ocr page 1
ocr page 2

i^ Sjcx ... gt;

gt;';?gt;V / .r.y

^ Xj ],;;■■,.(/ ■• -. :1,- O} gt;;• .quot;-„■^■i-.u.-.:quot;quot;quot;-gt;lt;

T S-quot;^'lt;yr '■ if; 'föbÉr^.

T -viH--. ^s- gt;V-:vM'CC~^if-YJs ,A^gt;

quot;'OSt: gt;'/7r#^rAc^i-^iS-CSfe?

■' ,-- ■' ' - '• -,. ' . V.-' ■/- ■./ ■■ -^7. .^v-.-- - ,,

Vt M-y L 11,'L. /V—-V J' A J/ tr lt; f ^

-V y-' r gt; -v quot;, •- ^

^ rv -./

y :-',v-- ./■ - ■; ■■ ■:, gt;-, ..,-

^fmm

(«vlt;^..-'; ■quot; r quot; gt;•• ■' Z-^v-'u-: | •■XrVquot;'*p£^s^1

ThvwvK - :-■quot; ■ ^ %~ \

^ /^3-Cslt; %'■■— -; s. ■/ Vquot; K'quot;' / ] ■■ 9$

- '-■'quot;O .•:-. /-t'^CT^- iquot;''- quot;■ X ■ ^rF1quot;quot;gt;quot;'v ' I

%y^^y' M f t' 1mïmÊÊÊM

o/ v-'- -.,— ■ ■•■ ., ■,;^-.-,--v vquot;quot;'quot;,,- V.;-,'-

~#x 7r^r l xmrri-i '^ A^b- ,VM[ Vötói

A /-quot;*?-gt; r$?v\ i, ^ • - pj

Vx' iïquot;), --, .ï --r d:gt;^Ül,/quot;,\^,''-'ÏF :.. -iquot; -■,■/-*■,: ' . ■: -3-- -■-■

-

«VI

ocr page 3
ocr page 4

--------------------

ocr page 5

YOïMMG HAMIOBOEK.

ocr page 6

1

ocr page 7

Vak 20

VOLLEDIG

om de

ZON- EN FEESTDAGEN

van het

geheele jaar te heiligen,

door

P. LEONARD GOFFINE.

Vit het Hoogduitsch vertaald en heiverld door

Ch. CREEMERS,

Pastoor-Deken van Genne,

W. A. NOTERMANS,

^-quot;rr '-Pastoor van Venray.


Roermond, J. J. ROMEN amp; ZONEN,

Drukkers van Z. H. den Paus en van het Bisdom.

ocr page 8

QOEBKEURITOEM.

Wij lazen met genoegen uw bericht. Wegens de welverzorgde bewerking van het «Volledig Handboek om de Zon- en Feestdagen van het geheele jaar ta heiligenquot;, en na van

dat werk kennis genomen - te hebben, geven wij er volgaarne onze goedkeuring aan, en voegen er den wensch bij, dat het bij de Eerw. Heeren Geestelijken en in katholieke huisgezinnen, dat gunstig onthaal moge vinden, waarop de degelijke en stichtende inhoud van het boek terecht aanspraak geeft.

Hoeven, Feestdag van het Hart van Jesus 1869.

t J. VAN GENK,

Bisschop van Brtda.

Bij een nauwkeurig onderzoek van het werk, getiteld: «Volledig Handboek om de Zon- en Feestdagen van het geheele jaar te heiligenquot;, door P. Leonard Goffine, uit het Hoogduitsch vertaald, bleek dat het, ter verspreiding van godsdienstkennis en godsvrucht, zeer bevorderlijk zijn zal; weshalve het niet alleen goedgekeurd, maar tevens tot stichting der geloovigen, gunstig aanbevolen wordt. Moge het in alle katholieke huisgezinnen ingang vinden!

Roermond, den 12 Augustus 1869.

P. J. HOEFNAGELS,

Kan. Pres. v. h. Sem.

hiertoe gemachtigd.

ocr page 9

VOORREDE.

inderen van Gods volk! Ledematen van Jesus Christus, door den H. Doop tot een tempel des H. Geestes gewijd! Waarde geloovigen, ziet hier een bock, '' dat wij uit zuiver christelijke liefde in uwe handen stellen, gelijk de Schepper, uit onhesefbare milddadigheid, de bloemen des vekls aan de honigzockende bijen overlevert. Gods zegen dale op dit boek en diens dierbare lezers en lezeressen! Die Hcmelsche zegening moge bewerken, dat geen nieuwsgierig oog uit die verkwikkende bladen vergif, gelijk de spin uit den bloemenkelk, zuige, maar honig voor het godvreezende harte, balsem voor het gekwetste, gewonde gemoed!

Het Woord, als een schat in deze bladen verborgen, is het onze niet. Neen! het is zoeter, verkwikkender, zielster-kender, verhevener. Zeker is het woord van een Vader tot zijn kind gesproken aangenaam; opbeurend en troostend is het woord, gevloeid van de lippen eener moeder, in het harte van haren zoon of van hare dochter. Welaan, Katholieke landgenooten, hier hebt gij het overdierbare Woord van uwen Vader en uwe Moeder! Die Vader is God zelf, die hier spreekt door den mond der Heilige Kerk, wier kinderen gij zijt. Dit is het Woord Gods, gelijk het de Kerk zoo verrukkend schoon zinnebeeldig voorstellen kan in hare feesten, getijden en gebeden, het Woord Gods, neergelegd in de Heilige

ocr page 10

voorrede.

Schrift, door de Kerkvergadering van Trente (Sess. V. C. 1.) genoemd een Hemelsche schat, dien de H. Geest uit eene overmaat van liefde, aan het menschdom heeft geschonken.

De inzage van het onwaardeerbare Evangelie alleen kan er ons van overtuigen. «Het is de spiegel der deugd,quot; zegt de H. Bernardus, «welke niemand vleit noch bedriegt. Ieder vindt zich daarin, gelijk hij is.quot; (Serm. de Sopt. panib.) Rousseau zelf stemt dit toe, daar hij zegt: «Men kan het Evangelie niet lezen, zonder zich beter te gevoelen.quot; (Pensées, p. 3.) In dien zin is het Woord van dit boek niet het onze, maar dat van God; en daarom ook wenschen wij, dat het heilzaam op onze medechristenen moge werken, daar het vast staat, gelijk de H. Augustinus zegt, dat wij allen Gods Woord behoeven,. Wij zijn verblijd van harte, als wij naar den geest hongeren. Wanneer een schoon gekleurd schilderstuk aan onze oogen vertoond wordt, dan verblijden zich de blikken, iets prachtigs te aanschouwen. Insgelijks scheppen de ooren behagen in welluidende akkoorden, en de reuk wordt aangenaam geprikkeld door een verkwikkenden geur. Zoo jubelt het harte van hen, die naar God haken. Ongetwijfeld prikkelt elke aangename gewaarwording ieder zintuig afzonderlijk, en streelt de klank geenszins het gezicht, de kleur geenszins het gehoor. Doch voor ons hart is God de Heer tevens licht, en klank, en geur en spijs, ja Hij is alles voor ons, omdat Hij al onze vermogens bevredigt. Hij is het licht voor ons gemoed, tot wien wij zeggen: in Uw licht zullen wij hel licht zien. (Ps. XXXV.) Hij is de klank voor ons gemoed, tot wien wij smeeken: Gij zult onzen gehoore vreugde en blijdschap verkenen. (Ibid. L.) Hij is de geur voor ons gemoed, van wien geschreven staat: Wij zijn de goede geur van Christus. (II Cor. II, lo.) Indien gij dus, daar gij hongerig van geest zijt, spijze zoekt, gedenkt dan de woorden des Zaligmakers: Zalig zijn zij, die hongeren en dorsten naar de rehtaaervdigheid. (Matth. V.) Eindelijk de H. Paulus

vi

ocr page 11

VOORREDE.

getuigt van Christus, dat Hij ons geworden is wijsheid van God en gerechtigheid en heiliging en verlossing. (I Cor. I, 30.)

Het zijn dan ook hoofdzakelijk de Epistelen, Evangeliën en kerkgebeden, die gij hier zult aantretfen. Tot meerder nut en gemak, tot meerder heil en stichting zijn er schoone gedachte en opwekkende overwegingen bijgevoegd, meest getrokken uit de HH. Kerkvaders en godvruchtige schrijvers van gezag, alles geijkt en gestempeld met de goedkeuring der Kerkelijke Overheid. Derhalve kan dit werk gerust den titel voeren van VOLLEDIG HANDBOBK, gelijk wij het genoemd hebben. De Duitsche bewerker daarvan is de Eerwaarde Pater COFFINE, den 6 December 1648, te Keulen geboren, en den 11 Juli 1669, in de abdij Steinfeld in de Orde der Norbertijnen aangenomen. In het bisdom van Munster lange jaren in de wijngaard des Heeren werkzaam, vervaardigde hij die godsvruchtademende boeken, die zooveel nut stichten, en waarvan dit Handboek GOFFINE's meesterstuk is. De geleerde en vrome priester stierf, van God en van de menschen bemind, in den jare 1719. Ofschoon er meer dan anderhalve eeuw over het graf des rechtvaardigen, wiens aandenken in het land van Bonifaciüs in zegening blijft, is heengegaan, bestaat zijn heilig handboek nog even frisch en levendig als bij het loven des schrijvers. Immers een boek, met de goedkeuring van zoovele Prinsen der Kerk, Aartsbisschoppen en Bisschoppen verrijkt, kon niet anders dan in waarde klimmen en zich in uitgaven vermenigvuldigen. Naaide laatste Duitsche uitgave, is deze overbrenging in Neder-landsch gewaad . geschied, behoudens dat wij hier en daar ons eenige wijziging hebben veroorloofd, die deze vertaling onzes inziens meer doelmatig maakt voor de geloovigen van ons vaderland. Wat de vertolking der Evangeliën en van het groctere deel der Epistelen betreft, hebben wij een dankbaar gebruik gemaakt van Lipman's vertaling, ons tot dit werk, door dien beroemden katholieken rechtsgeleerde en bijbel-

VII

ocr page 12

voorrede.

viii

vertaler, goedgunstig toegestaan. De prijs van dit werk is zeer laag gesteld, opdat het aan hot doel van het algemeen kerkelijk Handboek te beter zou kunnen beantwoorden. Dergelijk werk immers moet in aller handen zijn, en ieders vermaak en nut uitmaken. Er bestaat een heilig en goed vermaak in de boeken, zegt de Kerkvader Augustinus: men vindt geen waar genoegen in goud en zilver, in maaltijden en wereldsche feesten, in jagen en visschen, in spel en scherts, in schouw-burgspelen en in het najagen en lezen van geschiedenissen over gevallen grootheden, in dat alles vindt men geen waarachtig vermaak, doch in godvruchtige en heilige boeken wordt een rein en waar genoegen gevonden.

——

QJoovtec/e Sy c/e Uveec/e ui/^ave.

e eerste uitgave van Gofïine's quot;Volledig Handboek, om de Zon- en Feestdagen van het geheele jaar te heiligen, is sedert een paar jaren uitgeput. Herhaaldelijk hebben geestelijken en leeken zich tot de firma J. J. Romen amp; Zonen gewend, met het dringend verzoek, dat uitmuntend, algemeen bekend en hooggeprezen werk door herdruk van de Nederlandsche vertaling opnieuw verkrijgbaar te stellen. Tengevolge van dien hun menigmaal geuiten wensch, geven bovenvermelde drukkers van Z. H. den Paus en van het Bisdom Roermond, een goedkoope Nederlandsche volkseditie van GOFFINE's HANDBOEK in het licht en zullen zij haar onder de Katholieken van Nederland trachten te verspreiden, overtuigd als zij zijn, dat zulk een boekwerk bij uitstek geschikt is, om den Christelijken geest in de huisgezinnen aan te kweeken, te bevorderen en te versterken.

ocr page 13

VOORREDE BIJ DE TWEEDE UITGAVE.

In de kerk niet alleen, maar ook aan den huiselijken haard dient een leerstoel opgericht te worden voor de theoretische en praktische aanleering van de waarheden des geloofs en dei-christelijke deugden. Eender beste middelen ter bereiking van dat oogmerk, is ongetwijfeld de aandachtige lezing en overweging van die plaatsen en teksten der H. Schrift, welke onze Moeder de H. Kerk, eiken Zon- en Feestdag, bij don Epistel en het Evangelie van de H. Mis, den geloovigen ter overdenking en behartiging voor oogen houdt. Wat een kostelijk en verkwikkend voedsel voor geest en hart! Hoeveel meer levenswijsheid, godsdienstige stichting en opwekking tot een deugdzamen levenswandel put men uit zoodanige lektuur, dan uit het verslinden van romans en novellen of hoe die voortbrengselen der hedendaagsche litteratuur ook heeten mogen, met wier lezing sommige mannen, vrouwen, jongelingen en dochters hun kostbaren tijd des Zondags verbeuzelen! Zich «amuseerenquot;, de nieuwsgierigheid prikkelen, den tijd dooden, ziedaar, waarde lezer, het doel, dat zij beoogen bij het lezen van boeken, die hen niets nuttigs leeren, die somtijds zelfs hun hoofd op hol brengen en hun hart bederven of ten minste wereldscligezind maken door de romantische geschiedenissen en toestanden, welke er verhaald en beschreven worden.

Oudtijds bezat ieder huis zijn Epistel- en Evangelieboek. Op de Zon- en feestdagen werden de voor den loopenden dag vastgestelde Schriftuurplaatsen in den familiekring voorgelezen, en eerbiedig en oplettend aangehoord. Vader en moeder herhaalden, zoo goed zij het vermochten, de verklaring en toepassing van de voorgelezen tekstwoorden, zooals zij die des morgens, onder de H. Mis, van den kansel hadden hooren uitleggen en ter behartiging of navolging aanbevelen. Zij trokken daaruit heilzame lessen en wenken voor hen-zelven, hunne kinderen en huisgenooten. Dat schoon, voorvaderlijk gebruik is, helaas! hedendaags — zeer zeker niet ten voordeele van geloof en zeden — onder menig katholiek dak tot verval geraakt en behoort zooveel mogelijk in zijn

IX

ocr page 14

VOORREDE BIJ DE TWEEDE UITGAVE.

oud recht en aanzien hersteld te worden, om den waren geest van Christus met de christelijke beginselen des te beter en gemakkelijker in de families te doen doordringen en veld winnen.

Hoe aanbevelenswaardig is dus niet een werk, dat zulk een verheven doel helpt bevorderen !

Het HANDBOEK van GOFFINE verspreidt een echt katholieken geest, leerl en verklaart de beginselen en grondregels van de christelijke geloofs- en zedenleer op bevattelijke wijze voor alle klassen der bevolking. Het Woord Gods, vervat in de Epistelen en Evangelies van de Zon- en feestdagen, door den Schrijver, volgens den zin en de leer der H. Vaders en der Katholieke Kerk uitgelegd, verlicht het verstand, verwarmt en veredelt het hart, reinigt, heiligt en versterkt den wil door de heerlijke en hemelsche onderrichtingen, opwekkingen, waarschuwingen en vermaningen, welke de Goddelijke Zaligmaker zelf of wel zijne Apostelen en Afgezanten, onder ingeving van den H. Geest, in de aangehaalde Schriftuurplaatsen mededeelen. Een veeljarige ondervinding heeft geleerd, dat dit eenvoudig maar degelijk geschreven Volksboek, 't welk de goedkeuring en aanbeveling van talrijke Bisschoppen mocht wegdragen, onzeggelijk veel goeds gesticht heeft in de katholieke huisgezinnen van Zwitserland, Duitsch-land, Nederland, België, Frankrijk en alle landen, waarin het verspreid werd. Moge ook deze tweede uitgave der Neder-landsche vertaling van Goffine's meesterwerk ruimschoots het hare bijdragen tot eer van God, tot verheffing van onze Moeder de H. Kerk, tot heil en zaligheid der zielen, dat is de innigste en vurigste wensch der vertalers en bewerkers oan het Volledig Handboek om de Zon- en Feestdagen van het geheele jaar te heiligen.

Venray, den 30 Maart 1892.

X

ocr page 15

l^et groot genoegen begroeten Wij deze nieuwe uitgave van het vertaalde ^Handboek om de Zon- en Feestdagen van »het geheele jaar te heiligen door P. Leonard Golfinequot;, overtuigd als Wij zijn, dat dit voortreffelijk werk niet dringend genoeg aan geestelijken en katholieke Familiën kan worden aanbevolen.

ROERMOND, 23 April 4892.

1r

ocr page 16

VERANDERLIJKE FEESTDAGEN,

van 1892 tot 1926.

Jaar.

Zondag-letter.

Aschdag.

Pascben.

Pinksteren.

1ste Adventszondag.

1892

C.B.

2 Maart.

17 April. 2 »

3 Juni.

27 Nov.

1893

A.

13 Febr.

21 Mei.

3 Dec.

1894

G.

7 »

23 Maart.

13 i

2 »

1893

F.

27 ))

14 April.

2 Juni.

1 t

1896

E.D.

19 i)

3 »

24 Mei.

28 Nov.

1897

C.

3 Maart.

18 i

6 Juni.

28 gt;

1898

B.

23 Febr.

10 »

29 Mei.

27 »

1899

A.

13 »

2 »

21 ,

3iDec.

1900

G.

28 »

13 i

3 Juni.

2' »

1901

F.

20 »

7 »

26 Mei.

1 »

1902

E.

12 gt;

30 Maart.

18 gt;

50 Nov.

1903

D.

23 »

12 April.

31 ,

29 gt;

1904

C.B.

17 »

3 »

22 ,

27 »

1905

A.

8 Maart.

23 .

11 Juni.

5 Dec.

1906

G.

28 Febr.

13 •

3 »

2 »

1907

F.

13 »

31 Maart.

19 Mei.

1 gt;

1908

E.D.

4 Maart.

19 April.

7 Juni.

29 Nov.

1909

C.

24 Febr.

11 »

50 Mei.

28 gt;

1910

B.

9 i)

27 Maart.

13 »

27 »

1911

A.

1 Maart.

16 April.

4 Juni.

3 Dec.

1912

G.F.

21 Febr.

7 »

26 Mei.

1 I)

1913

E.

3 #

23 Maart.

11 i

50 Nov.

19U

D.

23 t

12 April.

51 .

29 i

1913

C.

17 i

4 »

25 »

28 »

1916

BA.

8 Maart.

23 b

11 Juni.

5 Dec.

1917

G.

21 Febr.

8 »

27 Mei.

2 »

1918

F.

13 »

51 Maart.

19 j

1 a

1919

E.

3 Maart.

20 April.

8 Juni.

50 Nov.

1920

D.C.

18 Febr.

4 »

25 Mei.

28 .

1921

B.

9 »

27 Maart.

13 »

27 #

1922

A.

1 Maart.

16 April.

4 Juni.

3 Dec.

1923

G. ~

14 Febr.

1 »

20 Mei.

2 i

1924

F.E.

3 Maart.

20 »

8 Juni.

50 Nov.

1923

D.

23 Febr.

12 .

31 Mei.

29 »

1926

C.

17 » 1

4 »

23 9

28 »

ocr page 17

TAFEL DER OSVERABDESUJKE FEESTDAGEN.

JANUARI. ')

1 a Nieuwejaar. Besnijdenis des Hekken, h. Fulgentius,

bisschop f 533.

2 amp; h. Macarius van Alexandrie, kluizenaar f 394.

3 c h. Genoveva, maagd, patrones van Parijs f 512.

4 d h. Eigobertus, bisschop van Reims t 740. 2)

5 e h. Gerlacus, belijder f 1170.

6 ƒ II.H. Driekoningen.

7 lt;7 h. Lucianus, priester en martelaar f 312.

8 o h. Gudula, maagd, patrones van Biussel f 712.

9 amp; h. Julianus en h. Basilissa, martelaars f 309.

10 c h. Agatho, Paus f 682.

11 d h Hyginus, paus en martelaar f 142.

12 e h. Arcadius, martelaar f 257.

13 / h. Godefridus, graaf f 1126.

14 jr h. Hilarius, bisschop en kerkleeraar f 368. h. Pon-

tianus, martelaar f 160.

15 a h. Paulus, eerste kluizenaar f 343.

16 i h. Marcellus I, paus en martelaar f 310.

17 c h Antonius, eremijt f 356.

18 d St. Pietersstoel te Rome. h. Prisca, maagden mart.f 275.

19 e h. Canutus, koning van Denemarken, mart. f 1086.

20 / hh. Fabianus en Sebastianus, martelaars f 288.

21 g h. Agnes, maagd en martelares f 305.

22 a hh. Vincentius en Anastasius, martelaars f 304 en 628.

23 h O. L. Vrouw verloving, h. Raymundus van Pennafort,

belijder f 1275. h. Emerentiana, maagd en mart. f 304.

24 c h. Timotheus, bisschop en martelaar f 97.

25 d Bekeering van den H. Paulus.

26 e h. Polycarpus, bisschop en mart. f 166. h. Marus,

bisschop van Trier f 470.

27 f h. Joannes Chrysostomus, bisschop en kerkl. f 407.

28 g h. Julianus , bisschop. De zalige Karei de Groote,

keizer van Duitschland f 814.

29 a h. Franciscus van Sales, bisschop en kerkleeraar

t 1622.

30 amp; h. Martina, maagd en mart. f 200. h. Aldegondis, maagd.

31 c h. Petrus Nolascus, belijder, stichter der orde van

barmhartigheid f 1256. h. Marcella, weduwe f 410.

1) Den tweeden Zondap na Driekoningen, Feest van den H. Naam Jesus.

ocr page 18

XIV TAFEL DER ONVERANDERLIJKE FEESTDAGEN.

FEBRUARI.

1 lt;? h. Ignatius, bisschop van Antiochie en martelaar

t 187.

2 e Maria Lichtmis, h. Brigida, maagd, beschermheilige

van Schotland en Ierland.

3 / h. Blasius, bisschop en mart f 316. h. Genoveva f 484.

4 lt;7 h. Andreas Corsini, bisschop f 1373.

5 a h. Agatha, maagd en mart. f 251. h.h. Martelaren

van Japan f 1597.

6 6 h. Amandus, bisschop van Maastricht en belijder

t 684. h. Dorothea, martelares f 288.

7 c h. Romualdus, stichter v. d. orde der Camaldulen f 1027.

8 h. Joannes van Matha, stichter der orde van de H. Drievuldigheid f 1213. h. Stephanus, belyder f 1124.

y e h. Titus, bisschop en belijder le eeuw. h. Apollonia, martelares en maagd f 249.

10 f h. Scholastica, maagd f 543.

11 g h. Joannes de Britto, martelaar f 1693.

12 a hh. Saturninus en Dativus, mart. f 304.

13 6 h. Cyrillus van Alexandrie, bisschop en kerkleeraar.

Catharina v. Ricci, sticht, f 1589.

14 c h. Valentinus, priester en mart. f 270.

15 d hh. Faustinus en Jovita, mart. f 122.

16 e h. Juliana, mart. f 1209.

17 f h. Silvinus, apost. bisschop f 718.

18 g h. Simeon, bisschop van Jerusalem en martel, f 106.

19 a h. Eleutherius, bisschop en belijder f 743.

20 h h. Conradus Placentius, belijder f 1351.

21 c h. Eleonora, koningin van Engeland f 1292.

22 d St Pietersstoel te Antiochië in het jaar 33—36.

23 e h. Petrus Damianus, bisschop en belijder f 1072.

24 f h. Mathias, apostel f 80.

25 g h. Walburgis, maagd f 780.

26 a h. Nestor, bisschop en mart. f 250.

27 h h. Leander, aartsbisschop van Sevilla f 596.

28 c h. Romanus, abt, en Lupicenus, stichters f 460.

29 h. Oswaldus, bisschop f 922.

Dinsdags voor de week van Aschdapr, gedachtenis van het lUden Onzes Heeren.

Vrjjdags na Aschdag, vereenng der doornen kroon Onzes Heeren.

Vrijdags der ie week van de vaste, vereering der lans en der nagelen Onzes Heeren.

Vrlldags van de 2e week, vereenng van den heiligen Zweetdoek.

Vrijdags van de 3e week, vereering van de neilige vijf Wonden.

ocr page 19

TAFEL DEB ONVERANDEKLIJKE FEESTDAGEN. XV

MAART.

1 d h. Suidbertus, bisschop en belijder f 717.

2 e h. Catharina van Bononië t 163.

3 / h. Cunegondis, keizerin f 1040.

4 gi h. Casimirus, prins van Polen f 1483.

5 a h. Adrianus, martelaar f 311. h. Joannes Josephus

van het Kruis f 1734.

6 6 h. Coleta, herv. der Clarissen, maagd f 1447.

7 c h. Thomas van Aquinen, belijder en kerkleeraar f 1274.

8 ci h. Joannes de Deo, stichter der Broeders van Liefde

f 1550.

9 e h. Francisca Romana, Stichteres der Oblaten f 1440.

10 / De 40 Martelaren van Sebaste, krijgshelden t 320.

11 ^ h. Angela Foligni, stichtster f 1039.

12 a h. Gregorius de Groote, paus en kerkleèraar f 604.

13 amp; h. Euphrasia, maagd f 410.

14 c h. Mathilda, keizerin van Duitschland f 968.

15 (Z h. Longinus, krijgsknecht, martelaar.

16 e h. Heribertus, aartsbisschop van Keulen f 1022.

17 f h. Patricius, patroon van Ierland t 464. h. Gertrudis,

abdis van Nyvel f 659.

18 g h. Aartsengel Gabriël. H. Eduardus, koning f 981.

19 a h. Joseph, bruidegom van Maria, patroon der Kath.

Kerk en voorspreker van een zaligen dood -f 13.

20 b h. Wulframnus, bisschop en belijder f 750. h. Cuth-

bertus, bisschop en belijder f 687.

21 c h. Benedictus, aartsvader van de Monniken in het

Westen t 543.

22 d h. Catharina van Genua f 1510.

23 e h. Victorinus en Gezellen, mart.

24 / h. Wilhelmus van Norwich, mart. f 1144. h. Simon,

kind-martelaar f 1475.

25 g Maria Boodschap, het Ireneus, bisschop en marte

laar f 304.

26 a h. Ludgerus, bisschop van Munster in Westfalen f 809.

27 h h. Rupertus, bisschop van Worms t 728.

28 c h. Guntanus, koning van Frankrijk f 597.

29 d hh. Jonas en Birche Jesus, martelaars f 327.

30 e Joannes Climacus, abt f 605.

31 / h. Guido, abt f 1046.

VrUdaers der ie week van de vaste, vereerin? van het Heilig Bloed Onzes Heeren. Vrydags van de Passieweek, gedacntenis der zeven smarten der allerheiligste Maagd

ocr page 20

TAFEL DKR ONVERANDERLIJK? FEESTDAGEN.

APRIL.

1 £ h. Hugo, aartsbisschop van Grenoble f 1132.

2 a h. Franciscus van Paula, stichter van de orde der

Minimen f 1508.

3 amp; h. Richardus, bisschop f 1252. Maria van Egypte.

4 c h. Isidorus, bisschop van Sevilla, kerkleeraar •{* 636.

5 d h. Vincentius Ferrerius, belijder f 1418. h. Juliana!

maagd f 1258.

6 e h. Albertus, kluizenaar f 1140.

7 / h Hermanus Josephus, van de Orde van Premon-

streit f 1230.

8 lt;7 h. Dionisius, bisschop f 96.

9 a h. Demetrius, martelaar 456. h. Waldetrudis, maagd

■f 686.

10 6 h. Macharius, bisschop van Alexandrië f 1012.

11 c h. Leo de Groote, paus en kerkleeraar f 461.

12 h. Sabas, martelaar f 572.

13 e h. Hermenegildus, martelaar f 586. h. Justinus de

Wijsgeer f 352.

14 / hh. Tiburtius, Valerianus en Maximus, mart. f 229.

15 g h. Lidwina van Schiedam, maagd f 1433.

16 a h. Turibius, aartsbisschop van Lima f 1606.

17 6 h. Anicetus, paus en martelaar f 173. h. Rudolf, biss

van Gubbio f 1287.

18 c h. Eleutherius en Anthia, martelaars, h Ursmarus

bisschop en belijder.

19 (ü h. Emma, weduwe f 1040.

20 e h. Agnes de Monte-Pulciano, van de Dominicusorde.

21 / h. Anselmus, bisschop van Kantelberg f 1109.

22 g hh. Sotor en Gajus, pausen en martel, f 177 en 296.

23 a h. Georgius, martelaar f 295.

24 6 h. Fidelis van Sigmaringen, martelaar f 1622..

25 c h. Marcus, evangelist f 68.

26 d O. L. Vrouw van Goeden Baad. h. Cletus en Mar-

cellinus, pausen en martelaars f 304 en 89.

27 e h. Egbertus, belijder f 729. h. Zitta, maagd f 1272.

28 f h. Vitalis en Valeria, martelaars f 62.

29 g h. Petrus, van de orde der Predikheeren marte

laar f 1252.

XVI

30 a h. Catharina van Siëna, maagd f 1380.

Den derden Zondag na Paschen, Beschermingsfeest van den H. Joseph.

ocr page 21

TAFEL DER ONVEBANDERLUKE FEESTDAGEN.

MEI.

1 h hh. Philippus en Jacobus de Mindere, apostelen.

2 c h. Athanasius van Alexandrië, kerkl. en belijd, f 373.

3 (ï h. Kruisvinding in Jerusalem 326. hh. Alexander en

gezellen, martelaars -J- 119.

4 e h. Monica, moeder van den H. Augustinus f 389.

5 / h. Pius V, paus en belijder f 1572.

6 g h. Joannes aan de Latijnsche poort f 95.

7 a h. Domitianus, bisschop van Maastricht en belijder

f 55S. h. Stanislaus, bisschop van Krakau, martelaar f 1079.

8 6 De verschijning van den H. Aartsengel Michaël in 488.

9 c h. Gregorius van Nazianze, bisschop f 389.

10 d h. Wiro, bisschop en belijder f 710. h. Antoninus,

bisschop en belijder f 1495.

11 e h. Franciscus van Hieronymo f 1716.

12 / hh. Nereus, Achillis, Domitilla en Pancratius, mart. f 300.

H. Cyrillus van Jerusalem.

13 h. Servatius, bisschop van Maastricht f 384.

14 a h. Bonifacius, mart. f 307. h. Christianus, bel. 12eeeuw.

15 6 h. Dymphna, maagd en martelares f 600.

16 c h. Joannes Nepomucenus, martelaar f 1383.

17 (Z h. Paschalis Baylon, belijder f 1592.

18 e h. Venantius, mart. f 250. h. Germanus, biss. en belijd.

19 / h. Petrus Coelestinus, paus en belijder f 1294.

20 g h. Bernardinus van Siëna, minderbroeder f 1444.

21 a h. Felix van Cantalicio, kapucijn f 1589.

22 h h. Julia, maagd f 439. H. Andreas Bobola. mart. f 1657.

23 c h. Anselmus, bisschop en belijder f 1109.

24 d O. L. Vrouw, hulp der Christenen.

25 e h. Gregorius VII, paus en belijder f 1085. h. Augus

tinus, apostel van Engeland.

26 f h. Philip. Nerius, sticht, d. priesters v.h.Oratoriumtl695.

27 g h. Maria Magdalena van Pazzi, maagd f 1607.

28 a h. Germanus, bisschop van Parijs f 578.

29 6 h. Maximinus, bisschop van ïrier f 350.

30 c h. Ferdinandus, koning van Spanje, belijder f 1252.

31 d h. Angela van Merici, stichteres der Ursulinen, -f- 1540.

h. Petronella, maagd en martelares f 93.

Maandag voor Pinksteren, feestdag van den H. Gerlacus, belijder.

Dingsdag na het feest der H. Drievuldigheid, verheffing der reliquiên van de HH. quot;Wiro, Plechelmus en Otgerus.

Zondag na Pinksteren. Feest van alle hh. Bisschoppen van Maastricht.

XVII

ocr page 22

XVIII TAFEL DER ONVERANDERLIJKE FEESTDAGEN.

JUNI.

1 e h. Justinus, mart. f 167.

2 f hh. Marcellinus, Petrus en Erasmus, mart. f 304.

3 lt;7 h. Clotildis, koningin van Frankrijk f 534.

4 a h. Franciscus Caracciolo, stichter van de orde der

mindere reguliere geestelijken 1608. h. Optatus, bissch.

5 amp; h. Bonifacius en gezellen, bisschop van Mentz, mar

telaar f 754.

6 c h. Norbertus, aartsbisschop van Maagdenburg f 1134.

7 d h. Robertus, abt f 1158.

8 e h. Medardus, bisschop en martelaar f 556.

9 / h. Primus en Felicianus, martelaars f 286.

10 g h. Margarita, koningin van Schotland f 1093.

11 a h. Barnabas, apostel f 70.

12 h h. Joannes a S. Facundo, belijder f 1479. h. Odulphus,

pastoor van Oorschot, belijder f 865.

13 c h. Antonius van Padua, minderbroeder, belijder f 1231.

14 d h. Basilius de Groote, biss., belijder en leeraar f 379.

15 e h. Landelinus, abt. h. Vitus, Modestus en Crescentia

f 603.

16 / h. Joannes Franciscus Regis, S. J. f 1640.

17 g h. Ludgardis, maagd. h. Reinerus, belijder f 1160. lö a h. Marcus en Marcellianus, martelaars f 286.

19 b h. Juliana a Falconeriis, maagd f 1340. hh. Gervasius

en Protasius, martelaars f 64.

20 c h. Silverius, paus en martelaar 538.

21 h. Aloysius van Gonzaga, belijder, beschermheilige der jeugd f 1591. Albanus, martel. Engelmundus, abt f 350.

22 e h. Galenus en Valenus enz., mart. f 80. h. Paulinus,

bisschop van Nola f 431.

23 f h. Ediltrudis, koningin van Engeland f 685.

24 g De geboorte van den H. Joannes den Dooper.

25 a h. Gulielmus, belijder f 1142 h. Adelbertus, belij

der f 740.

26 h hh. Joannes en Paulus, martelaars f 362.

27 c h. Ladislaus, koning van Hongarije f 1095.

28 d h Leo, paus en belijd, f 684, h. Benignus, belijder.

29 e hh. Petrus en Paulus, apostelen f 69.

30 f De gedachtenis van den H. Paulus, apostel f 69.

Eerste Zondag na Pinksteren, h. Drievuldigheid,

Vrij dag na de octaaf van het h. Sacrament, feestdag van het h. nart van Jesus.

ocr page 23

TAFEL DER ONVERANDERLIJKE FEESTDAGEN. XIX

JULI.

1 lt;7 h. Theobaldus, kluizenaar f 1066.

2 o Het bezoek der H. Maagd aan hare nicht Elisaheth.

3 6 h. Rumoldus, belijder, h. Hiacythns, martelaar t 116.

h. Ireneus, bisschop en martelaar t 202.

4 c h. Ulrik, bisschop van Augsburg t 973.

5 d hh. Bonifacius en gezellen, apostel der Nederlanden,

6 e h. Pulcheria, maagd 452. (martelaars t 755.

7 / h. Willibaldus, prins, bisschop en belijder t 786.

8 lt;7 h. Elisabeth, koningin t 1336. h. Landrada, maagd.

9 a hh. Leonardus en gezellen, martel, van Gorkumt 1572.

10 h Zeven bh. Broeders, martelaars t 160.

11 c h. Pius I, paus en martelaar t 157.

12 d h. Joannes Gualbertus, abt f 1073. hh. Nabor ea

Felix, martelaars f 304.

13 e h. Anacletus, paus en martelaar f 109.

14 f h. Bonaventura, kardinaal en belijder t 1274.

15 gr h. Henricus II, keizer van Duitschland t 1024.

16 a O. L. V. van den berg Camel, feest van het Schapulier.

17 6 h. Alexius, belijder 417. h. Fredegondis, abt t 838.

18 c h. Plechelmus, biss.f 732. h. Camillus van Leilis 11611.

19 d h. Vincentius van Paulo, belijder, stichter van de Con

gregatie der Zusters van Liefde t 1660.

20 e h. Hieronymus iEmilianus, belijder, patroon der wee

zen t 1537.

21 / h. Monulphus en Gondulphus, bisschop van Maastricht

en belijders t 599 en 607.

h. Rainildis, maagd. h. Praxedis, maagd.

22 ^ h. Maria Magdalena t 67.

23 a h. Apollinaris, bisschop en martelaar f 179.

24 h h. Christina, maagd en martelares t 1224.

25 c h. Jacobus de Meerdere, apostel f 44. h. Christopho-

rus, martelaar, patroon van Roermond t 250.

26 d h. Anna, moeder der H. Maagd.

27 e h. Pantaleon, geneesheer t 303.

28 / hh. Nazarius en Celsus, martelaars t 98. h. Victor,

paus en martelaar t 202. h. Innocentius, paus t 417.

29 g h. Martha, maagd t 184.

30 o hh. Abdon en Sennen, martelaars t 250.

31 h h. Ignatius v. Loyola, sticht, der Societeit v. Jesus f 1556.

Eerste Zondag dezer maand, feestdag van het h. Bloed onzes Verlossers.

ocr page 24

tafel der onveranderlijke feestdagen.

AUGUSTUS.

1 c h. Petrusbanden.

2 d h. Alphonsus Maria de Liguorio, biss. en stichter der

Congregatie van den Allerh. Verlosser f 1787. Aflaat Portiuncula. 1217.

3 e Vinding van den H. Stephanus, martelaar f 415.

4 / h. Dominicus, stichter der Predikheerenorde t 1227.

5 £ O. L. Vrouw ter Sneeuw.

6 a Gedaanteverandering des Heeren op Thabor.

7 6 h. Cajetanus, stichter van de Théatiinen, f 1547.

8 c hh. Cyriacus, Largus en Smaragdus, martelaars t 303.

h. Donatus, bisschop en martelaar t 660.

9 d h. Romanus, martelaar t 258.

10 e h. Laurentius, martelaar en diaken t 258.

11 / h. Tiburtius en Susanna, mart. f 295.

12 g h. Clara, stichter der Clarissen t 1253.

13 a h. Joannes Berchmans, belijder, h. Wigbertus, mar

telaar t 747.

14 h h. Eusebius, priester t 358. h. Werenfridus, Geloofs-

prediker in Nederland.

15 c O. L. Vroüw Hemelvaart.

16 d h. Rochus, belijder 1 1327. h. Hyacintus, belijder 1 1257.

17 e h. Arnoldus, belijd, h. Liberatus en gez., mart. t 275.

18 / h. Helena, keizerin t 328. h. Jeron, mart. t 856.

19 lt;7 h. Ludovicus van Toulouse, bisschop t 1297.

20 a h. Bernardus, kerkl. stichter der Cistercienzer t 1153.

21 J h. Joanna Francisca Fremiot de Chantal, stichtster

van de Visitatie-orde t 1641.

22 c hh. Timotheus en Hippolytus, martel, t 511 en 251.

23 d h. Philippus Benitius, belijder t 1285.

24 e h. Bartholomeus, apostel t 73.

25 f h. Ludovicus IX, koning f 1270. h. Gregorius, bis

schop van Utrecht t 676.

26 g h. Zepherinus, paus en martelaar t 219.

27 a h. Joseph. Calasanctius, sticht, der Piatisten-orde t 1648.

28 h h. Augustinus, bisschop en kerkleeraar t 430.

29 c Onthoofding van den h. Joannes den Dooper.

30 d h. Rosa van Lima, maagd t 1618.

31 e h. Raymundis Nonnatus, kardinaal, belijdei. f 1240.

xx

h. Isabella.

vadernvan Maria oot;iaf van a L- Vrouw Hemelvaart, fecstdad van den n. Joachim, Zondag na dezelfde octaaf, feestdag van het h. Hart van Maria.

ocr page 25

TAFEL DER ONVERANDEKUJKE FEESTDAGEN. XXI

SEPTEMBER.

1 / h. iEgidius, abt t 701. h. Werenfridus, belijder en

apostel van Nederland f achtste eeuw.

2 h. Stephanus, koning van Hongarije, belijder t 1038.

3 a h. Remaclus, bisschop van Maastricht t 650.

4 ft h. Rosalia, prinses van Sicilië t 1160.

5 c h. Laurentius Justinianus, patriarch v. Venetië t 1455.

6 d h. Regina, martelares f 251.

7 e h. Madelberta, maagd.

8 / O. L. Vrouw Geboorte, h. Adrianus, mart. t 306.

9 lt;7 h. Gorgonius, mart. t 304. Petrus Glaver, S. J., apostel

der negerslaven f 1654.

10 a h. Otgerus, diaken en belijder f 113. h. Nicolaus van

Tolentijn f 1309. h. Theodardus, bisschop van Maastricht en martelaar f 668.

11 6 hh. Protus en Hyacinthus, martelaars t 257.

12 c h. Guido, belijder f 1012.

13 d h. Materaus, biss. en bel. f 100. h. Amatus, biss. f 690.

14 e Kruisverheffing door keizer Heraclius in 629.

15 / h. Nicomedes, pi'iester en martelaar f 90.

16 g hh. Cornelius en Cyprianus, mart. f 252 en 258.

17 a h. Lambertus, bisschop van Maastricht en martelaar

t 708.

18 h h. Josephus van Cupertino, belijder 1663.

19 c hh. Januarius en gezellen, martelaars f 305.

20 d hh. Eustachius en gezellen, martelaars t 186.

21 e h. Mattheus, apostel en evangelist.

22 f h. Thomas van Villanova, bisschop en belijder f 1555.

hh. Mauritius en gezellen, martelaars f 286.

23 g h. Linus, paus en martelaar f 76.

24 a O. L. Vrouw van de verlossing der Slaven, h. Gerardus,

bisschop van Hongarije f 1046.

25 b De wonden van den H. Franciscus.

26 c hh. Cyprianus en Justinus, mart. f 304.

27 d hh. Cosmas en Damianus, martelaar, f 304. h. Hil-

trudis, maagd.

28 e h. Wenceslaus, hertog van Boheme f 938.

29 f h. Michaël, Aartsengel.

30 g h. Hieronymus, belijder t 420.

Eerste Zondag dezer maand, feestdag der hh. Engelbewaarders.

Zondag onder de octaaf van O. l. Vrouw Geboorte, feestdag van den h. Naam van Maria. Den derden zondag van September, gedachtenis der zeven smarten van Maria.

ocr page 26

XXII TAFKL DER ONVERANDERLIJKE FEESTDAGEN.

OCTOBER.

1 a h. Kemigius, bisschop f 540. h. Bavo, belijder f 631.

2 h bh. Engelbewaarders.

3 c b. Gerardus, abt. h. Ewalden, mart. 690.

4 d b. Franciscus van Assisië, stichter der Minder-broe-

ders f 1226.

5 e b. Placidus en gezellen, martelaars f 546.

6 ƒ b. Bruno, stichter der Karthuizer-orde f 1101.

7 gf b. Marcus, paus en belijder f 336. ^

8 a b. Brigitta, stichtster der Brigittinen t 1373.

9 6 b. Dionysius, bisschop en apostel f 117. bh. Rusticus

en Eleutherius, martelaars f 117.

10 c h. Franciscus van Borgia, belijder f 1572. hh. Victor,

Gereon enz., martelaars.

11 (Z h. Ludovicus Bertrandus, bel. f 1580. h. Gummarus, bel.

12 e b. Wulfridus, bisschop en belijder f 709.

13 / b. Eduardus, koning en belijder f 1066.

14 g b. Calixtus, paus en martelaar f 222.

15 a b. Theresia, stichteres van de orde der karmelites-

sen t 1582.

16 h h. Margaritha, koningin v. Schotland, weduwe f 1093.

h. Gallus, stichter der kloosters St. Gallen in Zwitserland.

17 c h. Hedwigis, hertogin van Polen f 1243.

18 d b. Lucas, evangelist, h. Paulus van het Kruis t 1775.

19 e h. Petrus van Alcantara, belijder f 1562.

20 f h. Joannis Cantius, belijder f 1574.

21 g h. Ursula en gezellinnen, te Keulen gedood f 450.

b- Hilarion, abt. 371.

22 a h. Cordula, maagd en martelares f 383.

23 h b. Joannes Capistranus f 1456.

24 c h. Rapbxël, Aartsengel, h. Oda, weduwe

25 d h. Chrysantius en Daria, mart. h. Grispinus en Cris-

pinianus, broeders, martelaars f 237.

26 e h. Evaristus, paus en martelaar f 112.

27 f h. Ivo, advokaat der armen f 1290.

28 g bh. Simon en Judas, apostelen.

29 a b. Narcissus, bisschop f 286. h. Emelindis, maagd.

30 h h. Alphonsus Rodriguez f 1617.

31 c h. Wolfgangus, bisschop van Regensburg f 994.

h. Foillanus, bisschop en belijder.

Eerste zondag van October, feestdag van den h. Rozenkrans.

ocr page 27

tafel der onveranderlijke feestdagen. xxiii

NOVEMBER.

1 d Allerheiligen, ingesteld in het jaar 835.

2 e Allerzielendag, ingesteld in het jaar 998.

3 / h. Hubertus, bisschop van Maastricht f 727.

4 g h. Carolus Borromteus, kardinaal en aartsbisschop van

Milaan f 1584.

5 a h. Odrada, maagd. h. Bertilla, maagd f 702.

6 ft h. Leonardus, kluizenaar f 559.

7 c h. Willibrordus, eerste bisschop van Utrecht en

apostel van Nederland f 738.

8 d De vier h; gekroonde Broeders, martelaars f 304.

h. Godefridus, bisschop f 1013.

9 e Kerkwijding van de Basiliek des Verlossers te Rome.

10 f h. Andreas Avellinus, belijder f 1590.

11 lt;7 h. Martinus, biss. en belijd, f 400. Lebuinus, belijder.

12 a h. Martinus, paus en martelaar.

13 b h. Didacus, belijder f 1463. h. Stanislaus Kostka,

der Societeit van Jesus f 1568.

14 c h. Dubricius, bisschop f 1463. h. Albericus, bisschop

f 783.

■15 (Z h. Gertrudis, abdisse t 1334. h. Leopold, marktgraaf van Oostenrijk f 1136.

16 e h. Edmundis, biss, v. Kantelberg f 1246. H. Wili-

baldus, bisschop, apostel van Friesland.

17 / h. Gregorius de Wonderdoener, biss. en bel. f 270.

18 ^ Kerkwijding van de Basiliek der hh. Petrus en Paulus

te Rome. h. Odo, abt van Cluny f 939.

19 a h. Elisabeth, koningin van Hongarije f 1231.

20 b h. Felix van Valois, stichter der orde van Verlossing

der gevangene Christenen f 1212.

21 c O.L.Vr. Opdracht in den tempel. H. Amelberga, abdisse.

22 d h. Ctecilia. maagd en martelares -{■ 230.

23 e h. Clemens, paus en martelaar f 100.

24 f h. Joannes van het kruis, belijder f 1591.

25 g h. Catharina, maagd en martelares f 307.

26 a h. Conrardus, bisschop f 976.

27 h h. Acharius, bisschop en belijder f 629.

28 c h. Oda, maagd.

29 d h. Radbod, bisschop van Utrecht f 918.

30 e h. Andreas, apostel f 70.

Laatste zondag van het kerkelijk jaar Te Deum en processie.

ocr page 28

xxiv tafel der onveranderlijke feestdagen,

DECEMBER.

1 / h. Eligius, bisschop en apostel van Vlaanderen r 659.

2 0 h. Bibiana, maagd en martelares 363.

3 a h. Franciscus Xaverius, apostel van Indië j 1552.

4 i h. Barbara, maagd en martelares f 306.

5 c h. Petrus Chrysologus, bisschop en leeraar -fquot; 450. G d h. Nicolaus, bisschop van Myra en belijder t 342.

7 e h. Ambrosius, aartsbisschop, belijder en leeraar t 397.

8 / O. L. Vrouw Onbevlekte Ontvangenis.

9 h. Leocadia, maagd en martelares f 305.

10 a h. Eulalia, maagd, twaalfjarige martelares f 305.

H h h. Damasus, paus en belijder f 384.

12 c h. Autbertus, bisschop en belijder.

13 d h. Lucia, maagd en martelares f 305.

14 e h. Nicasius en zijne zuster de h. Eutropia, mart.

t 451.

45/11. Mesminus, abt f 520.

46 ^ h. Eusebius, bisschop en martelaar f 370.

47 a h. Begga, maagd f 698.

48 b O.L. Vrouw verwachting, h. Wunibaldus, belijder f 760.

49 c h. Nemesius, martelaar f 250.

20 d h. Adelheid, keizerin f 999.

21 e h. Thomas, apostel f 73.

22 f h. Hungerus, bisschop van Utrecht f 866. Gelukz.

Canisins, der Societeit van Jesus f 4597.

23 g h. Victoria, maagd en martelares {- 253.

24 a h. Adelia, maagd | 746.

25 h Kerstdag, geboortefeest onzes Heeren. h. Eugenia,

maagd f 258.

26 c 2',c Kersdag, h. Stephanus, diaken en eerste mart. 33.

27 d h. Joannes, apostel en evangelist f 400.

28 e hh. Onnoozele Kinderen, martelaren.

29 / h. Thomas van Kantelberg, aartsbiss. en mart. f 4170.

30 g h. Sabinus, bisschop en mart. f 300. h. Richardus,

abt f 1266.

31 a h. Silvester, paus en martelaar f 335.

Gulden Mis op Quatertemper-Woensdag.

ocr page 29

ONDERRICHT OVER DE H. MIS.

De Heilige Mis is liet gewichtigste deel van den Katholieken eeredienst, derhalve moet hier ook het eerst daarvan spraak zijn, en wel:

A. Over h.et quot;begrip en liet wezen, over de verschillende quot;benaming-en en liet nut der H. Mis voor zoover zij liet onbloedig Offer van Jesus Christus is.

Door de ongehoorzaamheid der eerste menschen kwamen de zonde en de dood in de wereld; maar door Christus is de genade overvloedig geworden. Rom. V, 12, lo. Hij heeft onze zonden in zijn lichaam aan het kruishout gedragen: door zijne wonden zijn wij genezen. I Pctr. II, 24. Hij heeft ons bemind, en zich als gave en olfer van aangenamen geur voor ons aan God opgedragen. Eph. V, 2. Hij heelt ons door dit offer met God verzoend en alle genaden verworven, en is daardoor de oorsprong onzer rechtvaardiging en heiligmaking geworden.

Nadat Christüs het kruisoffer voor onze zonden heeft opgedragen, zit Hij voor altijd aan de rechterhand van God. Hebr. X, 12. Ofschoon Hij thans niet meer zichtbaar onder ons verkeert, leeft en werkt Hij toch eeuwig in zijne Kerk voort. Math. XXVIII, 20. Hij leeft in zijn woord, dat gedurig verkondigd wordt door de leeraars, die door Hem zijn aangesteld; in het Doopsel neemt Hij de menschen voortdurend in zijne gemeenschap op; in de Biecht schenkt Hij den rouwmoedigen zondaar vergeving; Hij sterkt de jeugd in hel Vormsel met de kracht van zijnen Geest; Hij deelt in het Sacrament des Huwelijks aan bruidegom en bruid zijnen zegen mede, om hunne natuurlijke liefde te heiligen, hunne onverbreekbare eenheid te bevestigen, en de echtelieden met zijne genade te verrijken. Hij vereenigt zich onder de gedaanten van brood en wijn op het innigste met allen, die naar het eeuwig leven verzuchten; Hij troost de stervenden in het H. Oliesel, en stelt in het Priesterschap de bedienaars aan, die al deze Sacramenten moeten toedienen. Even als Christus thans nog zijn op aarde begonnen werk op onzichtbare wijze voortzet, zoo herhaalt

1

ocr page 30

onderricht

Hij ook het offer, dat Hij zijn Hemelschen Vader eens op eene bloedige wijze voor de zonden der wereld heeft opgedragen, voortdurend op een onbloedige wijze, naardien Hij zich als eeuwige Hoogepriester volgens de orde van Melchisedech altijd op nieuw als offer voor het zondige menschdom aan zijnen Vader opdraagt, en zulks geschiedt in de Heilige Mis, die Hij in het Laatste Avondmaal heeft ingesteld. Nadat Hij namelijk het brood en den wijn in zijn Vleesch en Bloed veranderd en aan zijn Vader opgedragen had, zeide Hij tot zijne leerlingen: «Doet dit tot mijne gedachtenis;quot; en hierdoor stelde Hij hen tot Priester van het Nieuwe Verbond aan. Ofschoon Jesus-Christus, onze God en Heer, zoo schrijft het Concilie van Trente (22 zitting), zich zeiven eenmaal op het altaar des krnises dooiden dood aan God den Vader zou opdragen, om daar eene eeuwige verlossing te bewerkstelligen, wilde Hij toch, wijl zijn priesterdom niet met zijnen dood zou eindigen, aan zijne beminde bruid, de Kerk een zichtbaar offer, zoo als 's menschen natuur (zulks) vordert, achterlaten, waardoor het eenmaal aan het kruis te volbrengen offer vernieuwd, de gedachtenis daarvan tot het einde der eeuwen bewaard, en de heilzame kracht van dat offer ter vergeving van de zonden, die wij dagelijks begaan, toegepast zou worden. Tc dien einde, verklaarde Hij in het Laatste Avondmaal, in den nacht, waarin Hij werd overgeleverd, dat Hij in eeuwigheid is aangesteld tot Priester volgens de orde van Melchisedech, droeg zijn lichaam en bloed onder de gedaanten van brood en wijn aan God den Vader op, en gaf zich zeiven onder deze zinnebeelden tot voedsel aan zijne Apostelen, die Hij alsdan lot Priesters van het Nieuwe Verbond aanstelde, terwijl Hij hun en hunnen opvolgers in het priesterschap door deze woorden; »Doet dit te mijner gedachtenisquot;, gebood te offeren, gelijk de Katholieke Kerk altijd verstaan en geleerd heeft. Want, na het oude Paaschoifer, dat Israels kinderen ter herinnering aan den uittocht uit Egypte slachtten, te hebben gevierd, stelde Hij, met zich zeiven te geven, een nieuw Paaschlain in, ten einde door de Priesters der Kerk onder zichtbare leekens te worden geslachtofferd, ter gedachtenis aan zijnen overgang uit peze wereld tot zijnen Vader, na ons door het vergieten van

ocr page 31

over dk h. mis.

zijn bloed vrijgekocht, aan de macht der duisternis ontweldigd, en in zijn Rijk overgeplaatst te hebben.

Wat is alzoo de Heilige Mis?

De H. Mis is de onbloedige voortzetting van het bloedig offer door Jescs-Christus opgedragen, welke voortzetting Hij zelf in het Laatste Avondmaal aan zijne Apostelen en aan hunne opvolgers, de Bisschoppen en Priesters, beval te verrichten en waarin Hij zich, onder de gedaanten van brood en wijn, telkens op nieuw voor ons aan zijnen Vader opdraagt.

Is de Heilige Mis aldus eene ware offerande?

De Heilige Mis is eene ware offerande, wijl Jesus-Christus zich daarin werkelijk door de handen des Priesters op nieuw aan zijn Hemelschen Vader opoffert. Gelijk Christus zich aan 't kruis heeft opgeofferd, zoo offert Hij zich ook in de Heilige Mis op. Hij is ook hier, gelijk aan 't kruis, zoowel de Priester als het offer: alleen met dit onderscheid, dat het offer aan het kruis op bloedige en sterfelijke wijze geschiedde, terwijl het offer in de Heilige Slis op eene onbloedige wijze volbracht wordt, wijl Christus thans niet meer lijdelijk en sterfelijk is.

In welke betrekking stonden de offers der Oude Wet tot het Heilig Misoffer?

Zij waren er zinnebeelden van: de menschen beleden daardoor hunne onderwerping aan de Goddelijke Majesteit, voornamelijk hunne schuld en de noodzakelijkheid eener verzoening met God. Daarom zegt de Heilige Joannes (Openb. XIII, 8), dat het Lam Gods van den beginne der wereld af is geslachtofferd (namelijk in zinnebeelden). De kracht, om de menschen met God te verzoenen, hadden echter die offers slechts dan, wanneer zij gepaard gingen met het geloof aan het groote zoenoffer van Christus, dat door de offeranden van het Oude Testament zinnebeeldig werd voorgesteld. Het offer, dat werkelijk in staat is, ons met God te verzoenen, heeft Christus, de eeuwige Priester volgens de orde van Melchisedech (Hebr. V, 6), aan het kruis opgedragen en Hij heeft bevolen het in de Heilige Mis voortdurend te hernieuwen, (Hebr. IX, I Petr. I, 19.)

3

ocr page 32

0ndkr1ucht

Hoe velerlei is het Heilig Misoffer?

Gelijk Christus zich om drie redenen aan het kruis opgeofferd heeft, namelijk 1) om te voldoen voor de zonden der wereld of om de zondaars met God te verzoenen; 2) ten einde God om diens vaderlijken bijstand voor de menschen in geestelijke en tijdelijke dingen te bidden; 3) om de eeuwige Majesteit zijns Vaders te aanbidden, Hem te verheerlijken of te loven en te prijzen, door Hem tot op het kruis onderdanig te wezen, en voor zijn oneindige goedheid jegens het menschdom te danken, — zoo is ook de Heilige Mis, waarin Christus zijn bloedig offer aan het kruis op eene onbloedige wijze voortzet, niet alleen een Bidoffer, een Lof- en Dankoffer, maar ook een Zoenoffer, waardoor wij, als wij dit met een rein hart, met een levendig geloof en hartelijk berouw over onze zonden bijwonen, barmhartigheid van den Heer bekomen en genade vinden, wanneer wij hulp noodig hebben (Hebr. IV, 16); want God wordt door den welriekenden geur van dit offer zoo gunstig gestemd, dat Hij ons de gave der genade en der boetvaardigheid schenkt en ons onze zonden kwijtscheldt.

Wat is de waarde en het voordeel van het H. Misoffer?

Uit het voorgaande volgt reeds, hoe oneindig groot de waarde en hoe belangrijk het voordeel van het Heilig Misoffer is. Inderdaad; de Zaligmaker draagt zich zeiven ook in de Heilige Mis, doch op onbloedige wijze, aan zijn Hemelschen Vader voor het zondige menschdom op; Hij zelt, — want bij de Consecratie spreekt de Priester in den naam van Christus en bezigt zijne woorden, — verandert het brood en den wijn in zijn Vleesch en Bloed, en Hij zelf is na de Consecratie als offerlam op het altaar tegenwoordig. Welken Christen zou dit onbegrijpelijk, hoogst wondervol geheim dan niet met eerbied vervullen? — Wie zou er niet met schrik en vrees bij tegenwoordig zijn?! Verder nog. In de Heilige Mis offert zich de eeniggeboren Zoon des Vaders wezenlijk, maar op een onbloedige wijze als Zoen-, Bid-, Lof- en Dankoffer aan zijnen Vader voor het menschdom op. Daardoor verkrij-

4

ocr page 33

over de h. mis.

gen wij, wanneer wij de H. Mis rouwmoedig en aandachtig bijwonen, vergeving van onze dagelijksche zonden, kwijtschelding der straffen, die wij er door verdiend hebben, en de genade door een ware boetvaardigheid uit de doodzonde op te staan. Wie zou zich dan hierdoor niel aangespoord voelen, om de Heilige Mis, niet alleen op de Zon- en Feestdagen (hetgeen door het Kerkelijk gebod uitdrukkelijk bevolen wordt), maar ook op de werkdagen, met aandacht bij te wonen, wanneer men daarin niet door dringende bezigheden, door ziekte of om andere gewichtige redenen wordt verhinderd? En wijl Jesus zich in de Heilige Mis ook als Bid-, Lof- en Dankoffer opdraagt; waarom zouden wij dan niet voornamelijk in het H. Misoffer, dat is in vereeniging met de gebeden, lof- en dankzeggingen van Christus, ook onze gebeden, lof- en dankzeggingen ten Hemel zenden en God smeeken, dat Hij ze om Jesus' wille genadig moge verhooren en aannemen?! Wanneer wij dit doen, dan dragen wij tevens op onze wijze het Heilig Misoffer op.

De H. Chrvsostomus spoort de geloovigen met de volgende merkwaardige woorden aan, de Heilige Mis bij te wonen; »Iiidien gij u ten tijde der Heilige Mis op de markt, of aan uw huis bevondt, of wel bij gewichtige bezigheden waart, moest gij dan niet als een leeuw alle banden verbreken om naar het gemeenschappelijk gebed te snellen? Juist op dien stond vindt gij de grootste hoop op heil. Niet de men-schen alleen roepen dan smeekend tot God, ook de Engelen vallen op dat heilig oogenblik vóór den Heer neder, en de Aartsengelen aanbidden Hem. En gelijk eens de volkeren olijftakken afkapten en. vóór de koningen zwaaiden, om dezen daardoor aan de barmhartigheid te herinneren, zoo houden thans de Engelen in plaats van eenen olijftak het Lichaam des Heeren omhoog geheven, en storten voor het menschelijk geslacht gebeden, die in dezer voege luiden: ««Wij smeeken U voor degenen, die Gij zoo zeer hebt bemind, dat Gij uw leven voor hen hebt opgeofferd; wij bidden L voor de lievelingen, ten gunste van wie Gij uw bloed hebt vergoten; wij smeeken U voor hen, tot wier zaligheid Gij uw lichaam hebt geslachtofferd.quot;quot; Laat ons dit alles overwegen, en ons op

5

ocr page 34

onderricht.

dien heiligen stond vergaderen, opdat wij barmhartigheid verwerven en genade mogen vinden, wanneer wij hulp noodig hebben!quot;

Is elke H. Mis een Zoen-, Bid-, Lof- en Dankoffer.

Iedere Heilige Mis is tegelijk een Zoen-, Bid-, Lof- en Dankoffer; wij Katholieken kunnen en moeten dan ook in elke Heilige Mis God bidden en smeeken, dat Hij het offer van Jesus-Christus tot kwijtschelding onzer zonden aanneme, ons door deze offerande hulp en bijstand in geestelijke en lijdelijke dingen verleene, en ze als een plechtig bewijs van onzen lof en dank moge beschouwen. Desniettegenstaande is het geoorloofd de Heilige Mis tot een bijzonder doel te hooren: heden bij voorbeeld, om genade naar de ziel, om de gave van den H. Geest, om eene oprechte bekeering, om deze of gene deugd te verwerven; morgen om bevrijd te blijven van tijdelijke kwalen, voor het behoud van de vruchten der aarde, enz.; en daarom zegt men ook kortheidshalve in de dagelijksche spreekwijze: eene Mis voor den H. Geest, voor de vruchten der aarde, ter eere van eenen Heilige, enz, lezen of hooren.

Is het ook geoorloofd zekere personen, bijv. ouders in de H. Mis Gode op eene bijzondere wijze aan te bevelen?

6

Ja, en van daar komt de spreekwijze: «Voor iemand eene Mis lezen of hooren.quot; Overigens zijn ook begrepen ouder het getal dergenen, voor wie Jesus zich opoffert, alle lijdende zielen in het vagevuur: daarom dan ook kunnen deze in het Heilige Misoffer der Goddelijke barmhartigheid worden aanbevolen. «Niet te vergeefs,quot; zegt de H. Chrvsostomus 1) »is door de Apostelen geboden, in het eerwaardig en eerbiedeischend geheim hen indachtig te wezen, die overleden zijn. Zij wisten, dat dezen daaruit groot voordeel en nut zouden trekken.quot; Zulke Missen voor eenen of meerdere afgestorvenen noemt men gewoonlijk Zielmissen.

1

Hom. 3. in epist. ad Philipp.

ocr page 35

over de h. mis.

Worden den Heiligen ook Missen opgedragen?

Neen, den Heiligen wordt geene Mis opgeofferd. »Het Christen volk,quot; zoo leert de Katholieke Kerk met den H. Augustinus *), «viert de nagedachtenis der Martelaren onder godsdienstige plechtigheid, deels om zich tot navolging hunner deugden aan te sporen, deeis om aan hunne verdiensten deelachtig en door hunne voorspraak ondersteund te worden. Wij richten onze altaren niet den Martelaren, maar Gode zeiven op, ofschoon dan ook op de graven der Martelaren. Nog niemand onzer Priesters heeft gezegd: ««Wij offeren aan u, Petrus of Paulus.quot;quot; Hetgeen geofferd wordt, wordt aan God, die do Martelaren bekroond heeft, opgedragen. De Missen, die ter eere van de Heiligen worden gedaan, zijn Dankmissen, waarin wij God danken, dat de Heiligen door zijne genade hunne zaligheid zoo roemvol bewerkt hebben; zij zijn ter zelfder tijd Bedemissen, waardoor wij verzoeken, dat wij ook onder de bescherming en door do voorspraak der Heiligen onze zaligheid even ijverig mogen bewerken. Aan eenige Missen, bijv. aan die, welke ter eere van het Hemelsch Hof gelezen worden, een grootere kracht dan aan andere toe te schrijven, is bijgeloovig-heid. In elke Heilige Mis is dezelfde Priester en hetzelfde Offer, namelijk Jesijs-Ghristus, aanwezig en daarom heeft ook elke Mis dezelfde kracht.

De H. Mis wordt niet betrekking tot hare meerdere of mindere plechtigheid onderscheiden in stille en zingende Mis, naarmate er al of niet onder wordt gezongen, en Hoogmis, wanneer er reukwerk bij gebezigd wordt.

Waarom wordt de H. Mis in de Latijnsche taal gelezen?

1) Ten einde ook hierdoor de eenheid der Katholieke Kerk behouden worde, en opdat wij Katholieken, wanneer wij overal dezelfde godsdienstplechtigheid vinden, waarbij tevens overal dezelfde taal gebezigd wordt, elkander aanstonds als medeleden der eene Heilige, Katholieke en Apostolieke Kerk zonden erkennen; 2) om de gevaren te vermijden, welke, met het gebruik

') Contra Faust. I. 20. c. 21.

ocr page 36

ONDERRICHT

van de Heilige Mis in de levende talen te lezen, verbonden zouden zijn. De levende talen zijn al te zeer aan verandering onderhevig, en dikwijls ook niet genoegzaam bepaald, waarom zij gelegenheid geven tot valsche opvattingen, die voor het geloof gevaarlijk zouden kunnen worden; 3) wijl de Heilige Mis niet zoo zeer tot onderricht, dan wel en voornamelijk tot stichting en deelneming aan den offerdood van Christus, die daar op een onbloedige wijze wordt hernieuwd, is ingesteld. Trouwens deze deelneming kan ook dan geschieden en dus het doel van hel Heilig Misoffer bereikt worden, wanneer het in een vreemde taal wordt opgedragen; vermits de beteekenis er van, alsmede de daarbij voorkomende Ceremoniën, eiken waren Katholieken Christen bekend zijn; 4) om den geloovigen gelegenheid te geven. God onder de H. Mis ook hunne bijzondere gebeden, wenschen en verzuchtingen te kunnen opdragen.

Over de Heilige Mis, ingesteld tot gedachtenis aan het Laatste Avondmaal, zal naderhand, namelijk op Heilig Sacramentsdag worden gesproken. Over de Heilige Mis als offer kan ook nog het onderricht op den Sden Zondag na Pinksteren geraadpleegd worden.

B. Over de Meeding des Priesters tnj de H. Mis.

De kleeding des Priesters bij de H. Mis bestaat uit het amict of schouderdeksel, de albe of het witte kleed, den cingel of gordel, den manipel of den (vroegeren) zweetdoek, de stool, hel eigenlijke lecken der Priesterlijke waardigheid en macht, en het kasuifel of hol miskleed. Al deze kleeding-stukken dienen daartoe, dal de Priester aan het altaar verschijne in eene kleeding overeenstemmende met de heiligheid der offerande, die hij opdraagt; zij hebben tevens een zinnebeeldige beteekenis, zoo als de gebeden, die de Priester verricht, wanneer hij de Kerkelijke gewaden aantrekt, te kennen geven. Zoo vermaant hem het schouderdeksel: zich met den helm der zaligheid tegen de aanvechtingen des duivels te wapenen; de albe: zijn hart van zonden vrij te houden, opdat hij, afgewas-schen in het bloed van het Lam, lol het genot der eeuwige vreugde moge geraken; de gordel: alle onzuivere neigingen met de genade Gods uit te dooven, de deugd der onthouding

8

ocr page 37

over de h. mis.

en der kuischheid te bewaren; de manipel: met Christus te weenen, te lijden en te arbeiden, om eens met vreugde het loon voor den arbeid te ontvangen; de stool: God te bidden, dat Hij hem de gelukzalige onsterfelijkheid verleene en hem, alhoewel onwaardig tot het altaar naderende, niet buiten den Hemel moge sluiten; het miskleed vermaant hem eindelijk, dat hij den Heer, die gezegd heeft: «Mijn juk is zoet en mijn last is licht,quot; smeeke, hem dit juk zoo te helpen dragen, dat hij zijne genade moge verwerven. Laat ons hieraan denken, zoo dikwerf wij eenen Priester in het misgewaad zien, en laat ons dan ook het besluit maken, de vermaningen, die de Kerk door dezs kleeding tot ons richt, zorgvuldig na te komen.

De kleederen des Priesters bij de H. Mis kunnen ons ook aan eenige omstandigheden uit het lijden van Christus herinneren: het schouderdeksel namelijk, hoe men Hem het aangezicht bedekte, of ook, hoe men Hem een doornenkroon op het hoofd plaatste; de albe herinnert aan het kleed, waarin Christus door Herodes gehuld en naar Pilatus gezonden werd; de gordel, aan zijne geeseling; de manipel, aan de koord, waarmede Hij gevangen genomen werd; de stool, hoe Hij aan de zuil en aan het kruishout werd vastgebonden; het kasuifel, aan den purperen mantel, waarmede de soldaten zijne schouderen bedekten.

De kleur van de miskleederen des Priesters is verschillend volgens de verschillende geheimen en feesten, die gevierd worden. Men bezigt de witte kleur tot teeken van vreugde op de Feestdagen des Heeren, der Allerheiligsle Maagd Maria, der Belijders, der Maagden, enz.; de roode, op het Pinksterfeest, ter herinnering aan de nederdaling des H. Geestes onder de gedaante van vurige tongen en als zinnebeeld van het Hemelsche vuur, dat diezelfde Geest in de harten der geloovigen ontsteekt; op de Feestdagen der Martelaars herinnert de roode kleur aan hun bloedigen dood, enz.; de paarse kleur wordt gebezigd op de dagen van boetvaardigheid; de groene op de gewone Zondagen, tot teeken onzer hoop; de zwarte eindelijk ten teeken van rouw bij de Zielmissen en op Goeden Vrijdag.

9

ocr page 38

onderricht.

C. Kort onderriclit • over de liestanddeelen en ceremoniën der H. Mis,

De Heilige Mis bestaat uit drie hoofddeelen, namelijk: 1) de Offerande, 2) de Consecratie en 3) de Communie of Nuttiging van hot Lichaam en Bloed van Christus; alsmede uit eeuige gebeden vóór en na de drie voornaamste deelen, welke wel eens Vóór- en Na-Mis genoemd worden.

De Voormis

bevat het trapgebed en den introïtus. Het trapgebed bestaat uit Ps. 42, uit de zondenbelijdenis ot' den Confiteor en de Absolutie, en eenige Psalmverzen, en wordt zoo genoemd, omdat het aan den voet van het altaar verricht wordt, naardien de Priester zich onwaardig acht, het altaar te beklimmen, vóóraleer hij in vereeniging met bet volk om vergeving zijner zonden heeft gebeden. De Priester teekent zich bij het trap gebed en verder meermalen met het Heilig Kruis, om aan te duiden, dat hij alle heil van God door Christus, den Gekruiste, verwacht. Wanneer hij na het trapgebed het altaar kust, en telkens als dit onder de H. Mis geschiedt, dan drukt hij hierdoor zijnen eerbied voor Jesus-Christüs uit, die zich op het altaar offert, en daardoor zelf voorgesteld wordt, wijl Christus de steen is, dien de bouwlieden verworpen hebben en die nochtans tot hoeksteen is geworden.

Zie hel onderricht over de bij de inwijding eener kerk gebruikelijke Ceremoniën op hel Kerkwijdingsfeest.

De wierook, waarmede in de Hoogmissen vóór den Introïtus en na de Offerande het altaar en het offer bewierookt worden, herinnert ons, dat wij ons ,aan God opdragen en vóór Hem den aangenainen geur van Christus verspreiden moeten (II. Cor. II, 12). — De Introïtus of Ingang bestaat insgelijks uit eenige verzen en uit het Gloria Patri of Eere zij den Vader, enz.

Vervolgens bidt de Priester afwisselend met den misdienaar, die het volk vertegenwoordigt, driemaal: Kyrie eleison, dat is: Heer, ontferm ü onzer! driemaal Christe eleison,

10

ocr page 39

over de ii. mis.

en dan nog driemaal: Kyrie cleison. De H. Thomas van Aqiii-ne geeft als reden dezer drievoudige herhaling van dit gebed, het volgende aan: «Driemaal,quot; zegt hij, »wordt dit gebed uitgesproken voor God den Vader, driemaal voor God den Zoon, en driemaal voor God den H. Geest, wegens de drievoudige kwaal van den mensch: onwetendheid, schuld en straf.quot;

Het Gloria ïs de lofzang, dien de Engelen op Kerstnacht zongen: Eere zij aan God in den hooge, enz. De Kerk breidde dezen lofzang uit, en heft hem, behalve in den Advent en in de Vaste en bij de Missen, die in de paarse en zwarte kleur gelezen worden, ua het Kyrie eleison, aan.

Alvorens de Priester de Oratie of Collecta (dat is, het vereenigd gebed, wijl daarin de wenschen en gebeden van alle geloovigen tot één gebed vereenigd aan God worden opgedragen) bidt, wendt hij zich tot het volk en zegt: Dominus vohiscum: De Heer zij met u, waarop het antwoordt: En met uweu geest. Het gebed zelf begint met het woord : Oremus: Laat ons bidden!

Op het gebed volgt de Lectio of Lezing, welke ook Epistel genoemd wordt, wijl zij meestal uit de brieven der Apostelen is genomen. Bij het einde daarvan antwoordt de misdienaar: Deo gratias, God zij dank (dat Hij ons door de Apostelen, enz. zooveel schoons en heilzaams geleerd heeft).

Hierop volgen: het Graduale, liet Alleluja, de Tractus, de Sequentia. Het graduale oi de trapzang bestaat uit eenige Psalmverzen en wordt aldus genoemd, wijl het oudtijds op een hooge plaats gezongen werd. Het Alleluja, dat »Looft Godquot; beteekent, is een vreugdezang, en wordt in de Vaste weggelaten. In plaats daarvan zingt men op deze dagen van boetvaardigheid in langzamen en treurigen, half slependen toon eenige verzen, die daarom Tractus genoemd worden. De Sequentia zijn kerkelijke gezangen, welke op eenige Feestdagen en in de Zielmissen voorkomen.

Daarna bidt de priester voor het midden van het altaar een kort gebed: Munda cor meum, dat wil zeggen »Reinig mijn hart,quot; waardoor hij God smeekt, dat de Heer hem de genade moge verleenen, het heilig Evangelie waardig te verkondigen. Hierop leest of zingt de Priester het Evangelie,

li

ocr page 40

onderricht

hetwelk hij met Dominus vobiscum en Sequentia Sancti Evangelii, dat is «Vervolg van liet heilig Evangelie, volgens, enz.quot; begint, waarop liet volk antwoordt: Gloria tibi Domine, dat «Roem zij U, o Heerquot; heteekeut. Bij liet einde van het Evangelie zegt de misdienaar: Lans tibi Christel — Lof zij U, o Christus ! en de Priester zegt: Dat door de woorden van het Evangelie onze zonden worden nitgewischt.

Na het Evangelie wordt gewoonlijk de predikatie gehouden. Hier gelieve men zicli te herinneren, dat de predikatie bij de Mis op de Zon- en Feestdagen tot de godsdienstoefeningen behoort, en dat de Christen, die het tweede gebod der Heilige Kerk goed wil volbrengen, ook de predikatie opmerkzaam en aandachtig dient bij te wonen.

Het Credo, dat is «Ik geloof,quot; bevat de geloofsbelijdenis van Nicea, en wordt op alle Zondagen, op alle hooge Feesten en gedurende hun Octaven, op de Feesten der Allerheiligste Maagd, der Apostelen en der Kerkleeraars gebeden.

Hierop volgt het eerste hoofddeel der Heilige Mis, het

Offertorium of de Offerande.

De Priester neemt brood en wijn, en draagt ze aan God op met de bede, dat de Heer deze offergaven zegenen en ze tot een welgevallig offer moge maken. Hierna wascht de Priester zich de handen, waardoor hij de volmaakte zuiverheid aanduidt, die gevorderd wordt, om dit heilig Offer waardig te kunnen opdragen, en nadat hij vóór het midden van het altaar een kort gebed tot de Heilige Drievuldigheid gericht heeft, wendt hij zich tot het volk en spoort het tot bidden aan met de woorden: Orale fraires. Bidt, broeders. De misdienaar antwoordt met den wensch, dat quot;God het oflér des Priesters, genadig moge aannemen, waarop de Priester nAmenquot; zegt, en dan de Secreta, of de stille gebeden, leest.

Op de stille gebeden volgt de Prefatie (ingang of voorrede tot de eigenlijke Mis of den Canon). Zij bevat eene dankbetuiging, welke verschilt volgens de onderscheidene Geheimen, die men viert, en eene aanmaning, om God en het onbevlekte Lam, dat nu weldra zijn offer op het altaar zal hernieuwen, met alle Engelen en Hemelsche Geesten te prijzen en te loven.

12

ocr page 41

ovek de h. mis.

De Canon

bestaat uit drie deéleu: het eerste bevat de gebeden vóór de Consecratie, het tweede de Consecratie, liet derde de gebeden na de Consecratie tot aan het Pater noster, waar de Canon eindigt.

Vóór de Consecratie staat de Priester als middelaar tusschen God en de menschen, en bidt vooreerst in het Te igitur voor de gansche Katholieke Kerk, voor den Paus en den Bisschop van het bisdom, voor de wereldlijke vorsten en voor aile geloovigen. Dan (in het Memento) bidt de Priester voor hei;, die hem dit olFer laten opdragen, of hem bijzonder in het gebed zijn aanbevolen. (In dit deel der H. Mis dragen ook de geloovigen, die er bij tegenwoordig zijn, zeiven hunne verlangens en gebeden aan God als offer op.)

Hierna (in het Communicantes) vereenigt de Priester zich in den geest met de Heiligen in den Hemel, om door ver-eeniging met hen en door hunne voorspraak tot het volbrengen van bet Heilig offer gereinigd en versterkt te worden. Daarom strekt hij (onder het gebed Hanc igitur) zijne handen over het brood en den wijn uit en bidt al vuriger, smeekt al dringender, dat God dit Offer moge zegenen, wijden en aannemen, opdat het, gelijk bij het Laatste Avondmaal, in het waarachtig Lichaam en het waarachtig Bloed van Jesus-Chkistus worde veranderd. — Hierna volgt de

Consecratie,

welke in het uitspreken der Instellings-woorden over het brood en den wijn bestaat, die hierdoor op een wonderbare en geheimvolle wijze in het Lichaam en Bloed van Christus veranderd, daarna door den Priester in de hoogte geheven en door hem en het volk in diepen ootmoed aangebeden worden.

Na de Consecratie bidt de Priester, dat God de veranderde gaven, het Offer van het Nieuwe Verbond, genadig moge aannemen, zoo als Hij eens het eerstelings-offer van Abel en de zinnebeeldige offeranden van Abraham en Melchisedech heeft aangenomen.

Hierop bidt hij het Memento voor de afgestorvenen, gedenkt dan in het Nobis quoque peccatoribus zich zeiven en alle

43

ocr page 42

osdekricht

andere zondaars, die nog in leven zijn, en bidt God, dat Hij hem en de geloovigen eens deelachtig make aan de heerlijkheid der Uitverkorenen Gods, door Jesus-Ciiristüs, door wien alle heiliging en het waarachtig leven gegeven worden.

Hiermede eindigt de Canon of de stille Mis en dan volgen de gebeden vóór en bij de

Communie.

De Priester begint thans het Pater noster of Onze Vader, het gebed, dat Christus ons heeft geleerd, met luider stemme te bidden. Het breken der H. Hostie boven den kelk (hetwelk op het Pater noster volgt) herinnert ons aan den geweld-dadigen dood des Heilands. Bij het Agnus Dei buigt dc Priester zich diep vóór Jesüs, het Paascblam, onder het uitspreken der woorden: Lam Gods! dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U onzer! (In plaats der drie laatste woorden zegt hij de derde maal: Schenk ons den vrede!

Hierna bidt de Priester om vrede voor de gansche Kerk (uitgenomen 'in de zielmissen, waarin dit gebed wordt weggelaten), vraagt met steeds klimmende godsvrucht Jesüs-Ciiristus waardig te mogen ontvangen, en zegt driemaal het Dotnine non sum dignus, dat is: nHeer ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak; maar spreek slechts één woord, en mijne ziel zal gezond worden!quot; Dan nuttigt hij het Lichaam en hef Bloed van Jesus-Christus, en deelt het Allerheiligste Sacrament des Altaars uit aan de geloovigen, die zich daartoe aanbieden.

Hiermede zijn de hoofddoelen der Mis ten einde, en volgen de gebeden

Na de Communie,

en wel vooreerst de Communie: dit is een kort gebed, dat uit eenige verzen der Psalmen bestaat, en door den Priester aan den Epistelkant gelezen wordt. Nadat hij hierop Dominus vobiscum, zoo als bij de Collecta, heeft gezegd, bidt hij de Postcommunio, welke gewoonlijk eene dankzegging bevat voor de groote genade, die de Heer zijnen dienaar en zijn volk heeft verleend, door hen aan het Heilig Altaargeheim deel-

14

ocr page 43

over de ii. mis.

achtig te maken. (Zijn er meerdere Collecta, dan zijn er ook meerdere Postcommnniën, alsmede meerdere Secreten.) Daarop zegt de Priester tot de geloovigen : Itc Missa est, dat is: Gaat, de Mis is geëindigd; geeft hun vervolgens zijn Priesterlijken zegen en beveelt hun, door het Evangelie van den H. Joannes, de overweging van het groote geheim der menschwording van Christus aan.

De Mis wordt besloten met de woorden: Deo gratias; Gode zij dank!

Over de Missen voor de afgestorvenen.

In deze Missen komen eenige afwijkingen voor van de zoo even gemelde ceremoniën, welke afwijkingen hoofdzakelijk hierin bestaan:

Bij het Trapgebed wordt de psalm Judica weggelaten, wijl hij een vreugdepsalm is, die met de zekere hoop op Gods barmhartigheid eindigt en die daarom ook met het vreugdewekkend vers: »Eere zij God den Vaderquot;, enz. wordt gesloten. Bij de Missen voor de afgestorvenen moet de droefheid en vooral de gedachtenis aan den dood de bovenhand hebben. — Bij den Introïtus zegent de Priester zich zeiven niet met het kruisteeken, maar mankt het over het boek, alsot de overledene, dien hij wenscht te zegenen, vóór hem lag. Het »Eere zij den Vaderquot; wordt om de reeds aangehaalde reden, bij den Introïtus, alsmede bij den psalm Lavabo weggelaten. Hetzelfde geschiedt met het »Eere zij God in den Hoogequot; (Gloria) en het Alleluja bij het Graduale. Na het Graduale en den Tractus, wordt het Dies irce gebéden. — Het gebed: «De Heer zij in mijn hart,quot; enz. vóór het Evangelie, het kussen van het boek en het gebed: »dat door de woorden van het Evangelie' enz., alsook het Credo, vallen weg, omdat deze gebeden en ceremoniën een zekere plechtigheid en vreugde uitdrukken. — Na het Agnus Dei wordt niet: «Ontferm U onzerquot; en «Schenk ons den vrede,quot; maar tweemaal: nGee/ hun de rustquot; en de derde maal: n Geef hun de eeuwige rust,quot; gezegd, waardoor, zoo als Durandus verklaart, den afgestorvenen een drievoudige rust wordt loegewenscht; en wel dc eerste maal: de verlossing van de straffen, den tweeden

15

ocr page 44

onderricht

keer: de verheerlijking der ziel, en de derde reis: de verheerlijking des lichaams, waardoor hun verlangen eerst voor eeuwig bevredigd en hunne gelukzaligheid voltrokken wordt. Het gebed voor den vrede (Domine Jesu Christe) en de vredekus blijven weg, omdat de overledenen voor de wisselvalligheden des aardschen levens reeds gevrijwaard zijn en in den Heer rusten, en aldus den tijdelijken vrede niet meer behoeven, lu plaats van het lie Missa est, wordt nRequiescant in pace,quot; nDat zij in vrede rusten,quot; gebeden of gezongen, waarop het volk of de misdienaar: Amen, vHet zij zoo,quot; antwoordt. Bij het slot wordt geen zegen over het volk gegeven, wijl de zegen altoos op de levenden betrekking heeft, terwijl de Zielmissen hoofdzakelijk voor de rust der afgestorvenen worden opgedragen. Om dezelfde reden wordt ook het water, dat de Priester bij de Offerande onder den wijn mengt, niet gezegend.

Over de zinnebeeldige opvattingen van de ceremoniën

der Mis.

Men kan zich de ceremoniën der Mis ook zinnebeeldig voorstellen. Zoo kan men zich bij de verschijning des Priesters uit de sakristij verbeelden — hoe God de Zoon uit den schoot zijns Vaders is voortgekomen; bij het trapgebed, — hoe Gods Zoon zich om onzentwille vernederd en de gedaante van slaaf aangenomen heeft; bij het kussen van het altaar en bij den Introïtus, — hoe de Oudvaders naar den Heiland verlangden; bij het Kyrie eleison, — hoe het menschdom onder een drievoudige kwaal: onwetendheid, schuld en straf, zuchtte en van God hulp verwachtte; bij hot Gloria, — hoe de Engelen God voor de geboorte van zijnen Zoon in het vleesch loofden; bij de Collecla, — hoe Christus in den tempel werd opgedragen; bij den Epistel, — hoe Joannes de Dooper den Joden het rijk Gods verkondigde; bij het Graduale en den Traclus, — hoe de Joden, door de woorden van Joannes bewogen, over hunne zonden weenden en boetvaardigheid deden; bij het Alleluja en de Sequentia, — hoe de bekeerlingen hunne vreugde in Christus vonden; bij het Evangelie, dat aan den linkerkant van het altaar gelezen wordt, -— hoe Christus ook voor de Heidenen gekomen, of hoe zijn Evangelie

16

ocr page 45

ovi;u kk ii. gt;iis.

17

tot lieil van volken gegeven is; bij het Credo, — hoe Joden en Heidenen in Ciuustüs geloofden en hoe ook wij in Hem gelooven moeten en ons geloof' door woorden en werken moeten belijden; bij de Offerande, — hoe, reeds op het einde der prediking van Ciiuistüs, eenige Heidenen Hem hel oll'er van hun geloof brachten, en hoe Hij thans zijn lijden, dat in de Mis wordt voorgesteld, om onzenhville begin!; bij de Prefatie, ■— hoe Christus op Palmzondag zijn zegevierende intrede in Jerusalem deed, bij welke gelegenheid Israels kinderen »Hozaniia, geprezen zij, die tol ons komt in den naam des Heeren,quot; enz., zongen; bij den Canon, die in slüle gebeden wordt, — hoe Ciiuistüs, de Zoon Gods, in deze Heilige Olferande toch wezenlijk, ofschoon op een verborgene wijze tegenwoordig is; bij de drie eerste Kruisteekens over de olfer-gaven, — hoe Hij op een drievoudige wijze in den dood werd verlaten, namelijk: van zijn Vader, van Judas en van de Joden; bij de andere vijf Kruisteekens, — hoe er van Palmzondag lot aan zijn dood vijf dagen verliepen; bij de Consecratie, — hoe Hij in hel Laatste Avondmaal zijn Vleesdi en Bloed voor de verlossing van Joden en Heidenen, of zijn lichaam en ziel, ten beste gaf; bij de opheffing van de Hostie en van den Kelk en hij de vijf daaropvolgende Kruisteekens, — hoe Hij zijne verhelling aan hel kruis en zijne vijf heilige wonden heeft voorspeld; bij hel gebed »Wij bidden LT ootmoedig,quot; enz., — hoe quot;ij op den Olijfberg bad, en door den Engel versterkt werd; bij het daaropvolgend kussen van het altaar, (waardoor wij Christus aanbidden), hoe Jupas zijn Meester met eenen kus verried; bij de drie Kruisteekens, (over hei brood, den kelk en oyer den Priester zeiven), hoe Christus op een drievoudige wijze bespot werd, namelijk: door de hoogepriesters, door Herodes en door Pilatus; bij hel gebed nOok ons zondaren,quot; — hoe de Joden riepen: «Zijn bloed koine over ons en over onze kinderen,quot; terwijl wij wenschen, dat Hij ons lol heil en zaligheid slrekke; bij de naaslvolgeiide drie oj zes Kruisteekens, — hoe Christus legen het derde unr volgens de tijdrekening der Joden, tegen hel zesde volgens die der Romeinen, aan het kruis gehecht werd; bij de twee laatste Kruisteekens, — hoe zijne ziel zich van hel lichaam

ocr page 46

onderuiciit

18

scheidde, of ook lioo Hij drie uren levend, en drie uren dood, aan het kruis hing, en hoe bloed en water uit zijne zijde vloeiden; hij de kleine opheffing van den kelk en het tceg-nemen van de palla, — hoo het voorhangsel van den tempel bij den dood van Chhistus scheurde; en bij het neêrzetten van den kelk en het dekken ervan met de palla, — hoe Christus in het graf gelegd en eene steen daar voor gewenteld werd; bij het terugtreden des diakens (in do plechtige Missen), hoe Jozef van Ariniathca en Nicodkmis van Je grafstede terugkeerden; bij liet Pater noster (dat met luider stemme gelezen of gezongen wordt) — hoe de vrouwen bij het zien van den lijdenden Zaligmaker weenden, of, hoe Hij zeven woorden (gelijk de zeven vragen van het Pater noster) aan het kruis heeft uitgesproken; bij het naar voren schuiven der pateen, — hoe de vrouwen zich naar het graf begaven; bij het: Bevrijd ons, Heer! — hoe de Heilige Oudvaders uit het voorgebergte der hel verlost werden; bij het kussen der pateen, — hoe Chuistus het verlangen der heilige vrouwen naar zijne Verrijzenis bevredigde; bij het afnemen der palla van den kelk, — hoe de steen van het graf werd weggewenteld en hoe Christus van den dood verrees; bij het breken der Hostie in drie deelen, — hoe Christus, de Verrezene, onder hel breken van het brood herkend werd en hoe zijn geheimzinnig lichaam uit drie deelen bestaat, namelijk: uit het hoofd, Christus zelf, uit de Heiligen in den Hemel en uit de nog lijdende en snijdende ledematen zijner Kerk; wanneer de Priester een deeltje der H. Hostie in den kelk neder laat, ■— hoe het lichaam en de ziel van Christus zich bij zijne verrijzenis met elkander her-eenigden; bij de drie kruisteekens, die te dezer gelegenheid over den kelk gemaakt worden, — hoe Hij drie dagen in het graf gebleven, of hoe Hij door de kracht der H. Drieëenheid verrezen is en hoe de tijding zijner wondervolle Verrijzenis in alle werelddeelen is doorgedrongen, weshalve de Priester ook zijne stem hooger verheft; bij het Agnus Dei, — hoe Christus, niettegenstaande de deuren gesloten waren, tot zijne leerlingen kwam en hun zeide: n Ontvangt den H. Geest, wier zonden gij zult vergeven hebben, dien zijn zij vergeven,quot; enz. *); bij de f Luc. XXIV, 43.

ocr page 47

OVER DE H. MIS. tit

V

Communie van dm Priester en van het volk, — hoe Ciiiustus in de tegenwoordigheid zijner leerlingen spijzen nuttigde en het overschot er van toereikte; bij de Communio (vers, dat de Priester na het nuttigen van het Allerheiligste Sakrament bidt),

— hoe zich de leerlingen verheugden, toon zij den Heer terugzagen; bij het gehed na de Communie, — hoe Christus, zijne leerlingen zegenende, zich ton Hemel verhief; hij het lie Missa est of Caat, enz., — hoe de Engelen tot do Apostelen zeiden: »Mannen van Galilea! wat staat gij Hemelwaarts te staren!quot; Gaat, enz.,quot; waarop deze naar Jerusalem terugkeerden; bij het stille gebed en het kussen van het altaar, — hoe de Apostelen tot aan het Pinksterfeest gezamenlijk, in het verborgen, met hart en ziel vereenigd, baden; bij den laat sten zegen, —- hoe de Vader en de Zoon den H. Geest afzonden; eindelijk bij het laatste Evangelie, — hoe de Apostelen na Pinksteren de Godheid en de menschheid van Christus verkondigden, en hierdoor meer de Heidenen dan de .loden bekeerden, weshalve dit Evangelie aan de linkerzijde van liet altaar wordt gelezen.

Een andere verklaring, waardoor de verschillende doelen der H. Mis enkel op het lijden van Christus worden toegepast, is de volgende: De Priester begeeft zich naar het altaar, — Christus gjiat met zijne leerlingen naar den Olijfberg*). De Priester begint de Mis, — Christus bidt op den Olijfberg zijn Hemelschen Vader. De Priester zegt hel Confiteor, — Christus valt andermaal op zijn aangezicht biddend neder, terwijl Hij bloed zweet. De Priester kust het altaar, — Christus wordt van Judas door eenen kus verraden. De Priester gaat naar den kan! van den Epistel, — Christus wordt voor den hoogepriester Annas gebracht. De Priester leest den Introïtus,

— Christus wordt naar Caipiias gevoerd, aldaar in verhoor genomen, bespuwd en met vuisten geslagen. De Priester bidt het Kyrie eleison, — Christus wordt door Petrus veiioocheiul. Bij het Doininus voblscum, — Christus wendt zich tot Petrus. Bij den Epistel, — Christus wordt naar Pilatus geleid. Bij hel Munda cor meum, — Christus staat voor Pilatus. Bij het

') f)e plaatsen der II. Schrifl, die hier liare locpassini; vinden, zijn; XXVI Matlli. XIN Mare. X\ll Lueas II. Hand. der Apostelen.

ocr page 48

orsDi'.uuiciiT

-20

Evangelie, — Christus staat voor Hk.rodes en wordt bespot. Bij het ontdekken van den kelk, — Christus wordt van zijne kleederen beroofd. De kelk ivordt ontbloot, — Jesus wordt wreedaardig gegeeseld. De kelk wordt gedekt, — Christus wordt met doornen gekroond. De Priester wascht zich de handen, — Pilatus wascht zich de handen voor het volk en zegt: «Ik ben on-schnldig aan het bloed van dezen rechtvaardige.quot; De Priester wendt zich lot het volk, ■— Pilatus stelt Christus aan het volk voor met de woorden: »Ecce Homoquot; nzie den mensch.quot; Bij de Prefatie, ■— Christus wordt ter dood veroordeeld. Bij de gedachtenis voor de levenden, — Christus draagt zijn kruis ter gerechtplaats. De Priester houdt de handen over den kelk, — Veronica reikt Christus een zweetdoek over. Bij bet zegenen der Offerande, — Christus wordt aan het kruis genageld. Bij het opheffen der Heilige Hostie, — Christus wordt met het kruis omhoog geheven. Bij het opheffen van den kelk, — Uit de wonden van Christus vloeit bloed. Bij de gedachtenis voor de afgestorvenen, — Christus bidt aan het kruis voor zijne vijanden. De Priester slaat op de borst, — De [moordenaar bekeert zich aan het kruis. De Priester maakt met de Hostie drie kruisteekens over den kelk, — Christus wordt met azijn gelaafd. Bij het Pater noster, — Christus spreekt de zeven woorden aan het kruis. Bij het breken der H. Hostie, — Christus sterft aan het kruis. De Priester laat een deel der H. Hostie in den kelk neder. De ziel van Christus daalt in het voorge-borgte der hel. Bij het Agnus Dei, — Veleu van hen, die bij den dood van Christus tegenwoordig zijn, beweenen hunne zonden. Bij de Heilige Communie, — - Christus wordt begraven. Bij de reiniging van den kelk, — Het lichaam van Christus wordt na den dood gebalsemd. Na de Heilige Communie, — Christus verrijst van den dood. Bij het Dominus vobiseum, — Christus verschijnt aan zijne leerlingen. Bij de laatste gebeden, — Christus verkeert nog veertig dagen met zijne discipelen. Bij het Dominus vobiseum, — Christus klimt ten Hemel. De Priester geeft den zegen, — de H. Ceest wordt afgezonden.

ocr page 49

over de, h. mis.

D. Onderricht over de manier, waarop men de Heilige Mis moet quot;bijwonen.

Er worden twee zaken vereischt om de Heilige Mis op de voordeeiigste wijze bij te wonen.

Ten eerste moet elk, die de Heilige Mis bijwoont, zich in zulk eene gemoedsstemming plaatsen, alsof hij zich op den Calvarieberg buiten Jerusalem bevond, en den stervenden Heiland, Jesus-Christus, het offer der verlossing voor ons en alle nien-schen, vóór het aanschijn van zijn Hemelschen Vader werkelijk zag voltrekken. Een ieder, die de Heilige Mis bijwoont, moet zoo te moede zijn, alsol het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, op eene bloedige wijze voor zijne oogen werd geslachtofferd. Hij moet zoo gestemd zijn, als hoorde hij uit den mond van den geduldigen, zachtmoedigen, liefdevollen Jesus, die tot den dood des kruises gehoorzaam was, deze eeuwig gedenkwaardige woorden: Vader! vergeef hel hun; want zij weten niet, wat zij doen. — Mijn God! mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten}'! — liet is volbracht! — Vader! in uwe handen beveel ik mijnen geest!quot; — Hij zij zoo te moede, alsof hij den Zoon van God, blootgesteld aan versmading, smart en hoon, het hoofd zag buigen. Hij zij zoo gestemd, alsof alles, wat Jesus eens van priesters, schriftgeleerden, heidenen, soldaten, rechters, beulen geleden heeft, werkelijk onder zijne oogen geschiedde, en hij, bij elke nieuwe smart, dit hartverscheurend woord uit den mond des lijdenden Verlossers vernam: nZoo veel heeft het mij gekost, u te verlossen! Zoo veel heeft het mij gekost, u aan den dood, aan de zonde en aan de hellemacht te ontrukken! Zoo veel heeft het mij gekost, het zondige menschengèslacht tot kinderen Gods te maken! Zoo veel heeft het mij gekost, u genade, leven, onsterfelijkheid, zaligheid te verwerven! Voor zulk een kostbaren prijs zijt gij vrijgekocht!', Wij moeten derhalve bij de Heilige Mis zoo gestemd zijn, alsof Jesus-Christüs zich werkelijk aan zijn Hemelschen Vader, tot heil der wereld, aan het kruis opofferde. De gedachte aan het kruis-olfer, de ernstige overweging van de verlossing des zondigen geslachts, door den levendmakenden dood van Jesus-Ciiristus, is bijzonder geschikt

ocr page 50

ONDKIUUCHT

onze godsvrucht bij de Heilige Mis Ie boeien en gaande (e houden. De gedachte aan het kruis-olFer van Christus zal ons des te gemakkelijker en aangenamer wezen, naarmate ons geloof in Jesus-Chiustus levendiger is. Ons eerste streven zij dus, ons in hel geloof in Jesus-Christus to versterken en te laten versterken. (Want ook deze gave komt van boven.) Het levendig geloof in Jksls-Chkistus is derhalve hel eerste vereischle, om de Heilige Mis waardig bij te wonen.

Ten tweede: een ieder, die de H. Mis bijwoon!, moet zich geheel en al, zijn lichaam en zijne ziel, al wat hij is, wat hij bezit en doen kan, al zijne gedachten en verlangens, aan den Hemelschen Vader opofferen, zoo als Jesus-Curistus zich voor ons aan het kruis heelt opgedragen. Deze opoffering van ons zeiven, de volkomene overgeving \an onzen eigen persoon aan den wil en aan de beschikkingen des Hemelschen Vaders, is een hoofdvereischte voor deze, even als voor alle ware godsvrucht. Zonder deze opoffering van ons zeiven, kan ons het offer van Jesus- Christus aan het kruis weinig voordeel aanbrengen. Want Ciiuistus is voor allen gestorven, opdat zij, die leven, niet voor zich zei ven zouden leven, maar voor Hem, die voor hen gestorven en verrezen is. 11 Cor. V, 13. Wij moeten niet meer voor de zonde, maar voor Christus, niet meer voor ons, maar voor God leven. Het besluit, niet meer voor de zonde, maar voor onzen Verlosser, niet meer voor ons, maar voor God te leven, dat ernstig, krachtdadig besluit maakt juist de zoo vereischte opoffering van ons zeiven uit: »Vader! nw wil zij ook mijn wil. Heer! uw gebod zij mijn wellust! Ik wil gezind zijn zoo als Jesus-Chiustus gezind was. Hij zocht niet zijne eer, maar de uwe: ik wil ook niet mijne eer, maar uwe eer zoeken. Hij was U gehoorzaam tot den dood: ik wil U ook in leven en dood gehoorzaam wezen. Hij offerde zijn leven op, om uwen wil te volbrengen: uw wil zal ook mij het dierbaarst zijn. Hij was geduldig, zachtmoedig, liefdevol in zijn lijden: ook ik wil in mijn lijden geduldig, zachtmoedig en bereid wezen, om mijnen even-mensch met liefde te dienen. Zijn denken en verlangen, zijn spreken en zwijgen, zijn doen en laten waren geheel volgens uwen wil geregeld, U geheel en al toegewijd; dat ook

22

ocr page 51

OVIiR DE II. MIS.

mijn denken en verlangen, mijn spreken en zwijgen, mijn doen en laten geheel en al uwen wille toegeheiligd zijn. Hij zocht slechts uw welgevallen, en uw wil behaagde Hem boven al: ik wil ook alleen uw welbehagen zoeken: uw wil zal ook mij te allen tijde het aangenaamste zijn.quot;

Indien ieder, die de H. Mis bijwoont, deze opoilering van zich zeiven derwijze volgens zijnen staat inrichtte, en het besluit nam, zijn geliefkoosde zonden te vermijden; zoo ieder zich bereid hield en besloten was, al het goede te doen, dat iiij in zijnen stand verrichten kan, en alle wederwaardigheden, die hem in zijnen staat kunnen overkomen, met geduld te verdragen, dan zouden wij allen sterker, geruster, wijzer, heiliger uit de Mis huiswaarts keeren!

Deze opoilering vau zich zeiven is slechts mogelijk voor zoodanige ziel, waarin het verlangen naar het eeuwig geluk, dat de ware heiligheid en zaligheid in zich bevat, het vertrouwen op Jesus-Chkistüs en de liefde jegens God de bovenhand hebben verkregen. Wie de heiligheid in handel en wandel, de hemelsche en eeuwige gelukzaligheid, waartoe slechts de rechtvaardigen geraken, niet hooger schat dan eer, wellust, rijkdom en al wat aardsch is; wie al zijn betrouwen niet op Jksi's-Christus steil; — wien God, de goddelijke wil, (lods geboden, het aanschouwen van God, dat der zuivere zielen alleen is voorbehouden, Gods vaderlijke liefde niet meer bevallen dan alle vermaken der zinnen en der zonden, die kan zich onmogelijk geheel verloochenen, of wat hetzelfde is, die kan zich niet geheel en al als een vrijwillig offer aan den Allerhoogste volgens diens heiligen wil opdragen. Gelijk er zonder deze opoilering van ons zeiven geen ware deugd mogelijk is, even /.00 is deze opoffering, zonder Hod en den Heere Jesus boven alles te beminnen, onmogelijk. Indien Christus ons niet meer dan zijn leven had bemind, zou Hij zijn leven niet voor ons hebben kunnen opofferen. Zoo ook kunnen wij al het vergankelijke niet verloochenen, om Christus alleen aan te hangen, indien wij Christus niet meer beminnen dan al het aardsche. Hij, die God en Christus boven al bemint, offert zich geheel en al aan God en Christus op. En wie zich geheel en al aan God en Christus opoffert, die bemint God en Christus

25

ocr page 52

okdkiikiciit

boven al. Gelijk uwe liefde is, is uw oller. Derhalve maken het geloof in Jesus-Ciiiustus, en de overheerscliende liefde jegens God — de vurige gedachte aan het kruis-olfer van Jesls, en hel ernstige streven, zich geheel en al volgens Gods wil op te offeren, gelijk Ghristus zich heeft opgedragen, kortom geloof en liefde, of de gedachte aan het offer van Christus en de op-offering van zich zeiven — de ware en cenig ware wijze uit, om de Heilige Mis voordeelig bij te wonen.

De Katholiek, die de H. Mis zóó bijwoont, zal voorzeker het allergrootste aandeel aan het lijden en aan den dood van Jesus-Christus bekomen; en hij, die ze zóó niet bijwoont, zal even weinig nut uit het mishooren trekken, als iemand die er zich op toelegt, godvruchtig te zijn en zich niet wil beteren, — wijl de ware godsvrucht zonder verbetering des harten niet bestaan kan.

De H. Mis is het oller des Nieuwen Verbonds en de viering van het Laatste Avondmaal of van het Allerheiligste Sacrament des Altaars. Jesus-Christus is een voldoend offer voor de zonden der wereld: Hij is daarbij ook een voedende spijs der ziel, een levend brood des Hemels, dat sterkte geeft tot het Hemelsch leven op aarde. Bijgevolg hebben zulke Christenen, die met geloof en vertrouwen in Christus ware boetvaardigheid hebben gedaan en de wezenlijke verandering van hun gemoed, en de verbetering van geheel hun levenswandel ernstig ter harte nemen, geen roden, zich nopens hun bedrevene zonden met angstvallige gedachte (e kwellen; en bijgevolg hebben ook zij, die zich, door geloof en betrouwen in Christus, dit levend Brood des Hemels ten nutte maken, die geenen strijd tegen de zonde schuwen, en met betrouwen om kracht tot dien strijd smeeken, en de genade goed gebruiken, geen reden voor de toekomst te sidderen. Jesus is machtig genoeg, om de zijnen voor zonden te behoeden.

Deze beide waarheden, «Jesus-Christus — het O/fer voor de zonden,quot; Jesus-Christus — het Brood des Hemels, dut sterkte geeft tot het Hemelsch, tol het eeuwig leven,quot; worden ons op de zinvolste wijze in de Mis voorgesteld. Daarop hebben de gebeden, de handelingen des Priesters betrekking; dat duiden de Ceremoniën aan; alles roept ons toe: Jesus-Christus is het Offer voor

-24

ocr page 53

OVKU UE H. JUS.

de zonden der wereld; Jesi'S-Ciiristus is hel Brood des Levens: Jesus-Ciiuistus verlost van de zonden en bewaart hen, die verlost zijn, voor de zonden.

Wij zullen dus wel doen, nis wij onder de H. Mis deze troostvolle waarheden tol liet voorwerp onzer overweging maken, zoo wij ons dooiquot; het geloof aan de/.e waarheden volkomen zoeken gerust te stellen, indien wij met volle betrouwen bidden: «Neen, dc zonden die ik bedreven heb, moeten mij niet meer beangstigen. Ik verfoei ze van ganseher harte; ik beleed ze met een rouwvol gemoed aan (iod en aan den Priester; ik smeekte om barmhartigheid en de barmhartigheid ging reeds mijn smeeken vooraf, want .Iesus stierf voor de zonden der ge-heele wereld; mijne zwakheid mag mij niet meer ontmoedigen. Ik zal dapper strijden tegen de aanlokselen der zonde; en het zal mij niet ontbreken aan kracht tot den strijd; — want Jescs-Christus is machtiger dan alle zonden; Jesus-Ciiristus is het versterkend Brood des Hemels, de voedzaamste spijzequot;

0 geve God, dat de zin dezer troostvolle waarheden voor alle menschen klaar en duidelijker worde; immers, waar zullen wij anders troost vinden dan in de Bron van allen troost? En hoe zal ons de Vader anders kunnen vertroosten, dan door zijn Zoon, die te gelijker tijd het Offer voor de zondige, en het Brood des Hemels voor de zwakke, onmachtige wereld is?!

E. n)e Heilig-e Mis zoo als ze door den Priester aan liet altaar gelezen wordt.

Het Trapgebed.

De Priester bidt aan den voet des altaars: In den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes. Amen.

Priester. Ik zal ingaan tot het allaar Gods.

Dienaar. Tot God, die mijne jeugd verblijdt.

Pr. Oordeel mij, o Heer, en scheid mijne zaak van het onheilig volk; verlos mij van den boozen en bedriegelijkeu mensch.

D. Omdat Gij, o God, mijne sterkte zijt: waarom hebt Gij mij verstooten? en waarom ga ik bedroefd, terwijl de vijand mij verdrukt?

25

ocr page 54

de h. mis zoo als ze door dek priester

Pr. Zend uw licht en uwe waarheid uit, zij hebben mij geleid en gebracht op uw heiligen berg en in uwe tabernakelen.

D. Eu ik zal ingaan tot het altaar Gods, tot God, die mijne jeugd verblijdt.

Pr. Ik zal uwen lol, o God, mijn God, op de harp zingen; mijne ziel, waarom zijl gij bedroefd? en waarom ontrust gij mij?

D. Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is het heil mijns aanschijns en mijn God.

Pr. Eere zij den Vader en den Zoon en den H. Geest.

1). Gelijk het was in den beginne en nu en altijd en in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

Pr. Ik zal ingaan tot het altaar Gods.

D. Tot God, die mijne jeugd verblijdt.

Pr. Onze hulp zij in den naam des Heeren.

Ü. Die Hemel en aarde gemaakt heeft.

Pr .(Confiteor.) Ik belijd voor God, almachtig, voor de Heilige Maria altijd Maagd, voor den Heiligen Aartsengel Michacl, den H. Joannes den Dooper, de Heilige Apostelen Petrus en Paulus, en voor u, broeders, dat ik zeer gezondigd heb, met gedachten, woorden en werken, door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn allergrootste schuld. Daarom bid ik de H. Maria altijd Maagd, den H. Joannes den Dooper, de Heilige Apostelen Petrus en Paulus, en u, broeders, voor mij den Heer onzen God te bidden.

I). De almachtige God onlferme zich uwer, en geleiden, na u vergeving van uwe zonden geschonken te hebben, ten eeuwigen leven.

Pr. Amen.

I). Ik belijd, enz. als boven, maar in plaats van u, broeders, te zeggen: U, Vader.

Pr. De almachtige God onlferme zich uwer en geleide u, na u vergeving uwer zonden geschonken te hebben, ten eeuwigen leven.

I). Amen.

Pr. De almachtige en barmhartige God verleeue ons genade, kwijtschelding en vergilfenis onzer zonden.

J). Amen.

26

ocr page 55

aan het altaar wokdt gelezen.

Pr. God, keer U tot ons, en Gij znll ons levend maken.

1). En uw volk zal zich in U verblijden.

Pr, Toon ons, Heer, uwe barmhartigheid.

D. En geef ons uw heil.

Pr. Heer, verhoor mijn gebed.

1). En mijn geroep koine tot U.

Pr. De Heer zij met u.

I). En met uwen geest.

(Hierna gaal de Priester het altaar op en bidt onder liet opgaan:J

Neem, bidden wij U, o lieer, onze zonden van ons weg, opdat wij tot het Heilige der Heiligen met een zuiver hart mogen ingaan, door Ciiiustus onzen Heer. Amen.

(Hij buigt zich naar liet midden des altaars, kust het en zegt:)

Wij bidden U, o Heer, door de verdiensten der Heiligen, wier overblijfsels hier rusten, en van alle Heiligen, dat Gij ü gewaardigt mij al mijn zonden te vergeven. Amen.

DE MIS ZELVE.

De Ingang.

(De Priester aan den kant van den Epistel:)

Ingang. Hij heeft ze gespijzigd met het vette des korens: en met honing uit de steenrots heeft Hij ze verzadigd. Alleluja! Alleluja! Alleluja! (I's. IAXX, 17.) Psalm: Verheugt u voor God, onze Helper! Juicht voor den God van Jacob!

Eere zij den Vader en den Zoon en den H. Geest.

Gelijk het was in den beginne en nu en te allen tijde èn in alle eeuwen der eeuwen.

Deze Ingang verandert volgens de verschillende Zon- en Feestdagen, die men viert. Na den Ingang treedt de Priester vóór het midden van het altaar en zegt:

Pr. Heer, ontferm U onzer! I). Heer, ontferm U onzer!

Pr. Heer, ontferm U onzer! ƒ). Christus,ontfermUonzer!

Pr. Christus, ontferm U onzer! I). Christus, ontferm U onzer!

Pr. Heer, ontferm U onzer! I). Heer, ontferm U onzer!

Pr. Heer, ontferm U onzer!

Na het sineeken om ontferming en genade volgt, eene ontboezeming van dank en vreugde over de verlossing, door Christus volbracht, of het Gloria. In welke Missen het Gloria niet gelezen wordt, is reeds vroeger gezegd.

27

ocr page 56

de h. mis zoo ai.s ze door den 1'riestek

Loföang of Gloria.

Glorie zij Gode in het alleriioogste, en op aarde, vrede den menschen, die van goeden wille zijn. Wij loven U, wij zegenen U, wij aanbidden U, wij verheerlijken U. Wij danken U wegens nwe groote glorie. Heer God, Koning des Hemels, God Vader almachlig. Heer ééniggeboren Zoon, Jesus-Chuistus. Heer God, Lam Gods, Zoon des Vaders. Die wegneemt de zonden der wereld, ontferm U onzer. Die wegneemt de zonden der wereld, ontvang ons gebed. Die zit aan de rechterhand des Vaders, ontferm U onzer. Want Gij alleen zijt Heilig, Gij alleen zijt de Heer, Gij alleen zijt de Allerhoogste, Jesus-Christus, met den H. Geest in de glorie van God den Vader. Amen.

De Priester kust het altnar, keert zich tot liet volk en zegt:

Pr. De Heer zij met U. I). En met uwen geest.

De Priester begeeft zich aan den kant van den Epistel, keert zich naar hel altaar en zegt:

laat ons ridden.

0 God, die ons onder dit wondervol Sacrament de ge-dachlenis van uw lijden hebt nagelaten, verleen ons, bidden wij U, dat wij de Heilige Mysteriën van uw Lichaam en Bloed zoodanig vereeren, dat wij onophoudelijk de vruchten onzer verlossing mogen ondervinden; Gij, die leeft en heerscht met God den Vader in de eenheid des H. Geestes, God door alle eeuwen der eeuwen. Amen.

Dit gebed verschilt volgens de Zon- en Feestdagen, die gevierd worden. Wij laten hier eenige algemeene gebeden volgen:

laat ons bidden.

Neem, o God! het gebed des Priesters voor het heil van nw volk genadig aan! Gij kent onze behoefte, en Gij geeft nwen kinderen gaarne, wat hun waarachtig goed en heilzaam is; laat ons dan uw Henielschen bijstand geworden; en opdat wij zeker datgene mogen bekomen, waarom wij U bidden, schenk ons nwe genade en uw goeden geest, opdat wij vóór alles U, o God! van gauscher harte zoeken, ons verlangen en streven steeds naar ware goederen richten, en zóódanig in uwe liefde bevestigd worden, dat wij door geenerlei bekoring van haar worden gescheiden.

28

ocr page 57

AAM IIKT ALTAAR WORDT (ÏKLEZKN.

Barmhartige God en Vader! Wij willen met een oprecht berouw over onze zonden en met een innig verlangen om voor eenwig met U vereenigd te worden, de onbloedige voortzetting des offerdoods van nwen Zoon, onzen Heer Jesüs-Christüs, weder voltrekken, ten einde ons hierdoor aan de vruchten zijner verlossing op nieuw deelachtig te maken. Help ons, dierbare Vader in den Hemel, opdat wij hierdoor aan alle genade, die het door Christus met U verzoenende menschdom heeft verworven, voortdurend mogen deel hebben. Geef ons kracht, opdat wij, als zijnde door Jesüs verlost, ernstig naar heiligheid streven, met innige liefde en dankbaarheid naar zijne stem luisteren, zijne voetstappen volgen, rechtvaardig, kuisch en godvreezend, volgens zijn voorbeeld, leven, en door zijn Sacrament in het geloof gesterkt, in de hoop vertroost, in de liefde bevestigd, standvastig tot aan het einde toe een heiligen levenswandel leiden, dooi1 denzellden Jesus-Giiristus onzen Heer, die met ü in eenheid des H. Geestes leeft en heerscht. God door alle eeuwen der eeuwen. Amen.

Jesus-Ghristus, Zoon van den levenden God! Gij, die door nwen dood der wereld het leven geschonken, en ons in liet geheimvol Sacrament van uw Lichaam en Bloed een onderpand der toekomstige eeuwige heerlijkheid nagelaten hebt, geef, dat onze ziel, door het nuttigen van uw Lichaam en Bloed gespijzigd, ten eeuwigen leven bewaard en waardig moge worden, U eens in den glans der Godheid te aanbidden, U, dien wij aan de Heilige Tafel als waarborg van ons Hemelsch erfdeel ontvangen, die leeft en regeert niet God den Vader in eenheid des H. Geestes, God door alle eeuwen der eeuwen. Amen.

Op liet zoo even vernielde gebed of de Collectii volgt de eerste Les uit de H. Schrift, welke, wijl zij meestal uit de Brieven der Apostelen getrokken zijn, ook kortweg Epistel of Brief genoemd wordt. De Epistel, even als de Collecta en het Evangelie, verseliill, volgens de tijden en feesten, die men viert, of volgens de bijzondere aangelegenheden, welke men God in de II. Mis aanbeveelt. Tot den hierboven aangehaalden Ingang behoort de volgende Les uit den eersten brief van den 11. Paulus aan die van Corinthe XI, 20-50.

Broeders, ik heb van den Heere ontvangen, hetgeen ik u ook heb overgeleverd, dat de Heere Jesus in den nacht, waarin Hij verraden werd, het brood nam, en dankende het brak, en

quot;29

ocr page 58

30 DE II. MIS ZOO ALS ZE DOOK DEN PUIESTER

zeide: Neemt, en eet, dit is mijn lichaam, hetwelk voor n zal worden overgeleverd: doet dit tot mijne gedachtenis! Desgelijks ook den kelk, nadat Hij het Avondmaal had gehonden, zeggende: Deze kelk is hel Nieuwe Verbond in mijn bloed: doel dit, zoo dikwijls gij dien znlt drinken, tot mijne gedachtenis! Want zoo dikwijls gij dit brood znlt eten, en den kelk drinken, zult gij den dood des Heeren verkondigen, totdat Hij kome. Al wie derhalve onwaardiglijk dit brood eten, of den kelk des Heeren drinken zal, zal schuldig zijn aan het Lichaam en hot Bloed des Heeren. Dat dan de menscli zich zeiven be-proeve, en aldus van dit brood ete, en van den kelk drinke! Want die onwaardiglijk eet en drinkt, eet en drinkt zich zeiven het oordeel, niet onderscheidende het Lichaam des Heeren.

D. God zij dank.

Pr. (Graduale.) Heer, aller oogen wachten op U, en Gij verleent hun spijs ten bekwamen tijde. Ps. CXL1V, 15, 10. Alleluja! Alleluja! Mijn Vleesch is waarlijk spijze en mijn Bloed is waarlijk drank; die mijn Vleesch eet, en mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Alleluja.

Lauda Sion.

Zing, Sion, hel lied uw Verlosser ter eer.

Verhef in uw zangen den Leidsman, den Herder;

Slem hooger den jubel, zooveel gij 't vermoogt.

En toch zal uw lof nooit naar waarde Hem prijzen.

Hel levend en levenverwekkende Brood,

Dal aan de verbroederde Twaalf werd gegeven Ten spijze, in den naehl, aan den Heiligen Diseb,

Geefi slof voor opzellijke loflied-akkoorden.

Zoo klink' dan uw zang uit de volheid van '1 hart,

En dartel' de ziel in belaamlijke vreugde ;

De Feestdag wordt heden loch plechtig gevierd.

Die 't eerst dezen Godlijken Diseh aan zag riehten.

Het Pascha van '1 Oude Verbond wijkt voor 't Nieuw, En neemt in bet Nachtmaal des Heeren een einde.

Zoo vliedt voor de waarheid de schaduw daarheen.

De nacht voor den dag, en het Oude voor 't Nieuwe.

Wat Christus volbracht in den nacht vóór zijn dood. Ten Avonddisch, onder de Jongren gezeten.

Dal doen we op zijn woord ter gedachtnis sleeds na. En heiligen '1 Brood cn den Wijn tot een Offer.

ocr page 59

aan het altaar wordt gelezen.

Dal hel Brood wordl lol Vleeseh cn de Wijn wordt tol Bloed, Is 't Geloofspunt, door Chnslns zijn volgers gegeven.

En val ook 'l versland of hel zintuig dit niet,

'l Geloof toch houdt vast, wat hier hoven natuur gaat.

Daar huist iels voortreflijks hier onder den schijn Der beide gedaanten, — slechts teekens, geen zaken: — De spijs is het Vleeseh, en de drank is het Bloed, En Christus blijlï heel onder elke gedaante.

Hij wordt niet gebroken, ontleed, of verdeeld,

Maar door die Hem nuttigt, volstandig ontvangen;

En duizend, of één, elk erlangt evenveel.

Doch, schoon ook genuttigd, toch nimmer verteerbaar.

En goeden en itoozen ontvangen die spijs.

Tol leven en dood naar quot;l verschil van hun toestand;

De braven ten zegen, de snooden ten straf.

Zoo verschilt het gevolg hier van de eigenste Nutting.

Al wordt ook het schijnbrood veelvoudig gesplitst.

Geen twijfel bevang u toch daarom hel harte.

Want weet, dal er zooveel verschuilt, in elk deel.

Als onder 't aanbiddelijk geheel ligt verborgen.

De zaak staal in 'l minst aan de scheiding niet bloot.

Maar enkel bet teeken des Broods wordl gebroken,

En zoo wordt noch staat, noch gestalte van Hem,

Die hier is verholen, gedeerd of geschonden.

Beschouw, hoe der Engelen Brood tol een spijs Van den christlijken pelgrim op aard is geworden,

Hel Brood van de kindren des eeuwigen Bijks,

Een spijs, die geen honden ten voedsel mag strekken.

Werd Izaak aan God tol een offer gebracht.

Hel Paaschlam aan Isrel ter slachting bevolen.

En 'l Manna den vadren ter spijze vergund.

Zoo is door dat alles ons Kruislam heleekend.

Goedaardige Herder, waaraehiige spijs,

o Jesus, wil onzer U liefdrijk ontfermen.

Bescherm ons, en hoed ons, en doe ons in 'l land Der levenden de eindlooze goedren aanschouwen.

Verlosser, die alles doorgrondt en vermoogt.

Die ons hier op aard reeds zoo hemelzoet spijzigt,

o Laat ons hiernamaals ten eeuwigen disch.

Ons erfgoed, in 't hijzijn der zaalgen genieten.

De Priester begeeft zich vóór het midden van het altaar en bidt daar, néergebogen, het Munda cor menm. De woorden: Zegen mij enz. worden bij de Zielmissen achierwege gelaten.

(Munda cor meum.) Zuiver mijn hart en mijne lippen, almachtige God, die de lippen van den Profeet Isaias met een vurige kool hebt gezuiverd, gewaardig mij door uw minzame

51

ocr page 60

nu 11. MIS zoo als 7.V. nooit 1gt;EN PlUKSIl-ll

bunnhartigheid zoo te zuiveren, dat ik uw H(;ilig Evangelie waardig moge verkondigen; door Christus, onzen Heer.

Zegen mij, o Heer!

De Heer zij in mijn hart en op mijne lippen, opdat ik zijn Heilig Evangelie waardig en behoorlijk verkondige.

Dc Pneslcr gaul naar den kanl van hel Evangelie; en bij de woorden «Begin ol' Vervolg van liet Evangeliequot; teekeiu hij eerst hel boek en daarna zijn voorhoofd, mond en borsl mei het leeken des H. Kruises.

Pr. Dd Heer zij met u. /). Eu met uwen geest.

Pr. Vervolg van het Heilig Evangelie volgens Joannes.

I). Eere zij aan U, o Heer.'

In dien lijd zeide Jesus tot dc scharen der Joden : Mijn Vleesch is waarlijk spijs, en mijn Bloed is waarlijk drank. Die mijn Vleesch eet, en mijn Bloed drinkt, blijft in Mij, en Ik in hem. Gelijkerwijs Mij de levende Vader gezonden heeft, en Ik door den Vader leve, zal ook hij, die Mij eet, door Mij leven. Dit is hot brood, hetwelk uit den Hemel is nedergedaald: niet gelijk uwe vaderen manna gegeten hebben, en gestorven zijn. Die dit brood eet, zal leven in eeuwigheid.

D: Lof zij U, o Christus !

De Priesier kust het Evangelie en zegt:

Dat onze zonden worden uitgewischt door de woorden van het Evangelie.

Hierna bidt hij hel Credo.

Ik geloof in éénen God, Vader almachtig. Schepper van Hemel en aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen. En in éénen Heer, Jesus-Christus, ééniggeboren Zoon Gods, en uit den Vader geboren vóór alle eeuwen. God van God, licht van licht, waarachtig God van den waarachtigen God; voortgekomen, niel gemaakt, van ééne zelfstandigheid met den Vader, door wien alles gemaakt is. Die om ons inenschen en om onze zaligheid van den Hemel is nedergedaald eu (hier knielt men) hft vleesch heeft aangenomen door den H. Geest uit de Maagd Maria en is mensch geworden; die voor ons ook is gekruist, onder Postius Pilatus; die geleden heeft en begraven is, en ten derden dage is opgestaan volgens de Schriftuur. En Hij is opgeklommen ten Hemel, zit ter rechterhand des Vaders en zal met heerlijkheid wederkomen oordeelen de

52

ocr page 61

AAN Hin ALTAAR WORDT GELEZEN.

levenden en de dooden; wiens rijk geen einde zal hebben. En in den Heiligen, levendmakenden Geest, den Heer, die uil den Vader en den Zoon voortkomt, die met den Vader en den Zoon tegelijk aangebeden en verheerlijkt wordt, die door de Profeten heeft gesproken. En ééne. Heilige, Katholieke en Apostolieke Kerk. Ik belijd één Doopsel tot vergeving van de zonden. En ik verwacht de verrijzenis der dooden en het leven der toekomende eeuwen. Amen.

De Priester kust het altaar, keert zich tot het volk en zegt:

Pr. De Heer zij met U.

1). En met uwen geest.

Pr. De Priesters des Heeren offeren aan God wierook en brood: en daarom zullen zij Gode Heilig zijn en zijnen naam niet ontheiligen. Alleluja. (Levit. XXI, 6.)

Offerande (Offertorium).

De Priester ontdekt den kelk en bidt bij

de Offerande der Hostie.

') Ontvang, o Heilige Vader, almachtige, eeuwige God, deze onbevlekte Offerande, welke ik, uw onwaardige dienaar, U, mijn levenden en waren God opdraag voor mijn ontelbare zonden, beleedigingen en nalatigheden, en voor alle aanwezigen, maar ook voor alle geloovige Christenen, hetzij ze nog leven of reeds overleden zijn, opdat zij mij en hun ten nutte voor het eeuwig leven strekke. Amen

De Priester doet wijn in den kelk en terwijl hij cenige druppels water er bij mengt, zegt hij :

35

2) God, die de waardigheid der menschelijke natuur op een wondervolle wijze geschapen en nog wondervoller hersteld hebt, verleen ons, door het geheim van dit water en van dezen wijn, aan de Godheid van Hem deelachtig te worden, die zich gewaardigd heeft in onze menschheid te deelen, Jesus-Christus, uwen Zoon, onzen Heer, die met U leeft en heerscht in de eenheid des H. Geestes, God door alle eeuwen der eeuwen. Amen.

Ij Suseipe, sancte Pater. 2) Deus qui human® substantia;.

ocr page 62

de h, mis zoo als ze door den puiester

By de Offerande van den Kelk.

') Heer, wij offeren U den kelk des heils, uwe barmhartigheid smeekende, dat iiij vóór het aanschijn uwer Goddelijke Majesteit, tot onze zaligheid en tot zaligheid der geheele wereld in zoeten geur moge opstijgen. Amen.

2) Dat wij in den geest van ootmoedigheid en met een rouwmoedig hart door U, Heer, worden opgenomen: en dat ons offer voor uw aanschijn heden zoo geschiede, dat het U, Heer God, moge behagen.

5) Kom, Heiligmaker, almachtige, eeuwige God, en zegen dit offer, dat ter eere van uwen naam bereid gemaakt is.

Terwijl de Priester zich de handen wascht, bidt hij, Ps. XXV. (Lavabo):

Onder de onschuldigon zal ik mijne handen wasschen; en in de nabijheid van uw altaar zal ik verblijven, o Heer!

Opdat ik de stem des lofs hoore, cn al uwe wonderen verkondige.

Heer, ik heb de schoonheid uws huizes en de woonplaats uwer heerlijkheid bemind.

O mijn God! straf mij niet met de goddeloozen, cn doe mij niet ten grave dalen met de bloeddorstigen.

In wier handen ongerechtigheden zijn: wier rechterhand met geschenken gevuld is.

Want in mijne onschuld heb ik gewandeld: verlos mij en ontferm U mijner.

Mijn voet heeft op den rechten weg gestaan: Heer, ik zal U loven in de vergaderingen (der geloovigen).

Eere zij den Vader, en den Zoon, en den II. Geest, enz.

Hierna bidt de Priester vóór het midden van het altaar het Suscipe sancta Trinitas:

Ontvang, o Heilige Drieéénheid, jdeze Offerande, die wij U opdragen, ter gedachtenis aan het Lijden, aan de Verrijzenis en aan de Hemelvaart van onzen Heer Jesus-Christos; en ter eere van de Heilige Maria altijd Maagd, cn van den H. Joannes den Dooper, en van de Heilige Apostelen Petrus cn Patji.us, en van dezen, (wier relikwieën hier zijn), en van alle Heiligen; opdat ze tot hunne eer en tot onze zaligheid strekke, cn

1) Offerimus libi. 2) In spiritu humilitatis. 5) Veni Sanctificator.

34

ocr page 63

aan het altaar wordt gelezen.

opdat zij, wier gedachtenis wij op aarde vieren, zich ge-waardigen voor ons te bidden in den Hemel. Door denzelf-den Christus, onzen Heer. Amen.

Hierna kusl Je Priester het altaar, keert zich naar het altaar en zegt:

') Pr. Bidt, broeders! opdat mijn en uw offer gunstig aanvaard worde door God den Vader almachtig.

-) D. Dat de Heer dit offer uit uwe handen ontvange tot lof en glorie van zijnen naam, tot voordeel van ons en lot nut van geheel zijne Heilige Kerk.

Pr. Amen.

Het stille gebed (Secreta).

Wij bidden ü. Heer, verleen aan uwe Kerk de gaven der eenheid en des vredes, die op een geheimvolle wijze door deze geschenken, welke wij offeren, worden voorgesteld. Door onzen Heer Jesus-Christus, uwen Zoon, die met U in éénheid van den H. Geest leeft en heersrht. God in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

(De Priester verheft hierna zijne stem en zegt luid op of zingt: Per omnia saecula s.Tculorum).

Pr. Door alle eenwen der eeuwen.

D. Amen.

Pr. De Heer zij met ü !

D. En met uwen geest.

Pr. Verheft uwe harten!

D. Wij hebben ze opgeheven tot den Heer.

Pr. Laat ons den Heer, onzen God danken.

D. Dat is waardig en rechtvaardig.

De Prefatie. 5)

4) Waarlijk het is waardig en rechtvaardig, billijk en heilzaam, dat wij II te allen lijde en overal danken. Heilige - Heer, almachtige Vader, eeuwige God! wijl door het geheim der menschwording van het vleesch geworden Woord, het nieuw licht uwer klaarheid voor de oogen van onzen geest is opgegaan, opdat wij, daar we God op een zichtbare wijze

Ij Orale fralrcs. 2) Snscipiat. öj De prefaliën verschillen volgens de onderscheidene feesten, die men viert, i) Vere dignum el juslum est.

35

ocr page 64

56 UK H. MIS ZOO ALS 7.V. DOOH DEN PRIKSTEll

kennen, door Hem tot de liefde der onzichtbare dingen mogen worden opgevoerd. En daarom zingen wij met de Engelen en Aartsengelen, met do Tronen en Heerschappijen, met het geheele Heerleger des Hemels, eenen lofzang te uwer eer, zonder ophouden zeggende: Heilig! Heilig! Heilig! is de Heer God Sabaoth! Hemel en aarde zijn vol van uwe heerlijkheid! Hozanna in den Hooge! Gezegend Hijj die komt in den naam des Heeren! Hozanna in den Hooge!

De Canon.

Gebed voor de Kerk en hare Opperhoofden.

') Wij smeeken ü ootmoedig en vragen U, allergoeder-tierenste Vader, door Jesus-Christus, uwen Zoon, onzen Heer, deze gaven, deze geschenken, deze heilige, onbevlekte Offerande aan te nemen en te zegenen, die wij U voornamelijk voor uw Heilige, Katholieke Kerk opdragen; opdat Gij U zoudt gewaardigen haar vrede te verleenen, haar te behoeden en haar eenheid te geven, haar door de geheele wereld te bestieren, in vereeniging met uwen dienaar, onzen Paus N. en onzen Bisschop N. en alle belijders van het Katholiek en Apostoliek geloof.

Gedachtenis (Memento) der levenden.

Gedenk, o Heer! uwe dienaars e'u dienaressen N. en N., (men noemt hier die levenden, voor wier welzijn men in hel bijzonder wil bidden) en alle aanwezigen, wier geloof en godsvrucht U bekend zijn: voor wie wij of die zeiven U deze Offerande van lof opdragen voor zich en al de hunnen, tot verlossing van hunne ziel, tot hoop van hunne zaligheid en tot hun behoud; en die U, den eeuwigen, levenden en waren God, hunne wen-schen opdragen.

Gedachtenis der Heiligen. 2)

Wij nemen deel aan de gemeenschap en vereeren de gedachtenis voornamelijk van de roemvolle Maagd Maria, Moeder van onzen God en Heer Jesus-Ghristcs : alsmede van uw

1) Tc igllur. 2J Communicanlcs.

ocr page 65

aan het altaar wordt gelezen.

zalige Apostelen en Martelaars, Petrus en Paulus, Andreas, Jacobus, Joannes, Thomas, Jacobus, Philippus, Bartholomeus, Mattheus, Simon en Thaddeus, Linus, Cletus, Clemens, Xistus, Cornelius, Cyprianus, Laurentius, Chrysogonus, Joannes en Paulus, Cosmas on Damianus en van alle uwe Heiligen, door wier verdiensten en gebeden Gij ons moget verleenen, dat wij in alles door de hulp uwer bescherming versterkt worden, door denzelfden Christus, onzen Heer. Amen.

Dc Priester houdt de handen boven de Offerande uitgestrekt en zegt:

') Wij bidden II, o Heer, deze OIFerande van onze dienstbaarheid en van al uwe onderhoorigen welwillend aan te nemen; ons gedurende al onze levensdagen uwen vrede te schenken, ons aan de eeuwige verdoemenis te ontrukken en ons onder het getal uwer Uitverkorenen te rekenen, door Christus, onzen Heer. Amen.

De Priester zegent het brood en den wijn:

2) Wij bidden U, o God, dat Gij U gewaardigt deze Offerande in alles te zegenen en aan te nemen, als een Offer, waardig U te behagen, opdat zij voor ons het Lichaam en Bloed worde van uw welbeminden Zoon, onzen Heer Jesus-Christus,

5) Die op den vooravond van zijn lijden het brood in zijne heilige en eerbiedwaardige handen nam, en zijne oogen Hemelwaarts tot ü, zijn almachtigen Vader opgeheven hebbende, U dankte, het zegende, het brak en het zijnen leerlingen gaf, zeggende: neemt en eet allen hiervan.

Consecratie.

quot;) Want dit is mijn lichaam.

De Priester heft de Heilige Hostie in dc hoogte en toont ze aan de gcloovigen, welke nederknielen om het Allerheiligste te aanbidden; daarna neemt hij den kelk en zegt:

3) Gelijkerwijze nam Hij, na het Avondmaal gehouden te hebben, dezen kostbaren kelk in zijn heilige en eerwaardige handen, en ü, o God, andermaal bedankende, zegende Hij hem en gaf hem zijnen leerlingen, zeggende: neemt, en drinkt allen hieruit.

Ij liane igitur. 2) Quam oblationcm. 5j Qui pridie. i) Hoe est enim corpus mcum. o) Simili modo.

37

ocr page 66

de h. mis zoo als ze dook den priester

') Want dit is de kelk mijns bloeds, des Nieuwen en Eeuwigen Verbonds (geheim des geloolïs), dat voor u en voor velen zal vergoten worden, tot vergeving der zonden.

Zoo dikwijls gij dit zult doen, doet het te mijner gedachtenis.

De Priester hefl ook den kolk in de hoogte.

Als men bij de Consecratie aanbiddend nederknielt en bijv. zegt: Jesus, voor U leef ik, enz., dan kan men, wanneer zulks in do kerk geschiedt, eenea aflaat van twee jaren verdienen; en wanneer dit buiten de kerk plaals grijpt, eenen aflaat van een jaar, die voor beide gevallen op de geloovige zielen in het vagevuur kau worden toegepast.(PiusVlI,1818.)

Na de Consecratie.

Het is hierom, o Heer, dat wij, uwe dienaren, en met ons uw heilig volk, ons herinnerende het heilig lijden van denzelfden Giiristus, uwen Zoon onzen Heer, zijne verrijzenis uit het graf en zijn roemvolle opklimming ten Hemel, aan uwe doorluchtige Majesteit, uit de geschenken en gaven, welke wij van U ontvangen hebben, eene zuivere. Heilige, onbevlekte Offerande, het Brood des Eeuwigen Levens en den Kelk dei-Eeuwige Zaligheid, opdragen.

5) Gewaardig U daarop een genadigen en welgevalligen blik te werpen en ze gunstig aan te nemen, zoo als het U behaagd heeft de geschenken van uwen dienaar, den rechtvaardigen Abel, en het offer van onzen Aartsvader Abraham, en het heilig offer, de onbevlekte offerande, welke uw Hooge-priester Melchisedech U heeft opgedragen, te aanvaarden.

De Priester, diep neergebogen en de handeji op hel altaar te zamen gevouwen plaatsende, zegt;

') Wij smeeken U ootmoedig, o almachtige God! beveel, dal deze gaven door de handen van uw Heiligen Engel op uw verheven altaar, in tegenwoordigheid uwer Goddelijke Majesteit gebracht worden, opdat wij allen, (hij kust het altaar) die, door de deelneming aan dit altaar, het Heilig Lichaam en Bloed van uwen Zoon zullen nuttigen (hij zegent zich) met alle bemelsche zegeningen en genade mogen vervuld worden, door deuzelfden Christus, onzen Heer. Amen.

1) Hie est enim calix Sanguinis mei, novi et acterni Testamenti, myste-rium fidei, qui pro vobis et pro multis cflundetur in remissionem peecatorum. 2j Unde et memores . 5) Supra qua;, -ij Suppliers.

38

ocr page 67

aan het altaar wordt gelezk.n.

Gedachtenis (Memento) der overledenen.

') Gedenk ook, o Heer! uwe dienaars en dienaressen N.N. (hier noemt men de afgestorvenen, die men op een bijzondere wijze der Goddelijke barmhartigheid wil aanbevelen], die ons met het teeken des geloofs zijn voorafgegaan, en die rusten in den slaap des vredes. Wij bidden U, o Heer, hun en allen, die in Christus rusten, de plaats van verkwikking, van licht en vrede te ver-leenen, door denzelfden Christus, onzen Heer. Amen.

') Gewaardig U ook ons, zondaren, die op uwe menigvuldige barmhartigheid hopen, deel te geven aan het gezelschap uwer Heilige Apostelen en Martelaren: Joannes, Stephanus, Matthias, Barnabas, Ignatius, Alexander, Marcellinus, Petrus, Felicitas, Perpetua, Agatha, Lucia, Agnes, Cecilia, Anastasia, en al uwe Heiligen, in wier gezelschap wij U bidden, ons niet als Rechter van onze verdiensten, maar als Schenker van kwijtschelding op te nemen, door Christus, onzen lieer, door wien Gij, o Heer! al deze goede gaven altijd voortbrengt, heiligt, verlevendigt, zegent en ons geeft: door Hem, en met Hem, en in Hem wordt U, o Heer! in de eenheid des H. Geestes, alle eer en glorie toegebracht, door alle eeuwen der eeuwen. Amen.

Hier eindigt de Canon en volgen de gebeden vóór en bij de Communie.

Het »Onze Vader.quot; 5)

laat ons bidden.

Vermaand door heilzame bevelen en door Goddelijken voorgang geleerd, durven wij zeggen:

Onze Vader, die in de Hemelen zijt, geheiligd zij uw naam, ons toekome uw rijk; uw wil geschiede op aarde als in den Hemel. Geef ons heden ons dagelijksch brood. En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren, en leid ons niet in bekoring.

D. Maar verlos ons van den kwade.

Pr. Amen.

') Wij bidden U, o Heer, verlos ons van alle verledene, tegenwoordige en loekomslige kwalen, en vergun ons genadig door de voorspraak der roemvolle Maagd en Moeder Gods Maria,

\) Memento eliam. 2) Nobis quoquo. 5) Pater noster. i) Libera nos.

39

ocr page 68

de h. mis zoo als ze door den phieter

van uwe Heilige Apostelen Petrus en Paüll's, en Andreas, en van alle Gelukzaligen, vrede in onze dagen, opdat wij, door den bijstand uwer barmliartigheid geholpen, steeds zondenvrij en tegen alle verontrusting beveiligd mogen blijven (Ac. Priester breekt hier de Hostie in twee deelen) door denzelfden Jesus-Christus, uwen Zoon, onzen Heer, die met U leeft en heerscht in eenheid des H. Geestes (het volgende zegt hij luid op:)

Pr. Door alle eeuwen der eeuwen.

D. Amen.

Pr. De vrede des Heeren zij steeds met n!

D. En met uwen geest.

(De Priester laat een deel der H. Hostie in den kelk neder.)

Dat deze menging en zegening van het Lichaam en Bloed onzes Heeren Jesus-Christüs aan ons, die het zullen ontvangen, ten eeuwigen leven strekke. Amen.

Het Agnus Dei.

De Priester klopt driemaal op de borst en zegt;

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U onzer!

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm ü onzer!

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, geef ons den vrede!

In de Missen voor de afgestorvenen wordt in plaats van »ontferm U onzer' gezegd : «Geef hun de rustquot;; en in plaats van »Gccf ons den vredequot; wordt gezegd ; «Geef hun de eeuwige rust.quot;

Hierna bidt de Priester, diep neergebogen en met de handen samengevouwen;

') Heer Jesus-Christus, die tot uwe Apostelen gezegd hebt: ik laat u den vrede, ik geef u mijnen vrede, aanschouw niet mijne zonden, maar het geloof uwer Kerk, en gewaardig U haar, volgens uwen wil, vrede en eendracht te verleenen, die leeft en heerscht God, door alle eeuwen der eeuwen. Amen.

Hel vorig gebed wordt in de Missen voor de overledenen weggelaten.

2) Heer Jesus-Christus, Zoon van den levenden God, die naar den wil uws Vaders en met de medewerking des H. Geestes, door uwen dood der wereld het leven hebt geschonken,

\) Dotnine Jesu Chrisle, qui dixisti. 2) Domine Jesu Christe, Fili Dei.

40

ocr page 69

aan het altaar wokdt gelezen.

verlos mij door dit uw Heilig Lichaam en Bloed, van al mijne ongereclitigheden en van alle kwaad; doe mij aan uwe geboden steeds vasthouden en gedoog niet, dat ik ooit van U gescheiden worde, die met dcnzelfden God den Vader en den H. Geest leeft en heerscht, God in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

') Heer .Iesus-Chuistus, dat het ontvangen van uw Lichaam, hetwelk ik, hoe onwaardig ook, durf nuttigen, mij niet tot veroordeeling en verdoemenis strekke, maar dat het mij, door uwe goedheid, tot verdediging van ziel en lichaam en een geneesmiddel zij, die leeft en heerscht met God den Vader in eenheid des H. Geestes, door alle eeuwen der eeuwen. Amen.

Ik zal het Brood des Hemels nemen en den naam des Heeren aanroepen.

De Communie.

Dc Priester neemt de Heilige Hoslie in zijne handen, slaat driemaal op de borst en zegt het Domine non sum dignns.

Heer! ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak, maar spreek slechts één woord, en mijne ziel zal gezond worden. (Driemaal.)

Terwijl dc Priester het Lichaam des Heeren nuttigt, zegt hij:

2) Het Lichaam onzes Heeren Jesus-Christus beware mijne ziel ten eeuwigen leven. Amen.

Daarna hidt hij:

Wat zal ik den Heer wedergeven voor al wat Hij mij verleend heeft? Ik zal den kelk des heils aannemen en den naam des Heeren aanroepen. Den Heer lovende, zal ik Hem aanroepen, en ik zal van mijne vijanden verlost worden.

De Priester neemt den kelk en nultigt het Bloed des Ileercn, zeggende :

Het Bloed onzes Heeren Jesüs-Christus beware mijne ziel ten eeuwigen leven. Amen.

Zoodra dc Priester liet Lichaam en Bloed des Heeren heeft genuttigd, deelt hij de H. Communie aan de gcloovigcn, die ze ontvangen willen, uit.

Daarna laat hij zich wijn in den kelk sehenken en zegt:

!) Heer, laat ons datgene, wat wij met den mond genuttigd hebben, in een rein hart bewaren; dat deze tijdelijke gift ons tot een altijddurend geneesmiddel worde.

1) Pcrccptio. 2) Carpus Domini. 5) Quod ore sumpsimus.

41

ocr page 70

dk h. mis zoo als ze door den pr1esteii

Thans laat hij zich wijn en water in den kelk gieten, en zegt;

') O Heer, dat uw Licliaain, hetwelk ik genuttigd, en uw Bloed, hetwelk ik gedronken heb, aan mijn ingewanden vastkleve, en geef dat er in mij geene zondenvlek blijve, na gevoed geweest te zijn door dit zuiver en Heilig Sacrament, Gij die leeft en heerscht in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Men kan onder de Communie, hetzij men wezenlijk of slechts op een geestelijke wijze communiceert, het volgende gebed spreken.

Verlangen naar de innigste vereeniging met Jesus Christus in de werkelijke of geestelijke Communie.

0 mijn Jesus, laat mij U toch innig beminnen; laat mij toch vereenzelvigd met U worden. Leef in mij. Gij, die de waarheid en het leven zijt; geef dat ik U erkenne voor datgene, wat Gij zijt; dat ik U beminne, zooals Gij mij bemind hebt. Ik verlang, door uw voorbeeld aangespoord, door uw licht bestraald, door uwe liefde aangevuurd, door uwe kracht versterkt, in alles aan U gelijkvormig te worden. Even als de ranken met den wijnstok vereenigd zijn, en van hem sap, voedsel, leven en vruchtbaarheid ontvangen, zoo verlang ik ook met U vereenigd te worden en van U alle leven der ziel en al, wat mij in goede werken kan vruchtbaar maken, te ontvangen. Zonder U kan ik niets doen, wat verdienstelijk is voor de eeuwigheid, en ik wensch in alles volgens uwen geest te handelen. Ik verlang zoo zachtmoedig en geduldig, zoo liefderijk en weldadig, zoo onvermoeid in 't bidden en zoo deugdzaam gestemd, zoo ijverig voor het heil der menschen te worden, als Gij waart. In het verlangen om met U vereenzelvigd te wezen, nader ik thans tot de Tafel (of nader ik in den geest tot de Tafel), die Gij mij hebt toebereid. 0 geef, dat ik van daar volmaakt, aan mij zeiven verstorven en geheel met ü vervuld, moge terugkeeren. ik vertrouw, en smeek er U om, dat Gij, die de liefde zijt, mij met U in heilige liefde moogt vereenigen. O geef, dat mijn smeeken altoos vuriger, mijn vertrouwen altoos levendiger, mijne liefde altoos zuiverder, mijne vereeniging met U altoos volmaakter worde. Amen.

I) Corpus tuum.

42

ocr page 71

AAN HUT ALJ^Jja WORDT GELEZEN.

Communie «)•

Zoo dikwerf gij dit brood zult eten en dezen keik drinken, zult gij den dood des Hoeren verkondigen, tot dat Hij komt. Daarom, al wie onwaardig dit brood eet of den kelk des Heeren onwaardig drinkt, die zal schuldig zijn aan het Lichaam en Bloed des Heeren. Alleluja.

Na de Communie.

Pr. De Heer zij met U.

I). En met uwen geest.

LAAT ONS BIDDEN.

Geef, Heer, dat wij volkomen verzadigd worden van de eeuwige genieting uwer goedheid, welke ons hier beneden wordt afgebeeld door de tijdelijke ontvangst van uw Heilig Lichaam en uw kostbaar Bloed. Gij, die leeft en heerscht met God den Vader in de eenheid des H. Geestes, God door alle eeuwen der eeuwen.

Ilioraa gaat dc Priester naar liet midden des altaars, kust het, keert zich naar het volk en zegt:

Pr. De Heer zij met u.

D. En met uwen geest.

Pr. Gaat, de Mis is geëindigd.

D. Gode zij dank!

De Priester bidt voor het midden des altaars hel Placeat Tibi;

De dienst, dien ik in ootmoedige onderwerping heb verricht, behage U, o Heer, en geef, dat het Offer, hetwelk ik, onwaardige, vóór de oogen uwer Majesteit heb opgedragen, U welgevallig en mij en allen, voor wie ik het heb opgedragen, door uwe barmhartigheid voordeelig zij, door Christus onzen Heer. Amen.

De Zegen.

Pr. Dc almachtige God, de Vader en de Zoon en de Heilige Geest zegene u.

D. Amen.

Pr. De Heer zij met u!

D. En met uwen Geest.

11 De twee volgende gebeden verschillen volgens de verschillende feesten.

43

ocr page 72

de h. mis zoo als ze door den priester enz.

Pr. Het begin van het Heilig Evangelie volgens Joannes.

D. Eere zij U, o Heer!

Pr. In den beginne was liet Woord, en liet Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alles is door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is niet gemaakt, hetgeen gemaakt is. In Hetzelve was het leven, en het leven was het licht der menschen. En het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hel niet begrepen. Er werd een mensch van God gezonden, wiens naam was Joannes. Deze kwam tol getuigenis, om getuigenis te geven van het licht, opdat allen door hem zouden gelooven. Hij was het licht niet, maar om getuigenis te geven van het licht. Het waarachtig licht was, hetwelk iegelijken mensch verlicht, die in deze wereld komt. Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt, en de wereld heett Hem niet gekend. In zijn eigendom is Hij gekomen, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar zoo velen als Hem aangenomen hebben, aan hen heeft Hij macht gegeven, kindéren Gods te worden; aan heu die in zijnen naam gelooven; die niet uit den bloede, noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil eens mans, maar uit God geboren zijn. En (hier knielt men) het Woord is vleesch geworden, eu heeft onder ons gewoond, (en wij hebben zijne heerlijkheid gezien, eene heerlijkheid als des Eéniggeborenen van den Vader), vol genade en waarheid.

D. Gode zij dank!

Gebed na de Mis.

Wees gegroet. Koningin, Moeder van barmhartigheid, ons leven, onze zoetheid en onze hoop, wees gegroet. Tol. U roepen wij, ballingen, kinderen van Eva. Tot U verzuchten wij, klagende en weenende in dit tranendal. Welaan dan. onze Voorspreekster, sla uwe zoo barmhartige blikken op .ons neder. Eu toon ons, na deze ballingschap, de gezegende vrucht uws lichaams, Jesus. 0 goedertierene, o liefdevolle, o zoete Maagd Maria.

Bid voor ons, Heilige Moeder Gods.

ft. Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.

44

ocr page 73

ovkr het keukkl1jk jaar.

Laat ons bidden.

God, onze toevluclit cu kracht, zie genadig nêer op het volk, dal tot U roept; en veriioor in uwe barmhartigheid en goedertierendheid, door de voorspraak van de glorierijke en onbevlekte Maagd en Moeder Gods Maria, van den gelukzaligen Jozef, haren Bruidegom, van uwe gelukzalige Apostelen Petrus en Paulus en van alle Heiligen de gebeden, die wij storten voor de bekeering der zondaars, voor de vrijheid en de verhelling van onze Moeder de 11. Kerk. — Door Christls onzen Heer. — Amen.

Heilige Aartsengel Michael, verdedig ons in den strijd; wees onze bescherming tegen de boosheid en de lagen des duivels. — Dat God hem gebiede; daarom bidden wij ootmoediglijk; en Gij, Aanvoerder der hemelsche legerscharen, verdrijf door de kracht Gods den satan naar de hel met de andere booze geesten, die tot verderf der zielen in de wereld rondzwerven. — Amen.

Onze Allerheiligste Vader Paus Leo X(1I verleent een aflaat van 500 dagen aan al degenen, die bovenstaande gebeden verrichten.

Inleidend onderricht over het kerkelijk jaar.

quot;Wat is het Kerkelijk jaar?

, Het Kerkelijk jaar is de jaarlijks wederkeerende opvolging dier heilige tijden en dagen, waarop de gedachtenis der merkwaardigste gebeurtenissen van Jesus' leven, lijden, sterven en verheerlijking, of der voorname bijzonderheden van het werk onzer Verlossing wordt hernieuwd en plechtig gevierd, of waarop de verheven geheimen der Goddelijke Openbaring, die voor den godsdienst en het heil onzer ziel een bijzonder gewicht hebben, godvruchtig worden herdacht. Deze tijden of dagen, hetzij ze door God zeiven of wel door de H. Kerk zijn ingesteld, zijn inzonderheid geschikt en bestemd, om ons de hoofdwaarheden en voorname feiten des Christen-doms levendig voor den geest te brengen, Gode daarvoor den verschuldigden dank te betuigen en ons der genaden, die daaraan verbonden zijn, waardig en deelachtig te maken.

43

ocr page 74

inleidend onoeruiciit

In welke hoofddeelen wordt het Kerkelijk jaar verdeeld?

In den Kerst-, Paasch- en Pinkstcrtijd, die de drie hoofdgeheimen van ons geloof of de drie hoofdfeiten van het werk onzer Verlossing bevatten, namelijk: de Menschwording van Christus, zijn roemvolle Verrijzenis, door zijn lijden en dood voorafgegaan, en de Zending van den H. Geest. De drie hoogfeesten Kerstmis, Paschen en Pinksteren vormen het middelpunt dezer heilige tijden.

Hoe wordt elk hoofddeel van het Kerkelijk jaar verdeeld ?

In Zon-, Feest- en Vastendagen.

Wat is de Zondag?

De eerste dag der week. die Gode op een bijzondere wijze wordt toegeheiligd.

Waarom moet de Zondag Gode worden toegeheiligd?

Het is hoogst billijk, dal de mensch, die geschapen is, om God te dienen, ten minste één van de zeven dagen dei-week tot den dienst des Heeren en voor het heil zijner eigene ziel bestede. Trouwens God heeft reeds van den beginne af den zevenden dag of den Zaterdag, waarop Hij van het werk der Schepping uitrustte, of ophield met scheppen, tot rustdag voor de menschen bestemd, en gewild, dat zij op dien dag allen gewonen arbeid zouden staken en zich slechts met zijnen dienst bozig zouden honden. Deze rustdag was de Sabbath der Joden, dien zij heiliglijk moesten doorbrengen. De Katholieke Kerk heeft, of liever de Apostelen, zoo als de H. Au-gustinus zegt, hebben, dééls om zich van de Joden te onderscheiden, dééls om de volgende bijzondere redenen, den Zondag tot rustdag gemaakt: 1) wijl God op dien dag met de schepping der wereld een begin gemaakt en u2) op dienzelfden dag hare herstelling door de roemvolle Verrijzenis van Jesus-Christus voltrokken heeft; 3) wijl Christus, zoo als Bellarminus bemerkt, op Zondag geboren, besneden en gedoopt is; en wijl de H. Geest op dezen dag over de Apostelen is nedergedaald en hen met wijsheid en sterkte vervuld heeft. Om dezellde redenen, alsmede wijl wij dien dag Gode bijzonder moeten toe-

46

ocr page 75

over het kerkelijk jaar.

wijden, heeft de H. Kerk hem bij voorkeur den dag des Heeren genoemd. Hij wordt Zondag geheeten, wijl op dien dag de Zon onzer rechtvaardigmaking, Jesus-Ciiristus, roemvol uit het graf is opgestaan.

Hoe moet men den Zondag vieren en hoe wordt hy ontheiligd ?

Om den Zondag te heiligen, moet men zich daarop van allen slafelijken arbeid onthouden en de H. Mis aandachtig hooren. Men moet zich echter hierbij niet bepalen, maar men behoort ook de H. Diensten en de verkondiging van Gods Woord godvruchtig in de kerk bij te wonen, en de H. Sacramenten te ontvangen; of, zoo men zulks niet kan, moet men zich te huis met bidden, of mot het lezen van godvruchtige boeken bezighouden. Men heiligt verder dien dag door het beoefenen van deugden en goede werken, bij voorbeeld door zieken te bezoeken, aalmoezen te geven, enz.

Men overtreedt het gebod van den Zondag te vieren, wanneer men daarop slafelijke werken verricht, of de H. Mis verzuimt. Men ontheiligt den dag des Heeren, als men dien dag, in plaats van zich met de geestelijke belangen zijner ziel bezig te honden, in ledigheid of wat erger is met eten en drinken, met spel en danspartijen of met nog slechtere vermaken doorbrengt. Het zou beter zijn (dat is: het zou niet zoo groot kwaad zijn), zegt de H. Aügustinus, op den Zondag het veld te bebouwen, dan wel dien mot springen en dansen, met gevaarlijke en zondige vermaken door te brengen. Wanneer men overigens de kerkelijke diensten behoorlijk heeft bijgewoond, dan zijn zedelijke en geoorloofde vermaken en uitspanningen op de Zon- en Feestdagen niet verboden.

Welke belooning is aan de heiliging en welke straf

aan de ontheiliging van den Zondag verbonden?

Alle geluk, heil en zogen naar ziel en lichaam wordt door de wet van Mozes aan hen beloofd, die den Sabbath heiligen1); zij integendeel, die hem ontheiligen, worden met allerlei kwa-

\) Levit. XXVi.

47

ocr page 76

INLKlDEPiD ONDKRR1CHT

len en ongelukken bedreigd, ja de doodstraf werd zelfs tegen de Sabbathschenners in het Oude Verbond uitgesproken. De Katholieke Kerk drukt ons de viering van den Zondag, door een afzonderlijk kerkelijk gebod op het hart, en de dagelijk-sche ondervinding toont, dat (Jod do sclienners van den Zondag en der Heiligendagen ook nu nog en zeer dikwijls met zware tijdelijke straffen, bijv. met het verlies van hun vermogen kastijdt. Wanneer de Kerkelijke Overheid daarvan ontslaat en de eer Gods, het welzijn des naasten of dringende nood zulks vorderen, dan is slafelijke arbeid op Zon- en Feestdagen geoorloofd.

Gebed voor alle Zondagen.

0 God, die den Zondag hebt ingesteld, opdat wij U op dien dag beter dan op andere dagen dienen en ons uwer genade deelachtig zouden maken, geef, dat wij op dien dag voortdurend ons geloof vernieuwen en ons opwekken, ora U te verheerlijken, uwe Goddelijke Majesteit te aanbidden en zooveel goede werken te doen, als ons mogelijk is. Door onzen Heer Jesus-Christus, uwen Zoon, die met U en den H. Geest leeft en heerscht van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.

Wat zijn Feestdagen?

Zulke dagen, waarop de Kerk de Geheimen en weldaden van den driewerf Heiligen God en van onzen Heer Jusus Ghristus, of de gedachtenis der Heiligen viert, om ons daardoor op te wekken tot godsvrucht en verheerlijking van God, tot dankbaarheid aan en tot navolging van Ghristus en zijne Heiligen.

Kan de Kerk Feestdagen instellen ?

De Joodsche Synagoge, die slechts een zinnebeeld der Kerk was, heeft reeds, tot dankbare herinnering aan verschillende van God ontvangene weldaden, onderscheidene Feesten en plechtigheden ingesteld; bijv. het Feest van Amansnederlaag (Purim-feest) '), het Feest der overwinning over Holofernes2)

Ij Eslher IX, 20—52. 2) Judiih XVI, 18.

48

ocr page 77

oyer het kerkelijk jaak. 49

en meer andere. Zoo ook immers heeft God zelf den Joden bevolen, de verlossing uit de Egyptische gevangenschap door het Paaschfeest, het ontvangen der geboden van Mozes op den berg Sinai door het Pinksterfeest, hun veertigjarige reis in de woestijn en hun verblijf onder tenten door het Loofhuttenfeest te vieren en te herdenken. Daaruit kan men afleiden, hoezeer het Gode zou mishagen, indien de Katholieke Kerk de gedachtenis der uitstekendste weldaden, die zij van Christus en door de voorspraak zijner Heiligen bekomen heeft, niet deed voortduren door het instellen van sommige Feestdagen ter eere van God en de Heiligen. Doch Jesus geeft ook bij Matth. XVHI, 18 aan zijne Kerk uitdrukkelijk de macht van te binden en te ontbinden; dat is, onder anderen, het recht al datgene in te stellen, wat het zielenheil der geloovigen kan bevorderen. Tot zulke instellingen nu behooren ongetwijfeld ook de Feestdagen, en derhalve kan der Kerk het recht niet betwist worden dergelijke dagen in te stellen. Doch uit ditzelfde recht volgt ook, dat de Kerk deze Feesten weder kan afschaffen of ophefTen en zoodoende de geloovigen ontslaan van de verplichting, deze dagen te vieren. Hetzij nu, dat de Kerk Feestdagen instelt of afschaft, moet men in ieder geval hare macht erkennen en hare besluiten eerbiedigen.

Hoe moet men de Feestdagen vieren?

De geboden Feestdagen moeten op dezelfde wijze als de Zondagen geheiligd worden. Bovendien behoort men zich met de geheimen en weldaden Gods, het leven en de daden dei-Heiligen, tot wier eer de Feestdagen zijn ingesteld, en met de kerkelijke ceremoniën en gebruiken, die daarop plaats hebben, bekend te maken, opdat men daardoor tot liefde voor - en tot verheerlijking en navolging van Christus en zijne Heiligen aangespoord worde; want dit is het hoofddoel der Kerkbij de instelling der Feest- en Heiligendagen. Daar echter, helaas! zeer velen niet naar dit doel streefden, en de Feestdagen dikwerf wegens de toenemende lauwheid der Christenen geheel anders werden doorgebracht dan de Kerk wenscht, zoo heeft deze goede Moeder eenige Feestdagen op de Zondagen verplaatst, opdat zij ten minste des te beter zouden gevierd, en God niet

L

ocr page 78

INLEIDEND ONDKRKICHT

door de ontheiliging der Feestdagen zoo dikwerf zou beleedigd worden. Men klage over deze toegevendheid der H. Kerk niet, die door deze beschikking ook aan de beiioeften van den armen werkman wilde te gemoet komen, want er zijn nog Heiligendagen genoeg, ja meer dan in de eerste eeuwen der Kerk, en toen leefde men nochtans godvruchtiger dan in onzen tijd. De ware godsvrucht bestaat niet in het getal der Feestdagen, maar in hel heilig vieren dier dagen en in het (iode gevallig verrichten van onze dagelijksche bezigheden. Overigens is het zelfs de wensch der Kerk, dat men ook op de afgezette Feestdagen de H. Mis godvruchtig bijwone.

quot;Wat zijn Vastendagen?

Zulke dagen, waarop de Kerk gebiedt, dat de geloovigen zich van vleesch onthouden en slechts eenmaal daags hun nooddruft nemen, om alzoo hun lichaam te kastijden en Gode een offer van versterving aan te bieden. Deze dagen worden geboden Vastendagen, en die, waarop men slechts vleesch behoeft te derven, dagen van onthouding genoemd.

Kan de Kerk ook Vastendagen instellen?

Daar zij als Moeder der geloovigen van God de macht heeft, alle voor het welzijn der geloovigen nuttige en noodzakelijke bevelen te geven, en hierin ook door den bijstand des H. Geestes geleid wordt, zoo kan zij ook Vastendagen instellen, wijl deze voor de Christenen in menig opzicht zeer heilzaam en aanbevelenswaardig zijn. Zij heeft deze macht ook reeds van den beginne af uitgeoefend, dewijl zij, om de Joden, die naar het voorschrift hunner wet een afschuw hadden van bloed en verstikte dieren, niet van het Christen-geloof afkeerig te maken, ook den Christenen het eten van bloed en van verstikte dieren verbood. Handel. XV, 28. Toen echter deze hinderpaal voor de Joden geen bezwaar meer was, heeft zij dit verbod opgeheven, maar andere bepaalde Vastendagen met onthouding van alle vleesch ingesteld.

Waarom heeft de Kerk Vastendagen ingesteld en waartoe dienen zij ?

De Kerk heeft de Vastendagen ingesteld, opdat hare

50

ocr page 79

over het kkrkeliik jaar.

kinderen door vasten hun vleesch en hun zinnelijke neigingen versterven, God verzoenen, Christus navolgen, zich in de gehoorzaamheid oefenen en de door het vasten gespaarde spijzen den armen zouden mededeelen en eindelijk tot het gehed, de godsvrucht, de beoefening der deugd en tot den strijd tegen de zonden beter gestemd en sterker zouden worden. Daartoe is het vasten trouwens bijzonder geschikt, zoo als uit ontelbare plaatsen der H. Schrift alsmede uit de ondervinding duidelijk blijkt. Een volle maag bidt niet gaarne en onderdrukt den geest, zoodat deze niet eens een gevoel van zoetheid des gebeds en van een deugdzaam leven bezit; ook voedt het vleesch niet alleen het lichaam, maar het voedt ook, en wel veel meer dan andere spijzen, de zinnelijkheid. De H. Petrus Giirysologl's noemt daarom het vasten dm muur der kuisch-heid; de H. Paus Leo zegt: het vasten voert ons tot God en verleent ons sterkte, om den duivel te wederstaan en alle bekoringen tot ondeugd te overwinnen. Ue HH. Vaders kunnen het nut van het vasten niet genoeg prijzen, en Christus zelf heeft, vermoedelijk om dezelfde reden, bij Mattheus IX, 15, gezegd, dat zijne Bruid, de Kerk, ook vasten zoude, wanneer Hij, haar Bruidegom, van haar zou weggenomen zijn.

Welke zijn de voornaamste Vastendagen?

Geboden Vastendagen zijn: 1) de groote of veertigdaagsche Vasten, 2) de Quatertemperdagen, 3) sommige andere dagen, die volgens de onderscheidene bisdommen verschillen.

BEMERKING. Een ieder is geliouden zich, in heigeen de vasten- en onthoudingsdagen beireft, ie regelen naar de voorschriften van zijn bisdom.

Wat zijn Quatertemperdagen ?

De Vasten, die op Woensdag, Vrijdag en Zaterdag dei-vier jaargetijden (quatuor tempora) vastgesteld is. Volgens de getuigenis van den H. Paus Leo moet men den oorsprong dezer Vastendagen zoeken in de tijden der Apostelen, die, door ingeving van den H. Geest, elk jaargetijde door eenige dagen van boetvaardigheid Code toewijdden en Hem alle drie maanden gedurende drie dagen hun dank betuigden voor de weldaden, die zij in den loop des jaars uit zijn vaderlijke

51

ocr page 80

inleidend onderricht

hand ontvangen hadden. Bovendien heeft de Kerk het vasten op de Quatertemperdagen voorgeschreven, wijl zij alsdan hare Priesters en Bedienaren van den H. Godsdienst wijdt, hetgeen ook de Apostelen onder veel bidden en vasten gedaan hebben. De Kerk wil alzoo, dat de Christenen op die dagen door vasten, bidden en andere goede werken God smeeken, dat Hij der Kerk waardige bedienaren en herders verleene, wijl van hen grootendeels het heil der Christelijke kudde afhangt. De Kerk eischt verder, dat men op de Quatertemperdagen, in de lente, God om zijn zegen voor de vruchtbaarheid der aarde, en in den zomer, voor het behoud van de vruchten des velds bidde. In den lierlst echter, als alles rijp wordt, en in den winter, wanneer alles in de schuren verzameld is, moeten wij den goeden God door vasten en bidden een dankoffer opdragen en Hem tevens smeeken, dat Hij zich gewaardige ons verder genadig bij te staan, opdat wij zijn gaven niet tot nadeel onzer ziel misbruiken, maar Hem als de bron van alle goed daarvoor loven, en danken, en onzen naaste volgens onze krachten mogen helpen.

Wat zyn Vigiliedagen ?

De vooravonden van zekere Feestdagen, waarop de eerste Christenen zich door bidden, vasten en waken (in de latijn-sche taal Vigilia) tot de plechtigheid van den volgenden dag voorbereidden. Daarom wordt nog ten huidigen dage in de Mis der Vigilie door den Priester niet lie missa est, Gaat, de Mis is geëindigd, maar Benedicamus Domino, Laat ons den Heer loven, gezongen of gezegd, waardoor eertijds, toen men de Mis in den nacht hield, de Christenen aangespoord werden, om tot aan den dageraad in de kerk te verblijven, en daar God te loven en te prijzen. Dit waken heelt de Kerk, wegens den verflauwden ijver der Christenen en om zekere misbruiken, afgeschaft; het vasten echter heeft zij behouden, om God en zijne Heiligen daardoor te eeren, de voorspraak der Heiligen te verkrijgen en naar hun voorbeeld het vleesch te kastijden. Immers de Kerk, zegt de H. Bernardus, vast op de vooravonden van de Feesten der Heiligen, om ons te leeren, dat wij, even als de Heiligen, het Hemelrijk door allerlei boetdoening moeten binnengaan.

52

ocr page 81

OVER HET KERKELIJK JAAK.

Waarom verbiedt de Kerk op Vry dagen en Zaterdagen het eten van vleeschspyzen ?

Zij doet dit, zooals Paus Innocentils zegt, ter eere des Verlossers, die op Vrijdag gestorven is en op Zaterdag in het graf gerust heelt, en ook opdat wij ons, door die onthouding, des te beter tot de heiliging van den Zondag zouden voorbereiden.

Wie is verplicht te vasten, en wie niet?

Alle Christenen, die tot don leeftijd van zeven jaren gekomen en om wettige reden van die verplichting niet ontslagen zijn, moeten, op straf van zware zonde, op de geboden dagen vleesch derven; en zij, die den vollen leeftijd van 21 jaren bereikt hebben, mogen slechts eenmaal daags hun nooddruft nemen. Van de eerste verplichting, namelijk, zich op de Vastendagen van vleesch te onthouden, verschoont 1) een wettige, maar niet een op sliuksche wijze en onder valsche voorwendsels verkregene of afgeperste dispensatie; 2) een zware ziekte. De verplichting van op de geboden Vastendagen slechts eenmaal daags zijn nooddruft te nemen, wordt opgeheven door de onmogelijkheid van te vasten, namelijk: wanneer men zonder groot nadeel voor zijn lichamelijke krachten of zijne gezondheid, niet met een enkele verzadiging kan volstaan, zooals dit het geval is met allen, die eerst uit een ziekte opkomen, wijders met vrouwen, die in zekere omstandigheden verkeeren, met oude lieden, wier krachten afnemen, met hen, die zwaren arbeid of groote en moeielijke reizen te voet moeten doen, met arme menschen, die geen toereikenden maaltijd hebben, met hen, die wegens het vastén van een goed werk, dat zij ambtshalve of uit Christelijke liefde doen moeten, zouden worden teruggehouden. Zij allen zijn van het vasten ontslagen, in dier voege, dat zij zoo dikwijls eten mogen, als het hun noodzakelijk is; maar zij moeten zich nochtans van vleesch onthouden en behooren het te betreuren, dat zij niet in staat zijn, het vastengebod der Kerk te volbrengen, waardoor zij zooveel verdiensten verzamelen en hunne zonden afboeten konden. Derhalve behooren zij ook het vasten door gebed, door aalmoezen en andere goede werken te vervangen.

35

ocr page 82

54 INLEIDEND ONDERIUCHÏ OVER HET KERKELIJK JAAR.

Hoe zondigt men tegen het vastengebod?

1) Door willens en wetens zonder voldoende reden vleesch te eten; 2) door tweemaal daags zijn volkomen nooddruft te nemen; 3) door meermalen gednrende den dag te eten; doch een zeer geringe hoeveelheid van spijs breekt het vasten niet; 4) door al te kostbare, uitgezochte en langdurende maaltijden, slemperijen en buitensporige vermakelijkheden.

Is het niet geoorloofd 's avonds te eten ?

De eerste Christenen waren zoo ijverig in de boetpleging, dat zij zich met een enkelen eii zeer geringen maaltijd, dien zij 's avonds namen, tevreden stelden. Wijl echter de ijver voor de boetvaardigheid steeds flauwer werd, liet de Kerk, als een goede Moeder, toe, dat men buiten het gewone middagmaal, ook des avonds nog een weinig nemen kon, bijna zooveel als het vierde deel van een gewonen maaltijd, of om niet al te angstig daarin te werk te gaan, zooveel als voldoende is, ten einde zonder al te groote bezwaarnis en verzwakking der krachten 's anderen daags zijn gewone bezigheden te kunnen verrichten; want volstrekt geen bezwaar door het vasten te willen ondergaan, staat gelijk met niet te willen vasten.

BEMERKING. In het ondcrriclit over de veertigdaagsche Vaslen kan men lezen, met welke goede meening men vaslen moet, en wat men verder nog over hel vasten behoort te weten.

Onderricht voor den Advent.

Wat beteekent en wat is de Advent?

Advent beteekent komst, en hierdoor wordt de tijd verstaan, die het Feest der geboorte van Jesls-Christls of zijner eerste zichtbare komst in deze wereld voorafgaat. De Advent is een tijd van voorbereiding tot het Kerstfeest.

Met welk doel heeft de Kerk den Heiligen Advent ingesteld?

i) Opdat wij ons met den geest zouden verplaatsen in de tijden, die de geboorte van Jèscs-Curistus voorafgegaan zijn, om met de Heilige Oudvaders den Hemel vurig te smeeken.

ocr page 83

onderricht voor den advent.

dat Hij zich gewaardige den Heiland te zenden; 2) opdat wij het geheim der Menschwording van Christus ijveriger betrachten en de liefde, den ootmoed en het geduld, ons door zijn verlossingswerk betoond, met een dankbaar hart zonden overwegen; 5) dat wij ons tot het Feest der Geboorte van Jesus Christus of zijner eerste zichtbare komst in deze wereld, door een ware boetvaardigheid, door gebed, vasten, aalmoezen en andere godvruchtige werken zonden voorbereiden, en ons dei-genade, welke Hij ons verdiend heeft, waardig maken, opdat Hij ons bij zijn tweede komst ten oordeel genadig moge wezen. De Advent is dus een tijd van verzuchting naar den Verlosser, een tijd van geestelijke overweging en van boetvaardigheid. Verschillende vreugdewekkende gebeden worden derhalve bij de godsdienst-oefeningen weggelaten, de Priesters zijn bij de kerkelijke diensten in paars gewaad, dal een zinnebeeld van ootmoed en boetvaardigheid is, gekleed. Om dezelfde reden zijn ook door de Kerk Vastendagen ingesteld en alle luidruchtige vermaken, plechtige bruiloften, enz. verboden. Hoe ondankbaar jegens God, hoe ongehoorzaam jegens de Kerk, hoe onbillijk jegens zich zeiven zijn dus niet al degenen, die dezen heiligen tijd zonder heilige en vrome gedachten, zonder lezen van een stichtend boek, zonder goede werken, zonder tot de H. Sacramenten te naderen, helaas, misschien zelfs wel in zondige en ijdele vermaken doorbrengen!

Waaraan herinneren de vier weken van den Advent?

Aan de vier duizend jaren, die van de schepping der wereld tot aan de geboorte van Christus zijn verloopen, en waarin Hij herhaalde malen door God beloofd, door de menschen vurig verlangd, door de Profeten voorspeld, en door menigvuldige zinnebeelden voorgesteld werd.

Gebed in den Advent.

0 God, die de wereld door uw genadevolle komst verheugt, verleen ons de genade, dat wij ons door een ware boetvaardigheid waardig daartoe voorbereiden!

55

ocr page 84

ONDERRICHT VOOR DEW

Onderricht voor den eersten Zondag van den Advent.

Deze Zondag is de eerste dag van den Advent en van het Kerkelijk jaar. Op dien dag begint de Kerk de komst des Heilands te overwegen en daarnaar te verzuchten met de Oud-vaders, wier smeekingen zij zoowel heden als gedurende den Advent onder hare gebeden mengt. Dit doet zij, om in hare kinderen een vurig verlangen naar die komst, en een heil-zamen smaak in het overwegen der Goddelijke Geheimen op te wekken, maar vooral ook om hen tot een ware boetvaardigheid over hunne zonden aan te sporen, wijl de zonde alléén een hinderpaal is voor die genadevolle komst. Derhalve zingt zij bij den Ingang der Mis uit Psalm XXIV: »Tot U, o Heer! heb ik mijne ziel verheven; o mijn God! op U betrouw ik, geef, dat ik niet beschaamd worde, en mijne vijanden niet met mij spotten; want allen, die U verwachten, zullen niet teleurgesteld worden. Doe mij uwe wegen kennen, o Heer! leer mij uwe paden onderscheiden. Eere zij den Vader, en den Zoon, en den H. Geest, gelijk hel was in den beginne en nu en altijd, in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

Gebed der Kerk.

Wij bidden U, o Heer! toon uwe macht en kom, opdat wij door uwe bescherming van de dreigende gevaren onzer zonden verlost en door uwe hulp zalig worden, die leeft en heerscht met God den Vader in eenheid des H. Geestes, God door alle eeuwen der eeuwen. Amen.

EPISTEL; Les uit den Briefaan de Romeinen, XIII,11 14.

Broeders, wij weten, dat het reeds de ure is, om uit den slaap te ontwaken. Want nu is onze zaligheid meer nabij, dan toen wij geloovig werden. De nacht is voorbijgegaan, en de dag nabij gekomen. Laat ons dan de werken der duisternis afleggen, en aandoen de wapenen des lichts! Laat ons, als bij dag, welvoegelijk wandelen: niet in brasserijen en dron-kenschappen, niet in slaapkamers en onkuischheden, niet in twist en afgunst ! Maar doet aan den Heer Jesus-Chiustus, en niet het vleesch tot begeerlijkheden!

56

ocr page 85

eerstkh zondag van den advent.

Wat leert ons de H. Paulus in deze Les?

Nadat hij den Romeinen de plichten van een Christelijk leven voldoende verklaard heeft, vermaant hij hen ze ook uit te oefenen.

Wat wordt onder het zinnebeeld van den slaap verstaan?

De slaap der zonde ol een lauw, traag, wellustig, doorgaans een zondig leven. Ps. LXX, 6. Isai. XXIX, 8.

Wat wordt hier door nacht en dag verstaan?

De nacht is de tijd van dwaling, van zonden of van het

leven op deze aarde; de dag is de tijd des heils eu der

heerlijkheid, die een dag zonder nacht, dat is, zonder dwaling en zonde zijn zal.

Waarom zegt de H. Paulus: »nu is onze zaligheid meer nabij danquot;, enz.?

De H. Paulus wi! hierdoor zeggen: vermits wij thans reeds een groot deel van ons leven in het geloof in Christus hebben doorgebracht, zijn wij nu ons heil, de eeuwige zaligheid, meer nabij, dan toen wij eerst begonnen te gelooven, dan toen wij gedoopt en door het Doopsel onder het getal der geloovigen opgenomen werden. Daarom moeten wij ook den slaap dei' zonde vaarwel zeggen en waakzaam (ijverig in het goede) zijn, opdat wij ons heil niet verliezen, nadat wij het reeds zoo dicht genaderd zijn!

Wat zyn werken der duisternis?

De zonden, voornamelijk die, welke men in het geheim of bij nacht bedrijft, wijl men zich daarover vóór God en vóór de menschen schamen moet.

Wat zyn wapenen des lichts?

De werken des geloofs, der genade en der deugd, waardoor men, als met geestelijke wapenen, den duivel, de wereld en het vleesch bestrijden moet. (Vergelijk hiermee den Epistel van den XXI Zondag na Pinksteren en de verklaring daarvan.)

57

ocr page 86

onderricht voor den

Wat beteekent: als by dag welvoegelyk wandelen ?

Dit beteekent: zulke werken uitoefenen, die ons bij God en bij de menschen eer verwerven, en die men op klaar lichten dag en vóór het aanschijn van alle menschen durft verrichten. Een Christen, die in het Doopsel den duivel en al zijn hoo-vaardij heeft afgezworen, mag niet in brasserij en dronkenschap, in ontucht, enz. leven, maar moet Jesüs-Chrisïus aandoen, dat is, hij moet in gevoelens en in handelingen Christus navolgen, en zijne ziel door die navolging als mei een kleed versieren.

Verzuchting. Ach, verleen ons toch, o Jesus! dat wij uit den slaap onzer zonden door de boetvaardigheid opstaan, dooide beoefening van goede werken in het licht uwer genade wandelen, door de navolging uwer deugden ons met U bekleeden en hierdoor onze ziel als met een kleed mogen versieren.

Evangelie volgens den H. Lucas XXI, 25-33.

In dien lijd sprak Jesus tot zijne leerlingen : Er znllen teekenen zijn in zon, en maan^ en sterren, en op aarde angst onder de volken, van vervaardheid over het gebruis van zee en golven : en de menschen zullen bezwijken van schriken de verwachting der dingen, die der gansche wereld zullen overkomen; want de krachten der hemelen zullen beroerd worden. En alsdan zullen zij den Zoon des menschen zien komen in eene wolk, met groote macht en heerlijkheid. Als nu deze dingen beginnen te geschifden, ziet omhoog, en heft uwe hoofden opwaarts : want uwe verlossing is nabij. En Hij sprak tot hen eene gelijkenis : Ziet den vijgeboom en alle de boomen. Als zij alreeds uit zich vrucht toonen, weet gij, dat de zomer nabij is. Zoo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, weet, dat het rijk Gods nabij is. Voorwaar, Ik zeg u^, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat alles geschiedt. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan; maar mijne woorden zullen niet voorbijgaan.

58

ocr page 87

fels:.?

eersten zondag van den adtent. 59

Waarom wordt heden het Evangelie van het laatste oordeel gelezen?

De Kerk wil ons gedurende den Advent, door de boetvaardigheid tot de geestelijke komst des Heilands in onze zielen, welke op Kerstnacht zal plaats hebben, voorbereiden, en hiertoe vindt zij geen geschikter middel, dan ons zijn schrikverwekkende komst ten oordeel voor oogen te stellen. Inderdaad niets kan en moet ons een grooteren afkeer van de zonde inboezemen en ons meer tot het goede aansporen dan do gedachte, dat de Zoon Gods eens in het oordeel alle kwaad en alle goed aan de wereld openbaren en het goed eenwig Iconen en het kwaad eeuwig straffen zal! 0 mochten toch alle menschen dien wensch der Kerk volgen! Mochten allen, die in staat van zonde zijn, het Heilig Sacrament der Biecht weldra waardig ontvangen, om met God verzoend en weder kinderen van God te worden. Mochten allen, die met grond hopen in staat van genade te zijn, zich toch wel wachten dien slaat ooit door een zware zoude, zooals gramschap, onkuisch-heid, dronkenschap, gierigheid, nijd, enz. te verliezen, maar zicli integendeel beijveren, om in gerechtigheid en heiligheid toe te nemen en de gaven der genade Gods altoos getrouw eu tot hunne volmaking te gebruiken. »Doet boete en beheert u, opdat uwe zonden uitgedelgd worden.quot; Hand. der Apost. XIII, 19 »Wie rechtvaardig is, worde nog rechtvaardiger, en wie heilig is, worde nog heiliger.quot; XXII, 11,

Welke teekenen zullen het laatste oordeel voorafgaan?

De zon zal verduisteren, de maan geen licht meer geven en de sterren zullen haren glans verliezen. De hemelen zullen krakend in puin storten, de elementen branden en versmelten, en de aarde, met alles wat daarop is, zal door het vuur worden verzwolgen (II Petr. III, 10). Het gebouw der wereld zal op Gods bevel en door zijne kracht vernietigd worden, de zee zal bruisen en zieden; verschrikkelijke stormen zullen woeden, een huiveringwekkende toestand van woesten strijd en van verstoring zal de plaats innemen van den vrede en de rust.

Uél-''k

M'i

'i!r . gt; 5 ♦ÏK i.

m.vèi

F ,*! °i si

S'.ÏB!' tl -W

liqH

gj' Bquot; ,0 Jr' 1 •

r '1 ■ »

««i w. i

mm

! MM

H.

mM «hl

ocr page 88

ondekbicht voor den

die de aarde thans bezit, In één woord, cr zullen alsdan zulke rampen en onheilen over de wereld komen, dat de menschen van angst niet meer zullen weten, waarheen zich te wenden; zij zullen bezwijken van vrees door de verwachting der dingen, die alsdan komen. En bovendien zal het teeken van den Zoon des menschen, het H. Kruis, tot schrik der zondaars, die het gehaat, en tot (roost der rechtvaardigen, die het bemind hebben, aan den hemel verschijnen. Matth. XXIV, 30.

Waarom zal dit alles geschieden?

Omdat de menschen de schepselen zoo buitensporig, eti meer dan den Schepper beminnen, en tot zijn oneer misbruiken, zal Hij hen, tot schrik en straf der menschen, op een zoo huiveringwekkende wijze bezoeken. nZijn ijver zal de wapenen opvatten en de schepselen toerusten, om over de vijanden wraak te nemen.quot; Boek der Wijsh, V, 18. De zondaars zullen alsdan te vergeefs en te laat betreuren, dat zij hun hart aan dingen gehecht hebben, welke zulk een verschrikkelijk einde nemen.

Waarom beveelt de Heer den Christenen bij dit alles het hoofd te verheffen, wijl de Verlossing nabij is ?

Dit betreft slechts de rechtvaardigen, die zoo lang zij op aarde leven in een aanhoudende gevangenis en als in ballingschap zijn, en eerst door het laatste oordeel in een staat van volmaakte vrijheid, in hun vaderland, in het Hemeliijk, waar-naai' zij zoo lang verzucht hebben, met lichaam en ziel zullen worden overgeplaatst. Deze hebben dus de grootste reden, alsdan hun hoofden te verheffen en om zich te verheugen.

Hoe zal het laatste oordeel beginnen?

De Engelen zullen op Gods bevel alle menschen door het geschal der bazuinen ten oordeel oproepen. 1 Thess. IV, 15. De lichamen der afgestorvenen zullen zich alsdan met hunne zielen vereenigen. Matth. XXV, 33. Alle Engelen en duivelen zullen er ook tegenwoordig zijn, en Ciinisms zelf zal als Goddelijke Rechter op een schitterende wolk met zulke macht en

60

ocr page 89

eersten zondag van den advent.

heerlijkheid verschijnen, dat .de zondaars Hem van vrees en schrik niet durven aanzien, maar lot de bergen zullen zeggen: Valt op ons; en tot de heuvelen: Bedekt ons. Luc. XXIII, 30.

Hoe zal het oordeel gehouden worden ?

Het boek der gewetens zal opengeslagen en daarnaar zullen alle menschen geoordeeld worden (Openb. XX, 21), dat wil zeggen: alle goede en kwade gedachten, woorden en werken, ook de verborgenste, die aan God alleen bekend zijn, zullen geopenbaard en der gansche wereld zoo bekend gemaakt worden, alsof zij elkeen voor het hoofd geschreven stonden; en volgens deze zal een ieder geoordeeld, dat is, eeuwig beloond ol eeuwig gestraft, worden. Groote God ! als men in het oordeel over elk ijdel woord rekenschap moet afleggen (Matth. XII, 26), hoe zal men dan zoo vele zondige, ergerlijke gesprekken en daden kunnen verantwoorden?

Waarom zal God een algemeen en openbaar oordeel houden ?

De redenen, waarom God, behalve het bijzonder en geheim oordeel, dat ieder mensch oogenblikkclijk na zijnen dood ondergaat, nog een algemeen en openbaar oordeel houden zal, zijn de volgende: 1) Opdat duidelijk blijke, hoe rechtvaardig Hij in het bijzonder oordeel over ieder heeft geoordeeld; 2) Opdat de lichamen, wier verrijzenis ot herleving bij het laatste oordeel zal plaats hebben, als werktuigen der zonde of der deugd ook hun oordeel, dat is, hun aandeel in de belooning of bestraffing der zielen verkrijgen; 3) Opdat den arme, die onrechtvaardig verdrukt en den rechtvaardige, die onschuldig vervolgd werd, dat recht wedervare, hetwelk beiden op deze aarde nergens verkrijgen konden; en opdat de goddeloozen, die de godvreezenden beangstigden en daarenboven nog voor eerlijke, ja voor godvruchtige lieden werden aangezien, in tegenwoordigheid der gansche wereld beschaamd worden. Op die wijze zullen Christus en al degenen, die om dei- gerechtigheids wille vervolging leden, in hunne rechten hersteld, en de Joden en al degenen, die als de Joden Christus door hunne zonden gekruisigd hebben, met schaamte overladen worden. Het laatste

61

4 ■ Hit

-----«1 «. rl

mus

Ï i

I

m'il

fAbi

th In'*

ié 'h

'ÏM ' ■'if

ocr page 90

onderricht voor den

of algemeen oordeel zal plaats hebben: 4) Opdat God, die somtijds toelaat, dat de deugdzame op aarde ongelukkig en de booze daarentegen gelukkig is, gerechtvaardigd worde; want, die dag zal toonen, dat God hierin zeer wijs gehandeld heeft;

5) Opdat de verdoemden ook de goedheid God?» leeren kennen, wel is waar niet tot htm voordeele en tot hun troost, maar tot hun grootere smart, naardien zij met droefheid zullen zien, hoe God ook het geringste, wat men te zijner liefde gedaan of geleden heeft, ja zelfs een dronk koud water, dien men eenen dorstige in zijnen naam gaf, even zoo beschouwt en beloont, alsof men dit Hem zeiven hadde gedaan;

6) Om de menschen door de gedachte aan dit openbaar en algemeen oordeel van het kwaad af te houden en tot het goede aan te sporen.

Verzuchting. Gij zijt rechtvaardig, o Heer! en rechtvaardig is uw oordeel. Ach ! doordring mijne ziel met een heilzame vrees voor dit oordeel, opdat ik daardoor voortdurend van het kwaad weerhouden en tot het goed opgewekt worde. 0! kon ik toch met den boetvaardigen Hieronvmus zeggen: «Hetzij ik ete of drinke of iets anders verrichte, steeds schijnt mij de verschrikkelijke stem der bazuin in de ooi en te klinken: Dooden, staat op en komt ten oordeel! quot;

Onderricht voor den tweeden Zondagvan den Advent.

De Kerk spreekt op den huidigen Zondag weder zoowel in het Oilicie der Priesters als in de gebeden der H. Mis over de tweevoudige komst van Christus, om ons door zijn genaderijke komst (bij zijn geboorte) tot vreugde, en door zijn ontzettende komst (in het oordeel) tot een heilzame vrees op te wekken. Tot dat einde zingt zij bij den Ingang der Mis uit Isaus XXX; «Volk van Sion, de Heer zal komen, om de volkeren te redden; de Heer zal de heerlijkheid zijner stem doen hooren tot vreugde uws harten. Ps. LXXIX, 2. Hoor gij, die Israël regeert, die Jozef als een schaap geleidt. Eere zij den Vader, enz.

62

ocr page 91

tweeden zondag van den advent.

Gebed der Kerk.

Heer, wek onze . hapten op, om de wegen van uw eenig-geboren Zoon te bereiden, opdat wij door zijne komst mogen verkrijgen, U steeds met een zuiver gemoed te dienen, die met U heerscht en leeft, enz.

EPISTEL: Les uit den Brief aan de Romeinen, XV, 4-13.

Broeders, al hetgeen geschreven is, is tot onze leering geschreven, opdat wij door de lijdzaamheid en de vertroosting der Schriften de hoop behouden. En de God der lijdzaamheid en der vertroosting geve u, jegens elkander hetzelfde gevoe len te hebben, volgens Jksüs-Cukistus, opdat gij eendrachtig uit éénen mond den God, en Vader van onzen Heere Jesus-Christus verheerlijkt. Neemt daarom elkander aan, gelijk ook Christus ii heeft aangenomen tot verheerlijking Gods! Want ik zeg, dal CiHristüs Jesus dienaar geworden is van de besnijdenis om de waarachtigheid Gods, om de beloften der vaderen te bevestigen; en dat de Heidenen over de barmhartigheid Gods zouden verheerlijken, gelijk geschreven staat: Daarom zal ik U, o Heere! belijden onder de Heidenen, en uwen naam psalmzingen. En wederom zegt zij: Juicht, o Heidenen! met zijnen volke! En wederom: Looft den Heere, alle Heidenen! en prijst Hem, alle volken! En wederom spreekt Isaias: Er zal zijn de wortel van Jesse, en die opstaan zal, om over de heidenen te regeeren: op Hem zullen de Heidenen hopen. De God nu der hoop vervulle u met alle blijdschap en vrede in het ge-looven; opdat gij overvloedig zijt in de hoop, en de kracht des H, Geestes!

Wat leert de H. Paulus in deze Les?

De Joden en Heidenen, die het eerst Christen geworden waren, hadden zich ouder verschillende voorwendsels van elkander gescheiden, doordien zich de Joden ter bespotting van de Heidenen beroemden, dat de Heiland volgens Gods beloften uit het Joodsche geslacht ontsproten was en dat zij bij gevolg meer aanspraak op Hem hadden. De Heidenen, daarentegen, verweten den Joden de afschuwelijke ondankbaarheid, waaraan

63

ocr page 92

onderricht voor den

deze zich door de kruisiging des Verlossers hadden schuldig gemaakt. Om nu die oneenigheden te stillen en de bekeerde Joden en Heidenen weer met elkander te verzoenen, zegt P\u-lus, dat zij beiden reden hebben, om God te loven, aan wiens genade en barmhartigheid zij alles te danken hebben, en dat de Heidenen zoowel als de Joden in Christus eenen Verlosser bezitten en het heil van Hem verwachten moeten, waartoe zij elkander, door hunne tweedracht en onverdraagzaamheid, geen behulpzame hand bieden. — Ook wij hebben reden, om God te loven en te danken, dat Hij ons in onze voorouders, die nog Heidenen waren, tot het Christen geloof heeft geroepen, en wij moeten ook zorgvuldig toezien, dat wij onze zaligheid door hoogmoed, tweedracht, nijd, haat, ontucht, enz. niet verliezen.

Waartoe dient de H. Schrift ?

De H. Paulus leert, dat zij tot onze onderrichting geschreven is, opdat wij zouden leeren geduldig zijn. Zij spoort ons verder door woorden en voorbeelden tof geduld aan, vertroost ons door die woorden en voorbeelden, in het bijzonder door de belofte der toekomstige en eeuwige goederen, en verblijdt ons met de hoop, dat wij die goederen eens zullen bezitten. De H. Paulus verklaart zich hieromtrent nader in den Tweeden Brief aan Timothels Hl, 16, alwaar hij zegt, dat de H. Schrift nuttig is tot onderrichting, tot overtuiging, tot verbetering, tot opleiding in de rechtvaardigheid, opdat de mensch, die zich Gode heeft toegewijd, volmaakt en tot elk werk geschikt worde.

Waarom wordt God een God van geduld, van troost en hoop genoemd ?

Wijl Hij de oorsprong daarvan is en wij, als wij een vast en levendig geloof hebben, met volkomene vreugde, met volmaakten vrede vervuld worden, zoodat wij met geduld, troost en hoop als overladen zijn.

Verzuchting. 0 Cod van geduld, van troost en hoop, vervul onze harten met vreugde en vrede en verleen ons, dat wij door het geloof in alle goed volmaakt worden, en de ons beloofde zaligheid mogen verwerven.

64

ocr page 93

tweeden zondag van den advent.

IM*' :-i

^ it, K* ■.? -4

65

Evangelie volgens den H. Mattheus XI. 2-10.

amp; #|| O,' j

jl'tf ^ (lm..*

(A.tiarjW üfr

k

a ïiU'M

■

mm

:^lr;

In dien tijd ; -als Joannes in de gevangenis de werken van Christus hoorde, zond hij twee zijner leerlingen, en liet Hem vragen : Zijt Gij het, die komen moet ? Of hebben wij eenen anderen te verwachten ? En Jesus antwoordde^ en sprak tot hen : Gaat en boodschapt aan Joannes, hetgeen gij gehoord en gezien hebt : blinden zien, kreupelen wandelen, melaat-schen worden gezuiverd, dooven hooren, dooden verrijzen, den armen wordt het Evangelie verkondigd ; en zalig is hij, die aan mij niet geërgerd wordt. Als zij dan weggingen, begon Jesus lot de scharen over Joannes te zeggen : Wat zijt gij in de woestijn gaan zien ? Een riet door den wind bewogen ? Maar wat zijt gij gaan zien ? Een mensch ia zachte kleederen gedost? Ziet, die in zachte kleederen gedost zijn, die zijn in de huizen der koningen. Maar wal zijt gij gaan zien ? Eenen profeet ? ja, Ik zeg u, en meer dan een^ profeet. Want deze is het, van wien geschreven staat: Ziet, ik zend mijnen Engel voor uw aangezicht, die uwen weg voor u bereiden zal.

quot;Waarom werd Joannes in de gevangenis geworpen ?

Wijl hij Koning Herodes over diens inisdadigen omgang mot de vrouw van zijnen broeder, de ontuclitige Herodias, berispt eu tot bekeering aangespoord had. Joannes werd naderhand om dezelfde reden onthoofd. Matth. Vf. 17. Bewaarheid is, volgens bet onde spreekwoord, eene zeer scboone moeder, maar zij baart een afschuwelijk kind, den haat. Dit echter moet ons niet beletten, de waarheid te zeggen, wanneer wij er toe verplicht zijn, al werden wij dan ook daarom met een groot ongeluk bedreigd, want het is edeler en voor het heil onzer ziel nuttiger, dat wij met Joannes martelaars der waarheid worden, dan dat wij met vleien den lof van slechte menschen verwerven.

H

'H1 \tL

,1 M;

m Ki

wö'-V» i nsv'J

? i: .«♦Ir' •!

tgvlt

I.'*«.!- fel

h

ocr page 94

oniierricht voor dkn

Waarom zond Joannes zjjne leerlingen tot Jesus ?

Opdat zij door Christus zeiven in het geloof in Hem, als den beloofden Messias, zonden onderwezen worden. Een sclioone les voor alle oversten, huisvaders en moeders, waardoor hnn geleerd wordt nauwkeurig te zorgen, dat hunne onderhoorigen in zaken van geloof en godsdienst goed onderwezen worden. De gehechtheid der leerlingen van Joannes aan hunnen meester gedurende zijn gevangenschap toont ons, dat wij te allen tijde onzen geestelijken leeraren en oversten moeten getrouw blijven.

Waarom zegt Christus tot de leerlingen van Joannes niets dan: «Gaat en zegt aan Joannes : de blinden zien, de kreupelen wandelen,quot; enz.?

Opdat zij uit de wonderen, welke Hij verrichtte, zouden opmaken, dat Hij werkelijk de beloofde Messias is, van wien de Profeten soortgelijke wonderen voorspeld hadden. Isvias XXXV, 3, 6. LXI, 1. enz.

Waarom voegt Jesus er bjj: Zalig is hij, die aan my niet geërgerd wordt ?

Hij doet dit wegens degenen, die Hem, om zijne armoede, zijne nederigheid en zijn smartvol lijden en sterven aan het kruis, verachten en verwerpen zouden, daar toch, zoo als de H. Grehorius zegt, de menschen den Heer Jesus des te meer lof en dank verschuldigd zijn, naarmate Hij meer voor hunne zaligheid heeft geleden.

Wat bedoelen de vragen, welke Jesus over den H. Joannes stelt?

Hij wil daardoor 1) de standvastigheid van den H. Joannes prijzen, die zich noch door de macht van Herodes, noch door vrees voor kerker en dood liet afschrikken, om zijn ambt getrouw te vervullen. Joannes geeft hiermede aan alle menschen, maar in het bijzonder aan predikanten, biechtvaders en oversten, een treffend voorbeeld, waardoor hij hun leert, dat zij zich noch door menschelijk opzicht, noch door andere tijdelijke inzichten moeten laten afschrikken, om steeds de

66

ocr page 95

tweeden zondag van den advent.

waarheid te zeggen, de leugen en de vervalsching der waarheid te bestrijden, om het recht altoos recht en het onrecht altoos onrecht te noemen, om het goede te beloonen en het kwade te bestraffen, om overal en te allen tijde, zonder nevenbedoelingen, slechts volgens de ingeving van hun geweten, hunnen plicht te vervullen. Christus wil 2) daardoor de boetvaardigheid van Joannes prijzen, welke deze door zijne afzondering van de wereld, door zijne onwrikbare gehechtheid aan God en aan de Goddelijke geboden, door de versterving zijns lichaams, door zijne ruwe kleeding en zijn karig voedsel heeft uitgeoefend (Matth. Ill, 4), en ze ons ter navolging aanbevelen. Wie waarlijk boetvaardigheid doen wil, moet de wereld en hare slechte gezelschappen vermijden, in zijne goede voornemens standvastig blijven, behoort zijn lichaam als een oproerigen knecht, dien men hard behandelen, onderwerpen en kastijden moet, maar niet als eenen afgod, te beschouwen aan wien men allerlei offers van vermaak en zinnelijkheid opdragen mag. Hoeveel ware boetvaardigen zullen derhalve nog onder de hedendaagsche menschen gevonden worden ?!

quot;Waarom zegt Christus, dat Joannes méér is dan de Profeten ?

Wijl Joannes zelf door de Profeten was voorspeld geworden (Malach. Ill, 1) en wijl hij den door de Profeten voorspelden Messias met zijne oogen gezien, der wereld gepredikt en aangekondigd had; of wijl hij door een wonder ontvangen werd, door een wondei' de komst des Verlossers in den schoot zijner moeder gevoeld en zijner moeder bekend gemaakt, door een wonder bij zijne besnijdenis de tong zijns vaders ontbonden en zulk een heilig leven geleid had, dat het eerder het leven eens Engels, dan dat eens menschen scheen te wezen.

Hij trachtte de Joden door zijne boetpredikatiën le bewegen, hunne harten door verbetering huns levens tot het ontvangen der Goddelijke genade geschikt te maken. Gelijk de eene mensch onmogelijk tot den anderen komen kan, tenzij een weg daartoe geleide, even zoo onmogelijk kan God tot ons

67

ocr page 96

0nder1ucht voor dkn

komen, tenzij wij Hem door eene ware boetvaardigheid den weg in onze harten voorbereiden. Indien gij geen boete doet, zult gij allen op gelijke wijze omkomen.

Troost in lijden en wederwaardigheden.

De God der lijdzaamheid, der vertroosting en der hoop ver-vuile u met alle blijdschap en vrede in hel geloot en. Rom. XV, 5 en dS.

Wat kan ons het best in wederwaardigheden vertroosten?

Bij wederwaardigheden zullen wij het best troost vinden, 1) wanneer wij vast gelooven, dat onze lotgevallen, goede of kwade, van God komen, en lot ons welzijn dienen en dat ons geen onheil treilen kan, tenzij door schikking of toelating der Goddelijke Voorzienigheid. Goed en kwaad, leven en dood, armoede en rijkdom komen van God. Eccl. XI, 14. A Is wij het goede gaarne uit Gods hand ontvangen, waarom zouden wij dan ook het kwade niet aannemen? Job. II, 10; 2) wanneer wij de vaste overtuiging hebben, dat zonder Gods wil geen haarspier van ons hoofd vallen kan (Luc. VI, 7), en dat veel minder eenig ongeluk ons zonder dien wil, noch door den duivel, noch door de inenschen kan worden aangedaan; 3) wanneer wij vast betrouwen, dat de tegenspoed tot onze eeuwige zaligheid strekken zal en dat God ons daarin helpen kan en wil, als wij zijne hulp inroepen. Tol zulk een vertrouwen spoort God zelf ons aan als Hij zegt: Hoep mij op den dag der verdrukking aan: Ik zal u verlossen en gij zult Mij eer en. (Ps. XLIX, 15. En: »Kan eene vrouw, zegt Isaias XLIX, 15, wel haar kind vergeten, zoodal zij zich niet ontferme over den zoon van haren schoot? En als zij het ook vergeten zoude. Ik nochtans zal u niet vergeten ! Zie, Ik heb u in mijne hand opgeieekend.quot; vIndien God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?'quot; Romein. V, 31; 4) wanneer wij de heerlijke belooning overwegen, die den gednldigen in het toekomstige leven zal ten deole vallen, want de tegenspoed, die slechts kortstondig en voorbijgaande is, verschaft ons in den Hemel eene eeuwigdurende en overvloedige zaligheid. II Gor. IV, 17; 5) wanneer wij bedenken, dat het ons volstrekt niet baat Gods beschikking te weerstaan.

68

ocr page 97

tweeden zondag van den advent.

want allen, die dit gewaagd hebben, zijn beschaamd geworden. God, zegt Job, IX, 4, is een God van wijsheid en kracht: wie weêrstaat Hem en heeft vrede? 6) wanneer wij bedenken, dat wij door onze zonden de eeuwige straffen der hel verdiend hebben, welke God ons echter, als wij het Heilig Sacrament der Biecht waardig ontvangen, door de verdiensten van Jesus Christus en zijne heilige genade vergeven wil. Zouden wij dan de tijdelijke straffen, die ons nog tot voldoening voor onze zonden in deze of in de andere wereld te lijden overblijven, niet niet geduld en vreugde verdragen? En wanneer ons de keuze overgelaten werd, in het vagevuur of op aarde te lijden, zouden wij dan dit laatste niet kiezen? zouden wij dan niet met den H. Avgustinus zeggen: ))Heer, kastijd, schroei en brand mij hier, maar spaar mij in het andere leven?!quot; 7) wanneer wij overwegen, dat het lijden het beste middel is, om ons van de zonden los te rukken en met God te vereenigen, alsmede om onze deugd te bewaren. Daarom zegt de H. Therezia: nGeschiede, wat geschiede, hoe meer droefheid, des te meer winst. En daarom wilde zij ook niet zonder lijden leven, en bad zij dikwijls: «Laat mij lijden, o Heer, of sterven!quot; Hierom zegt ook de Apostel: »Wien de Heer bemint, dien kastijdt Hij.quot; Hebr. XII, 6; 8) wanneer wij beschouwen, dat ook Christus door lijden de heerlijkheid moest ingaan, en dat wij, als wij aan zijn lijden deel nemen, ook deel zullen hebben aan zijne heerlijkheid. I. Petr. iV, 13; 9) wanneer wij Code alleen onzen nood klagen en in een ootmoedig gebed en dien met volle vertrouwen blootleggen, zoo als David en andere Heiligen gedaan hebben, die dan ook oogenblikkelijk hulp van den Heer verkregen,

Gebed in nood, getrokken uit de* Psalmen van David.

0 almachtige, goede en getrouwe God, die gezegd hebt: «Roep Mij op den dag der verdrukking aan. Ik zal u verlossen en gij zult Mij eer en,quot; zie, met volle vertrouwen op uw woord, neem ik tot U mijne toevlucht in allen nood. Geef derhalve eer aan uwen naam en red mij, indien het U belieft en mij voordeelig is, opdat allen erkennen mogen, dat Gij ten tijde van nood onze helper zijt!

69

ocr page 98

onderricht voor den

70

iiiquot; ' i ii gt;

Onderricht voor den derden Zondag van den Advent.

De Kerk spoort op dezen Zondag alle geloovigen tot vreugde aan, wegens de komst des Heilands en zingt bij den Ingang der Mis de woorden van den H. Paulls (Philip. IV, 4.) «Verheugt u altijd in den Heer, nogmaals zeg ik, verheugt u. Dat uwe zedigheid aan alle menschen bekend zij, want de Heer is nabij. Weest niet bezorgd, maar maakt Gode uwe wenschen door het gebed bekend. Ps. LXXXIV, 1. Heer, Gij hebt uw land gezegend: Gij hebt de gevangenschap van Jacob verwijderd. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Heer, verleen een gewillig oor aan onze gebeden en verlicht door uwe genadevolle komst de duisternis van onzen geest. Die leeft en heerscht, enz.

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Paulus aan de Philippensen. IV. 4-7.

Broeders, verblijdt u in den Heere te allen tijde! Wederom zeg ik: verblijdt u! Uwe zedigheid zij allen menschen bekend! De Heere is nabij. Weest in niets bezorgd, maar laat in alles door het gebed en de smeeking, mot dankzegging, uwe wenschen bekend worden bij God. En de vrede Gods, die alle begrip te boven gaat, beware uwe harten, en uw verstand in Chiustus Jf.sls !

Wat béteekent: Zich in den Heer verblijden?

Dit beteekent, zich verheugen over de door Hem volbrachte verlossing der menschen; ook, zich verblijden, dat men tot het ware geloof is geroepen, dat men hoopt de eeuwige zaligheid ie bekomen en onder Gods bescherming staat, en eindelijk zich verheugen, zoo als de H. Paulus deed, over het lijden en de vervolgingen, welke men om Gods wil verdragen moet, wijl dat alles snel voorbijgaat en dood en oordeel weldra volgen, waarna den rechtvaardigen voor bun lijden eene groote heerlijkheid zal ten deele vallen.

1

| 1

1

II i

lil i i

» !

II '

r

ocr page 99

dkrden zondag van ben advent.

Wat leert ons de H. Paulus nog in deze Les ?

Hij vermaant ons, door zedigheid en eenen stichtenden levenswandel, aan elk een goed voorbeeld te geven. Verder waarschuwt hij ons tegen de onmatige zorg voor tijdelijke dingen, en wil, dat wij al onze zorg op God werpen, die ons, wanneer wij Hem in onze behoeften ootmoedig en vol vertrouwen ter hulp roepen, en ons voor de weldaden, die wij reeds ontvangen hebben, dankbaar betoonen, niet zal verlaten; want daar Hij voor het kleinste dier zorg draagt, hoe zou Hij dan ook niet voor ons zorgen, wanneer wij ons te zijnen opzichte als goede kinderen gedragen?

Waarin bestaat de vrede Gods?

In een goed geweten, waarover zich de II. Paulus buitenmate verheugt. II Cor. I, 12. Deze vrede of deze gerustheid des harten heeft alle martelaars in den marteldood, en vele anderen, die om de gerechtigheid leden, vertroost. Matth. V. Er is geene grootere vreugde denkbaar dan die, welke uit een goed geweten ontstaat. Men moet ze zelf gevoeld hebben, alvorens men ze kan begrijpen. Een goed geweten is ook de beste troost in ongeluk. Waarom, vraagt de H. Chrvsostomüs, vreezen wij den dood? Omdat wij geen goed geweten hebben. Indien wij een goed geweten hadden, zou noch dood, noch hongersnood, noch verlies van fortuin ons vrees aanjagen; want niets van dat alles kan den deugdzame ter neerslaan, noch hem het inwendig geluk ontrooven. Wie zich (zoo als de deugdzame) met de heerlijkste verwachtingen (des eeuwigen levens) voedt, dien kan niets ter neêrdrukken.

Verzuchting. De vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, beware onze harten in Jesus-Christus onzen Heer. Amen.

Evangelie volgens den H. Joannes 1, 19-28.

In dien tijd zonden de Joden, uit Jerusalem Priesters en Levieten tot Joannes, om hem te vragen : Wie zijt gij? En hij beleed, en loochende het niet; en beleed : Ik ben de Christus niet. En zij vraagden hem: . Wal dan ? Zijt gij Elias ? En hij zeide ; Ik ben die

^ •' . . *1*];. ' i r' ift hi if ■ *1

J-k vi

if I

mi

MM

Of|:: Ö

l''L M* s id

■SW Hll

1\

I ^.1I

MM ■■

; %

mi

Kvp5?j|

ocr page 100

ONDKURICHT VOOR DEIS

niet. Zijt gij de Profeet? En hij antwoordde: Neen. Zij zeiden dan tot hem : Wie zijt gij, opdat wij antwoord geven dengenen, die ons gezonden hebhen. Wat zegt gij van u zeiven ? Hij zeide : Ik ben eene stem des roependen in de woestijn : Maakt recht den weg des Heeren ! gelijk de Profeet Isaus gesproken heeft. En de afgezondenen waren uit de Parizeen. En zij vraagden hem, en zeiden tot hem : Waarom doopt gij dan, zoo gij de Christus niet zijt, noch Elias, noch de Profeet? Joannes antwoordde hun, en zeide: Ik doop met water; maar midden onder u heeft Hij gestaan, dien gij niet kent : Hij is het, die na mij komen zal, die voor mij geweest is : .wien ik niet waardig ben, zijnen schoenriem te ontbinden. Dit is geschied te Bcthanië, aan gene zijde der Jordaan, waar Joannes doopte.

Waarom zonden de Joden afgezanten tot Joannes, om hem te vragen: »Wie zijt gyquot;?

Omdat zijn leven wegens zijn streng vasten, zijne ruwe boetekleederen en zijne boetpredikatiën zoo buitengewoon en wondervol was, dat iiij meer op den Messias, die verwacht werd, dan op eenen gewonen mensch geleek. Luc. Ill, IS. «Wie zijt gij?quot; zoo vragen de menschen dikwijls uit ijdele nieuwsgierigheid, dikwijls echter ook met een slecht inzicht, om den handel en wandel van hunnen evenmensch te vernemen, zijne fouten en zwakheden te leeren kennen, ten einde ze tot een voorwerp hunner zondige gesprekken en veroordeelingen te maken. Ware het niet beter, de vraag: «Wie zijt gij?quot; tot ons zeiven te richten, om daardoor onze schuld en onze nietigheid vóór (joel te erkennen en ons tot ootmoed en verbetering van leven op te wekken.

Waarom vragen de Joden nog: «Zijt gy Elias of de

Profeet ?quot;

De Joden geloofden (volgens Malach. IV, 5. 6.), dat Elias, Jeremias of een ander der oude Proleten op aarde moest ko-

7-2

ocr page 101

dkrden zondag van dkn advent.

AT'iM quot; .

$ 15» 5 V ' j ■!

■Mm ^

75

men, alvorens de Messias zou verschijnen, om dien vooralquot; te gaan en om Hem den weg voor te bereiden. Wijl Joannes echter zeide, dat hij de Christus niet was, meenden zij, dat hij ten minste Elias of een der Profeten zoude zijn.

Waarom zegt Joannes, dat hij noch Elias noch de Profeet is ?

Hij was inderdaad, volgens den persoon, noch Elias noch de Profeet, die door de Joden verwacht werd, alhoewel hij, volgens zijne bevoegdheid en waardigheid, Elias was, daar hij vóór den Messias uitging in den geest en in de kracht van Elias. Luc. I, 17.

Hoe bereidt men den weg des Heeren vóór?

Door cene ware en werkzame boetvaardigheid, welke niet in enkel bieclitspreken, maar in waardige vruchten van boetvaardigheid bestaan moet. (Matth. 111, 8. Luc. 111, 11.)

Hoe brengt men waardige vruchten van boetvaardigheid

voort ?

Wanneer men na zijne bekeering God en de gerechtigheid zoo ijverig dient, als men vroeger den duivel en de zonde gediend heeft, en wanneer men derhalve Gode al zijne ledematen tot werktuigen der deugd opoifert, gelijk men ze vroeger tot werktuigen der zonde en der boosheid gebezigd heeft. Rom. VI, 19. Men doet waardige vruchten van boetvaardigheid, wanneer men den mond, die onkuische taal heeft gesproken, de ooren, die naar eerroovende gesprekken geluisterd, de oogen, die zich op ontuchtige dingen gevestigd hebben, voortaan gebruikt, om over Gode welgevallige dingen te spreken, daarnaar te hooren, daarnaar te zien; wanneer de buik, die vroeger aan brasserij en dronkenschap gewend was, zich thans onthoudt; wanneer de handen, die gestolen hebben, het gestolene teruggeven en werken van milddadigheid uitoefenen, enz. en wanneer in al deze gevallen de grootte der boetpleging dequot; grootte der bedrevene zonden evenaart. Zacheus (Luc. XXX.), Mattheus, (Matth. V.), Magdalena (Matth. VU.), Petrus (Matth. XXII.), Paulus (Hand. der Apost. IX.), enz. hebben soortgelijke vruchten van boetvaardigheid voortgebracht.

.quot;rart^ amp;

1 t'.x- 2

I

■

■

•lt;:

i

ocr page 102

onderricht voor igt;en

niet. Zijt gij de Profeet ? En hij antwoordde : Neen. Zij zeiden dan tot hein : Wie zijt gij, opdat wij antwoord geven dengenen, die ons gezonden hebben. Wat zegt gij van u zeiven ? Hij zeide ; Ik ben eene stem des roependen in de woestijn : Maakt recht den weg des Heeren ! gelijk de Profeet Isaus gesproken heeft. En de afgezondenen waren uit de Farizeën. En zij vraagden hem, en zeiden tot hem : Waarom doopt gij dan, zoo gij de Christus niet zijt, noch Elias, noch de Profeet? Joannes antwoordde hun, en zeide: Ik doop met water; maar midden onder u heeft Hij gestaan, dien gij niet kent : Hij is het, die na mij komen zal, die voor mij geweest is : .wien ik niet waardig ben, zijnen schoenriem te ontbinden. Dit is geschied te Bethanië, aan gene zijde der Jordaan, waar Joannes doopte.

Waarom zonden de Joden afgezanten tot Joannes, om hem te vragen: «Wie zijt gij '?

Omdat zijn leven wegens zijn streng vasten, zijne ruwe boetekleederen en zijne boetpredikatiën zoo buitengewoon en wondervol was, dat hij meer op den Messias, die verwacht werd, dan op eeneu gewonen mensch geleek. Luc. III, IS. «Wie zijt gij?quot; zoo vragen de menschen dikwijls uit ijdele nieuwsgierigheid, dikwijls echter ook met een slecht inzicht, om den handel en wandel van hunnen evemnensch te vernemen, zijne fouten en zwakiieden te leeren kennen, ten einde ze tot een voorwerp hunner zondige gesprekken en veroordeelingen te maken. Ware het niet beter, de vraag: «Wie zijt gijVquot; tot ons zeiven te richten, om daardoor onze schuld en onze nietigheid vóór (led te erkennen en ons tot ootmoed en verbetering van leven op te wekken.

Waarom vragen de Joden nog: »Zyt gy Elias of de

Profeet ?quot;

De Joden geloofden (volgens Malach. IV, 5. 6.), dat Elias, Jerejuas of een ander der oude Profeten op aarde moest ko-

72

ocr page 103

*quot;

dkhden zondag van den advent.

men, alvorens de Messias zou verschijnen, om dien vooraf te gaan en om Hem den weg voor te bereiden. Wijl Joannes echter zeide, dat hij de Christus niet was, meenden zij, dat hij ten minste Elias of een der Profeten zoude zijn.

Waarom zegt Joannes, dat hij noch Elias noch de Profeet is ?

Hij was inderdaad, volgens den persoon, noch Elias noch de Profeet, die door de Joden verwacht werd, alhoewel hij, volgens zijne bevoegdheid en waardigheid, Elias was, daai •hij vóór den Messias uitging in den geest en in de kracht van Elias. Luc. I, 17.

Hoe bereidt men den weg des Heeren vóór?

Door eene ware en werkzame boetvaardigheid, welke niet in enkel biechtspreken, maar in waardige vruchten van boetvaardigheid bestaan moet. (Matth. III, 8. Luc. III, 11.)

Hoe brengt men waardige vruchten van boetvaardigheid

voort ?

Wanneer men na zijne bekeering God en de gerechtigheid zoo ijverig dient, als men vroeger den cjnivel en de zonde gediend heeft, en wanneer men derhalve Gode al zijne ledematen tot werktuigen der deugd opolfert, gelijk men ze vroeger tot werktuigen der zonde en der boosheid gebezigd heeft. Rom. VI, 19. Men doet waardige vruchten van boetvaardigheid, wanneer men den mond, die onkuische taal heeft gesproken, de ooren, die naar eerroovende gesprekken geluisterd, de oogen, die zich op ontuchtige dingen gevestigd hebben, voortaan gebruikt, om over Gode welgevallige dingen te spreken, daarnaar te hooren, daarnaar te zien; wanneer de buik, die vroeger aan brasserij en dronkenschap gewend was, zich thans onthoudt; wanneer de handen, die gestolen hebben, het gestolene teruggeven en werken van milddadigheid uitoefenen, enz. en wanneer in al deze gevallen de grootte der boetpleging de' grootte der bedrevene zonden evenaart. Zacheus (Luc. XXX.), Mattheus, (Matth. V.), Magdalena (Matth. VII.), Petrus (Matth. XXII.), Paulus (Hand. der Apost. IX.), enz. hebben soortgelijke vruchten van boetvaardigheid voortgebracht.

15

lïMiifi

BMaw

ft PT'iMi t » t-ftr*1 é

a ilf,, •'f « Ti

m

* ■* ^

|

; #

gt; t : fi'.ff i I i

quot;71,4 .p:quot;' ■

t iÜ fk

9 ' I' |;

5':» • 4'

t: Aquot;■

ïïmfM

hw* kf

fit', u*: W

ocr page 104

74 onderricht voor den derden zondag van den advent.

Wat was het doopsel van Joannes en wat werkte het uit?

Het was een boetedoop tot vergeving der zonden (Luc. III, 3.), dat is, deze doop bewoog door de boetpredikatiën van Joannes, welke daarmee gepaard gingen, tot belijdenis der zonden en tot boetvaardigheid (Marc. I, 4, 5.), maar verleende geen vergiffenis der zonde, wijl deze eerst door den Doop van Christus werd gegeven, die door het doopsel van Joannes slechts afgebeeld en voorbereid werd. Matth. III, 11.

Wat leeren wij verder uit dit Evangelie?

1) Wijl Joannes oprecht bekende, wie hij was en wijl hij zich onwaardig achtte den riem der schoenzolen van Christus te ontbinden, alhoewel hij een groot Heilige was, zoo gaf hij ons hierdoor een schoon voorbeeld van ootmoed en oprechtheid, welk voorbeeld wij voornamelijk in den biechtstoel moeten navolgen. 2) Wijl hij op Jesus, die na hem komen moest, ofschoon deze vóór hem geweest was, wees, toonde hij ons, dat wij in alles Code de eer moeten geven. Hebben wij niet veel meer reden dan Joannes, ons gering te achten, ons vóór God en de menschen te verootmoedigen en aan God alleen de eer te geven? En toch zijn er velen onder ons, die zoo hongerig naar ijdele loftuiging zijn, dat zij de eer van den naaste verkleinen en tot leugen en veinzerij hun toevlucht nemen, om zeiven eenen onverdienden lof te verwerven. Laat nooit, zegt Tobias (IV, 14.) dm hoogmoed in uwen zin of in uwe woorden heerschen, want alle verderf is door hem begonnen. Nemen wij dit wel ter harte, en bidden wij God steeds ootmoedig, dat Hij ons zijne genade daartoe verleene.

Op Quatertemper-Woensdag in den Advent.

EPISTEL.: Les uit den Profeet Isaias VII, 10-15.

In die dagen sprak de Heere tot Achaz, zeggende: Vraag u een teeken van den Heere, uwen Cod, in de diepte beneden of boven uit de hoogte. En Achaz zeide: Ik zal niet vragen en den Heere niet beproeven. En hij zeide: Hoor dan. Huis van David : Is het u te weinig de menschen te vermoeien, omdat gij nog mijnen Cod lastig valt? Daarom zal de Heere zelf

ocr page 105

op quatkrtemper-wobnsdag in den advent.

ti een teeken geven. Zie, de Maagd zal ontvangen en eenen Zoon baren en zijn naam zal Emmanuel genoemd worden. Hij zal boter eir honig eten, opdat Hij het kwaad wete te verwerpen en het goed te verkiezen.

Verklaring. Rasin, koning van Syrië, en Phacer, koning van Israel, trokken naar Jerusalem, om het te belegeren en om er in plaats van Achaz eenen anderen koning op den troon te verhellen. Achaz geraakte daardoor in groote vrees en besloot niet bij God maar bij de Assyriërs hulp te zoeken. De Profeet Isaias ried hem dit, op bevel van God, af en gebood hem een teeken te vragen, waardoor die koning tot vertrouwen op God en tot geloof aan zijne eigene redding en aan die van het Jood-sclie volk zou worden opgewekt. Achaz echter weigerde dit, öf wijl hij meende, dat Isaias zulk een teeken niet geven kon, of wijl hij vreesde, dat hij zou gedwongen worden, op God alleen te vertrouwen en van het verbond met de Assyriërs af te zien, wanneer dat teeken gegeven werd. Derhalve sprak de Profeet; Omdat gij geen teeken vraagt, zal God zelf er u een geven; maar een teeken, welks vervulling, wijl gij hel u onwaardig gemaakt hebt, uwe nakomelingen eerst zullen beleven. Hij zal den Verlosser uit eene Maagd doen geboren worden! Zoo zeker als deze komen zal, zoo zeker zult gij gered worden en wel in korteren tijd dan de Verlosser noodig heelt, om van zijne geboorte tot die jaren te geraken, waarop de inensch gewoonlijk tot verstand komt. Als dit teeken zal vervuld zijn, dan zullen uwe nakomelingen erkennen, dat ik de waarheid gesproken heb, en dat gij ten onrechte aan Gods bijstand hebt getwijfeld; zij zullen tevens inzien, dat ook voor hen de tijd der verlossing, namelijk, de verlossing van den dood, van de zonde en van den duivel is aangebroken.

Evangelie Volgens den H. Lucas I, 26-38.

(Zie liet Evangelie van den feestdag der Boodschap quot;van Maria, 25 Maart.

Gebed der Kerk.

Haast U, o Heer, wacht niet en verleen ons de hulp uwer Hemelsche kracht, opdat allen, die op U vertrouwen, door den troost uwer komst mogen opgebeurd worden, die leeft, enz.

75

ocr page 106

op quatertemper-vrijdag in dkn advent.

Op Quatertemper-Yrijdag in den Advent.

EPISTEL: Les uit Isaias XI, 1-5.

Dit zegt God de Heere: Er zal eea scheut uit den wortel van Jesse ontspruiten, en eene bloem uit zijnen wortel opstijgen. En op hem zal de geest des Heeren rusten; de geest der wijsheid en des verstands, de geest des raads en dei-sterkte, de geest der wetenschap en der godsvrucht; de geest van de vrees des Heeren zal hem vervullen; en hij zal naar den oogenschijn niet richten, noch naar hel hooren zeggen berispen; maar hij zal de armen met rechtvaardigheid oor-deelen en ten gunste van de zachtmoedigen der aarde met billijkheid berispen. En hij zal de aarde möt de roede zijns monds slaan en door den adem zijner lippen den goddelooze dooden. En rechtvaardigheid zal de gordel zijner lendenen en trouw de singel zijner nieren wezen.

Verklaring. De Proleet voorzegt, dat de Heiland uit de stam van Jesse, vader van David, voortkomen, alle gaven des H. Geestes bezitten en zijn volk met rechtvaardigheid regeeren zal. In de volgende verzen van het elfde hoofdstuk voorspelt hij, dat de menschen, in het rijk van Christls door geloof en liefde geheel veranderd, in vrede met elkander zullen leven, en dat ook de natuur verlost (Rom. Vill, 19) en van den vloek, die op haar rust (Gen. 111, iquot;) bevrijd zal worden. Zijn wij door onze zonden en door onze verstoktheid niet de schuld, dat het rijk van Christus met zijne gelukzaligheid niet tot ons komt; want buiten dit rijk is voor ons noch heil, noch weivaart naar ziel en lichaam te vinden?!

Evangelie volgens den 11. Lucas 1, 39-47.

In dien tijd stond Maria op^ en reisde met haast naar het gebergte, naar eene stad van Juda. En Zij kwam in het huis van Zachakias, en groette Elisabeth. En het geschiedde, als Elisabeth den groet van Maria hoorde, dat het kindeken in liaar lichaam opsprong ; en Elisabeth werd vervuld met den Heiligen Geest ; en zij riep met luide stem, en sprak : Gezegend zijt Gij onder de vrouwen^ en gezegend is de vrucht uws

76

ocr page 107

OP QUATERTEMPER-VRIJ DAG Ifi DEN ADVENT,

lichaams ! En van waar geschiedt mij dit, dat de Moeder mijns Heeren tot mij komt? Want, zie, toen de stem van uwen groet in mijne ooren klonk, sprong het kindeken van vreugde op in mijn lichaam. En zalig zijt Gij, die geloofd hebt, omdat het vervuld zal worden, hetgeen U van den Heere gezegd is ! En Maku sprak : Mijne ziel maakt groot den Heere^ en verheugd heeft zich mijn geest in God, mijnen Zaligmaker !

Verklaring. Nadat Maria door den Engel de boodschap had ontvangen, dat Zij Gods Zoon zoude baren,, ijlde Zij lot hare nicht Elisabeth, om aan deze dit heuglijk nieuws mèe te deelen, en om Elisabeth gedurende den staat, waarin zij verkeerde de noodige diensten te bewijzen, waartoe Maria zich als hare bloedverwante verplicht achtte. Toen Elisabeth den groet van Maria hoorde, erkende zij in deze de Moeder des Heeren en des Verlossers en noemde Haar zalig wegens haar geloof, waardoor Zij eene tweede doch gelukkiger Eva geworden was. Hierop hief Maria den schoonen lofzang — het Magnificat — aan, welks verklaring men op het feest der Boodschap van Maria vinden kan, en waardoor de Kerk dagelijks het Woord der Verlossing looft, dat zich in Maria begon te voltooien. — Laat ons God ook dagelijks voor de groote genade danken, welke Hij ons door de Menschwording van zijnen Zoon heeft bewezen.

Hel gebed der Kerk is helzelfde als dat op den tweeden Zondag in den Advent, hladz. (ia.

Op Quatertemper-Zaterdag- in den Advent.

EPISTEL : Les uit den tweeden Brief van den H. Faulus aan de Thessalonicensen II, 1-8.

Broeders, wij bidden u, bij de komst onzes Heeren Jesus Christus, eu onze bijeen vergadering lot Hem, dat gij niet haastelijk u van uwen zin laat bewegen, noch verschrikt wordt, noch door geest, noch door woord, noch door Epistel, als door ons gezonden, hoe dat aanslaande zij de dag des Heeren. Niemand verleide 11 op eenigerlei wijze, dewijl die dag niet

77

ocr page 108

op quatertemper-vrijdag in den advent,

Op Qnatertemper-Yrijdag in den Advent.

EPISTEL: Les uit Isaias XI, 1-5.

