7. Sla hen en hunne prinsen. Heer,
Als Oreb en als Zeëb neer;
Doe al hun vorsten, hoe verheven.
Als Zeba en Zalmuna sneven.
Die met geweld Gods land en daken Zich wilden ter bezitting maken.
8. Maak dat dit volk geen rustplaats vind'; Verstrooi hen door een wervelwind.
Als stoppels, door een storm gedreven. Als wouden, vuur ter prooi gegeven,
Als bergen, in wier ingewanden Ontstoken pek en zwavel branden.
9. Vervolg ze dus van oord tot oord.
En drijf ze met uw onweer voort;
Verschrik hen met uw dwarrelwinden,
Zooilat zij rust noch schuilplaats vinden;
Doe hen^ o Heer, vol schande vlieden.
Opdat ze uw naam eens hulde bieden.
10. Beschaam, verschrik hen eeuwiglijk;
Dat ieder schaamrood rugwaarts wijk;
Verniel hun heiren, doe hen weten Dat Gij alleen de IIebk moogt heeten;
Die groote naam van 't hoogste Wezen Doe 't wereldrond eerbiedig vreezen.
die leeft. En aan mijn ziel h-ït leven geeft.
J. Zelfs vindt de musch een huis, o lieer. De zwaluw legt haar jongskens neer In 't kunstig nest, bij uw altaren.
Bij U, mijn Koning en mijn G(id,
Verwacht mijn ziel een heilrijk lot. Geduchte Heek der legerscharen.
Wchalig hij die bij U woont.
Gestaag U prijst en eerbied toont.
J. Welzalig hij die al zijn kracht En hulp alleen van à verwacht,
Die kiest de welgebaande wegen:
Steekt hen de neete mMdagzon In 't moerbeidal, Gij zijt hun bron,
En stort op hen een mildcn regen,
Een reifen, die hen overdekt.
Verkwikt, en hun tot zegen strekt.
PAUZE.
4. Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort, Elk hunner zal in 't zalig oord
Van Sion haast voor God verschijnen. Let, Heer der legerscharen, let Op mijn ootmoedig smeekgebed :
Ai laat mij niet van druk verkwijnen.
Leen mij een toegenegen oor ;
O Jakobs God, geef mij gehoor.
5. O God, die ons ten schilde s.ijt.
En ons voor alle ramp bevrijdt.
Aanschouw toch uw gezalfden Koning.
Eén dag is in uw huis mij meer Dan duizend daar ik U ontbeer;
'k quot;Waar liever in mijns Bondgods woning
Een dorpelwachter , dan sewend Aan de ijdle vreugd in 's boozen tent.
i. quot;Want God de ITeer, zoo goed, zoo mild, Is te allen tyde een zon en schild;
Hij zal genade en eere geven:
Hü zal hun 't goede niet in nood Onthouden, zelfs niet in den dood.
Die in oprechtheid voor Hem leven. Welzalig, Herr, wie op U houwt. En zich geheel aan U vertrouwt.
2. Heeft dan, o Heer, uw gramschap nimmer end? Zal ze eindlijk niet eens worden afgewend?
Of zal uw toorn ook op ons nakroost woên?
Zult Ge uit den dood ons niet herleven doen, Opdat uw volk zich weer in U verblij ?
Dat toch, o Heer, uw goedheid ons hevrij ;
Geef ons uw heil, en red door uwe hand, U it vrije gunst, het zuchtend vaderland.
3. Merk öp mijn ziel, wat antwoord God u geeft; Hij spreekt gewis tot elk die voor Hem leeft. Zijn' gunstgenoot, van blijden troost en vreè,
â
Mits hij niot weer op 't spoor der dwaasheid treê. Voorwaar Gods heil is reeds nabij 't geslacht. Hetwelk Hem vreest en zijne hulp verwacht; Opdat er eer in onzen lande woon,
En zich aldaar op 't luisterrijkst vertoon.
Dan wordt gen.1 van waarheid blij ontmoet. De vrede met een kus van 't recht gregroet; Dan spruit de trouw uit de aarde blij omhoog; Gerechtigheid ziet neer van 'shemels boog; Dan zal de Heek ons 't goede weer doen zien; Dan zal ons 't land zijn volle garven hiên; Gerechtigheid gaat voor zijn aangezicht.
Hij zet ze alum waar Hij zijn treden richt.
deelachtig: O mijn God, die mij aanschouwt.
Red uw knecht die U vertrouwt.
2. Wie toch is als Gij weldadig?
Wees mij dan, o Heer, penadig;
Want mijn roepen en beklag Klimt tot U den ganscnen dag. Wil de ziel uws knechts verblijden. Ondersteun hem in zijn lijden; Want ik hef mijn hart en oog. Trouwe God, tot U omhoog.
3. Heer, door goedheid aangedreven, Zijt Gij mild in 't schu .dvergeven;
Wie U aanroept in den nood Vindt uw gunst oneindig groot.
PSALM 86.
Heer , neem mijn gebed ter ooren, â ii naar â¢ijne smeeking hooren : Merk, naar uw goedgunstiffheên. Up de stem van mijn gebeèn.
⢠'k?en Sewoon in bange dagen Mnn benauwdheid U te klagen ; uij toch, die de ellenden ziet. Hoort mij, en verstoot mij niet. lieer, wat goón de heidnen rot-men , ISiemand is bij U te noemen:
iiaden als uw groote daan Treft men nergens elders aan.
PAUZE.
â heidnen, door uw handen
Voortgebracht in alle landen,
/Sullen tot U komen. Heer, liukken voor uw aanschijn neer naam ter eere leven.
oroot en hoogverheven; Uij doet duizend wonderheén ; Gu zijt God, ja Gij alleen.
Leer imj naar uw wil te handlen, K Aal dr.n m uw waarheid wandlen â INeis mun hart, en voeg het saam lot de vrees van uwen naam.
Heer mijn God, ik zal U loven, m ri1! 1 ^ansche hart naarboven ; K Zal uw naam en majesteit teren tot in eeuwigheid.
goedheid, hoogst gerezen, Hebt Gij dikwijls mij bewezen, xju mijn ziel, hoezeer verdrukt. Uit het diepst van 't graf gerukt. O mijn God, de trotschaards spannen Boos tezamen met tyrannen, Tot mijn dood en zielsverdriet; Zij ontzien uw hoogheid niet.
Maar Gij Heer, Gij zijt lankmoedig, Zeer barmhartig, overvloedig In genii, die ons behoedt
uic uii» ueuoeut.
Groot van waarheid, eindloos goed. «end U tot mijn ziel genadig;
bterk uw knecht, en geef weldadig Understeuning aan den zoon Uwer dienstmaagd, van den troon.
Doe een teeken mij ten goede, Dat mijn haters in hun woedequot;
Mogen zien, hoe, tot hun spijt. Gij mij troost en my bevrijdt.
PSALM 87 , 88.
2. Men spreekt van u zeer heerelijke dingen,
O schoone stad van Isrels Opperheer.
'k Zie Kahab, ik zie Babel, tct uw eer. Bij hen geteld die mijne grootheid zingen.
3. De Filistijn, de Tyriër, de Mooren,
Zijn binnen u, o Godstad, voortgebracht: Van Sion zal het blijde nageslacht . Haast zeggen: «Deze en die is ddar geboren.»
4. God zal ze zelf bevestigen en schragen,
En op zijn rol, waar Hij de volken schrijft, Hen tellen als in Isrel ingelijfd.
En doen den naam van Sions kindren dragen.
5. Dan wordt mijn naam met lofgejuich geprezen,
Dan zullen daar de blijde zangers staan. De speelliên op de harp en cymbel slaan. En binnen u al mijn fonteinen' wezen.
148
2. Mijn ziel, ddr tegenhedcn zat.
Wordt moedeloos, wil mi,i begeven:
Het einde nadert van mijn leven ;
'k Ben krachteloos en afgemat.
Ik hen, door overmaat van kwalen.
Als zij die reeds ten grave dalen.
3. 'k Ben afgezonderd hij den hoop Der dooden, die terneergeslagen,
In 't bloeien van hun blijde dagen
Gestuit in hunnen levensloop.
Met aard bedekt, van elk vertreden.
Door uwe hand zijn afgesneden.
4. Gij hebt mij in den kuil gelegd;
In diepte , in duisternis gesloten ;
Uw grimmigheid heeft mij verstooten , Mij neergedrukt, mij troost ontzegd.
Gij doet op mij uw oordeel komen. Als onweerstaanbre waterstroomen.
5. Ik derf mijn vrienden tot mijn straf;
Zij zijn vervreemd van mededoogen;
Ik ben een gruwel in hun oogen.
Gij wendt hen allen van mij af.
Een bange kerker doet mij zuchten *
Ik kan de handen niet ontvluchten.
PAUZE.
C. Mijn oogen treuren om mijn leed.
Om al mijn angst, om al mijn lijden:
o Hekr, wil mij van straf bevrijden,
Ach toon U tot mijn hulp gereel;
'k Smeek dag aan das om uw ontferming:
Leen mij de hand tot mijn bescherming.
7. Zult Gij aan dooden woudreu doen ?
Zult Ge overleednen doen verrijzen.
Om hier uw grooten naam te prijzen?
Zal 't graf uw wijzen raad heroën ?
Zal dc'ulr uw goedheid zich verspreiden ?
Zal 't woest verderf uw trouw verbreiden?
8. Wie zal uw wondren, uw beleid.
Ooit in de duisternis vertellen ?
Wie ooit uw reebt in 't daglicht stellen
Ter plaatse der vergetelheid ?
Maar ik, eer de ochtend aan komt breken.
Zal U o'Heer om bijstand smeeken.
'J. Waarom is 't dat Gij mij verstoot?
PSALM 89.
Waarom verbergt Ge uw gunstrijke oogen ? 'k Was van der jeugd af neergebogen,
Bedrukt, en worstlend met den dood. Ik moet vol angst uw gramschap dragen; 'k Ben twijfelmoedig en verslagen.
10. 'k Ben met verschrikking aangedaan ;
Mijn moed verflauwt,mijn leden beven; Uw dierbre gunst heeft mij begeven;
De vlam uws toorns doet mij vergaan, 'kMoet dag aan dag met duizend rampen. Als met het woèn der golven, kampen.
11. Gij hebt èn medgezel èn vrind Van mij verwilderd in mijn lijden,
Zoodat mijn ziel, hoe ze ock moet strijden,
Bii niemand heul of bijstand vindt.
'k Zoek hen vergeefs; 'k moet eenzaam weenen: Al mijn bekenden zijn verdwenen.
2. Ik heb â dit was uw taal â een vast verbond gemaakt Met mijnen gunsteling, die steeds mijn oog bewaakt;
Ik heb aan mijnen knecht, aan mijnen uitverkoren'. Aan David, in mijn gunst, met jenen eed gezworen: «Ik zal van kind tot kind, tot aan het eind der dagen, «Uw zaad bevestigen en uwen rijkstroon schragen.»
3. De hemel looft, o Heeb , uw wondren dag en nacht;
PSALM 89. 151
Uw' waarheid wordt op aard de glorie toegebracht.
Daar uw geheiligd volk van uwe trouw mag zingen;
Want wie is U gelijk bij al de hcmellinffen ?
En welke vorsten ooit het aardrijk moog bevatten, quot;Wie hunner is, o Heer, met U gelijk te schatten?
PAUZE 1.
4. God is op 'thoogst geducht in zijnor heilgen raad. En vreeslijk boven 't heir dat om zijn rijkstroon staat.
quot;Wie is als Gij o IIker, o God der legerscharen?
Wie is aan U gelijk, wie kan U evenaren?
Grootmachtig zijt Ge o lieer, ja eindloos in vermogen; Uw onverbreekbre trouw omringt U voor elks oogen.
5. Gij temt de woeste zee, zij luistert naar uw wil;
lloe hoog zij zich verhef. Gij wenkt, en zij is stil.
Gansch Rahab is door U verbrijzeld, ganscb verslagen; Uw vijand is verstrooid, uw arm heeft roem gedragen; En aard, en hemel, lt;*n wat leeft of ooit zal leven.
Zijn de uwe; 't gansch heelal hebt Gij 't bestaan gegeven.
6. G'i scbiept het barre noord en 't zoele zuiden saam;
Ginds juicht een Tabor, hier een Hermon in nw naam.
Gii hebt een arm met macht, uw hand heeft groot vermogen. Uw rechterhand is hoog; uw troon blijft, onbewogen. Van recht en van gericht zijn vasten steun ontleenen, En waarheid en gena gaan voor uw aauschijn henen.
7. Hoe zalig is het volk dat naar uw klanken hoort!
Zij wandIen, Heer. in 't licht van 't Godhik nanschijn voort; Zij zullen in uw naam zich al den dag verblijden: Uw goedheid straalt hun toe, uw macht schraagt hen in 't lijden; Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedoogen.
Maar uw gerechtigheid hen naar uw woord verhoogen.
8. Gii toch. Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht; Uw' vrije gunst alleen wordt de eere toegebracht;
Wij steken 't hoofd omnoog, en zullen 'le eerkroon dragen Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen;
Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven. En onze Koning is van Isrels God gegeven.
PAUZE 2.
9. Gij hebt weleer van hem , dien Gij geheiligd hadt.
Gezegd in een gezicht, dat zooveel troost bevat:
«Ik heb bij eenen held voor Isrel hulp beschoren,
«Hem uit het volk verhoogd; hem had ik uitverkoren.
«'k Ileb David mijnen knecht, mijn gunsteling, gevonden, «En hem met heiige zalf aan mij en 't rijk verbonden.
10. «Mijn hand zal, hoe 't ook ga, hem sterken dag en nacht; «Mijn arm zal hem in nood voorzien van moed en kracht;
«De vijand zal hem nooit door wreevle handelingen,
«Door list of helsch bedrog, in uiterste engten dringen; «Den booswicht zal 't geweld nooit tegen hem gelukken, «Noch in- noch uitlandsch vorst zijn zetel onderdrukken.
152 PSALM 89.
11. «Ik zal integendeel alwie hem wederstaat.
«Verplettren voor zijn oos, en plagen wie hem haat;
«Mijn trouw zal met hem zijn, mijn goedheid hem geleiden; «Zijn maeht zal in mijn naam zich over de aard verspreiden; «Zijn hand de groote zee, zijn schepter de rivieren,
«Door mijn geducht bestel, met roem en eer bestieren.
12. «Gij â zal hij zeggen â zijt mijn Vader en mijn God, «l)e rotssteen van mijn heil: 'k zal hem ook stellen tot
«Een eerstgeboren zoon, door al zijn broeders te eeren; «Als koning zal hij zelf de koningen regeeren ,
«Mijn goedertierenheid zijn rijkstroon eeuwig stijven, «En mijn gemaakt verbond met hem bestendig blijven.
TAUZE 3.
13. «Ik zal de heerschappij doen duren bij zijn zaad,
«Zoolang de hemel zelf op vaste pijlers staat.
«Maar zoo zijn kindren ooit mijn zuivre wet verlaten,
«Zoo 't richtsnoer van mijn reebt ter reegling niet kan baten, «Zoo zij ontheiligen wat ik heb voorgeschreven,
«Dan mogen zij gewis voor mijne straften beven.
14. «Dan zal ik hen, die dwaas of wreevlig overtreên,
«Bezoeken met de roê en bittre tegenheên;
«Doch over hem mijn gunst en goedheid nooit doen enden , «Niet falen in mijn trouw noch mijn ve.rbond ooit schenden ; «'k Zal nooit herroepen 't geen ik eenmaal heb gesproken: «'t Geen uit mijn lippen ging blijft vast en onverbroken.
15. «'k Heb eens gezworen bij mijn eigen heiligheid:
«Zoo ik aan David Heg, zoo hem mijn woord misleidt!
«Zijn zaad zal eeuwig zijn, zijn troon zal heerlijk pralen, «Zoo duurzaam als de zon, zoo glansrijk als haar stralen, «Bevestigd als de maan; en aan des hemels bogen «Staat mijn getuige trouw te schittren in elks oogen.»
16. Maar ach mijn God, waar blijkt uw trouw nu, waar uw eer ? Gij stoot en werpt, vergramd, thans uw Gezalfde neer;
Gij schijnt niet van 't verbond met uwen knecht te weten:
Zijn kroon, ontheiligd, ligt ter aard» neergesmeten;
Zijn sterke muren zijn door 's vijanda macht verbroken,
Zijn vestingen verwoest en in het stof gedoken.
PAUZE 4.
17. Hij is door elk beroofd, den nabuur tot een smaad ;
Gij hebt de rechterhand verhoogil van die hem haat;
Gij deedt den vijand in zijn rampspoed zich verblijden 5 Zijn zwaard ligt om , 't is stomp, en nutteloos in 't strijden ; Gij doet hem, vol van schrik, van 't bloedig slagveld vluchten, En onder 's vijands juk, van U verlaten, zuchten.
18. Zijn schoonheid is vergaan: zijn troon ligt neergestort; De dagen zijner jeugd zijn door uw hand verkort;
Met schaamte is hij bedekt, elk kan hem strafloos tergen. Hoelang, getrouwe God, zult Gij U steeds verbergen?
Zal dan uw grimmigheid, die niemand af kau keeren.
Gelijk een brandend vuur, 't verdrukte volk verteren ?
19. Gedenk, o lieer, hoe zwak ik ben, boe kort van duur: Het leven is een damp, de dood wenkt iider uur.
Zou 't raenschdom dan verscefs op aarde zijn geschapen ? quot;Wie leeft er die den slaap des doods niet eens zal slapen? Wie redt zijn ziel van 't graf? Ai hein ons als tevoren, Gelyk Gij bij uw trouw aan David hebt gezworen.
20. Gedenk den smaad, dien elk van uwe knechten lijdt, quot;Waarmee elk machtig volk mijn bang gemoed doorsnijdt;
Den smaad, o IIekr, waarmee uw haters ons beladen. Waarmede zij den gang van uw Gezalfde smaden. Gij immers wilt of zult nooit onze hoop beschamen: Den Heek zij eeuwig lof, en elk zeg amen , amen.
God die eeuwig leeft, Zijt Gij de God die eind
â^--:0â----rrâM
noch oorsprong heeft.
2. Uw oppermacht, die wij ootmoedig eeren.
Kan door «V-n wenk den mcnsch zijn broosheid leeren: Uw wenk alleen, al schijnt ons niets te deren. Verbrijzelt ons, doet ons tot aarde keeren;
Want in uw oog zijn duizend jaren. Heer,
Een cnklc dag, een nachtwaak , en niets meer.
3. Gij overstroomt het menschdom: zijn vermogen Is, als een slaap, een ijdle droom , vervlogen:
Zij zijn als 'tgras, dat 's morgens, overtogen
Met frisschen dauw, in bloei staat voor elks ooKen,
Maar 's avonds, als het afgesneden wordt.
Op 't open veld in weinig tijds verdort.
4. Door uwen toom vergaat ons kwijnend leven.
Uw grainscbap doet ons hart van doodschrik heven, O God, als Gij, in m-ijesteit vrheven ,
liet onrecht dat we in 't openbaar bedreven, En 't kwaad door ons in 't heimelijk verricht, In 't licht stelt voor uw glansrijk aangezicht.
PAUZE.
5. Wanneer uw toorn en gramschap ons bezwaren, Dan wenden, d«n verdwijnen onze jaren;
Wij zi-n hen, als gedachten, benenvaren;
Of blijft uw irnnst onn in het leven sparen. Dan klimmen wij ten hoogste tot den top Van zeventig of tachtig jaren op.
6. Helaas, het best van onze beste tagen
Baart dikwijls smart, geeft dikwijls stof tot klagen; Daar zorg,'verdriet en jammerlijke plagen Steeds, beurt om beurt, de matte «iel doorknagen. De levensdraad wordt schielijk afóesnefin: Wij schenen sterk, en ach, wij 'liegen heen.
7. Wie kent uw toorn, wie zijn geduchte krachten ?
Wie vreest dien recht, geluchtste Macht der machten? Leer ons den tijd des Wens kostlijk achten.
Opdat ons hart de wijsheid moog betrachten ;
Keer weder Heer, uw gunst kome ons le sta: Hoelang ontzegt Ge uw knechten uw gena?
8. Uw gunst sterkt meer dan de uitgezochtste spijzen: Laat, met het licht, haar licht voor ons verrijzen; Zoo zal ons hart op liefelijke wijzen
Uw goedheid,al ons oovrig leven, prijzen.
Verblijd ons naar de maat van on «en druk.
En naar den tijd van al ons ongeluk.
9. Laat uw genfl. ons met haar troost verrijken,
En laat uw werk aan uwe knechten blijken. Uw heerlijkheid niet van hun kindren wijken; Uw liefde, uw macht behoede ons voor bezwijken:
Sterk onze hand, en zegen oize vlijt;
Bekroon ons werk, èn nu èn te allen tijd.
W
den nood. Den God van mijn betrouwen.
2. Hij zal uit 's vogelvangers net
à veilig doen ontkomen:
Hij is het die uw leven redt;
Gij hebt «reen pest te schromen.
Hij zal, in lijfs- en zielsgevaar,
U met zijn vleuglen dt-kken;
Zijn waarheid u ten beukelaar En ter rondas verstrekken.
3. De schrik des naehts doet u niet vlièn,
Waarvoor de boozen beven ;
Geen pijlen hoeft gij 'a daags te ontzien ,
Die lievig om u zweven ;
De pest, met welk een snellen spoed
Zij moquot;g in 't duister waren.
Noch 't streng verderf, dat 's middags woedt, Zal uwe ziel vervaren.
'1. Gij zult aan de ééne en de andre hand Tienduizenden zien vallen,
Terwijl gij. in gerusten stand.
Bewaakt blijft boven allen.
Het dreigend leed vliegt u voorbij ;
Alleenlijk zien uw oogen,
Hoe schriklijk 't loon der boozen zij ,
Die de Almacht niet verhoogen.
PAUZE.
5. Ik steun op God, mijn toeverlaat:
Dies heb ik niets vreezen.
Wie God vertrouwt, dien deert geen kwaad;
Uw tent zal veilig wezen:
Hij zal zijn engelen gebiên.
Dat ze u op wtg bevrijden;
Gü zult hen in gevaren zien Voor uw behoudnis strijden.
6. Zij zullen u, Gods gunstgenoot,
Naar 's Hoogston welbehagen.
PSALM 91,
PSALM 92.
Opdat gij aan geen steen u stoots
Op hunne handen dragen.
Gi.i zult op jonge leeuwen treên,
Op giftige adders stappen.
En, door gevaar noch vrees best reên , Den leeuw en draak vertrappen.
Dewijl zijn ziel mij teer bemint, â
Dus laat God zelf zich hooren --Heb ik voor hem . als voor mijn vrind.
Een heilrijk lot beschoren :
Omdat hij mijnen naam erkent. Zal hem mijn gunst verzeilen;
Ik zal hem redden uit de el lend.
En op een hoogte stellen.
Hij zal in alle ramp en pijn
Tot mij om uitkomst zuchten,
En ik gestadig bij hem zijn
In al zijn ongenugten:
't Gevaar zal ik hem doen ontvliên,
Zijn levensdagen rekken.
'k Zal hem mijn eer en heil doen zien En nooit mijn hulp onttrekken.
bericht Van uwe trouw en goedheid.
2. 't Voegt ons met blijde klanken.
Door 't voorbedachte lied,
Hem die het amp;1 gebiedt Op harp en luit te danken.
Gij hebt door uw vermogen,
0 Heer , mijn hart verheugd;
Ik zal, verrukt van vreugd,
Uw groote daan verhoogen.
PSALM 92.
Hoe groot zijn. Heer , uw werken! Hoe ver gaat uw beleid!
Gij stelt met mogendheid Elk deel zijn juiste perken.
Een ziel aan 't stof gekluisterd Beseft uw daden niet:
Geen dwaas weet wat hij ziet; Zijn oordeel is verduisterd.
Dat vrij, als groene telgen. De boozc welig groei;
Gij zult, in zijnen bloei.
Voor eeuwig hem verdelgen.
Niets stelt XJ immer palen.
Gij zijt de Hoogste in macht: Gij zijt de Heer: uw kracht. Zal eeuwig zegepralen.
PAUZE.
Wie U durft wederstreven. Wie onrecht durft begaan.
Zult Gij o God weerstaan , Verstrooien en doen sneven. Gij zult mijn eer vergrooten. Mij sterken in mijn stand: Ik ben door uwe hand Met olie overgoten.
Mijn oog zal hen aanschouwen, Die listig ui mijn puan In 't heimlijk gadeslaan. Mij telkens onrust brouwen; Ook zal mijn oor eens hooren Dat Gij de boozen straft.
Dat Gij mij wraak verschaft Van hen die mij verstoren.
't Rechtvaardig volk zal bloeien, Gelijk op Libanon,
Bij 't koestren van de zon, De palm en ceder groeien.
Zij die in 't huis des Herren , In 't voorhof zijn geplant.
Zien door des Hoogsten hand Hun wasdom steeds vermeeren.
. In hunne grijze dagen
Blijft hunne vreugd gewis; Zij zullen, groen en frisch, Gewenschte vruchten dragen. Om met verheugde monden Te roemen 't recht mijns Gods: In Hem, mijn vaste rots, Is 't onrecht nooit gevonden.
PSALM 93, 94.
1. De Heer regeert: de hoogste Majesteit, Bekleed met sterkt', omgord met heerlijkbeid. Bevestigt de aard, en houdt door zijne hand Dat schoon
gebouw onwankelbaar in stand.
2. Gij hebt uw troon van eeuwigheid gegrond. De waatrcn, Heer , verheften i'.ich in 't rond; Rivier en meer verheffen hun geruisch:
Het siddert èl op 't woedend siroomgedruiseh.
3. Maar Heer, Gij zijt veel sterker dan 'tgeweld Der waatren, die uw almacht ])alen stelt:
De groute zee zwijgt op uw wenk en wil,
Hoe fel zij bruis, hoe fel zij woede, stil.
4. Uw macht is groot, uw trouw zal nooit vergaan: Al wat Gij ooit beloofd hebt zal bestaan.
De heiligheid is voor uw huis, o Heer ,
Eeuw uit, eeuw in, tot sieraad en tot eer.
158
PSALM 94. 159
2. Hoelang, Heer. zullen dan de boozen,
Hoelangen tyd de goddeloozen
Nog hupplcn, vol van dartle vreugd.
En laster braken op de deugd,
En spreken, als in zegepraal,
Baldadig de allerhardste taal ?
3. 't Verbrijzeld volk, o Heer, moet bukken.
Daar zij uw erfdeel wreed verdrukken;
De zwakke weeuw, van hulp ontbloot.
Wordt met den vreemdeling gedood ;
Zelfs wordt de onnoozle wees vermoord:
Kaar recht noch reden wordt gehoord.
4. Zij zeggen, stout op hun vermogen:
«l)e Hker slaat op ons doen fre''n oogen,
«De God van Jakob merkt het niet.» Let, onvernuftigen, en ziet;
Blijft ge eeuwig van verstand beroofd ,
üij dwazen die het licht verdooft?
5. Zou dan de Schepper, die onze ooren Geplant heeft, zelf niet kunnen hooren?
Zou Hij die 'toog formeert niet zien?
Zoudt gij des Rechters wraak ontvlièn,
Die volken straft, en wijsheid leert Den mensch die wetenschap ontbeert ?
PAL'ZE.
»i. Neen dwaas! de Hker weet uw gedachten.
Dat ze ijdel zijn bestuur verachten.
Welzalig is de man, o Heek ,
Die door uw tucht en hemel leer liet nut der onderdrukking weet.
En voordeel trekt zelfs uit het leed.
7. Zoo leert hij zich geduldig dragen;
Zoo ziet hij 't eind der kwade dagen;
Zoo wordt de roede zelfs gekust.
En de onderwerping geeft hem rust;
Totdat de kuil gegraven wordt.
Waarin de zondaar nederstort.
8. De Heer zal in dit moeilijk leven Zijn volk en erfdeel nooit begeven:
Het oordeel keert, vol majesteit.
Haast weder tot gerechtigheid ;
Alwie oprecht is van gemoed.
Die merkt het op en keurt het goed.
'J. Wie helpt mij tegen al die boozen?
Wie wederstaat die goddeloozen?
Zoo mij de Heer , mijn schild en loon,
Geen sterken bijstand had geboón.
Dan waar mijn leven haast verkort,
En ik bijna in 't graf gestort.
PSALM 95.
10. Wanneer ik zei; «Mijn voeten glijden ,n ïoen hebt Ge mij ^sterkt in 't lijden.
Wanneer mij 't afgepeinsde hart Door al mijn denken werd verward.
En ik in druk schier was gestikt.
Toen heeft uw troost mijn ziel verkwikt.
11. Zou ooit de stoel der schaadlijkheden Bij uwen troon een plaats bekleeden.
Die moeite en wetten boos verdicht? Zij rotten saam, en wars van 'tlicht. Verdrukken zij het vroom gemoed. Ja doemen zelfs 't onschuldig bloed.
12. De Heer, mijn Hondgod, was voordezen Mijn hoog vertrek in al mijn vreezen.
Mijn steenrots en mijn toeverlaat; Hij straft de boozen, wreekt hun kwaad. En loont hun boosheit met den val: 't Is God die hen verdelgen zal.
PSALM 95. Wijze vim Psalm 24.
De Heer is groot, een heerlijk God , Een Koning die het zaligst lot. Ver boven alle goön, kan schenken : Het diepst van 's aardrijks ingewand , Het hoogst gebergt is in zijn hand; 't Is iU gehoorzaam op zijn wenken.
Zijn is de zee * ze is door zyn kracht Met al het droge voortgebracht;
'tMoet alles naar zijn wetten hooren. Komt, buigen we om dan biddend neer; Komt, laat ons knielen voor den Heer, Die ons gemaakt heeft en verkoren.
Want Hij is onze God, en wij Zijn 't volk van zijne heerschappij.
PSALM 9G.
De schapen die zijn hand wil weiden.
Zoo irü zijn stem dan heden hoort.
Gelooft zijn heil- en troostrijk woord ; Verhardt u niet, maar laat u leiden.
Verhardt u niet, neemt zijn genft. Ootmoedig aan; laat Meriba,
Laat Massa u ten afschrik wezen.
Waar 'k door uw vaders ben verzocht. Toen alles wat mijn almacht wrocht Hen niet bewoog om mij te vreezen.
'k Heb aan dit volk dat mij vergat Een langen tijd verdriet gelind.
Ja veertig jaar hun hoon verdrasren,
En zei: ttDit volk, dat steels mij aart, «Heeft een verdwaasd en dwalend hart; cOt Schept in mijn wegen geen behagen.»
Dies heb ik, door hun tergend kwaad Op 't hoogst vergramd, dit vclk versmaad. En met een duren eed gezworen, Dat, wegens zijn geschonden trouw. Het nooit mijn rust genieten zou,
Die voor mijn volk nog blijft beschoren.
Zj'-
EH^=fc==3E=i|l
naam met hart en mond; Vermeldt zijn heil
*t wereldrond; Dat dag aan dag zijn roem vermeere.
2. Nu moet uw tong de heidnen nooden;
Meldt allen volken zijn geboden;
Vertelt zijn wondren en zijn eer;
Groot en prijswaardig is de Heer , Eu vreeslijk boven al de goden.
3. Al de afgoön zijn slechts ydelheden;
Maar God, die van ons wordt beleden,
Is 't die de heemlen heeft gesticht,
En voor zijn Godlijk aangezicht Zet eer met majesteit haar treden.
If,2 PSALM 97.
4. Hoe blinkt het alles door vertooning: Van sterkte en sieraad in zijn woning!
Geef dan, o allerlei geslacht,
Den roem van heerlijkheid en kracht Aan Isrels grooten God en Koning.
PAUZE.
5. Geeft de eer aan 't eeuwig Opperwezen:
Zijn naam wordt nooit jjenoeg geprezen;
Verheft zijn deugden, blijtemoe;
Brengt in zijn huis Hem offer toe. Hem dien de volken moeten vreezen.
Ã. Aanbidt Hem needrig al uw leven. Hem die, in 't heiligdom verheven. Een Godlijk licht van zich verspreidt. Leer, aarde, voor zi.n majesteit.
Leer voor zijn aangezichte beven.
7. Zegt, om de heidnen tï verlichten:
He Heek regeert, die de aard wou stichten; Dies zij, bevestigd te allen stond,
Kooit wanklen zal op haren grond;
Hij zal naar 't recht de volken richten.
8. Dat zich de hemelen verblijden;
Verheugd zij de aard aan alle zijden,
Verheugd de volheid van de zee;
Het veld springt op net al het vee. En 't woud moet juichend God beladen.
9. 't Juiche voor 't aangezicht des Heere.n : Hij komt, die de aarde ral regeeren,
Eu richten vol van majesteit;
De wereld zal gerechtigheid, Het menschdom zijne waarheid eeren.
2. Een vuurgloed gaat Hem voor, ^ Den ganschen hemel door,
En blaakt aan alle zijden Hen die zijn macht bestrijden.
Zijn felle bliksemschicht Snelt door al 't zwerk, verlicht Den ganschen wereldkloot; Uet aardrijk ziet zijn nood. En ijst, en beeft en zwicht.
3. 't Gebergte smelt als was, _En wordt geheel tot asch
Voor 't aangezicht des Heeben , Wien alwat leeft moet eeren. 't Verbaasde hemelrond Meldt in dien naren stond Zijn billykheid en macht; De volken zien zijn kracht Op 's aardrijks ruimen grond.
PAUZE.
4. Dat ieder schaamrood zij , ^ Die onbeschroomd en vrij Een beeld durft eer bewijzen. En nietige afgoóa prijzen.
Den waren God ten hoon.
Knielt voor Hem, al gij goön! Zwicht voor den Opperheer, Buigt u met ootmoed neer Voor zijn geduchten troon.
5. Gansch Sion was verheugd ,
En juichte, o Heer, van vreugd. Met Juda's dochtrenscharen. Wanneer 't de blijde maren TJws oordeels had gehoord ;
Want Gü heerscht ongestoord. En toont uw macht alom. Ver boven 't godendom,
't Welk siddert voor uw woord.
ü. Beminnaars van den H:3Er, Verbreiders van zijn eer.
Hoopt steeds op zijn genade. En haat altoos het kwade.
Hü die in tegenspoed Zijn gunstüenooten hoedt. Verleent hun onderstand.
En red ze uit 's boozen hand , Die op hun onschuld woedt.
PSALM 98.
7. Gods vriendlijlt aangezicht Heeft vroolijkheid en licht Voor alle oprechte harten Ten troost verspreid in smarten. Juicht, vromen, om uw lot; Verblijdt u steeds in God; Roemt, roerat zijn heiligheid: Zoo word' zijn lof verbreid Voor al dit heilgenot.
2. Hij heeft gedacht aan zijn genade.
Zijn trouw aan lerel nooit gekrenkt; Dit slaan al 's aardrijks eindeu gade. Nu onze God zijn heil ons schenkt. Juich dan den Heer met blijde galmen. Gij gansche wereld, juich van vreugd; Zing vroolijk in verheven psalmen Het heil dat de aard in 't rond verheugt
3. Doe bij uw harp de psalmen hooren;
Uw juichstem geef (ten Heere dank; Laat klinken door uw tempelkoren
Trompetten en bazuingeklank;
Dat 's Heerex huis ^an vreugde druische
Voor Isrels groeten Opperheer;
De zee met hare vol'ieid oruise: De gansche wereln geef Hem eer.
|
PSALM 99. 165 4. Laat al de atroomen vroolyk zingen. De handen klappen naar omboog; 't Gebergte vol van vreutcde springen. En hupplen voor dea Heeren oog. Hij komt. Hij komt om de aard te ricbten. De wereld in gerechtigheid; Al 'tvolk, daar 'twreed geweld moet zwichten. Wordt in rechtmatigheid geleid. | |
|
PSALM 99. | |
|
-O-- |
i*, i^- j) ^^ jj |
|
3ien |
1. God de Heek regeert: Beeft gij volken, eert. |
|
vol |
^ Eert z\jn hoog bestel. Die bij Israel Tusachen |
|
--- na |
cherubs woont. En zijn grootheid toont; Dat zich |
|
--quot; |
^ ^' ijf quot;jjquot; |
|
Ku |
de aard bewegc: Hij is Isrels zege. 2. God, die helpt in nood, Is in Sion groot. Aller volken macht IS'iets bij Hem geacht; Baigt u dan in 't stof. En verheft met lof 't Heilig Opperwezen; Wilt het eeuwig vreezen. 3. Looft met hart en stem, Looft de kracht van Hem, Die het recht bemint In zijn rijksbewind. 't Recht hebt Gii gestaafd: 't Geen Ge aan Jakob gaaft Toonde aan Isrels leden Recht en billijkheden. 4. Roemt nu ouzen God; Knielt, op zijn gebod. Voor zijn voetbank neer. Heilig is de Heer Op zijn hoogen troon: Amrama groote zoon En zijn broeder waren Bij zijn priesterscharen. |
|
Ei^EEEE nge- | |
|
. |
PSALM 100.
PAUZE.
Ook was Samuel,
Op Gods lioog bevel, Biddend voor zijn volk. Als een hemeltolk;
Hij en andren meer Kiepen tot den Heer, Die met Kunstige ooren Hun geroep wou hooren.
Uit zijn heiligdom,
In een wolkkolora,
Heeft Hü zijne wet Bii hen ingezet.
Die door 's Heeren kracht Van hen werd volbracht, 't Nakroost der Hebreeuwen Volge dit alle eeuwen.
Gij , met hen begaan,
Hebt hun wensch voldaan ; Heek, die naar uw woord Hun gebed verhoort. Gij, Gij waart hun lot. Hun vergevend God;
Schoon ze ook om hun zonde n Straffen ondervonden.
Geeft dan eeuwige eer Onzen God en Heer;
Klimt op Sion, toont Eerbied, waar Hij woont, Waar zijn heiligheid Haren glans verspreidt: Heilig toch en te eeren Is de Heer der heeren.
. De Heer is God; erkent dat Hij Ons heeft gemaakt (en geenszins wij) Tot schapen die Hij voedt en weidt, Een volk tot zijnen dienst bereid.
PSALM 101.
3. Gnat tot zijn poorten in met lof. Met lofzang in zijn heilis hof;
Looft Hem aldaar met hart en stem,
Prijst zijnen naam, verheerlijkt Hem.
4. Want goedertieren is de Heeu :
Zijn goedheid eindigt nimmermeer;
Zijn trouw en waarheid houdt haar kracht. Tót in het laatste nageslacht.
2. 'k Zal met verstand den weg hetreên der vromen. Wanneer zult Gij, mijn Bondgod, tot mij komen?
Ik zal doen zien in al mijn huisbeleid De oprechtigheid.
3. 'k Zal met vermaak naar 't kwaad niet overhellen. Geen godloos stuk mijzelf voor oogen stellen;
Ik haat het doen der schendren uwer wet, En schuw die smet.
4. 't Verkeerde hart, in wien 't mij ook moog blijken Zal uit mijn huis en van mijn omgang wijken.
Mijn gunst zal hen die hooze wegen gaan Nooit gadeslaan.
5. 'k Zal over hem die achterklapt mij belgen ; Den lasteraar zijns vriends zal ik verdelgen;
Wie, trotsch van hart, met nijdige oogen ziet. Verdraag ik niet.
6. Ik sla op wie getrouw in 'tland zijn de oogen; Ik zal in eer hen aan mijn zij verhoogen.
En doen hem, die in 't spoor der deugd zal treèn. Mijn dienst bekleên.
7. Maar elk die snood, door listige bedrijven,
Zijn voordeel zoekt, zal in mijn huis niet blijven;
Geen leugenaar, die waarheid stout verbant. Houdt bij mij stand.
I'S A LM 102.
8. Ik zal mijn wraak godloozen iedren morgen Gevoelen doen, en 't recht zijn klem bezorgen. Om in de stad des Heeren niet te voên Wie 't kwade doen.
3. Want mijn leeftijd is door weenen , Als een ijdle rook, verdwenen;
Mijn gebeente, in droeven str.nd. Als een haardstcê uitgebrand.