Dit zegt God de Heere: Er zal een scheut uit den wortel van Jesse ontspruiten, en eene bloem uit zijnen wortel opstijgen. En op hem zal de geest des Heeren rusten: de geest der wijsheid en des verstands, de geest des raads en der sterkte, de geest der wetenschap en der godsvrucht; de geest van de vrees des Heeren zal hem vervullen; en hij zal naar den oogenschijn niet richten, noch naar het hooren zeggen berispen; maar hij zal de armen met rechtvaardigheid oor-deelen en ten gunste van de zachtmoedigen der aarde met billijkheid berispen. Eu hij zal de aarde met de roede zijns monds slaan en door den adem zijner lippen den goddelooze dooden. En rechtvaardigheid zal de gordel zijner lendenen en trouw de singel zijner nieren wezen.

Verklaring. De Profeet voorzegt, dat de Heiland uit de stam van Jesse, vader van David, voortkomen, alle gaven des H. Geestes bezitten en zijn volk met rechtvaardigheid regeeren zal. In de volgende verzen van het elfde hoofdstuk voorspelt hij, dat de menschen, in het rijk van Christus door geloof en liefde geheel veranderd, in vrede met elkander zullen leven, en dat ook de natuur verlost (Hom. VIH, 19) en van den vloek, die op haar rust (Gen. Hl, 17) bevrijd zal worden. Zijn wij door onze zonden en door onze verstoktheid niet de schuld, dat het rijk van Christus mei zijne gelukzaligheid niet tol, ons komt; want builen dit rijk is voor ons noch heil, noch welvaart naar ziel en lichaam te vinden?!

Evangelie volgens den H. Lucas 1, 39-47.

In dien tijd stond Maria op^ en reisde met haast naar het gebergte, naar eene stad van Juda. En Zij kwam in het huis van Zachakias^ en groette Elisabeth. En het geschiedde, als Elisabeth den groet van Maria hoorde, dal het kindeken in haar lichaam opsprong 5 en Elisabeth werd vervuld met den Heiligen Geest; en zij riep met luide stem, en sprak ; Gezegend zijt Gij onder de vrouwen^ en gezegend is de vrucht uws

76

I

ocr page 109

op quatertemi'eu-vrijdag lgt;' den advent,

lichaams ! En van waar geschiedt mij dit, dat de Moeder mijns Heeren tot mij komt? Want, zie, loen de stem van uwen groet in mijne ooren klonk, sprong het kindeken van vreugde op in mijn lichaam. En zalig zijl Gij, die gelooid hebt, omdat het vervuld zal worden, hetgeen U van den Heere gezegd is ! En Mahia sprak : Mijne ziel maakt groot den Heere^ en verheugd heelt zich mijn geest in God, mijnen Zaligmaker !

Verklaring. Nad.it Mahia door den Engel de boodschap had ontvangen, dat Zij Gods Zoon zoude baren, ijlde Z'j tot hare nicht Elisabeth, om aan deze dit heuglijk nieuws mèe te deelen, en om Elisabeth gedurende den staat, waarin zij verkeerde de noodige diensten te bewijzen, waartoe Maria zich als hare bloedverwante verplicht achtte. Toen Elisabeth den groet van Maria hoorde, erkende zij in deze de Moeder des Heeren en des Verlossers en noemde Haar zalig wegens haar geloof, waardoor Zij eene tweede doch gelukkiger Eva geworden was. Hierop hielquot; Maria den schoonen lofzang — het Magnificat — aan, welks verklaring men op het feest der Boodschap van Maria vinden kan, en waardoor de Kerk dagelijks het Woord der Verlossing looft, dat zich in Maria begon te voltooien. — Laat ons God ook dagelijks voor de groole genade danken, welke Hij ons door de Menschwording van zijnen Zoon heeft bewezen.

Het gebed der Kerk is helzcifde als dat op den tweeden Zondag in den Advent, blad/.. (gt;5.

Op Quatertemper-Zaterdag in den Advent.

EPISTEL : Les uit den tweeden Brief van den H. Paulus aan de Thessalonicensen II, 1-8.

Broeders, wij bidden n, bij de komst onzes Heeren Jf.sls Christus, eu onze biieenvergadering lot Hem, dat gij niet haastelijk n van uwen zin laat bewegen, noch verschrikt wordt, noch door geest, noch door woord, noch door Epistel, als door ons gezonden, hoe dat aanslaande zij de dag des Heeren. Niemand verleide u op eenigerlei wijze, dewijl die dag niet

77

ocr page 110

op quatertemper-zaterdag in den advent.

komt, zoo niet eerst de afval gekomen, en geopenbaard is de mensch der zonde, de zoon des verderfs, de tegenstander, en zich verheffende boven al wat God genoemd of aangebeden wordt, zoodat hij in den tempel Gods zal zitten, vertoonende zich zeiven. God te zijn. Zijt gij niet gedachtig, dat, nog bij u zijnde, ik dit tot n gesproken heb? Ook nu weet gij, wat weerhoudt, dat 'hij geopenbaard worde te zijner tijd. Want de geheimenis der goddeloosheid werkt aireede; alleenlijk dat die thans weerhoudt, weêrhonde, totdat hij uit het midden worde weggenomen. En dan zal geopenbaard worden de goddelooze, dien de Heere Jesus verdelgen zal door den adem van zijnen mond, en vernietigen door de verschijning zijner komst.

Verklaring. De Apostel waarschuwt hier de geloovigen van Thessalonica, dat zij zich noch door lieden, die valschelijk voorgeven eenen Goddelijken en profetischen geest te bezitten, noch door eene leer of eenen brief, die hem valschelijk worden toegeschreven, tot een gevoelen laten brengen, hetwelk met zijne leer strijdt, en verkondigt, dat de dag des Heeren nabij is. Want de afval van het Christendom en de mensch der zonde, de zoon des verderfs, dat is de Antichrist, moeten dien dag voorafgaan; de boosheid is thans reeds, wel is waar, in stilte door de afgezanten en voorloopers van den Antichrist werkzaam, maar wordt nog door eenen hinderpaal tegengehouden. Als deze hinderpaal, waardoor de Apostel waarschijnlijk den nog niet volbrachten grooten, ja algemeenen afval der volkeren van het geloof en de wegruiming van het wettig en rechtmatig gezag verstaat, niet meer bestaan zal, dan zal de booswicht in het openbaar verschijnen. De Heer Jesus zal hem echter door den adem van zijnen mond dooden en dooiden glans zijner komst vernietigen (Matth. XXIV, 14.).

Verzuchting. 0 Heer, verleen mij toch, dat ik mij dcor geene dwaalbegrippen van valsche leeraars nutteloos late beangstigen noch van den weg der waarheid afbrengen. Vergun mij ook, dat ik U te allen tijde getrouw blijve en zoo leve, dat ik in den val van den Antichrist niet gewikkeld worde, maar na het oordeel met U uw eeuwig rijk moge binnentreden !

78

ocr page 111

01' (iUATKRTEMPEK-ZATKUIUG IN DEN ADVENT.

Evangelie volgens den H Lucas 111, 1-6.

(Zie het Evangelie van don volgenden Zondag.)

Gebed der Kerk.

Wij bidden U, o Hcor, verhoor genadiglijk de gebeden invs volks, opdat wij, die rechtmatig voor onze zonden worden gekweld, door uwe goedertierene konisl mogen vertroost worden, die leeft, enz.

Onderricht voor den vierden Zondag van den Advent.

De Kerk geeft heden op een bijzondere wijze haar vurig verlangen naar de nabijzijnde komst des Heilands te kennen, waarom zij bij den Ingang der Mis de verzuchtingen der Oud-vaders herhaalt, ze den geloovigen in den mond legt, en deze nogmaals door het Evangelie der Mis tot eene oprechte boetvaardigheid, als zijnde de beste voorbereiding tot eene waardige ontvangst des Verlossers, opwekt.

Isaias XLV. «Hemelen, dauwt van boven af, en dat de wolken den Rechtvaardige doen nederdalen als een regen: dat de aarde zich opene en den Verlosser doe ontspruiten. Ps. XV11I. De hemelen verhalen (lods heerlijkheid en het uitspansel verkondigt do werken zijner handen. — Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Ontwikkel uwe macht, o Heer! en kom ons met uwe groote kracht te hulp, opdat door den bijstand uwer genade onze verlossing, waarvan onze zonden de uitwerking vertragen, weldra moge genaken. Gij, die God zijnde, leeft, enz.

EPISTEL : Les uit den eersten Brief van den H. Paulus aan die van Corinthe IV, 1-5.

Broeders, zoo houde de mensch ons als dienaren van Christus, en uitdeelers der Geheimnissen Gods. Hier wordt nu in de uitdeelers vereischt, dat men getrouw worde bevonden. Mij echter is voor het minste, dat ik door u worde geoordeeld, of door eenen menschelijken dag: maar ook mij

79

ocr page 112

onderiugiit voor den

zeiven oordeel ik niet. Want niets ben ik mij zeiven bewust, maar ben hierdoor niet gerechtvaardigd: die mij dan oordeelt, is de Heere. Zoo oordeelt dan niet vóór den tijd, totdat de Hcere komt. Die èn het verborgene der duisternis aan het licht zal brengen, èn de raadslagen der harten openbaar zal maken: en alsdan zal aan een iegelijk de lof geworden van God.

Waarom wordt heden deze Epistel gelezen ?

De Kerk wil hierdoor 1) degenen, die gisteren de heilige wijding ontvangen hebben, herinneren aan de hooge waardigheid van hun ambt en hen aansporen, het met de behoorlijke heiligheid en getrouwheid te vervullen en zich door deugd en godsvrucht boven de andere menschen zoo ver te onderscheiden, als zij hen in waardigheid overtrellen. Zij wil 2) allen geloovigen nogmaals de tweede en vreesdijke komst van Christus ten oordeel in het geheugen brengen, en hen alzoo bewegen, Chrisïls ter gelegenheid van het Kerstfeest met een zuiver geweten als eenen liefderijken Heiland te ontvangen, opdat zij Hem eens niet als eenen strengen Rechter mogen aantreffen.

Hoe moet men de Priesters beschouwen ?

Als dienaars en plaatsvervangers van Christus, als uit-deelers der Heilige Geheimen en als afgezanten des Allerhoog-sten. Daarom beveelt God, Eccli. VII, 31, zoo ernstig de Priesters in eere te houden; en de 11. Pallus zegt uitdrukkelijk: I Timoth. V, 17, (hjl de Priesters, die wel besturen, eene dubbele eer waardig geacht worden, vooral zij, die prediken en onderwijzen.

Mogen de Priesters de Heilige Sacramenten naar willekeur uitdeelen ?

Neen, zij moeten, getrouw in hun ambl, slechts naar den wil van Christus handelen, wiens plaatsvervangers zij zijn. Daarom mogen zij het Heilige, niet den honden geven, (Matth. VII, 6) dat is, de H. Absolutie en de andere H. Sacramenten niet den ongeschikten en onwaardigen mededeelen, zoo zij niet met hen willen verloren gaan.

80

ocr page 113

vierden zojmr, van den advent.

Waarom acht de H. Paulus het oordeel der menschen

zoo weinig ?

Wijl het gewoonlijk valsch, bedricgelijk, onzinnig is en bijgevolg niet verdient, dat men liet achte en zich daarnaar voege. De niensehen honden dikwijls voor slecht, wat in zich goed en Gode aangenaam is; en beschouwen integendeel iets als goed, wat slecht, Gode onaangenaam en doemenswaardig is. Wat zij lieden prijzen, versmaden zij morgen en omgekeerd. Daarom zegl de H. Paulus Gal. 1, 10: nIndien ik menschen zocht te behagen, zou ik geen dienaar van Christus zijn.quot; Hierin moeten de Priesters den H. Paulus navolgen en derhalve niets doen, om den lol' der menschen le verwerven; maar de ge-loovigen moeten zich wachten hunne Priesters te oordeelen, wijl het de Heer is, die hen zal oordeelen. Hoe onverstandig en noodlottig het is het kwade te doen of het goede te laten, om aan de menschen te behagen, kan men lezen in het Onderricht voor den XXH en XX1I1 Zondag na Pinksteren.

Waarom wil de H Paulus zich zelveu niet oordeelen ?

Omdat hij niet weet, hoe God hem beoordeelt, want niemand weet ol' hij de liefde dan weF den haat Gods waard is. Daarom voegt de 11. Paulus er bij, dat, ofschoon hij zich niels te verwijten heeft, hij zich nochtans niet als gerechtvaardigd beschouwt: want God alleen kan zulks onderscheiden. De mensch beproeve zich zooveel hij kan en zie toe ot er iets in hem is, wat Gode mishaagt; en alhoewel hij bij dit onderzoek niets afkeurenswaardig vindt, behoort hij zich deswege toch niet voor rechtvaardiger te honden dau anderen, maar te denken, dat de oogen van zijnen geest, wellicht door de driften verblind zijn en veel niet bespeuren, wat God maar al te wel ziet en eens in het oordeel zal bekend maken. O hoe zullen zich alsdan vele menschen moeten schamen, die zich onschuldig en heilig wan -n en ook door anderen als zoodanig beschouwd worden, wanneer zij wegens hun verborgene zonden cn misdaden en om de slechte inzichten, waarmede zij uitwendige werken volbracht hebben, aan den kant der verdoemden zullen geplaatst worden! Laat ous derhalve noch ous zelveu

G

81

ocr page 114

onderricht voor den

noch anderen oordeelen, maar steeds mei vrees en schrik onze zaligheid bewerken. Phil. II, 12

Verzuchting. Ach Heer, treed niet met uwen dienaar rn het oordeel, want niemand die leeft zal voor uw aanschijn rechtvaardig zijn. Ps. CXLII.

Evangelie volgons den 11. Lucas 111, 1-6.

In het vijftiende jaar der regeering van den keizer Tiberius, als Pontius Pilatus landvoogd was van .lu-dea, en li erodes over Galilea viervorst was, en zijn broeder Philippus viervorst over llnrea en het landschap Trachonitis, on Lvsamas viervorst over Abilene, onder do hoogepriesters Annas on Caiphas, geschiedde het woord des Hoeren tot Joannes, den Zoon van Za-charus, in de woestijn. En liij kwam in al hot land omtrent do Jordaan, prodikondo don doop van boetvaardigheid, lor vergeving van zonden ; gelijk geschreven staat in liet bock dor woorden va:i Isaias don profeet ; Eeno stom dos roependen in de woestijn : Bereidt den weg des Hoeren ; maakt recht zijne voetpaden ! Alle dal zal gevuld, en alle berg en heuvel geslecht worden ; en hetgeen krom is, zal recht, en hetgeen oneffen is, lot olï'one wegen worden : en alle vleesch zal de zaligheid Gods zien.

Waarom wordt hier de tijd, waarop Joannes begon

te prediken, zoo nauwkeurig en zoo omstandig beschreven ?

Wijl dit het gelukkige jaar was, waarin de lang verwachte Messias der wereld zich vertoonde, en, na door Joannes gedoopt en door den Hemelschen Vader als zijn welbeminden Zoon, naar wien de menschen hooien moeten, bekend gemaakt te zijn, in hel openbaar als leeraar der volkeren optrad. Opdat dit tijdstip nauwkeurig bepaald zou wezen en nimmer in vergetelheid geraken of ontkend kon worden, noemt tie Evangelist, hetgeen hij doorgaans niet pleegt te doen, verscheidene geestelijke en wereldlijke vorsten, die toenmaals regeerden.

82

ocr page 115

vierden zondag van den advent.

Wat wil zeggen: «Geschiedde het woord des Heeren tot Joannes ?quot;

Dit beteekent, dat Joannes óf wel door eene stem uit den Hemel, óf wel door eene ingeving van God geroepen is geworden, om de boetvaardigheid te prediken en de komst van den Verlosser der wereld aan te kondigen; een ambt, waartoe hij zich, door een eenzaam en boetvaardig leven van dertig jaren en door den omgang met God, had voorbereid. Hieruit kan men leeren, dat men geen ambt en vooral niet eene geestelijke bediening aanvaarden mag, zonder van God geroepen te zijn en dat men zich door het aanleeren der vereischte wetenschappen, welke dusdanige bediening vordert, door ingetogenheid des geestes, in stille eenzaamheid, en door een heilig leven daartoe moet voorbereiden.

Wat beteekent: «Bereidt den weg des Heeren ?quot;

Dat beteekent, het hart door eene ware boetvaardigheid tot de ontvangst van Christus of der rechtvaardigende en hei-ligmakende genade voorbereiden, om alzoo eens de eeuwige zaligheid te genieten. Te dien einde moeten wij de dwaalleer, het ongeloof, de bijgeloovigheid verzaken en de Goddelijke waarheid volgen, onze zonden oprecht beweenen, onze driften bestrijden, alle kwaad trachten te vermijden en alle deugden te beoefenen. Om daartoe te geraken, moeten wij de H. Sacramenten der Biecht en des Altaars waardig ontvangen, opdat God ons in het H. Sacrament der Biecht vergidenis onzer zonden en zijne genade schenke, en opdat Christus, de oorsprong en waarborg des eeuwigen levens, zich gewaardige zelf in hel Heilig Sacrament des Altaars lot ons te komen.

De kinderen vooral dienen dit wel te bemerken, opdat zij hunne traagheid en nalatigheid in het goede, hunne neiging tot leugen en bedrog, hunne gramschap, enz. afleggen en zich, daarentegen, op ijver voor het goede, op ootmoed, op waarheidsliefde, rechlzinuigheid, en zachtmoedigheid mogen toe leggen. Doen zij dit niet, dan kan het Kindeken Jesus onmogelijk tot hen komen en hen zalig maken.

83

ocr page 116

onderricht over het

Wat beteekent: -Alle dal zal gevuld worden,quot; enz.?

Hierdoor wordt beduid, dat wij alles uit ons hart moeten verwijderen, wat de komst van Christus in onze ziel in den weg kan staan; voornamelijk moeten wij ons, daarentegen, beijveren het dal der kleinmoedigheid en traagheid te vullen, den berg des hoogmoeds te slechten en onze ruwe en driftige gemoedsstemming in zachtzinnigheid en bescheidenheid te veranderen.

Wat beteekent: quot;Alle vleesch zal de zaligheid Gods zien ?quot;

Dal beteekent: alle menschen, die zich bekeeren en boete doen, zullen het heil eu de kracht der genade van Christus thans reeds in zich gevoelen, en eenmaal eeuwig zalig worden.

Opwekking. 0 mijn Jesus, ware U toch de weg tot mijn hart goed bereid! Ach verricht Gij, mijn Heiland, datgene, waartoe ik uit mij zeiven niets vermag. Herschep mij lot een ootmoedig dal en vervul het met uwe genade; onderwerp mijnen hardnekkigen en verkeerden wil aan uwe Goddelijke beschikking; verander mijne harde en driftige gemoedsstemming, breek en verbeter in mij al wat U iu den weg staat, opdat Gij ongehinderd tot mij komen, mij alleen beheerschen en eeuwig bezitten moogt!

Onderricht over het Heilig Sacrament der Biecht.

Joannes predikte den doop van boetvaardigheid, ter vergeving van zonden. Luc. 111, 3.

Wat en hoevelerlei is de boetvaardigheid ?

De boetvaardigheid is eene rouwmoedige en smartvolle verafschuwing der zonden, als zijnde eene beleediging Gode aangedaan; zij gaat bij den mensch vergezeld van eene oolmoedige bekentenis zijner schuld, en afbidding daarvan bij God, steunende op de hoop vergiffenis zijner misdaden te bekomen, met het vaste voornemen voortaan de zonden te schuwen, het leven te beteren en voor de bedrevene zonden zooveel mogelijk te

84

ocr page 117

h. sacrament dek biecht.

voldoen. De boetvaardigheid is volgens deze omschrijving eene deugd; komt hierbij nog de oprechte belijdenis der zonden aan eenen Priester, die ze door de absolutie kwijtscheldt, dan is de boetvaardigheid tevens een Sacrament; en wel een Sacrament door CumsTus (Joannes XX, 21, 23.) ingesteld, in hetwelk de daartoe gemachtigde Priester, in de plaats van God, alle na den Doop bcdrevene zonden, vergeeft, wanneer de zondaar ze ernstig betreurt, ze oprecht biecht en voor zijne schuld voldoen wil.

Kan iemand, die doodelyk gezondigd heeft, ook zonder het Sacrament der Biecht zalig worden ?

Neen, want dien is de Biechl even noodzakelijk, om niet voor eeuwig verloren te gaan, als het Doopsel voor hen is, die niet gedoopt zijn (Luc. XIII, 3.). In geval van nood echter blijft den zondaar, die het Heilig Sacrament der Biecht niet ontvangen kan, een ander middel over, om vergeving zijner bedrevene doodzonden te bekomen, namelijk een volmaakt berouw, gepaard met den oprechten wil van te biechten, zoodra hij naderhand de gelegenheid daartoe zal hebben.

Hoe komt het, dat er zoo velen zonder eene ware boetvaardigheid sterven ?

Wijl zij de genade, die God hun zoo dikwerf aanbiedt, verwaarloozen en hunne bekeering altijd verder uilstellen. Wanneer zulke zondaars, zoo als de goddelooze koning Antio-cnus (II Mach. IX), op hun doodbed, uit vrees voor de straffen, boetvaardigheid doen willen, dan zal hunne boetvaardigheid meestal vruchteloos zijn; want «die niet wil wanneer hij kan, die zal niet meer kunnen wanneer hij wilquot; '). Wie niet naar God heeft willen luisteren in den tijd der genade, zegt de H. Gkegorius, dien zal God ook niet verhooren op den dag dei-benauwdheid; en het is te vreezen, dat hij, die de boetvaardigheid tot op den grijzen ouderdom verschuift, veroordeeld zal worden, hoewel hij op barmhartigheid hoopt.

Kunnen alle zondaars boetvaardigheid doen?

Ja allen, ook de grootste zondaars kunnen dit met Gods genade: de Heer immers roept hen zoo vaderlijk lot zich,

1) August. L, 5 de lib. arbitr.

85

ocr page 118

onderricht over het

wanneer Hij door den mond van Ezechiel XXXIII, H, zegt: «Zoo waar ik leef: ik wil den dood des goddeloozen niet, maar dat de goddelooze zich van zijnen weg bekeere en leve. Bekeert u, bekeert u van uwe zeer slechte wegen! Waarom wilt gij sterven? De goddeloosheid zal den goddelooze niet schaden op den dag, waarop hij zich bekeert van zijne goddeloosheid.'quot;

Doen allen, die te biechten gaan, ware boetvaardigheid ?

Dit is, helaas, niet altijd het geval, want met biechten is niet alles volbracht. Wanneer, zoo als in het huidig Evangelie gezegd wordt, de dalen niet gevuld, de bergen niet geslecht worden, het kromme niet recht en het oneflene niet effen gemaakt wordt, dat is, zoo men geen waren afkeer van de zonde heeft, indien men de booze neigingen en gewoonten der zonde niet uitroeit, het onrechtvaardig goed en de gekwetste eer niet herstelt, de naaste gelegenheden der [zonden niet vermijdt en geen ware verbetering des harten tracht te bewerkstelligen, o dan is zelfs geen schaduw van ware boetvaardigheid aanwezig, al zou men ook alle acht dagen tot hel Heilig Sacrament der Biecht naderen. En toch, o jammer! hoeveel soortgelijke boetvaardigen vindt men niet ten huidigen dage?... Waarom?... Wijl men gelooft, dat de boetvaardigheid slechts in het biechten, maar niet in de verbetering des levens bestaat. Ja, de boetvaardigheid bestaat in het biechten, wanneer alle daartoe vereischte hoedanigheden gesteld zijn. Derhalve leze en be-oefene men vlijtig het volgende

ONDEEEIOHT.

I. Over het onderzoek des gewetens.

In iederen mensch is iets, hetgeen hem oogenblikkelijk zegt of zijne gedachten, zijne begeerten en handelingen met Gods wil overeenstemmen, ja dan neen, dat is; of zij goed ofslecht zijn. Dat iets is de stem Gods in den mensch of het geweten. Bij menigeen is het geweten een lijd lang door de driften, de eigenliefde, enz. bedwelmd of verblind, en daarom beschouwen zij veel als geene of slechts eene kleine zonde, wat inderdaad toch eene zeer groote zonde is; zij verzwijgen het gewoonlijk in de Biecht, doen er geen boetvaardigheid over en gaan voor

86

ocr page 119

ONDERZOEK DES GEWETENS.

altoos verloren. Ten einde dit groote onheil te voorkomen, beveelt de Kerkvergadering van Trente (14quot; Zitting, S Hooldst.), dat men vóór de Biecht zijn geweien zorgvuldig onderzoeke en daarna de zonden, waaraan men zich, na een nauwkeurig onderzoek, schuldig erkent, rouwmoedig biechte.

Het gewetensonderzoek vóór de Biecht zou zeer gemakkelijk vallen, als men eiken avond eenige oogenblikken nadacht, door welke zonden ot' verzuimenissen men God dien dag beleed igd heeft.

Hoe moet men zijn geweten onderzoeken ?

Vooreerst dient men den II. Geest om licht te bidden, opdat men zijne zonden goed moge kennen; daarna moet men zijne gedachten, woorden en werken sedert de laatste Biecht nagaan en zien of er zich onder dat alles niet liet een of ander bevindt, wat Gode mishagen kan. Om dit wel te erkennen, moet nieu zijn geweten vrij laten spreken en het aanliooren, zonder zich zeiven te vleien; of wel zich duidelijk voorstellen, dat men vóór den rechtcrsloel des Heeren gaat verschijnen, om er rekenschap van zijn doen en laten af te leggen. Hetgeen men daar niet zon durven verantwoorden, dal juist moet men voor zonde houden en aan den biechtvader bekend maken.

Hoe kan men zich het best herinneren, op welke wijze en waardoor men gezondigd heeft?

Een gemakkelijk middel daartoe is het volgende, namelijk: wanneer men de tien geboden Gods, de vijf geboden der H.Kerk, de zeven hoofdzonden, tie negen vreemde zonden, de zes zonden tegen den H. Geest, de vier wraakroepende zonden, enz., nagaat en bedenkt, of men in een dier punten door woorden, werken, gedachten of verzuimenissen van het goede, misdaan heeft. Bij doodzonden moet men zich tegelijkertijd afvragen, hoe dikwijls en onder welke omstandigheden zij gepleegd zijn.

Zondigt men, wanneer men zijn geweten niet zorgvuldig en niet lang genoeg onderzoekt?

Zij, die niet christelijk en in doodzonden leven, zelden te biechten gaan, eu hun geweien slechts ter loops onderzoeken.

87

ocr page 120

onderricht oveh het

zondigen grootelijks, wijl zij zich daardoor aan het gevaar blootstellen van eene doodzonde achter te laten en bijgevolg eene ongeldige en heiligschenitende biecht te spreken. Eene zware zonde uit soortgelijke nalatigheid in het onderzoek van geweten, in de Biecht achterlaten, is even zoo verkeerd, alsof men ze moedwillig en uit valsche schaamte verzweeg.

II. Over het berouw of leedwezen.

»0 mensch, zegt de H. Augustinus, waarom beweent gij het lichaam waaruit de ziel - en niet de ziel, waaruit God geweken is.1quot; (Aug. Serm. 60. c. 6.) De afgodendienaar Miciias beklaagde zich zeer, dat men hem zijne goden onlnomen had; waarom zouden wij dan niet treuren en klagen, dat wij God, de genade en den Hemel door onze eigen schuld verloren hebben ?

Wat en hoevelerlei is het berouw?

Het berouw is eene inwendige smart over en eene verafschuwing van de bedrevene zonden, met het voornemen in de toekomst niet meer te zondigen. Wanneer deze smart en deze afkeer slechts daaruit onlslaan, dat men zich door de zonden eenige tijdelijke schade, schande, verachüng of straf op den hals heelt gehaald, dan heeft men slechts een natuurlijk berouw. Het berouw is bovennatuurlijk, wanneer men zijne zonden verafschuwt, wijl men God daardoor beleedigd of tegen Gods heiligen wil gehandeld hoeft. Dit berouw is onvolmaakt, wanneer hel ons leed doet God beleedigd te hebben, wijl Hij de zonden met het verlies van den Hemel en met lijdelijke en eeuwige sfralfen kastijdt. Het is volmaakt, als men over de zonden bedroefd is, omdat men God, den Opperheer, het hoogste en beminnenswaardigste Goed, den liefderijksten Vader daardoor beleedigd heeft.

Is het natuurlijk berouw voldoende voor de Biecht?

Evenzoo min als een kind vergeving zijner fouten verkrijgt, als het deze slechts uit vrees voor straf en niet tevens uit liefde jegens zijne ouders beweent en verafschuwt, even zoo min verwerft de mensch vergiffenis zijner zonden, wanneer zijn

88

ocr page 121

BEROUW OF LEEDWEZEN.

leedwezen enkel uit vrees voor de straffen, die hij daardoor verdiend heeft, ontstaat, en niet tevens uit vrees voor God den rechtvaardigsten Uecliter, verbonden met eene beginnende liefde lot God, als onzen Schepper, Heer, Weldoener, Verlosser, enz. en uit eene ernstige verafschuwing der zonden, voortspruit.

Welk berouw wordt er vereischt, om vergiffenis der zonden te bekomen?

Indien men geen gelegenheid heeft, om het Heilig Sacrament der Biecht te ontvangen, dan verkrijgt men door een volmaakt berouw alleen reeds kwijtschelding der zonden: daarbij moet men nochtans het voornemen hebben, om tot het Sacrament der liiechl te naderen, zoodra de gelegenheid zich daartoe aanbiedt. (Wanneer men naderhand zulk eene gelegenheid heeft, dan moet men ook werkelijk zijne zonden biechten.) Het onvolmaakt berouw verwerft door zich zelf geen vergiffenis der zonden, maar maakt den zondaar geschikt, om, doolt;-middel van het Heilig Sacrament der Biecht, kwijtschelding zijner misdaden te bekomen.

Wie zijn zij, die mogen vreezen, dat zij in de Biecht slechts een natuurlijk of volstrekt geen berouw gehad

hebben ?

1) Zij, die zich weinig moeite geven, om te leeren, wat een goed berouw is. 4) Zij, die dikwijls doodelijk zondigen en zich bij al hun biechten niet beteren; want zoo dezen een waar leedwezen over hunne zonden gevoelden, dan zou hun voornemen, om het leven te beteren en de noodige middelen daartoe aan te wenden, krachtdadig zijn; daarenboven zouden zij ook door de genade, welke zij in het Sacrament der Biecht ontvangen, versterkt worden en de zonden althans een tijd lang vermijden. Daar echter niets van dit alles geschiedt, kan men met reden twijfelen, of zij een goed leedwezen gehad hebben, ot z'j 'J'jS,,Y0's '10'- Sacrament der Biecht geldig ontvangen en de genade er van verkregen hebben. 3) In liet bijzonder moeten zij zulks vreezen, die hunne zonden niet verfoeien noch vluchten vóór zij er door in schande, verachting of in andere ongelegenheden geraakt zijn.

89

ocr page 122

ONDERRICHT OVEH HET

zondigen grootelijks, wijl zij zich daardoor aan het gevaar blootstellen van cene doodzonde achter Ie laten en bijgevolg eene ongeldige en heiligschennende biecht te spreken. Eene zware zonde uit soortgelijke nalatigheid in het onderzoek van geweten, in de Biecht achterlaten, is even zoo verkeerd, alsof men ze moedwillig en uit valsche schaamte verzweeg.

II. Over het berouw of leedwezen.

»0 mensch, zegt de II. Augustinus, waarom beweent gij het lichaam waaruit de ziel - en niet de ziel, waaruit God geweken is?quot; (Aug. Serin. 63. c. 6.) De afgodendienaar Miciias beklaagde zich zeer, dat mén hem zijne goden ontnomen had; waarom zouden wij dan niet treuren en klagen, dat wij God, de genade en den Hemel door onze eigen schuld verloren hebben ?

Wat en hoevelerlei is het berouw?

Het berouw is oene inwendige smart over en eene verafschuwing van de bedrevene zonden, met het voornemen in de toekomst niet meer te zondigen. Wanneer deze smart en deze afkeer slechts daaruit ontstaan, dat men zich door de zonden ecnige tijdelijke schade, schande, verachting of straf op den hals heelt gehaald, dan heelt men slechts een natuurlijk berouw. Het berouw is bovennatuurlijk, wanneer men zijne zonden verafschuwt, wijl men God daardoor beleedigd of tegen Gods heiligen wil gehandeld heeft. Dit berouw is onvolmaakt, wanneer hel ons leed doet. God beleedigd te hebben, wijl Hij de zonden met het verlies van den Hemel en met tijdelijke en eeuwige straffen kastijdt. Het is volmaakt, als men over de zonden bedroefd is, omdat men God, den Opperheer, het hoogste en beminnenswaardigste Goed, den liefderijksten Vader daardoor beleedigd heeft.

Is het natuurlijk berouw voldoende voor de Biecht ?

Evenzoo min als een kind vergeving zijner fouten verkrijgt, als het deze slechts uit vrees voor straf en niet tevens uit liefde jegens zijne ouders beweent en verafschuwt, even zoo min verwerft de mensch vergiffenis zijner zonden, wanneer zijn

88

ocr page 123

BEROUW OF LEEDWEZEN.

leedwezen enkel uit vrees voor de straffen, die liij daardoor verdiend heelt, ontstaat, en niet tevens nil vrees voor Goi den reclitvaardigsten Rechter, verbonden met eene beginnende liefde lot God, als onzen Schepper, Heer, Weldoener, Verlosser, enz. en uit eene ernstige verafschuwing der zonden, voortspruit.

Welk berouw wordt er vereischt, om vergiffenis der zonden te bekomen?

Indien men geen gelegenheid heeft, om het Heilig Sacrament der Biecht te ontvangen, dan verkrijgt men door een volmaakt berouw alleen reeds kwijtschelding der zonden: daarbij moet men nochtans het voornemen hebben, om tot het Sacrament der Biecht !e naderen, zoodra de gelegenheid zich daartoe aanbiedt. (Wanneer men naderhand zulk eene gelegenheid heeft, dan moet uien ook werkelijk zijne zonden biechten.) Het onvolmaakt berouw verwerft door zich zelf geen vergiffenis der zonden, maar maakt den zondaar geschikt, om, door middel van het Heilig Sacrament der Biecht, kwijtschelding zijner misdaden te bekomen.

Wie zijn zij, die mogen vreezen, dat zij in de Biecht slechts een natuurlijk of volstrekt geen berouw gehad

hebben ?

1) Zij, die zich weinig moeite geven, om Ie leeren, wat een goed berouw is. 2) Zij, die dikwijls doodelijk zondigen en zich bij al hun biechten niet beteren; want zoo dezen een waar leedwezen over hunne zonden gevoelden, dan zon hun voornemen, om het leven Ie beteren en de noodige middelen daartoe aan te wenden, krachtdadig zijn; daarenboven zouden zij ook door de genade, welke zij in het Sacrament der Biecht ontvangen, versterkt worden en de zonden althans een tijd lang vermijden. Daar echter niets van dit alles geschiedt, kan men met reden twijfelen, ol zij een goed leedwezen gehad hebben, 0' z'j bijgevolg het Sacrament der Biecht geldig ontvangen en de genade er van verkregen hebben. 5) In het bijzonder moeten zij zulks vreezen, die hunne zonden niet verfoeien noch vluchten vóór zij er door in schande, verachting of in andere ongelegenheden geraakt zijn,

89

ocr page 124

ONDERRICHT OVER HET

Wat moet men doen, om zich tot een waar berouw op te wekken ?

Men moet ernstig overdenken, 1) Wicn men door de zonden beleedigd heeft, GoJ namelijk, den besten Vader, die ons heelt geschapen, die ons voedt, behoudt en met ontelbare tijdelijke en bovennatuurlijke weldaden overlaadt; den barmhartigen Verlosser, die uit liefde tot ons zijn Bloed vergoten en den smart-volsten en verachtelijksten dood geleden heelt; den Heiligmaker, die zich met ons in den Doop vereenigd en ons met het kostbaar sieraad zijner genade verrijkt heeft; den oppersten Heer, in wiens tegenwoordigheid de Engelen uit eerbied hun aanschijn bedekken, en de duivelen sidderen; den rechtvaar-digsten en strengsten ]techier, die alle zonden, waarover men geen goed beronw heeft, allerverschrikkelijkst straffen kan en zal; eindelijk het hoogste Goed, den oorsprong van alle schoonheid en goedheid, waarvan alle schoonheden en voortrelfelijk-heden der aarde slechts zwakke afbeeldsels zijn. 2) Welke schade men zich door de zonde veroorzaakt; dat men, namelijk, door de doodzonde den Hemel verliest en tie eeuwige pijnen der hel verdient, zijne ziel van Gods genade en vriendschap berooft, ze van een evenbeeld en kind van God tot een kind en eene slavin des duivels en aan dezen gelijkvormig maakt. Men bedenke, dat men door de dagelijksche zonden zijne ziel misvormt, de liefde en den ijver lot de deugd in haar verzwakt, Gods welbehagen in ons vermindert, vreeselijke stralfen in het vagevuur zich voorbereidt, ja zich zelfs aan het gevaar blootstelt van doodzonden te begaan en in de eeuwige verdoemenis te vallen. 5) Men overwege, waarvoor men gezondigd heeft? Ach ! voor eene ijdele eer, voor een kortstondig schandelijk genot, voor een gering vermaak, een nietig voordeel; in één woord: men bedenke, dat men God, den Hemel en de eeuwige gelukzaligheid, gelijk Esau voor eene linzensoep, of gelijk Ionathas voor eeueu druppel honig, verkocht en verbeurd heeft!... Zou dit alles geen smart en droefheid in ons kunnen opwekken?... Door soortgelijke overwegingen valt het gemakkelijk zich tot berouw en leedwezen op te wekken, hetgeen men niet vermag, als men de schoonste berouwsfonnulen uit een gebedenboek slechts met de lippen leest. Zulk een lippen-

90

ocr page 125

bebouw of leedwezen.

gebed is niet voldoende, want liet leedwezen bestaat niet in woorden, maar in de droefheid van een vermorzeld hart.

Wat is allernoodzakelijkst tot het verwekken van een goed berouw ?

Gods genade; want God alleen kan ons boos liarl bekce-ren en met berouw vervullen, zoo als Jerejiias XXXI, 18 zegt: »Bekeer mij en ik zal bekeerd worden, want Gij zijt mijn Heere en mijn God. Nadat Gij mij bekeerd hebt, deed ik boetvaardigheid en nadat Gij het mij getoond hebt, sloeg ik op mijne heup!quot; Denk dus niet, zondaar! dat gij maar voorlzondigen kunt zoo lang gij wilt en u bekeeren wanneer gij verkiest, want indien God u daartoe zijne genade niet geeft, dan zult gij u noch willen, noch kunnen bekeeren.

III. Over het voornemen.

Het voornemen van zijn leven te beteren is even noodzakelijk tot de Biecht als het berouw; immers hoe zou liij, die God in de toekomst nog beleedigen wil, van Hem vergiffenis der zonden kunnen verkrijgen? De mensch, die een oprecht berouw over zijne zonden gevoelt, heeft ook een goed voornemen, want de wil van voortaan nog te zondigen, kan onmogelijk bestaan met don afkeer, dien men van de zonde moet hebben.

Waaruit kan men zien of men een goed voornemen gehad heeft?

Men kan dit hieruit opmaken, als men zich geweld aandoet, om zijne booze driften' te onderdrukken, de bekoringen weerstand te bieden, de zondige gewoonten af te leggen; als men de daartoe vereischte, of de van den biechtvader voor-geschrevene middelen zorgvuldig gebruikl; wanneer men de naaste gelegenheden der zonde, dat is, de personen, met wie, en de plaatsen, waarop men zich aan zonde hchuldig maakte, zorgvuldig vermijdt en wanneer men volgens zijne krachten voor de bedrevene fouten tracht (c voldoen. In één woord, liet goede voornemen moet zich door verbetering van leven toonen.

91

ocr page 126

over het voornemen.

Wie zijn dus degenen, die geen goed voornemen hebben ?

1) Zij allen, die geen ijver aanwenden, om hunne zonden en misdadige gewoonten, bijv. van vloeken, zweren, gramschap, achterklap, eerberooving, enz. af te leggen. 2) Zij, die de door den biechtvader voorgeschrevene middelen, om zich van de zonden te vrijwaren, niet gebruiken. 3) Zij, die de gelegenheid en in het bijzonder de naaste gelegenheid tot de zonde niet vermijden, bijv. al degenen, die de gevaarlijke personen, met welke zij lichtelijk zondigen, niet verlaten of niet van zich verwijderen; zij, die dag en nacht in do herbergen zitten, niettegenstaande zij door de ondervinding weten, dat zij bij zulke gelegenheden door drinken en spelen, door verkwisting van bun vermogen, onzuivere gesprekken, kwaad-sprekenheid en eerroof, dooi' morren tegen de wettige overheid, enz. zondigen en ook anderen daartoe aansporen, of zelfs maar uitnoodigen. Zoo ook zondigen de herbergiers, die, om winst te maken, zulke lieden in hunue huizen lokkeu, ophouden, beschonken maken en alzoo gelegenheid tot de zonde geven, in plaats van ze te verhinderen. 4) Zij, die zich weinig bekommeren, om na de Biecht de verschuldigde boete te doen. Deze zijn allen bij gebrek aan een goed voornemen de Heilige Absolutie onwaardig.

IV. Over de Biecht of belijdenis.

Het was te allen tijde noodzakelijk zijne zonden te bekennen of te biechten. Ook onder de Oude Wet bestond er eene zekere soort van zondenbelijdenis. Onder de Nieuwe Wet moet men zijne misdaden den Priesters rechtstreeks mededeelen, wijl dezen de macht de zonden te vergeven, welke macht zij van Christus ontvangen hebben (Joan-.XX), en niet kunnen uitoefenen, tenzij hun door de Biecht des zondaars worde bekend gemaakt, welke en hoeveel zonden zij moeten vergeven. Daarom schrijft de H. Augustinus (Scrm. 392. c. 3): «Niemand zegge : Ik doe in het geheim vóór God bonte; God, die mij kent, weet wat in mijn hart omgaat. Zou er dan te vergeefs gezegd zijn: nHetgeen gij op aarde zult ontbonden hebben, zal ook in den Hemel ontbonden zijn?quot; Eu zouden de sleutels te vergeefs aan de Kerk Gods zijn gegeven?quot; Eu de H. Ambuosius zegt (De

92

ocr page 127

OVER DE BIECHT OF lïELUDENIS.

poenit. I, 2): Wie vereert God meer, liij, die aan Gods geboden gehoorzaamt of die ze weerstreeft? God beval ons, zijnen dienaren te gehoorzamen en wanneer wij hun hevel volgen, dan geven wij Gode alleen de eer.quot; Uil de woorden van Jesus : Wier zonden gij vergeven zult, dien zijn ze vergeven,quot; enz. volgt dus zoo wel de noodzakelijkheid der belijdenis, als die dor Priesterlijke ontbinding door het Sacrament der Biecht.

Wat moet ons de Biecht verlichten?

l)e menigvuldige voordeden, die uit dit Sacrament voortvloeien; want door de Biecht verkrijgt men 1) Vergiffenis der zonden en kwijtschelding dor eeuwige straffen, hetgeen men buiten haar, zoo als in het voorgaande gezegd is, niet verkrijgen kan; 2) Troost en gerustheid van geweten; o) De noodzakelijke geneesmiddelen tot heeling van de krankheden onzer ziel, welke middelen een godvruchtig en bekwaam biechtvader ons zal aanwijzen; 4) De vermaningen en gebeden des Priesters zullen er ook toe bijdragen, om den zondaar volkomen te be-keeren en om hem tegen een grooten val te behoeden, wanneer die zondaar nog geen zware misdaden bedreven heeft.

Wat moet men doen, om zich al die voordeelen ten nutte te maaken ?

1) Men moet in do Biecht oprecht en openhartig zijn, dat is, niet alleen de zware zonden volgens hare soort, omstandigheden en haar getal genoegzaam, duidelijk (niet in dubbelzinnige of bedekte woorden) verklaren, maar ook zijne andere geestelijke aangelegenheden, twijfel, angstvalligheden en alle wonden zijner ziel vertrouwelijk blootleggen; want eene wonde, die niet getoond wordt, kan ook niet genezen worden, 2) Men moet zijne gewetenszaken aan geleerde, godvruchtige en ijverige Priesters toevertrouwen en zich bij hen houden, even als men ia lichamelijke ziekten geleerde en ervarene geneesheeren raadpleegt.

Hoe zal men de valsche schaamte in de Biecht overwinnen ?

Met te bedenken: 1) dat de biechtvader onder zware zonden niets uit de Biecht zeggen mag; 2) dat het beter is zijne

93

ocr page 128

over de voldoening.

zonden in het gelieiin te biechten, dan wegens haar voortdurend ongerust te leven, ongelukkig te sterven en op den jongsten dag vóór de gansche wereld beschaamd gemaakt te worden en voor eeuwig verloren te gaan; 3) dat de biechtvader zelf een zwak mensch is, die medelijden met den rouwmoedigen zondaar heeft en zich over diens bekeering verheugt.

V. Over de voldoening.

Tot eene ware verandering des harten of tot eene ware boetvaardigheid wordt niet alleen vereischt, dat de mensch zijne bedrevene zonden verafscluiwe en het vaste besluit make, ze voortaan niet meer te bedrijven, maar ook, dat hij het goed, hetwelk hij verzuimd heeft, herstelle, en het kwaad, dat hij gedaan heeft, volgens zijne krachten belette. De voldoening, welke wij onzen naaste, wanneer wij hem naar ziel of lichaam, in zijne tijdelijke of geestelijke goederen schade veroorzaakt hebben, verschuldigd zijn, wordt herstelling (restitutie) genoemd. De voldoening echter, waarover hier gehandeld wordt, is die, welke wij Gode wegens onze zonden verschuldigd zijn. Christus heeft, wel is waar, overvloedig aan de Goddelijke rechtvaardigheid voldaan, »en Hij is eene verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar voor die der gansche wereld.''' I Joan. II, 2. Nochtans zij de gedachte verre van ons, dat Hij ons daardoor van de verplichting heeft ontslagen, waardige vruchten van boetvaardigheid voort te brengen. Gelijk wij leedwezen over onze zonden moeten hebben, even zoo moeten wij dit leedwezen uitwendig door daden toonen. Op die wijze slechts kunnen wij aan de voldoening, welke Christus voor ons gegeven heeft, deelachtig worden. Wie geen boete doet, kan geen deel aan Christus hebben. Wij gelooven insgelijks, dat onze boetpleging slechts door Hem en door zijne verdiensten, de beleedigde Goddelijke rechtvaardigheid bevredigen kan. Dit heeft de Katholieke Kerk altijd geleerd. En derhalve veroordeelt cn doemt de Kerkvergadering van Trente al degenen, die beweren, dat God den mensch met de schuld en de eeuwige straf ook altoos alle tijdelijke stralfen kwijtscheldt. Tegelijker tijd maakt deze heilige Kerkvergadering het den Priesters tot pücht, den biechteling eene volgens zijn krachten eu aan de

94

ocr page 129

OVER DE VOLDOENING.

grootheid der zonden geëvenredigde voldoening op te leggen, opdat zij zicli niet aan vreemde zonden schuldig zouden maken, door slechts eene geringe voldoening voor zware misdrijven op te leggen. Do biechtvaders belrooren in het oog to honden, dat de voldoening niet alleen tot waarborg voor een nieuw leven en tot een versterkend geneesmiddel, maar ook tot straf en kastijding voor de bodrevene zonden moet dienen (14 Zitting 8).

Wij moeten derhalve de werken van boetvaardigheid, die de Priester ons voorschrijft, ootmoedig en bereidwillig aannemen en naar geweten vervullen, zonder ons daaromtrent eenige eigendunkelijke veranderingen, enz. te veroorloven. Hiermede mogen wij ons evenwel niet tevreden stellen, maar wij behooren onze boetvaardige gemoedsstemming op alle mogelijke wijzen aan den dag te leggen, door aanhondenden ijver in het gebed, door godvruchtige oefeningen, onthouding, geduld, zachtmoedigheid en door allerlei geestelijke en lichamelijke werken van barmhartigheid, door de wederwaardigheden, die wij ons door onze zonden hebben op den hals gehaald, met geduld te dragen, door de beleedigingcn, welke ons aangedaan worden, oprecht te vergeven, enz., steeds bedenkende, hoeveel God ons door Christus heeft vergeven, welke groote schulden Hij ons kwijtgescholden heeft, en dat wij daarvoor niet dankbaar en ijverig genoeg in zijnen heiligen dienst kunnen wezen!

Oiiderrtclit voor Kerstmis.

nLaat ons hem een klein vertrek bereiden, en er voor hem een bed, eene tafel, en eenen ' stoel en eenen kandelaar plaatsen, opdat hij aldaar verbiijce, wanneer hij tot ons komt.''' IV Kon. IV, 10. Zoo sprak de Sunamitische vrouw, toen de Profeet Eliseus hare woning naderde; zulke toebereidselen maakte zij om hem te ontvangen. Zullen wij dan Christus, tlie op het punt staat van tot ons te komen, niet minder eerbied onthalen? Zullen wij Hem niet mot vreugde eene waardige woning in ons bereiden, met ons hart dooi' eene ware boetvaardigheid van zonden te reinigen en het door goede gezindheden en edele deugden te versieren?

95

ocr page 130

onderricht voor kerstmis,

Wilt gij uwen Heiland behagen, wilt gij het welzijn uwer ziel bevorderen, beijver u dan, o Christen! om uwen geest in dezen nacht met goede gedachten, met heilige opwekkingen bezig te houden, ten einde de genade, welke Jesus bereid is, u in zijne komst mede te deelen, waardig te worden. Overdenk ook, hoe dc 11. Jozef en de Allerheiligste Maagd Maria in haren vruchtdragenden staat, uit gehoorzaamheid aan het bevel des keizers en uit volkomene onderwerping aan Gods Heiligen wil, onder vele bezwaren en groote vermoeienissen naar Bethlehem zijn gegaan. Overweeg, hoe zij er, wegens de overgroote menigte van menschen, geen herberg vonden, om er te vernachten, en volgens Goddelijke schikking, buiten de stad, hunnen iulrek moesten nemen in eenen armen stal, waar Jesüs geboren werd. Welke liefde verdient niet de mensch-geworden Zoon Gods, die zicli uit liefde tot ons zoo diep heelt vernederd? Hied Hem dus uw hart tot eene verblijfplaats aan door het volgende

Gebed der Kerk.

0 God, die ons telken jare door de verwachting van het feest onzer Verlossing met blijdschap vervult, geef, dat, gelijk wij met vreugde uwen Eeniggeboren Zoon als onzen Ver-losser ontvangen, wij zoo ook .Iesus-Christus, onzen Heer, met vertrouwen mogen zien, wanneer Hij als onze Rechter zal komen, die met U leeft en heerscht, enz.

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Paulus aan de Romeinen, I, 1-6.

Paulus, dienstknecht van Jesus-Ciiristus, geroepen Apostel, afgezonderd tol het Evangolie Gods, hetwelk Hij te voren beloofd had door zijne Profeten in de Heilige Schriften aangaande zijnen Zoon, die, naar den vleesche, nit het kroost van David Hem geworden is, die, naar den Geest der Heiligmaking, met kracht te voren bestemd is Zoon Gods, uit de opstanding van de dooden onzes Heeren Jesus-Christus, door wien wij genade hebben ontvangen, en het Apostelschap lot gehoorzaming aan het geloof onder alle de Heidenen, voor zijnen naam, waaronder ook gij geroepenen zijt van Jesus-Ciiristus onzen lieer.

96

ocr page 131

hoog-heiug kerstfeest

Evangelie volgens den H. VIathi^us I, 18-21.

(Zie het Evangelie op het feest van den H. Jozef, 19 Maart.j

Onderricht voor het hoog-heilige Kerstfeest.

Wat is de Kerstdag?

De dag, waarop Jesus-Ciiristus, onze Verlosser en Zaligmaker, in den stal van Bethlehem uit de Maagd Maria geboren werd.

Waarom wordt deze dag zoo plechtig gevierd ?

Wijl hij de geboortedag van den Verlosser der wereld of van den Vorst des vredes is, door wien wij allen lot een Gode gevallig en gelukzalig leven herboren zijn!

Waarom worden heden drie Missen gelezen ?

1) Om de Allerheiligste Drievuldigheid voor de genaderijke geboorte van Christus te bedanken; 2) om ons aan zijne drievoudige geboorte te herinneren en wel in de eerste Mis aan zijne eeuwige geboorte uit zijnen Hemelschen Vader volgens de Goddelijke natuur; in de tweede Mis aan zijne geboorte in den tijd uit de altijd zuivere Maagd Maria volgens de mensche-lijke natuur; in de derde Mis aan zijne geestelijke geboorte in elke godvruchtige ziel door zijne liefde en genade.

Waarom wordt de eerste Mis in vele landstreken te middernacht opgedragen ?

1) Wijl Christus in den nacht geboren werd als het ware licht, dat in de wereld kwam, om degenen te verlichten, die in duisternis en in schaduwe des doods gezeten zijn; Luc. I, 79. 2) wijl de Goddelijke geboorte van Christus verborgen en onbegrijpelijk is voor ons verstand.

Waarom wordt de tweede Mis by het eerste morgenrood, en de derde op den helderen dag gehouden?

Om te beteekenen, dat de geboorte van Christus, nadat zij de duisternis der onwetendheid verdreven had, den helderen dag der kennis van God heeft aangebracht; alsook omdat de

7

97

ocr page 132

onderricht voor hkt

geestelijke geboorte des Verlossers in eene Godminnende ziel elk oogenblik geschieden kan.

Onderricht over de eerste Mis.

De Ingang van deze Mis spreekt over de eeuwige geboorte van Christus: uüe Heere heeft Mij gezegd: Gij zijt mijn Zoon, Ik heb U heden (dat is volgens de verklaring der H. Vaders van eeuwigheid af) geteeld. Ps. II. «Waarom hebben de Heidenen getrild en de volkeren ijdele dingen bezonnen.quot; Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

O God, die in deze allerhelligsten nacht den glans van net ware licht hebt doen schitteren, geef, smeeken wij U, dat wij, na hier op aarde de geheimen van dit licht gekend te hebben, ook iii den Hemel de vreugden er van mogen genieten. Die met ü leeft en heerscht, enz.

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Faulus aan Titus, II, 11-15.

Welbeminde! Verschenen is de genade van God onzen Zaligmaker aan alle menschen, leerende ons dat wij, verzakende de goddeloosheid en de wereldsche begeerlijkheden, zedig, en rechtvaardig, en godvruchtig leven in deze wereld, verwachtende de zalige hoop, en verschijning der heerlijkheid van onzen grooten God en Zaligmaker Jesus-Christüs; die zich zeiven gegeven heeft voor ons, om ons te verlossen van alle ongerechtigheid, en te zuiveren voor zich zeiven tot een uilgelezen volk, ijveraar naar goede werken. Dit spreek en vermaan in Christus Jesus onzen Heer.

Waardoor heeft zich Gods genade jegens ons menschen in het bijzonder geopenbaard?

Door de Menschwording van Jesus-Christus zijnen Zoon, dien Hij, uit oneindige liefde voor ons, aan ons menschen gelijk en tot onzen Broeder, Leermeester en Verlosser gemaakt heeft, opdat wij door Hem de genade en het kindschap Gods zouden erlangen en zalig worden.

98

ocr page 133

HOOG-HEILIG KKKSTFEEST.

Wat leert Christus ons voornamelijk door zijne geboorte ?

Dat wij den ouden Adam, den zondigen mensch, afleggen en nieuwe, dat is, heilige en rechtvaardige of aan Christus gelijkvormige, menschen moeten worden. Dit geschiedt, wanneer wij de goddeloosheid, het ongeloof en de aardsche begeerlijkheden verzaken. God en zijnen heiligen wil bovenal beminnen en zijn welbehagen door de beoefening van goede werken trachten te verwerven.

Wat wordt er door wereldsche begeerlijkheden verstaan ?

De wereldsche en vleeschelijke begeerten en wellusten, zoo als: ontucht, slemperij, brasserij, gierigheid, enz., die tegen de ziel strijd voeren, en die den menscli buiten den Hemel sluiten.

Hoe zullen wij zedig, rechtvaardig en godvruchtig leven ?

Matig, wanneer wij alle plichten jegens ons zeiven; rechtvaardig, indien wij de plichten jegens onzen naaste; en godvruchtig, zoo wij onze plichten jegens God getrouw vervullen, of wanneer wij Gode de hoogste eer en liefde bewijzen, onzen evenmensch behandelen, zoo als wij wenschen behandeld te worden, en ons zeiven door de beoefening der deugd in het bezit der eeuwige zaligheid trachten te stellen.

Verzuchting. Wees gezegend, o beminnenswaardigste, nieuwgeboren Heiland, die volgens uwe Goddelijke natuur de Zoon des Hemelschen Vaders en volgens uwe menschelijke natuur het Kind der allerzuiverste Maagd Maria zijt, en die, om mij den weg der gerechtigheid te toonen, uit den Hemel nedergedaald, mensch en aan mij gelijkvormig geworden zijt! Voortaan verzaak ik, wijl Gij mij zóó lief hebt gehad, alle goddeloosheid, allen haat, het vloeken en zweren, alle zondige gedachten, woorden en werken, ik wil voortaan, uit liefde tot U, alle aardsche wellusten verlaten, en altijd matig, rechtvaardig en godvruchtig leven. Versterk mijn voornemen door uwe krachtige genade.

99

ocr page 134

ONDERRtCHT VOOR HET

Evangelie volgens den H. Lucas II, 1-14.

In dien tijd ging er een gebod uit van keizer Augustus^ om de geheele wereld op te schrijven. Deze eerste opschrijving geschiedde van den landvoogd van Syrië, Cyrinüs. En allen gingen, om zich aan te geven, een iegelijk in zijne stad. En ook Jozef ging op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, tot de stad van David, welke Bethlehem geheeten wordt, omdat hij uit het huis en geslacht van David was : om zich aan te geven, met Maria, zijne verloofde vrouw, welke zwanger was. Maar hot geschiedde, toen zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij haren zoude. En zij baarde haren eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken, en legde Hem in eene kribbe, omdat er voor hen geene plaats was in de herberg. En er waren herders in dezelfde landstreek,, wakende^ en de nachtwake houdende over hunne kudde. En ziet, een Engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid Gods omscheen hen ; en zij vreesden met grooto vreeze. En de Engel zeide tot hen : Vreest niet, want ziet, ik verkondig u groole blijdschap, welke voor het gansche volk zijn zal : dat heden, in de stad van David, u do Zaligmaker geboren is., welke is Christus de Heere! En dit zij u het teeken : Gij zult een kindeken vinden, in doeken gewonden, en liggende in eene kribbe. En terstond was er bij den Engel eene menierte van de hemelsche heerscharen. God loven-

o '

de, en zeggende : Glorie zij Gode in het allerhoogste, en op aarde, vrede don menschen, die van goeden wille zijn !

Waarom werden de Romeinsche onderdanen ten tyde van keizer Augustus opgeschreven?

Dit gesch-cdde door eene bijzondere schikking des Aller-hoogsten, die alzoo aan Jozef en Maria de gelegenheid wilde

100

ocr page 135

IIOOG-HEILIG KERSTFEEST.

verschaffen, om naar Bethlehem te reizen, waar Christüs, volgens de voorzegging van den Profeet Micheas (V, 2), moest geboren worden. Leer hieruit, hoe de Goddelijke Voorzienigheid alles volgens hare inzichten leidt; bemerk de gehoorzaamheid, welke Maria betoonde aan het gebod des keizers of liever aan het bevel van God, die door dezen vorst gebood, en maak het voornemen, in het vervolg beter te gehoorzamen, wanneer Hij u door de overheid en wel voornamelijk door uwe geestelijke oversten beveelt iets te doen of Ie laten.

Waarom wordt Christus de eerstgeboren Zoon van Maria genoemd?

Wijl Maria geen kind gebaard heelt den Ghkistus, is Hij haar eerst- en ééniggeboren Zoon, even als Hij de eerst- en ééniggeboren Zoon van zijnen Hemelschen Vader is (Hebr.1,6).

Waarom werd Christus zoo arm in eenen stal geboren en in eene kribbe gelegd?

1) Om den menschen reeds bij zijne geboorte te toonen, dat Hij niet gekomen is, om een aardsch rijk te stichten, om als koning, door dienaren omgeven, een schitterend leven te leiden, zoo als de Joden zulks van den Messias verwachtten; 2) om ons reeds bij zijne komst in de wereld door zijn voorbeeld liefde tot armoede, tot nederigheid, verachting der wereld; geduld, enz. in te boezemen; 3) om te toonen, dat de menschheid, welke Hij had aangenomen. Hem vreemd, dat de wereld niet zijn vaderland, noch het eigenlijke en éénige too-neel zijner werkzaamheid was.

Waarom wordt de geboorte van Christus aan arme herders en niet aan koning Herodes of aan de hoogepriesters verkondigd ?

God wil hierdoor doen uitschijnen, dat bij Hem geen aanzien van personen bestaat, maar dat Hij zijne genade volgens zijn welbehagen uitdeelt en gaarne met arme, ootmoedige en godvruchtige menschen, gelijk de herders waren, omgaat en hun zijne genade verleent, en dat de hoovaardigen een gruwel in zijne oogen zijn, — Bemin den ootmoed en de

101

ocr page 136

onderricht voor het

eenvoudigheid des harten, haat den hoogmoed en de arglistigheid, dan zal God zich ook aan u door zijne inwendige inspraken veropenbaren en u zijne genade mededeelen.

De Engelen, opgetogen van vreugde, loofden God en zongen: »Glorie zij Gode in het allerhoogste en op aarde, vrede den menschen, die van goeden wille zijn.quot; Hiermede wilden zij zeggen: wij loven en danken den Allerhoogste, dat Hij zijn Zoon in de wereld gezonden heeft; en de menschen op aarde, die van goeden wil zijn, zullen thans (door den Heiland) den vrede met God erlangen. Verblijd u heden en te allen tijde, dat de ééniggeboren Zoon Gods mensch geworden is, om u en alle menschen uit de macht van den duivel te verlossen en weder met God te verzoenen; betoon Hem daarvoor uwen oprechten dank, zeg dikwijls en van ganscher harte met de Engelen: Glorie zij Gode in het allerhoogste, en op aarde vrede den menschen, die van goeden wille zijn!

Onderricht over de tweede Mis.

De Ingang dezer Mis is genomen uit Isaias IX: Een licht zal heden over ons schijnen, wijl ons de Heere geboren is; en Hij zal genoemd worden do Wonderlijke, God, de Vorst des vredes, de Vader der toekomende eeuw, wiens rijk geen einde zal hebben. Ps. XC1I. De Heer heeft geregeerd. Hij heeft zich met luister omkleed; de Heer heeft zich met macht bekleed en zich omgord. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

O almachtige God, wij bidden U, geef ons, die heden door het nieuwe licht van irw vleeschgeworden Woord bestraald worden, dat wij het licht des geloofs, hetwelk ons verstand verlicht, ook in onze werken doen uitschijnen. Dooi denzelfden Jesds-Christus onzen Heer, die, enz.

EPISTEL : Les uit den Brief van den H. Paulus aan Titus. III, 4-7.

Welbeminde! ïoeu de goedertierenheid en menschen-liefde verschenen is van God onzen Zaligmaker, heeft Hij, niet uit werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden.

102

ocr page 137

iioog-!IErt,ig kerstfeest.

maar naar zijne barmhartigheid, ons zalig gemaakt door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes, dien Hij over ons rijkelijk heeft uitgestort door Jesus-Christus onzen Zaligmaker; opdat wij, zijnde gerechtvaardigd door zijne genade, erfgenamen zouden worden naar de hoop des eeuwigen levens, in Christus Jesus onzen Heere.

Verklaring. De Apostel heeft in deze weinige woorden het gansche werk onzer zaligmaking voorgesteld. Redding was noodzakelijk geworden door den val onzer eerste onders, en redding verscheen op het uur der genade. Zij werd door den Vader bepaald, door den Zoon bewerkt en in den H. Geest gegeven; zij is niet op menschelijke verdiensten maar op de Goddelijke barmhartigheid gegrond, wordt den mensch door de wedergeboorte in den Doop geschonken, bewerkt in hem de gerechtigheid en maakt hem gelukkig door de hoop des eeuwigen levens. — Eere zij aan God!

Evangelie volgens den H. Lucas II, 1S-20.

In dien lijd zeiden de herders tot elkander : Laat ons heengaan naar Bethlehem, en dit woord zien, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd. En zij, zich spoedende, kwamen, en vonden Maria, en Jozef, en het kindeken, hetwelk in de kribbe lag. En het ziende, maakten zij het woord bekend, hetwelk tol hen gesproken was aangaande dit Kind. En allen, die hel hoorden, verwonderden zich ook over hetgeen tol hen door de herders gezegd werd. Maar Maria bewaarde alle deze woorden, en onverwoog ze in haar harte. En de herders keerden wederom, verheerlijkende en lovende God, over al hetgeen zij gehoord en gezien hadden, gelijk tol hen was gesproken.

Verklaring. 1. De herders gelooven aan het woord des Engels en begeven zich in aller ijl naar de kribbe. Zij moedigen elkander onderling aan, zoeken den Heiland en vinden Hem; zij maken Hem ook aan andere meuschen bekend en danken God van harte voor de hun bewezene genade. Laat

103

ocr page 138

onderricht voor het

ons deze herders navolgen. Laat ons aan het geopenbaarde woord Gods gelooven en gewillig gehoorzamen; laten wij elkander door goede voorbeelden en stichtende gesprekken tot geloof en verheerlijking van God met woord en daad aanmoedigen; laat ons God voor de ons geopenbaarde waarheden, door er een goed gebruik van te maken, danken en ze ook aan anderen mededeelen. II. Maria bewaarde alle woorden, welke zij over haren Zoon vernam en overwoog ze in haar hart. Leeren wij van Haar de eenmaal erkende Goddelijke waarheden bewaren, door ze gedurig en zorgvuldig te overwegen, en ze op die wijze tot eene spijs onzer ziel te maken, waardoor wij in het geestelijke leven versterkt en behouden worden. 111. De H. Ambrosils vat de woorden van dit Evangelie zinnebeeldig op en zegt: de kudde beteekent het volk, de nacht de wereld, de herders zijn de Priesters, die over het volk waken, opdat het door de vijanden zijner zaligheid in deze wereld geen schade lijde. Welken dank moeten de geloovigen hiervoor den Priesters niet betuigen!

Onderricht over de derde Mis.

De Ingang dezer Mis herinnert ons aan de geestelijke geboorte van Christus. «Een Kind is ons geboren en een Zoon is ons gegeven, op wiens schouderen de heerschappij rust: en Hij zal de Engel van den grooten raad genoemd worden. Ps. XCVII. Zingt den Heere een nieuw loflied, wijl Hij wonderen verricht heeft.quot; Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

O almachtige God, verleen, smeeken wij, dat de nieuwe geboorte van uwen ééniggeboren Zoon in het vleesch ons ver-losse van het juk, waaronder de oude dienstbaarheid der zonde ons doet gebukt gaan. Door denzelfden Jesus-Ghristus onzen Heer, enz.

EPISTEL : Les uit den Brief van den H. Paulus aan de Hebreërs. I, 1-12.

Menigendeels, en menigerleiwijs van ouds gesproken hebbende tot de vaderen in de Profeten, heeft God ten laatste

104

ocr page 139

hóóg-heilig kerstfeest.

in deze dagen tol ons gesproken in den Zoon, dien Hij gesteld heelt Erfgenaam van alles, door wien Hij ook de eeuwen gemaakt heeft; die, zijnde het afschijnsel van zijne heerlijkheid, en het evenbeeld van zijne zelfstandigheid, en dragende alies dooi' het woord zijner kracht, na zuivering van de zonden te hebben gemaakt, gezeten is ter rechterhand van de Majesteit in den allerhoogste; zooveel voortreffelijker geworden, dan de Engelen, als Hij, boven hen, meer uitnemenden naam heeft geërfd. Want tot wien ooit van de Engelen heeft Hij gesproken: Gij zijt mijn Zoon, heden heb ik ü geteeld? En wederom: Ik zal Hem tot Vader, en Hij zal mij tot Zoon zijn? En als Hij wederom den Eerstgeborene in de wereld inbrengt, spreekt Hij: En dat Hem aanbidden alle Engelen Gods! En aangaande de Engelen spreekt Hij wel: Die zijne Engelen maakt geesten, en zijne dienaren eene vlamme van vuur. Aangaande echter den Zoon: uw troon. God! is in allo eeuwigheid; de staf van rechtmatigheid uw rijksstaf. Gij hebt rechtvaardigheid liefgehad, en ongerechtigheid gehaat: daarom heeft U, God! uw God gezalfd met vreugde-olie, boven uwe medegenooten. En: Gij hebt in den beginne, Heere! de aarde gegrondvest, en werken uwer handen zijn de hemelen. Zij zullen vergaan. Gij echter zult altoos blijven, en allen zullen zij gelijk een kleed ouden; en even als een overgewaad zult Gij ze veranderen, en zij zullen veranderd worden; Gij echter zijt dezelfde, en uwe jaren zullen niet ophouden.

Verklaring. De hooge waardigheid en de heiligheid van den Zoon, de liefde en de goedheid van den Vader, die ons zijnen Zoon tot Leermeester en Verlosser heelt gegeven, kunnen niet heerlijker beschreven worden dan in deze les. Leer uit dezen Epistel, o Christen! hoe zeer gij verplicht zijt. God wegens de weldaad der Verlossing te beminnen, te danken en Curistus als uw voorbeeld na te volgen; immers wanneer gij n niet, door den Heiland na te volgen, aan Hem tracht gelijkvormig te maken, dan behoort gij geenszins onder het getal zijner uitverkorenen en kunt gij geen deel aan zijne Verlossing hebben. Rom. VIII, 29.

Verzuchting. Ik dank U duizenden malen, o Hemelsche Vader! dat Gij U hebt gewaardigd door uwen geliefden Zoon,

ocr page 140

ONDERRICHT VOOR HET

in wien Gij uw welbehagen gesteld hebt, tot ons te spreken. Ik wil Hem gaarne en van harte aanhooren en mijn leven in alles naar zijne leer richten.

Evangelie volgens den H. Joannes I, 1-14.

In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alles is door [hetzelve gemaakt, en zonder hetzelve is niets gemaakt, hetgeen gemaakt is. In hetzelve was het leven, en het leven was het licht der menschen. En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft , het niet begrepen. Er werd een mensch van God gezonden, wiens naam was Joannes. Deze kwam tot getuigenis, om getuigenis te geven van het licht, opdat allen door hem zouden ge-looven. Hij was het licht niet, maar om getuigenis te geven van het licht. Het waarachtig licht was, hetwelk iegelijken mensch verlicht, die in deze wereld komt. Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt, en de wereld heeft Hem niet gekend. In zijn eigendom is Hij gekomen, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar zoo velen als Hem aangenomen hebben, aan hen heeft Hij macht gegeven, kinderen Gods te worden ; aan hen die in zijnen naam gelooven ; die niet uit den bloede, noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil eens mans, maar uit God geboren zijn. En (hier knielt men) het Woord is vleesch geworden, en heeft onder ons gewoond, (en wij hebben zijne heerlijkheid gezien, eene heerlijkheid als des Eéniggeborenen van den Vader), vol genade en waarheid.

Wat verstaat de H. Joannes door de uitdrukking: »het Woord?quot;

Hij duidt hierdoor den Zoon Gods aan, die het Woord des Vaders genoemd wordt, wijl die Zoon uit den Vader, even als het woord uit den geest, maar op eene veel voortreffelijker

106

ocr page 141

h oog-heilig kerstfeest.

en onbegrijpelijke wijze wordt geteeld en voortgebracht, weshalve Hij dan ook één met den Vader volgens de Goddelijke natuur maar verschillend van persoon is. Verder wordt de Zoon Gods het Woord des Vaders genoemd, wijl de Vader door den Zoon tot ons gesproken en ons zijnen wil geopenbaard heeft. (Hebr. I, 2. Mattii. XVII, 5.)

Wat beteekent: In den beginne was het Woord en het Woord was bij God?quot;

Dit beteekent, dat de Zoon Gods reeds bestaat vóór alle andere dingen en dat Hij bijgevolg van alle eeuwigheid door den Vader voortgebracht wordt, bij wien Hij dan ook van eeuwigheid verblijft. De H. Joannes leert hier aldus de eeuwigheid en de persoonlijkheid van het Goddelijk Woord. Zie hierover de Les op het feest lt;ler Onbevlekte Ontvangenis van Maria, 8 Dee.

Hoe zijn alle dingen door het Woord gemaakt?

Dit moet niet verstaan worden, alsof het Woord in de schepping Gode lot werktuig gediend hadde, maar dat Het met den Vader en den H. Geest de Schepper der wereld is, even als Het haar Behouder en Verlosser is.

Wat beteekent: »in Hem was het leven ?quot;

Dit beteekent zooveel als: Hij is zelf leven en waarheid en ook de bron van alle ander zoo lichamelijk als geestelijk leven. Hier mogen wij vooral aan het hoogere geestelijke loven onzer ziel of aan de kennis en de genade van God en aan onze eeuwige gelukzaligheid denken, want dit alles is ons door Christus geworden, wijl Hij ons God en diens wil beeft leeren kennen, ons door zijne gehoorzaamheid tot den dood des kruises de genade en vriendschap zijns Vaders verworven en ons tot erfgenamen der eeuwige zaligheid gemaakt heeft.

Waarom wordt dit leven »het licht der menschenquot; genoemd?

Hierdoor wordt vooral bedoeld, dat Jesus, die de waarheid zelve is, de menschen tot de ware kennis van God en van Gods Heiligen wil gebracht en ze daardoor verlicht of van

107

ocr page 142

onderricht voor het

den nacht des ongeloofs, der bijgeloovigheid, der dwaalleer en der zonde verlost heeft.

Wat wil zeggen: het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen ?

Dit beduidt: Christus leerde den menschen, die door de zonde in dwaling en onwetendheid, dat is, in de duisternis des geestes gevallen waren, van den beginne af maar voornamelijk gedurende zijn tijdelijk leven hier op aarde, de ware kennis van God en van het goede; doch de menschen namen, zijne leer niet aan, wijl hunne werken boos waren en bleven derhalve in de duisternis.

Bij welke soort van menschen is dit nog heden het geval ?

Bij hen, die niet gelooven, wat hun ook gepredikt worde en voornamelijk bij verharde zondaars, die niet tot inkeer komen en hun leven niet beteren, ofschoon God hen voortdurend door het licht zijner genade bestraalt om hen tot geloof en boetvaardigheid te bewegen.

Waardoor heeft de H. Joannes de Dooper getuigenis gegeven van het licht?

Hierdoor, dat hij den Heiland der wereld aangekondigd, en, toen deze werkelijk verschenen was, als het Lam Gods of dengene, die komen moest, dat is, als den Messias heeft aangewezen.

Hoe verlicht Christus alle menschen, die in deze wereld komen?

Hij verlicht ons uitwendig door zijn leven, door de leer der Profeten, door zijne leer en door zijne mirakelen; inwendig verlicht Hij ons, door ons het geloof en de genade medt te deelen, om het goede te kennen en te verrichten. Allen kuuneii door deze gênade zalig worden, zoo zij slechts met haar willen medewerken.

Wie zijn ze, die Christus hebben aangenomen?

Zij, die in Hem geloofden, in hef licht zijner genade wandelden, met Hem medewerkten en naar zijn voorbeeld

108

ocr page 143

hoog-heilig kerstfeest.

leefden, waardoor zij kinderen Gods en erfgenamen des Hemels geworden zijn.

Waardoor worden wij kinderen Gods ?

Door de genade, die in den Doop over ons wordt uitgestort, en door het waardig ontvangen van het Heilig Sacrament der Biecht, wanneer wij de vriendschap Gods na het Doopsel door eene doodzonde verloren hebben.

Hoe moet men dit verstaan: «Het Woord is vleesch geworden ?

Dit mag men niet opvatten, alsof het Woord, de Zoon tJods, in de menschelijke natuur is veranderd geworden, maar dit wil zeggen, dat die Zoon het vleesch heeft aangenomen uit de Maagd Maria en mensch geworden is. Twee naturen, de Goddelijke en de menschelijke natuur, zijn aldus met elkander in Christus vereenigd; Hij is tegelijkertijd waarlijk God en waarlijk mensch, of Godmensch. Hij wandelde drie en dertig jaren in deze hoedanigheid onder de menschen rond en ging zeer minzaam met hen om. Dikwerf zelfs vertoonde Hij zich in zijne glorie, zoo als door zijne verheerlijking op den berg Thabor in tegenwoordigheid der drie Apostelen, door zijne mirakelen, door zijne Verrijzenis en Hemelvaart. De menschen kunnen hieruit duidelijk opmaken, dat Christus de ware en wezenlijke Zoon Gods, de bron van alle genade is, door wien alle gelukzaligen, die ooit geweest zijn en nog zijn zullen, dc zaligheid verkregen en nog verkrijgen, dat is, genade op genade of de toereikende macht tot de deugd en tot hunne zaligheid ontvingen en nog ontvangen. Joan. I, 16.

Leerrede van den H. Paus Leo.

Laat ons, mijne innig geliefden, God den Vader, door den Zoon en den H. Geest danken, dat Hij zich, door de groote liefde, waarmede Hij ons bemind heeft, over ons ontfermd heeft. Toen wij dood waren door de zonden, heeft Hij ons opgewekt door Christus, opdat wij in dezen een nieuw leven zouden verkrijgen. Laat ons dus den ouden mensch met al zijne daden afleggen; en dewijl wij deel hebben aan

109

ocr page 144

onderricht vooll den

de geboorte vau Christus, de werken des vleesches verzaken. Erken, o Christen, uwe waardigheid, en dewijl gij deelgenoot der Goddelijke natuur zijt geworden, wacht u van door uw onwaardig gedrag weder te vervallen in uwe vorige bedorvenheid. Gedenk van welk hoofd en van welk lichaam gij lidmaat geworden zijt. Herinner u, dat gij aan de macht der duisternis ontrukt en overgeplaatst zijt in het licht en het rijk Gods!

Hoe ontstond het gebruik van te dezen tyde in de kerken en huizen kribben te plaatsen?

Door den H. Franciscus van Assisië, die het pasgeboren Kindeken Jesus bijzonder lief had en die, om zijne liefde jegens de kleinen Jesüs meer en meer aan te wakkeren, zich den stal van Bethlehem en de kribbe op zulke wijze pleegde voor te stellen. Wijl dit heilig gebruik bijzonder geschikt is ter onderwijzing van kinderen en ongeleerden, werd het op vele plaatsen ingevoerd, maar het ontaarde in sommige streken, wijl men, met de afbeelding der geboorte van Christus, allerlei wereldsche en onpassende voorstellingen in verband bracht. Zulke zaken behooren in geene kribbe te huis.

Onderricht voor den Zondag na het H. Kerstfeest.

Ingang der Mis. Wijsh. XV1I1, 14. Toen alles rustte iu eene diepe stilte en de nacht in het midden van zijn loop was, kwam uw almachtig Woord, o Heere, van de Hemelen, en van den koninklijken troon. Ps. XCH. üe Heere heeft geregeerd, en zich met luister omkleed, de Heere heeft zich met macht bekleed en zich omgord. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Almachtige, eeuwige God, bestuur al onze daden volgens uw welbehagen, opdat wij in den naam van uwen beminden Zoon eenen overvloed van goede werken verdienen voort te brengen. Die met U leeft, enz.

llü

ocr page 145

ZONDAG tSA. riKT KERSTFEEST.

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Apostel Paulus aan de Galaters, IV, 1-7.

Broeders, zoo langen tijd de erfgenaam onmondig is, verschilt hij niets van eenen dienstknecht, hoewel hij heer is van alles; maar onder voogden is hij en bestuurders tot op den tijd, te voren gesteld door den vader. Zoo ook wij, toen wij onmondig waren, waren wij onder de grondbeginselen van de wereld dienstbaar gemaakt. Toen echter de volheid des tijds gekomen is, heeft God zijnen Zoon uitgezonden, geworden uit eene vrouw, geworden onder de wet, opdat hij hen, die onder de wet waren, zoude vrijkoopen, opdat wij de aanneming tot zonen zouden verkrijgen. Dewijl gij echter zonen zijt, heeft God den Geest van zijnen Zoon uitgezonden in uwe harten, die roept: Abba, Vader! Zoo is hij dan niet meer dienstknecht, maar zoon, en indien zoon, ook erfgenaam door God.

Verklaring. Vele Galaters geloofden, dat zij ook als Christenen nog verplicht waren de wet van Mozes te volgen. De H. Pallus leert in dezen Epistel, dat de Joden, zoo lang zij als kinderen over God en de Goddelijke dingen en in het bijzonder over de gerechtigheid der inenschen geheel zinnelijke denkbeelden hadden, en als kinderen den zinnelijken dingen waren toegedaan, ook tot aan den dood van Chiustus, aan de leer van de kindsheid der wereld, dat is aan de uitwendige zinnebeelden en ceremoniën der Mozaische wet onderworpen en verplicht waren ze Ie onderhouden. Christus echter heelt de menschen van de dienstbaarheid onder de joodsche wet bevrijd en lot kinderen en erfgenamen van God gemaakt, zoodat zij God zonder slaafsche vrees met een kinderlijk vertrouwen aanroepen en tevens ook als volwassene kinderen niet meer uit vrees of dwang maar uit liefde den Goddelijken wil volbrengen moeten, om in dit leven de gaven van den H. Geest en in het andere de eeuwige zaligheid te erlangen. — O mochten alle Christenen dit doen en geen enkel hunner de genade en vriendschap Gods door zware zonden vrijwillig verspillen!

Evangtilie volgens den H. Lucas II. 33-40.

In d ien tijd waren Jozef en Maria, de Moeder van Jesus, verwonderd over hetgeen van Hein gespro-

ocr page 146

ONnERRICHT VOOR DEN

ken werd. En Simeon zegende hen, en zeide tot Maria zijne Moeder : Zie, deze is gesteld tot val, en tot opstanding, voor velen in Israël, en tot een teeken, hetwelk tegengesproken zal worden ; (en u zelve zal een zwaard door de ziele gaan!) zoodat uit vele harten de gedachten openbaar worden. En er was eene profetes, Anna, dochter van Phanüel, uit den stam Aser ; deze was ver op hare dagen gekomen, en had, van haren maagdelijken staat af, zeven jaren met haren man geleefd. En zij was eene weduwe van vier en tachtig jaren ; zij weck niet uit den tempel, en diende met vasten en bidden nacht en dag. Deze kwam ter zelf-der ure ook daarbij, en loofde den Heere, en sprak van Hem tot allen, die de verlossing van Israël verwachtten. Als zij nu alles volbracht hadden naar de wet des Heeren, keerden zij naar Galilea terug, in hunne stad Nazareth. En het Kind wies op, en werd gesterkt, vol van wijsheid ; en de genade Gods was in Hem.

Waarom verwonderden Maria en Jozef zich over

al hetgeen er van het Kind Jesus gezegd werd ?

Zij verwonderden zich hierover, wijl Gotl hen op deze wijze al verder en verder in de kennis der Menschwording van zijnen Zoon inleidde en hun de afzonderlijke omstandigheden van dit geheim duidelijker openbaarde, of ten minste, wijl dit alles op deze wijze van Jesus bekend gemaakt werd.

Hoe zegende Simeon Maria en Jozef?

Hij noemde hen zalig, wijl zij waardig gevonden waren, Jozef om tot voedstervader, en Maria om tot moeder van den menschgeworden Zoon Gods te worden uitgekozen.

In hoever strekt Christus velen ten val?

De Menschwording van Christus strekt tot val, dat is, buiten bekeering, ter verdoemenis van allen, die van de leer, welke Hij op aarde heeft gebracht door hunne eigene schuld

112

ocr page 147

zondag na het kerstfeest.

goen of een slecht gebruik maken, bij voorbeeld, van hen, die wel van Christus hooren spreken, maar toch niet in Hem ge-looven, doch niet volgens hun gelooiquot; leven. Deze allen zouden zulke groote zonden niet begaan, indien Christus niet gekomen ware, of indien zij niets van zijne leer en genade gekend hadden (Joan. XV, 22.).

Voor wie is Christus gesteld tot opstanding en zaligheid ?

Voor hen, die in Hem gelooven, zijne leer aannemen en volgens hun geloof leven.

In hoever is Christus eeateeken, dat tegengesproken wordt ?

Voor zoover de Joden, Heidenen en Ongeloovigen zijn bovennatuurlijke leer, die het geweten bestraft, loochenden en zijn levenswandel, wijl die niet met de aardsche en vleesche-lijke wijsheid en niet datgene, waarnaar de wereld streeft, overeenstemde, hun eene oorzaak van tegenspraak was. Volgens het gevoelen van den H. Bernardus, geschiedt dit ook nog ten huidigen dage, daar vele Christenen door hunnen hoogmoed den ootmoed van Jesus, door hunne gierigheid zijne armoede, door inmue onmatigheid zijn vasten, door hunne ontucht zijne zuiverheid, door hunne traagheid zijnen ijver, enz. bestendig weerspreken en Hein, dien zij met den mond belijden, door hunne daden verloochenen, en die bijgevolg schijn-Christenen zijn, wien Jesus ten val en niet tot opstanding strekken zal. Behoort gij ook niet tot het getal dor schijn-Chrislenen, die Jesus gedurig door hun leven weerspreken ? Wederspreek liever it zeiven, volg de deugden en de leer van Christus, opdat gij door Hem eens zalig mqogt worden!

Wat heteekent dit: »u zal een zwaard door de ziele gaan ?

Dat beteekent; groot leed zal u treilen. De smart, die het moederhart van Maria doorboorde, toen Zij haar Godde-lijken Zoon vervolgd, lijden en aan het kruishout sterven zag, wordt hier te recht bij een zwaard vergeleken.

Wat leert men nog meer uit dit Evangelie ?

Vooreerst leeren de weduwen hier van Anna, die bijna haar geheel leven in den tempel doorbracht, hoe zij God

8

413

ocr page 148

onderricht voor den

ken werd. En Simeon zegende hen, en zeide tot Maria zijne Moeder : Zie, deze is gesteld tot val, en tol opstanding, voor velen in Israël, en tot een teeken, hetwelk tegengesproken zal worden ; (en n zelve zal een zwaard door de ziele gaan!) zoodat uit vele harten de gedachten openbaar worden. En er was eene profetes, Anna, dochter van Phanüel, uit den stam Aser ; deze was ver op hare dagen gekomen, en had, van haren maagdelijken staat af, zeven jaren met haren man geleefd. En zij was eene weduwe van vier en tachtig jaren ; zij weck niet uit den tempel, en diende met vasten en bidden nacht en dag. Deze kwam ter zelf-der ure ook daarbij, en loofde den Heere, en sprak van Hem tot allen, die de verlossing van Israël verwachtten. Als zij nu alles volbracht hadden naar de wet des Heeren, keerden zij naar Galilea terug, in hunne stad Nazareth. En het Kind wies op, en werd gesterkt, vol van wijsheid ; en de genade Gods was in Hem.

Waarom verwonderden Maria en Jozef zich over

al hetgeen er van het Kind Jesus gezegd werd ?

Zij verwonderden zicli hierover, wijl Gott hen op deze wijze al verder en verder in de kennis der Menschwording van zijnen Zoon inleidde en hun de afzonderlijke omstandigheden van dit geheim duidelijker openbaarde, of ten minste, wijl dit alles op deze wijze van Jesus bekend gemaakt werd.

Hoe zegende Simeon Maria en Jozef?

Hij noemde hen zalig, wijl zij waardig gevonden waren. Jozef om lot voedstervader, en Maria om tot moeder van den menschgeworden Zoon Gods le worden uitgekozen.

In hoever strekt Christus velen ten val?

De Mensehwording van Christüs slrekl lot val, dal is, builen bekeering, Ier verdoemenis van allen, die van de leer, welke Hij op aarde heeft gebracht door hunne eigene schuld

112

ocr page 149

zondag na het kerstfeest.

goon oi een slecht gebruik maken, bij voorbeeld, van hen, die wel van Christus liooren spreken, maar toch niet in Hem ge-looven, doch niet volgens hun geloof leven. Deze allen zonden zulke groote zonden niet begaan, indien Christus niet gekomen ware, of indien zij niets van zijne leer en genade gekend hadden (Joan. XV, 22.).

Voor wie is Christus gesteld tot opstanding en zaligheid ?

Voor hen, die in Hem gelooven, zijne leer aannemen en volgens hun geloof leven.

In hoever is Christus eenteeken, dat tegengesproken wordt ?

Voor zoover de Joden, Heidenen en Ongeloovigen zijn bovennatuurlijke leer, die het geweien bestraft, loochendeiï on zijn levenswandel, wijl die niet met de aardsche en vleesche-lijke wijsheid en met datgene, waarnaar de wereld streeft, overeenstemde, hun eene oorzaak van tegenspraak was. Volgens het gevoelen van den H. Beunardus, geschiedt dit ook nog ten huidigeu dage, daar vele Christenen door hunnen hoogmoed den ootmoed van Jesus, door hunne gierigheid zijne armoede, door hunne onmatigheid zijn vasten, door hunne ontucht zijne zuiverheid, door hunne traagheid zijnen ijver, enz. bestendig weerspreken en llcm, dien zij met den mond belijden, door hunne daden verloochenen, en die bijgevolg schijn-Christenen zijn, wien Jesus ten val en niet (ot opstanding strekken zal. Behoort gij ook niet tot het getal der schijn-Chrislenen, die Jesus gedurig door hun leven weerspreken ? Wederspreek liever u zeiven, volg de deugden en de leer van Christus, opdat gij door Hem eens zalig mo.ogt worden!

Wat beteekent dit: »u zal een zwaard door de ziele gaan ?

Dal beteekent: groot leed zal n treilen. De smart, die hel moederhart van Maria doorboorde, toen Zij haar Godde-lijken Zoon vervolgd, lijden en aan het kruishout sterven zag, wordt hier te recht bij een zwaard vergeleken.

Wat leert men nog meer uit dit Evangelie ?

Vooreerst leeren de weduwen hier van Anna, die bijna haar geheel leven in den tempel doorbracht, hoe zij God

8

115

ocr page 150

onderricht voor den

moeten dienen door vasten en bidden, want de weduwe, die aan weelderigheid zich overgeeft, is levende dood I Tim. V, 6. Vervolgens leeren de ouders, dat zij niet alleen zorgen moeten, dat hunne kinderen naar het lichaam opgevoed worden en in bekwaamheid en rijkdom toenemen, maar ook en wel voornamelijk dat hunne zonen en dochters door een ingetogen en godvruchtig leven Gode behageiijk en rijk aan goede werken worden. Eindelijk leeren wij allen hieruit, dat wij ons geloof aan Jesus vóór de menschen moeten belijden en hun hierdoor tot de erkenning der waarheid behulpzaam zijn.

Verzuchting. 0 Jesus, pasgeboren Heiland der wereld, beweeg toch onze harten, om uwe leer te volgen, opdat Gij ons niet tot val moogl gesteld wezen. Beter immers ware het ons, den weg der gerechtigheid niet gekend te hebben, dan, na de kennis er van, weder af te wijken van het heilig gebod, dat ons gegeven is II Petr. II, 21.

Onderricht over den Zegen.

En Simeon zegende hen. Loc. II, 54.

Wat beteekent zegenen ?

Iemand iets goeds geven ol' toewenschen. God zegent eigenlijk en in den strikten zin des woords alleen op de eerste wijze, wijl alle goederen, welke wij naar ziel en lichaam bezitten, van Hem afkomstig zijn. Op de tweede wijze zegenen ons de Engelen en ook onze medemenschen, wanneer zij ons iets goeds toewenschen of van God voor ons vragen.

Hebben wjj hiervan ook een voorbeeld in de H. Schrift?

Ja, een Engel zegende Jacob (Gen. XXXII), Jacob zegende zijne zonen (ibid. XLIX); Abraham werd door Melchisedech en Rebecca door hare broeders gezegend (ibid. XIV en XXIV).

Is het goed, dat ouders hunne kinderen zegenen?

Ja, want, in geval de menschen zeiven zulks niet verhinderden, heeft God meermaals zulke zegenwensdien vervuld, zoo als Hij met Izaak deed, die zijn zoon Jacob, en met Jacob, die zijne zonen insgelijks zegende. God laat soms ook toe.

114

ocr page 151

zondag na het h. kerstfeest.

dat de verwenscliingen der ouders zich in hunne kinderen verwezenlijken, zoo als de geloofwaardigste geschiedschrijvers getuigen. De zegen des vaders doet het huis der kinderen vast staan, maar de vloek der moeder rukt het tot den grond toe omver. Eccli. 111, 11.

Welke kracht heeft de zegen der Priesters?

Deze kracht kan men daaruit afmeten, dat zij de bedienaren zijn der Kerk en de plaatsbekleeders van God op aarde. Men moet dus dien zegen hoogachten en hein niet door een zondig leven vruchteloos maken. Hiervan daan komt het ongetwijfeld, dat sommige ouders hunne kinderen door de Priesters, die hun gezin bezoeken, laten zegenen, gelijk weleer de kleinen lot Christus gevoerd werden, opdat Hij hun de handen zoude opleggen en hen zegenen (Matth. XIX, 13.).

Zie hierover Onderricht op den XVI Zondag na Pinksteren.

Wat bewerkt Gods zegen.

Aan Godes zegen is alles gelegen. Wie Gods zegen bezit, dien zal alles wel gaan. Derhalve moet men zich beijveren, dezen door een deugdzaam leven te verkrijgen, want de zegen des Heeren daalt op het hoofd des rechtvaardigen neder. Spreuk. X, 6. Overigens moet men niet alleen om zegen in zijn tijdelijke zaken, in zoo verre deze met ons zieleheil stroken, maar vooral in zijn eeuwig belang, om de goederen der ziel vurig bidden, voornamelijk, om de genade en kennis van God en om deugd en goede werken, die ons ook in het andere leven volgen.

Onderricht op Nieuwjaarsdag.

Waarom wordt deze dag aldus genoemd?.

Wijl dan het burgerlijk jaar begint, zoo als het kerkelijk jaar reeds op den eersten Zondag van den Advent is begonnen.

Wat staat ons op Nieuwjaarsdag te doen ?

Wij moeten het Nieuwe Jaar, dat heden begint, aan God opdragen en Gods genade vragen, om het (e zijner eere en

H5

ocr page 152

op nieuwjaausdag.

tol welzijn onzer ziel, heilig te beginnen en zalig te voleindigen.

Hoe kan men het jaar godvruchtig beginnen ?

Mei te overwegen, hoe barmhartig God te onzen opzichte gehandeld heeft, nademaal Hij ons dit nieuwe jaar nog heeft laten beleven, terwijl zoovelen onzer bekenden en bloedverwanten vóór het begin van dit jaar door den dood zijn weggerukt. Men begint ook het nieuwe jaar godvruchtig, wanneer men bedenkt, hoevele weldaden God ons naar ziel en lichaam in het verloopenc jaar bewezen heeft en hoe ondankbaar wij daarvoor geweest zijn, wijl wij zooveel kwaad gedaan en zooveel goed verzuimd hebben; wanneer wij het vaste voornemen maken in dit nieuwe jaar een nieuw en Gode behagelijk leven te voeren, en Hein bidden, dat Hij ons zijne genade daartoe verleene.

Waarom wenscht men elkander wederkeerig een gelukzalig Nieuwjaar ?

Wijl liet een werk der Christelijke liefde is, elkander ouderling geluk toe te wenschen, en wijl zulk een gelukwensch bij het begin van het jaar, in welks loop ons zooveel kwaad wedervaren kan, den meusch wel te stade komt. Die wensch moet uit het hart komen en niet bloot een teeken van wereld-sche hoffelijkheid zijn, want dan zou men niets meer doen dan de Heidenen en ook geen ander loon dan zij ontvangen.

Welk feest viert de Kerk op Nieuwjaarsdag ?

Het feest der Besnijdenis van Cuiustus, die zich aan dit drukkend voorschrift der wet van Mozes onderwerpen wilde, om ons daarvan te bevrijden.

Wat was de Besnijdenis ?

Zij was een uitwendig teeken des Ouden Verbouds, waardoor de menschen in die lijden bij het uitverkoren volk Gods werden ingelijfd, zoo als wij thans door den Doop in de Kerk van Christus worden opgenomen.

116

ocr page 153

onderricht op nieuwjaarsdag.

Aan wien heeft de Heer het gebod der Besnydenis het eerst gegeven?

Aan Abraham oh wel 1) ten teckcn van liet verbond, dat de Allerhoogste met dezen zijnen dienaar had aangegaan, (Gen. XVII, 10) en 2) ten zinnebeeld van het Doopsel, waardoor wij van onze zonden gezuiverd worden.

Wie heeft het gebod der Besnydenis opgeheven?

Christus, onze Heer, die ook daarvoor hot H. Doopsel heeft ingesteld (Matth. XXVIII, 19.).

Wat beteekent de Besnijdenis in een geestelijken of zedelijken zin?

De versterving der zinnen en de onderdrukking van alle booze neigingen en aandoeningen, in één woord de boetvaardigheid. Deze soort van besnijdenis moeten ook de Christenen beoefenen, wijl zij zulks in hunnen Doop beloofd hebben, en wijl de zoo even gemelde boetvaardigheid voor hen, die tot de jaren van verstand zijn gekomen, ter zaligheid noodig is. —-Bid Christus heden om de genade van soorlgclijke besnijdenis te mogen uitoefenen en vraag Hem dit door hot volgende

Gebed.

Heer en Zaligmaker, Jesus-Christus! Ik dank U, wijl Gij heden door uwe Besnijdenis de eerste maal uw Bloed voor mij gestort hebt. Verleen mij de genade, bid ik U, uit Helde tot U al mijne zondige driften fe onderdrukken, mijne oogen en ooren, mijnen mond, mijne handen en voeten, nimmer tot iets kwaads te leenen en mij van al wat U mishaagt, te onthouden. Amen.

De Ingang der Mis is dezelfde, als in de derde Mis op Kerstdag, bl. 104.

Gebed der Kerk.

God, die aan liet menschelijk geslacht den prijs des eeuwigen heils door den vruchtbaren maagdom der gelukzalige Maria verleend hebt, geef, bidden wij U, dat wij de voorspraak van Haar ondervinden, door welke wij verdiend hebben den oor-

117

ocr page 154

onderricht op nieuwjaarsdag.

sprong des levens, onzen Heer Jesus-Christus te ontvangen, die met U leeft en heerscht, enz.

Dezelfde Epistel als die van de eerste Mis op het Kerstfeest, bl. 98.

Evangelie volgens den H. Lucas 11, 21,

In dien tijd. als acht dagen vervuld waren, dat het Kind zoude besneden worden, werd zijn naam Jesus genoemd, die genoemd was van den Engel, eer Hij in het lichaam ontvangen werd.

Waarom heeft Christus zich aan de Besnijdenis onderworpen ?

4) Om jegens ons zijn groote liefde fe toonen, waardoor Hij reeds, bij hot begin zijns levens, zijn liloed voor ons heeft willen vergieten; 2) om ons gehoorzaamheid aan de Goddelijke en kerkelijke geboden in te boezemen; want daar Hij zich uit liefde lot ons, zonder daartoe gehouden te zijn, onderwierp aan het voorschrift der Joodsche wet, die beval dat elk kind van het mannelijk geslacht op den achtsten dag na zijne geboorte moest besneden worden (Levit. XH, o), toonde Hij ons, dat wij de geboden Gods en die der Kerk des te ijveriger moeten nakomen, vermits wij verplicht zijn ze te onderhonden; eindelijk 3) om ons van de lichamelijke besnijdenis te bevrijden, zoo als wij reeds vroeger gezegd hebben.

Waarom werd de Verlosser »Jesusquot; genoemd ?

Wijl Hij gekomen was, om de wereld te verlossen en de mensdien zalig te maken (Mattii. 1, 21); want Jesus beleekent Heiland of Zaligmaker, en is die heilige, eerbiedwaardige en krachtige Naam, door welken wij moeien zalig worden. Hand. der Apost. IV, 12.

Welke kracht heeft deze Naam?

Eene zeer groote kracht: immers de Apostelen hebben in dezen Naam de duivelen uitgedreven, en den kranken, zoo als den lamme aan de poort van den tempel te Jerusalem, de gezondheid teruggeven (Marc. XVI, 17-18.). Wij kunnen, door dezen Naam al wat onzer zaligheid voordeelig is van God

118

ocr page 155

onderricht op nieuwjaarsdag.

erlangen (Joan. XIV, 13.). Derhalve is liet zeer nuttig in droefheid, in kleinmoedigheid, in twijfel, in lievige bekoringen, voornamelijk tegen de zuiverheid, en vooral wanneer men in zonde gevallen is, dezen Heiligen Naam aan te roepen, want deze Naam is als eene uitgegotene olie (Hooglied I, 2.). nDe olie,quot; zegt de H. Beunaudus, «verlicht, voedt en geneest; zij onderhoudt liet vuur, voedl liet vleesth, lenigt de smart; zij is licht, spijs en artsenij. Zie, dit alles vinden wij ook in den Naam Jesls : Hij verlicht, wanneer Hij wordt verkondigd. Hij voedt, als Hij wordt overwogen. Hij verzacht en geneest, wanneer Hij aangeroepen wordt.quot;

Hoe moet deze Heilige Naam worden uitgesproken, opdat wy zijne kracht gevoelen?

Met groote godsvrucht, met vertrouwen en eerbied; want in den Naam van Jesus moet alle knie zich huigen van die in den Hemel, die op de aarde en die onder de aarde zijn (Philip. II, 10.). Hoe verkeerd doen zij dus niet, die dezen Hoogheiligen Naam, om zoo te zeggen, bij elk woord oneerbiedig uitspreken ?

Wie heeft dezen Naam aan Christus gegeven?

God zelf, naardien Hij door den Aartsengel Gabriel aan de Heilige Maagd Maria en aan den H. Jozef beval den Heiland Jesus te heeten (Luc. I, 31. Matth. I, 21.).

Godvruchtig gebed tot Jesus, in allerlei aangelegenheden.

O allerbarmhartigste Jesus, Vertrooster der bedrukten! Uw Naam is waarlijk een uilgestorle olie; want Gij verlicht hen, die in de duisternis en in de schaduw des doods zitten; Gij verdrijft de blindheid der zielen en geneest hare krankheden; Gij voedt degenen, die honger en dorst hebben naar de rechtvaardigheid. Wees voor mij, o Jesus ! een Zaligmaker, een Geneesheer, heel de wonden mijner kranke ziel. O Jesus! toevlucht der noodlijdenden, bescherm mij in de bekoringen. O Jesus! Vader der armen, help mij in den uood. O Jesus! vreugde der Engelen, wees mijn Vertrooster in kruis, leed en droeiheid. 0 Jesus! onze eenige hoop.

119

ocr page 156

onderiucht op nieuwjaarsdag.

onze toevlucht, sta mij bij in het uur van mijnen dood, want ons menschen is onder de zon geen andere Naam gegeven, in wien wij kannen zalig worden, dan hw Allerheiligste Naam, o Jesus!

Vermaning. De H. Paulus zegt in zijnen brief aan de Colossensers III, 17, dat wij alles, wat wij met woorden of werken doen, in den Naam van onzen Heer Jesus-Ciiiustls doen moeten. Derhalve moeten wij, volgens de leer van dezen H. Apostel en naar het voorbeeld van vele andere Heiligen, gedurig zeggen of ton minste denken; Te uwer llelde, o Jesus! sta ik op, te uwer liefde leg ik mij neder; te uwer liefde, o Jesus! waak ik; te uwer liefde slaap ik; te uwer liefde, o Jesus! eet en drink ik en vermaak ik mij; te uwer liefde werk, spreek of zwijg ik, enz. _ Op die wijze zullen wij de gewoonte aannemen, alles in den Naam van Jesus te verrichten, en tevens verkrijgen, dat wij in alles wel zullen slagen of ten minste, dat al wat wij doen, ons tot verdienste zal aangerekend worden.

Zij, die mei het schietgclied: nGeloofd zij Jesus-Christus,quot; waarop geantwoord wordt: »/// eeuwifjheiil. Amen.quot; elkander begroeien, kunnen, mits zij in slaat van genade zijn, eiken keer eenen aflaat van 100 dagen verdienen (Sixtus V).

Gebed op Nieuwjaarsdag.

Heer God, Hemelsche Vader, Vader van barmhartigheid en God van allen troost, wij danken U uit den grond ouzes harten, wijl Gij ons van onze geboorte af behouden en tol op dit nieuwe jaar, ofschoon omgeven van menigvuldige gevaren, zoo wondervol bewaard hebt; wij bidden U door uwen Zoon en door zijn kostbaar Bloed, 't welk Hij heden voor do eerste maal hij zijne besnijdenis voor ons heeft vergoten, dat Gij ons de zonden, die wij in het verloopen'jaar bedreven en waardoor wij uwe ongenade en uwe rechtmatige gramschap verdiend hebben, goedgunstig moogt vergeven. Ach, bewaar ons toch in in dit nieuwe jaar van alle onheilen naar ziel en lichaam. Vermeerder en versterk in ons het Geloof, de Hoop en de Liefde. Geel, dat van dezen dag af lot aan ons einde toe al onze zinnen, al ouze gedachten, woorden en werken (die wij

120

ocr page 157

onderricht op nieuwjaarsdag.

U hcdou voor altijd opofferen) volgens uwen Goddelijken wil ingericht zijn; dat wij alle kwaad zegevierend bestrijden en alle goed standvastig uitoefenen; verleen ons de genade, in het ware geloot' te mogen sterven en alsdan in uw Rijk, alwaar één dag beter is dan duizend dagen op aarde, een altijddurend en vreugdevol nieuw jaar genieten mogen en er U in liet gezelschap uwer Engelen en Heiligen loven eu prijzen. Amen.

Onderricht op het feest der H. Driekoningen.

quot;Welk feest is dit ?

De jaarlijksche herinnering aan de drie Wijzen uit het Oosten, die door eeue ster, welke God hun had doen verschijnen, naar Bethlehem geleid werden, er Christus vonden. Hem als den Heiland der wereld erkenden, aanbaden en Hem geschenken opdroegen.

Waarom wordt deze dag door de Kerk »E!piplianiaquot; genoemd ?

Epiphinia Domini beteekent in onze taal Verschijning des Heer en, en deze dag wordt aldus genoemd, wijl de Heer heden ook aan de Heidenen zijne Godheid veropenbaard en hierdoor getoond heeft, dat Hij niet alleen gekomen is, om de Joden, maar om alle menscheu te verlossen. In de drie Wijzen, die de eersten onder de Heidenen waren, gelijk de Herders onder de Jodeu, erkennen ook wij het begin onzer roeping lot het geloof en tot de hoop op de eeuwige zaligheid. Op dezen dag hebben volgens de Kerk nog twee andere verschijningen van Christus of veropenbaringen zijner Godheid plaats gehad: de eene, namelijk, toen Hij door Joannes in de Jordaan gedoopt en door den Vader tot zijnen welbeminden Zoon verklaard werd, en de H. Geest onder de gedaante eener duif over Hem nederdaalde; de andere op de bruiloft van Cana in Galilea, waar Hij door de verandering van water in wijn zijne Godheid hot eerst door een wonder deed uitschijnen.

Waarom wilde Christus door Joannes gedoopt worden?

Ij Om, zoo als Hij (Mattii. Ill, 13) zelf zegt, alle gerechtigheid le vervullen, dat is, om zich aan elke en dus ook aan

121

ocr page 158

onderkicht voor het

deze Goddelijke verordening te onderwerpen; 2) omdat Hij bij de/e gelegenheid de getuigenis van boven zou bekomen, dat Hij de Zoon Gods is; o) om de mensciien tot zijn Doopsel uit te noodigen, opdat zij, zoo als de H. Augustinus zegt, niet zonden aarzelen tot den Doop des Heeren te naderen, daar Hij zeil den Doop van zijnen knecht heeft willen ontvangen; 4) om het water te heiligen; 5) om zich daardoor, om zoo te zeggen, tot zijne bediening te laten inwijden.

De Kerk zingt heden bij den Ingang der Mis vol vreugde: (Malacii. III) «Zie, de Heerscher, de Heere is aangekomen; hel rijk, de macht en de heerschppij zijn in zijne hand. Ps. LXXI. God geef den koning uw oordeel en den zoon des konings uwe gerechtigheid.quot; Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

O God, die op dezen dag uwen ééniggeboren Zoon onder de leiding eener ster aan de Heidenen hebt geopenbaard, sta genadig toe, dat wij, die U reeds door het geloof gekend hebben, ook tot de aanschouwing uwer heerlijkheid gebracht worden. Door denzelfden Jesüs-Ciiristus onzen Heer, enz.

EPISTEL : Les uit Isaias LX, 1-6.

Rijs op, word verlicht Jerusalem, want uw licht komt; en de heerlijkheid des Heeren is over u opgegaan. Want zie, duisternis zal het aardrijk bedekken en donkerheid de volken; maar over n zal de Heere opgaan en zijne heerlijkheid in ii gezien worden. De Heidenen zullen in uw licht wandelen, en de koningen in den glans, die over u is opgegaan. Verhef uwe oogen rondom u en zie, die allen zijn verzameld, tot n gekomen; uwe zonen zullen van verre komen en uwe dochters opstaan van alle zijden. Dan zult gij zien en in overvloed verkeeren en uw hart zal zich verwonderen en wijder worden, wanneer de menigte der zee tot u gekeerd en de macht der Heidenen tot n zal gekomen zijn. Een vloed van kameelen zal u bedekken; dromedarissen van Madian en Epha, allen zullen uit Saba komen, goud en wierook brengen en den lof des Heeren verkondigen.

122

ocr page 159

FEEST DEU II. DRIEKONINGEN.

Verklaring. De Profcol Isaias voorspelt in deze Les, dat het licht des Heeren, hetwelk Christus is, over Jerusalem, waardoor de Kerk wordt voorgesteld, zal opgaan, dat dc Heidenen, die tot hiertoe niets van God wisten, in het licht der kennis van God wandelen, dat de volken van den opgang tot aan den ondergang der zon tot de Kerk komen en haar verheerlijken zullen, en dat. door hnnnc bemiddeling ook de verstrooide kinderen Israels de Kerk zullen binnentreden. Deze voorzegging is heden in de drie Wijzen ol' koningen, die de eersten der Heidenen waren, in vervulling gekomen. I)e Kerk viert het huidige leest billijker wijze met do grootste plechtigheid en wij behooren aan deze vreugde der Kerk oprecht deel, te nemen, daar wij weleer lol de Heidenen behoorden, en insgelijks in dc drie Koningen tot het ware geloof geroepen werden, waarvoor wij God niet genoegzaam kunnen loven en danken. Laat ons daarom met den Profeet Isaias XLIX, 13 uitroepen; vJuicht, Hemelen en jubel, gij aarde, hergen weergalmt van lof, wijl de Heer zijn volk getroost heeft en zich zijner urmen ontfermen zal.quot;

Evangelie volgens den H. Mattheus II, 1-12.

Als nu Jesus geboren was te Bethlehem in Juda, in de dagen van Heuodes den koning, ziet, er kwamen Wijzen uit het Oosten naar Jerusalem, en zeiden : waar is de Koning der Joden, die geboren is? Want wij hebben zijne ster in het Oosten gezien, en wij zijn gekomen, om Hem te aanbidden. Als nu Heuodes de koning dit hoorde, werd hij ontsteld, en geheel Jerusalem met hem. En hij vergaderde alle de overpries-ters en schriftgeleerden des volks, en onderzocht van hen, waar de Christus moest geboren worden. En zij zeiden tot hem; Te Bethlehem in .luda^ want alzoo staat geschreven door den profeet: En gij, Bethlehem land van Juda zijt geenszins de minste onder de hoold-steden van Juda, want uit u zal de Leidsman voortkomen, die mijn volk Israël regeeren zal. Toen riep Heuodes de Wijzen heimelijk bij zich, en onderzocht nauwkeurig van hen den tijd, wanneer de ster hun

125

ocr page 160

ONDERRICHT VOOR HET

verschenen was ; en hij zond hen naar Bethlehem, en zeide ; Gaat, en onderzoekt nauwkeurig naar het Kind, en als gij het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik het ook kome aanbidden. Als zij den koning gehoord hadden, gingen zij henen. En ziet, de ster, die zij in het Oosten gezien hadden, ging voor hen uit, totdat zij, komende boven de plaats, daar het Kind was, staan bleef. Als zij nu de ster zagen, verblijdden zij zich met zeer groote blijdschap En in het huis tredende, vonden zij het Kind met Maria, zijne Moeder, en zij vielen neder en aanbaden het, en zij openden hunne schatten, en Iroegen Hem tot geschenken op, goud, wierook en mirre. En in den slaap vermaning ontvangen hebbende, om niet weder naar Hekodes te gaan, keerden zij langs een anderen wea naar hun land terug.

Wat heeft deze drie Wijzen bewogen, eene zoo lange reis te ondernemen, om den Heiland op te zoeken ?

De wonderbare ster, die tlod aan den hemel vertoonde, waarbij Hij hen echter ook, gelijk de H. Leo zegt, inwendig verlichtte, opdat zij begrijpen zouden, wat de ster beteekende, en hen levens door zijne genade opwekte, om die ster te volgen. — Leeron wij van deze Wijzen, die Gods ingeving zoo bereidwillig volgden, dat zij zonder dralen eene zoo moeielijke reis ondernamen om den Heiland te zoeken, dat ook wij Gods bevelen en ingevingen bereidwilling en aanstonds moeten nakomen. Hun ijverig navragen naar den nieuwgeboren Koning spore ons allen en voornamelijk de kinderen aan, al die dingen, welke ons ter zaligheid noodzakelijk zijn, met vlijt te leeren en te beoefenen.

Waarom werd Herodes ontsteld en geheel Jerusalem met hem?

Herodes had het rijk van Judea op eene onrechtvaardige wijze verworven en vreesde dus altijd, weder uit dat rijk verdreven te worden. Om deze reden ook vermoordde hij Hin-

m

ocr page 161

feest der h. dkiekoningen.

canüs, den wettigen erfgenaam van dit koninkrijk en diens nakomelingen en bloedverwante», vervolgde allen, die hem eene hindernis voor het behoud van den troon schenen te zijn en bezoedelde zijnen naam door een schandelijk leven. Die gruweldaden vermeerderden evenwel zijne onrust nog meer, want een slecht geweten verkeert altijd in vrees en vindt nimmer rust. De goddeloozen, zegt Isaias LVII, 20, zijn als eene kokende zee, die niet rusten kan. Maar toen Herodes vernam, dat de Messias, de Christus of Gezalfde, de ware en rechtmatige Koning der Joden, geboren was, steeg zijn angst ten top,* daar hij geloofde, dat de Messias kwam, om een aardsch rijk te stichten, hem van den troon stooten en voor zijne wreedheid en misdaden naar verdienste stralfen zou. Hoe ijdel de vrees van Herodes was, als hij meende, dat hij den troon door den Messias moest verliezen, verklaart de H. Fulgentius zeer treilend, wanneer hij zegt: «Deze Koning (Christus) is niet gekomen om de koningen door den oorlog te overwinnen, maar om hen door zijnen dood aan zijn gezag te onderwerpen.quot; En de Kerk zingt in het ollicie van dezen dag zoo schoon:

Herodes, wat woedt gij en vreest voor uw kroon;

^'at kweh u de komst van Gods eeuwigen Zoon ? l)e Emmanuel, Hie in de kribbe daar lag,

Jieouyde slechts 's hemelsch, (/een wereldsch yezmj.

O hadde Herodes, in plaats van zich nog meer te bezondigen, boetvaardigheid over zijne zonden gedaan, om het hemelrijk deelachtig te worden! — Jerusalem werd ontsteld, dat is de inwoners van Jerusalem werden ontsteld, eenigeu omdat zij door deze vrendevolle mare verrast werden eu tegelijker tijd wijl zij vreesden, dat Herodes den nieuwgeboren Koning leed zoude aandoen; anderen, wijl zij om hunne zonden en misdaden straf van den Heiland, den Koning der gerechtigheid verwachtten, en voorzagen, dat Herodes door deze tijding over den nieuwgeboren Koning lot nieuwe wreedheden zou worden aangedreven, waardoor zij dan ook wellicht zouden moeten lijden.

quot;Waarom vergaderde Herodes alle de Opperpriesters en Schriftgeleerden ?

Om van hen ie vernemen, waar de Messias moest geboren worden. Dit geschiedde evenwel door eene bijzondere schik-

123

ocr page 162

ondeiiricht voor het

king der Goddelijke Voorzienigheid, opdat Herodes en de priesters, nadat zij den tijd en de plaats der geboorte van den Messias uit de H. Sclirit't hadden loeren kennen, zich door niets meer over hun ongelool' zouden kunnen veroutscluddigen. God onderwijst ons, Christenen, in de zaken des gelool's niet alleen door de Profeten des Ouden Verbonds, maar ook door Jesus-Christus, zijnen Zoon, en door de H. Kerk, die de grondzuil der waarheid is; indien wij derhalve, desniettegenstaande, ongeloovig blijven of wel gelooven maar het geloof niet door onze werken belijden, dan zal ons wedervaren, wat den Joden overkwam, die wegens hun ongelooof en hunne versteendheid door God verworpen werden! Moet hot dan niet onze ijverigste zorg zijn God te bidden, dat Hij ons een levendig geloof, hetwelk rijk aan goede werken is, moge verleenen?

Waarom zeide Herodes, dat hij het Kind ook wilde aanbidden ?

Hij zeide dit uit list en geveinsdheid. Hij beoogde niets anders dan Jesus om het leven te brengen; en om dit doel te bereiken, vroeg hij nauwkeurig naar den tijd en de plaats van Christus' geboorte en toonde zich godvruchtig. Juist zoo handelen ook de moordenaars der zielen, die de onschuld ten val brengen. Zij durven zich niet als wolven voordoen, dat is, zij durven hunne kwade inzichten niet aanstonds openbaren, daarom bekleeden zij zich met scliapenhuiden : zij veinzen deugd en godsvrucht, tot dat zij in het onschuldige hart zijn binnengeslopen, waaruit zij dan, door hunne vleierijen en geschenken, de schaamte, de vreeze Gods, de onschuld en Christus zeiven verdrijven. — Wacht u, onschuldige zielen, voor zulke menschen! Op Herodes gelijken ook nog die ongeloovigen, welke slechts voorgeven God en de waarheid te zoeken, maar dezen even zoo min zullen vinden als Herodes den Verlosser heeft gevonden!

Wat heeft de Wijzen bewogen, om neêr te knielen en Christus te aanbidden ?

In het Oosten heerschte te allen tijde het gebruik, dat men zich vóór de grooten en koningen op den grond neder-

126

ocr page 163

feest dek h. driekoningen.

wierp. Wijl de Wijzen nu, verlicht door de genade en het geloof, waarmede God hunne volgzaamheid aan zijne roepstem beloonde, dit arme in doeken gewonden Kind als deu zoo vurig verlangden Messias, dat is, als den Gezalfde Gods en den Heiland der wereld erkenden, vielen zij vol eerbied op hunne knieën voor Hem eu aanbaden Hen) ootmoedig. Hoe beschaamd maken het geloof en de eerbied dezer heidensche koningen die lauwe en trage Ghiistenen niet, welke zich in de tegenwoordigheid van Jesus, die in de kerken onder de gedaante van brood verborgen is, zoo oneerbiedig gedragen, dat 'zij nauwelijks een knie voor Hem buigen?!

Waarom offerden de quot;Wijzen Christus goud, wierook en mirre ?

Gelijk het in het Oosten gebruikelijk was, dat men vóór de grooten en koningen nederknielde, zoo bestond er ook een gebruik van niet zonder geschenken in hunne tegenwoordigheid te verschijnen. De kostbare gaven, die de Wijzen Christus opdroegen, getuigen, dat deze edele schenkers voorname mannen waren; eene aloude overlevering zegt dan ook, dat zij drie koningen Waren, Caspar, Melchior en Balthasar geheeten. Geschenken gelijk zij gaven, bracht men slechts aan eenen vorst of koning; het offer der Wijzen is daarom ook eene er-kenning van het koningschap van Christus. Zie, wat zij schonken (zegt de H. Fulgentiüs) en gij zult weten wat zij geloofden. Andere Heiligen verklaren deze geschenken aldus: door het goud vereerden de Wijzen Jesus als waren Koning, door den wierook aanbaden zij Hem als waarachtig God en door de mirre (die met olie gemengd tot balsem gebezigd werd) erkenden zij Hem als waarachtig Mensch en zalfden, als het ware, dus bij

UiLaX\ ,

voorraad zijn lichaam ten grave.

Hoe kunnen wij Christus soortgelyke gaven opdragen ?

Wij kunnen Hem goud offeren, wanneer wij Hem onzen wil, waaraan men doorgaans zoo gehecht is, door oprechte liefde, volmaakte gehoorzaamheid en bestendige zelfverloochening opdragen, alsmede wanneer wij den armen in zijnen naam aalmoezen geven. Wij zullen wierook te zijner eere branden

127

ocr page 164

0nder1ucht voor den

door een ijverig, godvruchtig cn vurig gebed. Mirre, waardoor de ontbinding der lijken belet wordt, kunnen wij Hem schenken, wanneer wij de vleeschelijke wellusten bedwingen en ons naar ziel en lichaam zuiver en onbevlekt trachten te bewaren. Men kan in het algemeen zeggen, dat wij Hem goud, wierook en mirre oflereu, wanneer wij Hem als Koning, als God en als Mensch erkennen en Hem de geschenken van een oprecht geloof en van een godvruchtig leven opdragen.

Waarom keerden de Koningen langs een anderen weg naar hun land terug?

Zij deden dit, om niet aan Hekodes maar aan (lods bevel te gehoorzamen, die hen in den droom tegen de kwade inzichten van Hekodes gewaarschuwd had; zij leeren ons hierdoor

1) dat wij Gode meer dan den menschen móeten gehoorzamen;

2) dat wij, wanneer wij ons oprecht bekeerd en God den Heer teruggevonden- hebben, eenen gansch anderen weg moeten inslaan, dan wij te voren bewandeld hebben. Wij hebben ons door de zonde, den hoogmoed, de ongehoorzaamheid, de liefde tot het aardsche, het genot der verbodene dingen van God en denHemel, die ons vaderland is, verwijderd en daarom moeten wij door eene ware boetvaardigheid God zoeken, die zich dan ook volgaarne laat vinden van degenen, die Hem oprecht zoeken. Wij moeten, na Hem gevonden te hebben, langs den weg des ootmoeds, der gehoorzaamheid, der verachting van al wat aardsch is, der kruisiging van het vleesch en der versterving van ons zeiven naar den Hemel reizen.

Verzuchting. Geef mij toch, o Goddelijke Heiland, het geloof dezer Oostersche Koningen. Verlicht mijn verstand met het licht, dat hen heeft beschenen; maar beweeg ook mijn hart, opdat ik dit licht volge en U oprecht zoeke, U alleen en niets anders dan U, die mij het eerst gezocht heht. Verleen mij ook, dat ik U werkelijk vinde, U met de Wijzen in geest en waarheid aanbidde en U goud, wierook en mirre opdrage; mijnen wil namelijk door eene volmaakte onderdanigheid, mijne goederen door aalmoezen, mijn hart door een vurig gebed en mijn lichaam door de versterving, opdat ik, na U hier op

128

ocr page 165

eersten zondag na du1ek0ningun.

aarde het offer van mijn geloof gebracht te hebben, U eeuwig moge aanbidden in den Hemel. Amen.

Onderricht op den eersten Zondag na Driekoningen.

Bij den Ingang der Mis wekt de Kerk ons op lot een vreugdevolle aanbidding van Chiustus: «Ik heb op een ven-heven troon eenen man zien zitten, dien de menigte der Engelen aanbidt, eenstemmig zingende: Zie dengenen, wiens rijksnaam eeuwig is (Ps. XCIX.). Looft God, alle landen; dient den Heere met vreugde. Eere zij den Vader, enz.quot; Alles in deze Mis strekt, om ons eene bereidwillige en vreugdevolle gehoorzaamheid aan God en zijne Heilige geboden in (e boezemen.

Gebed der Kerk.

Wij bidden U, Heer! neem de wenschen van het volk, dat ü smeekt, mei Hemelsche goedheid aan, opdat het wete, wat het doen moet en de kracht bezitte, om te volbrengen, wat hel heeft leeren kennen, door Jesus-Chiustus, onzen Heer, enz.

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Apostel Paulus aan de Romeinen, XII, 1-5.

Broeders! Ik bid u dan, bij Gods barmhartigheid, uwe lichamen op te dragen tot een lovende, heilige, Gode welbehagelijke offerande, hetgeen is uw redelijke eeredienst. En wordt niet gelijkvormig aan de wereld, maar wordt veranderd naar de vernieuwing uws genioeds, zoodal gij beproeft, welke de goede, en welbehagelijke, en volmaakte wil Gods is! Want door de mij gegevene genade zeg ik lot een iegelijk, die onder u is, niet hooger van zich te denken, dan hij behoort te denkeu, maar met bedachtzaamheid te denken, eu zoo als God aan een iegelijk de mate des geloofs heeft toebedeeld. Want gelijk wij in één lichaam vele leden hebben, doch niet alle leden dezelfde verrichting hebben, zoo zijn wij, de velen, één lichaam in Christus, en, elk afzonderlijk, zijn wij leden van elkander, in Christus Jesüs onzen Heere.

129

ocr page 166

otsdekiuciit voou den

130

Verklaring. De H. Padlus vermaant, ja bezweert ons in deze Les, door de veelvuldige barmliartigheden des Heeren, onze liclianien onbevlekt te bewaren en ze Gode lot eene levende, heilige en aangename offerande op te dragen; tot een levende offerande in tegenstelling met die der Joden, die Hem slechts doode oilers, het vleesch namelijk der geslachte stieren en bokken, opdroegen; tot een heilige offerande, eene offerande namelijk, die gt;an alle; vlekken der zonden zuiver en daarom Gode welgevallig is. Onze lichamen moeten dus dit levend, heilig en Gode welgevallig offer wezen. Daardoor wordt nochtans de offerande van onzen geest niet uitgesloten. Het offer onzer lichamen kan juist dan slechts levend, heilig en Gode behagelijk genoemd worden, wanneer wij Hem tegelijkertijd onzen geest opdragen; hetwelk geschiedt, wanneer wij 1) al onze lichamelijke werken met een goede meening ter eere Gods verrichten en op die wijze heiligen; 2) wanneer wij onze zinnelijke lusten en slechte begeerten onderdrukken, bij voorbeeld, den hoogmoed overwinnen, de gramschap be-meesteren, de ontucht afleggen, de verstrooiende gedachten onder het gebed verwerpen, kortom wanneer wij de zonde verzaken, slechts voor God leven, altijd tot zijnen heiligen dienst bereid zijn, en ons zeiven aldus met een ootmoedig en vermorzeld hart, gelijk David, (lode tol een levende offerande opdragen; 3) wanneer wij onze godsdienstige oefeningen zoowel in de kerk als te huis niet alleen met het lichaam maar ook met den geest vervullen, dat is, wanneer wij God niet alleen met den mond maar ook met het hart loven en prijzen; als wij niet slechts door de eerbiedige houding onzes lichaams, maar tevens met een eerbiedig gemoed Gode onze verecring en onzen eerbied betuigen. Hierin bestaat dan ook de redelijke of geestelijke eeredienst, waartoe de Apostel ons aanspoort. Verder vermaant ons de H. Paulus, ons niet der wereld gelijkvormig te maken, dat wil zeggen, ons niet naar de grondbeginselen, zeden en gebruiken van de kinderen dezer wereld te richten, niet te beminnen, wat de wereld lief heeft, niet te doen, wat de wereld doet. Deze leer is zoo gewichtig, dat men, zonder ze te vervullen, geen waar leerling van Ciiiustls wezen kan; want men kan onmogelijk een vriend

ocr page 167

eersten zondag n.\ driekoningen.

van God zijn, als men de wereld bemint, die eene vijandin van God is (Joan. XV.). Men moet, om niet aan de wereld gelijkvormig te worden, alle zondige werken, inzichten, verwachtingen en neigingen in hel bijzonder dezidke, welke de H. Paulus (Gal. V, 19) werken des vleesches noemt, afleggen, en nieuwe, geheel tegenovergestelde genegenheden aannemen. Men moet den ouden aardschen menscli vaarwel zeggen en een nieuwe, bovennatuurlijke inensch worden, wiens wandel in den Hemel is; om daartoe te geraken, moet men zich zorgvuldig beijveren vooral datgene te kennen en te doen, wat goed volmaakt en Gode behagelijk is. Daarin beslaat de wetenschap, die eenen Ghristen past, waarover de H. Paulus in het tweede vers van dezen Epistel spreekt. Alle kunsten en wetenschappen zullen ons niet in het bezit van den Hemel stellen, zoo wij ons niet beijveren datgene te leeren, wal het geloof ons leert, datgene te kennen en te volbrengen, wat God van ons vorderl. Wanneer wij deze Gode behagelijke wetenschap bezitten, dan mogen wij ons daarom nog niet boven anderen verheffen, want God is het, die aan allen de maat des geloofs mededeelt. Wij zijn allen als ledematen van één lichaam en indien ook de eene onder ons een voorlrefl'elijker gave bezit dan de andere, moeten wij hem deswege geene afgunst toedragen, noch hem onze liefde weigeren, maar elk onzer moet met zijne gave ijverig werken, opdat het lichaam van Ghristus, de Kerk, meer en meer bloeie en het getal zijner waardige ledematen voortdurend toeneme.

Verzuchting. Geef, o Jesus! dat ik U mijn lichaam en mijne ziel dooi versterving, vernedering en leedwezen over mijne zonden tot eene levende, heilige en U behagelijke offerande opdrage en ze nimmer meer aan den dienst der zonde, des vleesches en der wereld overlevere, ze nimmer meer door ontucht, hoogmoed, brasserij en slemperij of door andere zonden ontheilige!

Evangelie volgens den 11. Lucas II, 42-52.

Als Jesus twaalf jaren oud was, en zij, volgens de gewoonte van hel feest, naar Jerusalem opgegaan wa-

131

ocr page 168

i

132 ondkrricht voor den

rerij, en, de dagen geëindigd zijnde, terugkeerden, hleef het Kind Jksus in Jerusalem, en zijne Ouders wisten liet niet. Maar meenende, dat Hij onder het gezelschap was, gingen zij eene dagreize voort, en zochten Hein onder de bloedverwanten en bekenden. En als zij Hein niet vonden, keerden zij naar Jerusalem terug en zochten Hem. En het geschiedde, na drie dagen, dat zij Hem in den tempel vonden zitten, in het midden der leeraars, hen hoorende, en hen ondervragende. En allen, die Hem hoorden, waren buiten zich zeiven, over zijne wijsheid en zijne antwoorden. En zij. Hem ziende, waren ontroerd. En zijne Moeder zeide tot Hem : Zoon ! waarom hebt Gij ons zoo gedaan ? Zie. uw Vader en ik hebben U met smar-te gezocht. En Hij sprak tot hen : Hoe is het, dat Gij mij gezocht hebt? Wist Gij dan niel, dat ik zijn moest, in hetgeen mijns Vaders is ? En zij begrepen het woord niet, dat Hij tot hen sprak. En Hij vertrok met hen, en kwam te Nazareth ; en Hij was hun onderdanig. En zijne moeder bewaarde alle deze woorden in haar harte. En Jksus nam toe in wijsheid, en in ouderdom, en in genade bij God en de menschen.

Waarom ging Jesus met zijne ouders naar den tempel van Jerusalem ?

Elk Israeliet moest volgons de Mozaisehe wet (Deutcr. XVI, 16) driemaal 's jaars, namelijk met het Paascli-, Pinkster- en Loofhuttenfeest, voor Jehova's aanschijn, dat wil zeggen, voor den tabernakel of in den tempel verschijnen. Wijl Jesus nu twaalf jaren oud was, onderwierp Hij zich ook aan dit voorschrift der wet en reisde met zijne ouders naar Jerusalem, waar zich destijds de heilige tabernakel bevond. — Laat ons hieruit leeren, aan de Goddelijke en Kerkelijke geboden onderdanig te zijn en moeite noch bezwaren te schuwen, om ze te vervuilen. Wachten wij ons wel, ons verzuim den tempel des Heeren Ie bezoeken, te verontschuldigen door te

ocr page 169

beu sten zondag na driekoningen. 135

wijzen op den verren afstand of op dc nioeielijkheid van den weg. Indien Jesus, twaalf jaren ond zijnde, van Nazareth naar Jerusalem reisde, om aan het voorschrift dor wet te voldoen, waarom zouden wij dan niet eenen weg van cenigo honderden schreden kunnen maken, om ons naar de kerk te begeven? Zeggen wij ook niet, dat het ongunstige weder ons lielet de kerkelijke diensten bij te wonen, nDe ijverige en warme vereerders der Hemelsche leerquot;, zegt de H. Ciirvsostomus, «achten alles licht, om hunne edele en geestelijke verlangens le kunnen bevredigen; noch koude, noch hitte, noch dc menigte hunner bezigheden, noch de overvloed hunner zorgen, noch iets anders is in staat dien ijver in hen te doen verflauwen. De trage en onverschillige, daarentegen, zal ook bij gunstig weder en zelfs dan, wanneer hij veel tijd en gelegenheid heeft, geen ijver voor de godsdienstoefeningen aan den dag leggen en voortdurend in zijnen hoogst laakbaren slaap voortsluimeren.quot; Wie de kerk niet gaarne bezoekt en de kerkelijke diensten met weerzin bijwoont, toont, dat hij noch God noch diens heilig Woord bemint. Jesus, die met zijne ouders naar Jerusalem gaat, leert den kinderen door zijn voorbeeld, dat zij ook het Helst iu het gezelschap hunner ouders moeten ver-keeren, waar zij het zekerste voor twist, ondeugd en verleiding bewaard blijven.

Wat leeren wij hieruit, dat de ouders van Jesus het Kind met zich naar Jerusalem namen?

Daaruit loeren do ouders, dat zij hunne kinderen, zoodra dezen er toe in staat zijn, vlijtig naar school en naar de Christelijke leer moeten zenden, hen tol bidden opwekken en hun vroegtijdig genegenheid moeten inprenten, naar het voorbeeld van het Kind Jesus, gaarne ter kerke le gaan, en zich daar ingetogen en eerbiedig te gedragen.

Waarom is het Kind Jesus te Jerusalem gebleven?

Om de leeraars, die Hij gedurende het feest gehoord had, nog moer te hooren, hen door zijne vragen en antwoorden aangaande het Rijk Gods te ondei wijzen en daardoor hun ziole-iieil en Gods eer te bevorderen; alsmede noir, om reeds

ocr page 170

ondellricht voor den

cenige stralen zijner Godheid te laten doorscliemeren en de menschen aldus tot liet geloof in Hem voor te bereiden.

Waarom zochten Maria en Jozef Jesus zoo ijverig ?

Dit deden zij, wijl zij daartoe aangedreven werden door de groote liefde, welke zij Hem toedroegen. Hieruit leeren wij, hoezeer wij ons moeten bevlijtigen, Jescs niet op eene geestelijke wijze door de zonde te verliezen, en hoe ijverig wij alles moeten aanwenden, om Hem door eene ware boetvaardigheid terng te vinden, wanneer wij Hem verloren hebben. Het zoeken en navragen der ouders van Jesus leert en beschaamt vele ouders, die er zich weinig om bekreunen, waar zich hunne kinderen bevinden, of ze zich in een goed gezelschap, waar ze iets goeds en nuttigs leeren, dan wel in een slecht gezelschap ophouden, waar hunne onschuld schipbreuk lijdt; aan wie het om het even schijnt te wezen, of hunne kinderen deugdzaam en godvreezend of wel slecht en goddeloos zijn. Dat soortgelijke ouders eens bedenken, hoe Heli met eenen plotselijken dood geslagen werd, wijl hij zijne zonen niet bestrafte (I Kon. Ill, 4); of zonden zij soms zich een dergelijk lot toeweuschen ?!

Waarom liet Jesus zich in den tempel terugvinden, waar Hy de leeraars ondervroeg en op hunne vragen antwoordde ?

Hierdoor wilde Hij ons allen, en wel voornamelijk den kinderen en jongelieden toonen, dat wij ons moeten beijveren, datgene te leeren, wat wij noodzakelijk moeten weten, om zalig te worden; en dat wij daarom dan ook de predikatiën en het Christelijk onderwijs met ijver en oplettendheid moeten bijwonen. Wij behoeven ons ook niet te schamen, aan onze geestelijke herders opheldering te vragen over datgene, wat wij niet begrijpen. Iets niet weten en er naar vragen is geene schande; maar zijne onwetendheid uit hoogmoed niet te erkennen of zich niet te willen laten onderwijzen, dat is schande en kan ten eeuwigen verderve voeren.

134

ocr page 171

eeksten zondag na driekoningen.

Waarom zeide Maria: -Zoon! waarom hebt Gy ons zoo gedaan ?quot;

Zulks zeidc Zij, om hierdoor hare smart over liet verlies van Jesus en hare groote liefde jegens Hem aan den dag les leggen.

•Hy was hun onderdanig.quot;

Hieruit lecren alle Christenen, dat /.ij aan de geboden Ciods, der Kerk en hunner ouders moeten gehoorzamen. De gehoorzaamheid, zegt de H. Schrift (f Kon. XV, 22) is beter dan offeranden en behaagt Code meer dan liet bloed der dieren; de ongehoorzaamheid, daarentegen, wordt door den Heer mef de gruwelen der waarzeggerij en afgoderij als op gelijke lijn gesteld. In het bijzonder echter leereu de kinderen hieruit met hoeveel bereidwilligheid en hoe stipt zij het vierde dei-tien geboden, hetwelk gebiedt de ouders te eeren en lum te gehoorzamen, moeten nakomen. O hoezeer bezondigen zich kinderen, die dit gebod overtreden! Hoe zwaar, namelijk, zondigen degenen niet, die hunne ouders, wanneer deze arm, oud of onvermogend zijn geworden, niet eerbiedigen, niet bijstaan, zich over hen schamen, terwijl de Godmensch Jesus-Christus aan zijne arme moeder en zijnen voedstervader, den timmerman Jozef, niet nit verplichting maar alleen uit liefde gehoorzaamde en onderdanig was! Vervloekt zij hij-, zoo leest men in den H. Tekst, die zijnen vader en zijne moeder niet eert. Denter. XXVIÏ, 16; vervloekt zijn vooral zulke zonen en dochters, die hunnen vader of hunne moeder verachten, bespotten, verlaten of op andere wijze grootelijks beleedigen! dat de raven der heken, zegt de H. Schrift; {Spreuk XXX, 17) het oog uitpikken en de jongen des arends het oog opeten van hem, die. zijnen vader bespot en zijne moeder veracht. En indien God beveelt ongehoorzame en weerspannige kinderen te steenigen (Deuteron. XXI, 21), wat verdienen dan niet dezulken, die hunne ouders, welke hun slecht gedrag laken, durven mishandelen?... Mocht het gebeuren, dat deze kinderen ook al in de wereld ongestraft blijven — hetgeen overigens slechts zeldzaam geschiedt — dan zullen zij toch, zoo zij zonder boetpleging sterven, na dit leven den strad'enden arm Gods niet ontgaan.

ocr page 172

onderricht over de

Hoe nam Jesus toe in wjjsheid, en in ouderdom, en in genade?

Naarmate Hij in jaren aanwies, toonde Hij de uitwerkselen van die wijsheid en genade, waarvan Hij vol was; on hierdoor leerde Hij ons allen en voornamelijk de jeugd, dat wij op den weg der kennis van God en der deugd altoos verder moeten voortgaan; want elke leeftijd heeft zijne bijzondere deugden en plichten, welke men moet trachten te vervullen, om de volmaaktheid van den daaropvolgenden leeftijd te bereiken.

Verzuchting. Allerbarmhartigste Je sus! die U, op twaalfjarigen leeftijd, door uwe ouders naar den tempel van Jerusalem hebt laten voeren en hun steeds onderdanig zijt geweest, verleen ons, dat wij naar uw voorbeeld voor de zaken van onzen Hemelschen Vader of veel liever voor de eenige en gewichtigste zaak onzer zaligheid ijverig zorg dragen, het juk uwer geboden gewillig opnemen en aan de geboden dor Kerk, aan onze ouders en oversten voortdurend gehoorzamen. Bewaar de teedere jeugd, opdat zij niet moedwillig en weerspannig in eenon ergerlijken levenswandel opgroeie. Verleen den ouders genade en wijsheid, om hunne kinderen, volgens uwen Heiligen wil, in alle deugden op te voeden en hen door een voorbeeldig gedrag te stichten. Geef ons allen eindelijk, dat wij U nooit door eene doodzonde verliezen, of, als wij U verloren hebben, U dan door eene ware boetvaardigheid zoeken, vinden, en door U te bezitten, in genade, wijsheid en deugd zoo toenemen, dat wij eindelijk tot die volmaaktheid geraken, welke Gij van ons vordert. Amen.

Onderricht over de ware godsvrnclit.

Zij vonden Hem in den tempel. Lcc. 11, 46. Uw eeredienst moet redelijk zijn. Rom. XII, i.

Zeer velen maken zich een valsch begrip van de ware godsvrucht; want even als Areuus aan alle gestalten zijner schilderijen de trekken en het aanzien van die personen gaf, welke hij beminde, zoo schildert ook ieder zich de godsvrucht volgens zijne persoonlijke neiging en inbeelding af. Wie gaarne

156

ocr page 173

WARE GODSVRUCHT.

vast, die acht zich zeer godvruchtig, wanneer hij slechts vast, ai draagt hij dan overigens ook liaat in het hart; en, terwijl hij, uit liefde tot de matigheid, zijne long, met wijn, bier of sterken drank vreest fe bevochtigen, acht hij liet geen bezwaar, ze door eerroof en kwaadsprekenheid le besmeuren, ze in het bloed zijns broeders te doopen. Een ander meent de ware godsvrucht te beoefenen, wanneer hij dagelijks eene groote menigte gebeden opzegt, alhoewel zijn mond naderhand hatelijke, trofsche en beleedigende uitdrukkingen tegeu huis-genooten en naburen uitbraakt. Deze opent gaarne zijne beurs voor de armen, maar houdt zijn hart voor zijne vijanden gesloten, blijft onbarmhartig en wil zich niet verzoenen met hen, die hem beleedigden. Gene, integendeel, vergeeft licht, maar betaalt zijne schulden alleen dan, wanner hij gerechtelijk daartoe wordt gedwongen. De groole menigte moge zulke menschen voor godvruchtig houden, zij zijn het echter geenszins. Toen Saul's dienaren David in zijn eigen huis kwamen opzoeken, legde Michol een beeld, in diens kleederen gewikkeld, te bedde en deed hun gelooven, dat David, ziek zijnde, zelf er lag te slapen. Even zoo omgeven zich velen met zekere uitwendige werken van godsvrucht, en de wereld houdt hen voor godvruchtige lieden, ofschoon zij slechts schijn en schaduw van de beoefenaars der ware godsvrucht zijn.

De eigenlijke en oprechte godsvrucht stelt de liefde Gods steeds op den voorgrond; ja zij is niets anders dan eene ware liefde tot God, en bijgevolg geene willekeurige liefde. Voor zooverre de Goddelijke liefde een sieraad onzer ziel is, heet zij genade, wijl zij ons aan de Goddelijke Majesteit behagelijk maakt. Voor zoover zij ons de kracht geeft om goed te doen, wordt zij werkende liefde genoemd; maar dan eerst is zij ware godsvrucht, als zij zulken graad van volmaaktheid bereikt heeft, dat zij ons niet alleen aanspoort om goed te doen, maar ook om het goede zorgvuldig, dikwijls en bereidwillig te verrichten. De struisvogels vliegen nooit, de hennen zeer moeielijk en daarbij laag en zelden; de adelaars, duiven en zwaluwen, daarentegen, vliegen veel, snel en hoog. Op dezelfde wijze nemen de zondaars nooit eene vlucht tot God, zij

137

ocr page 174

ONDERRICHT VOOR DEN

leven slechts op de aarde en voor de aarde. Goede mensclien, die echter nog geenszins godvruchtig mogen genoemd worden, verheffen zich wel tot God door limine goede werken, doch slechts zelden, langzaam en moeielijk. Dc godvmehtigen evenwel snellen dikwijls met rassche en verhevene vlucht tot God omhoog. Kortom, de godsvrucht is niets anders dan eene geestelijke kracht, snelheid, levendigheid, waardoor de liefde_ hare werken in ons, en wij onze werken in haar volbrengen met eene vlugge en innige neiging onzer ziel tot het goede, tot de deugd. Gelijk het eene hoedanigheid der werkende liefde is, dat zij ons aanwakkert, om de Goddelijke geboden in hunnen geheelen omvang te onderhouden, zoo ook is het der ware godsvrucht eigen, dat zij ons aanspoort, diezelfde geboden met standvastigheid en ijver te vervuilen. Om deze reden ook kan hij, die alle geboden des Heeren niet nakomt, noch goed, noch godvruchtig genoemd worden. Immers, om goed te zijn, moet men de werkende liefde, en om godvruchtig te wezen, behalve die liefde nog een grooten ijver en eene groote vlugheid tot de werken der liefde bezitten.

De ware godsvrucht doet ondertnsschen nog meer dan ons behendig, werkzaam en ijverig iu het onderhouden der Goddelijke geboden te maken. Daar zij in eenen zekeren graad van voortreffelijke liefde bestaat, spoort zij ons buitendien nog aan, met een bereidwillig hart zooveel goede werken te doen, als wij slechts kunnnen, ofschoon deze geenszins geboden maar slechts aangeraden of inwendig ingegeven zijn. Een mensch, die eerst onlangs uit eene zware ziekte hersteld is, gaat en beweegt zich slechts zooveel dit noodzakelijk is, en niet dan met langzame en moeielijke schreden. Evenzoo wandelt de zondaar, die pas van zijne ongerechtigheid hersteld is, slechts zoo ver als God hem beveelt en daarbij nog moeielijk en langzaam tot op den tijd, dat hij de godsvrucht verkrijgt. Dan gaat hij niet alleen gelijk een gezonde mensch, maar loopt zelfs op den weg der Goddelijke geboden voort; betreedt en doorwandelt allengs de voetpaden der Evangelische raden en der Hemelsche ingevingen. — Eindelijk de godsvrucht is slechts van de liefde onderscheiden als de vlam van het vuur. De liefde is een geestelijk vuur en wanneer

138

ocr page 175

tweeden zondag na driekoningen.

zij goed brandt, dan wordt zij godsvruclit genoemd. De godsvrucht voegt slechts de vlam bij het vuur der liefde, waardoor deze niet alleen in liet vervullen der Goddelijke geboden, maar ook in het beoefenen der Evangelische raden en der Goddelijke ingevingen, vlug, werkzaam en ijverig wordt (Franciscus van Sales. Philothea).

Onderricht voor den tweeden Zondag na Driekoningen.

Bij den Ingang der Mis noodigt de Kerk alle schepselen uit, om God wegens de Menschwording van zijn éénigge-boren Zoon te danken. «De geheele aarde aanbidde TJ, o God! en zinge ü lof; dat zij lof zinge aan uwen Naam, o Allerhoogste! (Ps. LXV.). Juicht Gode geheel het aardrijk; Zingt zijnen Naam lof, geeft luister aan zijnen roem. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Almachtige, eeuwige God! die alle Hemelsche en aardsche dingen bestiert, verhoor genadig de snieckingen uws volks en verleen uwen vrede aan onze lijden. Door onzen Heere Jesus Christus, enz

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Apostel Panlus aan de Romeinen, XII, 6-16.

Broeders! hebbende dan, naar de ons gegevene genade, onderscheidene gaven: hetzij profetie, naar de bepaling des geloofs; hetzij bediening, iri het bedienen; hetzij die leert, in het leeren; die vermaant, in het vermanen; die uildeelt, in eenvoudigheid; die over iets gesteld is, in zorgvuldigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid. De liefde zij ongeveinsd. Hebt afkeer van het kwade, en hecht u aan het goede! Bemint elkander met broederlijke liefde; voorkomt elkander met eerbied; zijt in zorgvuldigheid niet traag; zijt vurig van geest; dient den Heere! Weest blijde in de hoop; lijdzaam in de verdrukking; volhardend in het gebed! Voor de behoeften der heiligen weest mededeelzaam; beoefent de

139

ocr page 176

onderricht voor des

gaslvrijlieid! Zegent, dien vervolgen; zegent, en vloekt niet! Woest blijde met de blijden, weent met de weenenden! Hebt tot elkander hetzelfde gevoelen! Hebt geen gevoelen voor het hooge ! Maar stemt overeen met het nederige!

Verklaring, üe H. Paulus vermaant eiken geloovige de gave der genade Gods wel te gebruiken, opdat deze zich eens vóór God kunne verantwoorden. Hij moedigt ons tegelijkertijd lot de naastenliefde aan, welke wij daardoor toonen, dat wij hel kwade haten en het goede aankleven: dit wil zeggen, dat wij elkander niet op eene zondige wijze beminnen, dat wij elkander ouderling met achting bejegenen, de gastvrijheid beoefenen en de noodlijdenden ter hulp komen. Ten slotte zegt hij, dat wij met elkander in vrede moeten leven en dat wij daartoe het best zullen geraken, wanneer wij ons op de ootmoedigheid toeleggen. De vrede wordt door den ootmoed bewaard, terwijl onder de hoovaardigen, waarvan de eene steeds beter zijn wil dan de andere, voortdurend twist en vijandschap heerschen (Spreuk. XIII, 10.).

Zedeleer voor Oversten.

Een streng oordeel staat dengenen bij God te wachten, die bedieningen zoeken en zich daartoe slechts om de tijdelijke winsten, die er aan verbonden zijn, verhellen, zij mogen dan de daartoe vereischte kennis en bekwaamheden bezitten of niet; of, als zij daartoe geroepen zijn, het nakomen hunner plichten weinig behartigen, ja wellicht zelfs alleen handelen en oordee-len, volgens het welbehagen dergenen, die hen met gaven en geschenken vereeren. Over dezulken klaagt God reeds bij Isaias I, 23, terwijl Hij tol het Israelietische volk spreekt: Uwe vorsten (rechters) zijn ontrouw en medegezellen der dieven (dat is, zij veroorloven zich verdrukkingen en onrechtvaardigheden). Allen beminnen de geschenken en jagen de belooningen na: Zij doen den wees geen recht en laten de zaak der weduwe niet voorkomen. Daarom, zegt het boek der Wijsheid VI, 6, zal Hij (God) zich op eene verschrikkelijke wijze spoedig aan u (rechters) ver toonen, want over degenen, die in overheid gesteld zijn, zul een zeer streng oordeel gehouden worden.

140

ocr page 177

tweeden zondag na driekoningen.

Evangelie volgens den H. Joaivnes II, l-il. In dien tijd was er eene bruiloft te Cana in Galilea; en de Moeder van Jesus was daar. En Jesus was ook. met zijne discipelen, ter bruiloft genoodigd. En als er wijn ontbrak, zeide de Moeder van Jesus tot Hem: Zij hebben geenen wijn. En Jesus sprak tot Haar: Vrouwe! wat heb ik met U? nog is mijne ure niet gekomen. Zijne Moeder zeide tot de dienaren : AI hetgeen Hij u zeggen moge, doet het! En aldaar stonden zes steenen waterkruiken, ingevolge de reiniging der Joden, en elke hield twee of drie maten. Jesus sprak tot hen : Vult de kruiken met water! En zij vulden ze tot boven toe. En Jesus sprak tot hen ; Schept nu, en brengt het den hofmeester ! En zij brachten het. Als nu de hofmeester het water proefde, dat wijn geworden was, en niet wist, van waar het was, (maar de dienaren, die het water geschept hadden, wisten het) : riep de hofmeester den bruidegom, en zeide tot hem : Een iegelijk zet eerst den goeden wijn voor, en, als zij genoeg heliben gedronken, alsdan den minderen; maar gij hebt den goeden wijn tot nu toe bewaard. Dit begin zijner wonderen deed Jesus te Cana in Galilea, het openbaarde zijne heerlijkheid; en zijne discipelen geloofden in Hem.

Waarom meldt het Evangelie, dat Jesus met zyne moeder en zijne leerlingen op de bruiloft tegenwoordig was ?

Het geeft cus 1) daardoor te verstaan, dat de bruidegom en bruid godvreezende lieden waren, wijl zij de moeder van Christus en Jesus zeiven met zijne leerlingen ter bruiloft genoodigd, en dezen die uitnoodiging aangenomen hadden. De verloofden loeren hieruit, dat zij zieh, indien ze Gods zegen verkrijgen willen, door een kuiseh leven en door een vurig gebed moeten waardig maken, dat Jesus geestelijker wijze hunne bruiloft bezoeke, en dat deze niet door verkwisting en pracht, maar door de tegenwoordigheid van Christus en door de deugden van bruid, bruidegom en bruiloftsgasten schittere en

141

ocr page 178

ONDEItniCHT VOOU «EN

geheiligd worde. Wijl dit, helaas! zelden geschied!, daarom ziet men ook zoovele ongelukkige huwelijken. In het algemeen moet men Christus tot alle gewichtige zaken en tot de keuze van eenen staat nitnoodigen, opdat Hij zijnen zegen, zijn licht en zijne genade daartoe verleene. Het Evangelie leert ons daardoor, 2) dat wij ons verlustigen mogen, mits onze vermaken met de grondbeginselen van het Christendom overeenstemmen en noch slecht zijngt; noch tot zonde voeren. En 3) wil het, zoo als de H. Augustinus bemerkt, daardoor aantoo-nen, dat de Heer het huwelijk, welk Hij reeds in het paradijs had ingesteld, thans wilde bekrachtigen en tol de waardigheid van een Sacrament verheffen.

Waarom had Maria medeleden met deze echtelieden en zeide Zij, dat er geen wijn meer was ?

Wijl Zij eene moeder van barmhartigheid en eene goeder-tierene voorspreekster is inzonderheid voor alle bedrukte en verlatene inenschen, die God vreezen. Daaruit leeren wij, dat wij onze medemenschen, wanneer wij zeiven niet in slaat zijn, om hunnen nood te verzachten, door onze voorspraak bij anderen, die zulks vermogen, voornamelijk echter door gebeden en goede werken, helpen moeten, opdat God hen uil hunnen nood moge verlossen. Eindelijk leeren wij daaruit, in onze eigene noodwendigheden, naast God, Voornamelijk tot de H. Maagd, die liefderijke moeder der barmhartigheid, onze toevlucht te nemen. Wij zien uit hel Evangelie, hoe opmerkzaam Maria de behoeften der menschen gadeslaat, en hoe Zij ook lichamelijken nood, door hare voorspraak bij haren God-delijken Zoon, afweert, zelfs dan, wanneer de noodlijdenden hare hulp niet inroepen. Hoeveel te meer zal Zij ons door hare voorspraak helpen, wanneer wij in geestelijken nood lot Haar komen en Haar met volle vertrouwen om hare machtige voorspraak bidden !

Waarom zeide Jesus tot Marie : «Vrouwe ! wat heb ik met U'?

Hij wilde zeggen, dat, indien Hij hel gewenschte wonder zou doen, Hij het dan niet uit een menschelijk inzicht en uil

442

ocr page 179

tweeden zondag na driekoningen.

natuurlijke gehechtheid aan Haar als aan zijne Moeder, maar volgens den wil van zijnen Heinelschen Vader zou verrichten, om daardoor zijne Godheid te toonen. De tijd echter was daartoe nog niet gekomen, wijl alle aanwezigen het gebrek aan wijn nog niet bemerkt hadden en dit wonder dus niet genoegzaam zouden waardeeren. in deze woorden van Jesus ligt volstrekt geen smaad jegens zijne Moeder opgesloten, zoo als ook uit het volgende duidelijk blijkt.

Waarom zegt Maria tot de dienaren : -Al hetgeen Hy u zeggen moge, doet hetquot;! ?

Wijl Zij uit do woorden van Jesus vernomen had, dat Hij het verlangde wonder weldra zou verrichten, hetwelk dan ook inderdaad geschiedde. De bede der Allerheiligste Maagd werd aldus niet dadelijk, maar toch weldra vervuld; op het oogen-blik namelijk, dat zulks door de Goddelijke raadsbesluiten was vastgesteld. Zoo ook worden onze gebeden niet altoos terstond door God verhoord; laat ons dan, in zulke gevallen, even als Maria, niet ophouden op God te betrouwen, maar voortgaan met bidden, gelijk het behoort, en Hij zal ons, wanneer de tijd daartoe gekomen is, zeker helpen. De liefde van Jesis voor zijne maagdelijke Moeder schittert in het geheele verhaal van hel Evangelie luisterrijk door. O mocht er toch op aarde geen enkele zoon ol' dochter gevonden worden, die, wanneer zij de kinderlijke liefde van Jesus beschouwen, zich, daarentegen, van ondankbaarheid, liefdeloosheid, enz., jegens hunne ouders beschuldigen en bittere tranen daarover storten moeten!

Wat beteekent het gebrek aan wyn ?

Dit kan op eene geestelijke wijze, zoo als eenige uitleggers der H. Schrift meenen, hel gebrek aan liefde tusschen de echtelieden beteekenen, hetwelk meestal het geval is bij hen, die zich, zonder op zedelijke hoedanigheden te letten, slechts door rijkdom, schoonheid, enz., tot het huwelijk laten bewegen, of, die reeds vóór den echt eenen zondigen omgang met elkander gehad hebben. Deze moeten God dringend om vergiffenis hunner zonden bidden en de slechte inzichten, die zij bij het aangaan van him huwelijk hebben gehad, verande-

143

ocr page 180

0ndeu1ucht over

ren, opdat God het gebrek aan wijn, dat is aan liefde, van hen wegneme.

Waarom beval Christus den wijn tot den hofmeester te brengen ?

Opdat de hofmeester er van proeven en hel gewrochte wonder getuigen en bekend maken kon ; alsmede opdat de orde zon bewaard blijven en de genoodigden den wijn niet zouden misbruiken; want de hofmeesters waren tot dit einde aangesteld. Indien men aan de woorden: neen ieder zet eerst den goeden wijn voor, en, als zij genoeg hebben gedronken, alsdan den minderen,'quot; eenen geestelijken zin wil geven, dan kan men zeggen: de wereld zet in den beginne den zoeten wijn van den wellus!, naderhand echter de bittere gal van altijd knagend geweten, vóór; maar God geeft zijnen uitverkorenen op deze wereld eerst den bitteren wijn der wederwaardigheden, daarna den zoeten wijn der vertroosting in dit en de eeuwigdurende vreugde in het andere leven.

Verzuchting. 0 allerbarmhartigste Jksls! ik wil, volgens nw welbehagen, liever hier op aarde den bitteren drank dei-tegenspoeden dan den zoeten wijn der wellusten proeven; verleen mij, dat ik eens waardig geacht worde in het andere leven aan het Hemelsche bruiloftsmaal te mogen deelnemen !

Onderricht over het Huwelijk.

Is het Huwelijk een Sacrament?

Ja, want de ware Kerk heeft het Huwelijk, volgens de getuigenis der Heilige Vaders, van den tijd der Apostelen af tot nn toe, allijd als een Sacrament beschouwd, hetwelk zij niet had kunnen doen, zoo de echt door Chuistus niet tot de waardigheid van een Sacrament ware verheven geworden. De H. Pallus noemt zelfs liet Huwelijk een groot Sacrament Eph. V, 32, wijl het een zinnebeeld is der voortdurende vereeniging van Christus met zijne Kerk.

Welke genade ontvangt men in dit Sacrament?

De genade: 1) om de echtelijke trouw onverbroken te bewaren; 2) om kinderen Christelijk op te voeden; 5) om de

144

ocr page 181

HET HUWELIJK.

nioeielijkheden, die in het Huwelijk onvermijdelijk zijn, met geduld te dragen en in vrede met elkander te leven; 4) om elkander wederkeerig te stichten en in het bewerken van het zielenheil behulpzaam te zijn. De genade Gods is den echtelieden hoogst noodzakelijk; zonder deze zullen zij hunne plichten moeielijk of niet vervullen tot groot nadeel van iiim eigen eeuwig heil en van dat hunner kinderen.

Welk is het uitwendig teeken der genade in het H. Sacrament des Huwelijks ?

De wederkeerige loestemming van bruidegom en bruid en de zegen des Priesters over hen uitgesproken. (Trid. XXIV zitting, i Hoofdstuk.)

Welke voorbereiding wordt er vereischt, om zich de genade van dit Sacrament waardig en deelachtig te maken ?

De eerste en beste voorbereiding bestaat in een godvruchtig en zuiver leven en in een vurig gebed, waardoor men het licht van den H. Geest afsmeekt, om te weten of men tot dien staal geroepen is, ja dan neen. De tweede bestaat hierin, dat men bij zijne keuze niet alleen op schoonheid en rijkdom, maar, vooral en hoofdzakelijk, op deugd cn godsvrucht lette en men dus een godsdienstig mensch tot echtgenoot kieze. De derde en naaste voorbereiding bestaat in zijn geweten te zuiveren door eene goede cn (als zulks nog niet geschied is) algemeene of generale biecht en in het ontvangen van het H. Sacrament des Altaars. Buitendien moeten de echtelieden op den dag van hun Huwelijk de H. iMis met groote aandacht hooren, opdat God hun zijne genade vcrleene dezen staat goed te beginnen en alle plichten, die er aan verbonden zijn, trouw te vervullen.

Waaruit ontstaan zoovele ongelukkige huwelijken?

Daaruit, dal er velen langs den weg der zonde en dei-misdaad tot den echtelijken staat geraken, voortdurend tol aan hunne echtverbintenis blijven voortzondigen, en daarom, bij gebrek aan berouw, gedurig, zelfs nog vóór hun Huwelijk, eene onwaardige cn heiligschennende biecht spreken. Verder

10

143

ocr page 182

ondeuriciit over

ook nog, wijl velen het Huwelijk slechts uit vleesclielijke of aardsche inzichten aangaan, er volstrekt niet aan denken, licht, genade en zegen van God te vragen, op hunnen trouwdag zonder de vereischte voorbereiding, zonder godvruchtige slemniing ter kerke gaan en daar nog door hun lichtzinnig gedrag ergernis geven, enz. Is liet wel te verwonderen, dat zulke lieden minder genade, minder zegen van God verkrijgen, daar zij zich dit onwaardig hebben gemaakt?

Waarom heeft God het Huwelijk ingesteld ?

Opdat het menschelijk geslacht voortgeplant, en do zonde der ontucht zon vermeden worden; tevens ook tot weder-zijdsche ondersteuning der echtelieden in de moeiel ijk heden van dit leven en tot wcderkeerige bevordering in de deugd. De echt is buitendien ook het zekerste middel, om kinderen eerbaar op te voeden en hen in alle goed, voornamelijk in geloofszaken, te onderwijzen. Zij dus, die in den huwelijken staat slechts de voldoening hunner zinnen zoeken en God al/.oo buiten hun hart sluiten, zondigen grootelijks en de duivel heeft macht over hen (Tob. VI, 17.).

Met welke meaning moet men het Huwelijk aangaan ?

Met de meening de evengemelde doeleinden, waartoe de echtelijke slaat is ingesteld, getrouw te volbrengen. Indien alle echtelieden den huwelijken staat op zulke wijze aangingen, dan zou deze ongetwijfeld heilig, Gode beiiagelijk en voor hen gezegend zijn, en zouden de woorden, die de II. Paulus I Tim. II, lo over de godvruchtige vrouw heeft ter neer geschreven, in hen vervuld worden: Zij zal zalig worden door kinderen te baren, zoo zij volhardt in geloof en liefde, en heiligmaking met zedigheid.

Waarom worden de namen der verloofden in de kerk afgeroepen of afgekondigd?

Om te vernemen of soms niet het een of ander beletsel, zoo als bloed- of geestelijke verwantschap, maagschap, enz. hun huwelijk in den weg slaat. Ieder, die dusdanig beletsel weel, is verplicht het aan den Pastoor bekend maken.

146

ocr page 183

HET HUWELIJK.

Waarom worden de huwenden door den Priester ingezegend?

Opdat zij, voor zoover ze door doodzonde geen hinderpaal daartegen stellen, van God eensgezindheid, gezondheid, voornamelijk ook genade, mogen verkrijgen, om de plichten van den huwelijken staat getrouw te vervullen, de lasten, die er aan verbonden zijn, geduldig te dragen, en de kinderen, die God hun geven zal. Christelijk op te voeden.

Waarom geven bruidegom en bruid in tegenwoordigheid van den Priester en twee getuigen elkander de hand ?

Tot teeken, dat zij zich verbinden vóór God en zijne H. Kerk, elkander onderling tot in den dood getrouw te blijven, en elkander in alle wederwaardigheden eene behulpzame hand te bieden.

Waarom wordt by eene plechtige huwelijksinzegening gewoonlijk het H. Misoffer opgedragen ?

Dit geschiedt, opdat de huwelijksband door het onbloedig Offer van het Nieuwe Verbond zou bekrachtigd en bezegeld worden.

Wat moeten de echtelieden na voltrokken huwelyk doen ?

Zij moeten nederknielen en God voor de genade, welke Hij hun door dit Sacrament heelt medegedeeld, ootmoedig danken, waartoe zij de volgende woorden kunnen gebruiken: Bekrachtig, o Heer, hetgeen gij door uwe genade in ons bewerkt hebt, opdat wij aan al, wat wij voor uw aanschijn beloofd hebben, tot op den dag van onzen Heere Jesus-Ciiuistüs mogen getrouw blijven. Eu om daaraan getrouw te blijven, moeten zij zich dikwijls de plichten herinneren, die de Priester hun bij hunne echtverbintenis verklaard en aan de vermaningen, welke hij hun toenmaals gegeven heeft. Deze plichten zijn getrokken uit den Brief van den H. Paulus aan die van Ephese V hoofdst., waarin de Apostel de gehuwden leert, hoe zij zich jegens elkander moeten gedragen, en hij hun, als voorbeeld hunner onderlinge betrekking, de vereeniging van

147

ocr page 184

onderricht over

148

Christus met zijne Kerk en zijne liefde jegens haar voorstelt. Hij zegt den mannen, dat zij hunne vrouwen moeten liefhebben, zoo als Christus zijne Kerk heeft lief gehad en zich voor haar aan den dood heeft overgeleverd; waaruit volgt, dat de mannen hunne vrouwen altijd beminnen, hoogschatten en haar in allen nood met moed en volharding bijstaan moeten. De H. Paulls beveelt aan de vrouwen, dat zij als de zwakkeren, haren mannen in alle geoorloofde zaken moeten gehoorzamen, zoo als de Kerk aan Christus gehoorzaamt; want, gelijk Christus het hoofd der Kerk is, zoo is ook de man het hoofd zijner vrouw. De ondervinding leert ook, dat er voor vrouwen geen beter middel bestaat, om de harten harer mannen te winnen, en om met hen voortdurend in rust, eensgezindheid en tevredenheid te leven, dan eene minzame onderdanigheid en eene dienstvaardige liefde; dat zij, daarentegen, de genegenheid harer mannen zeer spoedig verliezen en in twist met hen geraken, wanneer zij over hen willen heerschen en gebieden. De Apostel zegt verder, dat de mannen hunne vrouwen (en bijgevolg ook de vrouwen hare mannen) moeten beminnen als hunne eigene lichamen; wijl beiden als het ware slechts één lichaam uitmaken: nDe twee zullen één vleesch zijn. Niemand heeft ooit zijn eigen vleesch gehaat, maar voedt en verzorgt het, gelijk ook Christus de Kerk. Hoe dwaas en zondig handelen dus zulke echtelieden, die elkander haten, kwaad toewenschen, beschimpen, elkander door kwaadspreken benadeelen en weder-keerig elkanders eer en goeden naam rooven? Deze bedenken geenszins, dat zij zich zeiven schade veroorzaken. Zij, die haren echtgenoot haat en onteert, haat en onteert zich zelve; even als hij, die zijne echtgenoote bemint, volgens de leer des Apostels, zich zeiven bemint. Tot instandhouding der liefde en eensgezindheid tusschen de echtelieden is er niels noodzakelijker, dan dat zij hunne wederzijdsche fouten en gebreken met geduld verdragen, elkander op eene verschoonende en vriendelijke manier terechtwijzen, hunne wederwaardigheden, tegenspoeden en smarten zooveel mogelijk voor zich bewaren en slechts aan God, die tegen alle onheil hulp aanbieden kan, bekend maken. Door ongeduld, door twisten en klagen maakt men zijn kruis steeds zwaarder en de kwaal erger.

ocr page 185

het huwelijk.

Gebed.

O barmhartige ^Jesus, die op do bruiloft van Cana uw eerste wonder, de verandering van water in wijn, verricht en daardoor uwe Goddelijke macht geopenbaard hebt, verleen uwen geloovigen, dal zij het Heilig Sacrament des Huwelijks steeds voor eerbaar en heilig houden en in den echtstaat godvruchtig, eerzaam en zuiver leven, opdat zij zich zeiven en hunne kinderen dus teu Hemel voeren. Amen.

Onderricht over de gemengde huwelijken.

Wat valt er op de gemengde huwelijken, dat wil zeggen, op de huwelijken, waarvan de eene partij Katholiek

en de andere Protestantsch is, aan te merken ?

Ten opzichte van de gemengde huwelijken valt te bemerken, dat zij, wanneer er geen ander onwettig-makend beletsel aanwezig is, ware en wettige huwelijken zijn en, even als alle andere huwelijken, onverbreekbaar zijn; doch de Katholieke Kerk keurt ze af en verbiedt dat ze, zonder wettige dispensatie of verlof, aangegaan worden.

Waarom keurt de Kerk zulke huwelijken af?

Zij doet dit hoofdzakelijk wegens het gevaar, waarmede het geloof en het zielenheil der Katholieke partij en harer kinderen bedreigd worden.

Is dit gevaar dan zoo groot?

Hoe groot dit gevaar is, kan reeds uit het volgende worden opgemaakt:

1) Tm opzichte van de 'echtelieden zeiven, is het een dei-heiligste plichten van hunnen stand, tot hunne wederkeerige volmaking, naar vermogen, mede te werken. Zij moeten elkander op den weg des heils ondersteunen, het zielenheil van den eene moet een voorwerp van gedurige zorg zijn voor den andere. De volbrenging van dezen plicht zal den echtgenooten, wier gevoelens door eene verschillende godsdienst-belijdenis gescheiden zijn, zeer moeielijk vallen ; wijl zij niet omtrent de middelen, die tot dit doel leiden, overeenstemmen, zoo zal de eene datgeen voor eene nuttelooze of zelfs bijgeloovige zaak aanzien, wat de andere

149

ocr page 186

ONDERRICHT OVER

als ter zaligheid noodzakelijk beschouwt. De geestelijke volmaking der echtgenooten kan zonder eenen goeden wederzijdschen godsdienstigen invloed op elkander moeielijk bereikt worden; die invloed kan evenwel zonder gemeenschap van geloof, van Sacramenten, van Kerkelijke en huiselijke godsdienst-oefeningen voor den Katholiek niet voordeelig wezen. Drie gevallen zijn in de gemengde huwelijken betrekkelijk de wederkeerige volmaking der echtgenooten slechts denkbaar: èf beiden blijven nopens elkander lauw, ieder gaat zijn eigen weg zonder zich om den andere te bekreunen; óf zij smelten hunne godsdienstaangelegenheden te zamen en maken uit twee godsdiensten een nieuw, een derde geloof, waarin elk volgen kan, wat hem belieft: met andere woorden, zij vallen ten opzichte van den godsdienst in eene onverschilligheid, die den doodsteek aan alle geloof toebrengt; 6f eindelijk de eene partij haalt de andere tot haren godsdienst over. Koelheid der [echtgenooten jegens elkander onder een godsdienstig oogpunt, onverschilligheid of afval van het geloof zijn de drie afgronden, welke de Katholiek, die een gemengd huwelijk aangaat, maar al te dikwijls met rassclie schreden nadert, — en zeer lichtelijk zal hij iu een dezer drie tot zijn eeuwig ongeluk nederstorten.

Even als de echtelieden in de gemengde huwelijken weder-zijdsch elkanders volmaaktheid moeilijk kunnen bevorderen, zoo ook kunnen zij de huiselijke en openbare godsdienst-oefening niet gezamenlijk houden, leder kent het nut der huiselijke godsdienst-oefening en haren invloed op de zedelijkheid en het welzijn der huisgezinnen, der echtgenooten zoowel als der kinderen en huisgenooten. Deze huiselijke godsdienst-oefening, kan niet plaats hebben, wanneer man en vrouw niet één van geloof, en bijgevolg ook niet één van zin en hart zijn. De Katholiek zal bijv. de H. Maagd en de Heiligen aanroepen, hel kruisteeken maken, voor de afgestorvenen bidden; van dit alles echter wil de Onkatholiek niets weten, wijl zijn geloof hem dit niet leert. Eene Katholieke godsvrucht is echter zonder vereering en aanroeping der Heiligen, zonder gebed voor de overledenen, niet denkbaar. Het verschil van godsdienst is aldus een hinderpaal voor den huiselijkeu godsdienst der echtgenooten. Hetzelfde geval heeft ook bij hel vervullen

150

ocr page 187

DE GEMENGDE HUWELIJKEN.

der openbare godsdienst-oefeningen voor beiden plaats, liet verschil van geloof doet zich reeds gevoelen, wanneer de Kerkelijke feestdagen voor de echtgenooten op éénen en denzelfden dag vallen. Hoe dikwijls echter geschiedt het niet, dat de Katholiek een feest heeft te vieren, waarvan de Onkatholieke partij niets weten wil, wat, bijv. met de feesten der Allerheiligste Maagd en dei' Heiligen het geval is. Indien dan ook al de feestdagen door den Onkatholiek op denzelfden dag gevierd werden, dan zou daarom elke ongelegenheid niet weggenomen ziju. De Katholiek begeeft zich naar de Katholieke kerk, de andersgezinde naar zijn bidhnis; de vrome Katholiek gaat meermalen door het jaar lot de Biecht en de H. Communie en hij weet, dat de Protestant niet houdt van het Sacrament der boetvaardigheid en zijne bijzondere en eigene gevoelens heeft betrekkelijk het Hoogheilig Sacrament des Altaars; de Katholiek bezoekt op Allerzielendag de graven zijner afgestorvene broeders, om voor hen te bidden: de andersgezinde wil daarvan niets weten; de Katholiek is verplicht de vasten-en onthondingsdagen, welke door de Kerk voorgeschreven zijn, te onderhouden en zijne wederhelft beschouwt ze als onzinnige menschelijke instellingen. En zoo zijn er nog vele andere openbare godsdienst-oefeningen, waaraan de Katholiek behoort deel te nemen, bijv. processiën en bedevaarten, die door den Protestant voor bijgeloovige, of ten minste voor nnttelooze, gebruiken worden gehouden. Kortom, de echtgenooten staan elkander bij hunne godsdienst-oefeningen overal in den weg. Welk een treurige toestand moet dit niet voor hen wezen!

Deze toestand mag, alhoewel de echtgenooten betrekkelijk den godsdienst tegenover elkander staan, nog dragelijk genoemd worden, indien de Katholiek ten minste zijnen godsdienst en Kerk getrouw blijft, steeds aan de Katholieke geloofsleer vasthoudt en zich met de genademiddelen versterkt, welke zijne Kerk hem aanbiedt. Hij kan op deze wijze wel niet waarlijk gelukkig in den echt leven, maar dan toch de ontbinding des huwelijks door den dood getroost tegemoet zien. Echter niet altijd blijven die echtgenooten hunnen godsdienst getrouw. Zeer dikwijls geraakt de Katholieke partij en dikwijls ook de Proteslantsche in den toestand, dien de

151

ocr page 188

onderricht over

H. Joannes (Openbar. Ill, 15) met de volgende woorden be-sclirijft: Ik weet uwe werken, dat gij noch koud noch warmzijt. O waart gij toch koud of warm! Doch wijl gij lauw zijt, en noch koud noch warm, zal ik u uit mijnen mond spuwen! Hoe dikwijls blijft het bij den Katholieken echtgenoot niet bij onverschilligheid jegens den godsdienst, daar deze een al te walgelijke toestand is! Hij wordt gedrongen zich eindelijk voor eenen bepaalden godsdienst nit te spreken, en deze uitspraak valt, volgens de getuigenis der ondervinding, (wijl de onverschillige altijd aan het gemakkelijkere de voorkeur geeft) meestal ten nadeele van den Katholieken godsdienst uit; met één woord: In elk gemengd huwelijk loopt de Katholiek groot gevaar zijn geloof te verliezen. En inderdaad, zal hij, die streken bewoont, waar Katholieken en Protestanten gemengd leven, dit gevaar door de ondervinding bevestigd gezien en bemerkt hebben, dat de huiselijke vrede, de rust der familie zeer dikwijls door de Katholieke partij met opoffering van haar geloof gekocht worden.

2) Het gevaar voor het geloof en het zielenheil der kinderen is insgelijks zeer groot in de gemengde huwelijken. Ofschoon de Protestantsche echtgenoot ook al belooft, dat de kinderen in den Katholieken godsdienst zullen opgevoed worden, is het nog lang niet zeker, dat dit geschieden zal, daar, helaas! de ondervinding leert, dat Protestanten, die dusdanige belofte deden, na voltrokken huwelijk niet zelden allerlei middelen aanwenden, om de kinderen in den Protestantschen godsdienst fe doen opvoeden. En al mocht dit het geval ook niet zijn, dan blijft het gevaar voor de kinderen in de gemengde huwelijken desniettemin zeer groot. Immers wat zal er geschieden? De goedgezinde Katholieke partij zal, niettegenstaande alle moeielijkheden haar door de Protestantsche, die ook vast aan haren godsdienst gehecht is, aangedaan, de Katholieke opvoeding der kinderen doordrijven en zorgen, dat deze behoorlijk in den godsdienst onderwezen en aan de H. Sacramenten deelachtig worden — en dan zullen de kinderen zwak in hun geloof zijn, of, zoo zij reeds eenige gehechtheid nopens de Kerk hebben, zeer licht den verschuldigden eerbied jegens den Onkatho-lieken vader ol de Onkatholieke moeder verliezen; — óf beide

152

ocr page 189

DE GEMENGDE HUWELIJKEN.

ouders zijn onverschillig in den godsdienst — en daardoor wordt dan ook in de harten der kinderen van hunne prilste jengd af reeds de grondslag gelegd tot onverschilligheid in zaken van geloot'; — óf de Protestantsche partij werkt de Katholieke in het geheim tegen, en zóó worden de kinderen reeds van kindsbeen aan tot afval van het geloof voorbereid. Aan al die gevaren zijn de kinderen in de gemengde huwelijken blootgesteld.

Om welke redenen nog meer zijn de gemengde huwelijken afkeurenswaardig ?

1) Om de ongelijkheid, die in de gemengde huwelijken tusschen de echtgenooten bestaat, naardien de Protestanten den echt voor ontbindbaar houden, de gehuwden derhalve in zekere gevallen mogen scheiden, en de gescheidenen weder met anderen trouwen; terwijl de Katholieke Kerk het huwelijk voor onontbindbaar verklaart, de echtgenooten slechts in zekere dringende gevallen scheidt van tafel en bed, en niemand hunner toelaat andermaal te trouwen, tenzij hun huwelijksband door den dood van een der beiden worde ontbonden. 2) Om de ergernis, tiie men door zulke huwelijken doorgaans aan gansche gemeenten geeft. 3) Wegens de rechtmatige bezorgdheid, die men daardoor aan zijne ouders, broeders, zusters, naastbestaanden en vooral aan de Priesters berokkent, die voor de zielen hunner onderhoorigen verantwoordelijk zijn.

Worden de gemengde huwelijken soms door de Katholieke Kerk toegelaten?

Ja, maar slechts om gewichtige redenen en onder beding, dat alle kinderen in den Katholieken godsdienst zullen opgevoed worden, en dat er voor het geloof en het zieleheil der Katholieke partij geen gevaar te duchten zij.

Wat moet men van Katholieken zeggen, die hunne

kinderen in den Protestantschen godsdienst laten opvoeden ?

Indien er slechts ééne waarheid, één ware godsdienst, ééne ware Kerk bestaat, en indien de Katholiek, zoo als iiij

153

ocr page 190

onderricht over

154

daarloe verplicht is, zijne Kerk als de éénige ware bescliouwf, dan kan hij onmogelijk toelaten, dat een zijner kinderen buiten dezen godsdienst worde opgevoed. Het is daarom een der heiligste plichten van den Katholiek, het huwelijk met een Onkatholiek van de hand te wijzen, zoo deze er niet in toestemt, dat alle kindereii van beider kunne in het alléén Zaligmakend Katholiek geloof zullen worden opgevoed. Immers als Katholiek moet hij de stellige overtuiging hebben, dat de Kerk, die door Jesus-Ghristus gesticht en door den H. Geest bestierd wordt, de door God geopenbaarde leer, waaraan elk moet vasthouden, bewaart en de genademiddelen uitdeelt, welke ieder moet gebruiken, die zijne zaligheid, op den rechten weg, met zekerheid wil bewerken. Het gebod der naastenliefde, hetwelk Jesus-Ciiristus zijnen geloovigen zoo uitdrukkelijk heeft aanbevolen, verplicht wijders den Katholiek te wenschen en op alle geoorloofde wijzen er naar te streven, dat die leer aan alle menschen bekend worde en allen aan die genademiddelen deel mogen hebben. Derhalve mag de Katholiek ook in geen geval iets toelaten, wat oorzaak wordt, dat iemand uiet tot de kennis der Katholieke waarheid en alzoo niet tot het eeuwige leven gerake. Dit geldt reeds voor allen in het algemeen, maar nog meer voor de ouders ten opzichte hunner kinderen. Immers de baud, die hen met elkander ver-eenigt, is veel nauwer dan de algemeene band, die de menschen met de menschen verbindt. Juist wegens dien engeren band zijn de ouders verplicht alles uit den weg te ruimen, wat de eeuwige zaligheid hunner kindereu zou kunnen schaden, of waardoor zij niet tot de kennis der waarheid zouden kunnen geraken. De Katholiek mag alzoo, op geenerlei wijze, in een huwelijk toestemmen, zonder vooraf vastgesteld te hebben, dat alle kinderen in zijnen godsdienst worden opgevoed. Het is ongeoorloofd en zonde toe Ie staan, dat eeuige of alle kinderen buiten het Katholiek geloof opgevoed worden. Zoodra de Katholiek zoo iets toegeeft, toont hij door de daad zelve eene niets minder dan katholieke gezindheid, en zondigt hij groofelijks tegen een van de gewichtigste plichten der ouders, namelijk tegen den plicht, van alle mogelijke zorg voor de eeuwige zaligheid zijner kinderen aan te wenden.

ocr page 191

de gemengde huwelijken.

Wat is den Katholieken, die in gemengde huwelijken leven, ernstig aan te raden ?

1) Uat zij God om sterkte bidden, ten einde in hnn geloof getrouw te blijven; dat zij dikwijls het voornemen hernieuwen, in dit heilig geloof te willen leven en sterven; 2; dat zij hunnen godsdienst altijd beter trachten te leeren kennen, om dien tegen eiken aanval met goed gevolg te kunnen verdedigen; 5) dat zij er ook hunne kinderen in laten onderwijzen of zeiven hen onderrieaten; 4) dal zij zich, noch door hoon en spotternij, noch door bedreigingen en mishandelingen, noch door vleierij, ooit laten bewegen, hunnen godsdienst en hunne Kerk te misprijzen, op hare gebruiken en voorschriften in hun bijzijn te laten smalen, ze gering te schatten, of geheel aan het geloof ontrouw te worden; 5) dat zij de vooroordeelen en verkeerde begrippen der Protestantsche partij ten opzichte van den Katholieken godsdienst trachten weg te nemen, haar met de waarheid zoeken bekend te maken en haar voor het geloof trachten te winnen, zonder nochtans daartoe ongeoorloofde of onedele middelen, als dwang, enz. te gebruiken.

Onderricht voor den derden Zondag na Driekoningen.

Ingang der Mis. »Bidt God aan, gij al zijne Engelen : Sion heeft het gehoord en zich verblijd en de dochters van Juda zijn opgesprongen van vreugde.quot; Ps. 96. De Heer regeert, dat de aarde zich verheuge en dat de vele eilanden zich verblijden. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Almachtige, eeuwige God, zie met een genadig oog op onze zwakheid neder: en strek de rechterhand nwer Majesteit uit, om ons te verdedigen. Door onzen Heer Jesus-Christüs, enz.

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Apostel Paulus aan de Romeinen, XII, 16-21.

Broeders! Weest niet wijs bij u zeiven! Vergeldt niemand kwaad met kwaad; betracht het goede, niet alleen voor God,

ocr page 192

onderricht voor den

maar ook voor alle menschen! Indien het mogelijk is, houdt, zoo veel in u is, met alle menschen vrede! Geliefden, wreekt ii zeiven niet; maar geeft der gramschap plaats! Want er staat geschreven: Mij is de wraak; Ik zal wederom vergelden! spreekt de Heere. Maar indien uw vijand honger heeft, spijzig hem; indien hij dorst heeft, laaf hem! Want als gij dit doet, zult gij vurige kolen op zijn hoofd vergaderen! Laat u niet door het kwaad overwinnen; maar overwin door het goede het kwaad!

Wat leert ons de H. Paulus door de woorden : Weest niet wys by u zeiven?

Hij spoort ons daardoor tot ootmoedigheid aan.

Waarom mag men geen kwaad met kwaad vergelden?

Wijl dit strijdig is met het gebod van Jesus-Christüs, die uitdrukkelijk gezegd heeft: Hebt mee vijnnden lief, doet wel dengenen, die u halen, en bidt voor hen, die u vervolgen en lasteren. Matth. V, 44.

Wat wil zeggen: quot;Betracht het goede, niet alleen voor God, maar ook voor alle menschen?quot;

Dit beteekent: doet het goede met zulken ijver en zulke omzichtigheid, dat het niet alleen Gode, maar ook den inen-schen behage en dezen tot stichting strekke.

Wat wil zeggen: «Houdt, zooveel in u is, vrede met alle menschen ?quot;

Uit beteekent: sluit uwe harten voor vijandschap en wraakzucht, zoodat gij altijd bereid zijt, voor zoover dit in uwe macht is, den vrede tusschen u en degenen, die u misdaan hebben, te herstellen.

Wanneer laat men zich door het kwaad overwinnen ?

Als men zich door elke onbeduidende beleediging, die men ondergaat, van zijnen kant tot iets kwaads laat meeslepen en terstond in zijn hart plaats maakt voor wraakgierige gedachten; want dit is een teeken, dat men zwak is, en gemakkelijk kan overwonnen worden. Even als het een teeken van

156

ocr page 193

derden zondag na driekoningen.

eene zwakko maag is, dat de spijzen niet verteeren, zoo ook is het een blijk van zwakheid, dat men geen kwaad woord verdragen kan. «Wordt gij ongeduldig,quot; zegt de H. Ambrosius, »dan zijt gij overwonnen; verdraagt gij met geduld, dan hebt gij gezegepraald.quot;

Wat moet men doen, als men in zyne eer gekrenkt wordt ?

Wij moeten onze waardigheid als evenbeelden en kinderen Gods hoogschatten, en mogen daarom, als onze eer door onzen evenmensch gekrenkt wordt, eervergoeding vorderen. Doch wij moeten dit eerst door broederlijke terechtwijzingen trachten te verkrijgen en mogen geene vijandschap of wraakzucht in ons hart dragen, maar behooren ook hieromtrent de liefde jegens den naaste te bewaren. Ook moeten wij ons niet terstond bij elk woord beleedigd achten en ons de beleedigingen niet grooter voorstellen dan ze inderdaad zijn, geene al te groote voldoening vorderen, of zulk eene, die den beleediger bespottelijk maakt; maar vooral mogen wij ons nooit wreken. De wraak moet, aan God, die voor ons zorgt en zich de wraak heeft voorbehouden, worden overgelaten. «Hij zal het ons aangedane onrecht,quot; zegt de H. Bernardus, «ongetwijfeld vergelden.quot;

Hoe kan men zynen vijand vurige kolen op het hoofd vergaderen ?

Wanneer men hem ter liefde Gods wel doet, want onze vijanden worden door zulke weldaden beschaamd gemaakt, tot nadenken over hunne handelwijze gebracht, tot de bekentenis van hun onrecht gevoerd en tot boetvaardigheid bewogen. De H. Augustincs legt de aangehaalde woorden ook aldus uit; Gij zult vurige kolen van lielde op zijn hoofd vergaderen; want niets is zoo zeer in staat om tot liefde te bewegen, dan dat men iemand met liefde voorkomt.

Wanneer overwint men het kwade door het goede ?

Als men naar het voorbeeld van Christus en der Heiligen dengenen, die ons kwaad hebben gedaan, goed bewijst.

157

ocr page 194

onderricht voor «en

Evangelie volgens den H. Mattheus VIII, 1-13.

In dien lijde, als Jesüs van den berg afkwam, volgden Hem vele scharen. En ziet, een melaatsche kwam Hem aanbidden, en zeide; Heer! indien gij wilt, gij kunt mij zuiveren. En Jesüs strekte zijne hand uit, raakte hem aan, en sprak : Ik wil, word gezuiverd ! En terstond werd zijne melaatschheid gezuiverd. En Jesus sprak tot hem : Zie toe, dat gij het niemand zegt, maar ga, vertoon u aan den priester, en draag de gift op, die Mozes geboden heeft, hun tot getuigenis. Als Hij nu binnen Gapharnaüm kwam, naderde Hem een hoofdman. Hem biddende, en zeggende: Heer ! mijn knecht ligt te huis aan eene beroerte, en lijdt zware pijnen. En Jesus sprak tot hem: Ik zal komen, en hem genezen. Maar de hoofdman antwoordde, en zeide; Heer! ik ben niet waardig, dat gij onder mijn dak ingaat; maar spreek slechts één woord, en mijn knecht zal gezond worden. Want ook ik ben een mensch, onder gezag staande, die krijgsknechten onder mij heb; en ik zeg tot dezen : ga! en hij gaat; en lot een ander : kom ! en hij komt; en lot mijnen knecht : doe dit! en hij doet het. Jesus nu dit hoorende, was verwonderd, en sprak tot degenen, die Hem volgden: Voorwaar, ik zeg u, ik heb in Israël zoo groot een geloof niet gevonden. Doch ik zeg u, dat velen van het Oosten en het Westen komen zullen, en met Abraham, IsaSc en Jacob aanzitten in het rijk der Hemelen ; maar dat de kinderen des rijks in de uiterste duisternissen zullen geworpen worden : daar zal geween zijn en knarsing der landen. En Jesus sprak tot den hoofdman : Ga, en gelijk gij geloofd hebt^ geschiede u ! En de knecht is ter zelfder ure gezond geworden.

158

ocr page 195

derden zondag na diuekoningen.

Waarom zegt de melaatsche tot Christus; «Heer, indien gij wilt, gy kunt my zuiveren ?quot;

Hierdoor toonde hij zijn geloof in Christus, tlie hem, zoo quot;ij slechts wilde, met een woord genezen kon. Hieruit leeren wij 1) ons vertronwen op de almacht Gods stellen, die een helper is in allen nood (Ps. XLV, 2); 2) alles aan den Goddelijker) wil onderwerpen met deze of dergelijke woorden; «Heer! indien het U behaagt en het mij zalig is, geef mij dan dit of ontneem mij dat. Alles geschiede volgens uwen wil, o Heer!quot;

Waarom strekte Jesus de hand uit en raakte Hy den melaatsche aan?

Dit deed Hij, i) om de aanwezigen te overtuigen, dat de kracht, waardoor de zieke de gezondheid moest verkrijgen, van Jesus zeiven en van niemand anders uitging en dat het zijn wil was, den zieke te genezen; 2) om ons daardoor een voorbeeld van ootmoedigheid en liefde jegens de arme zieken te geven, en opdat wij levens van Hem zouden leeren, geenen afkeer te hebben van bedrukten en lijdenden, maar ons veeleer te beijveren, om hen met liefde te verplegen en hun in alles eene behulpzame hand te bieden. — 0! hoe zullen zij zich iu het oordeel voor God kunnen verantwoorden, zij, vvien thans het gezicht van eeneu arme of zieke reeds afkeer inboezemt.

Waarom zeide Jesus : «Ik wil, word gezuiverd?quot;

Dit deed Hij om zijne almacht bekend te maken en te toonen, dat Hemel en aarde en al wat daarin is aan haar onderworpen is. »Hij sprak en zij warm gemaakt; Hij beval en zij waren geschapen.'''' Ps. CXLVI1I, 5.

Waarom beval Jesus, dat de genezene aan niemand zou zeggen, dat hy door Hem was genezen?

Hierdoor wilde Hij ons leeren, dat wij onze goede werken niet moeten uitbazuinen, om ijdeleu lof daarvoor te verkrijgen, ten einde niet van het loon des Hemels beroofd te worden (Matth. VI,). Doch helaas! hoe dikwijls zondigen

159

ocr page 196

onderricht voor den

wij togen die leer, daar wij niets zoo vurig verlangen dan, wegens het weinige goede, dat wij doen, door onze mede-menschen gelooid en geprezen te worden !

Waarom zond Jesus den melaatsche tot de priesters ?

4) Opdat de priesters, zoo als het door de wet van Mo-zes was voorgeschreven, over den melaatsche zouden kunnen oordeelen, hem voor gezuiverd verklaren en hem toestaan, om in de menschelijke samenleving terug te keeren; 2) om hen te beletten het gewrochte wonder te ontkennen, en de genezing des melaatschen aan iets anders toe te schrijven, ol' dezen van overtreding der wel te beschuldigen; 3) om den genezene in de gelegenheid te stellen zich in de ©olmoedig-heid te oefenen en den priesters eer te bewijzen; alsmede om ons te loeren, dat wij naar do onderrichtingen dor priesters, die over ons gesteld zijn, moeten luisteren, ja hen zell's dan nog moeten eeren en hunne goede voorschriften volgen, al zouden zij wellicht niet in alles volgens Gods wil handelen, zoo als dit bij vele joodsche priesters het geval was; 4) opdat den priesters de gelegenheid zon worden verschaft, tot het geloof in Christus te geraken en aan de verlossing deelachtig te worden; alsook opdat zij, in geval zij niet geloolden, zonder verontschuldiging zonden wezen.

Waarom beval Christus den melaatsche eene gift op te dragen ?

Wijl de Mozaische wet hen, die van de melaatschhcid gezuiverd waren, daartoe verplichtfe; alsmede om ons te leeren dat wij Gode voor de ontvangene weldaden dank moeten betuigen.

Wat leert ons de zorg van den hoofdman voor zynen knecht?

Zij leert den huisvaders voor hunne zieke dienstboden (e zorgen, opdat deze in hunne ziekte behoorlijk verpleegd en vooral bij tijds met do laatste Heilige Sacramenten voorzien worden. Het is onchristelijk, ja verfoeilijk, arme dienstboden, zoodra zij krank worden, uit het huis te vorstoolen of hen op een slecht bod te laten liggen, en zich zelfs minder om hen, dan om een ziek redeloos dier te bekommeren.

160

ocr page 197

derden zondag isa driekoningen,

Doorgaans is liet een (ceken van een hoogst onchristelijke gezindheid, de dienstboden wegens hunne armoede en geringe afkomst te minachten, daar zij even goed Gods evenbeeld zijn als de rijken, en Christus zijn Heilig Bloed voor armen en rijken heeft vergoten.

Waarom sprak Jesus: »Ik zal komen en hem genezenquot;?

Ten einde zijn groote ootmoedigheid te toonen, waardoor Hij, ofschoon God en dc Heer der heeren, zich nochtans niel ontzag tot een armen knecht Ie naderen. Deze ootmoedigheid van Christus beschaamt vele heeren, die zich a) te groot en al te voornaam achten, dan dat zij een voet voor een dienstbode zonden verzetten.

Waarom zegt de hoofdman : -Heer! ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak ingaatquot; ?

Wijl hij zijne zonde en dc Godheid van Christus kende en zich daarom onwaardig achtte, dat Jesus tot hem kwam. Hieruit leeren wij ons voor God te vernederen, voornamelijk wanneer wij den Heiland, door de Heilige Communie, in ous hart gaan ontvangen.

Waarom zegt hij ; «Spreek slechts een woord, en mijn knecht zal gezond wordenquot; ?

Daardoor toonde hij overtuigd te zijn, dat Jesus ook afwezig en mei een enkel woord den knecht genezen kon; en hij leert tevens, door zijn voorbeeld, velen Christenen, dat zij zich over hun geloof in Christus niet moeten schamen, maar het overal vrijmoedig en openlijk belijden.

Wat beteekenen de overige woorden van den hoofdman ?

Hij wil zeggen: Indien mijne soldaten en dienaren mij, een man, die' onder een hoogere overheid staat, gehoorzamen, hoeveel te meer zullen U, die almachtig zijl en wien alles onderworpen is, de ziekten dan niet gehoorzamen en op uw bevel verdwijnen? — Leer hieruit in eiken nood op de almacht en goedheid Gods ver!rouwen en Christus, uwen Heer, zoo gehoorzamen, als deze knechten hunnen heer gehoorzaamden.

11

161

ocr page 198

onderricht over de

Wat wil zeggen : «dat er velen van het Oosten en het

Westen in den Hemel zullen komen, en dat de kinderen des rijks daar zullen buitengesloten worden?quot;

Dit zeide Jesüs om wille dor verstokte Joden, die niet in Hem geloofden en zijne leer niet wilden aannemen. Er zullen, namelijk, vele Heidenen, die in liet Oosten of Westen wonen, het Heilig Evangelie omhelzen, daarnaar leven en alzoo met Abraham, Izaak en Jacob de vreugde des Hemels genieten; de ongeloovige en zondige Joden, daarentegen, die kinderen Gods waren, zullen er van beroofd en in de duisternis, dat is, in de vreeselijke pijnen der hel geworpen worden. Zoo zal het ook met de Christenen gaan, die niet volgens hun geloof leven. Vrees derhalve, dat gij, door gebrek aan medewerking met Gods genade, eeuwig zult verworpen worden, terwijl anderen, die met haar medewerken, in uwe plaats ten Hemel zullen worden opgenomen. Bewerk uwe zaligheid met vrees en siddering (Philipp. II, 12.).

Zedeleer over de onderwerping aan Gods wil.

Heere, indien Gij wilt (Mattii. VIII, 2.).

Zij, die zich, zoo wel in tegen- als in voorspoed, aan Gods wil onderwerpen, niets anders willen, dan hetgeen God wil, en bijgevolg slechts één hart en éénen wil met God hebben en daarom alles, wat God hun toezendt met geduld verdragen ja goedkeuren, bezitten reeds den Hemel hier op aarde '). Zulke lieden kunnen door geen kruis of leed, door geene wederwaardigheid, door niets, hetzij vreugde of droefheid, eer of smaad, rijkdom of armoede, leven of dood ter neêr gedrukt worden, wijl zij alles, wat God, de beste aller vaderen, hun toezendt, volkomen goedkeuren en gewillig aannemen. Al wat God doet, is in hun oog wel gedaan, wijl zij geen anderen wil hebben dan Gods wil, en God doet in alles hunnen wil, wijl zij niets anders willen dan hetgeen Hij wil. De Heer zal den wil dergenen doen, die Hem vreezen Ps. CXLIV, 19. Wie zou niet wenschen zich in een zoo gelukkigen toestand te bevinden? En het valt ons licht daar-

1) S. Chrysost. hom. XX in Matth.

162

ocr page 199

onderwerping aan gods wil.

toe te geraken, zoo wij slechts vastelijk gelooven, dat al, wat ons wedervaart, ten minste door toelating van God, geschiedt. Dat al, wat van God komt, tot ons welzijn strekt; want al wat de Heer doet, is wel gedaan (Marc. VII. 37.). Van den algoeden God, van het hoogste Goed kan niets anders voortkomen, dan wat goed is. Wie zich deze waarheden in alle omstandigheden herinnert, zal ongetwijfeld altijd met Gods wil tevreden, vergenoegd en getroost zijn, eene bestendige rust en opgeruimdheid van gemoed bezitten en reeds hier een voorsmaak genieten van de eeuwige zaligheid, welke de Heiligen in den Hemel bezitten, wegens de overeenstemming van hunnen wil met dien van God.

Aanbidding van den Heiligen wil des Heeren.

Moge de rechtvaardigste, hoogste en beminnelijkste wil Gods in alles geschieden, geloofd en in alle eeuwigheid verheerlijkt worden!

Bij dekreet van de H. Cong, der Aflaten van den 19 Mei 1818, vergunde Pius Vil aan alle geloovigen, die met een rouwmoedig liart en godvruchtig dit schietgebed zullen bidden, ééns per dag honderd dagen aflaat; verder aan hen, die liet dagelijks zullen bidden, een vollen aflaat, ééns in het jaar te verdienen, op een dag naar verkiezing, waarop zij, na gebiecht en gecommuniceerd Ie hebben, zullen bidden volgens de mecning van den Paus; deze aflaten zijn ook toevoegelijk aan de overledenen. Eindelijk vergunde hij aan hen, die in hun leven dikwijls gemeld schietgebed zullen gebeden hebben, een vollen aflaat in het uur des doods, mits zij, met eenen geest van overgeving, den dood uit Gods hand aannemen.

Onderricht voor huisvaders en dienstboden.

De huisvaders moeten niet alleen bezorgd wezen, dat zij onderdanige, trouwe, dienstvaardige en werkzame, maar ook, brave, godvruchtige en Gode gehoorzame dienstboden in hunne lunzen opnemen, wijl God die meesters om hunne deugdzame dienstboden rijkelijk zegent. Al/.oo zegende God Laban wegens den vromen Jacob (Genes. XXX, oO) en het huis van Putifar wegens den godvreezenden Jozef (Genes. XXXIX, o.). Zoo ook behooren de huisvaders zorgvuldig toe te zien, dat zij geen slechte dienstboden in hunne woning hebben, wijl de ondervinding leert, dat God de familiën dikwijls, wegens goddelooze dienstboden, van zijnen zegen berooft en hen bestraft, te meer, wijl hel een dringende plicht des Christens is, voor tucht en zedelijkheid in zijn huis zorg te dragen, inzonderheid wanneer

165

ocr page 200

onderricht over de

Wat wil zeggen : «dat er velen van het Oosten en het

Westen in den Hemel zullen komen, en dat de kinderen des rijks daar zullen buitengesloten worden?quot;

Dit zeide Jesus om wille dor verstokte Joden, die niet in Hem gelootden en zijne leer niet wilden aannemen. Er zullen, namelijk, vele Heidenen, die in het Oosten of Westen wonen, het Heilig Evangelie omhelzen, daarnaar leven en alzoo met Arraham, Izaak en Jacob do vreugde des Hemels genieten; de ongeloovige en zondige Joden, daarentegen, die kinderen Gods waren, zullen er van beroofd en in de duisternis, dat is, in de vreeselijko pijnen der hel geworpen worden. Zoo zal het ook met de Christenen gaan, die niet volgens hun geloof leven. Vrees derhalve, dat gij, door gebrek aan medewerking met Gods genade, eeuwig zult verworpen worden, terwijl anderen, die met haar medewerken, in uwe plaats ten Hemel zullen worden opgenomen. Bewerk uwe zaligheid met vrees en siddering (Piiilipp. H, 12.).

Zedeleer over de onderwerping aan Gods wil.

Heere, indien Gij wilt (Matth. VIIl, 2.).

Zij, die zich, zoo wel in tegen- als in voorspoed, aan Gods wil onderwerpen, niets anders willen, dan hetgeen God wil, en bijgevolg slechts één hart en éénen wil met God hebben en daarom alles, wat God hun toezendt met geduld verdragen ja goedkeuren, bezitten reeds den Hemel hier op aarde '). Zulke lieden kunnen door geen kruis of leed, door geene wederwaardigheid, door niets, hetzij vreugde of droefheid, eer of smaad, rijkdom of armoede, leven of dood ter neer gedrukt worden, wijl zij alles, wat God, de beste aller vaderen, hun toezendt, volkomen goedkeuren en gewillig aannemen. Al wat God doet, is in hun oog wel gedaan, wijl zij geen anderen wil hebben dan Gods wil, en God doet in alles hunnen wil, wijl zij niets anders willen dan hetgeen Hij wil. De Heer zal den wil dergenen doen, die Hem vreezen Ps. CXLIV, 19. Wie zou niet wenschen zich in een zoo gelukkigen toestand te bevinden? En het valt ons licht daar-

I) S. Chrysost. hom. XX in Matth.

162

ocr page 201

onderwerping aan gods wil.

toe te geraken, zoo wij slechts vastelijk gelooven, dat al, wat ons wedervaart, ten minste door toelating van God, geschiedt. Dat al, wat van God komt, tot ons welzijn strekt ; want al wat de Heer doet, is wel gedaan (Marc. VIL 37.). Van den algoeden God, van het hoogste Goed kan niets anders voortkomen, dan wat goed is. Wie zich deze waarheden in alle omstandigheden herinnert, zal ongetwijfeld altijd met Gods wil tevreden, vergenoegd en getroost zijn, eene bestendige rust en opgeruimdheid van gemoed bezitten en reeds hier een voorsmaak genieten van de eeuwige zaligheid, welke de Heiligen in den Hemel bezitten, wegens de overeenstemming van hunnen wil met dien van God.

Aanbidding van den Heiligen wil des Heeren.

Moge de rechtvaardigste, hoogste en beminnelijkste wil Gods in alles geschieden, gelooid en in alle eeuwigheid verheerlijkt worden!

Bij dekreet van de H. Cong, der Allalcn van den 19 Mei 1818, vergunde Pius VII aan alle geloovigen, die met een rouwmoedig liarl en godvruehlig dit schietgebed zullen bidden, eens per dag honderd dagen aflaat; verder aan hen, die het dagelijks zullen bidden, een voflen aflaat, ééns in het jaar te verdienen, op een dag naar verkiezing, waarop zij, na gebiecht en gecommuniceerd te hebben, zullen bidden volgens de mcening van den Paus; deze aflaten zijn ook toevoegelijk aan de overledenen. Eindelijk vergunde hij aan hen, die in hun leven dikwijls gemeld schietgebed zullen gebeden hebben, een vollen aflaat in hel uur des doods, mits zij, met eenen geest van overgeving, den dood uit Gods hand aannemen.

Onderricht voor huisvaders en dienstboden.

De huisvaders moeten niet alleen bezorgd wezen, dat zij onderdanige, trouwe, dienstvaardige en werkzame, maar ook, brave, godvruchtige en Gode gehoorzame dienstboden in hunne huizen opnemen, wijl God de meesters om hunne deugdzame dienstboden rijkelijk zegent. Al/.oo zegende God Laban wegens den vromen Jacob (Genes. XXX, 50) en het huis van Putifar wegens den godvreezenden Jozef (Genes. XXXIX, 5.). Zoo ook behooren de huisvaders zorgvuldig toe te zien, dat zij geen slechte dienstboden in hunne woning hebben, wijl de ondervinding leert, dat God de lamiliën dikwijls, wegens goddelooze dienstboden, van zijnen zegen berooft en hen bestraft, te meer, wijl het een dringende plicht des Christens is, voor tucht en zedelijkheid in zijn huis zorg te dragen, inzonderheid wanneer

163

ocr page 202

UNDEItlUCHT VOOK

liij kinderen heei't, wier onschuld liij, uit gewetensplicht, niet de grootste zorgvuldigheid legen alle verleiding moet bescherinen.

Daar de huisvaders niet alleen plichten jegens zich zeiven en jegens hunne kinderen, maar ook ten opzichte hunner dienstboden te vervullen hebben, moeten zij ook deze nauwkeurig gade slaan; zij ziju gehouden hunne dienstboden naar behooren kost en loon te geven, mogen hen niet met werk overladen, hen niet verstooten als ze ziek zijn, ben niet van de godsdienst-oelening afhouden, maar zij moeten hen daartoe veeleer aansporen, hun steeds het voorbeeld geven en hen door heilzame vermaningen berispen, wanneer zij fouten begaan. De huisvaders zullen, voor de zorg aan het zielenheil hunner onderdanen besteed, groote verdiensten vergaderen en Gods zegen verwerven. Heeren! het recht en de gelijkheid betoont den dienst -knechten, zoo schrijft de H. Paulus aan de Colossensers IV, 1, wetende, dat gij ook eenen Heer hebt in den Hemel; en aan Timotheus, I Tim. V, 8, zegt hij, dal degene, die voor zijne huisgenooten geen zorg draagt, hel geloof heeft verloochend en erger is dan een ongeloovige.

De dienstboden moeten van de knechten des boofdmans, die op een enkel woord gehoorzaamden, loeren, dat ook zij gewillig, ijverig en spoedig moeten doen, al wat hunne meester8 hun bevelen, mits het door God of de Kerk niet verboden zij. Om zulk eene gehoorzaamheid te verwerven, behooren zij zich ook dikwijls de woorden des Apostels te herinneren: Dienstknechten! zijl in alles den heeren naar den vleesche gehoorzaam, niet in oogendienst, als menschenbehagers, maar in eenvoudigheid des harten, vreezende God. Wat gij ook doet, verricht hel van harte, als den Heere, en niet menschen. Wetende, dat gij van den Heere zult ontvangen de wedervergelding der erfenis. Den Heere Chiustls dienl (Col. Ill, 22-24.). Alsmede de woorden van den H. Petrus. 1 Petk. 11, 18-19: «Gy knechten, weest, met alle vrees, onderdanig aan de heeren, niet alleen aan de goede en bescheidene, maar ook aan de lastige; want dit is eene genade (verwerft Gods welgevallen en genade) zoo iemand, om het geweten voor God, droefheden verdraagt lijdende ten onrechte.'quot; Dienstboden, neemt deze leer ter harte! Weest trouw en vlijtig, wacht u, twist en ontevredenheid in de

164

ocr page 203

huisvaders en dienstboden.

huisgezinnen te stichten, do fouten uwer meesters uit te bazuinen; geelt geene ergernis, noch door onvoorzichtige en godde-looze gesprekken, noch veel minder door soortgelijke handelingen; vooral ergert de kleinen niet; dient veeleer uwe meesters alsof gij den Heer Jesus diendet, dan zult gij ook door Hem beloond en erfgenamen zijner eeuwige zaligheid worden!

t

Onderricht voor den vierden Zondag na Driekoningen.

De Ingang der Mis.

Dezelfde als die van den vorigen Zondag, bladz. lao.

Gebed der Kerk.

0 God, die weet, dat wij te midden van zoovele gevaren wegens onze menschelijke zwakheid niet kunnen bestaan, geef ons gezondheid naar ziel en lichaam, opdat wij door uwen bijstand de moeielijkheden te boven komen, die wij voor onze zonden lijden. Door onzen Heer Jesus-Christüs, enz.

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Apostel Paulus aan de Romeinen, XIII, 8-10.

Broeders! Zijt niemand iets schuldig, dan elkander lief te hebben; want die den naaste liefheeft, heeft de wet vervuld. Want het; Gij zult geen overspel doen: Gij zult niet doodslaan; Gij zult niet stelen; Gij zult geen valsche getuigenis spreken; Gij zult niet begeeren; en wat er verder geboden is, is in dit woord begrepen: Gij zult uwen naaste liefhebben als u zei ven. De liefde werkt des naasten kwaad niet. De liefde dan is vervulling der wet.

Wat leert ons de Apostel in het begin van dezen Epistel?

Hij leert ons, dat wij al onze plichten moeten vervullen, maar (gelijk de Kerkvaders aanmerken) dat de liefde eene schuld is, welke, hoe meer men haar voldoet, niet verminderd of vernietigd, maar steeds vermeerderd en verhoogd wordt. Voortdurend vervuld wordende, blijft zij nog steeds te vervullen. Dagelijks ons daarvan kwijtende, blijven wij immer schuldenaren.

165

ocr page 204

onderricht voor den

Waarom zegt hij: .die den naaste lief heeft,

heeft de wet vervuldquot;?

Wijl de ware naastenliefde uit de liefde tot God voortkomt en wijl aan deze twee geboden (der liefde Gods en des naasten) de geheele wet hangt en de profeten. Matth. XXII, 40.

Zie hierover het Onderricht voor den XVII Zondag na Pinksteren.

Verzuchting. 0 Ileere Jesus! stort in onze harten den geest der liefde uit, opdat wij het gebod der liefde jegens onzen naaste vervullen, gelijk Gij hét jegens ons vervuld hebt.

Evangelie volgens den H. Mattheus VIII, 23-27.

In dien tijde, als Jesus in het schip gegaan was, zijn Hem zijne discipelen gevolgd. En ziet, op zee ontstond een zware storm, zoodat het scheepje van de golven overdekt werd; en Hij sliep. En zijne discipelen kwamen tot Hem, en wekten Hem op, en zeiden: Heere! behoed ons, wij vergaan. En Jesus sprak tot hen; Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingeloovigen? Toen stond Hij op, gebood de winden en de zee^ en het werd zeer stil. En de menschen waren verwonderd en zeiden : Wie is deze, dat de winden en de zee Hem gehoorzamen?

Waarom sliep Jesus in het schip, waarin Hij gegaan was?

Jesus had kort te voren, zoowel door woorden als dooide wonderbare genezing van den knecht des heidenschen hoofdmans en der schoonmoeder van 1'etus, zijne leerlingen in het geloof in Hem en het vertrouwen op Hem, als den waarachtigen Zoon Gods, trachten te bevestigen en sliep daarna ondanks den storm, die het schip in de diepte dreigde te begraven, om hun geloof en vertrouwen te beproeven en door do beproeving meer en meer te bevestigen.

Waarom berispt Hij zyne leerlingen, dat zij Hem uit den slaap opwekken en ter hulp roepen?

Omdat zij door hunne vrees hun gebrek aan geloof en vertrouwen te kennen gaven; want, indien zij een sterk gelooi hadden, dan moesten zij ook gelooven, dat Hij hen zoowel slapend als wakend helpen kon. Kleinmoedigheid en vrees-

166

ocr page 205

vierden zondag na driekoningen.

achtigheid aan den dag te leggen bij de gevaren en wederwaardigheden des levens is zooveel als mistrouwen voeden jegens God en mishaagt Hem. »Vervloekt is de mensch, die op een mensch vertrouwt, en vleesch tot zijnen arm stelt, en wiens hart van God afwijkt... Gezegend is de man, die op den Heere vertrouwt en wiens hoop de Heere zijn zalquot; (Jeremias XVII, 5, 7 ).

Wat wordt door het schip en den storm zinnebeeldig voorgesteld ?

Door het schip kan de Kerk van Christus en ook de ziel der menschen; door den storm kunnen de bekoringen en vervolgingen, welke de Kerk op verschillende tijden, maar de ziel dagelijks, te verduren beeft, voorgesteld worden.

Waarom laat de Heer toe, dat beproevingen en bekoringen zijne Kerk overvallen?

1) Opdat de ledematen der Kerk, die zoolang zij op aarde leven, tegen het kwaad moeten strijden, niet nalatig maar steeds op hunne hoede en gewapend in dien strijd zouden wezen; 2) opdat zij, boe meer zij door bekoringen, vervolgingen en wederwaardigheden overvallen worden, des te ijveriger in de beoelening van het goede zouden zijn; 3) opdat zij altijd meer en meer naar de rust des Hemels zouden verlangen; en 4) nooit vergeten zouden, dat zij in alles de hulp des Heeren behoeven, die alleen zijner Kerk voortdurend vrede en rust geven kan.

Welke stormen laat God soms over ons, menschen, losbreken?

Hij laat ons in ziekte, armoede, vervolging, enz. vallen, Hij Iaat de wereld tegens ons woeden, den Satan ons bestormen, Hij laat hef vleesch zich verzetten en neemt den schijn aan, alsof Hij slaapt, om ons geduld en onze liefde te beproeven. — Laten wij in zulke omstandigheden vast gelooven, dat de Heer altijd over ons waakt; laten wij, wanneer wij Hem vroeger bijna geheel vergelen hebben, onder overvloedige tranen van boetvaardigheid, tot Hem wederkeeren, tot Hem onze toevlucht nemen en als de leerlingen, doch met meer vertrouwen, tot Hem zeggen: »Heere, behoed ons, wij vergaanquot;

167

ocr page 206

onderricht voor df.n vierden zondag, enz.

of, als David, Ps. XLIII, 2o: nSta op, waarom slaapt Gij, Heen? Sta op en verstoot ons niet voor altijd.quot; Hij zal zich, door ons kinderlijk en rouwmoedig geroep, gemakkelijk laten wekken, en ons helpen, wanneer znlks voor onze ziel noodzakelijk of nuttig is, want wie heeft ooit op Hem gehoopt en is beschaamd geworden?!

Waarom stond Jesus op en gebood de zee,

dat het stil zou worden?

Dit deed Hij, om zijne hidpvaardigheid en zijne almacht, waaraan alles onderworpen is, te toonen. De menschen, die dit wonder zagen, waren verbaasd en zeiden: »Wie is deze, dat de winden en da zee Hem gehoorzamen?quot; — Wij zien dagelijks, in de schepselen, de grootste wonderen der Goddelijke wijsheid, almacht en goedheid en toch worden wij daardoor niet geroerd, maar blijven geheel koud en onverschillig jegens God. Die onverschilligheid is een teeken, dat wij alles slechts met de oogen onzes lichaams en niet met de oogen des gees-tes beschouwen; — met andere woorden, dat wij door de beschouwing der schepselen niet tot den Schepper opklimmen noch uit het menigvuldige schoone en onbesefbare nut der schepselen, de schoonheid en goedheid Gods alleiden. Indien wij dit deden, dan zouden wij God zeker meer achlen en beminnen en een grooter verlangen naar Hem koesteren. Laten wij dus deze fouten afleggen en op aarde leven, niet als dieren, maar als verstandige menschen, die geschapen zijn, om God door de schepselen te kennen en te beminnen.

Verzuchting. Verleen ons, o goedetiierene Jesus! dat wij, in al onzen nood, een zeer groot vertrouwen op uwen God-delijken bijstand stellen en laat niet toe, dat wij ooit kleinmoedig worden. Snel ons bestendig ter hulp in de menigvuldige gevaren, waaraan wij zijn blootgesteld; gebruik uwe almacht tegen onze vijanden: gebied de onstuimige zee en de stormen der vervolging, dat zij bedaren en aan uwe Kerk, die Gij door uw kostbaar bloed verlost hebt, vrede en rust verleene, opdat wij U in heiligheid en rechtvaardigheid, dienen en eens in de gewenschte haven der eeuwige zaligheid aanlanden. Amen.

468

ocr page 207

onderricht over go os voorzienighein.

Onderricht over Gods Voorzienigheid.

En ziet, op zee ontstond een zware storm, zoodat het scheepje ran de golven overdekt werd; en Hij sliep. Matth. VIII, 24.

Sommige menschen mconen, dat God een al te verheven Wezen is, om zich met de zorg over deze aarde te bekommeren. Zij gelooveu (indien zij znlks nog gelooven!), dat Hij de wereld heeft geschapen, maar dat Hij zich voor het overige slechts met het genieten zijner gelukzaligheid bezig houdt en het heelal aan zich zelf of wel aan het toeval overlaat... Zoo denken, zeggen wij, sommige menschen, doch slechts onzinnige en goddelooze. Want zou God wel God wezen, indien Hij ware, zoo als deze dwazen Hem zich voorstellen V! Een van beide zou in dit geval plaats hebben; öf wel God kon öf wel Hij icilde zich niet met liet behoud en bestuur der wereld bezig houden. Kon Hij het niet, dan ware Hij niet almachtig; wilde Hij het niet, dan zou Hij niet de opperste goedheid zijn; wist Hij niet, wat er op aarde omgaat, dan ware Hij niet alwetend. Zou Hij dus niet eerder in dit opzicht op een dooden afgod gelijken, dan de ware, levende God en het volmaaktste jWezen zijn? Of zou het misschien geene volmaaktheid wezen, dat men voor alle, ook voor de geringste zaken, zonder nadeel voor zijne eigene rust en gelukzaligheid, zorgen kan? Zou die volmaaktheid aan God wel kunnen ontkend worden, daar Hij toch den menschen, zoowel als den dieren, de grootste zorg voor hun kroost heeft ingeplant?

Laat ons het onmogelijke en tegen Gods wijsheid aan-druischende eens veronderstellen, namelijk, dat God, na de wereld geschapen te hebben,, zich niet meer om haar bekommert. Zou de aarde zonder zijn toedoen kunnen blijven bestaan?... Kan een goed gebouwd huis of een kunstig uurwerk, enz. wel langen lijd in eenen goeden toestand blijven, zonder door iemand onderhouden te worden?... Zouden alzoo ook niet alle geschapene dingen, alhoewel goed ingericht, 6f tot asch vergaan, of in wanorde geraken, zoo dezelfde almogende hand, die ze uit het niet heeft getrokken, ook hun bestaan, hunne voortduring en rangschikking niet onderhield?

He wegen van Gods Voorzienigheid en inzonderheid hare

169

ocr page 208

onderricht over

werking, de aard en de wijze harer tusschenkomsl, in het bestuur der wereld, zijn, wel is waar, zoo verborgen, dat men, wanneer liet gezond verstand en de openbaring ons niet anders leerden, geneigd zou zijn, zekere gebeurtenissen aan het noodlot of hel toeval, of slechts aan den loop der natuur, aan den invloed des duivels of der menschen toe te schrijven. Doch Gods Voorzienigheid is ook bij zulke gebeurtenissen werkzaam; want er geschiedt niets zonder Gods wil of toelating, niets door het enkel toeval. Niet de geringste gebeurtenis kan zonder voorkennis, zonder verordening of toelating Gods plaats grijpen. Het toeval, zoowel als het noodlot en de fortuin, is niets dan eene hersenschim van waanwijze of god-delooze menschen en werd door verstandige Heidenen zelfs als dusdanig verworpen. De loop der natuur is niets anders dan de onafgebrokene, 'voortdurende, alwijze en goedertierene onderhouding en bestiering der schepselen door God. De menschen en de duivel zijn slechts werktuigen, waarvan God zich, volgens zijne wijze inzichten, bedient, om het goede voort te brengen; want God weet uit het kwaad, dat Hij toelaat, goed te trekken, en daarom wil Hij, zoo als de H. Augustinus zegt, liever het kwaad toelaten, dan dat het goede zou achterwege blijven.

Van deze handelwijze der Goddelijke Voorzienigheid getuigt de H. Schrift, schier op iedere bladzijde. Men door-loope slechts de geschiedenis van onze eerste ouders, van Abraham, Jozef in Egypte, Mozes, van het Israëlitische volk, van Jou, Ruth, David, Tobias, Esther, Judith, enz., en overal zal men de duidelijkste sporen eener alwijze voorziening, eener onbegrensde heerschappij aantreffen, waardoor God alles, volgens zijne inzichten en tot het welzijn zijner uitverkorenen, weel te leiden. Ook het huidig Evangelie geeft ons daarvan een voorbeeld: Immers waarom gaat Chrstus in een schip? Waarom ontstaat er storm? Waarom slaapt Hij te midden van het onweder? Geschiedt dit wellicht door toeval? Neen, dit geschiedt door toedoen en op bevel van Christus, die daardoor het geloof en vertrouwen zijner leerlingen op de proef stellen, en vervolgens zijne almacht toonen wil, om hen in geloof en vertrouwen te bevestigen.

170

ocr page 209

gods voorzienigheid.

Het is aldus zeker, dat God alles voorziet, leidt en bestiert. De H. Schrift, het gezond verstand, ja de dagelijksche ondervinding getuigen dit overvloedig; want, indien wij slechts de gebeurtenissen van ons leven oplettend gadesloegen, dan zouden wij Gods zorgvuldigheid voor ons duidelijk bemerken en ons met meer vertrouwen, dan wij tot hiertoe gedaan hebben, aan zijne Goddelijke Voorzienigheid overgeven. Immers Christus zegt (Matth. X, 30), dat al de haren van ons hoofd geteld zijn, dal er geen enkel zonder Gods wil zal verloren gaan (Luc. XXI, 18); dat geen musch bij God vergeten wordt (Luc. XII, 18), noch een buiten zijnen Heiligen wil, op aarde valt (Matth. X, 29), en wij dan, die Gode veel aangenamer en dierbaarder zijn, dan de vogelen des Hemels, wat zullen wij, onder zijne regeering en voorzienigheid, te vreezen hebben? »De Heer regeert mij,'quot; zegt David Ps. XXII, 1, ))mij zal niets ontbrenken.quot; — Ja, ook ons zal niets ontbreken, indien wij ons door God laten bestieren, dat is, zoo wij ons geheel en al aan zijnen wil onderwerpen en met zijne beschikkingen tevreden zijn. Wanneer wij ons echter tegen zijnen wil verzetten, dan zullen wij met eene ijzeren roede door Hem geregeerd worden (Ps. 11, 9.). God moet of met zijne goedheid óf wel met zijne gestrengheid over ons heer-scben. Hij is geen slapende God: »Zie! Hij zal niet sluimeren, noch slapen, die Israel behoedt'''' (Ps. GXX, 4.).

Onderricht voor den vijfden Zondag na Driekoningen.

De Ingang der Mis.

Dezelfde als op bladz. 133.

Gebed der Kerk.

Wij smeeken U, o Heer, uwe kinderen met eene voortdurende wilwillendheid te bewaren, opdat zij, die alleen op de hoop uwer Hemelsche genade steunen, altijd door uwe bescherming omgeven worden. Door Jesüs-Chhistus onzen Heer, enz.

171

ocr page 210

onderricht voor dkn

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Apostel Paulus aan de Golossensers, III, 12-17.

Broeders! Doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en gelielden, eenc inborst van burmliartigheid: goedertieren-lieid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, geduidigheid; verdragende elkander, en n onderling vergevende, /00 iemand een verwijt tegen iemand heeft: gelijk ook de Heere vergeven heeft aan n, zoo ook gij! Boven dit alles echter hebt de liefde, hetgeen is de band der volmaaktheid! En de vrede van Christus heersche zegevierende in uwe harten, tot welken gij ook geroepen zijt in één lichaam; en zijt dankbaar! Het woord van Christus wone rijkelijk in n, in alle wijsheid, leerende 'en vermanende elkander, met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, in de genade zingende in uwe harten Code! Al wat gij ook doel, in woord of in werk, doet alles in den naam van den Heere Jesus, dankzeggende Gode en den Vader door Jesus-Chiustus onzen Heere!

Waarom noemt de H. Paulus de liefde -de band der volmaaktheid ?quot;

Wijl zij alle deugden met elkander verbindt en lot volmaaktheid brengt; want hij, die God en den naaste waarlijk lief heeft, zal alle deugden en wel op eene volmaakte wijze beoefenen; hij zal ootmoedig, vreedzaam, zachtmoedig, geduldig, barmhartig, waarheidlievend, trouw, eerlijk, matig, kuisch, werkzaam, godvruchtig enz. wezen; alle andere deugden zijn zonder de liefde slechts klinkend metaal en kunnen den mensch, zonder de liefde, niet zalig maken (1 Cor. XIII, 1-3.). Paulus wenscht ook, dat de Christenen den vrede des Heeren, waartoe zij als ledematen des Verlossers geroepen zijn, bezitten en zich daarvoor dankbaar betoonen. Als middel om daartoe te geraken, geefl hij hun hel vlijtig beoefenen van het woord Gods aan en vermaant hen derhalve, elkander onderling door psalmen, gezangen en andere geestelijke, heilige en nntlige liederen te onderwijzen en te stichten.

Dan nog spoort ons de H. Paulus aan, om al wat wij met woorden en met werken doen, zoo als eten, drinken, arbeiden, slapen, ons vermaken, enz., in den naam, dat is.

172

ocr page 211

vijfden zondag na driekoningen.

in don geest van Jesus, uit liefde tot Jesus en te zijner eere te doen, om alzoo God den Vader te vereeren en te danken. O iioe zullen zij, die thans verzuimen hunne dage-lijksche bezigheden door cene goede meening, (lode op te oH'eren, zich op het doodsbed beklagen; dan zullen zij Ie laat, erkennen, dat zij zich vele verdiensten hadden kunnen verzamelen, zoo zij al hunne werken, met deze goede meening, verricht hadden; en welke vreugde zullen omgekeerd degenen niet smaken, wien hun geweten de getuigenis geelt, dat zij, in al hun doen en laten, steeds hun hart tot tlod, 's mensclien laatste einde, gericht hebben! Gave God, dat allen dit wel ter harte namen en voornamelijk zij, die hun brood in liet zweet huns aanschijns, te midden van ontberingen en smarten, verdienen; want zoo dezen hunnen kommer en arbeid, liun kruis en leed niet met de verdiensten van Christus vereenigen en Gode opolferen en, bij gebreke van deugden en goede werken, verloren gaan, dan zullen zij in de andere wereld nog ongelukkiger wezen, dan toen zij op aarde leefden.

Verzuchting. O God der liefde, des gedulds en der barm-harligheid, vervul onze harten niet eene oprechte liefde tol den naaste en verleen, dat wij alles, wat wij mei gedachten, woorden en werken doen, in den naam van onzen Heere Jesus-Ghristus mogen verrichten en U, door Hem, onzen dank betuigen.

Over den openbaren Kerkzang.

Leert en vermaant elkander met psalmen, lofzangen en geestelij be liederen; in de genadé zingende, in uwe harten Gode. Col. Ill, 1(5.

David, en Ezecuias na hem, had reeds bevolen, dat de psalmen en andere heilige gezangen door de Priesters en Levieten moesten gezongen worden en wel in koor, om daardoor de gemoederen meer te slichten en lot godsvrucht op te wekken. De Katholieke Kerk heeft dit gebruik, ingevolge de leer van den H. Pallus in den huidigen Epistel, te allen tijde behouden, opdat de Gliristenen, zoo doende, de Engelen

173

ocr page 212

onderwcht voor den

174

en Heiligen in den Hemel, die God onopliondelijk loven, (Openb. V, VU, XIV.) eenigermate navolgen en den Heer, ten minste op zekere uren van den dag, prijzen, voor al zijne weldaden danken, om vergiffenis luinner zonden en om de noodzakelijke genade bidden zouden. De H. Ephreh, de Syriër, spoort de geloovigen, met de volgende woorden, tot geestelijke gezangen aan: «Laat ons dus,quot; zegt hij, »in Gods tegenwoordigheid verschijnen met lofliederen en jubelende psalmen; met psalmen, zegt David, en niet met straatdeuntjes; mot psalmen en niet met gezangen des duivels. Hij zegt: «Welaan, laat ons aanbiddend voor Hem nederknielen en weenen,quot; en niet: Laat ons dansen en citerspelen, maar weenen onder psalmen en lofliederen. Het psalmgezang verdrijft de duivels, is een wapen tegen de angstvalligheid van den nacht, eene verkwikking voor de vermoeienissen van den dag, de veiligheid der onmondigen, de troost der bejaarden, liet zedigste sieraad der vrouwen. Het psalmgezang luistert de feesten op, bewerkt eene Gode behagelijke droefheid en perst tranen nit een stee-nen hart. Psalmen zingen is het werk der Engelen, eene Hemelsche bezigheid, een geestelijk reukoffer; het verlicht den geest, verheft ten Hemel, spoort de nienschen aan tot omgang met God, verblijdt de ziel, stelt paal en perk aan nuttelooze gesprekken, verwijdert het gelach, herinnert aan het oordeel, verzoent de vijanden. Waar psalmen met een vermorzeld hart gezongen worden, daar zijn God en de Engelen tegenwoordig. Waar echter de liederen des duivels weerschallen, daar zal Gods toorn nederstorten en onheil en straf over hen, die lachen, nederkomen. Waar de H. Schrift gelezen wordt, daar worden de rechtvaardigen gesticht, de toehoorders geheiligd en de duivelen beschaamd. Op de plaatsen, waar gernisch van citer-muziek, dans en handengeklap weerklinken, daar worden de mannen verblind, de vrouwen bedorven, daar treuren de Engelen en viert Satan feest.quot; Zij, die slechts vermaak vinden in lichtzinnige en ontuchtige liederen, behooren dit vooral goed te bemerken!

ocr page 213

vijfden zondag na driekoningen.

Evangelie volgens den H. Mattheus XIII, 24-30.

In dien tijde zeide Jesus tot de scharen deze gelijkenis: Het rijk der Hemelen is gelijk een mensch, die goed zaad op zijnen akker zaaide. Maar, terwijl de menschen sliepen, kwam zijn vijand, en zaaide onkruid midden onder de tarwe, en ging weg. Als nu het gewas opschoot, en vrucht voortbracht, toen openbaarde zich ook het onkruid. En de dienstknechten van den vader des huisgezins kwamen tot Hem en zeiden : Heer ! hebt Gij niet goed zaad op uwen akker gezaaid ? Van waar dan heeft hij het onkruid? En Hij zeide lot hen : Een vijandig mensch heeft dit gedaan. De dienstknechten dan zeiden tot Hem: Wilt Gij, dat wij het gaan uitwieden ? En Hij zeide : Neen ! opdat gij bij geval, het onkruid uitwiedende, niet daarmede tegelijk de tarwe uittrekt. Laat beide opwassen tot den oogst, en ten tijde van den oogst zal ik tot de maaiers zeggen: Verzamelt eerst het onkruid, en bindt het in bondeis, om te verbranden ; maar de tarwe vergadert in mijne schure

Wat wordt hier door het rijk der Hemelen verstaan ?

De Kerk van Jesüs op aarde of de strijdende Kerk. Zij wordt aldus genoemd, wijl zij in het bijzonder het rijk van God is en ons tot Hem in den Hemel voert.

Wat wil Jesus ons door deze geiy^enis leeren ?

Hij wil ons hoofdzakelijk toonen: 1) dat er iii«t alleen goed zaad. dat wil zeggen goede mensehen, maar dat er ook slecht zaad, booze mensehen, in • zijne Kerk is; 2) dat Hij de oorsprong is van hel goede maar niet van het slechte zaad, daar dit laatste van den duivel voortkomt; o) dat Hij het kwade, het door den duivel uitgestrooide zaad, tot aan den oogst, geduldig zal laten staan en het niet terstond zal uitrukken.

Wat wordt er door het goede zaad en wat door het onkruid afgebeeld?

Door het goede zaad worden de kinderen Gods of de goeden, door het onkruid de kinderen des duivels of de kwa-

175

ocr page 214

onüerkicht vooll den

Waarom blijft deze neiging tot het kwaad ook na het Doopsel voortduren?

1) Om ons te verootmoedigen, opdat wij onze zwakheid en ellende erkennen en onze toevlucht tot God nemen zouden, gelijk kinderen, die bij hunnen vader of bij hunne moeder hulp en steun zoeken, als zij door iemand bedreigd of aangevallen worden. Zoo deed de H. Paulus, die zich, als hij door den prikkel des vleesches gekweld werd, door een vurig en aanhoudend gebed tot God wendde.

2) Tot meerdere eer van God, opdat ons namelijk de kracht zijner genade zou geopenbaard worden, wat niet in dier voege kon geschieden, zoo wij aan zulke zwakheden niet onderworpen waren.

3) Ter beproeving en tot oefening onzer deugden, opdat wij gelegenheid zouden hebben om te strijden en te overwinnen, en niet traag en bedorven zouden worden. Een stilstaand water, dat nooit in beweging komt, wordt vuil en stinkend. Een soldaat, die geenen vijand ziet, verleert den wapenhandel en kan geene heldendaden verrichten. Zoo wordt ons door de bekoringen stof tot nieuwe verdiensten gegeven en het middel verschaft, om onze gloriekroon des te schitterender te maken. Wat de plaag der strijders is, dal wordt de kroon der overwinnaars, zegt de H. Bernahdus.

Onderriclit voor den zesden Zondag na Driekoningen.

De Ingang der Mis.

Dezelfde als op bladz. 15S.

Gebed der Kerk.

Verleen ons, bidden wij U, almachtige God, altijd te betrachten wat redelijk is en door woorden en werken alles te volbrengen, wat II behagelijk is. Door onzen Heere, enz.

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Apostel Paulus aan de Thessalonicensers, I, 2-10.

Broeders ! Wij danken God ten allen tijde voor u allen, zijnde uwer in onze gebeden gedachtig zonder ophouden, gedenkende het werk uws geloofs, en den arbeid, en de

178

ocr page 215

ZESDEN ZONDAG N\ DRIEKONINGEN.

liefde, en de lijdzaamheid der hoop op onzen Heere Jesus-Christus, voor God en onzen Vader: wetende, door God geliefde broeders! uwe verkiezing; dewijl ons Evangelie niet geweest is bij u in woord alleen, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid, gelijk gij weet, hoedanig wij onder u geworden zijn om u, en gij zijl navolge-ren van ons geworden, en van den Heere, hebbende het woord aangenomen in vele verdrukking met de blijdschap des Heiligen Geestes: zoodat gij een voorbeeld zijt geworden voor alle de geloovigen in Macedonië en in Achaïa. Want van u nit is het woord des Heeren vermaard geworden, niet alleen in Macedonië en in Achaia, maar ook in iegelijke plaatse is uw geloof in God verbreid, zoodat wij niet van nooden hebben, iets daarvan te spreken. Want zij zeiven verhalen aangaande ons, hoedanigen ingang wij gehad hebben bij n, en hoe gij u tol God hebt bekeerd van de afgoden, om den levenden en waren God te dienen, en zijnen Zoon te verwachten uit de hemelen. Dien Hij opgewekt heeft uit de dooden, Jesls, Die ons gered heeft van de toekomende gramschap. Door onzen Heer Jesus-Christus.

Verklaring. Paulus wenscht den Thessalonicensers, in het begin van zijnen Brief, de genade Gods en alle geluk toe en geeft hun de vreugde te kennen, welke hun geloof, dat niet ijdel maar met vele goede werken versierd is, en hunne hoop, waardoor zij, niettegenstaande de wederwaardigheden, die hen uitwendig kwellen, standvastig de door Christus beloofde zaligheid verwachtten, hem verschaft hadden. Hij belooft hun daarom de genade en vriendschap Gods, die hen heeft uitverkoren en ze, zoo zij met de genade medewerken eu in het goede volharden, der eeuwige belooning zal deelachtig maken. Hij prijst hen, niet alleen, wijl zij het Evangelie, onder vele wederwaardigheden en vervolgingen omhelsd hebben, maar ook nog, omdat zij anderen volkeren een voorbeeld in het geloof zijn geworden. — 0 gave God, dat men ook van de heden-daagsche Christenen dezelfde getuigenis atleggen kon! Laten wij ten minste wenschen, dat alle Christenen zóó zijn mogen, en beijveren wij ons, om in dit opzicht aan de geloovigen van Thessalonica gelijkvormig te worden, en laten wij steeds

179

ocr page 216

ONDERRICHT VÜOR DEN

de koude en lauwe Christenen in ons gebed indachtig wezen, opdat God hun de genade verleene, volgens het geloof te leven!

Evangelie volgens den H. Mattheus XIII^ 31-35.

In dien tijde sprak Jesus deze gelijkenis tot de scharen : Het rijk der Hemelen is gelijk aan een mostaardzaad, hetwelk een mensch nam en op zijnen akker zaaide, dat wel het kleinste is onder alle zaden; doch,, als het opgeschoten is, zoo is het grooter dan alle moeskruiden, en het wordt een boom, zoodat de vogelen des hemels komen en in zijne takken wonen. Eene andere gelijkenis sprak Hij tot hen: Het rijk der Hemelen is gelijk een zuurdeeg^ hetwelk eene vrouw nam, en in drie maten meel vermengde, totdat het geheel gezuurd was. Dit alles sprak Jesus tot de scharen in gelijkenissen, en zonder gelijkenissen sprak Hij niet tot hen ; opdat vervuld wierd hetgeen gesproken is door den Profeet, zeggende: Ik zal mijnen mond in gelijkenissen openen; Ik zal voortbrengen hetgeen verborgen was van de grondlegging der wereld.

Wat wordt hier door het ryk der Hemelen verstaan ?

De Kerk en de leer van Christus, die ons ten Hemel voeren.

Waarom worden de Kerk en de leer van Christus by een mostaardzaad vergeleken ?

Wijl zij met dit zaad eene groote overeenkomst hebben. Het mostaardkorreltje is het kleinste onder alle korrels en brengt toch in het Oosten eenen boom voort, zoo groot, dat de vogelen des hemels komen en in zijne takken wonen. Evenzoo is ook de leer van Christus zonder uitwendigen schijn, maar brengt, wanneer zij tot de harten der geloovigen toegang verkrijgt, de prachtigste en rijkste vruchten van deugd voort; zoo is de Kerk ook wel klein en gering in haren oorsprong, maar zij vergadert voortdurend meer en meer menschen in haren schoot en voert ze onder hare schaduwe, dat wil zeggen, onder hare hoede, ter eeuwige rust eu gelukzaligheid.

180

ocr page 217

zesden zondag n.\ driekoningen.

Waarom wordt de leer van Christus bij een zuurdeeg vergeleken?

Wijl zij, gelijk het zuurdeeg, dat eene groote hoeveelheid meel verzuurt, den geheelen mensch, dien zij in haren boezem heeft opgenomen, doordringt, en al zijne gedachten, woorden en werken, ja zelfs zijn lichaam veredelt en heiligt, of wijl zij ons, indien 'wij ons niet opzettelijk aan haren invloed onttrekken, tot geheel nieuwe menschen hervormt.

Welk voorschrift volgt daaruit voor ons gedrag?

Dat wij de woorden van Christus, welke, door predikatiën en Christelijk onderricht, in onze harten worden neérge-legd, zorgvuldig bewaren en hunne kracht en werking niet door lichtzinnigheid of door versteendheid verijdelen moeten, maar dat wij veeleer, door eene oprechte bekeering onzes harten, trachten te bewerken, dat zij ons meer en meer van onze zonden reinigen, in het goede vooruitbrengen en tot nieuwe Code behagelijke menschen herscheppen!

Waardoor hebben de leer en de Kerk van Christus zich hoofdzakelijk zoo zeer uitgebreid?

1) Voornamelijk door de almacht Gods en door de wonderen, die Hij zoo dikwijls ter verbreiding zijner Kerk heeft gewrocht; 2) door den inhoud der leer van Jesus, welke ons over Gods wezen en eigenschappen, over hetgeen de Allerhoogste, van eeuwigheid af, voor ons menschen heeft gedaan, over onze bestemming, over ons voortbestaan in de andere wereld of het eeuwige leven de troostrijkste ophelderingen geeft; 3) door de liefde en den onberispelijken levenswandel der eerste Christenen, waardoor zij de ongeloovigen tot zich trokken; 4) door de vervolgingen, welke het Christendom onderging; want, zegt Tertulliants, het bloed der Martelaren was een zaad, waaruit nieuwe Christenen ontsproten. De geloofsleer van Mahomed en andere valsche leeringen hebben zich, wel is waar, ook ver en spoedig uitgebreid, doch hierover behoeft men zich niet te verwonderen, daar zij den menschen gcene zoo strenge verplichtingen oplegden als het Christendom, maar veeleer hunne zinnelijke driften streelden; het is immers geen kunst, de menschen tot datgene over te

181

ocr page 218

onderricht voor den

halen, wat de zinnen streelt en waarnaar de booze neigingen van het hart reeds van zeiven overhellen. Dat zulk eene leer zich snel verspreidt, is geen grooter wonder, zegt Thomas Morus, kanselier van Engeland en Martelaar, dan dat een groote en zware steen door zijn eigen gewicht in de diepte nedervalt; doch eene leer te verspreiden, die, zoo als het Christendom, gebiedt alle vleeschelijke en zondige neigingen te verloochenen en te onderdrukken, daartoe wordt meer dan menschelijke kracht gevorderd.

Waarom sprak Christus in gelijkenissen?

Opdat zijne leer des te gemakkelijker door de eenvondigen zou begrepen en onthouden worden. — Wie anderen moet onderwijzen, behoort zich, volgens het voorbeeld van Christus, naar hun verstand en hunne bevatting te schikken, en door zijn onderwijs niet zijne eer, maar slechts de eer van God en het welzijn der toehoorders te beoogen.

Verzuchting. 0 barmhartige Jesus! in wiens Kerk, sedert haar bestaan, reeds ontelbare menschen onderricht, troost en rust gevonden hebben, laat ook ons in hare schaduw rusten, en verleen, dat wij, geheel en al van uw Goddelijk woord doordrongen, tot nieuwe menschen herschapen en daardoor tegen den toekomstigen toorn bevrijd worden. Amen.

Onderricht op den Zondag Stiptuagesima.

Heden begint de tijd van voorbereiding tot het Heilig Paaschfeest, die negen weken duurt, waarvan de Zondagen door bijzondere namen worden aangeduid. De drie eerste heeten: Dominica Septuagesima, Sexagesima, Quinquagesima. Over deze benaming schrijft Paus Benedictüs XIV: nDaar de Kerk ons, door deze drie Zondagen, den weg opent tot de Vasten, die naar het getal harer dagen de veertigdaagsche Vasten (Quadragesima) genoemd wordt, zoo volgt reeds van zelf, dat de Zondag, die het verst van de Vasten verwijderd is, Septuagesima, de middelste Sexagesima en de Zondag, die do Vasten onmiddellijk voorafgaat, Quinquagesima genoemd wordt; wijl Quinquagesima een tijd van vijftig, Sexagesima eene reeks van zestig, en Septuagesima een getal van zeventig dagen aanduidt.quot;

182

ocr page 219

zondag septuagesima.

Sommigen leiden de benaming Septuagesima van de zeventig dagen af, die van dezen Zondag tot Zaterdag vóór Quasimodo of Beloken Pasclien verloopen moeten en zeggen, dat ons aard-sche leven daardoor afgebeeld wordt, 't welk bij de zeventigjarige Babylonische gevangenschap wordt vergeleken. Sexagesima duidt, volgens deze schrijvers, de zestig dagen, van dezen Zondag af tot Woensdag na Pasclien, aan, en wekt ons op, ons leven, dat bij de zes dagen der schepping vergeleken wordt, door goede werken te vervullen. Quinquagesima stelt bij hen de vijftig dagen voor, die tusschen dezen Zondag en het Paaschleest invallen: die benaming herinnert ons, dat wij onze vijf zinnen ter vervulling van de Goddelijke geboden moeten gebruiken, om eens tot het jubeljaar (der zaligheid) te geraken, dat door het getal vijftig wordt aangeduid.

Wat er ook van zij, zeker is het, dat de Kerk op dezen Zondag hare kinderen tot boetvaardigheid begint aan te sporen en tot de Vasten voor te bereiden; daarom herinnert zij dan nok, in het Ollicie der Priesters, aan de zonde der eerste men-schen, aan het verlies van het paradijs, aan den dood, aan het oordeel, aan de hel en aan alle andere straffen en gevolgen der zonde, alsmede aan het steeds toenemend zedenbederf van het menschelijk geslacht.

Waarom laat de Kerk hare vreugdezangen, zoo als het Alleluia altijd, het Te Deum, het Gloria in excelsis, enz. in het officie van den tijd, van dezen Zondag af tot aan Paschen, weg ?

Om ons te leeren, dat wij in dezen tijd onze zonden moeten nalaten en beweenen en ons ernstig dienen te beijveren, om, door eene ware boetvaardigheid, tot God terug te keeren, ten einde alzoo weder in het bezit van het verloren paradijs gesteld te worden.

Om ons de groote ellenden, waarin wij door de zonde gevallen zijn, duidelijk voor oogen te stellen, en om ons daardoor tot boetvaardigheid te bewegen, herhaalt de Kerk, in naam van het gansche menschelijke geslacht, bij den Ingang der Mis de woorden van David (Ps. XVII): nDe zuchten des doods hebben mij omvangen, de smarten der hel hebben mij omringd: en in mijne verdrukking heb ik tot den Heer ge-

183

ocr page 220

onderricht voor den

roepen, en Hij heeft van uit zijnen Heiligen tempel mijne stem verhoord. Ps. Ik zal U beminnen, Heer, mijne sterkte: de Heer is mijn steun, mijne toevlucht en mijn verlosser.quot; Eere zij God den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Wij bidden U, o Heer! verhoor goedertierenlijk de gebeden uws volks, opdat wij, die, om onze zonden, rechtmatig gekastijd worden, om de glorie uws naams, genadig bevrijd worden. Door onzen Heer Jesus-Ciiristus, enz.

EPISTEL : Les uit den eersten Brief van den H. Apostel Paulus aan de Gorinthiers, IX, 24. X, 5.

Broeders! weet gij niet, dat die in de stnjdbaan loopen, allen wel loopen, maar één den eereprijs ontvangt? Loopt zoo, dat gij hem moogt verkrijgen? Een iegelijk dan, die in het kampperk strijdt-, onthoudt zich van alles: zij nu slechts, om een vergankelijke kroon te ontvangen ; wij echter een onvergankelijke. Ik derhalve loop zóó, niet als in het onzeker; ik strijd zóó, niet als de lucht slaande; maar ik kastijd mijn lichaam, en breng het onder bedwang, opdat ik niet wellicht, na anderen te hebben gepredikt, zelf verwerpelijk worde. Want ik wil niet, broeders! dat u onbekend zij, dat onze vaderen allen onder de wolk zijn geweest, en allen door de zee zijn doorgegaan; en allen in Mozes werden gedoopt in de wolk en in de zee; en allen dezelfde geestelijke spijze hebben gegeten; en allen denzelfden geestelijken drank hebben gedronken; zij toch dronken uit de geestelijke steenrots, die hen volgde; en de steenrots was Christus. Maar God had in de meesten van hen geen welbehagen; want zij zijn nedergeveld in de woestijn.

Verklaring en toepassing. Om ons aan te toonen, dat wij, sedert de ongehoorzaamheid van onzen eersten vader Adam, met veel moeite en grooten arbeid in het rijk der Hemelen moeten binnendringen, (wijl de poort en de weg nauw zijn Matth, VII, 14) leest de Kerk ons heden dezen Epistel voor, waarin Paulus de Christenen aanspoort, om ernstig naar de kroon des Hemels te dingen, hun het voorbeeld dergenen voor oogen stellende, die in eene renbaan loopen, waarvan slechts één, namelijk hij, die alle anderen overwint, den prijs behaalt.

184

ocr page 221

zondag septuagesima.

Hierdoor zinspcell Paulus op de Evangelische waarheid, die zegt, dat er velen geroepen, maar weinigen uitverkoren zijn, en wekt ons op, om toch vooral te zorgen, dal wij onder het getal dezer laatsten mogen gerekend worden. Verder herinnert hij de Christenen aan de Grieksche wedstrijders, die zich reeds vroegtijdig tot den strijd voorbereidden, en zich van alle zinnelijke vermaken onthielden, om dapper te kunnen strijden, ten einde alzoo eene vergankelijke kroon te mogen behalen. Getroostten dezen zich zooveel ontbering voor een gering loon, waarom zouden wij ons dan niet alles ontzeggen, wat ons tot den strijd voor de onvergankelijke kroon der eeuwige gelukzaligheid ongeschikt kan maken? Waarom zouden wij ons dan niet beijveren, de zinnelijke driften te onderdrukken en alzoo onzen gevaarlijksten vijand, het vleesch aan don geest en den geest aan God te onderwerpen? Waarom zouden wij dan niet alle moeite aanwenden, om de bekoringen en aanvallen des duivels en die zijner trawanten te overwinnen, en de verleiding der wereld te verijdelen? Waarom zouden wij dan niet alle krachten inspannen, om, door beoefening der deugd, des gebeds, der liefde Gods, enz., de kroon des eeuwigen levens te verkrijgen ? Om ons daartoe nog meer aan te moedigen, haalt de H. Paolus zich zeiven als voorbeeld aan, zeggende, dat hij niet in het onzekere loopt, maar ijverig naar het doel snelt, dat hij niet in de lucht schermt, maar krachtig op zijne tegenstanders toeslaat, dat is, zijn lichaam kastijdt, en het door vasten, waken en bidden onder bedwang van den geest en van God tracht te brengen. Bedenk hier, o Christen! dat, indien de H. Paulus,. een zoo heilig en Gode behagelijk Apostel, het zoo noodzakelijk acht, zijn lichaam te kastijden en in allen ernst naar het doel te streven, om niet verloren te gaan, niemand zich dan toch zal mogen vleien met de hoop, van, door een week en wellustig leven, en door liet geloof alleen, zonder de werken, de eeuwige zaligheid te kunnen verwerven!quot;

Om de Christenen nog meer te vrijwaren voor de meening, dat zij, wegens de reeds ontvangene geestelijke genade niet zullen verworpen worden, herinnert de H. Paulus hen aan de Israelieten, die, bij hunnen uittocht uit Egypte, menig-

185

ocr page 222

onderricht voor den

vuldige weldaden van God ontvangen hadden, en toch verworpen werden en in de woestijn omkwamen, wijl zij de van God verkregene gaven niet tot hun heil gebruikten en den Heer ontrouw werden, tegen Hem morden en zich aan de schandelijkste gruwelen van afgoderij, ontucht, brasserij, overgaven en ander kwaad. Dat alles, zegt de H. Paülüs, is tot onze leering geschied, opdat wij ons niet aan het kwaad overleveren, maar volgens de genade, die wij in het Doopsel ontvangen hebben, leven en ons geloof door goede werken toonen zouden.

De weldaden, die de Israclieten in de woestijn verkregen hadden, waren, onder anderen, deze: dat zij op geestelijke (zinnebeeldige) wijze in Guristus gedoopt werden, op diezelfde wijze uit den stroom der genade van Christus dronken, en zinnebeeldig tevens aan het laatste Avondmaal deelachtig werden. Inderdaad de wolk, die bij dag, door hare schaduw, de hitte matigde en bij nacht den weg verlichtte, was een zinnebeeld van de genade des H. Doopsels, die de hitte dei-begeerlijkheid tempert en 's menschen geest verlicht; de zee was een zinnebeeld van hel water des H. Doopsels, waaruit de Christen even ongedeerd te voorschijn treedt als de Israelieten uit de Roode Zee; het manna en de bron der woestijn waren zinnebeelden: het eene van het Allerheiligste Sacrament des Altaars, en het andere van den genadestroom van Christus, gelijk de Zaligmaker zelf bij Joan. VI, aanduidt.

Evangelie volgens den H. Mattheus XX, 4-16.

In dien tijde sprak Jesus tot zijne leerlingen deze gelijkenis : het rijk der Hemelen is gelijk een vader des huisgezins, die in den vroegen morgen uitging, om arbeiders in zijnen wijngaard te huren. Als hij nu met de arbeiders overeengekomen was voor eenen tienling daags, zond hij hen in zijnen wijngaard. En uitgaande omtrent d*» derde ure, zag hij anderen op de markt ledig staan, en zeide tot hen : Gaat ook gij in mijnen wijngaard, en hetgeen billijk is, zal ik u geven. Zij gingen er dan henen. En wederom ging hij uit omtrent

186

ocr page 223

ZONDAG SEPTUAGESIMA.

de zesde en de negende ure, en hij deed desgelijks. Maar omtrent de elfde ure uitgaande, vond hij anderen staan, en zeide tot hen ; Wat slaat gij hier den gan-schen dag ledig? Zij zeiden tot hem : Omdat niemand ons gehuurd heeft. Hij sprak tot hen : Gaat ook gij in mijnen wijngaard. Als het nu avond geworden was, zeide de heer des wijngaards tot zijnen rentmeester : Roep de arbeiders, en geef hun het loon, beginnende van de laatsten tot de eersten. Als zij dan kwamen, die omtrent de elfde ure gekomen waren, ontvingen zij ieder eenen tienling Maar toen de eersten kwamen, meenden zij, dat zij meer zouden ontvangen, maar zij ontvingen ook ieder een' tienling En toen zij dien ontvingen, morden zij legen den vader des huisgezins, en zeiden : Deze laatsten hebben maar één uur gearbeid, en gij hebt hen gelijk gesteld met ons, die den last van den dag en de hitte gedragen hebben. Maar hij antwoordde, en zeide tot een' van hen: Vriend! ik doe u geen ongelijk; zijl gij niet vooreenen tienling met mij overeengekomen ? Neem hetgeen u toekomt en ga ! Ik wil ook dezen laatsten geven, zoo als ook aan u. Of is het mij niet geoorloofd te doen, hetgeen ik wil ? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben ? Zoo zullen de laatsten de eersten, en de eersten de laatsten zijn ; want velen zijn er geroepen, maar weinigen uitverkoren.

Wie wordt, in deze geljj^enis, door den vader des huisgezins, wat door den wijngaard, wie door de arbeiders en wat door den tienling afgebeeld ?

De vader des huisgezins is God, die de measchen als arbeiders

tot zijnen wijngaard, dat is tot den waren godsdienst of de

ware Kerk, roept, opdat zij daarin werken en den beloofden

tienling, dat is, de heerlijkheid des Hemels, verdienen zouden.

Hoe roept God de menschen?

Door opwekking tot hel ware geloof, door inwendige ingevingen, door predikaties en biechtvaders, door geestelijke

187

ocr page 224

onderricht voor den

hoeken en gesprekken, door voor- en tegenspoed, door oorlog, hongersnood en pest, dikwijls door bijzondere lotgevallen des levens, vooral ook door bijzondere tijden van genade, zoo als missiën, jubilé's, enz.

Wanneer roept God de menschen ?

Hij heelt dit aKijd gedaan en doet het nog immer. Hij deed dit, ten tijde van Adam, Noe, Abraham, Mozes, ten tijde van Christus en de Apostelen, en zal de menschen door de opvolgers der Apostelen, tot aan het einde der wereld, blijven roepen, ieder afzonderlijk reeds bij zijne geboorte ; doch allen geven niet op denzelfden lijd aan Gods roepstem gehoor; de eene doet dit in de jeugd, de andere in meer gevorderden leeftijd, een derde op het elfde uur, dat is, op het oogen-blik, dat dood en oordeel nabij zijn.

Wat is de arbeid in den wijngaard?

Die bestaat hierin, dat men ter eere Gods strijde en lijde en aan zijn eigen zielenheil en aan dat van anderen ijverig werke, zoo als in den Epistel van dezen Zondag wordt geleerd. Men moet zich namelijk beijveren, om uit zijne eigene ziel en uit die van anderen de ondeugden weg te ruimen en er deugden in te planten. Gelijk men dus in eenen wijngaard hakt, graaft, onkruid wiedt, het overvloedige, mittelooze en schadelijke hout afsnijdt, den grond vruchtbaar maakt, plant, de zwakke ranken aan palen bindt, enz., zoo moet men ook in de ziel, door te denken aan dood en hel, door zijn geweten te onderzoeken, zijne zonden en kwade neigingen en haren oorsprong na te sporen, den grond omspitten, dat is, voor het woord Gods vatbaar maken, het onkruid der ondeugd, door eene oprechte boetvaardigheid, uitroeien, en de (ot het kwaad weder ontspruitende neigingen, door versterving, vooral door bidden en vasten, afsnijden, zijne ziel voeden, door het lezen van godvruchtige boeken, in de plaats der slechte gewoonten de tegenovergestelde deugden planten, zijnen wispelturigen wil met den Goddelijken wil vereenigen, opdat men standvastig moge blijven, zijne ziel, door gebed en waakzaamheid, van zonden, bewaren, enz.

188

ocr page 225

zondag septuagesima.

Wat moet men doen, wanneer men eene ondeugd of eene slechte gewoonte wil uitroeien ?

Gelijk er veel tijd, moeite en voorziclitiglieid wordt ver-eischt om een verhard gezwel, dat zich in het lichaam heeft vastgezet, te doen verdwijnen, zoo ook wordt er veel arbeid gevorderd, om eene ondeugd of eene slechte gewoonte uit te roeien. Wanneer men daarin wil slagen, moet men, 1) eenen grooten haat tegen deze ondeugd eu een innig verlangen, om ze uit te roeien, iu zich opwekken; 2) God aanhoudend om genade vragen, zonder welke men niets in de orde der zaligheid verrichten kan; 3) men leze verder tot hetzelfde doel een godvruchtig boek, dat over de ondeugd, die men wil afleggen handelt; 4) men wone de predikatiën en onderrichtingen aandachtig bij; 5) men nadere dikwijls tot de Heilige Sacramenten der Biecht en des Altaars en men vrage en volge den raad des biechtvaders, vooral betrekkelijk de ondeugd, waarvan men zich ontdoen wil; 6) men roepe de voorspraak in van eenen Heilige, die, toen hij nog op aarde leefde, aan dezelfde ondeugd onderhevig was en ze naderhand met Gods genade heelt afgelegd, zoo als, bijv. de H. Maria Magdalena, die van eene groote zondares eene groote Heilige is geworden; 7) men vaste, geve aalmoezen en verrichte andere goede werken; 8) men wake en zorge tegen de zonde op zijne hoede te wezen; 9) men hernieuwe 's morgens het voornemen van zich te beteren en onder»oeke 's avonds zijn geweten en ondervrage zich vooral over oorzaken, waardoor men zoo dikwijls in de zonden hervalt; 10) men legge zich zeiven, na iederen val, eene boete of een godvruchtig werk ter boet-pleging op; H) men roepe dagelijks de Allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria aan, niet het doel, om door hare voorspraak van deze ondeugd verlost te worden.

Welke middelen dient men aan te wenden, om zijne ziel met deugden te versieren ?

Daartoe moet men eene groote liefde voor en een vurig verlangen naar de deugd, die men verkrijgen wil, in zich opwekken en God bidden dat Hij ze ons moge verleenen, boeken lezen, die over deze deugd handelen, de Christelijke onderrichtingen vlijtig bijwonen, godvruchtig naderen tot de Heilige

189

ocr page 226

ONDERRICHT VOOR DEN

Sacramenten der biecht en des Altaars, den biechtvader vragen, op welke wijze en door welke middelen men deze deugd verkrijgen kan; zich het voorbeeld der Heiligen, die er bijzonder in hebben uitgemunt, levendig voor oogen stellen en hunne voorspraak bij God inroepen.

Welke menschen staan ledig?

Al degenen, die niet voor de eer van God, voor hunne zaligheid of die hunner medemensclien werken. De menigte der bezigheden verontschuldigt niemand; want onze eenige waarlijk noodzakelijke taak is de dienst van God en de zaligheid onzer ziel. Men kan op velerlei wijzen ledig zijn: 1) wanneer men nieis doet; 2) als men kwaad bedrijft; 3) zoo men iets doel, waardoor men de plichten van zijnen staat verwaarloost; 4) wanneer men zijn werk en zijne bezigheden niet ter liefde Gods en niet met eene goede meening verricht. Deze ledigheid berooft ons van het Rijk der Hemelen, of brengt te weeg, dat men de eeuwige zaligheid niet verdient, even als een knecht geen loon voor zijnen arbeid ontvangt, wanneer hij niets doet of niet volgens den wil zijns meesters maar volgens zijn eigen wil te werk gaat. Wij zijn allen dienaren Gods en kunnen niet zeggen, dat niemand ons gehuurd heeft; want God heeft ons, reeds van onze geboorte af, in zijnen wijngaard, de H. Kerk, opgenomen, in het ware geloof doen onderwijzen en ons, zoo dikwerf wij ons van Hem wilden verwijderen of reeds verwijderd hadden, liefderijk teruggeroepen. Wanneer wij naar zijne roepstem niet luisteren, wanneer wij de handen ledig in den school leggen in plaats van in zijnen wijngaard te arbeiden, ol zoo wij, door ons doen en laten, slechts onze eer, ons voordeel, ons vermaak, enz. zoeken in plaats van Gods eer en onze zaligheid alsmede die van anderen le bevorderen, dan staat ons bij den avond, dat is, op den dag des oordeels, geen loon te wachten.

Waarom ontvingen zy, die het laatst in den wijngaard waren aangekomen, zooveel als zy, die er den

geheelen dag gearbeid hadden?

Daaruit moeten wij leeren, dat God de menschen niet alleen beloont, volgens den tijd en den duur huns arbeids,

190

ocr page 227

zondag septuagesima.

maar ook volgens den ijver, dien zij tot de beoefening der deugd hebben aangewend. Immers het kan gebeuren, dat iemand, die slechts korten tijd in den dienst des Heeren heeft doorgebracht, eenen anderen, die lang geleefd en Gode lang, maar niet zoo ijverig, als de eerste gediend heeft, in verdiensten overtreft.

Wat beteekent, bij het uitdealen van het loon, het morren van hen, die het eerst in den wijngaard geroepen waren?

Door de arbeiders, die het eerst geroepen waren, worden hier de Joden verbeeld. Christus wil aantoonen, dat de Israëlieten, wien liet mishaagde, dat de Heidenen, die het laatst tot het geloof geroepen waren en bij de uitdeeling der Goddelijke genade met hen gelijk gesteld werden, daarom misnoegd wezen en morren zouden, gelijk ook naderhand werkelijk geschiedde. Doch in den Hemel zal het niet zoo zijn; daaruit blijven nijd, afgunst en gemor voor alloos gebannen. De Heiligen, die den Heer lang gediend hebben, zullen in plaats van te morren, de goedheid bewonderen, waarmede God de bekeerde zondaars en hen, die Hem slechts een korten tijd dienden, zal bejegenen. Immers deze laatsten zullen denzelfden tienling ontvangen, dat is, tot het eeuwig bezit van denzelfden Hemel, tot de aanschouwing en het genot des Allerhoogsten geroepen worden, evén als de eersten, alhoewel er in den graad van heerlijkheid en zaligheid verschil zal wezen, wijl ieder, zoo als de Goddelijke Heiland ons dikwijls verzekerd heeft, volgens zijne werken zal beloond worden.

Het antwoord, dat de vader des huisgezins den morrenden arbeiders geeft, leert ons, dat wij niet misnoegd of afgunstig mogen zijn wegens de goedheid, waarmede God onzen even-mensch behandelt, want de afgunst is eene verfoeielijke ja helsche ondeugd. » Door den nijd des duivels kwam de dood in de wereldquot; Wijsh. II, 24. De nijdigen volgen alzoo het voorbeeld van Satan na, doen niemand dan zich zeiven schade, wijl de nijd hen verteert; hij kwelt aanhoudend degenen, die zich aan zijne tirannie onderwerpen. Daarenboven voert de nijd doorgaans tot de grootste misdaden, zooals wij zien uit de geschiedenis van den broeder-moorder Gain. Uit diens voorbeeld leeren

191

ocr page 228

onderricht voor den

wij tevens, hoe streng God den nijd niet zijne gevolgen bestraft. Beide diene ons tot waarschuwing!

Wat beteekent: «De eersten zullen de laatsten zynquot;, enz.?

Hier zinspeelt de Zaligmaker weder op de Joden, die, wijl zij de leer en de roepstem van Christus niet volgen wilden, de laatsten zullen zijn. De uit alle landen tol hel geloof geroepene Heidenen zullen, zoo wel naar hun getal als volgens hunne verdiensten, de eersten zijn; doch de Israelieten, die het eerst door Christus geroepen waren, zullen in het algemeen genomen, zoo wel wat hun gelal als den tijd betreft, waarop zij aan de stem des Heilands gehoor zullen geven, de laatsten wezen, wijl zij eerst bij het einde der wereld tot de Kerk zullen toetreden. Juist zoo is het ook met de Christenen gelegen: diegenen onder hen, die met zeer grooten ijver in den wijngaard des Heeren arbeiden, zullen de eersten wezen, al zijn ze dan ook laat geroepen; zij, die niet warm en niet koud zijn, dat is, die slechts eenen geringen ijver in den dienst des Heeren aan den dag leggen, zullen de laatsten wezen, ofschoon zij het eerst geroepen werden. Wee echter hun, die den roep Gods volstrekt niet volgen, dezen zullen niet tot het Rijk der Hemelen geraken, want velen, dat is, allen (1 Tim. 11, 4,) zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

Verzuchting. 0 barmhartige God! die ons, uwe onwaardige dienaren, zonder onze verdienste en uit loutere goedheid, in uwen wijngaard, tot het ware geloof geroepen hebt, verleen ons uwe hulp, opdat wij nooit ledig zijn, maar, als getrouwe arbeiders ons steeds beijveren mogen, om uwen Heiligen wil te volbrengen. Het goed, dat wij, in de verloopene jaren, verzuimd hebben, zullen wij, in de toekomst, door aanhoudende vlijt trachten te herstellen, om eens, in den Hemel, na volbrachten arbeid, het beloofde loon te ontvangen, door Jesüs Chiustus onzen Heer. Amen.

Onderricht voor den Zondag Sexagesima.

De naam Sexagesima is, den vorigen Zondag, verklaard geworden. De Ingang der Mis is genomen uit Ps. XLIII. «Sta op, waarom slaapt Gij, Heer? Sta op en verstoot ons niet voor altijd: waarom keert Gij uw aangezicht af en vergeet Gij onze

192

ocr page 229

zondag Sexagesima.

verdnikking? Onze buik is aan de aarde vastgekleefd. Sta op, Heer: Help en verlos ons. Ps. God, wij hebben met onze ooren gehoord en onze vaderen hebben ons verkondigd het werk, dat Gij in hunne dagen hebt volbracht.quot; Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

God, die ziet, dal wij geen vertrouwen stellen in een onzer werken, verleen genadig, dat wij door de bescherming van den leeraar der Heidenen tegen alle wederwaardigheden mogen behoed worden, door onzen Heer Jesus-Christüs, enz. EPISTEL : Les uit den tweeden Brief van den H. Apostel Paulus aan de Corinthiërs, XI, 19-XII, 9.

Broeders! gaarne verdraagt gij de onverstandigen, daar gij zeiven verstandigen zijt. Want gij verdraagt het, indien iemand u dienstbaar maakt, indien iemand u opeet, indien iemand grijpt, indien iemand zich verheft; indien iemand 11 in het aangezicht slaat. Tot oneer zeg ik het, hoe dat wij zwak waren geweest in dit doele Waarin iemand durft (in onverstand zeg ik het), durf ik ook. Zijn zij Hehreèrs? ik ook. Zijn zij Israelieten? ik ook. Zijn zij kroost van Abraham: ik ook. Zijn zij dienaren van Christus? (verstandeloos spreek ik), ik meer: in veel meerder arbeid, in gevangenissen meer overvloedig, in slagen boven mate, in dooden menigmaal. Vijfmaal heb ik van de Joden veertig slagen, min één, ontvangen. Driemaal ben ik met roeden gegeeseld; éénmaal ben ik ge-steenigd; driemaal heb ik schipbreuk geleden; een nacht en een dag heb ik in de diepte der zee doorgebracht. ,0p reizen menigmaal, in gevaren van rivieren, in gevaren van roovers, in gevaren onder mijn geslacht, in gevaren onder de Heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op zee, in gevaren onder de valsche broederen. In arbeiden en zwoegen; in veel waken; in honger en dorst; in vasten menigmaal; in koude en naaktheid; behalve hetgeen daarbuiten is, is mijne dagelij kschc bemoeiingen de zorg van alle de Kerken. Wie wordt zwak, en ik word niet zwak? Wie wordt geërgerd, en ik brand niet? Indien men roemen moet, op hetgeen mijne zwakheid betreft, wil ik roemen, üe God en

15

195

ocr page 230

onderricht voor dem

Vader onzes Heeren Jesus-Christus, die te prijzen is in eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg. In Damascus bewaakte de rijksbestuurder van Koning Aretas de stad der Damasceners, om mij gevangen te nemen. En ik werd door een venster in eene mand langs den muur nedergelaten, en ben zoo ontvloden uit zijne handen. Indien men roemen moet, het is wel niet oorbaar, zal ik echter komen tot verschijningen en openbaringen des Heeren. Ik weet eenen mensch in Christus, die vóór veertien jaren (hetzij in het lichaam, ik weet het niet, hetzij buiten het lichaam, ik weet het niet, God weet het), dat de zoodanige opgevoerd werd tot den derden Hemel. En ik weet, dat zoodanige mensch (hetzij in het lichaam, hetzij buiten het lichaam, ik weet het niet; God weet het), dat hij opgevoerd werd in het Paradijs, en geheimvolle woorden hoorde, die het eenen mensch niet geoorloofd is te spreken. Over den zoodanigen zal ik roemen, maar over mij zal ik niet roemen, tenzij op mijne zwakheden. Want zoo ik al roemen wiide, ik zoude niet onverstandig zijn, want ik zoude waarheid spreken; maar ik onthoud er mij van, opdat niet iemand van mij denke boven hetgeen hij in mij ziet, of iets van mij hoort. En opdat ik niet op de overtreffelijkheid der openbaringen mij verhoovaardige, is een doorn mijns vleesches mij gegeven, een engel van Satan, om mij met vuisten te slaan. Daarover heb ik driemaal den Heere gebeden, dat die van mij mocht wijken. En Hij sprak tot mij: Genoeg is u mijne genade, .want de kracht wordt in zwakheid voleindigd. Volgaarne wil ik dan roemen in mijne zwakheden, opdat in mij wone de kracht van Christus.

Waarom wordt in de huidige Mis de H. Paulus herdacht en deze Epistel gelezen?

De Kerk gaat heden voort met ons tot den arbeid op te wekken, dien wij ondernemen moeten, om tot de eeuwige zaligheid te geraken. Zij herinnert ons aan het voorbeeld van den H. Paulus, die door Gods genade zooveel heeft gedaan en geleden, ten einde ons daardoor aan te moedigen, om met Gods hulp hetzelfde te doen. Om gelijke redenen wordt thans ook te Rome de statie, of de publieke eeredienst in de kerk van den H. Paulus gehouden.

194

ocr page 231

zondag sexagesima.

Waarom verhaalt de H. Paulus zulke roemwaardige dingen van zich zeiven?

Hij doet dit niet uit eene zotte en zondige roemzucht, maar ter eere Gods en uit liefde en tot stichting der Christenen van Corinthe. Deze laatsten lieten zich, door zekere valsche Apostelen, die hen uit eigenbelang en geldzucht schandelijk bedrogen, die den H. Paulus verachtten en hem ook in de oogen van anderen trachtten te verlagen, misleiden en van het geloof afbrengen. Om zulks in het vervolg te beletten en om de hinderpalen, welke die valsche Apostelen tegen de verspreiding van het Evangelie opwierpen, uit den weg te ruimen, vindt zich de H. Paulus genoodzaakt, om datgene'te veropenbaren, wat God voor hem en wat hij voor God gedaan heeft. Hij wil daardoor zijn predikambt een behoorlijk aanzien verzekeren en den invloed dier valsche leeraars vernietigen.

Waarom zegt de H. Paulus; »Wie wordt zwak zonder dat ik zwak worde?quot;

Hij wil daarmeê zeggen: de zwakheid in het geloof, de lauwheid van velen gaan mij zoo zeer ter harte, alsof ik zelf ze ondervond. Wanneer anderen geërgerd, of in hun geloof in het goede of in hun geloof of in het goede of in hunne gewetensrust gestoord worden, dan gloei ik van ijver, om hen te helpen, en het smart mij hevig, zulke ellende te moeten aanschouwen.

Wat is de prikkel van het vleesch, de engel van Satan, waardoor de H. Paulus gekweld werd ?

De meeste uitleggers der H. Schrift verstaan deze zinsneden van de bekoringen des vleesches, van de onzuivere begeerlijkheid; anderen daarentegen van de uitwendige smarten, ontberingen en vervolgingen, welke de H. Paulus aanhoudend verduren moest.

Waardoor overwon de Apostel al deze hinderpalen op den weg der zaligheid ?

Door de genade Gods, die hem versterkte.

195

ocr page 232

ondbrricht voor den

Evangelie volgens den H. Lücas VIII^ 4-1S.

In dien tijd, als er eene groote schare bijeen was^ en zij uit de steden tot Jesus kwamen aansnellen, sprak Hij in eene gelijkenis : De zaaier ging uit, om zijn zaad te zaaien, en terwijl hij het zaaide, viel een deel bij den weg, het werd vertreden, en de vogelen des hemels aten hei op. En een ander deel viel op de steenrots, en als het opkwam, verdorde het, omdat het geene vochtigheid had. Een ander deel viel onder de doornen, en de doornen, mede opgekomen^ verstikten het. Een ander deel viel in de goede aarde ^ en het kwam op^ cn droeg honderdvoudige vrucht. Dit zeggende, riep hij : Wie ooren heeft om te hooren, die hoore! En zijne discipelen vraagden hem, wat deze gelijkenis ware. Hij sprak tot hen : U is het gegeven, de verborgenheden van het rijk Gods te weten ; maar den overigen in gelijkenissen : opdat zij ziende niet zien, en hoorende niet verstaan. Dit nu is de gelijkenis: Het zaad is het woord Gods. Dat bij den weg valt, zijn zij, die hooren 5 doch daarna komt de duivel^ en neemt het woord uit hun hart weg, opdat zij ni^t gelooven, en niet zalig worden. En die op de steenrots : zijn zij, die het woord, als zij het hooren, met blijdschap aannemen ; maar zij hebben geenen wortel; want zij gelooven voor een' tijd, en, ten tijde der bekoring vallen zij af. En dat onder de doornen valt: zijn de zulken^ die gehoord hebben, en heengaande, verslikt worden door de bekommeringen, en rijkdommen, en bekoorlijkheden des levens; en zij brengen geene vrucht voort. Maar dat in de goede aarde valt^ zijn zij, die het woord hooren, cn het met een goed en voortreffelijk hart bewaren, en vrucht voortbrengen in lijdzaamheid.

196

ocr page 233

zondag sexagesima.

Waarom wordt het woord Gods bij een zaad vergeleken ?

Wijl de goede werken uit het Goddelijk woord, even als de vruchten uit het zaad voortspruiten, en wijl de mensch, zonder het zaad van het Goddelijk woord, evenmin goede vruchten opleveren kan, als een akker, die niet bezaaid wordt. Om dezelfde reden zegt ook de H. Auglsïisiis, dat liet woord Gods den mensch zoo noodzakelijk is, als het Lichaam van Christus en dat hij, die het woord Gods zonder oplettendheid aanhooEt, even strafbaar is, als degene, die het Lichaam van Christus op den grond laat vallen.

Waarom riep Christus bij deze gelijkenis uit: »Wie ooren heeft, om te hooren, die hoore ?quot;

Dit deed Hij, om het gewichtige en het noodzakelijke der leer, welke Hij door deze gelijkenis voorstelde, te doen uitkomen, en om zijne toehoorders tot nadenken te bewegen over hetgeen Hij gezegd had. Onze zaligheid hangt er inderdaad van af, of wij liet woord Gods hooien, in ons opnemen en laten werken of niet: want nzalig zijn zij, die hel woord Gods hooren en het bewaren.quot; Hoe nietig de voorwendsels zijn, waarvan men zich bedient, om zijne afwezigheid van de predikatiën en de godsdienst-oefeningen te verontschuldigen, is reeds vroeger aangetoond.

Hoe komt het toch, dat het onkruid zoo overvloedig is, daar het zaad des Goddelijken woords nochtans zoo dikwijls wordt uitgestrooid ?

Dit komt daarvan, dat het Goddelijk zaad, zooals Christus zegt, nu op den weg, dan op de rotsen en onder de doornen, en maar zelden op goeden grond valt; dat is, de menschen, die het woord Gods hooren, gelijken soms op eenen beganen weg, waarop het zaad vertreden of door de vogelen opgegeten wordt: eenige menschen bezitten een gemoed, dat door duizenden slechte gedachten en gewoonten als versteend geworden is, zoodat het woord Gods niet in hun hart kan binnendringen en hun daarom terstond weer door den duivel ontroofd wordt. Anderen gelijken op rotsen, waar het zaad wel ontkiemt, doch weldra verdort, wijl het er niet genoeg grond en vocht vinden

197

ocr page 234

198 ONDERRICHT VOOR DEN ZONDAG SEXAGESIMA.

kan. Aldus zijn zulke menschen, wien het aan eenen vasten wil, om zich te bekeeren en aan een oprecht verlangen naar de zaligheid ontljreekt. Deze hoeren het woord Gods, worden er door geroerd, maken eenige goede voornemens, doen eenig goed, maar laten zich, zoodra de bekoring komt, weder aanstonds tot kwaad overhalen. Het woord Gods gelijkt op het zaad, dat onder de doornen viel, wanneer dit woord aan menschen verkondigd wordt, wier gemoed door de zorg voor rijkdommen voor, zinnelijke wellusten, voor aardsche bezigheden, voor ijdele eer, enz., is ingenomen, die het zaad van het Goddelijk woord niet laten opkomen, geen vrucht laten dragen maar het weder terstond doen verstikken.

Wat moeten wij dus doen, om een goede, vruchtbare grond te worden?

Wij moeten 1) alle slechte gedachten, alle zondige driften en gewoonten onderdrukken en dus, om zoo te spreken, den den akker onzes harten omploegen, opdat het woord Gods er kunne doordringen; 2) een oprecht en sterk verlangen hebben, om ons te bekeeren en in het goede standvastig te blijven, opdat het woord Gods zeer diepen en hechte wortelen in onze ziel kunne schieten; 3) alle overtollige zorgen voor het tijdelijke vaarwel zeggen of den akker onzes harten ook van de doornen des rijkdoms, van den wellust, enz. reinigen, opdat dezen het zaad van het Goddelijk woord niet verstikken; 4) God aanhoudend bidden, dat Hij ons tot dit alles zijne genade veileene. Kortom, de eer van God en onze eigene zaligheid moet onze eerste en voornaamste zorg wezen, dan zal God ons zeker helpen, menigvuldige goede vruchten, dat is, goede werken, voort te brengen, om daardoor eens de eeuwige belooning te verwerven.

Wat moeten wij doen, om ons van de verstrooiende zorgen, onder het aanhooren van het woord Gods of onder de Heilige Diensten te bevrijden?

Wij moeten het vaste vertrouwen hebben, dat God, terwijl wij in de kerk zijn en Hem dienen, ons huis en onze goederen zal bewaren, zoo als Hij zulks, {Ex XXXIV, 24), heeft belootd.

ocr page 235

onderricht over de kracht van het woord gods. 199

Onderricht over de kracht van het woord Gods.

De kracht van liet woord Gods wordt in de H. Sclirift op onderscheidene wijzen voorgesteld. Jeremias vergelijkt ze bij een vuur, dat met geweld, van binnen naar buiten, doordringt en het stroo, dat wil zeggen, de leer der valsche profeten verslindt; bij een hamer, die de rotsen verplettert, dat is, de verstoktste harten vermurwt en voor God en het goede toegankelijk maakt (Jerem. XXIII, 29). De Psalmist noemt het woord Gods een licht, dat den weg verlicht, of met andere woorden, dat den nacht der onwetendheid verdrijft, en den pelgrim hier op aarde, den Christen, toont, hoe hij de gevaren, die zijne zaligheid bedreigen, ontvluchten kan (Ps. CXVIII, 10S). In den brief aan de Hebrëers IV, 12, slaat geschreven: nHet woord Gods is levend, en werkzaam, en snijdender hoven iegelijk tweesnijdend zwaard, en doordringende tot het scheiden van ziel en geest, van gewrichten ook en merg, en heuordeelaar van de gedachten en overleggingen des harten, dat is. God kan met het rechterlijk zwaard van zijn woord, hetwelk ook de verborgenste gedachten zal beoordeelen, de ziel van den geest, het merg van de beenderen scheiden, dat wil zeggen, ziel en lichaam aan den eeuwigen dood overleve-veren. Bij Jacobi's I, 23, wordt Gods woord een spiegel genoemd, waarin de mensch zijne zonden en fouten aanschouwen kan. Het is, zooals Isaias zegt een kostbare dauw of regen, die den akker der ziel bevochtigt en vruchtbaar maakt. Het is eindelijk dat Goddelijk zaad, hetwelk, wanneer het in eene goede en behoorlijk voorbereide aarde valt, honderdvoudige vruchten oplevert (Luc. VIII, 8). Een enkel korreltje van dit Goddelijk zaad heeft, om zoo te spreken, in den H. Augustisus, in den H. Antonius, abt, in den H. Nicolaas van Tolentino, enz. enz., de wonderbaarste vruchten van Heiligheid voortgebracht; want Augustinus werd door de woorden: nLaat ons, ah bij dag, welvoegelijk wandelen; niet in brasserijen en dronkenschap pen, niet in slaapkamers en onkuischheden,quot; enz. Kom. XIII, 13, oprecht bekeerd; en Aktonils werd door de volgende woorden lot een Heilig leven opgewekt. Matth. XIX, 21: »Wilt gij volmaakt zijn, ga, verkoop wat gij hebt, en geef het den

ocr page 236

onderricht oveu de

armen, en gij zult eenen schat in den Hemel hebben. En kom, volg mijr Nicolaas werd door dc woorden: »licht de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld isquot; I Joan. 11, IS, lot de volmaaktheid aangespoord. In dien zin zegt ook de H. Chry-sostomus, dat de H. Schrift, in weinige woorden, de hoogste wijsheid mededeelt, en dat dikwijls eene enkele plaats van dit Goddelijk boek den mensch eenen overvloedigen voorraad verschaft, waaruit hij, geheel zijn leven, krachten putten kan, om zich tot de deugd op te wekken.

Wat moet men doen, om nut te trekken uit de verkondiging van Gods woord?

Men moet het in de predikatiën en Christelijke onderrichtingen allijd, met eene behoorlijke voorbereiding en oplettendheid aanhooren. en de waarheden, die verkondigd worden, zorgvuldig in het hart trachten te bewaren en na te komen.

Wat moet men doen vóór de predikatie?

De H, Chrysostomus zegt, in zijne derde leerrede, over Saul en David: «Wie is hij, die een kostbaar vocht in een onrein vat giet, vóór dat hij dit gereinigd heeft?,,. Daarom moet men vóór de predikatie zijn hart ten minste door berouw en leedwezen zuiveren, want de geest der wijsheid zal niet ingaan in eene ziel, die met zonden besmet is,quot; (Wijsh, I, IV,) Gelijk een land, dat moet bezaaid worden, eerst goed wordt bereid en gereinigd, evenzoo moet ook ons hart, willen wij nut uit de predikatie trekken, van alle slechte gedachten en begeerten gezuiverd en door een heilig verlangen, om iets goeds en ter zaligheid voordeeligs te leeren, toebereid worden. Wie slechts uit nieuwsgierigheid, om iets nieuws te hooren, om den predikant te bevitten, om te zien en gezien te worden, enz, in de predikatie verschijnt, die gelijkt op de Parizeen, welke ook om zulke redenen Jesis kwamen hooren, en daarom geen voordeel uit zijne lessen trokken. Vooral moet men den H, Geest om licht bidden, want de H, Geest geeft den menschen het begrip der Christelijke waarheden, en het gebed is reeds, op zich zelf, als een vruchtbare dauw voor den akker onzer ziel.

200

ocr page 237

kracht van het woord gods.

Hoe behoort men zich onder de predikatie te gedragen?

Men moet ze met eerbied en oplettendheid hoeren, want God spreekt door den mond der predikers tot ons, wijl Christus van hen gezegd heeft: »IFi'e u hoort, die hoort Mij.quot; Luc. X, 16. De predikers zijn afgezanten van Christus; als nu, zegt de H. Chrysostomus, een afgezant, die de bevelen en verordeningen zijns konings voorleest, met zulk eene groote oplettendheid, stilte en eerbiedigheid wordt aangehoord, hoeveel te meer moet men dan niet naar den afgezant van God met groote opmerkzaamheid en stillen eerbied luisteren, wanneer hij ons den wil des Heeren bekend maakt?... Wacht u dus de predikers te bevitten, te smaden, want hierdoor zoudt gij God beleedigen, die gezegd heeft: n IFi'e u versmaadt, versmaadt Mij.quot; Luc. X, 16. Indien ook al somtijds de persoon des predikers berispelijk mocht zijn, blijft toch het ambt, dat hij bekleedt, en het woord Gods, dat hij verkondigt, steeds heilig en eerbiedwaardig. Het woord Gods is en blijft altijd een Goddelijk zaad, dat, wanneer het op eenen goeden grond valt, kostbare vruchten voorbrengt, onverschillig door wien of op welke wijze het wordt uitgestrooid; zoo ook wordt bij het zaaien, niet zoo zeer op den zaaier gelet, als wel op den akker, die bezaaid moet worden. Beijver u dus steeds een goede akker te wezen, dan zult gij ook zelfs uit de meest gewone predikatiën de beste vruchten trekken. Wacht u verder, hetgeen in de predikatie gezegd wordt, op anderen toe te passen, maar pas het op u zeiven toe, anders zal u het woord Gods weinig nut verschaffen. Zijt gij vrij van de ondeugden, welke in de preek gelaakt worden, dank God daarvoor en veracht anderen niet, die er mede behept zijn; smeek liever den Heer, dat Hij er hen van verlosse en er u in de toekomst voor beware. Onthoud n verder van te slapen, te praten en andere ongeregeldheden onder de predikatie te doen, want gij zult van uw gedrag rekenschap moeten af-lleggen. Gedenk: »wie uit God is, Gods woorden hoort.'' Joann. VIII, 47. Indien gij dus niet gaarne het woord des Heeren hoort, dan zijt gij niet uit God en zult ook niet tot God geraken.

201

ocr page 238

onderbicht over de

Wat moet men na de predikatie doen?

Men moet zich beijveren, om het goede, dat men gehoord heeft, door werken te volbrengen; want niet de hoorders der wet zijn rechtvaardig voor God, maar de volbrengers der wet zullen gerechtvaardigd worden. Rom, II, 13. De Christen, die het woord Gods slechts hoort, zonder zijn gedrag er naar in te richten, lijk' een man, die zijn eigen aangezicht in eenen spiegel beschouwt: want hij heeft zich beschouwd, en is weggegaan en is terstond vergeten hoedanig hij was. Jac. I, 23, 24. Even als het iemand niets baat zich in den spiegel te hebben gezien, indien hij de vlekken, waarmede hij bezoedeld is, niet afwascht, even zoo weinig nut brengt ook het preek-hooren aan, wanneer men er zich niet door laat bewegen, om zijne fouten en gebreken af te leggen. Ja, men mishaagt in dit geval zelfs meer aan God en wordt nog stratbaarder, want de dienstknecht, welke zijns heeren wil geweten, en zich niet bereid heeft, noch naar zijnen wil gedaan, die zal vele slagen ontvangen. Luc. XII, 47. Het ware beter, zoo als de H. Petrus zegt, den weg der gerechtigheid nooit gekend te hebben, dan, dien gekend hebbende, er weder van af te wijken (II Petr. II, 21).

Om dus het goede, hetwelk men in de predikatie gehoord heeft, te beoefenen, behoort men het vast in zijn geheugen te prenten, vlijtig er over na te denken en er ziclj dikwijls aan te herinneren. Daarom noemde Christus niet degenen zalig, die het woord Gods alleen hooien, maar hen die het levens bewaren (Luc. XI, 28). Eene spijs baal niets, wanneer de maag ze weer terstond uitwerpt, maar zij is eerst dan weldadig, wanneer ze in de maag opgenomen en goed verteerd wordt. Het zaad kan geeue vruchten voortbrengen, wanneer het niet met goede aarde bedekt, niet door de zon beschenen en verwarmd, niet door regen ol dauw bevochtigd, en niet goed verpleegd wordt. Men moet het woord Gods, zoo als Maria deed, (Luc. II) in zijn hart bewaren, het, door er vlijtig over na le denken, om zoo te spreken verloeren, het door hel gebed bevochtigen en koesleren door een vurig verlangen, om het le vervullen; slechts dan zal hel honderdvoudige vruchten opleveren. Men bedenke dus dikwijls, wat men in de laatste preek gehoord en hoe men dat vervuld heeft; verder overwege

202

ocr page 239

kracht van het woord gods.

men ook, op welke wijze men het in de toekomst vervullen wil en kan. Men spreke er met anderen over; daardoor zal men vele nuttelooze, gevaarlijke en onbetamelijke gesprekken verhinderen en veel goed stichten; men late iets door anderen uit de preek verhalen of men vertelle hun zelf iets over hetgeen er verhandeld werd; men spreke met hen over hetgeen het gewichtigste en voor het heil onzer ziel het noodzakelijkste is. Zoo moeten vooral ouders eu huisvaders met hunne kinderen eu onderhoorigen doen. »Gelijk velen, zegt de H. Chrysostomus, wanneer zij uit eenen tuin huiswaarts keeren, eene roos, een viooltje of eene andere bloem raedenemen, of of gelijk anderen uit hunnen boomgaard takken met fruit beladen naar huis brengen, of gelijk sommigen eenige lekkernijen van het prachtig gastmaal, waaraan zij hebben deelgenomen, aan hunne kinderen ten geschenke geven, zoo moet ook gij, wanneer gij uit de kerk terugkeert, voor uwe vrouw, uwe kinderen en huisgenooten eene vermaning medebrengen. Zulke rozen verwelken niet, zulke vruchten rotten niet, zulke spijzen bederven niet, en zij zullen u en den uwen niet slechts eene voorbijgaande vreugde, maar een blijvend nut verschaffen, naardien zij u van vele zonden zullen terughouden.quot; — Verder vrage men Gode dikwijls de genade, om de gehoorde onderrichting zorgvuldig na le komen. 0 indien dit altijd geschiedde, hoe zou het geloof dan onder ons bloeien ! ?

Verzuchting. 0 mijn God! ik ben beschaamd, dat het zaad van uw woord, hetwelk Gij zoo rijkelijk in mijn hart hebt uitgestort, er zoo weinig vruchten heeft voortgebracht. Ach, ontferm U mijner en verander mijn hart, opdat het eene goede aarde worde, waarin uw woord zonder hinder ontkieme en wasse, en honderdvoudige vruchten voortbrenge. Amen.

Ondtirricht voor den Zondag Quinquagesima.

De oorsprong van dezen naam werd reeds op bl. 182 aangeduid. De Ingang der Mis is genomen uit Ps. XXX. oWees mij, o Heer! een beschermende God en een toevluchtsoord om mij te behoeden: want Gij zijl mijn steun en mijne toevlucht: en, om uwen naam, zult Gij mijn geleider wezen en mij voeden.

203

ocr page 240

ONDERRICHT VOOR DEN

Op U, o Heer! heb ik mijne hoop gesteld; laat mij in eeuwigheid niet beschaamd worden, verlos mij door uwe rechtvaardigheid en red mij. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Wij bidden U, o Heer! verhoor genadig onze gebeden en bewaar ons. nadat wij van dequot;quot;banden onzer zonden zijn ontslagen geworden, van allen tegenspoed, door onzen Heer, enz.

EPISTEL: Les uit den eersten Brief van den H. Apostel Paulus aan de Corinthiërs, XIII, 1-13.

Broeders ! Zoo ik de talen der menschen en der Engelen spreke, maar ik heb de liefde niet, ben ik als klaterend metaal geworden, of eene klinkende schel. En zoo ik de profetie heb, en weet de Geheimenissen alle, en alle de kennis, en zoo ik al het geloof heb. zoodat ik bergen verzette, maar ik heb de liefde niet, ben ik niels. En zoo ik tot spijziging der armen alle mijne goederen uitdeel, en zoo ik mijn lichaam overgeef, opdat ik verbrand worde, maar ik heb de liefde niet, baat het mij niets. De liefde is lankmoedig; zij is goedertieren; de liefde is niet afgunstig; zij handelt niet lichtvaardig; zij is niet opgeblazen; zij is niet eergierig; zij zoekt niet het hare; zij wordt niet toornig, zij denkt geen kwaad; zij verblijdt zich niet over de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich met de waarheid; zij duldt alles, gelooft alles, hoopt alles, verduurt alles. De liefde vergaat nimmer; hetzij pro-fetiëu, zij zullen vernietigd worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal vernietigd worden. Want wij kennen ten deele, en wij profeteeren ten deele. Maar wanneer hetgeen volmaakt is, zal gekomen zijn, zal hetgeen ten deele is, vernietigd worden. Toen ik een kindeken was, sprak ik als kindeken, gevoelde ik als kindeken. Maar toen ik een man ben geworden, heb ik hetgeen des kindekens was, vernietigd. Wij zien thans door eenen spiegel in een raadsel, maar dan van aangezicht tot aangezicht. Thans ken ik ten deele, maar dan zal ik kennen, gelijk ik ook gekend ben. Nu echter blijven geloof, hoop en liefde, deze drie; maar meerder is van deze de Helde.

204

ocr page 241

zondag quinquagesima.

Verklaring. De H. Paulüs spreekt in deze les over de noodzakelijkheid, de voortreffelijkheid der liefde. Hij zegt, namelijk, dal alle natuurlijke en bovennatuurlijke gaven, alle goede werken, ja zelfs de deugden (het geloof, de hoop, enz.) den mensch niet ter zaligheid brengen, wanneer zij niet met de liefde vereenigd zijn, wijl de liefde slechts ons in vriendschap met God doet leven. Al doet men ook nog zooveel goed, al geeft men ook aalmoezen, al bidt, vast en werkt men veel, men zal daarvoor geen loon in den Hemel ontvangen, indien men de liefde niet bezit of in staat van genade verkeert, hoewel deze werken ter bekeering nuttig kunnen zijn. De liefde verdraagt do ongeschiktheden en zwakheden van anderen met lankmoedigheid en geduid; zij benijdt degenen niet, die grootere en veracht hen niet, die kleinere gaven bezitten dan zij; zij is niet eergierig, uiet afgunstig, zij laat zich door onaangenaamheden en beleedigingen niet verbitteren, enz. De liefde zal in het eeuwige leven blijven voortduren, alhoewel andere bijzondere gaven des geestes zullen verdwijnen; de voorzeggingen zullen te niet gedaan worden, wijl het toekomstige voor niemand zal verborgen wezen; de verschillende talen zullen ophouden, wijl allen, door elkander wederkeerig te aanschouwen, elkaar zullen kennen en verstaan. De moeielijkheden en onvolmaaktheden, waarmede de wetenschap der Goddelijke dingen hier gepaard gaat, zullen in den Hemel niet meer bestaan, wijl daar de gansche waarheid door de Gelukzaligen duidelijk en zonder moeite zal gezien worden. Het geloof, de hoop en de liefde maken ons hier rechtvaardig en heilig, doch de liefde alleen zal ons daar zalig maken, want het geloof zal er aanschouwen en de hoop bezitten. De liefde is alzoo het voortreffelijkste, wijl zij eeuwig zal blijven voortbestaan. Het geloof, zegt de H, Augustinus, legt den grondsteen voor het gebouw Gods, door de hoop wordt dat gebouw hooger opgetrokken en door do liefde voltooid. Deze drie deugden vormen den nieuwen mensch. Het geloof verlicht en onderwerpt ons verstand; de hoop versterkt ons en onthecht ons hart van de aardsche goederen, de liefde reinigt het en ver-eenigt het voor eeuwig met God.

Verzuchting. O God der liefde! stort in mijn hart den

205

ocr page 242

ONDERRICHT VOOR DEN

geest uwer zuivere liefde, opdat ik mij beijvere altijd in staat van genade te blijven, opdat al mijne werken U behagelijk en voor mij verdienstelijk wezen, en mij voor eeuwig met U vereenigen.

Evangelie vogens den H. Lucas XVIII, 31-43.

In dien tijd nam Jesus de twaalven tot zich, en sprak tot hen : Ziet, wij gaan opwaarts naar Jerusalem, en al hetgeen door de profeten van den Zoon des menschen geschreven is, zal volbracht worden ; want hij zal den Heidenen overgeleverd, en bespot, en gegeeseld, en bespogen worden ; en nadat zij Hem gegeeseld hebben, zullen zij Hem dooden ; en ten derden dage zal Hij verrijzen. En zij verstonden daarvan niets ; en dit woord was voor hen verborgen 5 en zij bevroedden niet, wat er gezegd werd. Het geschiedde nu, toen Hij Jericho naderde, dat een blinde aan den weg zat, bedelende. - En als deze de voorbijgaande schare hoorde, vraagde hij, wat dat ware? En zij zeiden hem, dat Jesus van Nazareth voorbijging. En hij riep, en zeide: Jesus, Zoon van David, ontferm u mijner ! En zij, die vooruitgingen, bestraften hem, dat hij zwijgen zoude ; maar hij riep nog te luider : Zoon van David, ontferm u mijner ! En Jesus, stilstaande, gebood, dat men den blinde tot Hem zoude brengen. En als hij nabij gekomen was, vraagde Jesus hem, en sprak : Wat wilt gij, dat ik u doen zal ? En hij zeide: Heer! dat ik ziende worde. En Jesus sprak tot hem: Word ziende ! üw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende, en volgJe hem, en verheerlijkte God. En al het volk, dit ziende, gaf Gode lof.

Waarom heeft Jesus den Apostelen zyn lijden zoo dikwijls voorspeld?

1) Om te toonen, hoe vurig Hij begeerde, voor ons te lijden; want men spreekt gaarne over datgene, waarnaar men verlangt; 2) opdat zijne leerlingen, wanneer zij Hem zagen

206

ocr page 243

zondag quinquagesima .

sterven, juist zoo als Hij had voorzegd, ook niet aan zijne verrijzenis zonden twijfelen, die Hij insgelijks voorspeld had, en derhalve bij zijnen dood niet al te zeer ter neer geslagen zouden worden.

Verstonden dan de leerlingen volstrekt niet, wat Hy hun over zijn lyden voorspelde?

Zij zullen wel verslaan hebben, dat Hij lijden zou; de H. Petkus immers wilde Hem daarvan terughouden, (Matth. XVI, 22), doch zij konden de woorden des Verlossers niet in overeenstemming brengen met hunne verwachtingen over het rijk van den Messias en met hunne begrippen over de macht des Heilands; ook zagen zij niet in, om welke reden en. tot welk doel Hij lijden, of op welke wijze Hij verrijzen zou. Dit alles moest de H. Geest hun eerst doen begrijpen, nadat het volbracht was (Joann. XIV, 26). Het licht van den H. Geest is zoo noodzakelijk, dat de mensch zonder dit licht de geloofswaarheden niet genoegzaam begrijpt, hoe duidelijk ze ook worden voorgesteld.

Waarom noemt zich Jesus hier en elders zoo dikwijls den Zoon des menschen?

Daardoor wilde Hij aanduiden, dat Hij wezenlijk mensch en nakomeling van Adam was. Ook wilde Hij ons daarmee leeren, ootmoedig te zijn en niet naar hooge titels en eerenamen te trachten.

Waarom noemt de blinde den Verlosser quot;Zoon van David,.?

Om te toonen, dat hij Hem beschouwt als den Messias, die, volgens de voorzegging den Joden gedaan, uit het geslacht van David moest geboren worden, om hen en allen, die in Hem gelooven zouden, te verlossen (Ps. CXXXI, 11).

Waarom vraagde Christus den blinde : -Wat wilt gij, dat ik u doen zal?quot;

Dit deed Hij niet, alsof Hij niet wist, wat de blinde van Hem verlangde, maar 1) opdat deze zijn geloof en zijn vertrouwen in den Heiland des te beter zou kunnen aan den dag leggen, en 2) om te toonen, hoe vurig Hij verlangt, goed te doen, en hoe aangenaam het Hem is, wanneer wij Hem onzen nood openhartig en met betrouwen blootleggen.

207

ocr page 244

onderricht voor den

Wij leeren van den blinde, die zich door de voorbijgangers in zijn vurig smeeken geenszins liet storen, dat wij in liet goede, hetwelk wij begonnen hebben, door het menschelijk opzicht te verachten, dat ons wil terughouden, moeten voortgaan, en ons, noch door de slechte voorbeelden, noch dooide minachting en de spotternijen van de kinderen dezer wereld, daarvan moeten laten afschrikken. Verder leeren wij van dezen blinde, dat wij God vurig moeten danken en Hem onwankelbaar getrouw blijven, wanneer Hij de oogen onzer ziel geopend en ons van de geestelijke blindheid, die veel schadelijker en betreurenswaardiger is dan de lichamelijke, verlost heeft. Daarvoor kunnen wij Hem ook niet genoegzaam bidden; want niets is beklagenswaardiger dan God, zich zeiven, en datgene , wat onzer zaligheid voordeelig of nadeelig is, niet te zien of te erkennen. Hierin bestaat juist de geestelijke blindheid, waarvan wij ons door een vurig verlangen naar de kennis van Gods woord door een aanhoudend gebed, door vlijtig naar dé waarheid te zoeken, moeten trachten vrij te maken, even als de blinde van het Evangelie, die zijne genezing zoo vurig verlangde, Jesus aanhoudend er om vraagde en Hem onder het volk opzocht. Even zoo moéten wij, wanneer wij in zonden gevallen zijn, ijverig naar eene ware be-keering verlangen, God daarvoor bidden en ons beijveren, tot Hem te geraken en door Hem van onze zonden ontslagen te worden.

Waarom word dit Evangelie op den huldigen Zondag

gelezen ?

De Katholieke Kerk wil ons daardoor aan het smartvolle lijden en aan den dood van Christus herinneren, en ons voorbereiden tot de Heilige Vasten, die drie dagen later zal beginnen, en waarin wij ons, door eene ware boetvaardigheid, aan het lijden van Christus moeten deelachtig maken. Vele Christenen zijn in dit opzicht onwetender dan de leerlingen van Jesus en blinder dan de hlinde van het huidig Evangelie, naardien zij van al, wat de Kerk hnn over het smartvolle lijden van Christus zegt, niets verstaan, en nog veel minder hun vleesch uit liefde tot Hem kruisigen willen. Zij brengen deze dagen veeleer, volgens oud heidensch gebruik, in allerlei

208

ocr page 245

zondag quinquagesima.

buitensporigheden, brasserij en onknischheid door, wentelen zicli in wellust, bespotten, geeselen en kruisigen dus Christus opnieuw en denken er niet aan, voor deze en andere gruwelen boetvaardigheid te doen. Zijn deze Christenen ?... Ach! men moest hen veeleer Heidenen noemen, wijl zij zich als Heidenen gedragen.

Verzuchting. O Jesus! die een zoo vurig verlangen gehad hebt, voor onze zaligheid te lijden, geef, dat wij de vleeschelijke wellusten uit liefde tot U haten, de versterving en kruisiging des vleesches beminnen, opdat wij daardoor verdienen van de blindheid onzer ziel bevrijd te worden, U altijd beter te kennen, vuriger te beminnen, en eindelijk eeuwig te bezitten.

Onderricht op Aschwoensdag.

Waarom wordt deze dag aldus genoemd ?

Wijl de Katholieke Kerk op dezen dag de asch wijdt en de hoofden der geloovigea er mee bestrooit.

Tot welk doel wordt de asch gewijd ?

Opdat Gods zegen er over nederdale, en allen, die er zich ootmoedig mede laten bestrooien, 1) gezondheid, 'naar het lichaam en bescherming naar de ziel verwerven, 2) opdat zij van God een rouwmoedig en vermorzeld hart, en vergeving aller zonden bekomen; en 3) al datgene mogen verkrijgen waarom zij rechtzinnig bidden, in het bijzonder de genade van ware boetvaardigheid en het loon dat den boetelingen beloofd is.

Hoe moeten wij de gewade asch ontvangen ?

1) Met de bede, dat God ons het doel, waartoe de Kerk deze asch wijdt, moge doen bereiken; 2) met ootmoedigheid, zoodat wij ons vóór het aanschijn des Heeren herinneren en belijden, dat wij slof en asch zijn, en, wegens onze zonden tct stof en asch zullen wederkeeren, zoo als de Priester, om ons ootmoed en ijver tot de boetvaardigheid in te boezemen, ons vermanend toespreekt, wanneer hij ons de gewijde asch op het voorhoofd strooit. 14

209

ocr page 246

ondekricht vook

Waarom behoort men het voorhoofd mqt gewade asch te laten bestrooien?

Om voor God en de menschen te bekennen, dat men een oprecht berouw over zijne zonden gevoelt en tevens de noodzakelijkheid inziet van een nieuw leven te beginnen. Voornamelijk echter ook, om van God de genade tot verbetering des levens te verkrijgen.

Behaagt het Gode ook, dat men zich om gemelde redenen, met asch laat bestrooien ?

Ja, want God heeft zelfs bevolen, dat de Israelieten zich ten teeken van boetvaardigheid met asch zouden bestrooien (Jerem. XXV, 54). Dit deed ook David (Ps. Cl, 10), die zelts asch als brood at; dit deden de Ninivielen (Jonas III); Judith (Jud. IX), Mardoch^eus (Esther IV), Job (Job XLH, 6), enz. Waarom wordt, gedurende de Vasten, in de Altaarver-sierselen en Kerkgewaden de paarse kleur gebruikt ?

De Vasten is een tijd van rouw, wegens het lijden van Christus; men moet in dezen tijd dat smartvol lijden dikwijls overwegen en zich daardoor tot boetvaardigheid opwekken. Om deze reden schrijft de Kerk, buiten de feesten, die alsdan voorkomen, in de Altaarversierselen en Kerkgewaden het ge-bruid der paarse kleur voor, die de kleur der boetvaardigheid is, en wel van Septuagesima tot aan de H. Mis van Goeden Zaterdag. In de H. Mis van Goeden Donderdag echter, wordt de witte kleur gebruikt, omdat op dien dag de instelling van het Allerheiligste Sacrament des Altaars gevierd wordt. Op Goeden Vrijdag is bij den H. Dienst alles in zwart gewaad gehuld, dewijl alsdan de dood van den Verlosser der Wereld herdacht wordt. Bij de wijding der paaschkaars, op Goeden Zaterdag, kleedt zich de Diaken met de witte dalmatica, om daardoor de vreugde te kennen te geven, waartoe het verheven Exultet, dat hierbij door hem gezongen wordt, zoo levendig aanspoort.

Overigens is de Vasten een tijd van boetvaardigheid, waarin de Kerk de feesten des huwelijks verbiedt en de geestelijke Overheid de geloovigen vermaant, zich te onthouden van wereldsche vermakelijkheden, van groote maaltijden en van alle luidruchtigheid.

210

ocr page 247

ASCHWOENSDAG.

De Kerk bedient zieli, om den ijver aan den dag te leggen waarmede zij de gewijde asch ten teeken van boetvaardigheid ontvangt, alsmede om God tot barmhartigheid te bewegen, bij den Ingang der Mis van de volgende woorden: «Gij ontfermt U over allen, o Heer, en haat niets van hetgeen Gij gemaakt hebt, Gij ontveinst de zonden der menschen, om der boetvaardigheid wille, en spaart hen, wijl Gij, de Heer, onze God zijt (Wijsh. XI, 24-2S). Ontferm U mijner, o God! ontferm U mijner; want mijne ziel vertrouwt op U (Ps. LVI). Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Verleen, o Heer, uwen geloovigen, dat zij de eerbiedwaardige plechtigheid der Vasten met behoorlijke vroomheid beginnen en met eene ongestoorde godsvrucht voleindigen, door onzen Heer, enz.

EPISTEL: Les uit den Profeet Joël II, 12-19.

Dit zegt de Heer: bekeert u tot Mij uit geheel uw hart, met vasten en met geween en met rouwklacht. En scheurt uwe harten en uiet uwe kleederen, en bekeert u tot den Heer uwen God, omdat Hij goedertieren en mededoogend, lankmoedig en groot in barmhartigheid en verzoenlijk over de boosheid is. Wie weet of Hij zich niet laat bewegen en u vergeeft, en eenen zegen achterlaat tot spijs en dankoffer voor den Heer uwen God? Blaast de bazuin in Sion, stelt een Heilige Vasten in, roept de menigte te zamen, verzamelt het volk, heiligt de gemeente, vereenigt de ouderlingen, vergadert de kleinen en zuigelingen; de bruidegom verlate zijne legerstede en de bruid hare sponde. De Priesters, dienaren des Heeren, zullen wee-nen tusschen het voorhuis en het altaar en zeggen: Spaar,Heer, spaar uw volk en geef uw erfdeel niet over aan de schande, dat de Heidenen over hen heerschen. Waarom zegt men ouder de volken: Waar is hun God? De Heer heeft voor zijn land geijverd en zijn volk gespaard. En de Heer heeft geantwoord en tot zijn volk gezegd: Zie, ik zal u koren, en wijn en olie zenden, en gij zult er van verzadigd worden en ik zal u niet meer overgeven tot eene schande onder de Heidenen, zegt de almachtige Heer.

-211

ocr page 248

onderricht voor

Verklaring. De profeet Joel verlangt van de Joden, dat zij ten teeken van droefheid over limine zonden niet alleen hnn kleederen, maar ook hunne harten verscheuren, dat is, niet alleen uitwendige, maar ook inwendige boetvaardigheid doen of zich uit den grond huns harten bekeeren; het gansche volk moet zich, zonder uitzondering, tot eene gemeenzame boetoefening verzamelen, en de Priesters moeten God om vergiffenis smeeken; dan zal God zich over het volk ontfermen en het weder zegenen, in plaats van het te straffen. De Kerk stelt ons heden deze woorden vóór, om ons terstond, bij het begin der Vasten te verklaren, welke boetvaardigheid zij van ons vordert. — Neem dit wel ter harte, o Christen! en doe boetvaardigheid niet alleen door n van spijzen te onthouden; maar veel meer door u van alle zondige inzichten en werken te wachten!

Evangelie volgens den K. Mattheus VI, 16-2i.

In dien tijd sprak Jesus tot zijne leerlingen : wanneer gij vast, wordt niet somber, gelijk de schijnheiligen : want zij mismaken hunne aangezichten, opdat het aan de menschen zoude blijken, dat zij vasten. Voorwaar, ik zeg u, dat zij hun loon ontvangen hebben. Maar gij, als gij vast, zalft uw hoofd, en wascht uw aangezicht, opdat het aan de menschen niet blijke, dat gij vast, maar aan uwen Vader, die in het verborgen is; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal u vergelden. Wilt u geene schatten vergaderen op de aarde, waar de roest en de mot ze verteren, en waar de dieven ze opdelven en stelen. Maar vergadert u schatten in den hemel, waar noch de roest noch de mot ze verteren, en waar de dieven ze niet opdelven noch stelen. Want waar uw schat is, daar is ook uw hart.

Verklaring. Jesus vermaant zijne leerlingen niet te vasten voor het oog der menschen, of om door hen gezien en geprezen te worden; want indien zij dit deden, dan zouden zij daarvoor, bij gebrek aan ware boetvaardigheid, geen loon van den Hemelschen Vader ontvangen. Bovendien waarschuwt Hij hen,

212

ocr page 249

ASCHWOENSDAG.

tegen eene al te groote liefde voor de aardsche goederen, wijl deze liefde het hart des menschen en al zijne gedachten aftrekt van de Hemelsche schatten, die, wijl zij noch door den roest noch door de mot verteerd, noch door dieven uitgegraven en gestolen kunnen worden, alleen onze zorg en onzen arbeid waarlijk verdienen.

ONDEEEICHTING

over de

VEERTIGDAAGSCHE VASTEN.

Waaruit heeft de veertigdaagsche Vasten haren oorsprong?

De veertigdaagsche Vasten spruit zonder twijfel voort uit liet voorbeeld des Heeren, die, vóór Hij zijn verlossersambt aanvaardde, veertig dagen in de woestijn vastte. Ook Mozes en Elias hebben veertig dagen gevast, zoodat de veertigdaagsche Vasten door de Wet, door de Profeten eu door het Evangelie wordt aangeraden.

Waarom wordt de Vasten door de Katholieken, en wel juist veertig dagen vóór Paschen gehouden?

1) Om het voorbeeld van Christus na te volgen; 2) om aan het vasten en lijden van Chiustus deelachtig te worden, en om door deze vrijwillige versterving, naar het voorbeeld van den H. Paulus, (Col. I, 24) in ons vleesch te vervullen, wat aan de smarten van Chiustus ontbreekt. Dat moet echter niet zóó verstaan worden, alsof Christus niet genoegzaam voor onze verlossing hadde geleden en alsof ons eigen lijden daartoe nog noodzakelijk ware, want het Bloed, door Christus vergoten, is voldoende, om vele werelden te verlossen. De zin dier stelling is, volgens den H. Leo, veeleer deze: ))Het lijden des Heeren wordt tot aan het einde der wereld voortgezet; en gelijk Hij zelf in zijne Heiligen geëerd en bemind, in de armen gespijzigd en gekleed wordt, zoo deelt Hij in het lijden van allen, die, om der gerechtigheids wille, tegenspoed verduren.quot; Met andere woorden: Chiustus, die eens in zijn eigen Lichaam heeft geleden, lijdt in zijne ledematen voort

213

ocr page 250

onderricht voor de

tot aan het einde der wereld, wijl deze ledematen ook in het lijden gelijkvormig moeten zijn aan hun hoofd, als zij eens in de heerlijkheid daaraan gelijkvormig willen worden. Aan dit lijden nu des Heeren in zijne ledematen kunnen wij deel nemen, met ons vleesch door vasten te kastijden, en alzoo niet alleen ons zeiven, maar de gansche Kerk voordeelig wezen; want daardoor brengen wij het onze bij lot slichting onzer geloofsgenooten. en in het geheimzinnig lichaam, de Kerk van Christus, zijn de deugden en verdiensten van het eene lidmaat ook tot voordeel der anderen; 3) ten einde voortdurend onzen ijver tot de boetvaardigheid gaande te houden, om ons vleesch aan den geest te onderwerpen en onze kwade neigingen uit te roeien, opdat wij een zuiver leven leiden, en ons dusdoende 4) tot het H. Paaschfeest voorbereiden, gelijken, gelijk de Israelieten bij het eten van hun Paaschlam, dat slechts een zinnebeeld van het onze was, ongedeesemd brood en wilde bittere kruiden gebruikten; 3) eindelijk om Code eenige voldoening voor onze zonden te 'geven, dat het geschiktst in den tijd vóór Paschen, die op eene bijzondere wijze aan de overweging van het bitter lijden des Zaligmakers en aan de boetvaardigheid toegewijd is, geschieden kan.

Heeft men oudtijds ook zóó gevast als thans?

Ja, zelfs veel strenger; men onthield zich niet alleen van vleesch, maar ook nog van al datgene, wat van vleesch voortkomt, zoo als eieren, boter, kaas, enz., ja zelfs van wijn en soms nog van visch; men vastte den ganschen dag en at slechts 's avonds na de Vespers of bij het vallen van den nacht. Hiervan komt, dat nog heden in de Vasten, ter herinnering aan de 'oude gebruiken, de Vespers door de Priesters en Kloosterlingen vóór het middagmaal gebeden worden, daar de Kerk, als eene goede moeder, thans veroorloofd heeft 's middags in plaats van 's avonds te eten en ook 's avonds een weinig spijs te gebruiken, opdat ons lichaam niet te zeer verzwakt eu tot den arbeid ongeschikt zou worden. Door deze voorvaderlijke gebruiken worden vele Christenen onzer tijden, die de Vasten, zooals zij nu bestaat, nog voor te streng houden, beschaamd gemaakt. Doch zijn zij Chris-

214

ocr page 251

veertigdaagschk vasten.

tenen, vraagt de H. Ambrosius, die hun lichaam koesteren, terwijl Christus honger lijdt? Jesus, die geene zonden bedreven had, vastte voor onze zonden, en wij zouden voor onze eigene, menigvuldige en zware zonden niet willen vasten?

Hoe moet men de Vasten doorbrengen, om er voor zijne ziel voordeel uit te trekken?

Daar, volgens de leer van den H. Paus Leo, het hoofddoel der Vasten niet alleen in de onthouding van de spijzen, maar ook in de onthouding van de zonden bestaat, en de spijzen, zonder geestelijk voordeel, aan het lichaam onttrokken worden, wanneer men zijn hart niet van de zonden losrukt, zoo moet men zich gedurende de Vasten voornamelijk beijveren, niet alleen, om zich in eten en drinken te versterven, maar ook om zich van alle slechte en ongeoorloofde vermaken te onthouden, de goddeloosheid en de vleeschelijke wellusten te verzaken en rechtvaardig en godvreezend te leven. Terwijl men zijn lichaam door vasten verzwakt, moet men zijnen geest trachten te versterken, door de bovenmatige zorg voor het tijdelijke af te leggen, door herhaalde en vurige gebeden, door eene gedurige overweging van het lijden des Verlossers, door dikwijls te naderen tot de H. Sacramenten, door het lezen van godvruchtige boeken, door dagelijks de H. Mis bij te wonen en door het verrichten van andere goede werken, zoo als aalmoezen geven, enz. Men moet, gelijk de H. Vaders zeggen, datgene, wat men aan het lichaam weigert, den armen geven, indien men uit het vasten meer voordeel wil trekken. Want, gelijk de H. Chrvsostomüs schrijft, «de hand des armen is de offerkist van Christus, omdat Christus aanneemt wat de arme ontvangt.quot;

Met welk inzicht moet men vasten?

i) Met het inzicht Christus na te volgen en aan diens lijden deelachtig te worden; 2) om aan de Katholieke Kerk, als Bruid van Christus en onze Moeder, de verschuldigde gehoorzaamheid te bewijzen; 3) ten einde ons lichaam, door deze vrijwillige versterving, Gode toe te heiligen, en als een levend en welgevallig offer op te dragen; 4) om voor onze bedrevene zonden te voldoen; 5) ten einde van God de genade te ver-

21S

ocr page 252

onderricht voob de

krijgen, om deze of gene zonde te vermijden, deze of gene deugd te verkrijgen, enz. enz. Men hernieuwe dagelijks deze meening door liet volgende

Gebed.

O Heer Jesus ! in vereeniging met uw vasten en lijden offer ik ü mijn hart op, uit gehoorzaamheid jegens de Kerk, te Uwer eere en tol dankzegging voor de menigvuldige weldaden, die ik van U heb ontvangen, tot voldoening voor mijne zouden en voor die van anderen, en tot verkrijging der genade, om deze zonde N. te vermijden, om deze deugd N. te verwerven, enz.

Op Donderdag na Aschwoensdag.

EPISTEL.: Les uit den Profeet Isaias XXXVIII, 1-6.

In die dagen werd Ezechias krank tot den dood toe; en toen kwam Isaias, de zoon van Amos den Profeet, tot hem, en zeide hem; Dit zegt de Heer: breng uw huis in orde, want gij zult sterven en niet leven. En Ezechias wendde zijn aangezicht om naar den wand en bad tot den Heer en sprak: Gedenk, o Heer, bid ik U, hoe ik voor uw aanschijn, in waarheid en met een volmaakt hart, gewandeld en gedaan heb wat goed is in uwe oogen. En Ezechias weende overluid. En het woord des Heeren geschiedde tot Isaias, zeggende: ga, en zeg aan Ezechias: Dit zegt de Heer God van David, uwen vader: Ik heb uw gebed gehoord en uwe tranen gezien; zie, Ik zal vijftien jaren bij uwe dagen voegen; en ik zal u uit de hand van den koning der Assyriërs redden, u en deze stad, en Ik zal haar beschermen, zegt de almachtige Heer.

Verklaring. Toen de Assyrische koning Sennacherib het rijk van Juda bedreigde, kondigde Isaias, op bevel van God, koning Ezechias den dood aan. Deze vorst wendde zich, door een vurig gebed, tot den Heer en verwierf hierdoor verlenging zijns levens, redding uit de handen der Assyriërs, en Gods bescherming voor de stad Jerusalem eu het gansche volk van Juda. — Leer daaruit, welke groote waarde en kracht eene oprechte bekeering en een ootmoedig en vurig gebed hebben, en gebruik ook de dagen van ongeluk en droefheid, om uw bedrevene misstappen te beweenen, om u door een ootmoe-

216

ocr page 253

veertigdaagsche vasten.

dig gebed, door een waar berouw over uwe zonden, tot God te wenden en om er boetvaardiglieid over te doen. Vergeet God ook niet, nadat de tijd der droefheid voorbij is, opdat gij niet in uwe oude zonden moogt hervallen en opdat Heer u eindelijk niet aan de onboetvaardigheid en het verderf over-iate, zoo als Hij met Pharao en de Joden heeft gedaan.

Evangelie volgens den H. Matth^us VIÏI_, 5-13.

In dien tijd^ als Jesus binnen Capharnaüm kwam, naderde Hem een hoofdman, Hem biddende, en zeggende: Heer! mijn knecht ligt te huis aan eene beroerte, en lijdt zware pijnen. En Jesus sprak tot hem: Ik zal komen, en hem genezen Maar de hoofilman antwoordde, en zeide: Heer. Ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak ingaat ^ maar spreek slechts een woord en mijn knecht zal gezond worden. Want ook ik ben een mensch, onder gezag staande, die krijgsknechten onder mij heb; en ik zeg tot dezen; ga! en hij gaat; en lot eenen ander: kom! en hij komt; en tot mijnen knecht: Doe dit! en hij doet het. Jesus nu dit hoorende^ was verwonderd, en sprak tot degenen^ die Hem volgden : Voorwaar, Ik zeg u_, Ik heb in Israel zoo groot een geloof niet gevonden. Doch Ik zeg u, dat velen van het Oosten en Westen komen zullen, en met Abraham, Izaak en Jacob aanzitten in het rijk der Hemelen; maar dat de kinderen des rijks in de uiterste duisternissen zullen geworpen worden , daar zal geween zijn en knarsing der tanden. Enquot; Jesus sprak tot den hoofdman: Ga, en gelijk gij geloofd hebt, geschiede u! En de knecht is ter zelfder ure gezond geworden.

Zie de verklaring van dil Evangelie op bl. t60, beginnende met de woorden : «Wat leert ons de zorg van den hoofdman voor zijnen knecht?quot;

Gebed der Kerk over het volk.

Spaar, Heer, spaar uw volk, opdat het door de verdiende straffen gekastijd zijnde, in uwe barmhartigheid herleve, door onzen Heer Jesus-Ghiustus, enz.

217

ocr page 254

onderkicht voor de

Op Yrijdag na Ascliwoensdag.

EPISTEL.: Les uit den Profeet Isaias LVIII, 1-9.

Dit zegt de Heer God: Roep zonder opbonden, verhef uwe stem als ecne bazuin en verkondig mijn volk hunne misdaden en het huis van Jacob hunne zonden; want zij zoeken Mij van dag tot dag en willen mijne wegen weten, gelijk een volk, dat gerechtigheid gedaan en het recht van zijnen God niet verlaten heeft; zij vragen mij vonnissen der gerechtiglieid en willen tot God naderen. Waarom vasten wij en Gij ziet er niet naar; waarom verootmoedigen wij onze zielen en Gij weet het niet? Ziet, op den dag van uw vasten toont zich uw wil, en al uw schuldenaren vervolgt gij. Ziet, tot twist en geschillen vast gij, en gij slaat goddeloos toe met de vuist. Vast niet, gelijk tot heden, opdat uw geroep in den hooge verhoord worde. Is het zulk een vasten, dat Ik verkies, wanneer de mensch zijne ziel door den dag kwelt en zijn hoofd kromt als een hoepel en in zak en assche ligt? Zult gij dat een vasten noemen en eenen den Heer aangenamen dag? Is niet dit veeleer een vasten, dat Ik verkies? Slaak de banden der boosheid, maak los de nederdrukkende bundels, zend de verdrukten in vrijheid henen, en verbreek alle juk. Breek den hongerigen uw brood en geleid de armen en zwervenden in uw huis: als gij eenen naakte ziet, kleed hem, en veracht uw vleesch niet. Dan zal uw licht voort-breken als de morgen en uwe gezondheid zal spoediger opkomen en uwe gerechtigheid zal u voorafgaan en de heerlijkheid des Heeren zal u omgeven. Dan zult gij roepen en de Heer zal u verhooren; gij zult schreeuwen en Hij zal zeggen : Zie, hier ben Ik, omdat Ik de barmhartige Heer uw God ben.

Verklaring. De Joden vastten wel in de Babylonische gevangenschap, maar hun vasten was Gode niet aangenaam, wijl zij slechts hun lichaam kastijdden en zich niet van da zonden onthielden. De banden der zonden verbreken, zijnen naaste niet verdrukken, de noodlijdenden bijstaan, dat is een vasten, hetwelk Gode behaagt en den mensch Gods barmhartigheid verwerft!

218

ocr page 255

veertiguaagsche vasten.

Evangelie volgens den H. Mattheüs V, 43-VI^ 4.

In dien tijd sprak Jesus tot zijne leerlingen: Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uwen naaste liefhebben, en uwen vijand haten. Doch Ik zeg u: Hebt. uwe vijanden lief, doet wel dengenen die u haten, en bidt voor hen, die u vervolgen en lasteren : opdat gij kinderen van uwen Vader zijt, die in den Hemel is: die zijne zon doet opgaan over goeden en kwaden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Want indien gij degenen lief hebt, die u liefhebben, welk loon zult gij hebben? Doen dit ook de tollenaars niet! En indien gij alleen uwe broeders groet, wat doet gij meer? Doen dit ook de Heidenen niet? Zijt gij derhalve volmaakt, gelijk ook uw Hemelsche Vader volmaakt is! Geeft acht, dat gij uwe rechtvaardigheid niet uitoefent voor de menschen, om van hen gezien te worden: anders zult gij geen loon hebben bij uwen Vader, die in de Hemelen is. Wanneer gij dan eene aalmoes geeft, laat het vóór u niet uitbazuinen, gelijk de schijnheiligen in de synagogen en op de straten doen, om van de menschen geëerd te wor len. Voorwaar^ Ik zeg u, zij hebben hun loon ontvangen Maar wanneer gij eene aalmoes geeft laat uwe linkerhand niet weten, hetgeen uwe rechterhand doet; opdat uwe aalmoes in het verborgene zij,, en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.

Verklaring. Het was reeds iu het Oude Verbond geboden, dat men alle menschen moet liefhebben; de Schriftgeleerden nochtans legden dit gebod zóó uit, alsof de vijanden van deze liefde waren uitgezonderd. Jesus toont hier aan, hoe verkeerd de Joden handelden, wanneer zij hun gedrag naar deze uitlegging richtten en vermaant hen, den Hemelschen Vader na te volgen en gelijk Hij alle menschen, ook de vijanden en degenen die hen beleedigen, lief te hebben. Verder waarschuwt Hij hen, hunne goede werken niet te verrichten,

219

ocr page 256

ondekricht voor de

om daardoor een uitwendigen lof te verwerven, wijl hun in dit geval ook geen loon dan deze lof te wachten staat; hunne goede werken immers zouden alzoo voor de eeuwigheid verloren gaan, vermits daar slechts zulke werken worden beloond, die ter eere Gods gedaan zijn.

Gebed der Kerk over het volk.

Bescherm, o Heer! uw volk en zuiver het genadig van alle zonden, opdat geene wederwaardigheid het zal schaden, indien het door geene ongerechtigheid beheerscht wordt, door onzen Heer, enz.

Op Zaterdag na Aschwoensdag.

EPISTEL: Les uit den Profeet Isaias LVIII, 9-14.

Dit zegt de Heer God: zoo gij de koten uit uw midden wegneemt en ophoudt den vinger uit te stoken en te spreken wat niet gerechtvaardigd is; als gij uwe ziel zult uitgestort hebben voor den hongerige en den bedrukte zult verzadigd hebben, dan zal uw licht opgaan in de duisternis, en uwe duisternis zal zijn als de middag. En de Heer zal u altijd rust geven en Hij zal uwe ziel met heerlijkheid vervullen en uwe beenderen verlossen en gij zult zijn als een besproeide tuin en als eene bron, wier wateren niet zullen ophouden. En de verwoeste plaatsen der eeuwen zullen door u opgebouwd worden: en gij zult de fondamenten van geslacht tot geslacht oprichten en gij zult genoemd worden: de oprichter der hagen, makende de paden veilig. Zoo gij uwen voet afkeert van den Sabbat en vermijdt uwen wil te doen op mijnen heiligen dag, en den Sabbat noemt den zoeten, heiligen en roemvollen dag des Heeren en hem verheerlijkt door uwe wegen niet te doen, en uwen wil niet te volbrengen, geene ijdele woorden te spreken; dan zult gij u verlustigen in den Heer en Ik zal u voeren over de hoogten der aarde en u spijzigen met liet erfschap van Jacob, uwen vader, want de mond des Heeren heeft gesproken.

Verklaring. Op bl. 218 hebben wij gezien, dat God door den mond van zijne Profeten verklaard heeft, welke vasten Hem aangenaam is en hoe Hij het beloonen zal. In deze les is

220

ocr page 257

vekrtigdaagsaik vasten.

ook daarvan sprake en wordt tevens de belofte gedaan, dat het in zonden en ellenden gevallen mensclidom door Israel, dat is door den Verlosser, die nit Israel moest voortspruiten, weder zal opgericht, en met God verzoend worden. Verder wordt er verkondigd, welk geluk de Israelieten zullen verwerven, wanneer zij den Sabbat heiligen: dat zij namelijk zich in den bijstand des Heeren verheugen, over him land heerschen en het erfschap van Jagod weder verkrijgen zullen. — Laat ons daaruit leeren, hoe verdienstvol het vasten en het vieren der Heiligêndagen is; en trachten wij, door hetgeen wij alzoo geleerd hebben, in beoefening te brengen, Gods welgevallen en zegen te bekomen! Danken wij Hem ook te allen tijde en van ganscher harte, dat Hij zich onzer ontfermd en zijnen ééniggeboren Zoon tot onze verlossing heeft afgezonden!

Evangelie volgens den H. Marcus VI, 47-56

In dien tijd, als het avond was geworden, was het schip te midden dor zee, en Jesus alleen aan Jand. En Hij zag, dat zij zwaar werkten, om voort te roeien: want de wind was hun tegen : en omtrent de vierde nachtwake kwam Hij tot hen, wandelende over de zee, en wilde hen voorbijgaan. Maar zij, ais zij Hem over de zee zagen wandelen, meenden, dat hot eene verschijning was, en schreeuwden luid. Want allen zagen Hem, en werden ontroerd. En terstond sprak Hij met hen, en zeide tot hen: Hebt goeden moed; Ik ben het, vreest niet! En Hij klom tot hen in het schip, en de wind stilde. En zij waren in zich zeiven nog meer verbaasd; want zij hadden dat van de brooden niet begrepen, dewijl hun hart verblind was. En als zij overgevaren waren, kwamen zij in het land van Gene-sareth, en legden daar aan. En als zij uit het schip uitgegaan waren, herkenden zij Hem terstond. En het geheele omliggende land doorloopende, begonnen zij degenen, die krank waren,, op bedden te dragen, waar zij hoorden, dat Hij was. En waar Hij inging, in vlek-

221

ocr page 258

onderricht voou den

ken of dorpen^ of steden, legden zij de zieken op de straten, en baden Hem, dat zij slechts den zoom zijns kleeds mochten aanraken; en allen die Hem aanraakten, werden genezen.

Verzuchting. Hoe traag is toch de mensch in het geloof! Zij, die in het schip waren, hadden de vermeerdering der brooden gezien, en er zelfs van gegeten, en geloofden niet, dat Jesus in alle dingen almachtig was en derhalve ook niet op de golven der zee wandelen kon. Hoe beschaamt hen en ons het voorbeeld dergenen, die hunne zieken tot Jesus brachten en Hem baden, dat deze zieken slechts den zoom van zijn kleed mochten aanraken, om de gezondheid te verkrijgen. O Jesüs ! versterk toch ons zwak geloof, opdat wij U voor den Zoon van God erkennen, en in al onzen nood met een vast vertrouwen op U hopen.

Gebed der Kerk over het volk.

Versterk, o God, uwe geloovigen door uwe gaven, opdat zij er naar zuchten door ze te ontvangen en ze onophoudelijk verkrijgen door ze te vragen, door Jesus-Cuiustüs, enz.

Onderricht op den eersten Zondag in de Tasten. (*)

De Ingang der Mis, welke uit Ps. XC is genomen, spoort ons aan tot vertrouwen op God, die het gebed des boet-vaardigen gaarne verhoort, daar Hij zegt: «Hij zal mij aanroepen, en Ik zal hem verhooren, Ik zal hem verlossen en verheerlijken, Ik zal hem een lang leven schenken.' Ps. Hij, die in de hulp des Allerhoogsten woont, zal blijven onder de bescherming van den God des Hemels. Eere zij, enz.

Gebed der Kerk.

0 God! die uwe Kerk door de jaarlijksche onderhouding der veertigdaagsche Vasten zuivert, verleen uwen kinderen, dat zij door hunne goede werken ten uitvoer brengen, hetgeen zij door onthouding van U trachten verkrijgen. Door on/.en Heer, enz.

{') De Zondagen van de Vasten worden dikwijls, naar de eerste woorden van den Ingang der Mis, genoemd: de eerste Invocabit, do tweede Reminscere, de derde Oculi, de vierde Lat me, de vijfde Judica.

2quot;22

ocr page 259

eersten zondag van de vasten.

EPISTEL : Les uit den tweeden Brief aan de Gorinthiërs, VI, 1-10.

Broeders, wij vermanen u, dat gij niet te vergeefs de genade Gods raoogt hebben ontvangen; want Hij spreekt: In den aangenanien tijd heb Ik u verhoord, en in den dag der zaligheid heb Ik u geholpen. Ziet, nu is de welaangename tijd; ziet nu is de dag der zaligheid! Aan niemand eenigen aanstoot gevende, opdat er geene vlek geworpen worde op onze bediening; maar in alles betoonen wij ons zeiven als bedienaren Gods, in veel lijdzaamheid, in verdrukkingen, in nooden, in beangstigingea, in slagen, in gevangenissen, in oproeren, in arbeiden, in waken, in vasten, in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in goedertierenheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde, in het woord der waarheid, in de kracht Gods, door de wapenen der rechtvaardigheid ter rechter- en ter linkerzijde, door verheerlijking en oneer, door kwade faam en goede faam; als verleiders eu waarachtig; als onbekenden en gekend; ais stervende, en ziet, wij leven; als getuchtigd wordende eu niet gedood; als bedroefd wordende, maar altoos blijde; als arm, maar velen rijk makende; als niets hebbende, en alles bezittende.

Verklaring. De Kerk leest heden te recht dezen Epistel voor, waarin de II. Pallus de Christenen vermaant, dat zij den tijd der genade toch goed gebruiken, gelijk ook hij doet; dewijl degene, die zich de genade vruchteloos maakt en er geene goede werken door voortbrengt, ze te vergeefs ontvangt. Paulus verstaat door tijd van genade den tijd des Christen-doms in het algemeen; de Katholieke Kerk verstaat daardoor in het bijzonder den Vastentijd, die aan de gedachtenis dei-grootste geheimen is toegewijd en waarin ons ook alles tot bekeering, boetvaardigheid en het ontvangen van Gods genade uitnoodigt. Laat dus deze tijd, die als de geestelijke oogsttijd is, voor ons niet ongebruikt voorbijgaan, maar oefenen wij ons in de door den H. Paulus aangehaalde deugden en inzonderheid in de matigheid, het geduld, de kuisohheid, de edelmoedigheid en de liefde tot God en den naaste. Wapenen wij onze rechter- en linkerzijde met de wapenen van een deugdzaam leven, dat is, laat ons steeds als dienaren Gods

223

ocr page 260

onderricht voor den

wandelen, die geluk en ongeluk als middelen tot de deugd gebruiken, naardien zij zich ten tijde des geluks in de ootmoedigheid en de onthouding, en ten tijde des ongeluks in de standvastigheid en het geduld oefenen, en laten wij ons noch door spotternij, noch door verachting, noch door pijnen, noch door den dood van de deugd of van den eenmaal ingeslagen weg der bekeering verwijderen.

Evangelie volgens den H. Mattheus IV, 1-H.

In dien tijd werd Jesus door den Geest naar de woestijn geleid, om van den duivel bekoord te worden. En als Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, kreeg Hij honger. En de bekoorder naderde, en zeide tot Hem: Indien gij Gods Zoon zijt, zeg, dat deze steenen brood worden, Maar Hij antwoordde, en sprak: Er staat geschreven: De mensch leeft niet van brood alleen, maar van alle woord, hetwelk uit den mond Gods voorkomt. Toen nam Hem de duivel op naar de Heilige Slad, en stelde Hem op de tinne des tempels, en zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp U van boven neder^ want er staat geschreven: dat Hij zijne Engelen wegens U bevolen heeft^ en zij zullen U op de handen dragen, opdat Gij uwen voet aan geenen steen zoudt stooten. Jesüs sprak tol hem: Er staat ook geschreven: Gij zult den Heer uwen God niet verzoeken ! De duivel nam Hem wederom op naar eenen zeer hoogen berg, en toonde Hem alle de koninkrijken der wereld en hunne heerlijkheid^ en zeide tot Hem: Dit alles wil ik U geven, indien Gij nedervalt en mij aanbidt. Toen sprak Jesus tot hem: Ga weg, Satan! want er slaat geschreven: Gij zult den Heer uwen God aanbidden, en Hem alleen dienen ! Toen verliet Hem de duivel, en ziet. Engelen naderden, en dienden Hem.

Zedeles. I. Christus begeeft zich door ingeving van den H. Geest in de woestijn, om zich in de eenzaamheid en stilte doof vasten en bidden, tot zijn verheven ambt voor te berei-

ocr page 261

eersten zondag van de vasten,

den en om de bekoringen des Satans te ondergaan, opdat Hij, in alle dingen, gelijk wij, bekoord en toch zonder zonden zou wezen en op die wijze een hoogepriester zou zijn en op die wijze een hoogepriester voor ons zou worden, die medelijden met onze zwakheden hebben kan (Hebr. IV, 15); alsook om ons door zijn voorbeeld te leeren, hoe wij met het Woord Gods, als met een zwaard gewapend, den bekoor-der op de vlucht moeten drijven en overwinnen. — Laat ons Christus navolgen, en het zal ons niet moeielijk vallen, onder zijne bescherming, de zege te behalen. Hij heeft ons, door zijn voorbeeld, de zwaarste bekoringen, namelijk die van den wellust of des vleesches, des hoogmoeds en der heb- en heerschzucht leeren overwinnen, en als wij deze overwonnen hebben, dan zal het ons niet meer lastig vallen alle andere te onderdrukken. Christus belooft ons, als het loon voor onze dapperheid, dat wij met Hem op zijnen troon zullen zitten, gelijk Hij, na zijne overwinning, op den troon zijns Vaders heeft plaats genomen (Openb. III, 21). Bij de kinderen doen zich de bekoringen des vleesches dikwijls voor als neigingen tot snoepen, tot luiheid, enz., waaruit volgt, dat men deze niet uit het oog moet verliezen, en dat de kinderen zich behoorlijk moeten beijveren, om ze te overwinnen.

II. Indien Christus, de eeniggeboren Zoon Gods, heeft toegelaten, dat Hij van den duivel bekoord, ja zelfs op eenen hoogcn berg en op de tinne des tempels gevoerd werd, dan moet het ons niet bevreemden, wanneer wij ook door menigvuldige bekooringen des duivels worden lastig gevallen. — Laat ons daartegen strijden, gelijk Christus er tegen gestreden heeft.

III. Nadat Jesus deu duivel overwonnen had, kwamen de Engelen tot Hem en dienden Hem. Hieruit leeren wij, dat degenen, die de bekoringen standvastig bestrijden, zich over liet gezelschap, den troost en bijstand der Engelen Gods verheugen mogen. — Laat ons derhalve met grooten ijver tegen de bekoringen strijden!

-225

15

ocr page 262

ondekricht voor dem

Onderricht over de bekoringen.

Danrna werd Jesus door den Geest naar de woestijn geleid, om van den duivel bekoord te worden. Matth. IV, 1.

Wat is eene bekoring?

Een woord, werk of ingeving, welke geschiedt met het doel, den niensch tot val te brengen of wel oin hem gelegenheid te verschaffen eene deugd te beoefenen. Op de eerste wijze, die slecht is, bekoren de duivel, de wereld en het vleesch, op de tweede manier, die goed is, bekoort God.

Waardoor worden wij vooral bekoord?

Door onze eigene, van de erfzonde nog overgeblevene, slechte begeerlijkheid en neiging lot hot kwaad, waardoor het vleesch zich gedurig tegen den geest verheft.

Bekoort de duivel de menschen ook?

Ja, want in de H. Schrift staat: »Ik duivel gaat rond als een brieschende leeuw, zoekende wien hij zal verslinden'' I Pet. 8. Daarom wordt hij ook in het huidig Evangelie de bekoor-der genoemd. Doch alle bekoringen moeten niet aan den duivel worden toegeschreven, want de meeste komen voort uit onze bedorvene natuur, uit onze weinige behoedzaamheid en uit de ongebondenheid onzer zinnen, waardoor wij ons zeiven aan het gevaar van te zondigen bloot stellen, want een ieder wordt hekoord, wanneer hij door zijne hegeerlijkheid vervoerd en aangelokt wordt; vervolgens als de begeerlijkheid heeft ontvangen, haart zij de zonde. Jac. I, 14, 15.

Hoe bekoort ons de duivel?

Door eene lange ondervinding geleerd, beweegt hij de natuurlijke begeerlijkheid tot zulke zonden, waartoe hij weet, dat de mensch geneigd is en hij verblindt en verwart de verbeelding, zoodat de mensch de tijdelijke schade, schande en vernedering, de afschuwelijkheid der zonde en de eeuwige straffen niet duidelijk meer inziet en zich aan de zonde overlevert. Op die wijze heeft hij onze eerste moeder Eva door hare nieuwsgierigheid in het aanschouwen der verbodene vrucht tot eetlust, naderhand tot hoogmoed en eindelijk tot ongehoorzaamheid gebracht. Datzelfde wilde hij ook met Christus doen, doch zijn plan mislukte. Dikwijls ook tracht hij de menschen.

226

ocr page 263

eersten zondag van de vasten.

bij ziekte en andere tijdelijke rampen, tot zonden en gemor tegen de Goddelijke Voorzienigheid te verleiden, zoo ais hij onder anderen met Job heeft gedaan.

Kan de duivel ons tot kwaad dwingen?

Geenszins, want hij is, zoo als de H. Augustinus zegt, gelijk aan eenen hond, die aan ketenen vastgelegd is en niemand bijten kan, dan hen, die moedwillig — door zondige begeerten en vermaken — tot hem naderen. En de H. Chry-sostomus zegt: Wij geven toe, dat Satan ons tot zeer veel zonden aanspoort, doch meestal struikelen wij door onze eigene traagheid en nalatigheid, en als Satan er velen overwint, dan moet hij dit niet zoo zeer aan zijne sterkte dan wel aan de lafheid der overwonnenen toeschrijven. Laat ons dus onze lafheid overwinnen, en beijveren wij ons, onze driften te onderdrukken, onze zinnen, voornamelijk de oogen, te bewaken, opdat wij den duivel geene gelegenheid geven, ons te bekoren en tot zonden over te halen; zoo doende zullen wij van vele bekoringen bevrijd blijven en die, waardoor wij gekweld worden, zegevierend overwinnen, vooral wanneer wij, op het oogenblik der bekoring, onze toevlucht tot God nemen, want als God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Niemand is sterker dan de mensch, met wien God is en die een vast vertrouwen op God heeft!

Bekoort God de menschen ook?

Ja, doch geheel anders dan de duivel, want God kan niet tot het kwaad hekoord worden en Hij bekoort ook niemand Jac. I, 13, maar God wil beproeven of wij Hem ook in tegenspoed getrouw blijven, en door de bekoringen (van den duivel, enz.) toe te laten, wil Hij ons de gelegenheid verschaffen, ons geduld en onze liefde jegens Hem te toonen; ook wil Hij onze deugd op de proef stellen. Dal verklaart Hij zelf door den mond van zijnen dienaar Mozes, die zegt: de Heer uw God bekoort u, opdat het blijke, of gij Hem met geheel uw hart en met geheel uwe ziel bemint of niet. Deuter. XIII, 3.

Laat God ook toe, dat wy door de menschen bekoord

worden ?

Ja, Hij laat zulks om de bovengemelde redenen toe. Zoo heelt Hij den kuischen Jozef door de vrouw van Putifar, Job en Tobias door hunne eigene vrouwen laten bekoren. Hij

227

ocr page 264

onderricht voor den

laat nochtans nooit toe, dat wij boven* onze krachten bekoord worden; Hij richt de bekoring zoo in, dat wij er over kunnen zegevieren; met andere woorden, Hij verleent ons zulke krachten, dat wij de bekoring niet alleen overwinnen kunnen, maar ze ook werkelijk overwinnen, wanneer wij slechts het onze daartoe bijdragen, en het ons niet aan goeden wil, aan vertrouwen op Hein, aan gelatenheid en geduld ontbreekt, ei» vooral indien wij onze toevlucht nemen tot het gebed (I Gor. X, 15). Zie de geschiedenis van den H. Paulus op Zondag van Sexagesima bladz. 195.

Zijn de bekoringen ook schadelik en kwaad?

Neen, zij zijn niet schadelijk, zoo lang men daarin niet toestemt; en als men dapper weerstand biedt en ze overwint, dan zijn ze zelfs voordeelig, naardien zij ons in de deugd versterken en ons eene heerlijke kroon verschaffen in den Hemel (Openb. III).

Wanneer stemt men toe in de bekoringen?

Niet eerder dan wanneer wij wetens en willens in het kwaad, dat ons voorgehouden wordt, toestemmen. Zoo lang men weerstand biedt, zoo lang stemt men niet toe en begaat men geene zonde; men vergadert zich daardoor zelfs groote verdiensten.

Welke zijn de beste middelen, om de bekoringen te overwinnen ?

1) De ootmoedigheid, waardoor wij ons vóór God vernederen en onze ellende, zwakheid en ons onvermogen vóór Hem belijden, en met groot vertrouwen om zijnen bijstand smeeken. Hierdoor verwerven wij de hulp Gods, die den ootmoedige zijne genade verleent en den hoovaardige weerstaat (Jac. IV, 6). 2) Het aanroepen der H. Maagd en Moeder Gods Maria, van onzen H. Engelbewaarder en onze H. Patronen. 3) Het uitspreken der namen van Jesus en Maria, het maken van het teeken des H. Kruises, het gebruiken van gewijd water, enz. enz. 4) Het godvruchtig bidden van het Onze \ader en vooral van de bede: leid ons niet in bekoringen, dat is, laat niet toe, o Heer, dat wij in de bekoringen toestemmen; vérder nog een kort gebed bijv.: «Jesus, wees mijn Verlosser, Jesüs help mij,quot; of «Heer, red mij, anders verga ik.quot; 5) Een aandachtig gebed, gepaard met een streng en veelvuldig vasten^

228

ocr page 265

eersten zondag van de vasten.

opdat ons lichaam aan den geest en onze geest aan God onderworpen blijve. Het gebed is des te noodzakelijker, daar wij ook in znlke bekoringen, die onze krachten niet te boven gaan, Gods hulp behooren in te roepen, om niet overwonnen te worden. Zonder Mij kunt gij niets doen, zegt de Heer. 6) Eene voortdurende waakzaamheid over ons zeiven, opdat ons geene bekoring onverwachts overvalie. 7) De herinnering aan Gods tegenwoordigheid; want zou men wel in de tegenwoordigheid van dien strengen Rechter iets durven doen o!' denken, waarover men zich in het bijzijn van een deugdzaam mensch zou schamen? 8) Het overwegen van den dood, die oogenblikkelijk op de toestemming in de bekoring volgen kan; van de helsche pijnen, waarmede een kortstondige wellust bestraft, en van de eeuwige gelukzaligheid, waarmede de overwinnaar der bekoringen beloond wordt. 9) De overweging van de gewetenswroegingen, van de ongerustheid des harten, van den angst en de vrees, enz. die op de zonden volgen en van de aangename voldoening, die uit de zegepraal over de bekoringen voortspruit. 10) Het vermijden of het vluchten der personen en plaatsen, waardoor wij bekoord worden, want wie het gevaar bemint, zal er in vergaan; dat is, wie zich vrijwillig aan de bekoring blootstelt, in de meening, dat •'ij ze nog altijd ontvluchten kan, die is zijnen ondergang nabij. 11) Gestadige werkzaamheid; want de H. Basilius zegt: Arbeidt met uwe handen tot bevrijding uwer zonden; dat is, werkt opdat gij u van de zonden vrijwaart. Onze gedachten worden door den arbeid van de voorwerpen der bekoringen afgetrokken, het vleesch wordt aan onderdanigheid gewend en zijne slechte begeerten worden onderdrukt. Eindelijk 12) het vaste vertrouwen, dat God onze Heiland en Redder is, die ons door Jesus-Christus de zege verleent (I Cor. XV, 57).

Verzuchting. 0 Heer Jesus, die veertig dagen in de woestijn hebt doorgebracht en buitendien nog door den duivel wildet bekoord worden, ik smeek U, door uw heilig vasten, mij de genade te geven, gedurende dezen Vasten-tijd alle overdaad in eten en drinken te vermijden en aan de ingevingen van Satan weerstand te bieden, opdat ik de kroon des eeuwigen levens verdiene. Amen.

229

ocr page 266

OP MAANDAG ISA DEN

Op Maandag na den eersten Zondag in de

Tasten.

EPISTEL: Les uit den Profeet Ezechiël XXXIV, 11-16.

Dit zegt God de Heer: Zie, Ik zal zelf naar mijne schapen vragen, en zal ze opzoeken. Gelijk een herder zijne kudde opzoekt, op den dag, als hij te midden zijner verstrooide schapen is, zoo zal Ik mijne schapen opzoeken en ze redden uit alle plaatsen, waar ze verstrooid werden op den dag der wolke en der donkerheid. En Ik zal hen uit de volken uitleiden en ze verzamelen uit de landen, en zal ze voeren in hun land; en Ik zal ze weiden op Israels bergen, aan de beken en op alle plaatsen des lands; Ik zal ze weiden op de vetste weilanden, en op Israels hooge bergen zullen hunne weiden zijn; daar zullen zij rusten in het groene gras en zij zullen grazen in vette weiden op Israels bergen. Ik zal mijne schapen weiden, en Ik zal ze doen rusten, zegt God de Heer. Dat verloren was, zal Ik opzoeken, dat weggedreven was, zal Ik terugvoeren, en dat gebroken was, zal Ik verbinden, dat zwak was, zal Ik versterken en dal vet en sterk was, zal Ik bewaren en Ik zal ze weiden volgens recht, zegt de almachtige Heer!

Verklaring. De Profeet spreekt hier voornamelijk van de verlossing der Joden uit de Babylonische gevangenschap, door onmiddellijke tusschenkomst van God; al wat hier gezegd wordt, is ook te gelijker tijd, zoo als zulks bij Isaias en Jeremias meermalen het geval is, een beeld der verzameling van alle volkeren in één schaapstal, onder één herder, Jesus-Chiustus. Hoeveel goeds heeft ons deze Herder reeds bewezen, hoeveel goeds bewijst Hij ons nog voortdurend! Hij voedt onze zielen overvloedig, door zijn Woord en door zijne Sacramenten; Hij beschermt ons tegen onze vijanden, en als iemand onzer, door een zondig leven, zich van Hem verwijderd heeft, dan rust Hij niet, vóór Hij dezen gevonden en tot de kudde teruggebracht heeft.

Gebed.

Dank zij U, o goede Herder! eeuwige dank voor uwe liefde. Verleen ons slechts, dat wij uwe weldaden altijd meer erkennen en ous, door eene innige en krachtdadige liefde, steeds vaster aan U aansluiten, om nimmer meer van ü gescheiden te worden!

230

ocr page 267

EERSTEN ZONDAG IN DE VASTEN.

Evangelie volgens den H. Mattheus XXV, 31-46.

In dien tijd zeide Jesus tot zijne leerlingen ; Wanneer de Zoon des menschen in zijne heerlijkheid zal gekomen zijn, en alle de Engelen met Hem, alsdan zal Hij zitten op den troon zijner heerlijkheid : en alle volken zullen voor Hem vergaderd worden, en Hij zal hen van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt. En de schapen zal Hij stellen aan zijne rechterhand, maar de bokken aan zijne linkerhand. Alsdan zal de Koning zeggen tot hen, die aan zijne rechterhand zullen zijn : Komt, gezegen-den mijns Vaders! bezit het rijk, hetwelk van de grondlegging der wereld voor u bereid is. Want Ik heb honger gehad, en gij hebt Mij le eten gegeven 5 Ik heb dorst gehad, en gij hebt Mij te drinken gegeven ; Ik was vreemdeling, en gij hebt Mij geherbergd; naakt, en gij hebt Mij gekleed; ziek, en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en gij zijt tot Mij gekomen. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen : Heere ! wanneer hebben wij U hongerig gezien, en hebben U gespijsd ; of dorstig, en hebben U te drinken gegeven ? En wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien, en U geherbergd ! Of naakt, en hebben wij ü gekleed ? Of wanneer hebben wij U ziek gezien, of in de gevangenis, en zijn wij tot U gekomen ? En de Koning zal antwoorden, en tot hen zeggen : Voorwaar, Ik zeg u : zoo dikwijls gij dit aan éénen van deze mijne geringste broeders gedaan hebt, hebt gij het Mij gedaan. Alsdan zal Hij ook tot degenen zeggen, die aan zijne linkerhand zullen zijn : Gaat van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid is; want ik heb honger gehad en gij hebt Mij niet te eten gegeven : Ik heb dorst gehad, en gij hebt Mij niet te drinken gegeven ; Ik was vreemdeling, en gij hebt Mij

231

ocr page 268

op maandag na den

nipt geherbergd ; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed ; ziek, en in de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht. Dan zullen ook dezen Hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben wij U gezien, hongerig, of dorstig, of als vreemdeling, of naakt, of ziek of in de gevangenis, en hebben U niet gediend? Dan zal Hij hun antwoorden, en zeggen : Voorwaar, Ik zeg u : zoo dikwijls gij het aan éénen van deze geringsten niet gedaan hebt, hebt gij het ook Mij niet gedaan. En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn ; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.

Verklaring. Als wij barmhartig zijn, zullen wij ook barmhartigheid verwerven! Onder de hier aangehaalde werken van barmhartigheid, worden de goede werken in het algemeen aangeduid; Jesus leert ons in dit Evangelie, dat het geloof alleen, zonder de werken, niet zalig maakt, en dat zij, die wel gelooven, maar geene goede werken verrichten, voor eeuwig verloren gaan!

Gebed der Kerk over het volk.

Wij smeeken U, o Heer, verbreek de banden onzer zonden en wend de straffen, die wij daardoor verdiend hebben, genadig van ons af, door Jesus-Christus, enz.

Op Dinsdag na den eersten Zondag in de

Vasten

EPISTEL; Les uit den Profeet Isaias LV, 6-11.

In die dagen sprak de Profeet Isaias, zeggende: Zoekt den Heer, terwijl Hij kan gevonden worden; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. De goddelooze verlate zijnen weg en de onrechtvaardige man zijne gedachten, en hij keere tot den Heer weder, en Hij zal zich zijner ontfermen, en tot onzen God, dewijl Hij menigvuldig is in te vergeven. Want mijne gedachten zijn niet uwe gedachten, noch uwe wegen mijne wegen, zegt de Heer. Want gelijk de Hemelen verheven zijn boven de aarde, zoo zijn mijne wegen verheven boven uwe wegen en mijne gedachten boven uwe gedachten. En gelijk de regen nederdaalt en de sneeuw van den hemel en niet meer der-

232

ocr page 269

EERSTEN ZONDAG IN DE VASTEN,

waarts terugkeert, maar de aarde drenkt en ze doorvochtigt, en ze doet uitspruiten, zoodat zij zaad geeft den zaaier en brood den eter: zoo zal mijn woord zijn, dat uit mijnen mond uitgaat. het zal niet ledig tot Mij terugkeeren, maar het zal doen, al heigeen ik heb gewild en het zal voorspoedig zijn in die zaken, waartoe Ik het gezonden heb, zegt de almachtige Heer.

Verklaring. Deze woorden sporen ons aan, den tijd der genade wel te gebruiken en ons, door eene oprechte boetvaardigheid, lot den Heer le wenden, die zich alsdan ongetwijfeld onzer ontfermen en ons sparen zal. Doen wij dit niet, dan zullen wij voor eeuwig verloren gaan, want Hij heeft gezegd, dat Hij de onboetvaardige zondaars eeuwig zal straffen; zijn woord is waarheid en Hij zal alles doen, wat Hij wil. Als men door het woord de tweede Persoon der H. Drieëenheid verstaat, gelijk verschillende Kerkvaders en andere uitleggers der H. Schrift willen, dan is de zin de volgende: Christus zal mijnen wil volbrengen en ook het oordeel houden over de goddeloozen, gelijk Ik Hem heb opgedragen. — Christenen, laat ons den Heer zoeken, terwijl Hij kan gevonden worden, dat is, zoolang Hij zich nog niet van ons, als van verstokte zondaars, verwijderd heeft; roepen wij Hem aan, terwijl Hij nabij is, namelijk in dezen H. Vasten tijd, opdat wij zijne barmhartigheid ondervinden en door zijn oordeel niet getroffen worden.

Evangelie volgens den H. Mattheus XXÏ, iO-17.

In dien tijd, als Jesus binnen Jerusalem was gekomen, geraakte de gansche stad in beweging, en zeide ; Wie is deze? En het volk zeide : Deze is Jesus, de Profeet van Nazareth in Gallilea. En Jesus ging in den tempel Gods, en dreef allen daaruit, die in den tempel verkochten en kochten^ en wierp de tafels der wisselaars, en de gestoelten dergenen, die de duiven verkochten, omver; en sprak tot hen : Daar staat geschreven : Mijn huis zal een huis des gebeds genoemd worden; maar gij hebt het tot eene spelonk van roovers gemaakt. En blinden en kreupelen kwa-

233

ocr page 270

op dinsdag na den

men tot Hem in den tempel en Hij genas hen. De opperpriesters en schriftgeleerden nu^ ziende de wonderen. welke Hij verrichtte, en de kinderen, die in den tempel riepen en zeiden : Hosanna den Zoon van David ! werden gebelgd, en zeiden tot Hem: Hoort Gij wat dezen zeggen ? En Jesus sprak tot hen : Ja^ gewis ! Hebt gij nooit gelezen: Uit den mond van kinderen en van zuigelingen hebt Gij lof bereid : en hen verlatende, ging Hij de stad uit, naar Bethanië: en bleef aldaar.

Verklaring. De. tempel te Jerusalem had verschillende voorhoven, waarvan één de voorhof der Heidenen genoemd werd, wijl daar de Heidenen ook mochten komen. Aldaar bevonden zich, in latere tijden, de verkoopers der offerdieren en de wisselaars, bij wie men voor Grieksche en Romeinsche, Joodsche muntstukken, die alleen mochten geofferd worden, verkrijgen kon. Jesus verdreef de koopers en verkoopers van daar, om alle hebzucht en bedriegerij uit Gods huis te verwijderen, waar slechts goddelijke feesten gevierd, gebeden en offeranden opgedragen, en het Woord Gods gelezen en gehoord en lofzangen gezongen moeten worden. Bedenk, dat, als Hij deze koopers en verkoopers zoo streng behandelde en er met zoo groolen ijver op aandrong, dat de Joodsche tempel en zelfs de voorhof der Heidenen, door geene oneerbiedigheid onteerd zou worden, hoe zal Hij dan hen bestraffen, die de kerken, waar dagelijks het H. Misoffer opgedragen wordt en waar Christus altijd in het Allerheiligste Sacrament tegenwoordig is, door oneerbiedigheid, ontheiligen ? ! — Zoo als de heilige Vaders leeren, kan in eenen geestelijken zin, onder den tempel, de menschheid (en elke ziel) verstaan worden, die door Jesus-Christus van de zonden gereinigd is. Wacht u daarom wel, o Christen, uwe door den Heiland verloste ziel weder aan de koopers en verkoopers, dat is, aan de zonden en misdaden prijs te geven; beijver u veeleer, deze met Gods hulp daaruit geheel en al te verbannen, en den Heer, gelijk de kinderen, van welke het Evangelie spreekt, met een zuiver hart te loven en te prijzen.

234

ocr page 271

eersten zondag in de vasten.

Gebed der Kerk over het volk.

Laat onze gebeden lot U opstijgen, o Heer, en wend alle boosheid van uwe Kerk af, door onzen Heer Jesus-Chriamp;tus, enz.

Op Woensdag na den eersten Zondag in de Tasten (Quatertemper).

EPISTEL : Les uit het derde Boek der Koningen, XIX 3-8.

In die dagen kwam Elias te Bersabee in Juda en liet daar zijnen knecht gaan en trok voort in de woestijn eene dagreize ver. Toen hij daar gekomen was en neerzat onder eeuen jeneverboom, wenschte hij zich den dood toe en sprak: Het is mij genoeg, o Heer, neem mijne ziel, want ik ben niet beter dan mijne vaderen. En hij wierp zich neder en sliep in onder de schaduw van den jeneverboom ; en zie, een Engel des Heeren roerde hem aan en zeide hem: Sta op en eet! Hij keek om en zie; aan zijn hoofd bevond zich een onder de asch gebakken brood en een vat met water: hij at dus, en dronk, en sliep weder in. En de Engel des Heeren kwam ten tweeden male terug, en raakte hem aan en zeide hem: Sla op, en eet ; want gij hebt nog een grooten weg te maken! Toen hij opgestaan was, at en dronk hij, en ging, door die spijze gesterkt, veertig dagen en veertig nachten tot aan den berg Gods Horeb.

Verklaring. Elias had den priesters van Baal het volgende voorstel gedaan: Beiden zouden zij eenen slier nemen, dien aan stukken hakken en deze stukken op hout leggen, zonder vuur daaronder te ontsteken; de God, die vuur zou zenden, om hét olfer te verteren, zou de ware God wezen. De priesters der afgoden riepen hunne godheden den ganschen dag aan, maar te vergeefs. Eindelijk smeekte Elias den Heer, en zijn offer werd weldra verslonden door vuur, dat van den hemel viel. Baal én zijne priesters waren al/oo beschaamd gemaakt. Jezabel geraakte weldra tegen Elias in gramschap, bedreigde hem met den dood en wilde hem laten vermoorden. De profeet, anders zoo onverschrokken, vreesde thans de bedreigingen eener vrouw. — God laat zulke zwakheid ook bij Heiligen toe, om hen in de ootmoedigheid te bewaren en hun te toonen, dat zij slechts door Hem sterk zijn.- Elias verloor echter het ver-

235

ocr page 272

op woensdag na den

Iroirwen op God niet en gaf zich in zijnen nood geheel en al aan Gods wil over. Daardoor werd hij waardig, door een brood dat een Engel hem bracht, met bovennatuurlijke kracht gesterkt te worden. Het brood, waarmede Elias gevoed werd, is een schoon afbeeldsel van het Allerheiligste Sacrament des Altaars, door welks kracht wij op den weg naar den Hemel versterkt worden.

Evangelie volgens den H. Mattheus XII, 58-50.

In dien tijd antwoordden Jesus sommigen van de Schriftgeleerden en Phariseën, zeggende : Meester ! wij verlangen van U een teeken te zien. Maar Hij antwoordde, en sprak tot hen : Het boos en overspelig geslacht eischt een teeken ; maar hun zal geen teeken gegeven worden, dan het teeken van den profeet Jonas Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten in den buik van het zeegedrocht geweest is, alzoo zal de Zoon des menschen drie da^en en drie nachten in het hart der aarde zijn. De mannen van Ninive zullen in het oordeel met dit geslacht opstaan, en het veroordeelen; want zij hebben op de prediking van Jonas boetvaardigheid gedaan. En ziet, meerder, dan Jonas, is hier. De koningin van het Zuiden zal met dit geslacht in het oordeel opstaan, en het veroordeelen ; want zij kwam, van de einden der aarde, om de wijsheid van Salomon te hooren. En ziet, meerder, dan Salomon, is hier. Maar wanneer de onreine geest van den mensch uitgegaan is, zoo doorzwerft hij dorre oorden, zoekende rust, maar vindt die niet. Dan zegt hij : Ik zal wederkeeren naar mijn huis, van waar ik uitgegaan ben. En daar komende, vindt Tiij het ledig, met bezemen geveegd, en versierd. Dan gaat hij, en neemt met zich zeven andere geesten, boozer dan hij, en ingegaan zijnde, wonen zij daar ; en de laatste toestand van dien mensch wordt erger, dan de eerste. Alzoo zal het ook met dit goddeloos geslacht zijn. En

256

ocr page 273

eersten zondag in de vasten.

terwijl Hij nog tot de scharen sprak, ziet, zijne moeder en broeders stonden buiten, en zochten Hem te spreken. En iemand zeide tot Hem : Zie, uwe moeder en uwe broeders staan buiten, en zoeken U. Maar Hij antwoordde, en sprak tot dengenen, die Hem dit zeiden : Wie is mijne moeder, en wie zijn mijne broeders ? En de hand uitstrekkende over zijne discipelen, sprak Hij : Ziet hier mijne moeder en mijne broeders ! Want al, wie den wil van mijnen Vader doet^ die in de Hemelen is, deze is mijn broeder, en zuster, en moeder.

Verklaring, Gelijk de Pharizeën, zoo verlangen ook vele Christenen naar teekenen en wonderen, die niet door natuurlijke krachten, maar alleen door de almacht Gods geschieden kunnen om daaruit eerst in Christus te gelooven en boelvaardigheid te doen. Het teeken van Jonas is vervuld; Christus is voor ons gestorven en na drie dagen uit het graf opgestaan; daardoor heeft Hij de waarheid zijner leer bevestigd en getoond Heer en Meester te zijn over leven en dood; wanneer de Christenen, na dit alles, nog niet gelooven willen, wie anders draagt dan de schuld daarvan, dan hunne liefde tot de zonde en hunne versteendheid des harten? Doch wee hun! de Ni-nivieten, de koningin uit het Zuiden, zullen hen op den jongsten dag veroordeelen, wijl dezen de Goddelijke wijsheid erkend en boetvaardigheid gedaan hebben! — »Al wie den wil doet van mijnen Vader, die in den Hemel is, die is mijn broeder, en zuster, en moeder.quot; Neem dat wel ter harte, o Christen, en beijver n in alles den wil- Gods te volbrengen, om daardoor tot de hooge waardigheid van broeder, zuster of moeder van Jesus, niet volgens de natuur, maar volgens den geest, verheven te worden.

Gebed der Kerk over het volk.

Wij bidden U, o Heer! verlicht ons verstand, door het licht uwer klaarheid; opdat wij zien kunnen, wat wij doen moeten, en wat goed is, mogen volbrengen, door onzen Heer Jesus-Cbuistus, enz.

237

ocr page 274

op dondeudao na den

Op Donderdag na den eersten Zondag in de

Vasten.

EPISTEL: Les uit den Profeet Bzechiël XVIII, 1-9.

In die dagen geschiedde het woord des Heeren tot mij, zeggende: Waarom maakt gij deze gelijkenis onder n tot een spreekwoord in het land van Israël, zeggende: de vaderen hebben bittere druiven gegeten, en de tanden der kinderen zijn stomp geworden? Zoo waar ik leef, zegt de Heer God, deze gelijkenis znlt gij niet meer tot spreekwoord gebruiken in Israël. Zie, alle zielen zijn de mijne: gelijk de ziel des vaders, zoo is ook de ziel des zoons de mijne: de ziel, welke zondigt, die zal sterven. En indien een man rechtvaardig is en reclit en gerechtigheid doet, niet eet op de bergen en zijne oogen niet verheft tot de afgoden van het huis Israels, en de echtgenoote zijns naasten niet schendt en niet tot eene vrouw nadert, die hare maandstonden heeft en niemand bedroeft: het pand aan deu schuldenaar teruggeeft, niets door geweld rooft, den hongerige zijn brood geeft, en den naakte met een kleed bedekt, niet leent op woeker, noch overwinst ontvangt; zijne hand van ongerechtigheid afwendt en een rechtvaardig vonnis strijkt tusschen man en man, naar mijne geboden wandelt en mijne verordeningen onderhoudt om de waarheid te volgen, die is rechtvaardig, hij zal leven, zegt de almachtige Heer.

Verklaring. De Joden beklaagden zich in de Babylonische gevangenschap, dat hunne vaderen gezondigd hadden en dat de kinderen daarvoor moesten boeten. God leert hun dooide aangehaalde woorden van Ezechiel, dat HÜ slechts den zondaar, hetzij vader of zoon, straft, en dat ook zij om hun eigene zonden en niet om die hunner vaderen gekastijd worden. God bestraft, wel is waar, de zonden der ouders in de kinderen, voor zoo ver deze de kwade neigingen, die zij van hun ouders geërfd hebben, niet weerstaan (hetwelk zij met Gods genade kunnen), maar de zouden hunner ouders vrijwillig navolgen. God loont den rechtvaardige, die van het kwaad afwijkt en het goed beoefent, zelfs dikwijls hier op aarde, met een lang en gelukkig leven, en, in elk geval, in

258

ocr page 275

eersten zondag in de vasten.

de andere wereld, met het bezit dor eeuwige zaligheid. — Laat ons nimmer zeggen, wanneer ellende en tegenspoed ons overkomen, dat wij, wegens de zonden van anderen, lijden. Wij zeiven zijn niel vrij van zonden en het is om onze eigene boosheid, dat wij gestraft worden. Laat ons het kwaad vluchten en het goed beoefenen en wij zullen geene straffen van God te vreezen hebben.

Evangelie volgens den H. Mattheus XV,, 21-28.

In dien tijd, Jesus van daar gegaan zijnde, begaf zich naar de streken van Tyrns en Sidon. En ziet, eene Cananeesche vrouw, uit deze landstreek komende, riep, en zeide tot Hem : Ontferm U mijner, Heer, Zoon van David! mijne dochter wordt deerlijk van den duivel gekweld. Doch Hij antwoordde haar niet een woord. En zijne discipelen tot Hem komende^ baden Hem, zeggende: Laat haar van U, want zij roept ons na. Maar Hij antwoordde, en sprak : Ik ben niet gezonden, dan tot de verlorene schapen van het huis van Israël. En zij kwam, en aanbad Hem, en zeide: Heer, help mij ! Doch Hij antwoordde, en sprak : Het is niet goed, het brood der kinderen te. nemen, en het den honden voor te werpen. En zij zeide: Het is waar. Heer ! maar ook de hondekens eten van de kruimels, welke van de tafel hunner hee-ren vallen. Toen antwoordde Jesus^ en sprak tot haar : O vrouw ! groot is uw geloof: u geschiede, gelijk gij wilt ! En hare dochter werd van die ure af gezond.

Verklaring. Jesus heeft, wel is waar, de Joden en Heidenen verlost, maar de verkondiging des geloofs, onder de Heidenen, was den Apostelen voorbehouden. Daarom zegt Jesus: Ik ben niet gezonden dan tot de verlorene schapen van het huis van Israel; en wendt Hij zich van de Cananeesche vrouw, die heidensch was, af. Wijl deze echter in haar smee-ken volhardt en in ootmoed zegt: Zoo ik eeu hondeken ben, dan ben ik niet gansch vreemd, want als hondeken, kan ik de tafel mijns Heeren niet verlaten, verhoort Jesus haar, en

259

ocr page 276

op vrijdag na den

zegt: Vrouw! groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt! — Laat ons daaruit leeren, wat een ootmoedig, standvastig gebed, een gebed vol geloof bij God vermag! Laat ons met volharding bidden, want al zaten wij in grooten nood, al waren wij nog zoo diep in zonden gevallen, een kinderlijk en ver-trouwvol gebed is ook dan nog in staat, ons daaruit te redden !

Gebed der Kerk over het volk.

Wij smeeken U, o Heer! verleen den Christen volken datgene te erkennen, wat zij belijden en de Hemelsche gaven, welke zij ontvangen, te beminnen, door onzen Heer Jesus- Christcs.

Op Yrijdag na den eersten Zondag in de quot;Vasten (Quatertemper.)

EPISTEL : Les uit den Profeet Ezechiël XVIII, 20-28.

Dit zegt God de Heer: de ziel, welke zondigt, die zal sterven; de zoon zal de ongerechtigheid des vaders niet dragen en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid des zoons: de rechtvaardigheid des rechtvaardigen zal op hem zijn, en de goddeloosheid des goddeloozen zal op hem zijn. Doch, zoo de goddelooze boetvaardigheid doet over al zijne zonden, die hij bedreven heeft, en al mijne geboden onderhoudt, en recht en rechtvaardigheid doet, hij zal leven en niet sterven. Ik zal al zijne ongerechtigheden, welke hij gepleegd heeft, niet meer gedenken: hij zal leven in zijne gerechtigheid, die hij gedaan heeft. Wil ik dan den dood des goddeloozen, zegt God de Heer, en niet dat hij zich bekeere van zijne wegen en leve? Maar indien de rechtvaardige zich van zijne rechtvaardigheid afwendt en ongerechtigheid doet volgens al de gruwelen, die de goddelooze pleegt te doen, zal hij leven? Al zijne gerechtigheden, die hij gedaan had, zullen niet meer herdacht worden; in de overtreding, waardoor hij overtreden heeft, en in zijne zonde, waardoor hij heeft gezondigd, daarin zal liij sterven. En gij zegt: de weg des Heeren is niet recht! Hoer dan huis van Israël: is mijn weg niet recht en zijn uwe wegen niet veeleer slecht? Want zoo de rechtvaardige zich van zijne rechtvaardigheid afwendt, en ongerechtigheid doet) hij zal daarin sterven: in de ongerechtigheid, die hij doet, zal hij sterven. En wanneer de goddelooze zich van zijne

240

ocr page 277

EERSTEN ZONDAG IN DE VASTEN.

goddeloosheid, welke hij gepleegd heeft, afwendt en recht en rechtvaardigheid doet, die zal zijner ziel het leven geven. Want hij komt tot inkeer, wendt zich van al zijne ongerechtigheden, die hij bedreven heeft, af, hij zal leven en niet sterven, zegt de almachtige Heere.

Opwekking. Zondaars! wanhoopt niet, want indien gij u tot God wendt en uwe boosheden verlaat, dan zult gij leven, dat is, de genade en het kindschap Gods weder verkrijgen, al waren ook uwe zonden zoo rood als scharlaken en zoo talrijk als de zandkorrels op den oever der zee. Rechtyaar-digen! weest niet vermetel; gij zijt niet zoo zeker van uwe zaligheid als gij wel meent; want indien gij van de gerech-tigheid afwijkt en u tot de zonde begeeft, dan zult gij sterven, dat wil zeggen, de genade' en het kindschap Gods en, iudieu gij geene boete doet, het eeuwig leven verliezen. Legt u op de ootmoedigheid toe, weest uwer bedrevene zonden indachtig en laat u niet door cone valsche zekerheid in slaap wiegen. Wie staat, zie toe, dat hij niet vuile. Gij allen, kinderen der menschen, bewerkt uwe zaligheid met vrees en angst, want God is rechtvaardig, Hij zal geene zonde zelfs geene vcrwaarloozing van het goede ongestraft laten!

Evangelie} volgens den H. Joannes V, 1-1».

In dien tijd was een feest der Joden, en Jesos ging op naar Jerusalem. En in Jerusalem is een schaaps-bad, in liet Hebreeuwsch bijgenaamd Beth-saïda^ hebbende vijf galerijen. In deze lag een groote menigte van kranken, blinden, kreupelen, verlamden, wachtende op de beweging des waters. Want een Engel des Heeren daalde bij tijden in het bad, en het water werd bewogen. En de eerste, die, na de beweging des waters, in bet bad nederkwam, werd gezond, van welke krankheid hij ook bevangen was. En daar was een mensch, die acht en dertig jaren krank was geweest. Als Jesus dezen zag liggen, en wist, dat hij reeds langen tijd geleden had, sprak Hij tot Hem ;

16

241

ocr page 278

op vrijdag na den

Wilt gij gezond worden? De kranke antwoordde Hem: Heer! ik heb geen mensch, die, wanneer het water bewogen wordt, mij in het bad werpe; want terwijl ik kome, is vóór mij een ander ingegaan. Jesüs sprak tot hem : Sta op, neem uw bed op, en wandel ! En terstond werd die menseh gezond, en nam zijn bed op^ en wandelde. En het was Sabbat op dien dag. De Joden dan zeiden tot hem, die gezond was geworden: Het is Sabbat! Het is u niet geoorloofd, uw bed te dragen. Hij antwoordde hun : Die mij gezond heeft gemaakt, die heeft tot mij gezegd : Neem uw bed op., en wandel ! Zij vraagden hem dan ; Wie is die mensch, die lot u gezegd heeft : Neem uw bed op. en wandel ? Doch hij, die gezond was geworden, wist niet, wie het was : want Jesus had zich van de schare verwijderd, welke in die plaatse zich bevond. Daarna vond Jesus hem in den tempel, en sprak tot hem : Zie, gij zijt gezond geworden : zondig niet meer, opdat niet u iets ergers ovtrkome ! De mensch ging heen, en boodschapte den Joden, dat het Jesus was, die hem gezond had gemaakt.

Verklaring. De kranke verkondigde den Joden, dat hel Jesus was, die hem gezond gemaakt had. Laten wij dit voorbeeld navolgen en, wanneer wij uit den nood of van eene lichamelijke ziekte en voornamelijk van onze. zonden door het Heilig Sacrament der Biecht geholpen worden, rondweg bekennen, dat de Heer zulks gedaan heeft! Want alle men-schelijke zorgen en hulpmiddelen baten niets zonder Gods zegen; God alleen kan de zonden van ons wegnemen. — Laat ons verder ook de vermaning des Verlossers volgen en voortaan geene zonden meer bedrijven, opdat ons niet iets ergers over-kome en wij in onze zonden sterven!

Gebed der Kerk over het volk.

\

Verhoor ons, o barmhartige God! en verlicht ons verstand met het licht uwer genade, door onzen Heer Jesus-Christus, enz.

242

ocr page 279

eerstbn zondag in de vasten.

Op Zaterdag na den eersten Zondag in de Vasten (Quatertemper).

EPISTEL : Les uit den eersten Brief van den H. Paulus aan de Thessalonicensers V, 14-23.

Broeders! wij vermanen u, bestraft de wanordelijken, vertroost de kleinmoedigen, ondersteunt de zwakken, zijt lankmoedig voor allen! Ziet toe, dat niet een den ander kwaad met kwaad vergelde ; maar beoefent te allen tijde het goede jegens elkander, en jegens allen! Verblijdt u te allen tijde! Bidt zonder ophouden! Dankt in alles; want dit is de wil Gods in Ciikistls-Jesüs ten aanzien van u allen. Wilt den Geest niet uitdooven. Veracht de profetiën niet. Beproeft echter alles; behoudt het goede. Van allen kwaden schijn onthoudt u. En de God des vredes zelf heilige u algeheellijk, opdat geheel uw geest, en ziel, en lichaam onberispelijk worde bewaard in de komst onzes Heeren Jesus-Christcs !

Verklaring. Nadat de Apostel de geloovigen van Tiiessa-lonica verschillende vermaningen, die ook nog door ons kunnen ter harte genomen worden, in deze les heeft gegeven, spoort hij hen aan, de kracht van den H. Geest niet uit te dooven, dat is, niet Ie beletten, dat de H. Geest in hen werke, hun zijne gaven mededeele, enz.

Hij wekt hen op, de voorzeggingen, dat is, de gaven van de toekomst te voorspellen, de geheimen des geloofs te prediken, en de H. Schrift te verklaren, niet te verachten, maar ze volgens den maatstaf des geloofs te beproeven, en het goede, dat deze gaven voortbrengen, te behouden. Hij vermaant hen, den geest aan God, en ziel en lichaam aan den geest te onderwerpen; zoo doende zullen zij de komst des Heeren ten oordeel, onberispelijk en zonder vrees kunnen tegemoet zien. Wij bidden zonder ophouden, wanneer wij al onze plichten nauwkeurig vervullen, Gods wil te volbrengen; op die wijze is ons geheele leven een groot, aanhoudend gebed, waarvan het gewone gebed slechts een deel uitmaakt.

Evangelie volgens den H. Mattheus XVII, 1-3.

Hetzelfde als dat van den volgenden Zondag blz. 2i3.

243

ocr page 280

onderricht op den

Gebed der Kerk over het volk.

Versterk, o God, uwe geloovigen door uwen gewenschten zegen, die lien steeds uwen heiligen wil doe volbrengen en geve, dat zij zich voortdurend in uwe gunsten mogen verheugen, door onzen Heer Jesus-Christus, die niet U leeft, enz.

Onderricht op den tweeden Zondag in de

Vasten.

De Ingang der Mis is een gebed, waardoor de genade gevraagd wordt van niet meer in zonden Ie vallen: «Gedenk, o Heer, uwe erbarmingen en uwe barmhartigheid, die van eeuwigheid zijn: gedoog nimmer, dat onze vijanden over ons heerschen; verlos ons, o God van Israel, van al onze benauwdheden. Ps. XXIV. Ik heb mijne ziel tot U, o Heer! opgeheven; mijn God, op U vertrouw ik, dat ik niet beschaamd worde. — Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

0 God, die ziet dat wij van alle kracht beroofd zijn, bewaar ons uit- en inwendig, opdat wij tegen alle wederwaardigheden naar het lichaam beveiligd en van kwade gedachten naar de ziel mogen gereinigd worden, door onzen Heer Jesus-Christus, die met U leeft, enz.

EPISTEL: Les uit den eersten Brief van den H. Panlus aan de Thessalonicensers, IV. 1-7.

Broeders, wij bidden en vermanen n in den Heere Jesus, dat, gelijk gij van ons hebt ontvangen, hoe gij behoort te wandelen, en Gode te behagen, gij zóó ook wandelt, opdat gij er meer overvloedig in wordt. Want gij weet, welke geboden ,ik u heb gegeven door den Heer Jesus. Want dit is de wil Gods, uwe heiligmaking: dat gij u onthoudt van de onknisrh-heid; dat een iegelijk uwer wete, van eigen lichaam te bezitten in heiligheid en eere: niet in drift van begeerlijkheid, gelijk ook de heidenen, die niet welen van God; en dat niemand overtrede, noch zich verrijke in den handel ten kosle van zijnen broeder, want een Wreker is de Heere van dit alles, gelijk wij n te voren gezegd en betuigd hebben. Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar tot heiligmaking in Christus-Jesus onzen Heer.

244

ocr page 281

tweeden zondag in de vasten.

Verklaring. De H. Pallus vermaiint de geloovigen van Thessalonica in deze, dat zij behooren te wandelen volgens de leer, welke hij hun verkondigd heeft en spoort hen aan, zich van de onzuiverheid en van bedrog in handel en wandel te onthouden. Deze ondeugden schijnen bij de Thessaloni-censers menigvuldig geweest te zijn. Helaas ! hoe dikwijls worden die ook bij ons. Christenen, niet gevonden? Mochten wij allen toch wel bedenken, dat wij tot de heiligheid zijn geroepen, en dat God de bovengenoemde zonden, die Hij reeds in de tien geboden uitdrukkelijk heelt verboden, eens vreeselijk zal straffen.

Evangelie volgens den H. Mattueus XVII, 1-9.

In dien tijd nam Jesus met zich Petrus, en Jacobus, en deszelfs broeder Joannes, en leidde hen op een hoogen berg, afzonderlijk. En Hij werd voor hen van gedaante veranderd : en zijn aangezicht blonk, als de zon, en zijne kleederen werden wit, als sneeuw. En ziet, hun verschenen Mozes en Elias, met Hem sprekende. Petrus nu nam het woord op, en zeide tot Jesus : Heer ! het is ons goed,, hier te zijn .* indien Gij wilt, laat ons hier drie tenten maken, ééne voor U, ééne voor Mozes en ééne voor Elias. Terwijl hij nog sprak, ziet, een heldere wolk heeft hen overschaduwd. En ziet, een stem kwam uit de wolk, en zeide: Deze is mijn welbeminde Zoon, in wien Ik mijn welbehagen heb 5 hoort Hem ! En de discipelen dit hooiende, vielen op hun aangezicht ne Ier, en waren zeer bevreesd. En Jesus naderde, en raakte hen aan, en sprak tot hen ; Staat op^ en vreest niet ! Als zij nu hunne oogen ophieven, zagen zij niemand,, dan Jesus alleen. En als zij den berg afgingen, gebood hun Jesus, en zeide: Spreekt niemand van dit gezicht, tot dat de Zoon des menschen van de dooden verrezen is.

Waarom veranderde Christus, in tegenwoordigheid zijner

leerlingen, op den berg Thabor, van gedaante?

1) Om zich aan hen in zijne heerlijkheid als Gods Zoon te vertoonen en om daardoor 2) tegen allen twijlel aan zijne

245

ocr page 282

onderricht op den

Godheid te bewaren, wanneer zij Hem eens op den Kalvarie-berg zouden zien sterven; 3) opdat zij, en alle geloovigen met hen, door de hoop op de toekomstige heerlijkheid en vreugde, tot geduld in kruis en lijden zouden opgewekt worden; 4) opdat wij leereu zouden, hoe heerlijk onze lichamen eens van den dood zullen verrijzen. (I Cor. XV, 52.)

Waarom verschenenMozes en Elias op Thabor?

Opdat de wet en de Profeten van Christus de getuigenis zouden afleggen, dat Hij en niemand anders de Zoon Gods en de Heiland der wereld is, want door Mozes wordt de wet en door Elias worden de Profeten voorgesteld.

Waarover spraken zij met Christus?

Over zijnen dood (Luc. IX, 31), wijl deze het middelpunt van het werk der Verlossing is, en wijl de Heiligen des Ouden Verbonds, die door hun werkdadig geloof gerechtvaardigd werden, eerst nadat het gansche werk der Verlossing door den otfer-dood van Jesus volbracht was, het Rijk dei-eeuwige zaligheid zouden ingaan.

Waarom wilde Petrus op den berg drie tenten maken?

Hij was vol van Hemelsche verrukking; de overgroote vreugde had hem schier van zijne zinnen beroofd, zoodat hij niet wist, wat hij zeide, en niet bedacht, dat de mensch slechts door veel moeite tot de Hemelsche glorie kan geraken en derhalve eerder om standvastigheid, te midden van de bekoringen dezes levens, dan om roem en verheerlijking bidden moet. — Heeft één enkele druppel der Hemelsche Zaligheid den H. Petrus zoo buitenmate vervoerd, wat zal dan, mijn God, de overvloed van nw huis doen, als gij uwe uitverkorenen in den Hemel met gansche stroomen van waren wellust zult drenken? (Ps. XXXV, 9.)

Van wien kwam de stem : quot;Deze is mijn welbeminde Zoon.... hoort Hem?quot;

Van den Hemelschen Vader, die Jesus daardoor voor zijnen Zoon verklaarde en den mensclien beval in dezen zijnen Zoon te gelooven en Hein te gehoorzamen.

246

ocr page 283

tweedes zondag in de vasten.

Waarom verbood Jesus den leerlingen, deze gedaanteverandering vóór zyne verryzenis aan iemand bekend te maken?

1) Opdat de andere leerlingen en navolgers van Christus, wanneer zij deze gebeurtenis, na zijnen dood en zijne verrijzenis, vernamen, des te vaster in Hem zouden gelooven; 2) wijl de tijd, waarop Hij zich aan het volk in zijne heerlijkheid wilde vertoonen. nog niet gekomen was; 3) om ons te leeren, dat wij onze goede werken niet uit zucht naar ijdelen roem, in het openbaar moeten verrichten, maar slechts met het doel daardoor Gods glorie en de zaligheid van den evenmensch te bevorderen. Wie zijne goede werken zonder nuttig doel openbaar maakt, gelijkt op iemand, die zijne schatten langs de straten ronddraagt en daardoor ie kennen geeft, dat hij, om zóó te zeggen, toestaat, dat zij in waarde verliezen.

Verzuchting. 0 Jesus, trek ons, door de overweging der Hemelsche vreugde, tot U, opdat wij in den geestelijken strijd niet lauw en vermoeid werden, maar voortaan dapper strijden, alle bekoringen door uwe genade overwinnen, en door standvastigheid in het goede en door het geduldig verdragen van de vermoeienissen en wederwaardigheden dezer aarde, der eeuwige zaligheid deelachtig worden!

Op Maandag na den tweeden Zondag in de

Yasten.

EPISTEL : Les uit den Profeet Daniël IX, 15-19.

In die dagen bad Danicl den Heer, zeggende: Heer onze God, die uw volk uit het land van Egypte met eene krachtige hand geleid, en U eenen naam gemaakt hebt ten huidigen dage; wij hebben gezondigd, ongerechtigheid gepleegd. Heer! tegen al uwe gerechtigheid: keer toch uwen toorn en uwe woede af van uwe stad Jerusalem en van uwen heiligen berg. Want om onze zonden en om de ongerechtigheden onzer vaderen, zijn Jerusalem en uw volk tot schande geworden voor gallen, die rondom ons zijn. Nu dan, o onze God! verhoor het gebed uws dienaars en zijne smeekingen: en keer, om uwent wille, uw aanschijn tot uw heiligdom, dat verlaten is. Neig uw oor, o mijn God, en hoor: open uwe oogen,

247

ocr page 284

op haandag na den

en beschouw onze verwoesting, en de stad, waarover uw naam is aangeroepen: want wij storten onze gebeden vóór uw aanschijn, niet steunende op onze gerechtigheden, maar op uwe menigvuldige erbarmingen. Verhoor ons, o Heer, wees genadig, o Heer: merk op en doe het; draal niet, om uwent wille, o mijn God, wijl uw naam is aangeroepen over de stad en over uw volk, o Heer onze God!

Verklaring. Daniöl smeekt God, dat Hij op zijn volk, zijne heilige stad en den tempel weêr genadig moge neerzien; de profeet steunt in zijn gebed niet op de gerechtigheid des volks, maar op Gods barmhartigheid en op de omstandigheid, dat door de vervulling zijner bede Gods naam zelf verheerlijkt wordt. — Laat ons ook, als wij bidden, niet op onze gerechtigheid, maar op Gods barmhartigheid steunen en Hem smeeken, dat Hij ter wille van zijnen Naam de vijanden der H. Kerk vernedere en bekeere, doch de Kerk zelve altijd verder moge uitbreiden en verheerlijken.

Evangelie volgens den H. Joannes VIII, 21-29.

In dien tijd sprak Jesus tot de scharen der Joden ; Ik ga heen, en gij zult Mij zoeken en in uwe zonde sterven. Waar Ik heenga, kunt gij niet komen. De Joden dan zeiden : Wil Hij zich zeiven wellicht doo-den, omdat Hij zegt; Waar Ik heenga, kunt gij niet komen ? En Hij sprak tot hen : Gij zijt van beneden. Ik ben van boven ! Gij zijt van deze wereld, Ik ben van deze wereld niet! Daarom 'heb Ik u gezegd : Gij zult in uwe zonden sterven: want, indien gij niet gelooft, dat Ik ben, zult gij in uwe zonde sterven. Zij zeiden dan tot Hem : Wie zijt Gij? Jesus sprak tot hen : Van den beginne, hetgeen Ik u ook zegge. Veel heb Ik van u te spreken en te oordeelen ; maar Die Mij gezonden heeft,, is waarachtig; en hetgeen Ik van Hem gehoord heb, dat spreek ik in de wereld. Kn zij erkenden niet, dat Hij van God zijnen Vader sprak. Jfisus dan sprak tot hen : Wanneer gij den Zoon des menschen verhoogd zult hebben, dan zult gij erken-

248

ocr page 285

tweeden zondag in de vasten.

nen, dat Ik ben, en van Mij zeiven niets doe, maar gelijk de Vader Mij geleerd heeft, dat spreke. En Hij, die Mij gezonden heeft, is met Mij, en heeft Mij niet alleen gelaten; want heigeen zijn welbehagen is, doe ik altoos.

Verklaring. Jesus zegt hier duidelijk, dal Hij de Messias en waarachtig God is. Hij noemt zich ,,van den beginne,'''' niet alleen wijl Hij door den Vader van eeuwigheid is voortgebracht, maar ook. wijl Hij de oorsprong van al liet geschapene is. Hij verklaart, dat Hij in de wereld spreekt hetgeen Hij van zijnen Vader gehoord heelt: dat daarom zijne leer waar is, dat Hij voor de zonden der wereld den dood des krnises zou ondergaan, dat zij, die Hem zoeken, niet om in Hem te ge-looven, maar om Hem te dooden en zoo doende zijne leer en zijnen olFer-dood verachten, in hunne zonden zullen sterven!

O Jesüs, geef ons de genade van in ü te gelooven en ons geloof door werken te toonen, opdat wij de eeuwige zaligheid mogen verwerven.

Gebed der Kerk over het volk.

Verhoor, o almachtige God, onze gebeden en schenk genadig, het uitwerksel uwer gewone barmhartigheid aan hen, dien Gij vergunt op uwe goedertierenheid te betrouwen, door Jesus-Chuistus onzen Heer, enz.

Op Dinsdag na den tweeden Zondag in de

Tasten.

EPISTEL : Les uit het derde Boek der Koningen XVII, 8-16.

In die dagen sprak de Heer tot Elias den Thesbiter, zeggende: Sta op, en ga naar Sarepta in het land der Sido-niërs, en gij zult daar blijven; want Ik heb er aan eene vrouw, eene weduwe, bevolen, dat zij u voede. Hij stond op en vertrok naar Sarepta. En toen hij aan de poort der stad gekomen was, verscheen hem eene vrouw, eene weduwe, die hout verzamelde, en hij riep haar en zeide haar: geef mij een weinig water in een vat, opdat ik drinke. En toen zij wegging, om het te halen, riep hij haar achterna, zeggende: breng mij ook, bid ik u, een bete broods in uwe hand. Zij antwoordde: Zoo waar de Heer uw God leeft, ik heb geen brood, maar slechts een handvol meel in eenen pot en een weinig

249

ocr page 286

op dinsdag na den

olie in eene kruik: zie, ik verzamel een paar stukken hout, om in te gaan en liet te bereiden voor mij on mijn zoon, opdat wij eten, en dan sterven. Elias sprak tot Laar: Vrees niet, maar ga, en doe gelijk gij gezegd hebt: doch bak mij eerst van dat weinig meel een broodje onder de asch en breng het mij; voor u echter en voor uwen zoon zult gij er daarna een maken. Dit toch zegt de Heer, God van Israël; de pot met meel zal niet ledig worden, noch de kruik met olie verminderen tot op den dag, waarop de Heer regen over de oppervlakte der aarde geven zal. Zij ging en deed volgens het woord van Elias : en hij at en zij en haar huisgezin, en van dien dag werd de pot met meel niel ledig en de kruik met olie verminderde niet, volgens het woord des Heeren, hetwelk Hij door Elias gesproken had.

Verklaring. Elias stelde de deugd en de goedheid dezer weduwe op eene harde proef, maar (iod gaf haar de genade, aan het woord des Profeels te gelooven. Zij schonk Elias met eene bewonderenswaardige bereidwilligheid het weinige, dat zij had en werd daarom rijkelijk door God beloond, daar zij het tien- en honderdvoudig terugkreeg. — Geef gij, o Christen, even zoo gaarne en gewillig iets van het weinige, dat gij bezit aan de armen, vooral in dezen heiligen Vastentijd; wees verzekerd, dat de Heer het u vergelden zal voor tijd en eeuwigheid.

Evangelie volgens den H Mattheus XX111, 1-12.

In d ien tijd sprak Jesxjs tot de scharen en tot zijne discipelen, zeggende : Op den stoel van Mozes zitten de Schriftgeleerden en de Farizeën. Daarom onderhoudt en doet, al heigeen zij u zeggen ; maar doet niet naar hunne werken ; want zij zeggen het, en doen het niet. Want zij binden zware en ondragelijke lasten, en leggen die op de schouderen der menschen : maar zij willen ze met hunnen vinger niet aanraken. Maar alle hunne werken doen zij, om van de menschen gezien te worden; want zij verbreeden hunne gedenk-cedels, en ver-grooten hunne boorden. En zij hebben gaarne de eerste plaats op de maaltijden, en de voorste zetels in de

230

ocr page 287

tweeden zondag in de vasten.

synagogen, ook de begroetingen op de markt, en van de meiischen Rabbi genoemd te worden. Maar gij, laat u niet Rabbi noemen ; want één is uw Meester, en gij allen zijt broeders. Wilt ook op de aarde niemand uwen vader noemen • want één is uw Vader, die in de Hemelen is. Laat u ook niet meesters noemen, want uw Meester is één, Christus Die onder u de grootste is, zal uw dienaar zijn. Maar al die zich verheft, zal vernederd, en die zich vernedert, zal verheven worden.

Verklaring. In het boek Deuteron. Vf, 8 staat over de geboden Gods geschreven : Gij zult ze binden als een teelten aan mee hand en zij zullen zijn, en zweven tusschen uwe oogen, dat wil zeggen, gij zult er altijd aan denken en ze door werken vervullen. De Joden vatten naderhand den zin dezer woorden letterlijk op en droegen aan hunnen arm en voor hun hoofd gedenk-cedels, waarop spreuken uit de Wet van Mozes geschreven stonden, en even zoo, om zich van de Heidenen te onderscheiden, boorden ol' franjes cn kwasten aan hunne kleederen. De Parizeen en Schriftgeleerden maakten deze cedels en boorden breeder dan andere lieden, om zich het aanzien te geven, alsof zij de geboden bijzonder nauwkeurig onderhielden. Dit was echter het geval niet: zij deden hunne werken slechts voor den schijn en legden anderen lasten op, die zij zeiven niet eens met den vinger wilden aanraken. Jesus waarschuwde de Joden tegen die schijnheiligheid en tegen dat ijdel streven naar eer en aanzien bij de menschen; Hij beval hun daarentegen te hooren naar hetgeen de Schriftgeleerden hun uil het Goddelijk gebod voorhielden, en dat te volbrengen, alsmede de wetten na te komen, die de Schriftgeleerden zeiven er krachtens hun ambt bijvoegden, voor zoo verre die niet met de Goddelijke geboden in strijd waren. — Laat ons hieruit leeren, de huichelarij, die een verborgen gift en een doodende worm voor alle deugd en heiligheid is, te verafschuwen, steeds naar ware deugd te streven en de geestelijken wegens hun priesterlijke waardigheid te eeren, op hun lessen te letten, en de geboden, welke de Kerk van Christus tot heil der geloovigen voorschrijft, zorgvuldig te onderhouden.

231

ocr page 288

01' woensdag na den

Gebed der Kerk over het volk.

O Heer, verhoor genadig onze smeekingen en genees de kwtden onzer zielen, opdat wij. vergiffenis bekomen hebbende, ons altijd in uwen zegen mogen verheugen, door onzen Heer.

Op Woensdag na den tweeden Zondag in de Yasten.

EPISTEL: Les uit het Boek Esther XIII, 9-11 en 15-17.

In die dagen bad Mardocheus den Heer, zeggende: Heer, Heer, almachtige Koning, want alles is in uwe macht gesteld en niemand kan uwen wil weerstaan, zoo Gij besloten hebt, Israël te verlossen. Gij hebt hemel en aarde en al wat door den omkring des hemels bevat wordt, gemaakt. Gij zijt Heer van alles, en er is niemand, die aan uwe heerlijkheid weerstaat. En nu Heer, Koning, God van Abraham, ontferm U over uw volk, wijl onze vijanden ons in het verderf willen storten, en uw erf verdelgen. Versmaad uw erfdeel niet, dat Gij U uit Egypte verlost hebt. Verhoor mijn gebed en ontferm U over hel volk, dat U ten deel is gevallen, en verander onze droefheid in vreugde, opdat wij mogen leven en uwen Naam loven. Heer, en sluit den mond niet van hen, die U bezingen. Heer, onze God!

Verklaring. De Persische koning Assuerus verhief Aman tot de hoogste waardigheid en gebood, dat allen de knieën voor hem zouden buigen. Mardocheus, een Israëliet, weigerde zulks te doen; dit verdroot Aman, die van den koning een bevel wist te verkrijgen, dat alle Joden in het Persische rijk op éénen dag zouden vermoord worden. Toen smeekte Mardocheus tot den Heer en zijn gebed werd verhoord: hij en zijn volk werden gered; Aman en diens aanhangers daarentegen werden met den dood gestraft. — Wie anderen eenen kuil graaft, valt er zelf in. Hoogmoed komt voor den val; de Heer echter redt degenen, die op Hem hopen en zijne hulp met vertrouwen inroepen, uit de gevaren, die hen bedreigen!

Evangelie volgens den H. Mattheus XX, 17-28.

In dien tijd^ Jesus opgaande naar Jerusalem, nam de twaalf discipelen afzonderlijk^ en sprak lot hen: Ziet, wij gaan opwaarts naar Jerusalem,, en de Zoon

2B2

ocr page 289

EEliSTEN ZONDAG IN DE VASTEN.

des menschen zal den overpriesters en schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood ver-oordeelen ■ en zij zullen Hom aan de Heidenen overleveren, om bespot, en gegeesold, en gekruisigd te worden; en ten derden dage zal Hij verrijzen. Toen kwam de moeder der zonen van Zebedeus tot Hem ^ met hare zonen. Hem aanbiddende, en iets van Hem verzoekende. En Hij sprak tot haar: Wat wilt gij? Zij antwoordde Hem: Zeg, dat deze mijne twee zonen in uw rijk zitten mogen, de een aan uwe rechterhand, de ander aan uwe linkerhand. Maar Jesus antwoordde en zeide : Gij weet niet, wat gij verzoekt. Kunt gij den kelk drinken, dien Ik drinken zal? Zij spraken tot Hem: Wij kunnen. Hij sprak tot hen : Mijnen kelk zult gij wel drinken ; maar te zitten aan mijne rechter- of linkerhand^ komt Mij niet toe, aan u te geven, maar aan degenen, voor wie het van mijnen Vader bereid is. En de tien anderen dit hoorende, werden verontwaardigd over de twee broeders. Maar Jesus riep hen tot zich, en sprak : Gij weet^ dat de vorsten der volken over hen heerschen, en dat de grooten macht over hen oefenen. Zoo mag het onder u niet zijn ; maar al wie onder u groot wil worden, die zij uw dienaar. En wie onder u de eerste wil zijn, die zal uw knecht zijn. Gelijk de Zoon des menschen niet gekomen is, om gediend te worden, maar om te dienen, en zijn leven te geven, ter verlossing voor velen.

Verklaring. Jesls voorspelt zijnen dood en antwoordt aan de zonen van Zebedeus, Jacobus en Joannes, op de bede, welke limine moeder Salome tot Hem gericht had: Gij wilt de eersten zijn in mijn rijk en heerschen, maar gij maakt u daar valsche denkbeelden over. In mijn rijk zijn, wel is waar, bevelvoerders en onderclaneii, eersten en laatsten: maar de heerschappij in mijn rijk is niet, als die der Heidensche vorsten, die hel vermogen, de krachten, den arbeid, ja zelfs het leven hunner onderhoorigen voor zich zelven aanwenden; zij bestaat

233

ocr page 290

op woensdag na den

veeleer in de onderdanen te dienen en zich voor hen op te offeren, gelijk ook Ik mijn leven ten beste geef voor velen, om hen, door mijnen dood, uit de gevangenschap der zonde, der wereld en van den vorst der wereld te verlossen. — 0 Christen, wilt gij iets zijn in het rijk van God, leg n dan op den ootmoed toe, dat is, verneder u inwendig, ook dan, wanneer gij u aan geene zonden schuldig kent, zoo als de H. Paulus dit gedaan heeft (I. Cor. IV, I. Timoth. I, lo). Bedenk, dat gij om der wille van God en der deugd, veel zult moeten lijden; vlucht de zonden, waarvoor de Heiland den bittersten dood is gestorven, opdat gij Hem niet door uw misdadig leven gedurig op nieuw aan het kruis hecht en de vruchten van zijnen offerdood verliest!

Gebed der Kerk over het volk.

God, Hersteller en Minnaar der onschuld, richt de harten uwer dienaren tot U, opdat zij, het vuur van uwen Geest ontvangen hebbende, standvastig in het geloof en krachtdadig in werken mogen bevonden worden, door onzen Heer Jesls-Christus, enz.

Op Donderdag na den tweeden Zondag in de Yasten.

EPISTEL: Les uit den Profeet Jeremias XVII, 5-10.

Dit zegt de Heer God: vervloekt is de mensch, die op den mensch vertrouwt, en vleesch tot zijnen arm stelt, en wiens hart van den Heer afwijkt. Want hij zal zijn als heide in de woestijn, en niet zien wanneer het goede komt; maar •quot;j zal wouen in de dorre wildernis; iu het zoutachtig en onbewoonbaar land. Gezegend is de man, die op den Heer vertrouwt, en de Heer zal zijne zekerheid zijn. En hij zal zijn als een boom, die langs de wateren verplant wordt, die zijne wortelen in het vocht schiet en niet zal vreezen, wanneer de hitte zal gekomen zijn. En zijn blad zal groen zijn, en ten tijde der droogte zal hij niet bekommerd wezen, noch ooit ophouden vruchten voort te brengen. Het hart van allen is slecht en ondoorgrondbaar, wie zal het kennen? Ik, de Heer, doorgrond het hart en proef de nieren: en geef elkeen volgens zijnen wandel en naar de vrucht zijner bedoelingen, zegt de almachtige Heer.

2f»4

ocr page 291

TWEEDEN ZONDAG IN DE VASTEN.

Verklaring. Wie op menschen in plaats van op God betrouwt, zal dikwijls ten tijde van nood verlaten worden, want liet liart des menschen is slecht en bedriegelijk en daarom onbestendig en twijfelachtig. Wie op God vertrouwt, vreest geenen nood, want de hulp des Hoeren is hom voorzeker eene onuitputtelijke bron van troost en vreugde. — Stellen wij derhalve ons vertrouwen altijd op God en llij zal ons steeds zegenen eu tegen allo onheilen beschermen!

Evangelie volgens den H. Lucas XVI, 19-51.

In (I ien tijd, sprak Jesus tot de Farizeën ; Er was een rijk man, die zich in purper en fijn lijnwaad kleedde, en dagelijks kostbare feestmalen hield. En er was een bedelaar, met name Lazarus, die, vol zweren, aan deszelfs deur lag, en begeerde verzadigd te worden van de kruimels, welke van de tafel des rijken vielen; en niemand gaf ze hem; maar ook de honden kwamen, en likten zijne zweren. Maar het geschiedde, dat de bedelaar stierf; en hij werd van de Engelen in Abrahams schoot gedragen En de rijke stierf ook, en werd in de hel begraven. En zijne oogen opheffende, als hij in de pijnen was, zag hij Abraham van verre, en Lazarus in zijnen schoot. En hij riep, en zeide: Vader Abraham! ontferm u mijner, en zend Lazarus, dat hij den top zijns vingers in het water steke, om mijne long te verkoelen; want ik word in deze vlamme gefolterd ! En Abriham zeide lot hem: Zoon ! gedenk, dat gij het goede in uw leven ontvangen hebt, en Lazarus insgelijks het kwade; nu echter wordt hij vertroost, en gij gefolterd. En daarenboven is er tusschen ons en u eene groote klove gesteld, dat die van hier tot u willen overgaan, het niet kunnen, noch die van daar herwaarts overkomen. En hij zeide: Ik bid u dan, vader! dat gij hem naar het huis mijns vaders zendt : Want ik heb vijf broeders; opdat hij hun betuige, ten einde ook zij niet in deze plaats der folieringen komen. En Abraham

235

ocr page 292

op donderdag na den

zeide tot hem : Zij hebben Mozes en de Profeten ; dat zij die hooren! Doch hij zeide: Neen, vader Abraham! maar indien een uit de dooden lot hen komt, zullen zij boete doen. Hij echter zeide lot hem : Indien zij Mozes en de Profeten niet hooren, zullen zij ook niet gelooven, al stonde er iemand uit de dooden op.

Verklaring. De rijke man verbeeldt hen, die de aard-sche goederen slecht gebruiken en geen goed stichten, namelijk geene barmhartigheid jegens hunne medemenschen uitoefenen; de arme Lazarus stelt diegenen voor, die hier beneden een kommervol maar deugdzaam leven leiden. Dezen zullen eeuwig beloond, genen eeuwig gestraft worden. — Zij, die zeggen, dal zij zonden gelooven en boetvaardigheid doen, bijaldien zij nieuwe mirakelen zagen, gelijken op dc broeders van den rijken man. Indien zij niet gelooven aan de wonderen van het Oude en Nieuwe Testament, dan zullen zij ook niet gelooven of zich bekeeren, al kwam hen ook een van den dood verrezene waarschuwen. Zelfs dan zouden zij nog voorwendselen vinden, om hun goddeloos leven te verontschuldigen.

Gebed der Kerk over het volk.

O Heer, sta uwe dienaren bij en verleen uwe voorldu-rende goedgunstigheid aan hen, die U er om vragen, opdat Gij in hen, die zich op II, als op hunnen Schepper en Be-heerscher beroemen, herstelt, heigeen Gij in hen hebt vergaard, en bewaart, wat Gij in hen hebt hersteld, door Jesls-Christus onzen Heer.

Op quot;Vrijdag na den tweeden Zondag in de

Yasten.

EPISTEL: Les uit het Boek Genesis XXXVII, 6-27.

In die dagen zeide Jozef lot zijne broeders: hoort mijnen droom, dien ik gehad heb : Ik meende, dat wij schoven bonden in het veld, en het was alsof mijne schoof zich cp richtte en recht slon.i en uwe schoven rondom mijne schoof kwamen en mijne schoof aanbaden. Zijne broeders antwoordden : Zult gij onze koning worden ? of zullen wij aan uwe heerschappij onderworpen worden ? Deze droomen en gesprekken leverden

-2S6

ocr page 293

tweeden zondag in de vasten.

eene licht ontvlambare stof op tot nijd en haat. En hij droomde nog een anderen droom, verhaalde ook dien aan zijne broeders en zeide: Ik zag in den droom alsof de zon, de maan en ell sterren mij aanbaden. Toen hij dat zijnen vader en zijnen broeders mededeelde, berispte hem zijn vader en sprak: Wat beteekent de droom, dien gij gezien hebt? Ik en uwe moeder, en uwe broeders, zullen wij u aanbidden op aarde? Zijne broeders dan benijdden hem; doch de vader overdacht de zaak in stilte. En toen Jozefs broeders te Sichem verbleven, om de kudden huns vaders te weiden, zeide Israel tot hem: Uwe broeders weiden de schapen te Sichem; kom, ik zal u tot hen zenden. Hij antwoordde: Hier ben ik. En hij zeide tot hem: Ga, en zie of alles wel gaat met uwe broeders en de kudde, en bericht mij wat er omgaat. Hij, gezonden zijnde uit het dal Hebron, kwam te Sichem. En een man vond hem, dwalend in het veld en vroeg hem, wat hij zocht. Kn hij antwoordde: Ik zoek mijne broeders; wijs mij waar zij de kudden weiden. En de man zeide tot hem: Zij zijn uit deze plaats vertrokken; doch ik heb hen hooren zeggen: Laat ons naar Dothaïn gaan. Jozef dan ging zijne broeders na en vond hen te Dothain. Toen zij hem van verre zagen, eer hij bij hen kwam, dachten zij hem te dooden; en zij zeiden tot elkander: Zie, de droomer komt. Koml, laten wij hem dooden en in een ouden waterput werpen, en wij zullen zeggen : Een boos en wild dier heeft hem verslonden en dan zal blijken, wat hem zijne droomen baten. Maar IUhen dit hoorende, poogde hem uit hunne handen te verlossen, en zeide: Doodt hem niet noch vergiet zijn bloed, maar werpt hem in dezen waterput, die in de woestijn is en bewaart uwe handen onbezoedeld; doch hij zeide dit, wijl hij hem uit hunne handen wilde verlossen en aan zijn vader wedergeven.

Verklaring. Nijd bracht de broeders van Jozef zoo ver, dat zij het voornemen maakten, hem te dooden. Zoo gaat het! Wanneer men de zonde, in den beginne, niet aanstonds weerstand biedt, wanneer men de zondige gedachten, de booze neigingen niet oogenblikkelijk onderdrukt, wanneer men de kleine zonden niet vlucht, dan weet men niet, hoe ver men

17

-257

ocr page 294

op vrijdag na dem

gaan zal. Alle mcnschen dienen zulks goed te behartigen en daarom geene monden, zelfs ile geringste niet, vrijwillig te bedrijven. Ouders, leermeesters, enz. moeten ook de kleine gebreken hunner kinderen en onderhoorigen trachten nit te roeien, opdat deze niet van kleine groote zondaars worden. Ruben leert ons, dat wij het kwaad, voor zoover wij vérmogen, steeds moeten beletten !

Evangelie volgens den H. Mattheus XXI^ 35-46.

In dien tijd sprak .Iesus tot lt;le scharen der Joden en de Overpriesters drze gelijkenis: Er was een vader des huisgezins, die eenen wijngaard plantte, en dien met eene haag omheinde, en daarin eonon wijnperskelder groef, en eenen toren bouwde • en hij verhuurde den-zelven aan landlieden, en reisde buiten 's lands. Als nu de tijd der vruchten genaderd was, zond hij zijne dienstknechten tot de landlieden, om er de vruchten van te ontvangen. En de landlieden grepen zijne knechten, en sloegen den eenen, doodden den anderen, en steenigden den derden. Wederom zond hij andere dienstknechten, meerder in getal, dan de eersten • en hen behandelden zij desgelijks En ten laatste zond hij zijnen zoon tot hen, zeggende : Mijnen zoon zullen zij ontzien. Maar de landlieden, den zoon ziende^ zeiden tot elkander: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem dooden, en wij zullen zijne erfenis hebben. Zij grepen hem dan, en wierpen hem buiten den wijngaard, en doodden hem. Als nu de heer des wijngaards komen zal, wat zal hij met die landlieden doen ? Zij antwoordden Hem : Die booswichten zal hij naar hunne boosheid verdelgen, en zijnen wijngaard verhuren aan andere landlieden^ die hem de vruchten op derzelver tijden leveren zullen. Jesus sprak tot hen : Hebt gij nooit in de Schriften gelezen : De steen, welken de bouwlieden verworpen hebben, deze is tot den hoeksteen geworden: van den Heere is dit geschied, en het is wonderbaar

258

ocr page 295

tweeden zondag in de vasten.

in onze oogen ? Daarom zog Ik u, dat het rijk Gods aan u ontnomen, en gegeven zal worden aan een volk, dat er vrucht mede doel. En wie op dien steen zal vallen, die zal verpletterd worden; en op vvien hij zal vallen, dien zal hij verbrijzelen. En toen de Opperpriesters en Parizeen zijne gelijkenissen gehoord hadden, verstonden zij, dat Hij van;hen sprak. En zij, zoekende Hem te vangen, vreesden de scharen, dewijl deze Hem voor eenen Profeet hielden.

Verklaring. De Vader des hnisgezins, van wien in deze gelijkenis gesproken wordt, is God; de wijngaard het rijk Gods, zoo ais liet in den beginne onder de Joden verscheen; de haag stelt de Goddelijke Voorzienigheid en de bescherming der Heilige Engelen voor; de wijnperskelder is de Goddelijke wet, die elk aanspoort vruchten van dengd en godsvrucht voort te brengen; de toren is de aardsche bescherming onzer overheden; de landlieden zijn de oversten, koningen, priesters, geleerden, rechters. Het reizen van den vader des hnisgezins beteekent de onzichtbaarheid van God; de knechten zijn de Profeten; de zoon is Jesus-Christus, dien de .loden gevangen genomen en gedood hebben. Daarom werd hnn het rijk Gods ontnomen en trof hen de straffende hand des Allerhoogsten. — Zoo ook zal het hun gaan, die den Heer verachten en Hem telkens op nieuw door hunne zonden kruisigen.

Gebed der Kerk over het volk.

Wij bidden ü, o Heer, geef aan uw volk gezondheid naar ziel en lichaam, opdat het in goede werken volharde en steeds verdiene door uwe macht beschermd te worden, door onzen Heer Jesus-Ghiustus, enz.

Op Zaterdag na den tweeden Zondag in de Yasten.

EPISTEL: Les uit het boek Genesis XXVII, 6-40.

In die dagen sprak Rebecca tot haren zoon Jacob : Ik heb uwen vader met uwen broeder Ezau hooren spreken en tot hem zeggen: Breng mij van uwe jacht en bereid spijzen,

-259

ocr page 296

01gt; zaterdag n v dkw

260

opdat ik ete en u vóór den Heer zegene, eer ik sterf. Nu dan, mijn zoon, volg mijnen raad, en ga tot de kudde, en breng mij twee der beste bokken, opdat ik daarvan voor uwen vader spijzen make, welke hij gaarne eet, opdat hij, wanneer gij ze zult ingebracht en hij zo zal gegeten hebben, n zegene, eer hij sterft. Hij antwoordde haar; Gij weet, dat mijn broeder Ezau een harig mensch is, en dat ik glad ben; als mijn vader mij betast en het voelt, vrees ik, dat hij meenen zal, dat ik hem heb willen bespotten, en ik zal eenen vloek, in plaats van zijnen zegen, over mij halen. De moeder sprak tot hem: Die vloek zij op mij, mijn zoon, hoor slechts naar mijne stem en ga, breng hetgeen ik gezegd heb. Hij ging, bracht en gaf het zijne moeder. Zij bereidde spijzen, gelijk zij wist, dat zijn vader ze verlangde, en (rok hem Ezau's beste kleederen aan, welke zij bij zich te huis had, en deed de velletjes der bokken om zijne handen, en bedekte liet naakte van zijnen hals, en gaf hem de spijs en de brooden, die zij gebakken had. En toen hij ze binnen gebracht had, zeide hij; Mijn vader! en hij antwoordde: Ik hoor. Wie zijt gij, mijn zoon? En Jacob zeide: Ik ben Ezau uw eerstgeborene: ik heb gedaan, zoo als gij mij bevolen hebt; sta op, zet u en eet van mijne jacht, opdat uwe ziel mij zegene. En Izaak zeide weder tot zijnen zoo; Hoe hebt gij het zoo haast kunnen vinden, mijn zoon? En iiij antwoordde; Het was Gods wil, dat mij zoo haast tegemoet liep, wat ik begeerde. En Izaak zeide; Treed nader, opdat ik u belaste, mijn zoon, en onderzoeke , of gij mijn zoon Ezau zijt of niet. Hij naderde tot zijn vader , en Izaak , hem betast hebbende, zeide ; De stem is wel de stem van Jvcon, maar do handen zijn de handen van Ezau. En hij kende hem niet, wijl de harige handen hom aan den ondsten zoon gelijkvormig maakten. Hij zegende hom dan en zeide: Zijt gij mijn zoon Ezau ? Hij antwoordde; Ik ben het! En hij zeide; Breng mij de spijzen van uwe jacht, mijn zoon, opdat mijne ziel u zegene. Nadat hij de aangebodene spijzen gegoten had, bood hij hem ook wijn aan, en nadat hij dien gedronken liad, zeide hij tot hem; Kom bij mij, en geef mij een kus, mijn zoon. En hij kwam nader en kuste hem. En zoodra Izaak den geur van

ocr page 297

tweeden zondag in de vastek.

diens kleederen rook, zegende hij hem en sprak ; Zie de reuk mijns zoons is als de reuk van een vol veld, dat de Heer gezegend heeft. God geve u van den dauw des hemels en van het vette der aarde, overvloed van tarwe en wijn. En dat de volken u dienen en de stammen u aanbidden; wees de heer uwer broeders, en dat de zonen uwer moeder zich vóór u neêrbuigen. Vervloekt zij hij, die u vervloekt en hij, die u zegent, worde met zegeningen overladen. Nauwelijks had Izaak zijne rede voleind en Jacob was nauwelijks uitgegaan, of Ezau kwam en bracht zijn vader de gekookte spijzen van de jacht, zeggende: Sta op, mijn vader, en eet van de jacht uws zoons, opdat uwe ziel mij zegene. En Izaak zeide tot hem: Wie zijt gij dan? Hij antwoordde: Ik ben uw eerstgeborene zoon Ezau. Izaak verschrikte met eene hevige verbaasdheid, en verwonderde zich meer dan men gelooven kan en sprak: Wie is hij dan, die mij te voren gevangen wild gebracht heeft en waarvan ik gegeten heb, eer gij kwaanit? En ik heb hem gezegend en hij zal gezegend wezen. Ezau, deze woorden zijns vaders gehoord hebbende, schreide met groote droefenis, en, ontsteld, zeide hij: Zegen mij ook, mijn vader. Deze antwoordde: Uw broeder is gekomen met bedrog en heeft uweu zegen ontvangen. Hij echter hernam: Te recht wordt zijn naam Jacob geheeten, want zie, ten tweeden male, heeft hij mij onderkropen; mijn eerstgeboorte heeft hij mij te voren ontnomen en nu ten tweede, heeft hij mijnen zegen geroofd. En weder sprak hij tot zijnen vader: Hebt gij dan geenen zegen voor mij bewaard? Izaak antwoordde: Ik heb hem tot heer over u gesteld, en al zijne broeders heb ik aan zijne dienstbaarheid onderworpen; ik heb hem met tarwe en wijn voorzien en wat zal ik n nog hierna doen, mijn zoon? Ezau zeide hem: Hebt gij dan slechts éénen zegen, vader? ik bid u, zegen mij ook. En daar hij met groote droefheid weende, werd Izaak bewogen, en zeide tot hem; In het vette der aarde en in den dauw des hemels van boven, zal uw zegen zijn. ■»

Verklaring. Jacob gaf zich veel moeite, om den zegen zijns vaders te verkrijgen. Alle kinderen moeten hem daarin navolgen, doch zij mogen dien zegen niet door list en schijn-

261

ocr page 298

01' zatekdag na den

heiligheid zoeken te verkrijgen, maar moeten dien veeleer door een stil en godvruchtig leven trachten te verdienen. Rebecca en Jacob handelden daarin verkeerd, dat zij hun doel door ongeoorloofde middelen wilden bereiken; tenzij ze, door eene onbegrijpelijke onwetendheid, niel wisten, dat men geeue ongeoorloofde middelen mag gebruiken, om een geoorloofd doel te bereiken. Anderen trachten hen op eene andere wijze te verontschuldigen. Overigens laat God soms ook wel eens toe, dat heilige personen vallen, opdat wij des te voorzichtiger zouden wezen. — Vat men dezen Epistel zinnebeeldig op, dan beteekenen de vellen der bokjes de zonden, en hij die zich daarmede omkleedt, verbeeldt Jesus, die, zelf zondeloos, de zonden van anderen op zich nam; en dan is Ezau het beeld der Joden, die het rijk Gods verloren, en Jacob dat der Christenen, die aan dit rijk deelachtig werden.

Evangelie volgens den H. Lucas XV, 11-32.

In dien tijd sprak Jesus tot de Farizeën en Schriftgeleerden deze gelijkenis: Een mensch had twee zonen, en de jongste van hen zeide tot den vader : Vader: geef mij van het goodjhet deel, dat mij toekomt. En hij verdeelde onder hen hel goed. En niet vele dagen daarna, vertrok de jongste zoon, na alles te hebben vergaderd, buiten 's lands naar eene vergelc^ene landstreek, en verkwistte aldaar zijn goed, levende in overdaad. En als hij alles doorgebracht had, ontstond er in die landstreek een zware hongersnood ; en hij hegon gebrek te lijden. En hij ging heen, en vervoegde zich tot eenen inwoner dier landstreek. En die zond hem naar zijne hoeve, om de varkens te hoeden. En hij begeerde zijnen buik te vullen van den draf, dien de varkens aten ; en niemand gaf hem dien. Maar in zich zeiven gekeerd zijnde,, zeide hij: Hoe vele huurlingen hebben, in mijns vaders huis, brood in overvloed, en ik verga hier van honger ! Ik wil opstaan en tot mijnen vader gaan,, en ik zal hem zeggen; Vader! ik heb gezondigd tegen den Hemel, en tegen u ! Ik ben niet

262

ocr page 299

TWEEDEN ZONDAG IN DE VASTEN.

265

meer waardig, uw zoon te heeten ; maak mij als één' van uwe huurlingen ! Eu hij stond op^ en kwam tot zijn' vader. Maar toen hij nog verre af was, zag zijn vader hem, en werd met medelijden bewogen., en liep naar hem toe, en viel hem om den hals, eu kuste hem: En de zoon zeide tot hem: Vader! ik heb gezondigd tegen den Hemel^ eu tegen u; ik ben niet meer waardig, uw zoon te heeten. Maar de vader zeide tot zijne dienstknechten : Brengt haastig hier het beste kleed, en trekt het hem aan, en geeft hem eenen ring aan de hand, eu schoenen aan zijne voeten; en brengt het gemeste kalf, en slacht het; en laat ons eten^ en een vreugdemaal houden! Want deze mijn zoon was dood, en is weder levend geworden; hij was verloren, en is wedergevonden! En zij begonnen een vreugdemaal te houden. Zijn oudste zoon nu w'as op het veld. Als hij dan kwam, en het huis naderde, hoorde hij maatgeluid en dans. En hij riep een' der dienstknechten, eu vraagde, wat dit ware? en deze zeide tot hem : Uw broeder is gekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij liem behouden heeft wederontvangen. Maar hij werd verontwaardigd, en wilde niet binnen gaan. Zijn vader ging derhalve buiten, en begon hem te verzoeken. Doch hij antwoordde, en zeide tot zijnen vader: Zie, zoo vele jaren dien ik u, en heb nooit uw gebod overtreden ; en nooit hebt gij mij een bokje gegeven, om met mijne vrienden een vreugdemaal te houden ; maar als deze uw zoon gekomen is, die zijn goed met ontuchtige vrouwen heeft doorgebracht, hebt gij, voor hem, het gemeste kalf geslacht ! Doch hij zeide tol hem : Zoon! gij zijl altijd bij mij, en al het mijne is het uwe; maar men moest een vreugdemaal houden, en zich verblijden : want deze uw broeder was dood, en is weder levend geworden ; hij was verloren, en is wedergevonden.

ocr page 300

ONDERRICHT OP DEN

Verklaring. Door deze gelijkenis wordt ons Gods liefde jegens de zondaars en zijnen ijver voor die ongelnkkigen op treffende wijze afgebeeld; zij stelt ons mede den ellendigen toestand voor, waarin een zondaar verkeert, en de kracht der boetvaardigheid, die in de schuldbekentenis, het leedwezen over de zonden, het voornemen van zich te beteren en de voldoening voor de bedrevene misdaden gevonden wordt. De H. Chrysostomus zegt, in zijne predikatie over dit Evangelie, zeer schoon: »Daav wij weten, dat God de zondaars, die tot Hem terugkeeren, niet alleen niet verstoot, maar hen zoo vriendelijk als de rechtvaardigen ontvangt, en hen niet straft, maar hen volgt, opzoekt en meer vreugde gevoelt over hen, wanneer Hij hen vindt, dan over de rechtvaardigen. Daar wij zulks weten, moeten wij, als wij zondaars zijn, niet wanhopen, maar ons ook, van den anderen kant, niet te veel op onze deugd laten voorstaan. Laten wij voor onze zaligheid vreezen en sidderen, opdat wij niet, door te veel op ons zeiven te betrouwen, in zonden vallen; wanneer wij gevallen zijn, laat ons dan boetvaardigheid doen. Twee dingen kunnen ons in het verderf storten: een valsch en vermetel vertrouwen op ons zelveu, wanneer wij in staat van genade zijn, en wanhoop, wanneer wij in zonden zijn gevallen.quot; — Deze gelijkenis kan bovendien ook nog van de Joden en Heidenen verstaan worden. De Heer wil hierdoor den Joden nogmaals zeggen, dat de Heidenen, die door de Israelieten voor zondaars gehouden werden, door hunne boetvaardigheid, eerder dan de Joden, tot het bruiloftsmaal des Hemels zouden geraken. Neemt men den zin dezer gelijkenis aldus op, dan verbeeldt de oudste zoon, het in zouden volhardende Israelie-tische volk, in het bijzonder de Farizeën; en de jongere zoon de zondige, maar boetvaardige Heidenen, alsmede de rouwmoedige zondaars in het algemeen.

Gebed der Kerk over het volk.

Bewaar uw gezin, o Heer, door uwe altijddurende goedertierenheid, opdat het, daar het alleen op de hoop der Hemelsche genade steunt, ook door de bescherming van boven moge versterkt worden, door onzen Heer Jesus-Ghristus.

264

ocr page 301

derden zondag in de vasten.

Onderricht op den derden Zondag in de Tasten.

De Ingang der Mis is een gebed der ziel, die verlangt van de bekoringen des duivels bevrijd te worden: Mijne oogen zijn altijd opgeheven tot den lieer; want Hij zal mijne voeten uit den strik trekken. Zie op mij, en ontferm U mijner, want ik ben éénig en arm. Ps. XXIV. Heer, ik heb mijne ziel tot U opgeheven; mijn God op U vertrouw ik, ik zal niet beschaamd worden. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Wij bidden U, almogende God, werp eenen genadigen blik op de wenschen der ootinoedigen, en strek de rechterhand uwer Majesteit ter onzer bescherming uit, door onzen Heer Jesüs-Christus, enz.

EPISTEL: Les uit den Brief aan de Ephesiërs V, 1-9.

Broeders! wordt navolgeren van God, als geliefde kinderen; en wandelt in de liefde, gelijk ook Christus ons heeft liefgehad, en Zich Zeiven heeft overgeleverd voor ons tot ollerande en slachtoffer, Gode tol welriekenden geur. Maar onkuischheid, en alle onreinheid, of gierigheid, worde zelfs niet genoemd onder u, gelijk heiligen betaamt; noch oneerbaarheid, of dwaas geklap, of boerterij, wat niet voegzaam is; maar veeleer dankzegging. Want dit weet en erkent, dat geen onkuische, noch onreine, noch gierigaard, hetgeen afgoderij is, erfdeel heeft in het rijk van Christus en God. Niemand verleide u door ij dele woorden; want om deze komt de gramschap Gods over de kinderen des ongeloofs. Wordt dan hunne mede-deelgenooten niet! Want gij waart eertijds duisternis; nu echter zijt gij licht in den Heer. Wandelt als kinderen des lichts; want de vrucht des lichts is in alle goedheid, en rechtvaardigheid, en waarheid.

Verklaring. De Apostel spoort de Christenen aan, om als Gods kinderen. God in de liefde na te volgen, gelijk Jesus zich ook, uit liefde tot ons, heeft opgeofferd. Verder vermaant hij hen, de onkuischheid en alle ontucht, de gierigheid, (die den rijkdom tol 'smenschen god en den mensch dus tot een atgodendienaar maakt), alle oneerbaarheid, zotte klap en

265

ocr page 302

ONDERRICHT OP DEN

lage boerterij te vermijden, die den Christen niet betamen, (hem past veeleer dankzegging voor de weldaden des Christen-, doms), wijl deze ondeugden den mensch, in zoo ver hij daardoor God grootelijks beleedigt, onfeilbaar buiten den Hemel sluiten. Daarom waarschuwt de Apostel hen ook, zich door de verleidende gesprekken dergenen, die zich om deze ondeugden niet bekreunen en ze als gemakkelijk te vergeven zwakheden voorstellen, niet te laten bedriegen. Zij, die zoo spreken, zijn kinderen der duisternis en des duivels, en roepen den toorn Gods over zich zeiven af en over degenen, die heu gelooven. Een Christen, die een kind des lichts, dat is, des geloofs zijn moet, is verplicht datgene voor verboden en zonde te houden, wat zijn geweten hem als zonde aanwijst. Geloof en geweten, en niet het vermetel oordeel van goddelooze lieden, moeten het richtsnoer van zijn gedrag zijn. Wanneer u iemand verleiden wil, o Christen, vraag u zeiven dan af, ot gij, met zulk eeue daad op uw geweten, voor den rechterstoel van God zoudt durven verschijnen; hoor daarover het vonnis van uw geloof en uw geweten, en oordeel volgens hunne uitspraak, of hetgeen men van 11 verlangt goed of kwaad, geoorloofd of ongeoorloofd is, en handel volgens dat oordeel, opdat gij noch u zeiven misleidt , noch door anderen laat verleiden, en uw deel aan het rijk Gods niet moge verloren gaan.

Evangelie volgens den H. Lucas XI, 14-28.

In dien tijd dreef Jesus eenen duivel uit, tiie stom was. En als hij den duivel liad uitgedreven, sprak de stonune • en de scharen waren verwonderd. Maar sommigen van hen zeiden : Door Beclzebub, den vorst der duivelen, drijft hij de duivelen uit. Kn anderen, hem beproevende, hegeerden van hem een leeken uit den Hemel. Maar Hij, als Hij hunne gedachten zag, sprak tot hen : leder rijk, tegen zich zelf verdeeld, zal verwoest worden, en het eene huis op het ander vallen. Zoo nu de satan ook tegen zich zei ven verdeeld is, hoe zal zijn rijk bestaan ? Want gij zegt, dat ik door Bepl-zebub de duivelen uitdrijve. En indien ik door Beclzebub

266

ocr page 303

DEUDEN ZONDAG IN BE VASTEN.

de duivelen uitdrijve, door wien drijven uwe kinderen hen uit ? Daarom zullen zij zelve uwe rechters zijn. Maar, indien ik door den vinger Gods de duivelen uitdrijve, zoo is waarlijk het rijk Go Is tot u gekomen. Wanneer de machtige, gewapend, zijnen hof hewaakt, zoo is al hetgeen hij bezit, in vrede. Maar wanneer een, machtiger dan hij. hem overvalt en overwint, ontneemt hij hem alle zijne wapenen, waarop hij vertrouwde, en deelt zijnen rooi' uit. Wie met mij niet is, die is tegen mij; en wie met mij niel vergadert, die verstrooit. Wanneer de onreine geest van den mensch uitbegaan is, zoo doorzweeft hij waterlooze oorden, zoekende rust: en die niet vindende, ze«t hij : Ik zal wederkeeren naar mijn huis, van waar ik uitgegaan ben. En daar komende, vindt hij het met bezemen geveegd, en versierd. Dan gaat hÜ, en neemt met zich zeven andere geesten^ boozer dan hij, en ingegaan z' nde, wonen zij daar En de laatste toestand van dien mensch wordt erger, dan de eerste. En het geschiedde als hij dit sprak, dat eene vrouw uit de schare hare stem verhief, en tot Hem zeide: Zalig is de schoot, die U gedragen heeft, en de borsten, die Gij hebt gezogen! Doch Hij sprak: Ja, Zalig zijn degenen, die het woord Gods hooren, en het bewaren!

Wat wordt hier door den stommen duivel verstaan?

In den letterlijken zin, Satan, die hen, van wier lichaam hij bezit genomen heeft, dermate plaagt en kwelt, dat hij hen stom, ja soms zelfs razend maakt. In eene geestelijke opvatting, kan hierdoor de schaamte verstaan worden, welke de duivel den mensch, die zich aan zonden schuldig maakt, ontneemt en ze hem weder teruggeeft, wanneer die zondaar biechten gaat, opdat deze dan zijne misdaden of wel hét getal en de bezwarende omstandigheden zijner zonden zoude verzwijgen.

Hoe drijft Christus ook thans nog de stomme duivelen uit ?

Door de genade, waarmede Hij den zondaar verlicht, om hem het misdadige van zijnen handel en wandel te doen in-

267

ocr page 304

OKDEKIUCHT 01' DEN

zien en duidelijk te doen erkennen, dat de zonden, welke hij in de biecht verzwijgt, eens aan de gansche wereld zullen bekend gemaakt worden; cn waardoor Hij hem moed geeft, om de valsche schaamte te overwinnen. — nSchaam u toch niet, zegt de H. Aügüstinus, datgene aan eencn mensch te bekennen, wat gij u niet geschaamd hebt te bedrijven met eenen of wellicht met en in hef bijzijn van vele menschen.quot; Zeg bij ii zeiven: ik wil thans mij zelven beschaamd maken eil mijne zouden openhartig belijden, uit lielde lot God, dien ik beleedigd heb en om den duivel te trotseeren, die mij fot het kwaad gebracht heeft. Op die wijze zult gij, met Gods hulp, den stommen duivel uitdrijven en genade bij den Heer vinden. Of wilt gij liever met uwe zonden ter helle gaan? Waardoor heeft Christus den Joden bewezen, dat Hij de duivelen niet door Beëlzebub uitdreef?

1) Wijl Hij hun toonde, dat het rijk der duivelen niet lang bestaan zou, indien de eene den anderen verjoeg; 2) wijl Hij hun zeide, dal, wanneer zij toegaven (zoo als zij ook werkelijk deden) dat hunne kinderen de duivelen niet door Bkclzebüb uitdreven, zij Hem zulks dan met billijkheid ook niet ten lasle konden leggen; 7gt;) door geheel zijn leven en al zijne werken, die den duivel vijandig waren en waardoor diens werken vernietigd werden. Een onschuldig leven is het beste verdedigingsmiddel tegen allen laster; en voor den ten onrechte gelasterde, is er geen betere troost en geene zoetere opbeuring dan de gedachte aan Cuuistus, die, ofschoon Hij de heiligheid zelve was, toch niet tegen de aanvallen des lasters bevrijd bleef, maar beschuldigd werd, dat Hij de booze geesten, in den naam van den prins der duivelen, uitdreef, en nochtans alles met geduld verdroeg, geen kwaad met kwaad vergold, maar veeleer zijnen lasteraars voortdurend de grootste weldaden bewees, hen wegens hef rijk Gods onderrichtte en hunne zieken genas, enz. — Anderen begeerden van Jesus een teeken uil den Hemel, doch Jesus gaf er hun geen, wijl Hij wist, dat zij zulks verlangden, deels uit ijdele nieuwsgierigheid, deels met het inzicht, den spot met Hem te drijven (daar zij veronderstelden, dat Hij er geen geven kon) en niet om aan Hein te gelooven, hetwelk zij immers reeds wegens

268

ocr page 305

dkrden zondag in de vasten.

zijne andere wonderen hadden kunnen doen. De spotter is den Heere een gruioel, en den zachtmoedige zal Hij genade geven. Spr. MI, 32, 34.

Wie is de gewapende machtige?

De booze geest, die dus genoemd wordt, wijl hij nog het verstand en de kracht der Engelen bezit en bovendien, door eene langdurige ondervinding, eene groote behendigheid heeft opgedaan, om de menschen, wanneer God dit toelaat, op allerlei wijzen te schaden , waartoe zijne boosheid en zijn haat tegen God hem tevens aandrijven.

Welke zjjn de wapenen des duivels?

Zijne sluwheid, waardoor hij de menschen dusdanig weet to bedwelmen en te verbinden, dat zij de grootte hunner zouden en de kwade gevolgen er niet van inzien. Hij bestrijdt ons ook, door onze bedorvene neigingen, zoo als reeds boven gezegd werd: verder gebruikt hij den lediggang, de kwade gezelschappen, de traagheid in het gebed, enz., als wapenen, om ons te beoorlogen en te overwinnen. 7,iju machtigst wapen echter is het dwaze menschelijk opzicht, en dat bekende : »Wat zullen de menschen zeggen ?quot; want vele Christenen wijken van den weg der deugd af, of durven dien niet met moed betreden, om niet door slechte lieden bespot te worden.

Wie is de machtigere, die den duivel zijne wapenen ontnomen heeft ?

Christus de Heer, die op aarde gekomen is, om de werken en het rijk des duivels te vernietigen en dien vorst der duisternis buiten te werpen (Joan. XH, 31), of om de menschen te verlossen en ze van de macht des Satans te bevrijden. »De duivel,quot; zegt de H. Augustinus, «had het menschelijk geslacht in bezit genomen en behield de schuldigen wegens de zonde; hij heerscht in de harten der ongeloovigen; doch, door het geloof in Christus, door de verdiensten van zijnen dood en zijne verrijzenis, werden duizenden aan de heerschappij des duivels ontrukt, bij het lichaam van Christus ingelijfd en, onder een zoo voortrellclijk hoofd, als trouwe ledematen, door éénen geest bezield.quot; — Laat ons niet al te veel voor den duivel en zijne bekoringen vreezen; indien wij in Christus

269

ocr page 306

onderricht 01' den

gelooven en overeenkomstig het geloof Irachten te leven, zullen wij, floor Hem van de heerschappij des duivels verlost, ledematen zijns licluiams en door zijnen geest bezield worden en van Hem de genade bekomen, alle bekoringen en ingevingen des duivels gemakkelijk te overwinnen.

Waarom zegt Christus: Wie met Mij niet is,

die is tegen Mij ?

Hij wil daarmee zeggen: Gij. Parizeen, die n leeraren des volks noemt, maar niet met Mij wilt zijn. Ik zeg n, dat elk leeraar, die niet uitsluitend en geheel en al voor Mij is, noodzakelijker wijze mijn tegenstander moet zijn, en dat elk leeraar, die het volk niet in mijn rijk vergadert, het verstrooit, en als eene verstrooide kudde aan het verderf prijs geeft. — Tusschen de waarheid en de dwaalleer, tnsschen Christus en Satan is geen middelweg. Wij zijn of voor God óf wel voor den duivel, er beslaat geen derde, aan wien wij kunnen toebehooren. Dit dienen zij wel ter harte te nemen, die meenen, dat men het half met do wereld en den duivel, en half met God of half met het ongeloof en half met het geloof, half met de zonde en half met de deugd honden en toch zalig worden en zijne onderhoorigen ter zaligheid voeren kan. Waarom zegt Jesus: De onreine geest doorzwerft water-

looze oorden, zoekende rust en vindt die niet ?

De duivelon hebben geeue rust, maar worden eeuwig gepijnigd; doch hun booze wil wordt, om zoo te spreken, bevredigd en vindt rust, als hij den mensch schade kan berokkenen, hetwelk nochtans onmogelijk is, zoo de mensch dapper tegen de bekoringen strijdt en zich beijvert, om in het goede te volharden. In dit geval is God met hem en als God met ons is, wie zal dan tegen ons zijn en ons ware schade kunnen toebrengen? Wanneer de mensch echter nalatig is in den strijd en lauw in het goede, of misschien reeds met zonden besmet, dan zegt de duivel: ik zal weder-keeren naar de ziel van waar ik uitgegaan ben; want zij is thans geheel voor mij toebereid, ik wil echter nog andere booze geesten met mij nemen, opdat ik niet meer verdreven worde; en de laatste toestand van den mensch is erger dan de eerste.

-270

ocr page 307

dküdkn zondag in de vasten.

Waarom zegt de Verlosser: De laatste toestand van dien mensch wordt erger dan de eerste?

1) Wijl zij. die over eeno zonde boetvaardigheid gedaan hebben, wanneer zij daarin hervallen, gewoonlijk naast deze nog vele andere zware zonden bedrijven; 2) wijl het opstaan uit den val, of het verlaten der zonde, fen tweeden male, moeielijker is dan den eersten keer, en steeds moeielijker wordt, naarmate men vaker zondigt; 5) wijl er gevaar bestaat, dat de zonde tot eene gewoonte van zondigen overgaat en de bekeering uiterst moeielijk wordt, en 4) omdat de zondaar aldus zijn hart lichtelijk in de boosheid verstokt, de stem Gods niet weer hoort en voor eeuwig verloren gaat.

Waarom wordt er, in dit Evangelie, eene bijzondere melding gemaakt van die vrouw, die hare stem uit de schare verhief, om Christus te prijzen?

Dit geschiedt, zooals de eerbiedwaardige Beda zegt, tot eeuwigdurenden lof dezer vrouw, die Christus openlijk en onverschrokken zalig noemde, terwijl de Farizeën en de voornamen der Joden, Hem schandelijk beproefden en lasterden.

Waarom noemt Christus hen Zalig, die het Woord Gods bewaren?

Wijl het, zoo als wij boven zeiden, ter zaligheid niet voldoende is het Woord Gods Ie hooren, maar daartoe tevens vereischt wordt, dat men het door werken vervulle. Christus gaf, door dit antwoord le kennen, dat zijne Moeder niet alleen daarom moest zalig geprezen worden, wijl zij Hem, don Zoon van God, ontvangen, gebaard en opgevoed had, maar veel meer, wijl Zij zich, te allen tijde, beijverde, om het Woord Gods in haar hart te bewaren en haar leven daarnaar in te richten.

Verzuchting. O Heer, verleen mij de genade van altijd in uw licht te wandelen en vruchten des lichts voort te brengen. Laat nooit toe, dat de duivel en zijn aanhang mij verblinden en lot afval van U, mijnen God, verleiden; maar geef mij de genade, hunne listen en boosheid steeds te kennen en schenk mij kracht, de wapenen des lichts immer zegevierend tegen de wapenen der booze geesten te gebruiken. 0 God, de sterkte der Heiligen, wees altijd met mij en ik zal niet beschaamd worden!

271

ocr page 308

01' maandag na den

Op Maandag na den derden Zondag in de

Tasten.

EPISTEL : Les uit het vierde Boek der Koningen, V. 1-15.

In die dagen was Naaman, de veldoverste des konings van Syrië, een groot man bij zijnen heer en geëerd; want de Heer had, door hem, heil aan Syrië gegeven; en hij was een dapper en lijk man maar meiaatsch. Eenige roovers nu waren uit Syrië gelrokken en hadden, uit het land van Israël, een klein meisje gevankelijk weggevoerd, dat in dienst was van Naaman's huisvrouw. Dit zeide tot hare meesteres: O dat mijn heer toch eens bij den Profeet ware geweest, die te Samarië is; voorzeker hij zou hem genezen hebben van de melaatsch-heid, welke hij heeft. Naaman ging dus tot zijnen heer en verkondigde hem, zeggende: Zóó en zóó heeft het meisje uit het land van Israël gesproken. En de koning van Syrië zeide hem : Ga, en ik zal eenen brief zenden aan den koning van Israel. Hij trok heen en nam met zich tien talenten zilver en zes duizend goudstukken en tien wisselkleederen, en bracht aan den koning van Israel den brief, die aldus luidde: Wanneer gij dezen brief zult ontvangen hebben, weet dan, dat ik Naaman, mijnen dienaar, tot u zend, opdat gij hem van zijne melaatschheid geneest. En toen de koning vau Israël den brief gelezen had, verscheurde hij zijne kleederen, en sprak: ben ik dan een God, zoodat ik dooden kan en levend maken, wijl hij deze lot mij zendt, dat ik eenen mensch van zijne melaatschheid ge-neze? Bemerkt en ziet, dat hij eene gelegenheid tegen mij zoekt. Toen Euseus, de man Gods, dit gehoord had, namelijk, dat de koning van Israel zijne kleederen verscheurd had, zond hij tot hem, zeggende; waarom hebt gij uwe kleederen verscheurd? Hij kome tot mij en wete, dat er een Profeet in Israel is. Naaman kwam dus met paarden eu wagens en stond voor de deur van huis van Eliseus; en Elisels zond eenen bode tot hem, zeggende: Ga, en wasch u zeven maal in de Jordaan en uw vleesch zal de gezondheid terugkrijgen en gij zult gereinigd worden. Toen werd Naaman boos en ging heen, zeggende: ik meende dat hij tot mij komen, en staande den naam van den Heer zijnen God aanroepen en met zijne hand

272

ocr page 309

deisden zondag in de vasten.

de plaats der melaatschheid aanraken en mij genezen zou. Zijn Abana en Pharphar, stroomen van Damascus, niet beter dan al de wateren van Israël, dat ik er in gewasschen en gereinigd worde? Toen hij zicli nu omkeerde en verontwaardigd wegging, kwamen zijne dienaren tot hem en zeiden hem : Vader, indien de Profeet n een groote zaak had ge/egd, hadt gij ze zeker moeten doen, hoeveel te meer nu, daar hij u gezegd heelt: Wasch u en gij zult gereinigd worden! Hij steeg al en wiesch zich zeven maai in de Jordaan, volgens het woord van den man Gods, en zijn vleesch werd hersteld, gelijk het vieesch van een klein kind, en hij werd gereinigd. En hij keerde met zijn gansch gevolg tot den man Gods terug, kwam en stond vóór hem en sprak: Waarlijk, ik weel dat er geen ander God is, op de geheele aarde dan alleen in Israël!

Verklaring. Waarom zou ik zulks doen? Waarom moet ik mijne zonden aan eenen priester belijden, om vergiffenis daarvan te bekomen? Waarom moet ik tot de Tafel des Hee-ren naderen, om gezondheid en sterkte voor mijne ziel te verkrijgen? Even zoo vraagt, als Naaman , de hoogmoedige, die niet bedenkt, dat het Gode alleen toebehoort, de middelen vast te stellen, waardoor Hij ons helpen wil. — Laat ons hieruit leeren ootmoedig te zijn ; zonder ootmoed toch, bestaat er geene ware onderwerping aan Gods heiligen wil; weshalve de H. Petrus zegt: God weerstaat den hoovaar-dige, maar den ootmoedige geeft Hij genade. «Wat is er kostbaarder,quot; vraagt de II. Bernardus, «dan de ootmoed, waardoor het Rijk der Hemelen gekocht en de Goddelijke genade verkregen wordt?quot; De ootmoed is verder het begin en de grondslag van alle deugd, gelijk de hoogmoed de oorsprong is des afvals van God en van alle zonden en de oorzaak, bij gevolg, der eeuwige verdoemenis. «Do ootmoed,quot; zoo leert de H. Auglstinus, «maakt de menschen gelijk aan de Engelen, de hoogmoed, integendeel, maakt van de Engelen duivels; en, om duidelijk te spreken, de hoogmoed is liet begin, het einde, de oorzaak van alle zonden, niet alleen omdat de hoogmoed zonde is, maar ook omdat er geene zonde heeft kunnen zijn, noch kan zijn, noch zal kunnen zijn zonder hoogmoed.quot;

275

18

ocr page 310

01' maandag na den

Evangelie volgens den H. Lucas IV, 23-30.

Tn dien tijd sprak Jesus lot de Phariseën ; Gij zult gewis tot Mij deze gelijkenis zeggen : Geneesmeester, genees n zeiven ! Doe ook hier in uw vaderland zoo groote dingen, als wij gehoord hebben, dat in Caphar-naüm geschied zijn! En Hij sprak: Voorwaar, ik zeg u, geen profeet is geëerd in zijn vaderland. In waarheid zegt Ik u ; Er waren vele weduwen in Israël, in de dagen van Elias, toen de hemel drie jaren en zes maanden gesloten was, wanneer er groote hongersnood ontstond door het gansche land : en tot geene van haar werd Elias gezonden, dan naar Sauepta in Sidonië, tot eene weduwe. Ook waren er vele melaatschen in Israël, ten tijde van den profeet Eliseus : en niemand hunner werd gezuiverd, dan Naaman, de Syriër. En allen, die in de synagoge waren, werden met gramschap vervuld, als zij dit hoorden. En zij stonden op, en dreven Hem buiten de stad, en leidden Hem tot op den top van den berg, op welken hunne stad gebouwd was, om Hem van de steilte af te werpen. Maar Hij, midden door hen heengaande, vertrok.

Verklaring. Jksls, din de gedaclilcn der monsclien kent, spreekt tot de Farizeën te Nazareth in dezen zin: Gij geelt mij de getuigenis, dat Ik weet te leeren en toch gelooll gij niet in Mij ; en zoo Ik onder n de wonderen dede, die Ik te Capliarnaïim verricht heb, zelfs dan nog zondt gij in Mij niet gelooven. Daarom ziet: het Evangelie zal, wegens nw ongeloof-en uwe weerspannigheid aan Gods genade, van n worden weggenomen en tot de Heidenen overgaan, even als dit met de tijdelijke goederen het geval was, in de dagen van Elias en Eliseus. De Parizeen geraakten daarover in gramschap en dreven Jksus buiten de stad. quot;ij echter ging midden tnsschen hen door en vertrok. — Wachten wij ons, den Heer. door ons ongeloof en onze wederspannigheid, uil ons midden te verdrijven; want wie Gode weerstaat, weerstaat Hem, van wien alleen wij ons eeuwig gelnk Ie wachten hebben; of — is er ergens

274

ocr page 311

DEltDBN ZONDAG IN DE VASTEN.

anders heil voor ons te vinden, dan in den naam van Jesüs Christus, den Gekruisigde?!

Gebed der Kerk over het volk.

Laat, o Heer! uwe barmhartigheid ons te hulp komen, opdat wij, onder uwe bescherming, uit de dreigende gevaren onzer zonden gered en door uwe verlossing zalig worden, door onzen Heer Jesus-Christus.

Op Dinsdag na den derden Zondag in de

Tasten.

EPISTEL : Les uit het vierde Boek der Koningen IV, 1-7.

In die dagen riep eene vrouw tot den Profeet Eliseus, zeggende; Uw dienaar, mijn man, is gestorven en gij weet, dat uw dienaar den Heer vreesde : en zie, een schuldeischer is gekomen, om mijne twee zonen weg te nemen, opdat zij hem dienen. Eliseus zeide tot haar: Wat wilt gij, dat ik u doe? Zeg mij, wat hebt gij in uw huis? En zij antwoordde: ik, uwe dienstmaagd, heb niets in mijn huis, dan een weinig olie, om mij te zalven. Hij zeide haar: Ga, en vraag van al uwe buren ledige vaten ter leen en niet weinige. En ga binnen, en sluit uwe deur, wanneer gij en uwe zonen zult binnen wezen: en giet vervolgens in al deze vaten en neem ze weg, als zij vol zijn. De vrouw ging dan en sloot de deur achter zich en hare zonen: deze boden de valen aan en zij goot er in. Toen de vaten vol waren, zeide zij tot haren zoon: Breng mij nog een vat. En hij antwoordde: Ik heb er geen. En de olie stond stil. Doch zij kwam en beduidde het den man Gods. En hij sprak; Ga, verkoop de olie en betaal uwen schuldeischer; gij echter en uwe zonen, leeft gij van het overige.

Opwekking. Ziedaar, hoe God de zijnen helpt! Toen de nood dezer weduwe het hoogste was geklommen, was de hulp Gods liet meest nabij. Zoo laat God ook dikwijls toe, om ons te beproeven , dat onze rampspoeden ten top stijgen ; verduren wij echter de beproevingen met geduld en verliezen wij het vertrouwen op Hem niet, dan zal ons zijn bijstand niet ontbreken, want Hij is altijd dezelfde God, ziju

27o

ocr page 312

01' dinsdag na oen

arm is niet verkort en zijne goedheid niet verminderd. Vertrouw, daarom in al uwen nood, op den Heer (voornamelijk wanneer gij hot ongeluk hebt, weduwe of wees to zijn) en Hij zal ii niet te schande laten worden!

Evangelie volgens den H. Mattheus XVIII, Io-22.

In dien tijd sprak Jesüs tot zijne Discipelen; Als uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga_, en berisp hem tnsschen u en hem alleen. Indien hij naar u hoort^ zult gij uwen broeder gewonnen hebben. Maar indien hij niet naar u hoort, neem er nog éénen of twee met u. opdat alle woord door den mond van twee of drie getuigen bevestigd worde. En indien hij naar hen niet hoort, zeg het aan de Kerk. Maar indien hij ook de Kerk niet hoort, zij hij u als de heiden en de tollenaar. Voorwaar, Ik zeg u : Al wat gij op de aarde zult gebonden hebben, zal ook in den hemel gebonden zijn ; en al wat gij op de aarde zult ontbonden hebben, zal ook ontbonden zijn in den hemel. Wederom zeg Ik u: Indien er twee van u op de aarde samenstemmen. over welke zaak zij ook mogen bidden, het zal hun geschieden van mijnen Vader, die in de hemelen is. Want waar er twee of drie in mijnen naam vergaderd zijn, daar ben ik in hun midden. Toen naderde Hem Pethus, en zeide : Heer ! hoe menigmaal zal ik mijnen broeder, indien hij tegen mij zondigt, vergeven ? tot zevenmaal ? Jesüs sprak tot hem : Ik zeg u : niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zevenmaal

Verklaring. In dit Evangelie, spreekt Jesus over de broederlijke berisping en hare verschillende graden, over de macht der Kerk om te binden en te ontbinden, over den zegen van het gemeenschappelijk gebed en over het vergeven der fouten van den naaste. — Heeft uw broeder gezondigd, zegt do Verlosser , berisp hem dan eerst, onder vier oogen. Hoort hij naar u, dan hebt gij uwen broeder gewonnen, dat is, van de zonde en het verderf gered. Hoort hij niet naar u.

276

ocr page 313

DERDEN ZONDAG IN DE VASTEN.

neem er nog éénen ofquot; twee met u, opdat hij, door hun mond, van zijne verkeerdheid overtuigd worde. Hoort hij ook dezen en zelfs de Kerk niet, dan moet hij als iemand, die niet tot de Christelijke gemeenschap behoort, wordün beschouwd, en de kerkelijke overheid, die macht heeft, om te binden en te ontbinden, heeft alsdan het recht hem uit het midden der geloovigen te verstooten. Wellicht zal de schande, welke die weerspannige ondergaat, door van de anderen afgezonderd te worden, hem tot inkeer en boetvaardigheid brengen. — Nogmaals zeg ik u, zoo spieekt Jesüs verder, indien gij om iets bidt, doet het gemeenschappelijk; want als er twee vergaderd zijn in mijn naam, dat wil zeggen, onder aanroeping van mijnen naam en volgens mijne verordening om iets vragen, dan zullen zij het verkrijgen. Juist daarom ook moet gij allen, die it be-leedigen, vergeven, opdat deze eensgezindheid niet gestoord worde. Berisp dan en vergeef met liefde, opdat gij altijd uwe gebeden, in vereeniging met uwe bloeders, ten Hemel moogt zenden, en behoorlijk biddende, verkrijgen moogt, wat gij van God verzoekt!

Gebed der Kerk over het volk.

Verdedig ons, o Heer ! door uwe bescherming, en bewaar ons altijd van alle ongerechtigheid, door onzen Heer enz.

Op quot;Woensdag na den derden Zondag in dc

Y asten.

EPISTEL : Les uit het Boek Exodus XX, 12-24.

Dit zegt God de Heer: eert uwen vader en uwe moeder, opdat gij lang moogt leven in het land, dat God de Heer u zal geven. Gij zult niet doodslaan. Gij zult niet echtbreken, (iij zult niet stelen. Gij zuil tegen uwen naaste geene valsche getuigenis spreken. Gij zult het huis uws naasten niet be-geeren, noch zijn vrouw begeeren, noch zijn knecht, noch zijn dienstmeid, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iels van al hetgeen zijn is. En het geheele volk hoorde en zag de donders en de bliksems, en het geluid der bazuin, en den rookenden berg; en daar zij bevreesd en door den schrik getrolfen waren, stonden zij van verre en zeiden tot Mozes; spreek gij tot ons en wii zullen hooien; maar dat de Heer niet lot ons

277

ocr page 314

op woendag na den

spreke, wij zouden soms sterven. En Mozes sprak tot liet volk: vreest niet, want God is gekomen, om u te beproeven, en opdat zijne vrees in u zoude zijn en gij niet zoudt zondigen. En het volk stond van verre. Mozes echter naderde tot de duisternis, waarin God was. De Heer zeide nog tot Mozes : dit zult gij tot de kinderen Israels zeggen: Gij hebt gezien, dat Ik uit den Hemel tot u gesproken heb. Gij zult u noch zilveren, noch gouden goden maken. Gij zult Mij een altaar van aarde maken en daarop uwe brand- en vredeoffers, uwe schapen en ossen offeren, op elke plaats, waar mijn naam zal herdacht worden!