Mijne ziel, door rouw bezweken. Kwijnt als 't gras in dorre streken: 'k Heb in mijn ellend vergeten Mijn gewone spijzen te eten.
3. 'kVoel de krachten mij begeven,
't Vleesch aan mijn gebeente kleven. Wegens mijn benauwde klacht. Die ik uitstort dag en nacht. Ik gelijk, in 't eenzaam kwynen. Aan den roerdomp der woestijnen. Aan den steenuil in de wonder..
Waar geen menschen zich onthouden.
4. 'k Slijt den nacht in eenzaam waken. Als een muschje op stille dak?n;
Daar mijn wreevle vijand riast, En door hoon mijn ziel veroaast. Zij die mijn verderf beirachti n.
PSALM 102.
Mij den f?anscben das verachten. Mij in 't openbaar onteeren.
Durven roekloos by mij zweren.
PAUZE 1.
De nach verstrekt mijn kwijnend harte Thans tot brood in zooveel smarte, Danr ik mijnen dank vermeng Met de tranen die ik pleng.
Heer, uw gunst had mij verheven; Maar nu mij uw toorn doet beven. Zie ik mij van glans ontblooten. Mij in 't stof terneergestooten.
'k Zie in rouw en ongenugten Al mijn dagen mij ontvluchten. Als een schaduw die verdwijnt; Ik verdor als 't gras dat kwijnt. Maar Gij Heer zult eeuwig blijven. Eeuwig zal uw roem beklijven.
En uw naam blijft in gedachten Tot de laatste nageslachten.
Gij zult opstaan, ons beschermen.
Over Sion U ontfermen ;
Want de tijd, uw' stad voorspeld. Aan baar leed ten perk gesteld, Die zoo langgewenscute dagen Van uw gunstrijk welbehagen Zijn, o God, in 't eind geboren; Gij, Gij zult haar klacht verhooren.
Reeds verlangen uwe knechten Hare steenen opterechten;
Elk heeft deernis met haar gruis, Elk toont ijver voor Gods huis. Albesticrcnd Opperwezen,
Dan zal 't heidendom U vreezen;
Al do vorsten, neergebogen.
Doen dan hulde aan uw vermogen.
Als, voor 't oog der nageburen,
Gods ontferming Sions muren Weer zal hebben opgebouwd. En 't zijn heerlijkheid aanschouwt; Als zijn goedheid op de klachten Des verdrukten en verachten Letten zal, en 't onheil weren.
Dan zal elk hem juichend eeren.
PAUZE 2.
Dan, dan wordt Gods trouw verheven. En zyn dierbre gunst beschreven Voor het dankbaar nageslacht. Dat met lust zijn wet betracht.
't Volk in later eeuw pcboreu Zal zijn macht en goedheid hoorcn. Zich in zijnen roem verblijden, Hem zijn lofgezangen wijden.
11. 'tZal met hly gejuich Hem loven. Die, uit zijn paleis van boven,
Isrels leed en ongeval Eens in gunst beschouwen zal. En gevangnen in hun zuchten Hooren als zij tot Hem vluchten. Om hen uit de wreede kaken Van den dood eens lostemaken.
12. Dus zij 'a Heerex naam geprezen. En in Sion eer bewezen:
Dus hoor elk de vreugdestem In het blij Jeruzalem;
Als de volken saamvergflren,
Zich met 's Heerex erfvolk paren. Als de koningen zich buigen.
En Hem hun ontzag betuigen.
PAUZE 3.
13. Ach, de Heer heeft mij doen bukken Voor 't gewicht der ongeltkken.
Ja mijn levenstijd verkoit.
Mij met rampen overstort.
'k Riep: O God, mijn welbiihagen. Spaar me in 't midden van mijn dagen: Gij, door eeuw noch tijd te krenken. Kunt mij hulp en uitkomst schenken.
14. 't Aardrijk en de hemelbogen Zijn gewrocht door uw vermogen;
Allen 7,ijn ze, in hun verband, 't Kunststuk van uw wijze hand.
Doch hoe duurzaam zij ook schijnen. Eens zal al hun glans verdwijnen; Maar schoon 't alles om zal keeren. Gij blijft staande, o Heer der Heeren.
15. Als een kleed zal 't il verouden;
Niets kan hier zyn stand behouden:
Wat uit stof is neemt een end.
Door den tijd die alles schendt.
Maar Gij hebt, o Opperwezen,
Kooit verandering te vreezen:
Gij, die de eeuwen acht als uren.
Zult alle eeuwigheid verduren.
16. Uwer knechten trouwe zonen Zullen altoos bij U wonen;
Ja, bevestigd in hun staat.
Voor uw aanschijn, met aun zaad. Uwen naam ter eere leven
2. Loof Hf-m, die u al wat gij hebt misdreven. Hoeveel hot zij, genadig wil vergeven;
Uw krankbeên kent en liefderijk geneest; Die van 't verderf uw leven wil verschooneu. Met goedheid en barmhartisheên u kroonen; Die in den nood uw redder is geweest.
3. Loof Hem, die u vergunt uw zielsverlangen. En 't goede tot verzading doet ontvangen,
Uw jeugd vernieuwt gelijk eens arends jeugd: De Heer doet recht, is heilig in zijn richten; Treft iemand druk , Hij wil den druk verlichten. En hart en mond vervullen met zijn vreugd.
4. Hij heeft voorheen aan Mozes zijne wegen. Aan Isrels zaad, tot hun behoud genegen.
Zijn daAn getoond, en trouwlijk hen geleid. Barmhartig is de Heer en zeer genadig;
Schoon zwaar getergd, lankmoedig en weldadig: De Heer is groot van goedertierenheid.
5. Hij zal zijn volk niet eindeloos kastijden,
Noch eeuwiglijk zijn gramschap ons doen lijden;
Hij is het die ons zyne vriendschap biedt.
Zij , van smart en smaad ontheven, Blijven aan uw dienst geheiligd. Daar uw goedheid hen beveiligt.
17U PSALM 101.
Hij handelt nooit met ons naar onze zonden: Hoe zwaar, hoe lang wij ook zijn wetten schonden. Hij straft ons, maar naar onze zonden niet.
6. Zoo hoo^ zijn troon moog: boven de aarde wezen. Zoo groot is ook voor allen die Hem vreezen
üe gunst waarmee Hij hen wil gadeslaan.
Zoo ver de west verwijderd is van 'toosten.
Zoo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten,
Van ons de schuld en zonden weggedaan.
PAUZE.
7. Geen vader sloeg met grooter mededoogen Op teeder kroost ooit zijn ontfermende oo^en,
Dan Isrels Heer op ieder die Hem vreest:
Hij weet wat van zijn maaksel zij tï wachten, Hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten. En dat wij stof, van jongs af, zijn geweest.
8. Gelijk het gras is ons kortstondig liven;
Gelijk een bloem, die, op het veld verheven.
Wel sierlyk pronkt, maar krachtloos is en teer: Wanneer de wind zich over 't land laat hooren, Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren; Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.
9. Maar 's Hekken gunst zal, over wie Hem vreezen, In eeuwigheid altoos dezelfde wezen;
Zijn trouw rust zelfs op 'tlate nageslacht.
Dat zijn verbond niet trouweloos wil schenden,
Nonh van zijn wet afkeerig de ooren wenden.
Maar die, naar eisch van Gods verbond, betracht.
10. De Heer heeft zich, als de allerhoogste Koning, Een troon gevest in zijne hemelwoning;
Zijn koninkVijk heerscht over 't wereldrond.
Looft, looft den Heeh, gij zijne legermachten. Gij englen die Hem dient met heldenkrachten, En vaardig past op 't woord van zijnen mond.
11. Looft, looft den Heer, gü zijne legerscharen.
Wier lust het is op zijnen wenk te staren.
Dat hemel, aard en zee, en berg en dal.
Hoever men ook zijn schepter ziet reseeren.
Nu zijnen naam en ^roote deugden eeren;
En gij mijn ziel, loof gij Hem bovenal.
Jen,
2. Gij zoldert in de waatren uwen troon:
De wolken, steeds gereed op uw geboón,
Op 't hoogst vereerd dat zij haar Koning dragen. Verstrekken U als tot een zegewagen.
Gij wandelt op de vleuglen van den wind.
Dien Ge. als 't heelal, aan uwen dienst verbindt. Een geestenbeir maakt Gij uw afgezanten, Een vlammend vuur uw trouwe rijkstrawanten.
3. Uw wonderkracht heeft in den morgenstond Des vluggen tijds deze aarde vast gegrond:
Wat in haar kreits ooit wanklen moog of wijken. Zij zal, door U gevestigd, nooit bezwijken.
Zij. die ten blijk van uwe macht verstrekt. Was eertijds niet den afgrond overdekt Als met een kleed; de hoogte van de golven Hield al 't gebergt in 't grondloos diep bedolven.
4. De Godheid sprak en donderde in de lucht:
De woeste zee, verschrikt door 't sterk gerucht. Vlood haastig heen naar 't perk haar aangewezen, liet log gevaart der bergen, opgerezen.
Vertoonde 'teerst zijn korts onzichtbren top. En hief alom de fiere kruinen op.
't Ontelbaar tal van vruchtbre dalen daalde Ter juiste plaats, die Gods bevel bepaalde.
PAUZE 1.
5. De ontembre. zee houdt stand waar 't God gebiedt, Zij overschrijdt de vaste stranden niet;
Zy ziet haar macht door hooger macht hetoomen,
PSALM 104.
En zal deze aard nooit weder overstroomen.
Gods goedheid zendt de koele bronnen uit: Zij wandelen, met ruischend stroomgeluid,
De bergen om, en dwalen en verspreien Zich wijd en zijd door beemden en valleien.
6. Het nuttij; vee en 't roofziek boschgediert.
Zelfs de ezel die door woeste wouden zwiert,
Die, ongetemd, zich kreunt aan juk noch koorden. Vindt lafenis aan hare frissche boorden.
't Gevoselte dat in zijn snelle vlucht De vlerken klapt en opstijft naar de lucht.
Of uit het loof zijn schelle stem laat hooren.
Heeft aan haar zoom zijn woningen verkoren.
7. 't Is God wiens hand de bergen water schenkt. Den droogen grond uit zijnen heinel drenkl.
Den regen geeft uit zijne hooge zalen. En vruchtbaarheid doet zweven in de dalen.
Dan schiet voor 't vee de teedre grasscheut uit;
Tot 's menschen dienst ontluikt dan 't geurig kruid; Dan spruit het brood, nog in d ;n halm besloten,
Uit de aarde voort, door milde i dauw begoten.
8. God geeft den wijn, tot vreugd voor 't hart bereid. En de olie die een glans op 't aanschijn spreidt.
En 't lieflijk brood dat onze kracht moet voeden; Hij wil ons dus verkwikken en jchoeden.
't Is God alleen, die door zijn sterke hand Den Libanon met cederen beplant,
't Geboomte voedt, en kracht sehonkt, onder 't kweeken Aan 'tlomrig woud, aan schaduwrijke streken.
9. Het vogeltje vindt schuilplaats in hun loof.
En vormt zijn nestje uit zijn vei gaarden roof;
De dennen zijn, daar ze opgaan als pilaren.
Het steil verblijf der kleppende ooievaren.
De steenbok springt en klautert van den top Des heuvels tot de kruin der bergen op;
De hooge rots houdt in verborgen holen Het schuw konijn voor ons gezicht verscholen.
PAUZE 2.
10. De gouden zon weet waar zij schuil moet gaan. De wisseling der wisselende maan,
Aan tijd en loop op 't wonderbaarst verbonden, Verschijnt ons oog op haar bepaalde stonden.
Gij Heer beschikt door uw geduchte mocht De duisternis, en 't wordt op aarde nacht:
Wanneer 't gediert door woud en veld mag dwalen. Om voedsel voor het hongrig nest te halen.
11. Het donker bosch weergalmt op 't heesch geschreeuw Van leeuwewelp en lieren jongen leeuw ,
Die heet op roof, in afgelegen h.leken.
PSALM 104.
Al brullend, spijs van God, den gever, zoeken;
Maar op de komst van liclit en dageraad.
Op 'tzien der zou in 'tluisterrijk gewaad.
Keert elk van beu naar zijn verborgen kuilen.
Waar zij, verzaad, zicb voor ons oog verscbuilen.
. Dan wordt de menscb door 't rijzend morgenlicbt
Gewekt, gewenkt tot arbeid, tot zijn plicbt. Hü plant, hij bouwt, men ziet hem zwoegen, draven Tot 's avonds toe laat bij niet af van slaven. Hoe scboon, boe groot, o Oppermajesteit,
Is al uw werk gevormd met wijs beleid! Uw wijsheid streelt oplettende gemoedren : Al 't aardrijk is vervuld met uwe goedren.
. De onpeilbre zee ber^t in baar ruimen scboot Een talloos tal van scbepslen, klein en groot. Die in baar diept' al weemlend zicb vergüren. Het golvend ruim der rusteluoze baren Wordt steeds doorkruist van schepen, wijd en zijd; Daar zwemt en duikt het schubbig heir om strijd, Daar laat Gij zelfs den leviathan spelen ,
Den schrik der zee in deze vreugde deelen.
PAUZE 3.
. Wat in de lucht, op de aard, in 't water leeft,
't Wacht ^1 op U, die elk zijn spijze Keeft,
't Wacht ül op U, die alles kunt behoeden.
Als uwe gunst al 'i achepslenheir wil voeden. En liefderijk aan hunne nooddruft denkt, Vergaadren zij den voorraad dien Gij schenkt. En worden, door uw goedheid mild bejegend.
Elk op zijn tijd, in overvloed gezegend.
. Verbergt Ge, o God, uw glansrijk aangezicht.
Dan siddren zij op 't missen van dat licht. Dat troostrijk licht, waardoor zij 't licht verwerven, ^eemt uwe hand hun adem weg, zij sterven: Zij worden stof, gelük zij zijn geweest.
Bezielt Gij hen door 't zenden van uw Geest, Dan ziet men hen weer leven als tevoren,
Dan wordt al de aard met nieuwen glans herboren.
De heerlijkheid der hoogste Majesteit Zij hoog geroemd en dure in eeuwigheid;
Zij blinke alom, en keune paal noch perken;
Dat zich de Ubrb verblijde in al zijn werken. Het aardrijk schudt, als God in gramschap blaakt; Wanneer zijn hand de booge bergen raakt.
Slaan zij terstond aan *tsidderen, aan 't rooken , Inwendig door Gods almacht aangestoken.
Ik zal zoolang ik 't levenslicht geniet Gods mogendheid verheften in mijn lieu ;
Ik zal mijn God met lofgezangen eeren ,
PSALM 10-j.
Terwyl ik nog op aardc Tna? verkeeren.
Mijn aandacht zal op Hem scvestigd staan. En met vermaak zijn grootheid gadeslaan. Ik zal mij in den God mijna heils verblijden. En dag op dag aan Hem mijn psalmen wijden. 18. De zondaar zal verdelgd zijn op Gods wenk; De boosheid zal vergaan eer 't iemand denk'. Waak öp mijn ziel, wil uwen Schepper eeren; Geloofd zij God! men loof den Heer der heeren !
PSALM 105.
2. Juicht elk om strijd met blijde galmen: Zingt, zingt den Hoogste vreugdepsalmen ;
Beroemt u in zijn heiljren naam; Dat wie hem zoeken nu tezaam Hun hart vercenen tot zijn eer.
En zich verblijden in den Hkek.
3. Vraagt naar den Heer en zijne sterkte. Naar Hem die al uw heil bewerkte;
Zoekt dagelijks zijn aanarezient;
Gedenkt aan 'tgeen Hij heeft verricht. Aan ziin doorluchte wondcrdaamp;n. En wilt zijn straffen gadeslaan.
4. Gij volk uit Abraham gesproken. Dat zooveel gunsten hebt genoten,
Gij Jakobs kindren, die de Heer Heeft uitverkoren, meldt zijn eer. De Heer is onze God, die de aard Alom door zijn gericht vervaart,
PAUZE 1.
5. God zal zijn waarheid nimmer krenken. Maar eeuwig zijn verbond gedenken.
Zijn woord wordt altoos trouw volbracht. Tot in het duizendste geslacht.
't Verbond met Abraham, zijn vrind. Bevestigt Hij van kind tot kind.
6. Alwat Hij Izak heeft gezworen Heeft Hij ook aan zijn uitverkorenquot;.
Aan Jakob, tot een wet gesteld.
Van al 't beloofde heil verzeld.
En aan ganseh Isrel toegezeid Tot zijn verbond in eeuwigheid.
7. Hij sprak; «Ik zal de schoonste landen, 'k Zal Kanan leevren in uw handen,
«'t Welk 't snoer uws erfdeels wezen zal.» 1 Iet volk was weinig in getal, 't Verkeerde daar als vreemdeling.
Toen 't zulk een gunstrijk woord ontving.
8. Geleid door 's Heeren alvermogen.
Zijn zij van volk tot volk getogen.
Van 'teen naar 't ander rijksgebied. Hij duldde hun verdrukking niet,
Maar heeft zelfs vorsten op dien tocht. Om hunnentwil, met straf bezocht.
PAUZE 2.
9. God sprak, en deed den vorsten weten: «Tast mijn gezalfden, mijn profeten
«Niet aan door eenig leed of schand.» Hij riep een honger in het land:
Hij brak vergramd den staf des broods. En 't volk kwam in gevaar des doods.
10. Wie kan Gods wijs beleid doorgronden? Een man werd voor hen heen gezonden;
De vrome Jozef, rijk in deugd.
Tot slaaf verkocht in zijne jeugd, In ij«ren boeien wreed gekneld.
Werd, hun tot heil, in eer gesteld.
11. Toen hij door 't Godlijk alvermogen Beproefd was, toen voor aller oogen
Zijn woord in 't helder daglicht scheen. Toen bood de koning, om zijn reên Verbaasd, hem straks de vrijheid aan: Der volken heer deed hem ontslaan.
12. Hij kreeg van Farao in handen
't Bestier van huis en goed en landen;
Dies bond hij vorsten naar zijn lust. Van zijn verstand en deugd bewust.
Deed gansch Egyptes opperheer Al de oudsten luistren naar zijn leer.
178 PSALM 105.
FAUZE 3.
13. Daarna toog Israel, gedreven
Uoor nooddruft, tot behoud van 'tleven IS'aar 't rijk Egypte: Jakob kwam Als vreemdeling in 't land van Cham. Daar groeide en bloeide zijn geslacht. En overtrof zijns vijanda macht.
14. De harten der Egyptenaren,
Die eertijds Isrel gunstig waren. Verkeerden toen in bittren haat; Des Ileeren volk werd bits versmaad. Men smeedde lagen tot hun val; Verdrukking trof hen overal.
15. Maar God zond Mozes, die tevoren Door Hem met Aron was verkoren;
Zij beiden voerden Gods. besluit Door teekenen en wondren uit. En toonden in Egypteland De plagen van zijn strenge hand.
10. 'tWerd alles door zijn groot vermogen Met duisternissen overtogjn.
Niets wederstreefde 't hoog bevel Van God, den God van israel. Die beek en bron verkeerde in bloed. Den visch deed sterven i i dien vloed.
PAUZE 4.
17. Ook deed God uit de waterstroomen Een machtig heir van vorscben komen.
Dat doordrong tot in 's konings hof. De luizen kwamen voort uit stof; God sprak, en een ontelbre drom Van ongedierte zweefde alom.
18. Hij zond, in plaats van vruchtbren regei Zijn hagel neer, die allerwegen.
Met een verslindend vuur gepaard, Den frisschen wijnstok sloeg ter aard. Den vijgeboom met kruin en tak En al het vruchtgeboonUe brak.
19. De sprinkhaan en de kever kwamen. Gelijk een talloos leger, 'amen.
Verslonden wat het aardrijk gaf.
Toen heeft God, als de zwaarste straf, AI de eerstelingen burner kracht. Hun eerstgeboorntn omgebracht.
20. God deed zijn volk met wisse treden. Daar niemand struikelde in zijn schreden
Met zilver en met goad belaan,
PSALM 105.
Blijmoedig uit Egypte gaan.
Toen juichte om hun vertrek al 't land,
Daar 't ^1 door schrik was overmand.
PAUZE 5.
21. God breidde een wolk uit, om zijn scharen Bij dag te hoeden voor gevaren;
Hij gaf bun door zijn hoog bestuur Des nacbts ten licbt een wondervuur. Zij baden, en hun Opperheer Zond straks een beir van kwakklen neêr.
22. Zij werden daaglijks begenadigd.
Met manna, hemelscb brood, verzadigd; Gods hand bracht in dien dorren oord Rivieren uit een steenrots voort; Hij dacht om 't geen Hij aan zijn knecht. Aan Abraham, had toegezegd.
23. Dus toog 't verkoren volk des Heerrn Al juichend uit op Gods begeeren.
Het land der heidnen van rondom Schonk Hij hun tot een eigendom: Der volken arbeid werd geheel Aan Israel ten erüyk deel.
24. Die gunst heeft God zijn volk bewezen. Opdat het altoos Hem zou vreezen,
Zijn wet betrachten, en voortaan Volstandig op zijn wegen gaan.
Men roem dan de Oppermajesteit, Om zooveel gunst, in eeuwigheid.
180 PSALM lOfi.
2. Welzalig elk die 'trecht betracht.
Die te allen tijd zijn wetten acht.
O Heer, laat mij, naar 't welbehagen
Dat Ge in uw volk steeds hebt getoond, Ook roem op uw bescherming dragen. En met uw zegen zijn bekroond.
3. Geef dat mijn oog het goede aanschouw, 't Welk Gij, uit onbezweken trouw.
Uw uitverkoornen toe wilt voegen;
Opdat ik U mijn rotssteen noem. En, deelend in uws volks genoegen.
Mij met uw erfdeel blij beroem.
PAUZE 1.
4. Wij hebben God op 'thoogst misdaan; Wij zijn van 't heilspoor afgegaan;
Ja, wij en onze vaadnn tevens.
Verzuimende alle trouw en plicht. Vergramden God, den God des levens. Die zooveel wondrer had verricht.
5. Onze ouders, in Egypteland Beveiligd door zijn sierke hand.
Vergaten al zijn gunstbewijzen:
Zij morden aan de Roode zee,
In plaats van 's Heerer gunst te prijzen; Dies dreigde hen een zwaarder wee.
G. Doch om zijns naams wil, om zijn macht Te toonen aan dat dwaas geslacht.
Schold Hii de zee, dat ze uit moest droogen;
lïij deed hen langs haar gronden gaan. En toonde aan 's vijands heir 't vermogpn , Dat hen in nood had bijgestaan.
7. De waatren keerden in hun kolk.
Daar paard en ruiter, vorst en volk.
Tot lt;-6n toe, in den vloed versmoorden.
Toen had gansch Isrei juichensstof;
Toen , toen geloofden ze aan Gods woorden, Toen zong al 't volk des Hoogsten lof.
PAUZE 2.
8. Maar zij vergaten 's Heeren werk; Zij stelden hunnen God een perk:
Zij wilden in Hem niet berusten.
Maar durf.len in de wildernis Zijn macht beproeven door hun lusten. En 't hunkren naar Egyptes diseh.
9. Toen heeft Ilij ben met vleesch gevoed; Maar zond hun ziel, bij d'overvloed.
Een magerheid die ze uit deed teren. Zij dorsten Mozes quot;t. hoog bewind.
PSALM 100. 181
En Aron 't priesterambt des Hkkue\
Benijden, door hun waan verblind.
.0. Maar 't aardrijk opende zijn mond,
AVaarmeê 't Abiraius volk verslond.
En üatbans snoode vloekverwanten;
Een vuurgloed stak de tenten aan Van Ugodloos rot, aan alle kanten.
En deed bet door de vlam vergaan.
11. Zij maakten zicb, den lieer ten spot,
Een kalf bij Horeb tot een god,
Waarvoor zij zich eerbiedig bogen.
Een os die ^ras eet op het veld,
Een beeld, o gruwel in Gods oogen!
Werd toen aan Hem gelijkgesteld.
PAUZE 3.
12. Hun bart vergat den Opperheer,
Hun dierbren Heiland, die weleer
Hen redde van de Egyptenaren,
Die wondren deed in 't land van Chain,
Zich vreeslijk maakte in 't ruim der baren.
En Faro 't levenslicht benam.
13. Toen dreigde God hen met den dood;
En nimmer waren ze in dien nood
Zijn hooggeduchte wraak ontweken,
Zoo Mozes, zijn verkoren held,
Zich niet bij God met ernstig smeeken Voor hen had in de bres gesteld.
14. Zij hebben 't langgewenschte land Versmaad uit strafbaar onverstand.
En niet geloofd aan 's Hebrex woorden;
Zij morden daa^lijks in hun tent.
Dewijl ze naar zijn stem niet hoorden,
Hoe duidlljk ook aan hen bekend.
15. Dies zwoer de Almachtige, dat Hij Die snoorlen in de woestenij
Zou nedervellen en verderven;
Ja dat Hij hen, met al hun zaad.
Zou bij de beidnen om doen zwerven,
Van elk gevloekt, van elk versmaad.
PAUZE 4.
16. Zij bebben zich voor 't vloekaitaar,
Verleid door Moabs dochtrenschaar,
Tot Baiil-Peors dienst begeven:
Zij aten 's af^ods offerand;
Doch 't kostte aan duizenden het leven:
Gods wraak ontstak in feilen brand.
17. Toen weerde Pinehas de straf.
PSALM 10«.
^ Die moedig: 't recht voldoening gaf, En eerloos bloed langs de aard deed stroomen.
Die daad, ten zoen voor 'tvolk volbracht. Deed hem een eeuwige eer bekomen, Die standhield bij zijn nageslacht.
18. Zij tergden, twistend, Gods gena,
Bij 't wonderwater Meriba,
Verbitterden den knecht des Ileeren;
Hij sprak in onbedachtzaamheid;
Dies moest hij 't vruchtbaar land ontberen. Den ganschen volke toegezeid.
PAUZE 5.
19. Zij spaarden volken , tot Gods hoon,
Die Hij bevolen had te doón;
En, aan der heidnen stam verbonden,
Vervielen zij tot afgodüdienst.
En wrochten door gelijke zonden Zichzelv' een strik op rt onvoorzienst.
J0. Men za» hen zelfs, door drift verblind. Hun dierbaar kroost, l oe teer bemind. Den duivelen ten offer brengen;
Men zag hen, trouwloos en verwoed, Op Kanans vloekaltaren plengen Der kinderen onschuldig bloed.
!1. Die onnatuurlijke offerand,
Die bloedschuld bracht een smet op 't land. Zij werden onrein door hui daden,
^ Door hoererij en vuil geiirag;
Zij durfden Isrels God versmaden.
Maar beelden toon len zij ontzag.
12. Dit alles spoorde God tot wraak:
Zijn volk, zijn erf, zijn hoogst vermaak, «erd nu een gruwel in zijn oogen:
Hij gaf hen in der heidnen macht.
Waardoor zij zonder mededoogen In slaafsche keetnen zijn gebracht.
PAUZE G.
Hun vijand heeft hen wreed verdrukt;
Zij lagen jammerlijk gebukt;
En schoon de Algoedheid, op hun smeeken, â..quot;H!1 rampen dikwijls heeft geweerd,
Zij zijn weer telkens afgeweken.
En door hun zonden uitgeteerd.
4. Nochtans was God met hen begaan,
Hij zag hun angst, hun tranen aan.
En hunner hateren verwoedheid;
Hij dacht aan zijn gestaafd verbond.
En had berouw, naar al zijn goedheid, Meedoogcndheid met Isrels wond.
PSALM 107.
Dies hebt Ge, o God, hun last verlicht. Zelfs voor huns vijands aangezicht. Verlos ons ook, als onze vaadren ;
Wil ons, nos overal verspreid.
Genadig weer hijé^nvergaadren:
Zoo worde uw naam en roem verbreid.
Geloofd zij Isrels groote God!
Zijn gunst schenk ons dit heilgenot; Zoo zullen wij zijn goedheid danken.
Dat alwat leeft Hem eeuwig eer! Al 'tvolk zeg amen op mijn klanken! Juich aarde, loof den Opperheer!
2. Die Hij van ver uit de oorden
Van 't oost en 't westen bracht. En van de zee en 't noorden Geleidde door zijn macht; Die op een aaklig pad,
In woeste wildernissen.
Omzwierven, en een stad Ter woning moesten misuen.
3. Uier raakten zü aan 't kwijnen
Door dorst en hongersnood ; Hun ziel leed duizend pijnen En angsten van den dood.
Doch toen zij in 't gebed Tot Isrels Heer zich wendden.
Heeft hen zijn arm gered Uit angsten en ellenden.
PSALM 1U7.
God bracht na tegenheden
Hen weer op 't rechte pad, En richtte hunne schreden Naar een gewenschte stad.
Laat zulken voor den Hkkr Ziin milde Kansthewyzen,
Zyn wondren. Hem ter eer.
Voor 't gansche menschdom prijzen;
Dewijl Hij hen versmaadde Die dorstten, en met goed Den honger, uit genade.
Vervulde in overvloed.
Daar ze in die bitterheên Den dood voor oogen zagen.
Van alle kant öestreên.
Deed God hun heillicht dagen.
PAUZE 1.
Zij die gebonden zaten
In schaduw van den dood.
Omdat zij God ve -gaten,
Vervielen in ditn nood.
Toen werd hun wreevlig hart Verneêrd door zwerigheden ;
Zü struikelden, hun smart Werd hulpeloos geleden.
Doch riepen ze in de ellenden
Den Hker ootmo.-dig aan,
Hii deed hun angst'n enden.
En hen 'f gevaar ontgaan : Hij hielp hen uit len nood, IIÃ bracht hen uit het duister Der schaduw van den dood, Hij brak hun band en kluister.
Laat zulken eer bewijzen
Aan 's Hkeben gunst en macht. En al zijn wondren prijzen Voor 't menschelijk geslacht. Hij was 't voor wien gereed De koopren deuren weken.
Die ijzren grendlen deed In duizend stukken breken.
De zotten overtreden.
En krijgen hunne straf;
Om de ongerechtigheden Mat plaaï op plaag ben af. Zij walgden zelfs van brood,
Geen beste spijzen smaakten,
Terwijl zij vast den dood Met schrik en vrees genaakten.
Doch riepen ze in de ellenden
PSALM 107. 185
Den Heer ootmoedig aan.
Uil deed hun angsten enden.
En hen 't gevaar ontdaan :
Hij zond zijn krachtig woord,
HÃ deed hen bij zich schuilen.
Bracht hun genezing voort,
En rukte ze uit hun kuilen.
11. Laat zulken eer bewijzen
Aan 's Herren gunst en macht.
En al zijn wond ren prijzen Voor 't menschel ijk geslacht.
't Lofoffer worde om strijd Hem juichend opgedragen,
Terwijl zij wijd en zijd Van al zijn werk gewagen.
PAUZE 2.
12. Zij die de zee bevaren
Met schepen, rijk bevracht.
Zien op de groote baren Gods wijsheid, gunst en macht;
Daar leeren zij de dalt;\n De» Heeren klaar bemerken.
En in de diepe paan Zijn groote wonderwerken.
13. Hij wekt, met slechts te spreken.
Een stormwind voor hun oog;
Dan beeft het ill, dan steken De golven 't hoofd omhoog.
Nu ziet men 'tschip de lucht.
Dan weer den afgrond naadren;
Hun hart geeft zucht op zucht,
Hun bloed verstijft in de aadren.
14. Zij dansen, wagglen, vallen.
Gelijk een dronken man ;
De wijsheid van hen allen,
Hoe groot, bezwijkt er van.
Doch toen zij in 't gebed Tot Isrels Heer zich wendden
Heeft hen zijn arm gered Uit angsten en ellenden.
15. Hii doet den storm bedaren.
De golven zwijgen stil Nu rijst de vreugd: de baren Zijn effen op Gods wil:
Nu wijkt verslagenheid.
Na zooveel angstig slaven ,
Daar God hen veilig leidt In hun begeerde haven.
16. Laat zulken eer bewijzen
Aan 's Heeren gunst en macht.
En al zijn won (Iron prijzen Voor 't racnschpü.ik geslacht; En, dankbaar, bij 't fferaecn quot;God hun Verlosser noemen.
En bij 's lands overheên Zijn naam en deugden roemen.
PAUZE 3.
17. Nn stelt God waterbeken Tot bar en dorstig land. Herschept in dorre streken Rivieren door zijn hand;
Hij stelt een vruchtbaar oord Tot woeste en zoute gronden,
En straft ze, naar zijn woord. Die daar zijn wetten schonden.
IS. Dan maakt Hij weer woestijnen Zeer rijk van vruchtbaar nat; Daar 't land, dat eerst m jest kwijnen, Nu beek bij beek bevit. En hongerigen voedt.
Die nu de weelde aanschouwen.
Zoodat zij daar met spoed Een stad ter woning bo iwen.
l'J. Daar ziet men hen dan saaien; De wijngaard wordt geplant: Zij mogen rijklijk maaien He vruchten van het land;
Daar God zijn zegen geeft. En 'thuis vervult met kindren.
En 't vee dat ieder heeft Op 't veld niet doet vermindren.
quot;0. Maar wil dit volk niet bukken
Voor God , 't wordt ras verneêrd , 't Raakt t' onder door verdrukken , Het wordt van 't kwaad verteerd: Daar Hij zelfs prinsen slaat, 0|) wie Hij hoon doet dalen.
En die Hij tot een smaad Doet in het woeste dwalen.
21. Maar wie nu hulploos kermen.
Verdrukt en vol gebrek,
Brengt God, door vrij ontfermen, Haast in een hoog v;rtrek; De vruchtbaarheid verheugt Hun huis van gansclur harte:
De oprechten zien 't met vreugd, Maar ue ondeugd zwijgt met smarte.
22. Wie wijs is merk die dingen.
En geef verstandig acht
I'S A LM 108. Op 'sIïeeren handelingen. Zoo vol van gunst als macht.
!. Ik zal, o Heer, uw wonderdaün. Uw roem den volken doen verstaan; quot;Want uwe. goedertierenheid Is tot de heemlen uitgebreid; Uw waarheid heeft noch paal noch perk. Maar streeft tot aan het hoogste zwerk. Verhef U boven 's hemels kringen,
Eu leer al de aard uw grootheid zingen.
5. Zoo worde uw dierbaar volk in H end Bevrijd van rampspoed en ellend.
O God, verlos ons door uw hand; Verhoor ons, zend ons onderstand. Gy hebt tot onze vreugd voorspeld,
En in uw heiligdom gemeld.
Dat Sichem mij zijn vorst zou heeten. En ik het dal van Sukkoth me een.
PAUZE.
I. Gansch Gilead behoort aan mij;
'k Voer in Manasse heerschappij;
Ik zie hen knielen voor mijn kroon;
Daar 't moedig Efraïm mijn troon Door zijn geduchte macht versterkt, En Juda's wijsheid medewerkt
I'S A LM 109.
Om mijnen zetel vasttezetten
Door welgeschikte en scbrandre wetten.
5. Gansch Moab buigt ztcb dienstbaar neer. Erkent mij voor zijn opperheer;
Daar 't, van zijn boogen troon (fP-stort, Vcracbtlijk mij ten waschpot wordt.
Ik werp mijn schoen op Edoms grond. Op Edom, 't welk mijn macht weerstond; 'k Juich over u, o Palestijne,
Als ik in zegepraal verscbijne.
G. Wie beeft mij zooveel heil bereid?
Wie is 't die mij in E iom leidt ?
Wie voert m\i iii een vaste stad?
O God, die ons verstooten hadt.
Gij die met onze legerschaar Ten strijd niet uittoogt in 't gevaar,
O God, wiens gramschap ons deed vreezen. Wiens gunst ons troost, zult Gij 't niet wezen?
7. O God, die 's lands benauwbeid ziet,
lied toch uw volk uit zijn verdriet;
Want 'a menschen heil is ijdelheid;
Maar als Gods almacht ons geleidt.
Dan doen we in Hem de kloekste daan, Zoodat wij duizenden verslaan;
Want allen die ons wederstreven Zal Hij vertreden en doen sneven.
2. Ze omringden mij met booze woorden, Die mij als priemen 't hart doorboorden;
PSALM 109.
Ik word op 't allerfelst bestreden. Verdrukt, mishandeld toiren reden.
'k Heb voor mijn liefde baat behaald ; Ik bad, maar 'k werd met vloek betaald.
Zij hebben kwaad voor froed verdolden, Voor liefde haat, mijn deugd gescholden. Gij , God der wraak, straf dezen booze; Stel over hem een goddelooze;
De satan biê hem tegenstand,
En sta aan zijne rechterhand.
Verklaar hem schuldig in 't fferichte; Verdrijf hem van uw aan gezichte;
Houd zijn gebeden zelfs voor zonden: Hij_ heeft zich tegen God verbonden. Verkort zijn dagen; vel hem neer; Een ander neem zijn ambt en eer.
Laat zijne kinderen als weezen.
Zijn vrouw als weduw hulploos vreezen; Laat hier en ginds zijn kindrcn zwerven. Steeds beedlen, en de nooddruft derven. Die 't huisgezin, gesmaad, gevloekt. Dit zijn verwoeste plaatsen zoekt.
Al wat hij heeft, hoe hij moog klagen. Worde om zijn schulden aangeslagen; Hij zie de vrucht van al zijn sloven Door woeste vreemdelingen rooven; Dat niemand hem in nood verblij. Of zijnen weezen gunstig zij.
PAUZE 1.
Laat kwaad op kwaad zijn huis omringen, Roei uit al zijn nakomelingen.
En dat in 't volgende geslachte Elk hun verstorven naam verachte: Der vaadren misdaad zelfs verschaf Den Heerk reden tot zijn straf.
Dat niets uit Gods gedachtenisse De zonde zijner moeder wissche;
Laat die, door God hun toegerekend. Gedurig staan voor Hem geteekend: Dat God daarover steeds zich belg. En hunnen naam van de aard verdelg;
Omdat hij tegen zijn geweten Het weldoen trouwloos heeft vergeten, En den ellendigen en armen Vervolgd, in plaats van zich te erbarmen; Ja den verslagene van geest Is tot een moordenaar geweest.
Hij heeft den vloek op zich genomen:
PSALM 109.
Laat dan die vloek hem overkomen. Hij heeft seen lust gehad tot zegen:
Dies word* die nooit van hem verkregen Maar dat de vloek hem overdek En tot een aaklig kleed verstrek.
11. Laat die, om al zijn handelingen.
Tot in zijn hart als water dringen; Als olie, rijkelijk geschonken,
Ln door de heendren ingedronken: Dat hem die vloek zijn deksel geef. En als een gordel aan hem kleef.
1quot;. Dit loon krijge elk van 's IIeerex hande Die zoo godloos mij aan durft randen, En met zijn lastertong mij dooden;
Maar Gij o Heer, o God der goden. Dat uwe hand mij heil bestel;
Doe, om uws naams wil, aan mij wftl.
PAUZE 2.
13. Uw gunst is groot, zij ia bestendig. Verlos mij dan, ik ben ellendig. Nooddruftig, 'kvoel mijn kracht verbrokt Mijn hart met wond op -vond doorstoken
Ik ga gelijk de schaduw heen,
Wanneer de zon snelt naarbeneön.
14. Gelijk een sprinkhaan omgedreven,
Berg ik, nu hier, dan dat.r, mijn leven; Mijn knieën weigren mij te schragen
En 't afgematte lijf te dragen ;
Mijn vleesch is mager, uitgeteerd. Zoodat het alle vet ontbeert.
l*1»* Al ben ik met die smart beladen.
Nog gaan zij voort met mij te smaden, Met mij al schimpende te groeten ; Zij schudden 't hoofd die mij ontmoeten. O Heer, help mij die U verbeid.
Naar uwe goedertierenheid:
Ifi. Opdat zij weten en beliidrn.
Dat uwe hand mij wil bevrijden.
Dat Gij o Heer mijn recht doet gelden: Laat hen dan vloeken, lastren, schelden; Maar zegen Gij mij, o mijn God!
Gij zijt mijn erfdeel en myn lot.