Verklaring. De Heer geeft zijne wetten, bij donder en bliksem, om ons eenen grooten eerbied voor zijne geboden in te boezemen. 0 mochten wij dezen eerbied toch nimmer uit het oog verliezen; hij zou ons voor vele misstappen behoeden! Laat ons tevens ter harte nemen, wat God de Heer tot het Israelietische volk zegt: nOp elke plaats, waar mijn naam zal herdacht worden, zal Ik tot u komen en u zegenen.quot; De zegen Gods is aan geene plaats gebonden; want hoewel de kerken inzonderheid voor het gebed geschikt zijn, kunnen wij nochtans Gods zegen, niet alleen in eene kerk, maar ook in ons eenzaam slaapvertrek zoowel als elders verwerven, mits wij slechts des Heeren naam herdenken, dat is, zoo wij, door een godvreezend leven en heilig gebed, trachten te verkrijgen, dat onze beden verhoord worden.

Evangelie volgens den H. Mattheus XV, i-20.

In dien tijd, kwamen van Jerusalem de Schriftgeleerden en Phariseën tot Jesus, zeggende : waarom overtreden uwe Discipelen do overlevering der ouden ? want zij wasschen hunne handen niet, wanneer zij brood eten. Maar hij antwoordde, en sprak tot hen : Waarom overtreedt gij zeiven het gebod van God, om uwe overlevering? Want God heeft gezegd: Eer uwen vader en uwe moeder ! en : Zoo wie vader of moeder vloekt, zal den dood sterven. Maar gij zegt: Al wie tot vader of moeder spreekt : Alle gave, van mij ge-

278

ocr page 315

279

DERDEN ZONDAG IN DE VASTEN.

rgt;

offerd, zal u balen ! Zoo zal hij zijnen vader, oi' zijne moeder niet eeren ; en gij hebt Gods gebod krachteloos gemaakt om nwe overlevering. Schijnheiligen ! terecht heeft Isaïas van n geprofeteerd, zeggende: Dit volk eert Mij jnet de lippen ; maar hun hart is verre van Mij, doch te vergeefs dienen zij Mij, leerende leeringen en geboden van inenschen. En de scharen tot zich roepende, sprak Hij tot hen ; Hoort en verstaat ! Hetgeen den mond ingaat, besmet den mensch niet : maar hetgeen uit den mond voorkomt, dat besmet den mensch. Toen naderden zijne Discipelen, en zeiden tot Hem : Weet gij^ dat de Phariseën, deze rede hoorende, geërgerd zijn? Maar Hij antwoordde en sprak: Alle planting, welke mijn hemelsche Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden. Laat hen geworden : zij zijn blind, en leidsmannen van blinden. En als een blinde den blinde tot geleide verstrekt, zoo vallen zij beiden in de groeve. Petrus nu antwoordde, en zeide tot hem: Verklaar ons deze gelijkenis. Maar Hij sprak : Zijt ook gij nog zonder begrip? Begrijpt gij niet, dat al wat den mond ingaat, in den buik komt, en in de heimelijke plaats wordt uitgeworpen ? Doch hetgeen uit den mond voorkomt, komt uit het hart, en dat besmet den mensch. Want uit het hart komen kwade gedachten, doodslagen, overspelen, ontuchtigheden, dieverijen, valsche getuigenissen, lasteringen. Deze zijn het, die den mensch besmetten ; maar met ongewasschen handen te eten, besmet den mensch niet.

Verklaring. De Faiizeën hadden bij de Goddelijke geboden verschillende andere wetten gevoegd en hen, die deze wetten onderhielden, soms ontslagen van het onderhouden van liet een of ander gebod des Heeren. Zij zeiden bijvoorbeeld, dal hij, die veel offerde, zijne ouders niet behoefde le eeren, dat is, niet behoefde te ondersteunen en hun niet het noodige onderhond behoefde te verschaUen. Zidk eene bijgevoegde wel was

ocr page 316

op donderdag na den

ook het voorschrift, dat men niet met ongewasschen handen mocht eten, van welks overtreding de Parizeen de leerlingen van Jesüs beschuldigden. Christus toont thans in het algemeen, dat toenmaals aan de menschelijke wetten de voorkeur werd gegeven boven de Goddelijke geboden, en dat het gansch verkeerd en ten onrechte was, dat men de laatste wegens de eerste verwaarloosde; daarna licht Hij zijne beschuldiging nader toe zeggende: Hetgeen den mond ingaat, (de spijs) besmet (op zich zelve) den mensch niet, maar hetgeen uit den mond voorkomt, dat hesmet den mensch, dat wil zeggen: niet liet eten of liet niet-eten of met ongewasschen handen eten, in zich zelf beschouwd, heiligt of ontheiligt den mensch, maar wel de inwendige gezindheid, welke daarbij den mensch bezielt en die zich soms door woorden openbaart. Men ziet dus, hoe onverstandig en verkeerd zij allen oordeelen, die hunne overtreding en verachting van het kerkelijk vastengebod, door deze woorden des Verlossers, willen verontschuldigen. Immers de spijs, welke men tegen het gebod der Kerk gebruikt, maakt door zich zelve den mensch niet tot zondaar, want elke spijs, als zijnde eene gave Gods, is op zich zelve goed en bezoedelt geenszins, terwijl zij slechts het lichaam en niet het inwendige der ziel raakt ; maar de innerlijke gezindheid, waardoor men zich tegen de door God aangestelde overheid verzet, alsmede de woorden, waarmede men de geboden dier wettige overheid versmaadt, bezwaren de ziel en halen den mensch Gods ongenade en straffen op den hals.

Gebed der Kerk over het volk.

Geef, smeeken wij U, almogende God! dat wij, die de genade uwer bescherming verzoeken, van alle onheilen verlost zijnde, ü met een gerust gemoed dienen, door onzen Heer, enz.

Op Donderdag na den derden Zondag in de

Yasten.

EPISTEL: Les uit den Profeet Jeremias VII, 1-7

In die dagen geschiedde het woord des Heeren tot mij, zeggende: Sta in de poort van het huis des Heeren en verkondig daar dit woord en zög: Hooit het woord dos Heeren geheel Juda, gij die door deze poorten ingaat, om den Heer te aanbidden. Dit zegt de Heer der heerscharen, de God van

280

ocr page 317

BERDEN ZONDAG IN DE VASTEN.

Israel: maakt uwe wegen en uwe inzichten goed en Ik zal met u wonen in deze plaats. Vertrouwt iiiet op leugenachtige woorden, zeggende: De tempel des Heeren, de tempel des Heeren, de tempel des Heeren is 't. Want, zoo gij uwe wegen en uwe inzichten goed inricht; indien gij gerechtigheid doet tusschen eeuen man en zijnen naaste, den vreemdeling, den wees , der weduwe geen smaad aandoet, noch onschuldig bloed vergiet in deze plaats, noch vreemde goden nagaat tot uw eigen nadeel, dan zal Ik met u in deze plaats wonen, in het land, dat Ik uwen Vaderen van eeuw tot eeuw gegeven heb, zegt de almogende fleer.

Verklaring. De Profeet vermaant de Joden in deze les, dat zij zich, door geen valsch vertrouwen op den tempel en op de valsche Profeten, zouden laten afhouden van zich te bekeereu, wijl God zich slechts over degenen ontfermt, die hunne werken en meening goed inrichten en wijl het dwaas is te zeggen: «God is met ons en beschermt ons, want wij hebben immers zijnen tempel,quot; enz. ■— Wij, Christenen, dienen ook deze woorden goed ter harte nemen, opdat wij op onzen Godsdienst en op onze Kerk geeu valsch vertrouwen zouden stellen, maar ons veel meer beijveren zouden, om onze inzichten en werken te verbeteren, en liefdevol, rechtvaardig en godvruchtig vóór den lieer te leven, om ons daardoor zijnen zegen waardig te maken.

Evangelie volgens den H. Lucas IV, 58-44.

In dien tijd Jesus opstaande, ging uit de Synagoge, in het huis van Simon. En de schoonmoeder van Simon was door zware koortsen aangetast; en zij baden Hem voor haar. En staande over haar, gebood Hij dei-koorts, en deze verliet haar. En dadelijk opstaande, diende zij hun. Als nu de zon ondergegaan was, brachten allen, die kranken hadden aan verschillende kwalen, hen tot Hem : en aan ieder hunner de handen opleggende, genas hij hen. En van velen gingen duivelen uit, die riepen en zeiden : Gij zijt Gods Zoon ! En hen bestraffende, liet Hij hun niet toe, te spreken,

281

ocr page 318

op vkijuag na den

omdat zij wisten, dat Hij de Christus was. En als het dag werd, ging Hij van daar, en begaf zich naar eene eenzame plaats : en de scharen zochten Hem, en kwamen bij Hem, en hielden Hem terug, dat Hij niet van hen zoude weggaan. Maar Hij sprak tot hen : Ook aan andere steden moet ik het Evangelie van het rijk Gods verkondigen ; want hiertoe ben Ik gezonden. En Hij predikte in de synagogen van Galilea.

Verklaring. Door de genezing der sclioonraoeder van Petrus en der bezetenen, vertoont Jesüs zich als een medelijdend en almachtig Helper in den nood, en als overwinnaar van Satan en diens rijk. — Laat ons dus ook, in al onze tegenspoeden, (doch inzonderheid wanneer onze ziel krank is ot door hevige kwade begeerten gekweld wordt ol' met zonden beladen is,) tot dezen liefdevollen en machtigen vriend, onze toevlucht nemen. Laat ons, nadat Hij ons gered heeft, al onze krachten lot zijnen dienst besteden, door onzen lijd, naar zijn voorbeeld, in bidden en werken door te brengen en al onze handelingen door weldaden te doen uitschijnen.

Gebed der Kerk over het volk.

Wij smeeken U, o Heer, dat uwe Hemelsche barmhartigheid uw onderdanig volk vermeerdere en het altijd aan uwe geboden doe gehoorzamen; door Jesus-Christus, onzen Heer.

Op Vrijdag na den derden Zondag in de

Yasten.

EPISTEL : Les uit het Boek der Getallen XX, 2-3 6-12,

In die dagen verzamelden zich de kinderen Israels tegen Mozes en Aarojs, geraakten tol oproer en zeiden: Geeft ons water, dat wij drinken. Mozes en Aaron lieten de menigte gaan en traden het tabernakel des verbonds binnen, vielen plat ter aarde en riepen lol den Heer en zeiden: Heer God, verhoor het geroep van dit volk en open hun uwen schat, eene bron van levend water, opdat zij verzadigd worden en hun gemor ophoude. En de heerlijkheid des Heeren verscheen over hen. En de Heer sprak lot Mozes, zeggende: Neem den staf en vergader hel volk, gij en Aaron uw breeder, en

282

ocr page 319

derden zondag in de vasten.

spreek tot de rots in hun bijzijn en die zal water geven. En als gij water uit de rots zult hebben doen komen, zal de gansche menigte drinken en hunne dieren. Mozes nam dus den staf, die vóór het aangezicht des Heeren was, gelijk Hij hem bevolen had en vergaderde de menigte vóór de rots en sprak tot haar: Hoort, weêrspaunigen en ongeloovigen, zullen wij u wel water uit ;'ezo rots kunnen voortbrengen? En nadat Mozes zijne hand had opgeheven en de rots tweemaal met den stal' geslagen had, kwam er overvloedig water uit, zoodat het volk dronk en de dieren. En de Heer zeide tot Mozes en Aaron; wijl gij mij niet geloofd hebt, opdat gij Mij zoudt heiligen vóór de kinderen Israels, zult gij deze volkeren niet binnenleiden in het land, dat ik hun geven zal. Dit is het water der tegenspraak, waar de kinderen Israels tegen den Heer krakeelden en Hij onder hen geheiligd werd.

Verklaring. God had het Israëlitische volk met groote en ontelbare weldaden verrijkt en tocli morde het terstond tegen Hem, toen het gebrek had aan water. Zijn wij niet even zoo gesteld, wanneer, na lange dagen van aanhoudenden voorspoed, eindelijk een dag van onheil voor ons komt? Zulk wantrouwen kan oorzaak zijn dat men God grootelijks belee-digt en buiten den Hemel gesloten wordt, gelijk Mozes door twijfel en ongeloof, hoewel, volgens den H. Augustinus, niet gansch 'vrijwillig, zich onwaardig maakte, het Beloofde Land in te gaan.

Evangelie volgens den H. Joannes IV, 4-45.

In dien tijd kwam Jesus naar eene stad van Sa-niarië. welke Sichar heet, nabij den akker, dien Jacob aan zijnen zoon Joseph gaf. En aldaar was eene bron van Jacob. Jesus nu, vermoeid van de reize, zat alzoo neder nevens de bron. Het was omtrent de zesde ure. Er kwam eene vrouw van Samarië water putten. Jesus sprak tot haar: Geef Mij te drinken ! Want zijne Discipelen waren naar de stad gegaan, om spijze te koopen. De Samaritaansche vrouw nu zeide tot Hem ; Hoe vraagt Gij, die een Jood zijt, van mij te drinken, die eene Samaritaansche vrouw ben ? Want de Joden

283

ocr page 320

01» VRIJDAG NA DEK

284

houden met de Samaritanen geene gemeenschap. Jesus antwoordde, en sprak tot haar : Indien gij de gave Gods kendet, en wie Hij is, die tot u zrtgt ; Geef Mij te drinken ! zoudt gij wel van Hem hebben gevraagd, en Hij zoude u levend water gegeven hebben. De vrouw zeide tot Hem : Heer ! Gij hebt niets, waarmede te putten^ en de bron is diep : van waar dan hebt Gij het levend water? Zijt Gij grooter, dan onze vader Jacob, die ons de bron gegeven, en zelf daaruit gedronken heeft, en zijne kinderen, en zijn kudden ? Jesus antwoordde, en sprak tot haar : Al wie van dit water drinkt, zal wederom dorsten : doch wie van het water drinkt, dat Ik hem geven zal, zal niet dorsten in eeuwigheid : Maar het water, dat Ik hem geven zal, zal in hem eene bron worden van water, hetwelk springt ten eeuwigen leven. De vrouw zeide tot Hem ; Heer ! geef mij dat water, opdat ik geen' dorst hebbe, noch hier kome, om te putten. Jesus sprak tot haar : Ga, roep uwen man, en kom hier ! De vrouw antwoordde, en zeide; Ik heb geenen man. Jesus sprak tot haar: Gij hebt wel gezegd: Ik heb geenen man. Want gij hebt vijf mannen gehad; en dien gij nu hebt, is uw man niet: dit hebt gij naar waarheid gezegd. De vrouw zeide lot Hem : Heer ! ik zie, dat Gij een Profeet zijt. Onze vaderen hebben op dezen berg aangebeden,, en Gij zegt, dat in Jerusalem de plaatse is., waar men aanbidden moet. Jesus sprak tot baar: Vrouwe, geloof Mij, de ure komt, wanneer gij noch op dezen berg, noch in Jerusalem den Vader zult aanbidden. Gij aanbidt, wat gijniet kent: wij aanbidden, wat wij kennen ; want de zaligheid is uit de Joden. Maar de ure komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in geest en waarheid : want ook de Vader zoekt dezulken, die Hem aanbidden. God is een Geest, en die Hem aanbidden,

ocr page 321

OERDEN ZONDAG IN DE VASTEN.

283

moeten Hem in geest en waarheid aanbidden. De vrouw zeide tot Hem : Ik weet, dat de Messias komt (die Christus genoemd wordt) ; wanneer die komt, zal Hij ons alles verkondigen. Jesus sprak lot haar: Ik ben het, die met u spreek ! En daarop kwamen zijne Discipelen, en verwonderden zich, dat Hij met pene vrouw sprak. Niemand echter zeide : Wat vraagt Gij ? of, wat spreekt Gij met haar? De vrouw dan liet hare waterkruik, en ging naar de stad, en zeide tot die lieden: Komt, en ziet eenen man, die mij alles gezegd heeft, wat ik gedaan heb, of deze niet de Ciiuistls is? Zij dan gingen de stad uit, en kwamen tot Hem. In-tusschen baden Hem de Discipelen, zeggende ; Rabbi, eet ! Doch Hij sprak tot hen : Ik heb eene spijze te eten, welke gij niet kent. De Discipelen dan zeiden tot elkander : Heeft Hem iemand te eten gebracht ? Jesus sprak tot hen; Mijne spijze is, den wil te doen van Hem, die Mij gezonden heeft, opdat Ik Zijn werk volbrenge. Zegt gij niet : Nog vier maanden zijn het, en de oogst komt ? Ziet, Ik zeg u : Heft uwe oogen op, en aanschouwt de velden, hoe zij aireede wit zijn tot den oogst! En die maait, ontvangt loon, en verzamelt vrucht \oor het eeuwige leven : opdat zich te zamen verblijden, zoowel die zaait, als die maait. Want hierin is de spreuk waarachtig : Een ander is het-, die zaait, en een ander is het, die maait. Ik heb u uitgezonden, om te maaien, hetgeen gij niet hebt bearbeid : anderen hebben het bearbeid, en gij zijt in hunnen arbeid getreden. Uit die stad nu geloofden velen der Samaritanen in Hem, om het woord der vrouw, welke getuigenis gaf : Hij heeft mij alles gezegd, wat ik gedaan heb. Als dan de Samaritanen tot Hem gekomen waren, baden zij Hem, bij hen te blijven. En Hij bleef daar twee dagen. En er geloofden nog velen meer in Hem, om zijn woord. En zij zeiden tot de vrouw: Wij

ocr page 322

01' viujdag na den

gelooven niet meer om uw zeggen : want wij zeiven hebben gehoord^ en weten, dat deze waarlijk de Zaligmaker der wereld is.

Verklaring. Jesis geott levend water, bit dient men te verstaan van den stroom zijner genade, van al zijne genademiddelen en voornamelijk van de Heilige Sacramenten, waardoor Hij zuivert, heiligt en zalig maakt. Dit water zuivert en verfrischt, blnscht de hitte der driften en begeerlijkheden, maakt vruchtbaar tot werken der zaligheid, deelt aan de ziel haar wezenlijk leven mede en bevredigt hare verlangens; zijne heilig- en zaligmakende kracht strekt zich over de gansche eeuwigheid uit, indien iiij, die het ontvangt, het niet door eene zware zonde voor zich ten verderve doet zijn. Wij bekomen van dit water, wanneer wij, naar het voorbeeld der Samaritaansche vrouw, onze misdaad bekennen, er een waar berouw over gevoelen, de middelen aanwenden, welke noodig zijn, om er ons van te beteren en Jf.sus als den waren Zoon van God en als onzen Verlosser erkennen. L)e Samaritanen namen de wet van Mozes aan en verwierpen de Profeten, die de wet ontwikkelden en verklaarden; hierdoor werd de Samaritaansche godsdienst van haren Goddelijken grondslag beroofd en met heiJensche bijgeloovigheden vermengd. De Joden, daarentegen, konden door eene onafgebrokene reeks van Profeten bewijzen, dat hun eeredienst volgens de wet van God geregeld was, alsmede dat de Heer bij hen tie middelen ter zaligheid had ingesteld en dat bijgevolg de zaligheid in hunnen godsdienst te vinden was, daar de Messias of de Heiland uit hunne nalie incest geboren worden. — Het aanbidden in geest en waarheid is hier geplaatst in tegenstelling van den Israeli tisciien eeredienst, die in menigvuldige uiterlijke ceremoniën bestond. Jesus wil daarmee niet zeggen, dat Hij in zijne Kerk geeu uitwendigen eeredienst zou instellen , maar dat de Christelijke eeredienst vooral een inwendige eeredienst zou wezen, terwijl de Joodsche eeredienst hoofdzakelijk in uitwendige ceremoniën bestond. — Deze vrouw maakte den Messias ook aan anderen bekend. — Wij moeten, volgens haar voorbeeld, onze medemenschen tot de kennis van God en van Christus, onzen Verlosser, trachten te brengen. — Jesus zegt,

286

ocr page 323

derden zondag in de vasten.

in hetgeen volgt, dal liet zijne spijze is, tien wil van zijnen Vader te volbrengen, en dat zijne leerlingen eens zonden in-oogsten, wat Hij en de Profeten hadden gezaaid, wijl de bewoners van Sichar, die tot Hem uitkwamen, rijp waren, om door de leerlingen, nadat quot;Ü tot zijnen Vader zou teruggekeerd zijn, in de Kerk (e worden opgenomen. — Laat ons hetgeen in dit schoone Evangelie wordt aangehaald, wel ter harte nemen en ons gedrag daarnaar richten, opdat wij dooiden Heer mogen bevonden worden rijpe vruchten te zijn, waardig in zijne schuur, den Hemel, te worden ingezameld!

Gebed der Kerk over het volk.

Wij bidden U, almogende God, verleen ons, dat wij, die op uwe bescherming vertrouwen, alle moeilijkheden, door uwen bijstand, mogen overwinnen, door onzen Heer, enz.

Op Zaterdag na den derden Zondag in de

vasten.

EPISTEL : Les uit den Profeet Daniël, XIII, 1-62.

In die dagen, woonde te Babyion een man, met name Joakim en hij nam eene vrouw, Susanna genaamd, eene dochter van Helcias, die uitermate schoon was en God vreesde; want daar hare ouders rechtvaardig waren, onderwezen zij hunne dochter volgens de wet van Mozes. Joakim was zeer rijk en had eenen boomgaard, die naast zijn huis lag: en de Joden stroomden bij hem te zamen, wijl hij de aanzienlijkste van allen was. En men stelde, in dien jare, twee ouderlingen uit het volk als rechters aan, van wie de Heer gezegd heeft: dat de ongerechtigheid van Babylon is uitgegaan, van de ouder-lingon rechters, die het volk schenen te regeeren. Deze be-zochlen dikwijls het huis van Joakim en al degenen, die ecnige rechtszaken hadden, kwamen tot hen. Als echter het volk, om den middag, was teruggekeerd, ging Susanna in don boomgaard van haren man en wandelde er. En de ouderlingen zagen haar er dagelijks ingaan en wandelen, en zij werden door kwade begeerlijkheid lot haar ontstoken. Hun gemoed werd verkeerd en zij wendden hunne oogen af, opdat zij den Hemel niet zien, noch der rechtvaardige oordeelen gedenken zonden. En liet geschiedde, terwijl zij tien gunstigen

ocr page 324

op zateudag na dem

288

dag afwachtten, dat zij (Susanna) zekeren keer, volgens hare gewoonte, met slechts twee meiden inging en zich wasschen wilde in den boomgaard, want het was heet; en niemand was daarin dan de Iwec ouderlingen, die er zich verborgen hadden en haar bespiedden. Zij sprak dan lot de meiden: breng mij olie en zeep, en slnit de deuren van den boomgaard, dat ik mij wassche. Maar toen de meiden waren uitgegaan, stonden de twee ouderlingen op, en liepen tot haar en zeiden: Zie, de deuren van den boomgaard zijn gesloten en niemand ziet ons, en wij zijn door lust tot n ontstoken, daarom doe onzen wil en stem met ons in. Wilt gij het niet, dan zullen wij tegen u getuigen, dat een jongeling bij u geweest is en dat, gij om deze reden, de meiden van u hebt weggezonden. Susanna zuchtte en zcide: Kwellingen omringen mij van alle kanten, want zoo ik het doe, is de dood mijn lot, indien ik het echter niet doe, zal ik nwe handen niet ontvluchten. Maar het is beter voor mij in uwe handen te vallen, zonder het te doen, dan te zondigen voor het aanschijn des Heeren. En Susanna schreeuwde met luider stemme: doch de ouderlingen schreeuwden tevens tegen haar. En één liép naar de deur des boomgaards en opende ze. Toen dan de knechten des huizes het geschreeuw in den boomgaard hoorden, snelden zij, door de achterdeur, naar binnen, om te zien, wat er was. Nadat de ouderlingen gesproken hadden, bloosden de knechten hevig, want nog nooit was iels dergelijks van Susanna gezegd geworden, 's Andereu daags, toen het volk zich bij Joakim, haren man, verzameld had, kwamen ook de Iwee ouderlingen, vol kwade gedachten tegen Susanna, om haar te dooden. En zij zeiden vóór het volk: zendt ons Susanna, de dochter van Helcias, de vrouw van 4o-akim. Zij zonden terstond om haar. En zij kwam met hare ouders, kinderen en al hare bloedverwanten. Hare bloedverwanten en allen, die haar kenden, weenden. Doch do twee ouderlingen, in het midden van het volk opstaande, legden hunne handen op haar hoofd. Zij weende en blikte ten Hemel, want haar hart vertrouwde op den Heer. En de ouderlingen zeiden: Toen wij alleen in den boomgaard wandelden, trad deze er in met twee meiden en sloot de deuren van den boomgaard en zond de meiden van zich weg. En er kwam tot haar een

ocr page 325

derden zondag in de vasten. 289

jongeling, die zich verborgen had en zondigde met haar. Wij echter waren in een hoek van den boomgaard, zagen de misdaad en liepen tot hen, en zagen hen zondigen. Hem konden wij niet vatten, wijl hij, sterker dan wij, de deur opende en wegliep; maar deze namen wij vast en vroegen haar, wie de jongeling was en zij wilde het ons niet zeggen; hiervan zijn wij getuigen. De menigte geloofde hen, als de ouderlingen en rechters des volks, en veroordeelde haar ten dood. Susanna echter riep uit met luider stemme en sprak: Eeuwige God, Gij, die het verborgene kent, en alles weet voor dat het geschiedt. Gij weet, dat zij valsche getuigenis tegen mij hebben afgelegd; en zie, ik sterf, terwijl ik niets gedaan heb van hetgeen zij op een boosaardige wijze tegen mij verzonnen hebben. De Heer nu verhoorde hare stem. Toen zij ter dood geleid werd, wekte de Heer den heiligen geest op van eenen jongeling, met name Daniöl. Deze riep met luider stemme: ik ben onschuldig aan haar bloed. En al het volk keerde zich tot hem en zeide : Wat beteekent hetgeen gij daar gezegd hebt? Hij stond in hun midden en sprak : Zijt gij zoo dwaas, zonen van Israël, dat gij eene dochter van Israël veroordeelt, zonder de zaak te onderzoeken en wat daarvan waar is te kennen? Keert naar de vierschaar terug, want zij hebben valsche getuigenis tegen haar gesproken. Het volk keerde dan ijlings terug en danwl sprak tot hen: Scheidt beiden ver van elkander en ik zal hen in verhoor nemen. Als dan de een van den andere gescheiden was, riep één hunner tot zich en zeide hem: Oude booswicht, thans komen uwe zonden over u, welke gij voorheen begaan hebt met onrechtvaardige vonnissen te strijken, de on-schuldigen te verdrukken en de schuldigen weg te zenden, daar toch de Heer zegt: den onschuldige en rechtvaardige zult gij niet dooden. Nu dan, zoo gij haar gezien hebt, zeg onder welken boom hebt gij ze met elkander zien spreken. Deze zeide: onder eeneri mastikboom. 3Iaar Daniöl sprak : gij hebt te recht op uw hoofd gelogen: want zie Gods Engel, na het vonnis van Hem ontvangen te hebben, zal u midden doorklieven. Daarna zond hij deze weg, liet den andere komen en sprak tot hem : Afstammelingen van Ghanaan en niet van Juda: de

19

ocr page 326

op zaterdag na den

schoonheid heeft u bedrogen en de begeerlijkheid heeft uw hart bedorven ; zoo handeldet gij met de dochters van Israël en uit vrees spraken zij met u in, maar eene dochter van Juda heeft uwe boosheid niet verduurd. Nu dan, zeg mij onder welken boom gij ze bevonden hebt, terwijl zij to zamen spraken. Deze antwoor.lde: onder ecnen steeneik. Doch Daniül zeide tot hem: gij ook hebt terecht op uw hoofd gelogen, want de [Engel des Heeren, het zwaard dragende, is bereid, om u midden door te klieven en u te dooden. De gansche menigte riep daarop met luider stemme, en prees God, die degenen redt, die op Hem hopen. En zij verhieven zich tegen de twee ouderlingen (want Daniöl had deze uit hun eigen mond overtuigd, valsche getuigenis gezegd te hebben) en men deed met hen, gelijk zij boosaardig met hunnen evennaaste gedaan hadden, en men doodde hen en hel onschuldige bloed werd op dien dag gered.

Verklaring. De twee ouderlingen, die de kuische Susanna van overspel (eene misdaad, waarop onder de wet van Mozes de straffe des doods stond) beschuldigden, geven ons een treffend voorbeeld, hoe diep de raensch vallen kan. De vlam der vertoeielijke driften ontbrandt in luin boezem, zij wenden — om het snoode van hun boosaardig plan te vergeten — hunne oogen af, opdat zij dm Hemel niet zien, noeh de rechtvaardige oordeelen (Gods) gedenken zouden. Zóó is de mensch maar al te dikwijls gesteld ; hij vlucht alles, wat hem zijn onrecht kan herinneren en verblindt zich zeiven, om ongehinderd te kunnen voortzondigen. — En hoe sluw gaan deze booswichten niet te werk, om Susanna, die in hunne misdaden niet wilde toestemmen, in het verderf te storten,! — Zij openen de deur, welke naar de straat voert, om te doen gelooven, dat de medeplichtige aan Susanna's zonde daardoor ontvlucht is. Maar God redt degenen, die op Hem betrouwen. Hij wekt deu profeti-schen geest van Daniöl op, en de misdadigers vallen zeiven in de strikken, die zij der onschuld gelegd hadden. -— De kuische Susanna's is een schoon voorbeeld voor de gekwelde en vervolgde onschuld. — Verkies liever alle aardsche nadoelen, ja zelfs, zoo het zijn moet, den dood, dan ooit in eene zonde toe te stemmen; wordt gij onschuldig vervolgd, betrouw dan op den Heer en Hij zal u redden en uwe vijanden beschamen!

290

ocr page 327

derden zondag in de vasten

Evangelie volgens den H. Joannes VIII, 1-H.

In dien lijd ging Jesus naar den Olijfberg: En des morgens vroeg kwam Hij wederom in den tempel en al het volk kwam tot Hem; en Hij zat neder, en leerde hen. En de Schriftgeleerden en Parizeen brachten tot Hem eene vrouw, in overspel bevonden, en stelden haar in het midden, en zeiden tot Hem: Meester! deze vrouw is zoo even in overspel bevonden. En in de wet heeft Mozes ons geboden, zoodanige te steenigen. Gij nu, wat zegt Gij? Dit zeiden zij echter, Hem beproevende, om Hem te kunnen beschuldigen. En Jesus, nederbukkende^ schreef met den vinger op den grond. Als zij nu voortgingen. Hem te vragen, richtte Hij zich op, en sprak tot hen: Die onder u zonder zonde is, werpe het eerst den steen op haar! En wederom ne-derbukkende, schreef Hij op den grond. Dit nu hoo-rende, gingen zij, de één na den ander, heen, beginnende van de oudsten. En Jesus bleef alleen, en de vrouw, die in het midden stond. En Jesus richtte zich op, en sprak tot haar: Vrouw, waar zijn zij, die u beschuldigden? heeft niemand u \eroordeeld? zij zeide: Kiemand, Heer! En Jesus sprak: Ook Ik zal u niet veroordeelen. Ga, en zondig voortaan niet meer!

Verklaring. Welk verschil tusschen Susanna en deze vrouw! Susanna, de zuiverste onschuld en deze eene overspelige echt-genoote! Maar de Heer verstoot ook de grootste zondaars niet, wanneer zij oprecht boetvaardigheid doen. Dit wisten de Parizeen en vroegen Jesus daarom, of deze overspeelster al dan niet zon gesteenigd worden. Zij dachten, dat Hij in zijne goedheid ontkennend zou antwoorden, waardoor hun de gelegenheid verschaft werd, om Hem zeiven, als overtreder der Mozaïsche wet, ter dood te veroordeelen. Doch Jesus toont zich goed, zonder nochtans de rechtvaardigheid te kwetsen. Hij herinnert de Parizeen aan hunne eigene zonden en beschaamt hen daardoor zoodanig, dat zij weggaan, zonder de vrouw te veroordeelen. Jesus zegt tot de vrouw, dat ook Hij haar niet ver-

291

ocr page 328

onderricht op den

oordeelt; Hij vermaant haar, in de toekomst, niet meer te zondigen. De Verlosser toont ook, in deze omstandiglieid, dal Hij gekomen is, om te zoeken en zalig te maken, hetgeen verloren was. Wacht u, als Susanna, voor de zonde, zijt gij misschien, als deze overspelige vrouw, in zware misdaden gevallen, doe boetvaardigheid, gelijk zij gedaan heeft, opdat uwe zonden n vergeven worden!

Gebed der Kerk over het volk.

Heer! strek de hand uwer Hemelsche hulp tot uwe ge-loovigen uit, opdat zij U van ganscher harte zoeken en verkrijgen, hetgeen zij U behoorlijk vragen, door onzen Heer Jesus-Christus.

Onderricht op den vierden Zondag in de Y asten.

De Ingang der Mis is genomen uit Isaias LXVI, 10. 11. Verheug u, Jerusalem en verzamelt u allen, die haar bemint. Jubelt met vreugde, gij, die in droefheid geweest zijt, opdat gij, in blijdschap, verzadigd wordt met den overvloed uwer vertroosting. Ps. CXXI. Ik was verblijd, in hetgeen mij gezegd werd: wij zullen gaan in het huis des Heereu. Eere zij den Vader, enz.

De Kerk herinnert ons door dezen Ingang, even als in den hieropvolgenden Epistel, aan de vreugde des Hemels, om ons daardoor tot eenen standvastigen ijver in de boetvaardigheid en in het vasten, en tol geduld in de vervolgingen, in kruis en leed op te wekken. In den Hemel wacht ons eene heerlijkheid en vreugde, geëvenredigd aan den ijver, waarmede wij hier op aarde, ter liefde Gods, gestreden, ons vleesch in bedwang gehouden en het aan den geest onderworpen hebben.

Gebed der Kerk.

Wij bidden U, almogende God, verleen ons, dat wij, die naar verdienste gestraft worden, door den troost uwer genade herleven, door Jesus-Christus onzen Heer, enz.

292

ocr page 329

1!

vierden zondag in de vasten.

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Apostel Paulus aan de Galaters IV, 22-31.

Broeders, er staat geschreven, dat Abuaiiam twee zonen had: éénen uit de dienstmaagd, en éénen uit de vrije vrouw. Maar die uit de dienstmaagd, was naar den vleesche geboren; die echter uit de vrije vrouw, door de belofte. Dat is figuurlijk gesproken. Want deze zijn twee verbonden: het eene toch op den berg Sina, tot dienstbaarheid barende, en dat is Agar; want Sina is een berg in Arabic, welke overeenkomt met het Jerusalem, dat nu is; en zij is dienstbaar met hare kinderen. Het Jerusalem echter, dat boven is, is vrij, en deze is onze Moeder. Want er staat geschreven: Juich, onvruchtbare, die niet baart! jubel, en roep, gij die moedersmarte niet kent! want velen zijn de kinderen der eenzame, meer dan van haar, die den man heeft. Wij echter, broeders! zijn, naar Izaak, kinderen der belofle. Maar gelijk toen de naar den vleesche geborene vervolgd heeft den naar den Geest geborene; zoo ook nu. Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit, en haren zoon ! want geenszins zal de zoon der dienstmaagd erfgenaam zijn met den zoon der vrije vrouw. Daarom, broeders! zijn wij' niet kindoren der dienstmaagd, maar der vrije vrouw; door de vrijheid, met welke Christus ons heeft vrijgemaakt.

Verklaring. Abraham had twee zonen, waarvan de ééne Ismael, de zoon van Agar, volgens den gewonen loop der natuur, doch Izaak, de zoon van Sara, op bovennatuurlijke wijze, volgens de aan Abraham gedane belofte, ontvangen en geboren werd. De moeders dezer twee kinderen verbeelden de twee Testamenten, namelijk: de dienstmaagd Agar het oude, en Sara, de vrije vrouw, het Nieuwe Verbond; en evenzoo verbeeldt Ismael, de zoon van Agar, de Joden; eu Izaak, de zoon van Sara, de Christenen, want de Joden zijn Abrahams kinderen, door natuurlijke afstamming, gelijk Ismael; maar de Christenen zijn zulks door de genade, even als Izaak. Het Nieuwe Testament is het Jerusalem van hierboven, wijl het van den Hemel komt, eu het oude, aardsche Jerusalem, in eenen hoogeren en geestelijken zin, teruggeeft. Het nieuwe Jerusalem of de Kerk van Christus was vroeger voor God als het ware onvruchtbaar.

293

ra

hm

V

./•i

i pi

s-.;

i

Ih!1

-g'J

P

ocr page 330

onderricht op den

toen het getal Christenen nog klein was, maar werd, door Gods tusschenkomst, veel vruchtbaarder dan de reeds lang met den Heer vereenigde Synagoge, die dan ook eindelijk, wegens hare ontrouw en om hare vleeschelijke gezindheid, gelijk Agar, met hare kinderen door God verstoeten en van de rechtvaardiging en heiligmaking, door hare eigene schuld, uitgesloten werd, terwijl de Kerk Gode dagelijks nieuwe kinderen baart, dat is, nieuwe geloovigen aanbrengt, wien zij alle heil verschaft.

Verzuehting. 0 Jesus! geef mij de genade, dat ik mij door vasten, bidden en door geduld in de vervolgingen en wederwaardigheden van dit leven, aan uw lijden deelachtig en aan ü gelijkvormig make, opdat ik eens, niet als een vleesche-lijk kind, door U verstoeten worde, maar uwe goddelijke belofte en uwe eeuwige vertroosting, in het Hemelsch Jerusalem, moge verwerven.

Evangelie volgens den H. Joannes VI, 1-1S.

In dien tijd vertrok Jesus over de zee van Galilea, dat is, van Tiberias. En Hem volgde eene groole schare, omdat zij de wonderen zagen, die Hij aan de kranken wrocht. En Jesus ging op den berg. en zat aldaar neder, met zijne Discipelen. En het Pascha, het feest der Joden, was zeer nabij. Als Jesus dan zijne oogen ophief, en zag, dat eene zeer groote schare tot Hem gekomen was, sprak Mij tot Philippus: Van waar zullen wij brooden koopen, dat dezen eten? Doch Hij zeide dit, om hem te beproeven; want Hij wist zelf, wat Hij doen zoude. Philippus antwoordde Hem: Voor twee honderd tienlingen brooden zijn voor hen niet toereikend, dat ieder een weinig neme. Een van zijne Discipelen, Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot Hem; Er is hier een knaap^ die vijf gerstebrooden, en twee visschen heeft: maar wat is dit onder zoo velen ? Doch Jesus zeide; Doet de menschen nederzitten! Er was nu veel gras te dier plaatse. En van die nederzaten, waren de mannen omtrent vijf duizend in getal. Jesus nu nam de brooden, en als Hij gedankt had, deelde

294

ocr page 331

vierden zondag in de vasten.

Hij dengenen, die nedergezeten waren, desgelijks ook van de visschen, zoo veel zij wilden En toen zij verzadigd waren, sprak Hij tot zijne Discipelen: Verzamelt de overgeblevene brokken, opdat zij niet verloren gaan! Zij verzamelden dan, en vulden twaalf korven met brokken, welke dengenen,, die gegeten hadden, van de vijf gerstebrooden waren overgebleven. Als nu deze menscben het wonder gezien hadden, hetwelk Jesus gewrocht had, zeiden zij: Deze is waarlijk de Profeet, die in de wereld komen moet! Daar Jesus nu wist, dat zij komen zouden^ om Hem te nemen, en koning te maken, ontweek Hij wederom op den berg, Hij zelf alleen. Wat leeren wü van de volksmenigte, die Jesus volgde?

1) Dat wij, in onzen nood en in onze krankheden met evenveel vertrouwen als dil volk, onze toevlucht tot Jesus moeten nemen, en 2) in het aanhooren van Gods Woord den-zelfden ijver dienen aan den dag te leggen, waarmede deze lieden bezield waren, die door het verlangen naar de hemel-sdie spijs, het aardsche voedsel vergaten, en zoo de Heiland geen wonder gedaan had, in gevaar zouden geraakt zijn van den hongerdood te sterven. — Ach ! ware slechts het tiende gedeelte van dezen ijver bij ons te vinden!

Waarom stelde Christus den H. Philippus op de proef?

1) Om te zien of deze ook geloofde, dat Jesus door een wonder, in de behoefte des volks voorzien kon; 2) om ons te leeren, dat wij ons eerst, door gewone en natuurlijke middelen, moeten trachten te helpen, vooraleer wij tot bovennatuurlijke onze toevlucht nemen; '5) opdat het wonder de menigte des te meer zou treffen, daar zij te voren overtuigd werd, dat er geen voorraad van levensmiddelen voorhanden was; 4) omdat wij op God zouden leeren vertrouwen, die een Helper is in de wederwaardigheden, ter gelegene tijde (Ps. IX, 10).

Welke ceremoniën heeft Christus by dit wonder gebezigd en waarom ?

Volgens het verhaal van den H, Mattheus (XIV, 19) en de andere Evangelisten, heeft Hij 1) naar den Hemel opgezien, ten teeken, dat alle goede gave van boven komt en dat God

295

ocr page 332

ONDERRICHT OP DEN

alles met zijnen zegen \ervult; 2) dankte Hij God, om ons tot dankbaarheid voor de Goddelijke gaven op te wekken. De tafel, zegt de H. Chrysostomüs, waar men met het gebed begint eu niet het gebed eindigt, zal geen gebrek hebben; 3) heeft Hij het brood gezegend, om ons te loeren, om ons te leeren, dat alles, door den Goddelijken zegen, vermeerderd wordt.

Waarom heeft Christus bevolen, de overgeblevene brokken te verzamelen, en wat kunnen wij daaruit leeren ?

Hij beval dit, 1) opdat zij niet zonden vertrapt worden en verloren gaan; 2) opdat, uit de menigte der overgeblevene brokken, de grootte van het gewrochte wonder zou blijken;

3) om ons te leeren, dat wij de gaven Gods, hoe . gering zij dan ook schijnen te wezen, in eere moeten houden en ze voor de armen bewaren, wanneer wij zelven ze niet gebruiken;

4) om ons te toonen, dat, hetgeen wij aan de armen en noodlijdenden geven, ons door God honderd- en duizendvoudig wordt vergolden. Hoe meer wij den armen geven, hoe meer wij daarvoor verkrijgen (11 Cor. IX, 6). Derhalve zegt de H. JoANHES, patriarch van Alcxandrië: »lk wil zien, Heer, wie eerder zal ophouden, Gij met mij te geven, of ik met den armen uit te deolen.quot;

Zie hierover het onderricht op den XIV Zondag na Pinksteren.

Waarom nam Jesus de vlucht, na dit wonder verricht te hebben?

Wijl de menschen Hem, door dit wonder, voor den Messias erkenden en Hem daarom openlijk als koning wilden uitroepen, terwijl Hij niet gekomen was, om een aardsch maar om een geestelijk rijk te stichten. Hierdoor leert Hij ons, dat wij, in al onze handelingen, niet zoo zeer do achting en liefde der menschen, dan wel Gods eer, moeten beoogen, en dat wij, na den arbeid, de eenzaamheid behooren op te zoeken, om daar, verwijderd van het gedniisch tier wereld, de godsvrucht te beoefenen.

Waarom leest de Kerk heden dit Evangelie voor?

Om de geloovigen te herinneren, dat zij in den Paaschtijd niet moeten verzuimen te naderen tot de Tafel des Heeren, om zich te verzadigen met het Allerheiligste Vleesch en Bloed des Goddelijken Verlossers.

296

ocr page 333

vierden zondag in de vasten,

Troost en vermaning voor de armen.

Dit Evangelie is voor de vrome en christelijke armen zeer troostrijk, wijl Jesus voor het volk, dat Hem volgde, zoo liefdevol, zoo rijkelijk en zoo voorkomend zorgde. God heeft, van het begin der wereld af, voor de zijnen zorg gedragen. Hij zond Jozef vooruit naar Egypte, tot troost en hulp in hongersnood, voor zijn uitverkoren volk. Hij spijzigde de kinderen van Israel in de woestijn met brood van den hemel; Hij voedde den Profeet Elias door eene raaf; Hij dacht aan Danicl, toen deze in den leeuwenkuil was geworpen. Met niet minder ijver en liefde heeft God, onder het Nieuwe Testament, voor de zijnen gezorgd, naardien Hij hen. in den grootsten nood, door dieren, of door Engelen, of door menschen, op de wondervolste wijze behulpzaam was, zoo als, uit de geschiedenis der Heiligen, duidelijk blijkt. David heeft dus zeer juist gezegd, dat God eenen rechtvaardige, dat is, iemand, die op Hem vertrouwt, en, naar het bevel van Christus, vóór alles Gods rijk en diens gerechtigheid zoekt en een groot vertrouwen op den Heer heeft, nimmer zal verlaten. Beijver u dus, om rechtvaardig te leven en werp uwe zorg op den Heer, en Hij zal u voeden (Ps. LIV, 23). Velen gaat het daaro'm zoo slecht, omdat zij God verlaten hebben en in hunnen nood niet op Hem, maar alleen op de menschen of op zich zeiven vertrouwen. Hiermede willen wij nochtans niet zeggen, dat hij, die op God vertrouwt, niet meer arbeiden of op andere wijze voor zijn onderhoud zorgen moet, want er staat geschreven: »Die zijn land bebouwt, zal verzadigd worden, maar die de ledigheid aanhangt, is zeer dwaasquot; (Spreuk XH, 11). En nog: »Wie niet wil arbeiden, moet niet etenquot; (II Thess. Ill, 10). De mensch moet dus doen, wat hij kan, en dan mag hij hopen, dat God hem het noodige levensonderhond niet zal laten ontbreken.

Zie hierover ook het onderricht op den XIV Zondag na Pinksteren.

Verzuchting. Ik vertrouw, o mijn God, op uwe almacht en goedheid en geloof vastelijk, dat ik, zoo ik U vrees, liet kwaad vermijd en U getrouw dien, ook veel goed verwerven zal, zelfs in een armoedig leven (Tor. IV, 23).

297

ocr page 334

onderricht op den

Onderricht over de wijze, waarop men zich tot het Paaschfeest moet voorbereiden.

En het Pascha, het feest der Joden, was zeer nabij. Joan.VI,4.

Wij moeten op het Paaschfeest met Christus verrijzen, dal wil zeggen, den onden, den door dwaling en vleeschelijke wellusten bedorven inensch afleggen en den nieuwen, die volgens God geschapen is, in gerechtigheid en ware heiligheid, aantrekken (Ephes. iV, 24). Tot dat doel moeten wij ons

1) ter liefde Gods geweld aandoen, de luidruchtige gezelschappen vermijden en ons dikwijls in ons binnenste afzonderen; want God spreekt, in de eenzaamheid, tot het hart der menschen (Oseas II, 14).

2) Moeten wij ons geweten nauwkeurig onderzoeken, en nadenken, hoe wij met God staan, want nop dezen dag is uwe verzoening en de reiniging van al uwe zonden; gij zuil vóór den Heer gezuiverd worden, want het is de Sabbat der rust,quot; dat is, der boetvaardigheid en ingetogenheid; daarom zult gij uwe zielen kastijden en u met vasten, waken, bidden, enz., daartoe voorbereiden (Levit. XVI, 30-51). Men moet dus

3) Van nu af tot Paschen strenger vasten, het lijden van Christus in de kerk of te huis met een rouwmoedig en medelijdend hart overwegen en Hem daarvoor danken; den behoef-tigen, als men kan, overvloediger aalmoezen geven, of zoo men zelf arm is, armoede en ontbering met geduld verdragen en aan Christus opofferen, in vereeniging met zijn lijden, zijnen honger en dorst.

4) Eindelijk moet men eene oprechte en rouwmoedige Biecht spreken, en zich van het oude zuurdeeg der boosheid ontdoen, opdat men, zoo als het behoort, het Paaschmaal in 't ongedeesemd brood der reinheid en waarheid kunne houden (I Cor. V, 7, 8); want ons Paaschlam Christus is reeds geslacht; en gelijk de Israelieten, nadat zij het Paaschlam geslacht hadden, ongedeesemd brood aten, zoo moet ook bij ons het offer van Christus opgevolgd worden door eene gezindheid, die van het oude zuurdeeg der boosheid gereinigd is.

298

ocr page 335

vierden zondag in de vasten.

Op Maandag na den vierden Zondag in de Tasten.

EPISTEL: Les uit het derde Boek der Koningen, 16-28.

In die dagen kwamen twee onkuische vrouwen tot koning Salomon en stonden vóór hem; eene harer sprak: Ach! mijn Heer, ik en deze vrouw woonden in een huis, en ik baarde bij haar in de kamer. Den derden dag echter, nadal ik gebaard had, baarde zij ook en wij waren te zamen en niemand anders was bij ons in huis, buiten ons twee. Maar de zoon dezer vrouw stierf in den naclit, want zij versmoordde hem in den slaap. En zij stond op, in den stillen duisteren nacht, nam mijnen zoon van de zijde uwer slapende dienaresse weg en plaatste hem in haren schoot, maar haren zoon, die dood was, plaatste zij in mijnen schoot. En toen ik 's morgens opstond, om mijnen zoon te zogen, bleek hij dood te zijn: toen ik hem nauwkeuriger beschouwde, bij het klare licht, bevond ik, dat hij niet de mijne was, dien ik had gebaard. En de andere vrouw antwoordde: het is niet zoo als gij zegt, maar uw zoon is dood, de mijne echter leeft. Doch gene daarentegen zeide: gij liegt, want mijn zoon leeft en uw zoon is dood. En op zulke wijze twistten zij vóór den koning. Toen sprak de koning: Deze zegt: Mijn zoon leeft, en uw zoon is dood. En die antwoordt: Neen, maar uw zoon is dood, doch de mijne leeft. De koning zeide dan: Breng mij een zwaard. Entoen men een zwaard vóór den koning gebracht had, zeide hij : Deelt het kind levend in twee deelen en geeft eene helft aan de eene, en eene helft aan de andere. Toen sprak de vrouw, wier zoon levend was, tot den koning (want zij was inwendig geroerd over haren zoon): Ik bid n, Heer, geef haar het kind levend, en dood het niet. De andere, daarentegen, zeide: Het zij noch voor u, noch voor mij, maar het worde gedeeld. De koning antwoordde en zeide: Geeft aan gene het levende kind en doodt het niet, want gene is zijne moeder. En gansch Israël hoorde het vonnis, dat de koning geveld had, en zij vreesden den koning, wijl zij zagen, dal de wijsheid Gods in hem was, om te oordeelen.

Verklaring. Uit deze les leeren zij, wien God een ambt heeft toevertrouwd, alles volgens recht en rechtvaardigheid te

299

ocr page 336

OP MAANDAG NA DEN

moeten beslissen en hunne van God verkregene wijsheid, volgens zijnen wil en te zijner eere alsmede tot welzijn hunner evenmenschen, aan te wenden. De moeder, die voor het leven van haar kind zoo bezorgd was, herinnert den ouders, dat zij verplicht zijn voor het leven des lichaams, maar nog meer voor het leven van de ziel hunner kinderen zorg te dragen.

Evangelie volgens den H. Joannes II, 13-2d.

In dien tijd was het Pascha der Joden nabij, en Jesus ging op naar Jerusalem. En Hij vond in den tempel, die ossen en schapen en duiven verkochten, en de wisselaars, die daar zaten. En nadat Hij een geesel van koorden gemaakt had, dreef Hij hen allen uit den tempel, ook de schapen en ossen; en Hij stortte het geld der wisselaars uit, en wierp de tafelen omver. En tot degenen, die de duiven verkochten, sprak Hij: Neemt dit weg van hier, en maakt mijns Vaders huis niet tot een huis van koophandel! Toen werden zijne Discipelen gedachtig aan hetgeen rr geschreven staat: De ijver voor uw huis verteert Mij. Maar de Joden antwoordden en zeiden tot Hem: Welk tceken loont Gij ons, daar Gij deze dingen doet? Jesus antwoordde, en sprak tot hen: Breekt dezen tempel af, en in drie dagen zal Ik hem opbouwen. De Joden echter zeiden: Zes en veertig jaren is aan dezen tempel gebouwd, en Gij zult hem in drie dagen opbouwen! Doch Hij sprak van den tempel zijns lichaams. Daarom, als Hij van de dooden opgestaan was, werden zijne Discipelen gedachtig, dat Hij dit gesproken had; en zij geloofden de Schrift, en het woord hetwelk Jesus gesproken had. Als Hij nu in Jerusalem was, op den feestdag van het Pascha, geloofden velen in zijnen naam, ziende zijne wonderen, die Hij wrocht. Maar Jesus zelf vertrouwde zich hun niet, omdat Hij allen kende: En omdat Hij niet van nooden had, dat iemand getuigenis gave van den mensch, want Hij zelf wist, wat in den mensch was.

300

ocr page 337

vierden zondag in de vasten.

Verklaring. In dit Evangelie is er sprake van de reiniging des tempels, welke Jesüs bij het begin ran zijn leerambt verrichtte; de drie andere Evaugelisten spreken over de tempelreiniging, die naderhand, eenigen tijd vóór den dood des Verlossers, plaats had. Jus us was gekomen, om den geestelijken tempel Gods, de menschheid, te zniveren en weder met God te vereenigen; daarom maakte Hij de reiniging van den aardschen tempel, die een zinnebeeld van den geestelijken was, tot eene zijner eerste en laatste daden. Op de vraag: door welk wonder Hij toonde, dal Hij hiertoe gemachtigd was, antwoordde de Zaligmaker, dat Hij zijne Goddelijke zending door zijne Verrijzenis nit het graf zon bewijzen. De Verrijzenis van Christus is, in de daad, het volledigste en klaarste bewijs, dal Hij als God-mensch de zonde door zijn offer verdelgd en den dood overwonnen heelt. Laten wij Hem dus te allen tijde aanbidden als den mensch-geworden Zoon Gods, en gedragen wij ons vooral in onze kerken, waar Jesüs in het Allerheiligste Sacrament des Altaars tegenwoordig is, met dien eerbied en die godsvrucht, welke de heiligheid dezer plaatsen vereischt.

Gebed der Kerk over het volk.

Wij bidden U, o Heer, verhoor genadig ons gebed en verleen ons, wien Gij lielde tot hel gebed schenkt, de hulp uwer bescherming, door onzen Heer Jesus-Curistus,

Op Dinsdag na den vierden Zondag in de Vasten EPISTEL: Les uit het Boek Exodus XXXII, 7-14.

In die dagen sprak de Heer tot Mozes, zeggende: Stijg don berg al: uw voik, dal gij uil hel land van Egypte geleid hebt, heeft gezondigd. Zij zijn snel afgeweken van den weg, dien gij hun hebt gewezen; en zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt en het aangebeden en het offers geslacht, zeggende: Israël, deze zijn de goden, die u uit het land van Egypte geleid hebben. En de Heer sprak weder tol Mozes: Ik zie, dat dit een stijfhoofdig volk is; laat Mij begaan, opdat mijn toorn tegen hen ontstoken worde en Ik hen verdelge, en Ik zal u lol een groot volk maken. Mozes echter bad den Heer, zijnen God, zeggende: Waarom, Heer, ontvlamt uw toorn tegen uw

301

!

I

ocr page 338

op dinsdag na den

volk, dat Gij met groote macht en met een sterke hand uit het land van Egypte gevoerd hebt? 0, dat toch de Egypte-naren niet zeggen; Hij heeft hen niet list uitgeleid, om hen op de bergen te dooden en van de aarde te verdelgen! Bedaar uwen toorn en wees genadig tegenover de boosheid van uw volk. Gedenk Abraham, Izaak, en Israel uw dienaren, wien Gij bij U zeiven gezworen hebt, zeggende: Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en dit gansche land, waarvan Ik gesproken heb, zal Ik aan uw zaad geven en gij zult liet altijd bezitten. En de Heer liet zich verzoenen, om niet het kwaad te doen, dat Hij tegen zijn volk gesproken had.

Verklaring. Gelijk het Israëlitische volk, zoo wijken ook wij dikwijls zeer spoedig af van den weg, dien de Heer ons had aangewezen en dien wij reeds begonnen hadden te bewandelen. Willen wij, dat door zulk een gedrag de gramschap des Heeren niet tegen ons losbarste, dan moeten wij ons, door eene oprechte boetvaardigheid, tot Hem wenden en zijne Heiligen om hunne voorspraak aanroepen. De Epistel van dezen dag toont ons, hoeveel het gebed der Heiligen vermag; wanneer zij voor ons bidden en wij tevens God, door eene ware boetvaardigheid, trachten te verzoenen, dan zal Hij zich ook werkelijk laten bevredigen en ons van de straffen bevrijden, waarmede Hij ons bedreigd had.

Evangelie volgens den H. Joannes VII, 14-31.

In dien tijd, als het feest reeds in het midden was, ging Jesus op in den tempel, en leerde. En de Joden verwonderden zich, zeggende: Hoe weet deze de Schriften, daar Hij ze niet geleerd heeft? Jesus antwoordde hun, en sprak: Mijne leer is de mijne niet, maar van Hem, die mij gezonden heeft. Wil iemand Zijnen wil doen, hij zal van de leer erkennen, of zg uit God is, dan of Ik uit Mij zeiven spreek. Die uit zich zeiven spreekt, zoekt zijne eigene eer; maar die de eer zoekt desgenen, die hem gezonden heeft, deze is waarachtig, en in hem is geene ongerechtigheid. Heeft

302

ocr page 339

vierden zondag in de vasten. 303

Mozes u niet de wet gegeven? en niemand van n doet de wet! Waarom zoekt gij Mij te dooden? De schare antwoordde, en zeide: Gij hebt eenen duivel; wie zoekt u te dooden? Jesus antwoordde en sprak tot hen: Eén werk heb ik gedaan, en gij verwondert n allen. Daarom heeft Mozes u de besnijdenis gegeven, niet dat zij van Mozes, maar van de vaderen is: en gij besnijdt een mensch op den Sabbat. Indien nu een mensch op den Sabbat de besnijdenis ontvangt, zoodat de wet van Mozes niet geschonden wordt, hoe zijt gij op Mij vergramd^ dat Ik op den Sabbat den geheelen mensch heb sezond eemaakt? Wilt niet naar het aanzien oor-

o w

deelen, maar oordeelt het rechtvaardig oordeel! Sommigen nu van die uit Jerusalem zeiden: Is deze het niet, dien zij zoeken te dooden0 En ziet, Hij spreekt in het openbaar, en zij zeggen Hem niets! Of hebben wellicht de oversten waarlijk erkend, dat deze de Christus is? Doch wij weten, van waar deze is: maar als de Christus komt, weet niemand, van waar Hij is. Nu riep Jesus in den tempel, leerende, en zeggende: En Mij kent gij, en weet, van waar ik ben! En ik ben niet van Mij zei ven gekomen, maar Hij is waarachtig, die Mij gezonden heeft; Dien kent gij niet. Ik ken Hem, omdat Ik van Hem l)en_, en Hij Mij gezonden heeft. Zij dan zochten Hem te vatten; en niemand sloeg de handen aan Hem; want zijne ure was nog niet gekomen. Velen echter uit de schare geloofden in Hem.

Verklaring. In dit Evangelie zegt Jesus aan de Joden, dat zijne leer uit God is. Dit moeten allen erkennen, die hun leven naar die leering schikken; want hoe trouwer men de geboden van Jesus onderhoudt, hoe meer mén ook zal inzien, dat zijne goheele leer van Goddelijken oorsprong is; overigens blijkt dit ook nog hieruit, dat Jesus niet zijne maar Gods eer zoekt; immers ware zijne leer niet uit God, dan zou Hij, gelijk ieder ander, die uit zich zeiven spreekt, ook zijne eigene eer zoeken. Verder spoort Jesus de Joden aan, rechtvaardig te zijn, en Hem

ocr page 340

op woensdag na den

niet wegens het genezen van eenen zieke op den Sabbat te veroordeelen, wijl die genezing, welke Hij zonder eenigen arbeid, door een enkel woord bewerkt heelt, veel minder eene overtreding der wet is dan de besnijdenis, die zij toch op den Sabbat verrichtten. Deze bewijsreden van Jesus had de Joden kunnen bewegen, om in Hem te gelooven, maar zij waren een hardnekkig volk, dat de waarheid niet aannemen en Jesus niet voor den Zoon Gods erkennen wilde, weshalve zij Hem dan ook, toen Hij nog duidelijker over zijne Godheid sprak, zoclv-ten te vangen. Velen echter geloofden in Hem en dezen moeten wij navolgen, terwijl wij ook verplicht zijn, de hardnekkigheid en onrechtvaardigheid der eersten te vermijden.

Gebed der Kerk over het volk.

Heer, ontferm ü over uw volk en verleen genadig, dat het van de gedurige kwellingen, waaronder het lijdt, verlost worde, door onzen Heer Jesus-Christus.

Op Woensdag na den vierden Zondag in de Vasten.

EPISTEL : Les uit den Profeet Isaias I, 16-19.

Dit zegt God de Heer: Wascht, reinigt u, neemt uwe booze gedachten vóór mijne oogen weg; houdt op met kwaad te doen, leert goed doen, zoekt wat recht is, komt den verdrukte te hulp, verschaft den wees [recht, beschermt de weduwe. En komt, en berispt Mij {zoo Ik u dan niet hoor) zegt de Heer: indien uwe zonden waren als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, en zoo zij rood waren als purper, zij zullen wit worden als wol. Indien gij gewillig zijt en Mij hoort, zult gij de goederen der aarde genieten, zegt de almogende Heer!

Verklaring. God verkondigt den Joden in deze les, door den mond van den Profeet Isaias, dat zij niet van Hem mogen zeggen, dat Hij hen te streng kastijdt, zoolang zij geene boetvaardigheid doen; zoodra zij zich echter van hunne booze wegen gaan, zullen zij zien, dat Hij een Heilige en rechtvaardige, maar ook een barmhartige God is; want Hij zal hun dan al hunne zonden vergeven (al waren ze nog zoo groot) en hun de goederen der aarde in vrede doen genieten. — Zeggen wij dus niet, wanneer God ons door zijne straffen treft,

304

ocr page 341

VIERDEN ZONDAG IN DE VASTEN. 308

dat Hij ons te hard kastijdt, maar wenden wij ons veeieer, door eene opreciite boetvaardigheid, tot den Heer, dan zuilen ook wij Gods barmhartigheid ondervinden: Hij zal ons onze misdaden vergeven en ons, door zijne genade, nog veel goeds schenken!

Evangelie volgens den H. Joannes IX, 1-38.

In dien tijd Jesus voorbijgaande, zag eenen mensch, die blind was van zijne geboorte af: en zijne Discipelen vraagden Hem: Rabbi! wie heeft gezondigd, deze, of zijne ouders, dat hij blind geboren is? Jesus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijne ouders; maar opdat in hem de werken Gods zouden openbaar worden. Ik moet de werken doen van Hem, die Mij gezonden heeft, zoo lang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan. Zoo lang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht der wereld. Als Hij dit gezegd had, spoog Hij op de aarde, en maakte slijk van het speeksel, en streek het slijk op deszelfs oogen; en Hij sprak tot hem: Ga, en wasch u in het badwater Siloë (hetwelk vertolkt is: Afgezant)! Hij ging dan, en wiesch zich, en kwam ziende. De geburen nu, en die hem te voren gezien hadden, dat hij een bedelaar was, zeiden: Is deze niet, die zat, en bedelde? Sommigen zeiden: Hij is het! Doch anderen: Geenszins, maar hij gelijkt naar hem. Hij echter zeide: Ik ben het! Zij dan zeiden tot hem: Hoe zijn u de oogen geopend? Hij antwoordde: De mensch, die Jesus heet, maakte slijk, en zalfde mijne oogen, en sprak tot mij: Ga naar hel badwater Siloë, en wasch u! En ik ging, en wiesch mij, en zie. En zij zeiden lot hem: Waar is Hij? Hij zeide: Ik weet het niet. Zij brachten hem, die blind was geweest, tot de Farizeën En het was Sabbat, als Jesus het slijk gemaakt, en deszelfs oogen geopend had. De Farizeën dan ondervraagden hem wederom, hoe hij ziende was geworden. En hij zeide

20

ocr page 342

OP WOENSDAG NA DEN

306

lot hen: Hij legde mij slijk op de oogen, en ik wiesch mij, en ik zie. Toen zeiden sommigen uit de Farizeën; Deze mensch is van God niet, want hij houdt niet den Sabbat. Maar anderen zeiden: Hoe kan een mensch, die zondaar is, deze wonderen doen? En er was eene scheuring onder hen. Zij dan zeiden wederom tot den blinde: Gij, wat zegt gij van Hem, die uwe oogen geopend heel'l? Hij nu zeule: Hij is een profeet. De Joden dan geloofden van hem niet, dat hij blind was geweest, en ziende geworden, totdat zij de ouders van dengenen, die ziende was geworden, geroepen hadden. En zij vraagden hen, zeggende: Is deze uw zoon, welke gij zegt, dat blind geboren is? Hoe ziet hij dan nu? Zijne ouders antwoordden hun, en spraken : Wij weten, dat deze onze zoon is, en dat hij blind geboren is; maar hoe hij nu ziet, weten wij niet; of wie zijne oogen geopend heeft, weten wij niet. Ondervraagt hem zeiven ! Hij heeft de jaren; laat hem van zich zeiven spreken! Dit zeiden zijne ouders, omdat zij de Joden vreesden. Want alreeds hadden de Joden samengespannen, dat, indien iemand Hem beleed de Christus te zijn, die uit de synagoge zoude gebannen zijn. Daarom zeiden zijne ouders: Hij heeft de jaren: ondervraagt hem zeiven! Zij dan riepen andermaal den mensch, die blind was geweest, en zeiden tot hem: Geef eere aan God! Wij weten dat deze mensch een zondaar is. Hij zeide dan tot hen: Of Hij een zondaar is, weet ik niet; één ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie. Zij dan zeiden tot hem: Wat heeft Hij u gedaan? hoe heeft Hij u de oogen geopend? Hij antwoordde hun: Ik heb het alreeds gezegd, en gij hebt het gehoord; waarom wilt gij hel andermaal hooren? of wilt gij ook zijne leerlingen worden? Zij dan beschimpten hem, en zeiden: Wees gij zijn leerling; maar wij zijn leerlingen van Mozes. Wij weten, dat God

ocr page 343

vierden zondag in de vasten.

tot Mozes gesproken heeft; maar van waar deze is, weten wij niet. De mensch antwoordde, en zeide tot hen: Hierin toch is wonder, dat gij niet weet, van waar Hij is, en Hij heeft mij de oogen geopend: Wij weten echter, dat God zondaren niet verhoort; maar zoo iemand God dient^ en zijnen wil doet, dien verhoort Hij. Het is van den beginne nimmer gehoord, dat iemand de oogen van eenen blindgeborene heeft geopend ! Ware deze van God niet. Hij zonde niets hebben kunnen doen. Zij antwoordden, en zeiden tol hem: Gij zijt geheel in zonden geboren^ en leert gij ons? En zij wierpen hem buiten. Jesus hoorde, dat zij hem buiten hadden geworpen; en als Hij hem gevonden had, sprak Hij tot hem : Gelooft gij in den Zoon Gods? Hij antwoordde, en (zeide: Wie is het. Heer! opdat ik in Hem geloove? En Jesus sprak tot hem: En gij hebt Hem gezien, en Hij die met u spreekt, is het zelf. En hij zeide: Ik geloof. Heer! En neder-vallcnde, aanbad hij Hem.

Verklaring. »Noch deze heeft gezondigd, noch zijne ouders: maar opdat in hem de werken Gods zouden openbaar worden.quot; Is dezen menscli dus, wegens Gods eer, geen onrecht geschied? Welk onrecht? vraagt de II. Ghkvsostomus en hij antwoordt: Ik houd staande, dat deze blindheid veeleer eene weldaad voor dien man was, wijl de Heer Jesus hem niet alleen het gezicht teruggaf, maar ook de inwendige oogen zijner ziel vóór het licht des geloofs opende. Beloont deze genezing, die voor dien blindgeborene hel begin is der eeuwige zaligheid, hem niet overvloedig voor de tijdelijke ellende van eenige jaren? — Laat ons dan niet klagen, wanneer de Heer ons door lijden lot zich wil trekken; — Het slijk, waarmede Jesus de oogen des blinden bestreek, en het wasschen in het bad van Siloë bezaten door zich zeiven niet de kracht om den blindgebeborene te genezen, maar Jesus gebruikte die uitwendige teekenen, dééls om den Joden te toonen, dat het niet verboden was zieken op den Sabbatdag te helpen, dééls

307

ocr page 344

op donderdag ma den

om te leeren, dat de inwendige genade in zijn rijk, door uitwendige teekenen, wordt medegedeeld, zoo als zulks in de Sacramenten geschiedt. De Sacramenten immers zijn uitwendige, door Jesls-Chuistus ingestelde, teekenen, waardoor God ons zijne onzichtbare genade en inwendige heiliging mededeelt. — Zeer treffend is de standvastigheid des blinden in de vervolgingen, die hij onderging, wijl hij beleed, dat hij door Christus was genezen geworden, en zeer slichtend is zijne gehechtheid aan Jesus, van wien niets hem voortaan konde scheiden. — Volgen wij dezen blindgeborene na, laat ons God danken voor al zijne weldaden, maar in het bijzonder hiervoor, dat Hij ons tot het licht van liet ware gelootquot; heeft geroepen; en laat noch versmading, noch vervolging, noch dood ons afschrikken, om ons geloof te belijden en de liefde Gods te bewaren!

Gebed der Kerk over het volk.

Verhoor genadiglijk, o Heer, de gebeden dergenen, die tot U smeeken; en opdat Gij hun moogt verleenen, wat zij verlangen, doe hen vragen, hetgeen U behagelijk is, door onzen Heer Jesus-Christus.

Oj) Donderdag na den vierden Zondag in de Vasten.

BPISTBli: Les uit het vierde Boek der Koningen, IV, 25-38.

In die dagen kwam eene vrouw van Sunam tot Eliseus, op den berg Garmel, en als do man Gods haar in de verte zag, zeide hij tot zijnen dienaar Giezi : Zie, daar is de Su-namitische vrouw. Ga haar dan tegemoet, en zog haar; Gaat het wel met u en met uwen man en met uwen zoon? en zij antwoordde: Alles gaat wel. En als zij tot den man Gods gekomen was op den berg, omvatte zij zijne voeten; en Giezi trad nader, om haar te verwijderen. Doch de man Gods sprak: Laat haar, want hare ziel is bedroefd en de Heer heeft hel mij verborgen en niet getoond. Zij sprak tol hem: Heb ik eenen zoon van mijnen heer gevraagd? Heb illt; u niet gezegd: bespot mij niet? En hij sprak tot Giezi: Omgord uwe lenden, neem mijnen staf in uwe hand en ga heen. Zoo u een mensch tegemoet komt, groet hem niet en indien iemand

308

ocr page 345

vierden zondag 1« dk vasten.

u gioet, zult gij hem niet antwoorden; en gij zult mijnen slaf op het aangezicht van hel kind plaatsen. Doch de moeder van het kind zcide: Zoo waar de Heer leelt en zoowaar uwe ziel leeft, ik zal u niet loslaten. Hij stond dan op en volgde haar. Giezi echter was hun vooruitgegaan en had den staf op het aangezicht van den knaap geplaatst en er was noch spraak noch gevoel, en hij keerde terug, hem tegemoet gaande, en boodschapte hem, zeggende: De knaap is niet opgestaan. Eliseus dan kwam in het huis en zie, hel kind lag dood in zijn bedje; hij ging binnen, en sloot de deur achter zich en achter het kind en bad tot den Heer. En hij klom op en legde zich op hel kind; en hij plaatste zijnen mond op diens mond, en zijne oogen op diens oogen, en zijne handen op diens handen en boog zich over hem heen, en liet vleesch van den knaap werd warm. Doch hij ging terug en wandelde door hel huis eenmaal op en neder. En hij klom op en legde zich op hem, en de knaap geeuwde zeven maal en opende de oogen. En hij riep Giezi, en zeide hem: Hoep de Sunamitische vrouw. Zij werd geroepen en ging binnen tot hem. Deze sprak: Neem uwen zoon. Zij kwam, viel vóór zijne voeten neder en boog zich ter aarde; en zij nam haren zoon, en ging uit, en Eliseus keerde naar Galgala terug.

Verklaring. Deze moeder was zeer bedroefd wegens den dood van haren zoon en snelde derhalve naar Eliseus, om bij dien man Gods hulp te zoeken. Daaruit leeren de ouders, dat zij, zoodra een luinner kinderen ernstig ziek wordt, geene moeite mogen sparen, om voor zijne genezing te zorgen en God te bidden, dal Hij aan de geneesmiddelen, die de artsen voorschrijven, zijnen zegen geve, opdat het kind weder gezond worde. — Het geloof der Sunamitische vrouw was nog zwak, zoo al« blijkt uil hare dringende bede, dat Eliseus zich gewaardigen zou zelf mede te gaan: daarom ook stond het kind niet op, toen GIezi den slaf op diens aangezicht legde, maar eerst dan, als Eliseus, nadat hij den zegen Gods gevraagd en eenigen tijd natuurlijke middelen tot de opwekking van hel kind aangewend liad, den doode, door bovennatuurlijke kracht, tot het leven terugriep. Hieruit blijkt, dat God vooral dengenen, die in Hem gelooven, zijne hulp laat geworden!

309

ocr page 346

op vrijdag na den

Evangelie volgens den H. Lucas VI, H-16.

Zie den XY Zondag na Pinksteren.

Verklaring. Welk verschil tusschen de opwekking ten leven, waarvan de Epistel, en die, waarover het Evangelie spreekt ! Christus zegt slechts: Jongeling, Ik zeg n, sta op, en de doode richt, zich op en begint te spreken. Zien wij daaruit niet, dat Jesus Heer en Meester is over leven en dood ? — Aan U alleen, o Jf.sus ! vertrouw ik mijn leven; handel met mij volgens uw welbehagen, verleen mij, dat ik van den dood der zonde verrijze, het gelool', de hoop en de Helde beware, en dat mijne laatste woorden mogen wezen; In mee handen, o Heer, beveel ik mijnen geest (Psalm. XXX).

Gebed der Kerk over het volk.

0 God, Leeraar en Regeerder van uw volk, roei de zonden uit, waardoor het bestreden wordt, opdat het U steeds behagelijk en door uwe bescherming in veiligheid zij, door Jesus Christus, onzen Heer, enz.

Op Vrijdag na den vierden Zondag in de Yasten.

EPISTEL.: Les uit het derde Boek der Koningen. XVII, 17-24.

In die dagen werd de zoon der huismoeder (van Elias) krank en de ziekte was zeer hevig, zoodat hij den laatsten snik gat. Zij sprak dan tot Elias: Wat is er gemeens tusschen u en mij, man Gods ? Zijt gij tot mij gekomen, om mijne boosheden in herinnering te brengen en, om mijnen zoon te doodeu? En Elias sprak tot haar; geef mij uwen zoon. En hij nam hem van haren schoot weg en droeg hem op de bovenkamer, waar hij zelf verbleef en plaatste hem op zijn bed. En hij riep tot den Heer en sprak: Heer mijn God, hebt Gij ook de weduwe, die mij, hoe het ook zijn moge, onderhoudt, bedroefd, zoodat Gij haren zoon gedood hebt? En hij strekte zich uit en mat zich drie maal over den knaap en riep tot den Heer en sprak; Heer mijn God, ik bid U, laat de ziel van dit kind in zijn lichaam wederkeeren. En de Heer verhoorde de stem van Elias, en de ziel van den knaap keerde in hem terug en hij herleefde. En Elias nam hel kind en bracht

310

ocr page 347

vierden zondag in de vasten.

liet van de bovenkamer in liet onderhuis en gal' het aan diens moeder en sprak tot haar: Zie, uw zoon leelt. En de vrouw zeide tot Elias: Nu, daaraan erken ik, dat gij een man Gods zijt, en het woord des Heeren in uwen mond is waarachtig.

Verklaring. De woorden dezer vrouw, schrijft Theodore-tus, zijn bewonderenswaardig. Zij zegt tot Elias: Het licht uwer heiligheid maakt mijne zonden, die tot hieraan verborgen waren, bekend; zij zegt niet: gij hebt mij onheil aangebracht maar zij legt op hare eigen boosheden de schuld van haar ongeluk. Zij betreurt het in ootmoed, dat zij eenen Proleet in haar huis heelt opgenomen. — Elias strekte zich uit en mat zich drie maal over het kind, om daardoor, gelijk de II. Augus-tikus «en groot geheim, de opwekking der volkeren, aan

te duiden. De volkeren lagen dood in hunne zonden, maar God wekte hen op, doordien Hij tot hunne ellende afdaalde en zich, om zoo te spreken, met hen mat. Door het drievoudig meten van Elias wordt het geheim der H. Drieëenheid zinnebeeldig voorgesteld, wijl het Ghristen-volk noch door den Vader zonder den Zoon, noch door den Vader en den Zoon zonder den H. Geest, maar door de gezamenlijke drie Goddelijke Personen tot het leven der genade wordt opgewekU

Evangelie volgens den H. Jonnes XI, 1-45.

In dien tijd was er een kranke, Lazarus van Be-thanië, het vlek van Maria, en van hare zuster Martha. Maria nu was degene^ die den Meer gezalfd heelt met balsem, en zijne voeten gedroogd heeft met hare haren; en haar broeder Lazarus was krank. Zijne zusters zonden dan tot Hem, zeggende: Heer! zie, hij, dien Gij liefhebt, is krank. Als Jesus hel hoorde, sprak Hij lot hen: Deze krankheid is niet ter dood, maar ter verheerlijking Gods, opdat er de Zoon Gods door verheerlijkt worde! Jesus nu had Martha, en hare zuster Maria, en Lazarus lief. Als Hij dan gehoord had, dat hij krank was, toen bleef Hij terzelfde plaatse nog twee dagen. Daarna echler sprak Hij tot zijne Discipelen : Laat ons wederom naar Judea gaan! De Disci-

3H

ocr page 348

OP VRIJDAG NA DEN

312

pelen zeiden tot Hem: Rabbi! nu zochten de Joden U te steenigen, en gaat Gij wederom derwaarts? Jksus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in den dag? Indien iemand bij den dag wandelt, stoot hij zich niet, omdat hij het licht dezer wereld ziet; maar indien bij bij nacht wandelt, stoot hij zich, omdat het licht niet bij hem is. Dit zeide Hij^ en daarna sprak Hij tot hen; Lazarus, onze vriend, slaapt, maar Ik ga, om hem uit den slaap op te wekken. Zijne Discipelen dan zeiden: Heer! indien hij slaapt, zal hij gezond worden. Doch Jesus had van zijnen dood gesproken; maar zij meenden, dat Hij sprak van de rust des slaaps. Toen zeide derhalve Jesus onbewimpeld lot hen : Lazarus is gestorven; en Ik verheug Mij om uwentwil, dat Ik daar niet was. opdat gij gelooven moogt. Doch laat ons tot hem gaan! Thomas dan, die genoemd wordt Didymus, zeide tot zijne mede-discipelen: Laat ook ons gaan, opdat wij met Hem sterven. Jesus kwam dan, en vond, dat hij al reeds vier dagen in het graf had gelegen. Bethanië nu lag nabij Jerusalem, ongeveer vijftien stadiën ver. En velen van de Joden waren tot Martha en Maria gekomen, om haar te troosten over haren broeder. Martha dan, als zij hoorde, dat Jesus kwam, ging Hem te gemoet; doch Maria bleef te huis zitten. Martha nu zeide tot Jesus: Heer_, zoo Gij hier waart geweest, mijn broeder ware niet gestorven; maar ook nu weet ik, dat alles wat Gij van God begeeren zult, God U geven zal. Jesus sprak tot haar: Uw broeder zal verrijzen. Martha zeide tot Hem: Ik weel dat hij verrijzen zal in de opstanding ten jongsten dage. Jesus sprak tot haar: Ik ben de opstanding en het leven: die in Mij gelooft, al ware hij gestorven, zal leven; en een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid. Gelooft gij dit? Zij zeide tot Hem: Ja, Heer! Ik heb geloofd, dat Gij de Christus zijt, de Zoon des levenden

ocr page 349

VIEHDEN ZONDAG IN DE VASTEN.

313

Gods, die in deze wereld gekomen zijt: En als zij dit gezegd had, ging zij heen, en riep, heimelijk, hare zuster MariA; zeggende: De Meester is daar, en roept u. Deze, als zij het hoorde, stond haastelijk op^ en kwam tot Hem; want Jesus was nog niet in het vlek gekomen, maar was nog in de plaats, daar Martha Hem tegemoet was gekomen. Als de Joden nu, die met haar in huis waren, en haar troostten, zagen, dat Maria haastelijk opstond, en uitging, volgden zij haar, zeggende: Zij gaat naar het graf, om daar te weenen. Maria dan, als zij kwam, waar Jesus was, en Hem zag. viel aan zijne voeten, en zeide lot Hem; Heer! zoo Gij hier waart geweest, mijn broeder ware niet gestorven. Jesus nu^ als Hij haar zag weenen,, en de Joden^ die met haar kwamen, ook weenen, werd in den geest bewogen, en ontroerde zich zeiven, en sprak! Waar hebt gij hem gelegd! Zij antwoordden Hem ! Heer, kom en zie! En Jesus weende. Toen zeiden de Joden! Ziet, hoe lief Hij hem had' Maar sommigen uit hen zeiden: Konde Hij, die de oogen des blindgeborenen geopend heeft, niet maken, dat deze niet stierf? Jesus nu, wederom in zich zeiven bewogen zijnde, kwam tot het graf. Het was eene spelonk, en er was een steen daarop gelegd. Jesus sprak: Neemt den steen weg! Martha, de zuster des gestorvenen, zeide tot Hem: Heer! hij riekt alreeds, want hij ligt vier dagen. Jesus sprak tot haar: Heb Ik u niet gezegd, dat, zoo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zult zien? Zij namen dan den steen weg. En Jesus hief de oogen opwaarts, en sprak: Vader! Ik dank U, dat Gij Mij hebt verhoord. Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoord: maar om het volk, hetwelk rondom staat, heb Ik dit gesproken: opdat zij gelooven, dat Gij Mij hebt gezonden. Als Hij dit gesproken had, riep Hij met luider stemme: Lazarus^ kom uit! En terstond kwam

ocr page 350

op vrijdag na den

de gestorvene uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn aangezicht was omwonden met eenen zweetdoek. En Jesus sprak tot hen; Ontbindt hem, en laat hem gaan! Velen nu uit de Joden, die tot Maria en Martha gekomen waren, en gezien hadden, hetgeen Jesus had gedaan, gelnolden in Hem.

Verklaring. Door de opwekking van Lazarus, vertoont Jksus zich nogmaals nis Heer en Meester over leven en dood en als Zoon van den levenden God. — Laten wij Hem dan ook als zoodanig aanbidden en wenden wij ons, in al onze noodwendigheden, doch voornamelijk in den strijd tegen de zonde, tot Hem, om zijne hulp in te roepen. Hij zal ons zijnen bijstand niet weigeren, wanneer wij, even als de zusters van Lazarus, met een levendig geloof en vnrig vertrouwen daarom bidden. Martha's gelool' was nog gebrekkig, maar de Heer versterkte hare kleingeloovigheid, naardien Hij zeide: Ik ben de opstanding en het leven; die in Mij gelooft, al ware hij gestorven, zal leven; en een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid, dat is, die zal niet alleen het waarachlig leven des geestes in zich hebben, maar ook eigenlijk niet sterven naar het lichaam, wijl zijn lichaam, ofschoon het den tol der zonde aan den dood moet betalen, nochtans, ingevolge zijner wedergeboorte door de genade der Verlossing in het Doopsel, de kiem in zich draagt van een nieuw onsterfelijk en heerlijk lichaam. De lichamelijke dood is derhalve slechts als een slaap, waarop de dag van een zalig ontwaken volgt, bij de opwekking der dooden, die Christus op den jongsten dag zal bewerkstelligen. — Heer! laat ook ons dezen dag eens aanschouwen, en aan uwe heerlijkheid deelnemen, opdat wij U, met uwe zalige geesten, eenwig mogen loven en prijzen!

Gebed der Kerk over het volk.

Geef ons, vragen wij U, almogende God, dat wij, die, onze zwakheid kennen en op uwe kracht vertrouwen, ons steeds over uwe barmhartigheid verheugen, door onzen Heer, Jesus-Christus, enz.

314

ocr page 351

vierden zondag in de vasten.

Op Zaterdag na den vierden Zondag in de Vasten.

EPISTEL: Les van den Profeet Isaias, XLIX, 8-15.

Dit zegt de Heer: Op den aangenamen tijd heb Ik u verhoord en ten dage des heils heb Ik n geholpen en n bewaard en ii gegeven tot een verbond des volks, opdat gij het land zoudt oprichten en de verwoeste erfschappen bezitten, opdat gij zondt zeggen aan hen, die geboeid zijn: Gaat uit; en aan hen, die in de duisternis zijn; Komt in het licht. — Zij zullen op de wegen weiden en op alle vlakten zullen hunne weiden wezen. Zij zullen noch hongeren, noch dorsten, en de hitte en de zon zullen hen niet treflen, wijl hun Ontfenner hen zal voeren en hen aan de waterbronnen zal drenken. En Ik zal al mijne bergen lot eenen weg maken en mijne paden zullen verhoogd worden. Zie, deze zullen van verre komen, en zie, genen uit het Noorden en van de zee, en dezen uit het middagland. Looft, hemelen, en jubel, aarde; bergen, weergalmt van lof, wijl de Heer zijn volk heeft getroost en zich zijner armen zal ontfermen. En Siou heeft gezegd; De Heer heeft mij verlaten en de Heer heeft mij vergeten. Kan eene vrouw haar kind vergeten, zoodat zij zich niet ontfermt over den zoon van haren school ? Eu als zij liet vergate. Ik nochtans zal n niet vergeten, zegt de almogende Heer.

Verklaring. Deze voorzegging heeft betrekking op de bevrijding der Joden uit de Babylonische gevangenschap, alsmede op de door CHRisTts bewerkte verlossing. Christus is de Middelaar des Nieuwen Verbonds; Hij is door zijnen Vader gezonden, om het verwoeste mensc.hdoin weder te herstellen, om het geestelijk erfschap der kinderen Gods te veroveren en mede te deelen aan degenen, die Hij uit de macht van Satan en uit de gevangenschap der zonde bevrijd heeft. Niets moet dengenen op weg ontbreken, die uit den vreemde huiswaarts terugkeeren; de nieuwe geloovigen zullen overal het geestelijk voedsel, het brood des levens vinden; geene hindernis, geene kwaal zal hen schaden; hun Ontfermer zal hun in zijne Heilige Sacramenten den stroom zijner genade openen; Hij zal alle hinderpalen, die zich tegen hun heil verzetten, uit den

315

ocr page 352

op zaterdag na dek

weg ruimen en zij zullen Hem voor hunne redding loven en danken. Gaat dan uil, gij gevangenen, en treedt in het licht te voorschijn; voegt u bij hen, die, door oprechte boetvaardigheid, tot den Heer terugkeert en in zijn licht wandelt, en Hij zal ook als een goed Vader, u lot zijne kinderen aannemen, want zijne barmhartigheid strekt zich uit van geslacht tot geslacht over allen, die Hem vreezen.

Evangelie volgens den H. Joannes Mil, 12—20.

In dien tijd sprak Jesus tot de scharen der .loden, zeggende: Ik ben liet licht der wereld; die Mij volgt, wandelt niet in de duisternis, maar zal het licht des levens hebben. De Farizeën dan zeiden tot Kem: Gij geeft van u zeiven getuigenis; uwe getuigenis is niet waarachtig. Jesus antwoordde, en sprak lot hen: Indien Ik ook van Mij zeiven getuigenis geve, is mijne getuigenis waarachtig; want Ik weet, van waar Ik gekomen ben, en waar ik heenga: gij echter weet niet, van waar Ik kome, ol' waar .Ik heenga. Gij oordeelt naar het vleesch: Ik oordeel niemand. En indien Ik oordeel, is mijn oordeel waarachtig; want Ik ben niet alleen, maar Ik, en de Vader, die Mij gezonden heeft. Ook in uwe wet staat geschreven, dat de getuigenis van twee menschen waarachtig is; Ik ben het, die van Mij zeiven getuigenis geef, en de Vader, die Mij gezonden heefl, geeft getuigenis van ^ij. Zij dan zeiden lot Hem: Waar is uw Vader? Jesus antwoordde: Gij kent noch Mij, noch mijnen Vader; indien gij Mij kendet, zoudt gij wellicht ook mijnen Vader kennen. Deze woorden sprak Jesus bij de offerkist, leerende in den tempel; en niemand vatte Hem; want zijne ure was nog niet gekomen.

Verklaring. Jesus noemt zich hel Licht der wereld, dat is, de Leeraar der menschen in den hoogsten en voorlreffe-lijksten zin, en zegt: die Mij volgt, die in Mij gelooft en Mij gehoorzaamt, wandelt niet in de duisternis van dwaling en

316

ocr page 353

vierden zondag in de vasten.

zonde, maar zal het licht des levens hebben; dat is, hij zal in het bezit zijn van het licht der waarheid, dat het leven geeft aan den geest en zalig maakt. Hierop zeiden de Joden; Gij geeft van U zeiven getuigenis; uwe getuigenis is niet waarachtig. Maar Jesus antwoordde: Indien Ik ook van Mij zeiven getuigenis geve, is mijne getuigenis waarachtig-, want Ik weet, van waar Ik gekomen hen; dat wil zeggen: Ik weet, dat ik God ben en als zoodanig geene andere getuigenis behoef; gtj echter weet niet, van waar Ik kom; gij weet niet, naardien gij het door uw ongeloof niet wilt weten, dat Ik de Zoon Gods ben. Overigens ben Ik niet de eenige getuige in deze zaak, maar ook de Vader, die Mij gezonden heeft, geeft getuigenis van Mij. Doch gij kent noch Mij, noch mijnen Vader, want indien gij Mij gekend hadt, naar mijne Goddelijke natuur ais den Zoon Gods, gelijk gij Mij, uit mijne leer, door mirakelen bevestigd, hadt kunnen en moeten kennen, dan zoudt gij ook geweten en gekend hebben, dat God mijn Vader is. Maar gij sluit uwe oogen voor het licht, dat in uw midden schijnt; gij blijft hardnekkig en ongeloovig, en daarom kent gij noch Mij, noch mijnen Vader. — Gaat het ook nog niet eveneens ten huidigen dage? Velen loochenen, dat Christus de Zoon van God is. En waarom? Wijl zij God zeiven niet kennen en het zijner Goddelijke Majesteit onwaardig achten, dat Hij zijnen éénigen Zoon voor ons, arme zondaars, ten beste gal'; en wijl zij geen acht slaan noch op de heerlijke en Goddelijke leer van Gnius-tus, noch op de wonderen, die de Zaligmaker, ter bevestiging zijner Godheid en zijner Goddelijke zending, verricht heeft. Hun hart en hun verstand zijn verduisterd, en daarom gelooven zij niet!

Gebed der Kerk over het volk.

O God, die liever uwe barmhartigheid dan uwe gramschap over degenen, die op U vertrouwen, doet uitschijnen, geef dat wij ernstig de zonden, welke wij bedreven hebben, mogen beweenen, opdat wij verdienen de genade van uwen troost te verkrijgen, door Jesus-Christus, onzen Heer.

317

ocr page 354

onderricht op den

Ondtirricht op den vijfden Zondag in de Yasten.

Deze Zondag wordt ook Passie-Zondag genoemd. Die benaming heeft hij daarvan, dat de Kerk zich thans meer bijzonder met de overweging van het lijden des Verlossers bezig houdt, üe kruisbeelden zijn bedekt, om ons te herin neren, dat Christus zich, van dezen tijd tot aan zijnen plech-tigen intocht in Jerusalem, voor de Joden verborg en niet meer in het openbaar verscheen (Joannes XI, o4). Het »Eere zij den Vader,quot; enz. wordt in de H. Mis weggelaten, om te beteekenen, dat wij ons niet waardig achten den drieëenigen God te loven, terwijl de Zoon des Allerhoogsten aan schande en versmading is prijs gegeven. De psalm Judica wordt bij het begin der Mis niet gebeden, wijl de hoogepriesters op dezen dag den joodschen raad verzameld en een vonnis geveld hebben tegen Christus. De Kerk bezigt bij den Ingang der Mis Ps. XLII en zegt, in den naam van den lijdenden Heiland der wereld: «Wees mijn Rechter, o God! en oordeel mijne zaak; verlos mij van het onheilige volk, van den boozen en bedriegelijken mensch. Ps. Zend uw licht en uwe waarheid uit: Zij zullen mij leiden en aanbrengen op uwen heiligen berg, in uwe tabernakelen.quot;

Gebed der Kerk.

Wij vragen ü, almogende God, werp eenen genadigen blik op uw gezin, opdat het, door uwe gunst, beheerscht worde naar het lichaam en, onder uwe bescherming, moge bewaard blijven naar de ziel, door onzen Heer Jesus-Ciiristus.

EPISTEL; Les uit den Brief van den H. Paulus aan de Hebre'érs, IX, 11-15.

Broeders! Christus gekomen zijnde, Hoogepriester der toekomende goederen, is door den grooteren en volmaakteren tabernakel, niet met handen gewrocht, dat is. niet van deze schepping, en niet door bloed van hokken of kalveren, maar door zijn eigen Bloed éénmaal ingegaan in het heiligdom, hebbende eene eeuwige verlossing, gevonden. Want indien het bloed van bokken en stieren, en de assche van eene jonge koe, besprengeude de ontreinigden, heiligt Ier zuivering des vleesches.

318

ocr page 355

vijfden zondag in de vasten

hoeveel te meer zal het Bloed van Christus, die door den Heiligen Geest zich zeiven vlekkeloos aan God heeft geotferd, ons geweten zuiveren van doode werken, om te dienen den levenden God? En daarom is Hij Middelaar van een Nieuw Testament, opdat, de dood, zijnde tusschengekomen tot verlossing van de overtredingen, die onder het eerste Testament waren, de geroepenen dc beloften zouden ontvangen der eeuwige erfenis, door Christus Jesus onzen Heer.

Verklaring. De H. Paulus leert hier, dat Christus als Hoogepriester des Nieuwen Verbonds, door zijn op het altaar des kruises vergoten bloed, geheel en al heeft voldaan voor de zonden der mensehen. Nu komt het er slechts op aan, dat de zondaars zich, door hunne medewerking met de genade, de verdiensten van Jesus toeëigenen. Deze medewerking geschiedt door een oprecht geloof, door het waardig ontvangen der Heilige Sacramenten, door tiet onderhouden der Goddelijke geboden, door het beoefenen van goede werken en door het beoefenen van goede werken en door geduld in kruis en lijden.

Verzuchting. Geef ons, o barmhartige Jesus! de genade, dat wij, in dezen heiligen tijd, al het mogelijke doen, om ons aan de vruchten van uw bitter lijden deelachlig te maken, en om de ons beloofde erfenis des eeuwigen levens te verwerven!

Evangelie volgens den H. Joannes Vlir, 46-59.

In dien tijd sprak Jesus tot dc scharen der Joden: Wie van u zal Mij van zonde overtuigen? Indien Ik u dc waarheid zeg, waarom gelooft gij Mij niet? Die uit God is, hoort Gods woorden. Daarom hoort gij niet, omdat gij uit God niet zijt. De Joden dan antwoordden en zeiden tot Hem: Zeggen wij niet wel, dat Gij een Samaritaan zijt, en eenen duivel hebt ? Jesus antwoordde: Ik heb niet eenen duivel, maar Ik eer mijnen Vader, en gij onteert Mij. Ik echter zoek mijne eer niet; een is, die ze zoekt, en die oordeelt. Voorwaar, voorwaar. Ik zeg u: Zoo iemand mijn woord onderhoudt, hij zal in eeuwigheid den dood niet zien.

319

ocr page 356

ONDERRICHT OP DEN

De Joden dan zeiden: Nu erkennen wij, dat Gij eenen duivel hebt. Abraham is gestorven, en de Profeten; en Gij zegt: Zoo iemand mijn woord onderhoudt, hij zal in eeuwigheid den dood niet smaken ! Of zijt Gij grooter, dan onze Vader Abraham, die gestorven is? Ook de Profeten zijn gestorven. Wipn maakt Gij U zeiven? Jesus antwoordde: Indien Ik Mij zeiven ver-heerlijke, is mijne verheerlijking niets; mijn Vader is het, die Mij verheerlijkt, welken gij zegt, dat uw God is. Doch gij kent Hem niet; maar Ik ken Hem; en indien Ik zeide: Ik ken Hem niet, zoude Ik, u gelijk, een leugenaar zijn. Maar Ik ken Hem, en onderhoud Zijn woord. Abraham, uw vader, heeft, zich verheugd, dat hij mijnen dag zoude zien; hij heeft dien gezien, en zich verblijd. Toen zeiden de Joden tot Hem: Gij hebt nog geen vijftig jaren, en hebt Abraham gezien? Jesüs sprak tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, eer Abraham werd, ben Ik. Zij namen dan steenen op, om op Hem te werpen. Maar Jesus ver-bergde zich, en ging uit den tempel.

Waarom vroeg Jesus aan de Joden: «Wie van u zal My van zonden overtuigenquot; ?

1) Om ons te leeren, dat hij, die anderen wil berispen en stralFen, zich moet beijveren, om zelf eerst zondenvrij te zijn; voornamelijk echter 2) om den Joden nit de waarheid, dat Hij zelfs van de minste zonde vrij was, te bewijzen, dat Hij niet alleen mensch, maar de beloofde Messias, de Zoon van God is, in wien zij derhalve moesten gelooven.

Waarom zeide Christus: »Die uit God is,

hoort Gods woorden'* ?

Opdat de Joden, die zijne Goddelijke leer niet wilden gelooven en volgen, zonden ondervinden, dat zij daarom niet tot de kinderen Gods maar tot de zonen des duivels behoorden. Die uit God is, hoort gaarne Gods Woord; de aardsche, vleeschelijke en dnivelsgezinde mensch echter wil daarvan niets weten, om niet in zijn zondig leven gestoord Ie worden. Wij

320

ocr page 357

VIJFDEN ZONDAG IN DE VASTEN.

knnnen dus gemakkelijk weten of wij al dan niet uit God zijn. Hooren wij gaarne Gods Woord, gaan wij gaarne en zoo dikwerf mogelijk ter kerke, om de predikatiën bij te wonen, vinden wij vermaak in het lezen van godvruchtige boeken, richten wij met vreugde onzen levenswandel in, naar hetgeen wij in de preeken gehoord of in stichtende boeken gelezen hebben, dan zijn wij kinderen Gods; maar verzuimen wij de waarheid te hooren, vluchten wij de kerk eu andere plaatsen, waar wij iets goeds kunnen leeren, werpen wij de goede boeken op zijde, om slechte geschriften te lezen of om gevaarlijke gezelschappen op te zoeken, nemen wij behagen in verderfelijke gesprekken, spreken wij gaarne over verbodene dingen, verleiden wij anderen daartoe, zijn wij traag, om het goede, dat wij gehoord hebben, te deen, en daarentegen ijverig, om het kwaad, dat wij gezien of gehoord hebben, na te volgen, dan zijn wij gelijk aan de Joden van het huidig Evangelie, en zullen wij ook met hen dezelfde straf ondergaan.

Troost in beschimping.

Toen Jesus de Joden de waarheid zeide, noemden zij Hem een Samaritaan, dat is, een dwalende, een ketter, een van den duivel bezetene. Dit kan hun, die onschuldig beschimpt en versmaad worden, tot troost en opbeuring dienen. De H. Augustinus vertroost zulke menschen ook met de woorden: Vriend! wat kan u verachtelijks overkomen, dat uw Verlosser niet eerst geleden heeft? Is het een smaadwoord? Hij heeft hel vóór u gehoord, daar Hij nu een brasser, dan een dronkaard, nu een ketter en oproermaker, dan een vriend en medegezel der zondaars of een bezetene genoemd werd, ja zelfs hooren moest, dat Hij de duivelen door Beëlzebub, den overste der duivelen, uitdreef. Daarom troost Hij ook zijne leerlingen, zeggende: nHebhen zij den vader des huisgezins Beëlzebub ge-heelen, hoeveel te meer zijne huisgenooten?quot; Matth. X, 25. Vallen pijnen en wederwaardigheden u hard? Er is geene smart zoo bitter, welke Hij niet eerst heeft geleden; immers wat was er pijnlijker en tevens verachtelijker dan de dood des kruises? Daarom schrijft de H. Paulus aan de Hebreërs XII, o : ^Gedenkt

21

321

ocr page 358

onderricht op den

dezen, die zoodanig een tegenspreken van de zondaars tegen zich zeiven heeft verdragen opdat gij niet zoudt vermoeid worden en b ezwijken in mee zielen.''''

Hoe en waarom verdedigde Christus zich tegen de smaadwoorden der Joden.

Jesus ontkende slechts met de meeste kalmte, hetgeen Hem ten laste gelegd werd, zeggende, dat Hij niet van den duivel was bezeten en gaf tevens te verstaan, dat Hij geen Samaritaan of vijand der Joden was, maar dat Hij zijnen Vader, door het vervullen zijner plichten, trachtte te vereeren. Christus weder-legt de beschimpingen, waarvan in het huidig Evangelie sprake is, terwijl Hij bijna alle andere versmadingen, die Hem werden aangedaan, onbeantwoord laat, daar deze lasteringen, indien zij op Hem waren blijven berusten, zijne Goddelijke zending twijfelachtig zouden gemaakt en bijgevolg Gods eer en 's naasten eeuwig heil schade toegebracht zouden hebben. — Jesus leert ons, door zijn gedrag, hoe wij ons tegen lastertaal en beschimpingen, met kalmte en bescheidenheid, moeten verdedigen, wanneer dit door de eer van God of het heil van den evenmensch gevorderd wordt; indien nochtans de laster en de versmadingen slechts onze eigene eer kwetsen, en er geene andere verplichting bijkomt, dan is het verdienstelijk onze verdediging en rechtvaardiging, naar het voorbeeld van Christus, Gode over te laten, die onzen goeden naam zal redden en ons recht zal doen wedervaren.

Hoe heeft Abraham den dag van Christus gezien.

1) Ju den geest, dat is hij heeft, toen hij nog op aarde leefde, door Goddelijke openbaring, de komst van Jesus als Messias gekend en zich daarover verheugd, wegens het groote voordeel, dal zij aan het menschelijk geslacht zou verschaffen. 2) Abraham heeft dien dag gezien, dat is, de kennis, dat die dag werkelijk was aangebroken, is hem in hel voorgeborgte der hel even als aan de andere oudvaders geworden; hij is daarover verblijd geweest en heeft er den grootsten troost uit geput. Zoo kennen ook de Gelukzaligen ons lot en verheugen zich, als zij zien, dat God ons zijne genade schenkt en wij daarvan voor het heil onzer ziel een ijverig en goed gebruik maken.

322

ocr page 359

vijfden zondag in de vasten.

Waarom wilden de Joden Christus steenigen?

Wijl Hij zich Gods Zoon genoemd liad, hetgeen zij, in hunne verblindheid, als eene godslastering beschouwden, waarvoor in de wet van Mozes de straf der steeniging bepaald was (Lev. XXIV, 15, 16).

Waarom verborg Jesus zich voor de Joden en wreekte H\j zich niet veeleer op hen ?

i) Dit deed Hij om zijn geduld, en zijne zachtmoedigheid en goedheid jegens de zondaars te toonen, alsmede om zijnen gcloovigen te leeren, dat zij bunnen vijanden moeten vergeven en geeue wraak mogen nemen, en dat het doorgaans beier is voor hen te wijken, dan zich tegen hen te verzetten. 2) Hij beduidde daardoor, dat Hij de Joden, wegens hunne hardnekkigheid, zou verlaten en zich tot de Heidenen wenden, gelijk de Apostelen, naar zijn voorbeeld, gedaan hebben. 3) Hij wilde ons op die wijze leeren, dat wij twistzieke en grammoedige menschen moeten vermijden; want het is eene eer voor eenen mensch zich van twist af te zonderen! (Spreuk XX, 3).

Verzuchting. O zachtmoedigste Jesus ! toen uwe aartsvijanden U beschimpten, hebt Gij hun met bescheidenheid geantwoord, en toen zij ü wilden steenigen, zijt Gij voor hen gevlucht; wij, daarentegen, willen geen hard woord hooren, onzen naaste in niets toegeven, geene beleediging geduldig verdragen, maar ons immer met geweld verdedigen en ons wreken; vergeef ons dat ongeduld en die grammoedigheid en ons verleen ons genade, het ons aangedane onrecht met gelatenheid te verdragen en altijd met bescheidenheid te antwoorden, als uwe eer of de eer des naasten zulks vordert. Geef ons ook de genade, uw Heilig Woord gaarne te hooren, het te verslaan en te onderhouden, om alzoo, volgens uwe belofte, eeuwig te leven! Amen.

Op Maandag na den vijfden Zondag in de Vasten.

EPISTEL: Les uit den Profeet Jonas, III, i io.

In die dagen geschiedde bet woord des Heeren ten tweeden male tot den Profeet Jonas, zeggende: Sta op, en ga naar de groote stad Ninive en hond daar de prediking, die Ik tot u spreek. En Jonas stond op, en ging naar Ninive, volgens het

323

ocr page 360

op maandag na den

324

woord des Heeren. Ninive nu was een groote stad van drie dagreizen. En Jonas begon de stad in te gaan eene dagreize ver, en riep en zeide: Nog veertig dagen, en Ninive zal omver geworpen worden. En de bewoners van Ninive geloofden aan God, en predikten een vasten, en kleedden ziel» in zakken van den grootste tot den kleinste toe. En het woord kwam tot den koning van Ninive en hij stond van zijnen troon op, en hij wierp zijn kleed van zich weg en kleedde zich met eenen zak en zette zich in de ascii. En hij liet in Ninive, uit den mond des konings en zijner vorsten uitroepen en zeggen: Menschen en lastdieren en runderen en schapen(i) mogen niets smaken, noch weiden, noch water drinken. En menschen en lastdieren zullen met zakken bedekt zijn en met kracht tot den Heer roepen, en elk bekeere zich van zijn slechten weg en van de boosheid, die in zijne handen is. Wie weet, of God zich niet bekeert en vergeeft; en terugkomt van de woede zijner gramschap, en wij zullen niet vergaan! En God zag hunne werken, dat zij zich bekeerd hadden van hun slechten weg: en de Heer, onze God, ontfermde zich over zijn volk.

Verklaring. De Niniviten weerden het onheil, dat hun door den Profeet Jonas was aangekondigd, daardoor van zich af, dat zij van den grootste tot den kleinste een ijverige en oprechte boetvaardigheid deden. Zij werden daarom ook door Christus geprezen en kregen de voorkeur boven do Joden, die hardnekkig in hunne onboetvaardigheid bleven volharden (Mattii, XII, 41). — Laat ons dit wel ter harte nemen; God wordt, door eene oprechte eu ijverige boetvaardigheid verzoend en wendt de straffen, die wij, om onze misdaden, verdiend hebben, genadig van ons af; indien wij echter onboetvaardig blijven, dan worden wij, gelijk de Joden, verworpen; en de bewoners van Ninive zullen tegen ons opstaan en ons veroordeelen; immers als dezen, bij het hooren der prediking van Jonas, zich bekeerden, hoe zullen wij ons dan kunnen verontschuldigen, zoo wij, door de vermaningen van Christus, niet tot inkeer komen!

(') Letterlijk: grazend vee.

ocr page 361

v1jfdek zondag in be vasten.

Evangelie volgens den H. Joannes VII, 32-39.

In dien tijd zonden de Oversten en Farizeën dienaren, om Jesus te vatten. Jesus dan sprak tot hen: Nog een luttel tijds ben Ik met u, en Ik ga tot Hem, die Mij gezonden heeft. Gij zult Mij zoeken, en niet vinden! En waar Ik ben, kunt gij niet komen. De Joden zeiden daarom tot elkander: Waar wil Hij heengaan, dat wij Hem niet zullen vinden? Wil Hij tot. de verstrooiing der Heidenen gaan, en de Heidenen lee-ren? Welke is deze rede, die Hij gesproken heeft: Gij zult Mij zoeken, en niet vinden! en : Waar Ik ben, kunt gijniet komen? En op den laatsten, den grooten dag van het feest, stond Jesus, en riep, zeggende : Indien iemand dorst, hij kome tot Mij, en drinke! Die in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, uit diens binnenste zullen stroomen van levend water vloeien. Dit nu sprak Hij van den Geest, welken zij, die in Hem geloofden, ontvangen zouden.

Verklaring. In dit Evangelie zegt Jesus aan de Joden, dat Hij nu weldra tot zijnen Vader zal terugkeeren, dal zij Hem dan zullen zoeken, maar niet vinden: want zij zullen niet ten Hemel kunnen opklimmen, om Hem nogmaals op aarde te doen afdalen. Jesus vermaant de Joden met deze woorden, da't zij zich den lijd der genade, die hun aangeboden wordt, toch mogen ten nutte maken, want als de tijd der barmhartigheid, niet dit leven, eens voorbij is, zal hun wensch, om dien tijd te zien terugkeeren, vruchteloos en ijdel wezen. Ieder mensch heelt zijnen levenstijd, waarin hij, aan de genade beantwoordende, zalig worden kan. Laat hij dien nutteloos voorbijgaan, zoodat hij bij zijn afsterven in vijandschap met God verkeert, dan vallij in het eeuwig verderf. Spoort n dit niet aan, om aan de roepstem uws Heilands te beantwoorden ? Wie toch is van den duur zijns levens zeker? Welaan, maak een goed gebruik van^den tijd des heils, dan zal Gods genade altoos overvloediger in ii worden uitgestort en tot eenen stroom aanwassen, die voortvloeit in het eeuwige leven!

325

ocr page 362

OP DINSDAG NA DEN

Gebed der Kerk over het volk.

Wij bidden U, o Heer! verleen uw volk gezondheid naar ziel en lichuam, opdat het, door het beoefenen van goede werken, uwe voortdurende bescherming verdiene, door onzen Heer Jesus-Chhistus, enz.

Op Dinsdag na den vijfden Zondag in de Yasten.

EPISTEL: Les uit den Profeet Daniël, XIV, 28-42.

In die dagen verzamelden zich de Babyloniërs bij den koning en zeiden hem: Lever ons DAmëL [over, die Bel vernietigd en den draak gedood heeft, of wij zullen u en uw huis ombrengen. De koning dan ziende, dat zij hem hevig bestormden, leverde hun, door den nood gedwongen, DAmëL óver. Zij wierpen hem in den leeuwenkuil en hij was daar zes dagen. In den kuil nu waren zeven leeuwen, welken men dagelijks twee lichamen en twee schapen gaf en tóen werd hun niets gegeven, opdat zij DANiëL zouden verslinden. Doch de Profeet Habacuc was in Judea en deze had soep gekookt en brood in eenen schotel gebrokkeld en ging naar het veld, om het den maaiers-te brengen. Eu de Engel des Heeren sprak tot IUp.accc; Breng het eten, dat gij hebt, naar Babyion aan Danicl, die in den leeuwenkuil is. En Habacug zeide: Heer, ik heb Babyion niet gezien en ik weet den kuil niet. En de Engel des Heeren nam hem bij de kruin, en droeg hem met hel haar van zijn hoofd, en zette hem, met de snelheid van eenen geest, in Babylon neder, boven den kuil. En Habacuc riep, zeggende: Damcl, dienaar Gods, neem het eten, dat God u heeft gezonden. En Danicl sprak: Gij hebt U mijner herinnerd, o God, en degenen, die U beminnen, niet verlaten. En DANiëL stond op en at. De Engel des Heeren echter voerde Habacuc terstond weder op diens plaats. De koning dan kwam den zevenden dag, om Danicl te beweeneu: en hij kwam bij den kuil, en zag er in, eu zie, Danicl zat in het midden der leeuwen. En de koning riep met luider stemme uit, zeggende: Groot zijt Gij, Heer God van DANiëL. En hij Irok hem uit den leeuwenkuil. Hen echter, die hem in het verderf gestort hadden, wierp hij in den kuil en zij werden terstond vóór zijne oogen verslonden. Toen

326

ocr page 363

vijfden zondag in de vasten.

sprak de koning: Dat alle bewoners der geheele aarde den God van DANiëL vreezen, wijl Hij de Verlosser is, die teekenen en wonderen op de aarde verricht: die Daniöl nit den leeuwenkuil bevrijd heeft.

Verklaring. Dakicl had het bedrog der priesters van Bel ontdekt, dien afgod niet zijnen tempel verwoest en den draak, wien men eene goddelijke eer bewees, gedood. Daarover geraakten de Babyloniërs in gramschap en brachten het, bij hun zwakken koning, zoover, dat Danicl in den leeuwenkuil geworpen werd. Maar de Heer verlaat hen niet, die Hem liefhebben. Daniöl bleef ongedeerd te midden der leeuwen en werd door God, op eene wonderbare wijze, gespijzigd. — üeze geschiedenis leert den geestelijken, oversten, ouders en allen, die -om de gerechtigheid vervolging lijden, dat zij niet moeten vreezen, wanneer zij, wegens aangewende vermaningen, berispingen of straffen, veracht, gelasterd of vervolgd worden; want ofschoon God hen niet altijd, gelijk ÜAXiëi,, door een wonder redt, zal Hij nochtans, vroeg of laat, aan het licht brengen, dat zij slechts het goede gezocht en gewild hebben. God verlaat degenen niet, die Hem beminnen!

Evangelie volgens den H. Joannes VII, 1-13.

In dien tijd wandelde Jesus in Galiiea; want Hij wilde niet in Judea wandelen, omdat de Joden Hem zochten te dooden. Maar het feest der Joden, het loofhuttenfeest, was zeer nabij. Zijne broeders dan zeiden tot hem: Vertrek van hier, en ga naar Judea, opdat ook uwe leerlingen uwe werken, die gij doet, aanschouwen; want niemand doet iets in het verborgen, en begeert zelf, openbaar te zijn. Indien gij deze dingen doet, openbaar u zeiven der wereld! Want ook zijne broeders geloofden in Hem niet. Doch Jesus sprak tot hen : Mijn tijd is nog niet gekomen; maar uw tijd is altoos gereed. De wereld kan u niet haten, maar zij haat Mij, omdat Ik van haar getuigenis geef, dat hare werken boos zijn. Gaat gij op tot dit feest; Ik echter ga niet op tot dit feest, omdat mijn tijd nog niet

327

ocr page 364

OP DINSDAG NA DEN

vervuld is. Dit tot hen gezegd hebbende, bleef Hij in Galilea. Als nu zijne broeders opwaarts gegaan waren, toen ging Hij ook zelf op tot het feest, niet openlijk, maar als in het verborgen. De Joden dan zochten Hem op het feest, en zeiden: Waar is Hij? En er was veel gemompel over Hem onder de scharen. Want sommigen zeiden; Hij is goed! Anderen echter zeiden: Neen, maar Hij verleidt het volk. Nochtans sprak niemand openlijk van Hem, uit vreeze voor de Joden.

Verklaring. De broeders, dat is, de bloedverwanten van Jesus, geloofden niet aan zijne Goddelijke zending. Derhalve zeiden zij tot Hem : Doet Gij werkelijk wonderen, vertoon U dan voor den hoogen raad, die uwe werken zal beoordeelen en ons zeggen, wat wij daarvan moeten gelooven. Hierop antwoordde Jesus : Mijn tijd is nog niet gekomen, muur uw tijd is altoos gereed, dat wil zeggen: wijl gij met de wereld in uwe meeningen, overeenstemt, wijl gij evenzoo ongeloovig zijt als zij, daarom hebt gij van haar niets te vreezen en kunt naar Jerusalem gaan, wanneer gij wilt; maar mij haat de wereld, wijl ik haar tegenspreek en niet met haar overeenstem; derhalve moet ik den voor mij bekwamen tijd afwachten, om naar het Loofhuttenfeest op te gaan. — Zoo gaat het heden nog: wie met de ongeloovigen en kwaden heult, heeft niets van hen te vreezen; wie echter niet met hen heult, dien smaden en vervolgen zij; en hij moet eene groote behendigheid aanwenden, wil hij den bekwamen tijd vinden, om hen met goed gevolg te vermanen of om hunne strikken en lagen te ontgaan. Doch, zalig zijn zij, die vervolging lijden om, de gerechtigheid; want hun is het rijk der Hemelen (Matth. V, 10).

Gebed der Kerk over het volk.

Wij vragen IJ, Heer, geef ons, dat wij U altijd volgens uwen wil dienen, opdat, in onze dagen, uw volk in verdiensten en getal moge aangroeien, door onzen Heer Jesus-Ghristus, enz.

328

ocr page 365

vijfden zondag in de vasten.

Ojd Woensdag na den vijfden Zondag

in de Yasten. |

EPISTEL; Les uit het Boek Levicus XIX. 1-2, 10-19.

In die dagen sprak de Heer tot Mozes, zeggende: Spreek tot de gansche verzameling der kinderen Israels en zeg hun:

Ik ben de Heer uw (Jod. Gij zult niet stelen. Gij zult niet liegen en niemand zal zijnen naaste bedriegen. Gij zult niet valschelijk bij mijnen naam zweren noch den naam van uwen God ontheiligen. Ik ben de Heer. Gij zult uwen naaste niet lasteren noch hem door geweld verdrukken. Het loon voor het werk van den daglooner zal uiet bij u verblijven lot aan den morgen. Gij zult den doove niet. vervloeken, noch den blinde iets in den weg leggen, maar gij zult den Heer uwen üod vreezen, wijl ik de Heer ben. Gij zult niet doen, wat i

onrecht is, noch onrechtvaardig oordeelen. Gij zult den persoon des armen niet beschouwen, noch het aangezicht des machtigen eeren. Oordeel uwen naaste volgens de gerechtigheid.

(!ij zult geen valsche aanklager noch oorblazer wezen onder het volk. Gij zult niet staan naar het bloed uws naasten. Ik ben de Heer. Gij zult uwen broeder uiet haten iu uw hart, maar Ü

hem in het openbaar berispen, opdat gij geene zonde wegens m|

hem zoudt hebben. Gij zult geene wraak zoeken, noch de beleedigiug uwer medeburgeren gedenken. Gij zult uwen vriend beminnen, gelijk u zeiven. Ik ben de Heer. Onderhoudt mijne wetten. Want Ik ben de Heer uw God.

Verzuchting. Barmhartige Jesus, die zelf gezegd hebt, jji

dat wij zonder U niets vermogen, verleen ons uwe genade,

deze geboden altijd getrouw te onderhonden, en nimmermeer ||

van uwe wegen af te wijken., Amen.

Evangelie volgens den H. Joannes X, ^-58.

In dien tijd was het feest der tempelwijding in Jerusalem; en het was winter. En Jesus wandelde in den tempel., in het voorhof van Salomon. De Joden dan omringden Hem, en zeiden tot Hem: Tot hoe lang houdt lij

Gij ons gemoed in twijfel? Indien Gij de Christus zijt,

zeg het ons vrij uit! Jesus antwoordde hun: Ik zeg het ||

u, en gij gelooft niet. De werken, die Ik in mijns

529 W

H

i

f!

ocr page 366

01' woensdag na den

Vaders naam doe, deze geven van Mij getuigenis: maar gij gelooft niet^ Want gij zijt niet van mijne schapen. Mijne schapen hooren mijne stemme, en Ik ken ze, en zij volgen Mij. En Ik geef hun het eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid: en niemand zal ze uit mijne hand rooven. Wal mijn Vader Mij gegeven heeft, is grooter, dan alles: en niemand kan het uit mijns Vaders hand rooven. Ik en de Vader zijn één. Toen namen de Joden steenen op^ om Hem te steenigen. Jesus antwoordde hun; Vele goede weiken heb Ik u van wege mijnen Vader getoond: om welk dezer werken steenigt gij Mij? De Joden antwoordden Hem: Wij steenigen U niet wegens een goed werk, maar wegens godslastering; en omdat Gij, een mensch zijnde, U zeiven tot God maakt. Jesus antwoordde hun: Staat niet in uwe wel geschreven: Ik heb gezegd: gij zijt goden? Indien zij hen goden noemden^ tot wie het woord Gods gesproken is, en de Schrift niet kan le niet gedaan worden, hoe zegt gij dan tot Hem, dien de Vader geheiligd, en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert God! omdat Ik gezegd heb: Ik ben de Zoon Gods! Indien Ik de werken mijns Vaders niet doe, gelooft Mij niet! Maar indien Ik ze doe, al wilt gij Mij niet gelooven, gelooft aan de werken, opdat gij moogt Aveten en gelooven, dal de Vader in Mij is, en Ik in den Vader ben.

Verklaring. Jesus zegt in dit Evangelie lot de Joden: Wilt gij niet wegens mijne woorden in Mij gelooven, gelooft dan in Mij wegens mijne werken; maar gij zijt niel van mijne schapen, dat is, n ontbreekt hel aan bereidwilligheid, om in Mij le gelooven, daarom hoort gij mijne slem niel en zult gij ook de genade en heerlijkheid niet verwerven, die Ik en de Vader geven aan hen, die in Mij gelooven en Mij volgen. Hierna spreekt Hij weder van zijne Godheid, zeggende ; Wat mijn Vader Mij gegeven heeft, namelijk de Goddelijke zelfstandigheid en natuur, waardoor Hij bijgevolg één is met den Vader, is grooter, dan alles. Bij deze woorden

330

ocr page 367

VIJFDEN ZONDAG IN DE VASTEN.

namen de Joden steenen op, om Hem Ie steenigen. — Zoo gaat het met de ongeloovigen: hetgeen hen tot inkeer brengen en redden kan, verhardt hen nog meer in de boosheid, want het ongeloof heeft zijnen zetel in een bedorven hart, dat geenszins bereid is, om te gelooven. — Schuwen wij dus elke zonde, opdat ons boos hart ons niet brenge tot ongcloovig-heid en wij alzoo niet eeuwig verloren gaan!

Gebed der Kerk over het volk.

Almachtige God, ver hoor onze smeekingen en verleen ons. wien Gij vergund hebt op uwe goedertierenheid te vertrouwen, genadig het uitwerksel uwer gewone barmhartigheid. Door onzen Heer Jesus-Cumstijs, enz.

Op Donderdag ua den vijfden Zondag in de Vasten.

EPISTEL: Les uit den Profeet Daniël III, 34-45.

In die dagen bad Azarias den Heer, zeggende: Wij bidden U, o Heer, onze God, lever ons, om den wille van uwen Naam, niet voor altijd over, en vernietig uw verbond niet, en neem uwe barmhartigheid niet van ons weg, ten wille van Abraham, uwen welbeminde, en Izaak, uwen dienaar, en Israel, uwen heilige, aan wie Gij gesproken en beloofd hebt, dat Gij hun geslacht zoudt vermenigvuldigen, als de sterren des hemels en als het zand, dat op den oever der zee is; want. Heer, wij zijn geringer geworden dan alle andere volken en wij zijn thans vernederd over de geheele aarde, wegens onze zonden. Er is, in dezen tijd, noch vorst, noch aanvoerder, noch profeet, noch brandoffer, noch slachtoffer, noch spijsoffer, noch wierook, noch plaats der eerstelingen vóór uw aanschijn, opdat wij bij U barmhartigheid zouden kunnen vinden; maar laat ons, met een vermorzeld hart en in den geest der nederigheid, worden aangenomen. Laat heden onze offerande vóór uw aanschijn geschieden, dat zij U moge behagen, gelijk een brandoffer van rammen, en stieren en van duizende vette lammeren; want zij, die op U vertrouwen, zullen niet beschaamd worden. En nu volgen wij U uit geheel ons hart, en wij vreezen U, en zoeken uw aanschijn. Maak ons niet beschaamd; maar handel met ons, volgens uwe zachtmoedigheid en volgens uwe menig-

331

ocr page 368

op donderdag na den

vuldige barmhartigheid. En verlos ons door uwe wonderheden, en geel' nwen naam eer, o Heer! en dat allen, die uwen dienaren kwaad betoonen, beschaamd worden, dat zij door uwe almacht worden beschaamd, en dat hunne sterkte verbrijzeld worde; en dat zij weten, dat (lij alleen de Heer God zijt en roemwaardig over den ganschen aardbodem. Heer onze (lod!

) er klaring. Nabuchodonozok liet een gouden beeld (dat waarschijnlijk den afgod Bel voorstelde) vervaardigen en beval, dat elk zijner onderdanen, zoodra het geluid der trompetten zou gehoord worden, moest nedervallen en het beeld aanbidden. ürie joodsche jongelingen weigerden dit gebod na te komen, werden daarom bij den koning aangeklaagd en, op zijn bevel, in eenen gloeiende vuuroven geworpen. Maar deze jeugdige dienaren Gods wandelden te midden der vlammen, die rondom hen heen sloegen, zonder hen te beschadigen, looiden God; en Azarias bad den Heer, dat Hij zich, ter wille van Abraham, Izaak en Jakob, over zijn volk zou ontfermen, en het uit de handen van diens vijanden verlossen. — Volgen wij deze drie jongelingen na en laat geene macht der wereld er ons toe brengen, om iets te doen tegen ons geloof; roepen wij tevens, in onzen nood, tot den Heer, gelijk Azarias, opdat Hij zich, ter liefde van zijne Heiligen, onzer ontferme en ons uit de wederwaardigheden verlosse!

Evangelie volgens den H. Lucas VII, 36-30.

In dien tijd verzocht een der Farizeën Jesus^ dat Hij met hem ate. En Hij ging in het huis des Farizeërs, en zat aan. En ziet, eene vrouw, in de stad, welke eene zondares was., als zij vernam, dat Hij in des Farizeërs huis aanzat, bracht een albasten kruik met balsem; en van achteren aan zijne voeten staande, begon zij zijne voeten met hare tranen te besproeien, en droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste zijne voeten, en zalfde ze met den balsem. En de Farizeër, die Hem genoodigd had, het ziende, sprak bij zich zeiven, zeggende: Indien deze een Profeet ware, zoude quot;ij gewis weten, wie en hoedanig eene vrouw het is, die

332

ocr page 369

vijfden zondag in de vasten.

Hem aanraakt; want zij is eene zondares. En Jesus, het woord opnemende, sprak tot hem: Simon ! Ik heb u iels te zeggen. Hij nu zeide: Meester, zeg het! Een schuldeischer had twee schuldenaren: de een was hem vijfhonderd tienlingen schuldig, en de ander vijftig Daar zij niet hadden, om te betalen, schold hij het beiden kwijt. Wie dan zal hem meer liefhebben? Simon antwoordde, en zeide: Ik meen, hij wicn hij het meerdere heeft kwijtgescholden. En Hij sprak tol hem; Gij hebt recht geoordeeld! En zich tot de vrouw keerende, sprak Hij tot Simon: Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen, gij hebt Mij geen water gegeven voor mijne voeten; maar zij heeft mijne voeten besproeid met tranen, en met hare haren afgedroogd Gij hebt Mij gee-nen kus gegeven ; maar zij heeft, van dat zij gekomen is, niet opgehouden, mijne voeten te kussen. Gij hebt mijn hoofd niet met olie gezalfd; maar zij heeft mijne voeten met balsem gezalfd. Daarom zeg Ik u: Haar worden de vele zonden vergeven, omdat zij veel heeft liefgehad; maar hij, wien minder vergeven wordt, heeft minder lief. En Hij sprak tot haar: Uwe zonden worden u vergeven ! En die mede aanzaten, begonnen bij zich zeiven te zeggen : Wie is deze, die ook de zonden vergeeft? Maar Hij sprak tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden: ga in vrede !

Verklaring. Volgens een bijna algemeen gevoelen ondei-de Latijnen, zou deza zondares geene andere vrouw geweest zijn dan die, welke door Lucas (VIII, 2) Maiua Magdalena genoemd wordt, en deze Maria Magdalana zou zijn Maria, de zuster van Lazarus; doch anders is daaromtrent de meening der Grieksche vaders. De II. Kerk heeft aangaande dit vraagstuk geene uitspraak gedaan. Wat er ook van zij, de zondares, van welke in dit Evangelie gesproken wordt, kwam tot den geneesheer der zielen, tot Hem, die in deze wereld gekomen was, om de zondaren te roepen en ter zaligheid te geleiden, en is dus voor allen een voorbeeld van ware boetvaardigheid.

333

ocr page 370

op vrijdag na den

Zij zalfde den Zaligmaker met eene kostbare zalve, hetgeen, naar het gebruik van dien tijd, een groot eerbewijs was, dat men aan voorname en eerbiedwaardige personen placht te betoenen. Deze zondares gaf daardoor haar geloof en hare hoogachling jegens Christus en, door de overvloedige tranen, waarmede zij de voeten des Verlossers besproeide, haar berouw over hare zonden, te kennen. De Heiland zegt van deze vrouw: Haar worden de vele zonden vergeven, omdat zij veel heeft liefgehad, daardoor te kennen gevende, dat zij wel eene groote zondares was, die vele misdaden had begaan, maar dat zij ook eene groote boetelinge was, die, uit liefde jegens God en den Zaligmaker, berouw over hare zonden gevoelde en ze van harte beweende, weshalve haar de vele zonden, dat is, al hare zonden, welke veel waren, vergeven werden. — Uit de vergiffenis, welke Jesus aan deze zondares schenkt en, wat meer is, uit den lof, waarmede Hij van deze ijverige boetelinge spreekt, leeren wij, dat, hoe diep men ook in den afgrond der boosheid gezonken zij, men er nochtans, met Gods genade, weder kan uitkomen, en dat de grootste zondaar een groot Heilige worden kan, indien hij berouw over zijne zonden heeft, boetvaardigheid doet, en God oprecht en veel bemint.

Gebed der Kerk over het volk.

Wij vragen U, o Heer, wees uw volk genadig, opdat het verwerpe, wal U mishaagt en zijne vreugde veeleer moge vinden in het volbrengen uwer geboden, door Jesus-Christüs, enz.

Op Vrijdag na den vijfden Zondag in de Tasten.

SPIST£L : Les uit den Profeet Jeremias XVII, 13-18.

In die dagen zeide Jeremias : Heer! allen, die U verlaten, zullen beschaamd, die van U afwijken, zullen op de aarde geschreven worden; wijl zij den Heer, de bron der levende wateren, verlaten hebben. Genees mij. Heer, en ik zal genezen, red mij en ik zal gered worden, want Gij zijt mijn roem! Zie, zij zeggen tot mij : Waar is het woord des Heeren ? dat het kome. En ik ben niet verlegen, U als herder volgende: en ik heb naar den dag des mensehen niet verlangd. Gij weet

334

ocr page 371

VIJFDEN ZONDAG IN DE VASTEN.

het. Hetgeen van mijne lippen is uitgegaan, was recht vóór uw aanschijn. Wees Gij mij niet tot verschrikking, Gij zijt mijne hoop op den dag der droefheid. Dat zij, die mij vervolgen, beschaamd worden en dat ik niet beschaamd worde : dat zij schrikken en dat ik niet schrikke: voer over hen eenen dag van droefheid en verbrijzel hen, door een dubbelen slag. Heer onze God !

Verklaring. In God alleen is ons heil ! Wie God verlaat en zijn woord veracht, is gelijk aan wat geschreven is in het zand ; eene windvlaag waait daarover heen en geen enkel spoor is er meer van te vinden. Zoo gaat het met den goddelooze, die noch bij God noch bij de menschen in gezegend aandenken is ; maar den deugdzame, die hulp bij den Heer zoekt, zal een gansch ander lot wedervaren. De Heer is zijne hoop op den dag der droefheid en Hij redt hem ! De godvreezeude niensch treedt, om zoo te zeggen, uit alle lijden en wederwaardigheden, al meer en meer gezuiverd te voorschijn, en wordt van dag tot dag waardiger om met de bron van alle goed en zaligheid voor altijd vereenigd te worden.

Evangelie volgens den H. Joannes XI, 47-54 In dien lijd vergaderden de Opperpriesters en de Farizeën den raad te^en Jesus en zeiden: Wat znllen wij doen? Want deze Mensch doet vele wonderen. Indien wij Hem zoo laten geworden, zullen allen in Hem gelooven; en de Romeinen zullen komen, en onze plaats en volk wegnemen. Maar één uit hen^ met name Caïphas, daar hij in dien jare Hoogepriester was_, zeide tot hen: Gij weet niets; en gij overlegt niet, dat het u nultig is, dat één mensch voor het volk sterve, en niet het geheele volk verloren ga. Dit sprak hij nochtans niet uit zich zeiven; maar daar hij in dien jare Hoogepriester was, profeteerde hij, dat Jesus voor het volk zoude sterven; en niet voor dat volk alleen, maar om de kinderen Gods, die verstrooid waren^, tot één te vergaderen. Alzoo besloten zij van dien dag af Hem te dooden. Daarom wandelde Jesus niet meer in het open-

533

ocr page 372

op vrijdag na den

baar onder de Joden, maar vertrok naar eene landstreek bij de woestijn, naar de stad, die genoemd wordt Ephrem, en bleef aldaar met zijne Discipelen.

Verklaring. De Hoogepriesters on Farizeën, beraamden, uit vreeze van schade te lijden, indien meer lieden in Jesus zonden gelooven, het snoode plan. Hem uit den weg te ruimen en ter dood te brengen. WijI zij liever eenen moord wilden begaan en het eenwig leven verliezen, dan schade naar hun lichamelijk leven en in hunne aardsche goederen te lijden, daarom hebben zij, gelijk de H. Acgustinus zegt, beiden, èn het tijdelijk èn het eeuwig leven verloren ! — In de vergadering, waar ze onder elkander overlegden, hoe zij Christus zouden vangen, gaf Caïphas den vertoeielijken raad, dat de onschuldige en rechtvaardige Jesus, om reden van verondersteld nut ol' zoogenaamd om staatsbelang, de doodstraf zoude ondergaan, en hij zeide : Het is u nuttig, dat een mensch voor het volk sterve en niet het geheele volk verloren ga ! Deze woorden, zegt de Evangelist, sprak Caïphas, niet uit zieh zelveti, maar daar hij in dien jure Hoogepriester was, profeteerde hij, voorspelde hij, onder ingeving van den H. Geest, ofschoon zonder het te weten en te willen, dat Jesus voor het volk zoude sterven, voor het eeuwige heil des volks, — God leidt alles, volgens zijne plannen, Hij maakt de boosheid der menschen beschaamd en dwingt de goddeloozen, zelfs tegen hunnen wil, mede te werken, tot de vervulling zijner wijze en heilige inzichten. Laten wij ons steeds aan Gods aanbiddelijken wil onderwerpen !

Gebed der Kerk over het volk.

Geef, bidden wij U, almogende God, dat wij, die de genade uwer bescherming zoeken, van alle kwalen verlost zijnde, U met een groot vertrouwen mogen dienen, door onzen Heer Jesus-Christus, enz.

Op Zaterdag na den vijfden Zondag in de Vasten.

EPISTEL: Les uit den Profeet Jeremias XVIII, 18-23.

In die dagen zeiden de goddelooze Joden tot elkander : komt, laat ons aanslagen tegen den rechtvaardige verzinnen : want de wet zal niet vergaan van den priester noch de raad

336

ocr page 373

vijfden zondag in de vasten.

van den wijze, noch het woord van den Profeet; komt en laten wij hem slaan mei de tong en geen acht geven op al zijne gesprekken. Heer, geef acht op mij en hoor naar de stem mijner tegenstanders. Zal dan goed met kwaad beloond worden, wijl zij mijner ziel eenen kuil gegraven hebben? Gedenk, dat ik vóór uw aanschijn heb gestaan, om goed voor hen te spreken en om uwe verontwaardiging van hen af te wenden. Geef daarom hunne kinderen den honger over en voer hen onder de macht des zwaards; dat hunne vrouwen kinderloos en weduwen worden en dat hunne mannen door den dood omgebracht, hunne jongelingen door het zwaard doorboord worden • in den strijd. Dat er geschrei uit hunne huizen gehoord worde, want gij zult plotseling den roover over hen aanvoeren: wijl zij eenen kuil hebben gegraven, om mij te vangen en valstrikken gelegd voor mijne voeten. Doch Gij, Heer, kent al hunne aanslagen tegen mij, om mij te dooden; verzoen U niet over hunne boosheid en dat hunne zonde vóór uw aanschijn niet worde verdelgd: laat hen vóór uw aanschijn nederstorten en straf hen, ten tijde uwer gramschap. Heer onze God.

Verklaring. De Profeet Jeremias klaagt in deze les over de aanvallen zijner vijanden, die zeggen: wij hebben nog wetgeleerden onder onze priesters, voorzichtigen onder onze wijzen, verkondigers van Gods woord onder onze profeten (zij bedoelden hiermeê de valsche profeten, die volgens hunnen wil spraken); laten wij daarom Jeremias met de long slaan, dat is, bij den Koning belasteren, opdat gij gedood worde. Zoo spraken de Joden, maar Jeremias, bad den Heer, dat Hij hem redden en het volk, dat hem goed met kwaad vergold, stralfen en in de handen van Nablchodonozok overleveren zou, opdat het zijn ongelijk inzien en zich beteren zou. De Kerk beschouwt den lijdenden Jeremias als zinnebeeld van Christus, en diens vijanden als vertegenwoordigers van de vijanden des Verlossers. Het is dan ook daarom, dat beden onder de Mis deze Epistel gelezen wordt.

Evangelie volgens den H. Joannes XII, 10-36.

In dien lijd overlegden de Overpriesters, om ook Lazarus te dooden, dewijl velen om hem van de Joden afvielen, en in

22

337

ocr page 374

op zaterdag na den

338

Jesus geloofden. Des anderen daags, als een groote schare, die tut het feest gekomen was, gehoord had, dat Jesus naar Jerusalem kwam, naraeu zij de takken van palmboomen, en trokken Hem te gemoet, en riepen; Hosanna! Gezegend, die komt in den naam des Heeren, de Koning van Israel! En Jesus vond een jongen ezel, en zat daarop, gelijk geschreven staat; Vrees niet dochter van Sion ! Zie, uw Koning komt, zittende op het veulen eener ezelin. Dit verstonden zijne Discipelen in hel eerst niet; maar wanneer Jesus was verheerlijkt geworden, toen werden zij gedachtig, dat dit van Hem geschreven was, en zij Hem dit gedaan hadden. De schare nu, welke bij Hem geweest was. toen Hij Lazarus uit het graf riep, en hem uit de dooden opwekte, gaf getuigenis. Daarom ook was Hem de schare te gemoet gekomen, dewijl zij gehoord hadden, dat Hij dit wonder had gewrocht. De Parizeen nu zeiden onder elkander: Ziet gij, dat wij niets vorderen? Ziet, de geheele wereld loopt Hem na! En er waren eenige Heidenen onder degenen, die opgegaan waren, om op den feestdag te aanbidden. Dezen dan kwamen tot Pm-uppus, die van Bethsaïda in Galilea was, en vraagden hem, zeggende: Heer, wij willen Jesus zien. I'uilippus kwam, en zeide het aan Andreas; Andreas wederom en Philippus zeiden het aan Jesus. Maar Jesus antwoordde hun, en sprak: De ure is gekomen, dat de Zoon des menschen zal verheerlijkt worden. Voorwaar, voorwaar. Ik zeg u: Tenzij het tarwe-graan in de aarde valle, en sterve, blijft het alleen; maar wanneer het sterft, brengt het veel vrucht voort. Wie zijn leven liefheeft, zal het verliezen, en wie zijn leven haat in deze wereld, bewaart het ten eeuwigen leven. Zoo iemand Mij dient, hij volge Mij; en waar ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. Zoo iemand Mij dient, de Vader zal hem eeren. Mu is mijne ziel ontroerd. En wat zal Ik zeggen? Vader! verlos Mij uit deze ure! Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen. Vader! verheerlijk uwen naam! Er kwam dan eene stem uit den Hemel: En Ik heb verheerlijkt, en zal wederom verheerlijken. De schare nu, welke er stond, en gehoord had, zeide, dat er een donderslag geweest was. Anderen zeiden; Een Engel heeft tot Hem gesproken. Jesus

ocr page 375

VIJFDEN ZONDAG IN DE VASTEN.

antwoordde, en sprak: Niet om Mij is deze stem gekomen, maar om u. Nu is liet oordeel der wereld; nu zal de vorst dezer wereld huiten geworpen worden. En Ik, wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal alles tot Mij trekken. Dit nu sprak Hij, aanduidende, welken dood Hij zoude sterven. De schare antwoordde hem: Wij hebben uit de wet gehoord, dat de Christus in eeuwigheid blijft; en hoe zegt Gij: De Zoon des menschen moet verhoogd worden? Wie is de Zoon des menschen' Jesus dan sprak tot hen: Nog een luttel lijds is het licht bij u. Wandelt, terwijl gij het licht hebt, opdat u niet de duisleruis overvalle; en die in de duisternis wandelt, weet niet, waarheen hij gaat. Terwijl gij het licht hebt, gelooft in het licht, opdat gij kinderen des lichts moogt zijn! Dit sprak Jesus, en ging heen, en verbergde zich voor hen.

Verklaring. De omstandigheid, dat Heidenen kwamen, om Jesus te hooren, gaf Hem aanleiding, om over het nut van zijn aanstaanden dood te spreken, en zijn leerlingen op te wekken tot geloof in Hem, als het licht der wereld. Hij zeide: De ure is gekomen, dat de Zoon des menschen zal verheerlijkt worden, dat is, «de tijd is daar, dat Ik, langs den weg van lijden en sterven, mijne heerlijkheid zal ingaan en dooi- Joden en Heidenen voor den Messias erkend worden.quot; Ik zal sterven, om de zondenschuld der menschen te betalen, om hen uit de macht des duivels en van de eeuwige verdoemenis te verlossen, alsmede om voor hen de heiligmakende genade en de eeuwige zaligheid te verkrijgen; want door mijnen dood betaal Ik hunne schuld aan de Goddelijke rechtvaardigheid, lijd Ik in hunne plaats de straf, welke zij verdiend hadden, ruk Ik hen los uit de macht des duivels, waaronder /.ij door de zonden gevallen waren, en bewerk Ik, dat mijn Hemelsche Vader, ter wille mijner gehoor/aamheid, hun zijn heiligmakende genade en de eeuwige zaligheid terugschenkt. Ik zal sterven, om de verlossing te bewerkstellingen, even als een tarwekorrel, die in de aarde gezaaid, wordt ontbonden, versterft en daardoor ontkiemt, oprijst en rijke vruchten voortbrengt. — Jusus zegt verder; Wie zijn leven lief heeft, zal het verliezen, en wie zijn

339

ocr page 376

op zaterdag na den

leven haat in deze wereld, bewaart het ten eeuwigen leven; met andere woorden; ieder, die zijne ziel voor de eeuwigheid redden wil, dient ze in dier voege op aarde te haten, dat hij den ouden Adam, den zondigen mensch met diens kwade driften, doode en begrave, gelijk Ik mijn lichaam aan dood en graf ten prijs geef. Slechts daardoor zal hij mijn leerling en aan Mij gelijkvormig zijn en derhalve ook eens met Mij verheerlijkt worden. Op Jesus'bede: Vader! verheerlijk uwen naam, kwam er uit den wolkenhemel een zware donderende stem, die door éénigen voor de stem eens Engels en door anderen voor een natuurlijken donderslag werd gehouden. — Leer daaruit, dat men slechts de stem Gods in den graad, waartoe men vatbaar is, verneemt en verstaat. De stem, waarvan in dit Evangelie sprake is, zegt de H. CnnYsosTOJius, was klaar en duidelijk, maar voor de hardhoorigen en vleesch-gezinden verdween zij zoo snel, dat dezen slechts den galm er van vernamen. Vol goedertierenheid en allerdringendst vermaant Jesus nogmaals de Joden, hun ongeloof te laten varen en nu toch eindelijk in Hem, wiens Goddelijke zending hun ontegenzeggelijk bewezen was, te gelooven, opdat zij niet door hunne schuld nog meer van geestelijke duisternis bevangen zouden worden. — Zondaar, volg ook gij deze vermaning des Verlossers. Bekeer u terwijl het licht der Goddelijke genade u beschijnt, opdat de duisternis des eeuwigen verderfs u niet overvalle.

Gebed der Kerk over het volk.

Wij bidden U, o Heer, bescherm uw smeekend volk door uw machtige hand en onderwijs het genadig, nadat het gezuiverd is, opdat de tegenwoordige vertroosting het diene, om tot de toekomstige goederen le geraken, door Jesus-Christus, enz.

Onderriclit over Palmzondag.

Waarom wordt deze Zondag Palmzondag genoemd?

1) Wijl de Kerk heden de gedachtenis viert van den roeinvollen intocht des Heeren Jesus in Jerusalem, waar Hij door het volk met palmtakken ontvangen werd (Matth. XXI). 2) Wijl heden in onze kerken een plechtige processie met palmtakken gehouden wordt.

340

ocr page 377

vijfden zondag in de vasten.

Welke zyn de cremoniën, die by de Palmwyding voorkomen?

Met de paarse koorkap bekleed, en van een Diaken en Subdiaken begeleid, bestijgt de dienstdoende Priester het altaar. Hij leest eene antiphoon bij wijze van Introïtus en bidt de Collecte; de Subdiaken zingt den Epistel, de Diaken het Evangelie, dat ons Jesüs' intrede in Jerusalem verhaalt, en, na een zinrijk gebed, heft de Priester de Prefatie aan. Alles, in één woord, volgt elkaar in dier voege op, alsof het H. Misoffer ware begonnen en voltrokken moest worden. Maar, zoodra het driemaal heilig gezongen is, worden deze plechtigheden afgebroken, en de eigenlijke Palm wijding begint. De Priester spreekt, in den naam der Kerk, over de palmen zin- en zegenrijke gebeden uit, waarin de beteekenis der gewijde palmen verklaard, en aan de luistervolle intrede van Jesus in Jerusalem herinnerd wordt. Vervolgens worden die palmtakken met wijwater besproeid, bewierookt en aan de aanwezige geestelijken en leeken uitgedeeld. Gedurende de Processie, en onder de H. Mis, tijdens de Consecratie, en wanneer de lijdensgeschiedenis des Heeren wordt gezongen, dragen de gelocvigen de gewijde palmen in de hand, ten bewijze van hun geloof, en ten teeken van hun vertrouwen op Gods bijstand en hulp.

Met welk doel worden heden palmen gewijd?

1) Opdat de geloovigen, die ze met godsvrucht dragen, naar ziel en lichaam van alle kwalen zonden bevrijd worden. 2) Opdat degenen, in wier woningen, de gewijde palmen geplaatst zijn, Gods zegen zouden verkrijgen, en door de hand des Heeren van alle wederwaardigheden mogen gevrijwaard blijven. 3) Om ons den zin van den geheimvollen intocht des Verlossers in Jerusalem te verklaren, bij welken de palmen de zegepraal des Zaligmakers over dood en hel aanduidden en de olijftakken een zinnebeeld waren van de geestelijke zalving der zielen, die door den bloedigen kruisdood des Heilands, zijne verrijzenis uit het graf en de afzending van den H. Geest, zou geschieden. 4) Om ons te leeren, dat wij Jesus, niet alleen met palmen maar ook en vooral, met goede werken dienen tegemoet te gaan.

Dc Epislol en hel Evangelie, die bij de wijding der [lalmen gezongen worden, zijn als volgl:

341

ocr page 378

onderricht over palmzondag.

EPISTEL: Les uit het boek Exodus XV, 27; XVI, 7.

In die dagen kwamen de kinderen Israels te Elim, daar waren twaalf waterbronnen en zeventig palmboomen, en zij legerden zich aan de wateren. En zij vertrokken van Elim en de gansche menigte der kinderen Israels kwam in de woestijn Sin, die gelegen is tusschen Elim en Sinaï, op den vijftienden dag der tweede maand, nadat zij waren nitgegaan uit liet land van Egypte. En de gansclie vergadering der kinderen Israels morde tegen Mozes en Aaron in de woestijn. En de kinderen Israels zeiden tot hen: O waren wij toch, door de hand des Heeren, gestorven in het land van Egypte, toen wij bij de vleeschpotten zaten en brood aten tot verzading: Waarom hebt gij ons uitgeleid in deze woestijn, om de gansche menigte door honger te dooden? Doch de Heer sprak tot Mozes: Zie, Ik zal u brooden uit den hemel regenen; dat het volk uitga en verzamele, wat noodig is voor eiken dag, opdat Ik het beproeve of het naar mijne wet wandelt of niet. Dat zij op den zesden dag bereiden, wat zij inbrengen: het dubbel van hetgeen zij gewoon waren, iederen dag te verzamelen. En Mozes en Aaron zeiden tot al de kinderen Israels; Dezen avond zult gij weten, dat de Heer u uit het land van Egypte heeft geleid en morgen zult gij de heerlijkheid des Heeren zien.

Verklaring. De Israëlieten morden tegen Mozes en Aaron, die hen, op Gods bevel, uit het land der slavernij hadden gevoerd, en klaagden over het gebrek aan vleesch, dat zij in Egypte overvloedig gehad hadden. De Heer echter toonde hun zijne almacht en zond hun 'savonds kwarleb, die de gansche legerplaats vervulden; en 'smorgens, bij zonnenopgang, viel hel zoete manna van den hemel, lot spijs voor Gods uitverkoren volk. Nietegenstaaude deze wonderen en de menigvuldige weldaden, waarmede God de Israëlieten begunstigde, morden zij naderhand weder tegen den Heer en vielen in groote zonde, zoodat zij dan ook eindelijk veroordeeld werden, om het beloofde Land niet in te gaan en in de woestijn te sterven — Ook tegen Jesus morden de Joden. Hij genas hunne blinden, dooven, stommen, kreupelen, lammen en zieken en Hij wekte de dooden uit het graf op, ten bewijze zijner Goddelijke zending. De Joden evenwel bleven, niettegenstaande deze mirakelen, iu hun ongeloof

342

ocr page 379

onderricht over palmzondag.

volharden, weigerden Hem voor den Messias te erkennen, ja vormden zelfs het plan. Hem ten dood te brengen. Dit moest nochtans, volgens de raadsbesluiten van Gods eeuwige wijsheid, niet geschieden, voordat de Goddelijke Heiland hun zijne heerlijkheid had doen zien, voordat Hij in datzelfde Jerusalem, door het Joodsche volk als de lang verwachte Zoon van David en Messias was uitgeroepen en gehuldigd. Dat volk moest den Heiland eerst in triumf Sions muren invoeren, alvorens het zijn bloed zon eischen; langs diezelfde straten, waar, na weinige dagen, de moordkreet tegen den Verlosser zou worden aangeheven, moest eerst het Hosanna den Zoon van David weergalmen. Het hardnekkig en verblind Jodendom moest, vóór het den Gods-moord beging, ten aanzien der gansche wereld, zijn eigen vonnis vellen; het moest plechtig de getuigenis alleggen, dat het den Messias aan zijne werken had erkend, vóórdat het er toe kwam, dienzelfden Messias als een boosdoener te veroordeelen en als een bedrieger te verwerpen. — Helaas! ook bij de Christenen ziel men soms hetzelfde gebeuren, wat in deze week bij de Joden plaats had. Jesus-Ciihistus wordt door hen als Messias ontvangen en terstond weder vergeten of miskend. Zes dagen na zijn plechtigen intocht in Jerusalem, werd de Goddelijke Heiland er met ongehoorden smaad bejegend, en met barbaarsche wreedheid verguisd. De Christen wacht soms niet eens zoo lang, om den Godmensch te beleedigen, dien hij in de Paaschcommunie ontvangen heeft!

Evangelie volgens den H. Mattheus XXI, 1-9.

In dien tijd als Jesus Jerusalem genaderd, en te Beth-phage aan den Olijfberg gekomen was, toen zond Hij twee zijner discipelen, en sprak tot hen: Gaat naar hot vlek, dat tegen u over ligt, en terstond zult gij vinden eene ezelin, welke vastgebonden is, en een veulen bij haar; maakt ze los, en brengt ze bij Mij. En als iemand u iets mocht zeggen, zoo spreekt : De Heer heeft ze van nooden; en hij zal ze terstond laten volgen. Dit alles nu is geschied, opdat vervuld zoude worden hetgeen gesproken is door den Profeet, zeggende: Zegt aan de dochter van Sion : Zie, uw Koning komt tot u zachtmoedig, zittende op eene ezelin, en een veulen,

343

i\

H'

ocr page 380

onderricht over palhzokoag.

het jong eener jukdragende. De Discipelen gingen dan henen, en deden zoo als Jesus hun geboden had. En zij brachten de ezelin en het veulen, en legden hunne kleederen op dezelven, en deden Hem er op zitten. En een groole menigte spreidde hare kleederen op den weg, en anderen hieuwen takken van boomen, en strooiden ze langs den weg. En de scharen, die vooruitgingen, en die volgden, riepen, en zeiden: Hosanna den Zoon van David! Gezegend Hij, die komt in den naam des Heeren!

Waarom hield Jesus dezen plechtige intocht in Jerusalem?

1) Om te toonen, dat Hij de Messias en de Koning der Joden was, wiens plechtigen intocht in Jerusalem de Profeet Zacharias voorspeld had. 2) Om zich kenbaar te maken, als dengene, die Salan overwinnen en ons met God verzoenen zou, weshalve Hij ook niet op een strijdros, maar op het veulen eener ezelin gezeten, in ootmoed en nederigheid de stad binnen trok en zich, op die wijze, als deti Vorst des vredes deed kennen. 3) Om de Schriftgeleerden en Fari-zeën en geheel het Joodsche volk, op een plechtige en onmiskenbare wijze, uit te noodigen in Hem te gelooven, opdat zij, wanneer zij thans niet in Hem geloofden, zich niet meer zouden kunnen verontschuldigen.

Waarom ging het volk Jesus met palmtakken te gemoet?

Dit geschiedde, door een bijzondere schikking Gods, om daardoor aan te toonen, dat Christus, als Overwinnaar van dood, duivel en hel, den menschen vrede met hunnen Schepper, met zich zeiven en met hunnen evenmensch verschaffen en hun het Hemelsch Jerusalem openen zou; want de palm is een zinnebeeld van overwinning en vrede.

Hoe moet men de processie der palmtakken bewonen?

Met dezelfde godvruchtige meening, alsof men mei het volk van Jerusalem Christus tegemoet ging, om Hem als den Heiland der wereld te aanbidden.

Wat moet men daaronder zeggen of denken?

Men kan, als hel jubelend volk van Jerusalem, zeggen; Hosanna den Zoon van David ! Gezegend Hij, die komt in den

344

ocr page 381

onderricht over palmzondag.

naam des Hoeren! Hosanna in het Allerhoogste! en verder God bidden, dat Hij ons zijne genade verleene, goede werken voort te brengen, met Jesus over de wereld, den duivel en hel vleesch te zegevieren, ten einde alzoo te verdienen, met Christus, het Hemelsch Jerusalem te mogen binnengaan.

Waarom klopt de priester, by het einde der processie met het kruis, driemaal op de kerkdeur?

Om te beteekenen, dat de Hemel tot aan de komst van Christus voor de rechtvaardigen gesloten was, maar hun door zijnen dood geopend weid.

Verzuchting. 0 Jesus ! altijd groenende en vruchtdragende boom des levens, waaraan de bewoners van het Hemelsch Paradijs zich eeuwig verzadigen, geel', dat wij, als de palmen, door de liefde groenen, door de beoefening van goede werken bloeien, en vruchten ten eeuwigen leven voortbrengen.

De Ingang der Mis is genomen uit Ps. XXI: «Heer! laat uwe hulp niet ver van mij af zijn; zie toe, om mij te verdedigen: verlos mij uit den muil van den leeuw, en van de hoornen der eenhoornen mijne nederigheid. God, mijn God, zie op mij, waarom hebt Gij mij verlaten? Ver zijn van mijn heil de woorden mijner zonden !! Heer! laat uwe hulp, enz.

Gebed der Kerk.

Almogende, eeuwige God, die, om aan het menschelijk geslacht een voorbeeld van ootmoedigheid te geven, onzen Zaligmaker het vleesch hebt doen aannemen, en den kruisdood sterven ; verleen genadiglijk, dat wij de lessen zijner verduldigheid mogen aannemen, en verdienen, deel aan zijne verrijzenis te hebben, door onzen Heer Jesus-Christus.

EPISTEL; Les uit den Brief aan de Philippensers II, 5 - 11.

Broeders! Hebt dit gevoelen in u, dat ook in Christus-Jesus was, die, in de gestalte van God zijnde, het niet eenen roof achtte, evengelijk te zijn aan God; maar zich zeiven heelt Hij ontdaan, de gestalte van eenen dienstknecht hebbende aangenomen, in gelijkheid van menschen geworden, en in houding bevonden als mensch. Vernederd heeft Hij zich zeiven, gehoorzaam geworden tot den dood, tot den dood ja des kruises. Daarom ook heeft God Hem ten hoogste verhoogd, en Hem den

345

ocr page 382

0nder1ucht over palmzondag.

naam gegeven, die boven allen naam is; opdat in den naam van Jesus alle knie zieli buige van die in den hemel, die op de aarde, en die onder de aarde zijn, en alle tong belijde, dat de Heer Jesus-Chuistus in de heerlijkheid is van God den Vader.

Verklaring. De H. Kerk verlangt, dat wij gesteld zijn, gelijk Christus gezind was, die, ofschoon God zijnde en zich dus de Godheid niet als iets vreemds, als iets Hem niet behoorende toeeigende, noch zich daarvan wederrechtelijk bediende, nochtans ootmoed en gehoorzaamheid zoo zeer beminde, dat Hij zich van zijne heerlijkheid ontdeed, de gedaante van eenen slaaf aannam, zich, om zoo te spreken, vernietigde, en gehoorzaam werd tot den dood, ja tot den schandelijken dood des kruises. Maar daarom ook heeft zijn Hemelsche Vader Hem verheven en als Heer en Meester over alle dingen aangesteld.

Heden wordt, in plaats van het Evangelie, het verhaal van het lijden onzes Verlossers gelezen of gezongen. Hierbij wordt geen licht gebrand, en het Dominus vobiscum weggelaten, ten teeken, dat Christus het Licht en de Heer dei-wereld door den dood is weggenomen, gevolgelijk, gelijk wij weten, ook het geloof der Apostelen en Leerlingen jegens Hem wankelend werd. Wanneer men, in den loop van het lijdensverhaal, komt tot de woorden: Maar Jesus riep wederom met luider stemme, en gaf den geest,quot; dau vallen de priester en alle aanwezigen op de knieën, om het groote geheim van den dood des Zaligmakers, waardoor onze verlossing volbracht werd, te overwegen en God daarvoor te danken.

Het lijden onzes Heeren Jesus-Christus, volgens den H. Mattiieus XXVI, 2 en XXVH.

In dien tijd zeide Jesus tot zijne Discipelen: Gij weet,, dat het na twee dagen Paschen is, en de Zoon des menschen zal worden overgeleverd, om gekruisigd te worden. Toen vergaderden de Overpriesters en de oudsten des volks, in de voorzaal van den Hoogepriester, die Caiphas heette: En zij hielden raad, om Jesus met list te vangen en te dooden. Doch zij zeiden: Niet op den feestdag, opdat er niet wellicht oproer onder het volk ontsta. Als nu Jusus te Bethanië was, in het huis van Simon, den melaatschen, naderde Hem eene vrouw,

346

ocr page 383

onderricht over palhzondg.

547

die een albasten kruik met kostbaren balsem bad, en stortte die op zijn hoofd uit, terwijl Hij aanzat. Doch de Discipelen, het ziende, namen het euvel op, en zeiden : Waartoe deze verkwisting? Want dit koude duur verkocht, en den armen gegeven worden. Maar, daar Jesus het wist, sprak Hij tot hen : Waarom valt gij dezer vrouw lastig? Want zij heeft een goed werk aan Mij gedaan; Want de armen hebt gij altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd. Want zij, dezen balsem over mijn lichaam uitstortende, heeft het gedaan tot mijne begrafenis. Voorwaar, ik zeg u: Allerwege, waar dit Evangelie in de gansche wereld zal verkondigd worden, zal ook, hetgeen deze gedaan heeft, ter harer gedachtenis worden vermeld. Toen ging één van de twaalven, met name Judas [scarioth, tot de Overpriesters, en leide tot hen: Wat wilt gij mij geven, en ik zal u Hem overleveren? En zij bepaalden hem dertig zilverlingen. En van toen af zocht hij gelegenheid, om Hem over te leveren. Op den eersten dag nu der ongezuurde broo-den kwamen de Discipelen tot Jesus, en zeiden: Waar wilt Gij, dat wij U het paaschlam te eten bereiden? Maar Jesus sprak: Gaat naar de stad tot zeker iemand, en zegt hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij, bij u wil Ik het paaschmaal houden met mijne Discipelen. En de Discipelen deden, gelijk Jesus hun geboden had, en zij bereidden het paaschlam. En als hel avond geworden was, zal Hij aan met zijne twaalf Discipelen. En, terwijl zij aten, sprak Hij: Voorwaar, Ik zeg u: één \an u zal Mij verraden. En zij werden zeer bedroefd, en ieder begon te zeggen; Ben ik het ook, Heere? Maar Hij antwoordde, en sprak: Die met Mij de hand in den schotel doopt, die zal Mij verraden. De Zoon des menschen gaat wel heen, gelijk er van Hem geschreven .staat; maar wee dien mensch, door wien de Zoon des menschen zal verraden worden: het ware dien mensch beter, dat hij niet geboren ware. Maar Judas, die Hem verraden heeft, antwoordde, en zeide; Ben ik het ook. Rabbi? Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Terwijl zij nu alen, nam Jesus het brood, en zegende, en brak het, en gaf het aan zijne Discipelen, en sprak: Neemt, en eel: dit is mijn lichaam. Hij nam ook den kelk, en dankte, en gaf hun denzelven, zeggende: Drinkt hieruit, allen! Want dit is mijn bloed des Nieuwen Verbonds, hetwelk voor velen zal vergoten worden, tot vergiffenis der zonden. Doch Ik zeg u: Ik zal voortaan niet meer drinken van dit gewas des wijn-gaards, tot op dien dag, wanneer Ik met u het nieuw zal drinken in het rijk mijns Vaders. En na het eindigen van den lofzang, gingen zij uit naar den Olijfberg. Toen sprak Jesus tot hen: In dezen nacht zult gij allen aan Mij geërgerd

ocr page 384

onderricht over palmzondag.

348

worden. Want er staat geschreven: Ik zal den herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstnoid worden. Doch nadat ik zal verrezen zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea. Maar Petrus antwoordde, en zeide tol Hem: Al wierden zij allen aan U geërgerd, ik zal nimmer geërgerd worden. Jesus sprak tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij in dezen nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen. Petrus zeide tot Hem : Al moest ik met U sterven, ik zal U niet verloochenen. Desgelijks zeiden ook alle de Discipelen. Toen kwam Jesus met hen in den hof, Gethsemani geheeten, en sprak tot zijne Discipelen: Zit hier neder, terwijl Ik derwaarts ga, en bid. En Hij nam Petrus en de twee zonen van Zere-deus met zich, en begon droevig en zeer beangst te worden. Toen sprak Hij tot hen: Mijne ziel is bedroefd, tot den dood toe: verbeidt hier, en waakt met Mij. En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op zijn aangeücht neder, en bad, en sprak: Mijn Vader! indien het mogelijk is, laat dezen kelk van Mij voorbijgaan! Nochtans niet, gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt. En Hij kwam tot zijne Discipelen, en vond hen slapende, en Hij sprak tot Petrus: AIzoo kondet gij niet één uur met Mij waken? Waakt en bidt, opdat gij niet in bekoring valt. De geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak. Wederom ging Hij ten tweeden male weg en bad, en sprak: Mijn Vader! indien deze kelk niet kan voorbijgaan, tenzij Ik hem drinke. Uw wil geschiede! En Hij kwam wederom, en vond hen slapende; want hunne oogen waren bezwaard. En hen latende, ging Hij wederom henen, en bad ten derden male, dezelfde woorden sprekende. Toen kwam Hij tot zijne Discipelen, en zeide tol hen; Slaapt nu, en rust! Ziet, de ure is gekomen, en'de Zoon des menschen zal overgeleverd worden in de handen der zondaren. Staat op, laat ons gaan! Ziet, hij is nabij, die Mij verraden zal. En terwijl Hij nog sprak, ziel. Judas, één van de twaalven, kwam, en met hem een groote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de Overpriesters en oudsten des volks. En die Hem verried, had hun een leeken gegeven, en gezegd: Dien ik kussen zal, die is het, grijpt Hem! En terstond ging hij tot Jesus, en zeide: Wees gegroet. Meester! En hij kusle Hem. En Jesus sprak tot hem: Vriend! waartoe zijl gij gekomen? Nu traden zij toe, en sloegen de handen aan Jesus, en grepen Hem. En ziet, één van degenen, die met Jesus waren, de hand uil-strekkende, trok zijn zwaard, en sloeg den dienstknecht des Hoogeprieslers, en hieuw zijn oor af. Toen sprak Jesus tot hem: Steek uw zwaard weder in zijne plaats! Want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard omkomen.

ocr page 385

onderricht over palmzondag.

349

Of meent gij, dat Ik mijnen Vader niet kan bidden, en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen Engelen zenden? Hoe zonden dan de Schriften vervuld worden, dat liet aldus moet geschieden? Op dien stond sprak Jesus tot de scharen: Als tegen eenen moordenaar, zijt gij uitgegaan, met zwaarden en stokken, om Mij te vangen: dagelijks zat Ik bij n, leeren-de in den tempel, en gij hebt Mij niet gegrepen. Docli dit alles is geschied, opdat de Schriften der Profeten zonden vervuld worden. Toen verlieten Hem alle zijne Discipelen, en vluchtten. Maar zij, die Jesus gegrepen hadden, leidden Hem naar Caiphas, den Hoogepriester, alwaar de schriftgeleerden en oudsten vergaderd waren. En Petrus volgde Hem van verre, tot in het voorhof des Hoogepriesters. En binnen tredende, zat hij neder bij de dienaren, om het einde te zien. De Overpriesters nu en de geheele raad zochten valsche getuigenis tegen Jesus, om Hem ter dood te brengen. En zij vonden niets, ofschoon er vele valsche getuigen opgekomen waren. Doch ten laatste kwamen er twee valsche getuigen, en zeiden: deze heeft gezegd: Ik kan den tempel Gods afbreken, en dien na drie dagen weder opbouwen. En de Hoogepriester opstaande, zeide tot Hem: Antwoordt gij niets op hetgeen dezen tegen U getuigen? Maar Jesus zweeg. En de Hoogepriester zeide tot Hem: Ik bezweer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij de Christus, de Zoon Gods, zijt? Jesus sprak tot hem: Gij hebt het gezegd! Doch Ik zeg u : Van nu aan zult gij den Zoon des menschen zien, zittende aan de rechterhand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels. Toen scheurde de Hoogepriester zijne kleederen, en zeide: Hij heeft God gelasterd; waartoe hebben wij nog getuigen noodig? Ziet, gij hebt nu de godslastering gehoord. Wat dunkt u? En zij, antwoordende, zeiden: Hij is des doods schuldig. Toen spogen zij Hem in het aangezicht, en sloegen Hem met vuisten; en anderen gaven Hem kaakslagen, zeggende: Profeteer ons, Christus, wie is hij, die U geslagen heeft? En Petrus zat buiten in het voorhof; en eene dienstmaagd kwam tot hem, en zeide: Ook gij waart bij Jesus den Galileer. Maar hij loochende het in bijzijn van allen, en zeide: Ik weet niet, wat gij zegt. Doch toen hij de deur uitging, zag hem eene andere dienstmaagd, en zeide tot degenen, die daar waren: Ook deze was bij Jesus den Nazarencr. En andermaal loochende hij het met een eed: Ik ken den mensch niet. En kort daarna naderden degenen, die er stonden, en zeiden tol Petrus: Gij zijt waarlijk ook van hen; want ook uwe sprake maakt u bekend. Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren, dat hij dien mensch niet kende. En terstond kraaide de

ocr page 386

onderricht over palmzondag.

350

haan. En Petrus werd indachtig het woord van Jesus, hetwelk Hij gesproken had: Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En buiten gaande, weende hij bitterlijk. Als nu de morgenstond gekomen was, hielden alle de Over priesters en oudsten des volks raad tegen Jesus, om Hem ten dood te brengen. En zij leidden Hem gebonden weg, en leverden Hem over aan Pontius-Pilatiis den landvoogd. Judas nu, die Hem verraden had, ziende dat Hij veroordeeld was, bracht door berouw gedreven, de dertig zilverlingen aan de Overpriesters en oudsten terug, en zeide: Ik heb gezondigd, rechtvaardig bloed verradende. Maar zij zeiden: Wat raakt het ons? Gij moogt toezien. En hij wierp de zilverlingen in den tempel, en vertrok, en henengaande, heeft hij zich met eenen strop verhangen. Maar de Overpriesters namen de zilverlingen, en zeiden: Het is niet geoorloofd, die in de offerkist te werpen; want het is bloedgeld. En na gehouden raad, kochten zij daarvoor den akker van eenen pottebakker tot begraafplaats der vreemdelii.gen. Daarom wordt die akker hakel-dama, dat is, bloedakker, geheeten, tot op den huidigen dag. Toen werd vervuld hetgeen gesproken is door den Profeet Jeremias, die zegt: En zij namen de dertig zilverlingen, den prijs Van den op prijs geslelden, dien zij van de kinderen van Israel gekocht hadden; en zij gaven die voor den akker des pottebakkers, gelijk de Heere mij bevolen heeft. Jesus nu stond voor den landvoogd; en de landvoogd ondervraagde Hem, en zeide: Zijt Gij de Koning der Joden? Jesus sprak tot hem : Gij zegl liet! En toen Hij van de Overpriesters en de oudsten beschuldigd werd, antwoordde Hij niets. Toen zeide Pilatus tot Ifem: Hoort Gij niet, hoe zware getuigenissen zij tegen U inbrengen? En Hij antwoordde hem op geen enkel woord, zoodat de landvoogd zich grootelijks verwonderde. Op den Imogen feestdag nu was de landvoogd gewoon aan het volk éénen gevangene vrij te geven, wien zij wilden. En hij had toen een beruchten gevangene, met name Baradras. Als zij derhalve vergaderd waren, zeide Pilatus: Wien wilt gij, dal ik u vrij geve? Bararbas, of Jesus, die Christus genoemd wordt? Want hij wist, dal zij Hem uit nijd hadden overgeleverd. En terwijl hij op den rechterstoel zat, zond zijne vrouw lot hem, zeggende: Vergrijp u niet aan dien rechtvaardige, want ik heb heden, in eenen droom, veel geleden om zijnentwil. Doch de Overpriesters en de ondslen overreedden het volk, dat zij Barabbas zouden begeerea, en Jesus ten dood brengen. De landvoogd nu antwoordde, en zeide tot hen: Wie van beiden wilt gij, dat u worde vrij gegeven? En zij zeiden: Bararbas! Pilatus zeide lot hen: Wat zal ik

ocr page 387

onderricht over palmzondag.

351

dan doen met Jesus, die Christus genoemd wordt? Zij riepen allen; dat Hij gekruisigd worde! De landvoogd /.eide tot hen: Wat kwaad heeft Hij dan gedaan? Maar zij sciireeuw-den te luider, en zeiden: Dat Hij gekruisigd worde! Als nu Pilatus zag, dat hij niets vorderde, maar dat er veeleer oproer werd, nam hij water, en wiesch zijne handen ten aanschouwe van het volk, en zeide: Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardigen! gij moogt loezien! eu al het volk antwoordde, en zeide: Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen! Toen gaf hij hun Barabbas vrij, maar Jesiis liet hij geeselen, en leverde Hem aan hen over, om gekruisigd te worden. Toen namen de krijgsknechten des landvoogds .Jesus in het rechthuis, en verzamelden rondom Hem de gansche krijgsbende: en Hem ontkleed hebbende, wierpen zij Hem een purperen mantel om; en zij vlochten eene kroon van doornen, en zetleden die op zijn hoofd, en eenen rietstok in zijne rechterhand. En voor Hem nederknie-lende, beschimpten zij Hem zeggende: Wees gegroet, Koning der Joden! En Hem bespuwende, namen zij den rietstok, en sloegen Hem op hel hoofd. En nadat zij Hem beschimpt hadden, trokken zij Hem den mantel af, en deden Hem zijne kleederen aan, en leidden Hem weg, om gekruisigd te worden. Als zij nu uilgingen, vonden zij eenen man van Cyrene, met name Simon; dezen dwongen zij, om zijn kruis te dragen. En zij kwamen op de plaats genaamd Golgotha, dal is, de plaats der doodshoofden; en zij gaven Hem wijn, met gal gemengd, te drinken; maar als Hij dien gesmaakt had, wilde Hij niet drinken. Nadat zij Hem dan gekruisigd hadden, verdeelden zij zijne kleederen, het lot werpende: opdat vervuld zoude worden, heigeen door den Profeet gesproken is, zeggende: Zij hebben mijne kleederen onder zich verdeeld, en over mijn gewaad hebben zij het lot geworpen. En nedergezelen zijnde, bewaakten zij Hem. En zij stelden zijne beschuldiging in schrift boven zijn hoold: deze is Jeshs, de koning dek joden. Toen werden met Hem twee moordenaars gekruisigd, een aan zijne rechter-en een aan zijne linkerzijde. En die voorbij gingen, lasterden Hem, schuddende hunne hoofden, en zeggende: Welaan, Gij, die den tempel Gods afbreekt, en in drie dagen dien weder opbouwt, verlos U zeiven! Indien Gij Gods Zoon zijt, kom af van het kruis! Desgelijks beschimpten Hem ook de Over-priesters, met de schriflgeleerden en oudsten, en zeiden: Anderen heeft Hij verlost; zich zeiven kan Hij niet verlossen! Indien Hij de Koning \an Israël is, Hij kome nu af van het kruis, en wij zullen in Hem gelooven: Hij heeft op God vertrouwd, dal Hij Hem nu bevrijde, indien Hij Hem wil! want

ocr page 388

ondeuricht oveu palmzondag.

Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon. Hetzelfde verweten Hein ook de moordenaars, die met Hem gekruisigd waren. En van de zesde ure kwam er duisternis over de geheele aarde, lot de negende ure toe. En omtrent de negende ure riep Jesus met luider stemme, en sprak: Eli, Eli, lamma sabachtliani? dat is: Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten? Eenigen dan, die daar stonden, en hel hoorden, zeiden: Hij roept Elias. En terstond liep één van hen, en nam eene spons, en vulde die met edik, en stak dezelve op een riet, en gaf Hem te drinken. Doch de anderen zeiden : Wacht, laat ons zien, of Euas kome, om Hem te bevrijden. Maar Jesus riep wederom met luider stemme, en gaf den geest, (i) En ziet, het voorhangsel van den tempel scheurde in twee stukken, van boven tot beneden, en de aarde beefde, en de steenrotsen barstten, en de graven openden zich, en vele lichamen der Heiligen, die ontslapen waren, stonden op; en gaande uit hunne graven, na zijne verrijzenis, zijn zij in de heilige stad gekomen, en aan velen verschenen, üe hoofdman nu, en die met hem waren, en Jesus bewaakten, als zij de aardbeving, en hetgeen er geschiedde, zagen, werden zeer bevreesd, en zeiden: Deze was waarlijk Gods Zoon! En er stonden daar vele vrouwen van verre, welke van Galilea Jesus gevolgd waren, en Hem dienden: onder dezen waren, Maria-Magdalena, en Maria, de moeder van Jacobus en Joseph, en de moeder der zonen van Zebedeus. Als het nu avond geworden was, kwam zeker rijk man van Arimathea, met name Joseph, die ook zelf een leerling van Jesus was. Deze begaf zich bij Pilatus, en verzocht het lichaam van Jesus. Toen gebood Pilatus, het lichaam te geven. En Joseph nam het lichaam, wond het in zuiver fijn lijnwaad, en legde het in zijn nieuw graf, hetwelk hij in de rots had doen uithouwen. En hij wentelde een grooten steen tegen den ingang van het graf, en ging henen. En er was aldaar Maria-Magdalena, en de andere Maria; en zij zaten tegenover het graf. Des anderen daags nu, die na de voorbereiding volgt, kwamen de Overpriesters en Phariseén tot Pilatus, en zeiden: Hoer! wij herinneren ons, dat die verleider, toen Hij nog leefde, gezegd heek: Ik zal na drie dagen verrijzen. Gebied dus, dat het graf tot den derden dag bewaakt worde, opdat niet wellicht zijne Discipelen komen, en Hem stelen, en aan het volk zeggen: Hij is van de dooden verrezen; en de laatste dwaling zal erger zijn, dan de eerste. Pilatus zeide tot hen: Gij hebt eene wacht, gaal, en bewaakt het, gelijk gij goedvindt. Zij gingen dan het graf met wachters bezetten, en den steen verzegelen.

1) Hier knielt men ecnigc oogenblikken neder.

332

ocr page 389

ondeuuichï over palmzondag.

Onderricht over de manier, waarop men het lijden des Heeren moet overwegen.

O gij allen, die over den weg gaat, geeft acht en ziet of er eene smart is, gelijk aan mijne stnart. Jerem. treurl., I, 12.

De overweging van het lijden des Verlossers wordt door velen op eene gebrekkige wijze verricht. Zij verbeelden zich, dat Jesus werkelijk vóór hunne oogen bloed zweet, gevangen, gegeeseld en aan het kruis gehecht wordt. Dat is wel gedaan; maar gemeenlijk beschouwen zij slechts de pijnen en smarten des Heilands, zonder zich af te vragen: Waarom en hoe, met welk geduld, met welke zachtmoedigheid en liefde heeft Jesus geleden? Zij beschouwen het als eene hoofdzaak bij deze overweging, dat zij een groot mededoogen met den lijdenden en stervenden Zaligmaker gevoelen. Medelijden hebben met de smarten des Verlossers is zeer goed en betaamt een oprecht christelijk hart; doch daarmede moet men zich niet tevreden stellen. Waarom heeft de onschuldige, heilige en vlekkelooze Jesus zoo menigvuldige en zulke on verdragelij ke folteringen verduurd? Waarom heeft Hij zich door Joden en Heidenen, door het volk, de priesters en rechters zoo schromelijk laten mishandelen? Waarom heeft Hij, naar ziel en lichaam, zulke onbeschrijfelijke pijnen geleden? Hij heeft ons daardoor niet alleen van de zonde verlost, maar ons tevens ook een voorbeeld gegeven, hoe wij, zondige menschen, ons, in de geringe en dikwijls welverdiende wederwaardigheden, waardoor wij gekweld worden, moeten gedragen, Christus heeft voor ons geleden, schrijft de H. Petrus I Br. II, 21, u een voorbeeld nalatende, opdat gij zijne voetstappen zoudt volgen. Deze weinige woorden leeren ons, hoe wij het lijden en den dood van Jesus-Christus moeten overwegen.

De ware godsvrucht tot den lijdenden en stervenden Heiland, bestaat hierin, dat wij een grooten afkeer opvatten tegen de zonde, die Hem aan het kruis heeft genageld, en tevens, in zijn gedrag te midden van folteringen en smarten, datgene wat ons ten voorbeeld strekken kan, zorgvuldig opzoeken, aandachtig overdenken en getrouw in onzen handel en wandel nakomen. De ware godsvrucht tot den lijdenden en sterven-

353

23

ocr page 390

onderricht over palmzondag.

den Jesus is hierin gelegen, dat wij zijne gelioorzaamheid jegens den Heinelschen Vader, zijne onuilputbare liefde voor de luensclien, zijn Goddelijk geduld, onder het vreeselijkste lijden, dikwijls en ernstig overwegen, en ons, in woorden en wérken, in kruis en leed daarnaar gedragen. De ware godsvrucht tot den lijdenden en stervenden Jesüs bestaat hierin, dat wij in den Gekruisigde gelooven als Paulus, en zijne liefde navolgen gelijk Joannes. De ware godsvrucht tot den lijdenden en stervenden Verlosser is hierin gelegen, dat wij, als ware en oprechte leerlingen van Jesus, lijden gelijk Hij heeft geleden, leven en sterven gelijk Hij geleefd en den dood ondergaan heeft. De Christen, die, door de overweging van het lijden des Heeren, nog niet geleerd heeft zachtmoedig, geduldig en aan Gods wil onderworpen te zijn, in kruis en wederwaardigheden, heeft dat lijden niet overwogen, zoo als het behoort. De geloovige, die door de overweging van het lijden des Verlossers nog niet geleerd heeft in voor- en tegenspoed op God te hopen, den Heer te danken als Hij hem kastijdt, standvastig op den Allerhoogste te vertrouwen ook dan, wanneer Hij zijne hulp schijnt te weigeren, die geloovige moge veel geleerdheid bezitten, hij heeft geen begrip van de gemakkelijke en om zoo te spreken kunstlooze wetenschap, om het lijden des Zaligmakers met vrucht te overdenken. De Katholiek, die uit de overweging van het lijden des Heilands nog niet geleerd heeft kwaad met goed te vergelden, dengenen die hem vervloeken lasteren en beleedigen van harte te vergeven, moge alles kennen, hij kent zijnen Heer en Meester, Jesus-Christus, niet, hij bemint Jesus en dengene, die Hem gezonden heeft, nog niet, zoo als het behoort. En daaraan is alles gelegen. Overwegen wij derhalve het lijden van Christus zóó, dat wij ons zijn voorbeeld vóór oogen stellen eu ons beijveren, zijne voetstappen na te volgen. (Bisschop Sailer.)

Waarom wordt deze week »Goede Weekquot; genoemd?

Omdat in deze week het groote werk onzer verlossing volbracht is. Zij wordt ook nog de heilige of groote week genoemd, wijl Jesus-Christus in deze week, zegt de H. Chrvsostomus, de grootste geheimen van liefde voor ons heeft voltrokken.

364

ocr page 391

onderricht over palmzondag.

Wat merkwaardigs heeft Jesus in de vier eerste dagen dezer week verricht ?

Nadat Hij onder liet gejubel van het, volk te Jerusalem, den tempel was binnen getrokken en zelfs door kinderen mei den vreugdekreet: »Hosanna den Zoon van David,quot; was begroet geworden, bracht Hij den dag verder door met prediken en zieken te genezen; 's avonds keerde Hij naar Bethanië, een dorp, omstreeks een uur gaans van Jerusalem, en aan den Olijfberg gelegen, met zijne leerlingeii terug. De Verlosser ging ook de drie volgende dagen naar Jerusalem en leerde er bij dag in den tempel, maar bracht telkens den nacht aan den Olijfberg door. Hij trachtte vooral gedurende deze dagen, de Priesters, Schriftgeleerden en Parizeen bij zijne predikatiën te overtuigen, dat Hij waarlijk de Messias was (Matth. XXII, 42), en dat zij, door zijnen dood, dien Hij hun voorspelde, (Matth. XXI, 37-46), te eisclien, zouden zondigen en derhalve met het gansche joodsche volk verworpen zouden worden (Marc. XII, 9.). Hij spreekt tegen hen een vreeseiijk »weequot; uit en logt hun bedrog en hunne misdaden bloot (Matth. XXIII, 13-29), weshalve zij dan ook, door afgunst en haat aangedreven, beraadslagen om Hem te vangen en te dooden (Matth. XXVI, 4.). De goddelooze Judas bood hun een behulpzame hand, in het volvoeren van dat moorddadiquot; plan, naardien hij zijnen Meester voor dertig zilverlingen aan de Hoogepriesters verkocht. Hem den daaropvolgenden dag, namelijk Donderdag, verried en in hunne handen overleverde. — 0 Jesus! wat hebt Gij niet gedaan en geleden, om ons van de hel te verlossen!

Op Witten Donderdag.

Wat deed Jesus op dezen dag?

Hij at met zijne Discipelen hel laatste Paaschmaal. Daartoe behoorden, behalve het gebraden paaschlam, ongedeesemd brood en bittere kruiden, een zekere soort van brij of dikke pap, en vier bekers met wijn. Het paaschlam was een zinnebeeld van den Messias en moest door de Israëlieten, ter gedachtenis aan den uittocht hunner vaderen uil Egypte, reisvaardig, met omgorde lendenen, en een reisslok in de hand

3S5

ocr page 392

onderricht oveu

gegeten worden. — Daaruit leeren de Christenen, dat zij, wanneer zij hun Paaschlam, Jesus-Christus, in het H. Sakrament des Altaars willen nuttigen, de bedorvene wereld en hare ver-bodene wellusten moeten verlaten, het zuurdeeg der zonde uit hunne harten wegruimen en hun bedrevene misdaden oprecht en rouwmoedig beweenen. Na den Paaschmaaltijd, wiesch de Heer de voeten zijner leerlingen en beval hun de beoefening der deugd van ootmoedigheid en zelfverloochening, zinnebeeldig voorgesteld in de voetwassching door Hem verricht, ter navolging aan. Vervolgens gaf Hij hun zijn vleesch en bloed onder de gedaante van brood en wijn tot spijs en drank hunner ziel, stelde het H. Sacrament des Altaars en het H. Misoffer in en gebood zijnen Apostelen te doen, wat Hij zelf toen gedaan had. Door dal gebod schonk Hij hun tevens de macht om zulks te doen, en Hij wijdde hen tot offeraars of priesters van het onbloedige offer des Nieuwen Verbonds, zeggende: Voet dit tot mijne gedachtenis. Daarna gaf Jesus zijn laatste onderricht aan zijne leerlingen, beval hun elkander liel te hebben, gelijk Hij hen had liefgehad, vertroostte hen wegens zijnen dood, door de belofte, dat Hij hun den H. Geest zou afzenden en stierde daarna een vurig gebed tot zijn Hemelschen Vader voor zich zeiven, voor zijne Discipelen en voor alle toekomstige geloovi-gen. Hierop ging Hij, volgens zijne gewoonte, naar den Olijfberg, begon daar zijn bitter lijden, bad, dat zijn Vader, zoo het mogelijk ware, den lijdenskelk van Hem zou wegnemen, doorstond eenen vreeselijken doodsangst, zweette bloed en werd door Judas met eenen kus aan de Joden overgeleverd. Dezen leidden Hem naar den Hoogepriester Annas, vervolgens naar Caiphas, alwaar Hij door den hoogen raad ter dood veroordeeld en door Petrus verloochend werd.

Ingang der Mis. Wij moeten roemen in het kruis van onzen Heer Jesus-Christus, in welken ons heil, ons leven en onze opstanding is, door wien wij verlost en bevrijd zijn (Gal. VI, 14). God zij ons barmhartig en geve ons zegen: Hij be-schijne ons met zijn aangezicht, en zij ons genadig (Ps. LXVI, 2).

(Het gebed is hetzelfde als op Goeden Vrijdag.)

3S6

ocr page 393

witten donderdag.

EPISTEL: Les uit den eersten Brief van den H.

Apostel Paulus aan de Corinthiërs XI, 20-32.

Broeders ! Als gij dan in ééne plaats samenkomt, is het niet meer, des Heeren avondmaal eten. Want een iegelijk neemt te voren zijn eigen maal bij het eten: en de een lijdt honger, en de ander is dronken. Of hebt gij geene huizen, om te eten en te drinken? Of veracht gij de Kerk Gods, en beschaamt hen, die niet hebben? Wat zal ik u zeggen? Prijs ik u? Hierin prijs ik niet. Want ik heb van den Heer ontvangen, hetgeen ik u ook heb overgeleverd, dat de Heer Jesus in den nacht, waarin Hij verraden werd, het brood nam, en dankende het brak, en zeide: Neemt en eet, dit is mijn lichaam, hetwelk voor u zal worden overgeleverd; doet dit tot mijne gedachtenis! Desgelijks ook den kelk, nadat Hij het avondmaal had gehouden, zeggende; Deze kelk is het Nieuwe Verbond in mijn bloed: doet dit, zoo dikwijls gij dien zult drinken, tot mijne gedachtenis ! Want zoo dikwijls gij dit brood zult eten, en den kelk drinken, zult gij den dood des Heeren verkondigen, totdat Hij korae. Al wie derhalve onwaardiglijk dit brood eten, of den kelk des Heeren drinken zal, zal schuldig zijn aan het Lichaam en het Bloed des Heeren. Dat dan de mensch zich zeiven beproeve, en aldus van dit brood ete, en van den kelk drinke! Want die onwaardiglijk eet en drinkt, eet en drinkt zich zeiven het oordeel, niet onderscheidende het Lichaam des Heeren. Daarom zijn er onder u vele zwakken en kranken, en zijn menigen ontslapen. Want indien wij ons zeiven beoordeelden, zouden wij niet geoordeeld worden. Maar geoordeeld wordende, worden wij door den Heer getuchtigd, opdat wij niet met de wereld veroordeeld worden.

Verklaring. De Apostel verklaart in dezen Epistel, dat hij, door een bijzondere openbaring van den Heer, is onderricht geworden, hoe Christus het H. Sacrament des Altaars ingesteld en zijn Vleesch en Bloed tot spijs en drank gegeven heeft. Hij vermaant de Corinthiërs, dat zij zich wachten moeten dit heilig Maal onwaardig te nuttigen, want wie onwaardiglijk dit brood eten of den kelk des Heeren drinken zal, zal schuldig zijn aan het Lichaam en Bloed des Heeren, als degene, die zich, op eene andere wijze, aan het Lichaam des Heeren

357

ocr page 394

onderricht over

bezondigt: gelijk Judas, die met eenen kus «oiiscluildig bloedquot; verried, gelijk de Joden, die de handen aan den Verlosser sloegen, Hem bonden, kaakslagen gaven, en eindelijk aan Pilatus overleverden, om ten dood gebracht te worden. Derhalve, zegt de Apostel: beproeve de mensch zich zeiven, alvorens van dit brood te eten en van dezen kelk te drinken; hij onderzoeke zich, of zijn geweten niet met de eene of andere doodelijke zonde besmet is; en aldus, als hij na die zelfbeproeving bevonden heeft, niet onwaardig te zijn, ete hij van dat brood, en drinke van den kelk. Bevindt echter de mensch zich onwaardig, dan zuivere hij vooraf zijn geweten, door een goede biecht en de genade van het Heilig Sacrament der Boetvaardigheid. Om met nog meer vrucht te communiceeren, zuivere men zijn geweten ook van kleinere zonden vlekken.

Evangelie volgens den H. Joannes XIII, i-lS.

Vóór den feestdag van het Pascha, dewijl Jescs wist, dat zijne ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zoude overgaan tot den Vader, daar Hij de zijnen, die in de wereld waren, had liefgehad, zoo heeft Hij hen ten einde toe liefgehad. En als het avondmaal gedaan was, toen alreeds de duivel aan Judas Iscarioth, de zoon van Simon, in het hart had gegeven, dat hij Hem zoude verraden: wetende, dat de Vader alles in zijne handen had gegeven, en dat Hij van God was uitgegaan, en tot God henenging, stond Hij op van het avondmaal, en legde zijne kleederen af, en nam een linnen doek, en omgordde zich. Daarna goot Hij water in het bekken, en begon de voeten der Discipelen te wasschen, en af te drogen met den linnen doek, waarmede Hij omgord was. Hij kwam dan tot Suion-Petrus. En Petrus zeide tot Hem: Heer, wascht Gij mij de voeten! Jesus antwoordde, en sprak lot Hem: Wat Ik doe, weet gij nu niet; maar gij zult het daarna weten. Petrus zeide tot Hem: Gij zult mij in eeuwigheid de voeten niet wasschen. Jesus antwoordde hem: Indien

588

ocr page 395

witten donderdag.

Ik u niet wassche, zult gij geen deel met Mij hebben. Simon-Petrus zeide tot Hem: Heer! niet alleen mijne voeten, maar ook de handen en het hoofd. Jesus sprak tot hem; Die gewassehen is, heeft niet van nooden, dan dat hij de voeten wassche; maar is geheel rein. Ook gij zijt rein, maar niet allen. Want Hij wist, wie Hem zoude verraden; daarom zeide Hij: Gij zijt niet allen rein. Nadat Hij nu hunne voeten gewassehen, en zijne kleederen aangedaan had, als Hij wederom aangezeten was, sprak Hij tot hen: Weet gij, wat Ik u gedaan heb? Gij noemt Mij Meester en Heer: en gij zegt wel, want Ik ben het. Indien dan Ik, de Fleer on de Meester, uwe voeten gewassehen heb, moet ook gij elkanders voelen wasschen. Want een voorbeeld heb Ik ii gegeven, opdat, gelijk Ik u gedaan heb, gij ook alzoo doet.

Waarom wiesch Jesus de voeten zyner leerlingen?

Om hun een nieuw bewijs zijner ootmoedigheid en liefde tc geven, en om luin tevens door de/e handeling te leeren, dat de Christen, die reeds, door den Doop of door het Heilig Sacrament der Biecht, van zware zonden gezuiverd is, slechts de voetwassching, dat is, de opofferende liefde noodig heeft, om van kleine fouten bevrijd en het nuttigen van het II. Sacrament des Altaars waardiger tc worden.

Waarom wascht de Paus de voeten van dertien Priesters ?

Ter herinnering aan de voetwassching, door den Verlosser in het laatste Avondmaal verricht, en om, zoo doende, de ootmoedigheid van Jesus te. vereeren en na te volgen.

Waarom worden van heden tot Zaterdag de klokken niet geluid, maar houten ratels gebezigd ?

1) Dit gebruik herinnert aan de eerste tijden des Chris-lendoms, toen de geloovigen, door het geluid van soortgelijke werktuigen ter kerke geroepen werden. 2) De Kerk wil tloor de stilte, die in hare tempels heerscht, hare droel heid over het lijden en den dood van Christus aan den dag leggen en ons vermanen, daarover ook in stilte te treuren en met

359

ocr page 396

onderricht over

Jesus op een geheimzinnige wijze te sterven. 3) Zij wil, op die wijze, het stilzwijgen der Apostelen aanduiden, wier stem, volgens Ps. XVIII, over de gansche aarde moest schallen, maar die, bij den dood van Christus, verstomden en zich voor de Joden verborgen. Op Zaterdag echter worden de klokken geluid, om te toonen, dat de Apostelen, na de verrijzenis des Heeren, (waarover de Mis van dien dag handelt), weder te voorschijn traden en in het openbaar spraken. — De Kerk roept de geloovigen, in deze dagen, met houten ratels lot den heiligen Dienst, 1) uil ootmoed, gelijk Alcüiinus zegt, daar die ratels, bij klokken vergeleken, slechts armzalige werktuigen zijn; 2) om de vrees aan te duiden, welke de Joden den Apostelen aanjoegen; 3) Om ons aan den kruisdood van Jesus te herinneren en het kruishout te vereeren, waardoor alle volkeren tot de heerlijkheid des Hemels zijn geroepen.

Waarom leest heden slechts één Priester de H. Mis, terwyl de overige geestelijken daaronder communiceeren?

Wijl Christus zelf en alleen hef onbloedig oller op dezen dag verricht en zijne Apostelen gespijzigd heeft, met zijn Vleesch en Bloed. Het is ter herinnering aan dit feit en om het voorbeeld van Christus na te volgen, dat, in iedere kerk, slechts één priester de H. Mis leest, uit wiens handen de overige aanwezige geestelijken de H. Communie ontvangen, gelijk de Discipelen het Lichaam en Bloed des Heeren, uit de handen des Verlossers, ontvingen. De priesters communiceeren, bekleed met de stola, het teeken der priesterlijke waardigheid, welke de Zaligmaker heden aan zijne Apostelen verleende.

Welke ceremonie doet zich nog voor, in de Mis van dezen dag?

In plaats van ééne Hostie, consacreert de priester er twee; dc eene nuttigt hij bij de H. Communie, terwijl hij de andere in een zorgvuldig gedekten kelk nederlegt, oin ze den volgenden dag te nuttigen. Want op den dag, waarop het bloedig offer op Calvarieberg is voltrokken, zal de Kerk de onbloedige offerande niet opdragen. Zoo bitter valt haar de herinnering aan den smartvollen dood des Verlossers! Zij wil echter niet, dat haar Goddelijke Bruidegom, wegens deze kortstondige onderbreking van het Misoffer, minder liefdebe-

360

ocr page 397

witten donderdag.

wijzen in het Allerheiligste Sacrament ontvangen zal. Daarom wordt er, in een der zijpanden van de kerk, een prachtige rustplaats opgericht, gewoonlijk heilig graf genoemd. Na de Heilige Mis, draagt de priester, in processie, en onder hel zingen van liet loflied: Pangc lingua, de H. Hostie naar deze feestelijk versierde plaats, waar zij tot goeden Vrijdag blijft berusten en door de geloovigen vereerd en aangebeden wordt, die alzoo den smaad, de lauwheid en de beleedigingen trachten te vergoeden, welke de Heer Jesus, in hel Heilig Sacrament zoo dikwijls moet verduren.

Wat geschiedt er nog meer op dezen dag?

Heden heeft ook de wijding der H. Olie plaats. Aangezien deze wijding door een Bisschop moet geschieden, wordt die plechtigheid alleen in de kathedrale kerken verricht. Drie verschillende Oliën worden op dezen dag gewijd. De eerste is de Olie voor de Zieken. Deze wordt gebezigd bij het toedienen van het Sacrament des Laatsten Oliesels, dat de Christen, in zijn laatsten strijd, tot heil van lichaam en ziel ontvangt. De tweede H. Olie is het Chrisma, hetwelk een mengsel van olijfolie en balsem is. Met deze heilige Olie, wordt het Sacrament des Vormsels toegediend. Het H. Chrisma wordt buitendien nog gebezigd, om er onze hoofden bij het ontvangen des Doopsels mede te zalven, ten teeken, dat de Christen door dit Sacrament aan het geestelijk Koningschap van Christus Jesus deelachtig wordt. Ook dient het H. Chrisma, bij de wijding der Bisschoppen, wier hoofd en handen met deze H, Olie worden gezalfd; eindelijk, wordt het ook nog gebezigd bij het inzegenen der klokken en het wijden der kerken, der doopvont, der keikon en der altaren. De derde H. Olie wordt de Olie der Catechumenen genoemd. Deze is wel niet de stof voor het een of ander Sacrament, maar de instelling er van is, desniettemin, van de Apostelen afkomstig. De Olie der Catechumenen wordt bij de plechtigheden van het H. Doopsel, bij de kroning van Vorsten en van Vorstinnen, en voor de zalving der handen bij de priesterwijding gebruikt.

Waarom worden de altaren, na de H. Mis, ontbloot?

Ten teeken, dat het Heilig Misoffer onderbroken wordt; en ter herinnering aan de vernedering des Zaligmakers, die.

561

ocr page 398

362 onderricht over

door de beulen, van zijne kleederen werd beroofd, neemt de priester de linnen doeken, die den altaarsteen bedekken, er af, terwijl hij luide met zijne dienaren. Psalm XXI, bidt, waarin de koninklijke Profeet David, met duidelijke woorden, deze omstandigheid van 's Heeron lijden heeft voorzegd: nZij hebben mijne kleederen onder elkadr verdeeld, en over mijn opperkleed het lol geworpen.quot; Buitendien is deze ceremonie ook nog een teeken van droefheid over den dood des Verlossers en eene uitnoodiging, om hieraan deel te nemen.

Welke godsvruchtige oefeningen kan men heden verrichten?

Men kan, ter herinnering aan de voetwassching des Zaligmakers, aan twaalf armen eene aalmoes geven. Buitendien behoort men ook Christus te danken voor de instelling van het Allerheiligste Sacrament des Altaars en het waardig te ontvangen of althans ootmoedig te aanbidden; voorts wone men den morgen- en avonddienst, op dezen dag, godvruchtig bij.

Wat zijn de donkere metten, en wat beteekenen zij ?

Getijden, die door geestelijken op Woensdag, Donderdag en Vrijdag van de Goede Week 's avonds in koor gezongen worden. In deze heilige diensten is alles treurig en somber; zij stellen ons, met de levendigste kleuren, de droefheid voor, waarin de Kerk, wegens het lijden en den dood des Heilands, gedompeld is, en wekken, door de treurige klaagliederen van Jeremias, de zondaars op tot berouw over hunne zonden.

Waarom worden zy de donkere metten genoemd ?

Zij dragen dezen naam omdat deze dienst in den namiddag begint en eerst na zonne-ondergang eindigt; en ook nog, wegens een zinrijke en treffende plechtigheid, die in den dienst dezer drie dagen alleen voorkomt. Er wordt, namelijk, dicht bij het altaar een groote driehoekige kandelaar geplaatst, waarop vijftien gele waskaarsen gezet en ontstoken worden. Na iederen Psalm of eiken lofzang, wordt een dezer kaarsen uitgedaan, met uitzondering evenwel van de kaars, die op de spits van den driehoek staat. Onder den lofzang Benedictus, op het einde der Laudes, worden, na gelijke tusschenpoozing, ook de zes kaarsen, die op het altaar branden, uitgebluscht.

ocr page 399

witten donderdag

Wanneer tic Antiphoon na den Benedictus gezongen wordt, neemt de Ceremoniemeester de eenige nog brandende kaars van den driehoek af, liondt haar op het altaar, terwijl gezegde Antiphoon gezongen wordt, en verbergt ze dan, zonder ze uit te dooven, achter het altaar. Zoodra dc psalm Miserere en het gebed: Respice quwsumus geëindigd zijn, kloppen dc zangers, met hunne koorboeken, op dc banken, totdat de eenige nog ontstokene kaars, van achter het altaar, wederom tc voorschijn komt, en den aanwezenden verkondigt, dat dc donkere Metten van dien dag geëindigd zijn.

Wat beteekent het uitdoen der kaarsen, die op den driehoekieren kandelaar en op het altaar geplaatst zijn ?

In dc dagen van Jr.sus' lijden werd de heerlijkheid van den Zoon Gods, door de versmadingen, welke Hij onderging, in zekeren zin, verduisterd. Hij werd door Judas verraden, door den hoogen raad veroordeeld, door het volk ten dood geëischt, door zijne Apostelen verlaten, door Petrus verloochend, enz. Die gedurig toenemende verlatenheid van den lijdenden Jesus wordt ons levendig verbeeld, door het uitblus-schen der kaarsen. De op den driehoek geplaatste kaarsen verbeelden de Leerlingen; die op het altaar stellen Petrus en de andere Apostelen voor. De kaars, die aan den top van den driehoek staat, is het zinnebeeld des Verlossers, het licht der wereld, dat, hoe ook miskend, echter wel verre van uitgedoofd te worden, op nieuw uit het graf treden en alle volkeren cn landen verlichten zal. Om deze reden, wordt die kaars niet uitgedaan, maar een oogcnblik op hot altaar geplaatst cn dan verborgen, ten einde eerst aan den kruisdood van Jesus en dan aan zijne begrafenis te herinneren. Op het oogcnblik, dat de Verlosser stierf, ontstelde de gansche natuur over den dood haars Scheppers; winden loeiden, rotsen scheurden, het licht der zon verdween en vele dooden kwamen uit het graf tc voorschijn. Daaraan herinnert ons het kloppen op de banken, tc midden der duisternis. Het terugbrengen der brandende kaars uit de duisternis op hare vroegere plaats zegt ons, dat Jesus, na drie dagen, roemvol en glansrijk, uit het donkere graf zou verrijzen.

363

ocr page 400

onderricht ovèk

Op Goeden Yrijdag.

Wat geschiedde op dezen dag?

Jesus-Christüs, de eeniggeboren Zoon des eeuwigen Vaders werd, op dezen Vrijdag, door de Joden aan Pontius Pilatus en aan de heidensche soldalen overgeleverd, die Hem, op een gruwzame wijze, geeselden, met scherpe doornen kroonden, bespotten en versmaadden, met het kruis belaadden, naar den Calvarieberg voerden, alwaar Hij aan het kruis, tusschen twee moordenaars, werd vastgenageld en de verlossing van het menschelijk geslacht, door zijnen bitteren dood, voltrok.

Waarom herdenken wy het Ijjden des Heeren, op Groeden Vrydag ?

Om Christus voor onze verlossing den schuldigen dank te betuigen. Daarom beval ook reeds de H. Apostel Paulus, gelijk de H. Chrvsostomus schrijft, dezen dag te heiligen, en de Christenen hebben dien steeds, met diepen rouw, door streng vasten en ijverig bezoeken der kerken, gevierd.

Waarom vieren wy dezen dag niet zoo plechtig als de Protestanten zulks doen?

Wijl onze droefheid over den smaadvollen dood des Verlossers veel te groot is, dan dat wij dien, op een feestelijke en plechtige wijze, zouden kunnen vieren. Immers, heeft de zon, door hare verduistering, aan de droefheid over den dood des Heeren deelgenomen, hoe zouden wij ons dan aan de vreugde van eenen luistervollen feestdag kunnen overgeven ? Wij herinneren ons, wel is waar, dat wij, door den dood van Christus, erfgenamen zijn geworden van het Rijk der Hemelen, maar wij verheugen ons over zijn afsterven evenmin, als een welgeaard kind zich verheugt over den dood zijns vaders of weldoeners, door wiens overlijden het ontelbare schatten en rijkdommen heelt geërfd. Wij danken Christus voor zijn lijden en sterven door het godvruchtig bezoeken der kerken en door het ijverig bijwonen der heilige diensten, welke op dezen dag plaats hebben.

Waarom begint de dienst op Goeden Vrijdag met de lezing van twee Epistels?

Om aan te duiden, dat Christus voor Joden en Heidenen gestorven is.

364

ocr page 401

goeden vrijdag.

EPISTEL: Les uit den Profeet Osee VI, 1-6

Dit zegt de Heer; In hunne verdrukking zullen zij vroeg tot Mij komen: Komt, laat ons tot den Heer terngkeeren, wijl Hij ons heeft gevangen genomen, en Hij zal ons genezen: Hij zal ons slaan en ons heelen. Na twee dagen, zal Hij ons levend maken: Hij zal ons, ten derden dage, opwekken en wij zullen voor zijn aanschijn leven. Wij zullen den Heer kennen en volgen, om Hem meer te kennen: zijn «itgang is toegerust als de dageraad, en Hij zal tot ons komen als een tijdige en een avond-regen op de aarde. Wat zal Ik u doen, Ephraim? Wat zal Ik u doen, Juda? Uwe barmhartigheid is als een ochtendwolk en als een dauw, die 's morgens voorbijgaat. Daarom heb Ik hen zoo streng, door mijne Profeten, bestraft, en heb Ik hen gedood, door de woorden mijns monds: en uw vonnis zal, als een licht, verschijnen. Want Ik wil barmhartigheid en geene offerande en de kennis van God liever dan brandoffers.

Verklaring. Osee verhaalt hier hoe de Joden, in hunne gevangenschap, elkander aanmoedigden, om tot den Heer terug te keeren, en hoe zij een spoedige verlossing van Hem verwachtten. Te dezer gelegenheid ziet en voorspelt de Profeet een verhevener verlossing, namelijk, de verlossing van Jesüs-Christus uit de gevangenschap van het graf en de verlossing der zielen, door hel lijden, den dood en de verrijzenis des Zaligmakers.

Gebed.

0 God, van wien Judas de straf zijner zonde, en de moordenaar het loon zijner belijdenis heeft ontvangen, verleen ons het uitwerksel uwer barmhartigheid, opdat, gelijk onze Heer Jesus Christus aan beiden, in zijn lijden, verschillende vergelding, volgens hunne verdiensten, heeft gegeven, Hij ons ook zoo, na de oude dwaling van ons te hebben weggenomen, de genade zijner Verrijzenis schenke, die met U leeft en heerscht, enz.

EPISTEL: Les uit het Boek Exodus XII, 1-11.

In die dagen, zeide de Heer tot Mozes tot Aaron, in het land van Egypte: Deze maand zal, voor n, het begin der maanden en de eerste, onder de maanden van het jaar, wezen.

365

ocr page 402

ONDERKICHT OVER

Spreekt lot de gansclie vergadering der kinderen Israels, en zegt hun: Ieder neme, op den tienden dag dezer maand, een lam voor zijn hnisge/.in en zijn huis. Doch indien het getal te klein en onvoldoende is, om het lam te jeten, zal hij zijnen gehuur, die naast zijn huis woont, bij zich nemen, volgens het getal zielen, die voldoende zijn, om het lam te eten. Dil lam moet, zonder vlek, .een mannetje, een jaar ond zijn, volgens welk voorschrift gij ook eenen bok znlt nemen. En gij zult het bewaren tol den veertienden dag van deze maand: en de geheele menigte der kinderen Israels zal het, tegen den avond, slachten. En zij zullen van zijn bloed nemen en het op beide deurstijlen strijken en op de bovenlijsten van de deuren der huizen, waarin zij het zuilen eten. En zij zullen, dien nacht, het vleesch, op het vuur gebraden, eten en ongezuurde brooden met wilde latuwe. Gij zult er niets rauw van eten, noch in water gekookt, maar alleen op het vuur gebraden: gij zult er den kop met de pooten en de ingewanden van eten; en er zal er niets van overblijven tot aan den morgen. Indien er iets van mocht overblijven, zult gij het in het vuur verbranden. Zóó nu zult gij het eten: gij zult uwe lendenen omgorden, en schoenen aan de voelen hebben, en eenen stok in de hand houden, en gij zult het haastig eten : want het is het Phase (dal is: de voorbijgang) des Hecren.

Verklaring. Het Paaschlam, dat door het Joodsche volk, op de door God voorgeschrevene wijze, moest geslacht en gegeten worden, ter gedachtenis aan de weldaad, dat de verdervende engel, die de eerstgeborenen der Egyplenaren doodde, de huizen der Israelieten gespaard had, en, ter herinnering aan den uittocht der Jodeu uit de Egyptische gevangenschap, was een zinnebeeld van het groote en ware Paaschlam, Jesus-Chuistus, dat, tot wegneming van de zonden der wereld, en tot verlossing der menschen uit de slavernij des duivels, op het hout des kruises, moest geslachtolferd worden.

Het lijden onzes Heer Jesus Christus,

Zie voren bhulzij lc 3iö,

Waarom heeft Jesus willen lyden en sterven?

Om daardoor Gods oneindige volmaaktheden te doen uitschijnen, voornamelijk; 1) zijne barmhartigheid, want zegt de

366

ocr page 403

GOEDEN VltUDAG.

H. 1'aulijs : God, die rijk is in barmhartigheid, heeft ons, icegens zijne overgroote liefde, waarmede Hij ons bemind heeft, en toen wij door de zonden dood waren, medelevend gemaakt, in Christus, (door wiens genade gij zalig zijt geworden) Ephcs. II, 4, en ons levend gemaakt met Hem, door ons al de misdaden te vergeven, na het legen ons zijnde handschrift des gebods, dat ons vijandig was, te hebben uitgewischt; en Hij heeft het uit het midden weggedaan door het aan het kruis te nagelen. Col. 11, 14. Wij waren dood en onbekwaam tot God te naderen, maar Hij kwam tot ons, verleende ons het leven der genade en niet dat leven den toegang tot het Hemelsdi Paradijs, waaruit wij, om onze zonden, voor eeuwig verbannen waren, opdat alle Engelen, alle volkeren, alle geslachten, alle inenschen Hem zouden prijzen en loven, zeggende; Looft den Heer, want Hij is goed, want zijne barmhartigheid is in der eeuwigheid (Ps. CVII, 1).

2) Om te voldoen aan de Goddelijke rechtvaardigheid. God eisehte een volkomene voldoening van het gevallene mensch-dom, om ons zijne oneindige rechtvaardigheid, alsmede de zwaarte, de boosheid, de afschuwelijkheid der zonde te doen kennen. quot;Ü vergde die voldoening van den mensch, en de mensch zelf moest die geven, want de menschelijke wil was schuldig, de menschelijke wil moest dan ook boeten. Doch wijl God oneindig groot is, vorderde de stipte rechtvaardigheid, dat de voldoening oneindig zou wezen, gelijk de heleediging, den Schepper aangedaan, oneindig was. Daarom vereenigde Gods Zoon, uit enkele liefde voor den mensch, uit gehoorzaamheid jegens den Hemelschen Vader, in zijnen Persoon de Goddelijke en menschelijke natuur: de eerste, om, als God, aan de voldoening een oneindige waarde te geven, en de tweede, om, als mensch, te voldoen voor den mensch en ter boeting voor de zonde tot den laalsten trap van menschelijke ellende te kunnen afdalen.

3) Gods wijsheid schittert ook op de treffendste wijze in liet lijden en den dood des Verlossers uit. Door de versmadingen, bespottingen, mishandelingen en pijnen, welke Jesüs verduurde, gaf de Allerhoogste den menschen een heilzame gedachte van zijne rechtvaardigheid, en boezemde hun tevens een grooten afkeer in van de zonde, welke zoo vreeselijk

367

ocr page 404

onderricht over

werd gestraft in den Persoon des Heilands, dien Hij, gelijk de H. Pa ij lus zegt (II. Cor. V, 21), zonde voor ons gemaakt heeft.

Het geheele lijden en de dood des Zaligmakers waren door David, Ps. XXI, Isaias Lil, LUI, Danicl IX, 26 en andere Profeten, reeds honderde jaren te voren, nauwkeurig voorzegd en moesten derhalve vervuld worden. Daarom zegt Jesus ook tot Petrus, die den dienstkneclit des Hoogepriesters een oor afsloeg: Steek uw zwaard weder in zijne plaats... Of meent gij, dat Ik mijtien Vader niet kan bidden, en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen Engelen zenden ? Hoe zouden dan de schriften vervuld worden, dat het aldus moet geschieden? Jesus geeft daardoor te kennen, dat Hij, indien Hij zich wilde verdedigen, de hulp van Petrus niet behoefde: doch dat Hij niet begeerde zich te verdedigen, omdat Hij, volgens Gods raadsbesluit, door de Profeten aan het Joodsche volk bekend gemaakt en in de Schriften opgeteekend, vrijwillig zou lijden en sterven, en, als een lam ter slachtbank geleid, geduldig den dood zou ondergaan. Jesus staafde, door zijn voorbeeld, de lessen van geduld, van ootmoedigheid en van onderwerping aan Gods wil, die Hij zijnen Leerlingen had gegeven. Hij zeide tot zijne Apostelen en Discipelen: Indien zij Mij vervolgd hebben, zullen zij ook u vervolgen (Joan. XI, 21). Zij zullen u uit de Synagogen bannen; ja, de ure komt, dal een iegelijk, die u doodt, meenen zal, Godc dienst te bewijzen (Joann. XVI, 2). Hij voorspelt zijnen Leerlingen, dat zij voor Hem zullen moeten lijden en als martelaars hun bloed voor het Evangelie vergieten. Hij wil hel hoofd, de koning, het voorbeeld zijner toekomstige martelaars zijn en hun toonen, hoe zij gelaten moeten lijden en heilig sterven. Nooit verscheen de heiligheid van Jesus in schitterender luister, dan in de laatste uren van zijn leven. Hij lijdt, geheel onschuldig. Hij lijdt voor de wereld, die zijne weldaden misbruikt; Hij lijdt, wat geen niensch ooit heeft geleden Met welk geduld, met welke waardigheid en verhevenheid, niet welke grootheid van ziel lijdt Hij niet? Stervend bidt Hij voor zijne vijanden, die Hem bespotten, lasteren, zijn bloed met voeten treden; Vader! zegl Hij, vergeef het hun; want zij weten niet, wal zij doen. «Waar is de mensch, zoo roept zelfs een ongeloovig schrijver hier

368

ocr page 405

goeden vrijdag.

uit, waar is de wijze, die zonder zwakheid, zonder pralerij

zoo handelen, zoo lijden, zoo sterven kan als Jesüs. Indien

Socrates (een beroemd wijsgeer der oudheid), als een wijze

stierf, dan stierf Jesüs als de ware Zoon van God.quot; — Laat

ons dankbaar wezen, voor de pijnen en smarten, welke de

Zaligmaker, om onzentwille, heeft verduurd; overwegen wij

dikwijls, voornamelijk in dezen heiligen Vastentijd, het lijden

des Verlossers en laat ons daaruit een groeten afkeer krijgen

van de zonde, die alleen de schuld draagt van alle folteringen

en versmadingen, welke de Heiland heeft ondergaan.

Voor wie bidt de priester, nadat de lij densgeschiedenis

gezongen is?

Voor de Kerk, den Paus, de Bisschoppen, de Priesters en alle andere geestelijken, voor hel volk, voor koningen en vorsten, voor de ketters, dat zij mogen wederkeeren tot de ware kudde des Heeren, voor de Joden, dat ook zij Jesüs-Christus voor den waren Messias mogen erkennen, voor de heidenen, dat zij de afgoderij verlaten, en zich tot den waren en levenden God bekeeren.

Wat doet de priester na deze gebeden gestort te hebben?

Hij neemt het omhulde kruis, keert zich naar het volk, maakt den sluierdoek los, ontdekt het hoofd des Gekruisten en zingt met diepe stem: «Zie het hout des kruises, waaraan het Heil der wereld hing.quot; En het koor antwoordt: «Komt, laat ons aanbidden!quot; Dan werpen zich alle aanwezigen op de knieën; de Priester een weinig naar boven, maakt den doek ter rechterzijde los, en zingt hetzelfde, met eenigszins hoogere stem; even zoo ten derde male, tot dat hel kruis geheel en al ontdekt is. — Die drievoudige vereering is een eerherstel, voor de drievoudige beschimping, welke de Joden hunnen Messias bij Caiphas, Pilatus en op het kruis aandeden.

Waarom wordt verder het onthulde kruisbeeld in het midden van het koor op een groot zwart kussen gelegd?

Ten teeken, dat de Heiland thans in het graf rust, alsmede om aan te duiden, dat Hij, om zoo te spreken, zijn rustbed, in den boezem der Kerk heeft opgeslagen, en bij haar blijft, tot aan het einde der wereld.

369

24

ocr page 406

onderricht over

Wat geschiedt daarna?

De Priester ontdoet zich van zijn schoeisel uit eerbied voor Christus, en om te beteekenen, dat wij den ouden zondigen mensch moeten uittrekken, indien wij Jesüs waardig willen aanbidden en aan de vruchten van zijn kruisdood willen deelachtig worden; vervolgens knielt hij driewerf voor zijnen gekruisten God neder, en kust diens voeten, om Jesus eenigermate de oneer te vergoeden, welke Hem, op dezen dag, door liet Joodsche volk, de soldaten en de beulen werd aangedaan.

Wat wordt er door het koor, onder deze aanbidding

gezongen?

Een klaaglied, dat eigenlijk zinspeelt op de Joden, die al het goede, dat Jesus hun bewezen had, vergolden met den woes-ten kreet: Kruisig Hem, weg met Hem;quot; doch dat ook toepasselijk is op de ondankbare Christenen, die den glorievollen naam des Heeren dragen, maar Hem door hunne daden verloochenen en door hunne zonden, voor zoo ver het in hunne macht is, op nieuw kruisigen.

Tusschen de afwisselende strofen van dit treurlied, zingt een koor in de Latijnsche en een ander in de Grieksche taal; Heilige God ! Heilige Sterke ! Heilige Onsterfelijke ! Ontferm U onzer. Daarna bezingen de koren beurtelings den lof van het kruis en noodigen alle tongen uit, om den glorierijken triomf, dien Jesus, door zijn dood, behaald heeft, te verkondigen, en Hem daarvoor te eeren en te aanbidden.

Wat volgt hierop?

De Priester gaat, in zwart misgewaad, in statigen optocht naar het heilig Graf, en draagt den kelk met het Allerheiligste naar het hoogaltaar. Het onbloedig Misoffer wordt niet opgedragen, wijl Christus op dezen dag het bloedig offer opdroeg; er wordt geen brood of wijn geconsacreerd, maaide H, Hostie van den vorigen dag wordt opgeheven, aan het volk ter aanbidding vertoond, en dan genuttigd.

Welke godsvruehtoefeningen kan men heden verrichten?

Men kan den Kruisweg bidden; Christus bezoeken in het heilig Graf; Hem voor zijn bitter lijden danken; de liefde overwegen, welke de stervende Jesus ons betoond heeft. Ziet, zegt de H. Augustinus, Hij levert zijn lichaam aan de beulen

570

ocr page 407

goeden zaterdag.

over, om ons te verlossen, Hij strekt zijne armen uit, om ons den broederkus te geven. Hij laat zijne zijde openen, om ons te beminnen.

Troostleer van den H. Augustinus, getrokken uit liet lijden des Zaligmakers.

Ik bezit in alle wederwaardigheden geen krachtiger artsenij, dan het lijden en de wonden van Christus. Daarin slaap ik veilig en rust ik zonder vrees. Christus is voor ons gestorven. De dood heeft geen leed zoo bitter, dat niet, door den dood van Jesus, wordt zoet gemaakt. Zijn dood is mijne verdienste, mijne toevlucht, mijn heil, mijn leven en mijne verrijzenis. Wanneer een ergerlijke gedachte mij verontrust, dan verberg ik mij in de wonden van Christus. Wanneer het vleeseh mij ter neérdrukt, sta ik op, door de herinnering, aan de wonden mijns Heeren. Wanneer de duivel mij heimelijk belaagt, neem ik mijne toevlucht tot de barmhartigheid des Heilands, en de vijand wijkt van mij af. Wanneer de vlam der onkuischheid in mijn lichaam woedt, dan wordt zij, door de herhaalde gedachtenis aan de wonden mijns Heeren, uitgedoofd. Ik stel al mijne hoop en al mijn vertrouwen in het kostbaar bloed mijns Heeren Jesus, dat voor onze zaligheid zoo overvloedig is gestort. Dat bloed beurt mij op, wanneer de menigte mijner zonden mij kleinmoedig maakt en tot wanhoop wil brengen. Door dat bloed hoop ik volkomen vergiffenis mijner zonden te verkrijgen en eens tot U, o mijn God, te geraken! Amen.

Op Goeden Zaterdag.

Waarom wordt deze Zaterdag in het Missaal de Heilige Zaterdag genoemd?

Wijl Jesus-Christus, de Heilige der Heiligen, in wien en door wien ook wij zijn geheiligd, op dien dag, in het graf gerust heeft, zegt de H. Uupertus, en wijl de Kerk het nieuwe vuur en het doopwater zegent en wijdt.

Waarom wordt heden nieuw vuur gew\jd?

In de eerste eeuwen der Kerk, was het gebruikelijk, iederen dag, na de Laudes, de lampen der kerk uit te doo-ven. Gedurende den dag, verlichtte de heldere zon de hei-'ige plechtigheden; des avonds, vóór de Vespers, werd telken

371

ocr page 408

onderricht over

dage nieuw vuur uit een steen geslagen, en met dit nieuwe vuur stak men de kerklichten aan. Thans gebeurt zulks alléén op Goeden Zaterdag, maar het geschiedt dan ook met meer plechtigheid. — In paars gewaad gehuld, begeeft zich de Priester met zijne dienaren buiten de kerk, waar de benoo-digdheden voor het nieuwe vuur en tevens de wierook, die voor de paaschkaars moet gezegend worden, zijn neergelegd. Het vuur, dat zoo dadelijk uit den steen zal vonkelen, is het zinnebeeld van den Heer Jesus, die het ware Licht der wereld is. Men slaat dit vuur uit een steen, om ons te herinneren, dat de Goddelijke Verlosser de steen is, dien de Joden hebben verworpen, de steen, die hun de steen des aanstoots is geworden, terwijl Hij de hoeksteen werd, van het eeuwigdurend gebouw van Gods Heilige Kerk.

De lichtvonk, welke het metaal aan den steen ontlokt, stelt ons ook nog zinnebeeldig het groote geheim van dezen dag voor oogen: de Verrijzenis, namelijk, van onzen Godde-Hjken Heer, die als een alles doordringend vuur, uit zijn graf, dat met een zwareu steen overdekt was, en uit de harde rots, die Hem tot rustplaats diende, vol heerlijkheid en licht, te voorschijn trad.

Het graf des Heereu bevond zich buiten de muren van Jerusalem. De heilige vrouwen moesten zich derhalve buiten de stad begeven, toen zij het lichaam des Verlossers wilden balsemen. Zinnebeeldig wordt ons deze omstandigheid van de begrafenis en opstanding des Zaligmakers voorgesteld en herinnerd, wanneer de Priester de kerk verlaat, om, met het nieuwe vuur, ook de vijf wierookkorrels te wijden, die den balsem en de welriekende specerijen beteekenen, welke de vrome vrouwen medenamen naar het graf des Heeren.

Zoodra er vonken uit den steen geslagen zijn, en zij een licht ontvlambare stof hebben ontstoken, wordt dit nieuwe vuur gezegend. Alles, ook het vuur en licht, mag wel nieuw zijn, op dezen dag, waarop de Zaligmaker der wereld het groote Verlossingswerk voltooide, aan het geheele menschdom een nieuw en hooger leven schonk, en het aanschijn der aarde vernieuwde!

372

ocr page 409

GOEDEN ZATERDAG.

Terecht wordt ook dit nieuwe vuur, onder hef uitspreken van zinrijke gebeden, ge/.egend, bewierookt, en rnet gewijd water besproeid, want, het is voor den dienst der Kerk bestemd, en de Kerk bezigt niets van al het geschapene, dezer eens door God vervloekte aarde, zonder het vooraf te zuiveren door haren zegen, en te heiligen door haar gebed. Het is buitendien ook daarom billijk, dat dit nieuwe vuur door den zegen der Kerk worde geheiligd, omdat het de lichten van het altaar en de paaschkaars moet ontsteken, die beiden een zinnebeeld van den Heilige der Heiligen, van den verrezen Verlosser zijn.

Wat geschiedt daarna?

Zoodra over het vuur en den wierook den zegen der Kerk is uitgesproken, kleedt zich de diaken, ten teekeu van heilige vreugde, met de witte dalmatica. Van dezen oogenblik af, schemert de vreugde der Kerk in al hare verrichtingen door, en, als vaii verre, laat zij ons reeds den zegezang der overwinning hooren. De Priester keert, met zijne bedienaren, iu de kerk terug. De diaken draagt in zijne handen een rietstok, waarop een drietakkige waskaars bevestigd is. De rietstok verbeeldt de menschheid en het lijden des Zaligmakers, terwijl de drietakkige kaars een zinnebeeld is der Allerheiligste Drievuldigheid, die, wegens het groote Verlossingswerk, op dit uur plechtig wordt geprezen en geloofd. Bij het binnentreden der kerk, ontsteekt de diaken een tak der kaars, welke hij in zijne handen draagt. Reeds bij den dood des Verlossers, was het Oud Verbond verbroken, en het voorhangsel des tempels gescheurd : nu treedt het ware Licht der wereld te voorschijn, en verdrijft de laatste schaduwen der Oude Wet. De diaken knielt neder, heft den drietak omhoog en zingt luide: Lumen Christi: Het licht van Christus. In hel midden der kerk, en vóór het altaar doet hij datzelfde, terwijl hij telkens een andere kaars van deu drietak ontsteekt, en het koor daarbij iedere» keer antwoordt: Deo gr alias: Gode zij dank!

Wat beteekent de Paaschkaars?

De paaschkaars beteekent, voordat zij ontstoken is, de wolk, die Israels kinderen, bij hunnen iiittocht uit Egypte bedekte; ook den gestorven Chuistus in het graf; en wanneer zij ontstoken wordt en helder flikkert en brand, beduidt zij

373

ocr page 410

onderricht over

de vuurkolom, die het Joodsche volk in de woestijn geleidde: ook den verrezen Heiland, die, met licht en glans, omstraald, uit het donkere graf te voorschijn treedt. De vijf gaten, welke in de paaschkaars kruisgewijs geboord zijn, stellen de vijf wonden des Zaligmakers voor en de vijf wierookkorrels, die in deze gaten geplaatst worden, de specerijen, waarmede het ontzielde lichaam van Jesus werd gebalsemd.

Hoe wordt de paaschkaars gewijd?

De paaschkaars wordt neêrgezet op de plaats, waar gewoonlijk het Evangelie wordt gezongen, omdat zij Hem verbeeldt, die de goede tijding des heils aan het zondige mensch-dom heeft gebracht. Met de feestelijke dahnatica bekleed, nadert de diaken, na vooraf 's Priesters zegen te hebben ontvangen, tot bij de versierde fakkel. Daar heft hij, op een verheven toon, het onnavolgbaar Exultel aan, om in den lof der paaschkaars Hem te verheffen, dien zij verbeeldt. Heeft hij dien wondervollen nacht bezongen, die de stille getuige van Jesüs' Opstanding was, dan neemt hij de vijf gewijde wierookkorrels en plaatst ze, kruisgewijs, in de paaschfakkel. Daarna hervat de diaken den afgebroken zang van het Exultet, en zoodra hij de paaschkaars, in allersierlijkste bewoordingen, aan den eeuwigen Vader heeft opgedragen, ontsteekt hij haar aan het drietakkige licht. Door deze eenvoudige, maar zinrijke handeling, herinnert de diaken ons aan die groote waarheid des Geloofs, dat het voor ons vleesch geworden Woord, van alle eeuwigheid, door den Vader is geteeld; dat Hij God van God, Licht van Licht, ware God van den waren God, en in zelfstandigheid en wezen één met den Vader is. Een oogenblik later, worden de andere lichten der kerk met het gewijde vuur ontstoken, om ons te zeggen, dat de Heer Jesus, het eeuwige Woord des Vaders, het ware Licht, dat alle mensch verlicht, die in deze wereld komt. Nog eens hervat de diaken, op denzelfden feestelijken toon, den lof der paaschfakkel en stort vurige gebeden voor den Paus en den Bisschop, waarmede de wijding der paaschkaars volbracht is.

Waarom worden heden twaalf Profetiën gezongen?

Om te beteekenen, dat alle profetiën, die, van den beginne der wereld af, over den Messias gedaan werden, in Christus vervuld zijn.

374

ocr page 411

goeden zaterdag.

Welke ceremoniën hebben by de wijding van het doopwater plaats?

Processiosgewijs trekt de Priester met zijne bedienaren en het zangerskoor naar de doopvont, onder het zingen van den, voor dit oogenblik, zoo passenden psalm: Gelijk het hert dorst naar de bronwateren, zóó verlangt -mijne ziel naar U, o mijn God! De paaschkaars wordt bij deze processie voorop gedragen, ter herinnering aan de vurige kolom, die de kinderen van Israel, tc midden der duisternis van den nacht, door de wateren der Roode-Zee geleidde, waarin zij hunne redding vonden, gelijk de doopeling de zaligheid zijner ziel in de wateren der heilige fontein vinden zal. In een verheven en statigen zang, spreekt de Priester den zegen uit over deze wateren, die voor zoo velen wateren des heils moeten worden. Onder die zegeningen en gebeden verdeelt hij, kruisgewijs, het water, om ons te too-nen, dat het door de verdiensten des gek ruisten Verlossers de kracht erlangt de zielen te reinigen. Vervolgens raakt hij, met de vlakke hand, het water aan; en deze aanraking, door de gezalfde priesterhand, schenkt aan de vloeistof een begin van bovennatuurlijke kracht, op grond van het Priesterschap van Jesus-Christus, waaraan de Priester, bij zijne heilige wijding, deelachtig werd. Dan maakt hij driemaal het teeken des kruises over het doopwater, en daarna scheidt hij het in vier deelen, en sprenkelt het naar de vier hoeken der wereld, ten teeken, dat deze bron van zaligheid, niet voor één uitverkoren volk alléén, maar voor alle volken der wereld geopend is. Onder deze ceremoniën, zingt de Priester, op den statigen toon der Prsefatie, verschillende, met zijne handelingen overeenstemmende, gebeden. Daarna doet hij, door zijn zegengebed, de kracht des Heiligen Geestes op deze wateren nederdalen. Doch, alvorens deze bede plechtig aan te hellen, stort hij eerst, op een min-verheven toon, een voorafgaand gebed, en ademt driemaal, kruisgewijs, over bel water, om zóó de werking van den H. Geest zinnebeeldig voor te stellen. Drie keeren dompelt hij de paaschkaars, die Christus, verbeeldt, door wien de H. Geest werd gezonden, in het water, terwijl hij driemaal, telkens op hoogeren toon, de volgende bede zingt: Dal de kraeht van den Heiligen Geest in de volheid dezer bron nederdale! Den derden keer laat

373

ocr page 412

ONDERRICHT OVER

hij de paaschkaars in het water staan, en zingt, na driemaal op hel water geblazen te hebben: Hij geve aan het gansche wezen van dit water de vruchtbare kracht, om de geestelijke wedergeboorte te bewerken! Dan neemt hij de paaschkaars uit het water, en eindigt het wijdingsgebed. Met dit gezegend vocht wordt het volk besproeid, en een gedeelte er van, voor den kerkdienst en het gebruik der geloovigen, ter zijde gezet.

Nn is de zegening des waters geeindigd, maar tot grootere eer en meerdere heiliging van deze bron, waarin zoovele zielen voor het eeuwig leven zullen herboren worden, giet de Priester iets van de H. Oliën, die op Goeden Donderdag werden gewijd, in de doopvont. Eerst mengt hij die der Catechumenen, dan het H. Chrisma met het doopwater, en eindelijk giet hij, telkens onder passende gebeden, te gelijker tijd de beide H. Oliën in die bron des heils, en de wijding der doopvont is volbracht.

Wat beteekent het doopwater en waarvan wordt het met zulke heerlijke ceremoniën gewijd?

Het beduidt het bloed van Christus, waardoor onze zielen gereinigd worden en waaronder de oude mensch, om zoo te spreken, begraven wordt, gelijk Farao onder de golven van de Roode Zee. De ceremoniën, die bij de wijding van het doopwater voorkomen, dienen om de uitwerksels van hel H. Doopsel voor te stellen en de menschen tot godsvrucht en eerbied voor te stellen en de menschen tot godsvrucht en eerbied jegens dit H. Sacrament op te wekken.

Waarom wordt slechts heden en op den vooravond van Pinksteren doopwater gewyd?

Wijl het H. Doopsel oudtijds voornamelijk op deze twee dagen werd toegediend.

Wat kan men onder de wijding van het doopwater verrichten?

Men hernieuwe de doopbeloften en bidde het volgende Gebed:

0 goedertierenste Jesüs! ik dank U, dat Gij ons door uw bloed, in het H. Doopsel, een bad ter afwassching onzer zonden bereid hebt, en vraag U de genade, dat ik en alle menschen de onschuld, welke wij in den H. Doop ontvangen hebben, ongeschonden mogen bewaren en daarmede voor uwen rechterstoel verschijnen.

376

ocr page 413

goeden zaterdag.

Waarom legt zich de priester na de wijding van het

doopwater, onder het zingen der Litanie van alle Heiligen, vóór het altaar neder?

Om God voor zijne weldaden te danken en Hem, door de voorspraak der Heiligen, te bidden, dat Hij de genade van het H. Doopsel aan alle menschen, en voornamelijk aan hen, die heden aan dit Sacrament zijn deelachtig geworden, moge mededeelen.

Waarom worden heden de altaren weder versierd?

Wijl de Kerk, op dezen dag reeds de Verrijzenis des Heeren begint te vieren; daarom legt zij ook hare rouwkleeden af, hult zich in het feestelijk gewaad en verkondigt hare vreugde door het klingelen der altaarschellen, de muziek van liet orgel, het gelui der klokken en het zingen van lofliederen. Het versieren der altaren kan ook zinnebeeldig voorstellen, dat Christus bij zijne Verrijzenis een onsterfelijk en heerlijk lichaam heeft aangenomen.

Wat komt in de Mis van dezen dag merkwaardigs voor?

De Mis van Paaschnacht begon oudtijds zonder Ingangspsalm, omdat het volk reeds sedert lang in de kerk vergaderd was; en ook thans nog wordt de Ingang der Mis weggelaten. Zoodra de Priester aan het altaar verschijnt, stemt het koor het Kyrie aan, en is dit geëindigd, dan weerklinkt, uit 's Priesters mond, het Gloria in excelsis, het loflied der Engelen, als de blijde mare, dat de boetetijd voorbij en het uur geslagen is, waarop wij ons, met den verrezen Heiland, moeten verheugen. De Collecte en de Epistel worden naar gewoonte gezongen, maar zoodra de Epistel geëindigd is, hoort men den zegekreet, die sinds Septuagesima niet meer in het heiligdom werd vernomen : Alleluia! zingt de Priester, Alleluia! antwoordt het koor. Driemaal herhaalt de Priester, telkens op hoogeren toon, dien kreet der overwinning, eu driemaal antwoordt het koor, met stijgende geestdrift: Alleluia! Alleluia! Alleluia! De overige plechtigheden der Mis worden als gewoonlijk verricht. Het Credo wordt weggelaten, omdat de doopelingen de geloofsbelijdenis voor hun doopsel luide hadden opgezegd: en het Offertorium, omdat de geloovigen, op dezen dag, geen brood of wijn voor den heiligen dienst ten offer brachten. De

577

ocr page 414

onderricht over

vredekus wordt, in deze Mis, niet gegeven, en het Agnus Dei, waarin, bij de derde maal om den vrede wordt gebeden, blijft mede weg, dewijl de dag nog niet verschenen is, waarop Christus zijnen Leerlingen zeide: Dc vrede zij met u! Op het einde der Mis, na de Communie, worden de Vespers gezongen, die zeer kort zijn, wijl deze Zaterdag het zinnebeeld is van den eeuwigen rustdag, die geene vespers, dat is, geen avond heeft.

Gebed der Kerk.

0 God, die dezen allerheiligsten nacht, door den luister der Verrijzenis des Heeren verlicht, bewaar in uwe nieuw aangenomen kinderen, den geest, dien Gij hun gegeven hebt: opdat zij, naar ziel en lichaam vernieuwd zijnde, U een zuiveren dienst mogen bewijzen. Door onzen Heer, Jesüs-Christus, enz.

EPISTEL: Les uit den brief van den Heiligen Apostel Paulus aan de Collossensers, III, 1—4.

Broeders! Indien gij dan mede-opgewekt zijt met Christus, zoekt hetgeen boven is, waar Christus is, aan de rechterhand Gods gezeten. Betracht hetgeen boven is; niet hetgeen op de aarde is. Want gestorven zijl gij, en uw leven is verborgen met Christus in God. Wanneer Christus, nw leven, openbaar worden zal, dan zult ook gij met Hem openbaar worden in heerlijkheid.

Verklaring. De Apostel vermaant de Christenen, die, door het Doopsel, met Christus verrezen zijn, dat zij slechts de schatten des Hemels, waar Christus zit aan de rechterhand Gods, en niet de goederen dezer aarde moeten zoeken. «Gij hebt,quot; zegt hij, «door het Doopsel, de zonde en het aardsche verzaakt, en uw waarachtig leven is een in God verborgen, onzichtbaar leven, gelijk Christus een voor de oogen der wereld in God verborgen leven leidt. Als Christus, uw leven, in het oordeel zal verschijnen, dan zult gij met Hem verheerlijkt worden.quot; Wij moeten, in afwachting dier verheerlijking, de zondige neigingen en de booze driften, die in onze ledematen wonen, versterven en alle zonden vermijden; doeu wij zulks niet, dan zullen wij ook geen deel aan de heerlijkheid van Christus in den Hemel hebben.

378

ocr page 415

goeden zaterdag.

Evangelie volgens den [1. Mattheus XXVIII, 1-7.

Op den laten avond nu van den Sabbat, bij het aanbreken van den eersten dag der week, kwam Maria Magdaleiva, en de andere Maria, het graf zien. En ziet, er ontstond een groote aardbeving; want een Engel des Heeren daalde van den Hemel, en naderde, en wentelde den steen af, en zat op denzelven. Zijn aangezicht nu was als een bliksem, en zijn gewaad wit als sneeuw. Uit vreeze voor Hem sidderden de wachters, en werden gelijk dooden. Maar de Engel, antwoorden-de^ zeide tot de vrouwen: Weest gij niet bevreesd; want ik weet, dat gij Jesus zoekt, die gekruisigd is. Hij is hier niet; want Hij is verrezen, gelijk Hij gezegd heeft. Komt, en ziet de plaats, alwaar de Heer gelegd was! En haastig heengaande, zegt aan zijne Discipelen, dat Hij verrezen is; en ziet. Hij gaat u vóór, naar Galilea; aldaar zult gij Hem zien. Ziet, ik heb h'*t u vooraf gezegd.

Verklaring. Maria-Magdalen a en eenige andere vrouwen kwamen, op den vroegen morgen van den Zondag, naar het graf, om het lichaam van Christus te balsemen; maar in plaats van Jesus, vonden zij een Engel, die haar verkondigde, dal de Zaligmaker werkelijk verrezen was. Deze vrouwen hadden dat gunstbewijs door hare liefde en haren ijver voor Jesus verdiend. — Christen, zoek ook den Verlosser in de vroegte, dat is, vóór al uwe bezigheden, door het gebed; draag Hem al uwe werken op; hernieuw dikwijls het voornemen. Hem getrouw le dienen, en Hij zal u dagelijks meer licht, troost en vreugde schenken, en uwe werkzaamheden zullen met een goeden uitslag bekroond worden, ol althans verdienstelijk voor den Hemel zijn.

379

ocr page 416

onderricht over het

Onderriclit over liet H. Paasclifeest.

Wat is Paschen?

Paschen is de dag, waarop Jesus-Christus van den dood verrezen is; zijn lichaam, waarmede zijne ziel zich weder ver-eenigd had, kwam nil het graf, dat verzegeld en met een groeten steen was gesloten, glorievol te voorschijn.

Waar bleef de ziel van Christus, van zynen dood af tot aan zyne verrijzenis?

In het voorgebergte der hel, dat is, in de plaats, waar de zielen der afgestorvene rechtvaardigen verbleven, lot dat de Hemel die nog voor hen gesloten was, door Jesus zon geopend worden.

Hoe zullen wij dit feest, op de beste wijze, vieren?

Door uit het graf der zonde tot het nienw leven der genade te verrijzen, gelijk Christus door de heerlijkheid des Vaders uit de dooden is verrezen (Rom. VI, 4).

Wat leert ons de Verrijzenis des Zaligmakers?

Dat onze lichamen, ofschoon zij in het gral tot stof en asch vergaan zullen, eens uit den dood zullen opstaan (Rom. VIII, 11). Want, zegt de H. Paulus, indien van Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de dooden verrezen is, hoe zeggen dan sommigen onder u, dat er geene verrijzenis der dooden is ? Maar, indien er geene verrijzenis der dooden is, dan is ook Christus niet verrezen (I Cor. XV, 12-13). Verder zegt dezelfde Apostel in zijn eersten Rrief tot de Thessalonicensers IV, 13: Indien wij gelooven, dat Jesus gestorven en verrezen is: zoo zal ook God hen, die in Jesus ontslapen xijn, mei Hem opvoeren.

Wat beteekent quot;alleluia,quot; dat in den Paaschtijd, zoo dikwyls, gezongen wordt?

Het is een vreugde-gezang, dat in onze taal Looft God beduidt en, in dezen tijd, ten teeken onzer vreugde over de Verrijzenis van Christus en onzer hoop op de eeuwige zaligheid, welke Hij ons daardoor heeft gegeven, aangeheven wordt.

Wat beteekenen de paascbeieren?

Zij zeggen ons, dat de tijd der versterving en der boete voorbij is en zijn, daarenboven, ook nog een beeld van 's Heeren Verrijzenis, en van onze toekomstige opstanding. Immers de uit-

380

ocr page 417

HEILIG PAASCHFEEST.

wendige harde schaal van het ei gelijkt den grafsteen, waardoor de Heer bij zijne Verrijzenis heen drong; zoo zullen ook wij op den jongsten dag, door de aarde, die ons zal oralnillen, heen dringen, even als het kuiken in het ei de schaal verbreekt, om daaruit levend te voorschijn te treden.

Ingang der Mis. Ik ben verrezen en ben nog met u ! Alleluia! Gij hebt uwe hand over mij uitgestrekt. Alleluia! Wonderbaar is uwe kennis. Alleluia, Alleluia! Ps. CXXXVII1. — Heer! Gij doorgrondt mij en kent mij; Gij kent mijn zitten en mijn opstaan. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

God, die heden, door uwen eenigeboren Zoon, do dood overwonnen zijnde, den toegang der eeuwige zaligheid geopend hebt, begunstig door uwe hulp de smeekingen, die uwe voorkomende genade ons ingeeft. Door denzelfden Jesus-Giiiustus,onzen Heer,enz.

EPISTEL: Les uit den eersten brief van den Heiligen Apostel Paulus aan de Corinthiërs V, 7 8.

Broeders! Zuivert het oude zuurdeeg uit, opdat gij een nieuw beslag moogt wezen, gelijk gij ongezuurd zijl. Want ook ons Paaschlam is geslacht, Christus. Zoo laat ous dan feest vieren, niet met het oude zuurdeeg, noch met het zuurdeeg van boosheid en ondeugd, maar met ongezuurde brooden van oprechtheid en waarheid.

Verklaring. De Apostel houdt den Corinthiërs in dezen Epistel het plichtmatige voor oogeu van een zondeloozen en reinen levenswandel. Hij zinspeelt op een voorschrift der Mozaïsche wet, naar hetwelk de Joden verplicht waren, vóór het Paaschfeest alle zuurdeeg uit hunne huizen weg te ruimen. Onder het beeld nu van het oude zuurdeeg verstaal de H. Paulus die ondeugden, waaraan de Corinthiërs zich vroeger, vóór hunne bekeering tol het Christendom, hadden overgegeven. Hij wil, dal het zuurdeeg van ontucht en andere ond(':igdeu door allen verwijderd worde, dat die ondeugden door niemand meer gepleegd worden, opdat zij een nieuw deeg, ecne gemeenschap van zedelijk vernieuwde inenschen zijn mogen, gelijk zij, als Christenen, in een zedelijken zin, ongezuurd waren, dat is, overeenkomstig hunne hoedanigheid van Christenen, bij wie, als zoodanigen, geen zuurdeeg van

381

ocr page 418

onderricht over het

ondeugd meer aanwezig gedacht wordt. Zij waren inderdaad ongezuurd want hun Paaschlam, namelijk Christus, was geslacht; en derhalve was alle zuurdeeg reeds weggedaan. Dewijl ons Paaschlam, Christus, dan geslacht is, zoo gaat de Apostel voort, en wij derhalve ongezuurd zijn, in de dagen der ongezuurde brooden, zoo laat ons dan feest-maai houden, de dagen van ons Paaschfeest vieren, niet met het oude zuurdeeg, dat is, met zuurdeeg van boosheid en ondeugd, maar met ongezuurde brooden, van oprechtheid en waarheid, dat wil zeggen, van een deugdzamen en onberispelijken levenswandel.

Victimse paschali laudes.

Zing luide 't Fccsldagslicd, den maatzang der victorie.

Nu vrome Christenschaar, weer 't Pascha voor u rijst;

Hef aan den blijden Psalm, den jubeltoon, ter glorie

Van Hem, wicn al, wal ademt, prijst.

De Godmensch siierf; zijn dood gaf ons het leven weder.

Hij rees in zegepraal herlevend uit het graf;

Het bloed van 't vlekloos Lam stroomt heilvol op ons neder.

En lost de schuld van allen af.

De Hel ontzet in toorn, en tracht haar prooi te ontrukken Aan die de wereld redt, maar bevend buigt zij 't hoofd;

De dood verbleekt, bij 't diep en siddrend nederbukken

Voor die haar arm van kracht berooft.

En Gij, Maria, zog, wat mocht uw oog aanschouwen 7

»lk zag, in 't flikkeren als bliksemschicht op schicht, quot;Den doode, dien 'k begroef, den God van mijn vertrouwen,

• Verrezen met het morgenlicht.

o Ik vond de windsels wel, maar 't grafgesticht verlaten;

Geen kluister van den dood hield Hem in 't stof gekneld, »Tot weerstand van wiens macht, geene aardsche krachten baten,

quot;En die den Satan heeft geveld.quot;

Hij leeft! Hem hopen wij; — dra zullen allen 't hooren

Dal Hij verrezen is, naar de uitspraak van zijn woord;

Dra zal zijn minlijk oog wcèr 't Jongren-hart bekoren,

In 't door Hem begenadigd oord.

o Gij, die, door uw dood, den Hemel hebt ontsloten.

Verwinnaar van het Graf, gezalfde Vorst en Heer,

Wil ons niet van 't bezit uws koninkrijks verstootcn,

Maar zie, in 't uur des doods, barmhartig op ons neer.

382

ocr page 419

HEILIG PAASCHFEEST.

Evangelie volgens den H. Marcus XVI, 1-7.

In dien tijd kochten Maria-Magdalena, en Maria, van Jacobus, en Salome, specerijen, om Jesus te komen balsemen. En zeer vroeg op den eersten dag der week, kwamen zij aan het gral, als de zon nu opgegaan was. En zij zeiden tot elkander! Wie zal voor ons den steen afwentelen van den ingang des grafs? En opziende, zagen zij den steen afgewenteld. Want hij was zeer groot. En in het graf gaande, zagen zij ter rechterzijde eenen jongeling zitten, omkleed met een wit lang gewaad; en zij ontroerden. En hij zeide tot haar: Weest niet ontroerd! Gij zoekt Jesus den Nazarener, den Gekruisigde. Hij is opgestaan, Hij is hier niet; ziet de plaats, waar zij Hem gelegd hadden. Doch gaat, zegt aan zijne Discipelen, cn aan Petrus, dat Hij u voorgaat naarGalilea; aldaar zult gij Hem zien^ gelijk Hij u gezegd heeft.

Wanneer is Christus verrezen?

De reeks dor dagen in de lijdensgeschiedenis des Zaligmakers is de volgende : Het eten des Paaschlams oi) Donderdag, des avonds; de veroordeeling, kruisiging en begrafenis op Vrijdag; de bewaking van het graf op Zaterdag; de Opstanding des Heeren op Zondag, den eersten dag der week. De Sabbat eindigde met het ondergaan der zon: de Opstanding had plaats in den vroegen aanvang van den Zondag in de Paaschweek. Christus, was derhalve den geheelen Sabbat (Zaterdag), een gedeelte van den voor-Sabbat (Vrijdag), en van den nacht des eersten dags der week (Zondag), in het graf.

Waarom wilden Maria-Magdalena, Maria van Jaeobns en Maria-Salome het lichaam van Jesus met specerijen

zalven?

Bij de Joden was het gebruikelijk, de lichamen der afgestorvenen te balsemen. Deze vrouwen wilden dat gebruik nakomen cn, wijl zij, door het invallen van den Sabbat, belet geworden waren het ontzielde lichaam van Christus te zalven, daarom kwamen zij reeds op den vroegen morgen van den Zondag, om dezen laatsten liefdedienst aan hunnen Verlosser

383

ocr page 420

onderricht over het

te bewijzen. Zij leeren ons daardoor i) dat de ware liefde noch lauw, noch traag, maar ijverig en bezorgd is, om datgene, wat Christus, den beminde, aangenaam is, terstond en zonder uitstel te volbrengen; 2) dat ook wij met specerijen naar het graf van Jesus moeten gaan, dat is, den geur aller deugden moeten verspreiden en den Heer, door een oprechte meening en goede werken, bezoeken.

Was de goede wil dezer vrouwe Gode aangenaam?

Ja; en zulks blijkt o. a. ook hieruit, dat, terwijl zij elkander treurig vroegen : »Wie zal voor ons den steen afwentelen van den ingang der grafstede? zij den steen reeds afgewenteld vonden en een Engel des Heeren, onder de gedaante eens jongelings, haar troostte, zeggende: Weest niet ontroerd, gij zoekt Jesus den Nazarener, den Gekruisigde; Hij is opgestaan. Hij is hier niet. — Laat ons daaruit leeren, hoe aangenaam Gode de ^werken der barmhartigheid zijn en beijveren wij ons, soortgelijke werken aan noodlijdenden te verrichten; want wat wij aan de armen doen, dat doen wij aan Christus zeiven.

Moest de Engel den steen afwerpen, opdat Christus kon

opstaan?

Neen; want Christus was reeds verrezen, vóór dat de Engel den steen had afgewenteld; maar de Engel deed dit, om te getuigen, dat de opstanding van Christus werkelijk had plaats gehad.

Waarom wilde de Engel daarvan eene bijzondere getuigenis afleggen?

Wijl de Verrijzenis van Christus de grondslag van ons geloof is; want ware Christus niet verrezen, dan zou ons geloof ijdel zijn, wijl dan niet bewezen was, dat Hij de Zoon Gods is en dus ook niet, dat de inenschen, door het geloof in Hem, zalig worden. Verder is onze eigene opstanding, uit het graf ten jongsten dage, door de Verrijzenis van Jesus, boven allen twijfel verheven geworden; want Christus is uit de dooden verrezen, als eersteling der ontslapenen. Dewijl, namelijk de dood is door een mcnsch, zoo is ook de verrijzenis der dooden door een mensch; en gelijk in Adam allen sterven, alzoo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden (1 Cor.XV,21-22).

384

ocr page 421

h oog-heilig paaschfeest.

Welk voordeel verschaft ons het geloof aan onze eigene

verryzenis?

1) Dat geloof boezemt ons een vurigen ijver voor de deugd en een grooten afkeer van de ondengd in, wijl wij bij onze opstanding nit de dooden, ter bevestiging van het bijzonder oordeel rekenschap zullen afleggen over onzen ganschen handel en wandel, en rechtmatig loon daarvoor ontvangen; voor het goed, namelijk, de eeuwige zaligheid, en voor het kwaad, de eeuwige straf. 2) Het geloof aan onze eigene verrijzenis is een groote troost in kruis en leed en in de wederwaardigheden en moeielijkheden van dit leven. »/rt alles wordun wij verdrukt, schrijft de H. Paülus aan de Corinthiërs II, IV, 8. 9. 10, maar worden niet beangst; twijfelend, maar niet vertwijfelend; worden vervolgd, maar niet verlaten; worden ter neder geworpen, maar komen niet om; ten allen tijde het sterven van Jesls in ons lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jesus geopenbaard worde in onze lichamen. II. Cor. V, 6. 7. 8. 9. 10. Wij hebben dan te allen tijde goedtn nwrd, ivetende dat wij, inwonende in hH lichaam uitwonen van den Heer; want wij wandelen in geloof, en nifl in aanschouwing; doch goeden moed hebben wij, en meer welbehagen om uit te wonen in het lichaam en in te iconen bij den Heer; daarom bevlijtigen wij ons, heizij uitwonende, hetzij inwonende. Hem welgevallig te zijn. Want wij allen moeten openbaar worden voor Cuiustls1 rechterstoel, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen des lichaams eigen is, naarmate hij bedreven heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.

Waarom zond de Engel de vrouwen tot de Leerlingen en voornamelijk tot Petrus?

Omdat de Leerlingen de Verrijzenis des Verlossers aan de geheele wereld moesten gaan verkondigen. Petrus was het hoofd der Apostelen en voortdurend bedroefd, dat hij den Heer Jesus driemaal verloochend had; Petrus moest derhalve deze vreugdevolle tijding vóór alle anderen ontvangen en daardoor bijzonder vertroost worden. — Leer hieruit, dat God een oi)t-moedig en vermorzeld hart niet versmaadt.

Wat moeten wij vooral doen in dezen heiligen Paaschtijd?

Onzen naaste volgaarne het onrecht vergeven, dat hij ons

38S

25

ocr page 422

onderuicht over het

heeft aangedaan, wijl Christus ook ons, in deze dagen, vergiffenis onzer zonden hoeft verworven.

Verzuchting. Ik verheug mij van ganscher harte, o mijn Jesus! dat Gij, met uwe vijf wonden, als met zooveel kostbare edelgesteenten versierd, roemvol uit het graf zijt opgestaan. Verleen ons de genade, bid ik U, door de overwinning, welke Gij op den dood, den duivel en de hel behaald hebt, dat wij onze kwade neigingen en booze driften versterven, een nieuw leven aangaan en niet meer door de zonden sterven. Amen.

Onderricht over de VerrijzenLs des Zaligmakers

Jesus-Christus had, gedurende den loop van zijn sterfelijk l( gt;ven, herhaaldelijk voorspeld, dat Hij, na zijnen kruisdood, ten derden dage, uit liet graf zou opstaan. Hij gaf zijne Verrijzenis zelfs aan, als een overtuigend teeken, waaraan niet alleen de Aposelen, maar zelfs de ongeloovige Joden zouden kunnen erkennen, dat Hij de Zoon van God is: Het hoos en overspelig geslacht, zeide Hij, eischt een tecken, maar hem zal g--en teeken gegeven worden, dan het teeken van den profeet Jonas. Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten in den buik van het zeejedrocht geweest is, alzoo zal de Zoon des memchen drie dagen en drie nachten in het hart der aarde zijn. Mattii, XII, 39 40.

Deze voorzegging was aan de Joden bekend: immers, daags na den dood van Christus, kwamen de Opperpriesters en Parizeen tot Pilatus eu zeiden hem: Heer.' wij herinneren ons, dat die verleider, toen Hij nog leefd'', gezegd heeft: Ik zal na drie dagen verrijzen. Gebied dus, dat het graf tot denderden dag bewaakt worde, opdat met wellicht zijne discipelen komen, en Hem stelen, en aan het volk zeggen: iTij is van de dooden verrezen: en de laatste dwaling zal erger zijn, dan de eerste. Matth. XXVII, 63-64. Pilatus stemde toe en antwoordde: Gij hebt eene wacht, gaat, gt;n bewaakt het, gelijk gij goedvindt. Mattii. XXVII, 65. Zij gingen dan het graf met wachters bezetten, en den steen verzegelen. Matth. XXV11, 66.

Op Zondagmorgen ontstond er eensklaps, in den naasten omtrek der plaats, waar Jicsts begraven lag, eene groote aardbeving; een Engel, met een aangezicht als een bliksem, en

386

ocr page 423

hoog-i1kiug paaschfeest.

587

een gewaad wit als sneeuw, daalde van den Hemel, naderde en wentelde den steen weg, die voor de opening der grafstede geplaatst was en zette zich neder op dien steen (Matth. XXVIII, 2). De wachters werden door deze plotselijke verschijning met een doodelijke vrees bevangen, eenigen vluchtten naar de stad, en gaven aan de Opperpriesters bericht, van heigeen er bij het graf van Jesus gebeurd was. Dezen nu vergaderden met de Oudsten, en, na met elkander geraadpleegd te hebben, hoe zij het zouden aanleggen, om die voor hen zoo verpletterende getuigenis der wacht te onderdrukken, besloten zij de wachters met geld, om te koopen on spraken tot de soldaten: Zegt: zijne Discipelen zijn in den nacht gekomen en hebben Hem gestolen, ais wij sliepen; en indien dit den landvoogd ter oore mocht komen, zoo zullen wij hem tevreden stellen, en zorgen, dat gij veilig zijt. Matth. XXVIII, 12 13. 14. dat wil zeggen : Vreest niet, dat Pilatus u zal straffen, wanneer gij zegt, dat gij hebt geslapen in plaats van te waken, vertrouwt op ons, er zal u hierover geen leed wedervaren. De soldaten namen het geld, deden gelijk hun geleerd was, en verspreidden onder hel volk de leugen : dal het lichaam van Jesus, door zijne Leerlingen, gestolen was, terwijl de wachters sliepen. (Mattii. XXV11I, lo). Nooit is er onbeschaamder leugen verspreid geworden. — ,,De Leerlingen hebben het ontzielde lichaam van Jesus gestolen!! dus schrijft de II. Augustinus. Doch wie zijn de getuigen van dezen diefstal? De soldaten, die bet graf bewaken? Gij zegt echler, dat zij geslapen hebben, hoe konden zij zien, wat tijdens hunnen slaap geschied is? Gij voert derhalve slapende getuigen aan? Waarlijk, gij zeiven slaapt, die u op zulke getuigen beroept.quot; Waarom werden deze slapende wachters, indien zij wezenlijksliepen, niet wegens plichtverzuim bestraft, zooals zij het alsdan verdienden? De soldaten, die den H. Petris in de gevangenis bewaakten, werden, hoe onschuldig zij ook waren, ter dood veroordeeld, toen men de ontvluchting des Apostels ver-vernam; en de krijgsknechten, die de wacht hielden bij het graf des Verlossers, opdat zijne Discipelen Hem uiet zouden stelen en aan het volk zeggen Hij is verrezen, blijven ongestraft, ofschoon zij zeiven bekennen, dat zij geslapen hebben, in plaats van te waken. Wat meer is, zij ontvingen geld van de Opper-

ocr page 424

onderricht over het

388

priesters, opdat zij aan het volk zouden zeggen, dat de Discipelen des Heilands het lichaam huns Meesters gestolen hadden, tor-wijl zij sliepen. — üe leerlingen hadden het lichaam des Zaligmakers ontvreemd!? Wat waren de Leerlingen voor mannen? De vreesachtigste menschen der wereld, eenvoudige visschers. Bij de gevangenneming van hunnen Meester, waren zij verheugd hun eigen leven te redden, lieten Hem aan zijn treurig lot over namen schier allen de vlucht en verborgen zich, uit vrees voor de Joden. Deze vreesachtige Leerlingen zijn dan eensklaps veranderd in dappere mannen, die de wapenen eener talrijke Romein-sche soldatenwacht niet vreezen, den grooten, zwaren steen met geweld van het gral' afwentelen en oenen stap wagen, waarvoor eene gansche bende waaghalzen zoude teruggedeinsd zijn? Zoo iets zeggen is belachelijk en wel destemeer, wijl do Apostelen zeiven er het grootste belang bij hadden, om te zien of Jesüs, volgens zijne voorzegging, zou verrijzen, ja dan neen. Indien hij niet verrees, zouden zij zich ongetwijfeld beklagen, dat zij zich, gedurende drie jaren, hadden laten misleidon, door eenen bedrieger, die dood was en dood bleef en aldus hol beloofde hoofdbewijs, voor do waarheid van zijnen nieuwen godsdienst niet geven kon. —- üo Apostelen hielden zich dan ook, na den dood des Zaligmakers, verscholen en wachtten don loop dor gebeurtenissen af. Eensklaps kwamen eenigo vrouwen, die hol graf des Hoeren bezocht hadden, hun verkondigen, dat zij don verrezen Jesus gezien haddon, en de Apostelen hechtten geen geloof aan het woord dezer vrouwen. Jesus verscheen verder aan Simon-Petrus, daarna aan twee Leerlingen, die zich naar Emmaüs begaven; deze verhaalden zulks aan de andere Discipelen, maar do overige Leerlingen geloofden hen niet. Eindelijk verscheen Jesus aan de elven, terwijl zij aan tafel zateii en Hij berispte hunne ongeloovigheid; Hij vertoonde zich in den kring zijner Leerlingen, die over zijne Verrijzenis spraken en zoide hun: Vrede zij u! Ik hen het', vreest niet!. Doch zij, beangst en verschrikt geworden, meenden eenen geest te zien. En Hij sprak tol hen: Wat zijt gij ontsteld? En waarom rijzen g'dachten in uwe harten op ? Beschouwt mijne handen en voHen: Ik ben het zelf; voelt en ziet! Want een geest heeft geen vleesch en beenderen, gelijk gij Mij ziet hebben. En als Hij dit gezegd had^

ocr page 425

hoog-heilig paaschfeest.

389

toonde Hij hun zijne handen en voeten. En als zij nog niet geloojden en van vreugde verbaasd mnen, sprak Hij; Hebt gij hier iets te eten? Zij dan boden Hem een stuk van een gebraden viich, en honigraat En als Hij in hun bijzijn gegeten had, nam Hij hetgeen overbleef, cn gaf het hun Luc XXIV, 36-43. Maar Thomas, een van de Iwaah en,. . was niet met hen, toen Jesüs kwam. De ander- discipelen dan zeiden tot hem: iVij hebben den Heer gezien Maar Hij zeide lol hen: Indien ik niet in zijne handen het merkte eken. van de nagelen zie. en mijnen vinger steke in de plaatse der nagelen, en mijne hand steke in zijne zijde, zal. ik niet gcloo-ven En na acht dagen waren zijne Discipelen wederom binnen, en Thomas met hen. Jesus kwam, als de deuren gesloten imiren, en st»nd in het midden, en sprak: Vrede zij u! Daarna sprak Hij tot Thomas; Steek uwen vinger hier.n, en zie mijne handen, en neem uwe hand, en leg die in mijne zijde; en wees niet ongeloovig, maar geloovig! Thomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Heer, en mijn tied! Joan. XX 24-28. Alle Apostelen, eenige godvruehtige vrouwen en meer dan vijf honderd leerlingen (I Cor. XV, 6) hebben den verrezen Heiland gezien, ja, Hij klimt zelfs, in het bijzijn zijner Discipelen, ten Hemel op. Vijftig dagen na de opstanding van Chiustüs, betuigt de H. Pütrus te Jerusalem in het openbaar, met luider stem, in tegenwoordigheid van allo volken, die er bijeengekomen waren, de Verrijzenis van Jesus-Christus. Hij zegt, dat hij zelf, met zijne eigene oogeu, den verrezen Zaligmaker gezien heeft en dat alle andere Leerlingen Hem ook gezien hebben (Hand. 11, 32.). De Priesters en de Parizeen durven deze getuigenis niet logenstrad'en, door eenig bewijs of kenteeken bij te brengen, om de Apostelen van bedrog te over-tuigen. Eenigen lijd daarna,geneest de H. Petrus, in naam van Jesüs-Chkisïüs, eeneu kreupele, en zegt andermaal tot het volk, dat JKsus-CnuisTCs verrezen is, « at hij en zijne medegezellen er getuigen van zijn. (Hand. 111. ia,) Hij wordt gevangen genomen, men brengt hem met Joannes voor de Priesters, daar legt hij opnieuw de getuigenis af van de Verrijzenis Jes Heeren Jesus, in wiens naam hij dezen kreupele genezen heeft. (Hand. IV, 10.) De reehters ondervragen hem daarover niet. zij bestraffen hem niet, /.ij spreken hem niet tegen, zij ontkennen niet, wat hij zegt, maar vergenoegen zich met hem het prediken te verbieden.

ocr page 426

onderiucht over

Gelijk Petrus, getuigen ook alle andere Apostelen, dat Jesus waarachtig verrezen is; wat meer is, allen zijn, ter bevestiging dezer getuigenis, den marteldood voor Jesus-Christus gestorven, de H. Joannes uitgenomen, die op eene wonderdadige wijze den dood ontkwam. Jesus is dan waarlijk van den dood verrezen. Onder al de mirakelen, door den Goddelijken Verlosser in de wereld verricht, is er geen belangrijker en dat grootere gevolgen heeft, dan zijne Heilige Verrijzenis. — Jesus verrijst, de dood is overwonnen en diens rijk voor altijd vernietigd. — Jesus verrijst, het kruishout zegeviert, de leer van de Godheid des Zaligmakers wordt door dat verbazend wonder bevestigd, en al zijn overige mirakelen worden op de luistervolste wijze bekroond. Jesus verrijst van den dood en de voorheen wankelende Apostelen scheppen moed, de afgoderij en de goddeloosheid worden verdelgd, de toekomstige opstanding der afgestorvenen en de onsterfelijkheid der /.iel krijgen eenen nieuwen steun en de waarheden van den Christenlijken godsdienst worden door een onmiskenbaar teeken bekrachtigd. — Laat ons den Verlosser daarvoor danken, en volgen wij zijne heilige Verrijzenis, op eene geestelijke wijze, na: gelijk Jesus is opgestaan uit den dood, zoo moeten wij opstaan uit den dood, zoo moeten wij opstaan uit den dood der zonde; gelijk Jesus is verrezen uit het graf, zoo moeten wij verrijzen uit het graf dei-lauwheid en onverschilligheid in liet geloof; gelijk Jesus is verrezen, om niet meer (e sterven, zoo moeten ook wij verrijzen naar de ziel, om altijd te leven, door de liefde Gods en de heiligmakende genade.

Onderricht over Paasclimaandag,

De Kerk vergelijkt, in den Ingang der Mis, de ontsluiting van den toegang des Hemels door den dood en de Verrijzenis des Zaligmakers bij den intocht der Israelieten, onder Josuë, in het beloofde Land: «De Heer heeft u ingevoerd in het land, vloeiende van melk en honig, alleluja: opdat de wet des llee-ren steeds in uwen mond zij, alleluja, allelujaquot; Ps. CIV. Belijdt den Heer, en roept zijnen naam aan: verkondigt zijne werken onder de volkeren. Eere zij den Vader, enz,

590

ocr page 427

PAASCHMAAiNDAO

Gebed der Kerk.

0 God, die der wereld, door het Paaschrpest, middelen ter zaligheid verleend hebt, ondersteun uw volk, bidden wij U, met uwe Hemelsehe gave, opdat het de volmaakte vrijheid bekome en tot liet eeuwige leven moge geraken, door Jesus-Christüs, enz.

EPISTEL: Les uit de Handelingen der Apostelen X, 37-43.

In die dagen sprak Pkïrüs staande in het midden des volks: Mannen, broeders, gij weet het woord, dat geschied is door geheel .Indea; want het is aangevangen van Galilea, na den doop, welken Joannes gepredikt heelt: Hoe God Hem, Jesus van Nazareth, gezalfd lieelï met den Heiligen Geest en met kracht, en Hij overal doorgetrokken is, weldoende, en genezende allen, die van den duivel overweldigd waren; want God was met Hem. En wij zijn getuigen van al hetgeen Hij in liet land der Joden en in Jerusalem gedaan heelt; dien zij gedood hebben, Hem hangende aan een hout; Hem heelt God ten derden dage opgewekt, en Hem gegeven, geopenbaard te worden, niet aan het gansche volk, maar aan de getuigen, van (iod vóórbeschikt, aau ons, die met Hem gegeten en gedronken hebben, nadat Hij uit de dooden is opgestaan. En Hij lieel't ons geboden, den volke le prediken, en te getuigen, dat Hij is degene, die van God gesteld is tot Rechter over levenden en dooden. Van Hem geven alle de Profeten getuigenis: dat allen, die in Hem gelooven, door zijnen naam vergeving van zonden ontvangen.

Verklaring. De H. Petrus sluit zijne predikatie over de Verrijzenis des Heeren niet de leer, dal allen, die in Christus gelooven, door Hem vergillenis hunner zonden verkrijgen. Hiertoe wordt echter niet een algemeen, een dood geloof, gelijk ook de duivelen hebben, maar een werkzaam, een levend gelool vereischt, dat alles, wat men gelooft, door werken volbrengt. Zonder een dusdanig geloof is de zaligheid onmogelijk.

Evangelie volgens den H. Lucas XXIV, 15-35.

In dien tijd gingen twee Discipelen van Jesns, op denzelfden dag naar een vlok. hetwelk zestig stadiën van Jerusalem gelegen was, met name Eminaüs. En

391

ocr page 428

onderricht over

392

zij spraken met elkander over al hetgeen er gebeurd was. En het geschiedde^ terwijl zij te zamen spraken en redewisselden niet elkander, dat ook Jesus zelf bij hen kwam, en met hen ging; maar hunne oogen waren verhinderd, dat zij Hem niet herkenden. En Hij sprak tot hen: Welke zijn de reden^ die gij, wandelende, met elkander wisselt, en waarom zijt gij treurig? En de eene^ met name Cleophas, antwoordde, en zeide tot Hem: Zijt Gij alleen vreemdeling in Jerusalem, en weet Gij niet, wat in deze dagen daarin geschied is? En Hij sprak tot hen: Wat? En zij zeiden: Aangaande Jesus den Nazareener, die een Profeet was, een man, machtig in werken en woorden, voor God en al het volk. En hoe onze Overpriesters en Oversten Hem tot de straffe des doods overgeleverd, en Hem gekruisigd hebben. Wij echter hoopten, dat Hij het was, die Israel zoude verlossen. Doch nn is het, na dit alles, heden de derde dag, sedert deze dingen geschied zijn. VIaap ook hebben ons sommige vrouwen uit de onzen ontsteld, die vóór het licht aan het graf geweest zijn; en. zijn lichaam niet vindende, kwamen en zeiden, dat zij ook eene verschijning van Engelen gezien hadden, die zeggen, dat Hij leeft. En sommigen uit de onzen zijn naar het graf gegaan, en hebben zoo bevonden als de vrouwen gezegd hadden; Hem echter vonden zij niet. En Hij sprak tot hen: O onverstandigen en tragen van harte, om alles te gelooven, hetgeen de Profeten gesproken hebben! Moest de Christus niet dit lijden, en aldus ingaan in zijne heerlijkheid? En beginnende van iMozes en alle de Profeten, verklaarde Hij hun, in alle de schriften, hetgeen er van Hein stond. En zij naderden het vlek, waarheen zij gingen: en Hij gedroeg zich, als wilde Hij verder gaan. En zij noodigden Hem, en zeiden: Blijf bij ons; want het wordt avond, en de dag is alreeds gedaald. En Hij ging metjhen

ocr page 429

paasciijiaandag

binnen. Rn het geschiedde, als Hij met hen aanzat, dat Hij het brood nam, en zegende, en brak. en aan hen galquot;. Toen werden lumne oogen geopend, en zij kenden Hem: maar Hij verdween uit hunne oogen. En zij zeiden tot elkander: Was niet ons hart brandende in ons, toen Hij op den weg sprak, en ons de Schriften opende? En terzelfder ure opstaande, keerden zij terug naar Jerusalem; en zij vonden de elven, en die met hen wareu, bijeen vergaderd, die zeiden: De Heer is waarlijk verrezen, en is aan Simon verschenen! En zij verhaalden, wat op den weg geschied was, en hoe zij Hem in het breken des broods hadden erkend.

Waarom voegde Jesus zich bij deze Leerlingen?

Omdat zij over Hem spraken. Jusus zal ook ons vergezellen, wanneer wij over Hem en over zijn woord spreken; wanneer wij echter onzuivere, goddelooze gesprekken voeren, dan drijven wij Hem van ons weg.

Waaromzeggen de Leerlingen tot Jesus; »Zijt Gij alleen vreemdeling in Jerusalem, en weet Gij niet, wat er in deze dagen geschied is?quot;

Zij honden Jesus voor eenen van die duizenden vreemdelingen, die naar Jerusalem gekomen waren, om het Paaschfeest te vieren. De zin hunner woorden is deze : Hoe kimt gij nog vragen, waarover wij spreken? Kan het onderwerp van ons gesprek wel iets anders zijn, dan hetgeen dezer dagen te Jerusalem is voorgevallen? Ais gij daarvan onkundig zijt, dan zijt ge voorzeker wel de eeuigste vreemdeling in Jerusalem, die dal niet weet.

Was Christus genoodzaakt te lijdeu, daar Hij zegt: ■Moest de Christus niet lijden en aldus ingaan in zijne heerlijkheid?

Geenszins, want Hij heelt zich, gelijk Isaias zegt, vrijwillig den dood prijs gegeven, hetwelk ook nog hieruit blijkt, dat Hij zich vrijwillig in de handen der Jodeu overleverde. Maar de Profeten hadden voorzegd, dat de Messias zon lijden, en sterven en bijgevolg moest zulks ook gebeuren, zouden de H, Schriften vervuld worden,

593

ocr page 430

ONDERRICHT OVER

392

zij spraken met elkander over al hetgeen er gebeurd was. En het geschiedde, terwijl zij te zamen spraken en redewisselden met elkander, dat ook Jesus zelf bij hen kwam, en met hen ging; maar hunne oogen waren verhinderd, dat zij Hem niet herkenden. En Hij sprak lot hen: Welke zijn de reden, die gij, wandelende, met elkander wisselt, en waarom zijt gij treurig? En de eene, met name Cleophas, antwoordde, en zeide tot Hem: Zijt Gij alleen vreemdeling in Jerusalem, en weet Gij niet, wat in deze dagen daarin geschied is? En Hij sprak tot hen: Wat? En zij zeiden: Aangaande Jesus den Nazareener, die een Profeet was, een man, machtig in werken en woorden, voor God en al het volk. En hoe onze Overpriesters en Oversten Hem tot de straffe des doods overgeleverd, en Hem gekruisigd hebben. Wij echter hoopten, dat Hij het was, die Israel zoude verlossen. Doch nu is het, na dit alles, heden de derde dag, sedert deze dingen geschied zijn. Maar ook hebben ons sommige vrouwen uit de onzen ontsteld, die vóór het licht aan het graf geweest zijn; en, zijn lichaam niet vindende, kwamen en zeiden, dat zij ook eene verschijning van Engelen gezien hadden, die zeggen, dat Hij leeft. En sommigen uit de onzen zijn naar het graf gegaan, en hebben zoo bevonden als de vrouwen gezegd hadden; Hem echter vonden zij niet. En Hij sprak tot hen: O onverstandigen en tragen van harte, om alles te gelooven, hetgeen de Profeten gesproken hebben! Moest de Christus niet dit lijden, en aldus ingaan in zijne heerlijkheid? En beginnende van Mozes en alle de Profeten, verklaarde Hij hun, in alle de schriften, hetgeen er van Hem stond. En zij naderden het vlek, waarheen zij gingen: en Hij gedroeg zich, als wilde Hij verder gaan. En zij noodigden Hem, en zeiden: Blijf bij ons; want het wordt avond, en de dag is alreeds gedaald. En Hij ging met jhen

ocr page 431

paasciimaandag

binnen. Kn het geschiedde, als Hij met hen aanzat, dat Hij het brood nam, en zegendiv, en brak. en aan hen gafquot;. Toen werden hunne oogen geopend, en zij kenden Hem: maar Hij verdween uit hunne oogen. En zij zeiden tot elkander; Was niet ons hart brandende in ons, toen Hij op den weg sprak, en ons de Schriften opende? En terzelfder ure opstaande, keerden zij terug naar Jerusalem; en zij vonden de elven, en die met hen waren, bijeenvergaderd, die zeiden: De Heer is waarlijk verrezen, en is aan Simon verschenen! En zij verhaalden, wat op den weg geschied was, en hoe zij Hem in het breken des broods hadden erkend.

Waarom voegde Jesus zich bij deze Leerlingen?

Omdat zij over Hem spraken, .luscs zal ook ons vergezellen, wanneer wij over Hem en over zijn woord spreken; wanneer wij echter onzuivere, goddelooze gesprekken voeren, dan drijven wij Hem van ons weg.

Waaromzeggen de Leerlingen tot Jesus; »Zijt Gij alleen vreemdeling in Jerusalem, en weet Gij niet, wat er in deze dagen geschied is?quot;

Zij honden Jesus voor eenen van die duizenden vreemdelingen, die naar Jerusalem gekomen waren, om liet Faaschfeest le vieren. De zin hunner woorden is deze : Hoe kunt gij nog vragen, waarover wij spreken? Kan hot onderwerp van ons gesprek wel iets anders zijn, dan hetgeen dezer dagen te Jerusalem is voorgevallen? Als gij daarvan onkundig zijt, dan zijt ge voorzeker wel de eenigste vreemdeling in Jerusalem, die dal niet weet.

Was Christus genoodzaakt te lijden, daar Hij zegt;

■Moest de Christus niet lijden en aldus ingaan in zijne heerlijkheid?

Geenszins, want Hij heeft zich, gelijk Isaias zegt, vrijwillig den dood prijs gegeven, hol welk ook nog hieruit hlijkt, dat Hij zich vrijwillig in de handen der Joden overleverde. Maar de Profeten hadden voorzegd, dal de Messias zon lijden, en sterven en bijgevolg moest zulks ook gebeuren, zouden de H, Schriften vervuld worden.

o9o

ocr page 432

onderricht op den

Hoe heeft Jesus den beiden Leerlingen de H. Schrift verklaard ?

Hij licel't hun vermoedelijk, getoond, hoe zijn lijden en zijn dood in de Heilige Boeken waren voorspeld en afgebeeld geworden: hoe Hij, bijvoorbeeld, gelijk de onschuldige Jozef, was verkocht; hoe zijne geeseling door den bloedigen rok van Jozef, zijne kroning door den bok, die met de horens tusschen de doornen bleef hangen, zinnebeeldig waren voorgesteld; hoe Hij, gelijk [zaak, die zelf het hout droeg, waarop hij zou ge-slachtollerd worden, zijn kruis tot op den Calvarieberg had gedragen; hoe de verhelling der koperen slang door Mozes zijne kruisiging verbeeldde; hoe de oude offerdieren, en voornamelijk het Paaschlam, zijnen offerdood voorstelden; hoe Hij, gelijk Jonas, die, na drie dagen, in den buik van het zeegedrocht, te hebben doorgebracht, levend daaruit te voorschijn trad, ook drie dagen in den schoot der aarde doorbracht en roemvol uit liet graf verrees; eindelijk, hoe1 klaar en duidelijk Isaias en David zijn lijden voorspeld en, als vooral, beschreven hadden.

Waarom gedroeg Jesas zich als wilde Hij verder gaan?

Om zijne Leerlingen te beproeven, of zij Hem ook als een vreemdeling zouden beminnen en nitnoodigen, om bij hen te blijven.

Waaraan erkenden de Leerlingen den Goddelijken Verlosser?

Aan het breken des broods. Sommige Heilige Vaders en Schrijvers meenen, dat Jesus aan deze Leerlingen zijn Heilig Lichaam onder de gedaante van brood gegeven heeft. Anderen stemmen echter niet met hen in en zijn van gevoelen, dat deze twee Leerlingen hier slechts gewoon brood ontvingen.

Wat leeren wij uit dit Evangelie?

Wij leeren Jesus, dien wij, met Paschen, in het Allerheiligste Sacrament ontvangen hebben, te bidden, dat Hij voortdurend bij ons blijve; en verder dat wij ons moeten beijveren. Hem nimmer door eene doodzonde uit ons hart te verbannen.

394

ocr page 433

EERSTEN ZONDAG NA PASCHEN,

Onderricht op den eersten Zondag na Paschen,

Waarom wordt deze dag Do/ninica in al Ij is of wille Zondag

genoemd?

De vooravond van Paschen was eertijds de grootste dag. waarop liet H. Doopsol aan do Catechumenen werd toegediend. De doopelingen werden dan bekleed met een sneeuwwit gewaad, het zinnebeeld der reinheid en der onschidd, waarin zij, door dit Heilig Sacrament, waren hersteld. Zij behielden deze witte doopkleederen tot op den vooravond van den volgenden Zondag, wanneer zij ze in de kerk terugbrachten. Door dit aloud gebruik heeft de eerste Zondag na Paschen don naam bekomen van Dominica in albis of in aIbis deposilis, hetwelk zooveel zeggen wil als de Zondig na hel afleggtn der wille doopkleedcren.

Ingang der Mis. bAIs pasgeboren kinderen. Alleluja, begeert de geestelijke onvervalschte melk. Alleluja, Alleluja, Alleluja. Ps. LXXX. Verheugt u voor God, onzen Helper, jubelt voor den God van Jacob.quot; Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Verleen ons, bidden wij ü, almachtigo God, dat wij, met uwe hulp, door onze zeden, geheel ons leven belijden, wat wij op het Paaschfeest gevierd hebben, door onzen Heer, enz.

EPISTEL; Les uit den eersten Brief van den Heiligen ApostelJoannes V, 4-10,

Zeer geliefden, al wat uit God geboren is, overwint de wereld: en deze is de overwinning, die de wereld overwint, ous geloof. Wie is het, die de wereld ovorwini, dan degene, die gelooft, dat Jesus de Zoon Gods is? Doze is het, die } gekomen is door water en bloed, Jesus-Giiuistus, niet door het water alleen,,maar door het water en bloed! En het is de geest, die getuigt, dal Giiuistus de waarheid is. Want drie zijn er, die getuigenis geven in den Hemel: de Vader, hel Woord en de Heilige Geest: eu deze drie zijn één. En drie zijn er, die getuigenis geven op aarde; de Geest, en het water, eu het bloed; en deze drie zijn één. Indien wij de getuigenis

39o

ocr page 434

onderricht op den

der menschen aannemen, de getuigenis van God is grooter; deze nu is de getuigenis Gods, ciie grooter is, dat Hij van zijnen Zoon heelt getuigd. Wie in den Zoon Gods gelooft, die heelt Gods getuigenis in zieli.

VerMaring. De H. Joannes, zoowel in zijn Evangelie als in dezen Brief, stelde z'uh voornamelijk ten doel de Godheid van Jesus-Ciiristus, onzen Verlosser, (e bewijzen. Zulks doet hij in den Epistel van dezen Zondag, naardien hij zegt, dat Giiristus door Water en Moed is gekomen, dit wil zeggen, dal Hij de menschen, niet alleen door het Doopsel afgewasschen, maar hen ook door zijn voor hen vergoten bloed van zonden bevrijd en hunne verlossing bewerkt heef't, hetwelk Hij uiel had kunnen doen, indien liij uiel legelijkerlijd God en mensch ware geweest. Verder zegt de H. Joannes, dat de geest van Curistüs, dien Hij bij zijnen dood iu de handen zijus Vaders overgaf, van de Godheid en menschheid des Verlossers getuigt, want Jesus kon slechts sterven als mensch, en slechts als God zijn leven geven en weder hernemen, dat is, sterven en door zijne eigene kracht uit het graf verrijzen. Anderen meenen, dat hier van den H. Geest gesproken wordt. Wat hier ook van zijn moge, deze drie, het water, het bloed en de geest stemmen iu hunne getuigenis overeen. Overigens leggen er ook drie in den Hemel getuigenis af van de Godheid des Zaligmakers; de Vader, wijl Mij Hem zijnen Zoon noemde (Mattii. Ill, 17); hel Woord of de Zoon, die, ter bevestiging zijner leer, menigvuldige mirakelen verrichtte; de H. Geest, die, ouder de gedaante eener duif, over Christus nederdaalde (Luc. Ill, 22). Ook deze drie, zegt de II. Joannes, stemmen in hunne getuigenis overeen eu zijn ook één iu wezen, namelijk, één God iu drie personen. — Al wal uit God of door de genade, geboren is, overwint de wereld, dat is, al wat iu de wereld der zaligheid vijandig is; en deze overwinning op de wereld behalen wij door het geloof aan de Godheid van Christus, waardoor wij melde genade ijverig medewerken, en den Vader door den Zoon kracht en sterkte vragen, om over de wereld te zegepralen; wanl hel geloof, dat de wereld overwint, is geen dood, maar een levend celoof.

396

ocr page 435

EERSTEN ZONDAG NA PASCHEN.

Evangelie volgens den H. Joannes XX, 19-5i.

In dien lijd,, als het dan avond was, op dien dag, zijnde de eerste der week, en de deuren gesloten waren, waar de Discipelen vergaderd waren, uit vreeze voor de Joden: kwam Jesus, en stond in lief, midden, en sprak lot hen: Vrede zij u! En als Hij dit gezegd had, toonde Hij h un zijne handen en zijne zijde. De Discipelen dan verblijdden zich, ziende den Heere. Hij sprak dan wederom lol hen: Vrede zij u: Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zende Ik ook u. Als lüj dit gezegd had, blies Hij op hen, en sprak tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest! Wier zonden gij zult vergeven, dien worden zij vergeven; en wier zonden gij zult houden, dien worden zij gehouden. Maar Thomas, één van de twaalven, die genoemd wordt Didymus. was niet met hen, toen Jesus kwam. De andere Discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebbenden Heere gezien. Maar hij zeide tot hen: Indien ik niet in zijne handen het merkteeken van de nagelen zie, en mijnen vinger steke in de plaatse der nagelen, en mijne hand sleke in zijne zijde, zal ik niet gelooven. En na acht dagen waren zijne Discipelen wederom binnen, en Thomas met hen. Jesus kwam, als de deuren gesloten waren, en stond in het midden, en sprak: Vrede ziju! Daarna sprak Hij tot Thomas: Steek uwen vinger hierin, en zie mijne handen, en neem uwe hand, en leg die in mijne zijde; en wees niet ongeloovig maar ge-loovis! Thomas antwoordde, en zeide tot Hem: Mijn Heer, en mijn God! Jesus sprak lot hem: Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, hebt gij geloofd: Zalig, die niet gezien, en geloofd hebben! Jesus heeft wel nog vele andere teekenen in bijzijn zijner Discipelen gedaan, welke in dit boek niet beschreven zijn; maar deze zijn beschreven, opdat gij gelooft, dat Jesus de ciiuistus, de Zoon Gods is, en opdat gij, geloovende,het leven hebt in zijnen Naam.

597

ocr page 436

onderricht op hen

quot;Waarom wenscht Christus zijnen Leerlingen zoo dikwyls

den vrede?

Om te beteekeiien, dat de vrede een kostbare schat en een bijzonder kenteoken der kinderen Gods is (Matth. V, 9) en dat de zondaars, daarentegen, geen vrede bezitten (Isaias LVJ1, 20-21). Er bestaat een drievoudige vrede, namelijk: vrede met God, met ons zeiven en met onzen naaste. Jesüs heeft ons, door zijnen dood, den vrede met God verworven,, doch wij moeten ons beijveren, dien vrede zorgvuldig te bewaren, door ons van zonden te onthonden, ol wanneer wij in doodzonde gevallen zijn, hein, door eene oprechte boetvaardigheid, weder zoeken te verkrijgen. Een goed geweten schenkt ons den vrede met ons zeiven en wij leven in vrede met onzen naaste, zoo wij onzen eveninensch beminnen, gelijk ons zeiven, en liem van harte vergeven, wanneer hij ons beleedigt.

Waarom blies Christus op zyne Leerlingen?

Deze handeling van .Iksüs was het zinnebeeldig teeken van het verleenen des H. Geestes, welke met de woorden: Ontvangt dén II. Geest I door Jesus toen waarlijk en werkelijk aan zijne Apostelen verleend werd. Van Jesus, de bron van alle genaden, ontvingen zij hier de volheid des H. Geestes inwendig-, en in meer overvloedige mate, zoude de H. Geest ook uitwendig in zichtbare en hoorbare teekenen op hen komen, gelijk zulks op den Pinksterdag geschied is.

Waarom heeft God toegelaten, dat Thomas aan de verschyning van Christus niet gelooven wilde?

Om ons geloof daardoor te versterken, want Christus verscheen aan Thomas en de andere Apostelen, onder zulke omstandigheden, dat zijne opstanding uit het graf daardoor onbetwistbaar bewezen en ons geloof aan de Verrijzenis des Hee-ren boven allen twijfel verheven werd.

Had Thomas een goed geloof, wyl hij Christus zag?

Ja, want hij beleed terstond de Verrijzenis en Godheid van Jesus, naardien hij uitriep: nMijn Heer en mijn Godquot;.

Waarom heeft Christus zijn vijf heilige wonden, ook na zyne Verrijzenis, in zyn lichaam behouden, en ze zijnen Leerlingen getoond?

1) Om hen te overtuigen, dat Hij, na zijne Verrijzenis, het-zellde lichaam had, als ten tijde van zijn dood, en dat Hij

398

ocr page 437

eerstkji zondag na paschen.

dus werkelijk uit het graf was opgestaan. 2) Om ons zijn overgroote liefde te tooneu, waardoor Hij ons, om zoo te spreken, in zijne handen en voelen en in zijn hart had opgeteekend (Is ai as XL IX, 1G), ten einde ons hierdoor tot dankbaarheid en wederliefde te bewegen. 5) Om ons tol vertrouwen in Hem op Ie wekken, wijl zijn heilige; wonden lgt;ij den Hemelschen Vader voor ons bidden en smeeken. 4) Om den ongelukkigen, noodlijdenden en hnn, die bekoord worden, een toevluchtsoord in krnis en leed te verschallen. a) Tol schrik der onboetvaardige zondaars, wien Hij, in het oordeel, zijne wonden toonen en zeggen zal, wat Hij voor hen heeft geleden, en dat zij, door hunne schuld, aan zijn lijden niet zijn deelachtig geworden. — Laat ons aldus deugdzaam leven, opdat deze heilige wonden ons eens tot troost en niet tot schrik en schande mogen strekken.

Verzuchting. O goederlierenste Jf.süs, verleen ons, dat het kostbaar bloed, uit uwe vijf heilige wonden gevloten, voor ons en alle andere zondaren liet te vergeefs geslorl zij.

Is het verdienstelijk, niet eerder te willen gelooven, dan vooraleer men, hetgeen ons door het geloof wordt voorgesteld, met de oogen gezien heeft?

Geenszins, wijl zulks strijdig is met hel wezen des ge-loofs, hetwelk hierin bestaat, dat men, al wat (lod geopenbaard heel! en de H. Kerk ons voorhoudt te gelooven, voor vast en onfeilbaar houdt, ofschoon men het, met zijne oogen, niet zien kan. Daarom ook zeide Jesüs tot Thomas: Zalij, die niet gezien, en geloofd hebben! Joan. XX, 29.

Welke hoedanigheden moet het geloof bezitten?

Het moet 1) algemeen zijn: men moet alles gelooven, wat God geopenbaard heeft en de H. Kerk ons voorhoudt Ie gelooven, 2) vrij van allen twijfel, vast en onwrikbaar gelijk het geloof der Belijders en Martelaars, o) levend, dat is, liet moet zich ook door werken toonen.

Waarom is gelooven verdienstelijk?

Wijl men daardoor zijn versland in dingen, die men niet begrijpt, om zoo te spreken, gevangen geeft en aan Christus onderwerpt. (II. Cor. X, o).

399

ocr page 438

onderricht over den

Om welke beweeggronden moet men gelooven, opdat het geloof verdienstelijk zij?

Omdat God, de onfeilbare waarheid, ons de punten des geloofs geopenbaard heell en ze ons, door zijne Kerk, voor-lioudt te gelooven.

Waardoor kan men zeker weten, of God iets geopenbaard

heeft of niet?

Door zijne Kerk, welke door den Geest der waarheid geleerd (Joannes XVI, 13), en door Christus bestierd wordt, die met haar zijn zal tot aau liet einde der wereld (Matth. XXVIII, 20).

Hoe zal een Katholiek derhalve de opwerpingen kunnen beantwoorden, die tegen de H. Mis, het Vagevuur, enz. gemaakt worden ?

Hij moet zeggen; dit en soortgelijke pnnten geloof ik, wijl God, die de waarheid zelve is, ze geopenbaard heeft; en dal Hij ze geopenbaard heeft, geloof ik, wijl de Katholieke Kerk, die ze mij voorhoudt, ze te gelooven, de znil en grondslag dei-waarheid is en alle kenteekens der waarachtige en door God bestierde Kerk bezit.

Welke zyn de kenteekens, waaraan men de waarachtige Kerk kennen kan ?

Zij moet één, heilig, apostolisch en katholiek of algemeen zijn. Deze vier hoedanigheden bezit alléén de Katholieke Kerk, die daarom ook de alléén ware en zaligmakende Kerk genoemd wordt en is.

Waarin is de Katholieke Kerk één?

In hare leer, welke op alle plaatsen, onder alle volkeren en voor alle menschen dezelfde geloofsartikelen beval; in hare Sacramenten, die overal dezelfde zijn; in haar Opperhoofd, zoowel het onzichtbare, Christus, als het zichtbare, den Paus, den wettigen opvolger van den H. Petrus op den stoel van Rome; in de vereeniging van liisschoppen met het zichtbaar Opperhoofd den l'aus: Eén lichaam en één Geest, zegt de H. Paulus, Ephes IV. 4. o. G. gelijk gij geroepen zijl tot eene hoop uwer roeping; één Heer, één geloof, één doop, één (ïod cn Vader van allen, die daar is boven allen, en door alles, cn in ons allen.

De H. Cvprianus schrijlt reeds over de eenheid der Kerk: «Gelijk alle stralen van ééne zon uitgaan, en alle takken van

400

ocr page 439

bersten zondag na paschen.

éénen boom uit denzelfden wortel voortspruiten, zoo zijn alle over de aarde verspreide gemeenten aan ééne Kerk verbonden. Gelijk de straal slechts in de zon en de tak slechts aan den boom is, zoo is de ware Christen slechts in de gemeenschap der Kerk: wie daarin niet leeft, is een vreemdeling, een ongewijde en heeft geen aandeel aan de Kerk van Christus; want wie de Kerk niet voor moeder heeft, heeft God niet meer voor Vader; zelfs de marteldood van zulk een afgescheidene zou geene waarde hebben.quot;

Hoe is de Kerk Heilig?

In haar Hoofd, Christus; in hare leer, welke lot heiligheid voert; in hare ledematen, die de genade der heiligheid, de genade van het Doopsel en de vergilfenis der zonden ontvangen en Christus aangetrokken hebben; in het rechtmatig opdragen van het H. Misoffer, en in het heilzaam gebruik der Sacramenten, waardoor God de ware heiligheid bewerkt; kortom, zij is heilig, wijl zij het Lichaam van Christus is, door wien zij geheiligd en door wiens bloed zij afgewasschen is. (Calech. Hom.)

Waarom is zy Apostolisch?

Wijl zij hetzelfde leert, wat de Apostelen leerden; wijl zij dezelfde Sacramenten heeft, die de Apostelen hadden; wijl hare Bisschoppen en Leeraars door oen onafgebrokene reeks, tot de Apostelen opklimmen.

Waarom heet zij Katholiek of Algemeen?

1) Wijl zij, gelijk de H. Augustinus zegt, van den opgang tot aan den ondergang der zon, in den glans van één en hetzelfde geloof straalt en over den ganscheu aardbodem verspreid is. 2) Wijl zij in zich bevat, alle ware geloovigen van Adam at tot aan het einde der wereld, o) Wijl alle menschen, die tot de eeuwige zaligheid willen geraken, zich aan haar moeten onderwerpen en hare leer volgen. — Wij mogen evenwel onze dwalende broeders, die buiten den schoot der Kerk leven, niet tot de straffen der hel doemen: want wij weten niet, of zij, door hun eigen .schuld, in dwaling verkeeren; en verder is het ons ook niet geoorloofd iemand Ie oordeelen: hen die buiten zijn, zegt de H. 1'aulus, zal God oordeelen I. Cor. V, 13.

20

401

ocr page 440

ONItEliniCHT over den

Wij moeten veeleer den Allerhoogste bidden, dat Hij de dwa-

lenden verlichte en tot zijne Kerk terugvoere.

Is het ter zaligheid voldoende, dat men het ware geloof

bezit?

Neen; men moet ook volgens het geloof leven, al wat het beveelt door werken volbrengen, en al wat het verbiedt zorgvuldig mijden, want de Heiland zegt: Niet een ieder die lot Mij iep: Heere, Ueere! zal ingaan in het rijk der Hemelen, maar wie den uil doet mijns vaders, die in de Hemelen is, die zal in het rijk der Hemelen ingaan. Matth. XII, 21. En bij denzelfden Evangelist (XIX, 17) staat: Wilt gij echter tot het leven ingaan, zoo onderhoud de geboden. Bij Joannes (XV, 14) lezen wij nog ; Gij zijt mijne vrienden, indien gij doet, hetgeen Ik u gehir.de.

OnderricM over de H. Schrift en de Overlevering.

Gaat en leert alle volken. Matth. XXVIII, 19. Door deze woorden, die Jesus tot zijne Apostelen sprak, heelt Hij hun zijne leer toevertrouwd en bevolen, ze overal te verkondigen. De Apostelen vervulden dezen plicht nauwkeurig en leverden die Goddelijke leer getrouw en onvervalscht aan hunne opvolgers over. De Apostelen en Leerlingen verkondigen het Evangelie niet alleen mondeling, maar schreven ook veel, onder ingeving des H.Geestes, voor bijzondere personen ol' gemeenten, en deze geschriften werden langzamerhand door de Kerk in een boek verzameld. Wij vinden dus de leer van Christus 1) in het geschrevene, de H. Schrift of den Bijbel, en 2) in het ongeschrevene woord Gods, de Traditie of inondelingsche Overlevering.

Wat is de H. Schrift?

De verzameling der boeken, welke eenige door God uitverkoren mannen, onder leiding des H. Geestes, vervaardigd hebben, welke boeken de Kerk derhalve erkent als op Gods ingeving geschreven te zijn ,,Nooit werd eene voorzegging door mensche-lijken wil voortgebracht, maar menschen Gods hebben gesproken, onder ingeving van den IJ. Geeft. II Petr. I, 21.

Hoe wordt de H. Schrift verdeeld?

1) In het Oude Testament, dat de boeken bevat, waarin de openbaringen liggen opgesloten, die God den menschen ge

402

ocr page 441

kersten zondag na paschf.n.

daan heeft van de schepping lt;!er wereld af tot aan Christus. 2) In het Nieuwe Testament, dat do openbaringen behelst, welke onze Goddelijke Verlosser aan de wereld medegedeeld heeft. Dil laatste noemt men ook ,,het Evangeliequot;, dat is, blijde tijdiiig, als dit woord in eenen meer uitgebreiden zin gebezigd wordt.

In hoever is de H. Schrift eene zekere bron des geloofs?

i) t)e schrijvers, die ze vervaardigden, zijn, onder alle opzichten, geloofwaardig en hunne schriften kunnen alle oordeelkundig onderzoek doorstaan: n Wij verkondigen u hetgeen wij gezien en gehoord hebben (I Joan. I, o). 2) Zij werden door den H. Geest, die hen verlichte, voor alle dwaling gevrijwaard. »l)c Vertrooster, de //. Geest, dien de Vader in mijnen naam zenden zal, die zal u alles heren, en u alles indachtig maken, hetgeen ik lol u gesproken heb (Joan. XIV, 20).

Hoe weten wij, dat de H. Schrift onvervalscht tot ons

gekomen is?

be Joden hadden de boeken des Ouden Testaments steeds met de grootste zorg bewaard; Jksls en de Apostelen erkenden, te hunnen tijde, deze boeken voor onvervalscht en beriepen zich daarop (Joan. V, 39. II Tim. Ill, 15). Na Christus en de Apostelen, waakte de Kerk, dat de boeken des Ouden en Nieuwen Testaments niet zonden vcrvalscht worden; daarvan werden dan ook weldra talrijke afschriften gemaakt en de II. Schrift werd bij de godsdienst-oefeningen immer voorgelezen.

Is de H. Schrift klaar genoeg, zoodat ieder ze verstaan kan?

Neen, want anders was het niet noodig geweest, dat Christus zijnen Leerlingen de Schrift verklaarde. Hieruit volgt, dat niet elk willekeurig, naar zijn gevoelen en goeddunken, den Bijbel mag verstaan en uitleggen; dat de H. Schrift niet voldoende is, om alle geloofsgeschillen te vereffenen. Verder volgt daar ook uit, dat God, wijl Hij oneindig goed en rechtvaardig is, naast de H Schrift nog eenen anderen grondslag der waarheid in geloofszaken heeft vastgesteld, waarop wij onfeilbaar kunnen bouwen en steunen; want anders ware het niet mogelijk, den weg der zaligheid te vinden, en de geloofsgeschillen zouden tot aan het einde der wereld niet ophouden te bestaan.

405

ocr page 442

onderricht over den

Welke is die grondslag, waarop men in geloofiszaken zeker bouwen kan?

De onderwijzende Kerk, want aan deze heelt Christus den H. Geest beloofd, die haar alle waarheid zou leereu (Joan. XVI, •12), en verzekerd, dat Hij zelf met haar zal zijn al de dagen lot aan het einde der wereld (Matth. XXVIII, 20). Daarom is zij eene zuil en eene grondvest der waarheid (I. Tim. III, 15).

Waarom heeft God gewild, dat niet elk naar zynen zin, de H. Schrift mag verstaan?

1) Opdat wij, gelijk de H. Augustikus zegt, onzen hoogmoed zouden vernederen en bekennen, dat wij niet bekwaam zijn, (al bezaten wij ook alle wetenschappen), om, door onze eigene krachten, den zin der H. Schrift te doorgronden. 2) Opdat wij, gelijk Origenes bemerkt, God zouden bidden ons verstand te verlichten, om de Heilige Boeken te kunnen begrijpen. Dit middel bezigde de H. Thomas van Aquine, die het gebed met vasten vereenigde, om de H. Schrift te leeren verstaan. 3) Opdat wij deu Bijbel uiel oppervlakkig, maar met vlijt en oplettendheid, zouden lezen en overwegen.

Wat is de Traditie of Overlevering?

Zij bevat de leer van Jesus, gelijk ze door de Apostelen, uit den mond van Christus zclvon ontvangen en door hen, onder ingeving van den H. Geest, als van hand tot hand, aau ons is overgeleverd.

Waarom is ook de Overlevering, even als de H Schrift, eene bron des geloofs?

Wijl zij ook de leer van Jesus bevat. De gansche leer van Christus vinden wij iu de 11. Schrift en in de Overlevering, als twee geloofsbronnen te zamen vereenigd. Daarom beriepen zich ook de Apostelen, in hunne Brieven, op hetgeen zij mondeling geleerd hadden en bevalen zij den geloovigen dezellde gehoorzaamheid te betuigen aan hetgeen zij hun mondeling als aan datgene, wat zij hun schriltelijk geleerd hadden: Ik heh u meer te schrijven, maar wil het niet doen met papier en inkt, want ik hoop tot u te komen en can mond tot mond te spreken. II. Joannes 12. Staat en houdt vast de Overleveringen, die gij geleerd hebt, hetzij door woord, hetzij door Epistel van ons, zegt de Apostel. II. Thessal. II, 14.

404

ocr page 443

eersten zondag na paschen.

Waarom moeten wy, behalve de H. Schrift, ook de Overlevering aannemen?

1) Wijl Jesüs zelf zijne leer slechts mondeling verkondig-digde en zijnen Apostelen niet beval te schrijven, maar Ie prediken: Gaal derhalve en leert alle volken. Matth. XXVIII, ■19. Gaat heen in de gehecle wereld, en verkondigt het Evangelie aan alle sehepselen. Marc. XVI, 15. 2) Wijl de gewijde schrijvers bij bijzondere gelegenheden en slechts gedeeltelijk de leer van Christus hebben ter aeêr geschreven: Er Is nog veel meer, zegt de H. Joannes, hetwelk .Iesüs gedaan heeft: Indien men dit in bijzonderheden zoude beschrijven, meen ik, dat de wereld zelve de boeken niet konde bevatten, die er te schrijven waren. XXI, 25. L)e Apostelen verkondigden het Evangelie mondeling, gelijk hnn Goddelijke Meester, en er bestonden reeds Christelijke kerken, vóórdat nog een enkel boek des Nieuwen Testaments geschreven was.-

Wie zegt ons, dat de Overlevering eene zuivere bron is van het Christelijk geloof?

Even als de Kerk over de H. Schrift waakt, zoo ook zorgt zij, dat de Christelijke Overleveringen door geene dwalingen vervalscht worden. De Pansen en de Bisschoppen hebben steeds met de grootste zorg over den schat des waren Geloofs gewaakt en alle dwalingen en ketterijen veroordeeld en gedoemd, zoodra deze zich vertoonden.

In welk opzicht verschillen de Katholieken van de Onka-tholieken in geloofszaken?

De Katholieken hebben overal en te allen tijde één en hetzelfde geloof. De Onkatholieken daarentegen volgen in geloofszaken hnn eigen gevoelen; zij zijn het onderling over vele geloofszaken ook niet eens, zelfs niet over de echtheid der boeken van de H. Schrift noch over de uitlegging daarvan, en worden geslingerd en rondgevoerd met iederen wind der leering (Ephes. IV, 14), zoodat men van hen terecht zeggen kan: Zooveel hoofden, zooveel zinnen.

Hoe weet de Kerk, welke boeken der H. Schrift echt zijn?

Zij weet dit door de Overlevering, die leert, dat de boeken, die wij thans bezitten, van den beginne af, in de Kerk bestaan hebben, en onvervalscht tot ons gekomen zijn.

405

ocr page 444

ondeurlcwt over den

Hoe weet de Kerk, welke de ware zin der H. Schrift is?

Dooi' de Overlevering, die haar onder de leiding des H. Geestes leert, hoe de Apostelen het woord van Jesus begrepen en welken zin zij zeiven aan hunne geschriften gehecht hebben.

Wat valt er te bemerken nopens het lezen der H. Schrift?

Een Katholiek, die de 11. Schrift wil lezen, dient zijnen Pastoor of Biechtvader dienaangaande te raadplegen, vooral, wanneer hij de H. Schrift in de moedertaal wil lezen; hij zal dan ook vernemen, welke vertaling de door de geestelijke overheid vereischte hoedanigheden bezit. Want, zegt de II. Petrus, weet dit vóór alles, dal elke voorzegging der Schrift niet dour eigene uitlegging gemaakt wordt. 11 Petr. I, 20. Üe Ethiopiër antwoordde op de vraag van Philippusic Ment gij, dat gy verstaat, hetgeen gij leest? — Hoe toch. zoude ik kunnen, zoo mij niemand onderricht? Hand. der Apost. VIII, 30 en 31.

Waardoor verklaart de Kerk den waren zin der H. Schrift en geeft zij de uitspraak der mondelingsche Overlevering aan?

Door de algemeene Conciliën, alsmede door den Paus, wanneer hij als Opperleeraar der Kerk spreekt.

Waarom is de onderwijzende Kerk onfeilbaar?

Wijl zij wordt bijgestaan door don H. Geest, van vvien Christls tot zijne Apostelen gezegd heeft: De vertrooster, de U. Geest, dien de Vader in mijnen naam zenden zal, die zal u alles leeren en u alles indachtig maken, hetgeen Ik tot u gesproken heb. Joan. IV, 20.

Waarin vindt men nog de Overlevering en de oprechte verklaring der H. Schrift?

1) In de zeden en gebruiken der Kerk 2) in de geschriften van de leerlingen der Apostelen en 3) in de boeken der Heilige Vaders en Kerkleeraars.

Door w ie laat de Kerk de leer van Jesus gewoonlijk verkondigen?

Door de Priesters in de predikatiën en chrislelijke onderrichtingen, enz.

406

ocr page 445

tweeden zondag na paschen.

Wat volgt daaruit voor ons?

Dat wij de onderrichtingen der Priesters eerbiedig en met een leerzaam liart moeten aanhooren en degenen onder hen, die zich aan de uitbreiding van het ware geloot hebben toegewijd, volgens onze krachten, door gebeden en aalmoezen dienen te onderslennen.

Onderricht op den tweeden Zondag na Paschen.

Wegens de vreugdevolle Verrijzenis des Heeicn en de genadegaven, die ons daardoor toestroomen, zingt de Kerk bij den Ingang der Mis: «De aarde is vol van de barmhartigheid des Heeren, alleluja: de hemelen zijn gevestigd door het woord des Heeren, alleluja, alleluja. Ps. 52. Verheugt u in den Heere, rechtvaardigen; lof te geven betaamt den oprechten. Eere zij den Vader, enz.quot; Ps. XXXII.

Gebed der Kerk.

0 God, die, door de ootmoedigheid van uwen Zoon, de gevallene wereld hebt hersteld, verleen uwen geloovigen eene altijddurende blijdschap, opdat zij, die Gij van den eeuwigen dood verlost hebt, de eeuwige vreugde genieten, door denzelfden jesus-ciiiustls, enz.

EPISTEL: Les uit den eersten Brief van den H. Petrus

II, 21-25.

Zeer geliefden, Christus heeft voor ons geleden, n een voorbeeld nalatende, opdat gij zijne voetstappen zoudt volgen; Uij, die geeue zonde gedaan heeft, in wiens mond geen bedrog gevonden is, die, als, Hij gelasterd werd, niet tegen-lasterde, als Hij leed, niet bedreigde., maar zich overleverde aan degenen, die Hem onrechtvaardig veroordeelden, die zelf onze zonden in zijn lichaam heeft gedragen op het hout, opdat wij, aan de zonden dood zijnde, voor de gerechtigheid zouden leven, door wiens wonden gij genezen zijt. Want gij waart gelijk dwalende schapen, maar nu zijt gij bekeerd tot den Herder en Bisschop uwer zielen.

Verklaring. Do 11. Petrus wil den Christenen lecren vaarwel te zeggen aan de zonden en voor de gerechtigheid te

407

ocr page 446

onderricht over den

leven, geduld te hebben in kruis, leed en wederwaardigheden en daarom herinnert hij hun den goeden Herder, Jesus-Christüs. Als deze, geheel onschuldig, zoo veel en zoo gelaten heeft geleden, waarom zouden wij, zondaars, ongeduldig worden, wanneer wij iets moeten lijden? Als Jesus om onze zonden heelt geleden, waarom zonden wij dan niet de zonden verzaken en de gerechtigheid aankleven? Als wij door zijne wonden genezen zijn van de wonden, die het kwaad in onze ziel had geslagen, zouden wij ons dan niet wachten voor nieuwe wonden, dat is, voor nieuwe misdaden? En als wij, van den weg des verderfs, tot .Iesus-Christus den Herder en Bisschop onzer zielen zijn teruggevoerd, waarom zouden wij niet bij Hem blijven en zijne voetstappen navolgen? Indien deze beweeggronden niet in staat zijn, ons krachtdadig aan te wakkeren, om geduldig te zijn, do zonde te verlaten en deugdzaam te leven, wat zal dan nog bekwaam zijn om ons te redden en te bekeeren?

Evangelie volgens den H. Joannes X, 11-16.

In dien tijd sprak Jesus tot de Parizeen: Ik ben de goede Herder. De goede Herder geeft zijn leven voor zijne schapen. De huurling echter, die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn, ziet den wolf komen, en verlaat de schapen, en vliedt; en de wolf rooft en verstrooit de schapen. Maar de huurling vliedt, omdat hij een huurling is^ en zich om de schapen niet bekommert. Ik ben de goede Herder: en Ik ken de mijnen, en de mijnen kennen Mij, gelijk de Vader Mij kent, en ik den Vader ken; en ik geef mijn leven voor mijne schapen. Ook andere schapen heb Ik, welke niet uit dezen schaapstal zijn: ook deze meet ik herwaarts leiden, en zij zullen mijne stemme hooren: en het zal worden ééne kudde en één Herder.

Waardoor heeft Christus getoond, dat Hij de goede Herder is?

1) Daardoor, dat Hij zijne schapen op goede weiden voert, dit wil zeggen, zijnen geloovigen eene leer en genademiddelen

4U8

ocr page 447

TWEEDEN ZONDAG NA PASCHEN.

mededeelt, waardoor zij heilig en zalig kunnen worden. 2) Hierdoor, dat Hij de verlorene schapen nagaat, zoekt totdat Hij ze vindt, en ze, wanneer Hij hen gevonden heeft, niet bestraft, maar op zijne schouderen neemt en naar de kudde lerugvoort; of met andere woorden, Jesus toont, dat Hij de goede Herder is, wijl Hij zich alle moeite geeft, om de zondaars weêr op den rechten weg te brengen, en de boetvaardigen liefdevol aanneemt. 3) Hierdoor, dat Hij, om zijne schapen van het verderf te redden, zijn leven voor hen ten beste heeft gegeven cn hun bovendien, thans nog, zijn Vleesch en Bloed in het Allerheiligste Sacrament des Altaars, op eeue geheimvolle wijze, mededeelt.

Wie kunnen als huurlingen beschouwd worden?

Alle Christenen, oversten, ouders en meesters, die slechts zien naar het tijdelijk voordeel,' dat hunne onderhoorigen hun opleveren, en zich weinig bekreunen om het zielenheil hunner onderdanen.

Wie zijn de schapen van Christus?

Alle menschen, die oprecht in Hem gelooven, naar zijne stem hooren en Hem volgen (Joan. X, 27).

Wanneer behoort men tot de schapen van Christus?

1) Wanneer men gaarne hoort naar de stem van den goeden Herder, dat is, naar zijn Woord, hetwelk ons in predikatiën cn christelijke onderwijzingen wordt voorgedragen; gewillig doet, wat het beveelt en zorgvuldig mijdt, wat het verbiedt. 2) Als men de spijs van den goeden Herder, de H. Communie, gaarne, dikwijls cn waardig nuttigt. 3) Wanneer men de Kerk en de kerkelijke Overheid gaarne gehoorzaamt: Wie u hoort, hoort mij Luc. X, 16. 4) Indien men aan ouders en oversten, ter liefde van Christus, onderdanigheid betoont, o) Wanneer men zijne medeinenschen van harte bemint en hen, die niet tot den schaapstal van Christus behooren, liefderijk daarheen tracht te voeren.

Hoe kent Jesus de z\jnen en hoe kennen de zynen Hem?

Jesus kent zijne schapen door zijn Coddelijke alwetendheid, waarmede Hij de harten en nieren doorgrondt. De zijnen kennen Hem, door het bovennatuurlijk geloof en door de liefde, welke zijne geboden doet onderhonden: want wie zijne geboden houdt, zal weten, dat hij uit God is.

409

ocr page 448

ondeuricht ovell den

Wat wil zeggen: Jesus kent de zijnen?

Dit wil niet alleen zeggen, dat Hij weet, wie tot zijne getrouwe schapen en volgelingen behooren, maar ook, dat Hij voor hen zorgen, hen als een goed Herder, beschermen, bewaren en tot de eeuwige zaligheid voeren zal: even als de zijnen niet alleen in Hem gelooven, maar ook hun geloof, door liefde tot Hem, aan den dag leggen.

Wie zijn de andere schapen van Christus?

De heidenen en ougeloovigen, die de Zaligmaker, door zijne Apostelen, in den waren schaapsstal wilde brengen en thans nog door hmme opvolgers daarin tracht te voeren. Tot deze schapen behoorden ook onze voorouders. — Laat ons God danken, dat Hij ons in zijne Kerk heeft opgenomen, en beijveren wij ons, met Gods genade, ons geloof levend te bewaren, opdat wij altijd tol de getrouwe schapen van Christus mogen behooren.

Verzuchting. O Jesus, goede Herder, ik bid U, door uwen dood, geef mij de genade, dat ik steeds alle kentee-kenen van een waar leerling in mij drage, opdat ik het eeuwige leven, dal Gij uwen getrouwen dienaren beloofd hebt, verwerve.

Onderricht over de Hoop,

Ik geef mijn leven voor mijne schapen. Joannes X, IS.

Wat heeft Christus ons door zyn dood verdiend ?

üe vergilfenis der zonden, de genade om deugdzaam te leven, en de eeuwige zaligheid, welke wij mogen hopen Ie bekomen en ook verkrijgen zullen, zoo wij zorgen, dat wij ze door onze schuld niet verliezen.

Waarin bestaat de eeuwige zaligheid?

In het aanschouwen van God, die de uitverkorenen opwek! Hem met de volmaaktste liefde te beminnen en hunne ziel vervult met eene vreugde, waarvan wij ons hier op aarde geen denkbeeld kunnen vormen.

Welke middelen zijn ter zaligheid noodzakelijk?

Vóór alles Gods genade, waardoor wij gelooven, hopen en beminnen eu die ons in de H. Sacramenten en andere heilmiddelen de noodige krachten tot het goede verleent.

410

ocr page 449

TWEEDEN ZONDAG NA PASCHEN.

Wat wordt er van ons gevorderd, opdat wy tot de eeuwige zaligheid geraken ?

Van ons wordt vereischl, dat wij de middelen ter zaligheid zorgvuldig gebruiken; want God, die ons heeft geschapen, zonder ons, zegt de H. Augustiinus, zal ons niet zalig makeu, zonder ons, dat is: zonder dal wij met zijne genade medewerken.

Wat kan ons bewegen tot hoop op de zaligheid?

1) De goedheid en barmhartigheid van Cod, die ons, van eeuwigheid al, meer bemint, dan eene moeder haar kind, en ons, in de volheid der tijden, zijnen eenigen Zoon heelt geschonken, opdat wij, door diens dood, het leven zouden verkrijgen. Zou die goede God ons den Hemel en al wat daartoe noodzakelijk is, kunnen weigeren, daar liij zelfs zijnen dierbaren Zoon voor ons teu beste heeft gegeven? 2) Gods getrouwheid. Hij heeft ons den Hemel beloofd en dikwijls en duidelijk in de H. Schrift verklaard, dat Hij de zaligheid wil van alle menschen; daarom mogen wij hopen eens eeuwig gelukkig te worden, want God is de eeuwige eu onfeilbare waarheid en Hij is getrouw in zijne beloften: Hij is niet gelijk de menschen, die heden ja eu morgen neen zeggen; Hij is onveranderlijk en wat Hij zegt, blijft eeuwig waar. 5) üe almacht van God, die alles vermag en door niemand kan verhinderd worden in het uitvoeren zijner raadsbesluiten. Indien wij vertrouwen mogen op eenen milddadigen rijke, die ons zijne liiil|» belooft, hoeveel te meer moeten wij dan niet hopen op den almachligen eu levenden God, Heer eu Heester van Hemel en aarde? Wij mogen echter niet vergelen, dat alleen de goede en gelrouwe dienstknechten .de vreugde iuitis Heeren binnentreden (Matth. \\\, i!l ) en dat/iy, die in de renbaan strijdt, niet zul gekroond worden, tenzij hij wet lig gestreden hebber H TIM. II, S.

Wanneer behoort men de acte van Geloof, Hoop en Liefde te verwekken?

1) Zoodra men tol de jareu van verstand gekomen is; 2) ten tijde van droefheid of eener zware bekoring tegen deze deugden. 3) Bij het ontvangen der Heilige Sacramenten; 4) dikwijls in het leven en vooral in het uur des doods.

411

ocr page 450

onderricht over den

Onderricht op den derden Zondag na Paschen.

De Kerk gaat steeds voort met ons te vermanen, dat wij God zonden loven en ons verheugen wegens de Verrijzenis van Christus, en daarom zingt zij bij den Ingang der Mis: Ps. LXV. Jubel lot God, geheel de aarde, alleluja: zingt zijnen Naam lof, alleluja; geeft roem aan zijnen lof, alleluja, alleluja, alleluja, Ps. 63. Zegt lot God: hoe verschrikkelijk zijn uwe werken. Meer! uwe vijanden zullen U beliegen in de menigte uwer kracht. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

God, die den dwalenden het licht uwer waarheid vertoont, opdat zij tol den weg der gerechtigheid zouden kunnen terugkeeren, geef aan allen, die den naam van Christen dragen dat zij alles, wat dezen Naam vijandig is, verwerpen, en volgen, wat daarmeê overeenstemt, door onzen Heer Jesus-Ciiristus, enz.

EPISTEL: Les uit den eersten Brief van den H Petrus

II, 11-19.

Zeer geliefden ! Ik bid u, als vreemdelingen en pelgrims, onthoudt u van vleeschelijke begeerlijkheden, die tegen de ziel strijden, leidt een goed gedrag onder de Heidenen, opdat zij, die van u als van boosdoeners kwaad spreken, uwe goede werken zien en God prijzen, op den dag der bezoeking, Weesl dus onderdanig aan elk menschelijk schepsel om God, hetzij aan den koning als aan den hoogste, heizij aan de stadhou ders, die door Hem gezonden zijn, om de boosdoeners te bestrallen en de goeden te loven; want het is zóó do wil Gods ^a'- gij door wel te doen de onwetendheid der onvoorzichtige menschen tot zwijgen brengt, als vrije menschen en niet als zij, die de vrijheid misbruiken tot dekmantel der boosheid, maar als dienaren Gods. Eert allen, bemint de broederschap, vreest God, eert den koning. Dienstknechten, weest den hee-ren onderdanig met allen eerbied, niet alleen aan dezulken, die goed en zedig, maar ook aan hen, die boos zijn. Want dit is de genade, in Christus Jesüs onzen Heer.

Verklaring. De H. Petrus vermaant de Christenen, dat zij zich als vreemdelingen en pelgrims op aarde moeten be-

412

ocr page 451

derden zondag na paschen.

schouwen en niets gemeenzaam hebben met degenen, die de vermaken en de ijdelheid der wereld najagen, maar veeleer uit al hunne krachten, volgens het voorbeeld der Heilige Patriarchen, naar het Hemelsch Vaderland verlangen. Daarom moeten zij zich van de vleeschelijke wellusten onlhouden, die de ziel doodeu, dat is, haar de eeuwige zaligheid doen verliezen. Verder spoort hij hen aan zich deugdzaam onder de Heidenen te gedragen, opdat deze, die hen van boosheid en oproer beschuldigen, door hunne goede werken bekeerd worden en God voor deze bezoeking zouden loven. — Deze vermaning dienen vooral zij ter harte te nemen, die onder andersdenkenden wonen; want zij kunnen, door eenen voorbéeldigen levenswandel, veel goed stichten, maar ook, door een ergerlijk gedrag, veel schade aan hunnen godsdienst veroorzaken. — Daarna spoort de Apostel ons aan, dat wij de onwetendheid van onverstandige menschen, door wel te doen, tot zwijgen trachten te brengen, hetwelk steeds de beste schutsmuur is tegen lastertaal en verguizing. Eindelijk beveelt de H. Petrus, dat wij aan onze overheid moeten gehoorzamen om Gods wil, dat wil zeggen, ter liefde van God en zijne wet, die ons gebiedt aan de hoogere machten onderdanig te zijn; want er is geene macht dan van God en de beslaande machten zijn van God verordend. Rom. XIII, 1. Bijgevolg zijn wij ook verplicht de verschuldigde belastingen aan onze overheid te betalen. Christus betaalde voor zich en voor Petrus de schatting van één stater, tol onderhoud des tempels geheven (Matth. Wil, 26), en Paulus beveelt uitdrukkelijk, schatting en tol te geven aan allen, wien men deze dingen schuldig is (Rom. XIH, 7). Ten slotte wekt de Apostel de dienstknechten tot gehoorzaamheid op jegens hunne meesters en zegt, dat men genade van God verwerft, wanneer men onschuldig, met geduld en zachtmoedigheid, kruis en leed ter liefde Gods verdraagt.

Evangelie volgens den H. Joannes XVI, 16-22.

In dien tijd sprak Jesus tot zijne Discipelen: Een luttel tijds, en gij zult mij niet meer zien: en wederom een luttel tijds, en gij zult Mij zien; want ik ga tot den Vader. Sommigen dan uit zijne Discipelen zeiden

413

ocr page 452

onderricht over den

tot elkander: Wat is dit, dat Hij tot ons zegt: Een luttel tijds, en gij zult iVlij niet zien; en wederom een luttel tijds, en gij zult Mij zien? en: Want ik ga tot den Vader? Zij zeiden dan: Wat is dit, dat Hij zegt: Een luttel tijds? Wij weten niet wat Hij zegt. Jescjs nu wist, dat zij Hem vragen wilden, cn sprak tot hen: Gij vraagt elkander daarover, dat Ik gezegd heb; Een luttel tijds, eu gij zult Mij niet zien, en wederom een luttel tijds^ en gij zult Mij zien. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Gij zult weeklagen en weenen, doch de wereld zal zich verheugen; en gij zult bedroefd zijn, maar uwe droefheid zal in vreugde veranderd worden. Eene vrouw, als zij baart, heeft droefheid, dewijl hare ure gekomen is; als zij echter het kind gebaard heeft, gedenkt zij niet meer de smarte, om de vreugde, dat een rnensch ter wereld geboren is. Ook gij dan hebt nu wel droefheid; maar Ik zal u wederzien, en uw hart zal zich verheugen, en uwe vreugde zal u niemand ontnemen.

Wat wil zeggen: nog een luttel tijds en gij zult Mij niet meer zien, enz.

Nog een luttel tijds zon er vcrloopon en clan zouden de Leerlingen Hem, met hun licluunelijke oogen, niet meer aanschouwen; en weder, na een luttel tijds, zouden zij H em zien, dat is, door geestelijke aanschouwing, zijne tegenwoordigheid in hen gewaar worden door de ondervinding van zijnen bijstand, wanneer Hij in en door den H. Geest tot hen zou wedergekeerd zijn. Want Ik ga tot dm Vader: dit was de grond van zijne belofte, dat zij Hem, na korten tijd, geestelijker wijze zouden wederzien; immers, gelijk Hij hun reeds gezegd had, inJien Hij niet tol den Vader ging, zou de H. Geest niet tol hen komen; maar ging Hij tol den Vader, dan zou Hij den U. Geest tot hen zenden. Sommige uitleggers der H. Schrift verklaren deze woorden : em luttel tijds, en gij zult Mij niet meer zien, enz., op eene andere wijze, en zeggen: Deze woorden van Jesus bevatten voor zijne Leerlingen eene tweeledige bemoediging. De eerste beteekenis is deze: Weldra

414

ocr page 453

DERDEN ZONDAG NA PASC11EN.

zonden de Discipelen hunnen Goddeiijken Leeraar nut meer zien; want liet graf zoude liet Liehaam des Rechtvaardigen beval ten; doch weldra zouden zij Hem wederzien; want het graf kon den Vorst des levens niet terughouden. Zij zullen Hem, na zijne Opstanding, gedurende veertig dagen zien; zij zullen Hem ten Hemel zien varen: Want Hij gaal lot den Vader. — De tweede beteekenis is: Na een luttel tijds zouden zij Hem niet meer zien; want na zijnen overgang lot den Vader, zoude Hij, onzichtbaar Heer en Hoofd der Kerk, door hen niet meer gezien worden; doch, na een luttel tijds, aau het einde hunner aardsrhe loopbaan, zullen zij Hem zien, en zijne heerlijkheid deelen: want Hij gaal tol den Vader.

Waarom voorspelde Christus zijnen Leerlingen, dat zij zouden lyden en zich verheugen?

I) Opdat het lijden hun niet te zwaar zoude vallen, want men verdraagt het leed, dat men voorziet, gemakkelijker, als men zich daarop voorbereiden en zicli daartegen wapenen kan; quot;2) om hun te leereu, eat hun lijden van korten duur was en door de eeuwige vreugde des Hemels zou worden opgevolgd. Daarom vergelijkt de Zaligmaker het lijden zijner Leerlingen bij de smarten eener moeder, die wel groot zijn, maar niet lang duren en door vreugde over de geboorte van een kind opgevolgd worden. Zeg mij, schrijft de H. Curvsostomus, indien gij tot een koningschap op aarde; waart uitverkoren, en den nacht vóór uwen plechtigen intocht binnen de hoofdstad van uw rijk, waar gij zoudt gekroond worden, moest doorbrengen in eenen woesten en afschuwelijken stal, zon u dat alles wel te hard vallen? Zoudt gij dat. niet, in het zoele vooruitzicht op het koningschap, met vreugde willen ondergaan' Waarom zouden wij dan niet gaarne eenigen lijd de moeie-lijkheden en bezwaren van dit leven willen verdragen in de zekere hoop, dat wij, wanneer wij oprechte leerlingen van Chiustus zijn, eens in den Hemel zullen aanlanden.

Verzuchting. Verlicht mijn verstand, o H. Geest, opdat ik begrijpe, dat dit aardsche leven met al zijne wederwaardigheden slechts kortstondig is; en ontvlam mijn hart dooide hoop op de toekomstige vreugde des Hemels, opdat ik alle moeielijkheden van dit leven met geduld en vreugde verdrage.

ocr page 454

oderricht over den

Troost in droefheid en wederwaardigheden.

Gij zult weeklagen en weenen. Joan. XVI, 20.

Een Christen handelt zeer onverstandig, wanneer hij zicii inbeeldt, dat hel geluk op deze wereld in eereposten, rijkdommen en wellusten bestaat, daar Jesus, de eeuwige Waarheid, jnist het tegenovergestelde leert. De opperste Wijsheid noemt de armen en bedrukten, wien de ellende dikwijls tranen uit de oogen perst, maar die God dienen, zalig; en bedreigt de rijken, die hunnen troost op eene zondige wijze hier beneden zoeken, met een eeuwig wee, eene altijddurende droefheid, een weenen zonder einde. — Hoezeer zijn dus degenen te beklagen, die, ofschoon zij dit als Christenen gelooven, nochtans zóó leven, alsof deze waarheden hun niet betroffen, en er gedurig op bedacht zijn, hunne dagen in vreugde en ijdele vermaken, zonder zich veel om hunne zaligheid te bekreunen, door te brengen. Alle Heiligen, ja Christus, de Zoon Gods zelf, zijn slechts door kruis en lijden den Hemel ingegaan, en men kan zich niet met Jesus en de Heiligen verheugen, wanneer men geen deel wil hebben aan hun lijden (11 Tim. II, 12).

Gebed in droefheid.

0 goedertiorenste Jesus ! Gij hebt uw Apostelen geleerd, dat wij dooi' vele verdrukkingen moeten ingaan in het Rijk Gods; Gij hebt de armen van geest, die hun hart niet aan het vergankelijke hechten en allen, die vervolgd en verdrukt worden om de gerechtigheid, wanneer zij geduldig lijden, zalig genoemd. Gij hebt gezegd, dat niet één haar van ons hoofd zal verloren gaan zonder den wil van uwen Hemelschen Vader, daarom geloof ik, o Heer, dat ik des te gelukkiger zijn zal, hue meer ik lijd; ik onderwerp mij geheel en al aan uwen Goddelijken wil. Handel met mij volgens uw welgevallen; Gij zijt immers de liefde en zendt ons slechts lijden over, om ons tot U te trekken, en om ons eens eeuwig met IJ Ie vereenigen in den Hemel.

416

ocr page 455

VIERDEN ZONDAG NA PASCHEN.

Onderricht over den vierden Zondag na Pasclien.

De Ingang der Mis is een lof- en danklied, genomen uit Ps. XCV1I. «Zingt den Heer een nieuw lied, alleluja: want de Heer heeft wonderen gedaan, alleluja: Hij heeft zijne rechtvaardigheid geopenbaard vóór het aanschijn der volkeren, alleluja, alleluja, alleluja. Zijn rechter heeft Hem gered en zijn heilige arm.quot; Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

O God, die de gemoederen der geloovigen tot éénen wil maakt, verleen uwen volkeren datgene te beminnen, wat Gij beveelt, datgene te begeeren, wat Gij belooft, opdat onze harten, onder de wisselvalligheden dezer aarde, daaraan gehecht blijven, waar de oprechte vreugde aan te vinden is, door onzen Heer, enz.

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Apostel Jacobus,

I, 17-21.

Zeer geliefden, alle goede gift, en alle volmaakte gave is van boven, daalt af van den Vader des lichts, bij wien geene verandering, noch schaduw van wisselvalligheid is. Want Hij heeft ons vrijwillig geteeld door het woord der waarheid, opdat wij een eersteling zijner schepselen zouden zijn. Gij weet het, mijne zeer gelielde broeders! Ieder mensch zij daarom vlug om te hooren, maar langzaam om te spreken en (raag tot gramschap. Want de gramschap van eenen man bewerkt niet, wat vóór God rechtvaardig is. Werpt daarom af alle onreinheid en allen overvloed van boosheid, neemt met zachtzinnigheid het woord aan, .hetwelk in u geplant is, dat uwe zielen kan zalig maken.

Verklaring. Onder alle gaven, die van den Vader des lichts, dat is, van den oorsprong van alle, zoowel natuurlijk als bovennatuurlijk, licht afdalen, is dit het voornaamste, dat Hij ons, niet wegens onze verdiensten, maar nit zuivere goedheid, door zijne genade, door het woord der waarheid, door het Evangelie met zijne genademiddelen, voornamelijk door het H. Doopsel, heeft herboren; opdat wij de eerstelingen zijner

27

417

ocr page 456

onderricht over den

schepselen, of, met andere woorden, zijn heilig en uitverkoren volk, zouden zijn. Daarom moeten wij steeds bereid zijn, dit woord der waarheid, waardoor ons een zoo groot geluk is ten deel gevallen, met eerbied en onderdanigheid aan te hooren, wanneer het ons verkondigd wordt; en, wanneer het onze zonden en fouten bestraft, niet boos worden, gelijk de Christenen, over welke de H. Jacobus in dezen Brief schrijft. Wij moeten den toorn vermijden, wijl de gramschap niet doet wat rechtvaardig is vóór God. Wij moeten veeleer, als nieuwe schepselen, alle boosheid en onreinheid afleggen en het woord Gods, als het beste geneesmiddel onzer ziel, bereidwillig in ons hart opnemen.

Verzuchting. Verleen mij, o God! dat ik de genade, welke ik in het Doopsel ontvangen heb, getrouw beware; schenk mij daarom eene groote liefde tot uw Goddelijk woord en verlos mij van alle ongeregelde driften, die uw woord beletten vruchten in mijn hart voort te brengen.

Evangelie volgens den H. Joannes XVI, 5-1-4.

In dien tijd sprak Jesüs tot zijne Discipelen ; Ku Sa Ik tot llenij die Mij gezonden heeft, en niemand van u vraagt Mij; Waarheen gaat Gij? Maar omdat Ik dit lot u gesproken heb, heeft de droefheid uw hart vervuld. Maar Ik zeg u de waarheid: Het is oorbaar, dal Ik ga; want indien Ik niet wegga, zal de Vertrooster niet tot u komen; maar indien Ik wegga, zal Ik Hem tot u zenden. En als deze zal gekomen zijn, zal Hij de wereld overtuigen van zonde^ en van gerechtigheid, en van oordeel; en wel van zonde, omdat zij in Mij niet geloofd hebben ; en van gerechtigheid, omdat Ik tot den Vader ga, en gij Mij niet meer zien zult; en van oordeel, omdat de vorst dezer wereld alreeds geoordeeld is. Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het nu niet dragen. Maar wanneer Hij zal gekomen zijn^ de Geest der waarheid, zal Hij u alle waarheid leeren. Want Hij zal niet uit zich zei ven spreken; maar hetgeen

418

ocr page 457

vierden zondag na paschen.

Hij hooren zal, zal Hij spreken; en hetgeen toekomende is, zal Hij u verkondigen. Hij zal Mij verheerlijken; want Hij zal van het mijne nemer^ en het n verkondigen. Waarom zegt Christus: 'Niemand van u vraagt M\j: Waarheen gaat gy?quot;

De zin hiervan is deze: Hotgeen Ik tot u gesproken heb, heeft dermate uwe gemoederen getroffen, dal gij u geheel aan de droefheid overgeeft, zonder te onderzoeken, welk een heilrijke uitkomst mijn overgang tot den Vader hebben zal. — Deze vraag leert ons, dat wij een vurig verlangen naar den Hemel moeten hebben, gaarne daarvan spreken en ons beijveren moeten, hem door goede werken le verdienen.

Waarom zou de Vertrooster, de H. Geest, slechts na de Hemelvaart van Christus tot de Leerlingen komen?

Wijl Christus eerst moest sterven en verheerlijkt worden, alsmede wijl de menschheid door Hem tot God terugkeeren en zich met God verzoenen moest, vóórdat de Allerhoogste met de volheid zijner genade, door den H. Geest, lot de menschen komen zou. — Daaruit leeren wij, dat de H. Geest slechts wonen wil in zuivere zielen die, door een onschuldig of boetvaardig leven, met God vereenigd zijn, en dat de zondaars zich van het geluk berooven tempels te zijn van deu II. Geest.

Hoe zal de H. Geest de wereld overtuigen van zonde, van gerechtigheid en van oordeel?

De Zaligmaker zal de wereldje booze Joden, overtuigen van zonde namelijk, dat zij zich hebben schuldig gemaakt aan de zonde van ongeloof, wijl zij halsstarrig weigerden in Hem te gelooven. Hij zal hen overtuigen van Jiisus' gerechtigheid, dat is, hun doen zien, dat Hij, dien zij als een valschen profeet, als een godslasteraar, als een ongerechtige en een zondaar vervolgden, heilig en rechtvaardig is. Het bewijs voor de rechtvaardigheid des Verlossers zal wezen; zijne Hemelvaart en zijne verheerlijking aan de rechterhand zijns Vaders. (Hand. 11, 32 33.) Hij zal de wereld overtuigen van oordeel, dat is, van Satans veroordeeling, wijl de vorst der wereld, de duivel, door het volbrachte verlossingswerk uit zijn rijk verstooten, hem de heerschappij over de wereld heeft ontnomen en hij alzoo feitelijk veroordeeld is. Met de Joden en den duivel zullen

419

31 x;

r,

!f

ocr page 458

onderricht over den

ook eens de Christenen veroordeeld en gestraft worden, die het ongeloof der Joden navolgen en vrijwillige slaven des duivels zijn; zulke Christenen, namelijk, dio wel in God ge-looven, het ware geloof bezitten, maar het door hunne werken verloochenen en zóó in groote zonden blijven voortleven, alsof zij niet gelooven, dat er een God is, die alle misdaden eeuwig zal straffen.

Waarom zegt Jesus zynen Leerlingen niet alles, wat Hij hun te zeggen had?

Wijl zij veel van hetgeen Hij hun, over de bekeering der Heidenen, over het bestier der Kerk, enz. zeggen moest, wegens hunne joodsche vooroordeelen, en den korten lijd, gedurende welken zij het onderricht des Verlossers genoten hadden, niet dragen, noch begrijpen konden. Doch al, wat Hij hun, om die reden, in dit oogenblik, verzweeg, dat alles zouden zij kunnen dragen, wanneer de H. Geest over hen zou gekomen zijn; want de H. Geest zou hun volledige waarheid leeren, namelijk : alles, wat Hij hun nog te zeggen had, doch waarvoor zij thans nog niet vatbaar waren. — Hier leeren de Christenen, van welk belang het licht en de genade des H. Geestes zijn, om een goed geloof te hebben en hun gedrag daarnaar te regelen.

Hoe leert de H. Geest alle waarheid?

Hij deelt alle noodige waarheid mede aan de onderwijzende Kerk, bewaart ze tegen de dwaling in geloofszaken, en verlicht ook de geloovigen, om de waarheid der leer van Jesus te erkennen en aan te nemen.

Wat beteekent; quot;Hij zal niet uit zich zalven spreken?quot;

Dat wil zeggen: Hij zal leeren, hetgeen Hij van Mij en den Vader hooren zal; want Ik en de Vader zijn één. Jesus verklaart hiermee, dat de H. Geest geene andere leer zou verkondigen dan die, welke Hij zelf, op bevel zijns Vaders in de wereld had gebracht, en wijst alzoo tegelijkertijd op de innige vcreeniging, die er bestaat tusschen den Vader, den Zoon en den H. Geest.

Wat beteekenen de woorden: «Want Hij zal van het myne nemen?quot;

Zij bewijzen, volgens het Concilie van Florence: 1) dat de Zoon God is, 2) dat de H. Geest van den Vader en den Zoon voortkomt en met den Vader en den Zoon gelijkelijk God is.

420

ocr page 459

vijfden zondag na paschen.

Hoe zal de H. Geest den Zoon verheerlijken ?

Hij zal alle menschen bewegen, om in den Zoon te gelooven; en zoo doende zal Hij diens persoon en leer in eere brengen vóór de gausche wereld.

Verzuchting. Waar ga ik heen? Zal mij liet leven, dat ik leid, wel tot God voeren?— Ach, mijn Heer en God! bestier toch mijne voeten op den weg uwer geboden en bewaar mijn hart vrij van zonden, opdat de H. Geest in mij niets vinde, wat strafbaar is, mij alle waarheid leere en mij eens tot U voere, in het Rijk der Hemelen. Amen.

Onderricht over den vijfden Zondag na Paschen.

De Kerk zingt lieden, bij den Ingang der Mis tot dankzegging voor de Verlossing, Isaias XLV11I, 20 : «Verkondigt met jubelende stem, maakt bekend, alleluja, verkondigt tot aan het uiteinde der aarde, dat de Heer zijn volk verlost heeft, alleluja, alleluja. Ps. LXV. Looft God, geheel de aarde, zingt een lofzang zijnen naam ter eere, verkondigt zijnen lof.quot; Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

O God, van wien alle góed voortkomt, geef, smeeken wij U, dat wij, door uwe ingeving, denken, hetgeen recht is en bet, onder uwe leiding, volbrengen, dooronzen Heer Jesi'sChristus, enz. EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Apostel Jacobus,

I, 22-27.

Zeer geliefden, weest uitwerkers van liet woord en niet alleen hoorders, u zeiven bedriegende; want indien iemand een hoorder des woords is en geen uitwerker, deze lijkt eenen man, die zijn aangeboren gelaat in oenen spiegel beschouwde, weg ging, toen hij zich beschouwd iiad en terstond vergat, hoe hij was. Wie echter de volmaakte wet der vrijheid doorzien heeft en daarin volhardt, geen vergetend hoorder, maar een volbren-ger des werks is, deze zal door zijn werk zalig zijn. Indien echter iemand meent godsdienstig te zijn, en zijne tong niet be-teugelt, maar zijn liart verleidt, diens godsdienst is ijdel. Een reine en onbevlekte godsdienst bij Goden den Vader is deze: weezen eu weduwen in buune verdrukking te bezoeken en zich onbevlekt van deze wereld te bewaren.

421

ocr page 460

ONDERRICHT OVER DEN

Verklaring. De ware godsvrucht bestaat niet alleen in het aanhooren, maar hoofdzakelijk in het nakomen van Gods woord. Wie dat woord alleen hoort, gelijkt eenen mensch, die zich in eenen spiegel beziet en terstond vergeet, hoedanig hij eruit zag. Zoo ook vergeten zij, die het woord Gods alleen aanhooren, wanneer, bij voorbeeld, een predikatie hun den slechten toestand van hun geweten, als in een spiegel doet aanschouwen, zonder zich te bekeeren, hoe zij er uitzien; zij blijven onverbeterlijk en zullen daarom, als zij zoo voortgaan, niet zalig worden. Wie echter het Christendom, dat van de ceremoniën der Mozaïsche wet en van de slavernij der zonden bevrijd is en daarom een gebod der vrijheid genoemd wordt, grondig keut, daarin volhardt, en het woord Gods door woorden en werken vervult, alsmede zich van de zonden der tong, van leugentaal, eerroof, achterklap, lastertaal, onzuivere en ergerlijke gesprekken, onthoudt, de wellusten der wereld, hoovaardij, hebzucht en zingenot verfoeit, de naastenliefde beoefent, voor weduwen en weezen zorgt, in één woord, volgens Gods wil leeft, die zal zalig worden, — Onderzoek u. Christen, of gij deze godsvrucht al dan niet bezit, en beijver u, in dit laatste geval, om ze te verkrijgen; want, wie weet het, misschien breekt weldra de nacht aan, waarin gij het betreuren zult, dat gij bij den dag niet gearbeid hebt, om de zaligheid, door uwe werken, te verdienen.

Evangelie volgens (Jen II. Joannes XVI, 93-30 In dien tijd sprak Jesiis tot zijne Discipelen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Indien gij den Vader iets in mijnen naam zult vragen. Hij zal liet n geven. Tot nu toe hebt gij niets gevraagd in mijnen naam. Vraagt, en gij zult ontvangen, opdat uwe vreugde volkomen zij. Dit heb ik tot u gesproken in gelijkenissen. De ure komt, dat Ik niet meor tof n in gelijkenissen spreken, maar n openlijk van den Vader verkondigen zal. In dien dag zult gij in mijnen naam vragen; en ik zeg u niet, dat Ik den Vader voor u vragen zal: want de Vader zelf heeft u lief, dowijl gij Mij liefgehad, en geloofd heht, dat Ik van God ben uitgegaan. Ik

422

ocr page 461

vijfden zondag na paschen.

ben van den Vader uitgegaan, en in de wereld gekomen; Ik verlaat wederom de wereld, en ga tot den Vader. Zijne Diseipelen zeiden tot Hom : Zie, nu spreekt Gij openlijk en zegt geene gelijkenis. Nu weten wij. dat Gij alles weet, en dat gij niet van nooden hebt, dat iemand U vra-ge : daarom gelooven wij. dat Gij van God zijt uitgegaan.

Waarom wil God door ons gebeden worden ?

1) Opdat wij zouden erkennen en belijden, dat alle goed van Hem komt; 2) opdat wij zouden bekennen, dat wij arm en zwak zijn en dus Gods hulp noodig hebben; o) opdat wij, door het gebed, met Heraelsche goederen zouden verrijkt worden, want het gebed behaagt Gode en maakt ons waardig, van den Heer de schatten zijner genade te verkrijgen, om in het goede, tot aan het einde, te volharden.

Wat beteekent: bidden in den naam van Christus?

Dat beteekent 1) in zijnen geest bidden, gelijk Hij heeft gebeden, namelijk vragen, dat God door alle menschen moge verheerlijkt worden en dat zijn Hijk tot ons kome; of met andere woorden, dat Hij ons de genade schenke, om heilig en zalig te worden; wij vragen aldus vooreerst de geestelijke en dan, voor zoo verre ze voor ons geestelijk heil bevorderlijk zijn, de lichamelijke en tijdelijke goederen, en bidden daarom met ootmoed en vertrouwen, gelijk Christus bad op den berg der Olijven. Dat beteekent 2) bidden met geloof in Christus en vertrouwen op de verdiensten van zijn lijden en zijnen dood, alsmede op zijn middelaarschap bij zijnen Hemelschen Vader, waardoor ons ook alle Hemelsche gaven worden medegedeeld. Dat is ook de reden, waarom de Kerk alle gebeden, welke zij tol God den Vader richt, sluit met deze woorden; »door Jesus-Christus, uwen Zoon, onzen Heer, enz.quot;

Waarom wordt ons gebed dikwijls niet verhoord?

1) Wijl wij dingen vragen, die ter bevordering van Gods eer en van de zaligheid onzer ziel nutteloos zijn; of die, alhoewel zij in zich zelveu goed en nuttig zijn, bijv. gezondheid, enz. ons nochtans, om bijzondere redenen, schadelijk zouden worden. De H. Paulus bad, dat de prikkel des vleesches van hem mocht wijken, doch hij werd niet verhoord, opdat hij zich, ter oor-zake van de uitnemende openbaringen, welke hem te beurt

423

ocr page 462

onderricht over den

vielen, niet zou verheffen, opdat hij ootmoedig mocht blijven, door het gevoel zijner vleeschelijke zwakheid. In zulke omstandigheden kunnen wij ons ook troosten met de woorden, welke de Heer tot den Apostel sprak, zeggende: »Mijne genade is u genoeg, want de kracht wordt in zwakheid volkomen.quot; II Cor. XII, 9. — Wanneer wij voor de bekeering van anderen bidden en niet verhoord worden, dan is ons gebed toch niet nutteloos; want Cod zal onzen ijver en onze naastenliefde be-loonen. 2) Om ons geduld en onze standvastigheid in het gebed te beproeven, daar God ons ten geschikten tijde zal verhooren. o) NV ijl wij gewoonlijk niet bidden zooals het be-behoort; want zal ons gebed Gode aangenaam zijn, dan moet het a) in den naam van Christus geschieden, gelijk dit reeds is uitgelegd; h) het moet godvruchtig, c) vol vertrouwen, d) ootmoedig, e) aandachtig, ijverig en vurig, f) volhardend cn g) aan Gods beschikking onderworpen zijn.

Wanneer behoort men voornamelijk te bidden?

■I) 's Morgens, 's middags en 's avonds (Ps. LIV, 18) vóór en na het eten, en zoo dikwijls de klok slaat; want God denkt alle oogenblikken aan ons en overlaadt ons met weldaden; daarom is het billijk, dat wij ten minste dikwijls door den dag aan Hem denken, en Hem voor zijne weldaden danken; 2) als men de kerk bezoekt, of, belet zijnde daarheen te gaan, te huis, gedurende den tijd, dat de Heilige Dienst in den tempel des Heeren plaats heeft; 5) op het oogenblik der bekoring (Matth. XVI, 1); 4) als men de Heilige Sacramenten wil ontvangen; 5) wanneer men eenen staat wil kiezen of op het punt staat een gewichtig werk te beginnen (Luc. VI, 12); 6) in bijzondere cn algemeene rampen en noodwendigheden; 7) in het uur des doods.

Hoe kan men, volgens de leer van Christus by den H.

Lucas XVIII, altijd bidden?

Wanneer men, gelijk reeds gezegd is, dikwijls door den dag zijne toevlucht neemt tot het gebed, al zijne bezigheden met eenc goede meening en ter cere Gods verricht en zijn hart, door herhaalde verzuchtingen en korte schietgebeden, tol God verheft.

424

ocr page 463

vijfden zondag na paschen.

Welk is het voortreffelijkste van alle gebeden?

Het Onze Vader, wijl Christus zelf ons dat gebed heeft geleerd en bevolen heelt het te bidden. Daarom is het ook allerkrachtigst, doch slechts d;in, wanneer het met godsvrucht gestort wordt (Matth. VI, Luc. XI).

Korte verklaring van liet «Onze Vaderquot;.

Wat beteekenen de woorden: .Onze Vader?quot;

Deze woorden dienen, om ons op te wekken tot vertrouwen op God, den besten aller vaderen; en zij leeren ons, dat alle menschen broeders zijn en kinderen van éénen Vader, die in de Hemelen is.

Waarom zeggen wij: »die in de Hemelen zijt?quot;

Deze zinsnede herinnert ons, dat wij on/.e harten moeten verheffen naar den Hemel, ons Vaderland, waar God zijne heerlijkheid aan de uitverkorenen vertoont.

Wat vragen wij in de eerste bede: quot;Geheiligd zij uw

Naam?quot;

Geef, o Heer! dat allen ü als den Heilige erkennen, aanbidden, dienen en liefhebben. — De Naam is hier, gelijk elders in de H. Schrift, voor het wezen van God, voor God zeiven gebezigd.

Wat verlangen wij in de tweede bede: »Ons toekome

uw Ryk?quot;

Dat het ware geloof zich over de aarde en in alle harten uitbreide en Gods genade alle gemoederen vervulle.

Wat begeeren wij in de derde bede: gt;Uw wil geschiede, gelijk in den Hemel zoo ook op aarde?quot;

Dat op aarde allen God zóu oprecht, zóu onderworpen en zóó volmaakt gehoorzamen, als de Zaligen in den Hemel.

In deze drie beden vragen wij dus, volgens de leer van Christus (Luc. XII, 51), eerst het Hijk Gods en zijne gerechtigheid, opdat ons al het overige toegeworpen worde.

Wat vragen wij in de vierde bede: quot;Geef ons heden ons dagelijksch brood?quot;

Zoo wel het voedsel der ziel als het voedsel des lichaams

het brood ons noodzakelijk, het noodige tot ons onderhoud,

zoowel tot het hooger als tot het bloot stoffelijk bestaan, —

425

ocr page 464

ONDERRICHT OVER DEN

liet Woord Gods, het Lichaam des Heeren, het dagelijksch, het onontbeerlijk voedsel.

Waarom leert ons Christus bidden: quot;Geef ons heden enz.?quot;

Om aan te duiden, dat wij alle overvloedige zorgen moeten vermijden en met vertrouwen van God verwachten, dat Hij ons eiken dag het noodige voedsel zal verleenen. Verder wordt ons daardoor geleerd, dat wij dagelijks moeten bidden en onzen evenmensch in ons gebed dienen indachtig te zijn. Wat verklaren wij in de vijfde bede: «Vergeef ons onze

schulden?quot;

Wij bekennen ons zondaars en vragen aan God, dat Hij ons onze zonden vergeve, gelijk ook wij bereid zijn te vergeven aan allen, die ons schuldig zijn. Zij, die dit gebed spreken en toch vijandschap in hun hart dragen tegen degenen, die hen beleedigden, zullen geene barmhartigheid van God verwerven, wijl zij zeiven niet barmhartig zijn (Marc. XI, 25 en 26). God verfoeit eenen mensch, die haat draagt en zich niet met zijnen vijand wil verzoenen. — Laat ons, bij de herinnering aan de beleedigingen, die ons aangedaan worden, steeds gedenken, dat wij God vergramd en ontecrd hebben. De gedachte aan onze eigene fouten zal ons aansporen aan anderen te vergeven, hetgeen zij ons misdaan hebben, opdat wij zclven vergiffenis onzer misdaden mogen verkrijgen. Wat zeggen wü in de zesde bede: «Leid ons niet in

bekoring?quot;

Wij belijden onze zwakheid en bidden God, dat Hij ons niet zijne genade versterke, om niet vrijwillig toe te stemmen in de bekoringen der zonde, waarmede de duivel, de wereld en het vleescii ons bestormen, of om geheel en al van zulke aanvechtingen tot het kwaad bevrijd te blijven, indien het ons zalig is.

Wat vragen wij in de zevende bede: -Verlos ons van den

kwade?quot;

Wij bidden, dat de Heer ons behoede tegen den booze, tegen den duivel of tegen het kwade, de zonde, waartoe de duivel ons bekoort; alsmede dat quot;ij ons bevrijde van alle onheilen naar ziel en lichaam, van ziekte, pest, hongersnood en oorlog, enz. voor zoo ver deze kwalen niet tot ons zielenheil strekken.

426

ocr page 465

vijfden zondag na paschen.

Wat beteekent het woordje: »Amen?quot;

«Het geschiede,quot; liet zij zoo.quot; Wij drukken daardoor den wensch uit, dat al onze vragen mogen verhoord worden.

Onderricht ov^r de verschillende manieren van bidden.

De verschillende houdingen des lichaams, welke de Katholieken onder het bidden aannemen, beduiden, dat men God niet alleen met de ziel, maar ook met het lichaam moet eeren, dienen en aanbidden. Wanneer men met luider stemme bidt, dan looft men God niet alleen in den geest, maar ook met den mond. iUs men onder het bidden het hoofd ontbloot of nijgt, de handen verheft of samen vouwt, de knieën buigt, zich op de aarde uitstrekt, dan belijdt men zich onwaardig, om voor God te verschijnen en bewijst men eerbied en onderdanigheid aan de opperste Majesteit, voor welke wij ons niet genoegzaam kunnen vernederen. Hol toeken van het H. Kruis herinnert ons, dat Christus ons tot den dood des kruises heeft bemin') en ons daardoor van de zonde en hare gevolgen verlost heeft. Door dat teeken belijden wij tegelijkertijd ons geloof aan den Gekruisigde; en wanneer wij daarmede ons voorhoofd, onzen mond en onze borst teekenen, geven wij te kennen, dat wij Christus door onze gedachten, woorden en werken willen en moeten eeren; als wij daarbij de woorden »In den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes,quot; uitspreken, belijden wij, dat alle weldaden, waaraan wij door Christus zijn deelachtig geworden, de H. Drieeenheid tot oorsprong hebben; alsmede dat ons leven niet alleen aan Christus, maar ook aan de H. Drievuldigheid is toegewijd. Sommige dezer houdingen bij hel gebed waren reeds gebruikelijk onder het Oude Verbond en zijn zei I's door Christus gebezigd geworden, zoo als het nedervallen op het aangezicht, het kniebuigen, enz.; andere, bij voorbeeld het opheffen en uitstrekken der handen, het kruisteeken, enz. zijn eerst naderhand door de Apostelen en hunne opvolgers ingevoerd.

427

ocr page 466

ONDERRICHT OVER DEN

Onderricht over de processiën, welke op het feest van den TI. Marcms, de Kruisdagen en het feest van het H. Sacrament gehouden worden.

Wat zijn processiën?

Plechtige en godsdienstige optochten, waardoor wij God om genade en barmhartigheid smeeken, of Hem voor zijne weldaden danken, 011 de vreugde, welke wij daarover gevoelen, uitwendig aan den dag leggen. De processiën op het feest van den H. Marcus en de Kruisdagen geschieden uit eeuen geest van boetvaardigheid, om te voldoen voor onze zonden, en God te bewegen tot goedheid en medelijden met onze zwakheid. He processie van H. Sacramentsdag lieeft plaats tot verheerlijking van liet H. Sacrament des Altaars, alsmede om God te danken, dal Hij ons heeft willen spijzigen met het kostbaar Vleesch en Bloed van zijnen eenigen Zoon.

Zijn de processiën iets nieuws?

Neen; zij kwamen reeds voor in de eerste eeuwen dei-Kerk volgens de getuigenis van Teutulunus, Chrysostomus, enz. Op de feestdagen der Martelaars begaven zich somstijds de Bisschoppen, gevolgd door de geestelijkheid en de geloovi-gen, naar de graftomben dier dappere belijders van ons heilig gelooi, om aldaar hunne eerbiedwaardige overblijfselen te vereeren. Theodoretüs verhaalt in zijne Kerkelijke Geschiedenis, dat er ten jare 562, onder de regeering van keizer Juliaan den Afvallige, eene plechtige processie plaats had, ter gelegenheid van de overvoering der relikwieën van den H. Babilas naar de kerk van Antiochië. David reeds bracht de Ark des Verbonds onder begeleiding des volks en der Priesters, uit de woning van Obededom, in plechtigen optocht, naar zijn eigen paleis over.

Wat beteekenen de processiën?

1) Daardoor belijden wij, dat God niet alleen in de kerken, maar overal tegenwoordig is. 2) Zij wekken ons op tot betrouwen op den Heer. Wanneer wij de wonderen der almacht Gods in de vrije natuur aanschouwen, de bloemen zien, die Hij zoo prachtvol kleedt, het gezang der vogelen hooren, welke Hij voortdurend spijzigt, enz. hoe zonden wij

428

ocr page 467

vijfden zondag na paschen.

ons dan niet aangespoord voelen tot betrouwen op den liefderijken Schepper, die alles, wat Hij gemaakt heeft, met goedheid bestiert en onderhoudt? 3) Zij zijn een zinnebeeld van ons leven op aarde, waar wij, als pelgrims, die naar hun Vaderland, den Hemel reizen, geene ware en blijvende woonplaats hebben. 4) Zij zijn eene openbare en plechtige belijdenis van ons geloof in Christus, den Gekruisigde, en eene vreugdevolle dankbetuiging voor alle genaden, die ons door Hem zijn ten deel gevallen, o) Wanneer eene processie van de eene kerk naar do andere gehouden wordt, dan beduiden wij daardoor, dat wij. Katholieken, slechts ééne Kerk uitmaken, welker Opperhoofd Jesus-Christus is.

Zijn de proeessi'ên nuttig?

Ja; want zij herinneren ons, gelijk wij hierboven reeds zeiden, aan de alomtegenwoordigheid, aan de macht en goedheid Gods; ze zijn derhalve zeer geschikt, om deugdelijke neigingen en goede voornemens in ons op te wekken. Indien het gebed van eenen enkelen rechtvaardige Gode aangenaam is en door Hem verhoord wordt, hoeveel te aangenamer zal Hem dan het gebed der rechtvaardigen eener gansche gemeente niet wezen; hoeveel te eerder zal Hij dusdanig gebed niet verhooren? Ware het niet beter de processiën en bedevaarten af te schaffen, wegens de misbruiken en ongeregeldheden, die soms daarbij voorkomen?

Neen! want even als men het mes niet moet afschaffen, wijl er velen zijn, die zich daarmee snijden, evenmin behoort men de processiën en bedevaarten te staken wegens de misbruiken, welke te dier gelegenheid hier of daar plaats hebben. Het misbruik worde weggeruimd en het gebruik blijve bestaan! Waarom worden bü de processiën kruis en vaandels gedragen?

Het kruis beteekent, dat wij, in den naam van Christus, den Gekruisigde, vergaderd zijn, dat wij onze gebeden en godsdienstige oefeningen, in zijn naam, beginnen en volbren-brengen; alsmede dat wij, dooi- zijne verdiensten, van den Hemelschen Vader hopen te verkrijgen al, wat wij vragen. Hel vaandel duidt aan, dat wij ons, als een strijdbaar leger, onder Christus moeten scharen, om voor de eer van God en het heil onzer ziel tegen de zichtbare en onzichtbare vijanden te kampen.

429

ocr page 468

onderricht over het

Waarom trekt men in processiën rondom de akkers en

velden?

Om den goeden God te bidden, dat Hij de akkers met zijne milde hand zegene, de vruchten der aarde beware en ons, menschen, het noodige onderhond verleene, gelijk Hij de dieren des veids verzadigt en hun, ter gelegene tijde, voedsel geeft.

Waar van daan komen de processiën op het feest van den H. Marcus en de Kruisdagen?

De processie op St. iVlARCUs-dag bestond reeds in de zesde eeuw, doch werd voornamelijk door Pans Gregorius den Groots in eere gebracht. De reden daarvan geeft hij aan met de volgende woorden: «Het betaamt, zegt Gregorius, dat wij deze jaarlijksche plechtigheid, met de hulp des Heeren, godvruchtig vieren, opdat wij door zijnen bijstand, dien wij inroepen, eenigermate van onze zonden zouden gereinigd worden. Want wij moeten wel nadenken, zeer geliefden, met hoeveel aanhoudende kwalen wij, om onze misdaden, geslagen worden en hoe ons de Goddelijke barmhartigheid hulp toezendt. Laat ons de Goddelijke Geheimen vieren, opdat wij ook mogen waardig worden, Gode voor de oude en nieuwe weldaden onzen dank te betuigen.quot; — De instelling der processie op de Kruisdagen dagteekent van hel einde der vijfde eeuw. Geruimen tijd reeds werd de stad Vienne in Frankrijk door vreeselijke rampen geteisterd. De hechtste gebouwen werden door aanhoudende aardbevingen ter neergeworpen, en vele huizen door brand vernield. Akelige stemmen werden bij herhaling gehoord, en wilde dieren verlieten bij klaarlichten dag hunne holen, om de inwoners met schrik en angst te vervullen. Van dag tot dag groeiden de rampen en de kwellingen aan. De H. Mamertus, Bisschop der slad Vienne, verordende een vasten van drie dagen en bepaalde tevens, dat op elk dier dagen eene processie met openbare gebeden zou gehouden worden, om God te bewegen zijne straffende hand van het volk af te wenden. Dil gebruik bleef, van dien tijd af, bestaan en werd langzamerhand in de geheele Westersche Kerk ingevoerd. Bij de processiën, welke op de Kruisdagen plaats hebben, stelt zich de Kerk in het bijzonder voor, van God het behoud van de vruchten der aarde te vragen. Zij roept 's Hemels zegen af over den oogst

430

ocr page 469

feest der hemelvaart van christus.

en smeekt den Heer, dat Hij ons van de tegenwoordige rampen verlosse, en ons beveilige tegen de gevaren en onheilen, die ons bedreigen. De Kruisdagen kunnen ook nog beschouwd worden als eene voorbereiding tot de Hemelvaart van Christus, die onze machtigste Voorspreker en Middelaar is bij den Hemelscben Vader; weshalve wij ook bijzonderlijk, op deze dagen, onze harten Hemelwaarts moeten verheffen.

Zie over de processie op H. Sacramentsdag; Onderricht op den Feestdag van hel Allerheiligste Sacrament.

Onderricht over het feest der Hemelvaart van Christus.

Bij den Ingang der Mis bezigt de Kerk de woorden, welke de Engelen tot de Apostelen des Heeren spraken, nadat Christus ten Hemel was opgevaren. «Galilesche mannen, wat staat gij, in bewondering, Hemelwaarts te zien? alleluja: Hij zal alzóó komen, als gij Hem hebt zien ten Hemel varen, alleluja, alleluja. Ps. XLVI. Alle volken, klapt in de handen, juicht Gode met vroolijke stemme. Eere zij den Vader, enz. Gebed der Kerk.

Verleen ons, bidden wij U, almachtige God, dat wij, die gelooven, dat uw eeniggeboren Zoon, onze Verlosser, heden ten Hemel is gevaren, ook zeiven, met den geest, in den Hemel mogen wonen, door denzelfi'en Jesus-Christus onzen Heer, enz.

EPISTEL: Les uit de Handelingen der Apostelen I, 1-11.

De eerste rede, o Theophilus, heb ik gedaan van alles, wat Jesus begonnen heeft te doen en te leeren, tot op den dag, in welken Hij opgenomen is, den Apostelen, die Hij verkoren had, door den Heiligen Geest bevelen gevende. Hnn heelt Hij ook, na zijn lijden, zich levend betoond door menigvuldige bewijzen, gedurende veertig dagen van hen gezien wordende, en sprekende over het Rijk Gods. En met hen etende, gebood Hij hun, zich niet van Jerusalem te verwijderen, maar ie belofte des Vaders te verbeiden, welke (sprak Hij) gij uit mijnen mond hebt gehoord. Want Joannes heeft wel met water gedoopt, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen. Zij dan, die samengekomen waren, ondervraagden Hem, zeggende: Heer! zult Gij in dezen tijd het

431

ocr page 470

onderricht over het

rijk van Israël herstellen9 Doch Hij sprak tot hen: U komt het niet toe, tijden ot stonden te weten, welke de Vader in zijne macht heeft gesteld. Maar gij zult de kracht ontvangen des Heiligen Geestes, die over n komen zal, en zult Mij getuigen zijn in Jerusalem, en in geheel Judea en Samarië, en tot aan het uiteinde der aarde. En als Hij dit gesproken had, werd Hij, terwijl zij aanschouwden, opgenomen, en eene wolk voerde Hem weg, uit hunne oogen. En als zij Hem, die ten Hemel voer, nastaarden, ziet, er stonden bij hen twee mannen in witte kleeding, die ook zeiden: Galilesche mannen, wat staat gij Hemelwaarts te zien ? Deze Jesus, die van u opgenomen is iu den Hemel, zal alzoo komen, als gij Hem hebt zien ten Hemel varen.

Verklaring. Do Heiland gebood zijnen Leerlingen, dat zij zich niet van Jerusalem zouden verwijderen, maar er de zending van den H. Geest moesten afwachten. De Discipelen, die zich verkeerdelijk voorstelden, dat de beloofde Messias een wereldsch koninkrijk zou stichten, vroegen den Verlosser: Gaat Gij in deze dagen den troon van David herstellen en het vervallen koninkrijk weder oprichten voor de Joodsche natie? Jesus wees hunne vraag af als ongepast, wijl zij naar dingen vroegen, die hen niet aangingen en zeide hun, dat zij slechts moesten denken aan de komst van den H. Geest, die hun alle waarheid zou loeren en die hun krachten zou verleenen, om hun zendelingswerk aan te vangen te Jerusalem en het voort te zetten in Judea en Samarië en over de geheele aarde. — Verheugen wij ons, dat het 11. Evangelie ook tot ons gekomen is en laat ons zorgen, dat wij, door onze deugden en goede werken, heilige ledematen van het Rijk Gods, de Kerk van Christus, mogen worden.

Verzuchting. Ik verheug mij, o Koning des Hemels en der aarde, wijl Gij heden, in den Hemel, uwe heerschappij en heerlijkheid hebt begonnen. Koninkrijken der aarde... zingt lof den Heere, zingt lof aan God, die opstijgt, naar het Oosten, boven den Hemel der hemelen. Geeft Gade lof... wiens heerlijkheid en macht in de wolken is. God is opgeklommen met gejubel... Zingt lof aan onzen God,., zingt lof aan onzen

432

ocr page 471

feest der hemelvaart van christus.

Koning... want God is Koning der gansche aarde, zingt lof met wijsheid. God zal heerschen over de Heidenen: God zit op zijn heiligen troon. i's. LXVII en XLVI.

Evangelie volgens den H. Marcus XVI, 14-20.

ïn dien tijd openbaarde zich Jesus aan de elven,

als zij aanzaten. En Hij bestrafte hunne ongeloovigheid

en hardheid des harten, dewijl zij dengenen, die Hem

verrezen gezien hadden, niet hadden gelooid. En Hij

sprak tot hen: Gaat, heen in de geheele wereld, en

verkondigt het Evangelie aan alle schepselen. Wie

gelooft, en gedoopt wordt, zal zalig worden; maar

wie niet zal gelooven, zal verdoemd worden. Maar

deze teekenen zullen degenen, die gelooven, volgen :

In mijnen naam zullen zij duivelen uitdrijven; nieuwe

talen zullen zij spreken; slangen zullen zij opnemen;

en indien zij iets doodelijks zullen drinken, zal liet hun

niet schaden; kranken zullen zij de handen opleggen,

en zij zullen gezond worden. En de Heer Jesus, na met

hen te hebben gesproken, is opgenomen in den Hemel,

en is gezeten, aan de rechterhand Gods. En zij gingen

uit, en predikten overal, de Heer medewerkende, en het

Woord bevestigende door de (eekenen, die er op volgden.

Waarom zegt Jesus tot de Apostelen: -Gaat heen in de geheele wereld, en verkondigt het Evangelie aan alle

schepselen?quot;

Daardoor geeft Jesus te kennen, dat niemand een wezenlijk leeraar van hot Evangelie is, zonder wettige zending; en er geen wettige zending is, die niet onafgebroken opklimt tot de Apostelen, welke onmiddellijk door Jesus zijn gezonden, opdat zij door zich zeiven en door degenen, die weder door hen, middellijk of onmiddellijk zouden gezonden worden, al de volkeren der aarde zonden onderwijzen. De Verlosser loont, dat Hij de zaligheid wil van alle menschen. Wanneer er dus velen zijn, die niet tot het Rijk der Hemelen geraken, dan moet men zulks den Heiland niet ten laste leggen, rnaar den menschen zeiven, die de leer van Christus niet aannemen,

28

433

ocr page 472

onderricht over het

of daarnaar niet leven, of zich, door de versteendheid huns harten, onwaardig maken, dat het Evangelie hun verkondigd worde. Hoe -worden degenen zalig, die gelooven, en gedoopt zijn?

Wanneer zij een geloof hebben, dat werkzaam is door de liefde. Gal. V. 6; want slechts hij, die door werken vervult, hetgeen hij gelooft, gelooft werkdadig en verdienstelijk; een geloof zonder de werken, zegt de H. Anselmus, is geen geloof van eenen Christen, maar een geloof des duivels.

Wie verloochenen hun geloof door de werken?

Zij, die zóó leven, alsof zij niet geloofden. Hij, die de aarde en de goederen dezer wereld meer bemint dan God, verloochent de leer van het H. Evangelie, hetwelk zegt: Gij zult den Heer uwen God liefhebben, uit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel, en uit geheel uw verstand. Matth. XXII, 3quot;. Hij, die zijnen evenmensch niet bemint, handelt alsof hij niet geloofde aan het gebod van Christus: Gij zult uwen naaste liefhebben, als u zeiven. Matth. XXII, 37. Hij, die hardnekkkig in de zonden blijft voortleven toont door zijne werken, dat hij niet gelooft aan het woord van Jesls, welke leert, dat de onboetvaardige zondaars voor eeuwig zullen verloren gaan. Het geloof van een waren Christen openbaart zich door de werken; de Christen toont en bewijst, dat hij gelooft, wanneer hij leeft volgens de voorschriften van onzen heiligen godsdienst.

Is ons geloof waarachtig, ofschoon wij niet de teekenen

doen, welke Christus zijnen geloovigen belooft?

De H. Gregorius beantwoordt deze vraag op eene voortreffelijke wijze, als hij zegt, dat de wonderen slechts in den beginne des Christendoms noodzakelijk waren, om daardoor de waarheid der nieuwe leer te bevestigen, de ongeloovigen te bekeeren en de Christenen in hun geloof te versterken. Wanneer echter mirakelen noodzakelijk zijn tot overwinning van het ongeloof of om de geloovigen te versterken, dan is Christus' macht niet verminderd, om ook thans nog door zijne volgelingen mirakelen te doen verrichten.

Geschieden ook nog heden zulke teekenen in de Katholieke Kerk?

Ja, want te alle tijden hebben Heiligen geleefd, die, zoo als de geschiedenis ons verhaalt, door hun geloof, do

434

ocr page 473

feest der hemelvaart van christus.

grootste mirakelen gedaan hebben. En welke wonderen van deugden verrichten de Christenen niet? Zij drijven den duivel uit, zegt de H. Chrysostomus, wanneer zij de zonde, die erger is dan de dood, door boetvaardigheid van zich verdrijven. Zij leggen kranken de handen op en maken hen gezond, als zij de onwetenden leeren, de dwalenden op den rechten weg terugvoeren, de zondaars van het kwaad afbrengen, enz.

Beijver n, o Christen! iets dergelijks te doen, en het zal u en anderen voordeeliger zijn, dan wanneer gij de grootste mirakelen verrichtet.

Waar is Christus ten Hemel gevaren?

Op den Olijfberg, opdat zijne heerlijkheid zou beginnen

ter plaatse, waar zijn lijden was begonnen, om ons alzoo te

leeren, dat kruis en leed, wanneer zij, met geduld, gedragen worden, ten Hemel voeren.

Hoe is Christus ten Hemel opgevaren?

Met een hemelsch en verheerlijkt lichaam en wel door zijne eigene kracht, wijl Hij te gelijker tijd God en mensch is.

Heeft iemand Christus zien ten Hemel opklimmen?

Ja, zijne Apostelen en vele zijner leerlingen, die Hij eersl zegende, waarna Hij opvoer ten Hemel. — Verheug u, o christen ziel, want Jesus heeft u heden den Hemel geopend, zoodat gij zeker daarin gaan zult, indien gij slechts in Christus gelooft en uw geloof door werken toont. Daarom schrijft de H. Aijgustinus: «Laat ons, in den geest, met Christus Hemelwaarts gaan, opdat wij Hem, wanneer de oordeelsdag zal gekomen zijn, ook met het lichaam mogen volgen. Wij dienen echter te weten, geliefde broeders, dat noch hoo\aardigheid, noch gierigheid, noch ontucht, noch eenige andere ondeugd met Christus, den Heer, kan opklimmen, want de hoogmoed vaart niet ten Hemel met den Leeraar des ootmoeds, noch de boosheid met de Bron der Heiligheid, noch de ontucht met den Zoon der Maagd.quot; Doch deze ondeugden, zegt de H. Augusti-nus, kunnen ons als ladder ten Hemel dienen, wanneer wij ze namelijk door boetvaardigheid en versterving overwinnen en als met de voeten treden.

435

ocr page 474

onderricht over den

Verzuchting. O Koning der heerlijkheid, o Heer der krachten! Gij, die heden roemvol ten Hemel zijt opgestegen, verlaat ons, arme weezen, niet, maar zend ons den Geest der waarheid, dien Gij ons beloofd hebt, en neem ons eens in uwe heerlijkheid op!

Waarom wordt heden, zoodra het Evangelie gezongen is, de paaschkaars uitgedoofd en weggedragen?

Ten teeken dat Christus, die door de paaschkaars wordt voorgesteld, heden van zijne Leerlingen afscheid heeft genomen. Welke godsvruchtoefening kan men heden verrichten?

Men kan zijne oogen en zijn hart Hemelwaarts verheden, waarheen Jesus is opgevaren, en eene vnrige begeerte in zich opwekken, om Christus, door kruis en leed, door ootmoed, geduld en onderdanigheid, daarheen te volgen.

Onderriclit over den zesden Zondag na Paschen.

Deze Zondag en de gansche daarop volgende week moeten tot voorbereiding dienen voor het hooge Pinksterfeest; opdat wij, door godvruchtige oefeningen en goede werken, aan de genade van den H. Geest deelachtig mogen worden. De Kerk zingt bij den Ingang der Mis: Verhoor, o Heer, mijne stem, waarmede ik tot U geroepen heb, alleluja: mijn hart heeft tot U gezegd: ik heb uw aangezicht gezocht, Heer, ik zal uw aanschijn zoeken: keer uw aangezicht niet van mij af, alleluja, alleluja. De Heer is mijn licht en mijn heil: wien zal ik vreezen? Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Maak, o almogende en eeuwige God, dat onze wil U steeds toegedaan zij en dat wij uwe Majesteit voordurend met een oprecht hart mogen dienen, door onzen Heer Jesus-Christus, enz.

EPISTEL: Les uit den eersten Brief van den Heiligen Apostel Petrus IV, 7-11.

Zeer geliefden, weest voorzichtig en waakt in gebeden. Doch vooral hebt steeds een wederkeerige liefde tot elkander, want de liefde bedekt eene menigte van zonden. Weest gastvrij jegens elkander zonder morren. Dient elkander, een iegelijk met de genade, welke hij ontvangen heeft, als goede uitdeelers der velerlei genade Gods. Zoo iemand spreekt, hij spreke als

436

ocr page 475

zesden zondag na paschen,

het woord Gods: indien iemand een ambt bedient, hij bediene het als uit de kracht, welke God verleent, opdat God in alles vereerd worde door Je sus-Christus, onzen Heer.

Verklaring. De H. Petrus vermaant de Christenen, in den Epistel van dezen Zondag, dat zij moedig en waakzaam zouden zijn in het gebed, dat is, de matigheid beoefenen, om zoo doende altijd, ook in den nacht, tot het gebed bereid te wezen, wijl de mensch niet door zijne eigene macht, tot de volmaaktheid kan geraken, maar daartoe den Heer krachten moet vragen in het gebed. Verder spoort hij de geloovigeu aan tot voortdurende wederkeerige liefde, die eene menigte van eene zonden bedekt, dal is, de fouten des naasten verontschuldigt en vergeeft (I Cor. XIII, 7). Eindelijk zegt de Apostel, dat de Christenen de verschillende genadegaven en bedieningen, welke zij van God ontvangen hebben, getrouw en heilig moeten gebruiken en vervullen en ze tot hun zieleheil en tot dat van anderen aanwenden, opdat men erkenne, hoe God in zijne dienaren werkt, en opdat Hij daarom ook in alle dingen zou geprezen worden. — Volg deze vermaning des Apostels; op die wijze zult gij u waardig maken, den H. Geest te ontvangen, die u zoo noodzakelijk is, dat gij zonder Hem niets goeds denken (II Cor. Ill, S), niet eens den naam van Jesus verdienstelijk uitspreken en nog veel minder iets goeds doen kunt. Spreek daarom heden en alle dagen dezer week het volgend

Gebed.

Kom, H. Geest, vervul de harten uwer geloovigen, en ontsteek in hen het vuur uwer liefde, opdat zij door uwe genade herboren en de Hemelsche Zaligheid waardig en deelachtig worden. Amen.

Evangelie volgens den H. Joannes XV, 26-XVI, 1-4.

In dien tijd sprak Jesus tot zijne Discipelen: Wanneer de Vertrooster zal gekomen zijn, dien Ik u van den Vader zenden zal, den Geest der waarheid, die van den Vader uitgaat, die zal van Mij getuigenis geven : ook gij zult getuigenis geven, omdat gij van don beginne met Mij zijt. üit heb Ik tot u gesproken, opdat gij niet geërgerd wordt. Zij zullen u uit de synagogen

457

ocr page 476

onderricht over den

bannen; ja, de ure komt, dat een iegelijk, die u doodt, meenen zal, Gode dienst te bewijzen. En dit zullen zij u aandoen, omdat zij noch den Vader, noch Mij kennen. IMaar Ik heb dit tot u gesproken, opdat, wanneer de ure komt, gij hieraan gedachtig zijt, dat Ik het u gezegd heb.

Waarom wordt de H. Geest een vertrooster genoemd?

i) Wijl Hij hen, die vervolging lijden om de gerechtigheid, vertroost, gelijk zulks het geval is geweest met de Apostelen en andere Heiligen, die zich verheugden over het lijden, dat hun om Jesus' wille werd aangedaan. 2) Wijl Hij aan de getuigenis van Jesus zulke kracht geeft, dat zij degenen, die ze hooren, beweegt om de loer des heils aan te nemen en hen aldus tot de eeuwige Zaligheid voert.

Hoe heeft de H. Geest getnigenis gegeven van Christus?

Dit deed Hij door de Apostelen en andere Leerlingen van Jesus, die Hij verlichtte, welsprekend maakte en door de liefde Gods aanmoedigde, zoodat zij onverschrokken beleden en predikten, dat Ciiiustus de Zoon Gods is en de Heiland der wereld. Deze leer heeft Hij door vele wonderen en door het bloed der Martelaren bekrachtigd en, om zoo te spreken, bezegeld. De H. Geest geeft ook heden nog getuigenis van Christus en diens leer, namelijk door de Kerk en hare leeraren, door wie Hij spreekt en die men daarom ook met ijver en eerbied moet aanhooren.

Hoe moesten de Apostelen getuigenis geven van Christus?

Door hunne leer, door woorden, door hun leven en

lijden, gelijk Christus Iiiiii verklaarde. Ook wij kannen en

moeten, door ons leven en lijden, getuigenis afleggen van

Jesus, naardien wij, door onzen levenswandel en door ons

geduld in kruis en leed, getuigen, dat Hij onze Leermeester,

onze Heer en God is; want, zoo wij Hem niet, op zulke wijze,

vóór de wereld belijden, zal Hij ons ook niet belijden vóór

zijnen Vader, die in de Hemelen is (Mattii. X, 32-33).

Waarom voorspelden Jesus zijnen Leerlingen, dat zij zouden lijden?

1) Opdat zij zich naderhand daaraan niet zouden ergeren, dat is, tol ongeduld of lol afval van hel geloof zouden laten

438

ocr page 477

ZESDEN ZONDAG NA PASCHEN. 439

%

brengen, hetgeen misschien zon geschied zijn, indien Hij hun niet te voren gezegd had, dat zij moesten lijden. 2) Opdat zij zouden weten, dat kruis en leed hen niet toevallig trof, maar hun, onder Gods hand, ten deele viel. — Het moet ons ook niet bevreemden, wanneer wij versmadingen en bespottingen ondergaan voor hel geloof; immers, indien de Heer is vervolgd geworden, waarom zouden dan zijne dienaren gespaard blijven? Doch wanneer wij ons aan Gods wil onderwerpen, dan zal de H. Geest ons versterken en troosten, en wij zullen door het leed, dat ons treft, de heerlijkheid ingaan (II TIM. II, 12).

Hebben de Joden gezondigd, toen zij de Apostelen vervolgden en dooden?

Zonder twijfel! Zij meenden, wel is waar, Gode daarmee dienst te bewijzen, maar deze dwaling was zeer zondig en strafbaar, wijl de Joden de waarheid gemakkelijk hadden kunnen kennen, zoo zij zich hadden willen laten onderwijzen. — In zulke strafbare onwetendheid verkeeren ook de Christenen, die de godsdienst-onderrichtingen verwaarloozen en nauwelijks weten, wat zij moeten gelooven, om zalig te worden; alsook degenen, die door eenc schuldige onwetendheid dingen doen, welke op zich zeiven genomen groote zonden zijn, alhoewel zij er zich niet het minste gewetensbezwaar uit maken.

Onderriclit over de ergernis.

DU hét Ik lot U gesproken, opdat gij niet geërgerd wordt. .Ioan. XVI, 1.

Hoe geeft men ergernis.

Wanneer men, op eene min of meer laakbare wijze, iets zegt, doet of verzuimt, ten gevolge waarvan men voorziet, dat een ander daaruit aanleiding tol zonden kan nemen. Zulks geschiedt op verschillende mauieren, bijv., men kleedt zich op eene oneerbare wijze, men voert oukuische gesprekken of zingt ontuchtige liederen, waardoor men zijnen even-mensch brengt tol onzuivere gedachten, begeerten of werken; —- of, wat nog erger is, men bedrijft, in het bijzijn van anderen, de zonde van ontucht of spoort hen daartoe aan. Men maakt anderen beschonken, verspreidt of leent

ocr page 478

ondeuricht over den

slechte boeken uit, strijdig met het geloof of de zeden; men brengt zijnen evenmensch tot gramschap, vloeken of wraak; of men houdt hem af van de kerkelijke diensten, de predikatiën, christelijke leeringen, enz, In al deze gevallen begaat men de zonde van ergernis en muakt men zich sclinldig aan alle zonden, die men voorziet, dat uit de gegevene ergernis zullen volgen. — Welke vreeselijke zaak is dus de ergernis! Hoeveel duizenden zonden worden door haar niet voortgebracht! En zoo men eens, in liet oordeel, zijne eigene zonden niet zal kunnen verantwoorden, hoe zal men dan van de ontelbare zonden, waaraan men zich door ergernis heelt schuldig gemaakt, rekenschap kunnen geven?... Daarom roept Jesüs uit: Wee der wereld wegens de ergernissen! Het is teel noodig, dat de ergernissen komen; maar toch wee dien mensch, door wien de ergernis komt! Matth. XV11I, 7.

Hoe geven de ouders ergernis ?

■1) Wanneer zij hunnen kinderen door buitensporige gramschap, door vloeken, zweren, door gierigheid, onrechtvaardigheid, bedrog, door oneenigheid, twist en tweedracht, door brasserij, verkwisting, kleederpracht, ontucht, enz., een slecht voorbeeld geven. 2) Als zij hunne zonen en dochters niet afhouden van kwade gezelschappen of misschien zelfs hen daarheen voeren. 3) Wanneer zij de fouten, gebreken en ondeugden hunner kinderen niet verbeteren, niet bestralfen. Het blijkt zonneklaar, dat de ouders, die, op zulke wijze, de moordenaars van de zielen hunner kinderen worden, zwaar zondigen en eens rekenschap voor het oordeel Gods zullen afleggen!

Hoe geven huisvaders, enz. hunnen onderhoorigen of dienstboden ergernis?

1) Op dezelfde manier als de ouders aan hunne kinderen. 2) Wanneer zij hen, door voorbeeld of bevel, op de Zon- en Feestdagen van de kerkelijke diensten afhouden of hun niet gebieden ze bij te wonen, op de voorgeschrevene tijden. 3) Als zij hun vleesch te eten geven op geboden onthoudings- en vastendagen. 4) Als zij hun bevelen iets kwaads te doen, bijv. te stelen in veld of bosch, enz.

Kunnen de dienstboden zich ook aan ergernis schuldig maken ten opzichte van hunne meesters?

Ja eu wel ten opzichte hunner heeren zeiven, doch voor-

440

ocr page 479

zesden zondag na paschen.

al ten opzichte van de kinderen hunner meesters. Dit laatste geschiedt, wanneer de dienstboden slechte gesprekken voeren of onzuivere liedjes zingen in het bijzijn dier kinderen; ol, wat nog erger is, hun slechte zaken leeren en hen, zoo doende, naar ziel en lichaam in het verderf storten. Dienstboden, die zich aan zulke gruwelen schuldig maken, mogen zich wel herinneren, wat de Zaligmaker in het Evangelie zegt: Die een van deze kleinen. die in Mij gelooven, ergert, dien ware het beter, dat een molensteen aan zijnen hals gehangen en hij in de diepte der zee verzonken werd. Matth. XVIII,. 6.

Onderricht over de manier, waarop men zich. tot het Pinksterfeest dient voor te bereiden.

Om zich waardig tot het Pinksterfeest voor te bereiden, dient men 1) naar het voorbeeld der Apostelen en der H. Maagd Maria, zich in stille eenzaamheid, ijverig en gedurig met het gebed bezig te honden; want God spreekt in de eenzaamheid tot de menschen; nNadert tot God en God zal tot u naderenquot; (Jac. IV, 8). 2) Men behoort zijn geweten, door eene rouwmoedige biecht van zonden te zuiveren en zich met zijnen naaste te verzoenen; want de H. Geest woont slechts, als de Geest der zuiverheid en des vredes, in reine en vreedzame zielen; en God vergeeft ons slechts dan onze zonden, wanneer wij aan onze me-demenschen vergeven, hetgeen zij ons misdaan hebben. (Matth. VI, 14-15). 3) Men geve aalmoezen volgens zijn vermogen, want de Handelingen der Apostelen verhalen ons van den hoofdman Cornelius, dat hij zich, door gebed en aalmoezen, waardig maakte, den H. Geest te ontvangen. 4) Men tracht eene vurige begeerte te hebben naar de- komst van den H. Geest; en dat verlangen geve men te kennen door herhaalde verzuchtingen en schietgebeden, to uiten, zooals: Kom, Heilige Geest, enz..

Onderricht op het hooge feest van Pinksteren.

Welk feest is dit ?

Pinksteren is de dag, waarop de H. Geest onder de gedaante van vurige tongen, over de Apostelen, die met Maria te Jerusalem vereenigd waren, is nedergedaald. (Handel, der Ap. II).

441

ocr page 480

ONDERRICHT OVRR HET

Waarom wordt deze dag Pinksteren genoemd?

Het woord Pinksteren komt van hol Grieksch Pentekoste, dat vijftig beteekent. Deze dag wordt aldus genoemd, wijl hij de vijftigste is na Paschen; dag, waarop ook de Joden hun Pinksterfeest vierden. (Levit. XXIII).

Waarom vierden de Joden het Pinksterfeest?

Tot dankbetuiging voor de wet, die God hun op den berg Sinai gegeven had, alsmede om Hem te bedanken voor de vruchten der aarde, die omstreeks dien tijd rijp waren en ingezameld werden; dan offerden de Joden ook de eerstelingen hunner vruchten. (Levit. XXIII).

Waarom vieren wij, Christenen, het Pinksterfeest?

Om God te bedanken voor de zending van den H. Geest en voor diens eerste werking, lot uitbreiding van hel Gods Kijk; verder nog tol dankzegging voor den grooten geestelijken oogst, die op dezen dag, door de prediking der Apostelen, begonnen is,

Hoe heeft zich de eerste prediking toegedragen?

Nadat de Apostelen met den H. Geest vervuld waren, begonnen zij, denzelfden dag nog, aan alle volkeren, die te Jerusalem waren samengestroomd, Jusus-Cihustus te prediken en zijne wet te verkondigen, waaraan zich allen moeten onderwerpen. (Hand. der Ap. II, 14). En velen der toehoorders bekeerden zich terstond tot het Christendom.

Waarom daalde de H. Geest, juist op [het Pinksterfeest der Joden, over de Apostelen neder?

Om aan te loonen, dal de Nieuwe Wet, door de genade van den H. Geest, de plaats der Oude ging innemen. Ook koos God dien dag uit, omdat de Joden, die ter gelegenheid van het Pinksterfeest, van alle landen der wereld naar Jerusalem waren gekomen, getuigen zouden zijn van dal wonder, en de verkondiging der Nieuwe Wel uit den mond der Apostelen zouden vernemen.

Waarom wordt op Pinksteravond, even als op Paaschavond, het doopwater gezegend?

Dewijl de H. Geest ons zijne genade, door de Heilige Sacramenten, mededeelt, zoo is het passend, dat hel eerste en noodzakelijkste dier genadebronnen, het H. Doopsel, tijdens hel feest zijner zending, mei dit gezegend water, aan de be-

442

ocr page 481

HOOGE FEEST VAN PINKSTEREN.

keerlingen worde toegediend. Hierbij komt nog, dat de komst van den H. Geest, in de Openbaring van den H. Joannes, een Doopsel genoemd wordt, hetwelk dus nog meer aanleiding geeft, om het Pinksterfeest een voornaam tijdstip te maken, waarbij liet H. Doopsel plechtig wordt toegediend.

Bij den Ingang der Mis galmt de Kerk hare vreugde uit over de komst van den H. Geest, en zingt uit hel Boek der Wijsheid I, 7: «De Geest des Heeren heeft het aardrijk vervuld, alleluja, en Hij, die alles in stand houdt, kent heigeen er gezegd wordt. Alleluja, alleluja, alleluja. Psalm LX1X, 2. Dat God opsta, en zijne vijanden verstrooid worden; en dat zij, die Hem haten, voor zijn aanschijn vluchten.quot; Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

O God, die, op dezen dag, de harten der geloovigen, dooide verlichting van den H. Geest, hebt onderwezen, geef, dat wij, door dienzelfden Geest, al wat recht is, smaken, en ons altijd in zijne vertroosting mogen verheugen, door onzen Heer Jksls-Chiustus, uwen Zoon, enz.

EPISTEL; Les uit de Handelingen der Apostelen II, 1-11

Als de dagen van Pinksteren vervuld werden, waren zij allen in dezelfde plaats bijeen. En er ontstond plotseling een gebruis uit den hemel, als van een opkomenden geweldigen wind, en vervulde het geheele huis, waar zij zaten. Eu er verschenen hun verdeelde tongen, als van vuur, zich nederzettende op een ieder van hen. En allen werden vervuld met den Heiligen Geest, cn begonnen in verschillende talen te spreken, naar dat de Heilige Geest hun gaf uit te spreken. Nu waren er in Jerusalem Joden wonende, godvruchtige mannen uit alle volken, die onder den hemel zijn. Als dan deze stem klonk, verzamelde zich de menigte, en was ontroerd, omdat een ieder hen in zijne taal hoorde spreken. En allen ontzette-den en verwonderden zich, zeggende: Ziel, zijn niet dezen, die spreken, allen Galileërs? En hoe hooren wij. een iegelijk, onze taal, in welke wij geboren zijn? Parthcrs, en Meders, en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotamië, Judea, en Cappadocië, Pontus en Azië, Phrygië, en Pamphylië, Egypte, en de streken van Libyë, bij Gyrene gelegen, en aankomelingen

443

ocr page 482

0nderu1cht ovek het

van Rome, Joden zoowel als Jodengenooten, Kretensen en Arabieren: wij hebben lien in onze lalen hooren spreken de groote werken Gods!

Waarom daalde de H. Geest, onder een gedruisch als van een stormwind en in de gedaante van vurige tongen, over de geloovigen neder ?

In de taal der Profeten beduidt het onweder eeue goddelijke beschikking, en een stormwind is daar de voorbode van. De Joden moesten nn daardoor, op de nabijzijnde zending van den H. Geest, opmerkzaam gemaakt worden. Het vuur be-teekent de tegenwoordigheid Gods, en wordt hier aangewend, wijl de Apostelen, door den H. Geest verlicht, door zijne Goddelijke liefde ontstoken, en tot verkondigers zijner leer aangesteld werden; op hunne beurt moesten zij de wereld, door de leer van Gods Geest verlichten en met de liefde van den Geest Gods ontvlammen. De gedaante van vurige tongen beteekent de gave en de uitdeeling der talen, alsmede de menigvuldigheid der genadegaven van den H. Geest.

Waardoor heeft de H. Geest zyne werking in de Apostelen het meest getoond ?

Hij bracht hen tol de kennis van alle waarheid, bevrijdde hen van allen twijfel, van alle vrees en kleinmoedigheid, maakte hen zoo onverschrokken en onversaagd, dat zij Christus den Gekruisigde alom verkondigden, allen smaad en elke vervolging om zijnentwille standvastig en met vreugde verdroegen, en zijnen heiligen levenswandel navolgden. Daarenboven verleende Hij hun nog menigvuldige genadegaven en gunsten, onder andere de gave van vreemde talen te spreken (Hand. der Apost. 11, 8, I Cor. XII).

Veni, Sancte Spiritus.

Kom, Heiige geest, en moge een vonk van 't Godlijk licht. Dal glansrijk U omgeeft, ons in den boezem stralen; Kom, armen-troost, kom, dat uw schittrend aangezicht In ons gemoed genade en klaarheid neer doe dalen;

Kom, hesle raadsman, heul en toeverlaat voor 't hart.

Die, als Ge in 't binnenst heerscht, er vrede en vreugd doet wonen, _ Die laafnis schenkt in druk, verademing in smart,

Kom, wil met ons geschrei U ook meewarig toonen.

Ons bijslaau in de hitte van den dag, uw gloed

444

ocr page 483

HOOGF. FEEST VAN PINRSTF.REiN.

Aan onze zielen, die ü trouw zijn, mild bcdeelen,

Want zonder U bestaat er voor den menseh noch goed.

Noch deugd, noch onschuld. — Ach, wil onze wonden heelen.

Ons reinigen van smet, het dorre van den geest

In ons bedauwen, 't sluggc en koele op doen houden.

Dat sleeds de bron van alle zonden is geweest.

Geef allen, Hcil'ge Geest, die zich ü toevertrouwen.

De zevengaaf, en zij het eindloos loon der deugd.

Dat hun is toegelegd, die op uw sierkte bouwen.

Onze crfschat en ons deel, bij onversloorbrc vreugd.

Waarmee de Heemlcn U in eeuwigheid aanschouwen.

(Dit' jjebed wordt jjcdiircndo de oktnnf dagelijks {jeleicn )

Evangelie volgons (Jen fl. Joannes XIV, 23-51.

In dien tijd zeide Jesus tot zijne Leerlingen: Zoo iemand Mij lief hepft. hij zal mijn woord onderhouden, en mijn Vader zal hem liefhebben : en wij zullen tot hem komen, en woningen bij hem maken. Die Mij niet liefheeft, onderhoudt mijne woorden niet. En het woord, hetwelk gij gehoord hebt, is niet het mijne, maar des Vaders, die Mij gezonden heeft. Dit heb Ik tot u gesproken, bij u zijnde. Maar de Vertrooster, de Heilige Geest, dien de Vader in mijnen naam zenden zal, die zal u alles leeren, en u alles indachtig maken, hetgeen Ik tot u gesproken heb. Vrede laat Ik u, mijnen vrede geef Ik u: niet gelijk de wereld geeft, geef Ik u dien. Uw hart worde niet ontroerd, noch versaagd! Gij hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb: Ik ga, en Ik kome tot u. Indien gij Mij liefhadt, zoudt gij gewis u verblijden, omdat Ik tot den Vader ga; want de Vader is grooter, dan Ik. En nu heb Ik het u gezegd, eer het geschiedt, opdat, als het geschied is, gij i;elooven moogt. Ik zal niet meer veel met u spreken. Want de vorst dezer wereld komt, doch heeft in Mij niets: maar opdat de wereld erkenne, dat Ik den Vader liefheb, en zoo doe, als de Vader Mij geboden heeft.

Welke menschen beminnen God?

Die zijne geboden onderhonden.

445

ocr page 484

onderricht over het

Wat heeft hy te verwachten, die God bemint en diens geboden onderhoudt?

Dal God hem ook zal beminnen, tol hem zal komen, en hem in zijne woning opnemen; dit wil zeggen, dal God, door middel zijner genade en zalignlaking, hem nabij zal zijn, en Zkich aan hem zal openbaren. — Wie zou dan niet streven, om, door de onderhouding der geboden, Gods vriendschap te verdienen !

Hoe werkt de H. Geest in de menschen?

Hij verlicht hen, en doet hen de geloofszaken en heilswaarheden, alsmede de schoonheid der deugd kennen. quot;ij beweegt hen, om het gekende goede te zoeken en daarnaar te verlangen. Hij deelt hun eindelijk zijne gaven en vruchten mede.

Welke zijn de gaven van den H. Geest?

Volgens den Profeet Isaias (XI, 2, 5) zijn het deze zeven; 1) De gave van wijsheid, die ons liefde voor hemelsche dingen inboezemt, en ons de beste middelen tot ons zielenheil aanwijst. 2) De gave van verstand, waardoor wij onzen godsdienst wèl kennen, en al die kundigheden verwerven, welke wij op aarde noodig hebben, om onze eeuwige bestemming gelukkig te bereiken. Om deze gave behooren de kinderen alsook de volwassenen, vóór de christelijke leer en de predikatie, ijverig te bidden. 5) De gave van raad in twijfel, wanneer noch wij andereu, noch anderen ons raad of hulp weten Ie geven. Deze gave is voor allen noodig a) voor de oversten, h) voor hen, die eenen staat moeten kiezen, c) voor de gelrouwden, enz. 4) De gave van sterkte,, die de vreesachtigheid en kleinmoedigheid verdrijft, die de lafhartige menschenvree overwint, wanneer eene zonde vermeden en eene deusd moet geoefend worden; die den mensch sterk genoeg maakt, om liever alle tijdelijk nadeel, hoon en spot, vervolging en dood te verduren, dan Jesus-Christüs, door woord of daad. te verloochenen. 5) De gave van wetenschap, waardoor wij ons zeiven beter leeren kennen, onze plichten beter beseffen, het bedrog des duivels, des vleesches en der wereld beter ontdekken en de middelen leeren kennen, om ons legen hunne aanvallen te beschutten. 6) De gave van godsvrucht, die onzen geest steeds meer geneigd en bereid maakt, om in de tegenwoordigheid

446

ocr page 485

HOOGE FEEST VAN PINKSTEUEN.

Gods te wandelen, heilig met Hem om te gaan, en Hem door goede werken, door dankbaarheid en eene zuivere meening te vereeren. 7) De gave van de vrees des Ileeren, dat is, de kinderlijke vrees, die geen ander ongeluk ducht, dan God te mishagen, en, op deze wereld, niets zoo zeer schuwt als de zonde.

Welke zyn de vruchten van den H. Geest?

Deze twaalf, die de H, Paulus in zijnen brief aan de Gala-tiërs (V, 22, 23) opnoemt, namelijk \) liefde; 2) blijdschap; 3) vrede; 4) verduldigheid; S) goedertierenheid; 6) goedheid; 7) lankmoedigheid; 8) zachtmoedigheid; 9) getrouwheid; 10) zedigheid; H) eerbaarheid; 12) reinheid.

Bidt ten einde de gaven en de vruchten van den H. Geest te verwerven, het Fein Sancle (zie boven) of eenig ander gebed.

Waarom wordt de H. Geest Heiligmaker genoemd?

Deze vraag beantwoordt de H. Chrysostomus zeer schoon, wanneer hij zegt: «Wordt ons niet alles, wat ons ter heiligheid strekt, door den H. Geest medegedeeld ? Door Hein worden wij tot de vrijheid van zonden geroepen, lot kinderen Gods opgenomen en tot geheel nieuwe menschen gevormd; door Hem vermogen wij den zwaren en schrikkelijken last der zonden van ons af te werpen. Door den H. Geest verkrijgen wij onze Priesters en geestelijke herders. Van Hem komen de openbaringen, allerlei genaden, van Hem komt alles, wat tot luister der Kerk Gods strekt. Door zijne geschenkenzijn de menschen, die zich door zijne genade laten leiden. Engelen geworden, niet waardiger is, dat zij, menschen blijvende, zoo zuiver en zoo heilig als de Engelen leven. Zoo groot is de kracht van den H. Geest. Gelijk het aardse he vuur den weeken klei tot een hard vaatwerk verandert, zoo maakt ook het vuur des H. Geestes, eene welgestelde ziel, die er door ontstoken wordt, hechter dan ijzer, al ware zij weck als klei, zoodat de zonde de thans sterk gemaakte ziel niet meer kan beschadigen. De mensch, die voor korten tijd nog met de smet der zonden bevlekt was, wordt door de genade van den H. Geest helderder en glansrijker dan de zon.

Hoevelerlei is de genade?

Tweeërlei: de dadelijke en de heiligmakende genade. De dadelijke genade is die, welke ons tot het goede aanspoort en

447

ocr page 486

onderricht over het

tot lict volbrengen daarvan ondersteunt; of met andere woorden, die ons verstand verlicht en onzen wil tot het goede beweegt, üe heilig makende genade maakt ons rechtvaardig en heilig voor God; blijft derhalve zoo lang in ons, als wij in staat van rechtvaardigheid volharden en wordt daarom ook genade der rechtvaardiging genoemd.

Welke middelen hebben wij hoofdzakelijk noodig, om Gods genade te bekomen en te bewaren?

De Heilige Sacramenten en het gebed, die daarom genademiddelen genoemd worden. De Heilige Sacramenten bewerken in ons de genade, en het gebed verwerft ze ons. Door de Heilige Sacramenten verkrijgen wij de hei lig makende genade of zij wordt in ons vermeerderd; verder wordt ons door de H. Sacramenten nog dadelijke genade medegedeeld, overeenstemmende niet het doel, waartoe ieder Sacrament is ingesteld. Door het gebed verwerven wij middellijk of onmiddellijk genadegaven van allerlei aard, en in het bijzonder die van de H. Sacra nienten waardig te ontvangen.

Hoe geeft Christus den vrede?

Door den mensch met God en den naaste te vereenigen, en het vleesch aan den geest te onderwerpen, waaruit de rust des gewetens geboren wordt. Daardoor ontstaat bij den mensch eene tevredenheid, die de voorsmaak is der Hemelsche zaligheid. Ook de wereld biedt ons. door hare goederen en geneugten, zekeren vrede aan; doch hare gunsten kunnen ons geen ware en duurzame bevrediging opleveren.

Waarom zegt Christus, dat de Vader grooter is dan Hij, en dat zijne leerlingen zich moeten verblijden, omdat Hij tot den Vader gaat?

Jesus spreekt hier van zich als mensch, en zegt, dat de Vader Hem thans uit den staat van nederigheid tot de heerlijkheid gaat verhelfen, hetwelk ook voor de Leerlingen de troostelijkste gevolgen zal voortbrengen.

Wat wil Jesus door deze woorden zeggen: »Ik zal niet meer veel met u spreken; want de vorst dezer wereld komt, doch heeft in My nietsquot;?

Hij wil hiermede zeggen: Ik spreek nu niet veel meer met u, want het tijdstip is gekomen, waarop Satan Mij door

448

ocr page 487

Ms

pinkstermaandag.

zijne aanhangers dooden zal; doch niet alsof hij eenig recht op Mij hebbe, maar omdat Ik den Vader bemin en zijn heiligen aanbiddenswaardigen wil volbreng,

Onderriclit over Pinkstermaandag.

Bij den ingang der Mis zie H. Sacramentsdag.

Gebed der Kerk.

0 God! die uwen Apostelen den H. Geest hebt gegeven, verhoor de godvruchtige gebeden uws volks, opdat zij, aan wie Gij hel geloof geschonken hebt, ook den vrede verwerven.

EPISTEL.; Les uit de Handelingen der Apostelen X, 34, 42-48.

Petrus in die dagen zijnen mond geopend hebbende, sprak: Mannen, broeders, de Heer heeft ons geboden den volke te prediken, en te getuigen, dat Hij is degene, die van God gesteld is tot Rechter over levenden en dooden. Van Hem geven alle de Profeten getuigenis: dat allen, die in Hem gelooven, door zijnen Naam vergeving van zonden ontvangen. Als Petrus nog deze woorden sprak, kwam de Heilige Geest neder op allen, die het woord hoorden. En de geloovigen uit de besnijdenis, die met Petrus gekomen waren, ont-zetteden zich, dat de genade des Heiligen Geestes ook over de Heidenen werd uitgestort; want zij hoorden hen in talen spreken, en God verheerlijken. Toen nam Petrus het woord: Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, die den Heiligen Geest ontvangen hebben, gelijk ook wij ? en hij gebood hen te doopen in den naam des Heeren Jesus Christus.

Verklaring. In deze Les wordt verhaald, hoe de H. Geest is nedergedaald over de geloovige Heidenen, die bij den hoofdman Cornelius vergaderd waren en de prediking der Apostelen oplettend hadden aangehoord. Dat dit nog vóór hun Doopsel geschiedde, vindt zijnen grond in het buitengewone der gebeurtenis; Cornelius immers was de eerste, die uit het heidendom, door Gods genade, tot het geloof in Christus bekeerd werd en vergiffenis van zijne zonden verwierf. — De H. Geest daalde over de geloovige Heidenen neder, opdat de bekeerde

29

449

quot;«iii

**■» li

-Vllf! ,, li

i

m

ocr page 488

ondeur1cht over

Joden zouden weten, dat ook de Heidenen tot het Rijk Gods geroepen waren, en zij dus in het Doopsel van Cornelius geen steen des aanstoots zouden vinden. — Volg ook gij, even als Cornelius, de aantrekkelijkheid der genade Gods, luister met oplettendheid en leergierigheid naar Gods woord en verzuim niet, vóól* de preeken de genade van den H. Geest in te roepen, zeggende kom, H. Geest, enz.

Evangelie volgens den H. Joannes III, 16-21.

In dien tijd zeide Jesüs tot INicodemus: alzoo heeft God de wereld liefgehad^ dat Hij zijnen Eéniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar het eeuwige leven hebhe. Want God heeft zijnen Zoon niet in de wereld gezonden, om de wereld te oordeelen, maar opdat de wereld door Hem behouden worde. Die in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld; maar die niet gelooft, is reeds geoordeeld, omdat hij niet in den naam van Gods Eénigge-boren Zoon gelooft. Dit nu is het oordeel; dat het Licht in de wereld gekomen is, en de menschen de duisternis meer dan het Licht hebben liefgehad; want hunne werken waren boos. Want een iegelijk, die kwaad doet, haat het Licht, en komt niet tot het Licht, opdat zijne werken niet bestraft worden : maar die de waarheid doet, komt tot het Licht, opdat zijne werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.

Waaruit kunnen wij Gods liefde jegens de menschen

afmeten?

Hieruit, dat Hij ons zijnen Ééniggeboren Zoon tot Leermeester en Verlosser geschonken en Hem, voor ons, aan den smaadvolsten en smartelijksten dood heeft overgeleverd, opdat allen, die in Hem gelooven, niet verloren gaan, maar het eeuwig leven zouden hebben.

Waarom gaan er, in weerwil van Gods liefde, zoo velen verloren?

Omdat zij niet in Christus gelooven, of volgens zijne leer niet handelen, maur de duisternis, dat is hunne booze daden en

450

ocr page 489

PINKSTERMAANDAG.

onwetendheid, meer beminnen, dan het licht des Verlossers, namelijk zijne leer. Die menschen derhalve verdoemen zich zeiven.

Waarom haten de boozen het licht, of Christus en zijne leer?

Tlit vrees door Hem overtuigd te worden van hunne zonden en in hunne aangename rust te worden verstoord. De goeden, daarentegen zoeken het licht, om tc weten, wat aan hunne werken nog ontbreekt, ten einde alzoo aan hunne volmaaktheid te kunnen arbeiden.

Is de H. Geest ook als een licht in de wereld gekomen?

Ja, want Hij verlicht, door zijne genade, de harten der menschen inwendig, opdat zij de waarheden, ter zaligheid noo-dig wel begrijpen; en even als het natuurlijk lichl ons uit de duisternis trekt, zoo trekt ons de H. Geest, door zijn bovennatuurlijk licht, uit de duisternissen der onwetendheid, uit de gevaren en bekoringen des duivels en der wereld, en voert ons tot de heiligheid en de eeuwige zaligheid.

Beweeggronden om God te beminnen.

Alzóó heeft God de wereld liefgehad, dat IIij zijnen Ééniggeboren Zoon gegeven heeft. Joa^n. 111, 16.

Wat zullen wij Gode wedergeven voor de liefde, die Hij ons steeds heeft toegedragen en nog ieder oogenblik betoont? Hij heeft ons van eeuwigheid liefgehad. Hij heeft ons reeds bemind, toen wij nog niet waren, en ofschoon Hij wist, dat wij zondaars en Hem vijandig zouden worden, heeft Hij er nochtans niet vanafgezien, in den lijd, zijne oneindige liefde jegens ons aan den dag te leggen, door ons naar zijn evenbeeld te scheppen, dat is, ons uit het niet te trekken en ons eene onsterfelijke ziel, met rechtvaardigheid en heiligheid toegerust, in te storten. Doch dat was nog niet genoeg. Nadat het menschdom hoe langer zoo dieper in de zonden en in ellende verzonken was, zond Hij, tot onze verlossing, ook nog lijnen Ééniggeboren Zoon, die zich niet tevreden stelde, met voor ons de menschelijke natuur aan te nemen en zijn bloed als losprijs voor onze zonden te storten, maar die zich nog daarenboven schonk in het Allerheiligst Sacrament des Altaars,

451

ocr page 490

ONDERRICHT OVER HET

om ons als met cene voortdurende spijze te voeden en ons zalig te maken. Wat kon de liefde Gods ons nog meer geven ? Er was nog iets en ook dat zou ons gegeven worden, namelijk de H. Geest, die zich in het H. Sacrament des Vormsels, met al zijne genaden en schatten, over ons uitstort.

Indien wij nu, zegt de H. Bernardus, dengene, die ons goed iloet, die ons iets schenkt, ons in den nood bijstaat en helpt, of zich voor ons in gevaar stelt, beminnen, hoe moeten wij Hem dan niet liefhebbeu, die ons alles geschonken heeft, wat wij bezitten; die de Engelen gebood ons te behoeden, die de zon, de maan, de sterren maakte, om ons te verlichten; die ons de aarde tot woonplaats gaf, de elementen, de planten en dieren schiep, en ons voortdurend ondersteunt, opdat wij niet zouden vergaan; die zich voor ons niet alleen aan levensgevaren blootstelde, maar den bittersten en smadelijksten dood onderging; die, eindelijk, al onze zonden wil vergeven, ons voortdurend beschermt, en ons met genade en erbarming overlaadt (Psalm CI1). Zouden wij dien niet beminnen ?

0 ! bewijzen wij dan dien algoeden en liefderijken God, die ons het eerst en zoo zeer bemind heeft, eene recht hartelijke wederliefde. Betreuren wij het, in alle oprechtheid van ons gemoed, dat wij Hem tot hierloe zoo weinig bemind en zoo weinig uit liefde tot Hem gedaan hebben; dat wij Hem, integendeel, door de overtreding zijner geboden, zoo dikwijls en zoo zwaar beleedigd hebben. God schijnt, om zoo te spreken, zich alleen met ons heil en welzijn bezig te houden; en wij... wij, helaas, hebben tot nu toe niet voo Hem, maar voor de wereld en hare ijdelheden geleefd! Hoe zullen wij vóór zijnen rechterstoel durven verschijnen ? — Bidden wij God om de genade, dat wij Hem voortaan oprecht en vurig mogen beminnen en door deze werken toonen, dat wij Hem liefhebben (Joann. XIV, 21) opdat wij in de eeuwigheid niet verloren gaan.

452

ocr page 491

p, sacrament des vorjisels.

Onderricht over liet H. Sacrament des Vormsels

Ah nu de Apostelen, die in Jerusalem waren, hoorden, dat Samaria het woord Gods had aangenomen, zonden zij tot hen Petrus en Joannes. Zij aldaar gekomen zijnde, baden voor hen, dat zij den Heiligen Geest mochten ontvangen; want Hij was nog over ge,enen van hen gekomen, maar zij waren alleen gedoopt in den naam van den Heer Jesus. Toen legden zij hun de handen op, en zij ontvingen den Heiligen Geest (Hand. der Ap. V!II, 14-17J.

Waarop steunt ons geloof, dat het H. Vormsel een Sacrament is?

i) Hierop, dat Christus niet alleen den Apostelen, maar aan alle geloovigcn den H. Gecsf beloofd heeft, die hen in hun geloof en hunne liefde ioude versterken. (Joannes VII, 39.) 2) Hierop, dat de Apostelen in deze belofte berustten en volgens den wil van Christus, aan de gedoopten werkelijk den H. Geest mededeelden, door het zinnebeeldig teeken van de oplegging der handen (Hand. der Ap, VIII, 17). 3) Op het geloof, dat steeds algemeen is geweest in de Kerk, namelijk, dat, door het H. Vormsel, de H. Geest aan de geloovigen wordt medegedeeld, tot versterking en vermeerdering der genade, die zij in het H. Doopsel ontvangen hebben.

Welk is het uitwendig teeken in het H. Vormsel?

De oplegging der bisschoppelijke handen, de zalving met het H. Chrisma, en de woorden, die de Bisschop middelerwijl uitspreekt, namelijk: N. N. Ik teeken u met het teeken des H. Kruises en vorm (versterk) u met het Chrisma des hei Is, in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestcs. Amen.

Welke genaden geeft het H. Sacrament des Vormsels?

In den gedoopte vermeerdert het de heilig makende genade, en schenkt hem de dadelijke genade, waardoor hij overeenkomstig zijn geloof leeft, het bij vervolging manmoedig belijdt en er standvastig in volhardt (Hand. der Ap. II). Waarom wordt dit H. Sacrament VORMSEL genoemd?

Omdat God door middel van dit H. Sacrament datgene, wat Hij in het Doopsel in ons begonnen heeft, bevestigt-, of

485

ocr page 492

onderricht over het

omdal Hij hen, die het Vormsel ontvangen, in het geloof versterkt (vroom maakt). Confirmare beteekent in het Lutiju sterk maken, bevestigen.

Mag het H. Vormsel meermalen ontvangen worden?

Neen, want het drukt een onuitwischbaar merkteeken in de ziel, doordien het den mensch tot de waardigheid van kampvechter van Christus verheft, en hem met Hemelsche kracht uitrust, om den naam van Christus openlijk te belijden, voor Hem moedig te strijden, en den boozen vijand en het rijk der duisternis zegevierend te bevechten. Door dit merkteeken onderscheiden zich ook de gevormden van hen, die wel gedoopt zijn, maar het H. Vormsel niet ontvangen hebben. {II Cor. I, 22. I, 15J

Wie is de bedienaar des Vormsels?

De Bisschoppen, als opvolgers der Apostelen, zqn de gewone bedienaars van het Vormsel; want, volgens de Handelingen der Apostelen (VIII, 16), deelden de Apostelen alleen, door middel der hand-oplegging, den H. Geest aan de geloovigen mede; doch in dringende gevallen kan ook een Priester het H. Vormsel toedienen, namelijk dan, wanneer hij door den Paus van Rome hiertoe gemachtigd is.

Wat is het Heilig Chrisma, waarmede de Bisschop het H. Vormsel toedient?

Een mengsel van olie en balsem, dat telken jare door den Bisschop op Witten Donderdag gewijd wordt. De olie beteekent de sterkende genade des H. Geestes, de balsem den versterkenden geur van eenen stichtenden levenswandel, dien ieder Christen behoort te voeren: immers, wij rnoeter. voor God de goede geur van Christus zijn. (11 Cor. II, Daarenboven beteekent de balsem nog, dat wij, door de genade, die ons in het H. Vormsel wordt medegedeeld, tegen de besmetting der zonde bewaard worden, gelijk het lichaam door balseming voor verderf behoed blijft.

Waarom wordt het voorhoofd met het Chrisma in den vorm van een kruis gezalfd?

Om den Christen te herinneren, dat hij zich niet moet schamen den naam van Christus, met woord en daad te be-

434

ocr page 493

h. sacrament des vormsels,

lijden, en dat hg verplicht is onder de banier des kruises, als soldaat van Christus, tegen alle vijanden zijner zaligheid moedig te strijden.

Waarom legt de Bisschop den vormelingen de handen op?

Dit geschiedt, omdat de Apostelen ook onder oplegging der handen den H. Geest mededeelden, en beleekent, dat degevormden voortaan onder de bijzondere hoede en bescherming van God geplaatst zijn.

Waarom geeft de Bisschop aan den gevormde een zachten kaakslag?

Om hem indachtig te maken, dat hij bereid moet zijn, alle wederwaardigheden en vervolgingen voor het geloof geduldig en met vreugde te verdragen.

Waarom werd vroeger het voorhoofd van den gevormde met eenen doek omwonden?

Uit eerbied voor het H. Chrisma, alsmede om den gevormde indachtig te maken, dat hij de genade, die hij door het Vormsel ontvangen heeft, zorgvuldig moet bewaren en den H. Geest, door de doodzonde niet van zich moet verwijderen.

Is het H. Vormsel noodzakelijk om zalig te worden?

Neen, maar wijl het een Sacrament is, waardoor God aan het Vormsel zijne genade rijkelijk mededeelt, mag het door niemand, die daartoe de gelegenheid heeft, verwaarloosd worden, want allen worden wij door den duivel, liet vleesch en de wereld hevig aangevallen, eu menigeen heeft om het geloof veel te lijden en in die oogenblikken hebben wij Gods genade hoogst noodig.

Wat moet hij doen, die het H. Vormsel ontvangen wil ?

1) Hij moet in staat van genade zijn; derhalve, zoo iemand in staat van doodzonde is, dient hij zijn geweten eerst door eene oprechte en rouwmoedige biecht te zuiveren; want hij, die met eene doodzonde op zijn geweten, dit li. Sacrament zou ontvangen, zou zich aan eene nieuwe doodzonde plichtig maken. 2) Hij moet, naarmate hij lot de jaren van verstand gekomen is, de voornaamste geheimen des geloofs kennen, en betrekkelijk het Heilig Sacrament des Vormsels wel onderwezen zijn.

435

ocr page 494

ONDERRICHT OVER HET

3) Hetis raadzaam zich door vasten of andere goede werken wél voor te bereiden. 4) Het is loffelijk, het kerkelijk gebruik der eerste tijden na te komen, namelijk dit H. Sacrament nuchter te ontvangen. 5) Men moet een vurig verlangen koesteren, om door het H. Vormsel aan de genade van den H. Geest deelachtig te worden. Hem ootmoedig aanroepen en het vaste besluit maken, om, volgens de inspraken dier genade, heilig te leven en te sterven. 6) Eindelijk moet men tot dit H, Sacrament naderen met een levend geloof, vol eerbied en aandacht

Wat moet men doen, zoodra men gevormd is?

Men mag zich niet verwijderen, vóór dat de Bisschop den laatsten zegen gegeven heeft. Men behoort, in de kerk neder-geknield, den H. Geest in stilte zijn levendigste dankbaarheid te betuigen voor alle goed, dat men op dien dag van Hem ontvangen heeft.

Gebed des gevormden

(hetwelk van tijd tot tijd met vrucht herhaald kan worden).

Ik dank U, o H. Geest, voor de genade, waarmede Gij mij in het H. Sacrament des Vormsels begiftigd en waardoor Gij mij tegen alle toekomende bekoringen en vervolgingen gesterkt hebt; ik bid U ootmoedig, spoor mij door uwe heilige inspraken aan, om te midden der gevaren met de ontvangene genade mede te werken, en nimmer uit menschelijk opzicht iets te doen, wat met de geboden van God of der H. Kerk strijdig is. Geef mij de genade, liever te sterven dan U, o H. Geest, te bedroeven, uwe inspraken te wederstreven, of U, door eene doodzonde, van mij te verwijderen, Amen.

Hoe moeten zich de gevormden in de toekomst gedragen?

Zij moeten zich zóó gedragen, dat allen, in wier midden zij leven, in de heilzame verandering hunner denk- en levenswijze aanleiding vinden, om God voor de gaven, die Hij zich gewaardischt den menschen mede te deelen, hunnen lof en dank te betuigen. Zij moeten de Goddelijke kracht, door het H. Vormsel ontvangen, voornamelijk ten toon spreiden, wanneer zij iets onschuldig te lijden hebben, door dan niet alleen alle ongeduldige, toornige en wraakgierige gedachten, woorden of werken te vermijden, maar ook zelfs de vervolging en den

456

ocr page 495

Peest dEr allérlteiugste drievuldigheid.

vervolger lief te hebben, omdat God hen daardoor 1) gelegert-heid geeft, om de straffen der zonden reeds op deze wereld uit te boeten, hetgeen anders na dit leven zou moeten geschieden; 2) omdat zij door liet lijden aan Gods Zoon gelijkvormig worden, en 3) hnn eene groote belooning in den Hemel beschikt wordt, wijl zij, door hun geduld in het lijden, groote schatten van verdienste vergaderd hebben.

Onderricht over den Feestdag der Allerlieiligste Drievuldigheid.

Dit feest volgt onmiddellijk op de Pinksterdagen, wijl de Apostelen, zoodra zij dOor den H. Geest onderwezen en versterkt waren geworden, dadelijk in hel. openbaar begonnen te prediken en te doopen, in den naam der H. Drievuldigheid, zoo als Christus hun (Matth. XXVIII, 19) bevolen had. Het is van alle Feestdagen des jaars het hoogste; omdat het geheim der II. Drievuldigheid alle overige geheimen, die in de Kerk gevierd worden, eenigszins in zich besluit; de Kerk evenwel viert het toch zoo plechtig niet als andere Hooge Feesten, om daardoor aan te duiden, dat zij zich niet in staat acht, dat geheim waardig en feestelijk genoeg te vieren.

Waarom vieren wij dit feest?

1) Om ons geloof in de H. Drievuldigheid aan den dag te leggen. 2) Om onzen dank te betuigen voor de gunsten en genaden, die wij van de drie Personen der H. Drievuldigheid ontvangen hebben. Tot lof en eer der Allerheiligste Drievuldigheid zingt de Kerk bij den Ingang der Mis: »Gezegend zij de Heilige Drievuldigheid en onverdeelde Eenheid. Wij zullen haar belijden omdat Zij hare barmhartigheid aan ons bewezen heeft.quot; Heer, onze Heer, hoe wonderlijk is uw naam over geheel het aard-ujk ! Psalm VIII. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Almachtige, eeuwige God, die uwen dienaren verleend hebt, inde belijdenis des waren geloofs, do heerlijkheid der eeuwige Drievuldigheid'te erkennen, on in de macht barer Majesteit de Eenheid te aanbidden, wij smeeken U, dat wij. door de kracht van datzelfde geloof, tegen alle wederwaardigheden altijd mogen bewaard blijven. Door onzen Heer Jesus-Christüs, enz.

4S7

ocr page 496

ONDERRICHT OVER HET

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Apostel Faulus aan de Romeinen XI, 33-36.

0 dieple des rijksdoms, der wijsheid en der wetenschap Gods ! Hoe ondoorgrondelijk zijn zijne oordeelen, en hoe on-naspooriijk zijne wegen ! Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is zijn raadsman geweest. Of wie heeft Hem te voren gegeven, en dien het wederom zal vergolden worden ? Want nit Hem, en door Hem, en in Hem is alles: Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid! Amen.

Verklaring. De H. Apostel Paulus bewondert hier de oneindige wijsheid en goedheid van God, die Joden en Heidenen, eenen tijd lang, in de blindheid en hardnekkigheid laat blijven, om vervolgens de eenen door de anderen tot het zaligmakend gelool te brengen, hun allen zijne genade te schenken en hun te doen begrijpen, dat zij niet door hunne verdiensten, maar enkel en alleen door zijne goedheid gerechtvaardigd zijn geworden. De Kerk bedient zich heden van dezen Epistel, om hare eerbiedvolle bewondering over het geheim der H. Drievuldigheid uit te drukken, die het waardigste voorwerp van ons geloof, van onze hoop en van onze liefde is. Wij kunnen dit geheim wel niet doorgronden noch begrijpen, wij moeten het desniettemin onvoorwaardelijk en onbetwijfeld als geloofwaardig aannemen, omdat het van God geopenbaard is en ons dooi- de H. Kerk voorgehouden wordt, om te gelooven. Onderwerpen wij er derhalve ons verstand aan, en geven wij het gevangen voor het geloof; daardoor zullen wij verwerven datgene, wat wij van den Drieëenigen God op deze aarde gelooven, in den Hemel eeuwig te aanschouwen, hetwelk onze grootste gelukzaligheid zal uitmaken. Daarop ook moet al onze hoop gevestigd zijn. Verzuimen wij dus niet, ons dezer zalige aanschouwing van den Drieëenigen God door de liefde hier op aarde waardig te maken: want indien wij Hem, uit wien, door wien en in wien alles is, niet beminnen, en niet ml liefde naar Hem verlangen, dan kunnen wij de hoop niet koesteren Hem eenmaal in eeuwigheid te bezitten. — Uit dezen Epistel moeten wij nog leeren, dat wij Gods raadsbesluiten, waarom Hij dit of dat doet en toelaat, niet vermetel moeten navorschen; want zijne raads-

458

ocr page 497

feest der allerheiligste drievuldigheid. 459

besluiten zijn onbegrijpelijk en zijne wegen en verordeningen ondoorgrondelijk. Kende paülus, die tot den derden hemel opgenomen is geweest, de raadsbesluiten dos Hoeren niet, hoe zullen wij ze dan kennen ? Wij mogen Gode ook geen rekenschap vragen waarom Hij aldus en niet anders met ons handelt, want Hij is oneindig rechtvaardig en wij zijn onder alle opzichten van Hem afhankelijk. Trachten wij veeleer de genaden en weldaden, die wij in ruime mate, van Hem ontvangen, goed aan te wenden, om aldus nog meer door Hem begunstigd te worden en onze zaligheid te verzekeren.

Verzuchtingen, o Onbegrijpelijke, alle eer en aanbidding waardige God! o afgrond van wijsheid macht en goedheid, o bodemlooze zee van alle volmaaktheid, in U dompel ik mij neder. In U geloof ik, alhoewel ik U niet begrijpen kan; vermeerder mijn geloof. Op U iioop ik, van U durf ik alle goed verwachten, ondersteun mijne hoop. U bemin ik, wijl Gij alle liefde waardig zijt, ontsteek in mij do Goddelijke liefde meer en meer, opdat ik nimmer iets verrichte, wat niet tot uwe eer en mijne zaligheid strekt.

Evangelie volgens den H. Mattheus XXVIII, 18-20.

In dien tijd zeide Jesus tot zijne Leerlingen: Mij is alle macht gegeven in den Hemel en op aarde. Gaat derhalve, en leert alle volken, en doopt hen in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Gces-tes. En leert hen onderhonden al hetgeen Ik u bevolen heb. En ziet. Ik ben met n alle de dagen, tot de voleinding der wereld.

Waarom zegt Christus: »Mij is alle macht gegeven? Om aan te duiden, dat Hij door do Hom gegevene macht zijne Apostelen zond, om hot heil aan alle volkeren te verkondigen.

Wat beteekent dit: »Doopeu in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes? '

Dat wil zeggen; doopen in den naam van hot Goddelijk wezen en door do Goddelijke kracht. jesus drukt door dit gebod de geheimenis der H. Drievuldigheid nil: Hij spreekt slechts van éénen Naam, van één Wezen, dat nochtans do drie Personen in zich bevat.

ocr page 498

onderricht over het

Wat zeggen ons de woorden: «Leert hen onderhouden

al, enz.?quot;

Zij leeren ons, 4) dat alleen hét gélodf aan alles, wat Jesus geleerd heeft, zalig maakt; onder voorwaarde nochtans dat dit geloof door de goede werken leve; 2) dat Christus zijnen Apostelen niet bevolen heeft het H. Evangelie te schrijven, maar te verkondigen. Zoo eenigen hunner iets over het leven en de daden des Verlossers hebben opgeteekend ,dan geschiedde dit Vooral bij voorkomende gelegenheid. Zij schreven dan ook hiet alles (want daartoe had Jesüs geen bevel gegeven; Hij gebood hun slechts te prediken) en lichtten het geschrevene door mondelinge ophelderingen nader toe. Van daar de leer der Katholieke Kerk die zegt: dat er eene mondelinge overleveriilg bestaat, die het geschreven woord Gods bevestigt, meer uiteenzet en naderverklaart

Hoe blijft Christus tot het einde der wereld, met zijne Apostelen en hunne opvolgers?

Op onzichtbare wijze, door hun zijnen Goddelijken bijstand te verleenen. — Merken wij hier op, hoe Christus aan de herders der Kerk, onder de heerschappij van Petrus en diens opvolgers vereenigd, het leerambt overgeeft, en hun de onfeilbaarheid in zaken van geloof en zedeleer verleent, door hun van zijnen Goddelijken bijstand te verzekeren. Immers, als Christus met de Kerk is, dan is de onfeilbare Waarheid zelve met haar en kan zij onmogelijk dwalen. Gelukkig hij, die onder de bescherming dezer onfeilbare Kerk woont.

Verzuchtingen. O Heer, blijf mot ons, want zonder ü zullen onze zielzorgers uw woord niet met vrucht verkondigen, en zullen hunne onderhoorigen uwe leer niet begrijpen, noch ten uitvoer brengen. Blijf voortdurend met ons, want wij hebben uwen bijstand onophoudelijk noodig. U is alle macht gegeven. Gij dus hebt recht te gebieden, en wij zijn verbonden U te gehoorzamen. Die onderwerping daarenboven hebben wij in het H. Doopsel beloofd, wij hernieuwen die belofte in uwe tegenwoordigheid. Gelijk wij, zonder ü, niet konden beioven, dat wij U steeds gehoorzaam zouden zijn, zoo is het ons, zonder U, niet mogelijk onze belofte te volbrengen. Gebruik dan uwe macht, o Heer! en gebied ons; maar schenk ons ook /evens uwe kracht, om te volvoeren, wat Gij beveelt. Laat

460

ocr page 499

h. sacrament des doopsels.

onsniet aan ons zeiven over, maar blijf met ons en wij zullen U gehoorzaam zijn en door onze onderwerping U welgevallig en zalig worden.

Onderriclat over liet H. Sacrament des Doopsels.

Leert alle volken, en doopt hen in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes. XXV11I, 19.

Waarom is het Doopsel een Sacrament?

Omdat de raensch daarin, door een uitwendig teeken, van Christus ingesteld, eene bijzondere en onzichtbare genade, en eene inwendige heiliging van God ontvangt (Marc. XVI, 16. ad ïit. III, 5, 5.).

Welk is hier het uitwendig teeken?

Het dompelen in, of het besproeien met water, en het gelijktijdig uitspreken dezer woorden: «Ik doop u, in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes. Amen.quot;

Welk is het uitwerksel van de genade des H. Doopsels?

De mensch wordt, door het water en den H. Geest, van de de erfzonde en van alle voorgaande dadelijke zonden gezuiverd, op eene geestelijke wijze herboren, tot kind van God en medeerfgenaam van Christus aangenomen, gerechtvaardigd, geheiligd en gerechtigd om, in geval van volharding, deeeuwige zaligheid te genieten. (Joan. III. 5. ad Rom. VIII, lo-17.)

Hoeveier lei is het Doopsel?

Drieërlei; 1) Het Doopsel der begeerte, 't welk in eene volmaakte liefde tot God of in een volmaakt berouw over de zonden bestaat, vereenigd met een vurig verlangen, om alle geboden Gods te onderhouden en zich te laten doopen, zoo-dra de gelegenheid zich daartoe aanbiedt. 2) Het Doopsel des bloeds, wanneer iemand voor Christus zijn bloed vergiet en den marteldood sterft. 3) Het Doopsel des icaters, waarin eigenlijk alleen het Sacrament des Doopsels bestaat.

Wat beduiden de verschillende ceremoniën, die bij de toediening van dit H. Sacrament gebruikt worden?

Zij zijn eene afbeelding van datgene, wat in het Heilig Doopsel plaats heeft; zij stellen ons, om zoo te spreken, de

461

ocr page 500

ONDERRICHT OTER HET

genade, die door dat Sacrament gegeven wordt, voor oogen, en wekken de toeschouwers tot godsvrucht, eerbied en dankbaarheid op.

Waartoe dienen de peter en meter, die het kind ten doop

houden?

ij Om getuigen te zijn, dat het kind zeker gedoopt is. 2) Om zich het kind aan te trekken en het in de christelijke leer te onderwijzen ol' te doen onderwijzen, in geval de ouders zouden komen te sterven, of hunne verplichtingen jegens den doope-ling zouden verzuimen. Men noemt den peter en de meter ook burgen, wijl zij eenigermate ook borg blijven, dat het kind, bij gebreke der ouders, christelijk zal opgevoed worden; alsmede wijl zij in den naam van den doopeling plechtig beloven, dat hij een christelijk leven zal leiden. — Hieruit ziet gij, hoe verkeerd men handelt door een peter of meter te nemen, van wien men geene genoegzame zorg voor het kind, vooral geene christelijke opvoeding kan verhopen. Men moet ook geene onkatholieken tot peter of meter nemen, omdat dezen de kinderen in het katholiek geloof (hetgeen toch de hoofdzaak is), niet kunnen onderrichten en ook doorgaans geene zorg genoeg dragen, om hen door anderen te doen onderwijzen.

Welke zijn de gevolgen van het peter- of meterschap en

van de toediening des Doopsels of des Vormsels ?

Daaruit vloeit eene geestelijke verwant- of maagschap voort 1) tusschen den bedienaar des Doopsels of des Vormsels, met het kind en diens ouders; 2) tusschen peter of meter met het kind en diens ouders, zoodat peter ofmeter geen huwelijk kunnen aangaan noch met kind noch met diens ouders, alvorens het beletsel, dat tusschen dezen ontstaan is, door eene dispensatie der Kerk weggenomen zij.—Deze geestelijke maagschap bestaat niet onderling tusschen peter en meter.

Waarom heeft de H. Kerk deze geestelijke verwantschap

ingevoerd?

Uit eerbied jegens die twee H. Sacramenten; alsmede opdat peter en meter, door dezen geestelijken band, des te nauwer met hunne petekinderen zouden verknocht en verbonden worden.

462

ocr page 501

h. sacrament des doopsels.

Waarom wordt het kind, dat men ten doop brengt, niet terstond de kerk binnengelaten?

Om te toonen, dat het onwaardig is, de Kerk van Christus binnen te gaan, vóórdat men zich aan de heerschappij van Cmus-tüs onderworpen, en liet juk der zonden afgelegd heelt. Zonder het Doopsel kan niemand den Hemel binnengaan, want het Doopsel is de deur tot de genade (Jods, tot het Kijk des Hemels, tot de gemeenschap der Heiligen.

Waarom worden den doopeling namen der Heiligen

gegeven?

1) Om te beteekenen, dat hij door het H. Doopsel is opgenomen onder het getal der Christenen, die do H. Paulus Heiligen noemt. 2) Opdat deze Heiligen, wier naam hij draagt, hem tot voorsprekers mogen strekken en hem onder hunne bijzondere bescherming zouden nemen. 3) Opdat zij hem tot voorbeeld dienen, naar wier deugden hij zijn leven schikken moet.

Waarom ademt de Priester over den doopeling?

Om aan te duiden, dat het geestelijk leven door het H. Doopsel ingestort wordt, gelijk den eersten mensch het natuurlijk leven door de scheppende almacht Gods werd ingeblazen. De Priester volgt hier het voorbeeld van Christus na, die over zijne Apostelen ademde, toen Hij hun den H. Geest mededeelde. (Joann. XX, 22.) Ook wordt hierbij den duivel plechtig geboden zich te onthouden van voortaan den doopeling tot het kwade over te halen.

Waarom legt de Priester de rechterhand op den doopeling ?

Ten teeken, dat de doopeling voortaan het eigendom Gods is en tot diens Kerk behoort.

Wat beduiden de verschillende »Exorcismiquot; of bezweringen in het Doopsel?

Door die bezweringen wordt den helschen geest in den naam Gods bevolen, dat hij van den doopeling wijke en voor den H. Geest de plaats ruime.

Waarom wordt de doopeling herhaaldelijk met het H.

Kruisteeken geteekend?

Hierdoor wordt aangeduid: 1) dat het H. Doopsel in den naam van Christus, den Gekruisigde wordt toegediend, door

463

ocr page 502

onderricht over het

wiens verdiensten de zonden worden afgewasschen; 2) dat de doopeling voortaan tot de kruisbanier van Christus behoort, waaronder hij tegen den duivel, de wereld en het vieesch dapper moet strijden, en zich in niets anders dan in het kruis van Christus behoort te beroemen.

Waarom wordt den doopeling zout in den mond gelegd?

Tot teeken, 1) dat hij door de genade Gods zich tegen het verderf der zonde moet bewaren; 2) dat hij met wijsheid, wier zinnebeeld het zout is, wordt vervuld, en 3) dat hij met den voorsmaak van het Hemelsche en Goddelijke begiftigd wordt.

quot;Waarom worden de ooren en de neus des doopelings met speeksel bestreken?

Gelijk de blindgeborene van zijne blindheid genezen werd, toen Christus diens oogen met speeksel aanraakte, zoo wordt ook de blindheid onzer ziel door het H. Doopsel weggenomen en onze geest tot de kennis der Goddelijke waarheid verlicht. Dit beteekent nog, dat de gedoopte al zijne zinnen voor het goede openen, het woord Gods gaarne aanhooren, en door het nauwkeurig na te leven, voor God en de menschen, •eenen aangenamen geur verspreiden moet.

Waarom vraagt de Priester aan den doopeling: Verzaakt gy den duivel en al zyne werken en al zijne pracht?

Opdat de geloovige het wel wete, dat zijne hoedanigheid van Christen vóór alles den plicht met zich brengt, om den duivel, diens pracht, werken en ingevingen weerstand te bieden en tegen hem te strijden. De H. Ambrosiüs, eenen gedoopte toesprekende, zegt hieromtrent zeer schoon het volgende: Toen ii de Priester vraagde : verzaakt gij den duivel en al zijne werken, wat hebt gij toen geantwoord ? — Ik verzaak. — Verzaakt gij ook de wereld, hare pracht 211 wellusten? Ik verzaak. — Wees dan uwer belolte steeds indachtig, en vergeet het nimmer, dat gij den Priester in den naam van God, uwe handteekeniug, om zoo te spreken, gegeven hebt. Hebt gij eenen mensch uwe handteekeniug gegeven, dan hebt gij jegens hem eene verbintenis aangegaan. Welnu, uw handschrift wordt niet op aarde, maar in den Hemel bewaard. Zeg niet, dat gij van deze belofte niets af-

464

ocr page 503

HET H. SACRAMENT DES DOOPSELS.

weel, en bijgevolg door haar niet verbonden zijl; want gij veronlsclinldigt n daardoor even weinig, als een soldaat, die, ten strijde opgeroepen zijnde, zeggen zoude, dat hij niet geweten heeft, dat hij soldaat is geworden om te vechten; de onwetenheid en onkunde nopens zijn beroep is geene verontschuldiging, maar het bewijs eener strafbare onachtzaamheid.

Opdat alzoo niemand in die doemwaardige onwetendheid voortleve, zijn ouders, peter en meter verplicht hunne kinderen of hunne peetkinderen aan de, namens hen, in het Doopsel afgelegde belofte te herinneren, en hen in hunne plichten te onderwijzen. De zonen, die tot den krijgsdienst worden opgevoed, leeren, van jongs af, met de wapenen omgaan, alle gevaren verachten eh geen vijand duchten; zij worden aan waakzaamheid, konde en hitte, kortom aan alles gewend, wat van een goed soldaat wordt geëischt; even zoo moeten ouders, peter en meter hunne lichamelijke of geestelijke kinderen van jongs afloeren tegen den duivel, de wereld en het vleesch te strijden, de tijdelijke goederen en de ijdele pracht der wereld te verachten, het eeuwig leven te hopen en den hemel te veroveren. Daartoe hebben peter en meter zich bij gebreke der ouders verbonden, toen zij het kind ten doop hieven, en op de vragen des Priesters, in naam van hun pe-tekird, antwoordden.

Waarom wordt de doopeling op de borst en tusschen de schouderen met de H. Olie gezalfd?

Dit geschiedt, volgens de verklaring van de HH. Ambrosiüs en Chuvsostojius, om den nieuwen Christen lot eenen dapperen kampvechter des Verlossers te maken; want, gelijk in oude lijden de kampvechters zich vóór den strijd met olie zalfden en versterkten, zoo ook wordt de doopeling met olie 1) op de borst gezalfd, om moed, kracht en dapperheid te verkrijgen en de vijanden zijner zaligheid zegevierend te bevechten; en !2) tusschen de schouderen ten einde gesterkt te worden, om het juk der Goddelijke wel onvermoeid en verduldig te dragen, en de moeilijke loopbaan des levens, met onwrikbare trouw aan God en diens heilige wetten, te doorloopen.

468

30

ocr page 504

onderbicht over het

Waarom worden by het Doopsel de Geloofs-belijdenis en het Onze Vader gelezen?

Als volwnssenen gedoopt worden, dan leggen zij hierdoor hnnne geloofsbelijdenis af, maar worden kinderen gedoopt dan doen dit in hnnne plaats de peter en meter, die daardoor tevens herinnerd worden, dat zij zorg moeten dragen, dat de kinderen iu het heilig geloof onderwezen en behoorlijk bevestigd worden.

Waarom vraagt de Priester den doopeling nog afzonderlijk, of hij wil gedoopt worden?

Omdat de mensch, die uit eigene beweging naar de helsche slang luisterde en zich in het ongeluk stortte, ook, wanneer hij zulks vrijwillig verlangt, onder het getal der volgelingen van Jesus kan opgenomen worden en het eeuwig leven alzoo verwerven kan.

Waarom wordt op het hoofd des doopelings driemaal water gegoten?

Om aan te toonen dat, even als Christus na ecne drie-daagsche begraving, van den dood verrezen is, ook de mensch na eene drievoudige afwassching uit den dood der zonde opstaat { Rom. VI, 4). In vroegere tijden, dompelde men, om de begrafenis van Christus zichtbaarder voor te stellen, den doopeling in het water der zoogenaamde doopbronnen. Het gebruik dier bronnen is echter om meerdere redenen afgeschaft.

Waarom wordt de gedoopte met het heilig Chrisma

gezalfd?

Door het H. Chrisma wordt de mensch tot Christen gezalfd, in het geestelijk Lichaam van Christus, den Gezalfde, als het ware, geënt en aan diens priesterschap en koninklijke waardigheid deelachtig gemaakt, weshalve dan ook de II. Petrus (Ie Brief II, 9) de Christenen een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk noemt. Hoe groot is dan de waardigheid des gedoopten ! Ja, de Christenen zijn gezalfden des Heeren en, in zekeren zin, priesters en koningen. Priesters in zooverre zij zich als een lovend, heilig en welgevallig offer aan God dankbaar aanbieden, heigeen iederen oogenblik behoorde te geschieden; Koningen, wijl zij hunne booze nei-

466

ocr page 505

ii. sacrament des doopsels.

gingen moeten beheerschen en God dienen; alsmede wegens het recht, dat zij. door het H. Doopsel, op het Kijk des Hemels verworven hebben. Verder worden de gedoopten door het H. Chrisma tot tempels van God en tot geheiligde vaten ingewijd, die, met der tijd, door de H. Communie het kostbaar Lichaam en Bloed van Jesus-Christus zullen bevatten. — Met hoeveel ijver moeten de Christenen er dan niet naar streven, om zich als tempels des H. Geestes van alle beraetting der zonden vrij te bewaren.

Waartoe dient het witte kleed of de witte doek, die den gedoopte wordt gegeven?

Dat witte kleed of' die doek beteekent i) de heerlijkheid der verrijzenis, waartoe wij door het H. Doopsel worden voorbereid ; 2) den glans en de schoonheid, waarmede de ziel na de afwassching der zondensmetten wordt versierd, en eindelijk 3) de zuiverheid en onschuld, die de gedoopte steeds met de grootste zorg moet bewaren.

Waarom wordt den gedoopte een brandende kaars in de hand gegeven?

Daardoor wordt hij vermaand, om het geloof, (hetwelk door het licht wordt aangeduid) dat hij in het H. Doopsel ontvangt en dat van liefde brandt, door goede werken (die door het was beteekend worden) te voeden en te vermeerderen en het als een licht ook bij de menschen te doen schitteren, ten einde bij de komst des Bruidegoms met Hem ter bruiloftzaal te worden toegelaten, en de vreugde van het eeuwig leven te mogen genieten.

Nuttige bemerking. De Christen behoort den verjaardag van zijn Doopsel, Vormsel, zijn eerste H. Communie, en zijn huwelijk, steeds op eene bijzondere wijze door eene goede biecht en eene H. Communie, door de hernieuwing der doopbeloften, door stotfelijke en geestelijke aalmoezen te heiligen, om alzoo God te bedanken voor de ontvangene genaden, en Hem te smeeken, dat Hij ze in de toekomst nog vermeerdere en ons daarin ten einde toe doe volharden.

Kan in tijd van nood een ieder doopen?

Ja, opdat niemand verstoken blijve van een Sacrament, dat zoo uiterst noodzakelijk is om zalig te worden. (Joann. Ill, S, Marc. XVI, 16.)

467

ocr page 506

onderricht over den

Welk water moet men bij het Doopsel gebruiken?

Natuurlijk water, als putwater, rivierwater, zeewater. Dus rozenwater of andere vochten mogen niet gebruikt worden.

Welke meening of intentie moet men maken als men

doopt?

De meenlng, om te doen, wat Christus onze fleer heeft ingesteld, en de H. Kerk in deze gevallen pleegt te doen.

Geloofsleer quot;betrekkelijk den Drieëenigen God.

Wat is God?

God is het volmaaktste Wezen, het hoogste en opperste Goed, dat van eeuwighei' bestaat en het beginsel van zijn bestaan en wezen in zich zeiven heeft, van wien al het overige zijn bestaan ontleent; want, uit Hem en door Hem en in Hem is alles. Rom. XI, 36.

Wat is de H. Drievuldigheid?

De éénige God, die één is in wezen en drievuldig in personen, te weten; God de Vader, God de Zoon, en God de H. Geest.

Is ieder dezer drie personen God?

Ja, omdat een ieder hunner de Goddelijke natuur en het Goddelijk wezen heeft.

Waarom zyn deze drie personen maar één God?

Omdat zij alle drie maar één en hetzelfde Goddelijk Wezen of dezelfde Goddelijke natuur hebben.

Is van deze Personen de eene ouder en machtiger of grooter, dan de andere?

Geenszins, want zij zijn alle drie van eeuwigheid, aan elkander in almacht, goedheid, rechtvaardigheid, alomtegenwoordigheid, alwetendheid, waarheid, lankmoedigheid, barmhartigheid, zaligheid, in één woord in al hunne werken volkomen gelijk en verdienen derhalve gelijkmatige vereering en aanbidding.

Waarom wordt God de Vader de Schepper, God de Zoon

de Verlosser, God de H. Geest de Heiligmaker genoemd?

Omdat, in de openbaring, aan den eersten Persoon het werk der schepping, aan den tweeden het werk der verlossing en aan den derden bet werk der heiligmaking wordt toegeschreven.

468

ocr page 507

eersten zondag na pinksteren.

Is het wel raadzaam, het geheim der H Drievuldigheid te willen doorgronden?

Neen, want eerder zou men de zee met eene schulp kunnen ledig scheppen, dan het geheim der H. Drievuldigheid met het mensthelijk verstand bevatten. Wij moeten dal Geheim eenvoudig en ootmoedig gelooven. Een ootmoedig en werkdadig geloof zal ons waardig maken de H. Drieëenheid in het ander leven, tot onze grootste gelukzaligheid, eeuwig te aanschouwen; want, dit is het eeuwig leven, of liever voert ten eeuwigen leven, namelijk: dat men den eenigen waren God en Jesus Christus, zijnen Zoon, alsmede den H. Geest door het geloof keiine en door een heilig leven verheerlijke. (Joan. XVII, 3.) Helaas, hoe weinigen leggen zich daarop toe... Met den mond, wel is waar, belijden zij God, maar met het hart verloochenen zij Hem (Tit. 1, 16) ; en toonen daardoor, dat zij hunnen Schepper ook niet oprecht erkennen. Of waarvan komt het, dat godslasteringen, leugentaal, bedrog, diefstal, doodslag, ontucht, echtbreuk, enz., de wereld als het ware overstroomen? Wijl er geen ware en werkdadige kennis van God onder de menschen heerscht. Hoe zou het anders mogelijk zijn, dat men zoo zorgeloos in allerlei misdaden voortleeft, wanneer men een God boven zich erkende, die, als een alwetende en rechtvaardige Rechter, de zouden even zoo zeker eeuwig bestraft, als Hij de deugd eeuwig beloont? Waarlijk, dezen God kennen, in Hem gelooven, zijne oppermacht niet vereeren, zijne Majesteit niet aanbidden, zijne rechtvaardigheid niet vreezen, zijne goedheid niel beminnen, en op zijne barmhartigheid niet hopen, met één woord, in doodzonden blijven leven, wat is dat anders, dan de uitzinnigste, de vermetelste en doemwaardigste ongerijmdheid en dwaasheid !

Onderricht over den eersten Zondag na Pintsteren.

De Ingang der Mis is eene opwekking tot vertrouwen op Gods barmhartigheid. «Heer, ik heb op uwe barmhartigheid gehoopt, mijn hart heeft zich in uw heil verheugd, ik zal den Heer lof zingen, die mij goed gedaan heeft. Psalm XII. Heer, hoe lang ? Zult Gij mij voor altijd vergeten ? Hoe lang keert Gij uw aanschijn van mij af ?quot; Eere zij den Vader, enz.

469

ocr page 508

onderricht over den

Gebed der Kerk.

O God, sterkte van hen, die op U hopen, verhoor genadig onze sraeekingen, en verleen ons, dewijl de menschelijke zwakheid zonder U niets vermag, den bijstand uwer genade, opdat wij in de vervulling uwer geboden, èn met onzen wil èn met onze werken U mogen behagen. Door onzen Heer Jesus Christus, enz.

EPISTEL: Les uit den eersten Brief van den H. Joannes

IV, 8-21.

Zeer geliefden ! God is liefde. Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God lijn éénig geboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat wij door Hem leven. Hierin is de liefde : niet, dat wij God lief gehad hebben, maar dat Hij zelf ons eerst heeft bemind en zijnen Zoon gezonden heeft, ter verzoening voor onze zonden. Zeer geliefden, indien God ons zóó bemind heeft, moeten ook wij elkander beminnen. Niemand heeft God ooit aanschouwd. Indien wij elkander beminnen, blijft God in ons en zijne liefde is in ons volmaakt. Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons : dat Hij ons van zijnen Geest gegeven hoeft. En wij hebben gezien, en getuigen het, dat de Vader zijnen Zoon als Zaligmaker der wereld gezonden heeft. Alwie belijdt, dat Jesus de Zoon van God is, in dien blijft God en hij in God. En wij hebben gekend en geloofd de lieldo, die God jegens ons heelt. God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God in hem. Hierdoor is de liefde Gods volmaakt bij ons, dat wij, gelijk Hij is, in deze wereld zijn, opdat wij betrouwen hebben in den dag des oordeels. Vrees is niet iu de liefde, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten, want de vrees heeft pijn. Wie echter vreest, is niet volmaakt in de liefde. Laat ons alzoo God liefhebben, wijl God ons het eerst bemind heeft. Indien iemand zegt: nik bemin God,quot; en zijnen broeder haat, die is een leugenaar. Want wie zijnen broeder niet bemint, dien hij ziet, hoe kan hij God beminnen, dien hij niet ziet? En dit gebod hebben wij van God: dat hij, die God bemint, ook zijnen broeder liefhebbe.

Verklaring. Krachtiger beweeggronden, om God zoo wel als onzen naaste te beminnen, dan die, welke hier door den

470

ocr page 509

eersten zondag na pinksteren.

H. Joannes worden aangevoerd, kunnen niet worden uitgedacht. Zij verdienen dus een weinig nader overwogen te worden, en mij dunkt, het is onmogelijk aan hare kracht weêrstand te bieden. Over de beweegredenen, om God te beminnen, hebben wij bereids gesproken op Maandag na Pinksteren (bladz. 451). De reden, die ons moet bewegen, om onze evenmenschen lief te hebben, is deze: God bemint hen, wij moeten navolgers, van onzen Schepper, Heer en Meester zijn en kunnen Hem niet beminnen, tenzij wij onzen naaste liefhebben. Immers hoe zal hij, die zijn broeder niet bemint, dien hij ziet. God kunnen beminnen, dien hij niet ziet ? En hoe zouden wij kunnen zeggen, dat wij God beminnen, indien wij aan zijn gebod, onzen naaste lief te hebben, niet gehoorzamen. Wanneer wij elkander liefhebben, dan ook beminnen wij God, wel te verstaan : middellijk in zijne schepselen en dewijl Hij datgene, wat wij uit liefde tot Hem aan onzen naaste doen, als aan zich zei ven gedaan acht, zoo blijft God, door zijne ge nade en vriendschap, in ons, en onze liefde bereikt alzoo hare volmaaktheid, namelijk: door onzen naaste om God of uit liefde tot God te beminnen. — Laten wij dus God en onzen naaste beminnen, dan zullen wij in het oordeel niels te duchten hebben, want de liefde kent geene (slaafsche) vrees voor straf, omdat zij datgene volbrengt, wat Gode welgevallig is; dan mogen wij de hoop koesleren in Hem eenmaal eenen barmhar-tigen Rechter te vinden.

Evangelie volgens den H. Lucas VI, 36-42

In dien tijd zeide Jesus tot zijne Leerlingen : weest barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is ! Oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; doemt niet, en gij zult niet gedoemd worden. Vergeeft, en u zal vergeven worden. Geelt en u zal gegeven worden : een goede, on nedergedrukte, en geschudde, en overloopende maat zullen zij in uwen schoot geven; want met dezelfde maat, waarmede gij meet, zal u wederom gemeten worden. En Hij sprak tol hen ook eene gelijkenis: Kan wel een blinde een blinde leiden? Zullen zij niet beiden in de

471

ocr page 510

ONDERRICHT OVER DEN

groeve vallen? Een leerling is niet boven den meester; maar een ieder zal volmaakt zijn, indien hij zijnen meester gelijk is. Doch, wat ziet gij den splinter in het oog uws broeders, maar den balk, die in uw eigen oog is, bemerkt gij niet? Of hoe kunt gij tot uwen broeder zeggen: Broeder! laat mij den splinter uit uw oog trekken; daar gij zelf den balk, die in uw oog is niet ziet? Schijnheilige! werp eerst den balk uit uw oog; en dan zult gij zien, om den splinter uit het oog van uwen broeder te trekken. »Weest barmhartig, gelijk ook uw vader barmhartig is.quot;

Luc. VI, 36.

Willen wij ware kinderen van den Hemelschen Vader zijn, dan moeten wij Hem in zijne barmhartigheid en goedheid navolgen. Gelijk Hij zijne zon over goeden en kwaden laat opgaan, en zijne regens over rechtvaardigen en zondaars afzendt, zoo moeten wij ook niet alleen onze vrienden, maar ook onze vijanden, niet alleen de goede en brave menschen, maar ook de zondaars en boosdoeners, liefhebben en jegens hen zooveel mogelijk weldadig zijn, op de wijze, als wij wenschen, dat God jegens ons zal wezen.

»Oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden, doemt niet en gij zult niet gedoemd worden.quot;

De Zaligmaker verbiedt hier twee soorten van oordeelvellingen, het beleedigcnd of vermetel oordeel, en het aanmatigend of verwaand oordeel. Men velt een belcedigend oordeel, wanneer men de handelingen zijns naasten alleen op bloote vermoedens, zonder daartoe genoegzamen grond te hebben, strafbaar oordeelt, ofschoon men in diens hart niet zien, en diens niee-ning of de inzichten nopens zijne handelingen niet kennen kan; want daarover kan God alleen oordeelen, die harten en nieren doorgrondt. Men stiijkt een aanmatigend oordceel, als men, tegen de voorschriften der ware naastenliefde, anderen veroordeelt, zonder over hen als rechter en overste aangesteld te zijn. Door beide oordeelvellingen maakt men inbreuk op Gods rechten (Rom. XIV, 4), bezondigt men zich legen de naastenliefde, en trekt men een gestreng vonnis van God over zich af. Dewijl gij uwen broeder doemt, zegt de H, Chrvsostomus, doemt gij u zeiven; gij richt eenen strengen rechterstoel tegen u zeiven op, en daagt den rechter uit, om u strenger te behandelen.

472

ocr page 511

eersten zondag na pinksteren.

«Vergeeft en u zal vergeven worden.quot;

Christus leert ons hier, dat wij voor de beleedigiiigen, die wij Gode hebben aargedaan, vergiffenis zullen verkrijgen; als wij niet alleen de gewone gesteltenis hiertoe bezitten, maar ook op onze beurt de beleediging, die onze naaste ons heelt aangedaan, vergeven. Daarom bemerkt de H. Chkysostomüs hel volgende; Het is niet genoeg, geene schade toe te brengen aan den naaste, die n benadeeld heeft, en intusschen voort te gaan niet afkeer en inwendigen wrok tegen hem te koesleren; want door zulk een gedrag verdient gij, dal God met u op dezelfde wij te handele.

• Geeft, en u zal gegeven worden.quot;

Wij zijn arm, en hebben hoogst noodig, dat God ons de aalmoes zijner gaven schenkt. Daarom zeggen wij ook dagelijks tot Hem: geef ons heden ons dagelijksch brood. Maar God antwoordt ons : geeft, en u zal gegeven worden. Gij zijt mijne behoeftigen, doch gij hebt zelf ook behoeftigen rondom ii, doet aizoo aan uwe armen, wat gij verlangt, dat ik jegens u doe. God wil,, dat wij zijne goedertierenheid en liefde navolgen. Nochtans blijft tusschen onze goedertierenheid en liefde en die van God een groot onderscheid bestaan. God geelt veel, wij kunnen slechts weinig geven, en desniettegenstaande beloont Hij nog onze milddadigheid: Eene goede, en neder gedrukte, en geschudde, en overloopende maat zullen zij in uwen schoot geven, voor het weinige, dat gij den armen, en dooide armen aan God zult verstrekt hebben. Deze belofte geldt tevens voor alles, wat wij ter liefde Gods doen: want Hij beloont zelfs het geringste goed werk oneindig milddadig, hier in dit leven, door steeds nieuwe genade, en in het eeuwig leven met de gelukzaligheid. Men vergete echter niet, dat de kwade insgelijks volgens zijne werken zal vergolden worden: Vermenigvuldigt zijne folteringen en zijn lijden, zegt God in het boek der Openbaring (XVH1, 7), naarmate hij zich, door zijnen hoogmoed, verheven en in wellust gedompeld heeft.

«Kan wel een blinde een blinde leiden?