17. Beschaam hun raadslag te allen tijde; Maar dat het heil uw' knecht verblijde. Dat schande mijnen vijand dekke. Dat schaamte hem ten kleed verstrekke; Dat zij hem tot een mantel dien'. Waarmee wij hem omhangen zien.
PSALM 110.
18. Ik zal den Heer op 't hoogste prijzen, 'k Zal Hem bij velen eer bewijzen; quot;Want Hij zal zieb gewis erbarmen. En staan ter rechterband des armen, Hem redden uit het snood gericht. Waar 't vonnis tot zijn doodstraf ligt.
|
PSALM 110. | ||
|
II 1 f 'i t1 | ||
|
ï |
1. Dus |
heeft de Heer tot mijnen Heer gesproken: |
|
p |
^--(*, quot;jftr ' ' ------^â[f' Q | |
|
«Zit op |
den troon ter rechterhand naast mij Tot | |
|
1 ! | ||
|
«ik de |
macht uws vijands heb verbroken. En U | |
1
«zijn nek tot eene voetbank zij.»
Uit Sion zal de Heer uw schepter zenden. Den schepter van uw oppermogendheid,
PSALM 111.
2. Pos Heeuen werken z jn zeer groot: Wie ooit daarin zijn lust genoot.
Doorzoekt die ijvrig en bestendig.
Zijn doen is enkel majesteit. Aanbiddelijke heerlijkheid.
En zijn gerechtigheid on3ndig.
3. Hij maakte. Hij die hterlijk is.
Zijn wondren een gedachtenis;
IIü is barmhartig en genadig:
(lij gaf hun die Hem vreezen spijs. En, zijnen grooten naam ten prijs, Gedenkt Hij zijns verbonds gestadig. PAUZE.
4. Hij heeft de kracht zijns werks getoond Aan 't volk waarbij Hij gunstrijk woont;
Hij gaf, ten hunnen nutte en voordeel. Hun de erve van het heidendom. Des Heeren werken zijn alom En altoos waarheid, recht en oordeel.
5. 't Is trouw alwat Hij ooit beval; Het staat op recht en waarheid pal,
Als op onwrikhre steunpilaren:
Hij is het die verlossing zond Aan al zijn volk; Hi, zal 't verbond Met hen in eeuwigheid bewaren.
6. Zijn naam is heilig '_n geducht;
De vijand beeft op zijn gerucht;
Maar 's Heeren vrees zal altoos wezen 't Begin der wijsheid ; wien Gods hand Die doet betrachten , heeft verstand :
Zijn naam blijft eeuwiglijk geprezen.
192
I'S ALM 111. Wijze van 1'salra 21.
PSALM 112.
2. T)e rijkdom zal zijn huis verzeilen;
Bij have zal hij have tellen ;
Zijn deugd zal nimmer vruchten missen; Hem rijst het licht in duisternissen; Hij toont zich ieders liefde wiardig, Is goed, barmhartig en rechtvaardig.
3. Wêl hem die steeds zich zal erbarmen. Die van het zijne leent den armen:
Hij schikt naar 't recht zijn huisbelangen; Nooit zal hij wanklen in zijn gangen;
Zijn naam, beroemd door zijn bedrijven. Zal eeuwig in gedachtnis blijven.
4. Geen kwaad gerucht zal hem ontzetten. Zijn hart is vast in 's Hekken wetten; Want hij betrouwt op Gods genade;
Hij vreest voor schande, leed noch schade: \Vtgt;l ondersteund, zal hij niet wijken. Tot hij zijn vijand zie bezwijken.
5. Hij strooit steeds uit aan alle zijden. En geeft hun mild die nooddruft lijden; Zijn recht, hoe dikwerf ook geschonden. Steunt eeuwig op onwrikbre gronden;
Zijn hoorn en macht zal God verhoogen, En nimmer zijnen val gedoogen.
G. De goddelooze zal dit goede
Van hem aanschouwen, gram te moede; Met tandgekners zichzelf verteren;
193
1. Zingt, zingt den lof van 't Opperwezen; AVel-
ê=
U'
13
194
quot;Dp nijd zal zijne smart vcrmccren;
Vergeefs wenscht hij den val der vromen, quot;Want nooit zal God dien wensch doen komen.
2. Van waar de zon in 't oosten straalt. Tot waar ze in 't westen nederdaalt.
Zij 's IIeeren name lof gegeven.
De Heer is boven 't heidendom;
Zijn heerlijkheid, bekend alom,
Is boven zon en maan verheven.
3. quot;Wie is gelijk aan onzen Heer?
Aan God, die tot zijn eeuwige eer
Zijn troon gevest heeft in den hemel; Die, daar Hij 't wereldrond gebiedt. Van zijnen hoogen zetel ziet Op 't laag en nietig aardseh gewemel ?
4. Wie is aan onzen God gelijk.
Die armen opricht uit het slijk;
Nooddruftigen, van elk verstoeten, Goedgunstig opheft uit het stof.
En hen, verrijkt met e;r en lof,
Naast prinsen plaatst en wereldgrooten?
5. Wie roemt niet 's Heeren wondre trouw. Die mildeiijk de onvruchtbre vrouw.
Op hare beê, een blijde moeder Van lieve en frissche telgen maakt. En dus voor aller welzijn waakt ? Men loof den grooten Albehoeder.
2. Dit zag de zee met bevende oogen aan. En vlood terug; de bruisende Jordaan
Werd achterwaarts gedreven;
Het hoog en laag gcbergt sprong op in 't rond, Als 't wollig vee dat dartelt op den grond. En deed de velden beven.
3. Wat was 't o zee, dat xi zoo vluchten deed? En gij Jordaan, wat angst, wat prangend leed
Kon u terugge dringen?
Gij bergen en gij heuvels, wat gerucht Deed u met schrik dus steigren naar de lucht. Als lammeren die springen ?
Beef aarde, beef voor 's Heeren aangezicht, Voor Jakobs God, die uit he; eeuwig licht
Zijn Isrel hull) wou zenden.
Hij is 't wiens macht de rots verand ren kon In eenen vloed, den keisteen in een bron. Voor Isrels matte benden.
psalm 114, nr..
I'S ALM 115.
om uw trouw en goedcrtierenhcón, Alle eer en
$i=i=^=;
roem gegeven. Waarom, o Heer, zou 't heidendom
met spot Pan zeggen; quot;Waar, waar is toch nu hun
God, Bij hen 5 oo hoog verheven ?
2. Nochtans is God het loei van onzen lof;
Hij, onze God, Hij woont in 't hemelhof,
En doet al zijn behagen.
Hun afgoón zijn van zilver en van goud.
Slechts menschewerk, waaraan zoo snood als stout Gods eer wordt opgedragen.
3. Zij hebben wel een mond, doch die niet spreekt; Wel oogen- doch waaraan 't gezicht ontbreekt,
't Licht kan hun i iets ontdekken ;
Geen klank, hoe schel, dringt immer hun in 't oor; Men zetf hun vrij den besten wierook voor,
'tKan hun geen reuk verwekken.
4. Hun hand, hoe fraai bewerkt, tast nooit iets aan ; Hun voet, hoe wèl gevormd, kan nimmer gaan.
Hun keel geen klanken geven.
Hun maker deel in hun verachtlijk lot;
Wie op hen steunt, miss' nevens hen 'tgenot Van 't duurgeschatte leven.
PAUZE.
rgt;. Maar Israel, vertrouw gij op den Hkf.h;
HU is hun hulp, hun sterkte en al hun eer.
Hun schild, dat nooit zal wijken.
Vertrouw op God, gij Arons nageslacht;
Hij is hun schild, hun hulp, die hun zijn macht Zoo menigwerf deed blijken.
G. Vertrouwt op God, gi? allen die Hem vreest;
Hij is altoos hun sclmd, hun hulp geweest;
De Heer was ons gedachtig.
Zijn zegen blijft op Israel verspreid;
Aarons huis is die oo lt; toebereid.
God is getrouw en machtig.
7. Elk die Hem vreest, hoe klein hij zij of groot. Wordt van dat heil, die weldaamp;n, deelgenoot ; Hij zal ze groo'er maken.
En ze u, zoowel als 't kroost dut gij bciuiol, Uat nevens u zich aan Gods wet verbindt,
In dubble maat doen smaken.
De al goede God, die door zijn groote kracht Den hemel schiep, deze aard heeft voortgebracht.
Beschenkt u met zijn zegen.
De hemel is zijn eigendom , zijn troon;
Maar 't menschdom heeft de vruchtbare aard ter woon Van onzen God verkregen.
. In 't stille graf zingt niemand 's Hkkkkn lof: Het zielloos lijf. gedompeld in het stof.
Kan Hem geen glorie geven;
Maar onze tong zinijt, tot in eeuwigheid.
Des Hberen lof, zijn roem en majesteit.
Looft God , de bron van 't leven.
|
PSALM HG. Wijze van Psalm 74. | ||||||||||
| ||||||||||
|
neigt zijn oor; 'k roep tot Hem al mijn dagen; | ||||||||||
Hij schenkt mij hulp. Hij redt mij keer op keer.
2. Ik lag gekneld in banden van den dood.
Daar de angst der hel mij allen troost deed missen; Ik was benauwd, omrinsd door droefenissen.
Maar riep den Heer dus aan in al mijn nood:
3. ((Och Heer, och wierd mijn ziel door U gered!» Toen hoorde God; Hij is mijn liefde waardig:
De Heer is groot, genadig en rechtvaardig.
En onze God ontfermt zich op 't gebed.
4. De eenvoudigen wil God steeds gadeslaan;
'k Was uitgeteerd, maar Hij zag op mij neder. Keer, mijne ziel, tot uwe ruste weder:
Gij zijt verlost; God heeft u welgedaan.
}. Gij hebt, o Heer in 't doodlijkst tijdsgewricht Mijn ziel gered, mijn tranen willen droogen. Mijn voet geschraagd; dies zal ik voor Gods ooge Steeds wandelen in 't vroolijk levenslicht.
PAUZE.
ü. Ik heb geloofd, ilies sprak ik tot Gods eer.
'k Was zeer bedrukt; ik liet in haast mijn lippen. Door drift vervoerd, dees harde taal ontglippen: «Bij menschen is noch trouw noch waarheid meer.»
7. Wat zal ik, met Gods gunsten overlain.
Dien trouwen Heer voor zijn genamp; vergelden ?
'k Kal bij den kelk dos heils zijn naam vermelden. En roepen Hem met blijde erkentnis aan.
8. Nu zal ik voor de weldaAn, die 'k gen90t. Aan Hem, naar mijn geloften, eer bewijzen. Hem onder al zijn gunstgenooten prijzen.
Hoe kostlük is in 's Heeuegt; oog hun dood 1
9. Och Heer, ik ben, o ja ik ben uw knecht.
Uw dienstmaagds zoon; Gij slaaktct mijne banden: Dies doe ik U gewillige offeranden Van lof en dank, U plechtig toegezegd.
10. Ik zal uw naam met dankerkentenis Verbeflen, U al mijn geloften brengen;
'k Zal liefde en lof voor U ten cffer mengen, In 't heiligdom, waar 't volk vergaderd is.
11. Ik zal met vreugd in 'thuis dts Heeren gaan. Om daar met lof uw grooten na.-.m te danken: Jeruzalem, gij hoort die blijde klanken;
Elk hef met mij den lof des Heeren aan.
Zijn goedheid duurt in eeuwigheid.
2. Laat Arons huis Gods goedheid loven. En zeggen: Roemt Gods majesteit:
Zijn goedheid saat het ill teboven.
Zijn goedheid duurt in eeuwigheid.
Laat die God vreezen Hem nu loven. En zeggen: Roemt Gods majesteit:
Zijn goedheid gaat het ;\1 teboven.
Zijn goedheid duurt in eeuwigheid.
3. Ik werd benauwd van alle zijden.
En riep den Hekr ootmoedig aan:
De Heek verhoorde mij in 't lijden.
En deed mij in de ruimte gaan.
De Ueer is bij mij, 'k zal niet vreezen;
De Heer zal mij getrouw bohoên:
Daar God mijn schild en hulp wil wezen. Wat zal een nietig mensch mij doen t
PAUZE 1.
4. De Heer is aan de spits getreden Dergenen die mij hulpe bién:
Ik zal, gered uit zwarigheden ,
Mijn lust aan mijne haatren zien.
't Is beter, als we om redding wenschen.
Te vluchten tot des Heehe.n macht.
Dan dat men ooit vertrouwe op menschen. Of zelfs van prinsen hulp verwacht'.
PSALM 118
00 PSALM 118.
5. Toen ik de hoidnen aan zug rukkcu,
Heb ik in 's Heeres kracht gestreên ; Ik hieuw ze in 's Hekken naam aan stukken ,
Vertrouwende op dien naam alleen.
Ik kon noch vóór- noch rugwaarts keeren,
Omringd, ja gansch omringd ter dood; Ik sloes hen in den naam des Herren,
JDie mij goedgunstig bijstand bood.
6. Zii hadden mij omringd als bijen.
Maar zijn als doornenvuur vergaan; 'k Mocht hen in 's Hekken kracht bestrijen,
In 's Heeren naam ben gansch verslaan. Gij hadt me, o vijand, bard gestooten.
Tol vallens toe my onderdrukt:
De Heer bewaart zijn gunstgenooten, De Heek heeft zelf mij uitgerukt.
7. De Heer is mij tot hulp en sterkte;
Hij is mijn lied, mijn psalmgezang; Hij was het die mijn beil bewerkte.
Dies loof ik Hem mijn leven lang. Men hoort der vromen tent weergalmen
Van hulp en heil, ons aangebracht;
Daar zingt men blij, met dankbre psalmen: Gods rechterhand doet gi-oote kracht.
PAUZE 2.
8. Gods rechterhand is hoogverheven:
Des Heeren sterke rechterband Doet door haar daan de wereld beven.
Houdt door haar kracht Gods volk in stand. Ik zal door 's vijands zwaard niet sterven.
Maar leven, en des Heeren dafm, Waardoor wij zooveel heil verwerven, Elk, tot zijn eer, doen gadeslaan.
9. De Heer wou mij wel hard kastijden.
Maar stortte mij niet in den dood. Verzachtte vaderlijk mijn lijden.
En redde mij uit allen nood.
Ontsluit, ontsluit voor mijne schreden
De poorten der gerechtigheid:
Door deze zal ik binnentreden,
En loven 's Heeren majesteit.
10. Dit is, dit is de poort des. Heeren;
Daar zal 't rechtvaardig volk door treên, Om hunnen God ootmoedig te eeren.
Voor 't smaken zijner zaligheên.
Ik zil uw naam en goedheid prijzen:
Gij hebt geboord; Gij zijt mijn' geest. Dor uw ontelbre ïunstbi wijzen,
Tot hulp en heil en vreugd geweest.
PSALM ll'J.
PAUZE 3.
U. Di» steen, dien door de teinpelbouwers Yerachtlnk was een plaats ontzegd, Is, tot verbazing der beschouwers.
Van God ten boofd des boeks gelegd. ])it werk is door Gods alvermogen.
Door 's Hef.rex band alleen geschied; Het is een wonder in onze OOgen;
Wij zien bet, maar doorgronden 't niet.
12. Dit is de dag. de roem der dagen.
Dien Isrels God geheiligd beeft:
Laat ons verheugd, van zorg ontslagen,
Hem roemen die ons blijdschap geeft. Och Heer, geef thans uw zegeningen;
Och Heer, geef heil op dezen dag; Och dat men op deze eerstelingen Een rijken oogst van voorspoed zag!
13. Gezegend zij de groote Koning,
Die tot ons komt in 's Heerex naam. Wij zeegnen U uit 's Hekken woning.
Wij zegenen TJ altezaam.
De Heer is God, door wien we aanschouwen
Het vroolijk licht, na bang gevaar:
Bindt de offerdieren dan met touwen Tot aan de hoornen van 't altaar.
1-1. Gij zijt mijn God, U zal ik loven, Verboogen uwe majesteit.
Miin God, niets gaat uw roem teboven;
U prijs ik tot in eeuwigheid.
Laat ieder 's Heeren goedheid loven.
Want goed is de Oppermajesteit:
Zijn goedheid gaat bet ill teboven.
Zijn goedheid duurt in eeuwigheid.
PSALM 119. 1. ALEF.
2. Wie, wars van 't kwaad, niet in de zonde leeft. Maar zijnen gang bestiert na ir quot;quot;s Heerex wetten.
Gij groote God, die ons bevelen geeft.
Gij eischt dat we op uw woord gestadig letten. En dat we ons hart, .aan uwen wil verkleefd, Geduriglijk op uwe wegen zetten.
3. Ocli schonkt Gij mij de hulp van uwen Geest! Mocht die mij op mijn paan ten leidsman strekken!
'k Hield dan uw wet, dan leefde ik onbevreesd; Dan zon geen schaamt' mijn aangezicht bedekken.
Wanneer ik steeds opmerkend was geweest, Uou uw gehoon mij tot uw liei'de wekken.
4. Ik zal, oprecht van hart, uw naam, o Heer, Gestaag tien roem van uwe grootheid geven.
Als ik 't gezag en 't heilig oogmerk leer Van 't vlekloos recht, door uwe hand beschreven.
'k Zal uw gehoon bewaren tot uw eer;
Verlaat mij toch niet ganschlijk in dit leven.
2. BETH.
5. Waarmede zal de jongeling zijn pad.
Door ijdelheên omsingeld, rein bewaren?
Gewis, als hij het houdt naar 't heilig blad. U zoekt mijn hart, mijn oog blijft op U staren:
Laat mij van 't spoor, in uw geboön vervat.
Niet dwalen. Heer; laat mij niet hulploos varen.
G. 'k Heb in mijn hart uw rede weggelegd.
Opdat ik mij mocht wachten v.ior de zonden: Gij zijt, o Heer, gezegend; leer uw knecht Door 'tGodlijk woord, een helder licht bevonden. En door uw Geest, al de eischen van uw recht: Zoo wordt uw eer nooit stout door mij geschonden.
7. 'k Heb andren .al de rechter, van uw mond Met lust verteld, hen vlijtig onderwezen:
Dit al den schat van 't groate wereldrond Is nooit die vreugd in mijn gemoed gerezen.
Die 'k steeds in uw getuigenissen vond ,
Door mij betracht en andren aangeprezen.
PSALM 119.
I'S ALM 119. -0
8. Ik zal, o God, bepeinzen uwe wet,
In 't onderzoek v.m uw bevelen waken;
Terwijl mijn ziel op uwe paden let.
In uw geboön zal zieli mim geest yermakcu,
En daar ik hulp verwacut op mijn gebed.
Uw heilig woord vergeten noch verzaken.
3. GIMEL.
9. Doe bij uw knecht weldadigheid, o Heer,
Opdat ik leef, uw woorden moog bewaren.
En dat uw Geest mij ware wijsheid leer.
Mijn oog verlicht', de nevels op doe klaren;
Dat mijne ziel de woudreu zie en eer.
Die in uw wet alom zich openbaren.
10. Ik hen, o Heer, een vreemd ling hierbeneên;
Laat uw gehoon op reis mij niet ontbreken.
Daar mijne ziel, omringd door duisterheen, Zoodikwijls van verlangen is bezweken.
Om U 'te zien ter hooge vierschaar tre«in,
Tot straf van hen die snood zijn afgeweken.
11. Gij scheldt en straft vervloekte hoovaardij.
Gewend zoo wijd van uw gehoon te dwalen.
Dat toch uw gunst miin ziel van smaad bevnj. Die op mijn hoofd verachtlijk neer zou dalen:
Daar 'k U mijn dienst naar uw getuiguis wij. Om nooit uw straf mij op den hals te halen.
12. Wanneer ik zelfs door vorsten werd beticht, In 't hoog gestoelt op uwen knecht gebeten.
Heb ik mijn weg naar uw geboón gericht.
En die betracht met een oprecht geweten ;
Ook waren zij mijn raadsliên en myn licht;
'k Heb met vermaak mijn tijd daarin gesleten.
4. DALET1I.
13. Hoe kleeft miin ziel aan 't stof! Ai zie mijn nood; Herstel mij, doe mij naar uw woord herleven.
'k Lei voor uw ooï mijn weg en handel bloot; En welk een angst inij immermeer deed beven.
Gij hebt verhoord ; mank voorts uw weldaan groot. En laat uw wet mij onderrichting geven.
14. Och dat ik klaar en onderscheiden zag,
Hoe 'k mij naar uw bevelen moet gedragen,
woudreu recht betrachten dag aan (lag.
Mijn ziel druipt weg van treurigheid en klagen:
Ai richt mij op, verander mijn geklag;
quot;Wil naar uw woord mij gunstig onderschragen.
15. Weer snood bedrog, o God, van mijn gemoed; Laat uw gena mij uwe wetten leercn.
Ik kies den weg der waarheid voor mijn voet. Om mij van 't pad der zonden aftekeeren: L' w rechten, die zoo heilig zijn en goed,
l'SALM 119;
Stelde ik mij voor, die wil ik necdrig eeren.
1(3. Miju hart kleeft vast aan waarheid en aan deugd; Hot zal op uw getuigenissen hopen.
Beschaam mij niet, wil mij, in U verheugd. Tot uwe vrees, o Hker, gestadig nopen.
Als Gij mijn hart verwijdt door ware vreugd. Zal ik het pad van uw geboden loopen.
ó. UE.
17. Leer mij , o IIekr , den weg door U bepaald ; Dan zal ik dien ten einde toe bewaren.
Geef mij verstand, met Godlijk licht bestraald: Dan zal mijn ooi? op uwe wetren staren ;
Dan houd ik die, hoe licht mijn ziel ook dwaalt; Dan zal zich 't hart met mijne daden paren.
18. Doe mij op 't pad van uw geboden treên.
Schraag op dat spoor mijn wankelende gangen:
Daar strekt zich al mijn lust en liefde heen. Ai iieis mijn hart en vurig zielsverlangen,
O lieer, naar uw getuigenis alleen;
Laat gierigheid mij in haar strik niet vangen.
19. Wend, wend mijn oojc van de ijdelheden af; Verlevendig mijn hart door uwe wegen;
Dat mij 't betreên dier paden vreugd verschaf; Bevestig toch aan uwen knecht oen zegen.
Waartoe uw woord hem blijde hope gaf:
Hij is oprecht tot uwe vrees gentgen.
20. Weer van mü af de smaadheid lie ik vrees: Uw rechten, lieer, zijn goed en ^ij van vlekken.
Waarom ik die gestaag als heilig prees.
Zie al mijn lust tot uw bevel zich strekken.
Och dat er kracht en leven in mij rees!
Wil die door uw gerechtigheid verwekken.
6. VAU.
21. Dat mij, o IIker, uw goedertierenheid Toch overkoom, naar uw beloftenissen:
Dan geef ik aan mijn smader juist bescheid. Dan zal hij op zijn schimp geen antwoord missen;
Want ik vertrouw op 't woord mij toegezeid.
Geen leed zal 't ooit uit mijn geheugen wisschen.
22. Ai ruk het woord der waarheid niet tezeer Van mijnen mond: ik hoop op uwe rechten.
Waarin Gij trouw gezorgd hebt voor uw eer: Dan houd ik steeds, o God, met al uw knechten.
Uw heiige wet; dan zal ik meer en meer Daar eeuwig en altoos het hart aan hechten.
23. Dan wandel ik vol moed op ruimer baan.
Omdat mijn ziel gezocht heeft uw bevelen;
Dan doe ik zelfs aan koningen verstaan.
PSALM 119.
Hoe zeer tnij uw getuigenissen streden;
Dan zal ik mij niet sctiamen, noch uw daamp;n Uit slaafscli ontzag of dwaze vrees verhelen.
24. 'k Zal uw geboón, die ik oprecht bemin.
Mijn hoogst vermaak, mijn zielsgenoegen achten;
Ik reken die mijn allergrootst gewin ;
Ik grijp er naar, en zal er heil uit wachten;
Ik heb ze lief, en zal met hart en zin Al 't geen Gij ooit hebt ingezet betrachten.
7. ZAIN.
25. Gedenk aan 't woord, gesproken tot uw knecht, Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven:
Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd :
Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven;
Al 't geen uw mond aan mij had toegezegd Gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.
2G. 'tHoovaardig volk heeft mij op 't felst bespot; 'k Ben echter niet van uwe wet geweken:
Ik dacht, o Heer, aan hun rampzalig lot.
En uw gericht, van ouds af reeds gebleken;
Hoe kort van duur isquot;al het aardsch genot!
'k Heb mij getroost, mijn ziel is niet bezweken.
27. Daar ik moet zien, hoe snoodaards uwe wet Verlaten, heeft beroering mij bevangen;
Maar van het recht, dat Gij hebt ingezet.
Heb ik gemaakt mijn blijde lofgezangen:
In vreemdlingschap heeft niets die vreugd belet, Wat nijpend leed daar mijn gemoed mocht prangen.
28. 'kHeb, Heer, des nachts aan uwen naam gedacht. Uw wet bewaard, uw deugden niet vergeten.
Dat heil, dien troost hebt Gij mij toegebracht, En zooveel tijd heb ik met vreugd gesleten ,
Omdat ik uw bevelen nam in acht.
En die bewaarde in een oprecht geweten.
8. CHETH.
29. De Heer is mijn genoegzaam deel, mijn goed; Ik heb gezegd: Ik zal uw woord bewaren.
'k Heb U gebeên met mijn geheel gemoed,
Dat zich uw heil aan my mocht openbaren:
Wees naar uw woord genadig; ai behoed.
Behoed uw knecht en red hem uit gevaren.
30. Ik heb bedaard mijn wegen nagegaan.
Mijn voet gekeerd tot uw getuigenissen.
En mij gehaast die paden inteslaan,
Waarin mijn ziel zich nimmer kan vergissen;
quot;quot;k Heb niet vertraagd, om op die effen baan Het doel van uw geboden niet te missen.
31. Een godloos rot heeft mij ten roof gesteld;
0 PSALM 119.
Nochtans heb ik uw wetten niet vergeten: Te middernacht heb ik uw lof vermeld ;
Dan sta ik op, om met een blij geweten
Het recht, dat uw gerechtigheid verzelf.
Tot uwen roem, ten breedsten uittemeten.
32. Ik ben een vriend, ik ben een medgezel Van allen die uw naam ootmoedig vreezen ,
Kn leven naar uw Goddelijk bevel.
O Heer, hoe wordt uw goedheid ooit volprezen!
Gij doet op aard aan alle schepslen wèl:
Och wierd ik in uw wetten onderwezen.
9. TETH.
.13. Gij hebt veel goeds bij uwen knecht gedaan, Hem naar uw woord gered uit al zijn nooden.
Leer mij, o Ukkr, een goeden zin verstaan. En wetenschap, di-r dwazen waan ontvloden;
Wijs Gij mij zelf den weg der waarheid aan. Naardien ik heb geloofd aan uw geboden.
.f-t. 'k Sloeg, eer ik werd verdrukt, het dwaalspoor i: Maar nu, geleerd, houd ik uw woord en wegen.
Wat zijt gij goed! wat schcr.kt uw menschenmin Aan ieder die u vreest al milden zegen!
Leer mij uw wet in haren rechten zin.
En maak mijn hart tot uw geboón genegen.
3.'!. 't Hoogmoedig volk dicht leugens tegen mij ,
Doch ik bewaar van harten uw bevelen.
Hun hart is vet als smeer, vol hoovaardij:
Dies zullen zij in uwe gunst nie: deelen;
Maar uwe wet, waarin ik mij verblij,
Zal met het zoetst vermaak mijn zinnen strcelen.
36. 't Is goed voor mij verdrukt te zijn geweest.
Opdat ik dus uw Godlijk recht zou leeren:
Sinds heeft mijn hart voor hoovaardij gevreesd. Ai doe mij steeds uw wil als heilig eeren;
Ver boven goud en zilver, en wat mee.st Den mensch bekoort, zal ik uw wet waardeeren.
10. JOD.
37. Uw hand heeft mij gemaakt en toebereid:
Ai maak mij ook verstandig in rw wetten;
Zoo leer ik uw gebo6n en heiKgheid.
Alwie U vreest zal op mijn heilstaat letten.
Verheugd dat ik, door uwe hand geleid.
Niet vruchtloos op uw woord mijn hoop mocht zetten,
38. Ik weet o Hekr, dat uw ger chten zijn Gerechtteheid, en Gij mij liet verdrukken
Ãit enkle trouw. Och dat uw gunst verschijn'. Om mij uit angst en nypend leed te rukken:
Troost mij , uw knecht, die nu angstvallig kwijn; Mij is die troost beloofd in ongelukken.
PSALM 119. 207
HO. Brenff over.mij al uw barrabarti^heên,
Opdat ik leef; want al mijn vergenoejcen.
Al mijn vermaak is in üw wet alleen.
Beschaam wie zoo hoovaardig zich scdroe^en.
Wier leugen tong zoo valsch mij heeft bestreên;
Doch ik wil mij naar uw geboden voegen.
40. Dat ieder die U vreest zich tot mij keer.
Die kundig is in uw getuigenissen;
Maak dat mijn hart oprecht uw lessen eer.
Dat niets die ooit uit mijne ziel moog wisschen:
Opdat ik niet beschaamd word', laat, o Heek,
Laat mij die gunst op aarde nimmer missen.
11. KAF.
41. Mijn ziel bezwijkt, zij is gansch afgemat.
Daar ze aan uw heil met al baar lust blijft hangen,
Waarop uw woord mij hoop gegeven had.
Mijn oogen zijn bezweken van verlangen
Naar 't geeii mij was beloofd, terwijl ik bad:
«Wanneer , o God , zal ik uw troost ontvangen ?n
42. Ik ben, belaas, een leedren zak gelijk.
Die al zijn vocht heeft in den rook verloren;
Hoewel ik niet van uwe wetten wijk.
Hoelang blijft noa: uw knecht dit leed beschoren?
Wanneer zult Gij, opdat mijn onschuld blijk, Hen richten die mijn rust uit wrevel storen?
43. Een listig volk heeft, boos en trotsch van aard. Tot mijnen val een diepen put gegraven.
Hoezeer uw wet daartegen zich verklaart.
Al uw gehoon zijn waarheid; 'k wil die staven.
Ik word vervolgd, met leugentaal bezwaard;
Help mij o Heer, ten spijt dier zondeslaven.
44. Zij hebben mij bijkans op aard vernield;
Maar ik bleef uw bevelen dierbaar achten.
Ai beur mij op; laat mij, met moed bezield.
Weer leven, en op uwe goedheid wachten;
Dan zal ik steeds, daar mij uw trouw behield, 't Getuigenis van uwen mond betrachten.
12. LAMED.
45. O Heer, uw woord bestaat in rcuwigheid.
Daar quot;quot;t hemelheir zich schikt naar uw bevelen.
In uwe trouw, zoo gunstig toegezeid,
Zal elk geslacht, ja 't eind der eeuwen deelen:
Deze aard is hecht door uwe hand bereid ;
Haar stand blijft vast, al wisslen haar tooneelen.
4G. De hemel blijft nog met den aardkloot staan.
Naar uw bevel; zij alle zijn uw knechten.
Ik was reeds lang In mijnen druk vergaan.
Indien ik mij met uwe wet en rechten,
Tot mijn vermaak en troost, niet had beraamp;n.
PSALM 119.
Om arm uw trouw alleen mijn hoop te hechten.
47. 'k B:;n eeuwiglijk gedachtig aan uw woord;
Want ik ontving door uw hevelen 't leven.
'k Ben de uwe, lieer, geleid mij ongestoord;
Behoud mij toch, naar 't woord aan mij gegeven.
Ik heb met lust uw wetten nagespoord.
En die gezocht, door uwen Geest gedreven.
4S. Der hoozen schaar heeft lans op mij gewacht. Om mij te doen vergaan in mijn ellenden:
Ik neem op uw getuigenisseti acht.
Waar ik het oog op aarde heer; mooi; wenden,
't Volmaaktste vindt een eind, en derft zijn kracht. Maar uw gebod is wijd en zal nooit enden.
ir,. MEM.
49. Hoe lief heb ik uw wet! liet is mijn doel Den ganschen dag haar ijvrig te betrachten.
lloe listig ook mijn snoode vijand woel,
'k Heb wijzer geest en edeler gedachten,
Door uw gehoon, wier kracht ik staag gevoel.
Die 'k eenwig zal met heilgen eerbied achten.
30. Ik overtref mijn leeraars in beleid.
Want ik betracht al uw getuigenissen:
Ik overtref zelfs in voorzichtigheid De grijsaards die de ware godsvrucht missen:
'k Bewaarde uw wet, die zulk een licht verspreidt. En van mijn heil mij best kan vergewissen.
51. Ik heb mijn voet geweerd van kwade paftn.
Opdat ik steeds uw woord zou onderhouden ;
'k lleb mij gewacht die wegen inteslaan.
Die mij van 't spoor der deugd verbystren zouden;
Want Gij hebt mij geleerd daarin te gaan, Met allen die op uwen naam betrouwden.
52. Hoe zoet zijn mij uw redenen geweest!
Geen honig kon 't gehemelt beter smaken.
Alleen door uw bevelen krijgt mijn geest Verstand van God en Goddelijke zaken:
Dies heb ik al de leugenpaamp;n gevreesd.
En zal bedrog en slinksche wegen wraken.
14. NUN.
53. Uw woord is mij een lamp voor mijnen voet.
Mijn pad ten licht, om 't donkfr opteklarcn.
Ik zwoer, en zal dit met een blij gemoed Bevestigen in al mijn levensjaren.
Dat ik uw wet, die heilig is en goed.
Door uw genfl bestendig zal bewaren.
54. Ik ben op 't diepst verdrukt: ai schenk mij , Heer , Vernieuwde krach , sterk naar uw woord mijn leven
Merk öp in gunst, mijn Gol, hoe ik U eer.
PSALM 119. 209
Hon hart on monil vrijwilliar oflfRrs gevcn:
Ai zie daarop met welgevallen neer.
Laat in mijn hart uw rechten zijn geschreven.
55. Mijn ziel is in mijn hand, steeds in gevaar;
'k Verlies nochtans uw wet niet uit mijn oogcn: Zij blijft mijn doel; en schoon een hooze schaar Mij strikken heeft gelegd door list en logen,
Ben ik van uw bevelen hier of daar Niet afgedwaald, noch tot hun kwaad bewogen.
50. Ik heb voor mij al uw getuigenis.
Ter eeuwige erf, volvaardig aangenomen,
Naardien mijn hart daardoor vervroolijkt is.
Ik heb gepoogd mijn lusten intetoomen.
En 't nart geneigd, om eeuwig en gewis ,
Ten einde toe, uw wetten natekomen.
15. SAMECH.
57. 'k Haat ranken, vol van kwade en bittre vrucht;
Maar ik bemin met al mijn hart uw wetten:
Gij zijt mijn schild, de rots waarheen ik vlucht; Gij kunt en wilt mijn ondergang beletten;
'k Vertrouwde op U, en 't blijft nog staag mijn zucht. Om oi) uw woord mijn vaste hoop te zetten.
58. Gij boozen, wijkt, opdat ik steeds 't gebod Van mijnen Heer nauwkeurig moog bewaren.
Schraag mij naar uw beloften, o mijn God,
Opdat ik leef, U lovende op mijn snaren;
Dat niemand mijn verwachting ooit bespotf;
Ai laat die mij toch nooit beschaamdheid baren.
59. Wees Gij mijn steun, dan zal ik, vrij van leed. Mij dag aan dag in uw geboón vermaken;
Maar Gij o lieer, die mij behoudt, vertreedt En stoot hen weg die uwe wet verzaken;
Want hun bedrog is leugen, 'tis gesmeed Tot mijn verderf, maar 't zal hen zelv' genaken.
GO. Al 't godloos volk verdoet Ge als schuim van de aard; Dies zal ik uw getuigenissen vreezen.
Het heeft mijn ziel verschrikkingen gebaard,
Ja zelfs is mij het haar te berg' gerezen.
Als ik op uw gerichten heb gestaard:
Uw oordeel. Heer, kan niet dan vreeslijk wezen.
1G. AIN.
Gl. Gerechtigheid en recht heb ik gedaan;
Geef mij dan niet in 's onderdrukkers handen:
Wees Gij mijn borg, en neem de rechtzaak aan Van uwen knecht, daar Gij hem aan ziet randen;
Laat trotsebaards toch niet stoutlijk meer bestaan Mij, naar hun wensch, te knellen in hun banden.
02. Mijn oogen zijn bezweken, ronilgesebreid
14
PSALM 119.
In 't uitzien naar uw heil met heet verlangen.
Het heil aan mij rechtvaardig: toegezeid:
Ai wisch dan toch de tranen van mijn wangen.
Doe bij uw knecht naar uw goedgunstigheid;
Leer mij uw wet, dan zal ik troost ontvangen.
G3. Ik ben uw knecht, geef mü dan recht verstand. Zoo zal ik uw getuigenissen leeren.
Nu is het tijd, dat 's Heerkn rechterhand Haar kracht vertoon in 't godloos kwaad te weren:
Men schendt uw wet zoo stout van alle kant. Men schroomt niet meer uw grooten naam te onteeren.
G4. 'k Heb uw geboón, mijn God, cles meer dan goud. Ja 't fijnste goud, bemind, en uw bevelen In alles recht en vlekkeloos geschouwd.
Op 't hoogst volmaakt tot in hun minste deelen;
'k Heb op geen pad der valschheid mij betrouwd. Maar dat gehaat, hoezeer 't mijn vleesch kon streelen.
17. PE.
65. Hoe wonderbaar is uw getuigenis!
Dies zal mijn ziel dat ook getrouw bewaren;
Want de oopning van uw woorden zal gewis.
Gelijk een licht, het donker op doen klaren ;
Zij geeft verstand aan slechten, wien 't gemis Van zulk een glans een eeuwgen nacht zou baren.
GG. Ik heb mijn mond begeerig opgedaan.
Ik heb verlangd, gehijgd naar uw geboden ;
Zie, zie mij dan met gunstige oogen aan.
En wees mij nu genadig in mijn nooden.
Naar 't recht van hen, die, deugdzaam van bestaan. Uit liefde tot uw naam van 't kwade vloden.
67. Maak in uw woord mijn gang en treden vast.
Opdat ik mij niet van uw paftn moog keeren;
En wordt mijn vleesch door 't kwade licht verrast. Ai laat het mij toch nimmer overhe^ren.
Verlos mü. Heer, van 's menschen overlast.
Dan zal ik U, naar uw bevelen, eeren.
68. TJw aangezicht vertoon aan uwen knecht Een vriendlijk oog, een troostrijk liefdeteeken;
Leer mij den eisch van 't altoos heilig recht.
Ik stort bedrukt geheele tranenbeken,
Omdat men U gehoorzaamheid ontzegt.
En zich niet schaamt uw wetten te verbreken.
18. TSADE.
69. Gij zijt volmaakt. Gij zyt rechtvaardig Hrrr Uw 'oordeel rust op de allerbeste wetten ;
Uw loon, uw straf beantwoordt aan uw eer. Gij eischt van ons dat we op uw waarheid letten.
Dat wij altoos op hoogen prijs uw leer En 't heilig recht van uw getuignis zetten.
PSALM 119. 2T1
70. Mijn ijver heeft van smart mij doen vergaan.
Omdat uw woord zoo schandlyk wordt vergeten;
Mijn vijand ziet dat met verachting aan:
Uw woord is rein, dat mag gelouterd heeten:
Uw knecht wil zich daar daafdijks mee berailn; Hij heeft het lief, wijl 'them zijn plicht doet weten.
71. Ik ben wel klein, veracht, maar niet verleid; 'k Vergeet in smaad noch armoe uw bevelen.
Uw recht o lieer is recht in eeuwigheid;
Gij zult aan elk zijn loon of straffen deelen.
Uw wet, waarin zich steeds uw glans verspreidt. Kan mij door 't licht der zuivre waarheid streelen.
72. Als 't mij benauwd of bang gevallen is,
Dan heb ik mij vermaakt in uw geboden.
De zuiverheid van uw getuigenis Blinkt altoos uit, zelfa in dc zwaarste nooden:
Leer mij 't verstaan, zoo leeft mijn ziel gewis,
liet naar verderf in eeuwigheid ontvloden.