Door deze gelijkenis wil de Zaligmaker ons leereu, dat, om zijnen naaste met vrucht te berispen, men zelf moet trachten volmaakt te zijn in datgene, waarin men anderen wil onder-

473

ocr page 512

onderricht over het

wijzen of verbeteren; want daar de leerling niet boven zijn meester is, maar diens leer en voorbeeld dient te volgen, behoort de meester in dit opzicht onberispelijk te zijn, opdat de eene blinde den anderen niel leide. Bespottelijk immers zou het zijn, als de eene blinde den anderen bedilde, omdat hij zich aan alle kanten sloot; of zoo eene doove zich beklaagde, dat andere dooven hem niet verstaan; insgelijks zullen de vermaningen weinig baten van hem, die aan dezelfde fouten en gebreken mank gaat, waarover hij anderen berispt; tot dezen immers zou men met volle recht kunnen zeggen; Schijnheilige, werp eerst den balk uit uw oog, dat is, leg eerst nwe eigene groote kwalen af, en dan zult gij zien, om den splinter uit het oog van uwen broeder te trekken.

Onderriclrb over liet feest van het Allertieiligste Sacrament.

Waarom wordt deze dag »H. Sacramentsdagquot; genoemd?

Omdat de H. Kerk, op dezen Donderdag, de plechtige gedachtenis viert der instelling van het Allerheiligste Sacrament des Altaars, of van het Lichaam en bloed van Jesus-Christus, onder de gedaante van brood en wijn wezenlijk tegenwoordig.

Waarom is dit feest op dezen dag gesteld?

1) Omdat op Witten Donderdag, waarop dit H. Sacrament is ingesteld, de Kerk in de overweging van het bitter lijden en den dood des Zaligmakers te diep verslonden en te vol droefheid is, dan dat zij deze instelling op eene waardige wijze zou kunnen vieren. 2) Omdat de Apostelen, door den H. Geest verlicht en onderwezen, dit groot geheim omtrent dien tijd aan de geloovigen begonnen kenbaar te maken en te verkondigen, fHand. der Ap. II, 42.)

Wie heeft dit feest ingesteld?

Eigenlijk heeft dit feest eenigermate van den beginne af in de Kerk bestaan, want dagelijks wordt in de H. Mis de gedachtenis der instelling van dit wondervol Sacrament vernieuwd. Een afzonderlijk feest is men nochtans beginnen te vieren, eerst laler; ziehier bij welke gelegenheid. Eeue heilige kloosterzuster te Luik, Juliana genaamd, werd sedert lang begunstigd door een visioen, dat haar verscheen, wanneer zij in het gebed

474

ocr page 513

feest van het allerh. sacrament.

verzonken was. Zij zag de maan met eenen schitterenden glans omgeven, nitgenomen in het midden, waar zij steeds lijnvormig verduisterd bleef. God verklaarde de Heilige weldra dat gezicht, en koos haar uit tot de eerste verkondigster van het nieuwe feest der Kerk. Zij maakte hare geheime openbaring bekend atin Robeiitus, Bisschop van Luik, en aan eenige andere godgeleerden, onder welke de Aartsdiaken van Luik, Jacobus Panta-leon (later Paus Uubanüs IV) en de geleerde Doniinikaner Pater Hugo (later Kardinaal-Legaat in de Nederlanden). De Bisschop van Luik stelde reeds in 1246 het verlangde feest voor zijn bisdom in, doch stierf den 16 October van hetzelfde jaar. Daardoor werd de verdere vaststelling van hetzelfde feest vertraagd, tot dat eindelijk de bovengenoemde Hugo, toenmaals Kardinaal en Legaat, ze met ijver voortzette. Luik en zijne naburige bisdommen hadden dit feest reeds sedert eenige jaren gevierd, toen ten jare 1264 Paus Urbanus beval, dat die feestdag algemeen in de Kerk, op Donderdag na H. Drievuldig-heids Zondag, zoude gevierd worden; welk besluit door Clemens V in de kerkvergadering van Vienne bekrachtigd werd.

De kerkvergadering van Trente geeft de reden van het bestaan van dit feest tretfeud aan, daar zij in hare XIHde zitting zegt: «De heilige Vergadering verklaart, dat in de Kerk Gods het gebruik godvruchtig en zeer godsdienstig is ingevoerd, van dit verheven en eerbiedigwaardig Sacrament telken jare op eenen afzonderlijken feestdag met eene bijzondere vereering en plechtigheid te vieren, en het eerbiedig en prachtvol langs de stralen en openbare plaatsen in processie rond te dragen. Want het is allerbillijkst, dat er eenige Feestdagen ingesteld zijn, waarop alle Christenen op eene bijzondere en uitdrukkelijke wijze betuigen, dat zij aan hunnen algemeenen Heer en Verlosser eene dankbare nagedachtenis wijden voor de onuitsprekelijke en geheel Goddelijke weldaad, waardoor de overwinning en de zegepraal zijns doods worden voorgesteld. Eu gewis, de zegevierende waarheid moest hare zegepraal over leugen en ketterij op zoodanige wijze vieren, dat hare vijanden bij het gezicht van zoo grooten luister en van zoo groote vreugde in de geheele Kerk, 61 verzwakt en ter neergeslagen wegkwijnen, óf wel door

475

ocr page 514

onderricht over het feest

schaamte gefrolfen en blozend, eens tot inkeer komen. (Conc. Trid. sess 15, cap. V.)

Waarom wordt op dezen dag eene zoo heerlijke processie

gehouden?

i) Tot openbare belijdenis van ons geloot', dal Jksus-Christus wezenlijk en waarachtig tegenwoordig is in het Allerheiligste Sacrament des Altaars : 2) tot openlijke vereering en verschuldigde aanbidding van den Zoon Gods, in dit H. Sacrament tegenwoordig; 3) tot dankzegging voor de instelling daarvan en voor alle weldaden, die wij door en met dit H. Sacrament ontvangen hebben; 4) om den Goddelijken zegen over land en Christenen af te smeeken; 5) om op die wijze van onze straten en pleinen eenen tempel der Godheid te maken en onze woningen en akkers te heiligen, met den Allerhoogste er door te begeleiden; 6) om op die wijze aan Jesus-Christus eenigermate voldoening aan te bieden voor de beleedigingen, die Hij van ondankbare menschen ondergaat.

Waarom wordt in sommige plaatsen bij deze processie, op de vier rustpunten, het begin der vier Evangeliën luide en plechtig gezongen?

Om aan te duiden 1) dat alle menschen van het Oosten tot het Westen geroepen zijn tot het geloof in Jesus-Ghristus; 2) dat de vier Evangelisten hierin overeenstemmen, dat de Zoon Gods is inensch geworden, om ons te verlossen en Hij het waarachtig Hemelsch Brood is, dat aan onze ziel het eeuwig leven mededeelt; 3) dat niet alleen de menschen, maar de gansche schepping. Hemel en aarde, in de verlossing van Christus deel nemen.

Heeft deze processie ook eenig afbeeldsel in de Oude Wet?

Ja, en wel in die processie, waarin de Ark des Verbonds — waarin het manna bewaard werd, dat een afbeeldsel is van het H. Sacrament — van de eene plaats naar de andere werd gedragen, (Vergelijk bladz. 428.)

Bij den Ingang der Mis zingt de Kerk met David, Psalm 80 : Hij heeft ze gespijzigd met het vette des korens, Alleluja; en met honig uit de steenrots heeft Hij ze verzadigd, Alleluja, Alleluja, Alleluja. Verheugt u voor den God van Jacob. Eore zij den Vader, enz.

476

ocr page 515

van het allerh. sacrament.

Gebed der Kerk.

O God, die ons, in dit wondervol Sacrament, de gedacli-tenis van uw lijden hebt nagelaten, verleen ons, bidden wij U, de genade, de Heilige Geheimen van uw Lichaam en Bloed zóó te vereeren, dat wij de vruchten van uwe verlossing steeds mogen smaken, die leeft en heerscht met God den Vader in de eenheid van den H. Geest door alle eeuwen enz.

EPISTEL: Les uit den eersten Brief van den H. Apostel Paulus aan de Corintiërs XI, 23-30 Broeders, ik heb van den Heer ontvangen, 't geen ik u ook heb overgegeven, dat de Heer Jesus in den nacht, waarin Hij geleverd werd, brood nam, en, gedankt hebbende, het brak en zeide: Neemt en eet, dit is mijn Lichaam, dat voor u geleverd zal worden; doet dit tot mijne gedachtenis ! Desgelijks ook den kelk, nadat Hij den maaltijd genomen had, zeggende : Deze kelk is het Nieuwe Testament in mijn Bloed; doet dit, zoo dikwijls gij dien zult drinken, tot mijne gedachtenis. Want zoo dikwijls gij dit brood zult elen, en den kelk drinken, zult gij den dood des Heeren verkondigen, totdat Hij komt. Derhalve, al wie onwaardigi ijk dit brood zal gegeten of den kelk des Heeren zal gedronken hebben, die zal schuldig wezen aan het Lichaam en het Bloed des Heeren. Doch de mensch beproeve zich zeiven, en zóó ete hij van dat brood, en drinke van den kelk; want die onwaar-diglijk eet en drinkt, hij eet en drinkt zich een oordeel, omdat hij het Lichaam des Heeren niet onderscheidt.

Lauda Sion, zie voren.

Geloofsleer betrekkelijk de waaracktlge en wezenlijke tegenwoordigheid van Christus in

het Allerheiligste Sacrament des Altaars. Waarom gelooven wij. Katholieken, dat Christus, waarachtig en wezenlijk tegenwoordig is in het H. Sacrament

des Altaars?

Omdat Christus zelf dit uitdrukkelijk en met duidelijke woorden gezegd heeft, toen Hij bij de instelling van dit Sacrament sprak : Dit is mijn Lichaam. Dit is mijn Bloed. Matth. XXVI, 26 enz. Tenzij men den Zaligmaker wille beschuldigen van leugen en bedrog, kunnen deze woorden niets anders bc-teekeuen, dan dat zijn Lichaam en zijn Bloed waarachtig te-

477

ocr page 516

onderricht over het

genwoordig zijn onder de gedaante van brood en wijn. Dat dit ook de meening van Jesus was, blijkt uit de woorden, die Hij onmiddellijk liet volgen: (Dit is mijn Lichaam), hetwelk voor u gegeven wordt. (Deze kelk is het Nieuwe Verhond in mijn bloed), dat voor u zal vergoten worden. Luc. XXII, 19-20. Welnu, niet het brood en de wijn, nog de gedaante van liet Lichaam en Bloed des Zaligmakers, zijn ter onzer verlossing overgeleverd, maar het ware Lichaam van Jesus is vergoten ter onzer verlossing; waaruit volgt, dat in dit aanbiddelijk Sacrament noch brood, nnch wijn, noch de gedaante van het Lichaam en Bloed van Christus, maar liet eigen Lichaam en het eigen Bloed van Jesus wezenlijk en waarachtig tegenwoordig is.

Ook de Apostelen hebben deze woorden des Zaligmakers niet anders begrepen, en de H. Paulus, die — gelijk hij in het begin van den Epistel van dezen dag verklaart — ook van Christus zeiven in dit Geheim was onderricht geworden, zegt uitdrukkelijk, dat alvvie dit H. Sacrament onwaardig ontvangt, zich aan het Lichaam des Heeren bezondigt en zijne eigene verdoemenis eet en drinkt, omdat hij het Lichaam des Heeren niet van de gewone spijs onderscheidt; welnu, hoe zou de H. Paulus dit kunnen zeggen, indien het Lichaam van Jrsus hier in het geheel niet, of slechts zinnebeeldig tegenwoordig ware, gelijk de Calvinisten beweren ?

Wie verzekert ons, Katholieken, nog meer, dat de woorden der instelling van dit H. Sacrament in dezen zin moeten begrepen worden?

De Katholieke Kerk, de zuil en grondslag der waarheid, die niet dwalen kan en die van de tijden der Apostelen af tot op den dag van heden onafgebroken aldus geleerd heeft; daarvan getuigen de Kerkvergaderingen, welke van den beginne der Kerk gehouden zijn; alsmede alle HH. Vaders zonder uitzondering. Waarom dan willen de vijanden van het Katholiek geloof zich tegen deze zoo oude, zoo algemeen geloofde en zoo vast gegronde leer verzetten, en de wezenlijke tegenwoordigheid van Jesus in het H. Sacrament loochenen? Welke reden kunnen zij hebben om aldus te handelen? Komt hun wellicht dat geheim onmogelijk voor? Maar wat is bij God onmogelijk? Heeft Hij van water wijn kunnen maken, waarom zou Hij dan niet

478

ocr page 517

FEEST VAN HET ALLERH. SACRAMENT.

het brood in zijn Lichaam en den wijn in zijn Bloed kunnen veranderen?. . Of ergeren zich de ketters en ongeloovigen er aan, dat zij het Lichaam en Bloed van Jesus-Christus moeten nuttigen? Ook de Joden ergerden.zich daaraan en streden onder elkander, zeggende: Hoe kan deze ons zijn vlessch te eten geven? Maar zij ontvingen hierop geen ander antwoord dan dit: Voorwaar, voorwaar. Ik zeg u: Tenzij gij het Vleesch van den Zoon des menschen eet en zijn bloed drinkt, zult gij het leven in u niet hebben. Joann. VI, 5ö, 54.

Hoe moet een Katholiek de opmerkingen beantwoorden, die de ongeloovigen tegen dit H. Sacrament maken?

Hij kan dil doen, naar de boven aangeduide wijze, of wel zich bepalen met eenvoudig te zeggen; Ik geloot, dat Christus waarachtig en wezenlijk tegenwoordig is in het II. Sacrament des Altaars, omdat Hij zelf het gezegd heeft. Dat Hij dit gezegd heeft en dat de woorden: Dit is mijn lichaam, dit is mijn Bloed, van zijn Lichaam en Bloed moeten verstaan worden, weet ik hieruit, dat de Kerk het altijd geleerd heeft; en dat zulks geschieden kan, geloof ik, omdat bij God alles mogelijk is. (Luc. I, 37.)

Betrekkelijk de opwerpingen, in het algemeen, die protestanten en ongeloovigen zich somtijds tegen de Katholieke Leer veroorloven, is het voor eenvoudige geloovigen voorzichtig, in dezen zin te antwoorden : Mijn vriend, wilt gij weten, wat de Katholieke Kerk leert, en de beweeggronden kennen, waarom zij zulks voorhoudt, kortom, wilt gij van de waarheid der Katholieke Leer overtuigd worden, wend u dan niet tot Mij, maar tot onze priesters; deze zullen u genoegzaam onderrichten in alles, wat gij daaromtrent behoort te weten. Verlangt gij echter alleen te redetwisten, weet dan, dat ik mij noch bevoegd, noch kundig genoeg acht, om u op gepaste wijze van de waarheid van onzen heiligen Godsdienst te overtuigen.

Verzuchtingen. O goede Jesus, verborgen onder de gedaante van brood, ik smeek U door de liefde, waarmede Gij U in dit H. Sacrament lot spijze onzer ziel gegeven hebt, versterk en vermeerder in mij en in alle Christenen het geloof aan dit Heilig Geheim, en maak, dat wij nimmer anders, dan na eene ernstige

479

ocr page 518

onderricht over het

beproeving en zuivering van ons geweten, met ootmoedigheid en vrees, met betrouwen op nwe goedheid, met grooten eerbied en innige liefde, tot uwe H. Tafel naderen; opdal het ontvangen van uw H. Sacrament ons niet strekke tot veroordeeling en verdoemenis, maar tot onze eeuwige zaligheid. Amen.

Evangelie volgens den H. Joannes VT, 56-59.

In dien tijd zeide Jezus : Mijn Yleesch is waarlijk spijs, en mijn Bloed is waarlijk drank. Die mijn Vleesch eet, en mijn Bloed drinkt, blijft in Mij^ en Ik in hem. Gelijkerwijs Mij de levende Vader gezonden heeft, en Ik door den Vader leve, zal ook hij, die Mij eet, door Mij leven. Dit is het brood, hetwelk uit den Hemel is nedergedaald : niet gelijk uwe vaderen manna gegeten hebben; en gestorven zijn. Die dit Brood eet, zal leven in eeuwigheid.

Waarom zegt Christus: «Mijn Vleesch is waarlijk spijs.quot;

Hij voorspelde hier, wat Hij voornemens was te doen in hel Laatste Avondmaal. Daags vóór dat Jesüs deze woorden sprak, had Hij, nabij het meer van Genezareth, vijfduizend mannen met vijf brooden en twee visschen, gespijzigd, weshalve vele Joden Hem tot aan de overzijde des meers gevolgd waren. Toen Jesüs hen zag, zeide Hij hun, dat zij zich niet zoo zeer om een vergankelijk voedsel moesten bekommeren, als wel om een voedsel, dat in eeuwigheid blijft, en dat de Zoon des menschen hun geven kon. De Joden dan vraagden Hem een mirakel, dat Hij, bij voorbeeld, gelijk Mozes brood uit den hemel zou doen nederdalen, opdat zij in Hem zouden kunnen gelooven. Jesus antwoordde hun hierop: dat het ware brood des hemels datgene is, hetwelk de Hemelsche Vader hun geeft en dat het leven aan de wereld schenkt; en als de Joden Hem smeekten, dat Hij hun van dat brood zoude geven, zeide Hij ; Ik ben het brood des levens. Joann. VI, 33. Zoo iemand van dit brood eet. die zal leven in eeuwigheid en het brood dat Ik zal geven, is mijn Vleesch voor het leven der wereld. Ibid. Dit heeft Hij werkelijk in het Laatste Avondmaal gedaan. Als de Joden mei dit zijn gezegde den spot schenen te drijven, herhaalde Hij het

480

ocr page 519

feest van het allerh. sacrament.

nogmaals uitdrukkelijk, zeggende: Mijn Vleesch is waarlijk spijs, en mijn Bloed is waarlijk drank; die mijn Vleesch eet en mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Ibid. 56, S7. — Hoe had-de Jesus duidelijker kunnen verklaren, dat Hij werkelijk zijn Vleesch tot spijs en zijn Bloed tot drank zoudo geven? en wie kan er dan nog aan twijfelen, dat in het Allerheiligste Sacrament des Altaars het waarachtig Lichaam en Bloed van Jesus-Christus tegenwoordig is ?

Wat beteekenen de woorden; nDie mijn Vleesch eet en mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in Hem?quot;

Deze woorden beteekenen niet alleen, dat hij, die Jesus waardig ontvangt, door de heiligraakende genade met Hem veree-nigd wordt, maar wat meer zegt, dat Jesüs-Christus diens ziel en lichaam doordringt, dat Hij, om zoo te spreken, leeft in hem, en dat de mensch in Jesus-Christus blijft. De H. Chrysostomus noemt deze innige vereeniging eene vermenging van Jesus-Christus met den mensch, en de H. Cvrillus merkt aan, dat Jesus ons niet alleen zijne liefde, maar ook zijne natuur mededeelt: wij zijn in Hem en Hij is in ons. Ter oorzake dier vereeniging, voornamelijk van den mensch met Jesus-Christus, alsmede van ons met den naaste — eene vereeniging, die ontstaat door het gemeenschappelijk ontvangen van ditzelfde brood des levens, enz. — wordt de deelneming aan het H. Sacrament des Altaars genoemd communie of gemeenschap.

Is het hiertoe noodigr, dat men dat H. Sacrament onder beide gedaanten ontvange?

Neen, want die dit H. Sacrament onder eene gedaante ontvangt, eet het Lichaam en drinkt het Bloed van Christus, wijl het levend en glorierijk Lichaam van Christus niet meer van zijn Bloed gescheiden wordt. Trouwens Christus zelf belooft het eeuwig leven aan hem, die dit H. Sacrament ontvangt onder ééne gedaante : Die dit brood eet, zal leven in eeuwigheid. Joann. VI, 59.

Waarom dient de Kerk het H. Sacrament des Altaars den geloovigen ook niet toe onder de gedaante van wyn?

Omdat er geene Goddelijke wet bestaat, die zegt, dat het H. Sacrament des Altaars onder beide gedaanten moet ontvangen

31

481

t P

. yaJii C

fa/'r- THquot;H'

ocr page 520

0nde1uucht ovek het

worden; de H. Communie is, zoo als wij boven zeiden, onder ééne gedaante voldoende, daar Jesus onder ééne gedaante geheel en al ontvangen wordt. Zells verbiedt de Kerk haren bedienaren tie H. Communie onder beide gedaanten aan de geloovigen loe te dienen, om alle mogelijke misbruiken voor te komen, als bij voorbeeld liet storten van het H. Bloed, de moeielijkheid van het te bewaren, en eindelijk om de ware leer te handhaven tegen hen, die beweren, dat men de H. Communie niet ontvangen kan, dan onder beide gedaanten, enz.

Waarom zegt Christus: »Gelijkerwijs Mij de levende Vader gezonden heeft en Ik door den Vader leve, zal ook Hij, die Mij eet,

door Mij leven?quot; Joanu. VI, 58.

Hij geeft hierdoor te verstaan, dat, gelijk de Zoon alles

van den Vader ontvangt en aldus alleen door den Vader leeft,

de mensch insgelijks alles van God den Zoon ontvangt, en

aldus in de orde der genade niet dan door den Zoon leeft.

Gelijk de Vader in deu Zoon, en de Zoon ia den Vader blijft,

de Vader het Goddelijk wezen aan deu Zoon mededeelt en

deze het ontvangt, zoo blijft Jesus ook door de mededeeling

zijns Liehaams in ons en blijven wij door het ontvangen der

H. Communie in Hem.

quot;Waarom zegt Christus: ygt;Dit is het brood, hetwelk uit den Hemel is nedergedaald? Joanu. quot;VI, 59.

De Joden hadden, gelijk wij boven zagen, manna of hemelsch brood aan Christus gevraagd, In plaats van hun dat te geven, wees Jesus hun zijn Vleesch en Bloed aan, als het levend brood, hetwelk uit den hemel is nedergedaald, om aan de wereld het eeuwig leven mede te deelen. Zeer wel kan Christus zijn Heilig Vleesch en Bloed brood noemen, want gelijk het lichaam door de natuurlijke spijs niet enkel zijn onderhoud, maar ook zijne ontwikkeling en kracht verkrijgt, en alzoo dagelijks een nieuwen welstand geniet, zoo wordt de ziel ook door het H. Sacrament des Altaars niet enkel onderhouden, maar zij verwerft tevens nieuwe krachten en dagelijks meer vreugde en smaak in Hemelsche dingen. Derhalve kan dit Hemelsch brood zeer wel met het manna vergeleken worden, waarvan het Boek der Wijsheid (XVI, 20) zegt: Gij hebt uw volk met de spijs der Engelen gewed en hun zonder arbeid een

482

ocr page 521

allkkue1ligstk sacrament des altaars.

brood gegeven, dat in den Hemel toebereid is, en alle aangenaamheid en zoetheid van smaak in zich bevat.

Verzuchtingen. O Heer, welk een groot geluk voor ons U tot spijs onzer ziel te hebben, door U te leven, U steeds bij ons le hebben, die de oorsprong onzer heiliging en het onderpand onzer eeuwige glorie zijt! Maar dat zijn de vruchten eener waardige Coimnunie, en deze is eene gave van uwe barmhartigheid, een uitwerksel uwer genade. Dewijl Gij thans tot ons zegt, dat Gij in ons blijft, als wij U waardig ontvangen, zeggen wij U op onze beurt: Blijf bij ons, o Heer, dan zullen wij U waardig ontvangen, cu de zegeningen eener waardige Gonununic in den tijd en in de eeuwigheid genieten.

Onderriciit over liet AllerTaeiligste Sacrament

des Altaars.

Wat is het H. Sacrament des Altaars ?

Een Sacrament van Ghristus ingesteld, in hetwelk het ware Lichaam en het ware Bloed van Jesls-Giiuistus onder de gedaante van brood en wijn waarachtig en wezenlijk tegenwoordig zijn, tot geestelijke spijs der geloovigen.

Waarin bestaan deze gedaanten ?

De gedaante van brood bestaat in de witte kleur, den geur. den smaak, den ronden vorm. De gedaante van wijn bestaat in de kleur, in den smaak, in den geur, in de vloeibaarheid, enz Terwijl het brood en de wijn in hel Lichaam en Bloed van Jesus veranderd worden, blijft de gedaante alléén over, en is mede het zichtbaar teeken van dit H. Sacrament.

Wanneer heeft Christus dit H. Sacrament ingesteld?

In het Laatste Avondmaal. Ik heb van den Heer onlvan-gm, dus spreekt de II. Paülus in den Epistel van dezen dag, 't geen ik u ook heb overgegeven, dal de [leer Jesus in den nacht, waarin Hij geleverd werd, brood nam, en, gedankt hebbende, het . brak en zeide : Neemt cn eet, dit is mijn Lichaam,

dat voor u geleverd zal worden..... Desgelijks ook den kelk,

nadat Hij den maaltijd genomen had, zeggende : Deze kelk is hel Nieuwe Testament in mijn Bloed, of gelijk de H. Mat-theus zegt : Dit is mijn Bloed des Nieuwen Verhonds, hetwelk

483

ocr page 522

onderricht over het

voor velen zal vergoten worden, tot vergiffenis der zonden. XXVI, 28.

Welke zyn de uitwerksels van dit H. Sacrament?

Dit Sacrament is de bron van alle genade, dewijl het op eene wondervolle wijze in zich bevat den oorsprong van alle hemelsclie gaven en gunsten, den Insteller van alle Sacramenten, onzen Heer Jesus Christus, van wien al het goede en volmaakte, dat de Sacramenten bezitten, afkomt. De ziel wordt door dit II. Sacrament gevoed, gesterkt en met den smaak van hemelsche dingen vervuld. Zij verwerft daardoor vergiffenis der dagelijksche zonden, zij vindt daarin een behoedmiddel tegen de zonden en andere kwalen, zij verwerft de kracht om weêrstand te bieden tegen de bekoringen des vleesclies, de aanloksels van slechte voorbeelden, enz. en verkrijgt, om zoo te spreken, eenen waarborg tegen de pest der zonden. Dit Sacrament vermeerdert de heiligmakende genade en geeft hem, die het waardig ontvangt, aanspraak op het eeuwig leven.

De genadevolle uitwerkselen van het H. Sacrament des Altaars zijn overigens zoo ontelbaar veel, dat zij hier niet allen aangehaald kunnen worden Wij zullen ons dus bepalen, met er eenigen aan te geven, die de H. Vaders meer bijzonder hebben opgei eekend.

De H. Thomas van Aquine zegt, dat er geen Sicrament bestaat, dat zoo heilig is als dit, waardoor do zonden bestreden worden,, de booze neigingen onderdrukt, de deugden verworven en de ziel met allerlei geestelijke gaven uitgerust wordt. En hierover behoeft men zich niet le verwonderen, daar in dit H. Sacrament de oorsprong der genade ontvangen wordt, terwijl in de andere II. Sucramenfen slechts een bepaalde en zekere genade ontvangen wordi. Daarom legt ook de Ambiiosius : VerlHngt gij uwe wonden te genezen, dan strekt u dit H. Sacrament tot geneesmiddel ; begeert gij hu'p, dan is dit uwe sterkte ; wordt gij hevig bekoord, dan heeft God u in dit H. Sacrament eene tafel voor uw aanschijn toebereid tegenover degenen, die u verdrukken. Psalm XXII, 5, want dil II. Sacrament versterkt den mensch tegen alle verleiding des duivels.

484

ocr page 523

allerheiligste sacrament des altaars.

Volgens de uitdrukking van den H. Chrysostomus komen degenen, die de H. Communie waardig ontvangen, als vurige leeuwen vati de H. Tafel terug, dat is moedig, onverschrokken en onwrikbaar tegen alle aanvallen van duivel, wereld en vleesch.

De H. Bernardus eindelijk legt het volgende ; Is er iemand, die zich niet meer laat overmeesleren door gramschap, nijd, gierigheid of afgunst, wraakzucht, ontucht of soortgelijke ondeugden, dat deze zijnen dank betuige aan het Heilig Lichaam en Bloed van Jesus; want dat alles is het uitwerksel van dit aanbiddelijk Sacrament.

Welk een ijver moet ons dan niet bezielen, dit H. Sacrament dikwijls te ontvangen. Ach, daardoor zoude de Christenheid eene geheel andere gedaante krijgen. De eerste Christenen naderden dagelijks tot het H. Sacrament des Altaars, en daaruit ontstond die zuiverheid van zeden, die ijver voor den dienst van God, die heiligheid huns levens, hunne verachting van aard-sche goederen, eer en wereldsche vermaken, hunne sterkte in kruis en lijden, hunne standvastigheid te midden der hevigste pijnen en folteringen; want zij leefden en leden, om zoo te spreken, niet zij zeiven, maar Christus, dien zij door de dage-lijksche H. Communie in hun hart ontvingen, leefde en leed, als 't ware, in hen. Van waar komt integendeel die lauwheid, die zwakte, die goddeloosheid, welke men bij velen der heden-daagsche Christenen aantreft ? Van waar anders, dan omdat zij zoo zelden, en velen misschien dan nog op onwaardige wijze, lot de H. Communie naderen. 0 mochten zij in dit punt toch zeer spoedig veranderen, mochten de Christenen wederom meermalen in hel jaar, na eene zorgvuldige voorbereiding, zich om de Talel des Heeren scharen, en het H. Vleesch en Bloed des Zaligmakers met ware godvruchtigheid ontvangen ! daardoor zouden zij, voor God en de deugd gezind, standvastig en on-\erwinlijk worden tegen de bekoringen, en de gegronde hoop mogen koesteren het eeuwige leven deelachtig te worden.

Waarin bestaat de waardige voorbereiding tot dit H. Sacrament?

De waardige voorbereiding naar de ziel bestaat hierin , dat men zich, door eene oprechte en rouwmoedige biecht, van

485

ocr page 524

onderricht over het

alle doodzonden en, zoo verre mogelijk, van Je dagelijksche zonden zuivere en tot de tafel des Heeren nadere met diepe ootmoedigheid en oen brandend verlangen, met Christus ver-eenigd te worden. Als voorbereiding des lichaams wordt vereischt, dat men van s nachts twaalf ure vóór de H, Comimmie nuchter zij, dat is, niets hoegenaamd gegeten noch gedronken liebbe. Mede vordert do heiligheid der daad, welke men verricht, dat men rein gewasschen, zedig en zuiver gekleed zij; immers men bezoekt en ontvangt geen, mensch, wien men eerbied verschuldigd is, maar den -God van opperste Majesteit.

Onder welke ceremoniën wordt dit H.Sacrament vereerd?

De meest eigenaardige vereering van dit H. Sacrament geschiedt door de H. Mis. In de II. Mis, die levens de onbloedige offerande der Nieuwe Wet is, wordt dit H. Sacrament eigenlijk op de meest passende wijze geëerd. — Do ceremoniën, die bij de uitdeeling van dit II. Sacrament gebezigd worden, zijn de volgende: 1) De altaarbedienaar bidt in den naam van allen, die tut de II. Communie naderen, het Confiteor of de openbare schuldbelijdenis; de Priester keert zich lot de ge-loovigen en zegt de twee volgende gebeden: »De almachtige God ontferme zich uwer, Hij vergeve u uwe zouden, en geleide u tot het eeuwig leven.quot; De dienaar antwoordt: Amen. — «De almachtige en barmhartige God schenko u genade, kwijtschelding en vergeving uwer zonden.quot; waarop de dienaar andermaal antwoordt: Amen; 5) de Priester neemt oene II. Hostie uit de ciborie, en biedt haar den geloovigen tor aanbidding aan, zeggende : Ziet hier het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt. Heer, ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak, maar spreek slechts oen -noord, en mijne ziel zal gezond worden.quot; Dit laatste zegt hij driemaal; 4) de 1 liester maakt mei de 11. Hostie een kruistoeken en legt haar in den mond van iederon communikant, zeggende: «Het Lichaam van onzen Heere Jesds-Christus behoede uwe ziel ten eeuwigen leven. Amen.' Als de H. Communie buiten de H. Mis wordI uitgereikt, dan geeft do Priester, nadat hij het H. Sacrament in den tabernakel gesloten heeft, den zegen met doie woorden : «De zegen van den Almachtigen God, den Vader,

486

ocr page 525

allerheiligste sacrament pes altaars. 40 '

den Zoon en den H. Geest dale op it neder en verblijve altijd

met n. Amen.quot;

Het H. Sacrament des Altaars wordt ook in den tabernakel bewaard, en daarom brandt voortdurend een licht voor het altaar, deels om aan te duiden, dat Christus, het licht der wereld, hier tegenwoordig is. deels om onzen eerbied jegens het Aanbiddelijk Sacrament tê betoonen, en deels nog, om ons te herinneren, dal ieder Katholiek huisgezin een geestelijke licht behoort te zijn, uit welks binnenste zuivere en heilige liefdevlammen opstijgen, (i; Dewijl Jesus ons de onschatbare genade schenkt van in zijn H. Sacrament voortdurend in ons midden te wonen, moeten wij geene gelegenheid verzuimen, om Hem aldaar te bezoeken, te aanbidden, vóór Hem onze goede voornemens Ie vernieuwen, Hem al onze aangelegenheden, door het gebed, bloot te leggen en van Hem hulp en bijstand in al onze noodwendigheden af lesmeeken. Treed dan vooral, wanneer f;ij treurig en neêrslachfig, lauw en moedeloos zijl, het huis van God binnen, blijf daar langer dan gewoonlijk in gebed verzonken en gij zult smaken en zien, hoe zoet de Heer is, Zijt gij lijdend in uwe ziel, in uw lichaam of in uwe eer, snelt spoedig ter kerke, gij zult er uwen Jesus vinden en met Hem troost in wederwaardigheden, licht in uwe duisternis, raad in uwen twijfel, voorspoed in uwe ondernemingen, leniging

(11 Icdor gclnovig Christen, die, in staat van genade zijnde, tot lof van het H. Sacrament, met oen rouwmoedig hart het volgende schietgebed bidt ; Geloofd en gedankt zij iedcren oogenbUk het AUerhexhgste en Goddelijk Sacrament, kan dagelijks een aflaat van 100 dagen, en » s hij het, ccne maand lang, dagelijks gebeden heeft, op cenen dag naar verkiezing, eenen vollen aflaat verdienen, mits liij bieebte en commiiniccere en lot intentie Zijner Heiliglieul, *oor de 11. Kerk, enz., bidde. Op eiken Donderdag van het jaar en gedurende de Okiaaf van het H. Sacrament-feest is aan hen, die gemeld gebed driemaal bidden, een aflaat van dagen verleend. (Pius VU. 1776 en Pius Vlll. 1818.) Zij. die het H. Sai rami'nt met een licht of brandende kaars godvrnebtig m\ar eenen kranke begeleiden, kunnen iedermaal eenen aflaat van 7 jaar en 7 maal tO dagen en zij, die het zonder licht begeleiden, 5 jaren en 5 maal iO dagen aflaat verdienen. Zoo men wettig verhinderd is, cn persoonlijk het 11. Sacrament. dat naar eenen zieke gedragen wordt, niet kan vergezellen, verdient men 100 dagen aflaat, als men een Onze Kader en een Wees gegroet, volgens de meening van Z. H. den Paus hidt. Deze laatste aflaten, namelijk nopens het vergezellen van het H. Sacrament naar eenen kranke, zijn ook toevocgelijk aan de zielen in het vagevuur. (Renedictus XIV, IS-iO.)

ocr page 526

onderricht over den

in uwe smarten, sterkte in de bekoringen, vreugde in de verdrukking, en hulp in ai uwe noodwendigheden.

Het H. Sacrament wordt ook dikwijls in de Ciborie en somtijds in de Remonstrans ter aanbidding uitgesteld, of in processie plechtig rondgedragen. Tracht die godsdienstplechtigheden steeds met den grootsten eerbied en de diepste aandacht bij te wonen en stel u recht levendig voor den geest, dat Jesus-Christus in het Allerheiligste Sacrament waarlijk tegenwoordig is. Als het Allerheiligste in processie naar de kranken wordt gedragen, sluit u dan, zoo het eenigszins mogelijk is, daarbij aan ; immers indien de Zoon Gods zich gewaardigt, in de woonplaats der zondaren te komen, hoe zoudt gij dan durven weigeren Hem derwaarts te vergezellen. Door die vergezelling bewijst gij aan God de schuldige vereering en verzamelt gij groote verdiensten voor u zeiven; daarenboven moogt gij de hoop koesteren, dat de zieke, dien gij bezocht en voor wien gij gebeden hebt, ook voor u een zalig einde zal afsmeeken, zoodra hij vóór het aanschijn des Heeren zal gekomen zijn.

Onderriclit over den tweeden Zondag na Pinksteren.

Bij den Ingang der Mis. üe Heer is mijn beschermer geworden en Hij heeft mij in de ruimte gevoerd. Hij heeft mij gered, omdat Hij mij genegen was. Ps. XVII. Ik zal U beminnen, Heer, mijne sterkte. De Heer is mijn steun, mijn toevlucht en mijn verlosser. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Doe ons, o Heor, steeds vrees en liefde jegens uwen Heiligen Naam koesteren, omdat Gij, door uwe voorzienigheid, degenen nimmer verlaat, die Gij in uwe liefde bevestigt, door onzen Heer Jksus-Christus, enz.

EPISTEL: Les uit den eersten Brief van den H. Joannes III, 13—18.

Geliefden! Verwondert u niet, zoo de wereld u haat. Wij weten, dat wij uit den dood overgebracht zijn in het leven, dewijl wij de broeders beminnen. Wie niet bemint, blijft in den dood. Alwie zijn broeder haat, is een doodslager. Eu

488

ocr page 527

tweeden zondag na pinksteren.

gij weet, dat geen doodslager het eeuwig leven blijvende in zich heeft. Hieraan hebben wij Gods liefde gekend, dat Hij zijn leven voor ons gegeven heeft; ook wij moeten ons leven voor de broeders geven. Zoo iemand goederen dezer wereld heeft en zijnen broeder nood ziet lijden, en zijn hart voor hem sluit, hoe blijft de liefde Gods in hem? Mijn kinderen, laten wij niet met het woord, noch met de tong, maar met de daad en waarheid beminnen.

Verklaring. De vromen behoeven zich niet te verwonderen, als zij door de wereld gehaat worden; zij kunnen zich in de vervolging des te gereeder troosten, daar zij welen, dat zij, door Gods genade, van den dood der zonde, overgeplaatst zijn tot het leven der gerechtigheid en der eeuwige zaligheid. Dat zij werkelijk die heilzame verandering ondergaan hebben, kan men weten aan de liefde, die zij Gode en hunnen mede-menschen toedragen; immers zij, die van den dood tot het leven zijn overgeplaatst, dat is, de wezenlijk rechtvaardigen of de ware Christenen, beminnen hunne naaste en zijn bereid te doen al wat het gebod der liefde van hen eischt. De mensch, die zijnen evenmensch niet bemint, zoodat zijn gedrag groote-lijks tegen het gebod der liefde aandruischt, geeft daardoor blijken, dat hij nog in den dood is, dat liij of wel nog niet tot het leven is overgeplaatst of wel wederom in zijne zonden en in zijne vervloeking hervallen is. Alwie zijn broeder haat, is een moordenaar, in zoo verre de haat niet zelden leidt tot wezenlijken doodslag en moord; hij, die zijn broeder waarlijk haat, wenscht dien in zekeren zin den dood, en begaat aldus, zoo niet met de daad, althans dikwijls met den wil, eenen moord. De H. Joannes stelt ons dus hier de lietde voor, als innig verbonden met het leven der genade, dat ons tot het leven der eeuwige gelukzaligheid moet voeren. — O hoe weinig ware kinderen Gods zijn er thans onder de liedendaagsche Christenen, naardien er zoo weinig ware liefde onder hen gevonden wordt! IJdele beleefdheden, ledige vriendschapsverzekeringen, liefdebetoon met woorden vinden wij nog wel, maar de ware liefde, die in daden en in waarheid uitblinkt, die den noodlijdende gaarne ondersteunt en voor het heil der medemenschen het leven veil heeft, — o hoe zelden wordt die nog gevonden! Mocht deze

489

ocr page 528

onderricht over den

ware fiefde onder ons meer en nieor toenemen, en mochten wij daardoor toonen, dat de liefde Gods ook in ons is; want hij, die zijnen naaste, dien hij ziet, niet liefheeft, hoe zal hij God beminnen, dien hij niet ziet?

Evangelie volgens den H. Lucas XIV, 16-24.

In dien tijd stelde Jezus den Farizeën de volgende gelijkenis voor: Een mensch hield een groot avondmaal en noodigde velen. En, ter nre des avondmaals, zond hij zijnen dienstknecht, om den genoodigden te zeggen, dat zij komen zouden, omdat alles reeds gereed was. En allen begonnen gelijkelijk zich te verontschuldigen. De eerste zeide tot hem : Ik heb ecne landhoeve gekocht, en ben in de noodzakelijkheid uit te gaan en haar te bezichtigen; ik bid u, houd mij verontschuldigd ! En de tweede zeide: Ik heb vijf koppel ossen gekocht, en ik ga, om ze te beproeven ; ik bid u, houd mij verontschuldigd ! En een ander zeide • Ik heb eene vrouw gehuwd, en kan daarom niet komen. En de dienstknecht, wederkeerende, boodschapte dit zijnen heer. Toen werd de vader des huizes vergramd, en zeide tot zijnen dienstknecht: Ga haastig uit in de straten en wijken der stad, en breng hier de armen en kranken en blinden en kreupelen binnen. De dienstknecht nu zeide: Heer! het is geschied, gelijk gij bevolen hebt, en er is nog plaats. En de heer zeide tot den dienstknecht: Ga uit, naaide wegen en heggen, en dwing hen in te gaan, opdat mijn huis vol worde; want ik zeg u : Niemand van die mannen, die genoodigd waren, zal mijn avondmaal smaken.

Wat wordt hier door het avondniaal verstaan?

Vooreerst de Kerk van Christus. De H. Gregorius en onze Moeder de H. Kerk passen deze gelijkenis ook (on op het Allerheiligste Sacrament des Altaars, en op de eeuwige zaligheid. Daartoe zijn ook velen genoodigd, maar die de nitnoodiging versmaden en juist daarom niets van het feestmaal zullen sma-

490

ocr page 529

tweeden zondag na pinksteren.

ken, dat is, met Christus de bron des levens niet vereenigd en niet zalig zullen worden.

Wie is de mensch, die het avondmaal heeft voorbereid ?

Christus, de God-mensch, die zijne Kerk niet alleen tot onze zaligheid gesticht, en ons zijn Lichaam en Bloed tol een feestmaal gegeven heelt maar ook door zijn lijden en dood ons de Hemelsche zaligheid toegankelijk heeft gemaakt; waartoe Hij ons, eerst door zijne Profeten, die zijne komst en zijn Goddelijk rijk voorspelden, vervolgens door zijne Apostelen heeft genoodigd, en ook thans nog cn tot aan het einde dei-wereld, door hunne opvolgers, de Bisschoppen cn Priesters voortdurend uitnoodigt.

Wie zijn de eerstgenoodigden?

De Joden, aan wie de Messias en zijn Goddelijk rijk langen tijd te voren door de Profeten voorspeld waren. Wat beduiden de verontschuldigingen der genoodigden ?

Zij beteekenen vooreerst de bezwaren, die de Joden bijbrachten, om zich tot het Christendom te bekeeren. Ook kunnen door deze veronischnldigingen de voorwendsels verstaan worden, welke vele mensclien in het midden brengen, om de nitnoodiging niet aan te nemen, die voert lot verbetering van him hart en van hun levenswandel, tot het veelvuldig gebruik van de HH. Sacramenten der Biecht en des Altaars, en tot de Hemelsche vreugde.

Welke zijn degenen, die zich verontschuldigden ?

Hij, die zeido; Ik heb eene landhoeve gekoekt, en hen in de noodzakelijkheid, uit te gaan, en haar te bezichtigen, verbeeldt de hoovaardige en gierige, wereldmenschen, die er steeds op uit zijn, door nieuwe goederen en rijkdommen, hunnen hoogmoed en hunne gierigheid te bevredigen, en dien ten gevolge aan de zorg voor hunne zaligheid en den Hemel de laatste beurt geven. Door hem, die vijf koppel ossen gekocht had, en ze ging beproeven, worden alle zinnelijke, en al te bezorgde menschen aangeduid, die zich met tijdelijken arbeid en wereld-sche aangelegenheden zóódanig overladen, dat hun geen lijd overblijft, om ook iets voor den Hemel en hunne Zaligheid te doen? ja, die zelfs de Zon- en Feestdagen onteeren voor linnen

491

ocr page 530

onderricht ovkr dem

tijdelijke aangelegenlieden. Degene, die zeide : Ik heb eene vrouw gehuwd en kan daarom niet komen, stelt de wellustige en ontuchtige mcnschen voor, die ten gevolge van hun wellust onvatbaar zijn geworden voor geestelijke en hemelsche vreugde. Daar de/.e drie soorten van menschen niet op het geheimzinnig gastmaal wilden verschijnen en zich daardoor die gunst onwaardig maakten, liet God hen daarvan uitsluiten en anderen noodigen.

Wie zyn die anderen, die armen, die kranken, enz., welke na de eerstgenoodigden verzocht werden?

Daaronder moeien vooral, en in tegenoverstelling met de hoogmoedige, gierige en wellustige Parizeen en Schriftgeleerden, begrepen worden de ootmoedige leerzame Joden, de rouwmoedige zondaars en zondaressen, alsmede de Samaritanen en Heidenen, die den godsdienst van Christus geloovig aannamen, zijne Kerk binnentraden, en der eeuwige zaligheid deelachtig werden.

Wat moeten wij uit dat alles leeren?

1) Dat de hoovaardige; gierige en vleeschelijke Christenen, die door de dienaars des Heeren voortdurend tot hel H. Sacrament des Altaars en tot de zaligheid worden uitgenoodigd, maar die uitnoodiging versmaden, daarom, indien zij in hunne gesteltenis volharden, buiten den Hemel zullen gesloten worden. 2) Dat God, in hunne plaats, de arme, verachte en nederige menschen, de boetvaardige zondaars en zondaressen, roept, en hen door zijne genade en heilige inspraken, door ongeluk, door krankheden, tegenspoed, enz., uitnoodigt, binnen te komen en aan de vreugde van zijn Hemelsch feestmaal deel te nemen.— Onderzoek eens wel, of gij niet tot eene dier twee soorten-van menschen behoort.

Verzuchtingen. Ik dank U, barmhartige Jesus, voor het lijden, waardoor Gij mij de vreugde des hemels verdiend hebt. Wek mij op, of liever dwing mij door uwe genade, opdat ik mij, door de beoefening der christelijke deugden, den Hemel waardig make, en geen ander daar mijne plaats eens inneme.

492

ocr page 531

tweeden zondag na pinksteren.

Zedeles over de ontucht.

Ik heb eene vrouw gehuwd, en kan daarom niet komen. Luc. XIV, 20. Deze verontschuldiging luid!;, alsof de huwelijke slaat den mensch belette lot het gastmaal der Hemelsche vreugde te geraken. Dat is echter volstrekt het geval niet; integendeei, een goed christelijk huwelijk kan een middel ter zaligheid zijn, namelijk als men in dien stand kuisch en matig leeft, en alle plichten er van trouw vervult. Hij, echter, die, hetzij in of builen den huwelijken staat, onkuisch leeft, zal het rijk Gods niet erven.

En wie zou er niet naar streven, om de kuischheid en zuiverheid des harten te bewaren? Hoe gelukkig zijn de zuivere en god-vreezende zielen reeds hier op aarde niet ! Zij zijn bij God en de menschen in eere, zij leggen er zich op toe, steeds het genot van een goed en zuiver geweten te smaken; zij zijn het sieraad en het geluk van geheele farailiëii; .zij trachten steeds waardige tempels van den H. Geest te zijn; daarom scheppen zij ook hun grootste welbehagen in God en Goddelijke dingen; zij beijveren zich zóó te leven, dat al hunne gedachten en gevoelens, al hunne wenschen en begeerten, al hunne woorden en daden heilig en Gode behagelijk zijn. Kan men zich een grooter ge-uk uitdenken ? En toch zal hnn nog een grooter ten deel vallen, immers zalig zijn de zuiveren van harte want , zij zullen God zien. Matth. V, 8.

Hoe ongelukkig, integendeel, is de onkuische mensch niet! In hem heerscht en regeert de H. Geest niet meer, want hij heeft Hem uit zijnen tempel verdreven en eenen onreinen geest, den geest der zonden, er in opgenomen. Het vermaak, dat hij schepte in God, den Verlosser, in het gebed, in geestelijke oefeningen en goede werken, is van Hem geweken. Het vrome geloof, de stille liefde lot God, de blijde hoop, de oprechtheid des harten, de kinderlijke genegenheid jegens de ouders, de vrede, de nederigheid des harten zijn bij allen verdwenen, en hebben plaats gemaakt voor onreine gedachten, schandelijke neigingen en onteerende geneuchten, die het vroeger zoo vlek-kelooze lichaam deerlijk schenden. Doch dat is niet alles. Nog andere misdadige genegenheden en kwade neigingen dagen in zijn hart op; zucht naar ijdele en zondige vermaken, pralerij en

493

ocr page 532

onderlllcht öveu den

verwaandlieid, hoogmoed en behaagzucht, leugen en trouweloosheid, nijd, vrees en meer andere driften beheerschen zijn gemoed. O hoe schandelijk heeft de onkuischlieid den tempel van den H. Geest ontheiligd! Nog meer ; de ontuchtige mensch geeft zijn lichaam, dal een lidmaat van Christus is, aan de zonde over, in plaats van het aan den dienst van God toe te wijden; hij onteert dit lichaam, dat eenmaal van den dood zal opgewekt worden, en niet Ciikistüs in heerlijkheid moest pralen; hij verlaagt zich zeiven, doordien hij zich tot een werktuig der zonde maakt, en wordt een verleider van onschuldige zielen; hij berooft zich dikwijls van alle vooruitzicht op tijdelijken welstand, put de beste krachten van zijnen geest uit en voert de gezondiieid zijns lichaams vaak ten gronde; hij dompelt niet zelden zijne ouders en bloedverwanten in smaad en schande, en loopt dus doende het dreigendste gevaar van op dien weg voort te gaan, totdat de dood hem ter eeuwige verdoemenis voert; want het is uiterst inoeielijk, dat een onkuische zich bekeert. Hij zal het zondigen niet moede worden, zegt de wijze zoon van Sirach (Eccl. XXIII, 24) tot aan het einde zijns levens toe. Echter zonder bekeering zal de onkuische mensch niet zalig worden, want niets onreins kan den Hemel binnengaan. Daarom zegt ook de H. Paulus (1 Cor. VI, 9) uitdrukkelijk : dat noch afgodendienaars, noch overspeler*, noch zij, die hun eigen lichaam of dat van anderen onteeren, het rijk Gods zullen bezitten.

Hoezeer God de zonde van onkuischlieid verafschuwt, blijkt reeds uit eenige geschiedkundige feiten van het Oude Testament. Waarom berouwde het Gode den mensch op aarde gemaakt te hebben ? (Gen. VI, 6.) Waarom verdelgde Hij door den zondvloed het geheele inenschdom, behalve Noë en diens familie? (Ibid.) Waarom heeft Hij de steden Sodoma en Gomonha door eenen vurigen zwavelregen in asch gelegd ? (Gen. XIX, 28.) Waarom heeft Hij de gebroeders Heu en Onan door eenen plotseliugen dood gestraft? (Gen. XXXVIII.) Waarom duldde Hij dat schier de gansche stam van Benjamin uitgeroeid werd? (Judicum XX.) Waarom anders, dan om de afschuwelijke zonde van onkuischlieid ? Van waar meerendeels de rampen, die op geheele gewesten drukken, en waarvan men de oorzaak niet

494

ocr page 533

tweeden zondag na pinksteren.

kent ? Zij» zij niet zoovele straffen der ontucht, waardoor de wereld zoo zeer is aangestoken ? En toch, wat is dat alles, in vergelijking met den worm, die nimmer wordt gedood, met dien poel van zwavel en vuur, waarin de onkuische mensch, in gezelschap van Satan en diens aanhangers, dag en nacht, door geheel de eeuwigheid heen zal gefolterd worden. 0 mensch, sidder en beef bij het gezicht uwer zonden!

Wij moeten overigens nog aanmerken, dat ook alle onkuische gedachten. begeerten, oogslagen woorden, kleederdracht, waarin men vrijwillig ouknisch behagen neemt, of waardoor men vrijwillig groole ergernis geeft, dat dit alles gioote zonde is en buiten het Hemelrijk sluit, want wie eene vrouw aanziet, om haar te begeeren, heeft alreeds overspel in zijn hart met haar gedaan. Mattu. V. 28. Van geene zonde kan men met meer waarheid zeggen dan van deze, dat, zoo men eenmaal in oukuischlieid gevalleu is, men in gevaar is dieper en dieper te vallen; dat men wegens den drang der bedorvene natuur allengskens lichtelijk tot grootere en afschuwelijkere schanddaden overgaat, en men zich aldus blootstelt eindelijk in eenen afgrond van zonden te verzinken, waaruit liet, zonder den bijstand eener buitengewone genade van God, zeer moeielijk is op te staan. En daarom moet men de onkuische bekoring van het begin af tegengaan, om verdere zonden te vermijden en zijn eeuwig heil niet in gevaar te brengen.

Als middelen tegen de onkuischheid geeft de vrome Bisschop Sailkk het volgende aan;

i) Vermijdt den lediggang. Üe lediggang kweekt onzuivere gedachten kwade begeerten, wellustige verbeeldingen. 2) Vermijdt de onzedige en har the dervende hoeken. Zulke lektunr verhit den geest en het bloed, verlevendigt het kwaad in de verbeelding, maakt de begeerten vuriger, het hart weeker, den lust tot arbeid zwakker, de misdaad aantrekkelijk en ten laatste — als het ware onmisbaar. 3) Vermijdt alle onmatigheid in spijs en drank. Do onmatigheid brengt de driften in werking, belemmert den geest, bedwelmt het versland, beneemt de achting, welke de mensch zich zeiven verschuldigd is, doet de deugd wankelen en opent den weg voor de grootste buitensporigheden. 4) Houdt u van de bedorvene en verderfelijke ge-

495

ocr page 534

onderiucht over den

496

zeischappen verwijderd. Waar de losbandigheid van oneerbare jongelingen en de schaamteloosheid van zedelooze dochters te huis zijn — om Gods wille, zet daar uwen voel niet over den drempel; de zonde, de dood der ziel, de duivel gaan daar in en uit. o) Bewaart de schaamte. Al wat 11 de schaamte rooft, ontneemt u ook de kuiseliheid. De eerbare schaamte is een dam tegen alle ontucht. Wie dezen dam verbreekt, opent de deur aan de ontucht. 6) Bewaart den eerbied jegens u zeiven. Gij zijt de tempels Gods. De ontucht verwoest dien tempel. Gij zijt het evenbeeld van God, de ontucht overdekt dat evenbeeld met vuilnis. 7) Bewaart de achting jegens onschuldige en zuivere zielen. Gewent u, in al uwe handelingen, aan het volgende te denken: Zou ik ditzelfde doen in legen-woordigheid van een eerlijk, braaf en waardig man, die mij hoogschat? in het bijzijn van een deugdzamen vriend, die mij kent? 8) Bewaart den eerbied jegens God. «Hoe zou ik legen God kunnen zondigen?quot; Dat is de zinspreuk der vreeze Gods. De godvreezende menschen, juist omdat zij God vreezen, kunnen in Gods tegenwoordigheid alle bekoringen tot onkuisch-heid wederstaan. Hij, die nimmer vergeet, dat Gods oog hem overal ziet, zal niet lichtelijk iets ondernemen, wat hij zou vermijden in het bijzijn van eenen vromen en wijzen vriend. 9) Bewaart de gedachte aan den dood van Jesus-Ghristus steeds levendig in den geest. Jesus-Ghristus leed de hevigste smarten des doods, om de zielen der menschen te verlossen en te reinigen. — Hij dronk de bitterheid des doods om mij zalig te maken, en ik zou het gift van den wellust inzwelgen, om mij eeuwig ongelukkig te maken! 10) Bewaart in u levendig het geloof aan de verrijzenis des vleesches en aan het oordeel. Wat wij zaaien, zullen wij oogsten, en de algemeene groote oogsttijd is de verrijzenis en het oordeel. Hoe schrikkelijk, hoe beschamend, hoe gruwzaam zal de verrijzenis niet zijn van den zondaar, die zijn lichaam geschonden heeft! En het vonnis: «Gaat van mij,quot; ontuchtigen, »in het eeuwig vuur!quot; Acli wie zal dat kunnen verdragen? — Wie daaraan denkt, zal in eeuwigheid niet zondigen. 11) Beschut uw hart tegen de eerste zonde, tegen de eerste begeerte, die u zou kunnen bevlekken. Me1 de eerste zonde te begaan, wordt een groote stap naar het

ocr page 535

tweeden zondag na pinksteren.

verderf gemaakt. 12) Bewaart in u dm geest des geheds, het genot en den ijver, die gij in het gebed hebt. Zegt met den H. Paulus: Alles, wat ik kan, vermag ik door dengene, die mij versterkt. Wie in liet gebed de kraclit der overwinning niet zoekt, zal in de bekoring weldra door de ontucht overwonnen worden.

Nog andere middelen, om de zuiverheid te bewaren, zijn : 1) Dikwijls vurig te bidden; 2) de heilige en altijd zuivere Maagd Maria, die eene minnares en beschermster der onschuld is, vurig aan te roepen en te eeren, alsmede de andere Heiligen, die zich door de deugd van zuiverheid onderscheiden hebben, dikwijls aan te roepen; 3) de rampen te overwegen, die deie misdaad met zich brengt, als: het verlies der eer, des goeden naams, der gezondheid, enz.; 4) de oogen te bedwingen, waardoor de bekoringen en de dood zoo dikwijls de ziel binnendringen; o) de onzuivere gedachten spoedig uit den geest te verdrijven; en eindelijk 6) de HH. Sacramenten van Biecht en Communie dikwijls te ontvangen, ten einde daarin, door de vermaning des biechtvaders en de genade Gods, meer en meer gesterkt en gehard te worden tegen de zonde van onkuischheid.

Die middelen kunnen ook gebruikt worden door al degenen, die reeds in zonde van onkuischheid gevallen zijn, om zich in de toekomst daartegen te vrijwaren. Helaas, hoe zelden worden die hulpmiddelen aangewend! — ü gij, knische en zuivere zielen, gebruikt die middelen met des te meer ijver, om uwe onschuld daardoor te bewaren en ze eenmaal in het ander leven ongeschonden te mogen overbrengen.

Gebed der Kerk om de zuiverheid te bekomen.

Heer, doordring onze nieren en ons hart met het vuur van uwen II. Geest, opdat wij U met een zuiver lichaam dienen en U met een rein hart mogen behagen. Door Jesus-Christus uwen Zoon, onzen Heer. Amen.

497

ocr page 536

onderricht over den

Onderriclit over den derden Zondag na Pinksteren.

Bij den Ingang der Mis. Bid met een hoopvol en rouwmoedig hart tot God in vereeniging met den Priester: Zie op mij neder en ontferm U mijner, o Heer, omdat ik alleen en arm ben; zie mijne vernedering en bedruktheid en vergeef al mijne zonden, o mijn God. Psalm XXIV. Tot U, Heer, heb ik mijne ziel opgeheven. Mijn God, op U betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

God, beschermer dergenen, die op U betrouwen, zonder wien niets hecht, niets heilig is, vermeerder uwe barmhartigheid jegens ons, opdat wij onder uwe leiding en aanvoering, zóó tusschen de tijdelijke goederen heengaan, dat wij de eeuwige niet verliezen. Door onzen Heer Jesus-Christus, enz.

EPISTEL. : Les uit den eersten Brief van den H. Petrus V, 6 11.

Geliefden! Vernedert u onder de machtige hand Gods, opdat Hij u verhelfe, ten tijde der bezoeking; werpt al nwe bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u. Weest matig en waakt, want uw vijand, de duivel, loopt rond als een brie-schende leeuw, zoekende, wien hij zal verslinden: wederstaat hem standvastig in het geloof, wetende dat hetzelfde lijden aan uwe broeders, die in de wereld zijn, overkomt. Doch de God aller genade, die ons door Jesus-Christus tot zijne eeuwige heerlijkheid geroepen heeft, zal zelf ons na een weinig lijden volmaken, versterken en bevestigen. Hem zij de heerlijkheid en de heerschappij in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Verklaring. De H. Petrus vermaant ons hier, om onder de machtige hand Gods ootmoedig en onderworpen te zijn, dus de rampen, die ons treffen, geduldig te verdragen, en, na van onzen kant gedaan te hebben hetgeen wij kunnen, ons lot aan Gods goedheid met betrouwen over te laten; dan zal God ons ook ten tijde van zijne bezoeking (dat is zijne tweede komst op den algemeenen oordeelsdag) verheffen. Den hoovaardigen immers wederstaat Hij en den ootmoedigen schenkt Hij zijne

498

ocr page 537

derden zondag na pinksteren.

De Apostel vermaant ons daarenboven nog, ons tegen de aanvallen des duivels te wapenen, door matigheid, waakzaamheid, een ootmoedig gebed en een onwrikbaar betrouwen op God en diens beloften; daardoor zullen wij, met de genade Gods, steeds de overwinning over onzen geestelijken vijand behalen. Deze immers tracht steeds de menschen te verleiden, en hen vooral in lijden, armoede, enz., tot ongeduld op te wekken, hen te doen morren tegen Gods beschikking, om hen alzoo van God afvallig te maken. Denken wij ook niet, dat alleen wij zulke bekoringen te verduren hebben; ook onze broeders, zij mogen zijn waar zij willen, zijn aan dezelfde kwellingen blootgesteld, die slechts korten tijd zullen duren. Ook door die gedachte moeten wij ons tot standvastigheid aangespoord gevoelen, opdat wij, van den Heer sterkte en volharding verwervende, op den onwrikbaren grondslag Jesus-Ciiristus bouwende, eeuwig zalig mogen zijn.

Zedeles over de dronkenscliap.

Weest matig en waakt. I Petri V, 8.

De H. Petrus schrijft de matigheid en de waakzaamheid voor, als noodzakelijke middelen, om zich tegen de aanvallen te beschutten quot;van den helschen verleider., die dag en nacht als een brieschende leeuw rondloopt, zoekende wien hij kan verslinden. Wee alzoo dengene, die hij wegens hunne dronkenschap en bedwelming, in weêrloozen toestand aantreft; zij zullen gewis zijne grimmige tanden niet ontgaan. Een dronken en slaperig soldaat is de zekere prooi zijner vijanden ; even zoo zal de Christen, die het licht van zijn verstand door de dronkenschap bedwelmt, en in zorgeloosheid voor zijn zieleheil, als in eene onverstoorbaar sluimering en bewusteloosheid heenleelt, on-twijlelbaar in de bekoringen bezwijken, en in de valstrikken geraken, die zijn geestelijke vijand hem spant. Daarom vermaant ons ook de Heiland (Matth. XXVI, 41), zeggende : Waakt en bidt, opdat gij niet in bekoring valt; en wanneer Hij van zijne onverwachte komst in den dood en het oordeel spreekt, voegt Hij er bij: Wacht u zei ven, dat uwe harten niet wellicht bezwaard worden door brasserij en dronkenschap.... en die dag u niet on-

499

ocr page 538

ONDERRICHT OVER DEN

verhoeds overvalle! Luc. XXI, 34. De dood zal komen gelijk een dief in den nacht en den zondaar onverhoeds en onvoorbereid overvallen.

Wat zal dan van hen geworden, die, om hunne dronkenschap, in eenen schier onafgebroken nacht verkeeren, en in eenen voortdnrenden zondenslaap liggen ? Hoe zullen zij te moede zijn, wanneer zij, uit dien sluimer eensklaps door den dood gewekt, zich voor den rechterstoel van God zullen bevinden, overladen met zonden zonder tal en die zij niet als misdaad willen erkennen! Want, wie zal de zonden opsommen, die dooien in do dronkenschap gepleegd worden; zonden, die de dronkaards dikwijls als kleinigheden aanzien, of in hel geheel niel voor zonden rekenen; omdat zij, gelijk zij zeggen, niet welen wat zij in hunne dronkenschap gedaan hebben, alsof de zonden, die men voorziet in de dronkenschap te zullen gebeuren, wegens de vrijwillige oorzaak, die men daartoe stelt, niet zouden worden aangerekend.

Zal de Goddelijke Rechter ook eenmaal zóó oordeelen, gelijk zij thans? Zal Hij ook geene zonden in hen vinden? Zal Hij hunne in dronkenschap gepleegde en genoegzaam voorziene schanddaden en gegevene ergernis ongestraft laten? Hij, die van ieder nutteloos woord rekenschap zal eischen, zal Hij geene rekenschap vorderen van zoo vele ergernis gevende, eerschendende, godlasterende woorden en gesprekken, van zoo veel lijd, nutteloos doorgebracht, zoo veel geld in overdaad verkwist, van zoo groote nalatigheid in den dienst van God en de opvoeding der kinderen, in het huiselijk bestuur, en van tallooze andere zonden ? Wat dunkt u, zal God over dit alles geene rekenschap vragen? Denkt gij misschien, dat de zondaars zich zullen kunnen verontschuldigen, met te zeggen: Ik weet niet, wat ik in dronkenschap gedaan heb, of dit zonder nadenken, zonder kwade meening ol' al schertsende is gebeurd, of dal mijn lichaam zoo zwak was dat ik weinig kon verdragen, enz., enz. Zullen deze verontschuldigingen niet eerder tegen hen pleiten, naardien zij jtiisl daarom stralbaar zijn, wijl zij meer gebruikten dan hunne natuur verdragen kon, zich daardoor van het gebruik huns verstands beroofden, aan het dier gelijk maakten en de oorzaak van de zonden, die gedurende de dronkenschap gepleegd werden en

soo

ocr page 539

DERDEN ZONDAG NA PINKSTEREN.

die zij wegens gewoonte of anderszins genoegza«ni voorzagen, zeiven en vrijwillig gesteld hebben?

Wat staal hun dus te wachten?.... Wat anders dan het lol, dat den rijken vrek wedervaren is, die om zijne zwelgerij in de hel begraven werd, (Luc. XVI, 22.) Ja, dat is de plaats, de erfenis der dronkaards. In dien afgrond zullen zij vruchteloos naar een waterdroppel snakken, om hunne tong te verfrisschen. Daar zullen hun zoo felle pijnen en folteringen bereid worden, als zij in do wereld vermaken en lusten genoten hebben. (Openb. XVIII, 7.) Daar zullen zij gedwongen worden, den kelk der Goddelijke gramschap lot op den bodem toe te ledigen, gelijk zij vroeger anderen tot dronkenschap aanspoorden. Dat en niets anders hebben zij te wachten, want de H. Paulüs zegt het uitdrukkelijk, dat de dronkaards.... het Rijk Gods niet zullen bezitten. (1 Cor, VI, 10.) Zij moeten alzoo óf den Hemel óf hunne zwelgerij laten varen.

Daarenboven, moeielijk is de ware bekeering eens dronkaards. Hoe betwaarlijk is liet eene kwade gewoonte, die men heeft laten inwortelen, af te leggen. En toch, wie in de zonde volhardt, zal verdoemd worden. Deze waarheid moest ieder van de dronkenschap afschrikken. Hij, die bij dit betoog gevoelloos blijft, betrachte een oogenblik het afschuwelijke, het schandelijke en verderfelijke, dat in deze ondeugd ligt opgesloten; misschien moge dit beter in staat zijn, om hem een diepen afkeer van deze zonde in te boezemen.

Hoe onbetamelijk is het niet, dat een mensch, met rede en verstand begaafd en tot de vreugde des Hemels geschapen, zijn versland, waardoor hij liet evenbeeld van God is, om zoo te spreken, verstikt door zijne onmatigheid in den drank en zich aan het redeloos schepsel gelijk maakt, ja zelfs zich verlaagt lot beneden het redelooze dier. Inderdaad, welk dier is er, dat zich, zoodra het zijn dorst gelescht heeft, laat dwingen om nog eenen teug te gebruiken? Zijn alzoo, dus roept de H. Chrvsostomus uit, de dronkaards niet redeloozer en boosaardiger dan de dieren!.... Ja, zij zijn het, niet alleen wegens hunne onmatigheid, maar tevens om de schandelijke gebaren, gesprekken en daden, die dikwijls de dronkenschap vergezellen. Hoe

501

ocr page 540

onderricht over ben

schandelijk lag, ofschoon buiten zijn schuld in dronkenschap gevallen, Noë niet, in zijne tent Ier bespotting prijs gegeven aan zijnen schaamleloozen zoon Cham? (Gen. IX, 21.) De oude Romeinen plachten, om bij hunne kinderen eenen haat tegen de dronkenschap op te wekken, eenen slaaf dronken te maken, opdat de kinderen, bij het zien van de ongeregeldheden en het schandelijk gedrag van een beschonken mensch, eenen diepen afkeer zouden opvatten tegen alle onmatigheden.

Daarenboven nog is de dronkenschap de moeder van twist en krakeel, van moord en doodslag, en inzonderheid van den wellust. (Ephes. V, 4 8.) Zij opent de deur aan alle zonden van onkuischheid. Dit behooren de godvreezende jonge dochters, die prijs op de eerbaarheid stellen, wel in acht te nemen en daarom alle gelegenheden, waar zij in aanraking met beschonken menschen zouden kunnen komen, zorgvuldig te vermijden. Want bij zulke ontmoetingen stellen zij zich aan het grootste gevaar bloot hare onschuld te verliezen. Dat zij zich ook wel wachten met eenen dronkaard in den echt te treden, want daardoor zouden zij zich zeiven niet alleen veel tijdelijk verdriet, lijden en kommer op den hals halen, maar zij zouden nog haar geestelijk heil en dat harer kinderen aan gevaar bloot stellen.

De laatste beweegreden, die een ieder van de dronkenschap moet afschrikken, is het nadeelige en verderfelijke dezer ondeugd. Zij voert ziel en lichaam ten gronde. Wegens dronkenschap zijn er velen gestorven.... , zegt de H. Geest, (Eccli. XXXVII, 34) en meer nog in hunne verstandelijke vermogens en in hunne gezondheid benadeeld geworden. Voor wien is er wee, voor wiens vader is er wee ? Wie heeft krakeelen ? Voor wien zijn er kuilen? Wie krijgt wonden zonder oorzaak? Wie is leepoogig ? Zijn het niet degenen, die hun verblijf bij den wijn houden en hun werk maken van de bekers te ledigen? Spreuken XXIH, 29 30. Er bestaat overigens schier geene zonde noch misdaad, waaraan de dronkenschap geene offers gebracht heeft, Dagelijksche voorbeelden staven die waarheid, en de ellendige die met tallooze lichamelijke en geestelijke zwakheden en gebreken is overladen door zich aan de dronken-

502

ocr page 541

derden zondag na pinksteren.

schap te hebben overgegeven, bewijst overbodig, hoe schadelijk en verderfelijk zij is.

(Zie ook XXI Zondag na Pinksteren.)

Evangelie volgens den H. Lucas XV, 1-10

In dien tijd naderden den tollenaars en zondaren gedurig tot Jezus, om Hem te hooren. En de Farizeën en Schriftgeleerden morden, zeggende; Hij ontvangt zondaren en eet met hen! Maar Hij sprak tot hen deze gelijkenis, en zeide: Welk mensch is er onder o, die honderd schapen heeft, en als hij er één van verliest, niet de negen en negentig in de woestijn zal laten, en heengaan naar het verlorene, totdat hij het vindt? En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijne schouderen, en verblijdt zich ; en roept, als hij te huis komt, de geburen bijeen, en zegt tot hen : Verblijdt u met mij, want ik heb mijn schaap gevonden, hetwelk verloren was! Ik zeg u, dat er aldus in den Hemel meer blijdschap zijn zal over éénen zondaar, die boetvaardigheid doet, dan over negen en negentig rechtvaardigen, die geene boetvaardigheid noodig hebben. Of welke vrouw, die tien drachmen heeft, zal, als zij één drachme verliest, niet eene kaars ontsteken, en het huis vegen, en naarstiglijk zoeken, totdat zij het vindt? En als zij het gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de geburen bijeen, en zegt: Verblijdt u met mij, want ik heb mijn drachme gevonden, dat ik verloren had ! Aldus, zeg Ik u zal er bij de Engelen Gods blijdschap zijn over éénen zondaar, die boetvaardigheid doet.

Wat bewoog de zondaars, tot Jesus te naderen?

De vriendelijkheid en liefderijke goedheid, waarmede Jesus de boetvaardige zondaars bejegende. — Nadert ook gij met berouw, ootmoedigheid en betrouwen tot Jesus, en weest verzekerd, dat Hij u, al waart gij ook de grootste der zondaars, vriendelijk aannemen en u zijne genade en vergiffenis schenken zal.

503

ocr page 542

onderricht over den

Waarom morden de Farize'ên?

De Parizeen waanden zich beter dan andere menschen; zij vermeden den omgang met al degenen, die als zondaars bekend stonden, of als zoodanigen beschouwd werden, en verlangden ook, dat anderen hun voorbeeld zouden volgen. Dewijl Jesüs nn, integendeel, de rouwmoedige zondaars liefderijk ontving en zelfs met hen at, ten einde hunne bekeering des te gemakkelijker te bewerken, morden de Parizeen tegen Jesus en weigerden zelfs hierom, Hem als Profeet te erkennen. -- De ware rechtvaardigheid, zegt de H. Gregorius, heeft medelijden met de zondaars; de valsche en geveinsde daarentegen is over hen gestoord. Legt h ojï de ware rechtvaardigheid toe en tracht de zondaars liel-dcrijk op den rechten weg le voeren. Kunt gij dat niet, laat althans niet na, voor hen i verig te bidden.

Wat wil Jesus door de gelijkenis van het verloren

schaap en door het verloren drachme beduiden?

Hij wil zeggen, dat Hij zoo zeer bezorgd is om de menschen, die van den weg der Goddelijke geboden zijn afgedwaald, op te sporen, dat is, de zondaars te bekeeren, als de mensch, die, honderd schapen hebbende, er één van verliest en het zoo lang achtervolgt, totdat hij het teruggevonden heeft; of als de vrouw, die een drachme verliest en niet rust, voor zij het weder gevonden heeft. Mochten zich alle verlorene schapen door dezen goeden Herder laten wedervinden! Ach hoe velen vlieden zijne ontmoeting, alsof Hij hun vijand ware ! Hoe velen nemen spoedig de vlucht, als Hij hen roept, of sluiten, om zoo te spreken, de ooren, om zijne stem niet te hooren, door zijne waarschuwingen niet verontrust te worden en ongestoord, op de gevaarlijke en verderfelijke weide der zonde en der misdaad te kunnen blijven voortgaan. Ach, mochten zij zich ten spoedigste bekeeren! Mochten zij zich niet alleen door Jesus, den goeden Herder, gaarne laten vinden, maar ook den Heer zoo vlijtig in den Hemel zoeken, als Hij hen op aarde opspoort !

Wat moeten wy leeren uit de handelwijze des herders, die het gevondene schaap op zyne schouderen neemt, enz.

De herder kastijdt het teruggevondene schaap niet; hij jaagt het niet tot de kudde terug, maar neemt het medelijdend op

504

ocr page 543

derden zondag na pinksteren.

de schouderen, en spaart het de moeite van terug te gaan. Ziedaar het beeld van de liefde des Zaligmakers die niet alleen is menseh geworden om te zoeken, hetgeen verloren was, maar ook den wedergevondene, dat is den rouwmoedigen zondaar, geene verwijlen doet, hem vreugdevol op de schouderen neemt en tot den schaapstal zijns Hemelschen Vaders terugbrengt, dat is hem, door zijne genade, den weg der boet-vaardigheid vergemakkelijkt en zoet maakt. — Diagen en verheerlijken wij God in ons lichaam, gelijk Hij ons op zijne schouderen draagt: God dragen wij in ons, als wij geenc zonden in ons dulden.

Waarom zal in den Hemel meer blijdschap zijn over ééaen zondaar, die boetvaardigheid doet, dan over negen en negentig rechtvaardigen, die geene boetvaardigheid noodig hebben?

Dit betoog is volgens de menschelijke zienswijze uitgedrukt. De mensch immers verheugt zich meer over eene verlorene lang gezochte zaak, die hij terugvindt, dan over iets anders, dat iiij steeds rustig en zonder gevaar bezeten heeft. Als wij iels, wat wij verloren hadden, terugvinden, zegt de H. Petrus Chrysologus, dan smaken wij steeds de grootste vreugde, en het is ons aangenamer de verlorene zaak gevonden, dan de bewaarde zaak niet verloren te hebben. In de toepassing daarvan op God, moeten wij het welgevallen en de vreugde, die Hij. even als zijne vrienden en buren, dat is de Engelen en Heiligen, in de bekeering der zondaars schept, zooveel mogelijk vergrooten en vermeerderen.

Verzuchtingen. O Heer, welk voordeel vindt Gij dan in de bekeering eens zondaars, dat Gij U daarover zoo zeer verheugt? Het is omdat hij den dood des zondaars niet wilt, maar dat hij zicli bekeere en leve. Gij wilt het geluk van den zondaar; Gij wilt ook mijn geluk. Daarom treurt Gij, als ik mij van ü afwend ; daarom is het ü zoo aangenaam, als ik lot ü terugkeer. O mijn God, is het dan mogelijk, dal ik ü kenne, en toch in de zonde blijve volharden ?

503

ocr page 544

onderricht over den

Onderricht over den vierden Zondag-na Pinksteren.

Zeg bij den Ingang der Mis niet den Priester vol vertrouwen op God : De Heer is mijn heil, wien zal ik duchten? l)e Heer is de beschermer mijns levens, voor wien zal ik sidderen ? De vijanden, die mij verdrukten, zijn zeiven bezweken en gevallen. Psalm XXVI. Al stond er een heirleger tegen mij. mijn hort zal niet vreezen. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Wij bidden U, o lieer, verleen ons, dat de wereldsche loop. volgens uwe beschikking, tol vrede voor ons bestierd worde, en uwe Kerk zich in eone ongestoorde godsvrucht moge verheugen. Door Jesus-Christus onzen Heer, enz.

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Apostel Paulus aan de Romeinen, VIII, 18-23.

Broeders ! Ik houde hot daarvoor, dat het lijden van den tegenwoordigen tijd van geene waarde is bij de toekomende heerlijkheid, welke in ons geopenbaard zal worden. Want de verwachting van het schepsel verwacht de openbaring der kinderen Gods. Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen geworden, niet willens, maar om hem, die het onderworpen heeft; met de hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods ; want wij weten, dat al het schepsel zucht, en als in barensnood is tot nu toe. En dat niet alleen, maar ook wij zeiven, die de eerstelingen des Geestes hebben, ook wij zuchten in ons zeiven, verwachtende de aanneming tot kinderen Gods, de verlossing onzes lichaams, in Christus Jesus, onzen Heer.

Verklaring. Geen betere troost in kruis en lijden, geen krachtiger steun in de moeielijkheden van een deugdzaam leven, dan de gedachte, dat alle kwellingen dezer wereld niet te vergelijken zijn bij de heerlijkheid des Hemels, en dat men, door het standvastig en geduldig verdragen van eenig gering en voorbijgaand leed in deze wereld, vergilfenis van de tijdelijke straffen der zonden en eene onmeetbaar groote gelukzaligheid in het andere leven verwerven kan. (11 Cor. IV. 17.) Daarom zegt de gelukzalige Beda : Al moesten wij ook een korten

506

ocr page 545

vierden zondag na pinksteren, 507

tijd de pijnen der hel verduren, dan moest liet ons toch niet lastig toeschijnen, als wij daardoor konden verdienen, Christus in zijne heerlijkheid te aanschouwen en in de gemeenschap der Heiligen Ie worden opgenomen.

Verzuchtingen, Ach Heer, wanneer toch zullen wij uit de banden van ons zondig lichaam en uit de macht des boozen vijands verlost worden, om te kunnen deelen iu die vrijheid en heerlijkheid, die gij uwen kinderen hebt voorbereid en die zich zal uitstorten over al lgt;et overige geschapene, op dezelfde wijze, als dit, ter oor/.ake der zonden, onderworpen is geworden aan de ijdelheid, dat is aan het verderf en den vorst dezer wereld. Wie kan vurig genoeg naar de roemrijke vrijheid verzuchten, die ons van groote ellende, en van zoo vele bekoringen zal bevrijden ? Verlangen wij naar die vrijheid niet, dan is het, wijl wij de ellende, die de zonde in de wereld heeft gebracht, en de kwalen, die wij door onze eigene zonden op ons laden, niet genoeg kennen, en nog niet beseffen, wat het is de vrijheid en de heerlijkheid der kinderen Gods te bezitten. Bevrijd ons toch, o Heer, van dezen nacht der duisternis, en schenk ons, met de genade van uwen H. Geest, een brandend verlangen naar ü en uwe heerlijkheid, opdat wij in afwachting daarvan hier op aarde den goeden strijd strijden en daardoor verdienen eenmaal in wezenlijkheid te mogen deel nemen in uwe glorie.

Evangelie volgens den H, Lucas V, l-H,

In dien tijd geschiedde het, als de scharen op Jesus aandrongen, om het woord Gods te hooren dat Hij bij het meer van Genesareth stond : en Hij zag twee schepen aan het meer liggen ; en de visschers waren uitgegaan, en reinigden de netten. En Hij ging in één van de schepen, hetwelk van Simoin was, en verzocht hem, een weinig van land af te steken. En nederzit-tende, leerde Hij de scharen uit het schip. Als Hij nu ophield te spreken, zeide Hij tot Simon: Steek in zee; en werp uwe netten uit tot de vangst. En Simon antwoordende, zeide tot Hem : Meester ! wij hebben den

ocr page 546

onderricht oyer den

geheelen nacht gearbeid, en niets gevangen, maar op uw woord zal ik het net uitwerpen. En als zij dit gedaan hadden, vingen zij een groote menigte visschen, dat hun net scheurde. En zij wenkten de medegezellen, die in het andere schip waren, dat zij komen zouden, en hen helpen. En zij kwamen, en vulden beide schepen, zoodat zij bijkans zonken. En als Simon Petuus dat zag, viel hij aan Jesus' knieën neder, zeggende : Ga van mij, Heer ! ik ben een zondig mensch. Want verbazing had hem, en allen die met hem waren, bevangen over de vischvangst, die zij gedaan hadden : desgelijks ook Jacobus en Joannes^ de zonen van Zebedeus^ die Simons medegezellen waren. En Jesus sprak lot Simon ; Vrees niet ! voortaan zult gij menschen vangen, En als zij de schepen aan land getrokken hadden, verlieten zij alles^ en volgden Hem.

Wat moeten wij van het volk leeren, dat op Jezus aandrong, om het woord Gods te hoeren?

Dat wij insgelijks het woord Gods met groeien ijver moeien aanliooren, wijl het tot voedsel der ziel (Watth. IV, 4) en tol zaligheid van den mensch strekt. (Luc. XI, 28.)

Waarom onderwyst Jesus het volk van uit het scheepje van Petrus?

Opdat het volk, 'l welk op den oever van het meer stond, Hem des te beter zou kunnen hooren. Hij koos het schip van Petrus tol dat einde nil, om aan te duiden, dal Hij zich alleen in die Kerk bevindt, waarvan Petrus als opperhoofd is aangesteld (Joann. XXI, en volg.) welke hier door hel scheepje van Simon wordl afgebeeld; en verder om aan te duiden dat de menschen in deze Kerk alleen de ware en zuivere leer des Christendoms, de echte H. Sacramenten en het ware herdersambt kunnen vinden. Ofschoon zich legen dit scheepje, dat is tegen de ware Kerk, door alle eeuwen heen vele en zware stormen van vervolgingen verheven hebben, en nog voortdurend verheffen, zal zij loch, door de belofte van Christus gesteund, (Matth. XVI, 18) nimmer vergaan.

508

ocr page 547

vieuden zondag na pinksteren.

Onderwast Christus nog van uit dit scheepje?

Ja. en wel door don Paus, zijn plaatsbekleeder, door de Bisschoppen en predikers, als zijne medehelpers. Tot dezen zegt Hij bij Lucas (X, 16) ; Wie U hoort, hoort naar Mij, en bij Mattheus XXVlll, 20 : Ik hen met u alle, de dagen, tot de voleinding der eeuwen.

Waarom hadden de visschers gedurende den nacht niets en later zooveel gevangen?

Omdat zij des nachts uit eigen beweging hadden gevischt en later op bevel van Jesus de netten uitwierpen. Hieruit loeren wij, dat alles wat wij enkel nit menschelijke en natuurlijke beweegreden (b v. om den menschen te behagen) en niet voor God doen, hoe goed het dan ook in zich zelf zij, ons toch niet verdienstelijk zal zijn, en het in don Hemel onbeloond zal blijven. Maar als wij, gelijk Petrus, doen, wat Jesus ons bevolen heeft, en ook omdat Hij het ons bevolen hooft, dan zal God onze handelingen zegoneu. Mocht hot al menigmaal gebeuren, dat de Heer ons schijnt le vergeten, dan geschiedt dit, om ons gedidd op de proef te stelion en onze pogingen en inspanningen in het andere leven des to overvloediger to boloonen. Zegent de Hemel onzen arbeid roods hier beneden, laten wij er niet trotsch op zijn, maar, zoo als Petrus, don Heer den room er van geven; laten wij ons steeds meer van de gehechtheid aan de aarde met hare goederen losscheuren, on Gode alleen aanhangen. Daardoor zullen wij steeds aan nieuwe zegeningen deelachtig worden.

Wat wordt door de netten en de vischvangst verstaan?

De leer en de verkondiging van liet Evangelie: gelijk do visschen met netten worden gevangen, zoo worden de zielen der menschen, door het christelijk onderwijs, voor het rijk van God gowonnen.

Wat leert ons de omstandigheid, dat de visschers,

na zooveel vruchteloozen arbeid, hunne netten nog eens uitwerpen?

Dat wij niet moedeloos moeten worden, als wij ook niet dadelijk oiue pogingen met goed gevolg bekroond zien, maar dan onzen arbeid liever in den naam Gods, op nieuw, moeten beginnen, verzekerd als wij kunnen zijn, dat God ons zijn zegen

509

ocr page 548

onderricht over den

zal schenken. Dit behooren vooral de predikers, de leeraars en de ouders wel in acht te nemen, opdat zij niet moede worden hunne netten uit te werpen, dat is, hunne onderdanen te onderrichten, te vermanen en te recht te wijzen (al zouden deie ook langen tijd doof blijven voor hunne stem) in de hoop van met den bijstand der genade, hen toch eindelijk voor God en de deugd te winnen, en hen alzoo den Hemel binnen te voeren.

Wat be teekent de omstandigheid, dat de Apostelen hun medegezellen te hulp riepen?

Daardoor worden wij vermaand de geloofspredikers en ziel/.orgers, door gebed, vasten, aalmoezen en goede voorbeelden bij te staan in de bekeering der zondaren, want dit is een bovenmate verdienstelijk, ja een Goddelijk werk. (Jac. V, 20.)

Waarom heeft Jesus arme en ongeleerde visschers tot zyne Apostelen gekozen?

Om ook daardoor klaarblijkelijk te toonen, dat zijn Rijk niet door menschelijke kracht, maar door de Goddelijke macht in deze wereld tot stand zou komen en om aan te duiden, dat alle menschen, ook de armen en geringen, lot zijn Rijk geroepen zijn.

Onderriclat over de goede meening.

Meester, wij hebben den geheelen nacht gearbeid, en niets gevangen, maar up uw woord zal ik het net uitwerpen. Luc. V, 5.

Waarin bestaat de goede meening?

Hierin dat men al zijnen arbeid verrichte in den naam Gods en om Gode te behagen, even als Petrus, op bevel en in den naam van Christus, bet net nog eens uitwierp.

Is die goede meening verdienstelyk?

Ongetwijfeld, zij trekt den zegen van God over ons af, gelijk de rijke vischvangst het ons bewijst. Even als de Apostelen en hunne medegezellen, zoo zullen ook wij, bijaldien wij onzen arbeid in den naam Gods en met het inzicht Gode te behagen, verrichten, zoo niet reeds in dit, dan althans zeer zeker in het andere leven er rijkelijk voor beloond worden.

Wie vooral, moet er op uit z\jn alles met eene goede meening te doen?

AI degenen, die hun leven, in zwaren arbeid, slepende krankheid of groote armoede slijten, dewijl zij, door dit alles

510

ocr page 549

vierden zondag na pinksteren.

met geduid eu uit iiefde tot God te verdragen, groote verdiensten kunnen verzamelen voor de eeuwigheid.

Hoe maakt men eene goede meening?

Men offert, in den vroegen morgen bij het ontwaken, al zijne gedachten, woorden en werken, zijn kruis en lijden, zijnen handel en wandel van den geheelen dag, aan God dei; Heer op: 1) als aanhiddingsojjer, namelijk om Hem daardoor den schuldigen dienst, hulde en lof te betuigen; 2) ais dankoffer, om Hem voor de ontvangene weldaden te bedanken; 3) als zoenoffer, om daardoor aan zijne rechtvaardigheid te voldoen voor onze zonden en die van anderen; 4) als smeek-offer, ten einde door de verdiensten van Christus, nieuwe gunsten en genade voor zich en voor anderen te verkrijgen. Inderdaad wij moeten, door de goede meening, onze werken met de werken en de verdiensten van Christus vereenigen, omdat onze werken alleen daarvan hunne waarde verkrijgen. Wij moeten ons ook wachten, de goede meening, die wij in den morgen gevormd hebben, in den dag te herroepen of te vernietigen door ongeduld of zonden: immers met de zonden kan de goede meening niet bestaan. Daarenboven is het raadzaam ze gedurende den dag bij wijlen te hernieuwen, bijvoorbeeld, wanneer men bidt, wanneer men een nieuwen arbeid begint; voor dat doel kan men de volgende of andere woorden gebruiken: lieer, le uwer liefde. Om uwent wille, Heer. Alles ter eere Gods. Ik hernieuw de goede meening, die ik dezen morgen gemaakt heb. (Andere formuien, om eene goede meening te maken, vindt men nog op het einde van dit boek.) Beijvert u ook, hen, die niet kunnen lezen, te leeren, hoe zij eene goede meening kunnen vormen; daardoor zult gij aan hunne goede werken deelachtig worden.

Verzuchtingen. Neig, o God, mijn hart tot uwe heilige geboden, behoed mij, opdat ik niet in den nacht der zonden arbeide, en mijn arbeid niet vruchteloos zij; sla ook alle geloofspredikers, oversten, ouders, enz., bij, opdat zij, door uw Goddelijk woord, zielen voor uw Rijk winnen, en dus doende zich zeiven zalig maken.

5H

ocr page 550

onderricht over den

Onderriclat over den vijfden Zondag na Pinksteren.

Bij den Ingang der Mis. Bid om de hulp van God en zeg met den Priester: Verhoor, Heer, mijne stem, waarmede ik tot U geroepen heb. Wees mijn helper, verlaat mij niet, noch versmaad mij, o God, mijn heil. Psalm XXVf. De Heer is mijn licht en mijn heil, wien zal ik vreezen. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

0 God, die hun, welke U beminnen, onzichtbare goederen hebt voorbereid, ontsteek onze harten met het vuur uwer liefde, opdat wij U in alles en boven alles beminnen, en wij daardoor aan uwe beloften, die alle verlangens overtreffen, mogen deelachtig worden. Door onzen Heer Jesus-Christus, enz.

EPISTEL: Les uit den eersten Brief van den H. Petrus, III, 8-15.

Zeer geliefden! Weest allen eensgezind in het gebed, medelijdend, broederminnend, barmhartig, zedig, ootmoedig; vergeHt geen kwaad met kwaad, noch smaad met smaad, maar zegent elkander, omdat gij geroepen zijt, zegen te beërven. Want wie het leven bemint en goede dagen wil zien, die bedwinge zijne tong van het kwaad, en zijne lippen, dat zij geen bedrog spreken. Hij wijke van het kwaad af en doe het goede; hij zoeke vrede en jage dien na. Want de oogen des Heeren zijn op de rechtvaardigen, en zijne ooren tot hun gebed gekeerd; maar het aanschijn des Heeren is tegen hen, die kwaad doen. En wie is het, die ii benadeelt, als gij ijveraars van het goede zijt? Maar indien gij iets lijdt om der gerechtigheids wille, heil u ! Ducht hunne vreeze niet, en wordt niet ontroerd, doch houdt den Heer Christus heilig in uwe harten.

Hoe kunnen en zullen wy Christus, onzen Heer in onze harten heiligen?

Door Hem als den Heilige bij uitnemendheid, en den Eenige, dien wij waarlijk moeten vreezen, te erkennen, en Hem als zoodanig aan anderen, door woord en daad, kenbaar te maken; opdat ook zij Hem erkennen, en Hem door het quot;geloof en een goeden levenswandel verheerlijken. Maar bijzon-

512

ocr page 551

vijfdkn zondag na pinksteren.

derlijk kunnen wij Hem lieiligen, door de deugden te beoefenen, die de H. Petrus in dezen Epislel aanbeveelt. Op die wijie zullen wij den ï.egen, dat is, de zaligheid, waartoe wij geroepen zijn, erven, en (hans reeds Gods welgevallen en bescherming van God verdienen. Dan ook hebben wij niets te vreezen, al zouden wij om onze godsvrucht, enz., door de boozen vervolgd worden; immers zoo God met ons is, wie zal dan tegen ons zijn?

Evangelie volgens den H. Matthkus 20-24.

In dien tijd zeide Jesus tot zijne Leerlingen: Indien nwe rechtvaardigheid niet overvloediger is, dan die der Schriftgeleerden en der Parizeen,zult gij niet ingaan in het Rijk der Hemelen. Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doodslaan, en al wie doodslaat, zal strafbaar zijn voor het gerecht. Doch Ik zeg u : Dat al wie op zijnen broeder vergramd wordt, strafbaar voor het gerecht zal zijn; die echter tot zijnen broeder zegt: Raka! zal strafbaar zijn voor den raad; en die zegt: Gij dwaas! zal schuldig zij aan het helsche vuur. Als gij dan uw offer aan het altaar opdraagt, en daar indachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw offer daar voor liet altaar, en ga u eerst met uwen broeder verzoenen, en dan zult gij uw offer komen opdragen.

Waarin bestond de rechtvaardigheid der Farizeën?

Hoofdzakelijk hierin: dat zij enkel de uiterlijke vormen der Goddelijke, alsmede der menschelijke voorschriften, die zij zeiven gemaakt hadden, ijverig onderhielden, maar de wet zelve overtraden. Terwijl zij den schijn van heiligen aannamen, waren zij inwendig vol boosheid en zonden. Daarom noemde Jesus hen ook witgepleisterde graven (Matth. XXlll, 27) en schijnheiligen, dat is bedriegers. — Soortgelijke schijnheiligen be vinden zich, helaas ! ook onder de Christenen; menschen, die schier den ganschen flag in de kerk doorbrengen, zeer dikwijls biechten en communiceeren, allerlei godvruchtige oefe-

ocr page 552

ONDEKKICHT OVER DEN

ningen verrichten, bedevaarten houden, vasten, aalmoezen geven, enz., en zich nochtans weinig van de zonden verwijderd houden, zich aan haat en nijd, list, valschheid en bedrog, aan eerroof en andere zonden der tong en des harten plichtig maken. De godsvrucht en vroomheid dier lieden is niets anders, dan eene Farizeïsche rechtvaardigheid. De ware rechtvaardigheid bestaat niet in uitwendige oefeningen, ook niet in zich van deze of gene zonde te onthouden, maar in het vermijden van alle ongerechtigheid en in een zuiver, oprecht en lieldevol hart jegens God en den naaste. Zonder dat zijn alle goede werken, hoe schoon voor den schijn, niets anders dan een schoone schil zonder kern. Slechter dan voornoemde personen, zijn evenwel de menschen, die van godvruchtige oefeningen, van biecht en communie, van vasten en versterving, enz. niets willen weten, en anderen, die aan deze godgevallige oefeningen deel nemen, kwezels en kwezelaars gelieven te noemen. Zulke menschen hebben gewoonlijk in het geheel geen godsdienst en trachten hun goddeloos gedrag eenigszins te bedekken, door anderen te versmaden en de zaken zóó voor te stellen, alsof alles, wat godvruchtige personen doen, slechts huichelarij en bijgeloof ware. Tegen die lieden moeten wij vooral op onze hoede zijn, indien wij door hunne ijdele redevoeringen niet van het geloof afgetrokken willen worden.

Hoe moet men verstaan, hetgeen Christus hier van de gramschap en de smaadwoorden zegt?

De zin van de woorden des Verlossers is de volgende: Aan uwe voorouders werd in de woestijn het gebod gegeven: Gij zult niet doodslaan. Dat gebod beperken uwe leeraars alleen tot den werkelijken doodslag en zij geven daarom den moordenaar aan het gerecht over. Maar ik zeg u, dal dit gebod ook de kwetsing der liefde verbiedt door gramschap en beschimping en dat alzoo 1) hij reeds verourdeeling bij God verdient, die liefdeloos zijnen broeder bejegent; 2) nog meer degene, die zijne gramschap lucht geeft, door openlijke beschimpingen tegen zijne medemenschen, door scheldwoorden, als raka, deugniet en soortgelijke; en 5) vooral hij, die zijnen naaste in eenen hoogen graad in zijne eer kwetst door smaadwoorden, als zot, dat is, gij goddelooze boosdoener, eerhoze

514

ocr page 553

vijfden zondag na pinksteren.

en dergelijke, diens eer en goeden naam krenkt, hem, om zoo te spreken, voor de wereld doodt, en zich zelfs in gevaar stelt eenen werkelijken moord te plegen. Bij de Joden bestonden onderscheidene rechtbanken, die de misdadigers veroordeelden, en de Israëlitische wet bepaalde verschillende straffen, naarmate het misdrijf meer of minder zwaar was. Gelijk er dus bij de Joden oen verschil was tusschen de straffen, voor de verschillende misdrijven bepaald, zoo zal er ook een onderscheid bestaan in de grootte en hevigheid der pijnen, waarmede God de verschillende zonden bedreigt.

Is de gramschap altijd zonde?

Niet altijd; zij is zondig, als men den naaste in zijn lichaam, zijne eer of goederen krenkt, hem iets kwaads toewenscht of toebrengt, of wanneer meu zulke smaadredenen tegen hem uitbraakt, waardoor zijn goede naam gekrenkt wordt of waardoor men zich aan ergernis, enz. schuldig maakt; verder als men zich in zijne vervoering te ver laat medesleepen. — Hij, die zich over de fouten en buitensporigheden, over de zonden en misdaden van andere menschen ergert, hetzij omdat hij ambtshalve over den godsdienst en de deugd waken, de overtredingen bestraffen en verbeteren moet (gelijk dit bij ouders, leermeesters, oversten en inzonderheid bij geestelijken het geval is), hetzij wijl het hein smart, zoo vele zonden en misdaden bij zijne medeinenschen aan te treffen, die zondigt niet door gramschap; integendeel, hij doet iets prijsbaars, iets heiligs, waarin hij Christus en zijne Apostelen als voorbeeld heeft. Inderdaad, de H. Paulus werd verbolgen op den toovenaar Elvmas (Hand. der Ap. XIII, 9); de H. Petrus ergerde zich over het bedrog van Ananias en Sapiiira (ibrd. V, o); en Christus zelf toonde zich vergramd over de koopers en verkoopers in den tempel. De gramschap moet. alzoo, om schuldeloos te we/.en, eerder zijn: ijver voor de liefde en rechtvaardigheid, waardoor men de zonden en gebreken van anderen tracht te verbeteren, dan wel eene ongeduldige begeerte naar wraak, waardoor men hen alleen bestraffen en berispen wil, om zich zeiven op eene onbillijke of onrechtvaardige wijze voldoening te verschaffen.

Overigens is het, volgens den raad van den H. Francis-cus van Sales, voor ons menschen doorgaans beter, dat wij

515

ocr page 554

ONDERRICHT OVER 1gt;EN

ons van alle gramschap onthouden; en in geval men anderen moet bestrallbn, doe men dit eerder met eenen liefderijken dan met een grammoedigen ijver, omdat de gramschap bij ons zelden van alle gebreken vrij is, en wijl men door liefde en goedheid altijd meer wint dan door gramschap en gestrengheid. Inderdaad, hoe wil een toornig mensch, die soms op een redeloos, ja op een woedend dier gelijkt, anderen verbeteren, terwijl hij zijne eigene neiging tot gramschap niet kan beteugelen;1 Daarom vermaant ons de H. Man (Eccli. IV, 33) zeg gende: flees niet in uw huis als een leeuw, uwe huisgenooten overvallende, en uwe onderdanen verdrukkende. En de zachtmoedige Francisccs van Sales zegt: Uit bitteren ernst ontstaat slechts kwaad; daarom moeten de bestralfingen, die eene moeie-lijk te verteren spijze zijn, in het vuur der liefde worden gekookt, opdat zij hare bitterheid verliezen, aldus aangenaam worden en de gewenschte uitkomst opleveren.

Waarom moet men eerst heengaan en zich met zijn

broeder verzoenen, alvorens men Go de een offer opdraagt of eenig ander goed werk verricht?

Om aldus de reden van misnoegdheid weg te nemen, die bij God tegen ons bestaat, zoo lang wij met onzen naaste in vijandschap, haat en tweedracht leven, aangezien wij daardoor geheel en al tegen zijnen wil handelen. Hierop dienen die Christenen wel te letten, die tot de H. Biecht en Communie naderen, zonder dengenen, die hen hebben beleedigd, vergiffenis geschonken, of hun voldoening gegeven te hebben, welke zij hebben beleedigd; zij moeten wel weten, dat indien zij, door hunnen vrijwillig behouden wrok, in staat van doodzonde ver-keeren, in plaats van vergiffenis hunner zonden te verwerven, zij door eene onwaardige biecht eene nieuwe zonde op zich laden, en in de H. Communie hun oordeel eten en drinken.

Wat moet men doen als hij, dien men beleedigd heeft, afwezig is?

Üe H. Algustinls zegt: Als hij, dien gij beleedigd hebt, afwezig is en gij zoo gemakkelijk niet tot hem kunt komen, verootmoedig u dan voor God en bid Hem, alvorens gij uw offer opdraagt, om vergeving, met het vaste voornemen, van u zoodra mogelijk met den beleedigde te verzoenen. Is deze

ocr page 555

vijfden zondag na pinksteren.

tegenwoordig, smeek hem dan werkelijk om vergeving ol' schenk hem voldoening, en in geval hij n beleedigd heeft, vergeef hem van harte.

Hoedanig moet uwe verzoening zijn?

1) Zij moet heilig zijn, dat is, uit liefde tot (lod voortspruiten; 2) zij moet spoedig voltrokken worden. Christus wil het aldus en de Apostel vermaant ons (Ephes. IV, 26), dat wij over onze gramschap de zon niet moeten laten ondergaan. Het gaat met de vijandschap als met een lidmaat, dat ontwricht is; herstelt men het oogenhlikkelijk, dan brengt men het zonder groote moeite op zijne vorige plaats terug; maar blijft het lang van zijne plaats af, dan valt de volkomene her-stelling moeielijk. Geschiedt de verzoening oogenblikkelijk, dan gaat ze licht van de hand, en kost het weinig moeite de oude vriendschap weer aan te knoopen; verschuift men ze, integendeel, dan worden wij hoe langer zoo meer door den haat en de gramschap verblind, en achten wij het eindelijk schier onmogelijk ons uog te verzoenen, zoo niet anderen ons ter hulp komen, als middelaars tnsschen ons en onzen belee-diger optreden, en ons tevens, otu zoo te spreken, beletten van in de oude vijandschap te hervallen; 3) de verzoening moet oprecht zijn, wijl zij geschiedt in tegenwoordigheid van Hem, die de harten doorgrondt; 4) eindelijk moet zij bestendig zijn, want als zij dit niet ware, zou men ook aan hare oprechtheid mogen twijfelen.

Uit dit gebod van Christus, om zich vóór het olfer met zijne vijanden te verzoenen, ontstond eertijds liet gebruik, van elkander, de mannen den inaimeu, de vrouwen de vrouwen, iu de Mis vóór de H. Communie den vredekus te geven, ten teeken van vriendschap. Bij plechtige hoogdiensteu wenschen de dienstdoende Geestelijken nog elkander deu vrede, waardoor de aanwezigen vermaand worden zich voor de H. Comnmnie met hunne vijanden volkomen t« verzoenen.

Middelen tegen de gramscliap.

1) liet eerste en beste middel om de gramschap te overwinnen, is de ootmoedigheid. Gelijk er tnsschen de hoovaar-digen altoos krakeel en tweedracht bestaat (Spreuk Xlil, 10),

517

ocr page 556

onderricht over den

518

zijn de ooimoedigen, daarentegen, steeds gelaten, zachtmoedig en geduldig jegens elkander. 2) Om even zóó ootmoedig, zachtmoedig en geduldig te worden, moet men het voorbeeld van Christus dikwijls herdenken, die, ofschoon niet aan de minste zonde schuldig, en in wiens mond nooit eenig bedrog gevonden werd (I Petri II, 22), nochtans ongehoorde tegenkanting van de zondaars en bittere vervolgingen, smaad en spot geleden heeft (Ad Hebr. XII, 2), zonder smaad met smaad te vergelden, noch ooit te midden van zijne veelvuldige smarten, iemand met wraakneming te bedreigen. Met alle recht zegt Hij dan ook tot ons: (Matth. XI, 29) Leert van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van harte. Hoe onbetamelijk is het dus voor de Christenen, die leerlingen van dien zachtmoedigen leermeester willen en moeten zijn, zich zoo grammoedig en wraakgierig aan te stellen; zich als grimmige leeuwen te be-toonen; en iioewel zij met het Vleesch en Bloed van het Goddelijk Lam gévoed worden, niets te willen verdragen, terwijl zij toch door hunne eigene zonden zoovele schulden gemaakt hebben en door geduld hunne zonden kunnen afboeten. 3) Een ander middel tegen de gramschap is, des morgens reeds te onderzoeken, wat ons in den loop van den dag tot gramschap zou kunnen vervoeren en ons daartegen te wapenen, met een vast voornemen van alles ter liefde Gods geduldig te verdragen; en dan, wanneer vervolgens werkelijk iets verdrietigs opdaagt, niets te zeggen, noch te ondernemen, zoolang de gramschap duurt, en ons tot de opgewondenheid bedaard is, met deze of soortgelijke gedachten bezig te houden. Welke zonden bedrijf ik niet door mijne gramschap? En wat zal ik er bij winnen. Kan ik de zaak door mijne opkopendheid anders maken ? Stel ik mij zelfs niet belachelijk aan, en benadeel ik mijne gezondheid niet? Want de H. Schrift en de ondervinding bevestigen het, dat de gramschap de levensdagen verkort (Eccli. XXX, 26) en de oploopendheid den dwaze doet sterven (Job V, 2). i) De gramschap zelve kan, volgens den H. Gregoriüs van Nazianze, als tegenmiddel gebruikt worden tegen de grammoedigheid en andere zonden. Dewijl de natuur, zegt en vermaant ons die Heilige, ons de gramschap als een middel tot de deugd heeft gegeven, moeten wij haar ook als een middel, niet tot wraak-

ocr page 557

VIJFDEN ZONDAG NA PINKSTEREN.

neming nia:ir tot deugden aanwenden. Ergeren wig ons dus over onze traagheid en lauwheid, indien wij ijverig en grootmoedig willen worden; ergeren wij ons over onze onmatigheid, wanneer wij matig; ergeren wij ons over onze grammoedigheid, zoo wij zachtmoedig en geduldig willen worden; dit zal eene heilige gramsehap zijn, waardoor wij ons zeiven beheerschen, en waardoor wij rust en zekerheid dos gemoeds zullen verwerven; ja, zoo doende worden wij grootere helden, dan zij die steden veroveren (Spreuk XVI, 5:2). 5) Een ander middel, om ons van de gramschap af te schrikken, is, ons het gedrag voor te stellen van eenen iu toorn verkeerenden mensch. De grammoedige, zegt de H. Chrtsostomus, is als een dronken mensch, zijn gezicht zwelt op, zijno stem wordt hevig, zijne oogen worden met bloed overtrokken, zijn verstand wordt verdonkerd, zijn begrip wordt verward, zijne long siddert, zijne oogen verdraaien zich, zijne ooren hooren niet juist, want de gramschap werkt heviger dan de dronkenschap op zijne hersenen, en wekt in zijn hart een storm en onweder op, die zich niet meer laten bedwingen. 6) Het noodzakelijkste middel echter om de gramschap te beteugelen, is vurig bidden, om de genade van zachtmoedigheid en geduld te verkrijgen; want alhoewel het voor onze bedorvene natuur moeielijk valt, voortdurend geduldig te zijn, is die deugd ons toch niet alleen mogelijk, maar wij kunnen ze zelfs met de genade Gods gemakkelijk beoefenen.

Onderriclit over de Offerande.

Dan zult gij uw offer komen opdragen. Mattii. V, 24.

Offeren is eene handeling van den godsdienst, waardoor men (iode, den Opperheer, iets opdraagt, hetzij om zijne opperheerschappij te vereoren, en te erkennen, dat alles wat wij hebben en bezitten, uit zijne milde hand komt; hetzij om Hein voor de ontvangene weldaden te bedanken, of om voor de gepleegde zonden te voldoen, of eindelijk om zekere genaden en weldaden van Hem te bekomen. Onder de wet der natuur en die van Mozes werden meerendeels dieren en vruchten der aarde aan God opgeofferd; doch die offers waren voor zijne Majesteit veel te gering, en bevielen Hem in zooverre, als zij

319

ocr page 558

onderricht oter den

het afbeeldsel waren van het volmaakte Offer, 't welk de Zoon Gods eenmaal op het kruishout voor ons, op bloedige wijze, zou opdragen en dat daarna dagelijks, op onbloedige wijze» in de H. Mis zou worden voortgezet. Nu echter zijn de offeranden der Oude Wet afgeschaft, de H. Mis is thans de Heilige Offerande des Nieuwen Verbonds, die, volgens de voorzegging van Malachias (I, 11), aan God op alle plaatsen in zijne ware Kerk, als een allerzoetst en alleraangenaamst reukwerk, wordt opgedragen. Daarom behoorde ieder Christen, in vereeniging met den Priester, dit Offer, zooveel mogelijk dagelijks, aan God, den Allerhoogste, op te dragen, wijl hij Hem geen beter lof-, dank-, bid- en zoenoffer kan aanbieden dan de H. Mis. Opdat echter deze Offerande ook van onzen kant Gode waarlijk aangenaam zij, moet zij met het offer van een ootmoedig, vermorzeld en vreedzaam hart gepaard gaan.

Zie verder hel onderricht over de H. Mis.

Onderrielit over den zesden Zondag na Pinksteren.

De Ingang der Mis is het gebed eener ziel, die betrouwt op den machtigen en goedwilligen bijstand van God. De Heer is de sterkte zijns volks, en de beschermer van het heil zijns Gezalfden. Heer, verlos uw volk en zegen uw erfdeel, en bestier hen tot in eeuwigheid. Psalm XXVII. Tot U, Heer, zal ik roepen. Mijn God, hond U niet zwijgend van mij af, opdat ik niet, zoo Gij U zwijgend van mij afhoudt, gelijk worde aan degenen, die in den kuil nederdalen. Eere zij den Vader, enz. Gebed der Kerk.

O God der deugden, van wien alles komt, wat het beste is, stort in onze harten de liefde tot uwen Heiligen Naam, en doe ons meer en meer in godsdienstige gexindbeid toenemen, opdat het goede in ons door U gevoed, door onzen ijver voor de godsvrucht daarna door U bewaard worde. Door onzen Heer Jesus-Christus, uwen Zoon, enz.

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Apostel Faulus aan de Romeinen, VI, 3-11.

Broeders ! Zoo velen wij gedoopt zijn in Christus-Jesls, zijn wij gedoopt in zijnen dood. Want wij zijn met Hem mede-

520

ocr page 559

zesden zondag na pinksteren.

begraven door den doop in den dood: opdat, gelijk Christus opgestaan is uit de dooden door de heerlijkheid des Vaders, zoo ook wij in nieuwheid des levens wandelen. Want indien wij medegeplant zijn geworden in gelijkheid aan zijnen dood, zullen wij het almede zijn ook aan de opstanding; dit wetende, dat onze oude mensch medegekruisigd is, opdat het lichaam der zonde vernietigd worde, en wij der zonde niet meer dienen. Want die gestorven is, is gerechtvaardigd van de zonde. Indien wij nu met Christus gestorven zijn, wij gelooven, dat wij ook met Christus zullen medeleven; wetende, dat Christus, opgestaan uit de dooden, niet meer sterft: de dood zal over Hem geen heerschappij meer hebben. Want dat Hij gestorven is der zonde, is Hij éénmaal gestorven; maar dat Hij leeft, leeft Hij Code. Zoo ook gij, rekent u, wel der zonde te zijn gestorven, maar Gode levende in Chuistus-Jesus onzen Heer!

Wat leert hier de Apostel?

Hij leert ons, dat wij allen, die door het Doopsel bij het geheimzinnig Lichaam van Christus zijn ingelijfd, ter navolging zijns doods gedoopt zijn, aangezien door het Doopsel, zoowel zinnebeeldig als werkelijk, in ons is vervuld geworden, wat door den dood van Christus werd voorgesteld. Immers het lijden en de dood van Christus waren niet enkel de oorzaak, maar ook de zinnebeeldige voorstelling onzer rechtvaardiging. Zij verbeeldden namelijk den dood en den ondergang van den ouden zondigen mensch in ons, op dezelfde wijze, als CyRiSTUS zijn sterfelijk leven door den dood geëindigd heeft. Overigens is niet alleen de dood van Christus, maar ook zijne verrijzenis en Hemelvaart, het afbeeldsel van hetgeen de rechtvaardiging in ons uitwerkt; want even als Christus, begraven zijnde, verrees en ten Hemel voer om daar eeuwig te leven, zoo worden ook wij in het Doopsel begraven, zoo staan ook wij wederom uit het graf op, om met Christus te leven, en in dit nieuw leven eeuwig te volharden.

Daaruit echter volgt ook, dat ons leven, na het Doopsel, geheel anders moet zijn dan voorheen. Wij moeten den ouden, bedorven mensch, die met Christus figuurlijk gekruist, gedood en begraven is, niet weder opwekken, maar hem geheel kruisigen en dooden, opdat hij met al zijne afzonderlijke ledematen.

521

ocr page 560

onderricht over den

dat is begeerlijkheden en zonden, zooals onzuiverheid, enz. (Coll. Ill) vernietigd worde, en wij, als takken op Christus geënt, dat is, met Christus, den Verrezene, vereenigd, werkelijk en voortdurend een nieuw leven leiden, dat ons hoop geeft van eenmaal, na gelijkvormig te zijn geweest met Cbristüs in zijnen dood en zijne verrijzenis, ook met Hem deel te mogen hebben in zijne heerlijkheid.

Evangelie volgens den H, Marcus VIII, 1-9

In die dagen, wanneer er eene groote schare met Jesus was. en zij niet hadden, wat zij eten zouden, riep Hij zijne Discipelen bijeen, en sprak tot hen : Ik ontferm Mij over de schare,want ziet, alreeds drie dagen blijven zij bij Mij^ en hebben niet te eten ; en indien Ik hen zonder spijze naar huis Iaat gaan. zullen zij onderweg bezwijken; want sommigen van hen zijn van verre gekomen. En zijne Discipelen antwoordden Hem; Van waar zal iemand, hier in de woestijn, hen met brood kunnen verzadigen ? En Hij vraagde hun : Hoeveel broeden hebt gij? En zij zeiden: Zeven. En Hij gebood der schare op de aarde neder te zitten. En Hij nam de zeven brooden. en als Hij gedankt had, brak Hij, en gaf aan zijne Discipelen, om voor te leggen; en zij legden ze der schare voor. En zij hadden weinige vischkens; en Hij sprak er den zegen over. en gebood ze voor te legden. En zij aten, en werden verzadigd; en zij namen het overschot der brokken op, zeven manden. Zij nu, die gegeten hadden, waren ongeveer vier duizend: en Ilij liet hen van zich gaan.

Waarom zeide Christus; »Ik ontferm my over de schare?quot;

Om (icds barmhartigheid jegens de mensehen aan te toonen, alsmede om te doen uitkomen, wat Hij (Matth. VI, 33, zie ook XIV Zondag na Pinksteren) geleerd had, namelijk dav hun, die vóór alles het rijk Cods en zijne gerechtigheid zoeken, al het overige zal toegeworpen worden.

32-2

ocr page 561

zesden zondag na pinksteren.

Waarom zegt Christus: «Alreeds drie dagen blijven zy by my.quot;?

Om ons te lecren, Jat God alle dagen en uren, welke wij in zijnen dienst doorbrengen, telt, om ze rijkelijk te beloonen.

Bemerking. Men kan heden ook nalezen het onderriclit over het Evangelie op den IV Zondag in dc Vaste, alwaar van een soortgelijk wonder gesproken wordt.

Onderriclit over liet zegenen en wijden.

En Hij sprak er den zegen over uit. Marc. VIII, 7. De zegening is eene overoude, en door het voorbeeld van God zeiven, zoowel in het Oude als Nieuwe Verbond, geheiligde zaak. God zegende, in het begin der wereld, de schepselen, die Hij geschapcn had (Gen. 1, 22) en bepaaldelijk do menschen (Ibid. I, 28, IX, 1) en als Hij den Priesters de verschillende plechtigheden en gebruiken van den Mozaischen godsdienst voorschreef, beval Hij bnn. zijnen naam over het volk in te roepen en het te zegenen, en beloofde hun, dat Hij hunnen zegen door den zijne zou bevestigen. (Numori VI, 23.) Daarenboven gebood Hij, dat alles, wat voor den godsdienst gebruikt werd, plechtig zon gezegend worden. (Levit. VIII.) Christus heeft op zijne beurt de brooden en visschen gezegend. Hij iieeft verder in het Laatste Avondmaal, onder zegening, het brood en den wijn veranderd in zijn Lichaam en Bloed. (Matth. XXVI, 26.) Hij heeft zich te Emmaïis, door zijn zegen, aan de beide Leerlingen kenbaar gemaakt (Lucas XXIV, 7}0) en Hij zegende zijne Apostelen, loen Hij ten Hemel klom. (Ibid. 51.) Zich naar het voorbeeld en gebod van God voegende, heeft de Kerk ook de zegeningeij en wijdingen behouden. Door den zegen wordt God, in den naam der Kerk gebeden, dat Hij, door do verdiensten van Christus en de voorspraak der Heiligen, zijnen zegen aan een persoon of zaak moge mededeelen. Door de wijding worden de voor den godsdienst bestemde zaken, van alle tijdelijk gebruik afgezonderd en geheiligd. Zoo worden bijv., vruchten, brood, wijn, huizen schepen, akkers, enz., gezegend, maar de kerken, altaren, enz., gewijd of geconsacreerd. Nog dient aangemerkt te worden, dat de zegening en de wijding dikwijls te zamen gaan.

523

ocr page 562

ONDERRICHT OVER DEJi

Welke kracht hebben de zegeningen?

Men moet onderscheid maken tnssclien de zegening van personen en van zaken. De voornaamste uitwerkselen der ie-gening van personen zijn: 1) de vergiffenis der dagelijksche zonden door verwekking van rouwmoedige gevoelens; 2) de mededeeling der opwekkende of voorkomende genade; 3) de kwijtschelding der tijdelijke straffen; 4) de verdrijving van olquot; de zegepraal over den duivel; eindelijk S) de gezondheid en andere tijdelijke gunsten. De zegening van zaken heeft ten doel, deels deze voorwerpen aan den invloed des duivels te onttrekken, opdat hij ze niet meer als middel gebruike, om ons tot zonden te verleiden; deels om door deze zaken aan Gods zegen tot heil van ziel en lichaam deelachtig te worden; eindelijk opdat zij ons mogen strekken, niet meer als middel ten ver-derve maar als beschutting tegen den boozen vijand en als hulpmiddel ter zaligheid, weshalve wij ze dan ook in eere moeten houden en er een heikaam gebruik van behooren te maken.

Hoe kan men zich eene zoo groote kracht in de zegeningen verklaren?

Dewijl de zegeningen gebeden zijn, die in den naam dei-Kerk aan God worden opgedragen, opdat Hij, om de verdiensten van zijnen beminden Zoon en om de voorspraak der Heiligen, personen of zaken moge zegenen, en ze voor ons naar ziel en lichaam nuttig moge maken, zoo moeten die heilige gebeden een groote kracht bezitten, en den zegen Gods, die daarbij ingeroepen wordt, werkelijk aftrekken, want Jesus-Cui!isti's heeft gelegd (Matth. XVIII, 19): Indien er twee van u op de aarde samenstemmen, over welke zaak zij ook mogen bidden, het zal hun geschieden van mijnen Vader, die in de Hemelen is. Hierdoor heeft Jesus-Christus vooral het gebed bedoeld, in naam der Kerk gestort. Wanneer echter deze zegen over personen afgesmeekt wordt, moet men trachten zich door geloof en betrouwen op God, door gevoelens van godsvrucht, liefde en berouw voor te bereiden, om dien te ontvangen. Want hoe zuiverder het hart is, waarin de legen nederdaalt, des te krachtiger zal er de uitwerking van zijn. Gezegende of gewijde zaken moeten wij met hetzelfde doel, waartoe de Kerk ze zegent en wijdt, gebruiken, opdat wij daardoor herinnerd en opge-

S24

ocr page 563

zesden zondag na pinkstkrkn.

wekt worden, in liet bijzonder, God onze dankbaarheid te betoonen, en, in het algemeen, voor het goede te ijveren en tegen Satan en zijne bekoringen dapper te strijden.

Waarin verschillen dan de gewijde zaken, de bezweringen en de zegeningen der Kerk, die ook wel sacramentalia genoemd worden, van de Sacramenten?

1) De Sacramenten zijn van God ingesteld, en werken door de kracht, die God er aan verleend heeft; de sacramentalia bestaan slechts uit instelling der Kerk, en werken door de voorspraak en de zegening der Kerk. 2) De Sacramenten hebben, tenzij wij hun beletsels stellen, een onfeilbaar uitwerksel, dat, naar gelang der betere voorbereiding, grooter is; bij de sacramentalia echter hangt het uitwerksel voornamelijk van de vrome gesteldheid af van hen, die ze gebruiken. 3) De Sacramenten brengen, bij goede gesteltenis, onmiddellijk inwendige heiliging voort, terwijl de sacramentalia tol deze heiliging slechts in zooverre bijdragen, als zij ondergeschikte genaden mededeelen en ons tegen tijdelijke kwalen beschutten. 4) De Sacramenten zijn over het algemeen noodzakelijk en door God geboden, terwijl de sacramentalia door de Kerk slechts als nuttig en heilzaam worden aanbevolen.

Welke zijn de voornaamste gebruikelijke zegeningen en wijdingen?

De kroning der Pausen. De kroning der keizers en koningen, de wijding der Bisschoppen, Priesters, enz., de zegening der kraamvrouwen, de wijding van de H. Oliën, de zegening der doopvont, de zegening der kaarsen op Lichtmisdag, der asch op Aschwoensdag, der palmen op Palmzondag, van het nieuwe vuur op Goeden Zaterdag, der kruiden op 0. L. Vrouw Hemelvaartsdag, van het zont en het water op de Zondagen, de wijding der kerken en der altaren, de wijding der klokken, de zegening der begraafplaatsen of kerkhoven, de zegening der spijzen op Paaschdag, de zegening ter eere van den H. Blasius en meer andere Heiligen.

Tot welk einde worden zont en water gezegend?

Het doel dezer zegening blijkt duidelijk uit de gebeden, die de Priester hierbij spreekt. Hij bidt bij de zegening des waters, dat God zich gewaardige het water met cene Hemelsche

ocr page 564

0nder1uchï over den

kracht te vervullen, opdat daardoor de duivel mef zijne strikken worde afgeweerd, alle lichamelijke kwellingen verwijderd en de ziel met genade vervuld. Dat God alle dingen, welke men er mede besproei!, moge reinigen en heiligen en alles, wat den menschen schadelijk is, moge afweren. »Dat geen «verpestende adem,quot; zoo bidt de Priester, ngeene bedorvene mIucIii op al datgene ruste, wat in de huizen en plaatsen der «geloovigen, met dit water besproeid wordt, dat alle hinder-«lagen van den verborgen vijand wijken, en zoo er iets is, «wat voor de rust en het welzijn der inwoners gevaarlijk is, ndat het door de besproeiing met dit water vluchte, opdat de «gezondheid, door de inroeping van uwen Heiligen Naam af-«gesmeekt, tegen alle aanvallen moge beschut blijven.quot; Hierop strooit de Priester in den vorm van een kruis het zont in het water, waarover de vermelde gebeden gestort zijn en bidt dan verder: «Wij smeeken en bidden U sidderend en ootmoe-»dig, o Heer, zie dit mengsel van zont en water met welge-«vallen aan, verheerlijk het door uwe goedheid en heilig hel «door den dauw uwer genade, opdat overal, waar het gesproeid «zal worden, iedere vijandige aanval van den onzuiveren geest, «door de aanroeping van uwen Heiligen Naam, afgeweerd, de «schrik tegen de vergiftige slang verre verwijderd worde en «de H. Geest zich gewaardige bij ons, die uwe barmhartigheid «inroepen, tegenwoordig te zijn en ons bij te staan. Door «Christus onzen Heer. Amen.quot;

Waarom worden op de Zondagen voor de H. Mis en bjJ het einde der diensten de geloovigen door den Priester met gewijd water besproeid?

i) Om ons te herinneren, dat wij, in de gebeden en godsdienstplechtigheden, rein en heilig voor het aanschijn van God moeien verschijnen. — Om dezelfde reden, alsmede om door middel van waar berouw en door de voorbede der Kerk, ver-gitfenis van de dagelijksche zonden te bekomen, besproeien wij ons met wijwater, zoodra wij de Kerk binnenkomen. 2) Ter gedachtenis aan het H. Doopsel, waarin wij door het water zijn geheiligd geworden, cu ter aanmoediging, om de zuiverheid, die wij daar erlangden, zorgvuldig te bewaren ol door boelvaardigheid te herwinnen. 3) Tot herinnering, dat wij mei

326

ocr page 565

zesden zondag na pinksteren.

het allerheiligste Bloed van Jesus zijn besproeid en afgewasschen geworden. (1 Petri I, 2. Openb. 1, 5.j Zoo ook wordt ook eerst het altaar driemaal met wijwater besproeid, alvorens de Priester het volk besproeit, eensdeels tol betuiging van eerbied jegens de H. Geheimen, die op het altaar voltrokken worden, en tot aanmaning, deze geheimen zuiver en waardig bij te wonen; anderdeels om aan Ie dniden, dat alle kracht van zuivering in Christus, die door het altaar zinnebeeldig wordt voorgesteld, haren oorsprong heeft. 4) Ten einde de aanvechtingen van den boozen geest af te weren, waardoor hij allen pleegt te verontrusten en te storen, die willen bidden en het woord Gods aanhooren. De Priester besproeit het volk met gewijd water bij het einde der kerkelijke diensten, en ieder teekent zich er mede, alvorens iiij heengaat, deels ter waarschuwing, dat allen, ook buiten de kerk en bij hunne beroepsbezigheden, zich op de zuiverheid en heiligheid moeien toeleggen; deels ook opdat de zegen van God over hen bij hunne dagelijksche bezigheden nederdale en hen tegen alle kwaad naar ziel en lichaam beschutte. — Uit is ook de reden, waarom wij gewijd water in ons huis bewaren en gebruiken.

Welk belang heeft de wijding der klokken?

Eene klok is eene zeer belangrijke zaak in eene plaats. Op de hoogte des torens geplaatst, voert zij haar geluid verre over velden en wouden heen en in de woningen der menschen en noodigt een ieder uit, de kerkelijke diensten en gebeden te komen bijwonen. Daarom wordt ook iedere klok, alvorens in den kerktoren geplaatst te worden, eerst ingewijd. De Bisschop of de Priester bidt dan, dat God allen, die den klank dei-klok hooren, tegen den drang der bekoringen vrij ware, tot godsvrucht en ijver voor /.ijne eer stemme en in hen, naar gelang der omstandigheden, die onderscheidene gevoelens opwekke, waarmede het hart der Christenen steeds doordrongen moet zijn; vervolgens, dat God om der wille zijns cenigen Zoons, wiens kruis op de klok staat afgebeeld, en door de kracht van den HL Geest, de macht des duivels door middel der klok belemmere en alle onheil, storm en onweder van de Christenen moge afweren.

527

ocr page 566

onderricht over den

De voornaamste ceremoniën, die bij de wijding eener klok plaats hebben, zijn de volgende: 1) De afwassching der klok met gewijd water, tot toeken dat, zoo de klok wordt gowas-schen, om voor den dienst van God waardig gemaakt te worden, wij nog veel zuiverder moeten zijn, wanneer wij tot God naderen en Hom op eene waardige wijze willen loven en aanbidden; 2) de zalving met de H. Olie, die de kracht van den H. Geest, en mot het Chrisma, dat de verdiensten van Christus beteekent. Deze dubbele zalving moet ons tot ijver opwekken, om de zalving der genade en de kracht van den H. Geest in ons to doen werken en zich rustig te laten ontwikkelen; 3) de berooking met wierook en mirre, hetwelk ons leert, dat de goede geur van oen heilig leven en de ijver in onze geboden, als eon welriekend en aangenaam reukwerk, tot vóór den troon van God moet opstijgen; 4) hot voorlezen van het H. Evangelie, handelende over de komst van Jesus bij do go-zusters Martha en Maria, waardoor wij vermaand worden, even zoo ijverig ter kerke te gaan, om aldaar het woord Gods te hooren en ons aan hot geheimzinnig Gastmaal, de Tafel des Heeren, neder te zetten, als dio vrome dochters Jesus-Christus aanhoorden. Hem aan hare tafel ontvingen en zich met het geestelijk brood van het woord Gods, dat zij van Hem ontvingen, verkwikten; 5) Meer andere psalmen en gebeden, waarin onder anderen ook beteekend wordt, dat wij als levende klokken moeten zijn. en den lof van God door woorden en daden moeten verkondigen.

De klokwijding wordt hier en elders ook wol klokdoopsel genoemd, omdat zij, door afwassching en zalving, door den naam eens Heiligen, die aan do klok gegeven wordt, dooide getuigen, die als peter en meter bij die plechtigheid tegenwoordig zijn, eenige overeenkomst heeft mot de plechtige toediening van het H. Doopsel. Aan een eigenlijk doopsel valt hier natuurlijk niet te denken, daar inwendige genade noch heiliging aan aardsche en levenlooze zaken kan inedêgedeeld worden. Men geeft aan de klok den naam eens Heiligen, om haar van do andere te onderscheiden, alsmede omdat hare nitnoodiging tot het gebed op eene vermaning gelijkt, die uit den mond van eenon Heilige des Hemels voorkomt.

528

ocr page 567

zevenden zondag na pinksteken.

Onderriclit over den zevenden Zondag na Pinksteren.

Bij den Ingang der Mis. De Kerk noodigt ons uit, God te loven met de woorden van den XLVI Psalm: Klapt met de handen, alle volkeren: juicht Gode toe met vroolijke stem. Want de Heer is verheven, Hij is schrikkelijk. Hij is een groot Koning over het gansche aardrijk. Eere zij den Vader, enz. Gebed der Kerk.

0 God, wiens Voorzienigheid in hare beschikkingen niet feilt, wij bidden U ootmoedig, gewaardig U alles, wat schadelijk is, van ons af te weren en alles, wat ons imtlig is, te ver-leenen. Door onzen Heer Jesus-Christus, uwen Zoon, die enz.

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Apostel Paulus aan de Romeinen, VI, 19-23.

Broeders ! Naar menschelijke wijze spreek ik om de zwakheid uws vleesches. Want gelijk gij uwe leden hebt opgedragen, der onreinheid te dienen, en der ongerechtigheid lot ongerechtigheid, draagt zoo uwe leden nu op, der rechtvaardigheid te dienen tot heiligmaking! Want toen gij dienstknechten van de zonde geweest zijt, waart gij van de rechtvaardigheid vrij. Doch wat vrucht hebt gij toen gehad van hetgeen, waarover gij u nu schaamt? Want bet einde daarvan is de dood, Nu echter zijnde vrijgemaakt van de zonde, en Gode dienstbaar gemaakt, hebt gij uwe vruclit tot heiligmaking, en het einde, het eeuwig leven. Want de soldij der zonde is de dood; maar de genadegave Gods is het eeuwig leven in Christus Jesus onzen Heer.

Verklaring. De H. Paulus verschoont de uitdrukkingen: knechten, dienstbaar zijn, enz., zeggende, dat hij deze enkel gebruikt, wijl de Romeinen nog te zeer met een zinnebeeldige denkwijze behept zijn eu zij daarom door zinnebeeldige en sterke uitdrukkingen behooren onderwezen te worden. Overigens heeft hij geen andere bedoeling, dan om hun begrijpelijk te maken, dat zij voortaan, na van de zonden bevrijd en dienaars van God geworden te zijn, zich met zooveel ijver op de rechtvaardigheid moeten toeleggen, als zij zich vroeger aan allerlei buitensporigheden en goddeloosheid hebben overgegeven De vrucht dezer pogingen, zegt hij, zal de heiligheid en eindelijk,

5-4

329

ocr page 568

OKDERIUCHT OVER DEN

door de genade Gods, het eeuwig leven zijn; want gelijk de vergelding der zonde de dood is, of liever, gelijk de mensch door de zonde den dood en de eeuwige verdoemenis verdient, zoo is liet loon der heiligheid, door de genade Gods, het eeuwig leven. — Volgen wij deze vermaning des Apostels en hechten wij ons niet aan dingen, welker uiteinde de dood en de eeuwige verdoemenis zijn.

Evangelie volgens den H. Mattheus VII, iD-21.

In dien tijd zeide Jesus tot zijne leerlingen : Wacht u voor de valsche Profeten, die in schaapskleederen tot ii komen, maar inwendig grijpende wolven zijn. Aan hunne vruchten zult gij hen kennen. Plukt men wel van doornen druiven, of vijgen van distelen ? Zoo brengt elke goede boom goede vruchten, maar de kwade boom brengt kwade vruchten voort. Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen, leder boom, die geen goede vrucht voorbrengt, zal uitgehouwen en in het vuur geworpen worden. Zoo dan, aan hunne vruchten zult gij hen kennen. Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Rijk der Hemelen, maar wie den wil doet mijns Vaders, die in de Hemelen is, die zal in het Rijk der Hemelen ingaan.

Wie worden door die valsche profeten verstaan?

Vooreerst de Parizeen en Schriflgeleerden en verder ook alle valsche leeraars, die schoon en naar den schijn grondig weten te spreken, maar met hunne leer, die aan de valsche vrijheid en begeerlijkheid vrij spel laat, de menschen slechts ten ondergang voert. Maar hoezeer zij ook hunne sluwheid niet het masker van vroomheid, en hun valsche leerstellingen met de woorden der H. Schrift trachten te bedekken en te omhullen, verraden zij /.ich toch eindelijk. Gelijk een kwade boom kwade vruchlen voortbrengt, zoo zullen ook uit hun bedorven hart weldra booze werken Ie voorschijn komen; en uit dezen kan men gemakkelijk opmaken, welke waarde men aan deze profeten en hun schoone redevoeringen moet hechten.

S30

ocr page 569

zevenden zondag na pinksteren.

Wie kunnen nog al onder de valsche profeten gerekend worden?

1) De wereld, die eer en rijkdommen belooft en toch op het einde alle moeite en arbeid dikwijls slechts met schaamte en bespotting beloont; 2) het vleesch, dat wellust en vreugde toezegt, maar den menschen eindelijk niets overlaat, dan de bittere wroegingen van een ongerust en knagend geweten; 3) de duivel, die den menschen een lang leven en op het einde nog tijd genoeg voorspelt, om boetvaardigheid te doen, terwijl nochtans de verstokte zondaars niet zelden in het midden hunner dagen plotselings en onboetvaardig sterven; 4) alle verleiders, die hunne boosheid zoo lang met het masker van deugd en eerbaarheid bedekken, tot zij onvoorzichtige zielen in hunne netten hebben gelokt, die zij dan tot allerlei schanddaden overhalen. Zulke valsche profeten richten de grootste verwoesting in de kudde van Christus aan, naardien zij het vergift dei-zonden met den honig van den wellust verzoeten, hunne buitensporigheden den naam van geoorloofd geven, enz. en, langs dien weg, een onnoemelijk getal zielen den doodsteek toebrengen. Deze moeten dns door allen, wien de deugd en de zaligheid ter harte gaan, zorgvuldig vermeden worden; o) onder den naam van valsche profeten kunnen ook nog verstaan worden al degenen, die zich in het bijwezen van geestelijken, ouders of oversten, enz. vroom en ingetogen gedragen, en zoodra zij van dezen niet meer gezien of gehoord worden, ongodsdienstige en goddelooze gesprekken voeren, met de Heiligen spotten, de goede en godvreezende menschen uitlachen en op die wijze velen, voornamelijk minder begrip hebbende en weinig onderwezene lieden, den godsdienstzin en de godsvrucht ontrooven en hen tot allerlei misdaden brengen. Op zulke menschen moeten de ouders en meesters een waakzaam oog houden; zij moeten hunne onderdanen beletten in gezelschap met zulke personen te komen en, zoo het noodig is, hun zulks met alle gestrengheid verhinderen, opdat zij niet door die wolven worden verscheurd, dat is, in zonden en misdaden en in hun eenwig verderf gestort worden.

331

ocr page 570

onderricht over den

Waarom zegt Christus: «Plukt men wel van doornen druiven, of vijgen van distelen?

Om aau te duiden, dat zulke valsche leeraars en andere soortgelijke goddelooze lieden, zoolang zij in hunne boosheid volharden, geen goede vruchten voortbrengen.

Waarom zegt Christus: «Slke goede boom brengt goede vruchten voort?quot;

Hij wil hiermede zeggen, dat men den vromen mensch aan zijne goede werken en den kwaden aan zijne slechte werken kan kennen. De vruchten of de werken, die een goede mensch oplevert, zijn de vruchten van den H. Geest, welke de H. Paulus in zijnen Brief (ad Gal. V, 22) opsomt, te weten: liefde, blijdschap, vrede, geduldigheid, goedertierenheid, goedheid, lankmoedigheid, zachtmoedigheid, trouw, zedigheid, eerbaarheid en reinheid.

Wat wordt door den kwaden boom verstaan?

Een kwaad mensch, die ook slechte vruchten, dat is, kwade werken oplevert. De H. Paulus somt insgelijks deze werken op (ad Gal. V, 19), namelijk: onkuischheid, onreinheid, ontucht, ongebondenheid, afgodendienst, tooverij, vijandschap, twist, afgunst, haat, krakeel, verdeeldheid, ketterij, nijd, moord, dronkenschap, brasserij en dergelijke.

Waarom zegt Christus; «Iedere boom die geen goede

vruchten voortbrengt, zal uitgehouwen en in het vuur geworpen worden?

Hij geeft hierdoor te verslaan, dat, om verdoemd te worden, het reeds genoeg is, geen goed te doen. Daarom voegt Hij er bij: rtNiet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heer. Heer!quot; dat is, die Mij enkel met woorden, maar niet met werken als zijnen God en Heer belijdt, zal ingaan in het Rijk der Hemelen, maar wie door de vervulling zijner beroepsplichten eu de beoefening der goede werken, den wil doet mijns Vaders, die zal in het Rijk der Hemelen ingaan. — Wees dus ijverig, o Christen! om in alles den wil Gods te vervullen en al uw dagelijksche bezigheden, met een goede meening of ter liefde Gods le vervullen, dan zult gij ongetwijfeld in den Hemel komen.

832

ocr page 571

zevenden zondag na pinksteren. 533

Onderricht over de goede werken.

Wat zyn goede werken?

Goede werken, die meer of minder tot 's mensclien rechtvaardiging of zaligheid bijdragen, zijn alle zedelijke of vrije en goede handelingen, welke volgens den wil en ter eere Gods met bijstand der bovennatuurlijke genade, geschieden. Om volgens de Goddelijke belofte, door zulke werken, vermeerdering der heiligmakende genade, de eeuwige glorie of hare verhooging waarlijk te verdienen, moeten zij in staat van genade verricht worden.

Welke zyn de voornaamste?

Bidden, vasten en aalmoezen geven. Onder bidden worden hier ook alle godsdienstige oefeningen, onder vasten alle kastijdingen en verstervingen des lichaams, en onder aalmoezen *.ji{.

geven alle werken van barmhartigheid begrepen. , ^ ^

Hoevelerlei zyn de werken van barmhartigheid? i |j|||||

Tweeërlei : de lirhamelijke en de geestelijke werken van p

barmhartigheid.

Welke worden geestelijke werken van barmhartigheid

genoemd? |l|k;K

Die tot het welzijn der ziel geschieden, als: de zondaars berispen, de onwetenden onderwijzen, den twijfelmocdigen goeden raad geven, de bedroefden vertroosten, het onrecht verduldig i ijpj|ï

lijden, hun die ons beleedigd hebben, gaarne vergeven. God voor de zaligheid van levenden en dooden bidden.

Welke zyn de lichamelijke werken van barmhartigheid?

Die tot het welzijn des lichaams geschieden, als: de hou- f 'l'j'

gerigen spijzen, de dorstigen laven, de naakten kleeden, de de vreemdelingen herbergen, gevangenen verlossen, de zieken * n

bezoeken, de dooden begraven (Matth. XXV). iT

Waartoe dienen de goede werken? ' ,

J, lef .

* quot;quot;k

*

li—™,

{ iW I »

l) Do goede werken, alsmede alle lijden en droefenissen, in staat van genade verricht ol geduldig verdragen, worden ons tot afboeting der zonden aangerekend. Dit leert ons Christus in lt;le gelijkenis van den armen Lazarus, alwaar Abraham tot den rijke zegt: Zoon! gedenk, dat gij hst goede in uw leven ontvangen hebt, en Lazarus insgelijks het kwade, nu echter i

itMiiNNMn

JS» l „lt;11

- w

2 jiiif

ocr page 572

onderricht over den

wordt hij vertroost, en gij gefolterd (Luc. XVI, 25). Is dit bij kommer, ziekten en lijden het geval, veel meer nog bij goede daden, die wij vrijwillig uitvoeren. 2) Zij verwerven vergiffenis van dagelijksclie zonden, door ons tot berouw te stemmen. 3) Zij verdienen de vermeerdering der heiligmakendo genade en verkrijgen nieuwe bovennatuurlijke genaden. 4) Zij verdienen de verhooging van den eeuwigen loon. Ook is liet zonder goede werken, in het algemeen genomen, niet mogelijk, Gode te behagen en zalig te worden.

Wie leert ons, dat wy zonder goede werken niet zalig kunnen worden?

Jesus-Christus, de Zoon van God zelf. Hij zegt uitdrukkelijk ; leder boom, die geen goede vrucht voortbrengt, zal uitgehouwen en in het vuur geworpen worden. En de dienstknecht van het Evangelie (Matth. XXV, 25), die het hem toevertrouwde talent wel niet verkwist, maar ook niet nuttig aangewend had, en het in de aarde had begraven, werd daarom reeds in de uiterste duisternis geworpen. Zij dwalen dus, die in den Hemel hopen te komen, zonder de vereischte goede werken te verrichten. Deze dwaling kenmerkt de H. Chrysos-tomus zeer schoon, als hij zegt: Indien gij een dienstknecht hadt, die wel geen roover, geen gulzigaard, geen dronkaard is, maar in uw huis gedurig ledig gaat en alles nalaat, waarvoor gij hem gehuurd hebt, zoudt gij dien niet wegzenden? Is het reeds niet slecht genoeg, datgene niet te verrichten, waartoe men verplicht is?... Zóó ook handelt een Christen, die wel niets kwaads maar ook niets goeds doet; hij is reeds slecht genoeg en verliest den Hemel; want de Hemel is het loon van volbrachten arbeid. Heeft men dus niet gearbeid, dan kan men ook geen loon verwachten.

Zyn de goede werken, die de zondaar, in staat van doodzonde doet, vruchteloos?

Neen; maar met de hulp der Goddelijke genade, zijn zij voor deu zondaar het gewone middel, om tot bekeering Ie komen.

534

ocr page 573

achtsten zondag na pinksteren.

Onderriclit over den achtsten Zondag na Pinksteren.

Bij den Ingang der Mis. Wij hebben uwe barmhartigheid, o God, ontvangen in hel midden van nwen tempel. Gelijk uw naam, o God, zoo strekt zich ook uw roem uil tot het einde der aarde; uwe rechterhand is vol rechtvaardigheid Psalm. XLVII. be Heer is groot en bovenmate roemwaardig, in de stad vau onzen God, op zijnen heiligen berg. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Wij bidden U, o Heer, verleen ons genadig altijd den geest van te denken en te doen, wat recht is; opdat wij, die zonder U niet kunnen bestaan, volgens U mogen leven. Door onzen Heer Jesus-Christus, uwen Zoon, die met ü leelt, enz.

EPISTEL : Les uit den Brief van den H. Apostel Paulus aan de Romeinen, VIII, 12-17.

Broeders, wij zijn schuldenaren, niet aan het vleesch, om naar den vleesche te leven. Want indien gij naar den vleesche leeft, zult gij sterven; maar indien gij door den Geest de werken des vleesches doodt, zult gij teven. Want zoo velen door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods. Want gij hebt niet den geest der dienstbaarheid wederom in vreeze ontvangen; maar gij hebt den Geest der aanneming tot kinderen ontvangen, in welken wij roepen: Abba, Vader! Want de Geest zelf geeft met onzen geest getuigenis, dat wij kinderen Gods zijn; en indien kinderen, ook erfgenamen; erlgena-men namelijk van God, en mede-erfgenamen van Christus.

Wie leven naar het vleesch?

Zij allen, die den wil en de begeerten des vleesches of de bedorvene en zinnelijke natuur des menschen volgen; die zich, om zoo te spreken, de schuldenaars en de dienstknechten van het vleesch bekennen, en de werken des vleesches volbrengen, in den Brief ad Galatas (zie bladz. 552) opgesomd. Zulke menschen laten zich door den Geest Gods niet leiden noch bestieren, zij handelen dus niet als kinderen Gods, en zullen ook, indien zij zich niet beteren, zijne erfgenamen niet worden, maar veel eerder eeuwig verloren gaan. Hij, integendeel, die zich door den Geest Gods laat leiden, en het

535

ocr page 574

onderricht over den

vleesch en zijne begeerlijkheid kruisigt, zal, door het kinderlijk betrouwen, dat hij in God stelt en waarmede hij uitroept Abba (Vader), alsmede door de getuigenis van den H. Geest, genoegzame verzekering verwerven, dat hij een kind Gods is, en ook erfgenaam van God en mede-erfgenaam van Ghristus worden zal, als hij in dezen staat volhardt.

Evangelie volgens den H. Lucas XVI, 1-9.

In dien tijd zeide Jesus aan zijne Leerlingen de volgende gelijkenis: Er was een rijk man, die eenen rentmeester had; deze nu werd bij hem aangebracht alsof hij zijne goederen had verkwist. En hij riep hem, en zeide tot hem: Hoe? hoor ik dit van u? Doe rekening van uw rentmeesterschap: want gij zult niet langer rentmeester kunnen zijn. De rentmeester zeide dan bij zich zeiven ; Wat zal ik doen, nu mijn heer mij het rentmeesterschap ontneemt? Spitten kan ik niet, te bedelen schaam ik mij. Ik weet wat ik doen zal, opdat zij mij in hunne huizen ontvangen, als ik van het rentmeesterschap afgezet ben. Hij riep alzoo de schuldenaars van zijnen heer, één' voor één, tot zich, en zeide tot den eerste: Hoeveel zijt gij mijnen heer schuldig? Die nu antwoordde: Honderd vaten olie. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift, en zit haastelijk neder; schrijf vijftig! Daarna zeide hij tot eenen anderen: En gij, hoeveel zijt gij schuldig? Die zeide: Honderd mudden tarwe, Hij zeide tot hem: Neem uwen schuldbrief, en schrijf taehtig! En de heer prees den onrechtvaardigen rentmeester, omdat hij voorzichtig gehandeld had; want de kinderen dezer wereld zijn, in hun geslacht, voorzichtiger, dan de kinderen des lichts. Ook Ik zeg u: Maakt u van den onrechtvaardigen Mammon vrienden, opdat, wanneer gij te kort schiet, zij u in de eeuwige woningen ontvangen.

536

ocr page 575

ACHTSTEN ZONDAG NA PINKSTEREN.

Wie wordt hier door den ryken man,

wie door den rentmeester verstaan ?

Door den rijken man wordt God, de Heer, en door den rentmeester de mensch, aan wien God verscheidene goederen naar lichaam en ziel. verschillende gaven der natuur en der genade heeft toevertrouwd; zoo als: de ledematen, de vijf zinnen, de gezondheid, de lichaamskrachten, de schoonheid en geschiktheid, macht en gezag over anderen, de lijdelijke goederen, het geheugen, het verstand, den wil, het geloof, de genade Gods, de goede inspraken en inlichtingen, de lijd en de gelegenheid om goed te kunnen doen. God geeft ons die goederen niet in eigendom, maar alleen in gebruik, opdat wij Hem daarmede zouden dienen of ze te zijner eere en tot zaligheid van ons zeiven en van onzen naaste zouden aanwenden. Daarom zal Hij de strengste rekenschap van ons vorderen, ingeval wij ze misbruiken.

Hoe worden die goederen misbruikt?

Als men ze niet aanwendt tot eer van God, tot ondersteuning der noodlijdenden en bedrukten, tot hulp en redding der onderdrukten, tot bestrijding des onrechts, in één woord, als men ze niet tol bevordering van hel goede en tot heil der zielen, maar tot zonde, tot wellust, tot zondige kleeder-pracht, tot verleiding en onderdrukking van anderen, enz., enz., gebruikt.

Waarom stelde Christus deze gelykenis voor?

Om ons te leeren, hoe vurig wij naar den Hemel moeten trachten. Meer bijzonder echter wil Hij ons daardoor lot milddadigheid jegens de armen opwekken. Gelijk de rentmeester zich goede vrienden zocht te maken, die hem in hunne woningen zouden opnemen, zoo moeien ook wij door weldadigheid in het algemeen, en door aalmoezen in het bijzonder, ons vrienden trachten te maken; opdat deze, of liever de weldaden, die wij hun bewijzen, ons genade bij God verwerven, en Hij, wanneer Hij ons uit ons rentmeesterschap terug roept (hetgeen wellicht eerder geschiedt, dan wij vermoeden) ons om wille onzer liefdadigheid, in de woningen des Hemels moge opnemen.

537

ocr page 576

onderricht over den

De H. Ambrosius prijst ons dan ook de weldadigheid als iels voortreffelijks aan, zeggende: «Rijk zijn is daarom niet schoon, wijl men vele zakken met geld kan vullen; maar dewijl men daardoor de armen kan ondersteunen; alleen die rijkdom blinkt uit, welke aan de zwakken en hulpbehoevenden besteed wordt. Dat de Christenen dan leeren met hun geld niet hun eigen belang, maar Christus te zoeken, opdat Christus ook eenmaal hen moge zoeken. De H. Vaders noemen ook het gebed der armen voor de rijken, alsmede de opwekking tot het goede en liet goede voorbeeld, eene aalmoes, die ook de armste geven kan; zij zeggen, dat dete veel meer waarde hebben dan de aalmoezen, die door rijken worden uitgedeeld. Mochten de armen, die geene andere aalmoezen geven kunnen, daarop wel acht geven.

Welke zyn de vrienden, die men zich door de aalmoezen maakt?

Volgens de leer van den H. Ambrosius zijn het, behalve de armen, de Heiligen Gods, de Engelen, ja Christus zelf, die wij ons, door de aalmoezen, tot vrienden maken; immers wat wij den armen schenken, geven wij aan Christus zeiven. (Matth. XXV.) De handen der armen, zegl de H. Petrus-Chrvsologus, zijn de handen van Christus. Door de handen der armen zenden wij onze rijkdommen naar den Hemel, alwaar wij ze, na onzen dood, zullen wedervinden; want het gebed der armen, zoowel als dat der Heiligen, die wij ons op deze wijze tol vrienden maken, zullen God ongetwijfeld bewegen ons de genade te schenken van zalig te sterven en in de woningen des Hemels te worden opgenomen. In dien zin wordt ook in de H. Schrift gezegd, dal de aalmoezen van den dood bevrijden, (Tob. XII, 9.)

Waarom prijst de Heer den rentmeester?

De Heer prijst alleen de voorzichtigheid, waarmede de rentmeester zich tegen een ongelukkige toekomst tracht le vrijwaren, maar Hij prijst de handelwijze zelve van den rentmeester niet; Hij noemt deze onrechtvaardig. Zoo zullen ook wij voorzichtig handelen en nog een gunstiger vooruitzicht op de toekomst hebben, dan de rentmeester, als wij onze tijdelijke goederen tot ons eeuwig heil besteden, door een deel er van, volgens den wil Gods, aan de armen mede te deelen. Neemt

538

ocr page 577

ACHTSTEN ZONDAG NA PINKSTEREN.

men echter het goed van anderen, om aan den arme te geven, dan doet men iets ongeoorloofds, ja men steelt. Goederen, op onrechtvaardige wijze verkregen, die den rechtmatigen eigenaars niet kunnen terug gegeven worden, behooren als aalmoe/en weggeschonken of tot het doen van goede werken besteed te worden.

Waarom zegt Jesus: »De kinderen dezer wereld zyn, in hun geslacht, voorzichtiger, dan de kinderen des lichts?quot;

Omdat de kinderen dezer wereld, de aardsche en vleesche-lijke menschen, het veel sluwer weten aan te leggen en zich veel meer moeite geven om tot hun doel, dat is tot aardsche goederen, vermaken en zingenot te geraken, dan de kinderen des lichts, de Christenen, er naar streven, om het eeuwig heil te verwerven.

Waarom wordt de rijkdom (mammon) onrechtvaardig

genoemd?

Omdat hij dikwijls langs onrechtvaardigen weg verworven wordt en menigeen tot onrechtvaardigheid en andere zonden verleidt, zooals lol gierigheid, verdrukking der armen, onmatigheid, verkwisting, tot schending van de achting en liefde jegens ouders en verwanten, tot hoogmoed, tot minachting van de overheid, ja zelfs van den godsdienst. Buitendien is de rijkdom op zich zeiven beschouwd niets kwaads en kan, gelijk de H. Ambrosïus leert, namelijk als men hem volgens den wil van God gebruikt, een middel worden tot deugd en zaligheid. De H. Gregorius noemt den rijkdom nog in een anderen zin onrechtvaardig en bedriegelijk, namelijk: omdat hij niet lang bij ons kan blijven en aan de behoeften van onzen geest en van ons hart niet kan voldoen.

Zedeles over den acliterMap.

Deze nu werd bij hein aangebracht, als of hij zijne goederen had verkwist. Luc. XVI, 1. De rentmeester uit het Evangelie kwam, wegens zijne verkwisting, met recht in een slecht daglicht bij zijnen heer. Doch de slechte naam is niet altijd het gevolg der zonden en der onrechtvaardigheid, maar hij is, helaas! zeer dikwijls het werk van achterklap eu eerroof, waardoor kwade tongen de eer en den goeden naam van hunnen evenmensch vernietigen.

539

ocr page 578

ONDERRICHT OVER DEN

Hoe geschiedt de achterklap ?

1) Als mon zijoen evenmensch (waartoe ook de afgeslor-venen behooren) ten aanhoore van anderen eene ondeugd aanwrijft, die niet waar is, of een wezenlijke ondengd van hem vergroot. 2) Als men eene geheime en nog verborgen misdaad zijns naasten aan anderen openhaar maakt, zonder daartoe door plichtbesef genoopt te zijn. 3) Als men zijnen naaste kwade bedoelingen in zijn doen en laten toedicht. 4) Als men de goede daden en eigenschappen zijns naasten loochent of verkleint. 5) Als men in omstandigheden, waarin men verplicht is zijnen naaste te prijzen, zwijgt of met zekere angstvallige voorbereiding slechts flauw en weinig afdoende spreekt.

Waarom is de achterklap zonde en meermalen groote zonde?

1) Dewijl men zich daardoor tegen het gebod der naastenliefde vergrijpt. 2) Omdat men daardoor den naaste een zoo groot goed, als de eer en goede naam is, ontrooft, ten gevolge waarvan deze misschien in een tijdelijken en eeuwigen ondergang gestort wordt; want daar gewoonlijk niemand iets meer te doen wil hebben met den inensch, die zijne eer verloren heeft, zoo gaat zijn bedrijf, enz. eerlang stilstaan en verliest hij dus zijn vermogen. Nog meer: deze mensch, eenmaal van zijnen goeden naam beroofd, wordt menigmaal nalatiger in het goede, schaamteloozer in het zondigen, of vervalt later dikwijls in de ondeugd, die de eerroover hem aanvankelijk had toegedicht. De gelasterde is ook minder geschikt, om iets goeds voor anderen te doen, dewijl niemand doorgaans zijne raadgevingen en vermaningen aannemen of volgen wil; integendeel, men tracht zijne eigene buitensporigheden te verontschuldigen met zich te beroepen op datgene, wat men van anderen gehoord heeft, zeggende: Dit of dat moet toch zoo groote zonde niet zijn, daar deze en die dat ook gedaan hebben. De achterklap verhindert het goede en sticht veel kwaad. Hierop moeten vooral degenen wel letten, die hun grootste vermaak vinden, in hunne oversten, openbare beambten en geestelijken te bedillen en hun de eer te ontrooven. Eindelijk 3) is de achterklap zonde, omdat de schade daardoor veroorzaakt, zoo moeielijk te herstellen is; de achterklap is eenigermate den

540

ocr page 579

ACHTSTEN ZONDAG NA PINKSTEREN.

stefin gelijk, die, zoodra wij liem uit de hand laten glijden, niet meer in onze macht is en dien wij niet meer kunnen tegenhouden, hoe groot de schade ook zij, welke hij aanricht.

Wat moet hy doen, die de zonde van achterklap bedreven heeft?

Hij moet zijn eerroovende woorden herroepen en de schade herstellen, die hij zijnen naaste in diens goeden naam en tijdelijke goederen vrijwillig heeft toegebracht. Dewijl dit, gelijk gezegd is, zeer moeielijk is, aangezien wij het lasterwoord, zoodra het over de lippen glijdt, niet meer in onze macht hebben en de laster zeer dikwijls in den mond der menschen vergroot wordt; daar het verder moeielijk is aan te nemen, dat allen, die den eerroof gehoord hebben, ook de herroeping zullen hooren, — want een kwade naam maakt spoedig de ronde en komt dikwijls verder dan men meent; — daar eindelijk, ook na de herroeping des laslers, toch doorgaans iets aan den gelasterde blijft vastkleven, zoo moeten wij ons des te zorgvuldiger van den achterklap onthouden.

Mag men de fouten zyns naasten volstrekt niet openbaren?

De fouten en zonden zijns naasten zonder voldoende reden, aan anderen bekend maken, is niet geoorloofd. Geheel iets anders echter is het, als men de misslagen zijns naasten, dien men, door een broederlijke terechtwijzing, — welke, volgens het Evangelie, onder vier oogen of, zoo dit niet baat, met behulp van één of twee getuigen, behoort te geschieden — niet kan verbeteren, aan diens ouders of oversten ter bestraffing en verbetering, openbaart; zulks is niet alleen geene zonde, maar zelfs een goed werk, ja soms een plicht der christelijke liefde. Zij allen komen dus aan dien plicht te kort, die over de misslagen huns naasten stilzwijgen, welke zij nochtans gemakkelijk konden beletten, indien zij den misdadige op de rechte plaats aanklaagden.

Is het ook zonde eenen achterklapper gaarne aan te hooren?

Ja, want daarbij neemt men gewoonlijk behagen in het onrecht, dat den naaste wordt aangedaan; verder geeft men zoo doende den eerroover gelegenheid tot spreken van achterklap en spoort men hem stilzwijgend daartoe aan; daar integendeel

541

ocr page 580

onderricht oyer den

de christelijke liefde eischt dat men, in zoo ver geen voldoende reden hiervan verschoont, trachte den achterklap te beletten. Derhalve zegt de H. Bernardus : Of hel grooter zonde is acbter-kla|) te spreken, dan dien aan te hooien, zal ik niet lichtvaardig heslissen. En de H, Ciihysostomus zegt: Wij moeten rekenschap geven, niel alleen over datgene, wat wij spreken, maar ook over hetgeen wij hooren; dit hetreft wanneer wij naar valsche aantijgingen luisteren; want er staat geschreven; Gij zult geenv valsche uitstrooisels aannemen (Exod. XXIII, I). Men moet derhalve in zulke gevallen die eerroovende gesprekken trachten af te breken of heengaan; of wel, zoo het een en het ander niet doenlijk is, door een ontevreden gelaat zijn mishagen doen blijken, want een droevig gelaat, zegt de H. Geest, verdrijft een kwaadsprekende tong, (gelijk) de noorden wind den regen. Spreuken XXV, 23. Handelt op dezelfde wijze bij dubbelzinnige gesprekken, onzuivere boerterij, onkuische zinspelingen, enz.

Welke beweegredenen moeten ons van den achterklap terug honden ?

De gedachte 1) aan de zonde, waardoor men God dikwijls grootelijks beleedigt, 2) aan de moeielijkheid, ja onmogelijkheid soms van de schade te herstellen,- die door den achterklap is aangericht, o) aan de straffen, die de achterklap na zich sleept; want de kwaadsprekers zullen, gelijk de H. Apostel Paülus uitdrukkelijk zegt (I Cor. VI, 10), het Hemelrijk niet bezitten.

Troost voor hen, die het slachtoffer van den achterklap zijn.

Wordt gij door kwade tongen in uwe eer gekrenkt, troost u met de gedachte, dat de goede God dit te uwen beste toelaat, opdat gij niet in een ijdel zelfbehagen zoudt vallen, maar inlegendeel u in ooi moedigheid en geduld moogt oefenen en gij u, in het bewustzijn dat anderen uwe fouten weten, met des (e grooteren ijver op de volmaaktheid zoudt toeleggen. Sla om niet mistroostig en moedeloos te worden nwe oogen zoowel op de Heiligen van het Oude als op .die van het Nieuwe Verbond. De zuivere Jozef moest, van echtbreuk beticht, in den kerker zuchten (Gen. XXXIX). De zachtmoedige David werd, als een bloedgierig mensch, door Semei uitgejouwd, die daarom

542

ocr page 581

negenden zondag na pinksteren.

van God gestraft werd (II Koningen XVI). De knisclie Susanna werd als overspeelster aangeklaagd, gevonnist en ter dood veroordeeld (Daniel XIII). Jesus-Ciiristus, de Heilige der Heiligen, werd, als godslasteraar, als aanhanger des duivels, als gulzigaard en dronkaard uitgeseholden, als een verleider des volks aangeklaagd, veroordeeld en ter dood gebracht. Bedenk verder, dat het u bij God niet schaden zal, als ook alle bedenkelijk kwaad 11 valschelijk wordt aangewreven, en dat Hij voor de eer dergenen zorgt, die tot Hein hunne toevlucht nemen; want wie hen aanrandt, die God vreezen, randt, als het ware den oogappel van God aan (Zach. II, 8), en zulks zal gewis niet ongestraft blijven.

Verzuchtingen. 0 onschuldigste Jesus, die door de men-schen een bezetene, een dronkaard, een aanhanger des duivels, een godslasteraar en volksverleider genoemd werdt, ik geef mij geheel en al aan uw Goddelijken wil over, ik offer U alle aanvallen tegen mijne eer en goeden naam op, tot boeting mijner zonden en stel mijne eer onder uwe hoede met het vaste betrouwen, dat Gij haar, volgens uw welgevallen, verdedigen en beschutten zult, en mij uit de handen mijner vijanden zult redden.

Onderricht over den negenden Zondag na Pinksteren.

Bij den Ingang der Mis. Roep God aan om hulp en bijstand tegen alle aanvechtingen der zichtbare en onzichtbare vijanden en zeg met den Priester; Psalm LUI. Zie, God is mijn helper, en de Heer is, de beschermer van mijne ziel: keer het onheil af op mijne vijanden en verniel hen in uwe waarheid, Heer mijn beschermer. Behoed mij, o God! door uwen naam, en bevrijd mij door uwe macht! Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Dat de ooren uwer barmhartigheid, o Heer, geopend staan voor de gebeden van hen, die U smeeken, en doe hen vragen, opdat Gij het gevraagde aan de biddenden verleent, hetgeen U aangenaam is. Door onzen Heer Jesus-Christüs, uwen Zoon, enz.

343

, l|l

• i 'i|L

|N' i gt;«Q|{I|

1 1# t nwlk.

\m

a:

'Isïiilli.

I

1 Hlrif:

I '|f| P i ! üllb... 3j ■ if

1 iii ......I|i

I Él»quot;

1 '53

tm

'Ir'**'

jlp:

i 'Mui,, 11 ''PiMW

laf

'iiiiiji'ifej i iiihm i

, Ir1quot;quot;1 ' it-

i

tl:;!}»

'1

1 ji^

ifquot; pt

ocr page 582

onderricht over den

EPISTEL: Les uit den eersten Brief van den

H. Apostel Paulus aan de Gorinthi'érs, X, 6-13.

Broeders! Laat ons niet begeerig zijn naar het kwade, gelijk ook zij begeerd hebben. Wordt geene afgodendienaars, zoo als sommigen van hen, gelijk er geschreven staat: Het volk zat neder om te eten en te drinken, en zij stonden op om te spelen. Bedrijven wij ook geene onkuischheid, zooals sommigen van hen hebben bedreven; en er vielen op êénen dag drie en twintig duizend. Verzoeken wij ook Christus niet, zooals sommigen van hen verzocht hebben verzocht en dooide slangen zijn omgekomen. Mort ook niet zooals sommigen van hen hebben gemord, en zij kwamen om door den verderver. Dit nn alles is hun wedervaren in voorbeelding en is geschreven tot vermaning van ons tot wie de einden der eeuwen gekomen zijn. Zoo moge dan die meent, dat hij staat, toezien, dat hij niet valle. Geene bekoring bevange u dan menschelijke. Getrouw echter is God, die niet zal toelaten, dat gij bekoord wordt boven heigeen gij kunt; maar Hij zal, met de bekoring, ook uitkomst geven, om haar te kunnen verdragen.

Hoe wordt men een afgodendienaar?

Men moet een onderscheid maken tusschen de plompe en openbare, en lusschen de fijne en meer bedekte afgoderij. Aan de eerste maakt men zich plichtig, wanneer men in plaats van den waren God, diens schepsels of wel beelden van hout of steen aanbidt; men valt in de tweede soort van afgoderij, als men b. v. de hoogmoedige, schraapzuchtige en vleeschelijke neigingen zijns harten dient (Philip. Ill, 19. Rom. I, 25).

Kan men ook met begeerten en gedachten zondigen?

Ja, wanneer men slechte en ongeoorloofde dingen begeert, of vrijwillig en met welgevallen daarop denkt, al zou men de slechte daad ook niet volbrengen; want God verbiedt (Exod. XX) niet alleen de slechte daden, maar ook de kwade gedachten en de begeerten naar eens naasten huisvrouw, goederen, enz., en Christus zegt (Matth. V, 18): Dat zoo wie eene vrouw aanziet, om haar te hegeeren, alreeds overspel in zijn hart met haar gedaan heeft. Maar de slechte gedachten, waarin men zich niet wetens en willens ophoudt, waarin men geen vrijwillig behagen

344

ocr page 583

negenden zondag na pinksteren.

neemt en niet toestemt, zijn geene zonden; zelfs kunnen zij tot verdiensten verstrekken, namelijk als men ze dapper bestrijdt. En om die reden laat God soms toe, dat ook bij de vromen slechte gedachten opkomen.

Hoe tergt of beproeft men God?

Als men door eenige handelwijze Gods lankmoedigheid en macht om ons te straffen, als het ware op de proef stelt. Zulks verbiedt God (Deut. VI, 16) uitdrukkelijk en Hij heeft die zonde in de Israelieten op schrikbare wijze gestraft: door giftige slangen, onder anderen, liet hij hun deu dood toebrengen (Numeri XXI, 6).

In welke gevallen wordt die zonde gepleegd?

1) Als men zonder oorzaak verlangt, dat de geloofszaken door een wonderteeken openbaar gemaakt en bevestigd worden. 2) Als men zich zelveu, zonder door den nood daartoe gedwongen of door plichtbesef genoopt te zijn, in lichaams-, levens- of zielsgevaar zon storten, in de hoop dat God ons wel redden zal. 3) Als men in een gevaarlijke ziekte de natuurlijke geneesmiddelen verwaarloozen, en zich alleen op Gods hulp verlaten zon.

Is het zonde tegen God te morren ?

Ongetwijfeld, want God heeft de morrende Israelieten met verschrikkelijke straffen getroffen. Behalve Gore, Dathan en Abiron, die levend door de aarde zijn ingezwolgen, werden duizenden Israelieten door het vuur verslonden. En toch hadden deze lieden niet rechtstreeks tegen God gemord, maar tegen Mozes en Aaron, die de Heer hun als oversten gegeven had; hieruit volgt, dat God het gemor tegen de door Hem aangestelde overheid even zoo euvel opneemt, als of liet tegen Hem zelveu geschiedde. Daarom zegt Mozes ook tot de Israelieten: Uw morren is tegen ons niet, maar tegen den Heer (Exod. XVI, 8). Wacht u dus wel van tegen de verordeningen en toelatingen Gods, of tegen de rechtmatige bevelen der overheid te morren, anders zoudt gij u aan Gods straffen schuldig maken.

S4S

55

ocr page 584

ONDERRICHT OVER DEN

Wat -wil dat zeggen: -Geene beproeving taste u aan dan die menschelyk zy ?quot;

Dit beduidt zooveel als: Moge u geene bekoring overkomen, die boven uwe krachten is, maar slechts zulke die gij, gemakkelijk kunt overwinnen. God is overigens ouze Vader, Hij zal niet dulden, dat gij boven uwe krachten bekoord wor-det, maar Hij zal u, zoo gij Hem vurig bidt, zijne genade ver-leenen om de bekoringen te overwinnen. Wij doen dan goed, wanneer wij waken en bidden, om niet in bekoring te vallen; wanneer wij tijdeus de bekoring doen, wat wij kunnen, om niet te bezwijken, en voor hetgeen wij niet kunnen. God vragen, dat Hij ons moge helpen, om het te kunnen. Indien wij God op zulke wijze bidden, dan mogen wij zeker hopen, dat Hij ons uit alle bekoringen redden zal.

Evangelie volgens den H. Lucas XIX, 41-47.

In dien tijd, als Jesus nabij Jerusalem kwarn^ en de stad zag, weende Hij over haar, en sprak: Indien ook gij, en wel op dezen uwen dag, erkendet. hetgeen u tot vrede strekt! Maar nu is het voor uwe oogen verborgen! Want er zullen over u dagen komen, dat uwe vijanden u met eenen wal zullen omgeven, en u omsingelen, en u van alle zijden benauwen. En zij zullen u, en uwe kinderen, welke in u zijn, ter aarde nederwerpen, en in u geenen steen op den anderen laten: omdat gij den tijd uwer bezoeking niet hebt erkend! En Hij ging in den tempel^ en begon degenen, die daarin verkochten en kochten, uit te drijven; en sprak tot hen: Er staat geschreven: Mijn huis is een huis des gebeds: maar gij hebt het tot eene spelonk van roovers gemaakt. En Hij leerde dagelijks in den tempel.

Waarom heeft Jesus over de stad geweend?

Uit innig medelijden met die ongelukkige stad, bij welker aanblik Hij aan den treurigen ondergang dacht, dien zij door hare onboetvaardigheid op zich frok, omdat zij den lijd harer bezoeking niet had willen kennen, noch tot haar voordeel had willen aanwenden.

546

ocr page 585

negenden zondag na pinksteren.

Welke was de tijd harer bezoeking?

De tijd, waarop God den eenen Profeet na den anderen tot de Joden zond, die deze Profeten verguisd en bespot, ge-steenigd en gedood hebben (Matth. XXIII, 37). Voornamelijk echter waren liet de dagen, waarop Christus zijn predikambt uitoefende, toen Hij zijn heilzame leer zoo dikwijls in den tempel van Jerusalem verkondigde, haar met de grootste wonderdaden bevestigde, en dus doende duidelijk bewees, dat Hij de Messias, de Heiland der wereld was. Desniettegenstaande dit alles werd Hij door deze verstokte en onboetvaardige stad veracht, verworpen en aan liet kruis gehecht.

Wie worden door dit verstokt en onboetvaardig Jerusalem afgebeeld?

Wij allen, indien wij geene boete doen over onze zonden en Jesüs' leer niet volgen. Ja, in dit geval zijn wij even versteend als de Joden, want wij zien Jesus weenen en wij blijven gevoelloos; wij ziju strafwaardiger dan zij, want wij hebben overvloediger genade ontvangen dan hun geschonken was. Wij worden afgewasschen door zijn H. Bloed, wij worden gevoed met zijn H. Lichaam; de waarheden, die tot ons eeuwig heil noodzakelijk zijn, worden ons niet, gelijk den Joden, in zinnebeelden gehuld, maar geheel klaar en duidelijk voorgesteld; wij zien ze door tallooze wonderen bevestigd, dooide Heiligen beoefend, enz, Hoe zondig en dwaas handelen wij dus niet, indien wij de inspraken der genade niet volgen, en den tijd, waarop God ons bezoekt en tol boetvaardigheid nit-noodigt, nutteloos voorbij laten gaan. Alles kan weer hersteld worden, behalve de verloren tijd, die niet meer terugkomt. Haasten wij ons derhalve, .om die dagen, welke ons nog gegeven worden, ijverig tot ons heil te besteden.

Verbergt God aan de goddeloozen, wat tot hun heil strekt?

Neen, maar do goddeloozen blinddoeken zich zeiven door hunne zonden, zoodat zij de waarheden, tot hunne zaligheid dienstig, niet duidelijk meer inzien; zij versteenen hun hart en hunnen wil, zoodat zij zich door de Goddelijke inspraken niet meer tot boetvaardigheid laten bewegen. Zij zijn alzoo zeiven de oorzaak van hun verderf (Oseas XIII, 9).

»47

ocr page 586

onderricht over den

Hij ging in den tempel, en begon degenen, die daarin verkochten en kochten, uit te drijven. Luc. XIX, 4n.

Overweging. Indien de Zaligmaker de koopers en verkoo-pers van zaken, die tot de godsdienstplechtigheden noodig waren, nit den tempel verdreef, hoe zal Hij dan hen niet bestrallen, die in de kerk geheel vergelen, waar zij zijn; die er niet aan denken, dat zij zich bevinden in het huis van God, in eene plaats, alwaar Jesus-Christus in het Hoogheilig Altaar-Sacrament voortdurend in den tabernakel tegenwoordig is, en alwaar Hij dagelijks in de H. Mis opnieuw — ofschoon op onbloedige wijze — zich aan zijn Hèmelschen Vader opoffert, voor de zonden der wereld; hoe zal Hij hen bestraffen, zeg ik, die zelfs onder het H. Misoffer zich niet ontzien te lachen, te praten, hunne oogen alom te laten ronddwalen, die in de kerk van hunne bezigheden en ondernemingen spreken, allerlei wanordelijkheden stichten, ja zelfs allerlei slechte gedachten voeden, of door hun schaamtelooze kleedij en hun onbetamelijke houding aan anderen ergernis geven. Hoe zal God die menschen niet straffen, daar zulke flauwe en ontrouwe Christenen zich dikwijls nog aan vele andere zonden schuldig maken. Wanneer deze eenmaal den Hemel zullen willen binnengaan, dan loopen zij gevaar, dat de eeuwige Rechter hun deie woorden zal toevoegen: «Gaat in het eenwig vuur, want Ik ken u niet.quot;

Nuttige les over liet uitstellen der bekeering tot het einde zijns levens.

Mag de zondaar zich verlaten, dat hij zich op het einde zyns levens zal bekeeren?

Volstrekt niet, want dit zou zijn vermetel op Gods barmhartigheid betrouwen en eene zonde plegen tegen den H. Geest; God, zoo spreekt de H. Augüstinus, straft gemeenlijk deze soort van zondaars op hun levenseinde met de vergetelheid van zich zeiven, omdat zij God vergeten hebben in de dagen hunner gezondheid. Ja, God zelf zegt (Jerem. II, 27-28): Zij hebben Mij den rugge gekeerd en niet hun aangezicht; en ten tijde hunner droefenis zullen zij zeggen: Sta op en verlos ons. Maar Ik zal hun zeggen: Waar zijn uwe goden, die gij u gemaakt hebt? dat zij opstaan en u ten tijde uwer droefenis verlossen.

S48

ocr page 587

negenden zondag na pinksteren,

Hel is waar, wij vinden, in de H. Schrift een troostvol voorbeeld van bekeering op het uiterste in den goeden moordenaar, doch de H. Augustinus merkt hierbij op, dat, zoo dit wezenlijk één voorbeeld is, opdat geen zondaar over zijne bekeering wanhope, dit ook liet eenige is, opdat geen zondaar zijne bekeering vermetel uitstelle.

Welke zijn de zonden tegen den H. Geest?

De zes volgende; 1) Aan Gods genade wanhopen, 2) op Gods barmhartigheid vermetel voortzondigen, 3) de erkende christelijke waarheid wederstreven. 4) op zijnen medebroeder, om diens bevoorrechting met tijdelijke en geestelijke gaven, afgunstig en nijdig zijn, 5) hardnekkig zijn in de boosheid, 6) in de onboetvaardigheid opzettelijk volharden.

Wat moet men van hen denken, die zich op het laatste hnns levens bekeeren?

Alle goed, 'in de veronderstelling namelijk, dat zij zich werkelijk en waarachtig bekeeren. Maar dit is iets moeielijks. En men verwondere zicii daar niet over, want de bekeering in het uiterste is dikwijls slechts een gedwongen bekeering; de zondaar verlaat dan menigmaal zijne zonden niet, maaide zonde verlaat hem, en hij zou waarschijnlijk het vaste voornemen van zich te beteren niet opvatten, indien hem de angst voor den dood daartoe niet aanzette; gelijk het te vreezen is, dal hij niet zou ophouden te zondigen, indien hij niet moest ophouden te leven. Wal kan men van luik eene bekeering hopen ?!

Wanneer moet men dan boetvaardigheid doen?

Zoolang men nog gezond naar geest en lichaam is; want volgens den H. Augüstinus is de boetvaardigheid eens kranken gemeenlijk ook krank. De mensch wordt ten tijde zijner ziekte, gelijk de ondervinding leert, door de smarten der krankheid, door de hoop op herstel, door de vrees voor den dood, dooide wroeging des gewetens, door de aanvechtingen des duivels, door de zorg voor zijne verwanten, dermate beangstigd, gekweld en verward, dat hij dikwerf met moeite zijne gedachten bijeenzamelen, en aan een oprechte, bekeering ernstig denken kan. Indien het velen zoo lastig voorkomt, boetvaardigheid te plegen, terwijl zij nog gezond en sterk zijn en door

549

ocr page 588

onderricht over den

niels verhinderd worden hun hart tot God te verheffen, hoe veel lastiger zal dit hun dan niet vallen, wanneer hun hoofd en geheel hun lichaam zijn afgemat en door de ziekte be-heerscht worden? Men heeft van verscheidene kranken, nadat zij genezen waren, vernomen, dat zij van al, wat gedurende hunne ziekte met hen gebeurd was, naderhand niets wisten, en dat, ofschoon men hun de HH. Sacramenten der stervenden had toegediend, zij geene herinnering daarvan hadden. Daarom roept ons Isaias toe (KV, 6); Zoekt den Heer, terwijl Hij te vinden is, roept Hem in, terwijl Hij nabij is. Want, zoo zegt Christus zelf (Joann. Vil, 34 en VIII, 21): Er zal een tijd komen, waarop gij Mij zult zoeken en niet vinden; gij suit Mij zoeken en in uwe zonden sterven. Hebt gij dus een zware zonde gepleegd, verzuim dan toch niet, u door een volkomen berouw en zoodra mogelijk, door het H. Sacrament der Biecht tot God te bekeeren. Stel niet van den éénen dag tot den anderen uit; de bekeering wordt daardoor steeds moeielijker omdat een onafgeboete zonde, door hare zwaartekracht, gelijk de H. Gregorius zich uitdrukt, den mensch steeds tot nieuwe zonden trekt, hem hierdoor voortdurend zwakker en den duivel tegen hem steeds machtiger maakt, zoodat die zondaar eindelijk, zonder een buitengewone genade, zich moeielijk zal bekeeren. Vreesdijk is het te vallen in de handen van den levenden God (Heb. X, 31).

Onderricht over den tienden Zondag na Pinksteren.

Bij den Ingang der Mis. Loof met de Kerk Gods hulp, waardoor Hij ons tegen ome vijanden beschut, zeggende: Als ik den Heer aanriep, heeft Hij mijne stemme verhoord, en mij van hen gered, die mij vijandig naderden, en Hij heeft hen vernederd, Hij, die voor alle eeuwen is, en in eeuwigheid blijft; werp uwe zorg op den Heer en Hij zal u voeden (Psalm LIV). Verhoor, o God, mijn gebed, en versmaad mijn gesmeek niet; luister naar mij en verhoor mij. Eere zij den Vader, enz.

550

ocr page 589

tienden zondag na pinksteren.

Gebed der Kerk.

0 God, die uwe almacht, voornamelijk door te sparen en medelijdend tc zijn, openbaart, vermeerder uwe barmhartigheid over ons, opdat wij, naar hetgeen Gij beloofd hebt, strevende, deelachtig worden aan uw Hemelsche goederen. Door onzen Heer Jesüs-Chrisïus, uwen Zoon, enz.

EPISTEL: Les uit den eersten Brief van den H.

Apostel Paulus aan de Corinthiërs, XII, 2-11.

Broeders! Gij weet, dat, toen gij heidenen waart, gij tot de stomme afgoden, naardat gij er werdt heengeleid, gaande waart. Daarom maak ik u bekend, dat niemand, die in den Geest Gods spreekt, zegt: Verwcnscht zij Jesus! en niemand zeggen kan; Heer Jesus! dan in den Heiligen Geest. Er zijn nochtans verdeelingen van genadegaven, maar dezelfde Geest; en verdeelingen van bedieningen, maar dezelfde Heer; en verdeelingen van werkingen, maar dezelfde God, Die alles in allen werkt. Doch aan een iegelijk wordt de openbaring des Geestes gegeven tot hetgeen oorbaar is. Aan een toch wordt door den Geest gegeven het woord van wijsheid; aan een ander het woord van kennis, naar denzelfden Geest; aan een ander het geloof, in denzelfden Geest; aan een ander de genadegave van geneiingen, in den éénen Geest; aan een ander de werking van krachten, aan een ander de profetie, aan een ander de- beoordeeling van geesten, aan een ander soorten van talen, aan een ander de uitlegging der talen. Dit nu alles werkt één en dezelfde Geest, toebedeelende aan een iegelijk, naardat Hij wil.

Verklaring. De H. Paulus zegt hier tolde Corinthiërs: Herinnert u, dat gij nog heidenen waart, en afgoden aangebeden hebt, dat is, stomme hout- en steenblokken, die geen geest, geene spraak, geene sterkte, geene levenskracht hadden, en dat alles nog veel minder aan hunne vereerders konden mededeelen. Dewijl gij echter Christenen geworden zijt, vereert gij eenen God, die een zuivere Geest, vol genade en waarheid is, en die deze zijne geestelijke gaven, gelijk gij door de ondervinding weet, rijkelijk over u heeft uitgestort. Erkent hierdoor de genade, die Christus u verworven heeft; erkent de verandering, die in u plaats heeft gehad, waardeert

oSl

ocr page 590

onderricht over den

ze, gelijk het betaamt; aanbidt met den diepsten eerbied Jesus Christus en den H. Geest, den gever van al die goederen, en twist niet met elkander over de gave, die gij bezit, want gij hebt ze allen van den H. Geest ontvangen; Hij deelt ze uit, gelijk Hij verkiest. Dat zij dus, die minder ontvangen hebben, zich niet bedroeven, en zij, die meer ontvangen hebben, er zich niet over verhoovaardigen (H. Ghrvsostomüs). — Het woord van wijsheid is de gave, de geheimen van deu christelijken godsdienst te verstaan en ze aan anderen mede te deelen; het woord van kennis is de gave anderen te onderrichten over de verhouding van het Ghristendom met andere gezindten, hoofdzakelijk met het Jodendom. Onder de gave van geloof moet niet alleen het geloof, dat dient ter rechtvaardigmaking en hetwelk allen moeten bezitten, verstaan worden, maar voornamelijk het geloof, dat wonderen doet en waarvan Ghristus zegt: dat het bergen verzet. De gave van onderscheiding van geesten is de gave van te kunnen oordeelen, of iemand werkelijk door den Geest Gods bezield is, dan wel, of de eigenliefde, het eigenbelang, enz. of zells de booze geest de drijfveer zijner daden is. Een andere gave is die van talen, dat is, de begaafdheid van verscheidene talen te spreken, die den spreker vroeger onbekend waren; eindelijk de gave van de uitlegging der talen, dat is, de vertolking van datgene, wat anderen onder den invloed van den H. Geest gesproken hebben. — Bidt ook den H. Geest om die gaven, welke u tot het heil uwer ziel nuttig en noodzakelijk zijn, vooral om die, welke wij bladz. 446 genoemd hebben.

Evangelie volgens den H. Lucas XVIII, 9-14 In dien tijd zeide Jesus tot sommigen, die in zich zeiven vertrouwden, dat zij rechtvaardigen waren, en de overigen verachten, deze gelijkenis: Twee inen-schen gingen op naar den tempel, om te bidden : de ééne een Parizeer, en de andere een Tollenaar. De Farizeër stond, en bad aldus bij zich zeiven : God ! ik dank ü, dat ik niet ben als de andere menschen, roovers onrechtvaardigen, overspelers, of ook als deze

552

ocr page 591

tienden zondag na pinksteken.

Tollenaar. Ik vast tweemaal in de week; ik geef tienden van al wat ik bezit. Maar de Tollenaar stond van verre, en wilde zelfs de oogen niet ten Hemel opheffen, maar sloeg op zijne borst, en zeide: God wees mij zondaar genadig! Ik zeg u ; Deze ging af naar zijn huis gerechtvaardigd, boven den ander : Want een iegelijk die zich verheft, zal vernederd, en die zich vernedert, verheven worden.

Waarom stelde Jesus deze geiykenis voor?

Om ons tegen den hoogmoed te waarschuwen en ons le leeren, dat wij geen inensch, hij moge nog zoo goddeloos schijnen, moeten verachten en veroordeelen. Het past ons niet, onzen broeder te veroordeelen; daarenboven bedriegt men zich zoo licht in bet oordeel over zijnen naaste, zooals deze gelijkenis bewijst betrekkelijk den Farizeër, die den Tollenaar als een zondaar verachtte, terwijl deze, door zijn gebed, voor God gerechtvaardigd werd.

Was het gebed van den Farizeër Gode aangenaam?

Neen; die taal van den Farizeër was eigenlijk geen gebed, maar eene verheffing van zich zeiven en eene minachting van de andere menschen. Zijne woorden waren de nitdrukking van zijnen hoogmoed, zijner liefdeloosheid jegens anderen en van eene schandelijke huichelarij, wijl hij daarbij den schijn aannam, alsof hij Gode voor deze zijn gewaande onderscheiding wilde bedanken. Nog meer: zijn goede werken verloren door zijnen hoogmoed van hunne waarde bij God, en daarom zegt de Heiland: Deze ging af naar zijn huis gerechtvaardigd, boven den ander. — Leer hieruit de zucht naar roem en ijdele eer onderdrukken, opdat deze u de vriendschap van God en de verdiensten uwer goede werken niet doen verliezen. De H. Martelaar Ignatius placht te zeggen: »Die mij roemen, geeselen mij,quot; en toen de H. Hilariüs bemerkte, dat het volk hem, om zijn groote daden, lof toezwaaide, ontstelde en weende hij, uit vrees van daardoor zijn loon op deze wereld ontvangen te hebben.

Was het gebed van den Tollenaar Gode aangenaam?

Ja; dal gebed, hoe kort ook, was nederig en rouwmoe-

553

ocr page 592

onderricht over den

dig. De Tollenaar drong niet in den tempel vooruit, gelijk de Parizeer, maar stond van verre, waardoor hij zich onwaardig bekende, in de tegenwoorJigheid Gods en in de vergadering der mensclien te verschijnen. Hij stond daar met nedergeslagen oogen en beleed aldus, dat hij, wegens zijne zonden, niet waardig was den Hemel te aanschouwen; en hij leerde ons tevens, dat wij wegens onze veelvuldige misdaden bevreesd moeten zijn, om vóór God te verschijnen. Hij belijdt verder in het openbaar een zondaar te zijn en slaat rouwmoedig op zijne borst, waardoor hij, gelijk de H. Aügustinus bemerkt, de zonden wil bestrallen, die hij inwendig met het hart bedreven heeft. Om dezelfde reden slaan ook wij, in de H. Mis, herhaaldelijk op de borst en belijden daardoor, dat wij arme zondaars zijn en onze zonden van harte betreuren.

Wat zullen wij doen, eer wij de kerk binnengaan?

Wij zullen denken, dat wij het Huis van God binnengaan, om daar met Hem te spreken; daarom behoort men zich eerst wel af te vragen, wat men tot God zeggen zal en waarom men Hem bidden wil. Om te verdienen door God verhoord te worden, moeten wij ons vernederen en met Abraham (Gen. XVIII, 27) bedenken, dat wij, stof en asch zijnde, wegens onze zonden niet waardig zijn voor Gods aanschijn te verschijnen, veel minder met Hem te spreken; want God geeft acht op het gebed der ootmoedigen, wien Hij zijne genaden schenkt, (Psalm Cl, 18) terwijl Hij den hoogmoedigen wederstaat (Jac.IV,6).

Zedeles over den hoogmoed en de ijdele glorie.

Uit dit Evangelie moeten wij vooral leeren, dat God op de ootmoedigen minzaam nederziet, terwijl Hij zich van de hoovaardigen verwijdert (Psalm GXXXVII, 6), dat Hij den hoogmoedige vernedert, en den nederige verheft. De Farizeër ging, in de meening dat hij vol goede werken was, trotsch en opgeblazen den tempel binnen, doch kwam zonder Gods gunst verworven te hebben, met ledige handen terug. De Tollenaar daarentegen, die zich als zondaar erkend had en met boetvaardigheid en in ootmoed vóór God was verschenen, keert gerechtvaardigd naar zijn huis terug. Met recht alzoo zegt

554

ocr page 593

tienden zondag na pinksteren.

de H. Augüstinüs: God is hoog, verheft gij u, dan verwijdert Hij zich van u, vernedert gij u, dan daalt Hij tot u af.quot;

Wie liet goede alleen doet om daardoor aan de menschen te behagen, of ijdelen lof te behalen, verliest zijne belooning bij God, want Christus (Matth. VI, 1) zegt: Geeft acht, dat gij moe rechloaardigheid niet uitoefent voor de menschen, om van hen gezien te worden: anders zult gij geen loon hebben bij uwen Vader, die in de Hemelen is. Wilt gij geprezen worden, zoek dan hei welgevallen van God en zijne Heiligen; want zulks is meer waard dan alle loftuigingen der menschen.

Om den ijdelen roem te loeren verachten, moet men zich van de bovengemelde waarheid diep doordringen, en verder bedenken, dat het met den eerzuchtige op zijn sterfbed zal gaan, als met eenen mensch die, na vele vermoeienisvolle reizen te hebben afgelegd, om vele en groote schatten te verzamelen, eindelijk nadat hij vele kostbaarheden vergaard heeft, schipbreuk lijdt, eu alles verliest. De eerzuchtige mensch zal bij zijnen dood ondervinden, dat hij vruchteloos gezwoegd en alle verdiensten verloren heeft, die ''ij door zijn goede werken zou verworven hebben, bijaldien hij ter eere van God hadde gearbeid. Zoek, om zulk een ongeluk te voorkomen niet uw eigen lof, maar dien van God, en neem de gewoonte aan van vóór ieder werk, dat gij verricht, uw hart door een goede meening tol God te verheffen.

Indien gij den hoogmoed, die zich doorgaans verscholen houdt, volkomen wilt leeren kennen, en geheel en al zoekt uit te roeien, vergeet dan niet, dat de hoogmoed een overdreven Helde en hoogschatting is van zich zeiven, en een buitensporige begeerte, om geëerd of geprezen te worden en anderen te overtreffen. Een hoogmoedige koestert even als de Parizeer, van zich zeiven zeer verhevene gevoelens, voedt een overdreven hoog denkbeeld van zijne bekwaamheden, geschiktheden, verdiensten, rijkdom en afkomst, en schat zijne mede-menschen gering, jn minacht hen zelfs. De ootmoedige, daarentegen, heeft een klein denkbeeld van zich zeiven, erkent zijne zonden en gebreken, is rouwmoedig en bidt, gelijk de Tollenaar, God om vergeving. Volg dezen laatste na, eu gij zult.

555

ocr page 594

onderricht oviul dkn

niet don Tollenaar, genade bij God vinden; vermijd liet voorbeeld van den Farizeër, uit vrees van niet hem, door God, wegens nwen hoogmoed verstooten te worden.

Verzuchtingen. 0 God ! die op liet gebed des ootmoedigen lot en hem verhoort, doch den hoovaardige wederstaat, ik smeek U dringend, geef mij een ootmoedig hart, opdat ik, de ootmoedigheid van uwen eeniggeboren Zoon, onzen Heer Jesus-Ghristus navolgende, mij met Hem vernedere en daardoor verdiene eenmaal met Hem in den Hemel verheven te worden.

Onderriclit over den elfden Zondag na Pinksteren.

Bij den Ingang der Mis. Bid God met den Priester om broederlijke eendracht en bescherming tegen alle in- en uitwendige vijanden. nGod is in zijn heilige plaats; God is het, die de eendrachtigen in een huis doet wonen. Hij zal kracht en sterkte aan zijn volk geven (Psalm LXVI1). Dat God opsla, en zijne vijanden verstrooid worden, en dat zij, die Hem haten, voor zijn aanschijn vluchten.quot; Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk

Almachtige, eeuwige God. die door den overvloed uwer goedheid de verdiensten en de wenschen van hen, die U smeeken, overtreft, stort uwe barmhartigheid over ons uit, vergeel wat ons geweten vreest, en verleen, wat ons gebed niet vragen durft. Door Jesus-Ghristus nwen Zoon, enz.

EPISTEL : Les uit den eersten Brief van den

H. Apostel Paulus aan de Corinthiërs XV, 1-10.

Broeders! Ik maak u bekend het Evangelie, hetwelk ik u heb verkondigd, hetwelk gij ook hebt aangenomen, in hetwelk gij ook staat, door hetwelk gij ook behouden wordt, indien gij vasthoudt, op hoedanige wijze ik u heb verkondigd, tenzij dan dat gij te vergeefs hebt geloofd. Want onder de eerste heb ik u overgeleverd, hetgeen ik ook heb ontvangen, dat Christus gestorven is voor onze zonden volgens de Schriften; en dat Hij begraven is; en dat Hij ten derden dage verrezen is volgens de Schriften; en dat Hij getien is van Cephas, en daarna van de elven. Daarna is Hij gezien van meer dan

556

ocr page 595

elfden zondag na pinksteren.

vijfhonderd broederen op éénmaal, van wie velen tol nu toe in leven, maar sommigen ontslapen lijn. Daarna is Hij gezien van Jacobus, daarna van alie de Apostelen. En ten laatste van allen is hij ook \aii mij, als den ontijdig geborene, gezien. Want ik ben de minste der Apostelen, die niet waardig ben een Apostel genoemd te worden, omdat ik de Kerk Gods vervolgd heb. Doch door de genade Gods beu ik, hetgeen ik ben, en Zijne genade jegens mij is niet ijdel geweest.

Verklaring en zadeleer. 1) De H. Paui.us waarschuwt de inwoners van Corinthe tegen de verleiding van hen, die de verrijzenis loochenen. De verrijzenis van Christus lijdt niet den geringsten twijfel; de Heer immers is waarlijk gestorven en begraven, weder levend uit het graf opgestaan en meermalen aau zijne leerlingen verschenen. Door dit laatste is niet alleen zijne verrijzenis, maar ook de Goddelijkheid zijner leer bewezen. Indien de Corinthiërs dus in die leer blijven volharden en ze getrouw naleven, zullen zij zeker zalig worden. 2) De H. Paulus geeft aan de inwoners van Corinthe een heerlijk voorbeeld van ootmoedigheid, doordien hij zich, wegens zijne zonden, die hij vóór zijne bekeering gepleegd bad, een ontijdig geborene en de geringste onder de Apostelen noemt, die niet verdient Apostel geheeten te worden; en nochtans had hij toen reeds zoovele verdiensten door zijnen zielenijver en arbeid verworven. Hij verklaart daarenboven, dat hij door de genade van God is, wat hij is. — Zóó handelt de ootmoedige; hij ziet in zich zeiven niels dan zijne zwakheden, gebreken en zonden; weshalve hij zich zeiven nietig acht en ook door anderen wenscht gering geacht te worden. Daarentegen schrijft hij Gode alleen alle goed toe, dat hij heeft of doet, en geeft Hem alleen de eer daarvan. — Streef, o Christen, naar zulk eene ootmoedigheid. Gij hebt veel meer redenen dan Paulus, om u vóór God te vernederen en u gering te schatten; want hoevele zonden hebt gij niel na uw H. Doopsel gepleegd hoeveel tijd van uw leven ledig en nutteloos doorgebracht en hoevele genaden hebt gij niet verspild en misbruikt? Door de ootmoedigheid zult gij, volgens de getuigenis van den H. Behnardus, uwe zonden af-boeten, de deugden, die u ontbreken, verwerven en de wonden genezen, welke uwe zonden aan uwe ziel hebben toegebracht.

557

ocr page 596

ONDERRICHT OVER DEN

Verzuchtingen. O allerootmoedigste Zaligmaker, verdrijf van mij den geest van hoogmoed en verleen mij de ootmoedigheid, die mij zoo noodzakelijk is. Doe mij duidelijk inzien, dat ik, uit mij zeiven, niets welgevalligs voor U en mij ter zaligheid niets nuttigs, doen kan, en dat alle macht, die ik tot het bovennatuurlijk goede heb, van U komt, van ü, die het willen en het volbrengen in mij bewerkt (11 Corinth. Ill, 5. Phii.. II, 13). Laat mij ook met uwe genade, waardoor gij het willen en volbrengen in mij uitwerkt, zoo ijverig en moedig medewerken als de H. Paulus; opdat ik even als hij verdiene na dit leven de eeuwige zaligheid te mogen verwerven.

Evangelie volgens den H, Marcus VII, 31-57.

In dien tijd vertrok Jesus van de landpalen van Tyrus, en kwam door Sidon naar de zee van Galilea, in het midden der landstreek van Decapolis^ En zij brachten tot Hem eenen, die doof en stom was,en baden Hem, denzelven de hand op te leggen, En Hij nam hem builen de schare afzonderlijk, stak zijne vingeren in deszelfs ooren, en gespogen hebbende, raakte Hij zijne tong aan; en opwaarts ziende naar den Hemel, zuchtte Hij, en sprak tot hem: Ephpheta! dat is: Word geopend! En terstond werden zijne ooren geopend! en de band zijner tong werd ontbonden, en hij sprak recht. En Hij gebood hun, dat zij het aan niemand zouden zeggen. Maar hoe meer Hij hun gebood, hoe meer zij het vermeldden en des te meer werden zij verbaasd, zeggende: Alles heeft Hij wel gedaan! Hij heeft en de dooven doen hooren, en de stommen spreken^

Wie kunnen hier door den doofstomme verstaan worden ?

Al degenen, die van het woord Gods en van dingen, die den Hemel en het zieleheil betreffen, niets willen hooren, noch er zelfs over spreken of den lof van God verkondigen willen.

Waarom nam Christus den doofstomme buiten de schare afeonderlyk?

Om ons te leeren, dat zij, die zich bekeeren en vroom willen leven, het gewoel der wereld en de gevaarlijke gezelschappen

5S8

ocr page 597

elfden zondag na pinksteren.

zooveel mogelijk vermijden en de eenzaamheid beminnen moeten; want God spreekt in de eenzaamheid tot het hart (Oseas II, i4).

Waarom »stak Jesus zijn vingeren in de ooren van den doofstomme en, gespuwd hebbende, raakte Hij zijne tong aan?quot;

Om te toonen, dat Hij de kranken kan genezen op eene wijze, welke Hij verkiest; hetzij enkel door zijn woord, hetzij door hem met den vinger aan te raken, hetzij anderszins, alsmede om boven allen twijfel te stellen, dat de genezing van Hem uitgaat en met zijnen wil geschiedt. Ook wilde Hij door die handelwijze op do HH. Sacramenten wijzen, waarin, onder een zichtbaar teeken, de onzichtbare genade des H. Geestes wordt medegedeeld en aan de ziel vreugde en smaak in Hemelsche dingen wordt geschonken; zoodat de ooren gaarne Gods woord aanhooren en de tong alleen spreekt wat goed en slichtend is.

Waarom zag Christus «opwaarts naar den Hemel ? '

Om ons te leeren, dat alle goed van boven komt. Hij zuchtte, om ons te leeren, dat wij medelijden met de zondaars moeten hebben, alsmede om te toonen, hoe moeielijk het is hen te bekeeren, die van God niets weten noch hooien willen. Deze handelwijze van Jesüs toont ons verder nog, hoe krachtig de genade van God is, want op het enkel woord van Christus : Ephpheta, dat is word geopend, waren oogenblikkelijk de ooren van den doofstomme ontsloten en de boeien zijner tong geslaakt, zoodat hij goed spreken en God loven kon.

Waarom gebood Jesus aan de toeschouwers dat zij het wonder aan niemand zouden zeggen?

Om ons te leeren, dat wij niet naar de lofspraak der

menschen moeten streven.

Wat leeren wij van de lieden, die den doofstomme tot Jesus brachten en zich over diens genezing zoozeer verwonderden ?

Dat wij onzen naaste, in zijne krankheid en zijnen nood,

gaarne te hulp moeten komen, hem zoo hij in dwaling of

zonden verkeert, met overleg tot Christus moeten voeren en

voor zijn lichamelijke of geestelijke genezing Code dankbaar,

behooren te loven en te prijzen.

ocr page 598

onderricht over den

Verzuchtingen. 0 Jesus, die zoolang Gij op aarde rond-wandeldet, de kranken en lijdenden genaast, ik bid U, o Geneesheer der zielen, open mijne ooren, opdat ik uwen wil verneme, ontbind mijne tong, opdat ik nwe weldaden roeme en verkondige. Weer ook, o allerootmoedigste Jesus, de begeerten naar ijdelen lof genadig van mij af, opdat ik mijn goede werken daardoor niet openbaar make, en mijnen Hemel-schen Vader, door hoogmoedige zucht naar ijdelen roem, niet vergramme.

Onderriclit over de kerkelijke plechtigtieden of ceremoniën.

Hij stak zijne vingeren in deszelfs ooren, en gespogen hebbende, raakte Hij zijne long aan; en opwaarts ziende naar den Hemel, zuchtte Hij en sprak tot hem: Ephpheta, dat is: Word geopend (Marc. VI, 33-34).

Wat z^jn ceremoniën?

Zekere heilige gebruiken, daden en teekenen, tot den dienst en de aanbidding van God, tol vermeerdering onzer eigene aandacht en tot stichting der medemenschen strekkende, ingesteld overeenkomstig de inwendige gewaarwordingen van ons hart, die zij zichtbaar trachten voor te stellen.

Waarom bedienen wy ons in de godsdienstplechtigheden van ceremoniën ?

1) Om God naar de ziel door inwendige, en naar het lichaam door uitwendige vereering te dienen; 2) ten einde onze godsvrucht te vermeerderen, en de aandacht te bewaren; 3) om door de uiterlijke dingen verheven te worden lot de beschouwing van inwendige en goddelijke zaken (Trident, sess. 22, c. 5), en om onze medemenschen te slichten en hen tevens met ons lot godsvrucht op te wekken.

Zijn de ceremoniën ook op de H. Schrift gegrond ?

Ja, Christus heeft, behalve die, welke hel Evangelie van dezen dag verhaalt, nog onderscheidene ceremoniën gebruikt; bij voorbeeld: Hij zegende de brooden en de visschen; (Matth. XV, 36.) hij bestreek de oogen van den blindgeborene met slijk; (Joann. IX, 6.) hij bad geknield liggende; (Luc. XXII, 41.)

560

ocr page 599

elfdkn zondag na pinksterkn.

Hij viel op zijn aangezicht om te hidden; (Matth. XXVI, 39.) Hij blies over zijne Apostelen, als Hij hun den H. Geest mededeelde; (Joann. XX, 22.) en eindelijk, bij zijne Hemelvaart, zegende Hij zijne Leerlingen met opgeheven handen (Luc. XXIV, 50). Ook in de Oude Wet had God aan de Joden onderscheidene ceremoniën voorgeschreven, die in de Nieuwe Wet meerendeels zijn afgeschaft; eenigo zijn behouden en met nieuwe plechtigheden vermeerderd. Die ceremoniën, welke allen de eer van God en ons heil teu doel hebben, behooren wij met de grootste godsvrucht bij te wonen en ons niet daarvan te laten afhouden, door spot of versmading van andersdenkenden en ongeloovigen.

Zedeles over het misbruik der tong.

En gespogen hebbende, raakte Hij zijne tong aan. Mauc. VII, 33.

Er is gci'n gevaarlijker lidmaat aan ons geheel lichaam, dan een ongebonden tong De long, zegt de H. Jacobus III, 5 en volg. ts wel een klein lidmaat, maar verwekt groote dingen. Ziet, hoe een klein vuur een groot woud in brand steekt! Ook onze tong is een vuur... Zij besmet geheel ons lichaam. Zij ontvlamt onzen geheelen levensloop mei woeste driften, zijnde zij door de hel ontstoken en door Satan bestierd. Door de tong, zoo gaat de Apostel voort, loven wij God en den Vader, en vervloeken wij de menschen, die naar het evenbeeld van God geschapen zijn. Uit den mond treden zegening en vervloeking voort. Ook bestaat er geen land, geene slad, zelfs geen huis, dat niet door kwade tongen tot twist, krakeel, smaad, on ■ eenigheid, ijverzucht, ontucht, achterklap, enz., wordt aangevallen. Een goddelonze tong versmaadt God en diens Heiligen, ver-valscht het Woord Gods, sticht kelterij en scheuring, verleidt de menschen, die ze niet in bedwang houden, en met hen vele anderen, lot onmatigheid, onkuischheid, nijd, vijandschap en afgunst jegens hunne medemenschen, enz. Dooi1 haar worden achterklap en eerroof, laster, beschimpingen, schaamtelooze redevoeringen, valsche aantijgingen, vloeken, meineed en soortgelijke gruwelen geboren. De tong, in één woord, is, gelijk

5C

561

ocr page 600

onderricht over den

de H. Jacorus zegt, eene wereld van ongerechtigheden, en heeft, hoe klein dan ook, groote kwalen voortgebracht. De tong der slang heeft onze stamouders verleid en daardoor den dood en tallooze kwalen in de wereld gebracht (Gen. III). De tong van Judas heeft Christus verraden (Matth. XXVI). De tong van Jeroboam heeft Israel van den tempel en van God zeiven afkeerig gemaakt (III Koning. XII, 28, enz.). En wat is doorgaans de oorzaak van den oorlog, dien geesel des menschdoms? Is het niet de rusteloos werkende kwade tong van nijdige geld- en eergierige menschen, die in den oorlog hun geluk zoeken, en de daaruit voortvloeiende ellenden voor een gewin achten. Hoe velen eindelijk hebben zich niet, door de ongebondenheid hunner tong, in groole ongelukken en droefenis, in tijdelijk en eeuwig verdert gestort ! Velen zijn gevallen, zegt de wijze zoon van Sirach (Eccl. XXVIII, 22) onder het scherp van het zwaard, maar zoovelen niet, als er omgekomen zijn door hunne tong.

Hoe kan men zich dan tegen zulk een gevaarlijken vijand in veiligheid stellen? De H. Jacobus I, 19 zegt het ons. Weest traag in het spreken, dat is, spreekt zooveel niet, en spreekt niet, dan na n wel bedacht le hebben, want in veel spreken zal de zonde niet ontbreken (Spreuk X, 19). Op die wijze zal men in geen woord feilen en zal men een volmaakt man worden (Jac. III, 2). Dit echter vermag de mensch uit zich zeiven niet; hij kan wel, zegt de H. Jacobus, (ibid.) de natuur der wilde dieren temmen, maar zijne tong, dal rusteloos en onhandelbaar kwaad, en vol doodelijk vergift, kan hij door zijn eigen krachten niet bedwingen; derhalve moeten wij God dikwijls om bijstand bidden met de volgende ot soortgelijke

Verzuchtingen. (Psalm CXL, 3.) Stel, o Heer! eene wacht aan mijnen mond, opdat ik niet in zonde vallc en mijne tong mij niet ten verderve voere.

Onderricht over den twaalfden Zondag na Pinksteren.

De Ingang der Mis is het gebed eener bedrukte en tot God om bijstand smeekende ziel. Psalm LXIX. 0 God, zie op tot mijne hulp. Heere, haast U om mij te helpen; dat mijne

ocr page 601

twaalfden zondag na pinksteren.

vijanden, die mijne ziel zoeken, beschaamd en te schande worden. Dat zij terugwijken en zich schamen, die mij kwaad willen. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Almachtige en barmhartige God, wiens gave het is, dat uwe geloovigen U waardig en getrouw dienen, verleen ons, bidden wij U, dat wij de goederen, die Gij ons beloofd hebt, zonder hinder mogen nastreven. Door onzen Heer Jesüs-Ciiiustus uwen Zoon, enz.

EPISTEL: Les uit den tweeden Brief van den

H. Apostel Paulus aan de Gorinthiërs III, 4-9.

Broeders! Zoodanig een vertrouwen echter hebben wij door Chkistüs tot God: niet dat wij van ons zeiven bekwaam zijn, om iels te denken, als uit ons zeiven; maar onze bekwaamheid is uit God, die ons ook bekwaam heeft gemaakt tot bedienaren des Nieuwen Verbonds. niet naar de letter, maar naar den Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. Indien nu de bediening des doods, met letteren in steenen gegrift, in heerlijkheid is geweest, zoodat de kinderen van Israel het aangezicht van Mozes niet konden aanschouwen, om de heerlijkheid van zijn aangezicht, die vernietigd wordt: hoe zal niet te meer de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn? Want indien de bediening der veroordeeling heerlijkheid is, veelmeer is de bediening der rechtvaardigheid overvloedig in heerlijkheid.

Verklaring. In de verzen, die deze Les voorafgaan, verklaart de H. Paulus op God te vertrouwen, dat de Gorinthiërs hem tot een aanbevelingsbrief strekken, dien de H. Geest, door zijn toedoen, geschreven heelt. Dit zijn belrouwen, zoo gaat hij verder, komt echter niet uit zijn eigene krachten, maar van Christus; aangezien hij uit zich zeiven niet eens een goede en zalige gedachte vormen kan en alles, wal hij ter zaligheid vermag, op den bijstand en de genade van God steunt, die hem in slaat gesteld heeft, dienaar van hel Nieuwe Verbond te zijn, niet naar de letter, maar volgens den geest. Want de letter, dat is de Oude Wet /.onder de genade, doodt, of is de gelegenheid des doods, doordien zij de gelegenheid

563

ocr page 602

onderricht over de«

biedt, dat de kwade begeerte in ons opgewekt, de zonde geboren en de menscli aan den dood, dat is, aan de verdoemenis, overgeleverd wordt. Maar de Geest, dat is de H. Geest, maakt levend, omdat Hij gegeven is ter vervulling der wet. Indien dns Mozes, die de doodende letter, dat is, de wet, ten dienste stond, zulke verheerlijking ten deele viel, dat zijn aan-gezieht wonderbaar werd, hoeveel te meer dan moet het ambt van eenen bedienaar des Nieuwen Verbonds in luister en waardigheid uitblinken. — Leer hieruit deze waardige bediening hoogschatten; bemin hen, die u het woord des Heeren verkondigen en ii de HH. Sacramenten toedienen; maar bemin inzonderheid uw zielzorger, die n voortdurend tegen het kwaad waarschuwt, tot het goede vermaant en u nog in uwen doodstrijd zal bijstaan. Betuig ook in iedere omstandigheid aan alle geestelijke oversten de liefde en gehooriaamheid, die gij hun verschuldigd zijt. Dusdoende zult gij bij God die genade verwerven, welke u noodzakelijk is, om in uwen staat, volgens de voorschriften van den heiligen godsdienst, te leven eu te sterven.

ETangelie volgens den H. Lucas X. 23-37.

In dien tijd zeide Jesus tot zijne Leerlingen: Zalig zijn de oogen, die zien, hetgeen gij ziet! Want Ik zeg u, dat vele Profeten en Koningen begeerd hebben te zien, hetgeen gij ziet, en zij hebben het niet gezien; en te hooren, hetgeen gij hoort, en zij hebben het niet gehoord. En ziet, een wetgeleerde stond op, om Hem te beproeven, en zeide: Meester! wat moet ik doen, om het eeuwig leven te bezitten? En Hij sprak tot hem: Wat staat in de wet geschreven? Hoe leest gij? Hij antwoordde, en zeide: Gij zult den Heer uwen God liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uwe ziel en uit geheel uwe kracht en uit geheel uw verstand; en uwen naaste als u zei ven. En Hij sprak tot hem: Gij hebt recht geantwoord; doe dit, en gij zult leven ! En hij, willende zich zeiven rechtvaardigen, zeide tot

364

ocr page 603

TWAALFDEN ZONDAG NA PINKSTEREN.

Jjisus: Wie is dan mijn naaste? Maar Jesus nam het het woord, en sprak: Een mensch kwam aiquot; van Jerusalem naar Jericho, en viel onder moordenaren, die hem ook beroofden, en onderscheidene wonden toebrachten,en, hem hall' dood latende liggen, heengingen. Het gebeurde nu, dat een Priester denzelfden weg afkwam : en als hij hem zag, ging bij voorbij. Desgelijks ook een leviet, als hij omstreeks deze plaats was, en hem zag^ ging voorbij. Maar een Samaritaan, die eene reis deed, kwam nabij hem; en als hij hem zag, werd hij met barmhartigheid bewogen. En hij naderde, en verbond zijne wonden, en goot er olie en wijn in, en zette hem op zijn eigen lastdier, en bracht hem naar de herberg, en droeg zorg voor hem. En des anderen daags nam hij twee tienlingen, en gaf ze aan den waard, en zeide: Draag zorg voor hem ! En al wat gij aan hem meer ten koste legt, zal ik, als ik terugkom, u wedergeven. Wie van deze drie dunkt u, dat de naaste was van hem, die onder de moordenaren gevallen was? Hij nu zeide: Die hem barmhartigheid gedaan heeft. En Jesus sprak lot hem : Ga, en doe gij desgelijks !

quot;Waarom noemt Jesus zijne leerlingen zalig?

Omdat zij de komst van den Verlosser der wereld beleclden. Hem met hunue oogen aanschouwden en zijne leer aanliooren konden; een geluk waarnaar zoovele Koningen, Oudvaders en Profeten vrnelileloos verzucht hadden. — Wij kunnen, wel is waar, Ciiuistus niet meer in persoon zien en hooren, maar wij zijn nochlans, zoo wij vastelijk in Hem gelooven, niet minder zalig (dal is gelukkig) dan de Apostelen; Ciiuistüs immers noemt hen ook zalig, die gelooven zonder gezien Ie hebben (Joann. XX, 29).

Wat is, behalve het Geloof, het meest noodig ter zaligheid ?

God en den naaste te beminnen, want mn deze twee geboden hangt de geheele wet (Matth. XXli, 40).

Zie hel onderriclil over de liefde Gods, op den XVH Zondag na Pink-slei'en. Hier wordl, naar aanleiding van hel Evangelie, alleen over de naaslenliefdc gehandeld.

S63

ocr page 604

onderricht over den

Wie is onze naaste ?

ieder redelijk schepsel, dat met ons deel kan hebben in de Hemelsche glorie: ieder menscli bijgevolg, hij moge vreemdeling of inwoner, arm of rijk, een geloofsgenoot of een ongeloovige zijn-. De Samaritaan immers in het huidige Evangelie had met den mensch, die op den weg het slachtoffer dei-moordenaars geworden was, noch hetzelfde vaderland, noch denzelfden godsdienst gemeen, en desniettegenstaande beschouwde hij hein te recht als zijnen naaste en gedroeg zich als zoodanig, door hem zijne behulpzaamheid te schenken.

Hoe moeten wij onzen naaste beminnen?

Gelijk ons zeiven; dat is, wij moeten onzen naaste al het goede tocwenschen, gunnen en in geval van nood bewijzen, dat wij ons zeiven wenschen, gunnen en doen (Matth. VII, 12); en omgekeerd mogen wij hem niets doen, wenschen of gunnen, dat wij zelf niet gaarne zouden hebben. Op deze wijze beminde de Samaritaan zijnen naaste en overtrof daardoor zeer verre den Priester en den Leviet.

Waardoor kan men voornamelyk de naastenliefde beoefenen ?

Door de geestelijke en lichamelijke werken van barmhartigheid, waarvan op den VII Zondag na Pinksteren (bl. 533). gesproken is, en waartoe het volgende nog behoort. 1) Zich te verheugen over de welvaart, over de gunsten en genaden die de naaste naar ziel en lichaam van God ontvangen heeft; en omgekeerd zich over diens ongeluk te bedroeven en medelijden met hem te hebben, gelijk ons Paulus (I Cor. I. 4. enz.) door zijn voorbeeld leert. 2) God te bidden, dat Hij zich gewaardige veel genade aan onzen evenmensch mede te deelen. Zóó bad de H. Paulus met gebogen knieën, opdat de inwoners van E[)hese met de kennis van God en alle volmaaktheden mochlen vervuld worden (Implies. Ill, 14). 3) Voor het zielenheil des naasten zorg te dragen; hom derhalve door een deugdzaam leven te stichten en lot hel goede aan te sporen, hem te onderrichten, le vermanen, terecht te wijzen, Ie straffen, en den moed niet op te geven, zoo hij zich ook aanvankelijk aan dat alles iJet schijnt te storen, noch oogenblikkelijk eenige beternis toont. Misschien zal eindelijk een gunstig oogen-

566

ocr page 605

twaalfden zondag na pinksteren.

blik voor hein opdagen, waarop hij onze bemoeiingen ter harte neemt en zicli betert; blijft hij echter versteend, dan hebben wij toch onzen plicht gedaan. 4) De fouten des naasten, zijne gebreken, krankheden en zwakheden gediddig te verdragen, waartoe dezelfde Apostel (Gal. V[, 2.) ons vermaant, wanneer hij schrijft: Draagt elkanders lasten, en zóó zuil gij de wet van Christus vervullen.

■Waarom moeten wij onzen naaste beminnen?

Behalve het gebod van God en van Chiustus, dat zoo dikwijls is herhaald en ons zoo zeer op hel hart is gedrukt, en dat bijgevolg meer dan voldoende moest zijn, om ons tot de naastenliefde aan te sporen, zijn er nog andere redenen, die ons daartoe bewegen, t) Wij zijn allen, niet alleen door de natuur, die wij van Adam hebben, maar ook door de genade, die wij van Christus untleenen, broeders en zusters onder elkander; wij moeten dus elkander ook als broeders en zusters liefhebben. 2) Al onze medemenschen zijn, even als wij, naar het beeld van God geschapen, door het dierbaar Bloed van Jesus-Ghristus vrijgekocht en als kinderen Gods voor het bezit des Hemels bestemd; daarom zegt dan ook de H. Paulus ; Gij allen zijt één in Christus Jesus. Beijvert u om de eenheid des Geestes te bewaren, in den band des vredes (Gal. III, 28. Ephes. IV, 3). 3) Tol deze vereeniging en liefde worden wij verder opgewekt, door hel voorbeeld van Jesus, die ons beminde, toen wij nog zijne vijanden waren (ad Rom. V, 10); die, uil liefde voor ons, den dood onderging en, aan het kruis, nog voor zijne moordenaars bad. Zouden wij dan zijne leerlingen wel zijn en door Hem als zoodanig kunnen beschouwd worden, indien wij Hem in zijne liefde jegens den naaste niet navolgden (Joann. Xlll, 35). 4) Eindelijk moei de noodzakelijkheid dezer liefde ons daartoe aansporen; want zonder de naasteu-liëfde kunnen wij onmogelijk zalig worden. Wie niet bemint, zegt de H. Joannes (l Brief, 111, 14) blijft in den dood. Indien iemand zegt: Ik bemin God, en zijnen broeder haat, die is leugenachtig; want wie zijnen broeder niet bemint, dien hij ziet, hoe kan die God beminnen, dien hij niet ziet? (Ibid. IV, 20). Hij dus, die zijnen naaste niet liefheeft, bemint God ook niet;

367

ocr page 606

onderricht over den

want hij overtreedt een der gewichtigste geboden van God en vervult diens wet niet (Rom. XIII, 8). Hij wordt buiten den Hemel gesloten; want de Hemel is liet rijk der liefde, hetwelk zij alleen zullen bezitten, die op deze wereld elkander waarlijk om God bemind hebben.

Wat is er noodig, opdat de naastenliefde verdienstelyk zy?

Dat zij God ten doel hebbe, dat is, dat men den naaste in en om God beminne, omdat God dit gebiedt en daarin behagen vindt. Zijnen naaste enkel uit natuurlijke toegenegenheid, uit eigenbelang of om andere, nog onedeler beweegredenen liel te hebben en goed te doen, is een geheel natuurlijke liefde, die ook bij de Heidenen, ja zelfs bij de dieren gevonden wordt. De Heidenen immers ook groeten en beminnen hen allen, van wie zij bemind en gegroet worden (Matth. V, 46) en de dieren likken de hand, die hen weldoet.

Verzuchtingen. 0 mijn God, mijne barmhartigheid, schenk mij een liefderijk en medelijdend hart, dat mij voortdurend aanspoort, uit liefde tot U mijnen naaste wel te doen, de behoeftigen bij te staan, de bedroefden te vertroosten, de dwa-lenden terecht te wijzen, de verdrukten op te beuren, de armen te ondersteunen, enz., opdat ik hetzelfde van uwe barmhartigheid moge verdienen (H. Augustinus).

Wat wordt in eenen meer verhevenen en geestelijken zin door deze gelykenis verstaan?

Volgens de uitlegging der H. Vaders, wordt door den mensch, die op den weg het slachtoffer der moordenaars was geworden, onze eerste vader Adam beduid, en met hem geheel het menschelijk geslacht, dat, door de ongehoorzaambeid van Adam, in de inachl van Satan en diens aanhangers viel. Door dien val werd het menschdom van de oorspronkelijke rechtvaardigheid en de genade Gods beroofd en daarenboven door de kwade begeerlijkheid, in zijne zielskrachten gewond en verlamd, eindelijk aan de ellenden dezes levens en aan den dood onderworpen. Üe Priesters en Levieten, door welke de Oude Wet wordt voorgesteld, konden dal ongeluk niet verhelpen; maar Christus, de ware Samaritaan en Redder, trok

568

ocr page 607

m

li

lilt

twaalfden zondag na pinksteren. 569

liiHPiquot;'

zich de zorg voor den verwonden mensch aan, Hij goot de ijPj

olie zijner genade en den wijn zijns Bloeds in diens wonden, en genas hem; Hij zette hem, om zoo te spreken, op zijn lastdier,

door hem, in het H. Doopsel en in de andere HH. Sacramenten,

met zich te vereenigen, en bracht hem naar de herberg, dat ^jji

is, naar zijne Kerk, alwaar Hij de verpleging en verzorging van den verwonde aan de zielzorgers toevertrouwde. Dank !|:||i

den Heer Jesus, den barmhartigen Samaritaan, voor de groots liefde en zorgen, die Hij u toedraagt, en beijver u door uwe medewerking, zijne zorgen voor u vruchtbaar te maken.

i

Onderriclit over het Sacrament des H. Oliesels.

Hij goot olie en wijn in zijne iconden (Luc. X, 34). De handelwijze van den Samaritaan met den zwaar gewonden mensch kan als een afbeeldsel van het H. Sacrament des Oliesels beschouwd worden, waarin Christus, de ware Satna-ritaan, den kranke insgelijks door middel van het H. Oliesel,

zijne genade mededeelt, en hem, zoo niet altijd naar het lichaam, althans naar de ziel geneest en sterkt, als de kranke zelf daartegen geen beletsel stelt.

Waarom gelooven wij, dat het H. Oliesel een Sacrament is ?

m •ül'II

i ui»'quot;

ii iij nm Ü

Omdat het H. Oliesel, door middel van een zichtbaar en door Christus te dien einde ingesteld teeken, de Goddelijke genade aan den kranke mededeelt.

Wanneer is dit H. Sacrament ingesteld?

De Kerkvergadering van Trente (sess. XIV, cap. I de extrem. Unct.) zegt, dat het H. Oliesel bij den Evangelist Marcus Vi, 13, — alwaar verhaald wordt, dat de Leerlingen van Christus de kranken met olie zalfden en genazen, — is aangekondigd eu later door den H. Jacobus als een Sacrament,

van Christus ingesteld, den Chrisleneu bekend gemaakt is.

Die Apostel zegt immers in zijnen brief (V, 14-1S.) : [s iemand onder u ziek, hij roepe de Priesters der Kerk bij zich, en dat deze over hem bidden, hem zalvende met olie in den naam des Heeren. En het gebed des geloofs zal den zieke heilzaam zijn.

|Wquot;

il

ii «iquot; ' ili :;::i

ocr page 608

ONDERRICHT OVT.lt DEN

en de Heer zal hem verlichten, en zoo hij in zonden is, deze zullen hem vergeven worden. Dil zou de H. Jacobus niet hebben kunnen zeggen, indien Iiij de instelling en het gebod van Christus niet had gekend.

Welk is het uitwendig teeken van dit Sacrament ?

De zalving met de H. Olie, die op Witten Donderdag door den Bisschop wordt gewijd, en het gebed des Priesters.

Wat werkt dit Sacrament op de kranken uit?

Naar de boven aangehaalde woorden van den H. Jacobus, heeft het de volgende uitwerksels: 1) Het geeft den kranke, als het hem /.alig is, de gezondheid des lichaams terug, of schenkt hem althans, door middel van den Goddelijken bijstand, een zoo groote verlichting in de smarten zijner ziekte, dat hij die geduldig en met verdienste verdragen kan. 2) Het verlicht ook den zieke naar de ziel, die van de zwakte en traagheid in het goede ontdaan en tegen de onrust des gemoeds, alsmede tegen de aanvechting des duivels, gewapend en gesterkt wordt. 3) Door dit H. Sacrament worden den zieke, bijaldien hij het met een waar berouw ontvangt, niet alleen de dagelijksche zonden, en de overblijvende straffen, maar ook de doodzonden vergeven, die hij vergeten had of die hij niet meer in staat is te biechten.

Hoe moet de kranke gesteld zyn, om zich aan die genade deelachtig te maken?

Dewijl de Heilige Sacramenten des te grootere voordeden aanbrengen, naarmate hij, die ze ontvangt, zich daartoe beter heeft voorbereid, zoo moet een kranke zich vooraf, door een goede biecht, een Heilige Communie, en door inwendige, levendige verzuchtingen, zoo goed mogelijk voorbereiden. Derhalve moet •quot;j met dit H. Sacrament te ontvangen niet uitstellen, tot dat de hevigheid der ziekte hem hel bewustzijn ontroofd heeft, en hij nauwelijks meer weet of gevoelt, wat hem geschiedt; maar hij moet, zoodra hij het gevaarlijke zijner ziekte merkt en terwijl hij nog goed bij verstand is, naar dit H. Sacrament verlangen, opdat hij het met eerbied en voordeel kunne ontvangen. Hij zal daarom niet eerder sterven; integendeel, gelijk de ondervinding leert, des te eerder genezen,

570

ocr page 609

TWAALFDEN ZONDAG NA P1NKSTEKEN.

als het hein zalig is; en in alle geval dit voordeel verwerven, dat zijne ziekte verdienstvoller, en zijn dood zachter en gelukzaliger zijn zal.

Is dit H. Sacrament noodzakelijk ter zaligheid?

Neen; maar men mag niet verwaarloozen, zich door het waardig ontvangen van dit H. Sacrament, deelachtig te maken aan de genaden, die het medebrengt, ten einde den weg ntiar de eeuwigheid rustig en met kinderlijk betrouwen op God te kunnen inslaan.

Kan dit H. Sacrament meermalen ontvangen worden ?

Ja; en wel zoo dikwijls als men, door eene ziekte of ongeluk, in doodsgevaar gebracht wordt.

Wat doet de Friester, zoodra hij het huis, waar de kranke is, binnentreedt'?

Hij wenscht dit huis en diens bewoners den vrede toe en bidt, dat God zich gewaardige zijn Heiligen Engel te zenden, opdat deze de inwoners des huizes beware, alle hinderlagen van Satan er uit verwijderd houde, den kranke troostc, versterke en hem de gezondheid moge teruggeven.

Waarom besproeit de Priester den kranke en de aanwezigen met gewijd water?

Om hun indachtig te maken, dat zij, door hun vromen levenswandel, steeds op een zuiveren waterspiegel moeten gelijken, of althans door ware rouwmoedigheid moeten trachten, van God vergifleiiis hunner zonden te verwerven.

Tot welk einde wordt de korte Litanie van alle Heiligen gebeden?

Opdat de Heiligen God bidden, dat Hij zich gewaardige den kranke te geven, wat- hem nuttig en heilzaam is, voornamelijk liet geloof, de hoop, do liefde, liet berouw, enz., en hem legen de aanvechtingen van den boozen vijand bevrijde. Middelerwijl de Litanie gebeden wordt, behoort de kranke, zoo het mogelijk is, ten minste met hel hart te zeggen: Bidt voor mij, en alle aanwezigen antwoorden: Bidt voor hem.

Wat spreekt de Priester, alvorens hy de H.

Zalving begint ?

»ij zegent den kranke en bidt, dat God, door de oplegging der handen, en door de inroeping van alle Heilige Engelen,

571

ocr page 610

onderricht over den

Ondvaders, Profeten, Apostelen, Martelaren, Belijders en alle Heiligen zich gewaardige alle mat hl des duivels van den zieke al' te weren.

Wat spreekt de Priester by de Zalving met de H. Olie?

Hij bidt, dat God door deze zalving, en zijn genadige barmhartigheid alle zonden vergeve, die de kranke met zijn vijf zinnen bedreven heeft. Intusschen behoort de kranke ook een hartelijk berouw te verwekken over de zonden, met zijn vijf zinnen gepleegd, en Gods barmhartigheid ootmoedig te smeeken, om vergilfenis zijner zonden en kwijtschelding der straffen, die hij door zijne misdaden verdiend heeft.

Waartoe strekken de overige gebeden?

Om God te smeeken, dat Hij den kranke versterken en hem de gezondheid wedergeven moge. — De Priester houdt den kranke een kruisbeeld voor, opdat deze er zijnen troost in putte, en een groot betrouwen scheppe in Christus zijnen Zaligmaker. Dal kruisbeeld moeten de aanwezigen ook later den kranke dikwijls voorhouden, om hem daardoor tol betrouwen op God aan te sporen.