19. KOP.
73. Ik riep u aan, o Hbbr, met al mijn hart;
Verhoor my, en ik zal uw wet bewaren;
Ik riep U aan, in druk en leed verward;
Verlos mijn ziel uit angsten en gevaren;
Dan houd ik uw getuignis, en in nmart Zal ik daar troost en wijsheid uit vergaren.
74. Ik heb somtijds het scheemrend morgenlicht Verrast, om D mijn schreien te doen hooren;
'k Heb op uw woord gehoopt, en mijn gezicht.
Eer nog het uur der nachtwaak was schoren ,
Den slaap ontroofd, om, naar mijn lust en plicht. De wijsheid van uw rcednen natesporen.
75. Hoor, Heer, mijn stem naar uw goedgunstigheid. En geef mij naar uw rechten kracht en leven.
Zij naadren mij, wier list mijn val bereidt;
Zij zijn in 't kwaad, in 't listiff kwaad bedreven ,
En wijken van uw wet, zoo wijd verleid.
Terwijl zij zich aan boosheid overgeven.
76. Maar Heer, Gij zijt nabij. Gij ziet mij aan; De waarheid is aan uw gehoon verbonden:
Ik wist van ouds reeds uit uw woord en daftn,
Dat al wat Gij getuigd hebt ongeschonden En vlekkeloos voor eeuwig zal bestaan,
Gevestigd op onwankelbare gronden.
20. RESCH.
77. Zie mijn ellend'*, o Heer, en help uw knecht;
Want uwe wet is in mijn hart geschreven.
Ai twist Gij zelf mijn twistzaak naar uw recht;
Verlos mij, sterk met nieuwen moed mijn leven,
IS'aar 'tGodlijk woord, mij gunstig toegezegd.
En mij ten troost in angst en druk gegeven.
212 PSALM 119.
78. lint heil is ver van 't goddeloos geslacht,
Dat, ganscli vervreemd van deugd en reine zeden,
Den inhoud van uw wetten niet betracht.
O Hkkh, hoeveel zijn uw barmhartigheden!
Ai beur mij op, vernieuw mijn levenskracht.
Naar 't Godlijk recht, verhoor toch mijn gebeden.
79. 't Getal van mijn vervolgers is zeer groot.
Van hen die mij als weerpartijders haten;
Maar 'k wijk van uw getiiignis in geen nood. Ik heb gezien, hoe zij die U vergaten
Trouwloosheid doen; Gij weet hoe 'tmij verdroot. Als ik hen zag uw heilig woord verlaten.
80. Ai zie o Heer, dat ik uw wet bemin;
Uw gunst vernieuw mijn leven en mijn krachten.
Uw Godlijk woord is waarheid van 't begin. Uw recht heeft nooit verandering te wachten:
Dies houd ik dat met een verblijden zin;
Leer door uw Geest mij dat gestaag betraciiten.
21. SCIIIN.
81. Toen vorsten mij vervolgden ronder refin.
Vreesde ik uw woord, met die uw heil beminden.
Ik ben verblijd om uw goedgunstigheön.
Die meer en meer mij aan uw dienst verbinden;
'k Vind grooter vreugd in uw .jelofte alleen. Dan hij die ooit een grooten bui: mocht vinden.
82. Ik haat bedrog en valschheid van gemoed,
'k Heb in mijn hart een gruwel \an die zonden;
'k Bemin uw wet, die mijne ziel behoedt.
Ik loof, o Heer, aan uwen diemt verbonden,
U zevenmaal des daags, om al het gond En 't recht, in uw gerechtigheid gevonden.
83. Wat vreè heeft elk die uwe wet bemint!
Zii zullen aan geen hinderpaal zich stooten.
Ik, Heek, die al mijn blijdschap in U vind.
Hoop on uw heil met al uw gunsigenooten:
'k Doe uw geboón oprecht en welgezind; Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.
84. Mijn ziel bewaart uw trouw getuigenis;
Dat heb ik lief, ook doe ik uw bevelen.
Uw woord kan mij, ofschoon ik alles missquot;'.
Door zijnen smaak, èn hart lt;gt;n zinnen streelen.
Gii weet mijn weg, en hoe mijn wandel is;
'k Wil niets daarvan voor U, uijn God, verhelen.
22. THAU.
85. O Heer, sla toch op mijn geschrei uw oog; Wil naar uw woord mijn geest verstandig maken ;
Zie gunstig op mij neder van omhoog;
Laat mijn gebed voor uwen troon genaken:
Red, daar mij 't leed zoo diep ternederboog, Red mij naar uw belofte, en richt mijn zaken.
86. Dan vloeit mijn mond steeds over van uw eer. Gelijk een bron zich uitstort op de velden.
Wanneer ik door uw Geest uw wetten leer.
Dan zal mijn tong uw redenen vermelden:
Want uw geboón zijn waarlijk recht, o Heer: Gij zult de vlijt van wie U zoekt vergelden.
87. Kom mij te hulp; mijn ziel. die U verbeidt.
Heeft uw bevel met liefde t-n lust ontvangen.
Ik haak, o Heer, naar 't heil mij toegezeid; Bestier in gunst naar uwe wet mijn gangen:
Al myn vermaak stel ik, met rijp beleid,
In uw gebod, dat is mijn hoogst verlangen.
88. Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond Uw trouwe hulp: stier mij in rechte sporen.
Gelijk een schaap heb ik gedwaald in 't rond. Dat, onbedacht, zijn herder heeft verloren;
Ai zoek uw' knecht, schoon hij uw wetten schond. Want hij volhardt naar uw geboón te hooren.
2. Wat voordeel zal 't bedrog u baren. Vermetel rot van lasteraren? Wat voordeel zal u in dit leven Uw bitse tong, uw boosheid geven?
214 PSALM 121.
Gij haalt op u, o leugensprekers. De pijlen eencs sterken wrekers.
En een jeneverkolengloed,
quot;Waardoor gij haast verbranden moet.
3. Wee mij, die rust en huln moet derven, In Mesech als een vreeradling zwerven, En steeds in Kedars tenten wonen.
Bij menschen die mij bitter hoonen. Ik heb reeds lang mij opgehouden Bij hen die nooit op God betrouwden; Bij hen die, tot mijn bitterst wee. Een afschrik hebben van den vreê.
4. Ik zoek den vreö steeds aantekweeken; Maar kan er nauwelijks van spreken. Of 'kzie mijn reden afgebroken.
En hen tot woede en krijg ontsteken.
2. Ilij is, al treft u 't felst verdriet.
Uw wachter, die uw voet Voor wankelen behoedt;
Hij, Isrels Wachter, sluimert niet.
Geen kwaad zal u genaken:
De Ueeb zal u bewaken.
3. Zijn wacht, waarop men hopen mag.
Zal, daar zij u bedekt En u ter schaduw jtrekt.
De maan bij nacht, de. zon bü dag, In koude en gloed vlt;;rmindren,
Opdat zij u niet hindren.
4. De Heer zal u steeds gadeslaan.
Opdat Hy in gevaar Uw ziel voor ramp bewaar.
De Heer , 't zij ge in of uit moogt gaan,
^fi==== ---
Zal haar voor '» bouwheers kunstwerk groeten.
J. T)e stammen, naar Gods naam genoemd. Gaan derwaarts op, waar elk zich buigt Naar de ark, die van Gods gunst getuigt; Waar elk zijn naam belijdt en roemt;
Want de achtbre zetel van 't gericht Is diidr voor Davids huis gesticht; De rechterstoelen staan daarbinnen.
Bidt met een algemeene stem Om vrede voor Jeruzalem:
Het ga hun wèl die u beminnen.
5. Dat vrede en aangename rust En milde zegen u verblij ;
Dat welvaart in uw vesting zij,
In uw paleizen vreugd en lust.
Om vriend en broedren spreek ik nu: De vrede zij en bliive in u;
Nooit moet haar nijd of twist verkloeken. Om 'sHeeren huis, in u gebouwd.
Waar onze God zijn woning houdt.
Zal ik het goede voor u zoeken.
En waar ge u heen moogt spoeden. Zal eeuwig u behoeden.
I'S A LM 123, 124.
tsâ
Heer, tot Hij Ook ous genadig zy.
2. Geef ons geni, geef ons gen;\ o Heer,
En red ons tot uw e=r.
Wij zyn reeds moe van al de schampre woorden.
Die wij van smaders hoorden; Ons treurig hart is moe van al liet spotten. En 't hoonend samenrotten Der hoovaardij, die needrigen veracht En weelderig belacht.
216
PSALM 125. 217
2. Dan hadden zij ons levendig vernield;
Hun heete toorn had ons gewis ontzield.
Bedolven in een diepen jammervloed :
Dan had een stroom, dien niemand tegenhield. Ons gansch versmoord, had God het niet verhoed.
3. Dan had geen mensch naar onze klacht gehoord; Dan had een zee van rampen ons versmoord.
Geloofd zij dies de Heer, die redt van 't graf.
Die ons, schoon wreed vervolgd van oord tot oord. Tot eenen roof niet in hun tanden gaf.
4. We ontkwamen haast des vogelvangers net.
Den loozen strik, tot ons verderf gezet;
De strik brak los, en wij zijn vrij geraakt.
De Heer is ons tot hulp op ons gebed;
Die God, die aard en hemel heeft gemaakt.
2. Gelijk 'tgebergt, dat hoog gerezen
Om Salem ligt gespreid.
Zoo is in eeuwigheid De Hekr rondom hen die Hem vreezen; Rondom zijn volk, 't welk Hij wil hoeden Voor tegenspoeden.
3. Want hoe de boozen zich doen schromen
Door wreede heerschappij,
Nog zal hun dwinglandij Niet rusten op het lot der vromen;
Opdat zij nooit, van 't recht geweken, Zichzelve wreken.
4. Geef, Heer, den goeden uwen zegen.
Doe wèl aan 't vroom gemoed;
Maar hem die onrecht doet.
En die zich neigt tot kromme wegen.
218 PSALM 126, 127.
Zal God verdoen; doch Isrel leven Eq vrede geveu.
2. God heeft bij ons wat groots verricht.
Hij zelf heeft onzen druk verlicht;
Hij hoeft door wondren ons bevrijd:
Dies juichen wij en zijn verblijd.
Breng, Heer, al uw gevan,i;nen weder;
Zie verder op uw erfvolk neder;
Verkwik het, als de watervloed.
Die 'tzuiderland herleven doet.
3. Wie hier bedrukt met tranen zaait.
Zal juichen als hij vruchten maait;
Wie 'tzaad draaft dat men zaaien zal.
Gaat weenend voort en zaait het èl;
Maar hij zal, zonder ramp te schromen.
Eerlang met blijdschap wederkomen.
En met gejuich, ter goeder uur, .
Zijn schooven dragen in de schuur. *
2. Vergeefs van *8 morgens vroeg geslaafd Tot 's avonds, en het brood der smart Gegeteu met een angstig hart;
Vergeefs den ganschen dag gedraafd: God geeft het, hoe een ander schraap, Wien Hij bemint, als in den slaap.
3. Zoo gaat het elk dien Goil bemint. Wie kindren voortbrengt tot Gods eer. Verkrijgt een erfdeel van den Heek ;
A Vie zich met kroost gezegend vindt. Dat zich oprecht en dankbaar toont. Ziet al zijn zorg naar weusch beloond.
4. Gelijk de pijlen in de hand
Eens sterken helds, die, tier en blij, Door hunne kracht zijn weerpartij Doet zwichten voor zijn tegenstand : Zóó zijn ook, tot der vaadren vreugd. De brave zouen hunner jeugd.
5. Welzalig hij, die als een held Dees pijlen in zijn koker gaart. En zijne zonen ziet gespaard;
Zij zullen, schaamrood noch ontsteld. Het hoofd den weerpartijdren biên, En in de poort voor hen niet vlièn.
2. Uw echtvriendin zal bloeien
Gelijk een wijnstok tiert. Die, vruchtrijk onder 't groeien.
Uw huismuur dekt en siert.
Niets zal uw welvaart stuiten ;
Uw kroost zal blij en frisch. Als groene olijvespruiten,
Versieren uwen disch.
3. Dit lot is u beschoren.
Zoo jfil met diep ontzag Kaar 's IIeehkn wet blijft hooren.
Voor u zal, dag aan dag.
Het heil uit Sion vloc.en:
Gij zult, zoolang gij leeft,
Jeruzalem zien bloeien 't Welk God zyn zegen geeft.
4. Blijft gij op Hem betrouwen.
Dan zult gij, op uw leê,
PSALM 129.
't Kroost van uw kroost aanschouwen. In Israel zij vreê.
Men heeft my fel benauwd van jongs af aan.
PSALM no.
2. Men heeft mijn rug door ploegers diep geploegd; Die hebben wreed hun voren lang getogen.
En smart bij smart tot mijn verderf gevoegd. Voor 't kermen doof en wars van mededoogen.
3. De Heer, die goed, doch ook rechtvaardig is. Hieuw gunstig af der goddeloozen touwen.
Dat smaad hen treff', en dat hun aanslag miss-'; Drijf hen terug die Sion rampen brouwen.
4. Maak hen gelijk aan 'tlichtverdorrend gras. Dat bier en ginds gezien wordt op de daken;
Dat eer men 't plukte alreê verwclkerd was, Ontbloot van grond om wortels in te maken.
5. Maak ze als dat gras, waarmee de maaier nooit. Wanneer hij gaart, de nijvre hand zal vullen;
Dat in den oogst geen garvenbinders ooit, Bijééngepakt, in de armen dragen zullen;
fi. Waarvan ook geen voorbijgaand wandelaar Ooit zeggen zal: God will' uw oogst vermeeren!
Dat 's Hebren gunst zich met uw arbeid paar! Wij zegenen u in den naam des Heerex.
. Zoo Gij in 't recht wilt treden, O Heer, en gadeslaan Onze ongerechtigheden,
Ach wie zal dan bestaan ?
Maar neen, daar is vergeving
Altijd bij U geweest;
Dies wordt Gij Heer, met beving. Recht kinderlijk gevreesd.
PSALM 131, 132.
3. Ik blijf don Heer verwachten;
Mijn ziel wacht onsestoord; Ik hoop, in al mijn klachten.
Op zijn onfeilbaar woord.
Mijn ziel, vol angst en zorgen, Wacht sterker o» den Heer, Dan wachters op uen morgen; Den morgen! ach, wanneer?
4. Hoopt op den Heer gij vromen:
Is Israel in nood.
Er zal verlossing komen;
Zijn goedheid is zeer groot; Hij maakt, op hun gebeden,
Gansch Israel eens vrij Van ongerechtigheden:
Zoo doe Hij ook aan mij.
te groot. Te vreemd is voor uw gunstgenoot.
2. Heb ik mijn ziel niet stilgezet.
En mij verloochend naar uw wet.
Gelijk het pas gespeende kind Zich stil bij zijne moeder vindt?
3. Mijn ziel, die naar den vrede haakt. En 't morrend ongenoegen wraakt ,
Is in mij als een kind gespeend.
En heeft zich met uw wil vereend.
4. Dat Isrel op den Heer vertrouw.
Zijn hoop op Gods ontferming bouw.
En stil beruste in zijn beleid.
Van nu tot in alle eeuwigheid.
1. Gedenk aan David, aan zijn leed; Gedenk den
2. «Zoo ik in mijne woning trcö,
«Of klim op mijne legerstee;
«Zoo ik ter nachtrust ga in vrefi; «Zoo ik de aluimring zelfs geheng, «Totdat ik dezen eed volbreng;
3. «Tot ik een rustplaats voor den Heer «Gevonden heh te zijner eer,
«Waar Jakohs Machtige verkeer', «En Hij, naar mijn gemaakt bestek, «Zijn vaste woningen hetrekk'.»
4. Zie, 't hlij gerucht der ark liep voort. En werd in Efratha ffehoord:
Wij vonden haar in Jaiirs oord, In 't hoschrijk veld van Kiriath, Dat God dusver verkoren had.
5. Wij zullen in zijn woning gaan,
Ons huigen waar zijn troon zal staan, En hidden voor zijn voetbank aan. Sta op tot uwe rust o Heer,
Met de arkc van uw sterkte en eer.
G. Bekleed, o hoogste Majesteit, Uw priesters met gerechtigheid; l]w gunstvolk juich, door U geleid; Versmaad hem, dien Gij zalven liet. Om uwen knecht, om David, niet.
PAUZE.
7. Tot staving van de waarheid deed
De Hker, die van geen wanklen weet. Aan David eenen duren eed.
«Ik zal â dus sprak Hij _â uwen Zoon «Eens zetten op uw glcrietroon.
8. «Houdt uw geslacht mijn heilverbond, «En 't vast getuiifnis van mijn mond , «Dat ik hen leer ten allen stond, «Dan is hun 't rijksbestuur bereid «Op uwen troon, in eeuwigheid.»
PSALM 133.
Want Sion is van God begperd,
't Wordt met zijn woning hoog vereerd: «Hier â sprak Hij die liet ftl beheert â «Hier zal ik wonen naar mijn lust,
«Uier is in eeuwigheid mijn rust.
«'k Zal Sions, 'k zal der armen spijs «Hier zeegnen op de ruimste wijs;
«Hier zal ik, mijnen naam ten prijs, «De priesters met mijn heil bekleèn, «En 'tvolk doen juichen weltevreön.
«Daar zal ik David, door myn kracht, «lien hoorn van rijkdom, eer en macht «Doen rijzen uit zijn nageslacht.
«'k Heb mijn gezalfden knecht een licht, «Een heldre lampe toegericht.
«Wat vijand tegen hem zich kant\
«Mijn hand, mijn onweerstaanbre hand «Zal hem bekleê:a met schaamte en schand; «Maar eeuwig bloeit de gloriekroon «Op 't hoofd van Davids grooten Zoon.»
m
ten. 1=;
;N«==
God gewijd. Die door haar reuk het hart verblijdt.
2. Die liefdegeur moet elk tot liefde nopen.
Als de olie die, van Arcns hoofd gedropen.
Zijn baard en kleelerzoom doortrekt;
Ze is als de dauw die Hermons kruin bedekt. Die Sions top met vruchtbaar vocht besproeit. En op zijn bergen nedervloeit.
3. Waar liefde woont gebiedt de Hf.kr den zegen,
l'SALM 134, 135.
Daar woont Ilij zelf, daar -wordt zijn heil verkregen, En 't leven tot in eeuwigheid.
nd;
bewaakt. En voor zijn dienst in ijver blaakt.
2. Heft uwe handen naar omhoog;
Slaat naar het heiligdom uw oog. En knielt eerbiedig voor Hem neer: Looft, looft nu aller heeren Heer.
3. Dat 's Heeren zegen op u daal,
Zijn gunst uit Sion u bestraal;
HU schiep 't heelal, zijn naam ter eer; Looft, looft dan aller heeren Heer.
2. God is goed: looft Hem tezaam Met gezang en snarenspel; Prijst zijn liefelijken naam; Want de Heer heeft Israel Zich ten eigendom Kcschikt, Jakob door zijn heil verkwikt.
3. God is groot: ik weet dat Hij
226 PSALM 135.
Hooger is dan alle goön.
Onze God voert heerschappy , Hij beheerscht van zijnen troon Hemel , afgrond, zee en aard:
God is aller hulde waard.
4. 't Eind der aard werpt dampen uit Door Gods macht, die 'till volbrengt lin met 's donders schor geluid Bliksemvuur en regen menst;
God brengt winden, door é^n woord. Uit zyn schatgewelven voort.
5. God, die vreeslijk is en groot,
Sloeg, zijn heilsen naam ter eer.
Alle de eerstgeboornen dood ,
Velde vee en mcnscben neer.
Daar Hij teeknen van zijn kracht Over gansch Egypte bracht.
6. Hij verbaasde .Faro's hof;
Sloeg de volkeren alom ;
quot;Wierp de koningen in 't stof:
Sihon, Og, en 't vorstendom Van den trotschen Kananiet En den stouten Amoriet.
7. Isrel kwam door 's Hoosjsten hand In 't bezit van hunnen staat:
God gaf hun gezt gend land Tot een erf aan Jakobs zaad.
Heer, uw naam en majesteit Blijven tot in eeuwigheid.
PAUZE.
Van seslachte tot geslacht Wordt, naar onzen duren plicht. Bij het volk uw gunst herdacht;
Wijl Gij zelf, o Heer, hen richt. En aan hen, schoon diep in schuld. Met berouw gedenken zult.
9. De afgoón van het heidendom,
Goud of zilver, goön in schijn. Hebben lippen maar zijn stom; Zij, die 't werk van menschen zijn. Waar men geencn geest in vindt. Hebben oogen maar zija blind.
10. Ooren ziet men aan hun hoofd.
Maar zij hooret. er niet mee;
Zij , van ademtscht beroofd.
Zijn nog minder dan het vee.
AVie tot hen oru hulp genaakt Worde hun gelijk gemaakt.
PSALM 136. 227
11. Israëliërs, looft alt'zaam Uwen God, den God der eer:
Loof, Aarons huis, zijn naam;
Huis van Levi, loof dï-n Hef.b;
Looft, Ry allen die Hem vreest.
Looft Hem met verheugden geest.
12. Sion, loof met dankbre stem God uw Heer, die eeuwig leeft.
En het schoon Jeruzalem Hoor zijn woning luister geeft Loof Hem voor uw heilrijk lot.
Loof al juichend uwen God.
| ||||||||||||
|
spreid. Zal bestaan in eeuwigheid. | ||||||||||||
2. Looft den grooten God, wiens troon Hooger rijst dan die der goön;
Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid.
3. Looft der heeren Opperheer,
Buigt u needrig voor Hem neer; Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid.
4. Looft Gods macht, die, onbeperkt, Gadelooze wondren werkt;
Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid.
5. Looft Gods wyaheid; door zijn woord Bracht Hij al de heetulen voort; Want zijn gunst, aloiu verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid.
G He aard hief uit der waatren schoot Zich omhoog, toen 't God gebood; Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid.
7. God schiep aan des hemels trans
PSALM 136.
Groote lichten, rijk van glana; quot;Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid.
8. Aan de zon schonk Gods {rczag I)e opperheerschappij bij dag; quot;Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid.
9. Maan en sterren, min in pracht, Schonk Hij heerschappij bij nacht; quot;Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid.
PAUZE 1.
10. Looft Hem, die Egvptes staat Sloeg in'teerstgeboren zaad;
AVant zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid.
11. Looft den Heer, w;ens heerschappj} iHrel voerde uit slaïernjj;
quot;Want zijn gunst, a'iom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid.
12. Looft den Heer, wilt;;ns sterke hand Isrel leidde uit Faro's land;
quot;Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid.
13. Tiooft Hem, die het roode meir Heeft verdeeld voor Mozes heir; Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid.
14. Pie, door dien verdeelden plas, Israël» geleider was;
quot;Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid.
15. Die vorst Faro's legermacht In de Schelfzee t'onderbracht; quot;Want ziin gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid.
16. THe zijn volk, als bij de hand.
Leidde door woestijn en zand; quot;Want zijn sunst, alom verspreid, ⢠Zal bestaan in eeuwigheid.
17. quot;Die, tot wering van 't eeweld, Koningen heeft neergeveld;
Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid.
PSALM 137. 2£9
18. Die de vorsten, trotsch van mood.
Heeft doen smoren in hun bloed;
Want zijn gunst, alom verspreid»
Zal bestaan in eeuwigheid.
PAUZE 2.
19. Looft Hem, die den Amorict Van zijn grootschen zetel stiet:
Want zijn gunst, alom verspreid Zal bestaan in eeuwigheid.
20. Looft Hem, wiens geduchte macht Basans koning f onderbracht;
Want zijn gunst, alom verspreid.
Zal bestaan in eeuwigheid.
21. T)ie hun land, dat de oogen streelt,
Israel heeft toegedeeld;
Want zijn gunst, alom verspreid.
Zal bestaan in eeuwigheid.
22. Looft Hem, nu die erfenis Naar zijn woord bevestigd is;
Want zijn gunst, alom verspreid.
Zal bestaan in eeuwigheid.
23. T)ie in onzen lagen stand Ons genadig bood de hand;
Want zijn gunst, alom verspreid.
Zal bestaan in eeuwigheid.
24. Die ons, onder 'tleed gebukt.
Heeft uit 's vijands macht gerukt;
Want zijn gunst, alom verspreid.
Zal bestaan in eeuwigheid.
25. Looft Hem, looft Hem, alwat leeft.
Die al 't vleesch zijn voedsel geeft;
Wart zijn gunst, .alom verspreid.
Zal bestaan in eeuwigheid.
26. Geeft den God des hemels eer;
Lof zij aller schepslen Heer;
Want zijn gunst, alom verspreid.
Zal bestaan in eeuwigheid.
2, De vijand dorst, bij al ons leed, ons tergen; *t Gevangen volk, in zyne jamren, vergen.
Dat elk zyn hart, schoon overstelpt, bedwong. En een gei'.ang uit Sions liedren zonjr.
Hoe zou â zeide elk â jns, die iu rampen zwoegen, In 't vreemd gewest een lied des Heeren voegen ?
3. Jeruzalem, dat, zoo ik t vergete.
Mijn rechterhand niet vavi zichzelve wete;
Dat mijne tons aan myn gehemelt kleef.
Indien ik u niet steeds .nijn achting gc.ef;
Zoo ramp of leed mijn hart van Sion scheure.
En ik Gods stad mijn hoogste vreugd niet keure.
lt;t. Gedenk o Heer, gedenk aan de Edomitfn, Aan Salems dagt;r, toen wy ons land verlieten;
Dien bittren dag, zoo vol van grievend leed; Gedenk aan hen, die, zoo ontaard en wreed. Nog zeiden, toon ze ons zagen overvallen;
«Ontbloot, ontbloot ten grondslag toe hun wallen.»
5. O Babyion, wij zien eerlang u straffen;
Gelukkig hij die u zal loon verschaffen.
Die u vergeldt alwat ge ons hebt misdaan Gelukkig hij die u terneer zal slaan.
Uw kinderkens zal fjrypen, o gij trotschen. En wreedelijk verplettren aan de rotsen.
Door al uw deugden aangespoord.
Hebt Gij uw woord En trouw verheven.
Gij hebt mijn ziel, op haar gebed. Verhoord, gored.
Haar kracht gegeven.
Al 'saardrijks vorsten zullen, Hekb, Uw lof en eer Alom doen hooren,
Wanneer de rede van uw mond Op 't wereldrond Hun klinkt in de ooren.
. Dan zingen zij, in God verblijd. Aan Hem trewijd.
Van 's Hkerkn wegen;
Want groot is 's Hekren heerlijkheid. Zijn majesteit Ten top gestegen;
Hij slaat toch, schoon oneindig hoog. Op hen het oog.
Die needrig knielen;
Maar ziet van ver met gramschap aan Den ijdlen waan Der trotsche zielen.
, Als ik, omringd door tegenspoed. Bezwijken moet.
Schenkt Gij mij leven:
Is 't dat mijns vijands gramschap brandt. Uw rechterhand Zal redding geven.
De Heer is zoo getrouw als sterk;
Hij zal zyn werk Voor mij volenden :
Verlaat niet wat uw hand begon, O Levensbron!
Wil bijstand zenden.
PSALM 138.
de goon, Op hoogen toon, Met psalmen prijzen.
£. Ge omringt mijn gaan en liggen, Gy O Heer zijt altoos nevens mij: Uw onbepaalde wetenschap Kent mijnen weg vai stap tot stap.
Geen woord is no? mijn tong ontgleden. Of Gij , Gij weet alreeds mijn reden.
3. Gij hebt van achtren mij bezet;
Vooruit wordt mij de vlucht belet: Ik word bepaald door uwe hand.
Hoe zou ik met mijn twak verstand
Naar uwe wondre kennis streven?
Ze is mij te groot, te hoogverheven.
4. Waar zou ik uwen Geest ontvliên ?
Waar zou me, o Heer, uw oog niet zien? Al voer ik op naar 's hemels trans.
Daar zijt Gij, daar vertoont Ge uw glans;
Al daalde ik zelfs ter helle neder.
Daar vond ik óók uw aanschijn weder.
5. Al nam ik van den dageraad De vleugelen des lichts te baat,
Al ware aan 't uiterste der zee De plaats van mijne legerstee.
Daar zoude óók uwe hand mij leiden, Uw rechterhand niet van my scheiden.
G. Indien ik zeg: «De donkerheid «Bedekt mij voor uw majesteit,»
Dan is de nacht een helder licht.
Dat mij ontdekt aan uw gezicht;
quot;Voor u o Heer is 't anklig (luister Den dag gelyk in glans en luister.
7. Gij hebt mijn ganach gestel doorgrond.
PSALM 139.
PSALM 139.
Zelfs vóór mijn eersten levensstond.
Ik ben verbazend voortgebracht. Op 't nagaan van uw wonüre macht Sla ik verrukt bet oog naarboven:
'kZal U, myn Schepper, altoos loven.
PAUZE.
Mijn ziel bepeinst uw womlcrdaamp;n.
Die al 't begrip tebovengaan.
TJw oog beeft mijn gcbcent verzeld Toen ik, verborgen, saamjresteld Als een borduursel, lag verscholen; Van mij was niets voor U verholen.
Gij hebt, wijl niets uw oo; weerhoudt. Mijn omrevorniden klomp beschouwd; Ja Gij, wiens wijsheid nimmer faalt, Iladt mijn geboortestond bepaald.
Eer iets van mij begon te leven,
Was alles in uw boek geschreven.
Hoe dierbaar zijn me uw wonderdaamp;nl Zij zijn onmooglijk nategaan ; Hoe menigvuldig zijn ze o Heer!
Zou ik die tellen? 'k Zou veeleer 't Getal der korlen zands bepalen. Uw wondren zijn niet aftemalen.
â Wanneer ik in den nacht ontwaak, Uen ik bij U, mijn zielsvermaak.
O God, laat door uw grootc- macht T)e boozen worden omgebracht;
Poe. dce hen voor uw arm bezwijken. Gij bloedvergieters, gij moet wijken.
. Stel bunnen hoogmoed perk en paal; Zij hoonen U door snoode taal; Ze ontzien zich niet U te allen storid Te lasteren met hart en moed,
Daar zij, ten spot van uw vermogen. Al uwer haatren trots verhoogen.
. Zou 'k ben niet haten in mijn hart,
AVier snoode baat uw goedheid tart ? Zou ik hen, die U weerstand bifin,
T*Ciet met verdrietiïe oogen zien?
'k Zal ben altijd volkomen haten. Die trotschlyk uwen dienst verlaten.
Doorgrond me en ken mijn hart, o lieer Is 't geen ik denk niet tot uw eer ? Beproef lue, en zie of mijn gemoed Iets kwaad*, iets onbehoorlijks voedt; En doe mij toch met vaste schredeu Den weg ter zaligheid betreden.
PSALM 140.
. Red mij van hen die kwaad bedenken. Die daaajlijks samen zich bera.ln,
Om mij door 't oorlogszwaard te krenken. En t' eenemaal terneerteslaan.
. Hun tongen scherpen zij als slangen; Zij smeden valschheid en bedrog: Zij passen loos op mijne gangen. Met monden vol van adderspog.
. Bescherm mij voor de goddeloozen, O Heer, o Rechter van 't heelal!
Verlos mij van 't geweld der boozen, Die niets bedoelen dai mijn val.
gt; De trotschen, nijdig om mijn zegen, Belatren mij met koord en net; Zij hebben heimlijk op de wegen Voor mij een valstrik uitgezet.
, Ik dacht in mijn verdriet te smoren;
Dies riep ik: Heer, Gij zijt mijn God; Neem mijne smeekingen ter ooren. Verzacht in 't eind mijn droevig lot.
PAUZE.
. O Heer, mijn rotssteen, mijne sterkte. Gij hebt mij steeds tct heil verstrekt. En in den strijd, daar 't elk bemerkte. Mijn hoofd als met een schild bedekt.
. Laat nooit des boozen wensch gelukken, Maar stuit hem eer zijn hand mij tref; Verhinder zijne gruwelstukken.
Opdat hij zich niet trotsch verhef.
. Doe tot vergelding:. Heer der heeren. Op mijner haatren moedig hoofd Den smaad der lippen wederkeeren.
Die mij van al mijn eer berooft.
2S4
PSALM 141. 233
10. Schud, daar zij dus mijn roem verkorten,
Schud vuurge kolen op hen uit;
Laat hen in 't vuur, in kuilen storten;
Geef hen aan 't nare graf ten buit.
11. Een lasteraar, een leugenspreker
Zal nooit op aard bevestigd zijn:
Men jasre een twist- en onrustkweeker.
Totdat hij uit elks oog verdwijn.
12. Ik weet dat God, getrouw in 't richten.
Des armen rechtzaak, daar hij schreit,
Hoe valsch hem de ontrouw moog betichten. Beslissen zal naar billijkheid.
13. De vromen zullen U verhoogen.
Gezegend door uw milde hand;
De oprechten zullen voor uw ougen Steeds bloeien in gewenschten stand.
2. Miin beê, met opgeheven handen.
Klim voor uw heilig aangezicht. Als reukwerk voor U toegericht. Als offers die des avonds branden.
3. Zet, Heer, oen wacht voor mijne lippen.
Behoed de deuren van mijn mond. Opdat ik mij tot peenen stond Iets onbedachtzaams late ontglippen.
4. Neig nooit mijn hart tot kwade zaken.
Om tot godloosheid mij te spoên Met mannen die verkeeidheên doen; Laat mij hun lekkernij niet smaken.
5. De oprechte sla mij zonder vreezen:
Ik reken zulks weldadigheid;
En zijn bestratiing, die niet vleit. Zal olie op myn schedel wezen.
PAUZE.
6. Dat slaan zal mij bet hoofd niet breken:
'k Zal door dat liefdeblijk vermaakt.
Als een uit hen in rampspoed raakt. Te vuurger om zijn redding smeeken.
7. 'k Heb hunne rechters vrijgelaten ;
De rots getuigt: elk heeft trehoord,
Hoe aangenaam mijn vriendiyk woord quot;Was ingericht tot die mij haten.
8. Men heeft ons wreed vanééngereten,
Verstrooid als beendren aan het graf.
Als iets waar niemand acht op gaf. Gekloofd, verdeeld en weggesmeten.
9. Doch op TJ zien mijn schreiende oogen.
Op U betrouw ik in 't verdriet;
Verlaat, ontbloot myn ziel toch niet, O Ueeb , o eeuwig Alvermogen!
10. Bewaar mij voor 't geweld dtr strikken.
Die tot mijn val mij zijn gelegd
Door hen, die, wars van 't heilig recht. Het booze doen alle oogenblikkcn.
11. Dat wie godloos zijn siddrend vreezen.
Elk hunner in zijn garen vall';
Totdat ik onverhinderd zal Voorbijgegaan en veilig wezen.
2. Als mij geen hulp of uitkomst bleek. Wanneer mijn geest in mij bezweek. En overstelpt was door ellend.
Hebt Gij o Heer mijn pad gekend.
PSALM 143.
3. Zij hchben, vol arglistigheid.
Ken strik op mijnen weg gespreid;
'k Zag uit, in nood , ter rechterhand.
Maar vond noch vriend noch onderstand.
4. 'k Wou vluchten, maar kon nergens lieen. Zoodat mijn doo'1 voorhanden scheen,
En alle hoop mij gansch ontviel.
Daar niemand zorgde voor mijn ziel.
5. Ik riep tot U, ik xeide; O Heer,
Gij zijt mijn toevlucht, sterkte en eer; Gil zijt, zöulang ik leef, mijn deel.
Mijn God, wien ik mij aanbeveel.
6. Hoor mijn geschrei; 'khen uitgeteerd. Door mijn vervolgers ovcrheerd:
Ai help en red mij uit den nood,
AVaut hunne maciit is my te groot.
7. Voer mij uit mijn gevangenis.
Tot roem uws naams, die heerlijk is: Dat mij 't rechtvaardig volk omring. En vroolijk van uw weldaan zing.
Wil uwen knecht, door schuld verslagen, O Heer, niet voor uw vierachaar digen;
Want niemand zal in dat gericht.,
Daar zelfs zijn hart hem aan moet klagen. Rechtvaardig zijn voor uw gezicht.
Ik zie miin ziel vervolgd door snooden; Ik zi«, voor 'svijands haat gevloden.
Mijn leven in het stof vertreên;
Ik liic helaas, gelijk de dooden.
Omringd van nare duistcrheèn.
PSALM 143.
4' Pi'1 uiijn {reest met rouwe
o nVJn deer J ijk lot beschouwe, Jjezwijkt mijn afgefolterd hart.
wij weet dat ik op U betrouwe,
Aigoede Ciod, genees mijn smart.
5. Ik denk, in 'tmidden der gevaren,
JNog aan uw gunst van vroeger jaren:
ik tracht uw werken nategaan.
U bod, WIP kan U evenaren ?
Hoe heerlijk zijn uw wonderdadn!
6. Ik hef mijn handen naar den hoogen: Mnn ziel is voor uw alziende oogen
belijk een dor, een dorstig land,
v 8?(ler.t lan!? l'gt uittedroogen. Verkwijnende in dien doodschen stand.
PAUZE.
7. Heer, doe mij spoedig ademhalen; \m mijn bezweken gee.?t bestralen;
Verberg me uw vriendlijk aanschijn niet: ik zal eerlang ten grave dalen.
Indien Ge mij geen bijstand biedt.
8. Laat mij uw dierbre goedheid prijzen, Wanneer ik 'tmorgenlicht zie rijzen; â¢H-i .'r,ouw 0P U in mijn ellend. quot;il.quot;quot;-! quot;0t ware heilspoor wijzen;
Mijn ziel heeft zich tot U gewend.
9. o Heer, mijn toevlucht, hoor mijn klagen:
gt; erlos mij uit des vijands lagen,
Ti i niij.van hen die mij vertreên; ik schuil in mijn benauwde dagen Bij U mijn God, bij U alleen.
⢠Jd?.er jnij» o God van zaligheden,
M^n leyen in uw dienst besteden;
Gij zijt mijn God, vat Gij mijn hand: Uw goede G«est bestiernnijn schreden, ±.n leid' mij in een effen land.
. Laat uwe gunst mij niet begeven;
öcuenk mij, om uwes naam wil, leven;
Laat mijne ziel, dip tot U schreit,
haar benauwdheid zijn ontheven;
Ived mij om uw gerecatigheid.
. Laat nooit mijns vijands wensch gelukken lloei ze allen uit die mij doen bukken. Om uwe gunst, mij joegezejjd:
gt; erdelg hen dje mijn ziel verdrukken; quot;ant ik o Heer, ik ben uv.* knecht.
2. Wat is de mensch, wat is in hem te prijzen. Dat Gij o Heer hem gunsten wilt bewijzen.
Dat Gij hem kent? quot;Wat is des menschen kind. Dat Gij het acht en zoo getrouw bemint? Hij mag den naam van iidelheid wel dragen;
Zijn tijd is kort, en al zijn levensdagen, Hoe groot, hoe sterk hij op deze aarde zij. Gaan snel, gelijk een schaduwe, voorby.
3. Daal neder; neig, in gramschap fel ontstoken. Uw heem 1 en; raak de bergen dat zy rooken.
En bliksem. Heer, uw bliKsems op den grond; Verstrooi hen, zend uw pijlen uit in 'trond; Verniel hen: steek uw handen uit den hoogen; Ontzet my, toon uw Godlyk alvermogen.
En ruk mij uit een zee van ramp en nood: Der vreemden hand dreigt mij een wissen dood.
4. Hun mond is vol van lastren en van liegen
PSALM 145.
Hun rccliterhand bevlekt zich met bedriegen. Ik heilig U, na al mijn zielsverdriet.
Getrouwe God, een nieuw en vroolijk lied; Ook zal mijn luit en harp van U niet zwijgen. Die koningen de zege doet verkrijgen;
Die uwen knecht, die David guiiHtig redt. En door uw arm van 't booze zwaard ontzet.
PAUZE.
5. Ontzet mij, red mij uit der vreemden handen, AVier leugenmond mij wreevlig aan durft randen:
Hun rechterhand wordt door de list bestierd. Daar ze aan 't bedrog den ruimen teugel viert. Zoo zullen zich, .als planten, onz« zonen In hunne jeugd reeds jjroot en sterk vertoonen. De dochters zyn als stcenen, naar den eisch Gehouwen, op de hoeken eens paleis.