Wat behoort de kranke te doen, als de Priester alles verricht heeft?

God nil alle krachten hartelijk te bedanken voor de weldaad, in het katholiek geloof geboren en opgevoed le zijn en hem door de Heilige Sacramenten, deelachtig gemaakt le hebben aan het lijden en den dood van Christus. Verder moet de kranke zich aan hel bloed van Jesus en diens heilige Wonden aanbevelen, en gaarne met Christus onder de doornenkroon en het kruis ten Hemel binnengaan.

Onderricht over den dertienden Zondag na Pinksteren.

Bij den Ingang der Mis. Bid heden met den Priester om bijstand tegen uwe vijanden: Zie, Heer! op uw verbond, en verlaat de zielen uwer armen niet voor altijd. Sta op, Heer en oordeel uwe zaak, en vergeet de stemmen niet van hen, die U zoeken. Psalm LXXHI. Waarom verstoot Gij, o God, voor altijd? Waarom is uwe gramschap ontstoken tegen de schapen uwer weide? Eere zij den Vader, enz.

572

ocr page 611

DEKTIENDEN ZONDAG NA PINKSTEREN.

Gebed der Kerk.

Almachtige, eeuwige God! vermeerder in ons het geloof, de hoop en de liefde, en opdat wij verdienen te verkrijgen, hetgeen Gij belooft, maak dat wij beminnen, hetgeen Gij ge biedt. Door Jesüs-Christus, uwen Zoon, enz.

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Apostel Paulus aan de Galatiërs, III 16-22.

Broeders! De beloften werden tot Abraham gesproken, en tot zijnen nazaat. Hij zegt niet: En den nazaten, als aangaande velen, maar als aangaande éénen: En uwen nazaat; dewelke is Christus. Dit dan zog ik; De vier honderd en dertig jaren daarna gekomen wet ontkrachtigt niet het Testament. bekraehligd door God, zoodat vernietigd zoude zijn de belofte. Want indien uit de wet de erfenis is, is zij niet meer uit de belofte. Aan Abraham echter heeft door belofte God haar geschonken. Wat dan de wet? Om der overtredingen wil is zij gesteld, totdat komen zoude de nazaat, aan wien Hij beloofd had: verordend is zij door Engelen, in de hand van eenen middelaar. De middelaar echter is niet één. God echter is één. Is de wet dan tegen de beloften Gods? Dat zij verre! Want indien er eene wet gegeven ware, welke levend konde maken, zoude waarlijk uit de wet de rechtvaardigheid zijn. Maar de Schrift heeft alles besloten ouder do zonde, opdat do belofte uit hol geloof van Jesi'S-Christüs gegeven zoude worden aan hen, die golooven.

Verklaring. De H. Paulus wil in zijn Brief aan de Galatiërs, die, door valsche leerstellingen misleid, nog al te vast aan de Joodscho wet hielden, de ongenoegzaamheid dezer wet toonen en hun bewijzen, dat zij door Christus van het juk dier wet ontslagen zijn en alleen in het geloof in Jesus kunnen zalig worden. Daarom zogt hij in deze Les, dat de groote beloften, die God aan Abraham gedaan hoeft, eigenlijk op Christus betrekking hebben, door wien alle volkeren dor aarde, die in Hem zullen gelooven, zouden gezegend en zalig worden (Gen. XII, 3 en XXII, 18). Deze belofte, zoo gaat hij verder, is door de wet, welke Mozes 430 jaren later aan de Joden gaf, niet krachteloos en ijdel geworden; want wij hebben den zegen, de rechtvaardiging en heiliging niet van de

373

ocr page 612

ONDEUniCIIT OVER den

wet van Mozes, maar van de belofte te verwachten, die God lang te voren aan Abraham gedaan had. Maar waartoe diende dan die wet? Zij diende, om den Israelieten hunne overtredingen van Gods geboden te doen kennen, hen er over te vermanen en te bestraffen. Zij was als eene leermeesteres en opvoedster, welke de menschen tot Christus moest voeren, die alleen hen van de ronden bevrijden en rechtvaardig maken kan, hetwelk de wet niet vermocht. Het grootste onderscheid lusschen de wet en de belofte of den beloofden Messias bestaat alioo hierin, dat Christus, en niet de wet, de menschen door zich zeiven rechtvaardig en zalig maken kan; dat de belofte van den Messias en diens verlossingswerk onmiddellijk van God komen, en dal de wet daarentegen door do Engelen, door Mozes, als middelaars tusschen Goil en het Joodsche volk, geregeld en uitgevaardigd is geworden. De wet is nochtans met de belofte niet in strijd; integendeel, zij voert tot het bezit der belofte; maar zij is veel minder voortreffelijk dan de belofte, ja zij moet zelfs ophouden, dewijl de belofte thans vervuld en Christus de beloofde Messias werkelijk gekomen is, die, hetgeen de wet niet kon, de menschen van hunne zonden bevrijdt en hen het beloofde heil zal doen verwerven, indien zij oprecht in Hem gelooven en zijne leer getrouw volgen. — Bevlijtig u dus, o Christen, om liet heil, dat u beloofd is, volgens de vermaning des Apostels door een werkdadig geloof in Christus te verwerven.

Evangelie volgens den H. Lucas XVII, U-19

In dien tijd, terwijl Jesus naar Jerusalem reisde, g'ng Hij midden door Samarië en Galilea. En als Hij een vlek inging, ontmoetten Hem tien melaatsche mannen, die van verre bleven staan. En zij verhieven hunne stem en zeiden : Jesus, Meester, ontferm U onzer! En als Hij hen zag, sprak Hij: Gaat, vertoont u den Pnes-teren! En het geschiedde, terwijl zij gingen, dat zij gezuiverd werden. En één van hen, als hij zag, dat hij gezuiverd was, keerde wederom, en verheerlijkte God met luide stem; en viel op hel aangezicht voor zijne voeten, en dankte: en deze was een Samaritaan. En

574

ocr page 613

dertienden zondag na pinksteren.

Jesus nam het woord, en sprak : Zijn niet de tien gezuiverd geworden? Waar zijn dan de negen ? Er is niemand gevonden, die terugkeerde, en Gode eere gaf, dan deze vreemdeling. En Hij sprak tot hem : Sta op, ga, uw geloof heeft u behouden !

Wat kan men door de melaatschheid in een geestelijken zin verstaan?

De H. Augustinus verstaat daardoor de valsche leer; doch men kan daardoor ook de zonde, en wel voornamelijk de on-kuischheld verstaan, waardoor de ziel des menschen veel meer hevlekt, bezoedeld en misvormd wordt, dan het lichaam door de afschuwelijkste melaatschheid. In de wet van MozEs(Levit.XIIl) werden drie soorten van melaatschheid onderscheiden: de melaatschheid des vleesches, der kleederen en der huizen. In eenen geestelijken zin worden door de melaatschheid des vleesches de oiitnchtigen beteekend, die ook anderen zeer lichtelijk met hunne melaatschheid der ontucht aansteken en daarom zorgvuldig moeten vermeden worden. De melaatschheid der kleederen bestaat in de kleederpracht en een ergerlijken opschik, waardoor niet alleen de zielen verleid worden, maar ook menigeen zijn geld en goed verliest, en somtijds geheele gemeenten zich, door de navolging van deze ontstichtende pracht, in het tijdelijk en eeuwig verderf storten. De huiselijke melaatschheid eindelijk bevindt zich in die huizen, waarin ergernisgevende dienstboden, verderfelijke samenkomsten van personen van beider geslacht, enz. geduld, waar ontuchtige en dubbelzinnige gesprekken gevoerd, oneerbare gezangen, danspartijen en spelen gehouden en ontuchtige daden gepleegd worden; waar de getrouwden in bijzijn van anderen zich al te vrij en schaamteloos gedragen, waar de ouders Jumne kinderen, wel klein maar reeds slim genoeg, met zich te bedde nemen, of kinderen van beider kunne bij elkander laten slapen, enz. Zulke huizen moeten veel meer dan de pest gevlucht worden, en wee hun, die zich vrijwillig daarin ophouden.

Waarom bleven de melaatschen van verre staan ?

Dewijl dit in de wet van Mozes (Levit. XIII, 46) aldus bevolen was, ten einde anderen door hunne melaatschheid niet

575

ocr page 614

onderricht over den

wet van Mozes, maar van de belofte te verwacliten, die God lang te voren aan Abraham gedaan liad. Maar waartoe diende dan die wet? Zij diende, om den Israëlieten hunne overtredingen van Gods geboden te doen kennen, hen er over te vermanen en te bestratTen. Zij was als eene leermeesteres en opvoedster, welke de menschen tot Christus moest voeren, die alleen hen van de zonden bevrijden en rechtvaardig maken kan, hetwelk de wet niet vermocht. Het grootste onderscheid tusschen de wet en de belofte of den beloofden Messias bestaat alzoo hierin, dat Christus, en niet de wet, de menschen door zich zeiven rechtvaardig en zalig maken kan; dat de belofte van den Messias en diens verlossingswerk onmiddellijk van God komen, en dal de wet daarentegen door dc Engelen, door Mozes, als middelaars tusschen God en het Joodsche volk, geregeld en uitgevaardigd is geworden. De wet is nochtans met de belofte niet in strijd; integendeel, zij voert tol het bezit der belofte; maar zij is veel minder voortreffelijk dan de belofte, ja zij moet zelfs ophouden, dewijl de belofte thans vervuld en Christus de beloofde Messias werkelijk gekomen is, die, hetgeen de wet niet kon, de menschen van hunne zonden bevrijdt en hen het beloofde heil zal doen verwerven, indien zij oprecht in Hem gelooven en zijne leer getrouw volgen. — Beviijtig u dus, o Christen, om het heil, dat n beloofd is, volgens de vermaning des Apostels door een werkdadig geloof in Christus te verwerven.

Evangelie volgens den H. Lucas XVII, 11-19

In dien tijd, terwijl Jesus naar Jerusalem reisde, ging Hij midden door Samarië en Galilea. En als Hij een vlek inging, ontmoetten Hem tien melaatsche mannen, die van verre bleven staan. En zij verhieven hunne stem en zeiden : Jesus, Meester, ontferm U onzer! En als Hij hen zag, sprak Hij: Gaat, vertoont u den Pries-teren! En het geschiedde^ terwijl zij gingen, dat zij gezuiverd werden. En één van hen, als hij zag, dat hij gezuiverd was, keerde wederom, en verheerlijkte God met luide stem; en viel op het aangezicht voor zijne voeten, en dankte: en deze was een Samaritaan. En

574

ocr page 615

deutif.nden zondag na pinksteren.

Jesus nam het woord, en sprak : Zijn niet de tien gezuiverd geworden? Waar zijn dan de negen ? Er is niemand gevonden, die terugkeerde, en Gode eere gaf, dan deze vreemdeling. En Hij sprak tot hem : Sta op, ga, uw geloof heeft u behouden !

Wat kan men door de melaatschheid in een geestelijken zin verstaan ?

De H. Augustinus verstaat daardoor de valsche leer; doch men kan daardoor ook de zonde, en wel voornamelijk de on-kuischheid verstaan, waardoor de ziel des mensdien veel meer bevlekt, bezoedeld en misvormd wordt, dan liet lichaam door de afschuwelijkste melaatschheid. In de wet van MozEs(Levit.XIIl) werden drie soorten van melaatschheid onderscheiden: de melaatschheid des vleesches, der kleederen en der huizen. In eenen geestelijken zin worden door de melaatschheid des vleesches de ontnehtigen beteekend, die ook anderen zeer lichtelijk met hunne melaatschheid der ontucht aansteken en daarom zorgvuldig moeten vermeden worden. De melaatschheid der kleederen bestaat in de kleederprachf en een ergerlijken opschik, waardoor niet alleen de zielen verleid worden, maar ook menigeen zijn geld en goed verliest, en somtijds geheele gemeenten zich. door de navolging van deze ontstichtende pracht, in liet tijdelijk en eeuwig verderf storten. De huiselijke melaatschheid eindelijk bevindt zich in die huizen, waarin ergernisgevende dienstboden, verderfelijke samenkomsten van personen van beider geslacht, enz. geduld, waar ontuchtige en dubbelzinnige gesprekken gevoerd, oneerbare gezangen, danspartijen en spelen gehouden en ontuchtige daden gepleegd worden; waar de getrouwden in bijzijn van anderen zich al te vrij en schaamteloos gedragen, waar de ouders Jmnne kinderen, we! klein maar reeds slim genoeg, met zich te bedde nemen, of kinderen van beider kunne bij elkander laten slapen, enz. Zulke huizen moeten veel meer dan de pest gevlucht worden, en wee hun, die zich vrijwillig daarin ophouden.

Waarom bleven de melaatschen van verre staan ?

Dewijl dit in de wet van Mozes (Levit. XIII, 46) aldus bevolen was, ten einde anderen door hunne melaatschheid niet

575

ocr page 616

onderuicht over den

aan te steken. Zulks leert ons, dat wij de ergernisgevende personen, de kwade gezelschappen en de gevaarlijke huizen zorgvuldig moeten vermijden; immers wie met pek omgaat, wordt daarmede besmeurd, en wie met ijdele, hoogmoedige, onkuische personen verkeert, zal weldra hun gelijk worden.

Waarom zond Christus de melaatschen tot de Priesters?

i) Opdat de eer, die aan de priesterlijke waardigheid en aan het gebod Gods toekomt, zou bewezen worden. Er was (Levit. XIV, 2) bevolen, dat de melaatsehen zich aan Priesters moesten vertoonen, om door hen rein of onrein verklaard te worden. 2) Dit geschiedde om het geloof, het vertrouwen en de gehoorzaamheid dezer melaatschen op de proef te stellen. Christus wilde hen niet enkel op hun gebod alleen genezen, maar Hij verlangde, dal hunne genezing hun ook eenige moeite zou kosten, en zij ze door hunne medewerking, door hun geloof aan zijn woord, door hun betrouwen op zijne macht en door gehoorzaamheid aan zijne bevelen zouden verdienen. En inderdaad, terwijl zij heengingen, om zich aan de Priesters te vertoonen, werden zij gezuiverd. Dit was de belooning van hun werkdadig geloof en betrouwen. — Zoo gedraagt God zich ook jegens de zondaars. Hij is wel bereid, hen van hunne melaatschheid der zonden te zuiveren, maar wil nochtans, dat zij Hem om hunne genezing vurig en dringend smeeken, zich vervolgens aan de Priesters vertoonen, dezen door een oprechte biecht den gevaarlijken toestand hunner ziel blootleggen en de middelen, die God hun door den Priester te hunner genezing aan de hand geeft, bereidwillig gebruiken; op die wijze alleen zullen zij de volkomen gezondheid hunner ziel verkrijgen.

Waarom vraagde Jesus naar de negen anderen, die ook gezuiverd waren geworden?

Om aan te toonen, hoezeer Hem de ondankbaarheid mishaagt. Al den smaad, dien men Hem aandeed, verdroeg quot;ij stilzwijgend; maar de ondankbaarheid wilde Hij niet zonder opmerking laten voorbijgaan. Zulk groot kwaad is de ondankbaarheid. De ondankbaarheid, zegt de H. Bernardus, is eene vijandin der ziel, doordien zij hare verdiensten vernielt, de deugden bederft en de genade tegenhoudt. Zij is een verzen-

576

ocr page 617

dertienden zondag na pinksteuf.n.

gende wind, die de bron dor goedlioid, der barmhartigheid en der Goddelijke ingevingen uitdroogt. De dankbaarheid, integendeel, is, gelijk de H. Chrysostomüs leert, de beste bewaarster der weldaden, en hij, die geringe weldaden met dank aanneemt, spoort, gelijk Cassianus bemerkt, de weldoeners tot grootore weldaden aan. Weest dus dankbaar (Coll. Ill, IS).

Waarom vordert God dankbaarheid van ons ?

De H. Chrysostomüs beantwoordt deze vraag zeer schoon, wanneer hij zegt: God verlangt van ons de dankbaarheid, niet alsof Hij ze noodig heelt, maar Hij verlangt ze, opdat al hare voordeeion op ons tenigslaan en wij weer aan nieuwe genaden deelachtig mogen worden. Wij hebben trouwens de grootste redenen om Gode dankbaar te zijn; geen oogenblik immers gaat voorbij, waarop Hij ons niet met eindolooze weldaden overlaadt. — Vergeet derhalve niet, 's morgens en 's avonds, vóór en na het eten God door een hartelijk gebed )e bodanken. Zoo dikwijls gij in uw huis, aan nwe kinderen, aan uw vee, enz., op uw veld, aan uwe bezittingen Gods zegen bespeurt, betuig Hem uwe dankbaarheid; bedank Hem evenwel voornamelijk, als gij de vruchten der aarde hebt ingezameld. Daardoor zult gij steeds nieuwen zegen en nieuwe genaden van God ontvangen. De H. Anselmus zegt: Wij kunnen niets boter en Gode niets aangenamer denkon, zeggen of schrijven dan: Gode zij dank.

Onderriclit over liet H. Sacrament des Priesterscliaps.

Gaat, vertoont u den Priesters! Luc. XVH, 14.

Indien de Verlosser aan de Priesters der Oude Wet zulk eene eer bewees, dat Hij den melaatschen beval zich den Priesteren te vertoonen, alhoewel deze tor genezing der me-laatschheid niets kondon doen, welk een eerbied on hoogachting verdienen dan de Priesters der Nieuwe Wet niet, die door de heilige wijding werkelijk de macht ontvangen hebben de me-laatschheid der ziel te genezen, en bovendien nog vele hoogero voorrechten.

577

ocr page 618

onderricht over den

Wat is het Priesterschap ?

Een Sacrament van Christus ingesteld, waarin de tot Priesters uitverkorenen de geestelijke macht en genaden ontvangen, de hun toevertrouwde kerkelijke bedieningen, godsdienstig te verrichten en deugdzaam te leven.

Welk is het uitwendig teeken waardoor den Priester de genade wordt medegedeeld?

De oplegging van de handen des Bissciiops en de overgeving van den kelk met brood en wijn, alsmede de mondelinge overgave der macht, het brood en den wijn in het waarachtig Lichaam en het waarachtig Bloed van Christus te veranderen, en de zonde te vergeven en te behouden (Conc. Flor. in Decret. Eug. et Trid. sess. XIV c. 3. de poen. et sess. XXII c. 1).

Wanneer heeft Christus dit H. Sacrament ingesteld ?

In het Laatste Avondmaal, toen Hij, na het brood in zijn waarachtig Lichaam en den wijn in zijn waarachtig Bloed veranderd te hebben, tot zijne Apostelen zeide; Doet dit tot mijne gedachtenis (Luc. XXII, 19). Na zijne verrijzenis sprak Hij hun nog aldus toe: Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zende Ik ook u (dat is, gelijk Ik Hoogepriester ben naar de orde van Mel-chisedech, zoo moet ook gij Priesters zijn) en Hij gaf hun hierbij de macht, de zonden te vergeven en te behouden (Joann. XX, 2i, en volg.).

Hebben de Apostelen het Priesterschap ook als een Sacrament beschouwd ?

Ja, want de H. Pauliis vermaant zijnen leerling Timotheus (II Brief I, 6), dat hij de genade Gods, die hij door de opleg-gins zijner (des Apostels) handen ontvangen had, niet verwaar-loozen, maar weder opwekken en vernieuwen moest. Daaruit volgt, dat de H. Pauxus overtuigd was, dat den Priesteren, door de handenoplegging der Apostelen (en van hunne opvolgers, de Bisschoppen) de genade Gods wordt medegedeeld, waarin dan ook het wezen van dat Sacrament bestaat.

Worden degenen, die tot het Priesterschap bestemd zijn, in ééns priester gewijd ?

Neen. Het Priesterschap is zoo eerwaardig en verheven, dat men er niet, dan langs verscheidene frappen, toe opklimmen kan.

578

ocr page 619

dertienden zondag na pinksteren.

Welke zyn die trappen?

Zij zijn de vier kleinere Ordens, liet Subdiakonaat en het Diakonaat. Nadat hij, die in den geestelijken stand weuscht opgenomen te worden, de tonsuur heeft ontvangen, dat is, nadat men hem de haren van de kruin, in vorm van kroon, heofl weggeschoren — ten teeken, dat hij de ijdelheden der wereld heeft vaarwel gezegd en voortaan Jesus den met doornen gekroonde als zijn Koning moet erkennen — en het witte koorkleed heeft aangetrokken — waardoor de noodzakelijkheid van eenen onberispelijken levenswandel voorde geestelijken aangeduid wordt — wordt iiïj 1) tot de bediening van deurbewaarder verheven Hierdoor wordt hem het opücht over de kerk met al hare benoodigdheden en meubelen, en de zorg opgedragen, dat de godsdienstplechtigheden met passenden eerbied worden bijgewoond; 2) tot de bediening van lezer, die hem de bevoegdheid geeft, de Lessen uit de H. Schrift en uit de HH. Vaders in de kerk voor te leien; 3) tot hel ambt van bezweerder of exorcist, waardoor hij de macht verkrijgt van de booze geesten, in den naam van Jesus, te gebieden en uit te jagen; 4) tot de bediening van acoliet of misdienaar, die hom de zorg oplegt het wierooksvat te dragen, de lichten aan te steken, en water eu wijn in het 11. Misoffer aan te bieden

De ceremoniën, bij deze wijdingen gebruikelijk, bestaan hierin, dat aan den wijdeling de voorwerpen worden overgegeven, die het zinnebeeld der macht zijn, welke hij ontvangt; zóó worden aan den deurhewaarder de sleutels der kerk gegeven, en moet hij de kerk openen en sluiten, alsmede de-klok luiden; aan den lezer en den bezweerder, wordt een boek, en aan den acoliet een kandelaar met uitgedoofde kaars, en een ampulle of gietkannetje overgegeven.

Welke is de bediening van den Subdiaken en den Diaken, en onder welke ceremoniën worden die waardigheden toegediend ?

De bediening van Subdiaken stelt hem, die er mede bekleed is, in staal de Priesters in de Hoogmis te dienen, den Epistel te lezen, enz. en hem wordt het manipel (vroeger zweetdoek), de tunica (die tamelijk eenigs/.ins op het kasuifel gelijkt) en den ledigen kelk met het kelkbordje (patena), alsmede het

379

ocr page 620

ONDERRICHT OVER DEN

Epistelboek gegeven. — De Diaken mag in de Hoogmis het Evangelie zingen, onder zekere voorwaarden doopen on prediken; deze bevoegdheid wordl hem door de overgave van het stola (dat hij op den linkerschouder en onder den rechterarm te zamen gebracht moet dragen), van de dalmatiek (die ook zeer wel op het kasuifél gelijkt), en van het misboek gegeven.

Wie de Tonsuur, alsmede de vier kleinere Ordens ontvangen heeft, kan nog tot den wereldlijken stand terugkeeren. Dit echter kan hij niet meer, die reeds Subdiaken geworden is. Daarom ook vermaant de Bisschop hen, die Subdiaken willen worden, dat zij wel moeten besellen, welke zware verplichting zij op zich nemen en liever thans nog terug treden, zoo zij niet bet vaste voornemen hebben, in den dienst van God te volharden en met zijne genade de kuischheid te bewaren. »Derhalve, aldus sluit de Bisschop zijne vermaning, terwijl het nog tijd is, bezint u; doch zoo gij in uw heilig voornemen volhardt, treedt dan nader in den naam des Heerenquot;.

Waarin bestaat de bediening des Priesters en onder welke ceremoniën wordt de priesterwijding toegediend ?

Het Priesterambt bestaat in het offeren, zegenen, aan het hoofd der geloovigeu te staan, te prediken en te doopen. Behalve de ceremoniën, die wij boven reeds aangestipt hebben, worden in de toediening der Priesterwijding nog vele andere ceremoniën gebezigd; bij voorbeeld: men bidt de Litanie van alle Heiligen en eenige andere gebeden; men houdt eene onderrichting over de bediening en de plichten dor Priesters, men zalft de handen van den wijdeling met heilige olie en bindt ze te zamen; men geeft hem den kelk met wijn en water, de patena met eene hostie over, eindelijk leest de nieuw gewijde de H. Mis met den Bisschop. Ik wil hier slechts er/kele woorden aanhalen welke de Bisschop den wijdeling toevoegt. Hij zegt hem: »Nu dan, beminde Zoon! die naar het oordeel onzer broeders, (die u hiertoe waardig achten) de Priesterwijding gaat ontvangen, om ons bij te staan, bewaar in uwe zeden de vlekkeloosheid van een heilig en zuiver leven. Erken wat gij doet, volg na, hetgeen gij behandelt. Als gij het geheim van den dood des Heeren viert, dood de zonden in u, en de booze lusten in uwe ledematen. Uwe leer zij een geeste-

580

ocr page 621

veertienden zondag na pinksteren.

lijk geneesmiddel voor het volk; de goede geur uws levens zij eene verkwikking voor de Kerk van Chiustus. Sticht, door uwe prediking en uw voorbeeld, het huis, dat is, het huisgezin van God, opdat noch ons, die u lol zulk eene hooge bediening verheven hebben, noch u, die ze aanvaardt, de verdoemenis treffe, maar wij veeleer mogen verdienen, eene gemeenschappelijke belooning van den Heer te bekomen; hetgeen Hij ons door zijne genade verleene.quot;

Leer uit deze ouderrichting de Priesters te eeren en hoogachten, niet alleen om hunne hooge waardigheid als plaats-bekleeders van God op aarde, maar ook om hunne groote macht, waardoor zij de zouden kuunen vergeven en behouden. Maak u deze macht ten nutte, en spoed u naar den Priester, zoo dikwijls gij eene zware zonde begaan hebt, ten einde van hem vergiffenis daarvan te bekomen. Mocht gij ooit (wat God verhoede) eenen slechten Priester ontmoeten, weet dan dat het heilig Priesterambt ook in die ongelukkigen moet geëerd worden; wees ook niet door hem geërgerd, maar bedenk wat Jesus van de Priesters der Oude Wet zeide: Onderhoudt en doet al hetqeen zij u zeqqen, maar doet niet naar hunne werken (Matth. XXIII, 3).

Vergeet nimmer op de Quatertemperdagen, waarop de Priesterwijding wordt toegediend. God dringend te bidden, dat Hij zich gewaardige vrome en ijverige Priesters in zijne Kerk te zénden.

Onderriclit over den veertienden Zondag-na Pinksteren.

Bij den Ingang der Mis. Wek met den Priester een brandend verlangen naar den Hemel in u op en zeg (Pst. LXXXIH,): Aanschouw o God, onze beschermer, en zie op het aangezicht van uwen Gezalfde; want één dag in uwe voorhoven is beter dan duizend daar buiten. Hoe liefelijk zijn uwe woningen. Heer der heirkrachten! mijne ziel haakt en bezwijkt van verlangen naar de voorhoven des Heeren. Eere zij den Vader, enz. Gebed der Kerk.

Wij bidden U, o Heer, bewaar uwe Kerk door den voort-durenden bijstand uwer barmhartigheid, en geef, daar wij

581

ocr page 622

onderricht over den

zonder U, uit menschclij ke zwakheid, den val steeds nabij zijn, dat wij altijd door uwe hulp, van al wat schadelijk is verwijderd en tot al wat heilzaam is gebracht worden. Door Jesus-Chkistus uwen Zoon, enz.

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Apostel Paulus van de Galatiërs. V, 16-24.

Broeders! Wandelt naar den Geest, en gij zult de begeerlijkheden van het vleesch niet volbrengen. Want hel vleesch begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vleesch; want deze zijn met elkander in tegenstrijd, zoodat gij niet, wat gij al wildet, dat doet. Indien gij echter door den Geest geleid wordt, zijt gij niet onder de wet. Openbaar echter zijn de werken des vleesches, welke zijn: onkuischheid, onreinheid, ontucht, ongebondenheid, afgodendienst, tooverij, vijandschap, twist, afgunst, veeten, krakeel, verdeeldheid, ketterij, nijd, moord dronkenschap, brasserij, en dergelijke, waarvan ik u te voren zeg, gelijk ik te voren gezegd heb, dat die zulks doen, het rijk Gods niet zullen erven. Maar de vrucht des Geestes is: liefde, blijdschap, vrede, verduldigheid, goedertierenheid, goedheid, lankmoedigheid, zachtmoedigheid, getrouwheid, zedigheid, eerbaarheid, reinheid. Tegen zoodanigen is de wet niet. Die echter van Christus zijn, hebben hun vleesch gekruisigd, met zijne kwade lusten en begeerlijkheden.

Wat is dat naar den G-eest wandelen ?

Dat is in alles en altijd den drang en de ingevingen van den H. Geest volgen. Wie dit doet, zegt de H. Paulus zal de werken des vleesches, welke hij boven aangeeft als onkuischheid, onreinheid enz. niet volbrengen; hij zal alle vleeschelijke begeerten onderdrukken, zijn vleesch met diens booze lusten kruisigen, dus doende zich van de wet, die dwang uitoefent, schrik inboezemt en straft, bevrijden, en de vruchten van den H. Geest, welke met de wet niet in strijd zijn beoefenen. Hierdoor en dewijl hij dit alles gaarne en vrijwillig doet, zal hij Christus toebehooren, en aan het eeuwig leven deelachtig worden. Wie echter naar het vleesch, dat is volgens de vleeschelijke begeerlijkheden, leeft, en de door den H. Paulus omschreven werken des vleesches volbrengt, hoopt, zoo lang hij in dien staat voortleeft, vruchteloos op de eeuwige zalig-

582

ocr page 623

veertienden zondag na pinksteren.

heid. — Vreemd is het, dat, niettegenstaande alle Christenen aan Christus toebeliooren en erfgenamen van zijn rijk moeten zijn, er zoo velen hun vleesch met zijne misdaden en kwade neigingen niet willen kruisigen, maar zich inbeelden en beweren, dat dit den geestelijken en ordensleden betreft, en zij intusschen alles mogen doen, wat zij verkiezen. Weten zij dan niet, dat Christus tot alle Christenen zegt; Zoo iemand na Mij wil komen, die verloochene zich zeiven, en neme zijn kruis op en volge Mij na (Matth. XVI, 24). Zulke slaven huns vlcesches mogen dan zelven zien, hoe zij tot Christus zullen komen, zoo zij zijn uitdrukkelijk bevel niet willen volgen.

Verzuchtingen. Bid voor mij, H. Paulus, dat God mij de genade schenke, naar uw voorbeeld mijn vleesch met zijne neigingen en begeerten te kruisigen, opdat ik ook met n den Heer Jesus tot mijn deel moge hebben.

Evangelie volgens den H. Mattheus VI, 24-33.

In dien tijd zeide Jesus tot zijne leerlingen: Niemand kan twee heeren dienen; want hij zal óf den een' haten en den ander' liefhebben, óf hij zal zich aan den een' onderwerpen^ en den ander' verwaar-loozen. Gij kunt niet God dienen, en den Mammon. Daarom zeg ik u : Zorg niet angstiglijk voor uw leven, wat gij zult eten, noch voor uw lichaain, waarmede gij u zult kleeden. Is niet het leven meer, dan het voed-sel^ en het lichaam meer, dan de kleeding? Aanschouwt de vogelen des hemels: want zij zaaien niet, zij oogsten uiet, zij verzamelen niet in de schuren; en uw Hemel-sche Vader voedt ze. Zijt gij niet veel waardiger dan zij? Maar wie van u kan, met zijne zorg, zijne lengte eene el vergrooten? En wat zijt gij voor kleeding beangstigd? Beschouwt de leliën des velds, hoe zij groeien: zij arbeiden niet. en spinnen niet: en Ik zeg u, dat Salomon zelf in al zijne heerlijkheid niet gekleed is geweest, gelijk eene van die. Indien dan God het veldgewas, dat heden is,, en morgen in de oven geworpen wordt, kleedt, hoe veel te meer u, gij kleingeloovigen ?

383

ocr page 624

ONDERRICHT OVER DEN

Zijt alzoo niet beangstigd, zeggende: wat zullen wij eten, ol wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleeden ? want naar dit alles zoeken de heidenen. Want uw Vader weet, dat gij dit alles noodig hebt. Zoekt dan eerst het Rijk Gods en zijne gerechtig-en alle deze dingen zullen u toegeworpen worden. Wat is God dienen ?

Den wil van God te doen of datgene, wat God in onzen staat, in onze betrekking van ons vordert, te zijner liefde trouw en ijverig te volbrengen.

Welke zijn de twee heeren, die men niet te gelyk dienen kan ?

God en den Mamrilon, dat wil zeggen, de rijkdommen, waaronder alle goederen en vermaken der wereld moeten verstaan worden. Dezen kan men niet tegelijk met God dienen, dewijl zij dikwijls iets gebieden, wat met de wet van God regelrecht in strijd is; bij voorbeeld: God verbiedt ons te woekeren en te stelen, de rijkdom integendeel spoort den mensch, die de aardsclie goederen ongeregeld begeert, tot onrechtvaardigheid aan. God gebiedt de Zon- en Feestdagen in zijnen dienst door te brengen; de rijkdom echter en de zucht naar zingenot wekken in den mensch de neiging op, de goddelijke diensten te verzuimen en het tijdelijk gewin en de wereld-sche vermaken na te jagen. Zij laten den wereldschen mensch in de kerk zelfs zoo lauw voor God, dat hij daar met het lichaam alleen tegenwoordig is, en met den geest zich bij zijne goederen, zijne kudde, in de plaatsen van vermaak, enz. bevindt.

Welke menschen dienen den Mammon of de rykdommen ?

De gierigaards, die, als slaven, door de begeerlijkheid naar geld en goed beheerscht, zich door dezen hartstocht ook laten overhalen God te beleedigen door allerlei ongerechtigheden, door bedrog, diefstal, roof, door verwaarloozing van alles wat hemelsch is, van gebed, godvruchtige oefeningen enz. Daar dezen zich bovendien dag en nacht afmatten in het opeenstapelen, verzorgen, bewaren hunner schatten en dus enkel de bewakers hunner gcldkoü'ers zijn, zonder zich eenig gebruik daarvan te veroorloven, kunnen zij ook in dien zin slaven

584

ocr page 625

veertienden zondag na p1nksteuen.

des rijkdoms genoemd worden. Op dezelfde lijn- moeien nog de eerzuchtigen en de minnaars van zingenot gesteld worden, die niet God, maar de wereld en de vorsten dezer wereld dienen.

Waarom wyst ons Christus op de vogelen des hemels en de leliën des velds ?

Om het vertrouwen op de Goddelijke Voorzienigheid in ons op te wekken. Inderdaad, indien God de jonge raven, die tot Hem roepen, spijzigt (Psalm CXLVI, 9); indien Hij de vogelen voedt, die noch in de schuren verzamelen; indien Hij de bloemen des velds kleedt, hoe veel te meer zal Hij dan voor den mensch zorgen, dien Hij naar zijn evenbeeld geschapen en tot zijn kind aangenomen heeft, vooral, wanneer de mensch zich als een kind Gods gedraagt, Gods geboden onderhoudt en een kinderlijk vertrouwen in Hem stelt. Hebt gij eenen hond, eenen vogel of een ander dier, dat n lief is, hoe zorgt en beijvert gij u dan niet, voor zijne voeding en zijn onderhoud? En God, dc Almachtige en Algoede, die voor al zijne schepselen zoo liefderijk zorg draagt en uwen nood kent, vóór dat gij nog om hulp tot Hem roept, zoude u, zijn kind, vergeten? Kunt gij gelooven. dat God, die u de ziel, het lichaam en het leven schenkt, u het geringere, de voeding en kleeding, zoude weigeren?

Moet men dus in het geheel niet zorgen noch werken?

Dit volgt uit hetgeen zoo even gezegd is, volstrekt niet; de Verlosser verbiedt enkel die kleingeloovige en buitensporige zorgen, waardoor men, bij het verschaffen zijns levensonderhoud, God en zijnen zegen geheel uit het oog verliest, aldus de eer van God afbreuk doet en tot verwaarloozing van het zielenheil gevoerd wordt. Trouwens God zelf heeft den menschen bevolen te arbeiden (Gen, II, 13) en de H. Paulus zegt: Wie niet wil arbeiden, moet ook niet eten (11 Thessal. Hf, 10),

Helpt de buitensporige bezorgdheid ook tot iets?

Even zoo weinig, als dat iemand zou beproeven zich eene el grooter te maken. Al onze zorgen zijn, zonder den God-delijken zegen, nutteloos; dus moeten wij het meest bezorgd zijn, om Gods zegen te bekomen.

080

ocr page 626

onderricht over den

'Wat kan ons tegen overtollige zorg bewaren ?

Een vast en levendig geloof', dat God ons kan en wil helpen. Hij kan ons helpen, zulks is duidelijk, want Hij is almachtig; Hij wil ons helpen, wijl Hij dit in de H. Schrift, op verschillende plaatsen meer dan eens plechtig beloofd heeft en Hij in zijne beloften getrouw is. Bedenken wij buitendien nog, dat God ons zijnen eeniggeboren Zoon heeft geschonken; wat zou Hij ons dan nog kunnen weigeren, nu Hij zijnen eigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons overgeleverd heeft? (Rom. VHI, 32.) Verder is de overweging van de vergankelijk heid der aardsche goederen nog zeer nuttig, om ons betrouwen op God te vermeerderen. De rijkdom verlaat zijnen bezitter zeer zeker bij den dood en dikwijls reeds vóór dat tijdstip. Eer en aanzien, jeugd, gezondheid, enz. zijn even zoo vergankelijk. Kortom, gelijk men dagelijks menschen ziet sterven, zoo ziet men ook dagelijks menschen hunne aardsche goederen verliezen, waarin zij hun geluk gesteld hadden. Dit alles geschiedt, zegt de H. Chrysostomus, opdat wij het tegenwoordige gering zouden achten en ons aan het toekomstige hechten, en, terwijl wij op aarde wandelen, met ons verlangen in den Hemel zouden zijn.

Bemerking. Nog andere beweeggronden tot betrouwen op God vindt men op den tweeden Zondag na Pasehen, bladz. 410.

quot;Wat moet men doen, om een vast en levendig geloof te verkrijgen ?

Men moet zich alle dagen in het geloof ijverig oefenen, inzonderheid door dikwijls te zeggen: Ik geloof in God den lader almachtig, Schepper van hemel, enz.; en door bij het Onze Vader met aandacht te bidden: Geef ons heden ons dagelijkse h brood; en dan moet men tegelijker tijd een vast geloof en een sterk betrouwen in zich opwekken, dal God ons de tijdelijke en eeuwige goederen zal mededeelen.

Verzuchting. O Jesus, geef mij een vast betrouwen op uwe Goddelijke Voorzienigheid en vermeerder het dagelijks meer en meer in mij, opdat ik in allen nood en kommer vastelijk geloove dat, zoo ik in alles het Rijk Gods en zijne gerechtigheid zoek, mij al het overige zal toegeworpen worden.

586

ocr page 627

veertienden zondag na pinksteren.

Troost in armoede.

Zorgt met angstig voor uw leven (Mattii. VI, 2o). Zoo gij door oorlog, door ongeluk of door eigene schuld tot armoede vervalt, troost u met de gcdaclite, dat God u de armoede tot uw welzijn heeft toegezonden, want het goed en het kwaad, het leven en de dood, de armoede en de rijkdom komen van God (Eccl. XI, 14). Neem derhalve de armoede zonder morren en tegenspraak uit de hand des Heeren aan, als een geneesmiddel der ziel, dat u wellicht noodzakelijk is, opdat gij, door de welvaart misschien verleid. God niet zoudt vergeten en uw hart te zeer aan het tijdelijke hechten; want de rijkdom, zoo ais gij weet, voert velen tot hunnen eeuwigen ondergang. Hebt gij u wellicht aan zwelgerij, ontucht en onzedige kleederpracht schuldig gemaakt, denk dan dat de armoede, waartoe God u heeft laten vervallen, de rechtmatige straf uwer buitensporigheden is, en dank Hem, dat Hij zoo genadig met u gehandeld heeft; want is het voor u niet veel beter, op deze wereld eenen korten tijd gebrek te moeten lijden, dan voor eeuwig honger en dorst in de hel te moeten verduren? Hebt gij echter zulke zonden niet geploegd, dan hebt gij u wellicht aan andere plich-tig gemaakt, derhalve zijt gij Gode insgelijks dank verschuldigd, wijl Hij u door den nood tot boetvaardigheid aanspoort en uw verlangen naar het eeuwig leven wil opwekken.

Zijt g'j integendeel onschuldig, troost u dan met de Heiligen, van wie de H. Paülus zegt, dat zij de onrechtvaardige berooving hunner goederen, met vreugde verdroegen, wijl zij wisten, dat hen in den Hemel een betere en onvergankelijke schat stond te wachten (Hebr. X, 34). Maar dat vooral het voorbeeld van Christus u opbeure, die, terwijl Hij rijk was, om uwent wil arm is geworden (II Gor. VIH, 9), en op aarde niets had, waar Hij zijn hoofd op kou nederleggen (Mattii.VHI,20).

Bedenk verder, dat de rijkdom niet gelukkig en de armoede niet ongelukkig maakt. Gelukkig maakt de deugd alleen, omdat zij ons met God vereenigt en ons de eeuwige zaligheid verwerft; ongelukkig maakt de zonde alleen, die ons met God in vijandschap brengt en ons aan de eeuwige straffen der hel overlevert. Gevolgelijk kunt gij ook in uwe armoede gelukkig zijn, (indien

587

ocr page 628

onderricht ovuu den

gij u namelijk met ijver op de beoefening der deugd toelegt), terwijl de rijke met al zijne rijkdommen hoogst ongelukkig en beklagenswaardig zijn kan, als hij zijn hart te zeer aan den rijkdom hecht, zich daardoor, tot hoogmoe I, onmatigheid, tot onderdrukking der armen, en andere ongerechtigheden laat verleiden, of in het algemeen Gods geboden overtreedt, alle vermaningen en waarschuwingen in den wind slaat, en onverbeterlijk in zijne zonden volhardt. — Het geluk, dat de deugd geeft, kan de arme zich even zoo goed ja beter nog, dan de rijke verschaffen; want de rijkdom is dikwijls niet alleen eene gelegengeid tot het kwaad, maar ook eene groote hindernis tot het goede, doordien de menschen zich al te zeer daaraan hechten. Daarentegen kan men zich de armoede veel gemakkelijker tot eene leerrijke school van deugden maken, namelijk door de ontberingen, die de armoede ons opgelegt, geduldig als eene straf der zonden te verdragen; door vlijtig, volgens den wil Gods (Gen. II. lö, XXXIV, 21) te arbeiden, en dus doende ons tegen de vele gevaren van den lediggang te bewaren (Eccl. XXXIII, 29), door dikwijls het armoedig leven van Jesus te overwegen, en te trachten aan Hem gelijkvormig te worden niet alleen in armoede, maar ook in alle andere deugden. De armoede hindert ook het goede niet; immers waar het geldt de gramschap te onderdrukken, den nijd te verdrijven, de op-loopendheid te beteugelen, waar er sprake is van bidden, zachtmoedig en bescheiden, goedaardig en lieftallig te zijn, hoe zou daar de armoede eenige hindernis kunnen aanbrengen? Tot dat alles heeft men geen geld, maar eenen vasten ernstigen wil noodig. En zoo is liet met alle andere deugden, de ondersteuning der noodlijdenden wellicht alleen uitgenomen; doch in dit geval nog kan de arme zijnen naaste, door r;;ad en daad in den nood bijstaan, en daardoor ook dit goed werk jegens hem uitoefenen.

Zeg dus in uwe ellende en armoede dikwijls met Job I, 21: De Heer heeft het gegeven, de Heer heeft hel genomen, gelijk het den Heer behaagde, zoo is het geschied: de naam des Heer en zij gezegend. Ik ben naakt uit den schoot mijner moeder gekomen, en naakt zal ik derwaarts terugkeer en. Vrees niet, mijn zoon,

S88

ocr page 629

veertienden zondag na pinksteren.

zeide de brave Tobias, wij leiden wel een arm leven, maar wij zullen vele goederen hebben, zoo wij God vreezen, van alle zonden afwijken, en deugdzaam leven (Tob. IV, 23). God dienen en met weinig tevreden zijn, brengt ons een rijk gewin, terwijl zij, die den Mammon of den rijkdom dienen, in de bekoring en de valstrikken des duivels en in vele nutlelooze en schadelijke begeerten vallen, die de menschcn in den ondergang en het verderf storten (I Timoth. VI, 9). Laat ons dus tevreden zijn, zoo wij voeding en kleeding hebben (ibid. 8), en met des te meer ijver naar de ware godsvrucht streven, die ons, iiier beneden der vaderlijke Voorzienigheid Gods waardig en deelachtig maakt, en ons in het andere leven de eeuwige zaligheid zal doen geworden.

Zedeles over de woekerij.

Gij kunt niet God dienen en den Mammon (Matth. VI, 24). Woekeren is voor eene zaak, die de liefde en barmhartigheid ons verplichten te leenen, rente te vorderen, of ook op elke andere wijze van den nood des naasten misbruik te maken, om er winst uit te trekken. Woekerij is eene zware zonde, weshalve God den woekeraar met den eeuwigen dood bedreigt (Ezechiel XVIII, 13) en Christus de woeker uitdrukkelijk verbiedt (Luc. VI, 34-35). Woekeraars zijn de bloedzuigers der armen, wier zweet en bloed zij uitpersen. Indien het reeds met de wet der natuur strijdig is, zich ten koste zijns naasten, die in nood verkeert, te verrijken, hoeveel te meer moet het dan niet met de Goddelijke wet strijden, welke ons gebiedt, den naaste gelijk ons zeiven te beminnen, en ons jegens hen, die in nood verkeeren, als barmhartige Samaritanen te gedragen? Hieraan mogen de woekeraars wel denken, en ze mogen tevens ter harte nemen, wat de Heer zegt, Matth. XVI, 26; Wat toch haat het den mensch, indien hij de gansche wereld wint, maar aan zijne ziel verlies lijdt?! Wat baat het hem, zoo hij hierbeneden in overvloed, in weelde en vreugde leeft, als hij bij zijnen dood in de hel begraven wordt? Herinneren wij ons den rijken man en den armen Lazarus. Lazarus stierf en werd van de Engelen in Abraham's schoot gedragen. De rijke stierf ook, en nu was al zijn geluk ten einde. Alles was

589

ocr page 630

onderricht over den

stof en asch, jammer en wee, en niemand kon hem eenige hulp aanbrengen, noch zijne rampzalige ziel uit den jammerpoel redden. Over zijne weelde en zijne rijkdommen schaamde hij zich thans; naakt en alleen was hij weggevoerd. Geen bediende, geen helper was er, om hem aan de straf te ontrukken; maar van allen verlaten, werd hij weggesleurd, om de ondragelijke pijnen der hel te ondergaan. Thans riep de rijke het medelijden des armen in, thans smachtte hij naar de tafel van hem, die vroeger zoo veel honger geleden had en toen aan het medelijden der honden was overgelaten. Alles was veranderd, en nu zag men, wie in waarheid de rijke en wie de arme was; men zag thans, dat Lazarus de rijkste, en die rijkaard van vroeger de armste van allen was. Rijkdom en armoede zijn om zoo te spreken slechts tooneelmaskers, welke de dood den menschen afrukt. Wanneer God alsdan het geweten onderzoekt, zal de mensch zich eerst in zijne ware gedaante voordoen; dan kan de rijke van vroeger de allerarmste bevonden worden, de armste namelijk aan goede werken; en de arme van vroeger zal, daarentegen, als zeer rijk, dat is met den glans van alle deugden opgetooid, schitteren. Naarmate dus iemand den waren rijkdom der deugd al of niet bezit, in die mate zal hij eene eeuwige belooning of eeuwige straf van God ontvangen. Hoe dwaas is het dus niet, zich aan hebzucht, woeker en gierigheid over te geven en enkel en alleen naar vermeerdering van aardsche rijkdommen te streven, in plaats van zijne ziel met vele goede werken te verrijken en ze daardoor waardig te maken de eeuwige zaligheid te bezitten.

Onderriclit over den vijftienden Zondag na Pinksteren.

De Ingang der Mis is een hartelijk gebed uit Psalm LXXXV, hetwelk in eiken nood en alle wederwaardigheden kan gestort worden. »Neig, o Heer, uw oor tot mij, en verhoor mij, verlos uwen dienaar, mijn God! die op U betrouwt: ontferm ü mijner. Heer, want tot U heb ik den ganschen dag geroepen. Verblijd de ziel van uwen dienaar, want tot U, Heer, heb ik mijne ziel verheven.quot; Eere zij den Vader, enz.

S90

ocr page 631

vijftienden zondag na pinksteuen.

Gebed der Kerk.

Reinig en bevestig, o Heer, uwe Kerk door uwe voortdurende barmhartigheid, en dewijl zij zonder U niet behouden kan blijven, bestier haar altijd door uwe genade. Door Jesus-Christüs, uwen Zoon, enz.

EPISTEL : Les uit den Brief van den H. Apostel Faulus aan de Galatiërs V, 25 ; VI, 1-10.

Broeders! Indien wij door den Geest leven, laat ons naar naar den Geest ook wandelen! Laat ons niet worden ijdelen roem zoekende, elkander tartende, elkander benijdende. Broeders ! zoo een mensch ook overvallen ware door eenige overtreding, brengt gij, die geestelijk zijt, den zoodanige terecht in den geest van zachtmoedigheid, acht slaande op u zeiven : dat niet ook gij bekoord wordt. Draagt elkanders lasten, en zoo zult gij de wet vervuilen van Christus. Want indien iemand meent, iets te zijn, daar hij niets is, hij begoochelt zich zeiven. Zijn eigen werk echter beproeve een iegelijk, en dan zal hij aangaande zich zeiven alleen roem hebben, eu niet aangaande een ander. Want een iegelijk zal zijn eigen bundel dragen. Die echter in bet woord onderwezen wordt, deele dengene, die hem onderwijst, van alle goederen mede. Misleidt u niet! God laat Zich niet bespotten. Want hetgeen de mensch gezaaid heeft, dit zal hij ook maaien: want die in zijn vleesch zaait, zal van het vleesch ook verderf maaien; maar die in den Geest zaait, zal van den Geest zaaien eeuwig leven. Het goede dan doende, laat ons niet verflauwen; want wij zullen te zijner tijd maaien, zoo wij niet bezwijken. Zoo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons het goede werken jegens allen, inzonderheid echter jegens de huisgenooten des geloofs.

Verklaring en onderricht. Deze Les is, gelijk die van den vorigen Zondag, getrokken uit den Brief van den H. Paulls aan de geloovigen van Galatië. De Apostel heeft hun eerst de ongenoegzaamheid der Joodsche wet bewezen, en getoond, dat zij alleen door het geloof in Cihustus kunnen zalig worden; nu vermaant hij hen, de werken te beoefenen, die het geloof voorhoudt. Gij leeft thans, zoo zegt hij hun, volgens den Geest, dat is, gij lijt wedergeboren uit den H. Geest en wordt door den Geest Gods bezield (Joann. Ill); derhalve moet gij ook

o91

ocr page 632

onderricht over den

S92

naar den Geest en niet naar het vleesch leven, de werken van den Geest en niet die des vleesches volbrengen. Gij moet alzoo niet naar ijdelen roem trachten — dat is, de eene moet zich niet boven den andere verheffen — daaruit volgt twist en afgunst; gij moet hen, die door eene zonde verrast worden — — dat is, die meer uit zwakheid dan uit boosheid zondigen en hunne zonden bekennen en betreuren — in den geest van zachtmoedigheid terechtwijzen en hen trachten te verbeteren; gij moet op u zeiven letten, opdat gij niet bekoord en door de zonde verrast wordt. Verder moet de eene den last of de zwakheden en zonden van den andere gelijk zijne eigene fouten beweenen, ze gevolgelijk met geduld verdragen en hen, die zich te buiten gaan, zoo broederlijk berispen, dat men hen meer verbetert, dan bestraft. Dus doende zult gij het gebod der naaslenliefde, dat Christus ons gaf, vervullen. — Ten einde de geloovigen van Galatië nog meer tot ootmoedigheid aan te sporen, zegt de Apostel verder, dat niemand uit zich zeiven iels is, dat wil zeggen, dat geen mensch uit zich zel-ven iets kan doen, wat hem de zaligheid zal verwerven. Daarom ook moet een ieder zijne eigene daden en niet den handel en wandel van anderen onderzoeken. Indien zijne eigene daden goed zijn, dan mag hij er zich in zijn geweten en voor God over verheugen, maar daarvoor geen ijdelen roem bij anderen trachten te verwerven; immers in het oordeel zal een ieder zijne eigene daden verantwoorden moeten. Na de geloovigen van Galatië nadrukkelijk vermaand te hebben, dat zij, door mededeeling hunner tijdelijke goederen, ook in het levensonderhoud moeten voorzien van degenen, die hen in Gods woord onderrichten, gaat de Apostel over tot eene algemeene vermaning betreffende de goede werken, en wijst de geloo\igen op laatste oordeel, alwaar ieder volgens zijne daden door God, den rechtvaardigen en alwetenden Rechter, dien niemand bedriegen kan, zal geoordeeld worden. Dan, zeut hij, zuilen zij, die in het vleesch zaaien — dat is, die de werken des vleesches volbrengen — uit het vleesch dood én bederf oogsten; en zij, die in den geest zaaien — dat is, die de werken des geestes volbrengen — hetquot; eeuwig leven bekomen. — Laat ons dus met onvermoeiden ijver het goede doeir en vooral den

ocr page 633

VIJFTIENDEN ZONDAG NA PINKSTEREN.

plicht der naastenliefde vervullen, opdat wij te dier tijde, in het oordeel namelijk, uit den geest het eeuwig leven inoogsten.

Evangelie volgens den H, Lucas VII, 11-16.

Indien tijd ging Jesus naar eene stad. genaamd, Nairn: en zijne Discipelen, en een talrijke schare gingen met Hem. Als Hij nu de poort der stad naderde, ziet, er werd een doode uitgedragen,de éénige zoon zijner moeder; en zij was eene weduwe; en een groote schare van de stad was met haar. En als de Heer haar zag, werd Hij met ontferming over haar bewogen, en sprak tot haar: Ween niet! En Hij trad toe, en raakte de baar aan : en de dragers stonden stil. En Hij sprak: Jongeling! Ik zeg u, sta op! En de doode zat overeinde, en begon te spreken. En Hij gaf hem aan zijne moeder. En vreeze beving allen, en zij verheerlijkten God. zeggende: Er is een groot Profeet onder ons opgestaan: en God heeft zijn volk bezocht.

Waarom had Jesus medelijden met de weduwe?

Om ons te bewijzen, dal God zich de bedroefde en verlatene weduwen aantrekt cn haar trooster en helper is; verder om ons te leeren, dat wij hetzelfde moeten doen. Wee hem alzoo, die, in plaats van de weduwen te troosten cn te helpen, haar eerder verdrukt en haar tranen afperst, want de tranen en het geschrei der weduwen zullen opstijgen tot God, die het haar toegebracht onrecht strengelijk zal bestra(ren(Exod.XXIl,22).

De Zaligmaker had echter nog een andere reden, om door medelijden bewogen te zijn; Hij zag in den gestorven jongeling den dood der zondaren en in de bedroefde moeder de smart, die de Kerk zou ondervinden over het geestelijk verlies van zoo velen harer kinderen. Dit was het hoofdzakelijk, wat Hem tot medelijden bewoog en dit moet ook onze meéwarigheid gaande maken. Wij kunnen geen echte kinderen der Kerk zijn, als de dood harer kinderen en onzer broeders ons niet ter harte gaat, en wij moeten zeiven wel dood zijn, zoo wij ons daarover niet bedroeven. Doch wat doen wij? Wij zien, dat da-

38

593

ocr page 634

onderricht over den

gelijk vele zielen den dood der zonden sterven, en dat de Kerk hen, wier zondendood zij niet kan beletten, met zuchten en tranen ten grave leidl; maar verre van met haar te weenen, zijn wij opgeruimd en welgemoed, en wij bekommeren ons niet het geringste om den ondergang van zoo vele zielen. Wij betreuren den lichamelijken dood onzer ouders, bloedverwanten, en zouden alles ten ofler brengen, om hen van het graf te bevrijden; en wij treuren niet over den geestelijken dood onzer medebroeders, wij storten zelfs geene gebeden, om hel leven onzer ziel en dat van zoo vele medemenschen te behouden. Wij smeeken God niet eens, dal Hij zich gewaardige, het geestelijk leven der ziel terug te geven aan degenen, die het door hunne zonden verloren hebben. Is dat geen duidelijk teeken, dat wij noch God noch onzen naaste waarlijk liefhebben? Dewijl er geen dag is, waarop niet vele onzer medemenschen op een geestelijke wijze sterven, behoorde ook iedere dag voor ons een dag van rouw en tranen te wezen.

Waarom zeide Jesus tot de weduwe; «Ween niet?

Om te toonen, dat Hij haren zoon lot het leven ging terugroepen en aan haar zou wedergeven, en om ons te leeren, dat men over gestorvenen niet bovenmate moet treuren en weenen. De dood immers is eene schuld, die allen vroeg of laat moeten betalen; zij is slechts een langdurige slaap, waaruit de Heer ons weder zal opwekken. Daarom vermaant ons ook de H. Paulus, dat wij ons over de gestorvenen niet moeten bedroeven als de Heidenen, die geene hoop op de verrijzenis en de eeuwige zaligheid hebben, noch het vooruitzicht koesteren hun overledene bloedverwanten ooit weder te zien (I Thess. IV, 12). Een geduldig berusten in de Goddelijke beschikking, de herhaalde gedachte aan ons eigen einde (dat wellicht spoediger zal aanbreken, dan wij vermoeden), een slil en voortdurend gebed voor de afgestorvenen en andere goede werken zullen ons en den overledenen meer baten dan eene zee van tranen, over hun verlies gestort. Ook zal bij het afsterven van iemand, die ons dierbaar is, de gedachte ons troosten, dat de dood voor dezen wellicht eene gunst is, naardien er geschreven slaat; Hij is weggevoerd opdat de boosheid zijn verstand niet zou veranderen, noch het bedrog zijne ziel

594

ocr page 635

vijftienden zondag na pinksteren.

verleiden (Sap. IV, 11). Dit behooren vooral de ouders te bedenken, wier kinderen in den bloei des levens door den dood worden weggerukt.

Waarom gebood Christus, toen hij den jongeling wilde opwekken, dat de dragers zouden stilstaan?

Hij wilde daardoor duidelijk bewijzen, dat de opwekking eens dooden van Hem uitgaat; vervolgens wilde Hij ook daardoor aantoonen, dat Hij eene door de zonde, op geestelijke wijze, gestorvene ziel tot het leven niet kan opwekken, tenzij de driften, welke de ziel gedood hebben en haar als naar het graf dragen, beteugeld worden. Inderdaad zoo de grammoedigen hunnen toorn, hunne vloeken en verwenschen, de onknischeii hunne ontucht, de dronkaards hunne onmatigheid niet achterwege laten, maar in hunne driften willen voortleven, dan kan hunne ziel niet tot het leven der genade worden opgewekt.

Welke is dikwijls de oorzaak, dat jongelieden vroegtijdig sterven ?

1) De gulzigheid en dronkenschap; want meer komen er door gulzigheid en dronkenschap, dan door het zwaard om het leven (Eccl. XXXVII, 34); 2) de ontucht, waarover op den tweeden Zondag na Pinksteren gehandeld is (zie blad/.. 493); 3) de gramschap; de gramschap doodt den dwaze. Nijd en gramschap verkorten de levensdagen, en de kommer doet den ouderdom vóór den tijd komen (Eccl. XXX, 26). Zoo gij elkander bijt en opeet, zegt de H. Paulls, ziet toe, dat gij niet van elkander verteerd Morrflt;.(Gal. V, 15). Van beleedigende woorden, in gramschap uitgesproken, komen vooral de jongelieden dikwijls tot gevaarlijke vechtpartijen en zelfs tot doodslag en moord; 4) de ongehoorzaamheid. Er zijn vele schrikkelijke voorbeelden, onder anderen dat van Absvlon, die aantoonen, dat God de ongehoorzame kinderen vroegtijdig en plotseling nit de wereld weggerukt heeft; God zegt tot de kinderen niet te vergeefs (l)eulr. V, 16): Eert uwen vader en uwe moeder, gelijk de Heer uw God u bevolen heeft, opdat gij langen tijd moogt leven en het u op aarde welga!

S9S

ocr page 636

onderricht over ren

Welke les geeft ons dit Evangelie nog ?

Dat geen mensch, lioe jong liij ook zij, tegen den dood veilig is, en men dns voortdurend tot den dood moet voorbereid zijn.

Zedeles over den dood.

Indien eenige honderden menschen in eencn kerker opgesloten en ter dood veroordeeld waren, zonder dat iemand hunner den dag of het unr wist, waarop zijn vonnis zou voltrokken worden, en intnsschen de eene na den andere, soms juist hij, van wien men het 't minste vermoed had, uit den kerker gehaald en ter dood gebracht werd, wat dunkt n, zon daar niet ieders hart Van vrees sidderen, zoo dikwijls de deur des kerkers geopend werd?... Welnu, over ons allen is het onherroepelijk doodvonnis geveld; wij allen zijn in ons lichaam als in een kerker opgesloten (Psalm CXLI, 8), de eene na den andere wordt ten dood gevoerd, en toch stoort men er zich bitter weinig aan. Men leeft voort, alsof men eeuwig kon leven; men is enkel op het lichaam bedacht, voor 't welk men goederen opeenstapelt; maar voor het heil der ziel wordt niets gedaan; men belast haar integendeel met vele zonden en misdaden.

Is dit wel verstandig gehandeld?... Het lichaam zal eene prooi der wormen worden, maar de ziel zal, zonder te weten wanneer, de eeuwigheid binnengaan, waar zij alleen van de verdiensten, die zij op de wereld vergaderd heeft, zal moeten leven. Wie zou dus zoo dwaas willen zijn, gedurende zijn leven, enkel voor zijn lichaam te zorgen en zijne ziel te ver-waarloozen?...

0 mensch, zegt de H. Franciscus van Sales (Piiiloth.1,13), bedenk toch, dat bij uwen dood de wereld, althans voor u, ten einde zal zijn. De roem, de wellust en rijkdommen, die gij er genoten hebt, zullen als schimmen, als rook verdwijnen en n niets achterlaten, dan het naberouw van ze zoo begeerig nagejaagd en de belangen uwer ziel en uw eeuwig heil verwaarloosd te hebben; dan zult gij inzien, dat gij God dikwijls beleedigd hebt; dan zult gij de godsvrucht, de boetvaardig heid en de goede werken, die gij in uwen levenstijd verzuimd

396

ocr page 637

vijftienden zondag na pinksteren.

hebt, waardeeren en er naar verlangen; dan zullen uwe zonden, die gij vroeger als beuzelingen beschouwdet, u als hooge bergen toeschijnen.

Hoe zal uwe ziel te moede zijn, wanneer zij van haar zoo dwaas bemind lichaam zal moeten scheiden en aan alle ijdele vermaken, waarop zij zoo verzot was, aan alle gezelschappen en vrienden vaarwel zal moeten zeggen, om geheel alleen en zonder leidsman het onbekend, verschrikkelijk en huiveringwekkend oord der eeuwigheid binnen te gaan, waar zij niet weel, wat haar zal overkomen, waar zij geene vrienden zal aantreffen, die haar in de eeuwige woningen zullen ontvangen (Luc. XVI, 9), omdat zij gedurende haar leven op deze wereld verzuimd heeft, zich zulke vrienden te verschaffen; maar waar zij integendeel God, wien zij in hare levensdagen vijandig was, als een ge-strengen Rechter en de Engelen en Heiligen, ja zelfs de duivelen, als geduchte beschuldigers zal aantreffen. Huivert gij niet bij zulke gedachten?

Wilt gij weten, wat u te doen staat, om dit schrikkelijk oogenblik voor u niet zoo vreeslijk te maken? Leef nu zóó, dat gij voor den dood niet behoeft te vreezen. Doe thans, terwijl gij leeft, wat gij bij uwen dood zoudt wenschen gedaan hebben. Sterf met den H. Paulus dagelijks, door uw vleesch met zijn booze lusten en begeerten te kruisigen en tracht uw hart van de wereld, hare goederen en ijdelheden vrijwillig los te scheuren, vóórdat de dood u van dat alles met geweld losrukt; daardoor znlt gij niet alleen nu reeds voor den dood bewaard blijven, maar dan zal u het sterven eenmaal ook niet zuo zwaar vallen. Met andere woorden; vrees de zoude, dan behoeft gij den dood en de hel niet te vreezen!

Besluiten. Daar ik het uur niet weten kan, waarop ik u, o wereld, moet verlaten, wil ik mij ook aan u niet hechten. En u, vrienden en bloed verwaten, n wil ik voortaan niet anders, dan met een heilige en op God gerichte liefde en toegenegenheid beminnen; met eene liefde, die bij den dood niet ophouden, maar, gelijk God zelf, eeuwig duren zal. Ik wil mij voorbereiden en alle zorgen aanwenden, om de eeuwigheid gelukkig binnen te gaan. Ik wil mijne boosheden oprecht

597

ocr page 638

onderricht over den

betreuren, gedurende geheel mijn leven boetvaardigheid doen en God, mijn hoogste goed, door geene zonde, zelfs niet dooiden kleinsten misstap, beleedigen. En Gij, o Heer, neem mij op dien vreeslijken dag onder uwe bescherming; maak toch, dat mijn doodsuur zacht en zalig moge wezen; laat liever alle andere uren mijns levens treurig en vol lijden zijn. Ik smeek U, door uw heilig lijden, door alle folteringen, die Gij in uwen dood verduurd hebt, behoed mij voor de pijnen der hel, en laat niet loe, dat mijne ziel eeuwig verloren ga. Wees, o God, mijn Heiland en Verlosser!

Onderriclit over de ceremoniën, die de Katholieke Kerk bij de begrafenissen quot;bezigt.

Ziet, er werd een doode uitgedragen, de éénige zoon zijner móéder; en zij was eene weduwe; en eene groote schare van de stad was met haar (Luc. VI, 12^). De lieden, die het lijk des jongelings begeleidden, leeren ons, dat wij deu overledenen de laatste eer moeten bewijzen en hun lijk naar hel graf vergezellen. Dit is Gode behagelijk en verdienstelijk voor ons, als zulks niet enkel uit wereldsche inzichten, uit eigenbelang of om andere soortgelijke redenen, maar ter eere Gods en uit liefde jegens de afgestorvenen geschiedt. Daarom handelen zij niet wel, die zich, onder weg, met ijdele gesprekken bezighouden en niet eens aan de arme ziel van den overledene denken, wiens stoffelijk overschot zij volgen.

Waarom wordt een kruis voor het lijk gedragen ?

Hierdoor wordt aangeduid, dat de overledene Christus den gekruiste beleden heeft, in het geloof aan Jesls-Christls gestorven is en door Hem roemvol hoopt te verrijzen.

quot;Waarom draagt men brandende kaarsen vóór de lykbaar?

Hierdoor geven de aanwezigen en de Kerk te verstaan, dat zij den afgestorvenen het eeuwig licht of de eeuwige zaligheid in den Hemel toewenschen.

Waarom worden de doodskist en het graf met gewyd water besproeid ?

Daardoor weuscht de Kerk den overledene de verkwikking der Goddelijke genade toe, ingeval deze wellicht zijne

598

ocr page 639

vijftienden zondag na pinksteren.

zonden niet genoegzaam afgeboet en derhalve in het vagevuur nog iets te lijden mocht hebben.

Waarom worden het lijk en het graf of de doodskist bewierookt?

Daardoor toont de Kerk aan, dat de overledene, door zijn roep tot den christelijken godsdienst, eeu goede geur van Christus geweest is (II Cor. II, 14, 15). Zij vermaant de ge-loovigen tevens, dat, gelijk de wierook opwaarts stijgt, zij ook hunne gebeden en goede werken voor den overledene Hemelwaarts moeten zenden.

Waarom worden Psalmen en gewijde liederen gezongen ?

Dit geschiedt, om ons aan de leer van den H. Paulus (I ïhess. IV, 12) te herinneren, die ons vermaant, dat wij ons, over de overledenen, niet aan overmatige droefheid moeten overgeven, gelijk de Heidenen, die geene hoop op het eeuwig leven hebben. Tevens duidt dit overoud gebruik nog aan, dat wij de overledenen geluk wenschen met de rust, die zij thans genieten (Openb. XIV, 15).

Waarom worden by de begrafenissen de klokken geluid ?

Bij de lijken der volwassene menschen worden de ge-loovigen daardoor tot het gebed voor de afgestorvenen opgewekt; bij de begrafenis van kinderen, die de genade des H. Doopsels nog niet verloren hebben, noodigt de Kerk de geloovigen daardoor uit tot dankbetuiging jegens God, omdat Hij deze onschuldigen aan de gevaren der verleiding onttrokken en hen in zijn Rijk opgenomen heeft.

Waarom wordt het lichaam in gewijde aarde begraven ?

Daar onze lichamen ledematen van Christus en tempels van den H. Geest zijn, betaamt het, dat zij ook na den dood als iels geheiligds geacht worden en tegen de onteering van menschen en dieren beschermd worden, hetgeen door de begrafenis op gewijde plaatsen geschiedt. Tevens is de schoot der aarde de meest geschikte plaats, waarin het lichaam, gelijk een zaadkorrel, de verrijzenis afwacht.

599

ocr page 640

onderricht over den

Waarom wordt een kruis of een zerk met een kruisbeeld op het graf geplaatst?

Dit geschiedt insgelijks om aan te duiden, dat de overledene een Christen was, alsmede om ons aan onze dierbare vrienden te herinneren en hun in onze gebeden steeds indachtig te zijn.

Waarom wordt by de begrafenis een H. Mis voor den afgestorvene opgedragen?

Het lot der afgestorvenen is verschillend; de eene gaat bij het verlaten dezer wereld de zaligheid, de andere de verdoemenis binnen, en weer andere worden ook zalig, maar alleen na door het vuur gelouterd te zijn (I Cor. III, 15). Daar wij nu niet weten, welk lot onzen overledenen beschoren is, bidden wij voor allen en offeren wij voor hen onze goede werken op, in de zekere hoop, dat God in de beide eerste gevallen, namelijk indien de afgestorvenen ons gebed en onze goede werken niet noodig hebben of niet waardig zijn, de verdiensten er van op ons zeiven toepasse, en in het derde geval de smarten der zielen op onze voorbede moge lenigen. Hij zelf immers heelt geleerd, dat het een heilige en heilzame gedachte is voor de overledenen te bidden, opdat zij van hunne zonden worden ontbonden (II Machab, XII, 46). En wanneer toch zouden onze gebeden en onze offers Gode aangenamer en krachtdadiger zijn, dan als wij die met de gebeden en het offer van jesus-christus vereenigen, die zich dagelijks opnieuw aan zijn Hemelschen Vader opdraagt, ten einde Hem voor de zonden der gansche wereld voldoening te geven? Vandaar dan ook het overoud gebruik in de Katholieke Kerk, dat niet alleen op den sterf-ol begrafenisdag, maar ook nog op den derden, zevenden en dertigsten dag na, en op den verjaardag van het overlijden, een heilige Mis voor de overledenen wordt opgedragen (Zie ook bladz. 9).

600

ocr page 641

zestienden zondag na pinksteken.

Onderriclrt over den zestienden Zondag na Pinksteren.

Bij den Ingang der Mis. Roep met groot betrouwen de barmhartigheid Gods in en zeg (Psalm CXXXV.) »Ontferm U mijner, o Heer! want tot U heb ik den ganschen d::g geroepen; want Gij, Heer, zijt zoet, en zachtmoedig, en overvloedig in barmhartigheid jegens allen, die ü aanroepen. Heer, neig uw oor en verhoor mij, want ik ben behoeftig en arm.' Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Wij bidden U, o Heer, dat uwe genade ons altijd voor-kome en volge en zij ons steeds op de goede werken opmerkzaam make. Door Jesus-Christus, uwen Zoon, enz.

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Apostel Paulus aan de Ephesiërs, III, 13-21.

Broeders! Ik bid u, niet te verflauwen om mijne verdrukkingen voor ii, welke uw roem zijn. Om deze oorzake buig ik mijne knieën voor den Vader van onzen Heer Jesus-Christus, uit Wien alle vaderschap in de hemelen en op aarde genoemd wordt: dat Hij u geve naar den rijkdom Zijner heerlijkheid, door Zijnen Geest met kracht te worden versterkt, naar den inwendigen mensch; dat Christus door het geloof wone in uwe harten, en gij geworteld en gegrondvest zijt in de liefde, opdat gij bij machte zijt, met alle de heiligen te bevatten, welke de breedte, en lengte, en hoogte, en diepte zij: Te kennen ook de alle kennis overtrelfende liefde van Christus, opdat gij vervuld wordt tol alle de volheid Gods, Hem nu, die machtig is, meer dan overvloedig alles te doen, boven hetgeen wij bidden of bevroeden, naar de kracht, die in ons werkt; Hem zij de heerlijkheid in de Kerk, en in Christus Jesus, tot in alle geslachten van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen.

Verklaring. In deze Les vermaant de Apostel de geloo-vigen van Ephese. den moed niet te verliezen bij het gezicht der kwellingen, die hij, ten einde hen deelgenooten te maken der rijkdommen van Christus, voor hen verduurt, en daaruit geene gelegenheid te nemen, om te gelooven, dat de leer, welke hij verkondigt, niet van God komt. Het gezicht dier kwellin-

601

ocr page 642

onderuicht over den

gen moet dit uitwerksel des te minder bij hen voortbrengen, daar deze verdrukkingen hun tot eere verstrekken, en het juist daardoor klaarblijkelijk wordt, welke groote waarde zij in het oog van God hebben, die zijnen eenigen Zoon niet alleen heeft overgeleverd, maar ook zijne Apostelen voor hen laat lijden. Dewijl zij vervolgens voor God zulke groote waarde hebben, dat is, daar zij mede-erfgenamen en deelgenooten zijner beloften zijn, bidt de Apostel knielend, dat God hun, door zijnen Geest, kracht verleene om de bekoringen te overwinnen en den inwendigen mensch meer en meer te volmaken; dat Christus door liet geloof, als grondslag der andere deugden, in hen wone en zij alzoo een tempel van Christus mogen zijn. Wijders bidl hij God, dat hunne Helde onwrikbaar en bestendig moge zijn en zij de breedte en lengte, de hoogte en diepte, dat is de grootheid, majesteit en verhevenheid der Goddelijke geheimen, die hij hun geleerd heeft, mogen kennen, — In de laatste woorden breedte en lengte, hoogte en diepte meenen eenige geleerden eene zinspeling te zien op het kruis des Verlossers en verklaren die aldus: Hij begrijpt de lengte van het kruis, die erkent, dat van het begin der wereld tot de voleinding der eeuwen niemand zalig wordt, tenzij door het kruis van Christus; hij begrijpt de breedte, die meent, dal de Kerk, welke over den ganschen aardbol uitgebreid is, nit de zijde voortspruit van den op het kruis gestorven Verlosser; hij begrijpt de hoogte, die nagaat, hoe groot en verheven de heerlijkheid des Hemels is, waarheen ons het kruis van Christus voert; eindelijk hij begrijpt de diepte, die het raadsbesluit van God, om den mensch door Christus te verlossen en zalig te maken, getrouw overweegt. De H. Augustinüs verklaart deze woorden nog anders: hij verstaat door breedte de liefde Gods, door lengte de volharding in het goede, door hoogte tJe hoop op de Hemelsche belooning en door diepte de ondoorgrondelijkheid van Gods raadsbesluiten, volgens welke deze genadegaven den menschen worden medegedeeld. — Eindelijk bidt de Apostel nog, dat de geloovigeu van Ephese de liefde van Christus mogen waardeeren en den Goddelijken zegen deelachtig worden.

Er zijn er ook nog onder ons, die zich lichtelijk op het

602

ocr page 643

ZESTIENDEN ZONDAG NA P1NKSTEKEN.

dwaalspoor laten leiden en wankelend in hun geloof worden, wanneer zij de kwellingen zien, waaronder de Kerk en hare bedienaars gedrukt gaan. Mochten die Christenen de vermaning des Apostels wel ter harte nemen, en bij het zien dier verdrukkingen zich aangespoord gevoelen, hun geloof des te meer te versterken en des te ijveriger te werken aan het heil hunner ziel.

Evangelie volgens den H. Lucas XIV, 1-H.

In dien lijd, als Jesus op eenen Sabbat in het huis eens oversten der Pharizecn kwam, om brood te elen, sloegen zij Hem gade En ziet, er was, voor Hem, een waterzuchtig mensch. En Jesus nam het woord, en sprak tot de Wetgeleerden en Pharizeën, zeggende: Is het geoorloofd op den Sabbat te genezen ? Doch zij zwegen. Hij nam hem dan, genas hem, en liet hem gaan. En Hij, antwoordende, sprak tot hen: Van wien van u zal een ezel of os in eenen put vallen^ en hij niet terstond hem uittrekken, op den dag des Sabbats? Ook hierop konden zij Hem niet weder antwoorden. En Hij sprak ook lot de genoodigden eene gelijkenis, opmerkende, hoe zij de voorste zetels uitzochten; en Hij zeide lot hen: Als gij ter bruiloft genoodigd zijt, zet u niet op de eerste plaats: opdat niet wellicht een, aanzienlijker dan gij, door hem genoodigd zij; en degene, die u en hem genoodigd heeft, kome, en tot u zegge: Maak voor dezen plaats! en gij dan, met schaamte, de laagste plaats moet gaan innemen. Maar, als gij genoodigd zijt, ga, zet u op de laagste plaats, opdat, wanneer hij, die u genoodigd heeft, komt, hij lot u zegge: Vriend, ga hooger op! Dan zult gij eere hebben voor degenen, die met u aanzitten. Want een iegelijk, die zich verheft, zal vernederd, en die zich vernedert, verheven worden.

Waarom at Jesus met de Farizeën?

Ten einde gelegenheid te vinden, om hen te onderrichten en te bekeeren. — Even zoo moeten ook wij iedere gelegen-

603

ocr page 644

onderricht over den

heid ijverig aangrijpen om goed te doen, en den omgang met onze medemenschen, die zich in 't een of ander te buiten gaan. waarnemen, om hen op den rechlen weg terug te brengen.

Waarom sloegen de Farizeën Jesus zoo nauwkeurig

gade ?

Om in Hem iets te ontdekken, wat hun grond tot minachting en beschuldiging geven kon. Deze handelwijze wordt ook nog door de Christenen gevolgd, die den handel en wandel hunner medebroeders nauwlettend bespieden, zonder andere beweegreden, dan om iets in hen te bespeuren, waarover zij hen aanklagen en in een slecht daglicht stellen kunnen. Is dat het gebod vervullen van God, die zegt: Bemint uwen naaste gelijk u zeiven?

Wie kan onder den waterzuchtige verstaan worden ?

De gierigaard; want gelijk een waterzuchtige, hoe meer hij gedronken heeft, des te vuriger verlangt nog meer le drinken, zoo begeert de gierigaard steeds meer en meer, naarmate hij meer bezit. Gelijk de waterzucht moeielijk le genezen is en den menschen groote smarten veroorzaakt, zoo ook neemt de gierigheid met den ouderdom toe en foltert gemeenlijk hem, die daaraan onderhevig is, tot aan hef graf.

Waarom is de gierigheid eene hoofdzonde ?

Omdat zij de wortel is van veel kwaad (1 Timotii. Vl, 10). Zij voert tot woeker en diefstal, tot gebruik van valsche maten en gewichten, tot behoud van onrechtvaardig goed, lot verdrukking der armen, weduwen en weezen, tol verloochening en verdraaiing der waarheid voor den rechterstoel, tot het vergeten van alle vriendschap, liefde en gunsten, die men van vrienden en verwanten, ja zelfs van zijne ouders ontvangen heeft; zij leidt eindelijk tot afval van hef geloof, gelijk dit met Judas gebeurd is. Daarom zegt de Apostel: Zij, die rijk willen worden, vallen in bekoring, en inde strikken des duivels, en in vele nuttelooze en schadelijke begeerten, die de menschen in den ondergang en in het verderf storten (1 Tim. VI, 9); en hij vermaant ons dit alles te vluchten en naar rechtvaardigheid, godsvrucht, liefde, geduld, zachtmoedigheid, te streven.

Zie over de zonde van hoogmoed en de deugd van ootmoedigheid den tienden en elfden Zondag na Pinksteren.

604

ocr page 645

zestienpen zondag na pinksteren.

Onderricht over de viering van den Zondag.

Is het geoorloofd, op den Sabbat te genezen ? Lcc. XIV, 3.

Waarom stelde Christus deze vraag?

De Joden en vooral de Parizeen waren betrelfende de viering van den Sabbatdag zeer kleingeestig; zij beweerden, dat door liet geringste werk, bij voorbeeld door liet afplukken van eene korenaar, om er de korrels uit te eten, de Sabbat ontheiligd werd; ja zij bescliouwtlen zelfs als zonde, op dien dag eenig goed werk te verricliten; daarom ook wilden zij Jesüs, die op den Sabbat eenen kranke genas (Joann. IX, 16), niet als den Messias erkennen. Om hen nn uit die dwaling te trekken, vraagde luin Jesus: «Is het geoorloofd op den Sabbat te genezen?quot; Middelerwijl schonk Hij den kranke de gezondheid en toonde daardoor, alsmede door andere vragen, die Hij hun nog stelde, dat het niet verboden was, op den Sabbat goed te doen en werken te verrichten, die de naastenliefde of de noodzakelijkheid vordert. Wat Jesus van den Sabbatdag zeide, geldt insgelijks voor den Zondag, die den Sabbat vervangen heeft.

Hoe moet de Zondag gevierd worden?

Naar de wijze, die de twee eerste geboden der H. Kerk voorschrijven. Het is niet genoeg op Zon- en Feestdagen zich van slafelijken arbeid te onthouden, maar men moet die dagen ook heiligen, door de godsdienstplechtigheden naarstig bij te wonen, het woord Gods oplettend aan te hooren, en goede werken te beoefenen. Hoe gebrekkig en onvolmaakt volbrengen zij alzoo dit gebod, die op deze dagen nauwelijks een stille Mis bijwonen, en al het overige van den dag in lediggang, met tijdelijke bezigheden of wereldsche vermaken, doorbrengen!... Is het niet genoeg, dat men de gansche week voor het lichaam werkt? Is het niet billijk, dat minstens één dag der week aan den dienst van God en aan de zaligheid der ziel worde besteed?... Velen weten niet, hoe het niet den toestand hunner ziel gelegen is, noch waarover zij zich beschuldigen moeten, als zij ter biecht gaan. Ware het voor zulken niet goed, wanneer zij op de Zondagen don toestand van hun geweten eens onderzochten, hun geestelijke krank-

605

ocr page 646

onderricht over den

heden en zwakheden navorschten, de oorzaak daarvan naspenr-den, en op middelen, te hunner genezing, bedacht waren. O hoeveel zonden zij niet vinden, dat gebiecht, verbeterd en alge-boet moet worden!.,. Zoo men uit zich zeiven niet in staat is, zich met zulke gedachten bezig te houden, zou men dan zijne ongenoegzaamheid niet kunnen verhelpen, door het lezen van geestelijke boeken, door het voeren of aanhooren van godsdienstige gesprekken, door zich te wenden tot eenen biechtvader of zielzorger, die iemand volgaarne zal inlichten nopens de wijze, waarop- men zijn zielenheil nnttig overwegen, en de Zon- en Feestdagen stichtend doorbrengen kan. Maar wat doet men? Men besteedt de Zon- en Feestdagen aan ledigheid, aan wereldsche opschik, aan ijdele gesprekken, aan koop en verkoop of nog aan slechtere zaken, zonder de minste gewetenswroeging te ondervinden! Doch God zal de schenders der Hem toegewijde dagen met schande en spot overladen (Malach. 11, 3) en hun allerlei tijdelijke rampen overzenden. Of leert het de dagelijksche ondervinding niet, dat de onteer-ders van Zon- en Feestdagen geluk noch zegen hebben, dat zij met allerlei rampen en wederwaardigheden bezocht worden? Dat zulks ons dus tot waarschuwing strekke!

Welk goed werk, behalve het gebed, behooren wy des Zondags inzonderheid te beoefenen?

Als een bij uitstek goed werk, dat wij op den Zondag dienen te beoefenen, voert de H. Curvsostomus de aalmoes aan. Aan dien dag, zegt hij, hebben wij zelf eene menigte weldaden te danken. Op dien dag immers werd de dood overwonnen, de vloek opgeheven, de zonde verdelgd, werden de poorten van het voorgeborgte der helle geopend, de duivelen aan boeien gelegd, werd de lange vijandschap van den Schepper met het schepsel geëindigd. God met de menschheid verzoend, en 's-men-schen geslacht tot den vroegeren staat van genade teruggevoerd. Latea wij ons aan al deze weldaden herinneren, dan zal de Zondag een voorspreker der armen zijn, en ons toeroepen ; Gedenk, o mensch, hoe vele en hoe groote gunsten gij op dezen dag ontvangen hebt, en van welk groot kwaad gij bevrijd zijt geworden! Ja, de Zondag is de geboortedag van geheel het menschelijk geslacht, want wij waren verloren, en

606

ocr page 647

zestienden zondag na pinksteben.

werden op dien dag wedergevonden, wij waren dood, en werden levend, wij waren Gods vijanden en werden zijne vrienden. Laat ons dus dien dag, op een geestelijke wijze vieren, niet door feesten gastmalen, niet in dronkenschap, en wereldsche vermaken, maar door onze arme broeders te ondersteunen. Dat eenieder dus, gelijk de H. Paulus aan de geloovigen van Corinthe beval (1 Cor. XVi, 2) op dien dag iets van zijn vermogen voor den Heer, dal is, voor den arme afzondere; immers wat wij aan den minste onzer broeders doen, zal beschouwd worden, alsof wij het den Heer zeiven zullen gedaan hebben.

Wat behcoren wij op de Zon- en Feestdagen nog te verrichten ?

607

Wij moeten al het zondige in ons afleggen en onze ziel met deugden versieren. Is het geene dwaasheid, zegt de H. Chrysostomus, op de Zon- en Feestdagen zoo groote zorgvuldigheid voor ons lichaam te besteden, do schoonste kleederen aan te trekken, kostbare spijzen op te disschen, en ons van don anderen kant over onze verwaarloosde, besmeurde, verwilderde, hongerige en onzuivere ziel, in hot minste niet te bekommeren. Gij brengt een opgetooid lichaam, maar een naakte, afschuwelijke ziel naar do kork. Uw lichaam wordt door uwen evenmensch. door oen armzaligen sterveling, gelijk wij allen zijn, gezien, en daarom ligt er weinig aan gelegen, in welken locstand het zij; maar uwe ziel wordt door God beschouwd, en gewis Hij zal uwe nalatigheid streng bestraffen. Draagt gij dus iets zondigs in u, leg het af en verwijder het uit uwe ziel, alvorens gij tor kerke komt; breng liever deugden mode, opdat uw hart in deze heilige plaats meer en meer gelouterd worde en gij het altaar, waarop de God-mensch tegenwoordig is, niet verlaat, dan na mot groote eu overvloedige winsten verrijkt te zijn.

Zie hel gebed op alle Zondagen bladz. i8.

ocr page 648

onderricht over den

Onder rich, t over den zeventienden Zondag na Pinksteren.

Bij den Ingang der Mis, wordt Gods rechtvaardiglieid en barmhartigheid geprezen (Psara CXVIII). Rechtvaardig zijt Gij, o Heer, en recht is uw oordeel. Doe met uwen dienaar, volgens uwe barmhartigheid. Gelukkig zij, die onbevlekt zijn op den weg, die in de wet des Heeren wandelen. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Verleen, o Heer, uw volk, dat het alle besmetting des duivels ontwijke en aan ü alleen, o God! met een zuiver hart gehecht zij. Door onzen Heer Jesus-Giiristüs, enz.

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Apostel Paulus aan de Ephesiërs, IV, 1-6.

Broeders! Ik bid u, ik, de gebondene in den Heer, dat gij wandelt waardig de roeping, waartoe gij geroepen zijt, met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid, met geduldigheid verdragende elkander in liefde, zorgvuldig zijnde, de éénheid des Geestes te bewaren in den band des vredes: Eén lichaam, en één Geest, gelijk gij geroepen zijt tot ééne hoop uwer roeping; één Heer, één geloof, één doop; één God en Vader van allen. Die daar is boven allen, en door alles, en in ons allen.

Verklaring en onderricht. Laten wij God voortdurend om de genade bidden, ten einde door de beoefening der deugden, onze roeping van Ghristen te vervullen, en onze verkiezing tot de zaligheid te verzekeren (II Petri I, 10).

De woorden één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, enz., waardoor de Apostel de Christenen tot de eenheid des geestes venuaanl, zijn bijzonder merkwaardig. Zij toonen, dat het niet om het even is of men dit of dat geloof aankleve. Kr is slechts één geloof, gelijk er ook maar één Heer Jesus-Ciiristus, en één Doopsel en één God en Vader van allen is. Wie dus dit één en waar geloof niet bezit, heeft ook geene hoop op de zaligheid, die Christus beloofd heeft. Door deze woorden alzoo wordt de bewering, dat men in ieder geloof zalig kan worden, duidelijk wederlegd en veroordeeld.

608

ocr page 649

ZEVENTIENDEN ZONDAG NA PINKSTEREN.

Zullen alzoo allen, die den katholieken godsdienst niet beladen, verloren gaan ?

Dit wordt door hel bovenstaande niet gezegd; immers 't is de leer der Kerk, dat diegenen niet kunnen zalig worden, die door eigen schuld, ten gevolge eener vrijwillige dwaling, het ware Katholiek geloof niet bezitten. Het oordeel, wie al of niet in dit geval is, behoort Gode alleen toe. Houden wij ons intusschen aan datgene, wat de Heilige Vader Pius JX den 9 December 1834, in zijne toespraak aan de Bisschoppen, zeide: «Als geloofspunt, zeide hij, moet vastgehouden worden, dat buiten de Apostelijke Roomsche Kerk niemand zalig kan worden, dat de Kerk de ark des heils is, en dat eenieder, die zich binnen haar niet gered heeft, in den vloed, zal omkomen; — echter moet men insgelijks voorzeker houden, dat zij, die in onwetendheid van den waren godsdienst leven, ingeval deze onwetendheid zonder eigen schuld is, in het oog des Heeren, hierom ook met geene schuld beladen zijn. Maar wie zou zich durven aanmaligen, de grenzen der onwetendheid naar den toestand en de verscheidenheid der volkeren, landen, gezindheden en zoo vele andere omstandigheden, te willen bepalen. Wanneer wij eenmaal, uit deze lichamelijke boeien ontslagen, God zullen zien, gelijk Hij is, dan zullen wij begrijpen, in welk nauw en schoon verband de Goddelijke barmhartigheid en rechtvaardigheid met elkander staan; maar zoo lang wij op aarde ronddwalen en met dit sterfelijk lichaam, dat de ziel verstompt, omkleed zijn, laten wij vasthouden aan de Katholieke leer, die zegt: Eén God, één geloof, één doopsel. Zich in diepere navorschingen te verliezen, is ongeoorloofd. Laat ons intusschen, gelijk de liefde gebiedt, onophoudelijk bidden, dat alle volkeren zich allerwegen tot God bekeeren, en laten wij naar ons vermogen werkzaam zijn aan het algemeen heil van allen; immers de hand des Heeren is niet verkort en de geschenken der Hemelsche genade zullen hun gewis niet ontbreken, die met een oprecht hart verlangen door zijn licht verkwikt te worden.quot;

609

59

ocr page 650

onderricht over den

Evangelie volgens den H. Mattheus XXII, 3d-46.

In dien tijd kwamen de Parizeen tot Jesus, en één van hen, zijnde eene leeraar der wet, ondervraagde Hem, om Hem te beproeven. Meester, welk is het grootste gebod in de wet? Jesus sprak tot hem: Gij zult den Heer uwen God liefhebben, uit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel, en uit geheel uw versland. Dit is het grootste en het eerste gebod. En het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uwen naaste liefhebben, als u zeiven. Aan deze twee geboden hangt de geheele wet en de Profeten. Daar nu de Farizeën bijeen waren, vraagde hun Jesus, en zeide: Wat dunkt u van den Christus? Wiens zoon is Hij? Zij antwoordden Hem: De zoon van David Hij sprak tot hen: Hoe noemt dan David in den Geest Hem Heer, zeggende: De Heer heeft tot mijnen Heer gezegd : Zit aan Mijne rechterhand, totdat Ik uwe vijanden stel tot eene voetbank uwer voeten. Indien David Hem dan Heer noemt, hoe is Hij zijn zoon? En niemand koude hem een woord antwoorden: noch heeft iemand sedert dien dag gewaagd, hem meer te ondervragen.

Wat is God beminnen ?

God als zijn Heer, als het allerhoogste cn volmaaktste goed te erkennen, in Hem zijn grootste vreugde en zijn hoogste geluk te stellen, daarom ook te wenschen, dat Hij door alle anderen gekend en geëerd worde; alle gedachten, verlangens, daden tot Hem te richten, en zijne geboden zoo ijverig te onderhouden, dat men liever alle goederen des levens, rijkdom, eer, vriendschap, ja zelfs het leven zou willen verliezen, dan God ongehoorzaam te zijn of Hem te willen beleedigen.

Wat is dat: God uit geheel ons hart, enz., liefhebben?

Deze uitdrukkingen beteekenen allen hoofdzakelijk hetzelfde. De H. Schrift wil hierdoor zeggen, dat wij God met een ware, dat is, oprechte, hartelijke, ijverige en krachtige liefde of uit alle krachten van ziel en lichaam moeten beminnen;

610

ocr page 651

ZEVENTIENDEN ZONDAG NA PINKSTEUEN. (Hl

met andere woorden, dat wij alle gedachten van onzen geest, alle verlangens van ons hart, alle besluiten van onzen wil, alle bewegingen van ons lichaam, voornamelijk onzer vijl zinnen, der handen, der voeten, der tong, enz., met de liefde en ten dienste van God moeten bezig honden of alle werken tot Hem als tot ons laatste einde moeten richten.

Hoe kan dat geschieden?

Door alles, wat men doet, — hetzij men arbeide met den geest of met de handen, hetzij men ete, drinke, slape of zich vermake, — met een goed inzicht, ter liefde en eere Gods te verrichten, wijl zóó zijn wil en dit Hem aangenaam is.

Kan men ook nuttelooze gesprekken, overvloedig eten

en drinken of andere zondige werken aan God opofferen en te zijner liefde verrichten?

Neen, deze dingen zijn tegen zijnen wil, en kunnen Hem diensvolgens niet behagelijk zijn; zij verdienen dus ook geene belooning, maar trekken veeleer straf over den mensch af.

Is dat ook een oprechte liefde, als men God bemint, omdat Hij ons weldoet?

Dit is ook wel eene goede en lolfelijke, maar geene volmaakte liefde, omdat zij onze eigenliefde en ons eigenbefang in zich besluit.

Welke is de volmaakte liefde ?

Als men God alleen daarom bemint, wijl Hij in zich zeiven het allerhoogste en allerbeminnenswaardigste Goed is. Diensvolgens moeten wij trachten God te beminnen, niet uit eigenbelang, met het uitzicht op belooning of uit vrees voor bestraffing, maar alleen, omdat Hij als het hoogste Goed verdient met geheel ons hart door ons bemind te worden.

Kunnen dan de vrees en de liefde niet samenstaan?

Niet de slaafsche, wel de kinderlijke vrees kan met de liefde samenstaan; de slaafsche vrees immers is meer eene beduchtheid voor straf, dan wel eene vreeze Gods of eene bevreesdheid van God te beleedigen. Zulke vrees kan met de liefde niet gepaard gaan. Waar zulke vrees is, daar is de liefde nog niet; en omgekeerd, waar de liefde is, daar bestaat zulke vrees niet, omdat hij, die God waarlijk bemint, vergiffe-

ocr page 652

onderricht over den

nis zijner zonden en kwijtschelding zijner straffen mag verhopen (I Joann. IV, 18). De kinderlijke vrees is de vreeze den goeden God te vergrammen. Deze voert tot de liefde en is ook een uitwerksel der liefde, ja zelfs het begin der wijsheid {Ps.CX,10). Deze vrees moeten wij dus in ons aankweeken, want zij verdrijft de zonde (Eccl. I, 27), gelijk de wachter den dief; zij zal ons met blijdschap en vroolijkheid, met moed, vrede en voldoening, met een lang leven begunstigen, en eindelijk op onzen sterfdag ons den Goddelijken zegen en een gelukzalig uiterste verschaffen (Eccl. I, i 1-13).

Welke voordeelen levert ons de liefde Gods op?

Zeer vele: als wij God beminnen, dan zullen wij 1) ook door Hem bemind worden (Spreuk VIII, 17); 2) God zelf zal tot om komen en zijne woning hij ons maken (Joann. XIV, 23); 3) Hij zal ons al onze zonden vergeven, want de liefde bedekt alle misdaden (Spreuk X, 12. I Petr. IV, 8); 4) Hij zal ons opwekken, om ons met alle deugden te versieren (I Cor.XIII,4 enz.) en ons met de onmetelijke schatten der genade te verrijken (Spreuk VIII, 21); 5) Hij zal ons tegen alle zichtbare en onzichtbare vijanden beschutten, en 6) eindelijk ons, na een gelukzaligen dood, in het Rijk der liefde, in den Hemel, opnemen, alwaar Hij ons, met den overvloed zijns huizes zal vervullen en met den vloed zijner wellusten zal drenken, (Psalm XXXV, 9) want er staat geschreven: Geen oog heeft gezien, en geen oor heeft gehoord, en in geen menschenhart is opgekomen, wat God bereid heeft voor die Hem liefhebben (I Gor. 11,9).

Hoe verkrijgt men de volmaakte liefde tot God ?

1) Door de overweging zijner oneindige. Goddelijke volmaaktheden; als: zijne goedheid, almacht, heiligheid, rechtvaardigheid, eeuwigheid, alwetendheid, grootheid, verhevenheid, enz.; 2) door de herhaalde beoefening dezer liefde; 3) door een vurig gebed, om die deugd te verkrijgen.

Zie ook het onderricht op Pinkster-Maandag.

Wanneer behoort men zich in de liefde tot God te oefenen ?

1) Zoodra men tot de jaren van versland gekomen is en men God alsmede den plicht van Hem te beminnen, genoeg-

612

ocr page 653

zeventienden zondag na pinksteren.

zaam kent; alle dagen; 3) als de duivel, de wereld of het vleesch ons, door hunne bedriegelijke goederen en geneugten, van het alléén ware Goed, van God trachten af te trekken; 4) als men het ongeluk heeft gehad zich, door eene doodzonde, van God te verwijderen; 5 als men tot een H. Sacrament nadert, vooral als men tot de H. Communie gaat;

6) als men een bijzondere weldaad van God ontvangen heeft;

7) bij het gebruiken van spijs, drank of het hijwonen van geoorloofde vermaken; 8) bij het aanschouwen der schepselen Gods, maar vooral 9) in het uur des doods.

Zie over de liefde jegens den naaste het onderricht over den twaalfden Zondag na Pinksteren.

Waarom wordt het gebod om God te beminnen het grootste gebod genoemd?

1) Omdat dit gebod het Hoogste en Beminnenswaardigste, God zeiven, tot voorwerp heeft; 2) omdat in dit gebod, alsmede in dat der naastenliefde, alle overige geboden liggen opgesloten, of omdat, gelijk christls zelf zegt, daarin de geheele Wet beslaat. Wie deze twee geboden onderhoudt, vervult de geheele Wet, doordien hij alles doet, wat God gevallig is, en dus al zijne geboden naleeft. Wie God uit geheel zijn hart liefheeft, zal niet God verlaten en zich tot het schepsel wenden; hij mort niet tegen God en onteert diens naam niet door vloeken en zweren; hij ontheiligt den Sabbat niet, omdat hij weet, dat zulks zijn lieven God mishaagt. Daarenboven hoopt hij op God, dankt en looft Hem, heiligt de Zon- en Feestdagen, wijl hij wel bewust is, dat dit Gode, dien hij alleen en in alles wil behagen, gevallig is. Wie God bemint, onderhoudt ook de geboden der Kerk, omdat God wil, dat men naar zijne Kerk hoort. Wie God bemint, eert zijne ouders, doet zijnen naaste geen leed, mishandelt en doodt niemand, pleegt geen echtbreuk, steelt niet, ontrooft niemands eer en goeden naam, legt geen valsche getuigenis af, oordeelt niet vermetel, is niet nijdig, vijandig, onbarmhartig; maar oefent veeleer de lichamelijke en geestlijke werken van barmhartigheid jegens zijnen evenmensch en doet dat alles, omdat hij uil liefde tot God zijnen naaste, gelijk zich zeiven, liefheeft; 3) omdat, zoader deze liefde, zelfs het bezit van alle gaven

613

ocr page 654

onderricht over den

der genade en de beoefening van alle goede werken niets baten (I Cor. XIII, 1 enz.); 4) omdat de liefde de nuttigste en de werkdadigste deugd is; zij immers bedekt alle misdaden, enz. Daarom zegt ook de H. Chrysostomus. dat het gebod van God te beminnen de wortel en het toppunt is, dat wil zeggen, de grondslag, het begin en tevens de voltrekking der geboden is.

Wat dunkt u van den Christus ? (Matih. XXII, 42.)

Aldus vraagde Jesus den Parizeen, om hen door hun eigen antwoord te overtuigen, dat de Messias niet enkel mensch en niet alleen zoon van David, maar de van eeuwigheid van den Vader voortkomende Zoon van God is, daar Hij zich noemt Heer van David, en God toch alleen de Heer der menschen is. — Dat Ghristus de Zoon Gods, onze Heer, Leermeester, Wetgever, Verlosser en Zaligmaker is, belijden wij. Christenen, allen wel door woorden, maar hoevelen loochenen dit intusschen niet door hunne daden, doordien zij zijne geboden niet onderhouden en de zaligheid, die Hij ons verworven heeft, niet willen verdienen?! Wat zal Christus eens voor deze soort van menschen zijn? Helaas! een strenge Rechter, een straffende God!

Verzuchtingen. 0 allerliefste Heer Jesus-Christüs, die ons tot de liefde jegens God en den evenmensch zoo ernstig hebt aangespoord, wij bidden U, prent het gebod uwer liefde diep in ons hart, opdat al ons doen en laten, al onze gedachten, woorden en werken in uwe liefde beginnen en eindigen. Geef, dat wij U van ganscher harte, uit geheel onze ziel, uit geheel ons gemoed en uit al onze krachten beminnen en door de lielde met U vereenigd worden, dat, gelijk de H. Paulus zegt, noch kwelling, noch bekoring, noch gevaar, noch de dood zelfs ons van U kunne scheiden. Verleen ook, dat wij om uwentwille onze naasten, zoo vrienden als vijanden, gelijk ons zeiven beminnen en door deze liefde verdienen in U eenmaal eenen Zaligmaker en genadigen Rechter te vinden.

614

ocr page 655

achttienden zondag na pinksteren.

OnderricM over den aclittienden Zondag na Pinksteren.

Bij den Ingang der Mis. De Kerk bidt om den vrede, dien God door de Profeten beloofd heeft. (Eccl. XXXVI, 18.) Geef vrede, o Heer, aan degenen, die U verbeiden, opdat uwe Profeten waarachtig bevonden worien, en verhoor de gebeden van uwen dienaar en van Israel uw volk. Psalm CXXI. Ik ben verblijd in hetgeen mij gezegd is, wij zullen in het huis des Heeren gaan. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Wij bidden U, Heer, dat de werking uwer genade onze harten moge bestieren, omdat wij ü zonder U niet kunnen behagen. Door onzen Heer Jesus-Ghristus uwen Zoon, enz.

EPISTEL: Les uit den eersten Brief van den H.

Apostel Paulus aan de Corinthiërs, I, 4-8.

Broeders! Ik dank mijnen God te allen tijde voor u om de genade Gods, die u gegeven is in Christus Jesus : dat gij in Hem rijk zijt geworden in alles, in alle woord, en in alle kennis; gelijk de getuigenis van Ghristus bevestigd is geworden in u: zoodat niets in eenige genadegave u ontbreekt, die verwachtende zijt de openbaring onzes Heeren Jesus-Ghristus, die u ook bevestigen zal, ten einde toe, on-stralfelijk te zijn in den dag van de komst onzes Heeren Jesus-Ghristus.

Onderricht. De H. Paulus toont in deze Les, dat hij de ware naastenliefde bezit, doordien hij zich verheugt en God bedankt, omdat Hij de geloovigen van Gorinihe, door Jesus-Ghristus (door wiens verdienste alleen God den menschen alle heilzame gunsten geeft) met allerlei genaden en gaven, voornamelijk met de leer en de kennis des Ghrislendoms heeft uitgerust, en daardoor de getuigenis nopens Ghristus bekrachtigd heeft, die op zijne beurt hen zal bevestigen, dal is, hen tot het einde zal doen volharden, zoo dat zij van het laatste oordeel niets te duchten hebben. — Daaruit leeren wij, dat wij ons over de gunsten en genaden van onzen naaste moeten verheugen. God er voor bedanken en Hem bidden, dat Hij zich gewaardige ook de andere menschen met zijne erkenning, liefde en alle deugden te vervullen; want hij, die zich over

615

ocr page 656

onderricht over den

de welvaart zijns naasten verheugt, maakt zich, gelijk de H. Augustinus zegt, aan diens genade deelachtig en zal daardoor van zware zonden bewaard blijven, en derhalve den dag der komst van onzen Heer Jesus-Christus insgelijks zonder vrees te gemoet kunnen zien.

Evangelie volgens den H. Mattheus IX 1-8.

In dien tijd ging Jesus in een schip, voer over, en kwam in zijne stad. En ziet, zij brachten tot Hem eenen verlamde, die op een bed lag. En Jesus, ziende hun geloof, sprak tot den verlamde: Betrouw, zoon ! uwe zonden worden u vergeven. En ziet, sommigen van de Schriftgeleerden zeiden bij zich zeiven: deze lastert God. En als Jesus hunne gedachten zag, sprak Hij : Waarom denkt gij kwaad in uwe harten? Wat is lichter te zeggen : Uwe zonden worden u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel? Maar opdat gij moogt weten, dat de Zoon des menschen macht heett op aarde de zonden te vergeven — zoo zeide Hij tot den verlamde: Sta op. neem uw bed op, en ga naar uw huis. En hij stond op, en ging naar zijn huis. En de scharen, dit ziende, hebben gevreesd^ en God verheerlijkt, die zoodanige macht den menschen gegeven heeft.

Onderricht. 1) Zij die dezen kranke tot Christus brachten, zeggen ons door hun Irelf'end voorbeeld, dat wij ons de arme kranken aantrekken, en hun zooveel mogelijk hulp verschaffen moeten. En dewijl hunne liefde en hun geloof zoo zeer aan Christus welgevallig was, dat Hij daarom den verlamde de zonden vergaf en hem genas, zoo wordt ons geleerd, dat wij menigen kranke naar de ziel konden helpen, indien wij hem, door een gebed vol vertrouwen, door een dringende vermaning of door een goed voorbeeld tot Christus voerden. Verzuimen wij alzoo niet voor de zondaars minstens te bidden, ingeval wij anders niets voor hen doen kunnen.

2) Christus genas den verlamde niet eerder, dan na hem eerst de zonden vergeven te hebben. Daardoor wil Hij ons leeren, dat de oorzaak van ziekten en andere rampen, waar-

616

ocr page 657

achttienden zondag na pinksteuen.

mede wij bezocht worden, meerendeels in de zonde moet gezocht worden, en dal God die kwalen van ons zou wegnemen, indien wij ware boetvaardigheid over onze zonden deden en ons in de toekomst van de misdaad verwijderd hielden. Jesüs bekrachtigde die leer nog nader, toen Hij tot den acht-en der-tigjarigen kranke, dien Hij genezen had, zeide: Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat niet u iets ergers over-kome! (Joann. V, 14). Dit behoorden zij vooral wel ter harte te nemen, die God dikwijls zoo dringend bidden, ten einde van hunne kwalen bevrijd te worden, maar er niet aan denken, hunne zonden, die de oorzaak hunner kwalen zijn, door een ware boetvaardigheid af te boeten en zich te beteren.

3) Deze lastert God. Zoo dachten de Joden door het verkeerd begrip, dat zij van Christus hadden; zij meenden, da1 Jesus, door den kranke de zonden te vergeven, inbreuk maakte op de rechten van God en Hem daardoor een zware beleedi-ging aandeed; immers men lastert en beleedigt God, wanneer men vrijwillig nopens Hem of zijne Heiligen iets smadelijks denkt, zegt of doet. Deze roekelooze Joden dachten er niet aan, dat zij door hun vermetel oordeel God beleedigden, doordien zij Chkistüs, die door de genezing van den verlamde en andere wonderen, overvloedig bewezen had, dat Hij God was, zoo zeer versmaadden met Hem van godslastering te beschuldigen, dat Hij, die hunne gedachten zag, zich verplicht achtte hun onrecht oogenblikkelijk aan de kaak te stellen en zich te rechtvaardigen. Indien de Zaligmaker den Joden, die Hem niet voor God erkenden, een godlasterende gedachte jegens Hem zoo euvel duidde, wat zal Hij dan met die Christenen niet doen, welke, in weerwil hunner bewering, dat zij ware aanbidders van God eir van Christus zijn, nochtans de godslastering, het vloeken, de onteering der Heilige Sacramenten zich tot eene gewoonte gemaakt hebben!

4) Als Jesus hunm gedachten zag, sprak Hij: Waarom denkl gij kwaad in uwe harten? Let wel op deze woorden, gij allen, die uwe gedachten tolvrij waant en niet eens wilt vermoeden, dat gij uwe kwade en schandelijke gedachten moet biechten. God, de heiligheid en rechtvaardigheid zelve, zal een vrijwillige onzuivere, hoovaardige, wraakgierige, nijdige.

617

ocr page 658

onderricht over den

vijandige gedachte even zoo min als een slechte daad ongestraft laten (Matth, Xll, 36). De grond immers van alle kwaad ligt in de bedorvenheid van 's menschen hart en wil. De gedachte daarenboven, indien men ze niet verdrijft, veroorzaakt vermaak, uil het vermaak ontstaat de toestemming en op de toestemming volgt de daad. Uit de herhaling der daden ontspruit de gewoonte en uit de gewoonte wordt een rampzalige overhelling tot zondigen geboren (H. Bernardüs). Het beste middel, om de kwade gedachten te verdrijven, zou de herinnering zijn, dat God, die de harten kent en doorgrondt, de kwade gedachten ziet en bestraft. Zou wel iemand het durven wagen, zich met slechte gedachten bezig te houden, zoo hij wist, dal de menschen ze zien en bestraden kunnen? Veel minder dus nog zal de mensch zulke gedachten koesleren, als hij aan God denkt, die in ons hart ziet en ons kan straffen.

Verzuchting. Hoe groot, o Jesus, is uwe liefde en uwe barmhartigheid niet jegens de arme zondaars! Gij vergaaft den verlamden mensch van het huidig Evangelie niet alleen zijne zonden, maar gij noemdet hem daarenboven »zoon.quot; Gij troostel en genaast hem. Door deze uwe liefde aangemoedigd, bidden wij ü, geef ons de genade, dat wij eens voor altijd van het ziekbed onzer zonden door ware boetvaardigheid opstaan, ons leven verbeteren en langs den weg uwer geboden, het huis der eeuwige zaligheid mogen binnengaan, alwaar Gij, ware God, leeft en heerscht in alle eeuwigheid. Amen.

Onderricht over de Aflaten.

Betrouw, zoon! uwe zonden worden u vergeven, (Matth. IX, 2).

Wat Ghristus hier tot den verlamde leide, datzelfde zegt ook de Priester, in de biecht, aan iederen rouwmoedigen zondaar; hij vergeeft hein krachtens de macht, die God hem heeft toevertrouwd, zijne schuld der zonden en de eeuwige straf. Daar echter de zonden, behalve de schuld en de eeuwige straf, ook tijdelijke straffen na zich sleepen, die niet altijd geheel en al door het H. Sacrament der Biecht worden uitgewischt, zoo moei men zich beijveren daarvan door de aflaten vrij te komen.

618

ocr page 659

achttienden zondag na pinksteren.

Wat is de aflaat?

Eene kwijtschelding der tijdelijke stratleu, die de mcnsch of in dit of in het ander leven nog moet verduren voor de zonden, wier schuld reeds vergeven is.

Waaruit weten w\j, dat nadat de zonden vergeven zijn, nog tijdelijke straffen overblijven ?

Uit de H, Schrift; nadat Adam en Eta gezondigd hadden, vergaf God hun wel de schuld, maar legde hun tevens zeer zware straffen op (Gen. 111). Even zoo vergal Hij den kinderen Israels, die zoo dikwijls tegen Hem in de woestijn gemord hadden, op de voorbede van Mozes, hunne zondenschuld, maar Hij schold hun de tijdelijke straf niet kwijt; want schier allen werden van het Beloofde Land uitgesloten en veroordeeld, in do woestijn te sterven (Num. XIV). Ditzelfde ondervonden ook Mozes en Abron wegens te weinig vertrouwen op God (Ibid. XX, 12. Deutr. XXXII, 51). David had wel is waar de verzekering van den Profeet Nathan ontvangen, dat God hem zijn echtbreuk en doodslag vergeven had (II Koning. XII), maar hij moest desniettemin zware tijdelijke strallen ondergaan, onder andere, den dood van zijn beminden zoon Absalon. Het geloof eindelijk leert ons ook, dat, na den dood, de mensch om zijne zonden zoolang in het vagevuur gepijnigd wordt, tot hij den laatsten penning zal hebben betaald (Matth. V, 26).

Heeft de Kerk ook de macht tijdelijke straffen voor de zonden op te leggen, of ook die straffen kwyt te schelden ?

Ja, dit blijkt uit de woorden van Christus: Al wat gij op de aarde zult gebonden hebben, zal ook in den Hemel gebonden zijn; en al wat gij op de aarde zult ontbonden hebben, zal ook ontbonden zijn in den Hemel (Matth. XVIII. 18). Welnu; de zondaars worden door de tijdelijke straffen als het waie gebonden, en door de kwijtschelding ervan ontbonden; zoodat hen niets meer van den Hemel kan terughouden; derhalve kan ook de Kerk zulke straffen of opleggen, óf kwijtschelden. Zulks deed de H. Paulus reeds betrekkelijk den Corinthiêr, dien hij wegens begane bloedschande, een groote straf oplegde (I Corinth. V) en later nadat, deze zich gebeterd had, hem weêr van de straf ontsloeg (II Corinth, II). Ook de Kerk heeft

619

ocr page 660

onderricht over den

zóó te allen tijde gehandeld; alleen de soort der straffen was in verschillende tijden verschillend. In de eerste eeuwen heerschte dienaangaande een groote strengheid, en werden den zondaren, wier zonden reeds vergeven waren, door de Kerk zeer groote straffen of boetplegingen opgelegd. Zoo moest men bij voorbeeld voor doodslag twintig, voor echtbreuk vijftien, voor valschen eed elf, voor ontucht zeven jaren in strenge boetvaardigheid met vasten enz. doorbrengen, en was men gedurende al dien tijd van het bijwonen van het H. Misoffer en het naderen tot het H. Sacrament des Altaars, enz. uitgesloten. Indien omstandigheden de Kerk genoopt hebben, van die strengheid af te zien, moeten wij ons daarom niet verbeelden, dat zij deze zonden thans minder dan vroeger verafschuwt.

Waarom legt God den zondaar, na de vergiffenis der

zonden en der eenwige straf, nog afzonderiyke tydeiyke straffen op ?

I) Om den zondaar een rechtmatigen afkeer van de zonden in te boezemen en hem tegen hel terugvallen in die zonde te bewaren; 2) opdat de gegeven ergernis weggenomen, en der Goddelijke rechtvaardigheid voldoening gegeven worde.

quot;Welke inzichten beeft de Kerk met oplegging der straffen ?

Geene andere dan de pas opgenoemde; zij verlangt vooral, dat de zondaar bereids hier beneden aan Gods rechtvaardigheid \oldoening schenke, opdat hij niet in het vagevuur nog moete lijden.

Waaruit blykt het, dat de Kerk ook die tüdelijke

straffen kan kwijtschelden, die God den zondaar heeft opgelegd ?

Uit de boven gemelde macht, die Jesus haar gegeven heeft, namelijk van te hinden en te ontbinden (Matth. XVIII. 18).

Wat beteekent de geestelijke schatkist der Kerk, waaruit zy de aflaten put?

Onder den naam geestelijke schatkist der Kerk worden verstaan de oneindige verdiensten van Christus, en de overvloedige verdiensten van Maria en der andere Heiligen, welke de

620

ocr page 661

achttienden zondag na pinksteren.

Kerk ons toevoegt. God scheldt de tijdelijke straffen aan den boetvaardige kwijt, niet het oog op den overvloed der verdiensten van Ghiusti'S en der Heiligen en vult, om zoo te spreken, daardoor aan, hetgeen aan onze voldoening ontbreekt.

Hoeveel soorten van aflaten zyn er ?

Er zijn volle en gedeeltelijke aflaten. Wanneer hij geheel verdiend wordt, wischt een volle aflaat alle tijdelijke straffen uit, die wij door de zonde verdiend hadden; zoodat, indien een geloovige een vollen aflaat geheel verdient, hij zoo zuiver vóór God is, als een pas gedoopte. Een gedeeltelijke aflaat, bij voorbeeld van een zeker getal dagen of jaren, scheldt zooveel van de tijdelijke straffen kwijt, als de geloovige ton verdiend hebben, indien hij even zoo veel tijd in boetvaardigheid had doorgebracht volgens de boetregels, die in de eerste eeuwen der Kerk in gebruik waren. — Wanneer door de Kerk een volle aflaat van nog andere buitengewone geestelijke gunsten vergezeld, om bijzondere redenen en omstandigheden, wordt uitgeschreven, dan noemt men dien genadevollen tijd Jubilé.

Wat wordt er vereischt, om een aflaat te verdienen?

Men moet van alle doodzonden zuiver en met God verzoend zijn; dit geschiedt door het waardig gebruik van de Heilige Sacramenten der Biecht en der H. Communie. Immers men vergete niet, dat door de aflaten niet de zonden, maar alleen de tijdelijke straffen der reeds vergeven zonden uit-gewischt worden. Verder moet men alle genegenheid tot de zonden afgelegd hebben en een diepen alkeer voeden van alles, wat zondig is, of tot zonden aanleiding geeft. Eindelijk moet men de voorgeschreven oefeningen, namelijk: het gebed tot verhefling en uitbreiding der Katholieke Kerk, tot vrede en eendracht der Christen^-vors ten, tot uitroeiing der ketterijen, enz. nauwkeurig en godvruchtig volbrengen. Te dien einde bidt men, volgens het verlangen van Guegoiuus XIII, minstens zeven maal Onze Vader en Wees gegroet, één maal Eere zij den Vader, enz. en de Geloofsbelijdenis.

Uit hetgeen gezegd is, blijkt, dat de aflaat geen vrijbrief tol zondigen is; integendeel, hij is een ernstige vermaning tot boetvaardigheid, naardien alleen zij, die door het waardig

621

ocr page 662

onderillcht over 1gt;f.n

ontvangen der Heilige Sacramenten van hunne zondenschuld gezuiverd zijn, door den aflaat ook bevrijd kunnen worden van hunne tijdelijke straffen.

Ontslaan ons de aflaten van alle boetpleging?

Geenszins, want behalve dat er op de duizend slechts enkelen zijn, die de vereischte gesteltenis bezitten, om eenen aflaat ten volle te verdienen, is het volstrekt niet het inzicht der Kerk, om ons door de vergunning der aflaten, van alle boetpleging te ontslaan, daar Christus zelf gezegd heeft: Indien gij geen boete doet, zult gij allen... omkomen (Luc. XIII, 3). De Kerk wil veeleer, door de verdiensten van Christus en de voldoening der Heiligen, die zij door de aflaten op ons toepast, alleen onze zwakheid ondersteunen, ons onvermogen in het plegen van verschuldigde boete te geinoet komen, en hetgeen aan onze boetvaardigheid ontbreekt, aanvullen. Alreeds door het volbrengen der vereischte werken om eenen aflaat te verdienen, pleegt men eenige boetvaardigheid; indien dus iemand persoonlijk volstrekt geene boetvaardigheid wil doen voor zijne zonden, dan zal hij ook aan de aflaten zeiven geen deel hebben.

Zun de aflaten ook voordeelig aan de afgestorvenen?

Ja, bij wijze van voorbede; namelijk als men de voorwaarden, die tot het verdienen van den aflaat vereischt worden, trouw vervult, en bidt, dat God, om de verdiensten zijns eenigen Zoons en die der Heiligen, de straffen van de zielen in het vagevuur uitwissche. Echter moet hier aangemerkt worden, dat enkel die aflaten op de afgestorvenen kunnen toegepast worden, betrekkelijk welke in de openbare uitschrijving uitdrukkelijk vermeld wordt, dat zij op de zielen des vagevuurs toepasselijk zijn; en verder, dat men uitdrukkelijk het inzicht moet hebben, om dien aflaat aan de afgestorvenen en wel aan eene of andere bepaalde ziel, toe te voegen. In-tusschen zouden wij dwaas handelen, indien wij ons alleen verlieten op de aflaten, die anderen na onzen dood misschien voor ons willen verdienen, en waarvan wij niet welen, welk deel er van, ons zal toegevoegd worden. Laten wij thans liever, door aflaten en eigen goede werken, onze tijdelijke straffen uitdelgen en onze zaligheid zooveel mogelijk verhaasten en verzekeren.

622

ocr page 663

negentienden zondag na pinksteren.

Onderriclit over den negentienden Zondag na Pinksteren.

Bij den Ingang der Mis belooft God, dat Hij zijn volk in alle moeielijkheden zal verliooren en helpen, indien hel naar zijne wet luisteren en ze onderhouden wil. — Ik ben het heil des volks, zegt de Heer, uit welke kwelling ook zij tot Mij roepen. Ik zal hen verliooren en Ik zal hun Heer in eeuwigheid zijn (Psalm LXXVII). Luistert, mijn volk, naar mijne wet, neigt uwe ooren tot de woorden mijns monds. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Almachtige en barmhartige God, weer genadig van ons af alles, wat ons schadelijk is; opdat wij naar ziel en lichaam ongehinderd, uwe belangen met vrijen geest volbrengen. Door onzen Heer Jesus-Christus, enz.

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Apostel Paulus aan de Ephesiërs, IV, 23-28.

Broeders! wordt vernieuwd in den geest van uw gemoed; en doet aan den nieuwen mensch, die naar God geschapen is in rechtvaardigheid en heiligheid der waarheid! Daarom afleggende de leugen, spreekt waarheid, een iegelijk met zijnen naaste, dewijl wij leden zijn van elkander. Wordt vergramd, en zondigt niet! dat de zon niet onderga over uwe vergramdheid ! Geeft den duivel geene plaats! Dat die gestolen heeft, niet meer stele, maar liever arbeide, werkende met zijn eigen handen het goede, opdat hij hebbe, om mede te deelen aan hem, die gebrek heeft.

Verklaring en onderricht. De H. Paulus vermaant de ge-loovigen van Ephese en tevens ons, dat wij ons naar den geest moeten vernieuwen. Deze vernieuwing geschiedt volgens zijne leer dan, wanneer wij den ouden mensch, dat is de zonde en de misdaad, afleggen en den nieuwen mensch, die naar God geschapen is, aantrekken; dat is, als wij ons, door Gods genade met deugden versieren en naar de Christelijke rechtvaardigheid en heiligheid ijverig streven. Daarom, zegt hij, moet men niet liegen, maar de eene moet tot den andere waarheid spreken; te meer nog, daar wij allen ledematen van het lichaam van Christus zijn, en het dus te schandelijker zou zijn, zoo wij

625

ocr page 664

onderricht over den

elkander belogen of bedrogen. Verder, zegt de Apostel, moet men, zoo men grammoedig wordt, zich wel wachten datgene te doen, wat de gramschap ingeeft, namelijk de medemenschen te beleedigen, te beschadigen of wraak over hen te nemen; ook moet men in de gramschap niet volharden, maar ze dadelijk weer onderdrukken, opdat zij niet tot wraak en haat oversla; daardoor zouden wij den duivel voet geven, om ons bij God aan te klagen. Eindelijk zegt de Apostel: dat die gestolen heeft, niet meer stele, waardoor hij ons tegen alle onrechtvaardige praktijken, als bedrog in handel, woekerij, enz. waarschuwt, liever werkende met zijne eigen handen, het goede; dat is, hij trachte in zijn levensonderhoud door eigene werkzaamheid, maar niet door oneerlijke middelen te voorzien; en indien hij ook voor eigen onderhoud niet behoeft te werken, dat hij dan toch den lediggang, die het begin van alle misdaden is, vermijde en voor de armen arbeide, om hunne behoeften te lenigen. Daarin bestaat de vernieuwing naar den geest, die de Apostel vordert.

Wellicht hebben wij ons dikwijls op die wijze vernieuwd, maar hoe lang heeft zulke vernieuwing stand gehouden? Helaas! weldra waren wij weer de oude zondaars van vroeger. Waarom ? Omdat wij na onze vernieuwing en bekeering in een al te groote gerustheid voortleefden. Wij verbeeldden ons, dat met een goede biecht alles geschied was; wij waren hierbij al te gerust en dachten er niet aan, de middelen te gebruiken, om ons in dien staat van vernieuwing staande te houden; wij dankten God niet voor de genade der bekeering, die Hij ons verleende; wij smeekten Hem niet om de genade van volharding; wij zochten, even als vroeger, de slechte gezelschappen en de gevaarlijke gelegenheden op; wij gaven ons weder aan den lediggang en het levensgenot over, enz.; en is het dan te verwonderen, dat wij, even als de honden (de It. Schrift gebruikt het beeld), lot ons uitbraaksel terugkeeren (Spreuk XXVI, H). Wees niet zonder vreeze om de vergevene zonden (Eccl. V, S), want al heeft men ook zijns erachtens alles gedaan, dan weet de mensch met volkomene zekerheid nog niet, of hij al dan niet in staat van genade is, of hij liefde of haat verdient (Eccl.IX,1). Wij moeten alzoo, naar de vermaning des Apostels, (Philip.II, 12) met vreeze en beven aan onze zaligheid arbeiden, opdat wij

624

ocr page 665

negentienden zondag na pinksteren.

niel door eene vermetele gerustheid tot het oude zondige leven hervallen, zonder hoop op een nieuwe bekeering; want, volgens denzelfden H. Paulus is het onmogelijk, dat die, eenmaal verlicht zijnde, ook gesmaakt hebben de Hemelsche gaven en medege-genooten geworden zijn van den Heiligen Geest, insgelijks gesmaakt hebben het goede woord Gods, en de krachten der toekomende eeuw, en afgevallen zijn, wederom worden hernieuwd tot boetvaardigheid, daar zij voor zich zeiven den Zoon Gods her kruisigen en openlijk tot schande maken (Hebr. VI, 4 en volg.). Zij gelijken op een dorre aarde, die, even als de vruchtbare grond, de herhaaldelijk vallende regendroppels inzuigt, en desniettemin distels en doornen voortbrengt, weshalve zij door haren bezitter onvruchtbaar verklaard en gedoemd wordt door het vuur verteerd te worden. — Even zóó zullen de onboetvaardigen en zij, die slechts een dood geloof hebben, door het vuur der verdoemenis getroffen worden.

Evangelie volgens den H. Mattheus XXII, 1-14.

In dien tijd sprak Jesus tot de Opperpriesters en Parizeen in gelijkenissen, en zeide • Hel Rijk der Hemelen is gelijk aan eenen koning, die voor zijnen zoon eene bruiloft had aangericht. En hij zond zijne dienstknechten, om de genoodigden ter bruiloft te roepen, en zij wilden niet komen. Hij zond wederom andere dienstknechten, en zeide: Zegt tot de genoodigden: Ziet, ik heb mijn' maaltijd bereid, mijne ossen en mestvee zijn geslacht, en alles is gereed: komt ter bruiloft! Maar zij achtten het niet, en gingen henen, de een naar zijn landhoeve, de ander naar zijn bedrijf. En de overigen namen zijne dienstknechten, en, hen smadelijk behandelende, doodden zij hen. Maar de koning, als hij het hoorde, werd vergramd; en hij zond zijne legers, en verdelgde die moordenaars, en stak hunne stad in brand. Toen zeide hij tot zijne dienstknechten: f)e bruiloft is wel bereid, maar de genoodigden waren het niet waardig. Gaat dan naar de uitgangen der wegen, en

quot;40

625

ocr page 666

ONDERRICHT OVER DEN

noodigt allen, die gij vindt, ter bruiloft. En zijne dienstknechten gingen naar de wegen, verzamelden allen, die zij vonden, goeden en kwaden; en de bruiloft werd vervuld met gasten. De koning trad nu binnen, om de gasten te zien, en zag daar eenen mensch, die geen bruiloftskleed aanhad. En hij sprak tot hem: Vriend! hoe zijt gij hier binnengekomen zonder bruiloftskleed aan te hebben? Maar hij verstomde. Toen zeide de koning tot de dienaars: Bindt hem handen en voeten, en werpt hem in de uiterste duisternis; aldaar zal zijn geween en knarsing der landen. Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

Aanmerking. Deze gelijkenis heeft met die van den Iweeden Zondag na Pinksteren veel overeenkomst en heeft ook dezelfde beteekenis. Men zie derhalve de verklaring er van op dien Zondag bladz. 490 en volg.

Verklaring. De koning, in deze gelijkenis, is de Hemelsche Vader, die zijn ééniggeboren Zoon met de Kerk als met eene bruid vereenigd en te dier gelegenheid de meest prachtige bruiloft aangericht heeft, waarop Hij de leer van het H. Evangelie, de HH. Sacramenten en de Hemelsche vreugde als spijzen aanbiedt. Tot deze bruiloft liet Hij eerst de Joden, door zijne dienstknechten, de Profeten, de Apostelen en Leerlingen, uit-noodigen. Maar de Joden verachtten de eer en de genade, welke de Hemelsche Koning hun aanbood, mishandelden en doodden zijne dienstknechten, waarom zij dan ook, lot hun welverdiende stral, door Hem werden verworpen en Jerusalem, hunne stad, door vijandige krijgslegers verwoest werd. In hunne plaals werden genoodigd de Heidenen en alle volkeren, die zich op den breeden weg ter helle bevonden en die nu de plaats der Joden in de bruiloftszaal zullen innemen. In dezen zin blijkt het nopens de Joden waarheid, dat er velen, ja allen geroepen en slechts weinigen uitverkoren zijn, omdat zij aan de nitnoodiging van God geen gevolg wilden geven.

Toepassing. Ook wij hebben het geluk onder het getal te behooren dergenen, die op de Goddelijke bruiloft genoodigd worden. Laten wij dus aan die nitnoodiging gevolg geven, opdat wij niet, gelijk de Joden, van het feestmaal uilgesloten

620

ocr page 667

negentienden zondag na pinksteren.

en anderen in onze plaats gesteld worden. Maar denken wij er tevens aan, dat wij daar niet mogen verschijnen zonder bruiloftskleed, hetwelk, gelijk de H. Gregorius zich uitdrukt, uit onschuld, ootmoedigheid en vooral uit liefde tot God en den naaste moet geweven zijn. Dit kleed versiert de ziel, gelijk een prachtige kleeding het lichaam en maakt ons waardig vóór God te verschijnen. Zonder dat kleed mogen wij het niet wagen tot de Tafel des Heeren te naderen; zonder dat kleed zullen wij in de bruiloftszaal des Hemels niet worden opsenomen, maar met den ongelukkigen genoodigde des Evangelies in de uiterste duisternis geworpen worden. Die genoodigde verstomde, toen •i'j door den koning ondervraagd weid, hoe hij daar was binnengekomen, zonder bruiloftskleed aan te hebben; en dit leert ons, dat geen mensch zich bij God kan verontschuldigen wegens gebrek aan liefde, wijl die eenieder, welke haar aan God vraagt en ze beoefenen wil, kan bezitten. Bij andere goede werken, zegt de H. Augustinus, iaat zich somtijds eene verontschuldiging, wegens onmogelijkheid of al te groote moeielijkheid aanwenden, maar wie zou zich wegens gebrek aan liefde durven verontschuldigen! De liefde immers is ons noch onmogelijk noch te moeielijk. Men zegt ons niet: gaat naar ver afgelegene landen, sleekt de zeeën over om de liefde op te sporen; want hetgeen men bij zich zeiven vindt, behoeft men niet ver te zoeken. De liefde nu is in ons zeiven, en ons hart is hare werkplaats; een ieder dus, die een hart heeft, kan die deugd beoefenen.

Verzuchting. Ik dank U, o Jesus, dat Gij mij door uwe mensch wording, uw lijden en dood, de eeuwige vreugde verdiend hebt; schenk mij nu ook nog het bruiloftskleed uwer liefde, opdat ik tot de hemelsche bruiloft worde toegelaten, en niet in de uiterste duisternis geworpen worde.

Over de vreugde des Hemels.

Het Rijk der Hemelen is gelijk aan eenen Koning, die voor zijnen zoon eene bruiloft had aangericht (Matth. XXII, 2).

De Zaligmaker vergelijkt den Hemel met eene bruiloft, omdat men daar, in volmaakte vereeniging niet God, alle bedenkelijke vreugde zal genieten. Hoedanig en hoe groot die

627

ocr page 668

onderricht over den

028

vreugde zijn zal, kan zelfs de H. Paulus, alhoewel hij tot in den Hemel was opgevoerd geworden en er de vreugde gezien en gesmaakt had, niet beschrijven. Geen oog heeft gezien, zegt hij, en geen oor heeft gehoord, en in geen menschenhart is opgekomen, wat God bereid heeft voor die Hem liefhebben (I Cor. II, 9). De H. Geest geeft ons, wel is waar, in de 11. Schrift, bij wijlen een kleine sciiets der Hemelsche vreugde, en noemt den Hemel nn eens een paradijs van genengten, dan eene bruiloft, waar alle soorten van vermaken heerschen, dan weêr een kostbare parel, of een schat, die noch door den roest verteerd, noch door de dieven uitgegraven en gestolen kan worden; nu vergelijkt zij den Hemel bij een koninkrijk, bij eenen troon, bij eene kroon, waardoor men tot de hoogste eer verheven wordt, dan wederom stelt zij hem voor onder liet beeld eener stad, die, uit goud, edelsteenen en parelen gebouwd, door de klaarheid Gods verlicht en met alle pracht en heerlijkheid vervuld is, en waar bij dit alles een ongestoorde vrede, en de grootste rust genoten worden. Maar dit zijn slechts afbeeldsels aan de schoonste, zeldzaamste, kostbaarste en aangenaamste dingen der aarde ontleend, om ons eenig denkbeeld te geven, hoe groot het geluk des hemels is. Daar worden alle schoonheden, bekoorlijkheden en vreugden zonder de minste vermenging met kwaad, verdriet, walging of vrees van die te verliezen, in den hoogstcn en volmaaksten graad gevonden. Genoeg; in den Hemel zullen wij God zeiven, den oorsprong van alle vreugde en gelukzaligheid, bezitten en zijn eigene gelukzaligheid met Hem, in gezelschap van alle Engelen en Heiligen, in alle eeuwigheid genieten. Meer behoeft niet gezegd, om ons het hoogste denkbeeld van den Hemel te geven; daaruit volgt, dat wij, gelijk God zelf, van alle kwaad en lijden verwijderd, aan al zijne vreugden en volmaaktheden deelachtig zullen worden. Wij zullen Hem gelijk wezen, zegt de H. Joannes (I Brief III, 2). Wie zou dan in de betrachting dier eindelooze, onbegrijpelijke gelukzaligheid, de geneugten dezer aarde, zoo ijdel en snood, zoo kortstondig en onvolmaakt, en die bij hen, welke ze genieten, gewetenswroeging en walging nalaten, niet volgaarne verachten? — Wie zou niet gaarne alle ongemakken en onheilen van deze wereld

ocr page 669

twintigsten zondag na pinksteren.

geduldig verdragen, denkende, dat hij daardoor een zoo groote gelukzaligheid in den Hemel zal verwerven?... En wat zou het ons ook baten, alle geneugten dezer aarde genoten te hebben, zoo wij de eeuwige vreugde des Hemels moesten missen ?!

Verzuchtingen. Hoe liefelijk zijn uwe woningen, Heer, der heir krachten! Mijne ziel haakt en bezwijkt van verlangen, naar de voorhoven des Heeren; mijn hart en mijn vleesch springen van vreugde op, tot den levenden God (Psalm LXXXIII). Hoe walgt mij de aarde, als ik den Hemel aanschouw (H. Ignatius van Loyola).

Onderricfc.t over den twintigsten Zondag na Pinksteren.

De Ingang der Mis is een ootmoedig gebed volgens den Profeet Daniel (III, 31 en volg.), waardoor wij bekennen, dat wij om onze ongehoorzaamheid gestraft worden. — Alles wat Gij ons gedaan hebt. Heere, hebt Gij naar een waarachtig oordeel gedaan, omdat wij tegen U gezondigd en aan uwe geboden niet gehoorzaamd hebben; maar geef luister aan uwen naam, en doe met ons, volgens de grootheid uwer barmhartigheid (Psalm CXYI1I. Gelukkig zij, die onbevlekt zijn op den weg, die in de wet des Heeren wandelen. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Wij bidden ü, o Heer, verleen verzoenend uwen geloo-vigen vergiffenis en vrede, opdat zij gelijkelijk van al hunne zonden mogen gezuiverd worden en U met een gerust gemoed dienen. Door onzen Heer Jesüs-Ciiristus, enz.

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Apostel Faulus aan de Ephesiërs, V, 15-21.

Broeders! ziet toe hoe gij voorzichtig wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen; uitkoopende den tijd, dewijl de dagen boos zijn. Daarom wordt niet onverstandig, maar bevroedende, wat de wil Gods is! En wordt niet dronken van wijn, waarin wulpschheid is; maar wordt vervuld met den Heiligen Geest, sprekende tot elkander in psalmen en lofzangen ;•

629

ocr page 670

onderricht over den

en geestelijke liederen, zingende en psalmende in uwe harten den Heere, dankzeggende te allen tijde voor alles Gode en den Vader, in den naam onzes Heeren Jesus-Christüs. Zijt onderworpen aan elkander in de vreeze van Christus !

Verklaring. De H. Paulus vermaant ons hier, voorzichtig te wandelen en als wijzen den tijd zorgvuldig te benuttigen, dat is, geene gelegenheid om goede werken te verrichten en zich met verdiensten te verrijken, vruchteloos te laten voorbijgaan. De omzichtigheid, zegt hij, is des te noodzakelijker, omdat de dagen dezes levens boos, dat is, vol gevaren en bekoringen zijn, die de beoefening der deugd belemmeren, ons tot zonden verleiden, en onze verdiensten verminderen. Derhalve moeten wij in onzen levenswandel niet als dwazen handelen, maar ons moeite geven om te begrijpen, wat God van ons verlangt, ten einde zijnen wil te kunnen volbrengen en den tijd tot goede werken bestemd, niet nutteloos te verspillen. Boven dien spoort de Apostel ons aan, ons niet tot overdaad in drank te laten vervoeren, maar, integendeel, met den H. Geest vervuld te zijn (dat is, met Gods genade, de goede werken ijverig te beoefenen, die gaven des H. Geestes zijn en waardoor wij meer en meer met den H. Geest vervuld worden) den Heer lofzangen toe te zingen en God altijd voor alle weldaden, in den naam van Jesus-Christus, te bedanken.

Men kan den kwalijk besteden tijd eenigermate terug koopen, door een oprecht berouw over zijne nalatigheden, en door de werken, die men zonder goede ineeniug verricht had, alsmede het lijden, dat men zonder geduld verdragen heeft, opnieuw aan God op te offeren, alsof men ze allen nog te verrichten en te lijden hadde; zulks kan door het volgende gebed geschieden.

Algoede Heer en God, het is mij van harte leed, dat ik den tijd, dien Gij mij vergund hadt, om mijne zaligheid te bewerken, zoo slecht besteed heb. Ten einde nu, datgene wat ik verzuimd heb, zoo veel mogelijk te herstellen, offer ik U alles, wat ik sedert de eerste oogenblikken, dat ik verstand had, gedaan en geleden heb, even zóó op, alsof ik dat alles nog wezenlijk te verrichten en te lijden had. Ik draag ü dat op, in vereeniging met allen arbeid en al het lijden van mijnen

630

ocr page 671

TWINTIGSTEN ZONDAG NA PINKSTEREN.

Zaligmaker, en bid U dringend, gewaardig U, door zijne oneindige verdiensten, mijn verzuim en gebrek aan te vullen, en al mijn doen en lijden welgevallig aan te nemen.

Laten wij toch den nog overblijvenden korten tijd onzes levens aan God schenken, wij die den reeds vervlogen leeftijd wellicht aan de ijdele wereld hebben gewijd (H. Ber?lt;audus). Hebben wij aan ons lichaam en aan onze zinnelijke lusten gansche jaren gewijd, laat ons dan althans eenige dagen voor onze ziel besteden (H. Petihjs-Chiivsologcs).

Wordt niet dronken van wijn, waarin wulpschheid is ? (Kph. V, 18.)

De dronkenschap heeft de onkuischheid ten gevolge; zij

deelt aan de ziel een misdadige hitte, een wulpsche vroo-lijkheid en een hoogmoedige vermetelheid mede, waardoor de deur geopend wordt aan alle zonden des vleesches.

Dewijl op den lilquot; Zondag na Pinksteren over de dronkenschap uitvoerig is gehandeld, zullen wij hier slechts eene vermaning geven aan hen, die, hetzij door uitnoodiging, hetzij door zedelijk geweld als anderszins, anderen tot dronkenschap

gebracht hebben.

De Persische koning Assuerüs had bij een groot feestmaal uitdrukkelijk verboden iemand tot drinken aan te sporen (Esther I, 8). Die Heiden, die enkel door het licht der rede inzag, hoe verkeerd het is, anderen tot buitensporig drinken aan te zetten, zal alzoo in den jongsten dag tegen die Christenen opstaan, die, ofschoon zij door het geloof waren voorgelicht, de afschuwelijkheid dier zonde noch hebben willen inzien, noch vermijden. Daarom roept ook de Profeet Isaias uit: Wee u, die helden zijl om wijn te' drinken, en kloeke mannen om sterken drank te mengen, V, 22, waardoor zij andeien tot dronkenschap brengen; en de H. Augustinus vermaant ons hen niet als vrienden aan te zien, die, door ons tot drinken aan te zetten, ons vijanden van God willen maken.

Evangelie volgens den H. Joannes IV, 46-53 In dien tijd was er een hoveling, wiens zoon te Capharnauin krank was. Als deze gehoord had, dat Jesus uit Judea naar Galilea gekomen was, ging hij tot Hem, en bad Hem, dat Hij afkwame, en zijn' zoon

631

ocr page 672

onderricht over den

gezond maakte; wanl hij lag op sterven. Jesus dan sprak tot hem: Tenzij gij teekenen en wonderen ziet, gelooft gij niet. De hoveling zeide tot Hem: Heer, kom af, eer mijn zoon sterft! Jesus sprak tot hem: Ga, uw zoon leeft! De man geloofde het woord, hetwelk Jesus tot hem zeide, en ging. En als hij afkwam, liepen hem reeds zijne dienstknechten te gemoet, en boodschap-ten, zeggende, dat zijn zoon leefde. Hij dan vraagde hen naar de ure, waarin hij beter geworden was. En zij zeiden tot hem: Gisteren in de zevende ure verliet hem de koorts. Toen erkende de vader, dat het die ure was, waarin Jesus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft! En hij geloofde zelf, en geheel zijn huis.

Onderricht. 1) God liet den zoon van dien koninklijken hoveling ziek worden, ten einde hem gelegenheid te verschaffen, om bij Christus hulp te zoeken, en alzoo tot hef geloof en de zaligheid te geraken. Een gewoon middel, dat God bezigt, om de zondaars tot zich te roepen en te bekeeren, is, hun allerlei kwalen en ongelukken, hetzij hun zeiven hetzij hunnen kinderen, hun vee ol goederen, enz. toe te zenden. Daarom zeide David (Psalm CXVIU, 71): 't h mij goed, dal Gij mij vernederd hebt, opdat ik uwe gerechtigheden /cere; en hij bad God, dat Hij het aangezicht der zondaars mèt schande mochte vervullen, opdat zij zijnen naam zouden zoeken (Ps. LXXXU, 17). Inderdaad, dit is met hen gebeurd, van welke David (Ps. CVI, 6) spreekt. En zij riepen tot den Heer als zij in verdrukking waren. Ach! dat ook wij zoo handelen! Wanneer God ons onvruchtbare jaren, overstrooraing, hagel, duren tijd, oorlog, enz., overzendt, dan beoogt Hij niets anders, dan ons te bewegen, om eindelijk van onze zonden afstand te doen en ons tot Hem te haasten. Maar wat doen wij? lu plaats van tot God te gaan, nemen wij tot bijgeloof, tot booie inenschen, ja zelfs tol den duivel onze toevlucht; in plaats van onze zonden door een ware boetvaardigheid uit te wisschen, begaan wij, door ons ongeduld en morren, door onte vermetele vermoedens als zouden de onrechtvaardigheid en boosheid van zekere menschen schuld van ons ongeluk zijn, door onzen haat en onze vijand-

632

ocr page 673

twintigsten zondag na pinksteren,

schap, enz. steeds nieuwe zonden. Waar moet liet met ons heen, zoo wij ons, noch door Gods weldaden, noch door zijne straffen laten verbeteren? 't Is wel waar, God zendt ook somtijds den braven en onschuldigen menschen kwellingen toe, of laat hen door booze menschen krenken en kwellen, maar Hij doet dit, om hun geduld en liefde jegens Hem op de proef te stellen, hen van de wereld los te maken, hen tegen de zonden te beveiligen en hun gelegenheid te verschaffen groote verdiensten te vergaderen. Wij weten, dat hun, die God liefhebben, alles ten goede medewerkt (Kom. VIII, 28). Dit was het doel en deze waren de goede uitwerkselen der wederwaardigheden, waarmede Jon, de oude Tobias en meer anderen, volgens Gods beschikking, bezocht werden. Zullen wij nu met die heilige personen wel in vergelijking kunnen treden, indien wij ons de kwellingen, door geduld, niet ten nutte maken; indien wij die menschen, van welke God zich als werktuigen bedient, om ons te heiligen, als onze vijanden beschouwen, hen haten, enz., enz.

2) Het gedrag van den hoveling, wien de ziekte zijns zoons zeer ter harte ging en zich tot Jesus begaf, oin Hem de genezing van zijn kind te verzoeken, leert ons, dat wij, in de krankheden onzer naaste vrienden en verwanten, hartelijk deel moeten uemen en onzen lieven Zaligmaker om hunne genezing innig en dringend moeten smeeken.

3) Christus zeide tot den koninklijken hoveling; Tenzij gij teekenen en wonderen ziet, gelooft gij niet. Deze woorden waren eene bestraffing van diens onvolmaakt geloof. Inderdaad, had de hoveling waarachtig geloofd, dat Christus de Zoon van God is, dan zou hij Hem niet verzocht hebben, bij zich in huis te komen, maar ware hij veeleer met den hoofdman (Matth. VIII) overtuigd geweest, dat Jesus, ook afwezig zijnde, (dal is lichamelijker eu menschelijker wijze, want met zijn Goddelijke natuur is Christus alom tegenwoordig) met een enkel woord den zieken zoon kon genezen. — Vele Christenen vevdienen een zelfde verwijt vau Christus; immers indien God hen in hunnen nood niet dadelijk en als door een oogenblikkelijk wonder te hulp komt, dan verliezen zij schier alle geioof en betrouwen op Hem. Hoezeer dat klein geloof en betrouwen

633

ocr page 674

onderricht over den

Gode mishaagt, verklaart Hij in de H. Schrift door den mond van den wijzen zoon van Sirach, die zegt: Wee hun, die lafhartig zijn en op God niet betrouwen, en daarom door Hem niet beschermd zullen worden (Eccl. II, 15), en de H. Joannes zegl van hen, dat hun deel zal zijn in den poel, die van vuur en solfer brandt (Openb. XXI, 8).

4) Hoeveel vermag het goede voorbeeld der huisvaders niet! Nauwelijks had de koninklijke hoveling het geloof aangenomen, of zijn geheel huisgezin bekeerde zich en geloofde in Jesus. Hoeveel goeds alzoo konden de huisvaders en huismoeders, door hun stichtend voorbeeld, door hunne godsvrucht, door hunnen ijver in het gebed, door dikwijls te naderen tot de Heilige Sacramenten, door hunne zachtmoedigheid, matigheid, enz. bij hunne onderhoorigen en huisgenooten niet tot stand brengen, indien zij die deugden en het heil hunner onderdanen recht ter harte nemen wilden! Zoo de ouders en oversten, integendeel, voor hunne onderhoorigen geene zorg dragen, dan verloochenen üj, om zoo te spreken, hel geloof, daar zij de liefde verzaken, die het kenteeken eens Christens is; ja, zij zijn erger dan de ongeloovigen, die de plichten des Christendoms in het geheel niet hebben leeren kennen ([. Timoth. V, 8). Die plicht raakt ook de kinderen en onderdanen; ook zij moeten zich recht ijverig op de deugden van zachtmoedigheid, gehoorzaamheid, bescheidenheid, vlijt in den arbeid, ingetogenheid in het gebed, enz., toeleggen, daardoor den godsdienst, die hun al deze deugden inboe/.emt, aan hunne ouders en oversten dierbaar maken, en dusdoende hen aansporen, de voorschriften \an ons H. Geloof trouw na te leven.

Troost in ziekten.

Er was een hoveling, wiens zoon te Capharnaum krank was (Joann. IV, 46).

Om u in uwe krankheid te troosten, moet gij inzien, dat het de hand Gods is, die u geraakt heeft, en denken, dat God u die krankheid heeft toegez.onden, lot heil uwer ziel, opdat gij uwe zonden zoudt erkennen en afboeten; of zoo gij onschuldig zijl, opdat gij u in geduld, liefde, ootmoedigheid, enz., zoudt oefenen, en uwe verdiensten vermeerderen. Daarom

634

ocr page 675

twintigsten zondag ka pinksteren.

zeide een eerbiedwaardig grijsaard tot zijn medebroeder, die zich beklaagde, dat hij zoo dikwijls ziek was: «Mijn vriend,zijt gij zuiver als goud, dan wordt gij door de krankheden bewaard, en zijt gij verroest, dan wordt gij daardoor gelouterd.quot; Velen, die, bij gezonde dagen slecht zijn, zouden, zegt de H. Auous-tinus, iu de krankheid deugdzaam worden, en de H. Bernardus voegt er bij; »Beter is het door krankheid zalig te worden, dan door gezondheid eeuwig verloren te gaan.quot;

Een krachtig middel, om zich in de krankheden te troosten is, zich den lijdenden Verlosser voor te stellen, in wiens heilig Lichaam, vau de kruin zijns hoofds lot aan den palm zijner voeten, geen gezonde plek meer was, die niet dooide slagen en wonden bezeerd is geworden. Als de H. Bona-ventura dit overwoog, placht hij uit te roepen; O Heer, daar ik U zoo verscheurd zie, wil ik niet zonder krankheid leven.

Als ons eene krankheid overvalt, moeten wij vooral na-denkeu, of wij wellicht geen onrechtvaardig goed bezitten, of met andere verborgene zonden beladen zijn; en wanneer wij zulks bevinden, dan moeten wij, door een rouwmoedige biecht en door teruggave, ons dadelijk daarvan zuiveren; want de zonden zijn niet zelden eene oorzaak der krankheden, en God zal ons niet genezen, noch het gebruik der geneesmiddelen zegenen, tenzij de krankheden hun doel bereikt, dat is, den zondaar verbeterd hebben. Niet alleen mogen wij op geene genezing rekenen, maar wij kunnen daarenboven een tijdelijk en eeuwig ongeluk verwachten, wanneer wij tot bijgeloovig-heid, waarzeggerij, enz. onze toevlucht nemen. Dit ondervond koning Ocuosias; hij werd met den dood gestraft, omdat hij zich in zijne ziekte tot den afgod Beelzebub gewend had {[V Koning, i).

Zeiden wij zoo even, dat de zonden niet zelden oorzaak der krankheden zijn, dan moeten wij hier bijvoegen, dat de krankheden niet altijd als de straf der persoonlijke zonden moeten beschouwd worden. Voor de rechtvaardigen immers zijn de krankheden veeleer beproevingen, die God hun toezendt, om hun de gelegenheid te geven, overvloedige verdiensten voor den Hemel te vergaderen. Daarom antwoordde

635

ocr page 676

onderricht over den

ook Christus aan zijne Leerlingen, die Hein vraagden, wie van beiden gezondigd had: de blindgeborene of diens ouders? Noch deze heeft gezondigd, noch zijne ouders {Joann. IX, 3). Dit strekke tot troost en opbeuring der brave lijdenden.

Verzuchting van den H. Algustinus. 0 Heer, brand mij, snijd mij hier, maar spaar mij in de eeuwigheid.

Verzuchtingen. Eeuwigdurende lof zij U, Heer Jesus-Christus, die ons menschen dikwijls met tijdelijke wederwaarheden bezoekt, opdat ook wij op onze beurt U zoeken en hulp van U verwachten zouden. Zóó hebt Gij gehandeld met den koninklijken hoveling, wiens tijdelijk ongeluk het begin werd van zijn eeuwig geluk en dat der zijnen. Waarom ben ik dan droevig, ja, zelfs onwillig, als eene krankheid of eenig ander leed mij overvalt? Strekt mij dit niet tot heil? Is het mij dan niet goed, dat ik vernederd word, opdat ik mijne ongerechtigheden leere kennen en tof U mijne toevlucht neme. Straf mij dan hier beueden, o Heer! naar uw welgevallen, maar spaar mij in de eeuwigheid en schenk mij ook de genade, dat ik alle lijden uit uwe hand bereidwillig aanneme en het met geduld verdrage.

Zedeles over de zorg voor de kranken.

Heer, kom af, eer mijn zoon sterft (Joann. IV, 49).

Gelijk die vader, zóó behoorden zij allen te handelen die kranken te verplegen hebben, en er vooral op bedacht te zijn, Jesus in de Heilige Sacramenten bij den kranke te roepen, vooraleer dete buiten staat gesteld is, om die troost- eu genade-' middelen met godsvrucht en alle voordeel te ontvangen. De duivel wenscht niets liever, dan het gebruik der HH. Sacramenten te beletten, ten einde den stervende des te zekerder in hst ongeluk te brengen. Daarom belooft hij een nog langer leven en gebruikt andere listen, om den kranke van die genademiddelen verstoken te honden. Een ziekenverpleger, die uit vrees van den kranke te verschrikken of hem lastig te vallen, zon blijven uitstellen en toeven, om eenen Priester te roepen, zou daardoor den duivel in zijne pogingen begunstigen. Zulk eene handelwijze is den kranke eene gruwzame, ja duivelsche liefde toedragen; 't is diens ziel en zaligheid op het spel zetten, en een schrikkelijke verantwoordelijkheid op zich trekken. Waar het eene

636

ocr page 677

twintigsten zondag na pinksteren.

eeuwigheid geldt, is geene zorgvuldigheid te groot. Men kieze dus liet zekerste; want de ziekte kan lichtelijk verergeren en den kranke steeds minder geschikt, ja geheel en al onbekwaam maken, om zijn geweten in orde te brengen. Derhalve moet men hem het gevaar, zoo het bestaat, niet verhelen, maar bij tijds, terwijl de zieke nog krachten heeft en in het bezit zijner geestvermogens is, desnoods togen diens voorwendselen van uitstel in, eenen Priester roepen, die hem de Heilige Sacramenten toedient. De kranke zal daarom niet vroeger sterven, integendeel hij zal daaruit het grootste nut trekken; zijn geweten zal gezuiverd worden van de zonden, die wellicht de oorzaak zijner krankheid waren; hij zal alzoo de gezondheid terugkrijgen, of althans; door de Heilige Sacramenten gesterkt, zijne smarten geduldiger en verdienstvoller verdragen en gemakkelijker, geruster en meer getroost kunnen sterven.

Verder moet men den kranke, zooveel mogelijk, tot gebed, tot overgeving aan den wil Gods en tot een kinderlijk betrouwen op Gods barmhartigheid opwekken, hem troostvolle gebeden voorbidden, teo einde hem tegen zwaarmoedige gedachten en tegen de bekoringea des duivels te bewaren en te versterken; men moet hem dikwijls het kruisbeeld laten kussen, hem de Heilige Namen van Jesus. Maria, Jozef en andere troostelijke verzuchtingen, die in de kerkboeken overvloedig gevonden worden, voorzeggen; hem van tijd tot tijd met het kruisteeken zegenen, met wijwater besproeien en vooral om een zalig sterfuur voor hem bidden. Men moet niet bij hem weenen en jammeren; daardoor wordt hem het sterven bemoeielijkt en hij volstrekt niet gebaat; ook moet men geene nuttelooze, ijdele en wereldsche gesprekken met hem voeren, want daardoor wordt hij verhinderd ernstig aan God en aan zijn zielenheil te denken en zich voor den laatsten zoo gevaarlijken strijd wel voor Ie bereiden. Eindelijk moet men bij den kranke geene personen toelaten, die vroeger eene gelegenheid van zonde voor hem waren, en misschien nog zouden zijn, indien zij bij hem geduld werden, en die in alle geval hem thans storen en hinderen. Er is geen grooter liefdewerk, dan zijnen evenmensch in de voorbereiding tol eenen zaligen dood behulpzaam te zijn.

GS-

ocr page 678

onderricht over den

Onderriclit over den een en twintig-sten Zondag na Pinksteren.

Bij den Ingang der Mis wordt het begin van het gebed van Mardocheus (esther X1U, gelezen, hetwelk in allen angst, in alle noodwendigheden kan gebruikt worden.— Onder nwen wil, Heer, is alles gesteld, en er is niemand, die uwen wil kan weêrstaan; Gij immers hebt alles geinaakl, hemel en aarde en alles, wat door den omtrek des hemels omvat wordt. Gij zijt de Heer van alles. Psalm CXVlIf. Gelukkig zij, die onbevlekt zijn op den weg, die in de wet des Heeren wandelen. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Bewaar, o Heer! nw vereenigde dienaren, door uw voortdurende goedheid; opdat zij, onder uwe bescherming, van alle wederwaardigheden vrij blijven, en zich door hun goede werken aan uwen naam toewijden. Door onzen Heer Jesüs Chris-tcs, enz.

EPISTEL; Les uit den Brief van den H. Apostel Paulus aan de Ephesiërs, VI, 10-17.

Broeders! wordt versterkt iu den Heer, en in de kracht zijner sterkte. Doet aan de volkomene wapenrusting Gods. opdat gij kunt staan tegen de kunstenarijen des duivels! Want wij hebben den kampstrijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden en machten, tegen de wereldbeheerschers-dezer duisternis, tegen de geesten der boosheid in het boven-aardsche. Daarom grijpt de volkomene wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den boozen dag, en, alles volbracht hebbende, staan. Staat dan, uwe lenden omgord hebbende met waarheid, en aangedaan hebbende het harnas der rechtvaardigheid, en de voeten geschoeid met bereidheid van het Evangelie des vredes; Bij alles grijpt het schild des geloots, met hetwelk gij alle de vurige pijlen des boozen zult kunnen uitdooven; En neemt den helm des heils, en liet zwaard des geestes, hetwelk is het Woord Gods:

Verklaring. In deze les vermaant ons de Apostel, dat wij in de kracht Gods sterkte moeten zoeken tegen de vijanden onzer zaligheid. Daar wij eigenlijk niet tegen sterfelijke en zwakke menschen, noch tegen lichamelijke vijanden met lichame-

638

ocr page 679

een en twintigsten zondag na pinksteren. 659

Hjke wapenen, te kampen hebben, maar tegen geestelijke vijanden met geestelijke wapenen, moeten wij ook de wapenrusting van God aandoen. Die geestelijke vijanden zijn de helsclie machten zeiven, die — voor zooverre God, om onze deugd te beproeven of ter bestraffing onzer zonden, hun de macht geeft van de menschen te bekoren en te kastijden, — tevens de vorsten der duisternis, der dwaling en der in zonden liggende wereld zijn; booze geesten, die in de lucht wonen, en van welke op slot van rekening de bekoringen, gelijk niet zelden ook die waardoor de wereld en het vleesch ons aanvallen, afkomstig zijn. Derhalve moeten wij ons met de waarheid omgorden, en het harnas der gerechtigheid aantrekken, ten einde tegen alle verleiding bestand te blijven. De leer des H. Evangelies moet ons altijd voor den geest staan, en al onze daden regelen; opdat wij niet in de hinderlagen des duivels vallen. Dat het geloof ons schild zij tegen de vurige pijlen van Satan, dat is, tegen de verschillende bekoringen, waarmede hij het hart tot zondigen ontvlamt. Wendt de duivel alle pogingen aan, om ons lot wellust te verleiden, hel geloof wijst ons op de pijnen der hel. die den ontuchtige wachten; tracht de duivel ons, door den glans der rijkdommen le verblinden, het geloof opent den Hemel en laat ons de overgroote goederen zien, die de gelukzaligen daar zal bezitten; alzoo weet hel geloof de aanvechtingen van Satan steeds af te weren. Verder moeten wij nog gebruiken den helm des heils, dat is, de hoop op de zaligheid, die ons in de bekoringen, als eene verschansing beschut; en eindelijk moeten wij het zwaard aangorden van het woord Gods, dal ons voornaamste wapen zijn moet. Indien wij ons op die wijze uitrusten, dan zullen wij, gelijk Jesus (Mattii. IV) in den strijd tegen Satan, overwinnaars blijven en in den Hemel de heerlijkste zegekroon verwerven.

Evangelie volgens den Mattheus, XVIII, 23-35. In dien tijd sprak Jesus tot zijne leerlingen deze gelijkenis: Het rijk der Hemelen wordt vergeleken bij eenen koning, die afrekening wilde houden met zijne dienstknechten. Als hij nu begon af te rekenen, werd er een voor hem gebracht, die hem schuldig was tien

ocr page 680

ONDERRICHT OVER DEN

duizend talenten. Maar daar hij niet had, waarvan te betalen, gebood zijn heer, dat men hem,, en zijne vrouw, en kinderen, en al wat hij had, zoude verkoo-pen, en betalen. Maar de dienstknecht, voor hem ne-dervallende, bad hem, en zeide: Heb geduld met mij, en ik zal u alles belalen! En de heer ontfermde zich over dien dienstknecht, en liet hem gaan, en schold hem de schuld kwijt. Maar die dienstknecht, uitgegaan zijnde, vond een' van zijne medeknechten, die hem schuldig was honderd penningen; en hij greep hem aan, en wrong hem do keel toe, en zeide; Betaal, hetgeen gij schuldig zijt. En zijn medeknecht, voor hem ne-dervallende, bad hem, en zeide: Heb geduld met mij, en ik zal u alles betalen! Doch hij wilde niet, en ging heen, en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld zoude betalen. En zijne medeknechten ziende, hetgeen er geschiedde, werden zeer bedroefd; en zij kwamen en verhaalden hunnen heer, al wat er geschied was. Toen riep hem zijn heer, en zeide tol hem: Gij booze knecht! de gansche schuld heb ik u kwijtgescholden, omdat gij mij gebeden hebt: behoordet gij dan niet u ook te ontfermen over uwen medeknecht, gelijk ik mij ook over u heb ontfermd? En zijn heer, vergramd zijnde, leverde hem over aan de beulen, totdat hij de geheele schuld zoude betalen. Aldus zal mijn Hemel-sche Vader ook met u doen, zoo gij, een ieder zijnen broeder, niet van harte vergeeft.

Wie wordt door den koning verstaan, die met zijne dienstknechten afrekening wilde houden?

Door dien koning wordt God, onder die dienstknechten ieder tnensch verslaan.

Wat beduiden de tien duizend talenten die de dienstknecht niet betalen kon ?

De ontelbare, vele en zware zonden, die de mensch jegens God bedreven heeft. Tien duizend talenten, volgens onze ninnt meer dan vijf en twintig millioen gulden, zijn een buitengemeen

640

ocr page 681

een en twintigsten zondag na pinksteren.

groote som, en Jesus bezigt dit ontzaglijk groot getal, om aan te duiden, dat de zondenschuld van den mensch jegens God onberekeubaar groot, en voor den mensch onbetaalbaar is. Men kan nog door de tien duizend talenten de doodzonde verstaan, dat is, iedere vrijwillige overtreding van een Goddelijk gebod in een gewichtig en belangrijk punl. Inderdaad door die zonde wordt God zoo zeer beleedigd, dat het den mensch onmogelijk is, daarvoor te voldoen, zelfs al wilde hij er zijn leven voor ten olïer brengen. Maar God wil, krachtens zijn groote barmhartigheid en de verdiensten van Christus, die zonden gaarne vergeven, op voorwaarde, dat de zondaar Hem rouw- en ootmoedig om vergiffenis smeekt en een ernstig besluit opvat zich te beteren.

Welke zijn de hoofdzonden en waarom worden ze aldus genoemd?

Deze zeven: 1) Hoovaardigheid. 2) Gierigheid. 5) On-kuischheid. 4) Nijd. o) Gulzigheid. 6) Gramschap. 7) Traagheid. Zij worden hoofdzonden genoemd, omdat alle andere zonden, ja zelfs de grootste misdaden uit haar voortspruiten, gelijk de takken uit eenen boom. Zij worden ook doodzonden (namelijk als er volle verstand, vrije wil en grootheid van stof aanwezig zijn) genoemd, omdat zij den mensch de heiligmakeude genade ontrooven, en hem van den staat der genade of des levens en der vriendschap Gods overbrengen tot den staat der zonde of des doods en der vijandschap met God. — Zie de verhandelingen over de hoovaardigheid bladz. S54, over de gierigheid bladz, 389, over de onkuischheid bladz. 493 over den nijd bladz. 191, over de gramschap bladz. 515 en volg.

Blijven ons dus alleen de gulzigheid en traagheid ter uitvoeriger behandeling over.

Wat is gulzigheid?

Een ongeregelde begeerte naar elen en drinken, en een onmatig gebruik van spijs en drank. Zij is uit hare natuur eene doodzonde, omdat degenen, die met deze ondeugd behept zijn, al hun drijven en streven, ja hun hoogste geluk in eten en drinken stellen, en aan God en om den Hemel volstrekt niet

41

641

ocr page 682

onderricht over den

meer denken. Daarom zegt Christus van den rijken man, (Lucas XVI.): De rijke stierf,.,, en werd in de hel begraven; en de H. Paülus zegt van zulke lieden, dat zij vijanden zijn van het kruis van Christus, wier einde verderf, wier God hun buik, en wier eer in hunne schande is (Ad Philip. Ill, 19). Ook schrijft hij aan de Corinthiers (I Cor. VI, 9), dat geen dronkaards het rijk Gods zullen bezitten. Zie nog het onderricht betreffende den derden Zondag na Pinksteren bladz. 491.

Waarom wordt de gulzigheid eene hoofdzonde genoemd?

Omdat uit haar vele zonden voortvloeien; voornamelijk uitgelatenheid in gesprekken en gebaren, onbeschaamdheid in den omgang met personen van het ander geslacht, ontucht, twist gevecht, verkwisting van tijd en geld, enz. Gelijk het Israe-lietische volk in de woestijn nederzat, om te eten en te drinken en daardoor tot de afgoderij der Egyptenaren verviel (Exod. XXXII, 6.), zoo vallen ook thans nog de gulzigaards van God en Gods geboden af; velen verachten den godsdienst, welke hun de zucht naar zingenot en alle uilspattingen verbiedt; zij ontheiligen de Zon- en Feestdagen, overtreden dikwijls het gebod van de heilige Vasten; anderen bedriegen hunne medemen-schen, door niet te betalen, hetgeen zij van hen gekocht of geborgd hebben, storten vrouw en kinderen in verderf, ja vervallen ten laatste soms wel tot dieverij; anderen wederom nemen den schijn aan van behoeftig te zijn en stelen den waren armen de aalmoes af, die zij aannemen zonder ze te verdienen, om ze in ongebondenheid te verkwisten. Zij ondermijnen de krachten huns lichaams en hunner ziel, zoodat zij hunne beroepsplichten niet meer kunnen vervullen en onbekwaam worden God te dienen en hun Godsdienstplichten na te komen. Mochten toch allen, die met deze ondeugd behept zijn, de afschuwelijkheid en de schrikwekkende gevolgen, welke uit die zonde voor tijd en eeuwigheid voortvloeien, zeer dikwijls overwegen en zich ten spoedigste daarvan ontdoen; mochten alle menschen tegen het begin dezer zonde op hunne hoede zijn, dal is, zich tegen alle onmatigheid in eten en drinken en voornamelijk tegen het ongeregeld verlangen naar buitengewone en uitgezochte spijzen en dranken wel wachten, uit vrees, dat ook zij ten

642

ocr page 683

een en twintigsten zoifdag na pinksteren. 643

laatste, volgens den H. Paulus, gerekend worden onder het getal van hen, wier einde verderf, wier God hun buik is.

Wat is de traagheid ?

Een walg van de dingen, die God en onze zaligheid aangaan. Ook de traagheid is uit hare natuur eene doodzonde, en wordt aldus genoemd, omdat do trage cn vadsige menscli zwaar zondigt, wanneer hij voorbedachtelijk de Goddelijke vriendschap, het eeuwig leven, in één woord, alle middelen veracht, die tot de liefde Gods en het eeuwig leven noodzakelijk zijn. Zij is eene hoofdzonde, wijl zij de moeder is van verbittering, van nalatigheid in dom dienst van God, van luiheid in het aanhooren van Gods woord, in het lezen van geestelijke boeken, in het ontvangen der HH. Sacramenten, van verstrooiingen in het gebed, van lediggang, van moedeloosheid en dikwijls zolfs van vertwijfeling en zelfmoord. Om zich van die ondeugd te genezen, is het vooral nuttig wel na te gaan, hoe heerlijk het loon der eeuwige zaligheid zal zijn, dat wij in den dienst van God mogen verhopen.

Welke zijn de wraakroepende zonde ?

Deze vier: i) Vrijwillige doodslag, 2) Onkuischheid tegen de natuur, ook sodomie genoemd, wijl zij door de inwoners van Sodoma gepleegd werd, 3) Verdrukking der armen, inzonderheid der weduwen en weezen, 4) Achterhouding of de onttrekking van hel werkloon. Deze zonden geven een bijzondere boosheid des harten te kennen, zij roepen, om zoo te spreken, tot God om wraak, en worden, zelfs dikwijls in dit leven, op schrikbarende wijze gestraft, gelijk wij uit de geschiedenis van Cain, en van Sodoma en Gemorrha kunnen opmaken.

Wat wordt door de honderd penningen verstaan?

Door de honderd penningen — volgens onze munt ongeveer 17 gulden, dus een geringe som — worden de beleedi-gingen verstaan, die anderen ons hebben aangedaan en die, in vergelijking met onze zonden jegens God gepleegd, gering, onbeduidend en nietig moeten genoemd worden.

Wat wil Jesus alzoo door die gelijkenis zeggen?

Dit: God is jegens u barmhartig en scheldt u uw buitenmate groote schuld kwijt; derhalve moet ook gij barmhartig

ocr page 684

ONDERRICHT OVER DEN

zijn en uwen evenmenschen hun kleine schuld jegens u vergeven. Wie dit niet doet, wie zijnen medeniensch geene vergiffenis schenkt, maar hem, integendeel, verdrukt en vervolgt, zal ook van den Hemelschen Vader geene vergeving verwerven, en zich aan de eeuwige straffen der hel schuldig maken.

Waarom wordt in het Evangelie gezegd : »de Heer

gebood, dat men dien dienstknecht, diens vronw

en kinderen en al wat hij had,quot; zou verkoopen?

Alweer om ile grootheid der zonden en de daardoor verdiende straffen nog beter te doen begrijpen. Wellicht wordt daardoor ook aangeduid, dat de vrouw en de kinderen den man tot zonden verleidden, of aan zijne zonden hadden deel genomen, waardoor ook zij zijne straffen verdienden; want, als men in de zonden van anderen deelt, zal men in hunne straffen ook deel hebben.

quot;Wie deelt in de zonden van anderen en maakt zich alzoo aan vreemde zonden plichtig?

Die 1) anderen tot zonden raad geven; 2) anderen gebieden te zondigen; 3) in de zonden van anderen toestemmen; 4) anderen tot zonden aansporen; o) de zonden van anderen prijzen, 6) de zonden eens anderen bedekken, als ze bekend moesten gemaakt worden; 7) de zonden eens anderen niet beletten, als men daartoe verplicht is; 8) in het onrechtvaardig verkregen goed deelen; 9) eens anders zonden begunstigen of ondersteunen.

Wie zijn zy, die hunne schuldenaars aangrijpen, hun de keel toewringen, enz. ?

In het algemeen alle onbarmhartige menschen; meer in het bijzonder echter degenen, die met de schuldenaars, welke niet dadelijk kunnen betalen, geen geduld hebben, maar met geweld hunne betaling vorderen, al moest ook de schuldenaar daarom zijn huis en goederen verkoopen. Maar vooral zijn het ook de verdrukkers der weduwen en weezen, alsmede de overheden, die hunne onderdanen met buitensporige opbrengsten belasten.

Wie zijn de beschuldigers dezer meedoogenlooze menschen ?

De Engelen-Bewaarders en hun eigen geweten; ja zelfs hun onmeêdoogende handelwijze roept bij God om wraak.

644

ocr page 685

een en twintigsten zondag na pinksteren.

Waarom werd de onbarmhartige dienstknecht,

na vergiffenis zijner schuld bekomen te hebben, den beulen overgeleverd?

Niet om de schuld, die hem werkelijk was kwijtgescholden (want God heeft geen berouw over zijne gaven en de eenmaal vergeven zonden herleven niet meer), maar om de liardvoch-tigheid en wreedheid, waarmede hij. weigerde de schuld aan zijnen medeknecht kwijt te schelden, hem daarenboven nog sloeg en mishandelde. Dit vergrijp was des te grooter voor hem, omdat de dankbaarheid alleen voor de hem zoo pas vergeven schulden hem had moeten bewegen, ook zijnen medeknecht kwijtschelding te schenken. Daarom ook wordt er gezegd, dat hij aan de beulen werd overgeleverd, totdat hij de geheele schuld zoude betalen, hetgeen hem wegens de buitengewone grootte der som onmogelijk was. — Dit vonnis duidt dus de eeuwige, of helse he straf aan. Willen wij alzoo de vreese-lijke, eeuwige pijnen vermijden en van God vergiffenis onzer menigvuldige en zware zonden verwerven, dan moeten wij ook aan hen, die ons beleedigd hebben, van harte vergeven. .

Wat is dat: »van hartequot; vergeven ?

Dat is haat, wrok en wraakgierigheid uit ons hart verbannen en in plaats daarvan een ware en oprechte liefde jegens onzen vijand in het hart koesteren en uiterlijk door teekenen en liefdediensten aan den dag leggen. Zij hebben dus niet van harte vergeven, die meenen en zeggen, dat zij niets tegen hunnen vijand hebben, maar intusschen hem uit hun gemeenschappelijke gebeden en aalmoezen sluiten, allen omgang met hem vermijden, niet met hem spreken, hem noch groeten, noch zelfs aanzien, noch tegengroeten en hem in den nood niet willen helpen, zelfs als zij dit gemakkelijk doen konden.

Dal zulke menschen niet zeggen, dat het al te moeielijk, ja onmogelijk is zijnen vijanden van harte te vergeven; want God gebiedt niets onmogelijks, en toch heeft Hij uitdrukkelijk geboden (Matth. XVIII, 35. V. 44), dat wij onzen vijanden van harte vergeven, hen zelfs moeten beminnen en hun goed doen. Wat meer is, hebben Christus zelf en de Heiligen dit gebod niet in oefening gebracht?... Of hebben wij

64S

ocr page 686

onderricht over den

wellicht een hart, dat anders is samengesteld dan het hunne, zoodat ons deze liefde onmogelijk is?... Ja, een boosaardig hart hebben wij, dat oorzaak is, dat God onze veelvuldige en zware zonden niet vergeven zal, omdat wij aan onze mede-menschen geene vergiffenis willen schenken.

Over het geduld.

Heb geduld met mij. Matth. XVIII, 26.

Daar God voortdurend een zoo groot geduld met ons heeft, hoe kunnen wij dan onbewogen blijven en met de gebreken en zwakheden onzer medemenschen geen geduld hebben, ol het lijden, dat God ons toezendt, niet met geduld verdragen? Overigens, en bedenken wij dit wel, wat baat ons het ongeduld? Verbetert het de fouten onzes naasten? Gewis niet; integendeel, liet verbittert dengene, die eene fout begaan heeft; zoodat deze ten laatste ook de zachte en geduldige terechtwijzingen versmaadt, en, in weêrwil van alle vermaningen, in de boosheid volhardt, ja zelfs tot grootere zonden vervalt en steeds nieuwe schulden op zich laadt. — Of verlicht misschien het ongeduld ons lijden? Ook niet; het maakt ons lijden nog drukkender, en berooft ons tevens van de voordeelen, die wij daaruit voor oiue ziel konden trekken. Daarom roept de H. Chrysostomus uit: Wat doet gij, o mensch ? Gij lastert God, uwen Weldoener, uwen Redder, uwen Beschermer en Verzorger! Merkt gij dan niet, dat gij naar den afgrond snelt, en u zeiven in de diepte des verderfs neerstort? — Maakt gij wellicht uw lijden door uwe lastering dragelijker? Neen; gij vermeerdert het door uw ongeduld en zonden en maakt uwe kwaal nog pijnlijker. Maar gij kunt misschien over uw leed niet zwijgen? Zie, ik gebied u ook niet geheel stom te zijn. Maar in plaats van God te lasteren, moet gij Hem prijzen; in plaats van tegen Hem te morren, moet gij Hem vereeren en loven. Beken uwe zonden voor den Heer, roep luide tot Hem in uwe gebeden, roep luide tot God in lofprijzen, dan zult gij uw lijden verlichten en God zal met zijne hnlpaan-brengende genade tot u naderen. Zoo gij integendeel God lastert, dan weert gij 'zijn bijstand van u af.

Bedenkt verder nog, dat, hoe grooter het lijden is, des te heerlijker ook de kroon der belooning zal weren. Hebt

646

ocr page 687

een en twintigsten zondag na. pinksteren. 647

gij thans een harden strijd met de zwakheid en krankheid te voeren, vergeet niet dat Lazarus daardoor zijne zaligheid verworven heeft: omdat hij zoo geduldig armoede, ziekte en verlatendheid verdroeg, daarom is hij in den schoot van Abraham opgenomen geworden.

Ja, geduld in lijden is een zoo groote deugd, dat zij zelfs aan vroegere zondaren kwijtschelding hunner tijdelijke straffen schenkt, en den reeds sinds lang rechtvaardigen vnen-schen de grootste vooruitzichten geeft op de Hemelsche zaligheid. Voor de rechtvaardigen is geduld in lijden een glinsterende kroon, die klaarder schittert dan de zou, terwijl het den zondaren tot afboeting der zonde en tot verzoening met God verstrekt. Zeg ook niet, dat armoede, krankheden en gevaren u lot morren dwingen. Niet de armoede, maar uwe dwaasheid, niet de krankheden, maar uwe vermetelheid, niet de ge varen, maar uw gebrek aan de vreeze Gods voeren u in uwe onbezonnenheid tot laster en tot alle boosheid. Zii; de grootheid des lijdens van Job en Lazarus en hun onverstoorbaar geduld! Wees gij zoo geduldig als zij, dan zult ook gij, even als zij, dezelfde belooning ontvangen.

Wij behooren des te meer nog tegen het ongeduld op onze hoede zijn, omdat die ondeugd gewoonlijk nog tot andere zonden verleidt. Inderdaad het ongeduld geeft aan de ontevredene armen aanleiding lot stelen, het stemt den grammoedigen mensch tot vloeken, tot gemor tegen God, het maakt hem lauw en traag in het goede, en is oorzaak, dat hij geene hinderpalen der deugd meer uit den weg ruimt, enz. Wee hun die de lijdzaamheid verloren hebben (Eccl. 11, 16); gelukkig integendeel zij, die in het geduld volharden. Door uwe lijdzaamheid zult gij moe zielen behouden (Luc. XXI, 19). Want het geduld is de wortel en de beschermster aller deugden, het bewaart den mensch tegen de zonde, voert hem naar de volmaaktheid (Jac. I, 4) en maakt hem der Hemelsche kroon waardig. Smeeken wij derhalve God zeer dikwijls om de deugd van geduld door het volgende

Gebed.

O God, die, door het geduld van uwen ééniggeboren Zoon, den hoogmoed des ouden helschen vijands gefnuikt hebt.

ocr page 688

onderricht oter den

verleen genadig, dat wij aandachtig overwegen, hetgeen uw dierbare Zoon voor ons geleden heeft, en geef dat wij naar zijn voorbeeld alles, wat ons tegenstaat, geduldig verdragen. Door denzelfden Jesüs-Ghristus onzen Heer, enz.

Onderricht over den twee en twintigsten Zondag- na Pinksteren.

Bij den Ingang der Mis bidt de Priester uit Psalm CXX1X om vergeving zijner zonden: — Indien Gij, Heer, de ongerechtigheden aanmerkt, Heer, wie zal bestaan? Doch bij U is de genade. God van Israel. — Uit de diepte heb ik tot U geroepen, Heere: Heere, verhoor mijne stem. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

God, onze toevlucht en sterkte! verhoor de godvruchtige gebeden uwer Kerk, Gij, die de oorsprong van alle godsvrucht zijt, en verleen, dal wij werkelijk bekomen, hetgeen wij U met vertrouwen vragen. Door onzen Heer Jesus-Chuistus, enz.

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Apostel Faulus .aan de Philippensers, I, 6-11.

Broeders! Wij vertrouwen, dat Hij, Die in u begonnen heeft het goede werk, het voleindigen zal tot op den dag van Ghristus Jesus: gelijk het voor mij recht is, dit gevoelen te hebben voor u allen, omdat ik u in het harte draag, zijnde, én in mijne banden, én in de verantwoording en bevestiging van het Evangelie, gij allen mededeelgeuooten van mijne blijdschap. Want mij is God getuige, iioe ik verlangende ben naar u allen met de innige liefde van Jesüs-Ghristus. En dit bid ik, daf uwe liefde meer en meer overvloedig worde in kennis en in alle gezindheid, ten einde gij beproeft wat meer oorbaar is, opdat gij oprecht zijt en zonder aanstoot voor den dag van Christus, vervuld zijnde met vrucht van rechtvaardigheid door Jesls-Ghristüs, tot heerlijkheid en lof van God.

Verklaring. De H. Pallus schreef dezen Brief, waarvan bovenstaand Epistel een gedeelte is, te Rome, alwaar hij voor het geloof gevangen zal, en zond hem van daar naar Philippi, eene stad in Macedonië, welker inwoners hij bekeerd had.

648

ocr page 689

twee en twintigsten zondag na pinksteren.

Daarin wensclit hij hun vooreerst geluk met de leer van het H. Evangelie, hetwelk hij hun gepredikt heeft, en dat zij zoo bereidwillig aangenomen en met zoo veel nauwgezetheid gevolgd hebben. Hij zegt verder, dat hij vertrouwt, dat God, die dit goede werk in hen begonnen heeft, het ook in hen zal voltrekkeu eu hun de volharding schenken zal tol op den dag van Christus, dat is, tot den dood of tot het oordeel: Hierop geeft hij hun zijn teedere liefde jegens hen te kennen, liefde die gelijkvormig is aan die van Jesus en die hem aanspoort God voor hun welzijn voortdurend te smeeken, opdat hunne liefde voortdurend moge toenemen, dal is, dat zij steeds meer goede werken mogen beoefenen. Hij verlangt evenwel, dat zij het goede beoefenen met Christelijke wijsheid en omzichtigheid, na degelijk onderzoek en steeds het beste kiezende, opdat hunne goedheid niet ontaarde in zonde en ophouden zoude lietde te zijn, wanneer zij zich ook jegens valsche Apostelen, dienstvaardig en vrijgevig mochten toonen. Zij moeten dus een rechtzinnige en zuivere meeuing vormen, niemand aanstoot geven door hun gedrag, vervuld zijn met de vruchten van de gerechtigheid, die uitschijnt in goede werken, welke niet dan met de genade van Christus kunnen beoefend worden. Op die wijze moeten zij hunnen levenswandel Gode tol eer doen verstrekken.

Verzuchtingen. 0 mijn God! door Jesus, mijnen Zaligmaker, vertrouw ik op U, dal Gij mij sleeds meer eu meer verlichten, het goede, dat Gij in mij begonnen hebt, ook voleinden, en mij, door uwen Goddelijken Zoon, de volharding in het goede tot den dood toe verleenen zult.

Evangelie volgens den H. Mattheus XXII, 13-21.

In dien tijd gingen de Pharizeën henen, en hielden raad. hoe zij Jesus in zijne woorden zouden verstrikken. En zij zonden hunne leerlingen met de He-rodianen tot Mem, zeggende: Meester! wij weten dat Gij oprecht zijt, en den weg Gods naar waarheid leert, en dat Gij niemand ontziet; want Gij geeft geen acht op het aanzien der menschen. Zeg ons dan, wat dunkt

649

ocr page 690

onderricht over den

U: Is het geoorloofd, den Keizer schatting te geven, of niet? Maar Jesus, hunne boosheid kennende, sprak: Wat beproeft gij Mij, schijnheiligen? Toont Mij den schatting-penning. En zij toonden Hom eenen tienling. En Jesus sPrak tot hen: Wiens beeld en opschrift is dit? Zij zeiden tot Hem: Des Keizers. Toen sprak Hij tot hen: Geeft dan den Keizer wat des Keizers is^ en Gode wat Godes is!

Waarom wilden de Farizeën Jesus in zyne woorden verstrikken?

Ten einde redenen te vinden, om Hem óf bij den keizer aan te klagen, of althans bij het Joodsche volk hatelijk te maken; want outzeide Jesus den schatting-penning aan den keizer, dan hadden zij Hem als oproermaker aan den Romeinschen landvoogd knnnen aanklagen; oordeelde Hij integendeel den schatting-penning verplichtend, dan hadden zij Hem bij de Joden, die zich een vrij, en Godequot; alleen onderworpen volk waanden, als vijand hunner vrijheid beschuldigd. Onder die Farizeën worden zij allen verbeeld, die onder uiteriijken schijn van vriendschap hunnen naaste verdriet en ongeluk trachten te berokkenen; maar zij hebben ook hetzelfde wee te vreezen, waarmede Jesus de schijnheilige Farizeën zoo dikwerf bedreigd heeft.

Wat zijn eigenlijk schijnheiligen ?

Menschen, die, ten einde hunnen naaste te bedriegen, zich uiterlijk vroom en heilig aanstellen, terwijl zij inwendig vol boosheid zijn; die honig op de toug en gal in het hart dragen, en, gelijk de schorpioenen, hunnen steek toebrengen, als men daar tegen het minste op zijn hoede is. Zulke schijnheiligen zijn geestverwanten en broeders van een Cain, een Joab, een Judas, van welke de eerste njn broeder Abel, de tweede zijn neef Amasa vermoordde, en de derde zijnen GodJeiijken Meester door een kus verried. Beter is het een verklaarden vijand, tegen wien men zich wachten kan, dan een schijnheiligen vijand te hebben, tegen wien men niet op zijne hoede is.

Zulke bedriegelijke menschen worden door God vervloekt Maledictus dolosus (Malach. I, 14). Eene dubbelhartige tong, zegt het boek der Spreuken (VIII, 13) is verfoeielijk voor God,

650

ocr page 691

twee en twintigsten zondag na pinksteren. 6S1

en een aangematigde heiligheid, zegt de H. Hieronymus, is een dubbele boosheid.

Om te toonen, dat noch wijsheid, noch verstand, noch raad tegen God iels vermogen (Spreuken XXI, 50), zeide Jesus tot de Farizeën: Toont Mij den schatting-penning!... Wiens beeld en opschrift is dit? en op hun antwoord, dat het des keizers was, sprak Hij: Geeft dan den keizer wat des keizers is, en Gode wat Godes is.

Jesus wil daardoor zeggen: Hebt gij het door uwe zonden zoo ver gebracht, dat gij aan den keizer onderworpen zijt, gelijk het geld, dat bij u in omloop is, en de opgelegde jaarlijksche schatting zulks aanduiden, geoft dan aan dien vorst, wat gij hem schuldig zijt; maar vergeet bij deze aardsche opbrengst de hemelsche schatting niet, die gij Godc schuldig zijt. Betaalt alzoo ook de schatting voor den tempel en vooral brengt Gode uwe ziel en uw lichaam, die gij ook van Hem ontvangen het, ten offer, en draagt Hem ware godsvrucht en deugd als offerande op.

Over den plicht aan de wereldlijke overheid de verschuldigde schatting te betalen, hebben wij bladz. 413 op den III Zondag na Pinksteren gehandeld.

God echter heeft in de H. Schrift (Luc. X, 7, Rom. XIII, 6-7, en I Cor. IX, 14) ook een zekere schatting bevolen te betalen aan de geestelijke overheid; aan deze verplichting moeten de geloovigen ook nauwkeurig voldoen; vooral moeten zij zich wachten, de goederen der Kerk, op onrechtvaardige wijze, zich toe te eigenen; want God heeft hen, die zich daaraan vergrepen, dikwijls op schrikwekkende wijze gestraft, en de dagelijksche ondervinding leert, dat zulke goederen hun, die ze onrechtvaardiglijk bezitten, niets dan ongelukken aanbrengen. Men kan overigens met de schatting aan de kerk te betalen, tegelijkertijd nog andere verdiensten vergaderen, namelijk, wanneer men ze opbrengt als dank-offer voor alle tijdelijke goederen, die men van God ontvangen heeft, als lof-offer en bijdrage tot de opluistering der godsdienstplechtigheden, tot zoen-offer voor de zonden, en als bid-offer ter verkrijging van al datgene, wat tot welzijn van ziel en lichaam noodig is.

ocr page 692

onderricht over den

Verzuchtingen, getrokken uit Psalm XI en CXIX. Behoed mij, Heere! want er zijn geene heiligen meer, want er is weinig V) a ar he id onder de kinderen der. mensehen. Elkeen spreekt ij dele dingen tegen zijnen naaste; hunne lippen zijn bedriegelijk, en zij spreken met een dubbel hart. De Heer verniele alle bedrie-gelijke lippen, en de hooggeroemde tongen dergenen, die zeggen: Wij zullen onze tongen verheffen, onze lippen zijn voor ons, wie is heer over ons? Heere! verlos mijne ziel van de booze lippen en van de bedriegelijke tongen; en geef mij de genade, door godsvrucht en deugd uw beeld in mij te bewaren. Neig mijn hart tot uwe getuigenissen, en niet tot de gierigheid, opdat ik aan een ieder geve en late, wal hem toekomt.

Over liet raenschelijk opziclit.

Meester, wij weten, dat Gij oprecht zijt, en den weg Gods naar waarheid leert, en dat Gij niemand ontziet; want Gij geeft geen acht op het aanzien der menschen (Matth. XXII, 16).

In de onpartijdigheid, die de Joden hier in Jesus zoo zeer doen uitkomen, moesten de Christenen hunnen Verlosser getrouwer volgen, en zich zoo lichtvaardig niet laten af brengen van de trouwe uitoefening hunner christelijke plichten, door een lafhartig menschelijk opzicht en de steeds zoo gevreesde vraag: «Wat zullen de menschen van mij zeggen?quot; — Wat kan liet ons deren, wat de menschen van ons denken en zeggen, zoo wij Gode maar behagen? Alleen zijn gevoelen over ons, en van niemand anders kan ons waarlijk voordeel of nadeel toebrengen. Laten wij dan Hem alleen vreezen, gelijk Christus ons leert, zeggende: Wilt hen niet vreezen, die het lichaam dooden, doch die de ziel niet dooden kunnen; maar veeleer vreest Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel. Matth. X, 28.

Hoe dwaas handelen dus allen, die, om aan menschen te behagen, God beleedigen; die, ten gelieve vhh anderen, onschuldige, arme en verlatene lieden onderdrukken en ten onder brengen, die alle nieuwe en ergerlijke modes en gebruiken najagen, op Zon- en Feestdagen de godsdienstoefeningen verzuimen, op geboden vastendagen vleesch eten. of het aan anderen voorzetten, ontuchtige liederen zingen, of, wat nog er-

652

ocr page 693

twee en twintigsten zondag na pinksteren. 653

ger is, zich niet schamen met heilige zaken den spot te drijven, om anderen tot vroolijkheid op te wekken. Dwazer nog is het, uit vrees, dat de biechtvader een slecht denkbeeld van hen opvat, in de biecht, zijne z inden te verzwijgen of te bewimpelen, — Bidt God dagelijks en dringend, dat Hij die ijdele en hoogst noodlottige menschenvrees van u were, en u in de plaats de ware vreeze Gods, die het beginsel der wijsheid is, verleene.

Over de waarde en verhevenheid der ziel.

Wims beeld____ is dit? (Matth. XXII, 20.)

Deze vraag behooren wij ons dikwijls te stellen, wanneer wij onze ziel beschouwen; maar vooral wanneer wij bekoord worden en op het punt staan haar door eene doodzonde te besmeuren en ze in het verderf Ie storten. Wiens beeld is dit? zoo dienden wij ons dan af te vragen. Is onze ziel niet het evenbeeld van God? een beeld, geleekend, om zoo te spreken, met het bloed van Christus? Welnu, zou ik dat beeld door eeue zonde, door wellust bevlekken en misvormen ? Verre van mij zulk eene daad. — Ziedaar! wat wij moeten zeggen; ziedaar hel voornemen, dat wij moeten opvatten? Inderdaad wal is onder alle geschapen wezens, — de Engelen uitgenomen, — schooner en kostbaarder dan de ziel des menschen, die de genade Gods bezit? De Verlosser heeft zijn leven tön beste gegeven niet voor alle goederen en schatten der wereld, maar wel voor de ziel des menschen. En dit-niettegenstaande schat menigeen zijne ziel zoo gering, dat hij haar voor een oosenhlik van vermaak, voor de goedkeuring van slechte menschen veil heeft. Ach, hoe verkeerd is zulke handelwijze! Men schat het lichaam zoo hoog, dat men zich alle moeite geelt, om het op te schikken en in het leven te behouden; maar het evenbeeld van God, de ziel, in staat van genade te bewaren en het met deugden te versieren, ach, daarvoor wil men zich geene moeite geven! welk eene uitzinnigheid !

ocr page 694

onderricht over den

Onderricht op den drie en twintigsten Zondag na Pinksteren

Bemerking. Ingeval er slechts drie en twintig Zondagen na Pinksteren zijn, valt de hier volgende onderrichting weg, en is het Onderricht over den vier en twintigslen Zondag na Pinksteren het laatste.

De Ingang der Mis troost en wekt ons op tot betrouwen op God, die zoo goed jegens ons gestemd is en ons niet altijd in kwellingen zal laten (Jerem. XXIX, 11). Ik denk, zegt de Heer, gedachten des vredes en niet van droefheid; gij zult Mij inroepen, en Ik zal n verhooren, en Ik zal uwe gevangenis weren uit alle plaatsen (Psalm LXXXIV). Heer! Gij hebt uw land gezegend; Gij hebt de gevangenschap van Jacor verlost. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Wij bidden U, o Heer, vergeef de misdaden uws volks, opdat wij van de boeien der zonden, waarin wij door onze zwakheid gevallen zijn, door uwe barmhartigheid mogen ontslagen worden. Door onzen Heer Jesds-Christus, enz.

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Apostel Paulus aan de Philippensers, III, 17 -IV, 3.

Broeders! Wordt mijne mede-navolgeren, en slaat acht op degenen, die zóó wandelen, gelijk gij, ons voorbeeld, hebt. Want velen wandelen, van wie ik menigmaal u gezegd heb, en nu ook weenende zeg, dat zij de vijanden zijn van het kruis van Christus, wier einde het vordert, wier God de buik is, en de roem in hunne schande; die het aardsche betrachten. Maar onze wandel is in de hemelen, van waar wij ook den Zaligmaker zijn verwachtende, onzen Heer Jesus-Christus, die het lichaam onzer vernedering hervormen zal, gelijkvormig aan het lichaam zijner heerlijkheid, naar de werking, waardoor Hij aan Zich ook alles kan onderwerpen. Zoo dan, mijne gebelde en zeer gewenschte brooders, mijne blijdschap en mijne kroon! staat aldus in den Heer, geliefden! Evodia vermaan ik, en Syntyche vermaan ik, éénsgezind te zijn in den Heer. Ja, ik bid ook u, oprechte medegezel! wees haar medehulp-zaam, als die in het Evangelie mot mij hebben medegestreden met Clemens en mijn overige mede-arbeiders, wier namen staan in het boek des levens.

654

ocr page 695

DRIE EN IWINTIGSTEN ZONDAG NA PINKSTEREN. 655

Verklaring en zedeles. De H. P au lus vermaant liier de geloovigen van Philippi,. dat zij, in hunnen levenswandel, hem en die hem navolgen, maar niet die vijanden van het kruis van Christus zijn, tot hun voorbeeld moeten nemen. Onder de vijanden van het kruis van Christus worden zij verstaan, die de noodzakelijkheid van Christus' verzoeningsdood loochenen; wier gedachte en streven dan ook alleen op de bevrediging hunner zinnelijkheid gesteld is, wier einde verderf, wier God de buik is, en de roem in hunne schande. Natuurlijk hij, die aan den dood van Christus geen geloof hecht, zal ook niet gelooven, dal hij aan Christus gelijkvormig moet worden, en dat hij ziju vleesch met diens booze lusten en begeerlijkheden moet kruisigen, om in de verdiensten van den dood van Christus te kunnen deelen. Maar welk zal zijn einde wezen? Het eeuwig verderf; immers wie zijn vleesch niet kruisigt, hoort Christus niet toe (Galat. V, 24). Wie het steiven van Jesus niet te allen tijde in zijn lichaam omdraagt, in diens lichaam zal ook het leven van Jesus niet geopenbaard worden (II Cor. IV, 10). Wie nu niet reeds in den Hemel wandelt, dat is. Hemelsch gezind is, of zijne gedachten naar God en de Hemetsche goederen gericht houdt, die zal ook na den dood den ingang tot den Hemel niet vinden.

Verzuchting. Gave God, dat ik met den H. Paulus kon zeggen: De wereld is mij gekruisigd en ik der wereld (Galat. VI, 14).

Evangelie volgens den H. Mattheus IX, 18-26.

In dien tijd, als Jesus tot de scharen sprak; Ziet, daar kwam een Overste, die Hem aanbad, en zeide: Heer! mijne dochter is zoo even gestorven; maar kom, en leg haar uwe hand op. en zij zal leven. En Jesus stond op, en volgde hem, met zijne Discipelen. En ziet, eene vrouw, die twaalf jaren lang aan eene bloedvloeiing geleden had, kwam van achteren, en raakte den zoom zijns kleeds aan; want zij zeide bij zich zelve: Indien ik slechts zijn kleed mag aanraken^ zal ik gezond worden. Maar Jesus zich omkeerende, zag haar, en sprak: Betrouw, dochter! uw geloof heeft u gezond

ocr page 696

onderricht over den

gemaakt. En de vrouw is gezond geworden van die ure af. En als Jesus in het huis van den Overste kwam, en de fluitspelers en de geruchtmakende schare zag, sprak Hij: Gaat van hier: want het dochterken is niet dood, maar slaapt. En zij bespotteden Hem. En als de schare uitgedreven was, trad Hij binnen, en vatte hare hand. En het dochterken stond op. En deze mare werd verbreid door dat geheele land.

Onderricht. 1) Deze kranke vrouw zeidc bij zich zelve: Indien ik slechts zijn kleed mag aanraken, zal ik gezond worden. Zoo geloofde zij en zoo geschiedde haar. — Vermeet n dus niet, roekeloos oordeel vellende, het geloof der kleinen als bijgeloof te doemen. Zoo de geloovigen op eene van de heilige Rciiquiën uitgaande kracht vertrouwen stellen, leiden zij nochtans deze kracht alleen van Hem af. die de eenige bron is van alle heil en leven. God ziet op hot kinderlijk geloof des harten.

2) De vrouw werd van hare bloedvloeiing genezen, door den zoom van Jesis' kleed aan te raken; hoeveel te gereeder kondet gij de gezondheid naar uwe ziel niet verwerven, zoo Jesus zelf met Lichaam en Ziel in het Allerheiligste Sacrament des Altaars tot u kwam en /.ich met u vereenigde? Waarom dan wendt gij u niet. zoo dikwijls gij gezondigd hebt, na ecu oprechte biecht gesproken te hebben, tot het H. Sacrament des Altaars, tot dien Geneesheer, die het leven geeft, opdat Hij u van de krankheid uwer ziel geneze, alvorens die zielekwaal nog erger en schier ongeneeselijk wordt!

3) Door het dochterken, dat Jesus van den dood opwekte, wordt in geestelijken zin eene ziel afgebeeld, die den dood der zonden gestorven is, en die door het machtig woord en' de krachtige genade van Christus even zoo gemakkelijk opgewekt wordt, als wij een slapende wakker maken.

De Zaligmaker wekte dit dochteiken op, door haar eenvoudig bij de hand te nemen en, om zoo te spreken, in- het geheim; want er waren slechts enkele uitgekozen getuigen bij tegenwoordig. Hij riep den jongeling van Naim tot het leven terug onder meer uiterlijke plechtigheid en in tegenwoordigheid van allen, die het lijk ten grave vergezelden (Luc. VII).

6S6

ocr page 697

dlue en twintigsten zondag isa pinksteren.

Toen Jesus Lazarus (Joann. XI) opwekte, deed Hij nog meer, Hij werd bewogen, weende en bad eerst en riep hem dan tot het leven terug, ten aanschouwe van eeu groote menigte volks, dat langs alle kanten was toegevloeid. Volgens het gevoelen van onderscheidene uitleggers der H. Schrift, ziel de drievoudige wijze, waarop Jesus de dooden opwekte, op drie soorten van zondaars. Door het dochterken worden die zondaars afgebeeld, welke een enkele maal, uit menschelijke zwakheid en in het geheim, of door een kortstondige toestemming aan slechte gedachten, in zonden vielen, en die door Gods genade het geestelijk leven hunner ziel gemakkelijker en zonder openbare boetpleging terugkrijgen. Door den jongeling van Naim worden die zondaars aangeduid, welke vaker, uit boosheid, met werken en openlijk, gezondigd hebben. Eindelijk door Lazarus worden de openbare en verstokte zondaars verbeeld, die uit gewoonte zondigen, en niet dan door een buitengewone genade en door strenge en uitwendige boetvaardigheid, weder tot hel geestelijk leven kunnen opgewekt worden.

4) Jfsus zond, alvorens het dochterken op te wekken, de fluitspelers en geruchtmakende schare heen. Daaruit kunnen wij de zedelijke gevolgtrekking maken, dat de opwekking of bekeering eener ziel te midden van wereldsch gewoel en aard-sche zorgen geen plaats kan hebben. — Wilt gij dus uit uwe zonden opstaan, verdrijf dan eerst het gewoel der aardsche zorgen en zinnelijke lusten uit uw hart; vermijd die gezelschappen, waarin u voorgepraat wordt, dat de zonde zoo erg niet is, dat de jeugd toch aangenaam moet doorgebracht worden, enz., en laat u door niemand wederhouden, tot Christus uwe toevlucht te nemen, opdat Hij u met zijn woord en zijne genade uit den slaap der zonden opwekke.

Over de spotternij en beschimping-.

En zij bespotten Hem (Matth. IX, 24). Als Jesus in het huis van Jairus kwam en zeide, dat het dochterken niet dood was, maar sliep, lachten de lieden Hem uit en spotten met Hem, wijl zij niet begrepen, wat Hij zeide, noch wat Hij doen wilde. Even zóó handelen de vleeschelijke en wereldschgezinde

42

657

ocr page 698

okderbicht over dun

menschen gewoonlijk jegens de Priesters en andere dienaars van God, wanneer deze door woord en voorbeeld de verachting van eer, rijkdommen en genot, de liefde tot de armoede, vernedering en versterving prediken. Zulke taal is hun onbekend, onverslaanbaar en hatelijk, zoowel ais wanneer men hun zegt, dat de dood een slaap is, waaruit men eens zal moeten ontwaken, om voor het oordeel Gods te verschijnen. Maar wee! zulke spotters, door wier bijtende scherts velen zich van de deugd verwijderen en zich tot een misdadig leven, tot verzuim hunner godsdienstplichten, tot onteering der HH. Sacramenten, tot verachting van vrome en heilige personen. tot dronkenschap, zwelgerij, ontucht, enz., hebben laten verleiden. Wee hun! Want alle spotters zijn een gruwel voor den Heer. Prov. III, 32. Zij zullen ook door Hem bespot worden en schande erven. (Ibid. 34 en 3o.) Laat u dus door zulke spotters van uwen ijver in de deugd niet afbrengen, veracht hen liever, gelijk Christus gedaan heeft, en troost ii in Hem, die om uwent wille belasterd en bespot is geworden. Zeg bij u zei ven:

Ik weet, o liefste Jesus! dat de knecht niet meer is dan zijn meester. Daar Gij nn too dikwijls beschimpt en bespot zijt geworden, waarom zou het mij dan bevreemden, dat ik wegens de godsvrucht, de kuischheid en andere deugden beschimpt en bespot word?

Onderriclit over den laatsten Zondag na Pinksteren.

Aanmerking. Als cr meer dan vier en twintig Zondagen na Pinksteren komen, dan worden de overgebleven Zondagen na Driekoningen lusschen den drie en twinligsten en don laatslen Zondag ingclaschl.

De Ingang der Mis is dezelfde als die van den vorigen Zondag (zie bladz. 654.)

Gebed der Kerk.

Wij bidden U, o Heer! wek den wil uwer geloovigen op, dat zij, door de hemelsche vruchten der heilige werken met meer ijver op te leveren, ook van uwe goedheid grootere geneesmiddelen voor hunne ziel mogen verwerven. Door onzen Heer Jesus Christus, uwen Zoon.

B58

ocr page 699

twlrmcisjvpf ^ondag n\ pinksteren.

EPISTEL : Les uit den Brief van den H. Apostel Paulus aan de Colossensers, I, 9-14.

Broeders! Wij houden niet op, voor n te bidden en te smeeken, dat gij vervuld moogt worden niet de kennis van zijnen wil, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, opdat gij waardiglijk wandelt Gode in alles welbehagelijk, in alle goede werken vruchtdragende, en wasdom hebbende in do kennis Gods, in alle sterkte versterkt zijnde, naar de kracht zijner heerlijkheid, tot alle lijdzaamheid en geduldigheid, met blijdschap dankende God den Vader, die ons waardig gemaakt heeft, om deel te nemen aan de erfenis der Heiligen in het licht; die ons gered heeft uit de macht der duisternis, en overgevoerd heeft tot het rijk van den Zoon zijner liefde, in Wien wij de verlossing hebben door zijn bloed, de vergeving der zonden.

Verklaring. In deze Les leert ons de H. Paulus, dat wij naar zijn voorbeeld, God voor ons zeiven en voor onze medc-menschen onophoudelijk moeien bidden; opdat wij, met de kennis van den wil Gods vervuld, in allerlei goede werken vruchtbaar, met een steeds dieper doorzicht in Gods geheimen verrijkt, en met zijne krachten uitgerust mogen worden. Daardoor kunnen wij alle bekoringen en aanvechtingen onzer geestelijke vijanden bestrijden en de aanvallen, tegen ons en het Christendom aangewend, geduldig en met blijde onderwerping verdragen. Verder moeten wij God bidden, dal Hij ons de genade verleene. Hem te mogen bedanken voor de groole weldaad onzer verlossing, waardoor wij van het rijk der duisternis, dat is, des duivels, tot het rijk des lichts en der liefde dat is, tot het Rijk Gods zijn overgeplaatst. Daardoor zullen wij vergiffenis der zonden verkrijgen en in de erfenis dei-Heiligen doelen. — Bevlijtigen wij ons dus die vermaningen des Apostels ter harte te nemen, en hem in zijne liefde en zijnen ijver voor de eer van God en het heil der zielen na te volgen, dan ook zullen wij eens aan zijn heerlijke belooning in den Hemel deel nemen.

659

ocr page 700

onderricht over den

Evangelie volgens den H. Mattheus XXIV, 1S-35'.

In dien tijd zeide Jesus tot zijne Leerlingen: wanneer gij in de heilige plaats zult zien slaan den gruwel der verwoesting, die door den Profeet Danibl voorzegd is: die het leest., bevatte het! Die dan in Judea zijn, vluchten naar de bergen: en die op het dak is. koine niet af, om iets uit zijn huis mede te nemen: en die in het veld is, keere niet terug, om zijn kleed mede te nemen. Maar wee de zwangere en de zogende vrouwen in die dagen! Doch bidt, dat uwe vlucht niet geschiede in den winter, noch op den sabbat. Want er zal alsdan een zware verdrukking zijn, gelijk er van het begin der wereld tot nu toe geene geweest is, noch zijn zal. En zoo die dagen niet verkort wierden, geen vleesch bleef er behouden; maar om de uitverkorenen zullen die dagen verkort worden. Ais iemand u dan zal zeggen: Ziet, hier is de Christus! of: daar is Hij! gelooft het niet. Want er zullen valsche Christussen. en valsche Profeten opstaan, en zij zuilen groote teekenen en wonderen doen, zoodat ook de uitverkorenen, indien het mogelijk ware, in dwaling zouden gebracht worden. Ziet, Ik heb het u voorzegd. Als zij u dan zullen zeggen: Ziet, hij is in de woestijn! gaat niet uit; of: ziet, hij is in het binnenste van het huis! gelooft het niet. Wrant gelijk de bliksem uit het Oosten komt, en tot in het Westen schijnt, zoo zal ook de komst van den Zoon des menschen zijn. Alwaar het dood lichaam is, daar zullen ook de arenden vergaderen. Maar terstond na de verdrukking van die dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar licht niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen beroerd worden. Kn alsdan zal bet teeken van den Zoon des menschcn in den hemel verschijnen; en dan zullen alle de geslachten der aarde weenen; en zij zul-

660

ocr page 701

laatsten zondag na pinksteren.

len den Zoon des menschen zien, komende op de wolken des hemels, met groote macht en heerlijkheid. En Hij zal zijne Engelen zenden met eene bazuin en met groot geschal: en zij zullen zijne uitverkorenen bijeen vergaderen van de vier winden, van de uiterste eindpalen der hemelen tot aan de uiterste eindpalen. Leert dan van den vijgeboom deze gelijkenis; Wanneer zijn tak alreeds teeder is, en de bladeren uitspruiten, weet gij, dat de zomer nabij is: Zoo ook gij, wanneer gij, alle deze dingen ziet, weet dan, dat het nabij, voor de deure is. Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht zal niet voorbijgaan, eer alle deze dingen geschieden. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen niet voorbijgaan.

Verklaring. De gruwel der verwoesting, waarvan Daniöl (IX, 27) en Christus hier spreken, is de ontheiliging des tempels en der stad Jerusalem, welke de goddelooze en oproerige Joden, door de afschuwelijkste misdaden, door onrechtvaardigheid, roof, enz., doch vooral de heidensche Romeinen, ten tijde der verwoesting van Jerusalem, door de oprichting hunner afgodsbeelden, enz. gepleegd hebben. Die verwoesting, welke ongeveer veertig jaren na den dood des Verlossers plaats had en die, volgens de aanteekeningen van den Joodschen geschiedschrijver Flavius Josephus, uiterst verschrikkelijk was, is door Jesus, naar de getuigenis van den H. Lucas {XXI, 20) hier voorspeld; alsmede het einde der wereld, waarvan de verwoesting van Jerusalem het afbeeldsel is en de komst van Christus in het oordeel. — Zie het Onderricht over het laatste oordeel op den eerstén Zondag in den Advent bladz, o9.

De Kerk geeft ons, zoowel in het begin als op het einde van het kerkelijk jaar, het Evangelie van het laatste oordeel te lezen, om den Christenen daarvoor een heilzame vrees in te boezemen en hen aan te sporen, zich door een recht Christelijken levenswandel voor dit schrikwekkend oogenblik wel voor te bereiden.

Er zullen valsche Christussen en valsche Profeten opstaan (Mattii. XXIV, 24). Zulke waren, volgens Josephus, gedurende

661

ocr page 702

onderricht over den

den oorlog in Judea, een Eleazar, een Joannes, een Simon en anderen, die, onder voorwendsel van de Joden te hulp te komen, hen in nog grootere onheilen stortten; zulk een zal op het einde der wereld de Antechrist met zijne aanhangers zijn, door den H. Paulus (II Thess. II, 3) om zijn duivelachtige boosheid «de mensch der zonde, de zoon des verderfs genoemd, die zich door zijn helschen hoogmoed boven al, wat Goddelijk en Heilig is, zal verhellen, zich in den tempel Gods zal nederzetten, zich voor God zal uitgeven, en allen, die hem niet als zoodanig willen erkennen, ten dood zal brengen. Door zijne pracht, zijn hoogdravende redevoeringen, beloften en geschenken, door zijn valsche wonderen en verleiding van allerlei soort, zal de Antechrist het zoover brengen, dat niet alleen vele Joden, aan wie de arme en ootmoedige Jesus te gering scheen, hem als hunnen Messias zullen erkennen, maar ook vele Christenen Jesus zullen verlooche#^den Antechrist aanhangen en Christus schandelijk verlaten. Ja zelfs de uitverkorenen zouden, indien het mogelijk ware, in dwaling gebracht worden, maar God zal te hunnen gunste die dagen van kwelling verkorten (Luc. XIII, 20).

Alwaar het dood lichaam is, daar zullen ook de arenden vergaderen (Mattii. XXIV, 28). Dit is een spreekwoordelijke uitdrukking, en beteekent; waar goddeloozen verblijf houden, daarheen komen ook de straften. Jesus wil daarmede zeggen: Als ik (over Jerusalem en op het einde der tijden over het gansche menschdom) ten oordeel zal komen, zal mijne komst lichtelijk kenbaar zijn, want de straf der misdaden zal dan spoedig volgen.

Te beginnen met de woorden: Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht, enz., bepaalt Jesus den lijd, waarop Jerusalem zal verwoest worden, en Hij zegt, dat velen zijner toehoorders de verwoesting nog zullen beleven, gelijk werkelijk geschied is. Wanneer echter het einde der wereld zal aanbreken, weten, zegt Hij (Matth. XXIV, 36) zelfs de Engelen des Hemels niet. — Zorgen wij steeds ijverig, opdat wij voor de komst des Goddelijken Rechters steeds bereid zijn.

Verzuchtingen. Maak, o Heer, dal wij alles, wat in staat is, ons uwe liefde te ontrooven, als den gruwel der verwoes-

662

ocr page 703

LAATSTEN ZONDAG NA PINKSTEREN.

ting in de heilige plaats mogen beschouwen. Maak, dat wij het verlies uwer liefde als den dood en den zekeren ondergang onzer ziel vreezen en vluchten. Verbreek de banden, waarmede wij aan de wereld gebonden zijn; deze immers zal eens vergaan, en allen, die haar blijven beminnen, ten ondergang strekken. Verleen ons, dat wij alle valstrikken onzer vijanden vermijden en ons boven alle aardsche dingen tot U verheffen. Geef ons de genade, dat wij naar uwen geest leven, naar uwe heerlijkheid trachten, ons daartoe, door goede werken, voorbereiden, en ze met betrouwen afwachten. Amen.

Over liet zweren.

Voorwaar, Ik zeg u (Matui. XXIV, 34). De Zoon Gods bekrachtigt hier, gelijk op meer andere plaatsen in het H. Evangelie, zijne woorden met eenen eed, doordien Hij zijn Goddelijke waarachtigheid als getuigenis van zijn gezegde inroept; trouwens zweren is niets anders dan God, ol de goddelijke waarachtigheid, rechtvaardigheid, enz,, of ook eenig schepsel in den naam Gods, tol getuige roepen van de waarheid, die men zegt, of van de oprechtheid, in hetgeen men belooft.

Op de vraag: Wanneer het zweren geoorloofd is? zij dit het antwoord: Men mag zweren, (Jerem. IV, 2), in geoorloofde en gewichtige dingen, wanneer d;tartoe gegronde redenen bestaan, ioo als bijv. het bevel der overheid; als men van de waarheid der zaak overtuigd is; als men zeer zeker besloten heeft zich aan het beiworene te houden. In alle andere gevallen is het verboden. Derhalve zondigen zij zeer zwaar,

1) die iets met eed bevestigen, wat zij weten of meenen, dat onwaar is; die een ongeoorloofde daad onder eed beloven te volbrengen; want zij roepen God als getuige op der leugen, of der zonde, bespotten daardoor zijne waarheid en rechtvaardigheid, handelen tegen zijne genade en barmhartigheid, en roepen zijne wraak over zich zeiven at. De valsche eed, ook meineed genaamd, is eene der zwaarste zonden, en wordt, gelijk de ondervinding leert, dikwijls ook in dit leven, op zichtbare wijze gestraft.

663

ocr page 704

onderricht over den

2) degenen, die zonder noodzakelijkheid en zonder voldoende redenen, iets al is het dan ook waar, met eed beves tigen; want God wil, bij kleinigheden en beuzelarijen, niet als getuige worden opgeroepen.

3) Allen, die de gewoonte hebben te zweren; zij die zonder te weten of de zaak al dan niet waar is, zonder te bedenken of zij hun woord zullen houden, ja of neen, onbezonnen zweren; want zij stellen zich aan het gevaar bloot een valschen eed te doen, en verkeeren daardoor voortdurend in zware zonde. Onder hen, die dikwijls zweren, zegt de H. Chrvsostomüs, is er niemand, die niet somtijds valschelijk zweert, even als hij, die veel spreekt, doorgaans ook vele onbetamelijke en valsche dingen uitbrengt. Om zich van zulke rampzalige gewoonte te ontdoen, zal men zeer nuttig

1) bedenken, dat zij, die zoo lichtvaardig zweren, daar-gaans minder geloofd worden dan anderen; 2) dadelijk een berouw verwekken, zoodra men gezworen heeft, en zich, door eenige boetpleging, daarover bestraffen: 3) met ernst en dikwijls bedenken, dat, zoo men eens van elk ijdel woord rekenschap zal moeten geven (Matth. XII, 36), men nog veel strenger zal gevonnist worden over de eeden die men lichtvaardig, vruchteloos en valschelijk zal gedaan hebben. Gedenk uwe uitersten en gij zult in eeuwigheid niet zondigen (Eccl. VII, 40).

Onderricht over liet Kerkwijdings-feest.

Is het iets nieuws, dat de kerken gewyd worden, en het feest harer inwijding jaarlyks gevierd wordt ?

Neen, want wij lezen in het derde Boek der Koningen (Hoofdst.VIIl), dat Salomon Gode den Heere een prachtigen tempel bouwde en de inwijding er van gedurende veertien dagen zeer plechtig vierde, welke viering de Joden jaarlijks hei haalden en Christus ook heeft bijgewoond (Joann. X, 22). Zoo hebben ook de eerste Christenen reeds gewijde kerken gehad, en de inwijding er van jaarlijks plechtig herdacht, gelijk het oude Martyrologium meldt, dat aan den H. Hieronvjiijs wordt toegeschreven, en waarin beweerd wordt, dat de H. Petrus de eerste kerk van Rome zou gewijd hebben (Card. Bona L. 1. Liturg, c, 16). Zeker werden de kerken, in de eerste tij-

664

ocr page 705

laatsten zondag na pinksteren.

den des Christendoms, wegens de vervolging, niet zoo plechtig en niet met zoo vele ceremoniën ingewijd :»ls thans: doch nauwelijks had de vervolging der Christenen met Constantyn den Groote, die zelf het Christelijk geloof omhelsde, opgehouden, of de Bisschoppen beijverden zich, om de kerken met de grootste pracht en onder de heerlijkste ceremoniën in te wijden (Ibid. c. 19).

Welk zijn die ceremoniën ?

De volgende: 1) Daags vóór de inwijding eener kerk, moet de Bisschop tegelijk met de gemeentenaren vasten. — Dit heilig gebruik vindt zijn oorsprong in de Apostolische Overlevering, volgens welke de vasten, daags vóór de hooge feesten, gebruikelijk is. Zulks herinnert ous tevens, dat wij, door vasten cn versterving, geestelijke tempels van God moeten worden, en dat wij het eeuwig huis van God. den Hemel, niet zullen binnengaan, tenzij wij op den avond van Jit kommervolle leven, onze ziel door versterving en boetvaardigheid hebben gezuiverd.

2) De Reliquieën der Heilige Martelaars, die den volgenden dag in den altaarsteen worden gesloten, alsmede drie korrels wierook en een perkament, waarop de dag, de maand en het jaar der kerkwijding en de aflaten, te dier gelegenheid verleend, vermeld zijn, worden op den vooravond van het feest onder eene tent geplaatst, die vóór den ingang der kerk is opgeslagen. Ook worden onder die tent de getijden uit den brevier gezongen. — Dat alles herinnert ons, dat de Heiligen, als vreemdelingen en pelgrims onder de tent van hun sterfelijk lichaam hebben moeten wonen, alvorens met Christus — die door het altaar wordt aangeduid — vereenigd te worden. — De eerste Christenen richtten himne altaren steeds op, boven de graven der Martelaren; daarom mag ook thans nog de Heilige Mis niet gelezen worden, dan op oen altaar, waarin overblijfsels der Heilige Martelaars rusten.

3) In den vroegen morgen van den volgenden dag, treedt de Bisschop, die de wijding zal verrichten, den nieuwen tempel binnen. Op de wanden van het kerkgebouw zijn twaalf kruisen geteekend, en bij ieder kruis is eene kaars geplaatst. Zoodra die kaarsen ontstoken zijn, verlaat de Bisschop met

665

ocr page 706

onderricht over den

al de aanwezigen, behalve één diaken, de kerk, die alsdan ge, sloten wordt.— Het kruis is het roemrijk leeken eens Christens, waarin hij, in navolging van den H. Paulus (Gal. VI, 14) zich beroemen moet. Do twaalf kaarsen, die vóór de kruisen ontstoken zijn, beteekenen de twaalf Apostelen, die door Jesus zeiven (Matth. V, 14) het licht lt;kr wereld genoemd worden en het licht dos geloofs alom verspreid hebben. Daardoor worden wij vermaand, ons steeds aan de leer der Apostelijke Kerk vast te houden en als kinderen des lichts voor God te wandelen,

4) Middelerwijl de Bisschop zich onder de tent, waar de Reliquiën der Heiligen rusten, in zijn bisschoppelijk gewaad aankleedt, worden de boetpsalmen gezongen. Vervolgens plaatst hij zich voor de gesloten deur der nieuwe kerk, heft de Litanie van alle Heiligen aan, vvijdt daarna zout en water, zegent zich zeiven en de omstanders daarmede, en begeeft zich inet de geestelijkheid rondom de kerk, welker muren hij met wijwater besproeit. Daarna klopt hij met zijnen bisschopsstaf op de deur dor kerk en zingt: Prinsen van Gods woonstede, ontgrendelt uwe deuren, en gij, eeuwige poorten, opent u, opdat de Koning der heerlijkheid binnen ga. De diaken, die alleen in de kerk gebleven is, vraagt al zingend: Wie is de Koning der heerlijkheid? En de Prelaat antwoordt: Het is de Heer, die sterk en machtig is, de Heer, die machtig is in den strijd. Driemaal wordt dezelfde plechtigheid herhaald. Wanneer de Bisschop ten derde male op de vraag van den diakeu heeft geantwoord, dan roept de vergaderde geestelijkheid, als uit oenen mond: Opent, opent, opent! De deur wordt ontsloten de Bisschop maakt met zijnen staf het toeken des H. Kruises op den drempel, zeggende: Zie het teeken des H. Kruises; dat alle vijanden vluchten; en treedt daarop binnen, gevolgd van hot koor, dal het vreugdelied aanheft: Eeuwige vrede kome van den Eeuwige over dit huis. — Zóó ook, naar wij hopen, zullen wij eens, na meer of minder jaren in dit ballingsoord te hebben rondgedwaald, de woning des eeuwigen vrodes, ons door den Opperpriester, Jesus-Curistus geopend, mot vreugde binnen gaan. — De boetpsalmen zeggen ons, dat do weg naar den Hemel, voor ons de weg van boete is; ook het gewijd

666

ocr page 707

laatsten zondag na pinksteren.

water, waarmede de Bisschop zich zeiven en de aanweiigen besproeit, wijst op de boetvaardigheid, waardoor wij gezuiverd moeten worden, willen wij eens het Rijk der Hemelen binnengaan. De drievoudige optocht rondom de kerk. en de besproeiing van den tempel met wijwater doet ons denkon aan de II. Drievuldigheid, door welke ailes geheiligd wordt, alsmede aan de vervolging der eerste Christenen, welke drie eeuwen geduurd heelt. Dat de deur eerst, nadat de Bisschop ten derde male heeft aangeklopt, geopend wordt, en de Prelaat een kruis op den drempel maakt, leert ons: dat de duivel alleen door een ernstigen strijd kan overwonnen worden; dat wij nimmer den Hemel zouden kunnen binnengaan, indien Jesus door zijnen kruisdood, dien niet geopend had; dat dus ook wij moeten kampen, en zegevieren zullen, indien wij onder het kruis van Jesus moedig strijden.

5) Alleen de Bisschop met zijne bedienaren treedt de kerk binnen, de overige geloovigen moeten nog buiten blijven. Dit verbeeldt ons, hoe Christus als overwinnaar van dood en hel, den Hemel binnentoog, gevolgd alleen door zijne n if verkorenen, met welke Hij zijn zegepralende Kerk gesticht heeft.

6) Zoodra de Bisschop in het midden der kerk is gekomen, heft hij het, »Veni Creatorquot; aan; vervolgens wordt de Litanie van alle Heiligen, die nog niet 'was afgezongen, voortgezet tot aan de woorden: Dat Gij aan de geloovige zielen de eeuwige rust gelieft te geven. Dan staat de Bisschop op, zegent driemaal de kerk eu het hoofdaltaar, zet zich vervolgens weer op de knieën en wacht het einde der Litanie at. Middelerwijl strooit een der aanwezige geestelijken, in den vorm van een kruis, welks armen zich lot de vier hoeken des gebouws uitstrekken, asch op den vloer der kerk. De Prelaat schrijft terwijl het koor het Benedictus zingt, met zijnen staf, het A, B, C, enz., in Grieksche letters op den eenen. en in Lalijnsche letters op den anderen arm van het kruis, om ons zinnebeeldig te zeggen, dat er bij Christus Jesus, die door het kruis wordt verbeeld, geen onderscheid meer is tusschen Jood en Heiden, tusschen Griek en Barbaar; dat Hij voor allen aan het kruis gestorven is, en voor allen zonder onderscheid

667

ocr page 708

ONDERRICHT OVfiiï

van stam of taal, de deur zijner Kerk, de bewaarster en uitdeelster zijner genaden, openstelt.

7) Nu nadert de Bisschop hel altaar, zegent, in de nabijheid er van, zout, water, asch en wijn, wolke stoffen hij met elkander vermengt. Dat mengsel wordt Gregoriaansch water genoemd, omdat de H. Gregorius, Paus (6C eeuw) heeft voorgeschreven, dat de muren en het altaar daarmede besproeid zouden worden. — Het water beteekeut de mensch-heid van Christus, de wijn zijne Godheid, de asch is het zinnebeeld des bederfs, het zout dat der onsterfelijkheid. Beide zijn het beeld des menschen, die - uit een sterfelijk lichaam, en een onsterfelijke ziel is samengesteld. De vermenging van al die stoffen te samen en de besproeiing daarmede van de muren, — die hier het Christen volk voor stellen, --- en van het altaar, — dat Christus beteekent, — verbeelden ons de vereeniging van don mensch met Christus, door de HH. Sacramenten.

8) De Bisschop gaat zeven maal rondom het altaar, 't welk hij zegent, maakt vijf kruisen met gemeld water op den altaarsteen, en wandelt vervolgens driemaal rond door de kerk, welker muren en vloer hij insgelijks met het Gregoriaansch water besproeit. Dan begeeft hij zich naar de kerkdeur en vormt met de punt van zijnen staf op het bovenste, middelste en onderste gedeelte daarvan een kruis, ten teeken dat voortaan alle vijanden des vredes en des zegens van dien drempel moeten vluchten, en dat de volheid der genade over hen moge nederdalen, die dezen tempel met een welgestemd gemoed binnentreden.

9) Op den altaarsteen zijn vijf kruisen gebeiteld, welke de Bisschop met H. Olie en Chrisma zalft. — Die vijf kruisen beteekenen do vijf 11. Wonden, waaruit ons alle heil voor tijd en eeuwigheid toevloeit. De zalving daarvan is hel beeld der geheimzinnige zalving, waardoor Jesus, als Koning, Profeet en Priester van het Nieuwe Testament door den H. Geest gezalfd is geworden, en waarom hij dan ook den bijnaam van Christus draagt, welk woord in het Grieksch Gezalfde beteekent.

10) Andermaal verlaat de Bisschop do kerk, en begeeft zich met de geestelijkheid naar de tent, alwaar de heilige

668

ocr page 709

het kerkwudings-feest.

Reliquieën rusten. Deze worden in plechtige processie eerst om en dan door de kerk, tol bij liet altaar gedragen, waarin zij moeien geplaatst worden. Hel koor zingt intusscheu Kyrie eleison. Heer, ontferm U onzer! — Wij moeten de Heiligen onder aanvoering van Christus volgen, om eenmaal de zegevierende Kerk te mogen binnengaan. Laten wij in afwachting daarvan voortdurend tot God roepen om genade en barinhartigbeid.

11) Onder den altaarsteen is eeue opening gemaakt, welke men hel graf pleegt te noemen. In ieder der vier hoeken van dat graf en op de binnenzijde van den sluitsteen, maakt de Bisschop een kruis met liet heilig Chrisma, zet de 11. Reliquieen in dat graf, sluit het niet eenen steen en met cement, dat reeds te voren met het Gregoriaansch water bereid is, en maakt eveneens op de buitenzijde van dat graf een kruis met het heilig Chrisma. Daarna bewierookt hij hot altaar tweemalen.

Zoo worden de Heiligen met Christus in den Hemel Ver-eenigd; daar maken zij, als het ware, slechts één geestelijk lichaam met Hem uit. Vergeten wij nimmer, dat wij van Christus de gunsten zullen verkrijgen, die wij door de voorspraak der Heiligen vragen.

12) Een der Priesters gaat rondom het altaar en bewierookt hel gedurende ai den tijd, dat de altaarzalving nog duurt. — Die Priester stelt ons den Engel voor, van wien sprake is in de Openbaring van den H. Joannes (VIII, 3 en 4), die met een gouden wierookvat vóór het altaar stond, en veel reukwerk, dat is de gebeden der Heiligen, op het altaar nederlegde, dat voor Gods troon was opgericht. De wierook beteekeiit nog de vurige gebeden der geloovigen.