6. Zoo worde in 'tland de handel ruim gedreven, En voorraad steeds na voorraad uitgegeven;
Zoo blijke uw gunst, die 't vee in overvloed Bij duüend, ja tienduizend werpen doet. Ons runderree zij sterk en welgeladen;
Geen uitval of geen inbreuk moog ons schaden. Dat ge.en gekrijsch de rust der stad verstoor, Koch iemand daar van boozen oproer hoor.
7. Welzalig is het volk, dat, dus gezegend.
Dit heuglijk lot door 's Hemels gunst bejegent; Welzalig is het volk, tat, bij 't genot Van overvloed, den IIueii heeft tot zijn God.
M^==
den roem van uwe majesteit Verhoogen tot in
de cindlooze eeuwigheid. 'kZal dag aan dag U eer en dank bewijzen. De IIeek is groot, al 't schep-
PSALM 143.
241
p:
2. Ik zal, o Heer, dien ik mijn Koning noem, I)en luister van uw majesteit en roem Verbreiden, en uw wonderlijke daan
Met diep ontzag aandachtig gadeslaan.
Elks juichend hart zal uw geducht vermogen. De grootc kracht van uwen arm verhoogen: Ik zal mijn stem met aller lofzanj? paren, En overal uw grootheid openbaren.
3. Zij zullen, uit de volheid van 't gemoed. Gedachtig aan den milden overvloed Van uwe gunst, die roemen bij elkeen. En juichen van al uw gerechtilt;heên.
De Heer is goed en vriendlijk en weldadig. Barmhartig, mild, lankmoedig en genadig; Hij doet zijn gunst aan allen klaar bemerken Zijn goedheid is verspreid op al zyn werken.
PAUZE.
4. Alwat Gij wrocht zal juichen tot uw eer: quot;Uw gunstvolk zal verblijd U zeegnen Heer, En roemen van uw koninkrijk, uw macht. Uw heerUikheid en Goddelijke bracht;
Om, waar zich 't hart ooit voelt in leerzucht blaken. Uw heerlijkheid, uw macht bekendtemaken.
En de eer uws rijks, zoo groot, zoo hoogverheven. Voor aller oor den bootsten roem te geven.
5. Uw heerschappij verduurt zelfs de eeuwigheid; Uw koninkrijk is eindloos uitgebreid.
Gij ondersteunt hem die vonr 't onheil zwicht: Wie nederstort wordt door U opgericht.
't Ziet ill op U, 't blijft alles op U wachten: GU sterkt door spijs ter rechter tijd hun krachten; Ge ontsluit uw hand, ontfermend en weldadig.
Opdat uw gunst alwat er leeft verzadig.
6. De Heer is recht in al zyn weg en werk;
Zijn goedheid kent in 't gansch heelal geen perk. Hij is nabu de ziel die tot Hem zucht;
Hij troost het hart dat schreiend tot Hem vlucht. Dat ongeveinsd, in 't midden der ellenden.
PSALM 146.
Zich naar Gods troon met zijn gebeén blijft wenden: Hij geeft d^n wensch van allen die Hem vreezen. Hun bede heeft Hij nimmer afgewezen.
7. De Hekr bewaart de ziel die Hem bemint.
Mn ar Hij verdelgt wien Hij godloos bevindt.
Mijn blijde tong zal roemen in den Heeb,
En alle vleesch zal juichen tot Gods eer.
2. Vest op prinsen geen betrouwen.
Waar men nimmer Leil bij vindt:
Zoudt ge uw hoop op raenschen bouwen? Als Gods hand hun geest ontbindt, Keeren zij tot de aarde weer.
Storten met hun aanslag neer.
3. Zalig hij die in dit leven
Jakobs God ter hulpe heeft;
Hij die, door den nood gedreven.
Zich tot Hem om troost begeeft; I)ie zijn hoop in 't hachlijkst lot Vestigt op den Heer zijn God.
4. 'tTs de Heer, wiens alvermogen
't Groot heelal heef-; voortgebracht; Die genadig uit den 1 oogen Ziet, wie op zijn bijstand wacht. En aan elk die Hem verbeidt Trouwe houdt in eeuwigheid.
PAUZE.
5. 'tls de Heer, die 'trecht der armen.
Der verdrukten gelden doet;
Die, uit liefderijk erbarmen.
Hon?erigeii mildly.b voedt; Die gevangnen vriiheid schenkt. En aan hun ellende denkt.
, 'tis de Heer, wiens mededoogen Blinden schenkt het lieflijk licht; Wie in 't stof lag neergebogen. Wordt door Hem weer opgericht. God, die lust in waarheid heeft Mint hem die rechtvaardig leeft.
, 'tls de Heer, die vreemdelingen Met een wakend oog beschouwt, Weeuw en wees in twistgedingen En in kommer staande houdt;
Maar zijn arm, der vromen hoop. Stuit de boozen in hun loop.
, 't Is de Heer van alle heeren ,
Sions God, geducht in macht. Die voor eeuwig zal regeeren. Van geslachte tot geslacht.
Sion, zing uw God ter eer.
Prijs zyn grootheid: loof den Heer.
2. Hy heelt gebrokenen van harte, En Hij verbindt ze in hunne smarte
PSALM 147.
Die, in hun zonden en ellenden.
Tot Hem zich ter genezing wenden.
Hij telt het groot getal der starren.
Die 't scherpst gezicht op aard verwarren; Hij roept dat talloos heir tezamen,
Eu noemt die allen bij haar namen.
3. Zeer groot is onze Heer, vol krachten; Onpeilbaar diep zijn Gods gedachten;
Daar zyn verstand, nooit aftemeten, Ver overtreft alwat wij weten.
Zachtmoedigen wil Hij bewaren.
Hij. houdt zë staande in hun gevaren;
Maar goddeloozen doet Hij bukken. Bezwijken onder de ongelukken.
4. Zingt beurtelings en dankt den Hrsre;
Zingt psalmen onzer. God ter eere;
Dien God, die, voor het oog der volken. De heemien dekt met dikke wolken;
Die de aarde kroont met gunst en zegen. En haar besproeit met vruchtbren regen; Die 't gras, door milde en frissche droppen. Doet groeien op de heuveltoppen.
PAUZE.
5. God wil al 't vee steeds spijzen, laven; Hij hoort de stem der jonge raven;
Hij heeft geen lust aaa 's menschen krachten Aan hen die daaruit heil verwachten. De macht van 't paard en 's mans vermogen Zijn beide nietig in zijn oogen;
Aan wie vertrouwen op hun beenen quot;Wil Hy geen gunst of hulp verleenen.
6. De Hekr betoont zijn welbehagen Aan hen die ncedrig naar Hem vragen. Hem vreezen, zijne hulp verbeiden.
En door zijn hand zich laten leiden;
Die, hoe het ook moog tegenloopen. Gestadig op zijn goedheid hopen.
O Salem, roem den Heer der heeren: quot;Wil uwen God, o Sion, eeren.
7. Hij wil in gunst uw heil bewerken. De grendels uwer poorten sterken.
En zegent in uw land uw kindren;
Hij doet geen krijg uw wasdom hindren: Hij deelt den liefelijken vrede Zelfs aan uw verste jrrenzen mede;
Met vette tarw wil Hij u spijzen,
En kronen met zijn gunstbewyzen.
Hij zendt op aarde zyn hevelen;
Zijn woord loopt snel door 's werelds doelen
PSALM 143. 245
Hij geeft de sneeuw, om 't land te dekken En tot een zachte wol te strekken,
quot;Wier wondre vlokken, voor elks oogen,
Gods mncht en wijsheid klaar betoogen;
Of strooit weer, ten bekwamen storde.
Den rijm, als stuivende asch, in 't ronde.
9. Wie zou niet voor Gods grootheid bukkenl Hij werpt zijo ijs daarheen als stukken;
Wie zal bestaan voor zijne koude ?
Daar niemand die verduren zoude.
Moet rijm en ys weer met elkandren.
Op zijn bevel, in vocht verandren;
Want waait zijn wind, de waatren vloeien.
Rivier en beek begint te groeien.
10. Hij gaf aan Jakob zijne wetten.
Deed Isrel op zijn woorden letten;
Ilij leerde ze in zijn wogen wandlen:
Zoo wou Hü met seen volken handlen; Die moesten zijn getuigenissen
En zijn verbonditgeheimen missen.
Laat dan Goils lof ten hemel rijzen.
Laat alwat adem heeft hem prijzen.
8. Verbazend hof van d' Opperheer, GÃ hoogste hemel, aing zyn eer;
246 PSALM 149.
Gij wateren, die uit de lucht Uw drupplen stort op veld en vrucht. Looft allen, looft Hem met gezangen. Hem die u 't wezen deed ontvangen; Die u een perk, niet te overtrcên. Gesteld heeft door alle eeuwen heen.
3. Loof aarde, loof Gods wonderdaamp;n; Gij walvisch, grondlooze oreaan; Gij sneeuw en hajtel, damp en gloed; Gij stormwind, die zijn last voldoet; Gij bergen, heuvels, landen . stroomen; Gij dierbre vrucht- en cederboomen. Looft, looft des Scheppers oppermacht. Hie u uit niet heeft voortgebracht.
4. Looft, kruipend, wild en tt:m gediert; Looft, vogels. Hem die 'til bestiert; Gij koningen en rechters saum.
Gij vorsten, volken, roemt Gods naam; Gij maagden en gii jongelinge.i.
Laat nimmer af zijn lof te zingen: Eerwaarde grijsheid, frisschu jeugd, Weest in den God uws heils verheugd.
5. Looft, looft met ware erkentenis Zijn naam, die hoogverheven is.
Dewijl zijn wondre majesteit Door aard en hemel is verspreid.
Hij wou den hoorn, zoo vol vermogen. Den roem van Israel verhoogen;
Dat woont bii Hem, 't heeft zingens stof. Looft God: zingt eeuwig 's Heeren lof.
2. Laat de ijverige tempelreien
Op fluiten 's Hoogsten naam verbreien. Hun psalmgezangen vroolijk paren Met trommelen en snaren;
Nu God met lust zijn oogen slaat Op Jakobs uitverkoren zaad, Zachtmoedi^en zijn gunst betoont, En hen met heil bekroont.
3. Op 't heuglijkst zien zijn gunstgenooten. Door 'theilsieraad, hun eer versrooten; Dies mogen zij van blijdschap springen.
En op hun legers zingen.
liet lied, gewijd aan 's Heeren lof. Die hooger rijst dan 't hemelhof. Vervult hun keel: hun hand aanvaardt Een scherp tweesnijdend zwaard.
4. Dus wil de Almachtige, op hun smeeken Door hen zich aan de hi-idnen wreken. Door hen de wreevle volken straffen.
Elk loon naar werk verschaffen; Hun koniugen in ketens siaan. Hun grooten doen in boeien gaan. En 't recht, gelijk 't bpschreven staat. Volvoeren naar zijn raad.
5. Zoo zal de heerlijkheid der vromen Op 't luisterrijkat tevoorschijn komen; Zoo schenkt Gods goedheid hun begeeren:
Lof zij den lieer der heeren.
2. Looft God mot bazuinareklank;
Geeft Hem eer, bewijst Hem dank; Looft Hem met de harp en luit. Looft Hem met de trom en fluit;
Looft Hem op uw bigde snaren;
Laat zich 't orgel overal Bij het juichena vreugdg-enchal, Tot des Ileeren glorie, paren.
3. Looft God , naar zijn hoo-j bevel. Mot het klinkend cymbelspel;
Looft Hem ojgt; het schel niitaal Van de vroohjke cymbaal:
Looft den Heer: elkquot;moet IIi;m eeren, Alwat geest en adem heeft;
Looft den Ilr.F.a, die eeuwig leeft; Looft verheugd den lieer der heeren.
EINDE DE.;i PSALMEN.
E ENIGE GEZANGEN,
DE TIEN GEBODEN DES HEEREN. Exod. 20: 1â17.
Wijze van Psalm 140.
1. Mijn ziel, herdenk met heilig beven, Iloe God,
met majesteit bekleed. Zijn wet op Horeb heeft
gegeven. Daar Ilij decs woorden hooren deed:
2. Ik btn de IIekr, uw God en Koning,
Die van Egypten u bovrij,
U leidende uit uw slaafache woning;
Dient dan geen goden nevens mij.
S. Voor beeldendienst zult gij u wachten;
Ik ben de Hkkr, een ijvrig God;
'k Straf dien in drie en vier geslachten.
Maar schenk myn dienaars 't zaligst lot.
4. Misbruikt geenszins den naam des IIebren ;
Zweert nimmer eenen valschen eed;
Want hun, die zijnen naam onteeren,
Is zijn getergde wraak gereed.
5. Gedenkt en viert, met vee en magen.
Den sabbat, na zesdaagsche vlijt:
God schiep 't heelal in zooveel dagen.
En heeft den sabbat zich gewijd.
G. Gij zult uw ouders needrig eeren,
Opdat uw God, die eeuwig leeft.
Uw dagen gunstig moog vermeeren In 't land dat zijne hand u geeft.
7. Gij zult niet doodslaan, noch u wreken;
Breekt nooit den echt; steelt nieraands goed Gij zult geen valsch getuignis «preken;
Bemint elk met een vroom gemoed.
8. IJ w hart zal nimmer iets begeeren
Van alles wat uws naasten is;
Uw ziel zal, als uw mond. God eerea. En houden zijn getuigtnia.
DE LOFZANG VAN MARIA.
9. Och of wij uw geboöa volbrachten! Genk, o hoogste Majesteit!
Gun door 't preloof in Christus krachten , Om die te doen uit dankbaarheid.
2. Want zie, om 's Heeren daamp;n Zal elk geslacht voortaan
Alom mij zaligspreken;
Wijl God, na ramp en leed. Mij groote dingen deed:
Nu is zijn macht gebleken.
3. Hoe heilig is zyn naam!
Laat volk bij volk tezaam
Barmhartigheid verwachten. Nu Hij de zaligheid Voor wie Hem vreest bereidt. Door al de nageslachten.
4. Des Heeren arm is sterk; Hij deed ren krachtig werk;
Die hoog zijn van gevoelen. Heeft Hij verstrooid, verward. Met alles wat het hart Dier trotschcn mocht bedoelen.
5. Die stout zijn op hun macht. Heeft Hij versmaad, *eracht,
Gestooten van de tronen;
Maar Hij verhoogt en hoedt Het nederig gemoed.
Waarin zyn Geest wil wonen.
6. Hij heeft, na lang priduld. Met goederen vervuld
DE LOFZANG VAN ZACHARIAS.
Der hongerigen monden:
Hij zag geen rijken aan.
Maar heeft ze, in hunnen waan, Gansch ledig weggezonden.
7. Zijn goedheid klom ten top: Hij nam zijn Isrel op.
Naar 't heil, zijn knecht beschoren. Gelijk Hij, ons ten troost. Aan Abram en zijn kroost Voor eeuwig had gezworen.
blij
DE LOFZANG VAN ZACHARIAS.
Lucas 1; 68â79.
2. God had hun,- tot hun troost, gemeld, Hoe zijn gena ons redden zou Van onzer haatren wreed geweld: Nu blijkt zijn ouverwrikbre trouw; Nu toont Hij zijn barmhartigheid. Van ouds den vaadren tocgeteid;
En dat Hij wil gedenken Aan 't heilverbond, aan dien gestaafden eed.
Dien Hij weleer aan Abram deed;
Aan zijn verbond, dat van geen wanklen weet.
DE LOFZANG VAN SIMEON.
3. Hij spelde ons. dat wij te aller tijd, Wanneer die blijde heildag rees. Van 'svijands dienstbaar juk bevrijd Hem dienen zouden zonder vrees.
Naar 'tbeilig recht in ware deujcd. O dierbaar kind! o stof van vreugd!
Geschenk van 't Alverraofren!
Elk noem u God» profeet, en geef u eer;
Gij treedt voor 't aanschijn van den lieer, Ea baant zijn weg door Leven ea door leer.
4. Dns wordt des Heeren volk geleid,
Door 't licht dat nu ontstoken is. Tot kennis van de zaligheid,
In hunne schuldverg; tlenis;
Die nooit in schoone- ^lans verscheen Dan nu, door Gods bannhartigheên, Die, met ons lot bewogen.
Om ons van zonde en ongeval te ontslaan.
Een star in Jakob op doet gaan.
De zon des hells doet aan de kimmen staan.
5. Voor elk die in het duister dwaalt Verstrekt dees zon een helder licht.
Dat hem in schaduw das doods bestraalt* Op 't vredopad zyn voeten richt.
DE LOFZANG VAN SIMEON. Lucas 2: 29â32.
2. Een licht, zoo grcot, zoo schoon. Gedaald van 's henels troon. Straalt volk by volk in de oogén; Terwijl 't het blind gezicht Van 't heidendom verlicht. En Isrel sal verhoofeh.
HET GEBED DES HEEREN.
|
HET GEBED DES HEEREN. | |||||||||||||||
|
IDie maakt alleen ons blij en rijk.Die maakt alleen ons blij en rijk.
6. Tergeef ons onze schulden, Ilee*; Wy schonden al te snood uw eer; De boosheid kleeft ons altijd aan; quot;Wie onzer zou voor II bestaan. Had Jezus niet voor ons geleén? Wij schelden kwijt wie ons misdcên.
J_
253
254 DE 12 ARTIKELEN DES GELOOFS.
7. Leid ons in geen verzoeking ooit; Verberg voor ons uw aanzicht nooit; Gij weet het, onze kracht is klein. De driften veel en 't hart onrein: quot;Wat wordt er van ons in dien staat» O Vader, zoo Gij ons verlaat?
8. Verlos ons uit des boozen macht; Bescherm en sterk ons door uw kracht; Wij zijn toch zwak, zijn sterkte is groot; Dus zijn we elk oogenblik in nood;
Hier komt nog vleesch en wereld bij;
Ai sterk ons dan, en maak ons vrij.
9. Want uw is 't koninkrijk, o Heer;
IJw is de kracht, uw is al de eer;
TJ, die ons helpen wilt «-n kunt.
Die in uw Zoon verhooring gunt.
Die door uw Geest ons troost en leidt, U zij de lof in eeuwigheid.
10. Ja amen, trouwe Vader, ja.
Wij maken staat op uw genamp;.
Ons hart, o God die alles ziet. Veroordeelt ons in 't naat'ren niet; Het zegt, daar Ge op ons bidden let, Geloovig amen op 't gebed.
DE EERSTE BERIJMING VAN DE 12 ARTIKELEN DES GELOOFS.
!=S==
Mlâ
ons geboren is; Die voor ons leed in Pontius ge-
---
mijn God in 't eeuwig leven prijzen.
DE 12 ARTIKELEN DES GELOOFS.
Fâ-W---------
genezen. Mij schenken al het noodig goed. En
't kwaad dat mij op aard ontmoet Genadig doen ten
beste keeren: Zijn almacht zal mij steeds behoên.
If--- ^ ---.---11 B -â
Dat wou Hij als mijn Bondgod zweren. Dit wil Hij
als mijn Vadw doen.
2. 'k Geloof daarbij in Jezus onzen Heer,
Des Vaders Zoon, zijn eengeboren';
Dien ik gelijk den Vader eer.
Den Christus, van God uitverkoren.
Ontvangen van den Geest, van God,
Maria's Zoon, gehoond, bespot;
Die in Pilatus tijd, door Ijden
En kruisdood, heeft voer ons betaald; Begraven is, na angstig strijden.
En dus ter helle neergedaald.
3. Hij stond weer op, ons tol gerechtigheid.
Toen 't derde licht rees vit de kimmen.
Om, nu bekleed met majesteit.
Ten derden hemel opteklimmen;
Waar Hij, in hooystverheven stand.
Ten troon zit aan Gods reshterhand;
256
DE TWEEDE BERIJMING VAN DE 12 ARTIKELEN DES GELOOFS.
BEDEZANG VóóR DE PREDIKATIE.
Vanwaar wij Hem ten oordeel wachten.
Met englen en bazuingeschal.
Wanneer Hij alle de geslachten,
't Zij dood of levend, richten zal.
4. 'k Geloof ook in den Heilgen Geest, die één Met Zoon en Vader is in wezen;
'k Geloof één Kerk, die algemeen, Die christlijk, van God uitgelezen. En heilig is; waar klein en groot Van 't zelfde heil is deelgenoot; Dat God mijn zonden wil vergeven;
En dat mijn vleesch, weer opgewekt. Dan eeuwig, met mijn ziel, zal leven, Volzalig, heerlijk, onbevlekt.
^ stichten. En wij, op uwe leer gegrond. Ons leven
daarnaar richten.
2. Verleen ons, na genoten rust.
Op nieuw gezondheid, kracht en lust; Daar 'tlichaam, door den slaap verkwikt. Zich weder tot den arbeid schikt.
3. Dat wij ons ambt en plich:, o Heer, Getrouw verrichten, tot uw eer;
Dat uwe gunst ons werk bekroon; Uw Geest ons leide en in o.is woon.
4. Zie op ons neder in genamp;.
Opdat ons werk voorspoedig ga;
En scheld ons alle misdaan kwijt,
O Heer, die vol ontferming zijt.
5. Verlicht ons hart dat duister is ;
Wil ous, naar iiw getuigenis.
Doen vlieden alle kwade paan.
En ijvrig in uw wegen gaan.
G. Schenk uwen zegen bij uw woord;
Het rijk des satans word' verstoord;
Sterk leeraars, sterk onze overheid, In 't werk door U hun opgeleid.
7. Troost allen die in nood en smart Tot U verheffen 't angstig nart;
Maak ons in tegenspoeden stil:
Hoor ons, o God, om Jezus wil.
258 MORGENZANG. BEDEZANG VóóU HET. ETEN.
MORGENZANG. Wijze van Psalm 100.
=SEiii=$SEE^ESi55:.Ep=ilE=
biedt. En eindlijk eeuwig bij TJ leef.
AVONDZANG.
1. O groote Christus, eeuwig licht. Niets is bedekt voor uw gezicht. Die ons bestraalt waar wij ook
2. Toon ons uw goedheid en uw macht. Door uw bescherming dezen nacht; Behoed ons tegen ramp en leed.
En blyf tot onze hulp jereed.
3. Verkwik ons door een zoete rust. Om goed te doen met nieuwen lust; Dat onze slaap gematigd zij.
Ja zelfs uwquot;quot; naam tot eer gedij.
4. Houd ons gemoed tooi- U bereid. Opdat het blij uw komst verbeid'. Daar 'tin een stil vertrouwen leeft. Dat Gij ons onze schuld vergeeft.
5. Bcacherm ons in den bangen tijd Van zielsverzoeking en van strijd; Laat nooit den boozen vijand toe. Dat hij ons eenig hinder doe.
6. Behoed het gansche Christendom; Geef dat in kruis uw vreugd weerom; Vertroost het neergebogen hart.
En heel in gunst der kranken smart.
7. O Vader, dat uw liefde ons blijk'! O Zoon, maak ons uw beeld gelijk! O Geest, zend uwen troost ons neer! Drieëenig God, U zij al de eer!
AAN\ die bij
vef
In vrucht In tijden In tijden In de len In den zlt; In den oi In den w In verdn In vrede In oorlof In pest c In tijden In verlos In tijden
Boetpsal Van het In tij dei In bestr: voor In gebrc bare In verdi quot;VV annee Gebeder In kran Dankzei. Op het In oudi
Op de
Op den Op 's 1
EINDE.
Op de
Op dei
AANWIJZING VAN EENIGE PSALMEN
IE BIJ BIJZONDERE GELEGENHEDEN EN BIJ HET VERKLAREN VAN DE CHRISTELIJKE LEER KUNNEN GEZONGEN WORDEN.
Ps. 65, 67.
â 33, 107, 145, 146.
â 29.
VOOR LAND EN KERK.
In vruchtbare tijden.........
In tijden van schaarschheid . . . , In tijden van onweder
In de lente..............â 104.
In den zomer.............â 65.
In den oogst..............â 65, 67.
In den winter.............â 147.
In verdrukkingen der Kerk .... â 46, 79, 80.
In vrede................â 85, 147.
In oorlog................â 3, 27, 83.
In pest en besmettelijke ziekte . . â 91, 121.
In tijden van vervolging......â 10, 12, 13, 14, 44,94, 123.
In verlossing der Kerk......â 124, 126.
In tijden van overwinning.....â 46, 74, 108, 124.
TOOR BIJZONDERE PERSONEN.
|
Boetpsalmen............. Van het geloofsvertrouwen . . . In tijden van twijfelmoedigheid. In bestrijding over der goddeloozen voorspoed ............. I n gebrek van toegang tot den open baren godsdienst........ In verdrukking van vijanden. . . quot;Wanneer men met laster bezwaard Gebeden om heiligheid des levens In krankheden.......... Dankzegging voor genezing . Op het huwelijk......... |
In ouderdom........... 37, 49, 73, 92, 94. â 42, 63, 84. 4, 7, 17, 26, 31, 64. 7, 120. 25, 8G, 119, 143. 6, 38, 39, 41. 30. â 127, 128. â 71, 92 de pauze. |
BIJ PLECHTIGE G E LEG E N U FDE N.
Op de Kerstdagen..........Ps. 89 het begin, 98, 132 de
pauze, de Lofzangen. Op den eersten dag van het jaar quot;quot;
39, 90, 144.
â 16, 22, 40, 41,55 de pauze, 69, 109 het begin.
â 16, 22 derde pauze, 40 de pauze, 69 derde pauze, 118 derde pauze.
â 8, 47, 68 tweede pauze, 110.
Op 's Heilands lijden.......
Op de Paaschdagen.
Op den Hemelvaartsdag,
AANWIJZING VAN BENIGE PSALMEN.
. 45 de pauze, 68 tweede pauze, 72 de pauze, 87, 133.
⢠19, 86 de pauze, 119, de 12 Art. des Geloofs.
15, 24, 25, 26, 27, 32,139 de pauze.
- 23, 42, 43, 63, 65, 84, 130.
66 de pauze, 103, 106 bet begin, 116, 118.
⢠60, 79, 80, 85, 144.
- 66, 81, 107, 136, 147.
- 75, 101.
- 115 de pauze, 122, 132 de pauze, 133, 134, 138.
BIJ UET VER KLAR EN VAN nEI» HEID ELBE RGSCUEN CAT EC UI SM'JS.
Zondag.
1 Van den eenigen troost.....Ps. 73 tweede pauze.
2 Van de kennis der ellende uit de
wet...............â 19 de pauze.
3 Van den oorsprong der ellende . â 51 bet begin.
4 Van de straf der zonde.....â 5 bet begin, 11.
5 Van de voldoening........â 49 bet begin.
6 Van den Middelaar........â 25, 36, 130.
7 Van bet geloof...........â 2 de pauze.
8 Van God..............â 139 bet begin, 145 bet
begin.
â Van de Heilige Drieëenbeid . . â 33 het begin.
9 Van de schepping.........â 115 de pauze, 136 bet
begin, 146.
10 Van de Voorzienigheid......â 33, 104, 147.
11 Van den naam Jezus.......De Lofzang van Maria.
12 Van den naam Christus.....Ps. 2 bet begin, 89.
â Van den naam Christenen ... â 45 de pauze, 72 de pauze.
13 Van Gods eeniggeboren Zoon,
onzen Heer..........â 2 de pauze, 45 de pauze,
72 de pauze.
14 Van 's Heilands ontvangenis en
geboorte............De Lofzang van Maria.
15 Van 's Heilands lijden......Ps. 22.
16 Van 's Heilands dood,begravir g
en nederdaling ter belle . â 22.
17 Van 's Heilands opstanding. . . â 16, 118 derde pauze.
18 Van 's Heilands hemelvaart. . . â 47, 63 derde pauze.
19 Van 's Heilands zitting aan Gods
rechterband..........â 110.
â Van 's Heilands wederkomst ten
oordeel.............â 96 de pauze.
20 Van den Heiligen Geest.....â 119 derde pauze, 143.
Op de Pinksterdagen.
Vóór de belijdenis-predikatiën.
Bü de voorbereiding tot bet Heilij Avondmaal........
Bij bet Heilig Avondmaal.
Bij de dankzegging na bet Heili; Avondmaal........
Op bededagen..........
Op dankdagen.........
Bij bet aanvaarden van ambten . . Bij de bevestiging of intrede van Opzieners..............
AANWIJZING VAN EENIGE PSALMEN.
|
Zondag. 21 Van de Kerk........; / ⢠⢠â Van de gemeenschap der heiligen â Van de vergeving der zonden. . 22 Van de opstanding des vleesches â Van het eeuwig leven...... Van de rechtvaardiging..... Van de ongenoegzaamheid onzer goede werken voor God. . . Van de Sacramenten....... Van den Heiligen Doop..... Van den Kinderdoop....... Van het Heilig Avondmaal. . . Van de wederlegging der transsubstantiatie. . ........ Van de paapsche mis....... Van de vereischten der avond- maalgangers.......... Van de sleutelen des he meirijks. Van de noodzakelijkheid der goede werken........... Van de bekeering......... 33 34 Van â Van 35 Van 30 Van 37 Van 38 Van 39 Van 40 Van 41 Van Gods wet...... het eerste gebod . . het tweede gebod , het derde gebod . . den eed ....... het vierde gebod. . het vijfde gebod . . het zesde gebod . . het zevende gebod. |
Ps. 48. â 133. â 32. â 49 de pauze. â 73 tweede pauze, 84 de pauze. â 32, 103, 130. â 19 de pauze, 143. â 111. â 51. â 71 tweede pauze, 87. â 23. â 119 vierde pauze. â 115. â 2quot;» de pauze, 26 de pauze. â 15, 24, 65. â 119 het begin. â 119 negende en tweeëntwintigste pauze. â 1. â 81 eerste pauze. â 115. â 145 de pauze. â 24. â 63, 84, 92. â 34 eerste pauze, 78 het begin. â 50 de pauze, 51 de pauze, 119 vijfde pauze. â 62 de pauze. â 120. â 131. â 19 de pauze. â 65, 145 de pauze. â 103 de pauze. â 89 het begin. â 72 het begin. â 119. â 145 de pauze. â 51. 141 het begin. 5 het begin. 42 Van het achtste gebod..... 43 Van het negende gebod .... 44 Van het tiende gebod...... â Van de noodzakelijkheid der wet- prediking........... 45 Van de noodzakelijkheid en ver eischten des gebeds ..... 40 Van de aanspraak des gebeds. 47 Van de eerste bede . 48 Van de tweede bede. 49 Van de derde bede . 50 Van de vierde bede 51 Van de vijfde bede 52 Van de zesde bede â Van het besluit des gebeds . . . â |
AVONDZANG.
gaan, Al schijnt geen zon, al licht geen maan.
2. Toon ons uw goedheid en uw macht.
Door uw bescherming dezen nacht;
Behoed ons tegen ramp en leed.
En bljjf tot onze hulp gereed.
3. Verkwik ons door een zoete rust.
Om goed te doen met nieuwen lust; Dat onze slaap gematigd zij.
Ja zelfs uw' naam tot eer gedij.
4. Houd ons gemoed voor U bereid.
Opdat het blij uw komst verbeid'.
Daar 'tin een stil vertrouwen leeft.
Dat Gij ons onze schuld vergeeft.
5. Bescherm ons in den hangen tijd Van zielsverzoeking en van strijd;
Laat nooit den boozen vijand toe.
Dat hij ons eenig hinler doe.
6. Behoed het gansche Christendom;
Geef dat in kruis uw ''reugd weerom; Vertroost het neergebogen hart.
En heel in gunst der kranken smart.
7. O Vader, dat uw liefde ons blijk'!
O Zoon, maak ons uw beeld gelijk! O Geest, zend uwen troost ons neer! Drieëenig God, U zij al de eer!
AANWIJZING VAN EENIGE PSALMEN
DIE BIJ BIJZONDERE GELEGENHEDEN EN BIJ HET VERKLAREN VAN DE CHRISTELIJKE LEER KUNNEN GEZONGEN WORDEN.
VOOR LAND EN KERK.
|
In vruchtbare tijden . . In tijden van schaarscbheid . In tijden van onweder....... In de lente .............. In den zomer............. In den ooffst.............. In den winter............. In verdrukkingen der Kerk . . . . In vrede ................ |
In oorlog 33, 107, 145, 140. In tijden van vervolging In tijden van overwinning â 29. â 104. â 65. â 65, 67. â 147. â 46, 79, 80. â 85, 147. 3, 27, 83. .....Ps. 65, «7. In pest en besmettelijke ziekte . . â 91, 121. 10, 12, 13, 14, 44,94, 123. In verlossing der Kerk......â 124, 126. 46, 74, 108, 124. |
VOOR BIJZONDKRE PERSONEN.
|
Boetpsalmen............. Van bet geloofsvertrouwen . . . In tijden van twijfelmoedigheid. In bestrijding over der goddeloozen voorspoed ............. In gebrek van toegang tot den open baren godsdienst........ In verdrukking van vijanden. . . Gebeden om beiligbeid des levens In krankheden......... Dankzegging voor genezing Op bet huwelijk........ In ouderdom.......... |
Ps. 6, 25, 32, 38, 51, 130, 143. â 56, 57, 62, 121, 125, 138. â 77, 88. â 37, 49, 73, 92, 94. â 42, 63, 84. â 4, 7, 17, 26, 31, 64. Wanneer men met laster bezwaard is â 7, 120. 86, 119, 143. â 6, 38, 39, 41. â 127, 128. â 71, 92 de pauze. |
BIJ PLECHTIGE G E LEG E N U F ü E N.
|
Op de Kerstdage Op den eersten dag van het jaar Op 's Heilands lijden....... Op de Paaschdagen. Op den Hemelvaartsdag. |
. Ps. 89 het begin, 98, 132 de pauze, de Lofzangen. . â 39, 90, 144. . â 16, 22, 40, 41,55 de pauze, 69, 109 het begin. . â 16, 22 derde pauze, 40 de pauze, 69 derde pauze, 118 derde pauze. . â 8, 47, 63 ticeede pauze, 110. |
AANWIJZING VAN BENIGE PSALMEN.
2G2
|
Vóór de belijdenis-predikatiën. Bü de voorbereiding tot het Heilig Avondmaal........ Bij bet Heilig Avondmaal. Bij de dankzegging na bet Ileili; Avondmaal........ Op bededagen.......... Op dankdagen......... Bij het aanvaarden van ambten . . Bij de bevestiging of intrede van Opzieners.............. |
- 19, 86 de pauze, 119, de 12 Art. des Geloofs. - 15, 24, 25, 26, 27, 32, 139 de pauze. - 23, 42, 43, 63, 65, 84 130. - 66 de pauze, 103, 106 het begin, 116, 118. - 60, 79, 80, 85, 144. - 66, 81, 107, 136, 147. - 75, 101. - 115 de pauze, 122, 132 de pauze, 133, 134, 138. Op de Pinksterdagen.........Ps. 45 de pauze, 68 tweede pauze, 72 de pauze, 87, 133. Zondag. 21 Van de Van de â Van de Ã2 Van de Van ht |
BIJ HET VERKLAREN VAN DEN HEIDELBERGSCUEN CATECHISMUS.
Zondag.
1 Van den eenigen troost.....Ps. 73 tweede pauze.
2 Van de kennis der ellende uit de
wet...............â 19 de pauze.
3 Van den oorsprong der ellende . â 51 het begin.
4 Van de straf der zonde.....â 5 het begin, 11.
5 Van de voldoening........â 49 het begin.
6 Van den Middelaar........â 25, 36, 130.
7 Van het geloof...........â 2 de pauze.
8 Van God..............â 139 het begin, 145 het
begin.
â Van de Heilige Drieëenheid . . â 33 het begin.
9 Van de schepping.........â 115 de pauze, 136 het
begin, 146.
10 Van de Voorzienigheid......â 33, 104, 147.
11 Van den naam Jezus.......De Lofzang van Maria.
12 Van den naam Christus.....Ps. 2 het begin, 89.
â Van den naam Christenen ... â 45 de pauze, 72 de pauze.
13 Van Gods eeniggeboren Zoon,
onzen Heer..........â 2 de pauze, 45 de pauze,
72 de pauze.
14 Van 's Heilands ontvangenis en
geboorte............De Lofzang van Maria.
15 Van 's Heilands lijden......Ps. 22.
16 Van 's Heilands dood, begraving
en nederdaling ter helle . . â 22.
17 Van 's Heilands opstanding. . . â 16, 118 derde pauze.
18 Van 's Heilands hemelvaart. . . â 47, 68 derde pauze.
19 Van 's Heilands zitting aan Gods
rechterhand..........â 110.
â Van 's Heilands wederkomst f.en
oordeel.............â 96 de pauze.
20 Van den Heiligen Geest.....â 119 derde pauze, 143.
AANWIJZING VAN EENIGE PSALMEN.
|
Zondag. 21 Van de Kerk............ â Van de gemeenschap der heiligen â Van de vergeving der zonden. . quot;12 Van de opstanding des vleesches â Van het eeuwig leven...... 23 Van de rechtvaardiging..... 24 Van de ongenoegzaamheid onzer goede werken voor God. . . Van de Sacramenten....... 2(5 Van den Heiligen Doop..... 27 Van den Kinderdoop....... 23 Van het Heilig Avondmaal. . . 29 Van de wederlegging der transsubstantiatie .......... HO Van de paapsche mis....... â Van de vereischten der avond-maalgangers........ 31 Van de sleutden des hemelrijks. 32 Van de noodzakelijkheid der goe de werken........... 33 Van de bekeering......... 34 Van Gods wet........... â Van het eerste gebod....... 35 Van het tweede gebod...... 36 Van het derde gebod....... 37 Van den eed............ _ Van het vierde gebod....... 39 Van het vijfde gebod....... 40 Van het zesde gebod....... 41 Van het zevende gebod...... 42 Van het achtste gebod...... 43 Van het negende gebod..... 44 Van het tiende gebod....... Van de noodzakelijkheid der wet- prediking............ 45 Van de noodzakelijkheid en ver eischten des gebeds ..... 46 Van de aanspraak des gebeds. . 47 Van de eerste bede........ 48 Van de tweede bede........ 49 Van de derde bede........ 50 Van de vierde bede........ 51 Van de vijfde be,le........ 52 Van de zesde bede........ â Van het besluit des gebeds . . . »8 tweede â¢auze, 87. S 119, de OOfs. |
Ps. 48. â 133. â 32. â 49 de pauze. â 73 tweede pauze, 84 de pauze. â 32, 103, 130. â 19 de pauze, 143. â 111. â 51. â 71 tweede pauze, 87. â 23. â 119 vierde pauze. â 115. â 25 de pauze, 26 de pauze. â 15, 24, 65. â 119 het begin. â 119 negende en twee'èn-twintigste pauze. â 1. â 81 eerste pauze. â 115. â 145 de pauze. â 63,' 84, 92. â 34 eerste pauze, 78 het begin. â 50 de pauze, 51 de pauze, 119 vijfde pauze. â 62 de pauze. â 120. â 131. â 19 de pauze. â 65, 145 de pauze. â 103 de pauze. â 89 het begin. â 72 het begin. â 119. â 145 de pauze. â 51. â 141 het begin. â 5 het begin. |
ALFABETISCHE LIJST DER PSALMEN.
A. Psalm.
Aardsche Machten , looft den Huer ;..............29.
Ai zie, hoe goed, hoe lieflyk is 't, dat zonen........133.
Al de aard en alles wat zij geelt,...............2-1.
B.
'tBehaag U Ueer, naar mijn gebed,.............17.
'tBehaag U mij gehoor te geven;...............64.
Behoud o Heer: wil ons te hulpe komen,..........12.
'k Betrouw op U ; hoor mijn gebeden;............71.
Bewaar mij toch, o alvermogend God;............16.
D.
Daal haastig ter verlossing neer;...............70.
l)at Israel nu zegge, blij van geest:.............124.
Dat op uw klacht de hemel scheure,.............20.
De algoede üod zjj ons genadig, ...............67.
De God des heils wil mij ten her Ier wezen:........23.
De Heer is groot; elk zing zijn lof..............48.
De Heer zal opstaan tot den strijé ;..............68.
De Heer regeert: de hoogste Majesteit,..........93.
De lofzang klimt uit Sions zalen................65.
Der goden God verheft zijn stem met macht,........50.
De trotsche dwaas zegt in zijn boos gemoed:........14.
De trotsche dwaas zegt in zijn boos gemoed:........53.
Dus heeft de Heer tot mijnen Heer gesproken:......110.
G.
Gedenk aan David, aan zijn leed;...............132.
Geduchte God, hoor mijn gebeden:..............43.
Geef, Heer, den Koning uwe rechten,............72.
Genii o God, bescherm mij door uw hand:..........56.
Gena o God , gena, hoor mijn gebed ;.............51.
Genü, o God, gena, hoor mijn gebeên;............57.
Getrouwe God, de heidnen zijn gekomen...........79.
Gezegend zij de Heer, die te allen tijde...........144.
God de Heek regeert: ......................99.
God heb ik lief, want die getrouwe Heer...........116.
God heerscht als Opperheer:..................97.
God is bekend bij Juda's stam,.................76.
God is een toevlucht voor de zijnen,..............46.
God is mijn licht, mijn heil, wien zou ik vreezen? .... 27.
Groot en eeuwig Opperwezen,..................38.
Gij hebt uw land, o Heer , die gunst betoond........85.
Gij 's Herren knechten, looft den Heer;..........113.
Gij volken, hoort: waar ge in de wereld woont,.....49.
Gij zijt, o Heer, van de allervroegste jaren.........9J.
LIJST DER PSALMEN, £65
H. Psalm.
'k Heb lang den Heer in mijnen druk verwacht,.....40-
Heer, onze Heer, grootraaehtij? Opperwezen8*
'kHef mijn ziel, o God der goden,..............23.
Het ruime hemelrond....................... 19.
Het trotsch gedrag des boozen doet..............36.
Hoelang, o Heer, mijn toeverlaat,.............. 13.
Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot..................84.
Hoe vreeslijk groeit, o God................... 3.
Hoor o Heer , verhoor mijn smeeken.............102.
Hij die op Gods bescherming wacht,.............91,
'tllijgena hert, de jacht ontkomen,..............42.
Hij zal noch wanklen noch bezwijken.............123.
I.
Ik ben verblijd, wanneer men mij...............122.
Ik hef tot U, die in den hemel zit,..............123.
Ik loof den Heer mijn God;..................34.
Ik roep tot U, o eeuwig Wezen;................28.
Ik zal met al mijn hart den Heer..............................9.
Ik zal met hart en mond, o Hekr ...............30.
Ik zei: Nu zal ik letten op mijn pasin.............39.
In de achtbre Godsvergaderingen................82.
J.
Ja waarlijk. God is Isrel goed,.................73,
Juich aarde, juicu met bliide galmen.............66,
Juich aarde; juicht alom den Heer;.............100.
Juicht o volken, juicht;.....................47.
K,
Komt, laat ons samen Isrels Heer,..............95,
L,
Laat 's Heeren lof ten hemel rijzen ;.............147.
Laat ieder 's Heeren goedheid loven,............118.
Laat ons den rustdag wijden...................92.
Loof, loof den Heer, gij heidendom,.............117.'
Loof, loof den Heer, mijn ziel, met alle krachten; . . , 103.
Looft den Heer, want Hij is goed;.............136.
Looft God, den trouwen Opperheer;.............106.
Looft God, looft zijn naam alom;...............150.
Looft God, zingt eeuwig 's Heeren lef,...........148|
Looft, hallelujah, looft den Heer!..............lll[
Looft, looft den Heer , dien onhedwongen.........149^
Looft, looft den Heer gestadig;................107*,
Looft, looft nu aller heeren Heer,...............134.
Looft, looft verheugd den Heer der heeren!........105!
M.
Men heeft mij fel benauwd van jongs af aan........129,
Mijn geroep, uit angst en vreezen,..............77.
Mijn God, mijn God, waarom verlaat Ge mij,.......22,
Mijn hart, o Hemelmajesteit..................108,
Mijn hart verheft zich niet, o Heer;.............131.
LIJST DER PSALMEN.
Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen. . . .
Mijn ziel is immers stil tot GoiT;.........
N.
Neem, Heer, mijn bange klacht ter ooren; . . .
Neem, Isrels Herder, neem ter ooren,.....
Neem, o mijn volk, neem mijne 'eer ter ooren
Neig, o Heer, uw gunstige ooren,......
Niet ons o Heer, niet ons, uw' naam alleen
Niets is, o Oppermajesteit............
Nu zal mijn ziel, nu zullen al mijn zinnen ,
O.
O God, Gij zijt mijn toeverlaat;.......
O God, hoe hebben wij getreurd.......
O God, mijn God, Gij aller vorsten Heer,
O God mijns heils, mijn toeverlaat......
O God, neem mijn gebed ter ooren, ....
O God, verlos en red mij uit den nood;
O God, verlos mij uit den nood,...............
O God, wij mochten met onze ooren.............
O God, zoo waardig mijn gezangea,.....
O gij vergadering, gezeten............
O Heer , de Koning is verheugd.......
O Heer , doe Gij mij recht;..........
O Heer, Gij zijt weldadig::...........
O Heer mijn God, volzalig quot;Wezen,......
O Heer, verlos mij uit de banden......
O Heer wil mijn gebeden hooren ;......
Op God alleen betrouw ik in mijn nooden; Op U betrouw ik, Heer der Heeren, . . . .
P.
Prijs den Heer met blijde galmen;.....
Prijst den naam van uwen God,.......
R.
Red mij, o God, uit 's vijands handen;. . .
'k Riep tot den Heer met luider stem, . . .
'k Riep tot den Oorsprong aller dingen,. . .
'k Roep, Heer, in angst tot u gevloden; . .
S.
'k Sla de oogen naar 't gebergte heen,. . . ,
T.
Toen Israel 't Egyptisch rijksgrbied,.....
Twist met mijn twisters. Hemelheer; ....
U.
U alleen, U loven wij;..............
Hit diepten van ellenden.............
U mag men zalig heeten.............
'V.
Vergeefs op bouwen toegelegd;........
266
LIJST DER PSALMEN. 267
Psalm.
Verschijn nu blinkend. God der wrake;.......... 94.
W.
Waak öp mgn ziel, loof de Oppermajesteit:........104.
Waarom, o God, zijn wij in eeuwigheid.......... 74.
Waarom, o Heer, blijft Gy van verre staan?....... 10.
Waartoe u dus beroemd in 't kwade,............ 52.
Wanneer de Hf.er uit 's vijands macht............126.
Wat drift beheerscht het woedend heidendom....... 2.
Wees over 't heil der boozen niet ontstoken........37.
Welzalig hij, die in der boozen raad............. 1.
Welzalig hij die zich verstandig draagt............ 41.
Welzalig hij wiens zonden zijn vergeven...........32.
Welzalig zijn de oprechten van gemoed...........119.
Wie zal verkeeren , groote God................. 15.
Wil mij wanneer ik roep verhooren.............. 4.
Wij, o God, mijn bede hooren;............... 61.
Wij zaten neer, wij weenden langs de zoomen......137.
Z.
'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên, . . . . 89.
'k Zal met mijn gansche hart uw eer.............138.
'kZal van de deugd der milde goedheid zingen,.....101.
Zingt nu hlijtemoe.........................81.
Zingt vroolijk, heft de stem naarboven............33.
Zingt, zin^t den lof van 't Opperwezen :...........112.
Zin^t, zingt een nieuw gezang den Heere;........96.
Zingt, zingt een nieuw gezan? den Heere,........98.
Zwijg niet o God, houd ü niet doof;............83.
Zijn grondslag, zijn onwrikbre vastigheden.........87.
EENIGE GEZANGEN.
De tien Geboden des Heeren.
De Lofzang van Maria.
De Lofzang van Zacharias.
De Lofzang van Simeon.
Het Gebed des Heeren.
De eerste berijming van de twaalf Artikelen des Geloofs.
De tweede berijming van de twaalf Artikelen des Geloofs.
Bedezang vóór de predikatie.
Morgenzang.
Bedezang vóór het eten.
Dankzang na het eten.
Avondzang.
CATECHISMUS,
ONDERWIJZING IN DE CHRISTELIJKE LEER DIE IN DE NEDERLANDSCHE HERVORMDE KERKEN EN SCHOLEN GELEERD WORDT.
Zonday 1.
Vraay 1. Welke is uw ecnige troost, beide in leven en sterven ?
Antwoord. Dat ik met lijf en ziel, bei Je in leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben; die met zijn dierbaar bloed voor al mijne zonden volkomen betaald, en mij uit 8.11e geweld des duivels verlost beeft; en alzóó bewaart, dat zon Ier den wil mijns hemelscben Vaders geen baar van mijn boofd vallen kan, ja ook, dat mij alle ding tot mijne zaligheid dienen moet. Waarom bij miquot; ook door zijnen Heiligen Geest des eeuwigen levens verzekert, en hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.
Vraag 2. Hoeveel stukken zijn u noodig te weten, opdat gij in dezen troost zalig leven en sterken moogt?
Antwoord. Drie stukken; ten eerste, hoesrroot mijne zondeen ellende zij; ten andere, hoe ik vtn al mijne zonden en ellenden verlost worde; ten derde, hoe ik God voor zulk eene verlossing zal dankbaar zijn.
HET EERSTE DEEL.
VAN DKS MKNSCUBN KM.KNDICiUKI 1).
Zondag 2.
Vraag 3. Waaruit kent gij uwe ellendigheid?
Antwoord. Uit de wet Gods.
Vraag 4. Wat eischt de wet Gods van ons?
Antwoord. Dat leert ons Christus in eene hoofdsom, Matth. 22 : 37â40: Gij zult liefhebben den Heer uwen God met geheel uw hart je n met geheel uwe ziel en met geheel uw verstand. Dit is het eerste en het Kroote gebod. En het tweede daaraan gel ij k, [is]: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzel-ven. Aan deze twee geboden hangt de gansche wet en de profeten.
Vraag 5. Kunt gü dit alles volkomen houden?
Antwoord. Neen ik; want ik ben van nature geneigd God en mijnen naaste te haten.
Zondag 3.
Vraag 6. Heeft dan God den mensch alzoo boos en verkeerd geschapen ?
Antwoord. Neen hij, maar God heeft den mensch goed en naar zijn evenbeeld geschapen, dat is, in ware gerechtigheid en hei-
ligheid; o harte liel zoude, ou Vraay 7 menschen Antwooi vooroude! alzóó is ^ en gehore Vraag f onbekwaï Antwoo wedergel
catechismus.
ligheid; opdat hij God zijnen Schepper recht kennen, hem van harte liefhebben, en met hem in de eeuwige zaligheid leven zoude, om hem te loven en te prijzen.
Vraag 7. Vanwaar komt dan zulk een verdorven aard des menschen?
Autivoord. Uit den val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouderen, Adam en Eva, in 't paradijs, waar onze natuur alzóó is verdorven geworden, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden.
Vraag 8. Maar zijn wij alzóó verdorven, dat wij ganschelijk onbekwaam zijn tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad?
Antwoord. Ja wij: tenzij dan dat wij door den Geest Gods wedergeboren worden.
Zondag 4.
Vraag 9. Doet dan God den mensch geen onrecht, dat hij in zijne wet van hem eischt wat hij niet doen kan ?
Antwoord. Neen hij ; want God heefc den mensch alzóó geschapen, dat hij dat konde doen; maar de mensch heeft zich-zelven en al zijne nakomelingen, door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid, van die gaven beroofd.
Vraag 10. Wu God zulk een ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten?
Antwoord. Neen hij geenszins, maar hij vertoornt zich schrikkelijk, beide over de aangeboren en werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwig straffen, gelijk hij gesproken heeft: Vervloekt zij een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat tc doen.
Vraag 11. Is dan God ook niet barmhartig?
Antwoord. God is wel barmhartig, maar hii is ook rechtvaardig: daarom eischt zijne gerechtigheid, dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf, aan lijf en ziel gestraft worde.
het tweede deel.
VAN DES MENSCHEX VEKLOSS1NQ.
Zondag 5.
Vraag 12. Aangezien wij dan, naar het rechtvaardig oordeel Gods, tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er eenig middel waardoor wij deze straf ontgaan mochten, en wederom tot genade komen?
Antwoord. God wil dat aan zijne gerechtigheid genoeg geschiede: daarom moeten wij aan dezelve, öf door onszelve öf door een ander, volkomen betalen.
Vraag 13. Maar kunnen wij door onszelve betalen ?
Antwoord. In geenerlei wijze, maar wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder.
Vraag 14. Kan ook ergens een bloot schepsel gevonden worden dat voor ons betale?
Antwoord. Neen; want ten eerste wil God aan geen andere schepselen de schuld straffen die de mensch gemaakt heeft; ten andere kan ook geen bloot schepsel den last van den eeuwigen
2G9
leeb
CATECHISMUS.
toorn Gods tegen de zonde dragen, en andere schepselen daarvan verlossen.
Fraag 15. quot;Wat moeten wy dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken ?
Antwoord. Een zulken, die een waarachtig en rechtvaardig mensch zij, en nochtans ook sterker dan alle schepselen, dat is die ook waarachtig God zij.
Zondag 6.
Vraag 16. Waarom moet hij een waarachtig en rechtvaardi; mensch zijn?
Antwoord. Omdat de rechtvaardigheid Gods vorderde, dat de menschelijke natuur, die gezondigd had, voor de zonde betaalde , en dat een mensch, zelf een zondaar zijnde, niet konde voor anderen betalen.
Vraag 17. Waarom moet hij tevens een waarachtig God zijn ?
Antwoord. Opdat by uit kracht zijner Godbeid den last van den toorn Gods aan zijne menschhcid dragen, en ons de gerechtigheid en het leven verwerven en wedergeven mocht.
Vraag 18. Maar wie is die Middelaar, die tevens een waarachtig God en een waarachtig rechtvaardig mensch is ?
Antivoord. Onze Heer Jezus Christus, die ons van God tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en tot een volkomen verlossing geschonken is.
Vraag 19. Waaruit weet s:ij dat?
Antwoord. Uit het heilig Evangelie, hetwelk God zelf eerst in het paradijs geopenbaard heeft, en later door de heilige patriarchen en profeten beeft laten verkondigen , en door de offeranden en andere plechtigheden der wet laten vóórheelden, en ten laatste door zynen eengeboren Zoon vervuld.
Zondag 7.
Vraag 20. Worden dan alle menscben wederom door Christus zalig, gelijk zy door Adam zijn verdoemd geworden?
Antwoord. Neen ze; maar alleen degenen die hem door een oprecbt geloof worden ingelijfd, en al zijne weldaden aannemen.
Vraag 21. Wat is een oprecht geloof?
Antwoord. Een oprecbt geloof is niet alleen een zeker weten of kennis, waardoor ik het £il voor waarachtig houd wat God ons in zijn woord geopenbaard heefï; maar ook een zeker vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door bet Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen aan anderen , maar ook aan mij, vergeving der zonden, eeuwige gereebtipheid en zaligheid van God geschonken is, uit loutere genade alleen , om de verdienste van Christus.
Vraag 22. Wat is dan eenen Christen noodig te gelooven ?
Antwoord. Alwat ons in het Evangelie beloofd wordt, hetwelk ons de Artikelen van ons algemeea en ongetwijfeld Christelijk geloof in eene hoofdsom leeren.
Vraag 23. Hoe luiden die Artikelen?
Antwoord. Ik geloof in Gjd den Vader, den Al-machtigen Schepper des hemels en der aarde.
En in Jezus Christus, zijnen eengeboren Zoon, onzen Heer; die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria; die geleden
270
ieeft on« ren en' lerden d tev aren ies alms om te oo Ik gele Ik gel Kerk: d der zon een eeu
CATECHISMUS.
leeft onder Pontius Pilatus, is gekruist, ffestor-ïen en begraven, nedergedaald ter helle; ten lerden dage wederopgestaan van de dooden - op-revaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods les almachtigen Vaders; vanwaar hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden.
Ik geloof in den Heiligen Geest.
Ik geloof een heilige algemeene Christelijke Kerk: de gemeenschap der heiligen; vergeving der zonden; wederopstanding des vleesches; en een eeuwig leven.
Zondag S.
Vraag 24. Hoe worden deze Artikelen verdeeld?
Antwoord. In drie deelen: het eerste is van God den Vader, en onze schepping; het andere van God den Zoon, en onze verlossing ; het derde van God den Heiligen Geest, en onze heiligmaking.
Vraag 25. Aangezien er maar een éénig Goddelijk Wezen is , waarom noemt gij den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest ?
Antwoord. Omdat God zich alzóó in zijn woord geopenbaard heeft, dat deze drie onderscheiden personen de éénige waarachtige en eeuwige God zijn.
VAX GOD DEN VADER.
Zondag 9.
Vraag 25. Wat gelooft gij met deze woorden: Ik geloof in God den Vader, den Almachtigen Schepper des hemels en der aarde?
Antwoord. Dat de eeuwige Vader onzes Heeren Jezus Christus, die hemel en aarde met al wat er in is uit niet geschapen heeft, die ook dezelve nog door zijn eeuwigen raad en voorzienigheid onderhoudt en regeert, om zijns Zoons Christus wil mijn God en mijn Vader is; op wien ik alzóó vertrouw, dat ik niet twijfel of hij zal mij met alle nooddruft van lijf en ziel verzorgen, en ook al het kwaad dat hij mij in dit jammerdal beschikt mij ten beste keeren gt; want hij kan zulks doen als een almachtig God, en wil het ook doen als een getrouw Vader.
Zondag 10.
V raag 27. Wat verstaat grij door de voorzienigheid Gods?
Antwoord. De almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, door welke hij hemel eh aarde mitsgaders alle schepselen als met zijne hand nog onderhoudt, en alzóó regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijs en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen niet bij geval maar van zijne 'N aderlijke hand ons toekomen.
Vraag 28. Waartoe dient het ons , dat wij weten, dat God alles geschapen heeft, en no^ door zijne voorzienigheid onderhoudt ?
Antwoord. Dat wij In allen tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen, en in alle» wat ons nog toekomen kan een goed toevoorzicht hebben op onzen getrouwen God en Vader, dat ons geen schepsel van zijne liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen alzóó in zijne hand zijn, dat ze tegen zijnen wil zich noch roeren noch bewegen kunnen.
271
daarvan en Ver-
tvaardiff , dat is,
CATECHISMUS.
VAN GOD DEN ZOON.
Zondag 11.
Vraag 29. Waarom wordt de Zoon Gods Jezus, dat is Zaligmaker genaamd?
Antwoord. Omdat hij ons zaligmaakt en van onze zonden verlost; daarbenevens, dat bij niemand anders eenige zaligheid te zoeken of te vinden is.
Vraag HO. Gelooven dan die ook aan den eenigen Zaligmaker Jezus, die hunne zaligheid en welvaart bij de heiligen, bij zichzelve, of ergens elders zoeken .'
Antwoord. Keen zij, maar zij verloochenen metterdaad den eenigen Heiland en Zaligmaker Jezus, ofschoon zij hem met den mond roemen; want van tweeën één, öf Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn, öf wie dezen Zaligmaker met waar geloof aannemen, moeten alles in hem hebben wat tot hunne zaligheid van noode is.
Zondag 12.
Vraag 31. Waarom is hij Christus, dat is een Gezalfde genaamd ?
Antwoord. Omdat hij van God den Vader verordineerd en met den Heiligen Geest gezalfd is tot onzen hoogsten Profeet en Leeraar, die ons den verborgen raad en wil Gods van onze verlossing volkomen geopenbaard Leeft; en tot onzen eenigen Hoogepriester, die ons met de eenige olferande ziins lichaams verlost heeft, en ons met zijne voorbidding steeds voortreedt bij den Vader; en tot onzen eeuwigen Koning, die ons met zijn woord en Geest regeert, en ons bij de verworven verlossing beschut en behoedt.
Vraag 32. Maar waarom wordt gij een Christen genaamd?
Antwoord. Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus, en alzoo zijner zalving deelachtig ben: opdat ik zijnen naam bekenne, en mijzelven tot een levend dankoffer hem offere, en met een vrij en goed geweten in dit leven tegen de zonde en den duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met hem over alle schepselen regeere.
Zondag 13.
Vraag 33. Waarom is hij Gods eeniggeboren Zoon genaamd, zoo wij toch óók Gods kinderen zijn?
Antwoord. Daarom dat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zoon Gods is, maar wij zijn om mijnentwil uit genade tot kinderen Gods aangenomen.
Vraag 34. Waarom noemt gij hem onzen Heer?
Antwoord. Omdat hij ons me*, lijf en ziel , van al onze zonden, niet met goud of met zilver, maar met zijn dierbaar bloed geRöcht en van alle geweld des duivels verlost, en ons alzoo zich tot een eigendom gemaakt heeft.
eeuwig C liet vlees Heiligen Davids z Vraag vangin:^ Antwoc en volk( geboren
|
Vraag 35. Wat is dat, Heiligen Geest, |
Zondag 14. :ezegd: die ontvangen is van de geboren uit de maagd M a r i :i |
CATECHISMUS.
Antwoord. Dat de eeuwige Zoon Gods, dio waarachtig en eeuwig God is en blijft, eene ware menschelijke natuur, uit het vleesch en bloed der maagd Maria, door de werking des Heiligen Geestes aangenomen heeft, opdat hij ook het ware zaad Davids zij, zijnen broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde.
Vraag'M. Wat nuttigheid bekomt gij door de heilige ontvanging en geboorte van Christus?
Antwoord. Dat hij onze Middelaar is, en met zijne onschuld en volkomen heiligheid mijne zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt.
Zondag 15.
Vraag S7. Wat verstaat gij bij het woordje geleden?
Antwoord. Dat hij aan lijf en ziel, den ganschen tijd zijns levens op aarde, maar inzonderheid aan het einde zijns levens, den toorn Gods tegen de zonde van het gansche menschelijk geslacht gedragen heeft, opdat hij met zijn lijden, als met het eenige zoenoffer, ons lijf en ziel van de eeuwige verdoemenis verloste, en ons Gods genade, gerechtigheid en het eeuwig leven verwierve.
Vraag 38. Waarom heeft hij onder den rechter Pontius P i 1 a t u s geleden ?
Antwoord. Opdat hij onschuldig onder den wereldlijken rechter veroordeeld zijnde, ons daarmede van het strenge oordeel Gods, dat over ons gaan zoude, bevrijdde.
Vraag 39. Heeft het iets meer in^ uat hij gekruist is geweest, dan of hij met een anderen dood gestorven ware?
Antwoord. Ja het; want daardoor ben ik zeker, dat hij d« Vervloeking die op mij lag op zich geladen heeft; want de doou des kruiscs was van God vervloekt.
Zondag 10.
Vraag 40. Waarom heeft Christus zich tot in den dood moeten vernederen?
Antwoord. Daarom dat, vanwege de gerechtigheid en waarheid Gods. niet anders voor onze zonden konde betaald worden dan door den dood van den Zoon Gods.
Vraag 41. Waarom is hij begraven geworden?
Antwoord. Om daarmede te betuigen dat hij waarachtig gestorven is.
Vraag 42. Zoo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het dat wij óók moeten sterven?
Antwoord. Onze dood is geen betaling voor onze zondrn, maar alleen eene afsterving der zonden en een doorgang tot het eeuwig leven.
Vraag 4:5. Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offer/.nde en dood van Christus aan 't kruis ?
Atltwoord. Dat door zijne kracht onze oude mensch met hejn gekruist, gedood en begraven wordt; opdat de booze lusten des ieesches in ons niet meer regeeren, maar dat wij onszelve hem »t een offerande der dankbaarheid opofferen.
Vraag 44. Waarom volgt er: nedergedaald ter helle?
Antipoord. Opdat ik in mijne hoogste aanvechtingen verzekerd mij ganschelijk vertrooste, dat mijn Heer Christus door
273
18
CATECHISMUS.
VAX GOD DEN ZOON.
Zondag 11.
Vraagt. Waaroin wordt de Zoon Gods Jezus, dat Zaligmaker genaamd?
Antivoord. Omdat hij ons zaligmaakt en van onze zonden verlost; daarhenevens, dat bij niemand anders eenige zaligheid te zoeken of te vinden is.
Vraag .'lt;0. Gelooven dan die ook aan den eenigen Zaligmaker Jezus, die hunne zaligheid en welvaart hij de heiligen, hij zichzelve, of ergens elders zoeker. ?
Antwoord. Neen zij, maar zij verloochenen metterdaad den eenigen Heiland en Zaligmaker Jezus, ofschoon zij hem met den mond roemen ; want van tv/eeün één, óf Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn, öf wie dezen Zaligmaker met waar geloof aannemen, moeten alles ..n hem hebben wat tot hunne zaligheid van noode is.
Zondag 12.
Vraag 31. Waarom is hij Christus, dat is een Gezalfde genaamd ?
Antwoord. Omdat hij van God den Vader verordineerd en met den Heiligen Geest gezalfd is tot onzen hoogsten Profeet en Leeraar, die ons den verborgen raad en wil Gods van onze verlossing volkomen geopenbaard heeft; en tot onzen eenigen Hoogepriester, die ons met de eenige otferande ziins lichaams verlost heeft, en ons met zijne voorbidding steeds voortreedt bij den Vader; en tot onzen eeuwigen Koning, die ons met zijn woord en Geest regeert, en ons bij de verworven verlossing beschut en behoedt.
Vraag 32. Maar waarom wordt gij een Christen genaamd ?
Antwoord. Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus, en alzoo zijner zalving deelachtig ben: opdat ik zijnen naam bekenne, en mijzelven tot een levend dankoffer hem offere, en met een vrij en goed geweten in dit leven tegen de zonde en den duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met hem over alle schepselen regeere.
Zondag 13.
Vraag 33. Waarom is hij Gods eeniggeboren Zoon genaamd, zoo wij toch óók Gods kinderen zijn?
Antwoord. Daarom dat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zoon Gods is, maar wij zijn om zijnentwil uit genade tot kinderen Gods aangenomen.
Vraag 34. Waarom noemt gij hem onzen Heer?
Antwoord. Omdat hij ons met lijf en ziel, van al onze zonden, niet met goud of met zilver, maar met zijn dierbaar bloed gekocht en van alle geweld des duivels verlost, en ons alzoo zich tot een eigendom gemaakt heeft.
Zondag 14.
Vraag 35. Wat is dat gezegd : die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria?
Aniinoor eeuwig G het vlees Heiligen Davids zi Vraag 'â vanging ' Antwoo en volko geboren I
CATECHISMUS.
Antwoord, Dat de eeuwige Zoon Gods, dio waarachtig en eeuwig God is en blijft, eene ware menschelijke natuur, uit het vleescli en bloed der maagd Maria, door de werking des Heiligen Geestes aangenomen heeft, opdat hij ook het ware zaad Davids zij, zijnen broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde.
Vraag :iG. Wat nuttigheid bekomt gij door de heilige ontvanging en geboorte van Christus?
Antwoord, Dat hij onze Middelaar is, en met zijne onschuld en volkomen heiligheid mijne zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt.
Zondag 15.
Vraag 37. Wat verstaat gij bij het woordje geleden?
Antwoord, Dat hij aan lijf en ziel, den ganschen tijd zijns levens op aarde, maar inzonderheid aar het einde zijns levens, den toorn Gods tegen de zonde van het gansche menschelijk geslacht gedragen heeft, opdat hij met zijn lijden, als met het eenige zoenoffer, ons lijf en ziel van de eeuwige verdoemenis verloste, en ons Gods genade, gerechtigheid en het eeuwig leven Verwierve.
Vraag fö. Waarom heeft hij onder den rechter Pontius rilatus geleden?
Antwoord. Opdat hij onschuldig onder den wereldlijken rechter veroordeeld zijnde, ons daarmede van het strenge oordeel Gods, dat over ons gaan zoude, bevriidde.
Vraag :{9. Heeft het iets meer in, dat hij gekruist is geweest , dan of hij met een anderen dood gestorven ware ?
Antwoord, Ja het; want daardoor ben ik zeker, dat hij de vervloeking die op mij lag op zich geladen heeft; want de doou des kruiscs was van God vervloekt.
Zondag 1G.
dood
Vraag Aü. Waarom heeft Christus zich tot in de moeten vernederen ?
Antwoord, Daarom dat, vanwege de gerechtigheid en waarheid Gods. niet anders voor onze zonden konde betaald worden dan door den dood van den Zoon Gods.
Vraag 41. Waarom is hij begraven geworden?
Antwoord, Om daarmede te betuigen dat hij waarachtig gestorven is.
Vraag 42. Zoo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het dat wij óók moeten sterven?
Antwoord, Onze dood is geen betaling voor onze zondrn, maar alleen eene afsterving der zonden en een doorgang tot het eeuwig leven.
, Vraag 4:5. Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de «fferande en dood van Christus aan 't kruis ?
J Antwoord, Dat door zijne kracht onze oude mensch met lgt;e.m Æ gekruist, gedood en begraven wordt; opdat de booze lusten des H vleesches in ons niet meer regeeren, maar dat wij onsnelve hem B tot een offerande der dankbaarheid opofferen.
,ft Vraag 44. Waarom volgt er: n e de r ge d aal d ter helle? fl Antwoord. Opdat ik in mijne hoogste aanvechtingen verzekerd n zij, en mij ganschelijk vertrooste, dat mijn Heer Christus door
w. 18
£73
catechismus.
zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking; en helsche kwaal, in welke hij in zijn gansche lijden, maar inzonderheid aan het kruis, gezonken was, mij van de helsche benauwdheid en pijn verlost heeft.
Zondag 17.
Vraag 45. Wat nut ons de opstanding van Christus ?
Antwoord. Ten eerste hoeft hij door zijne opstanding den dood overwonnen, opdat hij ons de gerechtigheid, die hij door zijnen dood ons verworven had, konde deelachtig maken; ten andere worden wij ook door zijne kracht opgewekt tot een nieuw leven; ten derde is de opstanding van Christus een zeker pand onzer zalige opstanding.
Zondag 18.
Vraag 4(3. quot;Wat verstaat gij doarmede: opgevaren ten hemel?
Antwoord. Dat Christus voor de oogen zijner jongeren van de aarde ten hemel is opgeheven, er, dat hij ons ten goede dadr is, totdat hij wederkomt om te oordeelen de levenden en de dooden.
Vraag 47. Is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk hij ons beloofd heeft?
Antwoord. Christus is waarachtig mensch en waarachtig God. Naar zijne menschelijke natuur is hij niet meer op aarde; maar naar zijne Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt hij nimmermeer van ons.
Vraag 48. Maar zoo de menschheid niet overal is waar de Godheid is, worden dan die twee naturen in Christus niet van elkander gescheiden?
Antwoord. Ganschelijk niet; want mitsdien de Godheid on-begrijpelijk en overaltegenwoordig is, zoo moet volgen dat zij wel buiten hare aangenomen menschheid is, en nochtans ook in dezelve is en persoonlijk met haar vereenigd blijft.
Vraag 49. Wat nut ons de hemelvaart van Christus?
Antwoord. Ten eerste, dat hij in den hemel voor het aangezicht rijns Vaders onze Voorspreker is; ten andere, dat wij ons vleesch in den hemel tot een zeker pand hebben, en dat hij, als het hoofd, ons zijne lidmaten ook tot zich zal nemen; ten derde, dat hij ons zijnen Geest tot een tegenpand zendt, door wiens kracht wij zoeken wat daarboven is , waar Christus is zittende ter rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is.
Zondag 19.
Vraag 50. Waarom wordt daarbij gezet: zittende ter rechterhand Gods?
Antwoord. Dat Christus daarom ten hemel gevaren is, opdat hij zichzelven daamp;r bewijze als het Hoofd zijner Christelijke Kerk, door hetwelk de Vader alle dingen regeert.
Vraag 31. Wat nuttigheid brengt ons nu deze heerlykhcid van ons Hoofd Christus?
Antwoord. Eerstelyk, dat hij door zijnen Heiligen Geest in ons, zijne lidmaten, de hemelsche gaven uitgiet; daarna, dat hij ons met zijne macht tegen alle vijanden beschut en bewaurt.
£74
Vraag 5-. ;us om i Antwoord richten ho wil voor lt; nomen hei lijne en i maar mij blijdschap
CATECHISMUS.
Vraag hl. TVat troost u de wederkomst van Chris-us om te oordeelen de levenden en de dooden? Antwoord. Dat ik in alle droefenis en vervolging, met opge-richten hoofde, even denzelfden, die zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en al den vloek van mij weggenomen heeft, tot een Rechter uit den hemel verwacht, die al zijne en mijne vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij met alle uitverkorenen tot zich in de hemelsche blijdschap en heerlijkheid nemen zal.
VAX GOD DEN HEIMGEX GEEST.
Zondag 20.
Vraag 53. Wat gelooft gij van den Heiligen Geest?
Antuioord. Eerstelijk, dat hij tezamen met den Vader en den Zoon waarachtig en eeuwig God is; ten andere, dat hij ook aan mij gegeven is, opdat hij mij door een oprecht geloof Christus en al zijne weldaden deelachtig make, mij trooste, en bij mij eeuwig hlijve.
Zondag 21.
Vraag 54. Wat gelooft gij van de heilige algemeene Christel ij ke Kerk?
Antwoord. Dat dc Zoon Gods uit het gansche menschelijke geslacht zich eene Gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren , door zijn Geest en woord in eenigheid des waren geloofs van het begin der wereld tot aan het einde vergadert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven.
Vraag 55. Wat verstaat gij door dc gemeenschap der heiligen?
Antwoord. Eerstelijk, dat alle en elk geloovige, als lidmaten , aan den lieer Christus en al zijne schatten en gaven gemeenschap hebben; ten andere, dat elk zich moet schuldig weten, zijne gave ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewillig en met vreugde aanteleggen.
V raag 56. Wat gelooft gij van de vergeving der zonden?
Antwoord. Dat God, om het genoegdoen van Christus, aan al mijne zonden, ook aan mijnen zondigen aard, waarmede ik al mijn leven lang te stryden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenken, opdat ik nimmermeer in het gerichte Gods kome.
Zondag 22.
Vraag 57. Wat troost geeft u de opstanding des vlee» s c h e s ?
Antwoord. Dat niet alleen mijne ziel na dit leven van stonde aan tot Christus haar Hoofd zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vleesch, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wedefom met mijne ziel vereenigd en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.
Vraag 58. Wat troost schept gij uit het artikel van het e euwige levon?
Antwoord. Dat naardemaal ik nu het beginsel der eeuwige
2?5
kkins: en maar in-5 helsche
CATECmSMüS.
vreugd in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomen zalighcii
Ijezitten zal, die geen oog gezien en geen oor gehoord heeft, .. in geens menschen hart gekomen is, en dat om God daarii eeuwig te prijzen.
VAN DE RECHTVAAUDIGISO»
Zondag 23.
Vraag 59. Maar wat baat het u nu dat gy dit .alles gelooft
Antwoord. Dat ik in Christus voor God rechtvaardig hen, et een erfgenaam des eeuwigen levens.
Vraag 60. Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?
Antwoord. Alleen door een oprecht geloof in Jezus Christus alzoo dat al is 't dat mij mijn geweten aanklaagt, dat ik tegen al de gehoden Gods zwaar gezondigd en van dezelve geen gehouden heb, en nog steeds tot alle lioosheid geneigd hen, nochtans God, zonder cenige mijne verdienste, uit loutere genade, mij de volkomen genoegdocninjf, gerechtigheid en heiligheic van Christus schenkt en toerekent, evenals^had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja als had ik oo'-c al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, zoover ik zulk eene weldaad met een geloovig hart aanneem.
Vraag 61. AVaarom zegt gy dat gij alleen door het gC' 1 oo f rechtvaardig zijt?
Antwoord. Kiet dat ik vanwege de waardigheid mijns geloofs Godc aangenaam ben, maar daarom dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijne gerechtigheid voor God is, en dat ik dezelve niet anders dau alleen door het geloof aannemen en mij toeeigenen kan.
Zondag 24.
Vraag (12. Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een stuk derzelve zijn?
Antwoord. Daarom dat de gerechtigheid die voor Gods gerichl bestaan kan, gansch volkomen en aan de wet Gods in alle stukken gelijkmatig zijn moet, en dat ook onze beste werken in dit leven alle onvolkomen en met zonae bevlekt zijn.
Vraag 03. Hoe, verdienen onze goede werken niet, die God nochtans in dit en in het toekomende leven wil beloonen?
Antwoord. Deze belooning geschiêdt niet uit verdienste maar uit genade.
Vraag (54. Maar maakt deze leer niet zorgelooze en goddelooze menschen?
Antwoord. Neen ze; want het if. onmogelijk, dat zoowie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is niet zoude voortbrengen vruchten der dankbaarheid.
VAN DE SACRAMENTENâ¢
Zondag 25.
«
Vraag 65. Aangezien dan al'-een het geloof ons Christus en
27G
li zijne we Aniwoor _ rten we datzelve s Vraag Antwoo) -J zegels1 zelve, de :r zegel e; Christus, eeuwig le Vraag ( henen ge: ferande ^ grond dn Antwoo Evangelü komen ze voor ons Vraag 1 Verbond Antwoo jLvondma
ei liai
Vraag verzeken geschied Antwoi en daarl Geest vf pewassc onzulvei Vraag v an C Antwo hebben. aan het Heili.uei te zijn; een god V raai, zeker m water gt;!
Aniw hener pende des H en ge niet j Deze het l der a
CATECHISMUS. 277
al zijne weldaden deelachtig maakt, van waar komt zulk een geloof? hppftâ Antwoord. Van den Heiligen Geest, die het geloof in onze fori (Ian ^ harten werkt door de verkondifjing van het Heilig Evangelie, en aarquot; Jatzelve sterkt door het gebruiken der Sacramenten.
Vraay 66. quot;Wat zijn de Sacramenten ?
Antwoord. De Sacramenten zijn heilige zichtbare waarteekenen en zegels van God ingezet, opdat hij ons, door het gebruiken der-zelve, de belofte des Evangelies destebeter te verstaan geve en verzegele: namelijk dat hij ons, vanwege het eenis slachtoffer van Christus, aan het kruis volbracht, vergeving der zonden en het eeuwig leven uit genade schenkt.
Vraag 67. Zijn dan beide het Woord en de Sacramenten daarhenen gericht of daartoe verordend, dat ze ons geloof op de offerande van Jezus Christus aan het kruis, als op den cenigen grond onzer zaligheid, wijzen?
Antwoord. Ja ze toch; want de Heilige Geest leert ons in het Evangelie en verzekert ons door de Sacramenten, dat onze volkomen zaligheid in de eenige offerande van CUriatug staat, dio voor ons aan het kruis geschied is.
Vraay 08. Hoeveel Sacramenten heeft Chriatus in het Nieuw Verbond of Testament ingezet?
Antwoord. Twee, namelijk den Heiligen Doop en het Heilig Avondmaal.
niet de
i gerichl He stuk-;n in dit
lie God n? te maar
deloozej
: Chris-I voort-
zalighcii
VAS DEN HEILIGEN' DOOP.
'Zondag 26.
Vraag 69. Hoe wordt gij in den Heilisren Doop vermaand en verzekerd, dat de eenige offerande van Christus, aan het kruis geschied, u ten goede komt?
Antwoord. Alzoo dat Christus dit uitwendig waterbad ingezet, en daarbij toegezegd heeft, dat ik zóó zeker met zijn bloed en Geest van de onreinheid mijner ziel, dat is van al mijne zonde, gewasschen ben, als ik uitwendig met het water, hetwelk de onzuiverheid des vleesches pleegt wegtenemen, gewasscben ben.
Vraag 70. Wat is het: met het bloed en den Geest van Christus gewasschen te zijn?
Antwoord. Het is vergeving der zonden van God uit genade te hebben, om het bloed van Christus, hetwelk hij in zijne offerande aan het kruis voor ons uitgestort heeft, daarna ook door den Heiligen Geest vernieuwd en tot lidmaten van Christus geheiligd te zijn; opdat wij hoe langer hoe meer der zonde afsterven, en iu een godzalig onstraffeUik leven wandelen.
Vraag 71. quot;Waar heeft ons Christus toegezegd, dat hij ons zóó zeker met zijn bloed en Geest wasachen wil, als wij met het doopwater gewasschen worden ?
Antwoord. In de inzetting des Doops, welke aldus luidt: Gaat henen, onderwijst al de volkeren, dezelve doo-pende in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes; en: Wie geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar wie niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.
Deze belofte wordt ook herhaald, waar de Schrift den Doop het bad der wedergeboorte en da afwaste hing der zonden noemt»
5 gelooft. ? ben, ei
Chris hi .v. - ik tegei Reen ge-'n, noch-genade, leiligheid oit zonde heid vol-zulk eene
het ge-
s geloofs doening, thtigheid door hei
278 CATECHISMUS.
Zondag 27.
Vraag 72. 18 dan dat uiterlijk -waterbad de afwassching der zonden zelve?
Antwoord. Neen het; want alleen het hloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigt ons van £.lle zonden.
Vraag 73. Waarom noemt dan de Heilige Geest den Doop het bad der wedergeboorte en de afwassching der zonden?
Antwoord. God spreekt alzoo niet zonder groote oorzaak, namelijk niet alleen om ons daarmede te leeren, dat gelijk de onzuiverheid des lichaams door het water, alzoo ook onze zonden door het bloed en den Geest van C'ezus Christus weggenomen worden, maar veelmeer dat hii ons door dit Goddelijk pand en waarteeken wil verzekeren, dat wij zóó waarachtig vat^ onze zonden geestelijk ffewasschen zijn, als wij uitwendig met water gewasschen worden.
Vraag 74. Zal men ook de jonge kinderen doonen?
Antwoord. Ja; want mitsdien zij zoowel als de volwassenen in het verbond Gods on zijne Gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus bloed de verlossing van de zonden, en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder dan aan de volwassenen toegezegd wordt, zoo moeten zij ook door den Doop, als door het teeken des Verbonds, in de Christelijke Kerk inffelijfd en van de kinderen der ongeloovigen onderscheiden worden, gelijk in het Oude Verbond of Testament door de Besnijdenis geschied is, voor welke it het Nieuwe Verbond de ' Doop ingezet is.
Zondag 28.
Vraag 75. Hoe wordt gij in het Heilig Avondmaal vermaand en verzekerd% dat fjij .aan de eenige ofter.ande van Christus, aan het kruis volbracht, en aan al zijn goed gemeenschap hebt?
Antwoord. Alzoo dat Christus aan mij en alle geloovigcn tot zijne gedachtenis van dit gebroken brood te eten en van dezen drinkbeker te drinken bevolen heeft, en daarbij ook belooft: eerBteliik, dat zijn lichaam zóó zeker voor mij aan het kruis geofferd en gebroken, en zyn bloed voor mij vergoten is , als ik met oogen zie, dat het brood des Heeren voor mij gebroken en de drinkbeker mij medegedeeld wordt; en ten andere, dat hi) zelf müne ziel met zijn gekruist lichaam en vergoten bloed zóó zeker tot het eeuwige leven spijst ;n laaft, als ik het brood en den drinkbeker des Heeren (als ztkere wanrteekenen van het lichaam en bloed van Christus) uic des dienaars hand ontvang en tnondelijk geniet.
Vraat] Wat is dat te zeggen: het gekruiste lichaam van Christus te eten en zijn vergoten bloed te drinken?
Antwoord. Het is niet alleen me*, een geloovig hart het gansche lijden en sterven van Christus aantenemen, en daardoor vergeving der zonden en het eeuwige leren te verkrijgen; maar ook daarbenevens door den Heiligen Geest, die tevens in Christus
CATECHISMUS. 279
en in ons woont, alzóó met zijn heilig lichaam hoe langer hoe meer vereenigd te worden, dat wij, al is het dat Christus in den hemel is en wij op aarde zijn, nochtans vleesch van zijn vleesch , en been van zijne boenen zijn, en dat wy door éénen Gcesi (alsleden ééns lichaams door ééne ziel) eeuwig leven en geregeerd worden.
Vraag 77. Wddr heeft Christus beloofd, dat hij de geloovigen zóó zeker alzoo met zijn lichaam en bloed wil spijzen en laven, als zij van dit gebroken brood eten en van dezen drinkbeker drinken?
Antwoord. In de inzetting des Avondmaals, welke aldus luidt: (1 Cor. 11: 23â26) Onze Heer Jezus nam in den nacht in welken hij verraden werd het brood, en als hü gedankt had brak hij 't, en zeide: Neemt, eet, dat is myn lichaam dat voor u gebroken wordt: doet dat tot mijne gedachtenis. Desgelijks [nam hij] ook den drinkbeker na het eten des A v o n d-maals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in mijn bloed: doet dat, zoo dik w ij Is als gij [dien] zult drinken, tot mijne gedachtenis. Want zoo dikwyls als gij dit brood zult eten en dezen drinkbeker zult drinken, zoo verkondigt den dood des Heeren, totdat hij komt.
Deze toezegging wordt ook herhaald door den heiligen apostel Paulus, waar hy spreekt, 1 Cor. 10: 16, 17: De drinkbeker der dankzegging dien wij [dankzeggende] zesje' nen, is die niet een gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus? Want één brood [is het, zóó] zijn wij velen één lichaam, dew ij 1 wij allen ééns broods deelachtig z ij n.
Zondag 29.
Vraag 78. quot;Wordt dan uit brood en wijn het wezenlijke lichaam en bloed van Christus?
Antwoord. Neen; maar gelijkerwijs het water in den Doop niet in het bloed van Christus veranderd wordt, noch de afwas-sching der zonden zelve is, (waarvan het alleen een Goddelijk waarteeken en verzekering is), alzoo wordt ook het brood in het Nachtmaal niet het lichaam van Christus zelf, hoewel het, naar den aard en de eigenschap der Sacramenten, het lichaam van Christus Jezus genaamd wordt.
Vraag 19. Waarom noemt dan Christus het brood zijn lichaam, en den drinkbeker zijn bloed of het Nieuwe Verbond door zijn bloed; cn Paulus de gemeenschap des lichaams en bloeds van Christus?
Antwoord. Christus spreekt alzoo niet zondergrooteoorzaak, namelijk niet alleen om ons daarmede te leeren, dat gelijk brood en wijn dit tijdelijk le«.en onderhouden, alzoo ook zijn gekruist lichaam en zijn vergoten bloed de waarachtige spijs en drank zijn, waardoor onze zielen ten eeuwigen leven gevoed worden; maar veelmeer om ons door deze zichtbare teekenen en panden te verzekeren, dat wij zóó waarachtig zijn waar lichaam en bloed door de werking des Heiligen Geestes deelachtig worden, als wij deze heilige waarteekenen met den lichamelijkeu mond tut zijne gedachtenis ontvangen; en dat al zijn lijden en gehoorzaam-
280 CATECHISMUS.
heid zóó zeker ons eigen zijn, nis hadden wij zelve in onze eigen personen alles geleden en quot;Gode voor onze zouden genoeggedaan.
Zondag 30.
Vraag 80. Wat ondereclieid ia er tusschen het Nachtmaal des Heeren en de Paapsche Mis?
Antwoord. Het Nachtmaal des Heeren betuigt ons lt;lat wij volkomen verffeving aller zondén hebben doov de eentee ofl'erande van Jezus Christus, die hij zelf éénmaal aan het kruis volbracht heeft, en dat wij door deu Heililfen Geest Christus worden ingelijfd, die naar zijne mensclielyke natuur niet op de aarde maar in den hemel is, ter rechterhand Gods zijns Vaders, en ddar van ons wil aangebeden zijn. Maar de Mie leert, dat de levenden en de dooden niet door het lijden van Chriatus vergeving der zonden hebben, tenzij Christus nog dadelijks voor dezelve van de Mis-priesters geofferd worde; en dat Christus lichamelijk onder do gestalte des broods en wijns zü, en daarom ook daarin moet aangebeden worden. En alzoo is de Mis in den «rond niet andera dan eene verloochening der eenige offerande en des lijdens van Jezus Christus, en eene vervloekte afgoderij.
Vraag 81. Voor wie is het Avondmaal des Heeren ingesteld ?
Antwoord. Voor degenen die zichzelven vanweife hunne zonden mishagen, en nochtans vertrouwen dat dezelve hun om Christus wil vergeven zijn, en dat ook de overblijvende zwakheid met ïijn liiden en sterven bedekt is; ook bïgeeren hoe lanser hoe meer hun geloof te sterken en hun leven te beteren. Maar de geveinsden en die zich niet met een waar hart tot God bekeeren , die eten en drinken zichzelven het oordeel.
Vraag 82. Zal men ook tot dit Avondmaal laten komen wie zich met hunne bekentenis en leven als ongeloovige en godde-looze menschen aanstellen?
Antwoord. Neen; want. alzoo wordt het verbond Gods ontheiligd en zyn toorn over de ifansche Gemeente verwekt; daarom is de Christelijke Kerk schuldia:, naar de ordening van Christus en zijne apostelen, zulken (totdat zij betering huns levens bewijzen) door de sleutelen des hemelrijks uittcsluiten.
Zondag 31.
Vraag S3. Wat zijn de sleutelen d e s h em e 1 r ij k s ?
Antwoord. De verkondijdntj van het Heilisr E^anscelie, en de Christelijke ban ofuitsluitinguit de Christelijke Gemeente; door welke twee stukken liet hemelrijk den geloovigen opengedaan en den ongeloovigen toegesloten wort't.
Vraag 84. Hoe wordt het hemelrijk door de prediking van het Heilig Evangelie ontsloten en toegesloten?
Antwoord. Alzoo als, overeenkomstig het bevel van Christus, aan allen en aan een iegelijk Reloovige verkondigd en openlijk betuigd wordt, dat hun (zoodikwijls zij de beloftenis des Evangelies met waar geloof aannemen) waarachtig al hunne zonden van God, om de verdiensten van Christus, vergeven zijn; daarentegen aan alle ongeloovteen, en lie zich niet van harte bekeeren, verkondigd en betuigd wordt, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zoolang zü zich niet bekeeren ; volgens welke getuigenis des Evangelieo God beide ih dik en in het toekomende leven oordcclen wil.
CATECHISMUS.
Vraag 85. Hoe wordt het hemelrijk toegesloten en ontsloten door den Christolijken ban?
Antwoord. Alzoo als, overeenTtomstij; het hevel van Christus, degenen die onder den Christelijken naam onchristelijke leer of leven voeren, nadat zij menigmaal hroederlijk vermaand zijnde van hunne dwalingen en schandelik leven niet afstaan willen, aan de Gemeente, of aan degenen die van de Gemeente daartoe verordend zijn, aangebracht worden; en zoo zij nanr de vermaning niet vragen, van henlieden, door het verbieden der Sacramenten, uit de Christelijke Gemeente , en van God zelf uit het rijk van Christus gesloten worden, en wederom als lidmaten van Christus en zijne Gemeente aangenomen, wanneer zij waarachtige betering beloven en bewijzen.
HET DERDE DEEL.
VAX DE DAMvBA-VBUEID.
Zondag 32.
Vraag 83. Aangezien wij uit onze ellende, zonder eenige onze â¼erdienste, alleen uit genade, door Christus verlost zijn, waarom moeten wij dan nog goede werken doen ?
Antwoord, Daarom dat Christus, nadat hij ons met ziin bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, ons ook door zijnen Heiligen Geest tot zijn evenbeeld vernieuwt, opdat wij met ons ganscbe leven Gode dankbaarheid voor zijne weldaden bewijzen, en hij door ons geprezen worde; daarna ook, dat elk bij zichzelven van zijn geloof wit de vruchten verxelierd zy , en dat door onzen godzaligen wandel onze naasten óók voor Christus gewonnen worden.
Vraag 87. Kunnen dan die niet zalig worden, die in hun goddeloos ondankbaar leven voortvarende, zich tot God niet bekeeren?
Antwoord. In geenerlei wijze; want de Heilige Schrift zest, dat fteen onkuische, afgodendienaar, echtbreker, dief, gierifre, dronkaard, lasteraar, noch roover, noch diergelijke, het rijk Gods beërven zal.
Zondag 33.
Vraag 88. In hoeveel stukken bestaat de waarachtige bekeering des menschen ?
Antwoord. In twee stukken: in de afsterving van den ouden, en in de opstanding van den nieuwen mensch.
Vraag 89. Wat is de afsterving van den ouden mensch?
Antwoord. Het is een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, en dezelve hoe langer hoe meer te haten en te vlieden.
Vraag 90. Wat is de opstanding van den nieuwen mensch?
Antwoord. liet is eene hartelijke vreugd in Go J door Christus, en lust en liefde om naar den wil Gods in alle goede werken te leven.
Vraag 91. Maar wat zijn goede werken?
Antwoord. Alleen die uit waar geloof, nr.ar de Wet Gods, hem ter cere geschieden, en nifct die op ons gbeddunken of menischen* Inzettingen gegrond zijn.
281
CATECHISMUS.
van de wet.
Zondag 34.
Vraag 92. Hoe luidt de Wet des Heeren ?
Antwoord. God sprak al deze woorden:
Exod. 20: 2â17. Deut. 5: 6-21.
Ik ben de Heer uw God, die u uit Egj'pteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.
Het eerste gebod.
Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.
Het tweede gebod.
Gij zult u geen gesneden beeld noch eenige ge-lijkenis ra aken [van hetgeen] boven in den he ra el is, noch [van hetgeen] onder op de aarde is, noch [van hetgeen] in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen noch hen dienen; want ik de Heer uw God ben een ijverig God, die de raisdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde [lid] dergenen die ra ij haten; en doe barmhartigheid aan duizenden, dengenen die mü liefhebben en mijne geboden onderhouden.
Het derde gebod.
. GÃ zul t den naam van den Heer uwen God niet ijde 11 ij k gebruiken, want de Heer zal niet onschuldig houden wie zijnen naam ijdellijk gebruikt.
Het vierde gebod.
Gedenk den sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat quot;an den Heer uwen God: [dan] zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon noch uwe dochter, [noch] uw dienstknecht noch uwe dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdelinj; die in uwe poorten i*; want in zes dagen heeft de Heer den hïinel en de aarde gemaakt, de zee en alwat daarin is, en hij rustte ten zevenden dage: daarom zegende de Heer den sabbatdag en heiligde denzelven.
Het vijfde gebod.
Eer uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen verlengd worden in het land datdeHEER uw God u geeft.
Het zesde gebod.
Gij zult niet doodslaan.
282
CATECHISMUS. 283
Het zevende gebod.
Gij zult niet echtbreken.
Het achtste gebod.
Gy zult niet stelen.
Het negende gebod.
Gij zult geen valsche getuigenis spreken tegen uwen naaste.
Het tiende gebod.
Gy zult nietbegeeren uws naasten huis, gij zuit niet begeeren uws naasten vrouw, noch zijnen dienstknecht noch zijne dienstmaagd, noch zijnen os noch zijnen ezel, noch iets dat uws naasten is.
Vraag 93. Hoe worden deze tien geboden verdeeld?
Antwoord. In twee tafelen: waarvan de eerste leert hoe wij ons jegens God zullen houden, de andere wat wij onzen naaste schuldig zijn.
Vraag 94. quot;Wat gebiedt God in het eerste gebod?
Antwoord. Dat ik, zoo lief als mij mijner ziele zaligheid ia, alle afgoderij, toovcrij, waarzegging, supperstitie of bijgeloof, aanroeping der heiligen of van andere schepselen, mijde en vliede, en den eenigen waren God recht leere kennen, hem alleen vertrouwe, in alle ootmoedigheid en lijdzaamheid mij aan hem alleen onderwerpe, van hem alleen alles goeds verwachte, hem van ganscher harte liefliebbe, vreeze en eere ; alzoo dat ik eer vanfalle schepselen afga en die late varen, dan dat ik in het allerminste tegen zijnen wil doe.
Vraag ^ö. Wat is afgoderij ?
Antwoord. Afgoderij is, in de plaats van den eenigen ware* God, die zich in zijn woord geopenbaard heeft, of benevens denzei ven, iets anders te versieren of te hebbon, waarop de mensch zijn vertrouwen zet.
Zondag 35.
Vraag 96. Wat eischt God in het tweede gebod?
Antwoord. Dat wij God op geenerlei wijze afbeelden, noch op eene andere wijze vereeren dan hy in zijn woord bevolen heeft.
Vraag 97. Mas men dan ganscuelijk }?een beelden maken?
Antwoord. God kan noch mag op eenigerlei wijze afgebeeld worden ; maar al is het dat de schepselen kunnen afgebeeld worden, zoo verbiedt God toch hunne beeltenis te maken en te hebben , om «He te vereeren of God daardoor te dienen.
Vraag 98. Maar zoude men de beelden in de kerken, als boeken der leeken, niet mogen lijden ?
Antwoord. Neen; want wij moeten niet wijzer zijn dan God, die zijne Christenen niet door stomme beelden maar door de levende verkondiging zijns woords wil onderwezen hebben.
Zondag 36.
Vraag 99. Wat wil het derde gebod?
Antwoord. Dat wy niet alleen met vloeken of met valschen eed, maar ook met onnoodig zweren, den naam Gods niet lasteren noch misbruiken, noch ons met ons stilzwygen en toezien zulker
284 CATECHISMUS.
schrikkelijke zonde deelachtig maken; en in é6a woord, dat wij den heiligen naam Gods niet anders dan met vrees en eerbied gebruiken, opdat hij van ons recht bekend, aangeroepen, en in al onze woorden en werken geprezen worde.
Vraat/ 10U. la het dan zóógroote zonde. Gods naam met zweren en vloeken te lasteren, dat God zich ook over die vertoornt die zooveel hun raogelyk is het vloeken en zweren niet helpen weren en verbieden?
Antwoord. Ja gewis; want er is geen grooter zonde, noch die God meer vertoornt, dan dc lastering zijns naams; waarom hij ook dezelve met den dood te straffen bevolen heeft.
Zondag 37.
Vraag 101. Mag men ook godzaliglijk by den naam Gods een eed zweren ?
Antwoord. Ja, als het de Overheid van hare onderdanen, of anderszins ook de nood vordert, om trouw en waarheid daardoor te bevestigen, en dat tot Gods eer en des naasten zaligheid ; want zulk eedzweren is in Gods woord gegrond, en daarom ook van de heiligen in het Oude en Nieuwe Tesiament recht gebruikt geweest.
Vraag 102. Mag men ook bij de heiligen of by eenige andero schepselen een eed zweren?
Antwoord. Neen; want een recht eedzweren is God aanroepen , dat hij, als die alléén het hart kent, der waarheid getuigenis wil geven, en mij straffen indien ik valschelylxzweer, welke eer aan geen schepselen toebehoort.
Zondag 38.
Vraag 103. Wat gebiedt God in het vierde gebod?
Antwoord. Eerstel ijk, dat de kerkdienst of het predikambt, en de scholen onderhouden worden; en dat ik, inzonderheid op den sabbat, dat is op den rustdag, tot de gemeente Gods naarstig korae, om Gods woord tehooren, de Sacramenten te gebrniken, God den Ueer openlijk aanteroepen, en den armen Cliristelijke handreiking te doen ; ten andere, dat ik al de dagen mijns levens van mijne booze werken viere, den lieer door zijnen Geest in mij werken late, en alzoo den eeuwigen sabbat in dit leven aanvange.
Zondag 39.
Vraag 104. quot;Wat wil God in het vijfde gebod?
Antwoord. Pat ik miin vader en moeder, en allen die over mij gesteld zijn, alle eer, liefde en trouw bewijze, en mij aan hunne goede leer en straf met behoorlijke gehjorzaaraheid onderwerpe, en ook met hunne zwakheid en gebreker geduld hebbe, aangezien het God belieft ona door hunne baad ce regeeren.
Zondag 40.
Vraag 105. Wat eisebt God in het zesde gebod?
Antwoord. Dat ik mijnen naaste noch met gedachten noch met woorden of eenig gelaat, veel minder metterdaad, door mijzelvcn of door anderen onteere, hate, kwetst, of doode; maar dat ik alle wraakgierigheid aflegge, ook mijzelven niet kwetse of moedwillig In eenig gevaar begeve: waarom ook de Overheid het Bwaard draagt om den doodslag to weren.
CATECHISMUS. 285
Vraat/ löG. Maar dit gebod schijnt alleen van het doodslaan te spreken ?
Antwoord. God verbiedende den doodslag, leert ons dat hy den â wortel des doodslags, als nijd, haat, toorn en wraakgierigheid haat, en zulks alles voor een doodslag houdt.
Vraag 107. Maar is het genoeg dat wij onzen naaste, gelijk gezegd is, niet dooden ?
Antwoord. Neen; want God verbiedende den nyd, haat en toorn, «ebiedt dat wij onzen naaste liefhebben als onszelve, en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelykheid bewijzen, zijne schade zooveel ons mogelijk is afkeeren, en ook onzen vijanden goeddoen.
Zondag 41.
Vraag 103. Wat leert ons het zevende gebod ?
Antwoord. Dat alle onkuiscbheid van God vervloekt is , en dat wij daarom dezelve van harte vijandig zijnde, kuiscb en tuchtelijk leven moeten, hetzy in den heiligen huwelijken staat of buiten denzelve.
Praag 109. Verbiedt God in dit gebod niet meer dan echtbreken en dergelijke scbanden ?
Antwoord. Dewijl ons lichaam en ziel tempelen des Heiligen Geestes zijn, zoo wil hij dat wij ze beide zuiver en heilig bewaren : daarom verbiedt hij alle onkuische daden, pebaren, woorden , gedachten, 'lusten, en wat den mensch daartoe trekken kan.
Zondag 42.
Vraag 110. Wat verbiedt God in het achtste gebod?
Antwoord. God verbiedt niet alleen het stelen en rooven, hetwelk de Overheid straft, maar hij noemt ook dieverij, alle booze stukken en aanslagen waarmede wij onzes naasten goed aan ons denken te brengen, hetzij met geweld of schijn van recht, als met onrecht gewicht, el, maat, waar, munt, woeker, of door eenig middel van God verboden; daarbij ook alle gierigheid , alle misbruik en verkwisting zijner gaven.
Vraag 111. Maar wat gebiedt God in dit gebod?
Antwoord. Dat ik mijns naasten nut, waar ik kan en mag, be-vordere, met hem alzóó handele aln ik wilde dat men met mij handelde; daarbij ook dat ik getrouw ar beide, opdat ik den nooddruftige helpen mag.
Zondag 43.
Vraag 112. Wat wil het negende gebod?
Antwoord. Dat ik tegen niemand valschc getuigenis geve, nie-mands woorden verkeere, geen achterklapper of lasteraar zij, niemand lichtelijk en onvernoord oordecle of helpe verdoemen; maar allerlei liegen en bedriegen, als eigen werken des duivels, vermijde, tenzij ik den zwaren toorn Gods op mij laden wil; insgelijks dat ik in het gericht en alle andere handelingen de wa.arheid liefhebbe, oprecht spreke en bekenne, ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bcvordere.
286 CATECHISMUS.
Zondag 44.
Vraag 113. Wat eischt van ons het tiende gebod?
Antwoord. Dat ook de minste lust of gedachte tegen eenig gebod Gods in ons hart nimmermeer kome, maar dat wij te allen tijde van sranscher harte alle zonde vijandig zyn, en lust tot alle gerechtigheid hebben.
Vraag 114. Maar kunnen degenen die tot God bekeerd zyu deze geboden volkomen houden ?
Antwoord. Neen ze; maar ook de alle:rheiligsten, zoolang zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid ; doch alzóó dat zij met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige maar naar al de geboden Gods beginnen te leven.
Vraag 115. Waarom laat God ons dan zoo acherpelijk de tien geboden prediken, zoo toch niemand ze in dit leven houden kan?
Antwoord. Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onzen zondigen aard hoe langer hoe meer leeren kennen, en deste begeeriger zijn om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken; daarna, dat wij zonder onderlaien ons benaarstigen en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.
VAN HET GEBED.
Zondag 43.
Vraag 116. Waarom is het gebed den Christenen van noode?
Antwoord. Daarom dat het 't voornaamste stuk der dankbaarheid is, welke God van ons vordert; en dat God zijne genade en den Heiligen Geest alleen aan diegenen geven wil, die hem met hartelijke zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken.
Vraag 117. Wat behoort tot zulk een gebed dat God aangenaam zij en van hem verhoord worde?
Antwoord. Eerstelijk, dat wij alleen den eenigen waren God , die zich in zyn woord geopenbaard heeft, om al hetgeen hij ons geboden heeft te bidden , van harte aanroepen; ten andere, dat wij onzen nood en ellende recht en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht zijner majesteit verootmoedigen; ten derde, dat wij dezen vasten grond hel ben, dat hy ons gebed, niettegenstaande wij zulks onwaardig zyn , om des Heeren Christus wil zekerlijk wil verhooren, gelijk hij ons in zijn woord beloofd heeft.
Vraag 118. Wat heeft God ons bevolen van hem te bidden?
Antwoord. Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, welke de Heer Christus begrepen heeft in het gebed dat hy zelf ons geleerd heeft.
Vraag 119. Hoe luidt dat gebed?
Antwoord. Onze Vader die in de hemelen [zyt],
uw naam worde geheiligd;
uw koninkrijk kome;
CATECHISMUS. £87
uw wil geschiede gelijk in den hemel [alzóó] ook op de aarde;
geef ons heden ons dagelijksch brood;
en vergeef ona onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren
en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den hooze;
want uw is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, in eeuwigheid. Amen.
Zondag 46.
Vraag 120. Waarom heeft Christus ons geboden. God alzóó aantespreken:()nze Vader?
Antwoord. Opdat hij van stonde aan in het begin onzes gcbeds in ons de kinderlijke vrees en toevoorzicht tot God verwi'kke, hetwelk de grond onzes gebeds is; namelijk dat God onze Vader door Christus geworden is, en dat hij ons veel minder afslaan zal hetgeen wij van hem met een recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardsche dingen ontzeggen.
Vraag 121. Waarom wordt hier bijgevoegd: die in de hemelen [zyt]?
Antwoord. Opdat wij van de hemelsche majesteit Gods niet aardsch gedenken, en van zijne almachtigheid alle nooddruft des lichaams en der ziel verwachten.
Zondag 47.
Vraag 122. Welke is de eerste bede?
Antwoord. Uw naam worde g e h ei I ig d; dat is, geef ons eerstelijk dat wij u recht kennen, en u in al uwe werken, in welke uwe almachtigheid, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid klaarlijk schijnt, heiligen, roemen en prijzen; daarna ook, dat wij al ons leven, gedachten, woorden en werken alzóó schikken en richten, dat uw naam om onzentwil nitt gelasterd maar geëerd en geprezen worde.
Zondag 4S.
Vraag 123. Welke is de tweede bede?
Antivoord. Uw koninkrijk kome; dat is, regeer ons alzóó door uw woord en uwen Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan u onderwerpen; bewaar en vermeerder uwe Kerk, verstoor de werken des duivels, en alle geweld hetwelk zich tegen u verheft, mitsgaders alle booze raadslagen die tegen uw heilig woord bedacht worden; totdat de volkomenheid uws rijks toekome, waarin gij alles zult zyn in allen.
Zondag 49.
Vraag 124. Welke is de derde bede?
Antwoord. Uw wil geschiede gelijk in den hemel [al zóó] ook op de aarde; dat is , geef dat wü en alle men-schen onzen eigen wil verzaken, en uwen wil, die alléén goed is, zonder eenig tegenspreken gehoorzaam zijn; opdat alzoo een iegelijk zijn ambt en beroeping zóó gewillig en getrouw moge bedienen en uitvoeren als de engelen in den hemel doen.
283 CATECHISMUS.
Zondag 50.
Vraag 123. quot;Welke is de vierde bede ? .
Antwoord. Geef ons heden ons dagelijksch brood, dat is, wil ons met alle nooddruft desf lichaams verzorgen, opdat vrij daardoor bekennen, dat gij de cenige oorspronjf alles goeds zijt, en dat noch onze zorg, noch arbeid, noch uwe gaven, zonder uwen zegen ons gedijpn; en dat wij derhalve ons vertrouwen van alle schepselen aftrekben en op u alleen stellen.
Zondag 51.
Vraag 126. Welke is de vijfde beder
Aiitivnord. En vergeef ons onze schulden, gel IJK ook wij vergeven onzen schuldenaren; dat is, wil ons arme zondaren al onze misdaden, v.u ook de boosheid die ons altijd aanhangt, om het bloed van Christus niet toerekenen; alzoo wij ook de getuigenis uwer genade in ons bevinden, dat ons gansch voornemen is, onzen naaste van harte te vergeven,
Zondag 52.
Vraag 127. Welke i8 de zesde bede ?
Antwoord. En leid ons niet in verzoeking, maaT verlos ons van den booze; dat is, dewijl wij van onszelvc zóó zwak zijn dat wij niet een oogenblik kunnen bestaan, en daarbij onze doodvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vleesch, niet ophouden ons aantevechten: wil ons toch behoeden en sterken dour de kracht uws Heiligen Geestes, opdat wy in dezen geestelijken strijd niet onderliggen, maar altijd sterken wederstand doen, totdat wij eindelijk ten eenemale de overhand behouden.
Vraag 128. Hoe besluit gij uw gebed?
Antwoord. Want uw is het ko oinkrijk en de kracht cn de heerlijkheid, in eeuwigheid; dat is, zulks alles bidden wij van u, daarom dat gij , als onze Koning en aller dingen machtig, den wil en het vermogen hebt ons alles goeds te geven, en dat alles, opdat daardoor niet wij maar uw heilige naam eeuwig geprezen worde.
Vraag 129. Wat beduidt het woord amen?
Antwoord. Amen is te zeggen: het zal waar en ïeker zijn; waut mijn gebed is veel zekerder van God verhoord, dan ik in mijn hart gevoel dat ik zulks van hem begeer.
EINDE VAN DEN CATECHISMUS.
CHRISTELIJKE GEBEDEN
DIE IN DE VERGADERING DER GELOOVIGEN EN ELDERS GEBRUIKT WORDEN.
GEBED DES ZONDAGS VÃÃR DE PREDIKATIB.
O eeuwige God en allergenadi^ste Vader, wij verootmoedigen ons uit ^rond des harten voor uwe hoojfe majesteit,tegen welke wij zoo menigmaal en gruwelijk gezondigd hebben, en bekennen, zoo gij met ons wilt te recht gaan, dat wij niet anders dan den eeuwigen dood verdiénd hebben. Want behalve dat wij allen door de erfzonde voor u onrein en kinderen des toorns zijn , ontvangen uit zondig zaad, en in ongerechtigheid geboren, waardoor allerhande booze lusten,tegen u en onze naasten strijdende, in ons wonen.â zoo hebben wij metterdaad uwe geboden nog menigmaal en zonder einde overtreden , nalatende wat sij ons geboden badt, en doende wat on « klaarlijk verboden was. Wil hebben als schapen gedwaald en hebben grootelijks tetren u gezondigd, hetwelk wij behennen , en het is ons van harte leed; ja wij belijden te onzer kleinigheid en ten pryze uwer barmhartigheid teonswaart, dat onze zonden het getal van de haren onzes hoofds tebovensaan, en dat wij tienduizend pond schuldig zijn. waartegen wij niet hebben om te betalen. Waarom wij ook niet waardig zijn uwe kinderen genaamd te wezen, noch onze oogen opteslaan ten hemel, om onze frebeden voor u uittespreken. Nochtans, o Heere God en barmhartige Vader, wetende dat gij den dood des zondaars niet begeert, ma«r dat hij zich bekeere en leve, en dat uwe barmhartigheid oneindiff is, die gij bewijstaan degenen die zich totu bekeeren, roepen wij u van harte aan, uit vertrouwen op on::eii Middelaar Jezus Christus, die het Lam Gods is dat de zonde der wereld is wegnemende, en bidden u dat gy wilt medeliiden hebben met onze zwakheid, ons om Christus wil al onze zonden vergevende. Waschonsinde zuivere fontein zijnsbloedR, opdat wij rein en sneeuwwit worden. Dek onze naaktheid met ziineonnoozelheid en grerechtigheid, om der eer uws naams wille. Reinig ons verstand van alle blindheid, en onze harten van allen moedwil en hardnekkigheid. Open den mond uws dienaars, en vervul dien met uwe wijsheid en kennis, opdat hij uw woord rein en vrijmoedig verkondige. Bereid ook ons aller harten, opdat wij dat hooren, verstann en bewaren mo?en. Schrijf uwe wetten (naar uwe belofte) in de tafelen onzer harten, en geef ons lust en kracht om daarin te wandelen tot prijs en eer uws naam», en tot stichtinp: uwer gemeente. Dit alles, o genadige Vader, bidden en begeeren wij in den naam van Jezus Christus, die ons al zóó heeft leeren bidden; Onze Vader enz.
19
CHRISTELIJKE GEBEDEN.
GEBED VOOR ALLEN NOOD DER CHRISTENHEID.
Des Zondags na de Predikatie.
Almachtige, barmhartige God, wij bekeunen bij onszelve en belijden voor u, gelijk de waarheid is, dat wij Diet waardig zijn on zé oogcn opteslaan ten hemel, en on» gebed voor n te breogen, indien gij aanzien wilt onze verdiensten en waardigheid; want onze gewetens beschuldigen ons, en onze zonden geven getuigenis tegen ons. AVij weten ook dat gij een rechtvaardig Rechter zyt, straffende de zónden dergenen die uwe geboden overtreden. Maar o Heer, naardien gij ons bevolen hebt u in allen nood aanteroe-pen, en uit uwe onuitsprekelijke barmhartigheid beloofd hebt onze gebeden te verhooren . niet vanwege onze verdiensten , die gecne zyn, maar om de verdiensten van onzen Heer Jezus Christus, dien gij ons tot een Middelaar en Voorspreker voorgesteld hebt: zoo verzaken wij alle andere hulp, en hebben onze toevlucht
alleentot uwe barmhartigheid. .. .
Eerstel ijk o Heer, benevens de ontall.jke weldaden die gij in 't gemeen allen nienschen op aarde bew ijst, hebt gij ons inzonderheid zoovele genade gedaan, dat het ons onmogelijk is üie te bedenken of uittespreken, namelijk dat gij ons verlost hebt uit den jammerlijken dienst des duivels en alle afgoderij waarin wij gevangen lagen, en hebt ons gevoerd tot het licht uwer waarlieid en tot de kennis van uw heilig Evangelie. Daarentegen hebben wii door onze ondankbaarheid deze uwe weldaden vergeten; wij zijn van u afgeweken, en hebben onze eigene begefrlijkheden ge; voW u niet eerende gelijk wij schuldig waren. Dies hebben wij gruwelijk gezondigd, o Heer, en u grootelijks vertoornd, dat wy, 100 gij met ons wildet handelen naardat wij verdiend hebben, niet anders zouden hebben te verwachten dan den eeuwigen dood en verdoemenis. Ja wij merken ook, o Heer, btf die kastijdingen die gij ons dagelijks zijt toeschikkende, dat gij u terecht over ona vertoornt. Want aansezien gij rechtvaardig zijt, zoo straft gij niemand zonder oorzaak; en wij zien ook nog uwe hand verheven om ons nog meer te straffen. Maar al ware 't dat gij ons nog veel harder atraftet dan gij tot nogtoe gedaan hebt. ja al vielen al de plagen over ons waar gij de zonden v in uw volk Israel mede be-zocat hebt; zoo zouden wij nochtans moeten bekennen dat gu ona geen onrecht doen zoudt. .... ,
Maar o Heer, gij zijt onze God, en wij zijn maar aarde cn stof- gij zijt onze Schepper, en wij zijn het werk uwer handen ; gij zijt doze Herder,en wij zijn uwe schapen; gij zijt onze Verlosser en wij zijn degenen die gij verlost hebt; gij zijt onze gt; ader , en wij zijn uwe kinderen en erfgenamen. Daarom straf ons toch niet in uwen toorn, maar kastijd on i genadig. En onderhoud veelmeer het werk dat gij in ons door uwe barmhartigheid begonnen hebt opdat de gansche wereld wete en bekenne dat gij onze God en Zali'Mnaker zijt. Uw volk Isrr.cl heeft u zoomeni^maal vertoornd, en gij hebt ze terecht get-1raft; maar zoodikwijls zij zich wederom tot ubekeeiden , hebt gij ze altijd in g.-nade aangenomen. Ãn hoe. zwaar ook hunne zonden cn misdaden waren, zoo hebt gij nochtans die plagen, welke hun toebereid waren, afgewend
CHRISTELIJKE GEBEDEN. 2i)I
vanwege het verbond hetwelk ffij gemaakt hebt met uwe dienaren, Abraham, Isaiik en Jakob, en hebt alzoo het gebed uws volks nooit van u verstooten. Nu hebben wij door uwe genade even datzelfde verbond, hetwelk gii in de hand van Jezus Christus onzen Middelaar tusschen u en alle Reloovigen hebt opgericht; ja het is nu zooveel heerlijker en krachtiger, nadat Christus het met zijn heilig lijden en sterven, en zijn cl ingang in zijiie heerlijkheid, bevestigd en vervuld heeft. Daarom o Heer, verzakende onszelve en alle menschelijke hulp, hebben wij onze toevlucht alleen tot het zalige genadeverbond, door hetwelk onze Heer Jezus Christus (tot een volkomen offerande zijn lichaam (^nmaal aan het kiuis voor ons overgevende) ons met u in eeuwigheid verzoend heeft. Daarom o Heer, zie dan het aanschijn uws Gezalfden, en niet onze zonden; opdat uw toorn door zijne voorbede gestild worde, en dat uw aanschijn over ons lichte tot onze vreugde en zaligheid.
Wil ons ook voortaan in uw heiliic geleide en uwe bescherming aannemen, en ons regeeren met uwen Heiligen Geest, die dagelijks meer en meer ons vleesch met alle zijne wellusten doodende, ons vernieuwe tot een beter leven, en in ons voortbrenge waarachtige vruchten des geloofs, waardoor uw naam in eeuwigheid geloofd en geprezen worde, en wij met vurige begeerte, allever-gankeliikc dingen verachtende, alleen aan de hemelsche mogen gedenken.
En overmits het u behaagt dat men bidde voor alle menschen, bidden wij u dat gij uwen zegen strekken wi't over deleer van uw heilig Evangelie, opdat het overal verkondigd en aangenomen worde, opdat de gansche wereld vervuld worde met uwe zaligmakende kennis, opdat de onwetende bekeerd, de zwakke gesterkt worde, en een iegelijk uwen heiligen naam niet alleen met woorden maar ook metterdaad grootmake en heilige.
quot;Wil te dien einde getrouwe dienaars in uwen oogst zenden, en die alzöó begaven, dat zij hunnen dienst getrouw mogen bedienen. Daarentegen wil uitroeien alle valsche leeraars , grijpende wolven, en huurlingen, die hun eigen eer en nuttigheid zoeken, en niet de eer uws heiligen naams alleen, noch der arme menschen welvaart en zaligheid.
Wil ook al uwe Christelijke gemeenten, die gij overal geroepen hebt, genadiï bewaren en regeeren in eenigheid des waarachtigen geloofs en godzaligheid des levens; opdat uw rijk dagMijks toe-neme, en des satans rijk tenietga, totdat uw rijk volkomen worde, als gij alles in allen zijn zult.
Inzonderheid bidden wij u voor de Overheden die het u beliefd heeft over ons te stellen: voor de Hoog-Mogende Heeren Stat en-Generaal van deze Vereenigde Nederlanden, en voor den Rand van State, voor N. onzen getrouwen Gouverneur . voor mijne Heeren de Staten van dit land , en de Heeren Gecommitteerde Raden, voor mijne Heeren vnn den Hove-Provinciaal, en voor den achtbaren Magistraat, Schout. Burgemeesteren , Schepenen en Raad dezer stad. Verleen hun allen uwe genade en gaven, een ipgelijk in zijn beroep en staat waarin hij van u gesteld is ; opdat zij bet volk dat gij hun toevertrouwd hebt wijs regeeren, kloek beschermen, uwen dienstgetrouw handhaven, en de justitie aan hunne onderdanen recht bedienen. Wil voorzitten met uwen Heiligen Geest in hunne samenkomsten , opdat zij in alle zaken niet anders dan hetgeen goed en behoorlijk is besluiten, en daarna hetzelve ook gelukkig uitvoeren mogen, teneinde deze landen van hunne vijan-
21)2 CHRISTELIJKE GÃBEDÃN.
den bewaard, de kwaaddoeners gestraft, en de vromen voofsc» staan zijnde, uw naam daardoor geëerd, en het rijk van den Koning der koningen Christus Jezus bevorderd moge worden, en wij een gerust stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid. , j j
Verder bidden wij u voor onze medebroeders die onder den Paus of Turk vervolging lijden ; wil ze met uwen Heiligen Geest troosten, en genalifj daaruit verlossen ; en laat niet toe dat uwe Christenheid gansehelijk verwoest, en de gedachtenis uws naams op aarde uitgeroeid worde, dat niet de vijanden uwer waarheid roemen tot uwe oneer en lasleiing. Maar indien het uw Goddelijke wil is, dat de gevangene Christenen met hunnen dood der waarheid getuigenis geven en uwen naam prüzen, zoo s;eef hun troost in hun lijden, dat zij zulks van uwe Vaderlijke hand opnemen, en daarom uwen wil volgende, standvastig blijven, hetzij in leven of in sterven, tot uwe eer, tot stichting uwer gemeente, en tot hunne zaligheid.
Wij bidden u ook voor allen die gij kastijdt met armoede, gevangenis, krankheid des lichaams of aanvechting des geestes. Troost ze allen, o Heer, n aard at gij weet dat hun rood is eischende. Geef dat hunne kastijding hun diene tot kennis hunner zonden en betering huns levens. Wil hun ook geven volstandig geduld, verzoet hun lijden, en verlos hen eindelijk, opdat zij zich over uwe goedheid verblijden en uwen naam eeuwig prjjzen.
Eindelijk o Heer, wil ons en de onztn mitsgaders alles wat ons aangaat in uwe bewaring: nemen. Geef dar wij in ons beroep naar uwen wil mogen leven, en de gaven die wij van uwen zegen ontvangen alzóó gebruiken, dat ze ons niet verhinderen , maar veelmeer tot het eeuwig leven bevorderlijk zijn. Merk ons ook in alle aanvechtingen, opdat wij in het ware geloof strijdende, overwinnen mogen, en hiernamaals met Christus het eeuwige leven bezitten.
Om al deze dingen bidden wij u, gelijk onze getrouwe Heer en Zaligmaker Jezus Christus ons zelf geleerd heeft: Onze Vader enz.
Daarna wordt de gemeente verlaten met den gewonen zegen.
Ontvangt den zegen des Heeren.
He Hebr zegenen en behoeden;
de Heer doe zijn aangezicht over u lichten en z^j n genadig;
de Heer verheffe zijn aangezicht over n en geve n zynen vrede. Amen.
oebed vóór de leer vax :)en catecui3mus.
O hemelsche Vader, uw woord is volkomen en bekeert de ïlelen- eene waarachtige getuigenis, den ongeleerden wijsheid gevende, en der blinden oogen verlichtende, een krachtig middel ter zaligheid, allen die galooVen. Maar overmits wii Van nature niet alleen blind maar onbekwaam zijn tot eenig goed, en gij ook niemand helpen wilt dan die ootmoedig en
CHRISTELIJKE GEBEDEN. 293
verRlagen zyn van hart, bidden wij u, dat gij ons versland wilt verlichten met uwen Ileiligen Geest, en ons geven een zachtmoedig hart, van hetwelk alle opgeblazenheid en vlecschcliike wijsheid geweerd zij; opdat wij uw woord hoorende hetzelve recht verstaan moven, en ons leven daarnaar aanstellen. quot;Wil ook genadig hekeeren allen die no? van uwe waarheid afdwalen, opdat wij u altezamen eendrachtig dienen in waarachtige heiligheid en screchtigheid, al de dngen onzes levens. Dit helperen wij alleen om Christus wil, die ons in zijnen naam aldus heeft leeren hidden, en ook beloofd te verhooren: Onze Vader enz.
GEBED NA DE LEER VAN DEN CATECUISMUS.
O genadige, barmhartige God en Vader, wij danken u dat gü nipt alleen ons in uw verbond genomen hebt, maar ook onze kleine kinderen, hetwelk rü hun niet alleen verzegeld hebt door den Heiligen Doop, maar ook dagelijks bewijst, als gij uwen lof volmaakt uit hunnen mond, om alzoo de wijze wereld te beschamen. quot;Wij bidden u. vermeerder in hen uwe genade, dat zij in Christus uwen Zoon altijd toenemen en wassen , totdat zij hun volkomen mannelijken ouderdom in alle wijsheid en gerechtigheid erlangen. Geef ons ook genade, dat wij hen in uwe kennis fn vrees, ge Hik gij ons bevolen hebt, onderwijzen; opdat door hunne godzaligheid het rijk des satans verstoord worde, en het rijk v«n Jezus Christus in deze en andere gemeenten versterkt worde, ter eere van uwen heiligen naam, en tot hunne eeuwige zaligheid, door Jezus Christus. Amen.
KORT GEBED VÃÃR DE PREDIKATIE IN DE WEEK.
Ilemelsche Vader, eeuwige en barmhartige God, wij bekennen en belijden voor uwe Goddelyke Majesteit, dat wij arme ellendige zondaren zijn, ontvangen en geboren in alle boosheid en verderf, geneigd tot alle kwaad en onnut tot eenig goed; en dat wij met ons zondig leven zonder ophouden uwe heilige geboden overtreden, waardoor wij uwen toorn tegen ons verwekken , en naar uw rechtvaardig oordeel op ons laden de eeuwige dood en verdoemenis. Maar o Heer, wii hebben berouw en leedwezen dat wij u vertoornd hebben, wij beschuldigen ons-zelve, en beklagen onze misdaden, begcerende dat gij genadig onze ellendigheid wilt aanzien. quot;Wil u over ons ontfermen, o allersoedertierenste God en Vader, en ons vergeven al onze zonden, om het heilig lijden van uwen lieven Zoon Jezus Christus. Wil ons ook verleenen de genade van uwen Heiligen Geest, die ons onze ongerechtigheid van ganscber harte leere kennen, en onszelven recht te mishagen; opdat de zonde in ons moge gedood worden, en wij in een nieuw leven opstaan, in hetwelk wy oprechte vruchten der heiligheid en gerechtigheid voortbrengen, die u door Jezus Christus mogen aangenaam zijn. Wil ons ook uw heilig Woord naar uwen Goddeli.iken wil te verstaan geven, dat wij daaruit leeren al ons betrouwen op u alleen te stellen en van alle schepselen aftetrekken. Dat ook onze oude meuach met al zijne begeerten van dag tot dag meer
294 CHRISTELIJKE GEBEDEN.
cn meer gekruisigd worde, en dat wij ons u opofferen tot een levend offer, ter eere van uwen heilisjen naam, en tot stichting van onzen naaste, door onzen Heer Jezus Christus, die ons heeft geleerd en bevolen alzóó te bidden: Onze Vader enz.
KORT CEDED XA DE PREUIKAT1E IN DE WEEK.
Heer, almachtige God, laat uw heilige naam om onzer zonden wil niet gelasterd worden; want wij hebben op meniïerlei wijze te^en u gezondigd, mitsdien wij uw heilig woord niet gehoorzaam zijn zoo het betaamt, en met onwetendheid en murmu-reeren uwen toorn dagelijks testen ons verwekken, waarom gij ons terecht straft. Maar o Heer, wees sredachtig uwer grroote barmhartigheid, en ontferm u onzer. Geef ons kennis van en leedwezen over onze zonden, en betering onzes levens. Sterk de dienaars uwer kerken, opdat zij getrouw en standvastig uw heilig woord moicen verkondigen; en de overheid uws volks, opdat zij het wereldlyke zwaard met jcsrechtisfheid en bescheidenheid moge voeren. Bewaar ors voor alle valschheid en ontrouw. Verstoor alle booze en listige raadslagen die teilen uw woord en kerk overdacht worden. O Heer, onttrek onn niet uw Geest en woord, maar geef ons vermeprdering des geloofs, en in alle kruis en tegenspoed lijdzaamheid en volstandigheid. Kom uwe kerk te hulp, verlos haar van allen overlast, bespotting en tyrannic. Sterk ook alle zwakke en bedroefde harten , en zend óns uwen vrede, door Jezus Christus onzen Heer, die ons deze zekere belofte gegeven heeft; Voorwaar, voorwaar ik zeg u, alwat gij den Vader zult hidden in mijnen naam, [dat] zal h ij u geven ; en heeft ons alzóó bevolen te bidden: OnzeVader enz.
MORGENGEBED.
O barmhartige Vader, wij danken u dat gij dezen nacht zoo getrouw voor ons gewaakt hebt, en bidden u dat gij ons wilt sterken met uwen Heiligen Geest, die ons voortaan geleide; dat wij dezen dair, mitsgaders al de dagen onzes levens, mogen besteden tot alle gerechtifcheid en heiliKheid; en wat wij in handen nemen, dat onze oogen altijd zien om uwe eer te verbreiden , al/oo dat wij al den voorspoed onzes voornemens van uwe milde hand alleen verwachten. En opdat wii zulke genade van u verkrijsen , wil ors (naar uwe belofte) verbeven «1 onze zonden, om het. liMlisc lilden en blojdverpieten van onzen Heer en Zaligmaker Je/.u» Christus; want zij zijn ons van harte leed. Verlicht ook oi ze harten, opdat wij alle werken der duisternis afgelegd hebbende, als kinderen des lichts in een nieuw leven mogen wandelen, in alle godzaligheid. Geef ook uwen zegen tot de verkondiging van uw Goodel^k woord. Verstoor alle werken des duivels. Sterk alle kerkedi-naars en overheden uws volks. Troost nlle vervolgde en jenauwde harten, door Jezus Christus uwen lieven Zoon, die ons beloofd heeft, dat gij ons alles wat wij in zijnen naam bidden zekerlik peven zult, ea daarom ons alzóó heeft leeren bidden: Onze Vader enz.
CHRISTELIJKE GEBEDEN.
AVONDGEBED.
O barmbartise God, eeuwig licht, schijnende in de duisternis, gij die verdrijft den nacht der zonden en alle blindheid des harten: naardien gü den nacht verordend hebt om te rusten, gelijk den dag om te arbeiden, bidden wij u, eeef dat onze lichamen in vredi' en stilheid rusten; opdat ze daarna bekwaam zijn moien te lijden den arbeid dien ze dragen moeten. Matig onzen slaap, dat die niet onordelijk zij, opdat wij aan liif en ziel onbevlekt mogen blijven, ja dat onze slaap zelfs geschiede tot uwe eer. Verlicht de oogen van ons verstand, dat wij in den dood niet ontslapen, maar altijd verwachten onzequot;'verlossing uit deze ellendigheid. Bescherm ons ook voor alle aanvechting des duivels, ons in uw heilig geleide nemende. En hoewel wij dezen dag niet doorgebracht hebben zonder tegen u grootelijks gezondigd te hebben, bidden wij u. wil onze zonden bedekken door uwe barmhartigheid, selijk gij alle dingen op aarde met de duisternis des nachts bedekt; opdat wij daarom van uw aanschijn niet verstooten worden. Geerquot; ook rust en troost aan alle kranke, bedroefde en aangevochtene harten, door onzen lieer Jezus Christus, die ons alzóó heeft leeren bidden: Onze Vader enz.
GEBED VÃÃR HET ETEX.
Ps. 145: 15, 16.
15. Aller oogen wachten op u, en gij geeft hun hunne spijs te zijner tijd.
16. Gij doet uwe hand open en verzadigt alwat er leeft, [naar uw] welbehagen.
Heer, almachtige God, gij die alles geschapen hebt en nog door uwe Goddelijke kracht onderhoudt, en het volk Israel in de woestijn gespijsd hebt, wil uwen zegen strekken over ons uwe arme dienaars, en ons deze gaven heiligen, die wij van uwe milde goedheid ontvangen; opdat wij ze matig en heilig raar uwen goeden wil mogen gebruiken, en daardoor bekennen dat gij onze Vader en een oorsprong van alle goed zijl. Geef ook dat wij altijd en vóór alle dingen zoeken het geestelijke brood uws woords, met hetwelk onze ziel gespijsd worde ten eeuwigen leven, hetwelk gij ons bereid hebt door het heilig bloed van uwen lieven Zoon onzen Heer Jezus Christus. Amen. Unze Vader enz.
Alzóó vermaant ons onze Heer Jezus Christus;
Luc. 21 : 34, 35.
34. En wacht uzelve, dat uwe harten niet te eeniger tijd bezwaard worden met brassery en dronkenschap en zorgvuldigheden dezes levens, cn dat u die dag niet onvoorziens [over-]kome.
35. Want gel ij k een strik zal hij komen over al degenen die op den ganscheu aardbodem gezeten z ij n.
295
CHRISTELIJKE GEBEDEN.
gebed na het etex.
Alzóó spreekt de lieer in het vijfde boek van Mozes,
Deut. 8: 10, 11
10. Als gij dan zult gegeten hebben en verzadigd zijn,zoo zult gij den He ku uwen God loven wegens dat goede land dat hy u zal hebben jfegeven.
11. quot;Wacht u dat gy den Heer uwen God niet vergeet, dat gij niet zoudt houden zijne geboden en zyne rechten en zyne inzettingen, die ik u heden gebied.
Heere God, hemdsche Vader, wij danken u voor al uwe weldaden , die wij zonder ophouden van uwe milde hand ontvangen, dat het uw Goddelijke wil is, ons te onderhouden in dit tijdelijk leven, en ons te verzorgen met al onz» nooddruft; maar inzonderheid, dat gij ons herboren bebt tct de boon van oen beter leven, hetwelk gij onssreopenbaard hebt door uw heilig Evangelie.
Wij bidden u, barmhartige God rn Vader, dat gij niet toelaat dat onze harten hier in deze aardsche en vergankelijke dingen zouden geworteld zijn, maar dat wij altijd mogen opwaarts zien ten hemel, verwachtende onzen Zaliscmaker Jezus Christus, totdat by in de wolken verschijnen zal tor onze verlossing. Amen. Onze Vader enz.
298
\ robmuijer Van den h. doop. mï
FORMULIER
om den heiligen doop te bedienen aan de kinderen dek geloovigen.
Dc hoofdsom van de leer des Heiligen Soops is in deze drie stukken begrepen:
Eeratelyk. Dat wij met onze kinderen in zonden ontvangen en geboren, en daarom kinderen des tourna rijn, zoodat wij in het ryk Gods niet mogen komen, tenzij wij van nieuws geboren worden. Dit leert ons de ondergansj en besprenging met het water, waardoor ons de onreinheid onzer zielen wordt aangewezen. opdat wij vermaand worden een mishagen aan onszelve te hebben, ons voor God te verootmoedigen, en onze reini^making en zaligheid buiten onszelve te zoeken.
Ten tweede. Betuigt en verzegelt ons de Heilige Doop de af-wassching der zonden door Jezus Christus. Daarom worden wij gedoopt in den naam de« Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. AVant als wy gedoopt worden in den naam des Vaders, zoo betuigt en verzegelt ons God de Vader, dat hij met ons een eeuwig verbond der genade opricht* ons tot zijne kinderen en erfgenamen aanneemt, en daarom van alle goed verzorgen , en alle kwaad van ons weren of te onzen beste keeren wil. En als wij in den naam des Zoons gedoopt worden, zoo verregeit ons de Zoon, dat hii ons wascht in zijn bloed van al onze zonden, ons in dc gemeenschap aan zijn dood en wederopstanding inlijvende, alzno dat wij van al onze zonden bevrijd, en rechtvaardig voor God gerekend worden. Desgelijks als wij gedoopt worden in d^n naam des Heiligen Geestes, zoo verze.kert ons de Heilige Geest door dit heilig Sacrament, dat hij bij ons wonen, en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toeëigenende hetgeen wij in Christus hebben, namel^k de afwassching onzer zonden en de dagelüksche vernieuwing on zes levens, totdat wij eindelijk onder de gemeente oer uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden.
Ten derde. Overmits in alle verbonden twee deden begrepen zijn, zoo worden wij ook weder van God door den Doop vermaand en verplicht tot eene nieuwe gehoorzaamheid , namelijk dat wij de:en lénigen God, Vader, lt;5oon en Heiligen Geest, aanhangen, betrouwen en liefhebben van ganscher harte, van ganscher ziele, van gamchen gemoede en alle krachten, de wereld verlaten , onze oude natuur dooden, en in een nieuw godzalig leven wandelen. En als wü somtijds uit zwakheid in zonden vallen, zoo moeten wij aan Gods yenade niet vertwijfelen, noen in de zonde blijven liggen, overmits de Doop een zegel en onbetwijfelde getuigenis is, dat wij een eeuwig verbond der genade met God hebben.
En hoewel onze jonge kinderen deze dingen niet verstaan, zoo mag men ze nochtans daarom van den Doop niet uitsluiten , aangezien zü ook zonder hun weten der verdoemenis in Adam deelachtig zijn, en alzoo ook wederom in Christus tot genade aangenomen worden, gelijk God spreekt tot Abraham den vader aller
298 FORMULIER VAN DEN H. DOOP.
celooviaren, en overzulks mede tot ons en onze kinderen, Gen. 17:7, zegKende: Ik zal mijn verbond oprichten tusschen mij en tusschen u en tnsschen uwen zade na u in hunne peslachten, tot een eeuwi? verbond, om u te zijn tot een God, en uwen
Z'uit betuigt ook retrua. Hand. 2:39, met deze woorden; quot;Want u komt de belofte toe, en uwen kinderen, en allen die verre zijn, zoovelen als er ue lieer onze God toe roepen zal.
Daarom heeft God voormaal» bevoLjn hen te besnijden, hetwelk een zeirel des verbonds en der gerechtigheid des geloofs was; gelijk ook Christus hen omhelsd, de handen opgelegd en geze» eend heeft. Mare. 10: 16. ,
Dewijl dan nu de Doop in de plaats der besnijdenis gekomen is, zoo zal men de jonge kinderen, «Is erfgenamen van het ruk Gods en ziin verbond, doopen; en de ouoers zullen gehouden zijn hunne kinderen in het opwassen hier van breeder te onderwijzen.
Opdat wij dan ook deze heilige ordening Gods. tot zijne eer, tot onzen troost en tot stichting der gemeente uitrichten mogen, zoo laat ons zijnen heiligen naam aldus aanroepen:
O almachtige, eeuwige God, eij die naar uw strens oordeel de onzeloovijre en onboetvaardige wereld met den zondvloed gestratt hebt, en den geloovigen Noach zijn achttal uit uwe grootebarmhartigheid behouden en bewaard; gü die den verstokten f^^o met al zijn volk in de Roode zee verdronken hebt, en nw volk Israel droogvoets daar doorgeleid, door hetwelk de Doop beduid werd: wii bidden u, door uwe grondelooze barmhartigheid, dat gij deze kinderen genadig wilt aanzien en door uwen Heiligen Geest uwen Zoon Jezus Christus inlijven, opdat zij met hem m zijnen dood begraven worden, en met hem mogen opstaan in een nieuw leven; opdat zij hun kruis, hem dagelijks nayolâende, â vroolijk dragen mogen, hem aanhangen met waarachtig âeloot, vaste quot;hoop, en vurige liefde; dat zij dit leven (hetwelk toch niet anders is dan een gestadig sterven) om uwentwil laten, en ten laatsten dage voor den rechterstoel van Christus uwen Zoon zonder verschrikken mogen verschijnen, door dezen onzen Heer Jezus Christus uwen Zoon, die met u en den Heiligen Geest een éénig God leeft, en â .â¢egeert in eeuwigheid. Amen.
VERMANING AAN DE OUDERS EN DIE MEDE TEN DOOP KOMEN.
Geliefden in den Heer Christus gij hebt gehoord dat deDoop eene ordening Gods is, om ons en onzen zade zijn verbond te verzegelen: daarom moeten wij lenzeWen te dien einde, en niet uit gewoonte of bijgeloovigheid gebruiken. Opdat het daquot;
baar worde, dat gij alzóó gezind zijt, zult gij van uwentwege hierop ongeveinsd antwoorden;
Eemtelijk. Hoewel onze kinderen in zonden V*
geboren ziin, en daarom aan allerhande ellendigheid, ja aan de verdoemenis zelve onderworpen, of gij niet bekent dat ze in Christus geheiligd zijn, en datrom als lidmaten zyner gemeente behooren gedoopt te wezen ? _ rrâ.*o-«lt;vnf
Ten andere. Of gij de leer, die in het Oude en Nieuwe Testament en in 4e Artikelen des Christelijkcn gelbofs begrepen is, en m de
FORMULIER VAN HET II. AVONDMAAL.
Christelijke Kerk alhier geleerd wordt, niet bekent de waarachtige en volkomene leer der zaligheid te wezen?
Ten derde. Of gij niet belooft en u voorneemt, deze kinderen, als zij tot hun verstand zullen eekomen zijn, een iegelijk de zijnen , waarvan hij vader [moeder] of getuige is, in de voorzeide leer naar uw vermogen te onderwijzen, of te doen en te helpen onderwazen ?
Antivoord. Ja wij.
Daarna in het doopen spreekt de Dienaar des Goddelijken woords aldus:
N. Ik doop \i in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.
DANKZEGGING.
Almachtige, barmhartige God en Vader, wy danken en loven n, dat gy ons en onze kinderen, door het bloed van uwen lieven Zoon Jezus Christus , al onze zonden vergeven, en ons door uwen Heiligen Geest tot lidmaten uws eengeboren Zoons, en alzoo tot uwe kinderen aangenomen hebt, en ons hetzelve met den Heiligen ⢠Doop verzegelt en bekrachtigt. Wy bidden u ook door dez^n uwen lieven Zoon, dat gij deze gedoopte kinderen met uwen Heiligen Geest altijd wilt regeeren, opdat zij Christelijk en godzalig opgevoed worden, en in den Heer Je'.us Christus wassen en toenemen, opdat zij uwe Vaderlijke goedheid en barmhartigheid, die gij hun en ons allen bewezen hebt, mogen bekennen, en iu alle gerrch-tigheid, onder onzen éénigen Leeraar, Koningen Hoogepriester, Christus Jezus, leven, en vromelijk tegen de zonde, den duivel en zijn gansche rijk strijden, en overwinnen mogen, om u en uwen Zoon Jezus Christus mitsgaders den Heiligen Geest, den lénigen en waarachtigen God, eeuwig te loven en te pryzen. Amen.
FOUMULIEE
OM HET HEILIG AVONDMAAL TE HOUDEN.
Geliefden in den Heer Jezus Christus, hoort ddn de woorden der inzetting van het Heilig Avor.dmaal onzes Heeren Jezus Christus, welke ons beschrijft de heilige Apostel l'aulus, 1 Cor. 11 : 23â29.
quot;Want ik heb van den Heer ontvangen 'tgeen ik ook u overgegeven heb, dat delleerJezus inden nacht in welken hij verraden werd het brood nam, en als hij gedankt had brak hij't, en zeide: Neemt, eet, dat is mijn lichaam dat voor u gebroken wordt: doet dat tot mijne gedachtenis. Desgelijks [nam hij] ook den drinkbeker na het eten des avondmaals, en eide: Deze drinkbeker is het nieuwe testament in mijn bloed: doet dat, zoodikwijls als gij [dier] zult drinken, tot mijne gedachtenis. Want zoodikwijls als gij dit brood zult eten en dezen drinkbeker zult drinken, zoo
299
i
300 FORMULIER VAN HET H. AVONDMAAL.
verkondigt den dood des Heeren, totdat hijkomt Zoo dan wie onwaardig dit brood eet of den dnnk-beker des Ileeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het licliaam en bloed des Heeren. Maar de inensch beproeve zicbzelven, en ete alzoó van bet brood en driinke van den drinkbeker; wie onwaardig eet en drinkt, die eet en drinkt ziebzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Ileeren.
Opdat wij nu tot onzen troost des Ileeren Avondmaal mogen houden, is vóór alle dingen ons van noode: eeratelijk, dat wij ons tevoren recht beproeven; ten andere, dat wij het tot dat einde richten, waartoe de Heer Christus het verordend en ingezet heeft, namelijk tot zijne gedachtenis. _ . . ^
De waarachtige beproeving van onszelve bestaat in deze drie stukken: , .. j
Ten eerste bedenke een iegelijk by zichzelven zijne zonden en vervloeking, opdat hü zichzelven mishage, en zich voor God ver-ootmoedige: aangezien de toorn Gods t egen de zonde zóógroot is , ' dat hij die (eer hij ze ongestraft liet blijden) aan zijnen lieven Zoon Jezus Christus met den bitteren en smadelijken dood des kruises
gestraft beeft. . ...... , ^ .... , ,__
Ten andere onderzoeke een iegelijk ^ijn hart, of bij ook deze gewisse belofte Gods gelooft, dat hem al zijne zonden, alleen om he» lijden tn sterven van Jezus Chris.us, vergeven zijn, en de volkomen gerechtigheid van Christus hem als zijne eigene toegerekend en toegeschonken zij: ja zóó volkomen .alsof bij zelf in eigen persoon voor al zijne zonden betaald, en alle gerechtigheid volbracht had. . n.- i
Ten derde onderzoeke een iegelijk zijn geweten, ot hij ook gezind is, voortaan met 7,ijn gansche leven waarachtige dankbaarheid jegens God den Heer te bewijzen, en voor Gods aangezicht oprecht te wandelen ; ook, of hij zonder eenige geveinsdheid, alle vijandschap, haat en nijd van harte all eggende, een ernstig voornemen heeft, om van nu voortaan in waarachtige liefde en eenig-heid met zijnen naaste te leven. , . .... .
Allen die dan alzóó gezind zijn, die wil God gewisselijk in genade aannemen, en voor waardige medescenooten van de tafel zijns Zoons Jezus Christus houden. Daarenteiten wie deze getuigenis in hunne harten niet gevoelen, die eten en drinken zichzelven een oordeel; waarom -vij ook, naar het hevel van Christus en den apostel Paulus, allen die zich met deze navolgende ondeugden besmet weten, vermanen van de tafel des Heeren zich te onthouden, en verkondigen bun dat zij geen deel in het rijk van Christus hebben; als daar zijn all« afgodendienaars; allen die verstorven heiligen, engelen of andere schepselen aanroepen; ailen die den beelden eer afdoen; alle toovenaars en waarzeggers, die vee of menschen mitsgaders andere dingen zegenen . cn die aan zulke zegening geloof geven; alle verachters van God en zijn woord, en van de heilige Sacramenten; a'le godslasteraars; allen die tweedracht, sekten en muiterijen in kerken en wereldlijke reiteermgen be-geeren aanteriebten; alle meineedisen; allen die bunnen ouder*» en overheden ongehoorzaam zijn; alle doodslagers, kijvers, en die in baat en nijd tegen bunnen naaste leven; alle echtbrekers,
FORMULIER VAN llEÃ U. AVONDMAAL. 3Ã1
hoereerders, dronkaards, dieven, woekeraars, roovers, spelers , gierigaard*, en al degenen die een ergerlijk leven leiden: deze allen, zoolang zij in zulke ondeugden blijven, zullen zich van deze spijs (welke Christus alleen zijnen geloovigen verordend heeft) onthouden, opdat hun gericht en hunne verdoemenis niet deste zwaarder worden.
Maar dit wordt ons, zeer geliefde broeders en zusters inden Heer, niet voorgehouden om deverslagene harten der geloovigen kleinmoedig te maken, ali-of niemand tot het Avondmaal des Heeren gaan mocht, dan die zonder eenige zonde ware. Want wij komen niet lot dit Avondmaal om daarmede te betuigen dat wij in onszelve volkomen en rechtvaardig zijn, maar integendeel, aangezien wij ons leven buiten onszelve in Jezus Christus zoeken, zoo bekennen wij daarmede dat w\i midden in den dood liggen. Daarom al is het dat wij nog vele gebreken en ellendigheid in ons bevinden, namelijk dat wij geen volkomen geloof hebben, dat wij ons ook met zulken ijver om God te dienen niet begeven als wij schuldig zyn, maar dagelijks met de zwakheid van ons peloof en de booze lusten van ons vleesch te strijden hebben; nochtans desniettegenstaande, overmits ons (door de genade des Heiligen Geestes) zulke gebreken leed zijn, en wij van harte begeeren tegen ons onseloof te strijden en naar alle geboden Gods te leven, zoo zullen wij gewis en zeker zijn, dat geen yonde noch zwakheid, die nog (tegen onzen wil) ia ons overgebleven is, ons kan hinderen, dat God ons niet in genade zoude aannemen, en alzoo deze hemelsche spijs en drank waardig en deelachtig maken.
Ten andere, laat ons nu ook overdenken, waartoe ons de Heer zijn Avondmaal heeft i n ge ze t, namelijk dat wy zulks doen zouden tot zijne gedachtenis. Maar aldus zullen wij hem daarbij gedenken:
EersteUik, dat wy ganschelijk in onze harten vertrouwen, dat onze Heer Jezus Christus (naar de beloften, die den voorvaderen in het Oude Testament van het be^in af geschied zijn) van den quot;Vader in deze wereld gezonden is. ons vleesch en bloed aangenomen , den toorn Gods (onder welken wij eeuwig hadden moeten verzinken) van het begin zijner menschwording tot het einde zijns levens op aarde voor ons sredragen , en alle gehoorzaamheid der Goddelijke wet en gerechtigheid voor ons vervuld heeft, voornamelijk toen hem de last van onze zonden en van den toorn Gods het bloedige zweet in den hof uitgedrukt heeft, waar hy gebonden werd opdat hij ons zoude ontbinden; daarna tallooze smaadheden geleden beeft, opdat wij nimmermeer te schande zouden worden; on?chuldisr ter dood veroordeeld, opdat wij voor het gerichte Gods zouden vrijgesproken worden: ja zijn gezegend lichaam aan het kruis heeft laten nagelen, opdat hij het bandschrift onzer zonden daaraan zoude hechten; en heeft alzoo de vervloeking van ons op zich geladen, opdat hij ons met zijne zegeningen vervullen zoude; en heeft zich vernederd tot in de allerdiepste versmaadheid en angst der hel, met lijf en ziel, aan het hout des kruises, toen hij riep met luider stem: M y n God, mijn God. waarom hebt gü mij verlatenl opdat wij tot God zouden genomen, en nimmermeer van hem verlaten worden; en heeft eindelijk met zijn dood en bloedstorting het Kieuwe en eeuwige Testament, het Verbond der genade en der verzoening besloten, als hij zeide: Het is volbracht.
302 FORMULIER VAN HET H. AVONDMAAL.
En opdat wij vast zouden gelooven dat wij tot dit penadever» bond behooreu. nam de Heer Jezus in zijn laatste Avondmaal het brood, dankte, brak het, en gaf bet aan zijne jongeren, en sprak; Neemt, eet, dat is mijn lichaam dat voor u gebroken wordt: doet dat tot mijne gedachtenis. Desgelijks na het Avondmaal nam hij den drinkbeker, zeide dank, en sprak: Drinkt allen daaruit, deze be-ker is het Nieuwe Testament in mijn bloed, hetwelk voor u en voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden; doet dat, zoodikwijls als gij daarvan drinkt, tot mijne geda c h teni s. Dat is, zoodikwijls als gij van dit brood eet en uit dezen beker drinkt, zult gij daardoor, als door een gewisse gedachtenis en pand, vermaand en verzekerd worden van leze mijne hartelijke liefde en trouw jegens u, dat ik voor u (daar gij anders den eeuwigen dood hadt moeten sterven) mijn lichaam aan het hout des kruizes in den dood geve, en mijn bloed vergiete. en uwe hongerige en dorstige zielen met dit mijn gebruist lichaam en verboten bloed tot het eeuwige leven spijze en lave, zóó zeker, als een iegelük dit brood voor zijne oogen gebroken, en deze beker hem gegeven wordt, en gij dezelve tot mijne gedachtenis met uwen mond eet en drinkt.
Uit deze inzetting van het Heilig Avondmaal onzes Heeren Jezus Christus zien wij, dat hij onsi geloof en betrouwen op zijne volkomene offerande (die éénmaal aan het kruis geschied is) als op den éénuen grond en fundament onzer zaligh»id wijst, daar hij onze hongerue en dorstige zielen tot een waarachtige spijs en drank des eeuwigen levens geworden is. Want door zijnen dood heeft hij de oorzaak van onzen eeuwigen honger en kommer, namelijk de zocde, weggenomen, en on8 den levendmakenden Geest verworven; opdat wij door dien Geest (die in Christus als in het Hoofd, en in ons als zijne lidmaten woont) met hem waarachtige gemeenschap zouden hebben, en al zijne goederen, het eeuwige leven, de gerechtigheid en heerlijkheid, deelachtte worden. Daarbenevens, dat wij ook door dien Geest onder elkander, als lidmaten van één lichaam, in waarachtige broederlijke liefde verbonden worden , gelijk de heilige apostel spreekt: Eén brood [is het, zóó] zijn wij velen één lichaam, dew ij 1 wij allen ééns broods deelachtig zijn. Want gelijk uit vele graankorrels één meel gemalen en één brood gebakken wordt, en uit vele beziën, tezamen geperst zijnde, één wijn en drank vliet en zich onderéén vermengt: alzóó zullen wij allen, die door het waarachtig geloof Christus ingelijfd zijn, door broederlijke liefde, om Christus onzes lieven Zalijrmakers wil, die ons tevoren zoo uitnemend heeft 'iefgebad, allen tezamen één lichaam zijn, en zulks niet alleen met woorden maar metterdaad jegens elkander bewijzen. â , â
Daartoe helpe ons de almachtige God en gt;ader onzes Heeren Jezus Christus, door zynen Heiligen Geest. Amen.
Opdat wij dan dit alles mogen verkrijgen, laat ons voor God ons verootmoedigen, en hem met waarachtig geloof om zijne genade aanroepen.
Barmbartise God en Vader, wij bidden u dat gij in dit Avondmaal, waarin wij oefenen dc heerlijke gedachtenis van den
FORMULIER VAN HET H. AVONDMAAL 303
hitteren dood uws lieven Zoons Jezus Christus, door uwen Heiligen üeest in onze harten wilt werken, dat wij ons met waarachtig vertrouwen aan uwen Zoon Jezus Christus hoe langer hoe meer overgeven; opdat onze bezwaarde en verslagene harten met zijn waarachtig lichaam en bloed , ja met hem waarachtig God en mensch, dat éénig hemelsch brood, door de kracht des Heiligen Geestes gespijsd en gelaafd worden; en dat wij niet meer in onze zonden, maar hij in ons en wij in hem leven, i en alzoo waarachtig des Nieuwen en eeuwigen Testaments en ' Verbonds der genade deelachtig zijn mogen. Dat wij niet twijfelen, of gij zult eeuwig onze genadige Vader zyn, ons onze zonden nimmermeer toerekenende, en met alle dingen aan lichaam en ziel verzorgende, als uwe lieve kinderen en erfgenamen. Verleen ons ook xiwe genade, dat wij getroost ons kruis op on a nemen, onszelve verloochenen, onzen Heiland bekennen, en in alle droefenis met opgeheven hoofde onzen Heer Jezus Christus uit den h^mel verwachten . waar hij onze sterfelijke lichamen aan zijn verklaard heerlijk lichaam gelijk maken, en ons tot zich nemen zal in eeuwigheid. Amen. Onze Vader enz.
Wil ons ook door dit Heilig Avondmaal sterken in het algemeen ongetwijfeld Christelijk geloof, waarvan wy bekentenis doen met mond en hart, sprekende: Ik geloof in God enz.
Opdat wü dan met het waarachtige heraelsche brood Christus gespijsd mogen- worden , zoo laat ons met onze harten niet aan het uiterlijke brood en wijn blijven hangen, maar dezelve opwaarts in den hemel veiheffen , waar Christus Jezus is onze Voorspraak, ter rechterhand zijns Hetnebchen Vaders, waarheen ons ook de Artikelen onzes Christelijken geloofa wijzen; niet twijfelende of wij zullen zóó waarachtig door de werking des Heiligen Geestes met zijn lichaam en bloed aan onze zielen gespijsd en gelaafd worden, als wy dat heilige brood en drank tot zijne gedachtenis ontvangen.
In het breken en uitdeelen des broods zal de Dienaar spreken :
Het brood dat wij breken, is de gemeenschap des lichaams van Christus.
En als hij den drinkbeker geeft:
De drinkbeker der dankzegging, waarmede w^ dankzeggen, is de gemeenschap des bloedsvan C h r i s tus.
Terwyl men communiceert zal men stichtelijk zingen, of sommige hoofdstukken lezen ter gedachtenis van het sterven van Christus dienende, als Jts. 53, Joh. 13â18, of dergelijke.
Na de voleinding der Communicatie zal de Dienaar spreken :
Geliefden in den Heer, dewijl de Heer nu aan ^ijne tafel onze zielen gespijsd heeft, zoo laat ons altezamen zijnen naam met dankzegging prijzen, en een iegelijk spreke in zijn hart aldus: (Psalm 103: vs. 1 en volgg.)
1. Loof den 11 kek mijne ziel, en alwat binnen in mij is zijnen heiligen naam.
rer» taal en, )o r t e-:er, be-et-t ü t a 1 s t is, ikt, nd, efde igen iscs rige 5ten een eker met
eren i op hied hód aar-i'aTit igen on a dien ziine uden â¢ech-, dat i één â den , i ó 6] :én s ikor-n uit et en r het rlijke ; ons i één etter-
[eeren
r God , zijne
^vond-n dea
304 FOHMÃLIEE VAK ÃÃT B. AVONDMAAL.
2. Loof den Heer mijne ziel, en vergeet geen vanzyne weldaden;
3. die al uwe ongerechtigheid vergeeft, die al uwe krankheden geneest;
4. die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden.
8. Barmhartig en genadig is de Heer, lankmoedig en groot van goedertierenheid.
10. II ij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.
11. Want zoo hoog de hemel is boven de aarde, is zijne goedertierenheid machtig over degenen die hem vreezen.
12. Zoover het oosten is van het westen, zoover doet hij onze overtredingen v}\n ons.
13. Gel ij k zich een vader ontfermt over dekin-deren, ontfermt zich de Hser over degenen die hem vreezen.
Welke ook zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft hem voor ons allen overgegeven, en ons alles met hem geschonken. Daarom bewijst God daarmede zijne liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is als wij nog zondaars waren; zoo zullen wij ook veelmeer door hem behouden worden voor zijnen toorn, nadat wij door zijn bloed gerechtvaardjgd zijn. Want zoo wij met God verzoend zijn door den dood zijns Zoons toen wij nog vijanden waren, veelmeer zullen wij zalig worden door zijn leven nadat wij met hem verzoend zijn. Daarom zal mijn mond en hart des Heeren lof verkondigen van nu aan tot ia eeuwigheid. Amen.
Zoo spreke een iegelijk met aandachtige harten;
O almachtige, barmhartige God en Vader, wij danken u van ganscher harte , dat gij uit grondelooze barmhartigheid ons uwen èeni?:gcboren Zoon tot een Middelaar en offer voor onze zonden, cn tot een spys en drank des eeuwigen levens geschonken hebt; en dat Rij ons geeft oen waarachtig geloof, waardoor wy deze uwe weldaden deelachtig worden. Gij hebt ons ook tot sterking daarvan uwen lieven Zoon Jezus Christus zyn Heilig Avondmaal laten instellen en verordenen. Wij bidden u, o getrouwe God en Vader, dat gü door de werkin* uws Heiligen Geestes de sre-dachtenis van onzen Heer Jezus Christus, en de verkondiging van zijnen dood, ons tot dagelijksche toeneming in het rechte geloof en de zalige gemeenschap ^an Christus wilt laten gedijen, door dezen uwen lieven Zoon Jrzus Christus, in wiens naam wij onze gebeden aldu!» besluiter.; Onze Vader enz.