13) Nadat de Bisschop den altaarsteen andermaal met de H. Olie der Catechumenen en vervolgens met het heilig Chrisma geheel en al bestreken heeft, verlaat hij het altaar, en zallt en bewierookt de twaalf kruisen, die op de muren der kerk zijn gemaakt. — Deze zalving beleekent de genade, die den geloovigen ten deel valt, wanneer zij de leer der Apostelen trouw naleven.

14) Teruggekeerd bij het altaar, zegent de Prelaat wierook, waarvan hij vijf kruisen maakt, die hij op de vier hoeken en

669

ocr page 710

ONDERRICHT OVER

in het midden van den altaarsteen nederzet; op die wierook-kruisen worden dunne, kruisvormige waskaarsen geplaatst en ontstoken, waarmede levens de wierook wordt verbrand. In-tusschen weergalmt het blijde Alleluja. — Deze flikkerende lichten beteekenen het genadevuur van God, dat voortdurend op liet altaar brandt en het vlammende gebed, door het vuur der Goddelijke liefrle ontstoken; zij zijn nog het zinnebeeld van de olFergaven der geloovigen, en van hunne door geloof schitterende en door liefdegloed vlammende harten.

13) Is dit geschied, dan worden nog eenige zalvingen voor en op de hoeken des altaars verricht, en worden vervolgens nieuwe altaardoeken, vaten en gewaden gewijd, liet altaar wordt met gewijd lijnwaad bedekt, het kruis, de kandelaars en bloe-me.i worden daarop geplaatst. Eindelijk draagt de Bisschop, of een Priester in zijne plaats, de Heilige Mis in de nieuw-gewijde kerk op. die voortaan uitsluitend aan deu eeredienst van God is toegewijd.

Ach hoevele prachtige kerken, door onze vooronders gebouwd en door de opvolgers van Willkbuordus, Wiro, Plechel-müs en Bonifacius plechtig ingewijd, zijn sedert ruim drie honderd jaren aan hare vroegere bestemming ontrukt! Zij staan daar nog als een bewijs van het geloof en de godsvrucht onzer vaderen, maar ook als een bewijs van den afval van een groot getal harer kinderen. Zij staan daar nog zonder Priester, zonder altaar, zonder offerande. O mochten die steenen, getuigen van vroegeren afval, luide genoeg spreken, om onze afgedwaalde broeders tot het geloof hunner vaderen terug te brengen !

Jaarlijks wordt de wijding eener kerk op een daartoe door den Bisschop bepaalden dag feestelijk herdacht. Die feestelijkheid lokte op die dagen vele kooplieden naar die plaatsen heen. en hunne tegenwoordigheid trok ook menigen vreemdeling uit de naburige plaatsen derwaarts. Dit is de eigenlijke oorsprong onzer kermissen, die van dagen van godsvrucht, helaas! nagenoeg geheel en al, in dagen van ijdel vermaak en loutere losbandigheid zijn ontaard.

670

ocr page 711

het kf.rkwijd1ngs-feest.

Waarom worden de kerken zoo plechtig gewyd?

1) Opdat Hen almachtigen God, volgens menschelijke krachten, een waardige woning worde toebereid, waar wij Hem komen aanbidden en onze otters opdragen; 2) opdat wij er steeds aan /.onden denken, hoe heilig de plaats is, waar God woont, aan welker wijding zoo veel zorg besteed is; 3) opdat wij, geloovigen, eene plaats zouden hebben, waarin wij ons gemeenschappelijk kimneu vergaderen, om gezamenlijk te bidden, de HH. Sacramenten te ontvangen, het woord Gods te hooren, de Heilige Mis en andere godsdienstoefeningen bij te wonen; 4) eindelijk, opdat door het besef van de heiligheid dezer plaats, onze godsvrucht vermeerderd, onze eerbied verlevendigd en onze ijver opgewekt worde tot den dienst van den Allerhoogste, dis zich gewaardigt bier de smeekingen zijner arme schepselen te verhoeren.

Bij den Ingang dar Mis bidt de Kerk om eerbied jegens den Gode toegewijden tempel, en bezigt de woorden, die Jacob sprak, toen God hem in een nachtgezicht verschenen was. (Gen. XXVIII, 17.) — Ontzaglijk is deze plaats! Hier is het huis vati God en de deur des Hemels, en zal genoemd worden de zaal van God. — Psalm LXXXI1I. Hoe liefelijk zijn uwe woningen, Heer der heirkrachten; mijne ziel haakt en bezwijkt van verlangen naar de voorhoven des Heeren. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

0 God, die ons den dag der wijding van dezen uw heiligen tempel telken jare hernieuwt, en ons voortdurend welvarend aan uw heilige geheimen laai deelnemen, verhoor de gebeden uws volks en verleen, dal al wie dezen tempel binnentreedt om weldaden te vragen, zich verheuge ze allen verkregen te hebben. Door onzen Heer Jesus Ghkistus, enz.

EPISTEL: Les uit het Boek der Openbaring van den H. Joannes, Apostel, XXI, 2-5.

In die dagen zag ik de heilige stad, het nieuw Jerusalem, nederdalen van God, uit den Hemel, gesierd gelijk eene bruid voor haren bruidegom opgeschikt is. En ik hoorde een sterke slem van den troon zeggen: Zie den tabernakel Gods bij de menschen, en Hij zal met hen wonen. En zij zullen zijn volk

671

ocr page 712

onderricht over

zijn, en Hij, God zelf met hen, zal hun God zijn; en God zal alle tranen van hunne oogen afdrogen; en de dood zal niet meer zijn; noch droefheid, noch gekerm, noch smart zal meer wezen ; want het eerste is voorbij. En Hij sprak, die op den troon zat: Zie, Ik maak alles nieuw!

Verklaring. Onze moeder de H. Kerk past deze Les, — waarin eigenlijk van het Hemelsch Jerusalem of de tegevierende Kerk iu den Hemel gesproken wordt. — op onzen tempel toe, die door zijn plechtige inwijding eenigermate op het Hemelsch Jerusalem en op een van God opgetooide bruid gelijkt, bij welke en waarin God zijn verblijf heeft gevestigd, om altijd bij de menschen te wonen en hen met zijne genade te verrijken. Inderdaad hoeveel genade kan de Christen in de kerk niet verkrijgen? Daar worden hem, zoo hij wil, al zijne zonden vergeven; daar kan hij zicli met zijnen God vereenigen in het H. Sacrament des Altaars; daar vindt hij steeds troost in zijn lijden, leniging in zijne smart, verlichting iu zijn leed, raad in zijnen twijfel, moed in zijne neerslachtigheid, in één woord alles, omdat hij er zijnen God vindt. — Welke hoogachting, welken eerbied verdienen alzoo onze kerken niet, en hoe zeer moeten wij niet bevreesd zijn ze te ontheiligen. Indien een aardsch koning de oneer, welke aan zijne bruid of zelfs aan zijn paleis geschiedt, als zich /.elven aangedaan beschouwt, hoe euvel moet God het dan niet duiden, zoo zijne Kerk ontheiligd wordt? De Joodsche tempel was op verre na zoo eerbiedwaardig niet als onze kerken, en toch weten wij, dat Jesus, in een heilige gramschap ontstoken, de koopers en verkoopers daaruit verdreef, zeggende; Mijn huis zal een huis des gebeds genoemd worden. Marc, XI, 17.

Evangelie volgens den H. Lucas XIX. 1-10.

In dien tijd Jesus ingaande, doorwandelde Hij Jericho. En ziet, er was een man, met name Zach^us^ en deze was een overste der Tollenaren; en hij was rijk. En hij zocht Jesus te zien, wie Hij ware; maar konde niet, wegens de schare; want hij was klein van gestalte. En hij liep vooruit, en klom op een wilden vijgeboom, om Hem te zien: want daar moest Hij

672

ocr page 713

het kerkwijd1ngs-feest.

voorbijkomen. Als Jesus nu aan die plaatse kwam, zag Hij o|), en ontwaarde hem, en sprak lot hem: Zacheus! kom haastig al', want heden moet Ik in uw huis verblijven. En hij kwam haastig af, en ontving Hem met blijdschap. En allen, die het zagen, morden, en zeiden: Bij eenen mensch, die een zondaar is, heeft Hij zijn' intrek genomen! Doch Zacheus staande, zeide tot den Heer: Zie, de helft mijner goederen. Heer! geef ik den armen: en zoo ik iemand iets heb te kort gedaan, geef ik het vierdubbel weder. Jtsus sprak tot hem: Heden is dezen huize zaligheid wedervaren, nademaal ook deze een zoon van Abraham is; want de Zoon des menschen is gekomen, om te zoeken, en zalig te maken, hetgeen verloren was.

Verklaring, i) Zacheus was een Tollenaar, dat is, een van die lieden, die bij de inning der belastingsgelden veel onrechtvaardigheid begingen, en zich aan woeker en eigenbaat schuldig maakten. Daarom werden de Tollenaars door de Joden steeds als openbare zondaars beschouwd. Daar Zacheus verlangde Christus te zien, voorkwam de Zaligmaker diens verlangen, doordien Hij zelf zich aanmeldde, zeggende: Zacheus! kom haastig af, want heden moet Ik in uw huis verblijven. Zacheus ontving Hem met vreugde, en Jesus vergaf Hem, in zijne barmhartigheid, de zonden. — Hoe gaarne komt Jesus ook niet tot ons? '£ Is Mij een wellust, zóó spreekt Hij, met de kinderen der menschen te zijn (Spreuk VIII, 31). Waarom voldoen wij niet aan zijn verlangen? Waarom bieden wij Hem ons hart niet aan lot zijn vèrblijf? Waarom ontvangen wij Hem niet, zoo dikwijls mogelijk, in de H. Communie? Ongetwijfeld, Hij zou ons, even als Zacheus, tot zijne kinderen aannemen en zijn rijkste genade over ons uitstorten!

2) Nauwelijks was Jesus in de tegenwoordigheid van Zacheus, of die Tollenaar had het besluit opgevat, zijn onrechtvaardig goed terug te geven, en van zijne zonden afstand te doen. Zulks was een noodzakelijk vereischte voor Zacheus,

45

675

ocr page 714

onderricht over

om de werking der genade te gevoelen, welke Jf.sus bereid was hem te schenken. Is dat ook geen vereischte voor ons? Ook wij zullen de werking der II. Communie niet ondervinden, zoo wij niet, gelijk Zaciieus, het onrechtvaardig goed, de geroofde eer teruggeven, en iedere zonde, alsmede de naaste gelegenheid daartoe, zorgvuldig en voortdurend vermijden.

3) Het bezoek van Jesus bij Zaciieus heeft eenigermate overeenkomst met het gebruik van elkander op kerkwijdingsdag of kermis te bezoeken Dit gebruik, is, op zich zelf beschouwd, niet af te keuren, liet is zelfs prijsbaar, wanneer men daarbij niets anders beoogt, dan zich op eene christelijke en passende wijze met elkander te verheugen, omdat God in de kerk zijne woning heeft uitgekozen en omdat wij het geluk hebben het alleenzaligmakende geloof te betitten. Helaas! zulks gebeurt op de kermissen doorgaans liet minste! Wie zal hel wagen alle zonden op te sommen, die door ongebondenheid, onmatigheid, twist en vechtpartijen, ontucht en meer andere misdaden op de kermis- of kerkwijdingsdagen gepleegd worden? Gewis, vele Christenen zijn op de kermisdagen niet minder uit • gelaten dan het de Heidenen waren op de feestdagen hunner afgoden. Betaamt zulks aan Christenen, dal is, aan volgelingen van Christus? Moet zulk een gedrag dankbaarheid genoemd worden voor de weldaden, die God ons in en door zijnen tempel geschonken heeft?,... Moet men zich nog verwonderen, dat God straffen en wederwaardigheden, in plaats van zegen,

over steden en dorpen zendt?____ Verstandige Christenen

schamen zich het kerkwijdingsfeest op soortgelijke wijze te zien vieren, en de echt christelijke overheid geeft zich alle moeite om die buitensporigheden tegen te gaan.

Zedeles over den geestelijken tempel, die de mensch Is.

Gij... zijt de tempel can den levenden God, gelijk God zegt: Ik zal onder hen wonen (II Cor. VI, 16).

De H. Bernardus zegt met recht, dat het feest der kerkwijding ook ons leest is. Ook wij zijn tempels en wel levende tempels van God, door het H. Doopsel Gode niet minder

674

ocr page 715

het kerkwijdings-feesi.

plechtig toegewijd, dan onze uit hout en steen samengestelde kerken. Inderdaad de ceremoniën bij het H. Doopsel gebruikelijk, hebben zulk een treffende overeenkomst met de wijding eener kerk, dat zij eene navolging van elkander schijnen te wezen. Een gedoopte, die toch waardiger is dan een steenen gebouw, moet alzoo veel meer nog dan onze kerken,

een reine en heilige tempel van God zijn.

«

1) Een Christen is, ot' althans moet zijn een reine tempel Gods; want gelijk eene kerk eerst door menigvuldige gebeden, door bezwering des duivels, door besproeiing en afwassching met een mengsel van gewijd zout en water, door bewierooking, door veelvuldige kruisteekenen, enz. van al wat wereldsch is, gezuiverd en gereinigd wordt, zoo worden ook wij, in het H. Doopsel, door veelvuldige gebeden, door bezwering en verzaking des duivels, door onderscheidene kruisteekenen, door de zalving des Priesters en eindelijk door de afwassching met het vontwater, onder aanroeping der M. Drievuldigheid, van alle duivelsche boosheid, van alle zonden en vlekken gereinigd en tot een levenden tempel van God ingewijd. Is zulks met ons gebeurd, hoe zeer ziju wij dan niet verplicht, zegt de H. Augustinus, de reinheid, die wij bij onzen Doop ontvingen, met alle mogelijke zorg te bewaren, en niets in den tempel onzes harten te gedoogen, wat het oog van een zoo zuiveren God zou kunnen beieedigen. Wee hun, die den tempel van God ontheiligen. Indien iemand den tempel Gods verderft, dien zal God verderven; want Gods tempel is heilig en die zijt gij, zegt Paulus (I Cor. Ill, 17). Welnu, de tempel onzes harten wordt door eene doodzonde besmeurd; als men zondigt, is het juist alsof men God uit zijnen tempel verjoeg en in diens plaats den duivel daarin opnam. Is dat niet beleedigend voor Gods Majesteit? Is zulks jammerlijk gebeurd, dan blijft er voor u niets over, dan den duivel, op het spoedigste, uit den tempel van uw hart te verdrijven, de afgodsbeelden uwer driften daarin omver te werpen, door een oprechte boetvaardigheid, den tempel van uwe ziel opnieuw te zuiveren met het bloed des Lams, dat is, door middel der H. Sacramenten van Biecht en Communie, gelijk ook de ontwijde kerken weder geheiligd moeten worden.

675

ocr page 716

onderricht

2) Ieder Christen moet een heilige tempel wezen, waarin God, gelijk Hij verlangt (Joann. IV, 24), in geest en in waarheid aangebeden, en in heiligheid en gerechtigheid gediend wordt (Luc. I, 75), dat is: ieder Christen moet met deugden gesierd zijn en onophoudelijk daarin toenemen. Daarop wijzen voornamelijk de andere ceremoniën, die in het H. Doopsel gebruikt worden, vooral de zalvingen met de H. Olie en het Chrisma. De heiligheid dus is een wezenlijk vereischte voor den gedoopte; hij verdient den naam niet van waar Christen, zoolang hij niet heilig is ol' althans naar de heiligheid streeft. Overigens is het niet onmogelijk, ja zelfs zoo moeielijk niet, gelijk vele Christenen zich inbeelden, heilig te worden; daartoe is alleen noodig Gods liefde te bezitten, en zijn heiligen wil nauwkeurig te vervullen. Zulks is ongetwijfeld noch onmogelijk, noch moeielijk; want God staat hun, die ernstig trachten Hem Ie dienen, aanstonds en altijd bij met zijne genade, die sterk is en onze zwakheid ondersteunt. Welnu als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn (Rom. VIII, 5i).

Verzuchtingen van den H. Augustinus?

O God, die mij niet wegens mijne verdiensten, maar uit loutere genade, in het H. Doopsel tot uwen tempel gemaakt hebt geel mij, dat ik altijd een reine en heilige tempel voor U zij. Reinig hem van alle zonden, versier hem met deugden en sta nimmer toe, dat zich in deze uwe woonplaats, iets bevinde, wat het oog uwer Majesteit zou kunnen beleedigen. Verleen eindelijk, dat ik eens als een levende, door de beproevingen dezes levens bewerkte en toebereide steen, in den bouw van uw Hemelsch Jerusalem moge aangewend worden. Amen.

676

ocr page 717

677

OVER DE FEESTDAGEN.

Voorafgaand oncLerricht over de vereering en aanroeping der Heiligen.

Wat leert de Katholieke Kerk betrekkelijk de vereering en aanroeping der Heiligen?

Daarover leert iij: 'i) dat het een oud en lollelijk gebruik is, de nagedachtenis van de Heiligen des Hemels, in hunne feesten, hunne beelden en overblijfsels le vereeren; 2) dat de Heiligen, die met Christus in deu Hemel heerschen, on/.e voorsprekers zijn bij God, en dat het goed en nuttig is, hunne voorspraak in te roepen (Cone. irid. sess. 25).

Hoe moeten de Heiligen geëerd worden?

Als vrienden van God, die om en met Christus gestreden en geleden hebben, cn hierom ook thans met Hem lieersehen en eenwig zalig zijn (11 Timoth. 11, 12); als vrienden der men-schen, in wier geluk zij innig deelen en voor wie zij God onophoudelijk bidden (Col. 111, 14. Luc. XV, 7. 11 Mach.XV, 14).

Doet de vereering der Heiligen aan de God verschuldigde eer geen afbreuk?

Volstrekt niet, wijl de eer, die wij deu Heiligen bewijzen. God zeiven ten doel heeft. Immers wij eeren God in zijne Heiligen, in welke Hij zoo wondervol uitschijnt, die Hij geschapen, met zijne genade geheiligd en in de vreugde zijnei heerlijkheid geleid heeft; en die Heiligen eeren wij slechts, wijl zij vrienden en dienaars van God zijn. Deze vereering kan dus aan de eer van God geene afbreuk doen, zij kan ze in tegen deel niet dan vermeerderen.

Hoe moet men de Heiligen vereeren?

Gelijk zoo even -gezegd is, ids dienaars en vrienden v.m God, als mede-erfgenamen van Christus (Hom. Vlll, 1quot;) en als vrienden der menschen; maar geenszins als goden, weshalve wij hen dan ook niet aanbidden, noch hun eenige Goddelijke eer bewijzen.

Welk onderscheid bestaat er tusschen de aanbidding en de vereering?

De aaiiliiclding is de hoogste en volmaaktste eerbewijzing, die Gode alleen als Opperheer van alhs en Oorsprong van

ocr page 718

ONDERRICHT OVER DE

alle goed toekomt, en die beoefend wordt door God als het Hoogste Wezen te erkennen, en zich als zijn schepsel, met den diepsten eerbied, aan Hem te onderwerpen.

De vereering daarentegen is niets anders dan de, door uiterlijke teekenen, aan den dag gelegde hoogachting, die men voor de waardigheid en de verdiensten van anderen koestert. Vandaar dat men in het Martyrologium van den H. Polycarpus leest: «Dezen (Christus namelijk) aanbidden wij, wijl Hij de Zoon Gods is; de Martelaars evenwel, als leerlingen en navolgers des Heeren, beminnen wij, en dit met recht, om de onwankelbare gehechtheid, waarmede zij hunnen Koning en Meester aanhingen.quot;

Hoe kan men de Heiligen het best eeren?

1) Door zich te verheugen en hun geluk te wenschen met de hooge eer en heerlijkheid, waartoe zij door hunne deugden en verdiensten gestegen zijn, alsmede door God daarvoor te loven en te danken; 2) door ijver om hen na te volgen; want, zegt de H. AucusTmus, hij alleen, die hunne voorbeelden navolgt, vereert de Heiligen naar waarheid; 3) door hunne Feestdagen godsdienstig en heilig door te brengen; waarbij echter op te merken valt, dat de bloote feestviering of de onthouding van slafelijken arbeid nog op verre na niet hetzelfde is, als die feesten godsdienstig en heilig doorbrengen. Indien den Heiligen ooit gevraagd werd, hoe zij oordee-len over de wijze, waarop menig Christen de Feestdagen viert, zouden zij gewis met de woorden kunnen antwoorden, welke God den Joden toevoegde (Isaias I, 14); Mijne ziel haat uwe plechtigheden en feesten, zij kwellen mij en vallen mij lastig; want bij al uwe schijnbare vereering, zijn uwe handen van goede werken ledig en met laster vervuld. Verbreekt de banden uwer zonden, en leert het goede doen, dan zal ons uwe vereering aangenaam zijn; 4) door een gepast betrouwen, waarmede men zich in zijne noodwendigheden tot hen wendt, en hunne voorspraak afsmeekt.

Waarop steunt ons betrouwen, dat de Heiligen voor ons

bidden?

i) Op de leer van de gemeenschap der Heiligen, volgens welke er tusschen alle kinderen der Kerk, als lidmaten van

678

ocr page 719

vereering en aanroeping der heiligen.

hetzelfde geestelijk lichaam van Christus, de innigste geestelijke gemeenschap bestaat. Krachtens deze gemeenschap deelt het eene lid in de geestelijke goederen van het andere, en een ieder wenscht van harte, dat al de leden hun aandeel hebben in hetgeen hij bezit, weshalve zij dan ook God onophoudelijk voor elkander bidden (Jac. V, 16. Openb. V, 8).

2) Op de groote naastenliefde, die de Heiligen reeds op deze wereld koesterden en waardoor zij alles, ja niet zelden bloed en leven, voor hunne medemenschen ten offer brachten. Deze liefde is gewis met hun dood niet uitgedoofd, want ('e liefde vervalt nooit (I. Cor. XIII, 8). Zij hebben deze liefde met zich ten Hemel genomen, waar zij ons thans des te hartelijker beminnen en hunne liefde daardoor vooral doen uitschijnen, dat zij God voor ons bidden. Immers zij weten bij ondervinding, aan welke gevaren ons eeuwig heil bloot staat en hoe zeer wij den Goddelijken bijstand noociig hebben.

Mogen wij de Heiligen om deze hunne voorbede aanroepen?

Indien men zich mag aanbevelen in de gebeden der godvruchtige menschen, die nog op deze aarde zijn, wat God zeil den vrienden van Job aanried (Jou XLII, 8), wat de 11. Paulus deed betrekkelijk de inwoners van Thessalonica (1 Thess. V, 25) en wat zelfs door niet-Katholieken gedaan wordt, waarom zou men dan de voorbede der Heiligen, die in den Hemel voor het aanschijn van God geplaatst zijn, niet mogen inroepen?

In welken zin roepen wy de voorspraak der Heiligen voor ons in?

Niet alsof wij in onze gebeden ons niet onmiddellijk tot God konden en mochten wenden, maar in dien zin dat wij, ons als zondaars beschouwende, de machtigt! voorspraak dei-Heiligen inroepen, wier gebed, zooals wij weten, bij God veel vermag (Joan. IX, 31. Jac. V, 1(3). Derhalve achten wij het voordeelig en heilzaam, on/.e toevlucht te nemen tot do voorspraak onzer iu den Hemel verheerlijkte broeders, ten einde door hun toedoen gunsten van God te hekomeu, door zijnen eenigcn Zoon Jesus-Giiuistus onzen lieer, die alleen onze \ er-losser en Heiland is. De aanroeping der Heiligen is bijgevolg met de aanroeping van God in geeueu deele tegenstrijdig. Wij

679

ocr page 720

^80 onderricht over de

roepen God aan als den Oorsprong van alle genade en den

Gever van alle goed (Jac. I, 17). en deze aanroeping is eene

a te Nan aanbidding; de Heiligen, evenwel, roepen wij aan als

onze voorsprekers, die bij God voor ons en met ons, door

Jesus-Christus onzen Heer, datgene vragen, wat wij verlangen.

Daarom eindigen ook alle gebeden der Kerk met de woorden:

door Jesus-Christus onzen Heer. Even zoo min strijdt de ver-

eenng er Heiligen met de bemiddeling van Christus. Christus

is en blijft te allen tijde onze éénige Middelaar, door wien wij

oegang tot den Vader hebben (Ephes. II, 18). De Heiligen

zijn slechts onze voorsprekers, die eerst door Jesus-Christus bij

God voor ons moeten bidden. Daarom ook zeggen wij tot God:

Heer, ontferm U onzer, lot de Heiligen slechts: Bidt voor ons.

Weten de Heiligen ook waarom wy hen bidden?

De H. Engelen weten de bekeering der zondaars en ver-

heugen zich daarover (Luc. XV. 10). Zij brengen het gebed

go michtigen als een aangenaam reukwerk tot voor Gods

aanschijn (Openb. VIII, 3). En zou dan deze kennis ook niet

toegestaan zijn aan de Heiligen, die toch ook vrienden van God

en van Jesus-Christus zijn? (Jac. II, 23. Joan. XV, 14-15.)

Hebben Onus en Jeremias ook na hunnen dood geen kennis

gedragen van den droevigen toestand, waarin het Joodsche volk

verkeerde, en bij God niet ijverig voor dit volk gebeden?

( Mach. XV, 12, enz.) Over de wijze waarop de Heiligen ons

gf toe te weten komen, behoeven wij ons niet te bekommeren.

God heeft duizenden middelen, om hun dit ter kennis te brengen.

Bidden de Heiligen ook voor ons?

Hieraan valt niet te twijfelen. Zij waren bereids op deze weield met naastenliefde bezield, die hen aanspoorde alles, ja met zelden bloed en leven, voor hunnen evenmensch ten offer It bicngen. Deze liefde hebben zij mede ten Hemel genomen, Nvaai zij ons des te meer liefhebben, naarmate zij God thans vuiigti beminnen. Zij weten uit eigen ondervinding zeerwel, aan welke gevaren zij blootgesteld stonden, en hoe nobdzake-lijk wij bijstand noodig hebben; zij hebben, door hetgeen zij op deze wereld te verdragen hadden, genoegzaam geleerd medelijdend te zijn; zoodat er niet veel noodig is, om hen

ocr page 721

vereering en aanroeping der heiligen.

tot mededoogen te bewegen. Ook denken zij aan ons, omdat zij door de gemeenschap der Heiligen, die in de Kerk bestaat, in Christus een zedelijk lichaam met ons uitmaken.

Wat is de gemeenschap der Heiligen?

Een inwendige, geestelijke vereeniging, die tusschen ware Christenen, als mede-lidmaten van één en hetzelfde geestelijk lichaam van Christus bestaat, waardoor alle medeleden deel nemen aan de geestelijke goederen, welke elk lid bezit. Krachtens deze gemeenschap der Heiligen kunnen de geloovigen, hier op aarde door gebeden, goede werken en liet Heilig Misoffer, niet alleen elkander wederkeerig bijstaan en helpen, maar ook nog de zielen in het vagevuur Ie hulp komen, gelijk de Heiligen des Hemels, door hunne voorbode, de geloovigen op aarde bijslaan en helpen.

Welke hoedanigheden moet de vereering der Heiligen bezitten, opdat zij Gode en den Heiligen aangenaam zy?

1) Zij moet de eer van God en ons eigen zielenheil ten doel hebben, en ons dus van de onteering van God, dat is, van de zonde verwijderd houden; want wij kunnen den Heiligen niet behagen, zoolang wij Gode mishagen. 2) De vereering moet ons ook tot godsvrucht, deugd en heiligheid opwekken, namelijk door hen na te volgen. 3) Wij moeten ons in alles, wat wij door de voorspraak der Heiligen be-geereu, het moge geestelijke of lichamelijke goederen zijn, altijd naar den wil van God voegen, en niets onredelijks, niets onverstandigs, niets wat aan on/.e ziel schadelijk is, verlangen. 4) Eindelijk moeten wij datgene, waarom wij de Heiligen aanroepen, ons door een deugdzaam leven trachten waardig te maken.

Moet er ook in de vereering der Heiligen zeiven eenige onderscheiding gemaakt worden?

De Heiligen, die meer verheven eu meer bekend zijn, moeten ook vaker vereerd worden, dan de overige. Aldns verdient de H. Maagd en Moeder Gods Maria een gansch bijzondere, veel grootere en ijveriger vereering dan alle andere Heiligen, omdat zij door den Hemel zelveu waardig bevonden werd de moeder van God don Zoon te worden. Ook verdient de H. Jozef na Maria oen bijzondere hulde,

681

ocr page 722

onderricht over de

wijl hij wegens zijne heiligheid door God boven alle menschen uilgekozen is, om de voedstervader van Christds te zijn. Op dezen volgen de H. Engelen, de H. Apostelen en andere Heiligen, die door hunne heiligheid en hnnne verdiensten veel tot den bloei van den godsdienst hebben bijgedragen. Ook moeten de bijzondere Patronen van een rijk, van eene parochie, de Heiligen wier naam men in den Doop ontving, en verder die Heiligen, die de Kerk als beschermers ter navolging voorstelt, of welke men zich zeiven uit bijzondere toegenegenheid heeft uitgekozen, met een bijzonderen ijver vereerd en aangeroepen worden.

Volgens welken rang worden de Heiligen door de H. Kerk vereerd?

Na Maria, de genadevolle Maagd en Moeder van den menschgeworden Zoon Gods, volgen 1) De Engelen, die, ofschoon zij edele geesten en Gods dienaars zijn en onophoudelijk zijnen lof zingen, ook als dienstbare geesten voor de menschen zorg dragen. 2) De Oudcaders, die, naar het vleesch, dc vooronders, en door hunne deugden, tevens de afbeeldsels van Jesus-Christus geweest zijn. 3) De Profeten, die als werktuigen des H. Geestes de wet Gods aan de menschen verkondigden, hen in den waren godsdienst bevestigden, en hen tot de komst van den Heiland, dien zij in de verte zagen, voorbereidden. 4) De Apostelen en 5) de Evangelisten, die als getuigen der Godheid van Jesüs-Chiustus, als gezanten des vredes, als vaders en herders aller geloovigen, als de grondzuilen en de kolommen der Kerk moeten beschouwd worden, even als 6) de Martelaars, die om den wille des geloofs en der deugd alles, ja ook hun leven, hebben opgeofferd en met hun bloed den akker der Kerk zoo vruchtbaar gemaakt hebben, dat hij een tallooze menigte geloovigen heeft voortgebracht. 1) De Bisschoppen en Priesters, die als goede herders, door het toedienen der H. Sacramenten, door het verkondigen van Gods woord, door hun goed voorbeeld, de hun toevertrouwde kudde zorgvuldig hebben geleid, haar tegen de wolven, den duivel namelijk, de wereld en het vleesch, hebben beschut en door de offerande van het Goddelijk Lam zich steeds als middelaars tusschen God en het volk hebben gesteld. 8) De Monniken en Kluizenaars, die met verachting van alle wereldsche eer en grootheid, goederen, bloedver-

682

ocr page 723

vereering en aanroeping der heiligen.

wanten en alles wat den mensch zoo dikwijls dicht aan het harte ligt, voor eeuwig verlieten, om Christus hunnen Heer na te te volgen. 9) De Belijders, die zich, door alle tegenspraak en ergerlijke voorbeelden eener bedorvene wereld, niet lieten at-keerig maken van de nauwkeurige beoefening der evangelische voorschriften. 10) De Maagden, zoo van het mannelijk als van het vrouwelijk geslacht, die boven de wellustei, goederen en grootheid, welke de wereld hun aanbood, aan de zuiverheid de voorkeur gaven eu het kleed der onschuld trouw bewaard hebben; waarom zij thans in den Hemel het Lam, dat tusschen de leliën weidt, gestadig volgen, waarheen het zich begeeft, en als een nieuw lied zingen, dat niemand dan zij kan zingen (Openb. XIV). 11) De Weduwen, welke haren moeielijken staat door ootmoedigheid, geduld, arbeidzaamheid, goede tucht en overgeving in Gods heiligen wil, geheiligd hebben. 12) De Boetelingen, die, na hunne onschuld schipbreuk te hebben zien lijden, naar de reddingsplank der boetvaardigheid grepen, hunnen val door de gestrengste boetvaardigheid herstelden, en aldus, langs den snialiea weg, de enge deur des Hemelrijks zijn binnengetreden. — Bij de vereering van een Heilige lette men steeds op zijne deugden, en beijvere men zich hem daarin na te volgen.

Welke Heiligen worden noodhelpers genoemd?

De volgende veertien: 1) De H. Blasius (wiens feestdag den 3 Februari gevierd wordt). 2) De H. Georgiüs (25 April). 3) De H. Erasmus (2 Juni). 4) De H. Vitus (15 Juni). 5) De H. Margarita (13 Juli). 6) De 11. Christophorus (2o Juli). 7) De H. Pantaleon (28 Juli). 8) De H. Cvriacüs (8 Augustus). 9) De De H. Egidius (1 September). 10) Üe H. Eustacuius (20 September). II) De H. Dionvsius (9 October). 12) De H. Catharina (2S November). 13) De H. Achatiüs (27 November). 14) De H. Barbara (4 December). — Van al deze veertien heilige noodhelpers zijn dertien als Martelaar gestorven; de H. Egidius beeft op andere wijze de Hemelsche kroon verworven.

Is het ook toegestaan, de relikwieën der Heiligen, dat is, hunne gebeenten en andere overblijfsels, te vereeren?

Zonder twijfel; dit was reeds in de Oude Wet in voege, eu is in de Nieuwe Wet, van de eerste lijden der Kerk af.

683

ocr page 724

onderricht over de

ook steeds gebruikelijk geweest; ook lieeft God deze vereering te allen tijde door groote wondert eekenen goedgekeurd. Zoo heeft Hij. door de gebeenten van Eliseus, eenen doode doen herleven (IV Koningen XIII, 21.); de vrouw, die aan bloedvloeiing leed, werd door het aanraken van het kleed des Zaligmakers genezen (Matth. IX, 20); door de schaduw van den H. Petrus (Hand. der Apost. V, 13) en de zweetdoeken van H. Pvülüs (ibid. XIX, 12) werden allerlei kwalen gene/.eu, en werd de duivel uitgedreven. Een groot aantal wondoren zijn ook gebeurd bij de graven der Martelaars en andere Heiligen, en nog geschieden heden vele wonderen.

Waarom moet men de overblyfsels der Heiligen vereeren ?

De reden hiervan geeft ons de Kerkvergadering van Trente zeer schoon zeggende: dat de lichamen der Martelaren, alsmede die der Heiligen, welke met Christus leven, levende ledematen van Christus en tempels van den H. Geest geweest zijn, dat zij eens door Christus tot het eeuwig leven zullen opgewekt en verheerlijkt worden; en dat God door die relikwieën vele gunsten aan de geloovigen verleent (Conc.Trid.2o). Zij zijn de werktuigen hunner deugd en heiliging in dit leven geweest, derhalve is het rechtmatig, dat zij door ons in eere worden gehouden.

Mag men ook de beelden der Heiligen, by voorbeeld het H. Kruis, enz., vereeren?

Indien het geene zonde is de afbeeldsels van vorsten en andere personen in eere te houden, waarom zoude hel dan ongeoorloofd zijn, de beelden van Christus en der Heiligen te vereeren?... 't Is immers algemeen aangenomen, dat tie eer of de smaad, die men een beeld aandoet op hem, die er door voorgesteld wordt, terugkeert, eu aldus niet de afbeelding, maar den persoon zeiven treft.

Is de eerbied voor de beelden niet verboden door het gebod; Gij zult geen gesneden beelden of gelijkenis

maken?

Geenszins, want anders had God zelf tegen dit gebod gehandeld, toen Hij aan Mo/.es bevel gaf de Ark des Verbonds met twee gouden Cherubijnen te versieren (Exod. XXV, 18) eene koperen slang op le richten (Num.XXI, 51), eu later gebood in den

684

ocr page 725

VEUEERIlsr. EN AASROEPING DER HEILIGEN.

tempel van Jerusalem verschillende beelden te plaatsen, enz. (III Kon. VI, o, 23, etc.) Dit verbod sluit enkel dit in, dat men den beelden geen goddelijk bestaan, geene goddelijke kracht toekenne, dal men ze niel aanbidde of een zoodanig betrouwen er op stelle, als konden die beelden ons helpen. Zoo deden de Heidenen, die al hunne hoop op de beelden dei-afgoden vestigden. Zoo iets doet of duldt de Katholieke Kerk nooit.

Waartoe dienen de beelden ?

Zij zijn, gelijk de II. Gregoriüs zegt, voor de ongeletterden als een boek, waarin ongeleerden de geheimen en de weldaden van God leeren kennen, waarin zij alles, wat Christus voor ons en de Heiligen voor Christus en voor den Hemel gedaan hebben, kunnen nagaan en overwegen, en hierdoor tol dankbaarheid, tot liefde jegens God, lot navolging der Heiligen worden aangespoord. Derhalve ware het zeer wenschelijk, dat de ontuchtige en ergerlijke beelden, waardoor de onschuld zoo vaak wordt bedorven, uit alle christelijke woningen verwijderd, en in plaats daarvan heilige eu stichtende beelden gesteld werden.

Is het ook geoorloofd voor de Heiligen, voor hunne beelden en overblijfsels kerken te bouwen. Missen te lezen, hun offers op te dragen, hun beloften te doen?

Neen, dit alles is eene akte van aanbidding, die enkel en alleen aan God, den Heer van leven en dood, toekomt. Wordt ter eere van eeneu Heilige eene Mis gelezen, eene kerk gebouwd, enz., dan geschiedt zulks alleen om en voor God. Men kan daarmede nochtans ook de gedachtenis en de vereering der Heiligen vereenigen, die dan steeds op God betrekking hebben. Daarom zegt de H. Augustinus (Contr. Faust I, 20, c. 21): Voor geene Martelaars, maar voor God zeiven, den Koning der Martelaars, richten wij tempels en altaren, op. Nog geen onzer voorgangers heeft ooit bij het altaar gezegd: Wij offeren u, o Petrus en Paulus. Wat geofferd wordt, wordt aan God opgeofferd, die de Martelaars gekroond heeft. Daarom zingt ook de H. Kerk op zekere feestdagen der Heiligen bij den Ingang der Mis: Verheugen wij ons in den Heer, dewijl wij den feestdag vieren van den Heiligen N.,

685

ocr page 726

ONDERRICHT OVER

over wien de Engelen zich verblijden en den Zoon Gods aanhoudend loven en prijzen. Eere zij den Vader, enz.

Kan de vereering der Heiligen, hunner beelden of relikwieën ook overdreven worden, en als zoodanig verkeerd zijn ?

Ongetwijfeld, en dit geschiedt dan, wanneer men hen meer vereert dan God zeiven of even zeer als God; wanneer men God met hen op gelijken rang stelt, en de Christen zijne ge-heden en vereering uitsluitend tot de Heiligen richt; wanneer men een vermetel betrouwen op hen stelt, alsof zij ons konden en moesten helpen; wanneer men, ten gevolge van een bepaalde hulde, van een zeker gebed, dat men te hunner eere stort, of van een heilige zaak, welke men bij zich bewaart, zich verzekerd waant, door hel toedoen dezer Heiligen ongetwijfeld een zaligen dood en den Hemel te bekomen, zonder zich verder op een deugdzaam leven toe le leggen; wanneer men den Heiligen enkel om tijdelijke goederen, geld, schatten, enz. vraagt, en te dien einde wellicht nog bijgeloovige en verdachte oefeningen en gebeden bezigt, die hun ontslaan ontleenen niet aan de Kerk, maar aan den duivel en aan zondige menschen; of wanneer men den bijstand der Heiligen afsmeekt, om misdaden te bedrijven; verder wanneer men de Heiligen voorstelt in afbeeldingen, die noch in de H. Schrift, noch in hunne levensgeschiedenis grond vinden, noch door de H. Kerk zijn goedgekeurd, of wier uiterlijke houding en tooi soms ergerlijk zijn; eindelijk wanneer men relikwieën, wier echtheid betwijfeld wordt, en die door den Bisschop niet onderzocht en goedgekeurd zijn, ter openbare vereering ten toon stelt, of als men in zoodanige zaken handel drijft, enz. enz. Gewis dan is zulke vereering overdreven, zeer verkeerd, en ongeoorloofd.

Oefening ter eere van een Heilige op diens feestdag.

0 Heilige N., ik verheug mij en wensch u van harte geluk met de genade, die God u verleend heeft, de wereld en al het tijdelijke te verachten, naar de deugd te streven en in het goede zoo lang le volharden, tot gij, door een gelukzaligen dood, tol Hem gekomen zijl en de kroon des eeuwigen levens verworven hebt. God zij daarvoor in eeuwigheid ge-

686

ocr page 727

vereering en aanroeping der heiligen

loofd en geprezen, en ik wensch van harte, dat Hij door u en gij door Hem alom geprezen en geloofd wordt. Ik smeek ii dan ook, verwerf mij door uwe groote verdiensten, de genade, uw voorbeeld na te volgen, liet lijdelijke steeds te verachten en naar het eeuwige te streven, opdat ik de zaligheid bekome, die Gij thans in den Hemel in eeuwigheid geniet.

Kort onderriclit over de bedevaarten.

Wat zyn bedevaarten ?

De bedevaarten zijn een bedegang of eene bidreis, door een of meer menschen ondernomen naar een eenigszins verwijderde, heilige plaats, die door eene omstandigheid uit het leven of het lijden van Christus, door het graf van een Heilige» door den dood eens Martelaars, door een wonderbare gebedsver-hooring, of door eenige andere godsdienstige gebeurtenis merkwaardig is om daar hartelijke gebeden te storten.

Tot wat einde worden de bedevaarten ondernomen?

Dit geschiedt niet, alsof wij God in verafgelegene plaatsen moesten opzoeken; maar wijl ieder waar Christen het verlangen koestert, om een oord, dat door eenige voor den Christen merkwaardige gebeurtenis beroemd is, zelf te bezoeken en er zijn gebed te storten; dan nog, omdat deze heilige plaatsen een bijzondere godsvrucht en ijver tot het gebed in den mensch opwekken. Inderdaad, wanneer wij nadenken, wat hier eenmaal geschiedde, dan ontvangt onze ziel eenen indruk, welken men door het enkel verhaal dezer gebeurtenissen vruchteloos tracht op te wekken; men meent nog ooggetuige te zijn van het gebeurde, men gevoelt zich doordrongen van een groote kracht des geloofs, van de begeerte het geloof te belijden, van een onwrikbaar vertrouwen, van eene innige liefde en van eene diepe godsvrucht, gelijk men nergens anders gewaar wordt. Bemerken wij nog, dat de bedevaartgangers reeds door de moeielijkheden der dikwijls lange reizen, die zij ondernemen en door de afmattingen en ontberingen, welke zij zich getroosten, eenen ijver en een vurig verlangen naar genezing hunner zielekwalen aan den dag leggen, die niet dan Code aangenaam kunnen zijn. Derhalve behoeven wij ons niet te verwonderen, dat deze bedevaartgangers door hun vurig gebed, in deze

687

ocr page 728

onderricht over het

oorden, ook meer genaden van God bekomen, en dat deze plaatsen zeiven met alle recht, den naam van genadeplaatsen dragen. Overigens is het ook zoo onwaarschijnlijk niet, dat God zijne genade op deze plaatsen bijzonder gaarne en milddadig uitdeelt, om de geloovigen aan te sporen tot het bezoeken van een oord, dat op den bezoeker zulk een heilzamen indruk maakt.

Hoe zal men ter bedevaart graan?

Men zal op de heen- en terugreis, zoowel als op de bedevaartsplaats zelve, alle onbetamelijkheid, in woord en handelwijze vermijden, zijn lichaam door boete, vasten, enz. versterven, naarstig en aandachtig bidden, zich met God door een oprechte en rouwmoedige biecht verzoenen, het H. Sacrament des Altaars eerbiedig ontvangen. God voor de genade, die Hij ons bewezen heeft, herhaaldelijk bedanken en den goeden indruk, dien men op den bedeweg ontvangen heeft, trachten te bewaren; en verder een grooten ijver en een heiligen levenswandel aan den dag leggen. HÜ alleen, die op zulke wijze bedevaarten doet, zal daaruit een wezenlijk nut trekken.

OnderricTit over het feest der Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd Maria.

Wat beteekenen de woorden; Maria is onbevlekt ontvangen ?

Dat beteekent, dat de ziel der Allerzaligste Maagd en Moeder Gods Maria, van den eersten oogenblik harer schepping en vereeniging met het lichaam, van de smet dei- erfzon ie is bewaard gebleven, krachtens een bijzondere genade en een bijzonder voorrecht, haar door God, ?met het inzicht op de verdiensten van haren Zoon Jesus-Christus, verleend.

Is de leer, dat Maria zonder vlek ontvangen is,

iets nieuws in de Kerk?

Geenszins, zij is zoo oud als de Kerk, die ze reeds sedert eeuwen heeft goedgekeurd, daar zij de openbare hulde en vereering der Onbevlekte Ontvangenis van Maria den geloovigen toeliet en allaten aan de vereerders der Onbevlekte Ontvangenis verleende, toestond dat steden, provinciën, ja gansche koninkrijken zich onder de bescherming van Maria's Onbevlekte

688

ocr page 729

onbevlekte ontvangenis van de ii. maagd maria. 689

Ontvangenis plaatsten. Zij hechtte hare goedkeuring aan de broederschappen, congregatiën, godsdienstige genootschappen, ter eere der onbevlekte Maagd tot stand gebracht, en keurde de kloosters, hospitalen, kerken en altaren onder den titel der Onbevlekte Ontvangenis opgericht, ten volle goed, enz. enz. Wat deed de Kerk nog verder betrekkelyk deze leer ?

Zij verklaarde, dat deze leer met den kerkdijken eeredienst volmaakt strookt en in de liturgie en de plechtige gebeden verdient opgenomen te worden. Hiermede nog niet tevreden^ verbood zij, opdat deze leer onbetwist zonde blijven, ten strengste, do tegenovergestelde meening te verdedigen. Zoodanig verbod gaven de Pausen Sixtus IV, Paulus V, Gregorius XV en Alexander VII. De Kerkvergadering van Trente verklaarde, bij de vaststelling van het geloofspunt, dat alle menschen met de vlek der erfzonde geboren worden, uitdrukkelijk; dat het haar inzicht niet was, de Allerzaligste, Onbevlekte Maagd en Moeder Gods Maria in dit besluit mede te begrijpen.

Wanneer is deze leer tot een uitdrukkelyk geloofspunt verheven geworden ?

Op den feestdag der Onbevlekte Ontvangenis den 8 December 1834, toen de H. Vader Pius IX, onder toejuiching van honderden hoogwaardige Bisschoppen, plechtig verklaarde: dat de Zalige Maagd Maria, van den eersten oogenblik harer ontvangenis, krachtens een bijzondere genade en een gansch bijzonder voorrecht van God, met het vooruitzicht op de verdiensten van Jusus-Christus, den Verlosser der menschen, van alle smet der erfzonde is vrij gebleven; dat deze leêr door God geopenbaard is en daarom door alle geloovigen vast eu onwrikbaar moet geloofd worden.

Onder de afbeeldingen der H. Maagd en Moeder Gods Maria treffen wij voornamelijk deze twee aan: de eene waarin Maria ons wordt voorgesteld met een wijden mantel omhangen, die het hulsel van barmhartigheid en liefde aanduidt, waarmede zij, als onze grootste voorspreekster bij God, de geloovigen omgeeft. In de andere afbeelding wordt zij ons voorgesteld met haar Goddelijk Kind op den arm, met eene zon omgloord, op het hoofd eene kroon dragende van

44

ocr page 730

onderricht over het feest der

twaalf glinsterende sterren, een gouden scepter in de hand, en rustende met den voet op de maan, waaronder de aardbol door eene slang omslingerd, die een' appel in den bek houdt. Deze afbeelding der H. Maagd (Openbaring Xli) stelt ons ook tevens de Kerk voor; zij immers is de bruid van Christus (zooals de kroon beteekent), de eeuwige waarheid (dc zon is er het zinnebeeld van), ver verheven boven al het wisselvallige (door de -maan aangeduid), zij beheerscht (door haren scepter) de gansche wereld (aardbol) en draagt het menschgeworden Woord, dat de slang, die de wereld omwikkeld hield, verpletterde.

De Ingang der Mis is genomen uit den Profeet Isaias LXI, 10, wiens woorden de Kerk thans in den mond legt der Allerzaligste Maagd. — Ik zal mij grootelijks verheugen in den Heer, en mijne ziel zal van vreugde opspringen in mijnen God, omdat Hij mij de gewaden des heils aangetrokken en mij met het kleed der gerechtigheid omgeven heeft, als eene bruid, die met halssieraden is opgetooid (Psalm XXIX). Ik zal U verheffen. Heer, omdat Gij mij beschermd hebt, en mijne vijanden over mij niet hebt verblijd. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

O God, die door de onbevlekte ontvangenis der H. Maagd een waardige woonplaats voor uwen Zoon bereid hebt, wij smeeken U, die in het vooruitzicht van den dood van deuzelfden uwen Zoon, haar van alle smet bewaard hebt, verleen ook ons, dat wij door hare voorspraak zuiver tot ü mogen komen. Dooquot;r onzen Heer Jesus-Ciiristus, enz.

EPISTEL: Les uit het Boek der Spreuken VIII, 22-35.

De Heer heelt mij bezeten in den aanvang zijner wegen, vóór dat Hij iets gemaakt had van den beginne. Van eeuwigheid en van oude tijden, vóór dat de aarde werd, ben ik aangesteld. De afgronden waren nog niet, en ik was reeds ontvangen, en de waterbronnen waren nog niet uitgeborreld, en de bergen, met hun zwaar gewicht, stonden nog niet vast; vóór de heuvfilen werd ik geboren: nog had Hij de aarde niet geschapen, noch de vloeden, noch de vesten des aardbols.

690

ocr page 731

onbevlekte ontvangenis van de h. maagd maria.

Als Hij de hemelen bereidde, was ik er aanwezig; als Hij, volgens een vaste wet, eenen kring trok om de afgronden; als Hij de luchtniimle boven bevestigde, en de waterbronnen afwoog, als Hij rondom de zee hare grenzen zette, en den wateren eene wet stelde, hunne grenzen niet te overschrijden; als Hij de grondslagen der aarde legde, was ik bij Hem, en maakte alles; en ik verlustigde mij dagelijks, en speelde vöör Hem te allen tijde; ik speelde op den aardbol, en mijn wellust is met de kinderen der menschen te zijn. Nu dan, kinderen, hoort mij: Zalig zij, die mijne wegen bewaren. Luistert naaide tucht, en weest verstandig, en verwerpt ze niet. Zalig de mensch, die naar mij hoort, eu dagelijks aan mijne deur waakt en aan de stijlen van mijnen ingang oppast. Die mij zal gevonden hebben, zal het leven vinden en het heil scheppen van den Heer.

Verklaring en toepassing. Deze Les is eigenlijk de lofspraak der Goddelijke en ongeschapen Wijsheid of van liet Goddelijk Woord, dat altijd en voor dat de dingen bestonden, bij God was, door hetwelk alles gemaakt, geregeld en ondersteund wordt, dat in zijn werk vreugde vindt, en het, namelijk de menschen, bemint, die het dan ook tot wederliefde, hoogachting en navolging aanspoort, en hou als beloouing daarvan tijdelijk en eeuwig geluk belooft. Het grootste gedeelte nochtans dezer Les kan ook op Maria toegepast worden. Van Maria immers kan in alle waarheid gezegd worden, dal Zij, als het heiligste en voortrellelijkste onder alle schepselen, de eerste plaats in het hart van God bezit, en daarom ook past de H. Kerk deze woorden van den Wijzen Man op Haar toe: Ik ben uit den mond des A llerhoogsten gekomen, en van de geheele schepping het eerste geschapen (Eed. XXIV, 5). Zij is, gelijk Richaudus zegt, de waardigste onder allen; niemand heeft ooit zulk een volle maat van zuiverheid, heiligheid en van alle bovennatuurlijke gaven in zich vereenigd, als Maria; in geen schepsel waren de wonderen van Gods goedheid zoo tastbaar en zichtbaar, als in haar; Zij mag dan met recht de vreugde der H. Drievuldigheid genoemd worden. — Bewonder dan ook gij, godvruchtige ziel, de eerstgeborene der schepping en verblijd u in haar; doch bepaal u daarbij niet, maar let op

691

ocr page 732

onderricht over het feest der

hetgeen Maria in deze Les u toeroept. Luistert naar mij, mijne kinderen, zegt zij; zalig degenen, die mijne wegen gadeslaan. Want gelijk ik op den weg der deugd en volmaaktheid steeds heb voortgewandeld, en de grootste genaden van God niet vruchteloos ontvangen heb, maar daarmede mijne zaligheid heb verworven, zoo moet ook gij in mijne voetstappen treden, indien gij mijn ware kinderen wilt zijn en eeuwig zalig worden. Luistert naar deze onderrichting en verwerpt ze niet. Zalig zij, die mijne woorden aanhooren, en mij met een kinderlijk vertrouwen zoeken. Zij zullen in mij eene moeder van troost vinden en, door mijne voorspraak, hier het leven der genade en hiernamaals het leven der eeuwige verheerlijking van God verwerven.

Evangelie volgens den H. Lucas I. 26-28.

In dien tijd werd de Engel Gabkiöl van God gezonden naar eene stad van Galilea, met name Nazareth, tot eene maagd, die ondertrouwd was aan eenen man, wiens naam was Jozef, uit het huis van David; en de naam der maagd was Maria. En de Engel kwam tot haar binnen, en sprak ; Wees gegroet, gij vol van genade! De lieer is met u! Gezegend zijt gij onder de vrouwen!

Waarom wordt Maria «vol van genadequot; genoemd ?

Niet alleen omdat Maria, sedert zij op deze wereld leefde, met overvloedige genaden van God begunstigd werd, maar ook nog omdat zij, door een geheel bijzondere genade van God, om de verdiensten van Jusus-Ghristus, in het eerste oogenblik harer ontvangenis, bewaard en beschermd was geworden voor alle besmetting der erfzonde.

Wat beteekenen deze woorden: »De Heer is met Uquot; ?

Deze woorden drukken niet eenen wensch uit, dat God aan Maria gunstig moge zijn, maar eene verzekering, dat God met haar en haar genadig is. Zij geven de reden aan van hetgeen van haar gezegd is: Gij zijt vol van genade. Maria was vol van Gods genade, omdat God haar op een gansch uitstekende wijze zijne gunst betoonde.

692

ocr page 733

onbevlekte ontvangenis van de h. maagd maria.

Verzuchtingen tot Maria. 0 allerreinste en onbevlekte Maagd, boe schoon en volmaakt zijt gij; niet de geringste vlek is in u te vinden. Hoe gelukkig zijt gij, o gezegende Moeder Gods, dat gij, zoodra gij uw leven begonnen waart, voor God zijt beginnen te leven; en hoe armzalig zijn wij, die gewoonlijk dan eerst voor God beginnen te leven, wanneer wij den dood nabij zijn. Wij bedroeven ons, dat wij, tegen onzen wil, in zonden ontvangen en geboren zijn; en wij bekreunen ons integendeel weinig, dat wij in de zonden vrijwillig blijven voortleven en in de zonden sterven. Ach, reinste en zaligste Moeder Gods, daar mijne ontvangenis niet onbevlekt is geweest, gelijk de uwe, zoo smeek den Goddelijken bijstand over mij af, opdat ten minste mijn leven voortaan vlekkeloos zij; verwerf mij de genade, alle dadelijke zonden te vermijden, en de onschuld, die ik door mijn vroegere zonden verloren heb, door een ware boete te herwinnen, opdat uw Goddelijke Zoon, bij mijnen dood, aan mijne ziel kunne zeggen: Gij zijt geheel schoon, mijne vriendin, en geene vlek is in u (lloogi. IV, 7).

Lofspreuk der Onbevlekte Ontvangenis der H. Maagd.

Gezegend zij de Heilige en Onbevlekte Ontvangenis dei-Allerzaligste Maagd Makia! of wel:

in uwe Ontvangenis, o Maagd Maria, zijt gij onbevlekt geweest; bid voor ons den Vader, wiens Zoon Jesls, door den H. Geest ontvangen, gij gebaard hebt.

Zoo dikwijls men dit gebed met godsvrueht en leedwezen over de zonden in staat van genade leest, kan men lüü dagen aflaat verdienen, die ook aan de overledenen toevoegelijk zijn (Pius VI, '21 Nov. 1793).

OnderrictLt over het feest van den H. Steplianns, Eerste Martelaar.

(26 December.)

De Epistel van dezen dag bevat, uit de Handelingen der Apostelen, eene korte levens- en lijdensgeschiedenis van dezen Heilige. Wij willen hier enkel bijvoegen, dat de Apostelen den H. Stephanus, om zijne heiligheid, die hij door zijne deugden, zijne wijsheid en zijnen geloolsijver verworven had, waardig achtten hem door de oplegging der handen, tot een der zeven diakenen te wijden, wier ambt hierin bestond, dat zij belast waren met de verkondiging van het woord Gods, de

ocr page 734

onderricht over het feest

toediening der H. Communie en des H. Doopsels, zorg droegen gt;001' de armen, en dezen de aalmoezen, volgens recht en billijkheid, moesten uitdeelen. In deze betrekking wist de H. Stephanus, bij een belanglooze naastenliefde, zulk een groo-teu ijver voor Christus te paren, dat hij daardoor den bitter-sten haat der Joden op zich trok, en boosaardig door hen ten dood gebracht werd. Zoo werd hij dan ook de eerste bloedgetuige van Christus en de aanvoerder van het purper-roode heir der martelaren. Voor het nog rookende bloed zijns Goddelijken Meesters vergoot hij, als een dapper held, zijn eigen bloed, en verwierl op die wijze het purper der Martelaren. Stephanus draagt dus met recht de kroon, die Christus hem schonk en welke zijn naam beteekent; want stephanos beteekent in hel Grieksch zegekrans, of kroon.

Deze Heilige wordt afgebeeld met het diakenkleed omhuld, in de eene hand den palm den overwinning en in de andere eenige steenen dragende; wijl hij, gelijk wij in den Epistel lezen, met steenen is doodgeworpen.

De Ingang der Mis Psalm CXV11I. De vorsten hebben zich vergaderd en tegen mij beraadslaagd, en de goddeloozen hebben mij vervolgd. Help mij. Heer, mijn God, want uw dienaar werd geoefend ia uwe gerechtigheden. Psalm. Zalig zij, die onbevlekt zijn op den weg, die in de wet des Heereu wandelen. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Wij bidden U, o Heer, verleen ons, dat wij hem, dien wij vereeren, navolgen; opdat wij ook onze vijanden leeren liefhebben, daar wij het feest vieren van hem, die ook voor zijne vijanden heelt welen te bidden den Heer Jesus Christus, die met U leeft en heerscht, enz.

EPISTEL; Les uit de Handelingen der Apostelen VI, 8-10 ; VII, 54-59.

In diezelfde dagen deed Stephanus, vol van genade en kracht, wonderen en groote teekenen onder liet volk. Maar sommigen van de synagoge, genaamd der vrijgelatenen, en van Cyreneërs, en Alexaudriërs, en van die van Cilicië en Azië waren, stonden op, en redetwistten mei Stephanus ; en zij konden de wijsheid, en den Geest die sprak, niet wederstaan.... Dit

694

ocr page 735

van den h. stephanos.

nu hoorende, werden zij in hunne harten verscheurd, en knarsten tegen hem met de tanden. Maar hij, vol zijnde van den Heiligen Geest, opschouwende naar den Hemel, zag de heerlijkheid Gods, en Jesus ter rechterhand Gods staan. En hij zeide: Ziet. ik zie de Hemelen open, en den Zoon des men-schen staan ter rechterhand Gods! Maar zij schreeuwden met luide stem, en stop'.en hunne ooren, en vielen gezamenlijk op hem aan. En zij stielen hem buiten de stad, en steenigden hem; en de getuigen legden hunne kleederen neder aan de voeten van eenen jongeling, Saulus geheelen. En zij steenigden Stephanus, die bad, en zeide: Heer Jesus, ontvang mijnen geest! En nederknielende, riep hij met luide stem, zeggende; Heer! Reken hun deze zonde niet toe! En als hij dit gezegd had, is hij in den Heer ontslapen.

Onderrichting. 1) Zoo groot was de onschuld en de heiligheid van Stephanus, dal de woedende Joden niet het geringste tegen hem wisten in te hrengen. Er werden derhalve val-sche getuigen opgeroepen, die hem van godslastering zouden beschuldigen- Hoe zwaar die beschuldiging ook was, zij hinderde den H. Stephanus niet, doordien zijn zuiver geweten hem genoegzaam verdedigde. — Leer hieruit, dat, gelijk er geen grooter beul bestaat dan een kwaad geweten, er ook geen beter verdediger is dan een gerust gemoed. Een gerust gemoed is als een gedurige maaltijd (Spreuk XV, 15) en de beste troost in wederwaardigheden. 2) Stephanus was onschuldig, hij werd zelfs om het goede, dat hij verricht had, vervolgd en gesteenigd, en nochtans bad hij voor zijne vervolgers en zijne beulen. Kunnen wij ons dan verontschuldigen, wanneer wij onze vijanden niet beminnen, en niet voor hen bidden? waren Stephanus en de andere Heiligen, die zijn voorbeeld gevolgd hebben, geeue menschen gelijk wij ? Zullen wij met de genade Gods niet vermogen, wat zij vermochten? Beminnen wij onze vijanden niet, dan mogen wij ons niet Christen noemen, want de liefde des naasten, de liefde tol de vijanden, is het hoofdkenteeken van een Christen. Niet dan door die liefde worden wij ware kinderen des Hemelschen Vaders, die zijne zon laat opgaan over goeden en kwaden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. (Matth. V, 45,) enz. De

69S

ocr page 736

okderricht over het feest

Heiland nam Stephanus niet eerder tot zich, dan nadat deze voor zijne vijanden gebeden had; zoo zuilen ook wij, al onderhouden wij overigens alle andere geboden met nauwgezetheid, als wij onze vijanden niet beminnen, onzen geest in de handen des Scheppers niet kunnen aanbevelen.

Evangelie volgens den H. Mattheus XX11I, 34-39.

In dien tijd zeide Jesus tot de Schriftgeleerden en Parizeen: Ziet, Ik zend tot u Profeten, en Wijzen, en Schnltgeleerden, en van hen zult gij er dooden. en kruisigen, en van hen zult gij er in uwe Synagogen geeselen, en van stad tot stad vervolgen: opdat over u kome al het rechtvaardig bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels af,, lot op het bloed van Zacharias, den zoon van Ba-rachias, dien gij vermoord hebt tusschen den tempel en het altaar! Voorwaar, Ik zeg u, dit alles zal komen over dit geslacht. Jerusalem, Jerusalem 1 die de Profeten doodt, en steenigt degenen, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uwe kinderen willen bijeen vergaderen, gelijk eene hen hare kiekens vergadert onder hare vleugelen; en gij hebt niet gewild? Ziet, uw huis zal u woest worden verlaten. Want Ik zeg uGij zult

\an nu al niet meer zien. totdat gij zeggen zult; Gezegend is Hij, die komt in den naam des Heèren!

Wie worden hier onder den naam Profeten, Wyzen en Schriftgeleerden aangeduid ?

De Apostelen en de Leerlingen van Christus. Deze hebben, zegt de H. Hieuonymus, onderscheidene gaven. Zij zijn Profeten, want zij voorzeggen de toekomst; zij zijn Wijzen, doordien zij weten, wanneer zij Gods woord moeten verkondigen; zij zijn Schriftgeleerden, immers zij zijn in de Wet onderwezen.

Hebben de Joden wezenlijk eenige der Leerlingen van Jesus gedood?

Ja, zij hebben Stei-hakus gesteenigd, Jacobus, broeder-van Joannes onthoold, den anderen Jacobus van de tinne de

696

ocr page 737

van den h. stephanos.

tempels geworpen, Petrus gekruist, Joannes in ballingschap gezonden, Paulüs en Barnabas met vervolging op vervolging bejegend. Zoo moeten, gelijk de Apostel zegt (II Timoth.III,! 2), allen, die voor Christls willen leven, vervolging van de god-deloozen lijden.

Wat beteekent dit: »A1 het rechtvaardig bloed zal over ü komen?

Dit is een Hebreeuwsche spreekwijze, en beteekent, dal de straf voor het onschuldig bloed, hetwelk de Joden gestort hebben, over hen zal nederkomen, omdat zij, niet beter dan hunne voorvaders, zelfs de ongerechtigheid en de boosheid ten top voerden, doordien zij Christus zeiven aan het kruis hechtten, en zijne Leerlingen op de gruwzaamste wijze vervolgden.

Waarom wordt Abel, en tevens niet Zacharias, rechtvaardig genoemd?

Vermoedelijk, omdat Abel rechtvaardig was zonder eenig voorbeeld van gerechtigheid te hebben, dat hem was voorafgegaan, en omdat Zacharias en anderen, slechts zijn voorbeeld gevolgd hebben. Alwie anderen in deugden voorafgaat, en hen, door zijn voorbeeld, aanspoort hem te volgen, verdient grooten lof, en zal als een helderglinsterende ster in den Hemel, gedurende de gansche eeuwigheid, schitteren.

Waarom past Christus de gelijkenis der hen op zich zeiven toe ?

Eene hen roept, door haar geklok, hare ronddwalende kiekens onophoudelijk om zich heen, opdat hun niets kwaads overkome. Zij tracht ze tegen de rooivogels Ie beschutten, en vreest noch bloed, noch wonden, ja, zij laat zich liever verscheuren, dan te dulden, dat hareu jongen eenig leed overkomt. Met een zoo groote liefde bemint Christus ook ons; Hij roept ons, gelijk vroeger de Joden, gedurig tot zich, beschut ons onophoudelijk tegen die ongelukken, waarin de onboetvaardigheid ons kan storten, en heeft zelfs zijn bloed en leven prijs gegeven, om ons van den eeuwigen ondergang te redden. In die liefde kunnen en moeten de verkondigers van Gods woord, de ouders, de huisvaders, enz., Hem navolgen, met hunne onderdanen, door vermaningen, gebeden, waarschuwingen en bestraflingen, van het kwaad af te houden en ook

697

ocr page 738

onderricht over het feest

dan zelfs, wanneer zij voor hunne zorgen niets anders, dan beschimpingen en vervolgingen kunnen verwachten, hen tegen de vijanden hunner ziel en zaligheid trachten te beschutten.

Wie zyn zy, die ook thans nog de Profeten en Geloofsverkondigers steenigen en dooden ?

Al degenen, die door lastertaal hunne zielzorgers minachten, de verkondigers van Gods woord en hunne preeken bespotten en verachten; dit toch strekt den dienaren Gods tot groote smart, en maakt tevens de gramschap van God gaande, gelijk Hi; door zijne Profeten dikwijls aan de Joden deed weten en ondervinden. Wat den Joden te beurt viel, dat overkomt ook gemeenlijk den lasteraars en spotters: het geloof wordt hun ontnomen en aan anderen, dio deze gunst waardiger zijn, geschonken. — Wees derhalve op uwe hoede, opdat u hetzelfde lol niet overkome, en God u niet eens toe-roepe; Hoe menigmaal heb ik u tot mij geroepen, en gij hebt niet willen komen.

Wat wordt verstaan door het huis, dat verwoest en verlaten is?

In letterlijken zin is het de tempel van Jerusalem, die, volgens de voorzegging van Christus, veertig jaren na zijnen dood, tegelijk met de stad Jerusalem door de Romeinen is verwoest geworden. In zedelijken zin wordt hierdoor de zondaar verstaan, van wien de genade en de bijstand Gods zijn geweken, en diealzoo de prooi zijner vijanden geworden is en naar zijn verderf ijlt.

quot;Gy zult My van nu af niet meer zien totdat, gy zeggen zult: Gezegend is Hy, die komt in den naam des Heeren.quot;

Dit zal niet alleen met de Joden, maar met alle zondaars vervuld worden, die, door hunne gewoonte van te zondigen, Christus gedurende schier geheel hun leven onteereu. Wanneer eenmaal de dag des oordeels zal aanbreken, d:.n zullen zij Hem, helaas te laat en vruchteloos, als den gezegmde moeten erkennen.

Verzuchtingen tot den H. Stephanus.

H. Stephanus, eerste Martelaar, gij waart vol sterkte, genade en liefde; uwe onschuld was zoo groot, dat uw aanschijn

698

ocr page 739

van den zoeten naam jesus.

als dat eens Engels schitterde; ik bid u door de genade, die u ten deele viel, en waardjor gij bij uwen dood den Hemel geopend, en Jesus zittende aan de rechterband zijns Vaders zaagt, verwerf voor mij van God de onschuld, de zuiverheid des gewetens en een werkdadige liefde, waardoor ik, naar uw voorbeeld, mijnen vijanden gaarne vergeef, voor hen bid, hun niet alleen alle goed toewensch, maar ook inderdaad bewijs, opdat ik dusdoende eeu gelukzaligen dood moge bekomen.

Onderriclit over tiet feest van den zoeten Naam Jesns.

(Tweeden Zondag na Driekoningen.)

Daar, waar de godsdienstige gebruiken en overleveringen getrouw bewaard zijn gebleven en het naamfeest van den huisvader gevierd wordt, daar juicht het huisgezin op den dag, aan de vereering des Heiligen toegewijd, die, bij het Doopsel, als schutspatroon aan den vader gegeven werd. Even zoo viert heden de Katholieke Kerk, dat groote huisgezin der wereld, het naamfeest van haar Goddelijken Stichter, het naamfeest van Jesus, ■ die haar verworven heeft, door zijn bloed, en die met haar blijft, haar bewaakt, beschermt, behoudt en behoedt, tot het einde der eeuwen. Het kon niet anders, de naam van Jesus moest te allen tijde hoog in eere staan bij de geloovigen; want zij wisten hoe goddelijk zijn oorsprong, hoe verheven in zijne verkondiging, hoe eerbiedwaardig hij in zijn geheimvolle beteekenis is. Niet een Engel, maar God de Vader zelf gaf aan zijn beminden Zoon den naam van Jesus, en aan een Aartsengel alleen werd het toevertrouwd, dien naam aan Maria en Joseph bekend te- maken. De Apostelen zeiven hadden het geleerd, dat de naam van Jesus, de naam des heils is. Er is... onder den Hemel geen andere naam, den menschen gegeven, door welken wij moeten zalig worden (Hand. der Ap. IV, 12), en wij weten, dat Petrus en Joannes het eerste wonderwerk door de kracht van Jesus' naam verrichtten (Hand. der Ap. IIi). Vandaar de godvruchtige gewoonte, van eerbiedig het hoofd te buigen, zoo dikwijls men den naam van Jesus uitspreekt of dien door anderen hoort noemen; vandaar

699

ocr page 740

onderricht over het feest

ook het aloude gebruik, dat niettegenstaande de onverschilligheid onzer eeuw, nog op vele plaatsen is blijven bestam van elkander niet met eenen Goeden morgen ot' Goeden avond, maar met een Geloofd zij Jesus-Ghristus te begroeten en daarop Ie antwoorden In eeuwigheid. De Kerk heeft deze godvruchtige gebruiken niet alleen goedgekeurd, maar verschillende Pausen hebben ze, gelijk ook het eerbiedig aanroepen van den zoeten Naam, met aflaten begunstigd.

De Ingang der Mis is getrokken uit den Brief van den H. Apostel Paulus aan de Philippensers (II, 10). Dal voor den naam van Jesüs alle knie zich buige, van die in den hemel, die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle long be-lijde, dat de Heer Jesus-Ghristus is in de heerlijkheid van God den Vader. (Psalm VIII.) Heer, onze Heer, hoe wonderlijk is uw Naam op geheel hel aardrijk. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

0 God, die uwen eeniggeboren Zoon tot Verlosser van het menschelijk geslacht hebt aangesteld en geboden hebt Hem Jesus te noemen, verleen genadig, dat, wiens Heiligen Naam wij op aarde vereeren, wij diens aanschijn ook mogen aanschouwen in den Hemel. Door denzelfden Jesus-Ghristus, enz.

EPISTEL: Les uit de Handelingen der Apostelen IV, 8-12.

In die dagen sprak Petrus, vervuld van den Heiligen Geest: Oversten des volks, en gij Oudsten, hoort! Zoo wij heden geoordeeld worden om eene weldaad aan een krank mensch, waardoor hij gezond geworden is, zij het u allen bekend, en deu ganschen volke van Israël: dat door den naam onzes Heeren Jesds-Ghristus, den Nazarener, dien gij gekruisigd hebt, dien God uit de dooden heeft opgewekt, door Hem deze gezond hier voor u staat. Hij is de steen, die door u, bouwlieden, verworpen is, die lot hoeksteen is geworden; en de zaligheid is in geen ander; want er is ook ouder den hemel geen andere naam, den menschen gegeven, door welken wij moeten zalig worden.

Verklaring. Petrus en .Ioannes hadden eenen kreupel-geborene genezen en leerden het volk in den tempel. De

700

ocr page 741

van den zoeten naam jesus.

Joodscho priesters zulks niet kunnende dulden, sloegen de handen aan hen, wierpen hen In de gevangenis, daagden hen, des anderen daags, voor den rechterstoel en vraagden hun: uit welke macht, of door welken naam zij dit gedaan hadden. De raadsvergadering wist zeer wel, dat dit geschiedde ouder de aanroeping van den naam van Jesüs; maar zij dach!, dat de Apostelen dien naam hier niet zouden durven uitsproken, eu alleen zeggen zouden, dat het wonder, 't welk zij aan den kreupele verricht hadden, onder de aanroeping van den naam van God was gewrocht. Kregen zij dit antwoord, dan konden zij, wat zij zochten, den naarn van den gehaten Nazarener verduisteren en onder het volk verspreiden dat, wat er ook van die genezing mochte zijn, die in allen geval, blijkens het verhoor der Galileërs, geschiedde onder aanroeping van den naam Gods en geenszins door den naam van Jesus van Nazareth. Dat antwoord evenwel kregen zij niet. Petrus, ia alles de eerste der Apostelen, antwoordde hun: dat zij dien kreupelgeborene genezen hadden door den naam van Jesus-Christus. Hij aarzelt niet, voor het aangezicht der moordenaars van Jesus te verklaren, dat Jesus de Nazarener, dien zij gekruist hadden, de Christus is; dat Jesus die zinnebeeldige steen is, waarvan David (Psalm CXVIII) spreekt, welken zij, Opperpriesters en Schriftgeleerden, verworpen hebben, maar die door God tot hoeksteen is gemaakt eu tot hoofd van allen is verheven, in wien voortaan alleen de zaligheid te vinden is.

Evangelie volgons den II. Lucas II, 21.

In dien tijd, als acht dagen vervuld waren, dat het Kind zoude besneden worden, werd zijn naam Jesus genoemd, die genoemd was van den Engel, eer Hij in het lichaam ontvangen werd.

Betrachting. »0 Heer Jesusquot;, zoo moet de Christen met den H. Augustinus roepen, «wees ook voor mij een Jesus, dat is, een Verlosser; heb medelijden met mij en verlos mij.' En die verzuchting is niet alleen een gebed van vertrouwen, maar ook een kreet van liefde, die, hooger en hooger stijgend, eindelijk, als het ware, bezwijkt, terwijl zij ons in de ver-

701

ocr page 742

onderricht over het feest

voering des harten met den H. Ambrosiüs doet uitroepen: »0 Jesüs, Gij zijt mijn Jesus en mijn al.quot; 0 welk eene liefde moet die gezegende Naam in ons hart niet ontsteken, terwijl hij ons in het geheugen terugroept de ellenden en pijnen, de verguizing, de wreede geeselslagen, de doornen kroon, de nagels en het kruis en eindelijk den smartvollen dood, door Jesus, uit liefde tot ons. verduurd. Met welke dankbare liefde moet ons hart niet kloppen voor den naam van Hem, die in den Hemel onze Voorspreker is, terwijl Hij zijne Heilige wonden aan zijnen Hemelschen Vader vertoont; van Hem, die, na ons hier met weldaden overladen te hebben, ons eens, naar wij hopen, in zijn Hemelrijk zal opnemen. 0 ja, wanneer ik dat alles bedenk, o lieve Jesus, dan begrijp ik, waarom alle geslachten uwen Heiligen Naam hebben geëerd en geprezen; dan begrijp ik hun vertrouwen op en hunne brandende liefde tot uwen nooit volprezen Naam. [k ook. Heer Jesus, zal op uwen H. Naam betrouwen in leven en dood. Ik zal uwen Naam vereeren, hem loven, prijzen en beminnen in tijd en eeuwigheid. Amen.

Onderricht over het feest der Zuivering- van ■ Maria, ook Lichtmis genaamd.

(2 Fcbruari.J Welk een feest is dit ?

't is het feest, waarop de Kerk de gehoorzaamheid en ootmoedigheid van Maria en haar Goddelijken Zoon vereert, waarmede de H. Maagd zich aan de Wet van Mozes, die de zuivering der vrouwen en de opoffering harer kinderen gebood, onderwierp, ofschoon de Moeder-Maagd daartoe geenszins gehouden was. Van daar de naam, de Zuivering van Maria, of Opdracht van Jesus in den tempel. — Men geeft aan dit feest nog den naam Lichtmis, wijl men op dien dag kaarsen wijdt, die in de kerkelijke diensten gebruikt worden.

Waarom worden deze kaarsen juist heden gewijd, en dan in processie rondgedragen ?

Dit geschiedt: 1) omdat heden in den tempel van Jerusalem Maria aan den Hemelschen Vader haren Goddelijken Zoon opofferde, dien Simeon bij die gelegenheid begroette, als een licht ter verlichting der Heidenen en tot heerlijkheid van Israels

702

ocr page 743

van maria-lichtmis.

volk (Luc. II, 32);. 2) ter herinnering, dat wij, gelijk de wijze maagden, den Zaligmaker met het brandend licht des geloofs eu der goede werken moeten te gemoet komen (Matth. XXV, 1 en volg.).

Tot wat einde worden de kaarsen gewyd ?

1) Opdat God ons, die ze godvruchtig gebruiken, de gezondheid naar ziel en lichaam moge bewaren, en het gebed dergenen, die ze eerbiedig dragen, moge verhooren. 2) Opdat onze harten door het onzichtbare licht des H. Geestes inwendig mogen verlicht worden. 5) Opdat het vuur der liefde onze harten ontsteke, van alle smet der zonden reinige, en ons eenmaal deelachtig make aan het blijde licht, dat nimmer zal worden uitgedoofd.

Bij den Ingang der Min zingt de Kerk: Psalm XLVM. Wij hebben, o God, uwe barmhartigheid verworven in het midden van uwen tempel; gelijk uw naam, o God, zóó is ook uw lof, tot aan de grenzen der aarde; uwe rechterhand is vol gerechtigheid. Psalm: Groot is de Heer en overprijzenswaar-dig, in de stad van onzen God, op zijn heiligen berg. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Almogende, eeuwige God, wij smeeken ootmoedig uwe Majesteit, dat, gelijk uw eeniggeboren Zoon heden in een men-schelijk lichaam in den tempel is opgeofferd, ook wij waardig bevonden worden U met een rein gemoed te worden opgedragen. Door onzen Heer Jesüs-Christus, enz.

EPISTEL: Les uit den Profeet Malachias III, 1-4.

Dit zegt de Heer God: Ziet Ik zend mijnen Engel, en hij zal voor mijn aanschijn den weg bereiden. En terstond zal tot zijnen tempel komen- de Heerscher, dien gij zoekt en de Engel des Verbonds, dien gij verlangt. Ziet, Hij komt, zegt de Heer der heirscharen. En wie zal den dag zijner komst kunnen verzinnen, en wie zal staan om Hem te zien. Want Ilij is als een al-smeltend vuur en als het kruid der vollers. En Hij zal zitten en het zilver smelten en reinigen, en Hij zal de zonen van Levi zuiveren, en hen als goud en zilver louteren, en zij zullen den Heer offeranden opdragen in gerechtigheid. En het offer van Juda eu Jerusalem zal den Heer behagen, en als in

ocr page 744

onderricht over het feest

de dagen des vorigen tijds, en als in de jaren des onderdoms, zegt de almogende Heer.

Verklaring. De Engel of de afgezant, die den Heer den weg moest voorbereiden, is de H. Joannes de Dooper (Mattii. XI, 10). De Heerscher, zoo lang voorzien en zoo vurig verlangd, is de Zaligmaker, die heden in den tempel werd opgedragen. Hij wordt de Engel des Verbonds genoemd, wijl Hij tusschen God en de mensclien een veel voortreiïelijker verbond gesloten heeft, dan God vroeger met de Joden had aangegaan, doordien Hij den Christenen, niet gelijk vroeger den Joden, slechts tijdelijke, maar eeuwige goederen heeft verworven. Zijne komst werd door den Profeet glorievol en tevens als schrikinboezemend aangekondigd; want Hij wordt vergeleken bij het vuur, dat zells het goud nog loutert, en bij liet kruid, waarmede de voller de stollen zuivert. Zoo zuiver als het loutere goud, zoo vlekkeloos moeten ook zij wezen, die den Zaligmaker in het Allerheiligste Sacrament des Altaars ontvangen, of het Gode zoo uiterst aangenaam H. Misolfer willen opdragen. Reinig u dus, o mensch, door tranen van boetvaardigheid, en door het vuur der liefde, zoo gij Jesus ontvangen of in het Heilig Misoffer opdragen wilt; leef zoo zuiver, dat gij hopen moogt zijne tegenwoordigheid in den laatsten dag des oordeels te kunnen verdragen.

Evangelie volgens den H. Lucas If, 22-32

In dien tijd, als de dagen der zuivering van Maria, naar de Wet van Mozes, vervuld waren, brachten zij Jesus naar Jerusalem, om Hem den Heer voor Ie stellen : zoo als geschreven staat in de Wet des Heeren: Alle eerstgeboren van het mannelijk geslacht zal den Heer heilig genoemd worden; en om offerande te geven, naar hetgeen geboden is in de wet des Heeren, een paar tortelduiven, of twee jonge duiven. En ziet, er was in Jerusalem een man,, wiens naam was Simeon; en deze man was rechtvaardig en godvreezende, verwachtende de vertroosting van Israel, en de Heilige Geest was in hom. En hij had van den Heiligen Geest eene openbaring ontvangen, dal hij den dood niet zien

704

ocr page 745

ber zuivering van maria.

zoude, vóórdat hij den Gezalfde des Heeren had gezien. Ln hij kwam, door den Geest, in den tempel. En als de Ouders hel Kind Jesus binnen brachten, opdat zij, naar de gewoonte der wet, voor Hem deden, zoo nam hij Hem ook in zijne armen, en loofde God, en zeide; Nu laat Gij, Heer! uwen dienstknecht, volgens uw woord, in vrede gaan! Want mijne oogen hebben uw Htil gezien, hetwelk Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle de volken, een licht ter verlichting der Heidenen, en tot heerlijkheid van uw volk Israel.

Waarom werd Jesus in den tempel van Jerusalem gebracht?

Om den Heer te worden opgeofferd; want God zelf had den Joden bevolen, dat hun eerstgeborene kinderen van het mannelijk geslacht Hem moesten opgeofferd en door een losprijs vrijgekocht worden, tot dankbare herinnering aan het wonder, dat God in Egypte ten hunnen gunste gedaan had, dour dé eerstgeborenen der Joden te bewaren, en alle eerstgeborenen der Egyplenaren te doen omkomen (Levit. Xli).

Hoeveel dagen na de geboorte van het kind moest dit offer plaats hebben ?

Veertig dagon. Dit was de tijdruimte, door de Wet bepaald, tot zuivering der moeder, die van eenen zoon bevallen was; na verloop van dien tijd begaf de moeder zich naar den tempel, om gezuiverd te worden en het zuiveringsoffer op te dragen (Levit. XII).

Waren dan Jesus en Maria tot de onderhouding dier wetten verplicht ?

Geenszins; want Jesus, de Goddelijke Wetgever zelf, was door de ceremonieële wet van Mozes niet gehouden; nochtans wilde Hij die wet vervullen (Luc. II, 21) en Hij onderwierp zich ook aan het gebod der besnijdenis. Maria, de onbevlekte Maagd, die niet gelijk andere moeders, maar van den H. Geest ontvangen had, en bijgevolg geene zuivering noodig had, schaarde zich, gelijk haar Goddelijke Zoon, onder het getal der zondaren, en vervulde eene wet die voor de zondaars was ingesteld.

45

705

ocr page 746

onderricht over het feest

Waarom deden zij dit?

De H. Bernardus zegt, dat, gelijk Jesus iich voor ons aan de pijnlijke besnijdenis onderwierp, Maria even zoo voor ons de zuiveringswet vervulde, om daardoor den Ijoetvaardigen zondaars te leeren, hoe zij zich eerst van de zonden moeten losscheuren, en door de onthouding van het kwaad, zich op een geestelijke wijze moeten besnijden, en vervolgens door de boet-pleging zich van de misdaden moeten zuiveren. Verder: Maria wilde, in hare ootmoedigheid, zich met de zondige moeders gelijk stellen, om daardoor voor de wereld verborgen te honden, dat zij, maagd blijvende, ontvangen en gebaard had, en tevens de ergernis te verhinderen, die bij hen, welke van de wonderbare ontvangenis en baring niets wisten, door het nalaten der zuivering konde ontstaan. — Leer hieruit de geboden van God trouw te volbrengen en anderen niet te ergeren door ze zelfs maar in schijn te overtreden.

Waarom heeft Maria niet eene lam, gelijk de ryken

maar slechts een paar duiven, gelyk de armen, opgeofferd? (Levit. XII),

Omdat zij behoeftig was, en zich nieV schaamde als zoodanig in het oog der wereld te schijnen. Schaam er u niet over, zoo gij arm zijt; bemin liever uwe armoede. Zijt gij evenwel rijk, tracht alsdan ten minste naar den geest arm te zijn en bemin de armen en behoeftigen. Zalig zijn de armen van geest, want hun is het Rijk der Hemelen (Matth. V. 3).

Hoe kwam het, dat Simeon Jesus in den tempel als den Verlosser erkende?

Aan Simeon, een deugdzaam en trouw dienaar Gods, was beloofd, dat hij den dood niet zou ondergaan, voor hij den Gezalfde des Heeren gezien had. Toen Jesus liii naar den Tempel gedragen werd, gaf God hem in, zich ook derwaarts te begeven; hij vond Jesus, erkende, door een Goddelijke verlichting. Hem als den Messias en vereerde Hem openlijk als zoodanig. — Zie, hoe God degenen, die Hem in waarheid beminnen en in oprechtheid huns harten dienen, beloont, door zich meer en meer aan hen kenbaar te maken.

706

ocr page 747

der zuivering van maria.

Waarom verlangde Simeon te sterven, toen hy Jesus in zijne armen droeg?

Zijne wenschen waren ten volle vervuld. Hij had het geluk Hem, die de verwachting volkeren was, en om wiens aanschijn te zien de Oudvaders zoo vurig en nochtans vruchteloos verzocht hadden, niet alleen te mogen aanschouwen, maar zelfs op zijne armen te dragen; wat kon hij thans meer verlangen, dan deze rampzalige wereld te verlaten, en zijnen geest in de handen zijns Heilands aan te bevelen. — 0 hoe gelukkig is hij, die met den vromen Simeon zijnen geest in de handen van God kan nederleggen. En wie zal zulk een geluk zekerder bekomen dan hij, die zich door oen deugdzaam en godsdienstig leven waardig maakt, om bij het einde van zijn leven, zijnen Verlosser als H. Teerspijs te mogen ontvangen.

Waarom noemde Simeon de Zaligmaker -een licht ter verlichting der Heidenen?quot;

Omdat Jesüs in deze wereld gekomen is als het ware licht (Joann. 1), dat zoowel de Heidenen uit de duisternis hunner afgoderij en uit de slavernij des duivels zou redden, als de Joden van hunne dienstplichtigheid aan de Wet van Mozes zou verlossen, eu hen met de Heidenen in de vrijheid der kinderen Gods zoude herstellen.

Gebed.

Hemelsche Vader, zie van den troon uwer barmhartigheid neder op uwen eeniggeboren Zoon. in wien Gij uw welbehagen genomen hebt. Zie, Hij wordt U heden in den tempel voor de zonden zijner aangenomen broeders opgeofferd. Dat ü dit vlekkeloos olfer bevalle, en U tot medelijden met de zondaars bewege. Vergeef ons, bij het gezicht zijner gehoorzaamheid en ootmoedigheid, onzen.hoogmoed en onze wederspannigheid, en maak dat wij, door zijn bloed gezuiverd en na in vrede te zijn ingeslapen, eenmaal in den tempel uwer glorie mogen opgeofl'erd worden, en U als het eeuwig licht mogen aanschouwen, beminnen en loven in eeuwigheid.

Onderriclat voor de kraamvrouwen.

Aanmerking. Het gebod der zuivering (Levit. XII) verplichtte de Joodsche vrouwen zich gedurende veertig dagen

707

ocr page 748

onderricht over het feest

708

na de geboorte van eenen zoon, en gedurende tachtig dagen na de geboorte eener dochter, als onrein te beschouwen en uit den tempel verwijderd te blijven. Na verloop dier dagen moesten zij een lam tot brand- en eene duif tot zoen-offer, of wanneer zij arm waren, twee duiven, de eene tot brand- de andere tot zoen-offer, in den tempel opdragen, en door deze offerande en de gebeden des Priesters gezuiverd worden. Dit gebod verplicht zonder twijfel de vrouwen der Christenen in geen opzicht meer, dewijl de ceremonieele weiten der Joden zijn afgeschaft; nochtans staat de Kerk aan de vrouwen in deze omstandigheden toe, gedurende eenigen tijd, zoo lang namelijk hun toestand dit vordert, zonder gewetensangt het huis te bewaren, zich van alle openbare godsdienstoefeningen te onthouden en hare gezondheid te herstellen. Dat de huisvaders hier wel op letten, opdat zij hunne vrouwen de rust en middelen niet weigeren, welke de natuur in deze omstandigheden noodig heeft. Na dit tijdverloop echter verlangt de Kerk, dat de vrouwen zich, naar het voorbeeld van Maria, met hare kinderen tei kerke begeven, daar de zegening des Priesters ontvangen. God voor de gelukkige geboorte van haar kind bedanken, het aan Hem opofferen, en met den Priester om de genade smee-ken, van het deugdzaam en heilig op te voeden. Ziedaar waarin de inhaling der kraamvrouwen bestaat, welke nimmer dient achtergelaten te worden. Die vrouwen zijn intusschen niet verplicht, tot aan haren kerkgang voortdurend in hare kamer te blijven, uit vrees dat anders hare kinderen dooiden duivel, door spooksels of kwade lieden, eenigen hinder zouden krijgen. Dit is eeue dwaze en verkeerde vrees. Wanneer zij zich door zwaren arbeid, door koude, gramschap, enz. zeiven geene schade toebrengen, dan zal de duivel of het kwaad haar niet hinderen, inzonderheid dan aiet, wanneer zij zich, door een deugdzaam leven, der bescherming van God waardig maken, zonder Wiens bijzondere toestemming noch duivel noch iets ander kwaads, haar eenig leed kan toebrengen. De ongemakken der vrouwen en harer kinderen komen meestal daaruit voort, dat zij, na hare bevalling, niet genoeg op hare hoede zijn en zich zeiven schaden.

ocr page 749

VAN DEN H. JOZEF,

Bij haren kerkgang zullen de moeders weldoen een vurig gebed tot bovengemeld doel te storten, alsmede tot dankzegging het Goddelijk Lam, Jesus-Ghiustus, door het bijwonen eener H. Mis of door een waardige H. Communie, aan God op te offeren; verder is het passend eene aalmoes te geven en het volgende te bidden.

Gebed;

Almachtige en algoode God, die onze moeder Eva als rechtmatige straf harer ongehoorzaamheid hebt opgelegd, dat zij hare kinderen in smarten zou baren, ik offer U alle smarten, die ik ondervonden heb, op, tot boeting mijner zonden; ik dank ü voor uwen bijstand, waardoor ik mijn kind gelukkig ter wereld heb gebracht. Ik offer het U, van nu at aan, in uwen heiligen dienst op, naar het voorbeeld van de H. Moeder van uwen eeniggeboren Zoon, en zal mijn best doen, het ter Uwer eere op te voeden. Geef mij daartoe uwe genade, door de voorspraak en de verdiensten der Allerheiligste Maagd; zegen mij en mijn kind, opdat wij hier beneden volgens uwen Goddelijken wil leven en in de eeuwigheid de zaligheid bekomen; door Jesus-Christüs onzen Heer. Amen.

Onderriclit over tiet feest van den H. Jozef, Patroon van België.

(19 Maart.)

De H. Jozef stamde uit het koninklijk geslacht van David af. Zijn vader heette Jacob, zijn grootvader Mathan. (Matth. 1, lo, 16.) Jozef was timmerman, (Matth. XIII, SS) hij woonde te Nazareth in Galilea. (Luc. II, 4.) De H. Schrift noemt hem een rechtvaardige, dat is, een man met allerlei deugden uitgerust (Matth. I, 9). Hij was met Maria, de Allerzaligste Maagd, gehuwd. Toen hij deli gezegenden slaat van Maria vernam, wilde hij haar heimelijk verlaten, om haar, gelijk de H. Schrift zegt, niet openlijk te schande te maken (Matth. I, 19). Maar toen hem door een Engel des Heeren in den slaap verwittigd was, dat Maria van den H. Geest ontvangen had, deed hij, gelijk de Engel hem beval; hij nam Maria tot zich, (Matth. I, 20, 24) en bracht met haar zijne levensdagen in onbevlekte zuiverheid door. Ten zelfden tijde gebood keizer Augustus een algemeeno volkstelling in het gelieele keizerrijk; een

709

ocr page 750

onderricht over het feest

ieder moest zich naar de stad begeven, waaruit zijne familie afstamde, om er zich te doen opschrijven. Jozef begaf zich, gehoorzaam aan het gebod der oversten, met Maria, zijne bruid, naar Bethlehem, üavids-Stad van waar zijne familie afkomstig was (Luc. II, 4). Toen zij daar gekomen waren, bracht Maria haren eerstgeboren Zoon ter wereld. De Engelen jubelden bij diens geboorte, en verkondigden de blijde raare aan de herders in het veld, die onverwijld naar Bethlehem ijlden, er Maria en Jozef met het Goddelijk Kind, dat in eene krib lag, vonden, en God verheerlijkten en loofden over al hetgeen zij gezien en gehoord hadden (Luc. II, 20). Bij gelegenheid dat Jozef en Maria, om zich aan de wet te onderwerpen, het Goddelijk Kind Jesus in den tempel te Jerusalem opdroegen en de voorgeschreven offerande verrichtten, prezen Simeon en Anna den Heer en spraken zegenwenschen over hen uit. (Luc. II, 22-34.) Uit het verre Oosten kwamen Wijzen, ora den nieuwgeboren Koning der Joden te aanbidden en Hem hunne offers aan te bieden (Matth. II, I). Herodes, koning der Joden, vatte evenwel het besluit op, het Kind om het leven te brengen, maar een Engel des Heeren verscheen aan Jozef in den slaap, en zeide; Sta op, en neem het Kind en zijne Moeder, en vlucht naar Egypte, en blijf aldaar, totdat ik het u zal zeggen; want het zal geschieden, dat Herodes het Kind zoekt om het te dooden. Jozef dan opstaande, nam in den nacht het Kind en zijne Moeder, en trok naar Egypte (Matth. II, 15, 14). Daar bleef hij, tot hij van den Heer bevel ontving naar het land van Israel terug te keeren. Als hij hoorde, dat Archelaüs, in plaats van zijnen vader Herodes

in Judea regeerde..... ging hij naar het [land van Galilea

(Matth. II, 20-22) en zette zicii te Nazareth neder. Van daar uit gingen Jozef en Maria telken jare naar Jerusalem om de hooge feesten bijwonen. Toen Jesus twaalf jaren oud was, namen zij Hem met zich naar den tempel; doch als zij terugkeerden, misten zij hunnen beminden Zoon; zij zochten Hem angstvallig, tot üj Hem in den tempel wedervonden.

De H. Schrift maakt verder geen gewag meer van den H. Jozef; maar dit weinige is genoeg, om hem onze bewondering te schenken, en ons aangespoord te gevoelen hem in zijne

740

ocr page 751

van den h. jozef.

deugden na te volgen, bijzonderlijk in zijne zuiverheid, zijne gehoorzaamheid aan God en diens geboden, zijne onderwerping aan de wetten der wereldsche overheid, zijne teedere zorgen voor het Goddelijk Kind en diens Moeder, deugden, die onze aandacht en navolging ruimschoots verdienen.

De 11. Jozef wordt met eenen lelielak afgebeeld, omdat volgens de overlevering, op zijn wandelstaf eene lelie ontlook, waardoor hem werd aangeduid, dat hij de bruidegom moest worden der Allerheiligste Maagd, aan welke een Engel geopenbaard had, dat zij geen anderen tot bruidegom moest nemen dan dengene, die door dit mirakel zou worden aangewezen. Men stelt hem nog voor met eene schaaf, eene zaag en eene bijl, omdat hij liranierman was, en de patroon der timmerlieden is.

Bij den Ingang der Mis. Psalm XCI. De rechtvaardige zal bloeien als een palmboom; gelijk een ceder van den Libanon, zal hij vermenigvuldigen; hij is geplant in het huis des Heeren, in de voorpleinen des huizes, van onzen God. Psalm. Het is goed den Heer te prijzen ; en uwen naam te bezingen, Allerhoogste! Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Wij bidden U, o Heer! help ons, door de verdiensten van den Bruidegom uwer Allerheiligste Moeder, opdat, wat onze eigene krachten niet vermogen, ons door zijne voorspraak geschonken worde. Gij die leeft en heerscht met God den Vader in eenheid des H. Geest, door alle eeuwen der eeuwen. Amen.

EPISTEL: Les uit het Boek der Wijsheid Eccli. XIV, 1 6.

(Zie Bijvoegsel letter I.)

Verklaring en toepassing. Wat de H. Schrift hier van Mozes zegt, komt, door een heel bijzonder voorrecht, den 11. Jozef toe, waarom de Kerk dan ook wil, dat deze Les op zijn feestdag wordt voorgelezen. De H. Jozef was van God zeer bemind; dit blijkt hieruit, dat Hij hem tot voedstervader van zijnen Zoon Jesüs Chuistus verkoos. Zijne nagedachtenis is in zegening; immers hoe zou de nagedachtenis niet in zegening zijn van den voedstervader van Hem, die als Schepper in het begin al hel geschapene zegende, eu als Verlosser den vloek

711

ocr page 752

onderricht over het feest

dei zonde van ons heeft weggenomen, en ons den zegen en de genade van God heeft verworven? God heeft den H. Jozef ook zeer verheven; Hij heeft hem boven de koningen verheerlijkt, doordien hij niet alleen van koninklijken bloede afstamde, maar ook de voedstervader geworden is van den Koning dei-koningen. Zijne zachtmoedigheid, zijne zuiverheid, zijne trouwe liefde, hebben hem tot de hoogste heiligheid gevoerd, en hem de gunst, van door God tot zulk een verhevene waardigheid uitgekozen te worden, verworven. God heeft hem ook tot in de wolken gevoerd, door hem op deze aarde de Godheid van Jesus Christus te openbaren, die onder de wolk zijner menschheid verborgen was, en hem na zijnen dood ten Hemel op te nemen, waar hij thans God van aanschijn tot aanschijn aanschouwt, en een veelvermogend voorspreker der menschen is.

Evangelie volgens den H. Mattheus I, 18-21.

Als de Moeder van Jesus, Maria aan Jozef onder-tiouwd was, eer zij zamengekomen waren, werd zij bevrucht bevonden van den'Heiligen Geest. Daar Jo-z£t nu, haar man, rechtvaardig was. en haar niet openlijk wilde te schande maken, besloot hij heimelijk van haar te scheiden. Doch terwijl hij aldus dacht, ziel een Engel des Heeren verscheen hem in den slaap, zeggende; Jozef, gij zoon van David! schroom niet, Maria, uwe vrouw, tot u te nemen, want hetgeen in haar geboren is, is van den Heiligen Geest. En zij zal eenen Zoon baren, en gij zult zijnen naam heden Jksus, want Hij zal zijn volk van hunne zonden verlossen.

Waarom is de Allerzaligste Maagd tot bruid aan den H. Jozef gegeven?

De H. Hieronvmus zegt, dat dit geschiedt is, 1) opdat door liet geslacht van den 11. Jozef, die van David afstamde, ook de afstamming van Maria en van Christus uit het geslacht van David, zoude bewezen worden; 2) opdat Maria niet van overspel zou worden beschuldigd, en volgens de Joodsche wet

712

ocr page 753

van den h. jozef.

zou gesteenigd worden; nog meer, opdat de Zaligmaker niet als een onecht kind beschouwd en derhalve versmaad en verworpen zou worden; 3) opdat Maria en het Goddelijk Kind Jesus eenen vertrooster en beschermer zouden hebben, voornamelijk ten tijde, dat zij naar Egypte de vlucht moesten nemen.

Waarom wilde Jozef zijn heilige bruid heimelijk verlaten?

Omdat Hij, ofschoon nog niet ingelicht omtrent het Goddelijk geheim, dat in Haar volbracht was, nochtans van de onschuld der H. Maagd zoo zeer overtuigd was, dat Hij van haar niets kwaads denken, noch zeggen wilde. — Welk een schoon en navolgenswaardig voorbeeld voor ons, die dikwijls ioo gaarne slecht van onze medemenschen denken en ons niet schamen, onze kwade vermoedens openlijk bekend te maken. Mochten wij dit gebrek toch spoedig afleggen!

Waarom openbaarde Maria zelve dit geheim niet aan den H. Jozef?

Uit ootmoedigheid wilde zij liever de smartelijke achterdocht op zich trekken dan de groote genade, die God haar geschonken had, openbaren. Inmiddels koesterde zij het vaste betrouwen, dat God zelf zich harer zou aantrekken en hare onschuld zou bekend maken.

Gebed tot den H. Jozef.

O H. Jozef, die door de zuiverheid en andere verhevene deugden waardig geworden zijt, tot bruidegom van Maiua en voedstervader van Jesds te worden verkoren, ik bid u, dooide groute gunst, die u ten deele viel, verwerf, door nwe voorspraak, bij God, dat alle ouders hunne kinderen in den dienst des Heeren opvoeden, dat alle bedrukte cn beproefde echtgenooten in hunne armoede en wederwaardigheden troost vinden, dat alle ongehnwden, inzonderheid zij, die Gode hunne zuiverheid hebben toegewijd, in deze engelachtige deugd volharden, en eindelijk dat alle stervenden, door een zaligen dood, tol Jesüs-Chrisïus, uw Pleegkind, mogen geraken, die met den Vader en den H, Geest leeft en heerscht, enz^

713

ocr page 754

onderricht over het feest

Onderricht over het feest van Maria-Boodschap.

C25 Maart.)

Dit feest wordt aldus genoemd, omdat de Aartsengel Gabriel de allerzaligste Maagd Maria op dezen dag de Boodschap bracht, dat zij de Moeder des Verlossers zoude worden.

Bij den Ingang der Mis. (Psalm XLIV.) Alle rijken des volks zullen uw aanschijn huldigen; achter haar zullen de maagden tot den Koning geleid worden, hare medegezellen zullen u m blijdschap en vreugde aangebracht worden. Psalm. Mijn hart heeft een goed woord nitgeboezemd, ik wijd mijne werken den Koning toe. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

0 God, die gewild hebt, dat uw eeuwig Woord, op de verkondiging des Engels, het vleesch in den schoot der Heilige Maagd Maria zoude aannemen, verleen volgens ons ootmoedig gebed, dat wij, die haar als ware Moeder Gods erkennen, dooi hare voorspraak, bij U, mogen geholpen worden, door denzelfden Heer Jesus-Christus, die leeft, enz.

EPISTEL; Les uit den Profeet Isaias VII, 10—15.

Zie Quatertemper-Woensdag in den Advent, alsmede de verklaring,bladz.74.

Evangelie volgens den H. Lucas I, 26-38.

In dien tijd werd de Engel Gabriel van God gezonden naar eene stad van Galilea, met name Nazareth, tot eene maagd, die ondertrouwd was aan eenen man, wiens naam was Jozef, uit het huis van David; en de n.iam der maagd was Maria. En de Engel kwam tot haar binnen, en sprak: Wees gegroet. Gij vol van genade! De Heer is met ü! Gezegend zijt Gij onder de vrouwen! Als zij dit hoorde, ontstelde zij over zijne woorden, en peinsde, wat dit voor een groet mocht zijn. En de Engel sprak tot haar; Vrees niet, Maria! want Gij hebt genade gevonden bij God: Zie, gij zult in uwen schoot ontvangen, en eenen Zoon baren, en zijnen naam zult gij Jesus heeten. Deze zal groot zijn. en de Zoon des Allerhoogsten genoemd worden; en de Heere God zal Hem den troon van zijnen vader David

714

ocr page 755

van maria boodschap.

geven ; en Hij zal over het huis van Jacob heersclien in eeuwigheid; .en Zijns rijks zal er geen einde zijn. Toen zeide Maria tot den Engel; Hoe zal dat geschieden, dewijl ik geenen man beken? En de Engel antwoordde, en sprak tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen: daarom ook zal het Heilige, dat uit ü za! geboren worden., Gods Zoon genoemd worden. En zie, Elisabeth, uwe bloedverwante, ook. zij heeft eenen zoon ontvangen in haren ouderdom; en deze maand is voor haar, die onvruchtbaar heette, de zesde. Want geen woord zal bij God onmogelijk zijn. En Maria z''ide: Zie hi«r d« dienstmaagd des lleeren; mij geschiede naar uw woord!

Waarom beschryft de Evangelist de Boodschap der menschwording van Christus zoo omstandig?

Opdat wij het geheim der menschwording, waarvan de kennis voor ons van het hoogste belang is, wel zouden onthouden, gelooven en betrachten.

Waarom werd de Engel tot Maria gezonden?

Om haar den wil Gods kenbaar te maken, volgens welken de Goddelijke Zoon de menschelijke natuur in haar zou aannemen, om het menschelijk geslacht, door zijn lijden en sterven, te verlossen.

Was dit ter onzer verlossing noodzakelijk?

Ja, want als God kon de Verlosser niet lijden, en toch kon geen evenredige voldoening aan God voor de zouden der menschen gegeven worden, tenzij de Zoon Gods zich voor de Goddelijke Majesteit vernederde en leed, wat enkel door middel zijner menschwording kon gebeuren. Hieruit blijkt zeer duidelijk, welk eene boosheid de zonde is, waarvoor geen mensch, zelfs geen Engel, maar alleen een God-mensch kon voldoen, en hoe overgroot de liefde was, die Jesus ons toedroeg.

Waarom was Maria over de Boodschap des Engels

ontsteld?

Deels uil ootmoedigheid, deels uit vrees. Zoo nederig was zij, dat zij zich als de minste der schepselen achtte, eu

715

ocr page 756

ONDERRICHT OVER HET FEEST

daarom kon zij niet begrijpen, hoe het mogelijk was, dat haar een zoo uitnemende eer zou wedervaren. Zij bezat tevens een zoo groote eerbaarheid en liefde tot de maagdelijke zuiverheid, dat zij beschroomd werd, toen de Engel haar zeide, dat zij moeder van [God zoude worden. — Mogen de jonge dochters uit haar voorbeeld leeren, dat de ootmoedigheid, eerbaarheid en liefde tot de zuiverheid haar 'schoonste sieraad en hare noodzakelijkste deugden zijn, die zij, gelijk Maria, boven alles moeten hoogachten.

Wat wordt door den zetel van David verstaan?

Het Rijk van Christ' s, dat door de regeering van David werd afgebeeld (Psalm CXXXI), maar oneindig volmaakter is, dan het rijk van den koninklijken Profeet, naardien het zich over alle menschen uitstrekt, en eeuwig duren zal.

Waarom wordt David de vader van Christus genoemd?

Omdat de Moeder des Zaligmakers, de H. Maria, uit Davids stam is voortgesproten.

Wie is dan eigenlijk de Vader van Christus?

Men merke op, dat Christus twee naturen heeft: de Goddelijke en de menschelijke natuur. Volgens de menschelijke natuur heeft Hij wel eene moeder, maar geen vader. De H. Jozef was slechts zijn pleeg- of voedstervader. Volgens de Goddelijke natuui' had Hij geene moeder, maar wel een Vader, die de Hemelsche Vader is.

Hoe is Christus dan ontvangen geworden?

Door de overlommering en de kracht van den H. Geest, die door zijne Goddelijke almacht, de ontvangenis bewerkte van Hem, dien Maria ter wereld zou brengen.

Waartoe zullen deze woorden: »Geen woord zal by God onmogelijk'zyn ons opwekken?

i) Tot een groot betrouwen op God, die ook in de hache-lijkste omstandigheden, waarin alle hulp onmogelijk schijnt, ons helpen kan en ook helpen zal, zoo het ons nuttig is en wij zijne hulp inroepen. , 2) Tot een hecht en onwrikbaar geloof, dat zich niet op het dwaalspoor laat; brengen door zwarigheden in geloofszaken, zooals b. v., de onbegrijpelijkheid der godsdienst-geheimen, die verre boven de vatbaarheid van ons verstand gaan; immers, zoo hij Ciod niets onmogelijk, is, dcit)

716

ocr page 757

van maria-boodschap.

moeten er ook dingen zijn, die wij met ons beperkt verstand niet begrijpen kunnen.

'Waarom noemt Maria zich de dienstmaagd des Heeren ?

Wederom uit ootmoedigheid, die met hare maagdelijke zuiverheid hare voortreffelijkste deugd was. Daarom zegt de H. Bernardus van haar: Door hare maagdelijke zuiverheid was zij Gode gevailig, en door hare ootmoedigheid heeft zij Hem ontvangen. De woorden: Mij geschiede naar uw woord druk-deu hare overgeving aan den Goddelijken wil uit.

Verklaring- van de Groetenis des Engels.

Waarom wordt het Wees gegroet, de groetenis des Engels

genoemd?

Omdat het met de woorden begint, waarmede de Aartsengel Gabriel de Allerzaligste Maagd begroette, toen hij haar de tijding bracht, dat zij de moeder Gods zou worden.

Uit hoeveel deelen bestaat het Wees gegroet ?

Uit drie deelen: 1) Uit de woorden van den Aartsengel Gabricl; 2) uit de woorden van de H. Elisabeth; 3) uit het overige, dat de H. Kerk er bijgevoegd heeft.

Welke zjjn de woorden, die de Engel tot Maria sprak?

Wees gegroet, gij vol van genade 1 De Heer is met u ! Gezegend ztjt gij onder de vrouwen! (Luc. I, 28.)

Wat beduiden deze woorden?

De woorden: Wees gegroet, Maria ! drukken den grooten eerbied uit, dien de Aartsengel Gabricl voor de Allerzaligste Maagd koesterde en dien ook wij ten haren opzichte moeten voeden. De woorden: Vol van genade, zeggen ons, dat Maria meer genade dan alle andere menschen heelt ontvangen, niet alleen voor zich zelve, maar ook ten onzen voordeele; weshalve wij haar dan ook vurig behooren te bidden, dat zij ons, door hare machtige voorspraak, van God die genade ver-werve, welke wij voor ons zielenheil noodig hebben. De woorden: De Heer is met u, beteekenen, dat God een bijzonder behagen in haar schept en de wonderen zijner almacht, wijsheid en liefde in haar heeft uitgewerkt. Maria kon niets aan-genamers uit den mond des Engels vernemen, dan deze heuge-

717

ocr page 758

onderricht over het feest

lijke woorden: De Heer is met u. — Ach, mocht zij ons de genade verwerven, dat God ook met ons zij, dat Hij ons met zijne almacht bescherme, met zijne wijsheid bestiere en ons met zijne glorierijke liefde lot alle goed aanspore! Eindelijk de woorden gezegend zijt Gij onder de vrouwen zeggen zooveel als: Gij zijt de gelukzaligste onder alle vrouwen; geen enkele zondevlek heelt u besmet; gij zult moeder van God den Zoon worden, dien gij van den H. Geest ontvangen en baren zult, zonder uw maagdelijken slaat te verliezen.

Zóó groette een Engel de Allerzaligste Maagd Maria. En nochtans treft men menschen aan, die zich schamen Maria aldus te groeten en de gunsten te prijzen, die zij van God verworven heeft.

Welke zijn de woorden van de H. Elisabeth, en wat beteekenen zij ?

Toen Maria hare nicht Elisabeth bezocht, sprak deze de woorden: Gezegend zijt gij onder de vrouwen en voegde er bij: en gezegend is de vrucht uws lichaams (Luc. I, 42). Het woord gezegend of gebenedijd beteekent hier zoo veel als geloofd, gepre~ zen. Wanneer wij deze woorden in ons gebed uitspreken, dan wenschen wij Maria toe, dat het Goddelijk Kind, de vrucht haars.lichaams, van iedereen geëerd en aangebeden worde.

Welke woorden heeft de Kerk bjj het Wees gegroet

gevoegd?

Zij voegde duidelijkheidshalve bij de woorden gezegend is de vrucht uws lichaams het woord ,,Jesusquot;, waarmede zij beduiden wil, dat wij dit gebed ook aan God aanbieden in den naam van Jesus, opdat wij alles, wat wij in zijnen naam verlangen, zouden bekomen. Vervolgens leert ons de Kerk de voorbede van Maria inroepen door de volgende woorden: Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons, zondaars, nu en in het uur onzes doods. Amen.

Wat beteekenen deze woorden?-

Wanneer wij zeggen: Heilige Maria, dan denken wij er aan, dat Maria heilig is, dat ook wij naar een heilig leven moeien streven, zoo wij Gode gevallig willen zijn. Moeder Gods noemen wij haar, omdat zij Jesüs-Christus, den Zoon van God, ter wereld heeft gebracht. Daar zij evenwel slechts

718

ocr page 759

van maria-boodschap.

eene Heilige is, en niet, gelijk God, ons uit eigen macht helpen kan, zoo zeggen wij bid voor ons, waardoor wij haar om hare voorspraak bij God verzoeken. Wanneer wij zeggen zondaars, dan bekennen wij, dat wij zondaars en als zoodanig arme ongelukkige menschen zijn; derhalve bidden wij, dat Maria, door hare machtige voorspraak bij God, ons de genade verwerve, ware boetvaardigheid te doen, onze ziel steeds met meer deugden te verrijken, eu wij aldus ware rust en vrede mogen hekomen.

Eindelijk smeeken wij Maria voor ons te bidden nu en in het uur van onzen dood. Nu, opdat wij de geboden van God trouw mogen onderhouden; in het uur van onzen dood, opdat wij de bekoringen mogen overwinnen, de gevaren der laatste oogenblikken onzes levens ontwijken, een gelukkig einde bekomen, en in het oordeel Gods niet veroordeeld, maar in den Hemel opgenomen mogen worden. Amen beleekent: liet zij zoo.

Onderridat over liet gebed »de Engel des Hee-renquot; ook «Angelusquot; genaamd.

Waarin bestaat^het gebed, dat men de «Engel des Heerenquot; of »de Angelusquot; noemt?

Hierin, dat men vóór ieder der drie Wees gegroeten, yfe\kK men bidt, eenige woorden uit de H, Schrift zegt, die betrekking hebben op de menschwording van Christus. Aldus zeggen wij vóór het eerste Wees gegroet: De Engel des Heeren heeft aan Maria geboodschapt, en zij heeft ontvangen van den II Geest; vóór het tweede Wees gegroet herbalen wij de toestemming, die Maria aan den Engel gaf; Zie hier de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woord (Luc. I, 38); vóór het derde: En het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond (Joann. I, 14). Eenigen voegen hier nog bij: Zalig is de schoot, die U gedragen heeft, en de borsten, die Gij hebt gezogen (Luc. XI, 27). Het volgende gebed, dat de oefening sluit en gewoonlijk slechts verricht wordt wanneer «de Engel des Heerénquot; in de kerk wordt gebeden, luidt aldus: Bid voor ons, H. Moeder Gods, opdat wij der beloften van Christus waardig worden.

719

J m

i -■li

iii i m

ê\

If F

!•

'Éftj -f

-1

ipfj

M

Ttt 1

IKlIil I

'T. H

wil]

ocr page 760

onderricht over het feest

Gebed.

Wij bidden ü. o Heer, stort uwe genade in onze harten, opdat wij, die door de Boodschap des Engels de menschwor-ding van Jesus Christus uwen Zoon gekend hebben, door zijn kruis en lijden tot de verheerlijking der verrijzenis mogen geraken. Door denzelfden Christus onzen Heer. Amen.

Hoe dient de »Angelus gebeden te worden?

1) Met ingetogenheid, dat is langzaam en geknield.

2) Met leedwezen, omdat Christus om onzer zonden wille mensch is geworden.

3) Met godsvrucht, door met het hart nauwkeurig te overwegen, wat men met den mond uitspreekt.

Tot wat einde en hoe dikwijls wordt de Angelus gebeden?

Driemaal daags: des morgens, des middags en des avonds, en wel 1) om de menschwording van Christus te vereeren en té aanbidden; 2) om de moederlijke bescherming der Allerheiligste Maagd over ons, tegen alle zichtbare en onzichtbare vijanden, in te roepen, 3) om langs dezen weg ons de gelegenheid ten nutte te maken, van dagelijks onze goede werken te vermeerderen. (1)

Groet aan Maria

Wees gegroet, Maria, vol van genade; ik verheug mij met u, en roem u overgelukkig, omdat gij tot Moeder des Allerhoogsten en Koningin van Hemel en aarde verheven zijt geworden. Met n is de Vader van wien de Zoon, dien Gij ontvangen hebt, in eeuwigheid geboren is. Met U is de Zoon,

(1) Alwie 's morgens, 's middags of 's avonds bij het kleppen der klok de «Engel des Heerenquot; knielend en met een rouwmoedig hart bidt, kan ieder maal honderd dagen aflaat verdienen. Wie deze oefening dagelijks gedurende eene maand verncht, kan op één dag naar verkiezing een vollen aflaat verdienen, mils hij bieehte, communiceere en lot intentie Zijner Heiligheid bidde.

Bemerking. Dit gebed moet geknield gedaan worden, behalve des Zaïerdags avonds en des Zondag-;. Gedurende den Paasehiijd, dat is van Paschen tot H. Drievuldigheid - Zondag, bidt men, in de plaats van de Angelus, het Regina Cali. Zij, die dil gebed niet kennen, kunnen de gemelde aflaten ook verdienen, door de Angelus slaande te bidden. Deze aflaten kunnen ook verdiend worden len tijde van het Jubilé. (Benedic-tus XIV. 1742.)

720

ocr page 761

der zeven smarten van maria.

dien Gij in uwen maagdelijken sciioot hebt gedragen. Met ii is de H. Geest, door Wiens almacht gij overschaduwd wordt. Daarom zijt gij gezegend boven alle vrouwen. Gij zijt de vreugde des Hemels, het sieraad van Gods Kerk. Bid voor ons nu en in het uur va« onzen dood. Amen.

Onderriclit op den feestdag der zeven smarten

van Maria.

(Vrijdag vóór Palmzondag.)

Bij den Inganf/ der Mis. Bij Jesus' kruis stonden zijne Moeder, en de zuster zijner Moeder, Maria van Cleophas en Salome eu Maria Magdalena (Joann. XIX).

«Vrouwe, zie uwen Zoonquot;, zeide Jesus, en tot den Uisci-pei: «Zie uwe moeder.quot; Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

0 God, bij wiens lijden de liefderijke ziel der roemrijke Maagd en Moeder Maria, volgens de voorzegging van Simeon, door het zwaard der smarten is doorsloken geworden, verleen ons genadig, dat wij, die hare smarten en haar lijden met eerbied vieren, door hare glorierijke verdiensten en door de gebeden en de voorspraak van alle Heiligen, die naast uw kruis stonden, aan het zalig uitwerksel uws lijdons mogen deelachtig worden. Gij, die leeft en heerscht, enz.

EPISTEL; Les uit het Boek Judith, XIII, 22-25.

De Hoer heelt u door zijne kracht gezegend, want door u heeft Hij onze vijanden vernietigd. Dochter, gezegend zijt gij, boven alle vrouwen dos aardrijks, door den Heer, den hoogverheven God. Gezegend zij de Heer, die Hemel en aarde geschapen heeft, want heden heeft Hij uwen naam zóó verheerlijkt, dat uw lof in eeuwigheid niet wijken zal uit den mond der menschen, die de macht des Heeren indachtig 7iju voor welke, om der benauwdheid en des druks wille van uw volk, gij uw leven niet gespaard, maar hunnen ondergang voorkomen hebt vOór hot aanschijn van onzen God.

721

46

ocr page 762

onderricht over het feest

722

STABAT MATER.

Schreiend naast het kruis gebogen, Stond de Moeder, diep bewogen. Daar de Zoon doornageld hing. En Haar in het zuchtend harte. Krimpende van wee en smai te, 't Zevenvoudig slagzwaard ging. O hoe droevig, hoe vol rouwe Was die zegenrijke Vrouwe, Om Gods cengeborcn Zoon ;

En wat folieringen leed Zij,

Bij des Reinsten smaad en hoon O wie kan zijn tranen houên. Bij het vreeselijk aanschouwen,

Hoe haar boezem openrijt? Wie kan zonder mee le weenen, Chrislus' Moeder hooren stenen. Daar Zij met haar Zone lijdt? Ach, voor uwe en mijne zonden, Zag Zij Jesus dus doorwonden;

Door de wreede gecselslraf; 't Dierbaar Kind zag Zij hier lijden.

Tot Hij God den geest hergaf. Geef, o Moeder van genade ! Dat ik al, wat U belaadde.

Met U drage, en mei U ween! Dal de liefde mij doorblake. En ik Chrislus minnend nake. Hem behage. Hem-alleen!

Reine Moeder, druk de smarle Van hel lijden in mijn harle.

Dat den Krulling nederboog! Dal ik al, wal Hem doorwoelde. Al de wonden, die Hij voelde. Met IJ lijdend deelen moog ! Mocht ik klagen, al mijn dagen. Innig al die smarten dragen. Tol het leven mij ontvlucht!

Ach, hoe streed Zij! ach, hoe kreet Zij Willig U naar 't kruis te leien.

Met U siddren, met U schreien,

Is mijn leêrsle boezemzucht.

Maagd, der Maagden, nooit volprezen, Wierd mij deze gunst bewezen.

Dal ik aan uw zijde klaag!

Doe mij strijden, doe mij lijden Chrislus' striemen langs de zijden.

Waar ik eeuwig van gewaag!

Wierd me een deel dier pijn geschonken! Make 't Kruis mij vreugdedronken.

Door de liefde van uw Zoon !

'k Voel mijn ziel in vlam gerezen:

Gansch - alleen dendoodkamp strijden, Wil Gij dus mijn voorspraak wezen,

Als ik sta voor 's Rechters troon ! Maak, dat mij het Kruis beware. Pat mij Chrislus' slervcn spare, In de schaauw van zijn gena! En, zal eens mijn lichaam sterven. Doe mijn ziele dan beërven 't Heerlijk Paradijs hierna !


Evangelie volgens den H. Joamses XIX. 2o-27.

In dien tijd stonden bij Jesus' kruis zijne Moeder en de zuster zijner Moeder, Maria van Cleophas, en Maria Magdalena. Als Jesus dan zijne Moeder, en den Discipel, dien Hij lief had, staan zag, sprak Hij tot zijne Moeder: Vrouwe! Zie^ uw zoon! Daarna sprak Hij tot den Discipel; Zie, uwe Moeder! En van die ure nam de Discipel haar tot zich.

Verklaring. Thans is vervuld geworden, wat Simeon van Maria zeide: U zelve zal een zwaard door de ziele gaan (Luc.II,35). Het gevoel van droefheid doorgriefde hare ziel, want hare deelneming in het lijden haars Goddelijken Zoons, viel haar pijnlijker, dan alle lichamelijke smarten of wonden. Daarom

ocr page 763

beschermfeest van den h. jozef.

noemt de H. Beunardus Maria eene martelares naar de ziel, en zegt: haar Goddelijke Zoon stierf naar het lichaam, maar Zij stierf op een geestelijke wijze naar liet hart met Hem. De oorzaak, zoo voegt hij er bij, van den dood des Zaligmakers en van den dood zijner smartvolle Moeder was ééne en dezelfde, namelijk de liefde tot ons menschen. Daar Jesus zijne Moeder en Joannes bij het kruis zag staan, sprak Hij: Vrouwe, zie uw zoon, enz. Zóó predikte Hij nog van het krnis af, en toonde door zijn voorbeeld, dat de kinderen hunne ouders moeten beminnen en voornamelijk in hunnen ouderdom zorg voor hen moeten dragen.

Onderriclit over liet quot;bescliermfeest van den H. Jozef.

Dorden Zondag na Pasclicn.

Deze feestdag is door Zijne Heiligheid Paus Pius IX ten jare 1847 ingesteld, om de vereering en godsvrucht der ge-loovigen jegens den voedstervader van Jesus en bruidegom der Onbevlekte Maagd Maria aan te moedigen. Den 8 December 1879 verhief dezelfde Paus (Decreto Urbiset Orbis) den H. Jozef tot Patroon der H. Kerk en stelde haar daardoor onder de bijzondere bescherming van dien Heilige.

Bij den Ingang der Mis. (Psalm XXXH.) De Heer is onze helper en beschermer; in Hem zal zich ons hart verblijden, en in zijn Heiligen Naam hebben wij gehoopt. Alleluia, alleluia, (Psalm LXX1X.) Aanhoor, Gij, die Israel bestiert, Gij, die Jozef als een schaap leidt. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

O God, die door nw onuitsprekelijke voorzienigheid, ü gewaardigdhe bt, deai H. Jozef tot bruidegom uwer Allerheiligste Moeder uit te kiezen, verleen, bidden wij ü, dat wij waardig worden, hem als voorspreker te hebben in den Hemel, dien wij op aarde als beschermer vereeren. Die leeft en heerscht met God den Vader, enz.

EPISTEL: Les uit het boek Genesis XLIX, 22-26.

Een aanwassende zoon is Jozef, een aanwassende zoon, en schoon van aanzien; de dochters liepen rond op den muur. Doch zij die schichten hebben, verbitterden hem, twistten met

723

ocr page 764

onderricht over het feest

hem en waren nijdig op hem. Zijn boog rustte op den sterke, en de boeien zijner armen en handen werden geslaakt door de hand des machtigen van Jacob; daaruit toog de herder voort, de steen van Israel. De God uws vaders zal uw helper zijn, en de Almachtige zal u zegenen, met de zegeningen des Hequot; mels van boven, met de zegeningen der diepte van onder, met de zegeningen der borsten en des moederschoots. De zegeningen uws vaders zijn versterkt door de zegeningen zijner vaderen, totdat het verlangen komt der eeuwige heuvelen. Dat zij komen op het hoofd van .Iozef en op de kruin des Nazereërs tusschen zijne broeders.

Evangelie volgens den 11. Lucas III, 21-25.

In dien tijd geschiedde het^ toen al het volk gedoopt werd, dat, als ook Jesus gedoopt was, en had, de Hemel zich opende: en de Heilige Geest daalde op Hem neder, in lichamelijke gedaante, als eene duive; en eene stem kwam uit den hemel: Gij zijt mijn welbeminde Zoon, in U heb ik mijn welbehagen. En Jesus zelf was, als Hij aanving, omtrent dertig jaren oud, zijnde, naar men meende, de zoon van Jozef.

Gebed tot den H. Jozef.

(Te bidden in de maand October na den Rozenkrans, voorgeschreven en met een aflaat van 7 jaren en 7 quadragencn verrijkt door Z. [I. Paus Leo XIII. Gedurende het gcheele jaar, kan, door dit gebed, eenmaal daags, een aflaat van 500 dagen verdiend worden, die ook loevoegclijk is aan de zielen des vagevuurs.)

Tot u, gelukzalige Jozef, nemen wij onze toevlucht in onzen nood, en na de hulp uwer allerzaligste Bruid te hebben ingeroepen, smeeken wij met vertrouwen ook uwe bescherming af, door die liefde, welke u aan de onbevlekte Maagd en Moeder Gods verbonden heeft; en door die minne, waarmede gij het Kind Jesus zoo vaderlijk verzorgd hebt, bidden wij u ootmoedig, dat gij op het erfdeel, 'l welk Jesüs-Christus, door zijn bloed verworven heeft, goedgunstig nederziet en onze noodwendigheden met uwe macht en uwen bijstand te hulpe komt.

Bescherm, o allerzorgzaamste Bewaarder der goddelijke Familie, het uitgelezen kroost van Jesus-Christus; verwijder

7-24

ocr page 765

VAN H. KRUISVINDING.

van ons, liefderijkste Vader alle besmetting van dwaalleer en zedebederf; sta ons genadig van uit den Hemel bij in dezen strijd met de macht der duisternissen, gij onze allersterkste Behoeder; en gelijk gij eertijds liet Kind Jesus uit liet grootste levensgevaar gered hebt, zoo verdedig thans Gods Heilige Kerk tegen de vijandelijke hinderlagen en allen rampspoed; bescherm eenieder onzer met uw voortdurenden bijstand, opdat wij naar uw voorbeeld en door uwe hulpe gesteund, heilig leven en godvruchtig afsterven eu de eeuwigdurende gelukzaligheid in den Hemel verwerven mogen. Amen.

Onderriclat over liet feest van H. Kruisvinding.

5 Mei.

Waarom wordt dit feest kruisvinding genoemd?

Omdat de Katholieke Kerk dan de jaarlij ksche gedachtenis viert van den dag, waarop de H. Helena, moeder van keizer Constant!gt;us, het kruis, waaraan Jesus-Christcs stiert en ons verloste, terug vond, nadat het gedurende langen tijd verloren was geweest.

Waar is hec H. Kruis tot aan zijne wedervinding geweest?

Keizer Adiiiainus had do plaats, waar Jesüs-Ciiristus gestorven en begraven was, niet alleen ontheiligd, maar ze ook tevens onkenbaar zoeken te maken. De opening van het H.Graf, waarin men hel H. Kruis geborgen had, was gevuld geworden, en de Heidenen hadden op de plaats er van een Venus-tempel gebouwd, om ze aldus in volslagene vergetelheid te doen geraken.

Hoe vond de H. Helena het Kruis?

Nadat Keizer Constantinüs, haar zoon, zijnen tegenstander Maxentius gelukkig overwonnen had, door hot H. Kruis, dat hij aan den hemel had zien schitteren en waarbij te lezen stond: In dit teeken zult gij overwinnen, vatte hij eene zóó groote hoogachting voor het H. Kruis op, dat hij het door het gansche Romeinsche rijk deed vereeren. Hij verbood, dat voortaan nog iemand door den kruisdood zoude gestraft worden en nam het besluit eenen prachtigen tempel te Jerusalem, ter eere van het H. Kruis, te doen bouwen. Zijne moeder, de H. Helena, die in haren hoogeu ouderdom Rome verlaten en zich naar Palestina

728

ocr page 766

ONDERRICHT OVER HET FEEST

begeven had, ondernam, bijgestaan door den H. Macarius, Bisschop van Jerusalem, de heilige plaats, waar Jesus begraven was, op te sporen. Na de omgeving van het puin gezuiverd, en de noodige opgravingen gedaan te hebben, gelukte het haar de spelonk van het H. Graf in de steenrots te ontdekken. In de nabijheid daarvan vond men drie kruisen, alsook de spijkers en liet opschrift, dat aan het kruis gehecht was geweest. Om nu het ware Kruis van de twee andere te onderscheiden, liet de H. Macarius, na openbare gebeden verzocht te hebben, een gevaarlijk zieke vrouw deze kruisen het eene na het andere aanraken. De twee eerste hadden volstrekt geen uitwerksel op haar, maar nauwelijks had zij het derde aangeraakt ot zij werd plotseling gezond. Thans was men verzekerd, dat dit het ware kruis des Zaligmakers was. Helena zond de nagels en een gedeelte van het H. Kruis naar haren zoon Constantinus te Constantinopel, liet het grootere gedeelte des Kruises in ' goud en edelgesteente zetten, en deed hel, in een prach-tigen tempel te Jerusalem, dien zij volgens den wil van haren zoon Constantinus op de plaatse zelve bouwde, waar het H. Kruis gevonden was, openlijk ter vereering ten toon stellen. Verscheidene stukjes zijn van het H. Kruis afgenomen en schier over de gansche wereld verspreid, om door de geloovigen vereerd te worden als het geheiligde werktuig, waaraan de Zoon Gods onze verlossing voltrok, de hel overwon en ons alle genaden des Hemels verwierf.

Groet der H. Kerk aan bet H. Kruis.

O glorierijk en eerwaardig Kruis, kostbaar hout, wonderbaar teeken, waardoor de zonden, de duivel en de hel overwonnen zijn en de wereld met het bloed des Zaligmakers verlost is. Gij zijt verheven boven alle boomen van het cederwoud; aan u heeft het Leven der wereld gehangen, aan u heeft de Verlosser gezegevierd, en aan u heeft Hij door zijnen dood den dood voor eeuwig overwonnen. Alleluia. Wij aanbidden en loven U, Christus! omdat Gij door uw kruis de wereld verlost hebt.

De Ingang der Mis. (Ad Gal.) Wij moeten roemen in het Kruis van onzen Heer Jesus-Christus, in wien heil, leven, eu onze verrijzenis is, door wien wij verlost en bevrijd zijn.

726

ocr page 767

VAN H. KRUISVINDING.

Alleluia, alleluia. (Psalm LXVI.) God zij ons barmhartig, en zegene ons; Hij beschijue ons met zijn aanschijn en zij ons genadig. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

ü God, die door de luisterrijke wedervinding van uw heilaanbrengend Kruis, het wonder uws lijdens hebt vernieuwd, verleen ons, dat wij, door den prijs van den boom des levens, tot de vreugde des eeuwigen levens mogen geraken. Gij die leeft, enz.

EPISTEL: Les uit den Brief van den H. Paulus aan de Philippensers II, 5 11.

Zie Palmzondag, alsmede de verklaring ervan biadz, 5S5.

Evangelie volgens den H. Joannes 111, 1-15.

In dien tijd was er een niensch uit de Parizeen, met name Nkodemus, een overste der Joden. Deze kwam tot Jesus bij nacht, en zcide lot Hem: Rabbi: wij weten, dal Gij een leeraar zijl, van God gekomen; wanl niemand kan deze wonderen doen, die Gij doet, tenzij God met Hem is. Jesus antwoordde, en sprak tol liera: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Tenzij iemand opnieuw geboren worde, kan hij hel Rijk Gods niet zien. Nicodemus zeide tot Hem: Hoe kan een mensch, als hij oud is, wedergeboren worden? kan hij ook andermaal in den schoot zijner moeder ingaan, en wedergeboren worden? Jesus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Tenzij iemand wedergeboren worde uit waler en den Heiligen Geest, kan hij in het Rijk Gods niet ingaan. Heigeen uit het \lcesch geboren is, is vleesch, en hetgeen uit den Geest geboren is, is geest. Verwonder u niet, dal Ik nagezegd heb : Gij moet wederom geboren worden. De wind blaast, waar hij wil; en gij hoort zijn geluid, maar weet niet, van waar hij komt, of waar hij heen gaat; alzoo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is. Nicodemus antwoordde, en zei-de lot Hem: Hoe kan dit geschieden? Jesus antwoordde,

727

ocr page 768

ONDERRICHT OVER HET FEEST

en sprak tot hem: Gij zijt een leeraar in Israel, en weet dit niet? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u; Wat wij weten, spreken wij, en wat wij gezien hebben, getuigen wij:, en gij neemt onze getuigenis niet aan. Indien Ik u het aardsche gezegd heb, en gij niet gelooft: hoe zult gij, als Ik u het hemelsche zeg, gelooven? En niemand is in den Hemel opgevaren, dan die uit den Hemel is nedergedaald, de Zoon des mensehen, die in den He-mol is. hn gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heelt, alzoo moet de Zoon des menschen verhoogd worden: opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar het eeuwige leven hebbe.

Korte verklaring. Jesus zegt in dit Evangelie, dat alwie het Rijk Gods wil binnengaan, herboren moet worden. Deze wedergeboorte hangt af van het geloof in den Zoon Gods, en hoofdzakelijk van het geloof in zijnen dood, dien Hij, te onzer verlossing, onderging en waardoor Hij ons de levendmakende en ongeschapene genade des H. Geestes heeft verdiend. — Houden wij derhalve aan het geloof in den Zoon Gods, opdat wij, door den H. Geest, herboren en waardig worden het Rijk Gods binnen te gaan.

Katectietisclie vragen over liet H, Kruis.

Waarom wordt het Kruis des Zaligmakers in groote eere gehouden?

1) Omdat het Kruis het altaar is geweest, waarop de Verlosser zich voor ons heeft opgeofferd. 2) Wijl het Kruis het werktuig is geweest, waardoor Hij onze verlossing voltrokken heeft. 3) Omdat het is de glorievolle en de met het bloed des Zaligmakers besproeide banier, waarmede de duivel overwonnen is, en nog steeds overwonnen wordt.

Het Kruis, zegt de H. Chrysostomus, heeft de gramschap Gods tegen de menschen gestild, de verzoening bewerkt, de aarde in een hemel veranderd, de menschen met de Engelen verbonden, het rijk des doods vernietigd, de kracht des duivels

728

ocr page 769

VAN H. KRUISVINDING.

verbroken, de macht der zonden verdelgd, de wereld van dwaling bevrijd, de waarheid teruggebracht, de booze geesten verdreven, de afgodentempels gesloopt, hunne altaren omvergehaald, den rook hunner offers verstrooid, de deugden geplant en de kerken gevestigd. Het Kruis is de wil des Vaders, de eer des Zoons, de vreugde des H. Geestes, en de roem der Apostelen. Het Kruis is klaarblinkender dan de zon, glansrijker dan de zonnestraal. Al wordt de zon verduistert, dan schittert het Kruis nog, en de zon wordt overschaduwd, omdat zij door den glans des Kruises overtroffen wordt. Het Kruis heeft het handschrift, dat ons vijandig was, uitgewischt (Coll.II,14), den kerker des doods vernield, en ons Gods liefde in volle mate getoond. Het Kruis is een oninneembare vesting, een onverwinnelijk schild, do zekerheid der rijken, het geluk d'ïr armen, de schuilplaats der vervolgden, de wapenrusting der aangevallenen, de bevrijding uit het lijden, de grondslag der deugd en het heerlijk wondervolle teeken bij uitnemendheid. Het Kruis heeft het Paradijs weder geopend, den goeden moordenaar ingang verleend, en het menschelijk geslacht, dat op het punt stond \an verloren te gaan en der aarde niet meer waard was, waarop het rustte, het Hemelrijk doen binnengaan. Zooveel goeds viel ons, en valt ons voortdurend door het Kruis ten deel.

Mag men het Kruis des Zaligmakers ook aanbidden ?

Volstrekt niet. De aanbidding komt Gode alleen toe, en zoo de Kerk ook somwijlen soortgelijke woorden gebruikt, die eene aanbidding beteekenen, ol ons heil aan het Kruis toeschrijven, gelijk in de bovenstaande verklaring, dan hebben deze woorden enkel en alleen op Christus betrekking, die ons, door hei Kruis, verlost heeft en daarom onze dankbaarste aanbidding verdient.

Hoe zal men het Kruis het best mogeltyk vereeren?

1) Door het, volgens hetgeen wij boven gezegd hebben, als het werktuig en de bron onzes heils te erkennen en hoog te schatten. 2) Door zich openlijk met het Kruis te teekenen, en zich niet te schamen zich als een waar vereerder des Gekruisten te gedragen. 3) Door het Kruis te beminnen, dat

729

ocr page 770

ONDERRICHT OVER HET FEEST

is, door de wederwaardigheden, die God ons overzendt, geduldig, volgaarne en met vreugde te verdragen en aldus naar de leer van Christus (Luc. IX, 23) dagelijks zijn kruis op te nemen en Hem te volgen.

Waarom worden langs wegen en straten Kruisen geplant ?

Om ons gedurig aan den Zaligmaker en zijn smartvol lijden te herinneren, en ons tot dankbare liefde op te wekken naar de leer van den H. Paulus: Laat ons zien op Jesus, die om de vreugde. Hem voorgesteld, het Kruis heeft verdragen, de schande verachtende, en ter rechterhand van Gods troon gezeteld is (Hebr. XII, 2).

Waarom wordt het Kruis bij bedevaarten, processiën, enz., openlik rondgedragen?

Dit geschiedt, om onze tegenstanders te beschamen, om ons openlijk als vereerders van den gekruisten Zaligmaker voor te doen, en te doen zien, dat wij onzen roem in het Kruis stellen, gelijk Paulus zegt: Van mij zij het verre te roemen, dan op het Kruis van onzen Heer Jesus Christus, door Wien de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld (Gal. VI, 14).

Doen onze tegenstanders kwaad, met het Kruis des Verlossers zoo vijandig te zijn?

Zonder twijfel, want de H. Apostel Paulus zegt: Velen wandelen, van wie ik u dikwijls zeide (en nu ook weenende zeg) dat zij vijanden zijn van het Kruis van Christus; wier einde bederf, wier God hun buik en wier eer in hunne schande is, die op het aardsche hunne Zinnen stallen (Philip, jlll, 18-19).

Waarom maken wy het teeken des H. Kruises?

1) Om te toonen, dat wij Christenen en aanhangers des Gekruisten zijn, dus geene gemeenschap hebben niet de vijanden des Kruises. 2) Om onze geloofsbelijdenis in de H. Drie-ëenheid af te leggen, gelijk reeds vroeger breedvoeriger gezegd is. 5) Ter vereering en dankbare herinnering aan het lijden en sterven des Zaligmakers, die ons door zijnen kruisdood verlost, en alle goed verworven heeft. 4) Om den duivel en al zijne bekoringen te overwinnen. De duivel schuwt het Kruis, waardoor hem zijne macht ontrukt is, en wordt 'door geen middel gemakkelijker verdreven dan door het Kruisteeken,

730

ocr page 771

VAN H. KRUISVINDING.

Het Kruisteeken, zegt de H. Ignatius, is het teeken der overwinning, behaald op de macht van den prins dezer wereld; wanneer hij dit teeken ziet, dan siddert hij. 't Is ook hierom, dat de H. Kerk bidt: Door liet teeken des H. Krnises, verlos ons van onze vijanden, o Heer, onze God. S) Eindelijk om onze bezigheden gelukkig te verrichten, en tegen alle onheilen naar ziel en lichaam, door de verdiensten van Christus, bewaard te blijven.

Is het Kruisteeken reeds een oud gebruik?

De Kerkvaders der oudste eeuwen maken reeds melding van dit gebruik en verklaren, dat het van de Apostelen afkomstig is. Zij vermanen de Christenen zich steeds met het Kruis te teekenen, hetzij zij eten, drinken of uitgaan, zitten of spreken, in één woord, bij al hunne bezigheden, maar vooral zich, door het Kruisteeken, onder de Goddelijke bescherming te stellen, wanneer de bekoring hen overvalt, ten einde van de verderfelijke aanvallen des boozen vijands bevrijd te blijven.

Waarom maakt de Friester, tqj de godsdienstplechtigheden, het Kruisteeken over het volk?

Opdat de Christenen aan de rijke zegeningen der genade deelachtig worden, die Christus ons door zijn Kruis heeft verworven, gelijk de H. Paulus zegt: Gezegend zij God en de Vader van onzen Heer Jesus Christus, die ons met allen geestelijken zegen in den Hemel gezegend heeft in Christus (Ephes. 1,3.) Een afbeeldsel van dit gebruik gaf ons de Oudvader Jacob, toen hij de twee zonen van Jozef, Efraim en Manasse, met zijn twee handen, kruiswijze over elkaar gelegd, zegende. Dit gebruik is in de Kerk reeds zeer oud; in de Kerkvergadering van Agde, in het jaar S06, werd reeds een gebod uitgevaardigd, dat hel volk, lia de gebeden des Priesters, met den zegen zon heengezonden worden.

Waarom maakt men, by het Evangelie in de Mis, het het Kruisteeken op voorhoofd, mond en borst?

Opdat God ons door de kracht des Krnises of door de verdiensten van Christus, de genade moge schenken, 1) om het Evangelie met het verstand te vatten en^ ons daarover niet te schamen; daarom teekenen wij het Kruis op het voorhoofd;

731

ocr page 772

onderricht over het feest

2) om het Evangelie met den mond te belijden, opdat Christus ons ook eenmaal bij zijn Heme'schen Vader moge belijden; le dien einde wordt het Kruisleeken op den mond gemaakt;

3) om het Evangelie met het hart te beminnen en de voorschriften er van te volgen; met die meening wordt het Kruis-teeken op de borst gemaakt.

Gebed voor een Kruisbeeld.

O goede en allerzoetste Jesüs, zie mij in uwe tegenwoordigheid neêrgeknield; ik bid en smeek [], met de grootste vurigheid mijns geesten, dal Gij LT gewaardigt in mijn hart te drukken: levende gevoelens van geloof, hoop, liefde, en een waar berouw over mijne zonden en een vasten wil, om mij daarvan te beteren; terwijl ik, met groote aandoening en droefheid, uwe vijf wonden bij mij zei ven overweeg en in den geest aanschouw; voor oogen bebbende, hetgeen de Profeet üavid reeds van U, o goede Jesus, zeide: Zij hebben mijne handen en voeten doorboord, zij hebben al mijne heenderen geteld. Amen* (Ps. XXI, 17-18.) i)

Kort onderricht over de oefening van den H. Kruisweg.

De H. Kruisweg is eene door den Pauselijken Stoel zeer aanbevolen en herhaaldelijk goedgekeurde oefening, waarin men het bitter lijden van onzen Heer Jesus-Christus, en meer bijzonder zijn laatslen lijdenstocht naar den Kalvarieberg, op die wijze overweegt, gelijk die van oudsher te Jerusalem gebruikelijk is.

Deze oefening wordt de Kruisweg genoemd, dewijl men daardoor met de gedachten volgt en bij zich zeiven overweegt het gansche lijden van Christus en meer bepaaldelijk den laat-sten weg, dien Hij, zijn kruishout sleepende, aflegde van het gerechtshof van Pilatüs, tot de plaats, waar Hij zijn smartvol leven eindigde.

De plaatsen, die door het lijden des Zaligmakers geheiligd zijn, werden, van de vroegste tijden af, door de Christenen met

1) Zij, die, na gebiecht cn waardig gei-ommunioeerd le hebben, dit gebed met godsvrucht cn een rouwmoedig ban, voor een kruisbeeld storten, kunnen een vollen aflaat verdienen, loevoegclijk aan de zielen in het vagevuur, mits zij er de gewone gebeden bijvoegen volgens de meening der H. Kerk (Pius VII. 4821).

752

ocr page 773

van h. kruisvinding.

de grootste godsvrucht en diepsten eerbied bezocht; van de verst afgelegene oorden der wereld zag men talloozo pelgrims derwaarts komen. Dewijl echter Jerusalem, in latere lijden, in de macht der ongeloovigen viel, en het buitendien aan vele geloovigen eene onmogelijkheid was, eene bedevaart daarheen te ondernemen, plaatste men, om zoo te spreken, den Kalvarie-berg in de nabijheid van iedere Christen gemeente. Men koos namelijk eenen weg, die naar eene hoogte leidt. Deze hoogte noemde men Kruisberg of Kalvarieberg; op den weg zeiven plaatste men van afstand tot afstand beelden, die de verschillende gebeurtenissen van het lijden des Zaligmakers voorstellen, zooals ze ons de H. Evangelisten en de getrouwe overlevering verhalen; somtijds ook stelde men deze beelden eenvoudig in de kerken ten toon. De plaats, waar zoodanig beeld stond» of ook de beeltenis zeiven, werd stafje of standplaats genoemd. Doorgaans zijn zij ten getale van veertien. Somtijds vindt men er ook vijftien, welke laatste dan de vinding van het H. Kruis door de H. Helena voorstelt.

Hoe moet men den Kruisweg bidden?

Met een rouwmoedig hart, met oplettendheid en aandacht. Jesüs heeft om onze zonden willen lijden, derhalve is het zaak, dat wij bij het bidden van den Kruisweg, een oprecht berouw over onze zonden verwekken. Wanneer de Kruisweg door ern daartoe machthebbenden Priester is ingewijd, kan men daaraan alle aiiaten verdienen, door de Pausen van Rome vergund aan hen, die te Jerusalem de plaatsen bezoeken, welke door het lijden en den dood des Verlossers geheiligd zijn. Maar om die aflaten te verdienen, moet men in slaat van genade zijn; dus is het beste, dat men den Kruisweg bidt op die dagen, waarop men zich door een rouwmoedige biecht met God verzoend heeft. Heeft men evenwel geene gelegenheid van eerst te biechten., en Avil men toch don H. Kruisweg bidden, dan verwekke men ten minste eerst een volmaakt berouw over zijne zonden. — Eindelijk moet men met groote oplettendheid overwegen, wat Christus voor ons geleden heeft, een diepen afkeer van de zonden opvallen, een oprechte liefde lot Jesus in zijn hart opwekken en hel vaste voornemen maken, voorl-

733

ocr page 774

onderricht over het feest

aan den weg des kruises te bewandelen, waarop de Zalig-maker ons is voorgegaan.

Waarom dient men den H. Kruisweg met zooveel yver te beoefenen?

Niet alleen wegens de aflaten, die men daardoor kan verdienen, maar ook lioofdzakelijk, wijl daardoor de gedachte aan het lijden onzes Verlossers Jesus-Ghristüs vernieuwd wordt, alsmede omdat er, behalve de H. Mis en de H. Communie, geen andere oefening bestaat, waarbij wij ons het lijden en den dood des Zaligmakers beter kunnen voorstellen, dan bij de oefening van den H. Kruisweg.

Is dan de overweging van'het lijden van Christus zoo byzonder heilzaam en nuttig?

Luister, wat hieromtrent de H. Bernardus zegt: Er bestaat waarlijk niets, dat zoo bekwaam is, om onze gedachten tegen de aanvallen en de besmetting der zonden te vrijwaren, en de zuiverheid van zeden te bewaren, als een gedurige overweging van het lijden des Zaligmakers. — Even zoo schrijft de H. Augustinus: Welke hoogmoed, welke gierigheid, welke gramschap, kunnen beter dan door de ootmoedigheid, door de armoede, door het geduld van den Goddelijken Zoon genezen worden? En de gelukzalige Joannes van het Kruis roept uit: Werd de overweging van het lijden en den dood van Christus maar een weinig in de wereld beoefend, gewis, men zoude zoovele teugellooze driften en zulken diepen en herhaalden val in de zonde niet te betreuren hebben.

OnderricM op het feest van liet H. Hart van

Jesus

De godsvrucht tot het H. Hart van Jesus is, zoowel in haar doel als in hare oefeningen, lofwaardig en heilig; zij is Gode ten hoogste aangenaam en voor de geloovigen eene bron van zegen en genade. In vroegere tijden was die godsvrucht slechts het geheim der heiligste zielen, maar toen de ketters der 16de eeuw Jesus in zijn Goddelijk Sakrament van liefde ont-eerden en smaadden ontstond bij vele godvruchtige zielen het verlangen Jesus, zoo veel mogelijk, vergoeding te geven voor dien smaad, door zijn Heilig Hart, den zetel zijner liefde, op

734

k

ocr page 775

van het h. hart van jesus.

een bijzondere wijze te vereeren. Omstreeks dien tijd leefde in het klooster der Visitatie, te Paray-le-Monial, in Bonrgondië de zalige Maagd Margaretha Maria Alacoqüe. Als zij op zekeren dag, voor het altaar, in aanbidding en in de overweging der gren-zenlooze liefde van Jesus tot ons zondaren, diep verzonken lag, hoorde zij, bij een wonderbaar gezicht, een inwendige stem die haar aanspoorde de vereering van het Allerheiligste Hart, van Jesus te bevorderen; doch haar werd tevens gezegd, dat zij, wegens de uitbreiding dier godsvrucht, veel te lijden zou hebben. En waarlijk slechts door zwaar lijden en diepe vernedering, mocht zij er in slagen, de godsvrucht tot het H. Hart van Jesus te vestigen en uit le breiden. God toonde nu weldra, door menigvuldige mirakelen, hoe aangenaam Hem deze godsvrucht is; en de Kerk, de bruid van Jesus, moedigde ze aan, door vele aflaten, waarmede zij de trouwe vereerders van het H. Hart van Jesüs begunstigde. Geen wonder, dat die godsvrucht in een zeer kort tijdbestek, door bijna geheel de wereld verspreid was. Het Allerheiligste Hart van Jesus, dat wij vereeren, is de zetel van zijne neigingen en gedachten, van zijne gevoelens, wenschen en liefde jegens ons zondaren, en van zijn verlangen naar onze zaligheid.

De Ingang der Mis. Jerem. III. Hij zal Zich ontfermen, volgens de menigte zijner erbanningen; want volgens de neiging van zijn hart, heeft Hij niet vernederd, noch de kinderen der menschen verworpen; de Heer is goed, jegens hen, die op Hem hopen, jegens de ziel, die Hem zoekt. Alleluia, alleluia. Psalm LXXXVIU. Ik zal de barmhartigheden des Heeren in eeuwigheid zingen; van geslacht tot geslacht. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Wij bidden U, almachtige God, verleen ons, die in het Allerheiligste Hart van uw welbeminden Zoon, ons verheugen en de uitstekende weldaden zijner liefde tot ons ondervinden, dat wij ons gelijkelijk over de uitwerksels en de vruchten ervan verblijden mogen. Door denzelfden Heer Jesus-Christus, enz.

EPISTEL: Les uit den Profeet Isaias XII, 1 — 6.

Ik zal U belijden. Heer, want Gij zijt toornig op mij geweest; uwe gramschap heeft zich gekeerd, en Gij hebt mij ge-

755

ocr page 776

onderricht over het feest

troost. Zie, God is mijn Verlosser, ik zal met betrouwen handelen, en niet vreezen; want mijne sterkte en mijn roem is de Heer, en Hij is mij tot iieil geworden. Gij zult water scheppen met vreugde uit de bronnen des Verlossers; en gij zult zeggen in dien dag: Belijdt den Heer, en roept zijnen naam in;.... gedenkt dat zijn naam verheven is. Bezingt den Heer, want Hij heeft heerlijk gedaan; verkondigt dit over de gan-sclie aarde. Jubelt en juicht, inwoners van Sion, want groot in uw midden, is de Heilige van Israël,

Evangelie volgens den H. Joannes XIX, 31-33.

In dien tijd, omdat het de dag der voorbereiding was, opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op den Sabbat, (want die Sabbat was een groote dag), verzochten de Joden Pilatus, dat hunne beenen gebroken, «n zij afgenomen zouden worden. De krijgsknechten kwamen alzoo, en braken de beenen des eersten, en des anderen, die met Hem gekruisigd waren. Doch als zij tot Jesus gekomen waren, ziende, dat Hij alreeds gestorven was, braken zij zijne beenen niet^ maar een van de krijgsknechten doorstak zijne zijde met eene speer, en terstond kwam er bloed en water uit. En hij d ie het gezien heeft, heeft daarvan getuigenis gegeven, en zijne getuigenis is waarachtig.

Verzuchting. Heilige en rechtvaardige God, ik weet, dat ik, rampzalige zondaar, voor U niet bestaan kan, en reddeloos zou verlorefl gaan, indien Gij mij naar de strengheid, uwer rechtvaardigheid wildet oordeelen; maar ik weet tevens, dat Gij niet wilt, dat ook maar één enkele verloren ga van hen, voor wie Gij uw heilig Bloed vergoten hebt; ik weet, dat Gij ook voor mij gestorven zijt, en dat uwe erbarming onuitputbaar is voor de rouwmoedige zondaren, die tot U komen; want Gij zelf hebt met uw Goddelijken mond gezegd: Die tot Mij komt, zal Ik niet verwerpen. Joan. VI, 37. O Allerheiligste Hart van Jesus, ontferm U dan ook over mij, en ik zal van mijne zonden bevrijd worden, in U wil ik mij

736

ocr page 777

feest van het h. hart van jesus.

verdiepen, mij dompelen in den grenzenloozen oceaan uwer liefde, en ik zal gereed zijn, en niet te vreezen hebben voor een rampzalige eeuwigheid. Amen.

Onderriclit over het onderhouden der geboden.

Mijn juk is zacht en mijn last is licht. Matth. XI, 3ö.

Vele mensclien zeggen, dat het onmogelijk, althans uiterst moeielijk is, alle geboden van God te onderhonden. Zulke taal is onchristelijk, ja godlasterend; want heeft Christus niet gezegd: Mijn juk is zacht en mijn last is licht 1 Heeft Hij ons zijnen bijstand niet beloofd, waardoor wij de wereld kunnen overwinnen? Zou God niet onrechtvaardig zijn, indien Hij ons geboden oplegde, welke wij niet in staat zijn te onderhouden. en de overtreding daarvan ons toch tot zonden aanrekende? Zeker, maar God heeft ons zoodanige geboden voorgeschreven, die wij kunnen onderhouden, en welker naleving Hij ons tevens gemakkelijk heeft gemaakt door het voorbeeld des Zaligmakers, door de genade des H. Geestes, door de beloften der belooningen en der heerlijke overwinningskroon, welke hun zullen ten deel vallen, die zijne geboden trouw onderhouden. Jesüs heeft het eerst vervuld, wat Hij ons bevolen heeft te onderhouden, opdat wij het eeuwig leven zouden deelachtig worden. Hij bewees ons door zijnen voorgang, dat de onderhouding zijner geboden zeer goed mogelijk is. Even als iemand, die een lastigen weg af te leggen heeft, dien met meer bereidwilligheid en met grooteren moed onderneemt, wanneer hij eenen anderen voor zich uit ziet gaan, even zoo is het met de Goddelijke geboden gelegen. Men volgt gemakkelijker, wanneer men anderen ziet, die ze vóór ons vervullen. Welnu, opdat de mensclien, op den weg des levens. Hem lichtelijker zouden volgen, heeft de Zaligmaker de menschelijke natuur aangenomen. Hij zelf heeft dezen weg het eerst bewandeld en de goddelijke geboden zelf het eerst volbracht. Zoo vervulde Hij, onder anderen, hel gebod dat zegt: Zoo iemand u op de rechter wang slaat, keer hem ook de andere toe (Matth. V. 39). Toen de knecht van den Hoogepriester Hem eenen kaakslag toebracht, wreekte Hij zich niet over hem, maar betoonde

47

757

ocr page 778

onderricht over het

de grootste lachtpioedigheid. zeggende: Indien Ik kwalijk gesproken heb, geef getuigenis van het kwaad; maar indien [Ik) wel [gesproken heb), waarom staat gij Mij? (Joann. XVIII, 23.) Nog leerde Hij, dat men den laster en de versmadingen geduldig moet verdragen, en staalde zijne leer andermaal door daden; immers toen men van Hem zeide, dat Hij eenen duivel had, en men Hem een Samaritaan noemde, (Joasn. VIII, 48) berispte Hij de Joden niet, noch bestralte hunne boosaardigheid, ofschoon Hem dit slechts een wenk zou gekost hebben; integendeel, Hij bewees hun nog grootere weldaden, en verdreef van hen de booze geesten. Insgelijks sprak Hij: Bidt voor hen, die u vervolgen en lasteren Matth. V, 44, en dit gebod beoefende Hij, toen Hij aan het kruis hing; als de beulen Hem aan het kruishout vastgenageld hadden, riep Hij uit: Vader, vergeef het hun. want zij weten niet, wat zij doen (Luc, XXIII, 34). En alzoo volbracht Hij zelf eerst alles, wat Hij ons gebood te doen.

Ook bij de Heiligen vinden wij, gelijk hunne levensgeschiedenis ons getuigt, voorbeelden van allerlei deugden. Daardoor toont God ons niet alleen, dat wij zijne geboden kunnen onderhouden, maar dat Hij ons de onderhouding zijner geboden gemakkelijk maakt. ïe dien einde nog deed Hij de heerlijkste beloften aan hen, die zijne geboden trouw naleven. Toen Jesus zeide: Hebt uwe vijanden lief, doet wel dengenen, die u haten, en bidt voor hen, die u vervolgen en lasteren, voegde Hij er onmiddellijk deze belofte en belooning bij: opdat gij kinderen van uwen Vader zijt (Matth. V,45). En elders zegt Hij nog: Zalig zijt gij, als men uzalt; s;helden en vervolgen, en, u lasterende, alle kwaad tegen u zal spreken om Mij. Verblijdt u en juicht; want- uw loon is groot in den Hemel. (Matth. V, li, 12). Dit zelfde leert de Apostel, wanneer hij uitroept: Geen oog heeft gezien, en geen oor heeft gehoord, in geen menschenhart is opgekomen, wat God bereid heeft voor die Hem liefhebben, dat is, die zijne geboden onderhouden. (I Cor, II, 9. Joann. XIV, 15.) Wie zou dan de geboden van God niet volgaarne onderhouden, om een kind van den Vader des Hemels te worden, en dien grooten loon, de onuitsprekelijke gelukzaligheid des Hemels, te verwerven? — Wij moeten echter nog verder opmerken, dat God hun, die

738

ocr page 779

der hh. apostelen petrus en paulus.

zijne geboden willen onderhouden, zijne genade eu zijnen bijstand beloofd heeft. Blijft in Mij en Ik in u. Gelijk de rank uit zich zelve geene vrucht kan dragen, tenzij zij in den wijn stok blijft; zoo ook gij niet, tenzij gij in Mij blijft. Ik ben de wijnstok, gij de ranken. Die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht, dat is, die zal rijk in goede werken zijn (Joann. XV, 4-S). Allen, zegt de H. Joannes I, 16. hebben wij uit zijne volheid ontvangen ook genade voor genade. En de H. Paülus bekent hel, dat hij nit zich zeiven niets goeds volbrengen kan, maar dat de genade Gods hem, die zwak is, versterkt. (II Cor. XII, 9.) Ja, zoo roept hij uit: ylis God voor ons is, wie zal tegen ons zijn (Kom. VIII, 31), en ons beletten het goede te doen!

Onderriclit over het feest der HH. Apostelen Petrus en Paulus.

'29 Juni.)

Levensschets van den H. Petrus.

Petrus, vroeger Simon genaamd, uit Bethsaida in Galilea geboortig, was de zoon van Jonas en de broeder van Andreas, door wien hij tot den Zaligmaker gebracht werd. Petrus volgde echter den Zaligmaker eerst voor goed, toen Jesus hem en Andreas bij gelegenheid eener wondervolle vischvangst gezegd had: Volgt Mij, Ik zal u visschers van menschen maken (Matth. IV, 18-22). De Zaligmaker beminde Petrus zoo zeer, dat Hij hem tot ooggetuige nam van al zijne geheimste en gewichtigste daden. Petrus was tegenwoordig, toen de Zaligmaker op den berg Thabor heerlijk van gedaante veranderde, toen Hij de dochter van Jairus van den dood opwekte, toen Hij in zijnen doodsangst bloed zweette; Petrus was nog tegenwoordig bij de overvloedige vischvangst, die een afbeeldsel is van hetgeen eenmaal met de menschen moest gebeuren, namelijk de verzameling der Christenen in het Rijk van God. Jesus zelf riep hem tot het ambt van menschenvisscher, stelde hem later aan als het opperhoofd der Apostelen en der geheele Kerk, als zijn stedehouder op aarde. Hij gaf hem de belofte van op hem, als op eene steenrots, zijne Kerk te zullen bouwen, hem de sleutels van het Hemelrijk te zullen geven en beval hem, en zijne

739

ocr page 780

onderricht over het feest

schapen èn zijne lammeren te hoeden. Petrus heeft op zijne beurt deze onderscheiding boven alle andere Apostelen, door zijne levendig geloof, zijne diepe ootmoedigheid en vurige liefde tot Jesus verdiend; want hij legde in naam van alle Apostelen de volgende getuigenis van Jesus af: Gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God (Matth. XVI, 16); en bij de wondervolle vischvangst achtte hij zich de tegenwoordigheid van Jesus onwaardig en riep uit: Ga van mij. Heer, ik ben een zondig mensch. Uit liefde tot Jesus wilde hij met Hem op den berg Thabor verblijven, en Hem van zijn lijden terughouden. Hij was eindelijk bereid om met zijn Goddelijken Meester te sterven; en werkelijk hij toonde zich de moedigste tijdens de gevangenneming dos Zaligmakers, want hij volgde Hem tot in het huis van Caiphas. Maar, helaas, o onstandvastigheid der men-schen, daar verloochende hij Jesus driemaal. Een enkele ge-nadeblik zijns Goddelijken Meesters was nu evenwel genoeg om hem tot inkeer te brengen, zijne zonden bitter te beweenen, en zijnen val gedurende geheel zijn leven to doen betreuren. Hij heeft ook om dezen misslag te boeten voor den Zaligmaker veel geleden en is eindelijk onder keizer Nero te Rome voor het geloof gekruist met het hoofd omlaag, gelijk hij verzocht had, wijl hij zich onwaardig achtte op gelijke wijze als zijn Goddelijke Meester den kruisdood te ondergaan. — 0 mochten alle zondaren door zoodanige boetpleging hunne misslagen trachten te herstellen !

Gebed.

0 God, die den H. Petrus, van armen visscher, tot prins der Apostelen en tot opperhoofd der Kerk hebt aangesteld, wij bidden ü, door zijne voorspraak, gewaardig U ons ware schapen uwer kudde te maken. Doe ons naar de stem van Petrus hooren, zijne leer volgen, en in zijne voetstappen treden, opdat wij ook eens in die hemelsche weide mogen aanlanden, waar de Opperherder Jesus-Christus, wiens plaatsbe-kleeder de H. Petrus op aarde was, zijne uitverkorenen met de zalige aanschouwing van God spijst en met onbeschrijfelijke vreugde in de eeuwigheid laaft. Amen.

740

i

ocr page 781

der hh. apostelen petrus en paulus.

Levensschets van den H. Paulus.

Paulus, voor zijne bekeering Saülus genaamd, was uit den stam van Benjamin te Tarsus in Cilicie geboren, en leerling van Gamaliel. Zoo zeer als hij voor de Joodsche wet ijverde, zoo vijandig was hij den Christenen. Toen hij, om dezen te vervolgen, naar Damascus reisde, werd hij onder weg door God zeiven bekeerd, en tot het apostelambt geroepen. (Hand. der Ap. IX, 1-22.) Hoe onvermoeid hij sedert dien in den wijngaard des Heeren heeft gearbeid, welke kwellingen hij op zijne reizen heeft geleden, aan welke gevaren en vervolgingen hij heeft blootgestaan bij de volkeren, die hij tot het Evangelie trachtte te bekeeren, is met geene pen te beschrijven. Het grenst aan het wonderbare, hoe ijverig en onverschrokken hij in ketenen en banden, onder marteling en geeselslagen, in honger en dorst, in koude en naaktheid, onder tallooze levensgevaren, het geloof in den Verlosser alom verkondigd heeft. En desniettegenstaande was hij opgetogen van vreugde en Gode voor dat alles dankbaar. Daarenboven was hij zoo ootmoedig, dat hij zich een misgeborene en den minste onder de Apostelen noemde (I Cor. XV, 8) en bij de wereld gaarne als het uitschot en het uitvaagsel der menschen wilde aangezien worden. Eindelijk nadat hij een zoo goeden en moeielijken strijd met onvermoeiden ijver gestreden, zijne loopbaan volbracht, de geloofsleer alom kloekmoedig verkondigd en nog ijveriger beoefend had, werd hij, op denzelfden dag waarop de H. Petrus den kruisdood onderging, op bevel van keizer Nero te Rome onthoold, en trad aldus het eeuwige leven binnen, om daar de kroon der gerechtigheid te ontvangen. Zoo beproeft, zoo beloont God hen allen, die tot het einde toe in de deugd volharden. De H. Paulus heeft èn gedurende zijn leven, èn na zijnen dood tallooze mirakelen gedaan; zijne zweetdoeken, even als de schaduw van Petrus, hadden de kracht om de krankheden te genezen en den duivel te verdrijven. Hij had den naam van Jesus zoo diep in zijn hart gegrift dat deze schier iederen oogeublik op zijne lippen zweefde, want waar het hart vol van is, daarvan loopt de mond over. — 0 indien wij Jesus ook zoo be minden als de H. I'aulus, wij zouden even als hij, ons bevlijtigen veel voor Jesus te doen en te verdragen. En wat doen wij thans?,..

741

ocr page 782

ONDERRICHT OVER HET FEEST

De H. Petrus wordt afgebeeld met een naar onder gekeerd kruis en met sleutels in de hand; hierdoor wordt de wijze zijner ter dood brenging en de macht, die hij als stedehouder van Christus op aarde bezat, aangeduid. De H. Paulus wordt steeds met een zwaard voorgesteld, omdat hij onthoofd is geworden.

Gebed tot den H. Paulus.

0 H. Paulus, uitverkoren vat des Heeren, die den naam van Jesus in alle oorden gepredikt, en aan heidenen en koningen kenbaar gemaakt hebt; die voor uw Goddelijken Meester zooveel geleden hebt, en u door niets ter wereld van zijne liefde hebt laten losscheuren; gij hebt als dapper soldaat van Jesus een goeden strijd gestreden en daarvoor van den rechtvaardigen God de kroon der gerechtigheid verworven. Ach bid God voor mij, opdat ik, die thans een vat van gramschap en schande ben, een vat van eere, versierd met alle Christelijke deugden, moge worden. En verwerf mij, dewijl geheel ons even een voortdurende strijd is, de genade, dat ik volgens uwe leer, met het schild des geloofs, met den helm der hoop, met het harnas der liefde, en met het zwaard van het woord Gods uitgerust, alle vijanden mijner zaligheid overwinne, mij door geene kwelling van de liefde tot Jesos late afscheiden, en eindelijk de kroon des levens verwerve, met welke Gij reeds bekroond zijt.

De Ingang der Mis begint met de woorden, die Petrus na zijne verlossing uit de gevangenis te Jerusalem sprak (Hand. der Ap. XII, 11): Nu weet ik waarlijk, dat de Heer zijnen Engel gezonden, en mij uit de hand van Herodes, en uit alle verwachting van het volk der Joden gered heeft (Psalm CXXXVI1I). Heer, Gij doorgrondt mij, en kent mij, Gij kent mijn zitten en mijn opstaan. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

O God, die dezen dag door den marteldood uwer HH. Apostelen Petrus en Paulus geheiligd hebt, verleen uwe Kerk, dat zij in alles de voorschriften dergenen nakome, door wie de godsdienst zijnen aanvang genomen heeft. Door onzen Heer Jesus-Christus, enz,

742

ocr page 783

der hh. apostelen petrus en paulus.

EPISTEL: Les uit de Handelingen der Apostelen XII, 1-11.

In die dagen sloeg Herodes, de koning, de hand aan sommigen van de Kerk, om hen te mishandelen. En hij liet Jacobus, den broeder van Joannes, door het zwaard dooden. En ziende, dat het den Joden aangenaam was, ging hij voort, om ook Petrus gevangen te nemen. Het waren nu de dagen der ongezuurde broodeu. Als hij hem gevangen had genomen, wierp hij hem in eenen kerker, en gaf hem aan vier wachten, elk van vier krijgsknechten ter bewaking over, daar hij hem na het Pascha voor het volk wilde brengen. En Petros werd dan in den kerker bewaard; doch door de Kerk werd een aanhoudend gebed tot God voor hem gedaan. Als nu Herodes hem wilde voorbrengen, sliep Petrus in denzelfden nacht tusschen twee krijgsknechten, geboeid met twee ketenen; en wachters voor de deur bewaarden den kerker. En ziet, er stond een Engel des Heeren, en een licht weêrstraalde in het verblijf; en hij. Petrus in de zijde aanstootende, wekte hem op, en sprak; Sla haastig op! En de ketenen vielen hem van de handen. En de Engel sprak tot hem: Omgord u, en bind uwe schoenzolen aam En hij deed alzoo. En hij sprak tot hem: Werp uwen mantel om, en volg mij! En hij ging uit, en volgde hem, en hij wist niet, dat hetgeen door den Engel geschiedde, waar was, maar meende, eene verschijning te zien. En zij gingen de eerste en de tweede wacht voorbij, en kwamen aan de ijzeren poort, die naar de stad leidt: die opende zich van zelve voor hen. En uitgaande, gingen zij ééne straat voort, en plotseling scheidde de Engel van hem. En Petrus, tot zich zeiven gekomen, zeide: Nu weet ik waarlijk, dat de Heer zijnen Engel gezonden, en mij uit de hand van Herodes, en uit alle verwachting van het volk der Joden gered heeft.

Onderricht over deze geschiedenis. 1) Deze Herodes was een kleinzoon van Herodes den Groote, onder wiens regeering de Zaligmaker geboren werd. Hij was een ijverig aanhanger van het Jodendom en vervolgde hierom de Christenen. Onder anderen liet hij ook den H. Petrus gevangen nemen en wilde hem na Paschen terecht laten stellen, ten einde aan het volk, dat ter gelegenheid van het Paaschfeest talrijk te Jerusalem

745

ocr page 784

onderricht over het feest

samenstroomde, die terechtstelling te laten zien. Wat laaghartigheid. Kwaad plegen, ja zelfs een mensch ter dood te doen brengen, om anderen te behagen, en aan hun zondig verlangen te voldoen.

2) De Kerk bad onophoudelijk God voor Petrus eu haar gebed werd verhoord. Laten wij ook voor elkander bidden, opdat God ons uit de handen onzer vijanden trekke en ons van de banden, waarmede de zonde ons gekneld houdt, bevrijde.

3) Petrus sliep rustig in den kerker; hij had zijn leven en zijnen dood zijnen Schepper aanbevolen, en mocht wel op den bijstand der Goddelijke Voorzienigheid vertrouwen, dewijl hij niet voor eene misdaad, maar wegens de prediking van den gekruisten Zaligmaker gevangen zat. Hij, die onschuldig lijdt, heeft steeds goeden moed en hoopt op God, die de zijnen niet vergeet.

4) De Engel sprak tot Petrus: Sta haastig op. Omgord u en bind uwe schoenzolen aan. Werp uwm mantel om, en volg mij. Deze woorden kunnen wij in een geestelijken zin ook op ons toepassen. Onze Engelen-bewaarders vermanen ons uit den zon-denslaap op te staan, en de boeien der zonden, die ons tot gevangenen der hel maken, te verbreken; ons te omgorden en de schoenzolen aan te trekken, dat is, ons altijd gereed te houden om Christus te volgen; ons met het kleed der onschuld en der deugd te omhullen, den nieuwen mensch, die in heiligheid en rechtvaardigheid geschapen is, aan Ie trekken, en dooide ijzeren deur, namelijk door kruis en lijden, het Hemelsch Jerusalem binnen te gaau. Doch hoe weinigen vindt men er, die gelijk de H. Petrus hel wagen durven hunnen Engel te gehoorzamen?

Evangelie volgens den H. Mattheus XVI, 13-19.

In dien tijd kwam Jesus in de omstreken van Ce-sarea van Philippus, en vraagde zijnen Discipelen, zeggende: Wie, zeggen de menschen, dat de Zoon des meir schen is? En zij zeiden: Eenigen zeggen, Joanines de Dooperanderen, Euas; en weder anderen, Jeremias, of één van de Profeten. Jesus zeide tot hen: Maar gij. wie zegt gij, dat ik ben? Eu Simon Petrus antwoordde.

744

ocr page 785

deu hh. apostelen petrus en paulüs.

en zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God. En Jesus antwoordde, en sprak tot hem; Zalig zijt gij, Simon, zoon van Jonas! want vleesch en bloed heeft u dit niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de Hemelen is. En Ik zeg u: Gij zijt Pftros, en op deze steenrots zal Ik mijne Kerk bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. En Ik zal u de sleutelen van het Rijk der Hemelen geven. En al wat gij op de aarde zult binden, zal ook in den Hemel gebonden zijn; en al wat gij op de aarde zult ontbinden, zal ook in den Hemel ontbonden zijn.

Waarom vraagde de Zaligmaker zijnen Leerlingen, wat de mensehen van Hem zeiden?

Om hun de gelegenheid te verschaffen. Hem als den waren Zoon Gods te belijden. Tevens wilde Hij ons daardoor leeren, dat wij steeds zorgvuldig opmerkzaam behooren te zijn op hetgeen de mensehen van ons zeggen. Spreekt men kwaad van u, beviijtig u dan, om dat kwaad le verbeteren; spreekt men goed van u, streelt er naar, ora goed te blijven, en dagelijks volmaakter te worden.

Waarom noemt Christus zich »de Zoon des mensehen.quot;

Om ons te toonen, dat Hij niet alleen Zoon van God, maar ook tevens wezenlijk mensch is. Dit beide te gelooven, is even zoo noodzakelijk ter zaligheid, als het ter onzer verlossing noo-dig was, dat Christus niet enkel God, maar ook mensch is. Als God alleen zoude Hij ons niet hebben kunnen verlossen, wijl Hij in dien toestand voor ons niet kon lijden, en indien Hij als mensch alleen voor ons geleden had, dan zou de voldoening voor de beieedigingen, die de mensehen Gode hebben aangedaan, niet volkomen geweest zijn.

Waarom antwoordde Petrus alleen en in naam der andere Apostelen op de vraag: gt;• Wie zegt gij, dat Ik ben?quot;

Omdat hij moest spreken als opperhoofd der Apostelen, die van zijne belijdenis de hunne maakten. Deze verklaring is dan ook de belijdenis geworden der Katholieke Kerk, tot welker opperhoofd Petrus bestemd was.

745

ocr page 786

onderricht over het feest

Wat bedoelt Petrus door deze woorden: -Gy zyt de Christus de Zoon van den levenden God?quot;

Hij bekent hierdoor, dal Christus de eenige, waarachtige, van eeuwigheid geborene Zoon des Vaders is, gelijk in wezen met den Vader, door Wien alle dingen geschapen zijn, en van Wien en door Wien ook wij allen ons lichamelijk en geestelijk leven ontleenen.

Waarom noemt Christus den H. Petrus »zalig?'

Wijl hij beter dan alle anderen Christus' Godheid erkende, en Hem zonder aarzelen openlijk beleed. Gelooft en belijdt gij, door woord en daad, dat Christus de Zoon Cods is, dan zuil ook gij zalig worden.

Waarvan wist Petrus, dat Christus de Zoon Gods is?

De Zaligmaker zelf verklaart het, dat Petrus dit niet door de kracht van zijn natuurlijk verstand wist, maar door een Goddelijke ingeving. Het geloof immers is eene gave Gods en een Goddelijk licht, dat den mensch verlicht en waardoor hij-de- genade verkrijgt datgene te gelooven, wat God geopenbaard heeft, niet wijl hij het met zijne rede bevat, maar omdat God het veropenbaard beeft.

Welke belooning kreeg Petrus voor deze geloofsbelijdenis?

De Zaligmaker verleende Petrus het hoogste gezag en den voorrang boven de Apostelen met de belofte tevens, op hem, als op eene steenrots, zijne Kerk te zullen bouwen, die door de hel met al hare vervolgingen en ketterijen nimmer zoude overweldigd worden. Zie, hoe verdienstelijk en Gode gevallig een ootmoedig en levendig geloof is.

Is Petrus werkelyk de steenrots der Kerk?

Ja, want Christus heeft duidelijk gezegd : Gij zijt Petrus, (dat is steenrots) en op deze steenrots zal Ik mijne Kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. Dat Christus wilde, dat deze zijne woorden, aldus verstaan zouden worden, namelijk dat Hij op Petrus zijne Kerk vestigde, blijkt nog hieruit, dat Hij hem oogênblikkelijk daarna de sleutelen des hemels beloofde.

Wat beteekenen die sleutels des Hemels?

De sleutelen zijn bij de Oostersche volken het zinnebeeld van het hoogste gezag en der opperste macht (Isaias XXII, 22.)

746

ocr page 787

der hh. apostelen petrus en paulüs.

Jesus wil alzoo door de woorden: Ik sal u de sleutelen van het rijk der hemelen geven, zeggen: Ik wil n lol mijn plaatsvervanger op aarde aanstellen en u de hoogste, wetgevende en rechterlijke macht in mijne Kerk geven.

Wat beteekent binden en ontbinden?

Binden en ontbinden beteekent eigenlijk volgens den Profeet Is ai as (XXH, 22) het hemelrijk sluiten en openen, dat is, de menschen in de Christelijke Kerk opnemen of ze er buiten sluiten; verder: de zonden vergeven of wederhouden, en eindelijk ook, iets voor geoorloofd of ongeoorloofd verklaren; bijgevolg een gebod of verbod uil vaardigen of intrekken, strafwetten maken, kortom, alles regelen, wat tot de welvaart en goede orde der Kerk dienstig is.

Waarom zijn wij verplicht, ook de geboden der Kerk te

onderhouden?

Omdat Jesus-Christus zijne Kerk de volmacht geschonken heeft zoodanige geboden te geven, en onder straf van de eeuwige zaligheid te missen, bevolen heeft, ze als zijne eigen geboden te beschouwen en te onderhouden (Lucas X, 16. Matth. XVIII, 17).

Is de macht om te binden en te ontbinden niet aan de andere Apostelen gegeven?

Ja, gelijk blijkt uit Matth.(XVIII, 18); Joann. (XX,25), doch dan eerst, nadat Petrus, met de hoogste macht der sleutelen bekleed, plechtig tot grondsteen der Kerk was gekozen. Daardoor werd den anderen Apostelen aangeduid, dat zij hun hemelsch gezag, niet dan in vereeniging mei Petrus bun opperhoofd moesten uitoefenen, want één was slechts tot grondsteen der Kerk op aarde uitgekozen, op welken de bouw in zijn geheel moest rusten.

Gebed der Kerk.

0 Heer Jesus-Christus, Zoon van levenden God, die uwe Kerk op den H. Petrus als op eene steenrots hebt gegrond, die hem de sleutelen des hemelrijks toevertrouwd en hem en zijne opvolgers tot Opperhoofd uwer Kerk en uw plaatsbeklee-der op aarde aangesteld hebt, verleen ons uwe genade, dat wij naar al hare bevelen mei vreugde luisteren, en, naar het voorbeeld van den H. Petrus, onwrikbare rotsen in het goede mogen zijn. Amen.

747

ocr page 788

onderricht over het feest

Onderriclit over den Paus en de Bisschoppen.

Wat verstaan wij, Katholieken, door den Paus?

Het algemeen en zichtbaar Opperhool'd der ware Kerk van Christus of der vergadering van alle geloovigen op aarde. Dat Opperhoofd is de BisscIio|) van Itonie.

Heeft de Zaligmaker werkelijk zulk een Opperhoofd aangesteld?

Ja, dit blijkt duidelijk genoeg uit het Evangelie van dezen dag, waarin Chkistus aan Petrus beloofde, op hem, als op eene steenrots, zijne Kerk te zullen bouwen, en hem de sleutelen des hemels te zullen geven, hetgeen niets anders beteekent, dan dat Petrus de zichtbare grondsteen der Kerk zoude zijn, terwijl Christus zelf de onzichtbare grond en hoeksteen der Kerk blijft (Ephes. II, 20), en dat Petrus met bet ontvangen der sleutelen tegelijkertijd de hoogste leiding en liet hoogste bestuur der Kerk zou aanvaarden. Christus vervulde deze belofte getrouw, toen Hij Petrus uitdrukkelijk tot herder zijner lammeren en zijner schapen, dat is, tot Opperhoofd der eenvoudige geloovigen en der Bisschoppen aanstelde (Joan. XXI, 16, enz.)

Waarom heeit Christus een zichtbaar Opperhoofd aan de Kerk gegeven?quot;

Dit was voor den welstand en den bloei der Kerk even noodzakelijk, als het noodig is voor elk huisgezin eeu zichtbaar hoofd, voor eene kudde een zichtbaren herder te hebben. Nadat Christus ten Hemel is opgevaren, regeert Hij de Kerk niet meer op zichtbare wijze; zij zoude bijgevolg door de poorten der hel, dat is, door de helsche macht en hare trawanten, niettegenstaande zijne belofte, lichtelijk overweldigd worden, zoo Hij in zijne plaals geen zichtbaar Opperhoofd aangesteld had, zonder hetwelk in de Kerk noch eendracht, noch goede orde mogelijk zijn. Derhalve zegt de H. Hieronymus: »Daarom werd er één uit de twaalven gekozen, opdat, door het bestaan eens Opper-hoolds, de gelegenheid tot scheuring zoude verwijderd worden.quot;

Heeft Petrus zich ook als opperhoofd der Kerk doen

kennen?

Ja, hij zat vóór bij de keuze, waarin Matthias tot Apostel in de plaats van Judas gekozen werd (Hand. der Ap. I, 15-26). Verder voerde hij het woord in de algemeene Kerkvergadering van Jerusalem, en verklaarde voor de gansche vergadering, dat

748

ocr page 789

der hh. apostelen petrus en paull's.

den geloovigen, die uit liet Heidendom bekeerd werden, het zware juk der wet van Mozes niet moest opgelegd worden (Hand. der Apost. XV, 7-10), welke verklaring de gansche vergadering toejuichte. Ook de Evangelisten toonen ons den voorrang van Petrus boven alle andere Apostelen duidelijk aan, doordien zij hem onder de Apostelen altoos het eerst noemen (Matth. X, 2. Marcus III, 10. Lucas VI, 14) en eindelijk stelt hem een onafgebroken overlevering der Kerk steeds aan de spits der Apostelen.

Bleef de betrekking van Opperhoofd ook na den dood van den H. Petrus bestaan?

Gewis, dit ambt moet blijven bestaan na den dood van den H. Petrus; dit was noodzakelijk: immers zou de Kerk voortduren, dan moest ook de steenrots blijven, waarop de Kerk is gebouwd. Wie is, sedert den dood van den H. Petrus, het zichtbaar opperhoofd der Kerk?

Het is de wettige opvolger van den H. Petrus, de Bisschop van Rome, die, om de heilige waardigheid van opperhoofd der Kerk, ook Heilige Vader of Paus genoemd wordt.

Wat zyn Bisschoppen?

De opvolgers der andere Apostelen, die, in verband met de opvolgers van den H. Petrus of den Paus, geroepen zijn, om de Kerk te besturen en gewoonlijk aan het hoofd van een afzonderlijk gebied of bisdom staan.

Welke zijn de voornaamste bedieningen der Bisschoppen?

De volgende; 1) De instandhoudingen uitbreiding der christelijke leer in hun bisschoppelijk gebied; 2) de uitoefening der heilige bedieningen. Eenige dezer bedieningen kunnen de Bisschoppen aan de Priesters mededeelen, andere zijn hun uitsluitend eigen. Tot deze laatste behooren de toediening des H. Vormsels, de Priesterwijding, de zalving der Bisschoppen, de zalving der Koningen, de zegening der Ablen en Abdissen, de wijding van het Chrisma, de consecratie van kerken en altaren, de zegening der kerkhoven en der heilige vaten; 3) het uitwendig beheer van het bisdom, te weten: het uitvaardigen van wetten en verordeningen in aangelegenheden van hun bisdom, en het recht hiermede in verband staande, van vrijstelling of dispensatie te schenken, de geestelijke rechtsmacht en strafvordering, het opzicht over geestelijke instellingen als seminariën, enz., het vergeven van geestelijke ambten, het beheer over de kerk-

749

ocr page 790

onderricht over het feest

goederen, het innen der cijnzen, door het gebruik of op andere wijze ontstaan, ter gemoelkoming der kerkelijke benoodigdheden. Daarenboven heeft de Bisschop zekere eererechten, bijvoorbeeld hij draagt den titel van Hoogwaarde of Zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid, hij heeft eenen troon, een wapenschild, enz.

Wat wordt door Aartsbisschop, Primaat en Patriarch

verstaan?

Elk Aartsbisschop is de opperherder zijns bisdoms, even als de Bisschoppen de opperherders van hun diocees zijn; doch de Aartsbisschop heeft daarenboven het toezicht over een bepaald getal naburige Bisschoppen en bisdommen, die te samen genomen een kerkelijke provincie genoemd worden.

Primaat wordt die Bisschop genoemd, wiens bisschoppelijke zetel de eerste en de waardigste van een geheel rijk is. Deze waardigheid is somtijds slechts een bloote eeretitel, somtijds ook schenkt zij den Primaat, als plaatsbekleeder des Pausen, een werkelijk gezag en een bepaalde rechtsmacht.

Patriarchen noemt men de Bisschoppen, onder wier opzicht en geestelijk bestuur alle Bisschoppen en Aartsbisschoppen van meer kerkelijke provinciën zijn.

Onderrictit over liet feest der H. Anna,.

Moeder der H. Maagd Maria.

(26 Juli.)

De K. Moeder Anna, wier ouders onbekend zijn, was gehuwd met den H. Joaciiim, uit het geslacht van David. Zij leidde met hem een deugdzaam en heilig leven, en bleef langen tijd kinderloos. Zij verdroeg deze onvruchtbaarheid met geduld en volle overgeving aan den wil des Allerhoogsten en smeekte onophoudelijk tot God, dat Hij haar een kind zoude schenken. God verhoorde eindelijk haar gebed, en verkoos haar als gelukkige moeder der Allerzaligste en Gezegend-ste Maagd Maria. Dit alleen strekt haar genoeg tot lof; immers daar God haar tot zulk een verhevene waardigheid bestemd had, is het buiten allen twijfel, dat Hij haar ook met de noodige genaden eu gaven, met deugden en heiligheid heeft uitgerust; ja, haar heilig kind zelf is het sterkste bewijs van hare heiligheid. Hierop gronden de lofredenaars der H. Anna

750

ocr page 791

der h. anna, moeder van maria.

hare waardigheid, verhevenheid en grootheid, wanneer zij zeggen: zij heeft Maria ter wereld gebracht, uit wie Jesus geboren is, die Christus genoemd wordt. De H. Anna stierf vroegtijdig. Haar heilig lichaam zou, naar men zegt, in 710, uit Palestina naar Constantinopel zijn overgevoerd, waar ter harer eere verscheidene kerken gebouwd werden.

Laten wij deze Heilige Moeder ijverig vereeren en haar bidden, dat zij haar machtige voorspraak doe gelden bij Hem, tot wiens moeder, hare dochter van God werd uitverkoren, bij Jesus-Christus onzen Heer.

De H. Anna wordt afgebeeld met haar kind Maria, dat z.'j onderwijst. Zij is de patrones der naaisters en der armen, en wordt aangeroepen om verlorene zaken terug te krijgen.

Bij den Ingang der Mis. Laten wij ons allen in den Heer verheugen, terwijl wij ter eere der H. Anna den feestdag vieren, over welks plechtigheid de Engelen zich verblijden, en den Zoon Gods eenparig loven. Psalm XLIV. Mijn hart heeft een goed woord uitgeboezemd; ik wijde mijne werken den Koning toe. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

O God, die U gewaardigd hebt aan de H. Anna de genade te schenken, van moeder te worden van Haar, die eenmaal den eeniggeboren Zoon zoude ter wereld brengen, verleen ons genadig, dat wij, die haren feestdag vieren, door hare voorspraak uwen bijstand mogen verwerven. Door Jesus Christus onzen Heer, enz.

EPISTEL: Les uit de Spreuken van Salomon,XXXI, 10-31.

(Zie het Bijvoegsel, letter M.)

Verklaring. Deze Les stelt ons het echte beeld eener rechtschapene huisvrouw voor, die, om het in weinig woorden te zeggen, dag en nacht, aan het lichamelijk en geestelijk, tijdelijk en eeuwig welzijn van haar zelve en hare onderhoorigen arbeidt. De H. Schrift zelve stelt ons dit beeld voor. Moge het, gelijk het hier omschreven is, ter navolging van alle vrouwen strekken! Dan zouden er geene gevonden worden, die, gelijk thans, enkel en alleen iu hare schoonheid, tooi en ijdel-heid hare eer en vermaak zoeken; die geen andere bezighe-

751

ocr page 792

onderricht over het feest

den kennen,, dan haar week en wellustig lichaam met spijs en drank, door ledigheid en rust onophoudelijk tc koesteren; die het opzicht over haar huishonden onder hare laatste zorgen tellen; die hare kinderen en haar huisgezin aan hun eigen lot overlaten, en wat nog erger is, die, door hare eigenzinnigheid, hare trotschheid, krakeelzucht en schaamteloosheid hareu onderdanen een steen des aanstoots zijn, hun (ot ergernis verstrekken, ja zelfs hen tot zonden brengen; vrouwen, die het vermogen en de goederen harer mannen ten gronde richten, hen in armoede, schande en ellende storten en door haar oploopend en twistziek gedrag zeer wel gelijken, zoo als de H. Schrift zich uitdrukt (Spreuken XIX, 13) op den dakdrop, en aldus aan hare mannen de samenwoning ondragelijk maken. O hoezeer verschillen deze vrouwen van de huisvrouw, van welke deze Les zegt; dat zij alien in rijkdommén, dat is in deugden, overtroffen heeft. Maar wee haar ook! Zij moesten als christen huismoeders zooveel goeds stichten en zooveel kwaads beletten, en zij hebben zulks niet gedaan. Wee haar! Hare werken zullen eenmaal, in plaats van eer en lof, de rechtmatige straffen Gods over haar aftrekken.

Evangelie volgens den H. Mattiieus Vllf. 44-S2.

(Zie het Byvoegsel, letter M.)

Verklaring en aanmoediging. Om ons te loeren, dat wij, ter verwerving van liet ware geloof en oprecht geluk niet alleen gcene moeite moeten sparen, maar ook tevens, als de nood zulks vereischt geld en goed, bloed en leven ten offer moeten brengen, stelt ons de Zaligmaker de gelijkenis voor van een mensch, die eenen schat gevonden heeft, en om in liet bezit er van te komen, zijne goederen en bezittingen verkoopt. De schat is verborgen; de wijzen der wereld immers wanen de wijsheid van Christus eene dwaasheid; zij hebben oogen, maar zien dien schat niet. Hij moet verborgen gehouden worden, want de duivel, de wereld en het vleesch trachten hem te rooven. Gelijk men, om een verborgen schat te vinden, diep moet graven, zoo moet men zich ook veel moeite geven, om het ware geloof te behouden en de ware gelukzaligheid te bekomen. De gelijkenis van den koopman, die echte parelen zoekt, heeft dezelfde beteekenis.

7S2

ocr page 793

van bb h. moeder anna.

Door de gelijkenis van het net, dat in zee geworpen wordt, en allerlei vissollen opneemt, die vervolgens op het strand van elkander worden afgezonderd, leerl de Heer ons, dat, tot de al-gemeene zichtbare Kerk van Christus, die het Rijk Gods op aarde is, niet alleen de goeden, maar ook de kwaden behooren; (met uitzondering nochtans van de openlijke en verklaarde on-geloovigen, van hen, die zich van den H. Stoel hebben losgescheurd, en eindelijk, die door de Kerk uit haren schoot geworpen en in den ban geslagen zijn). De kwaden evenwel zullen op het einde der wereld van de goeden afgezonderd, en in het eeuwig vuur geworpen worden. Wee hem, wien zoodanig lot treffen zal!

Verzuchtingen tot de H. Anna.

Wees gegroet, o zalige moeder Anna, gezegend is uw schoot, waarin de almachtige God Maria, die ark van heiligheid, bestemd om eenmaal zijn eeniggeboren Zoon te dragen, gevormd heeft. Gezegend zijt gij, omdat gij ter onzer vertroosting de Moeder gebaard hebt van onzen Verlosser, die de smachtende wereld door zijne genade verkwikt heeft. Ontvang dan onze gelukwenschen, geheiligde en gezegende onder de vrouwen ! Dat alle tongen uwen lof verkondigen, wijl gij de moeder geworden zijt van de Moeder Gods. Hierom wenden wij ons met den grootsten eerbied en vol betrouwen tot u, en smeeken u, verwerf ons van onzen Verlosser alle genade, die wij zoo zeer noodig hebben, opdat wij, uw brandende godsvrucht, uw blakende liefde tot God en uw andere deugden navolgende, daardoor waardig worden, Jesus Christus, de gezegende vrucht des lichaams van Maria, uw maagdelijke dochter, eenmaal in den Hemel te a-inschouwen,. en ons in zijne aanschouwing eeuwig mogen verblijden. Amen.

Onderriclit over het feest van Maria Hemelvaart.

(15 Augustus.)

Waarom wordt dit feest aldus genoemd?

Omdat op dien dag de Allerzaligste Maagd Maria ten Hemel is opgenomen.

783

42

ocr page 794

onderricht over het feest

Wat zegt de onafgebrokene overlevering der eerste tyden betrekkelijk de opname van Maria ten Hemel?

Zij zegt, dat liet lichaam der Allerzaligste Maagd Maria, het bederf des grafs niet heeft ondergaan; maar dat de Moeder Gods tegelijk met ziel en lichaam in den Hemel is opgenomen. Üe H. Joannes Damascenus zegt: ,,Dewijl de H. Maagd nimmer met begeerte naar het aardsche bevlekt is geweest, maar steeds met haren geest in den Hemel woonde, paste het niet, dat Zij tol de aarde, waaruit Zij gemaakt was, terugkeerde. Het voegde Haar, dat Zij, die reeds een levende Hemel hier op aarde geweest was, terstond, na haar overlijden, ten Hemef werd opgenomen. En elders nog zegt dezelfde Heilige: «Hoe zou eenig bederf het lichaam durven aanranden, waarin eens het leven (Jesus-Christus) ontvangen werd? Daarom was voor Maria een rechter, elfener en gemakkelijker weg ten Hemel bereid dan voor andere menschen.quot;

Waarom worden op dezen feestdag kruiden en vruchten

gewyd?

Deze plechtigheid is niet algemeen in de Kerk, maar slechts in eenige landstreken gebruikelijk. Zij herinnert ons aan het gebod den Joden in het Oude Verbond opgelegd, de eerstelingen van alle vruchten en dieren in den tempel te Jerusalem op te offeren; hetgeen door de Christenen, gedurende vele eeuwen, is nagevolgd. Zij heeft plaats in den oogsttijd en dient dus om God voor de ontvangen weldaden, de gewassen, kruiden en vruchten, te danken en Hem te smeeken, dat zij aan degenen, die er van genieten, tot welzijn van ziel en lichaam mogen verstrekken.

Bij den Ingang der Mis spoort ons de H. Kerk tot alge-meene vreugde aan, wanneer zij zingt: Laten wij ons allen in den Heer verheugen, terwijl wij den feestdag vieren ter eere der Heilige Maagd Maria, over wier opneming ten Hemel de Engelen zich verheugen en den Zoon Gods eenparig loven. Psalm XL1V. Mijn hart heeft een goed woord uitgehoezemd; ik wijd mijne werken den Koning toe. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Wij bidden U, o Heer, schenk uwen dienaren vergiffenis der zonden, opdat wij, die niet in staat zijn, U door onze

754

ocr page 795

van maria hemelvaart.

eigene werken te behagen, door de voorspraak der Moeder van uwen Zoon, onzen Heer, tot de zaligheid geraken. Die met U leeft, enz.

EPISTEL: Les uit het Boek Ecclesiosticus, XXIV, 11-13, 15-20.

In alles heb ik rust gezocht, en in de erfenis des ft eer en zal ik toeven. Toen beval en zeide mij de Schepper van alles, en die mij geschapen heeft, rustte in mijne tent, en zeide mij: Neem uwe woonplaats in Jacob, en uw erfdeel in Israel, en schiet wortelen in mijne uitverkorenen. En zóó ben ik in Sion gevestigd, en heb ik eveneens gerust in de heilige stad. en is mijne macht in Jerusalem En ik heb wortel geschoten bij een verheerlijkt volk, en bij het aandeel van mijnen God, die diens erve is; en mijn verblijf is in de volle gemeente dei-Heiligen. Ik ben opgewassen als de ceder op den Libanon en als de cipres op den berg Sion; ik ben opgeschoten als de palm van Cades, en als de rozenstruik van Jericho; ik ben opgegroeid als de schoone olijfboom in de velden en als de plataanboom op de wegen langs liet water. Ik heb eenen geur gegeven als kancel en als welriekende balsem; ik wasemde als uitgelezene mirre een zoeten reuk uit.

Verklaring. In het begin dezer Les toont de ongeschapen Goddelijke Wijsheid hare onbeperkte heerschappij over alle schepselen — en zegt hoe deze zich aan alle volkeren heeft trachten mede te deelen. Maar alleen onder het uitverkoren volk, door de Goddelijke openbaring, een eigenlijke woonplaats genomen heeft. De wijsheid, die aan het volk van Israel medegedeeld werd, is de geschapen wijsheid. Daar deze hoofdzakelijk ten deele viel - aan de H. Maagd Maria, welke onder alle Engelen en menschen het meest begunstigd is, zoo laat het zich begrijpen, waarom de Kerk ons heden deze Les voorhoudt. — Mozes wees dezer wijsheid eene woning aan, in dien zin, dat hij den godsdienst volgens de voorschriften dier wijsheid regelde. En aldus bekwam zij eene woning op Sion, en vatte zij wortel bij het heilig volk, en zij groeide op als de ceder van den Libanon, enz., dat is: zij ontwikkelde hare openbaringen van eeuw tot eeuw, steeds met grootere klaarheid, en op meer bepaalde en duidelijke wijze. De cederboomen zijn

755

ocr page 796

onderricht over het feest

door hunne dikte, hoogte en duurzaamheid een afbeeldsel van den heerlijken wasdom en de bestendigheid van den geopen-baarden godsdienst. De wijsheid geeft eenen geur van zich af als kaneel en welriekende balsem, dat is: zij heeft de liefelijkste deugden in haar gevolg. Uit deze nadere omschrijving der wijsheid kunnen wij opmaken, hoe juist de H. Kerk deze Les op Maria toepast; immers groeide uit Haar de eeuwige Wijsheid niet op als een cederboom, en was Zij niet in den lusthof van God, de schoonste roos, welriekend door al hare deugden? 0, dat wij ook zóó in wijsheid mogen opgroeien, en aan God tot een welriekenden geur van Christus mogen strekken. (II Cor. II, 14.)

Verzuchtingen. Ach, trek ons tot U, Maria, opdat wij door uwe voorspraak barmhartigheid verwerven en onder uwe bescherming schuilend, de Hemelsche zaligheid waardig en deelachtig mogen worden.

Evangelie volgens den H. Lucas 38-42.

In dien tijd, kwam Jesus in een vlek; en eene vrouw, met name Martha, ontving Hem in haar huis. En zij had eene zuster, met name Maria, die ook aan de voeten des Heeren zat, en zijn woord aanhoorde. Maar Martha was gestadig werkzaam met veel dienen. En staande, zeide zij: Heer! bekommert het ü nietj dat mijne zuster mij alleen laat dienen ? Zeg haar dan, dat zij mij helpe! En de Heer antwoordde, en sprak lothaar: Martha, Martha! gij zorgt en zwoegt voor veel; slechts één is noodig. Maria heeft het beste deel verkoren, hetwelk haar niet zal worden ontnomen.

Waarom laat de H. Kerk dit Evangelie vandaag voorlezen?

Wijl het op Maria, de Moeder van God, het beste past; want Zij heeft den Zoon Gods veel waardiger en liefderijker dan Martha ontvangen, en Hem naarstiger gediend; Zij heeft raat meer ijver en oplettendheid dan de zuster van Martha, het woord Gods aangehoord, het in haar hart bewaard, en er naar geleefd. Zij heeft zoowel in het een als in het ander

756

ocr page 797

van maria hemelvaart.

het beste deel verkoren, wijl Zij beide met de grootste volmaaktheid verricht heeft. Hierdoor heeft Zij de groote belooning verdiend, die Haar thans ten deele is gevallen, en welke Haar niemand ontnemen zal.

Wat moeten wij van deze twee zusters leeren?

1) Dat wij, gelijk Martha, die het werkdadige en het arbeidzame leven verbeeldt, vlijtig moeten zijn in het volbrengen onzer beroepsplichten; maar toch niet mogen vergeten goede werken en alles ter liefde Gods te doen. Kunnen wij den Zaligmaker thans niet meer eenigen dienst naai' zijn lichaam bewijzen, wij kunnen Hem ten minste dienen in de arme mea-schen, daar Hij alles, wat wij aan den geringste onzer broeders doen, als aa» Hem gedaan zal beschouwen en beloonen. 2) bat wij, gelijk Maria, die het beschouwende leven verbeeldt, ijverig moeten zijn in het gebed, in het aauhooren van Gods woord, in de overweging der Goddelijke Volmaaktheden, en in de kennis van ons zeiven, om ons hierdoor meer en meer te heiligen en ons de zaligheid waardig te maken. Dit beschouwende leven noemt de Zaligmaker het beste deel, zonder nochquot; tans het werkende leven daardoor af te keuren ol te verwerpen. Een en ander kunnen wij zeer wel vereenigen, zóó nochtans, dat wij ons hoofddoel steeds op het beste deel gericht houden.

Waarom wordt Martha door Jestfs berispt?

Hij berispte haar niet om hare arbeidzaamheid, noch om de bedrijvigheid, die zij om zijnentwille aanwendde; maar om haar inwendige rusteloosheid, om den angst en de verstrooiing, waarmede zij arbeidde, dewijl zij zich niet met het noodia-kelijke tevreden hield,, en alzoo verwaarloosde zijn Goddelijk woord te hooren.

Wat is het éénige noodzakeïyke?

Boven alles en in alles de eer van God en de zaligheid onzer ziel te zoeken. Alwie voor dat éénige zorgt, vervult tevens de hem opgelegde plichten; is niet rusteloos en verstrooid, maar rustig en vreedzaam, dewijl zijne blikken ook gedurende den arbeid steeds op God gericht zijn. Hij is alzoo niet buitensporig en overdreven, maar genialigd, en vermijdt al het nuttelooze.

787

ocr page 798

onderricht over het feest

Verzuchtingen. Ach, hadde ik toch tot hiertoe steeds beter voor dat eéne noodzakelijke gezorgd! Rampzalige uren, die ik tot nu toe voor de wereld, hare ijdelheid en geneuchlen verspild heb! Ach, waar zijt gij thans? Wat anders zal ik eenmaal in de eeuwigheid van u hebben, dan naberouw, en misschien vertwijfeling? Konde ik toch de levensdagen, die ik nutteloos verkwist heb, terugroepen! Maar dewijl dit onmogelijk is, zoo bid ik U, o goede God, verleen mij de genade, dat ik mijn overig leven geheel aan uwen dienst toewijde, en onquot; afgebroken aan het heil mijner ziel arbeide.

Gebed van den H. Bernardus tot Maria.

0 gezegende Maagd, bij wier Hemelvaart de vorsten van het Hemelsch hof, verrukt over deze nieuwe wonderbare gebeurtenis, vol verbazing uitriepen: quot;Wie is zij, die van uit de woestenij oprijst, met vreugdegenot omgeven? en lofliederen en jubelgezangen aanhieven; betoon ons uwe liefde en verwerf der wereid die genade bij God, welke Gij zelve bij Hem gevonden hebt. Verkrijg voor den zondaar vergeving, voor de kranken geneesmiddelen en gezondheid, voor de kleinmoedigen kracht, voor de bedrukten troost, voor de gevaarlijdenden bijstand, en voor al uwe kinderen de eeuwige zaligheid.

Op dezen feestdag, op dez.en dag van vreugde verleene Jesus-Christus uw Zoon, door uwe voorspraak aan allen, die uwen naam met eerbied aanroepen, het geschenk zijner genade. Hij, de gezegende God in eeuwigheid!

Verklaring van Lofgang Magnificat.

Hoe luidt deze Lofzang?

Mijne ziel maakt groot den Heere, en verheugd heeft zich mijn geest in God, mijnen Zaligmaker! Omdat Hij nsderzag op de geringheid zijner dienstmaagd; want zie. van nu af zullen alle geslachten mij zalig prijzen: dewijl groote dingen aan mij gedaan heeft. Hij, die machtig is; en Heilig is zijn ISaam! En zijne barmhartigheid is van geslachte tot geslachte over degenen, die Hem vreezen. Hij heeft kracht gedaan door zijnen arm; verstrooid heeft Hij die hoogmoedig zijn in den waan huns harten. Machtigen heeft Hij van den troon gestort, en geringen verheven. Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld, en rijken

758

ocr page 799

van maria hemelvaart.

ledig weggezongen. Hij heeft Isuael, zijnen dienstknecht, aangenomen, indachtig zijner barmhartigheid: gelijk flij aan onze vadtren heeft toegezegd, aan Abraham en aan zijn kroost in eeuwigheid.

Wat behelst deze Lofgang?

De Allerzaligste Maagd en Moeder Gods Maria prijst God en jubelt, omdat Hij op de nederigheid zijner dienstmaagd heeft neêrgezien en Haar tol Moeder van zijn eeniggeboren Zoon heefl uitgekozen, voor welke gunst Haar alle geslachten zullen zalig prijzen. Zij verklaart, dat Gods barmhartigheid zich van geslacht tot geslacht uitstrekt over hen, die Hem aldus vreezen. Hij vernietigt de plannen der hoovaardigen, en stort hen van hunnen troon, terwijl Hij daarentegen den ooi moedigen zijne genade schenkt en hen troost. Hen, die hongeren en verlangen naar deugd en naar hemelsche goederen, verzadigt Hij daarmede rijkelijk, terwijl Hij degenen, die zich daarin rijk wanen, met ledige handen heenzendt. Hij trekt zich alle ware Israelieten, al zijn ware dienaars aan, en brengt hen tot heil, door de beloften, die Hij te allen tijde aan hunne voorvaderen gedaan had, te vervullen. — De Kerk herhaalt dezen lofzang iederen dag in de dagelijksche getijden harer priesters, en looft daardoor het werk der Verlossing, dat ter voltrekking in Maria een aanvang nam. Daar ieder Christen in de gedachten en de gevoelens des Zaligmakers moet treden, en, om zoo te spreken, den Verlosser in zich zeiven moet doen geboren worden, kan ook een ieder de gevoelens, die de H. Maagd en Moeder Gods in dezen lofzang heeft uitgedrukt, op zich zeiven toepassen.

Verzuchting. 0 Heer jesus-ghristus, Zoon van den levenden God, die van nil den hoogen Hemel in den schoot der H. Maagd Maria zijt nedergedaald, waarin Gij gedurende negen maanden gerust, en ü gewaardigd hebt door Haar den H. Joannes te bezoeken en te heiligen, geef ons, dat wij, door de beoefening der goede werken en der ootmoedigheid voornamelijk, de gunst mogen verdienen, dat wij door U met ware genade bezocht, en de vruchten uwer menschwording deelachtig worden! Amen.

Gebed tot de H. Maagd.

0 allerootmoedigste Maagd, die aan God alleen de eer gegeven, en Hem voor zijne genade luide geprezen hebt, verwerf

7S9

ocr page 800

onderricht over het feest

goederen, liet innen der cijnzen, door het gebruik of op andere wijze ontstaan, ter gemoelkoming der kerkelijke benoodigdheden-Daarenboven heelt de Bisschop zekere eererechten, bijvoorbeeld hij draagt den titel van Hoogwaarde of Zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid, hij heeft eencn troon, een wapenschild, enz.

Wat wordt door Aartsbisschop, Primaat en Patriarch

verstaan?

Elk Aartsbisschop is de opperherder zijns bisdoms, even als de Bisschoppen de opperherders van hun diocees zijn; doch de Aartsbisschop heeft daarenboven het toezicht over een bepaald getal naburige Bisschoppen en bisdommen, die te samen genomen een kerkelijke provincie genoemd worden.

Primaat wordt die Bisschop genoemd, wiens bisschoppelijke zetel de eerste en de waardigste van een geheel rijk is. Deze waardigheid is somtijds slechts een bloote eeretitel, somtijds ook schenkt zij den Primaat, als plaatsbekleeder des Pausen, een werkelijk gezag en een bepaalde; rechtsmacht.

Patriarchen noemt men de Bisschoppen, onder wier opzicht en geestelijk bestuur alle Bisschoppen en Aartsbisschoppen van meer kerkelijke provinciën zijn.

Onderriclit over het feest der H. Anna.

Moeder der H. Maagd Maria.

(26 Juli.)

De If. Moeder Anna, wier ouders onbekend zijn, was gehuwd met den H. Joachim, uit het geslacht van David. Zij leidde met hem een deugdzaam en heilig leven, en bleef langen tijd kinderloos. Zij verdroeg deze onvruchtbaarheid met geduld en volle overgeving aan den wil des Allerhoogsten en smeekte onophoudelijk tot God, dat Hij haar een kind zoude schenken. God verhoorde eindelijk haar gebed, en verkoos haar als gelukkige moeder der Allerzaligste en Gez;'gend-ste Maagd iMaria. Dit alleen strekt haar genoeg tot lof; immers daar God haar tot zulk een verhevene waardigheid bestemd had, is het buiten allen twijfel, dat Hij haar ook met de noodige genaden en gaven, met deugden en heiligheid heeft uitgerust; ja, haar heilig kind zelf is het sterkste bewijs van hare heiligheid. Hierop gronden de lofredenaars der H. Anna

7S0

ocr page 801

der h. anna, moeder van maria.

hare waardigheid, verhevenheid en grootheid, wanneer zij zeggen: zij heeft Maria ter wereld gebracht, nit wie Jf.sus geboren is, die Christus genoemd wordt. L)e H. Anna stierf vroegtijdig. Haar heilig lichaam zou, naar men zegt, in 710, uit Palestina naar Constantiuopel zijn overgevoerd, waar ter harer eere verscheidene kerken gebouwd werden.

Laten wij deze Heilige Moeder ijverig vereeren en haar bidden, dat zij haar machtige voorspraak doe gelden bij Hem, tot wiens moeder, hare dochter van God werd uitverkoren, bij Jesus-Christus onzen Heer.

De H. Anna wordt afgebeeld met haar kind Maria, dat zij onderwijst. Zij is de patrones der naaisters en der armen, en wordt aangeroepen om verlorene zaken terug te krijgen.

Bij den Ingang der Mis. Laten wij ons allen in den Heer verheugen, terwijl wij ter eere der H. Anna den feestdag vieren, over welks plechtigheid de Engelen zich verblijden, en den Zoon Gods eenparig loven. Psalm XLIV. Mijn hart heeft een goed woord uitgeboe/.emd; ik wijde mijne werken den Koning toe. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

O God, die ü gewaardigd hebt aan de H. Anna de genade te schenken, van moeder te worden van Haar, die eenmaal den eeniggeboren Zoon zoude ter wereld brengen, verleen ons genadig, dat wij, die haren feestdag vieren, door hare voorspraak uwen bijstand mogen verwerven. Door Jesus Christus onzen Heer, enz.

EPISTEL: Les uit de Spreuken van Salomon,XXXI, 10-31.

(Zie het Bijvoegsel, letter M.)

Verklaring. Deze Les stelt ons het echte beeld eeuer rechtschapene huisvrouw voor, die, om het in weinig woorden te zeggen, dag en nacht, aan het lichamelijk en geestelijk, tijdelijk en eeuwig welzijn van haar zelve en hare onderhoorigen arbeidt. Üe H. Schrift zelve stelt ons dit beeld voor. Moge het, gelijk het hier omschreven is, ter navolging van alle vrouwen strekken! Dan zouden er geene gevonden worden, die, gelijk thans, enkel en alleen in hare schoonheid, looi en ijdel-heid hare eer en vermaak zoeken; die geen andere bezighe-

751

ocr page 802

ONDERRICHT OVER HET FEEST

den konnon, dan haar weck en wellustig lichaam mot spijs en drank, door ledigheid en rust onophoudelijk to koostoren; die hot opzicht over haar huishouden onder hare laatste zorgen tellen; die hare kinderen 011 haar huisgezin aan hnn eigen lot overlaten, en wat nog erger is, die, door hare eigenzinnighoid, hare trotschhoid, krakeelzucht on schaamteloosheid haren ondor-danen een steen dos aanstoots zijn, hnn tot ergernis verstrok-ken, ja zelfs hen tot zonden brengen; vrouwen, dio hot vermogen en do goederen haror mannen ten gronde ricliton. hen in armoede, schande en ollondo storten en door haar oploopend en twistziek gedrag /.oor wel gelijken, zoo als do H. Schrift zich uitdrukt (Spreuken XIX, 13) op den dakdrop, en aldus aan hare mannen de samonwouing ondragelijk maken. 0 hoezeer verschillen deze vrouwen van de huisvrouw, van welko deze Les zegt; dat zij allen in rijkdommén, dat is in deugden, overtrolFon heeft. Maar wee haar ook! Zij moesten als christen huismoeders /.oovool goeds stichten en zooveel kwaads beletten, eu zij hebben zulks niet gedaan. Wee haar! Hare werken zullen eenmaal, in plaats van eer en lof, de rechtmatige straffen Gods over haar aftrekken.

Evangelie volgens den H. Mattheus VUL 4i-a2.

(Zie het Bijvoegsel, letter M.)

Verklaring en aanmoediging. Om ons te loeren, dat wij, ter verwerving van het ware geloof on oprecht geluk niet alleen gcene moeite moeten sparen, maar ook tevens, als de nood zulks vereischt geiti en goed, bloed on leven ten olfer moeten brongen, stelt ons de Zaligmaker do gelijkenis voor van een mensch, die eenen schat gevonden heeft, en om in bet bezit er van te komen, zijne goederen en bezittingen verkoopt. Do schat is verborgen; de wijzen der wereld immers wanen de wijsheid van Christus eene dwaasheid; zij hebben oogon, maar zien dien schat niet. Hij moet verborgen gehouden worden, want de duivel, de wereld en het vleesch trachten hem te rooven. Gelijk men, om een verborgen schat te vindon, diep moot graven, zoo moet men zich ook veel moeite geven, om hol ware goloof te behouden en de ware gelukzaligheid te bekomen. De gelijkenis van den koopman, die echte parelen zoekt, heeft dezelfde beleekeuis.

752

ocr page 803

van itë h. moeder anna.

Door de gelijkenis van liet net, dat in zee geworpen wordt, en allerlei visschen opneemt, die vervolgens op het strand van elkander worden afgezonderd, leert de Heer ons, dat, tot de al-gemeene zichtbare Kerk van Christus, die het Rijk Gods op aarde is, niet alleen de goeden, maar ook de kwaden behooren; (met uitzondering nochtans van de openlijke en verklaarde on-geloovigen, van hen, die zich van den H. Stoel hebben losgescheurd, en eindelijk, die door de Kerk uit haren schoot geworpen en in den ban geslagen zijn). De kwaden evenwel zullen op het einde der wereld van de goeden afgezonderd, en in het eeuwig vuur geworpen worden. Wee hem, wien zoodanig lot treffen zal!

Verzuchtingen tot de H. Anna.

Wees gegroet, o zalige moeder Anna, gezegend is uw schoot, waarin de almachtige God Maria, die ark van heiligheid, bestemd om eenmaal zijn eeniggeboren Zoon te dragen, gevormd heeft. Gezegend zijt gij, omdat gij ter onzer vertroosting de Moeder gebaard hebt van onzen Verlosser, die de smachtende wereld door zijne genade verkwikt heeft. Ontvang dan onze gelukwenschen, geheiligde en gezegende onder de vrouwen! Dat alle tongen uwen lof verkondigen, wijl gij de moeder geworden zijt van de Moeder Gods. Hierom wenden wij ons met den grootsten eerbied en vol betrouwen tot u, en smeeken u, verwerf ons van onzen Verlosser alle genade, die wij zoo zeer noodig hebben, opdat wij, uw brandende godsvrucht, uw blakende liefde tot God en uw andere deugden navolgende, daardoor waardig worden, Jesus Christus, de gezegende vrucht des lichaams van Maria, uw maagdelijke dochter, eenmaal in den Hemel te a-mschouwen, en ons in zijne aanschouwing eeuwig mogen verblijden. Amen.

Onderriclit over liet feest van Maria Hemelvaart.

(15 Augustus.)

Waarom wordt dit feest aldus genoemd?

Omdat op dien dag de Allerzaligste Maagd Maria ten Hemel is opgenomen.

783

42

ocr page 804

0ndek1ucht over het feest

Wat zegt de onafgebro kene overlevering der eerste tijden betrekkelijk de opname van Maria ten Hemel?

Zij zegl, dal het lichaam der Allerzaligste Maagd Maria, het bederf des grafs niet heeft ondergaan; maar dat de Moeder Gods tegelijk met ziel en lichaam in den Hemel is opgenomen. De H. Joannes Damascenus zegt: ,,Dewijl de H. Maagd nimmer met begeerte naar liet aardsche bevlekt is geweest, maar steeds met haren geest in den Hemel woonde, paste het niet, dat Zij tot de aaide, waaruit Zij gemaakt was, terugkeerde. Hel voegde Haar, dat Zij, die reeds een levende Hemel hier op aarde geweest was, terstond, na haar overlijden, ten Hemel werd opgenomen. En elders nog zegt dezelfde Heilige: «Hoe zon eenig bederf het lichaam durven aanranden, waarin eens het leven (Jesus-Christüs) ontvangen werd? Daarom was voor Mahia een rechter, effener en gemakkelijker weg ten Hemel bereid dan voor andere menschen.quot;

Waarom worden op dezen feestdag kruiden en vruchten

gewijd?

Deze plechtigheid is niet algemeen in de Kerk, maar slechts in eenige landstreken gebruikelijk. Zij herinnert ons aan het gebod den Joden in het Oude Verbond opgelegd, de eerstelingen van alle vruchten en dieren in den tempel te Jerusalem op te offeren; hetgeen door de Christenen, gedurende vele eeuwen, is nagevolgd. Zij heeft plaats in den oogsttijd en dient dus om God voor de ontvangen weldaden, de gewassen, kruiden en vruchten, te danken en Hem te smeeken, dat zij aan degenen, die er van genieten, lot welzijn van ziel en lichaam mogen verstrekken.

Bij den Ingang der Mis spoort ons de H. Kerk tot alge-meene vreugde aan, wanneer zij zingt: Laten wij ons allen in den Heer verheugen, terwijl wij den feestdag vieren ter eere der Heilige Maagd Maria, over wier opneming ten Hemel de Engelen zich verheugen en den Zoon Gods eenparig loven. Psalm XL1V. Mijn hart heeft een goed woord nilgeboezemd; ik wijd mijne werken den Koning toe. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Wij bidden U, o Heer, schenk uwen dienaren vergiffenis der zonden, opdat wij, die niet in staat zijn, U door onze

754

ocr page 805

1

quot;TJ»'

!;Bl

755 ,1

f

van maria hemelvaart,

eigene werken te behagen, door de voorspraak der Moeder van uwen Zoon, onzen Heer, tot de /.aliglieid geraken. Die met U leeft, enz. jji' ;!

EPISTEL: Les uit het Boek Ecclesiosticus, XXIV, ^51'

11-13, 15-20. „'j,,

In alles heb ik rust gezocht, en in de erfenis des Heeren zal ik toeven. Toen beval en zeide mij de Schepper van alles, en die mij geschapen heeft, rustte in niijïie tent, ea zeide mij: Neem uwe woonplaats in Jacob, en uw erfdeel in Israel,

en schiet wortelen in mijne uitverkorenen. En zóó ben ik in

quot;quot;quot;'li' ilii

— ....... ..............------------------ — ...........

Sion gevestigd, en heb ik eveneens gerust in de heilige stad. J*»quot;

en is mijne macht in Jerusalem En ik heb wortel gescholen bij een verheerlijkt volk, en bij het aandeel van mijnen God,

die diens erve is; en mijn verblijf is in de volle gemeente der Heiligen. Ik ben opgewassen als de ceder op den Libanon en *1

als de cipres op den berg Sion; ik ben opgeschoten als de |

palm van Cades, en als de rozenstruik van Jericho; ik ben opgegroeid als de schoone olijfboom in de velden en als de plataanboom op de wegen langs hel water. Ik heb eenen geur gegeven als kancel en als welriekende balsem; ik wasemde als uilgelezene mirre een zoeten reuk uit.

Verklaring. In het begin dezer Les toont de ongeschapen Goddelijke Wijsheid hare onbeperkte heerschappij over alle schepselen — en zegt iioe deze zich aan alle volkeren heeft trachten mede te deelen. Maar alleen onder het uitverkoren volk, door de Goddelijke openbaring, een eigenlijke woonplaats genomen heeft. De wijsheid, die aan het volk van Israel medegedeeld werd, is de geschapen wijsheid. Daar deze hoofdzakelijk ten deele viel aan de 11. Maagd Maria, welke onder alle Engelen en menschen het meest begunstigd is, zoo laat het zich begrijpen, waarom de Kerk ons heden deze Les voorhoudt.

— Mozes wees dezer wijsheid eene woning aan, in dien zin,

dai hij den godsdienst volgens de voorschriften dier wijsheid regelde. En aldus bekwam zij eene woning op Sion, en vatte zij wortel bij het heilig volk, en zij groeide op als de ceder van den Libanon, enz., dat is: zij ontwikkelde hare openbaringen van eeuw tot eeuw, steeds met grootere klaarheid, en op meer bepaalde en duidelijke wijze. De cederboomen zijn

ocr page 806

onderricht over het fees'*

door hunne dikte, hoogte en duurzaamheid een afbeeldsel van den heerlijken wasdom en de bestendigheid van den geopen-baarden godsdienst. De wijsheid geeft eenen geur van zich af als kaneel en welriekende balsem, dat is: zij heeft de liefelijkste deugden in haar gevolg. Uit deze nadere omschrijving der wijsheid kunnen wij opmaken, hoe juist de H. Kerk deze Les op Maria toepast; immers groeide uit Haar de eeuwige Wijsheid niet op als een cederboom, en was Zij niet in den lusthof van God, de schoonste roos, welriekend door al hare deugden? O, dat wij ook zóó in wijsheid mogen opgroeien, en aan God tot een welriekenden geur van Christus mogen strekken. (11 Cor. II, 14.)

Verzuchtingen. Ach, trek ons tot U, Maria, opdat wij door nwe voorspraak barmhartigheid verwerven en onder uwe bescherming schuilend, de Hemelsche zaligheid waardig en deelachtig mogen worden.

Evangelie volgens den H. Lucas X., 38-42.

In dien tijd, kwam Jesus in een vlek; en eene vrouw, met name Martha, ontving Hem in haar huis. En zij had eene zuster, met name Maria, die ook aan de voeten des Heeren zat, en zijn woord aanhoorde. Maar Martha was gestadig werkzaam met veel dienen. En staande, zeide zij: Heer! bekommert het U niet, dat mijne zuster mij alleen laat dienen ? Zeg haar dan, dat zij mij helpe! En de Heer antwoordde, en sprak lothaar: Martha, Martha! gij zorgt en zwoegt voor veel; slechts één is noodig. Maria heeft het beste deel verkoren^ hetwelk haar niet zal worden ontkomen.

Waarom laat de H. Kerk dit Evangelie vandaag voorlezen?

Wijl het op Maria, de Moeder van God, het beste past; want Zij heeft den Zoon Gods veel waardiger en liefderijker dan Martha ontvangen, en Hem naarstiger gediend; Zij heeft met meer ijver en oplettendheid dan de zuster van Martha, het woord Gods aangehoord, het in haar hart bewaard, en er naar geleefd. Zij heeft zoowel in het een als in het ander

756

ocr page 807

van maria hemelvaart.

' !l! 1

i\ t

787

het beste deel verkoren, wijl Zij beide met de grootste volmaaktheid verricht heeft. Hierdoor heeft Zij de groote belooning verdiend, die Haar thans ten deele is gevallen, en welke Haar niemand ontnemen zal.

Wat moeten wy van deze twee zusters leerea?

1) Dat wij, gelijk Martha, die het werkdadige en het arbeidzame leven verbeeldt, vlijtig moeten zijn in het volbrengen onzer beroepsplichten; maar toch niet mogen vergeten goede werken en alles ter liefde Gods te doen. Kunnen wij den Zaligmaker thans niet meer eenigen dienst naar zijn lichaam bewijzen, wij kunnen Hem ten minste dienen in de arme men-schen, daar Hij alles, wat wij aan den geringste onzer broeders doen, als aan Hem gedaan zal beschouwen en beloonen. 2) Dat wij, gelijk Maria, die het beschouwende leven verbeeldt, ijverig moeten zijn in het gebed, in het aanhooren van Gods woord, in de overweging der Goddelijke Volmaaktheden, en in de kennis van ons zeiven, om ons hierdoor meer en meer te heiligen en ons de zaligheid waardig te maken. Dit beschouwende leven noemt de Zaligmaker het beste deel, zonder nochtans het werkende leven daardoor af te keuren of te verwerpen. Een en ander kunnen wij zeer wel vereenigen, zóó nochtans, dat wij ons hoofddoel steeds op het beste deel gericht houden.

Waarom wordt Martha door Jesus berispt?

Hij berispte haar niet om hare arbeidzaamheid, noch om de bedrijvigheid, die zij om zijnentwille aanwendde; maar om haar inwendige rusteloosheid, om den angst en de verstrooiing, waarmede zij arbeidde, dewijl zij zich niet met het noodia-kelijke tevreden hield, en alzoo verwaarloosde zijn Goddelijk woord te hooien.

Wat is het éénige noodzakelyke?

Boven alles en in alles de eer van God en de zaligheid onzer ziel te zoeken. Alwie voor dat éénige zorgt, vervult tevens de hem opgelegde plichten; is niet rusteloos en verstrooid, maar rustig en vreedzaam, dewijl zijne blikken ook gedurende den arbeid steeds op God gericht zijn. Hij is alzoo niet buitensporig en overdreven, maar gematigd, en vermijdt al het nuttelooze.

f r:

3

•.I

fef'

l;;!

ri to'quot;quot;* ijl

■quot;I L

w

temil*

Ui fii

i

iUljil

A

s».,

quot;4

r'Tl1'

temkk

ocr page 808

onderricht over het feest

Verzuchtingen. Ach, liadde ik toch tot hiertoe steeds beter voor dat ééne noodzakelijke gezorgd! Rampzalige uren, die ik tot nu toe voor de wereld, hare ijdelheid en geneuchten verspild heb! Ach, waar zijt gij thans? Wat anders zal ik eenmaal in de eeuwigheid van u hebben, dan naberouw, en misschien vertwijfeling? Konde ik toch de levensdagen, die ik nutteloos verkwist heb, terugroepen! Maar dewijl dit onmogelijk is, zoo bid ik U, o goede God, verleen mij de genade, dat ik mijn overig leven geheel aan uwen dienst toewijde, en onquot; afgebroken aan het hoil mijner ziel arbeide.

Gebed van den H. Bernardus tot Maria.

0 gezegende Maagd, bij wier Hemelvaart de vorsten van het Hemelsch hof, verrukt over deze nieuwe wonderbare gebeurtenis, vol verbazing uitriepen: quot;Wie is zij, die van uit de woestenij oprijst, met vreugdegenot omgeven ? en lofliederen en jubelgezangen aanhieven; betoon ons uwe liefde en verwerf der wereld die genade bij God, welke Gij zelve bij Hem gevonden hebt. Verkrijg voor den zondaar vergeving, voor de kranken geneesmiddelen en gezondheid, voor de kleinmoedigen kracht, voor de bedrukten troost, voor de gevaarlijdenden bijstand, en voor al uwe kinderen dc eeuwige zaligheid.

Op dezen feestdag, op dezen dag van vreugde verleene Jesüs-Christus uw Zoon, door uwe voorspraak aan allen, die uwen naam met eerbied aanroepen, het geschenk zijner genade, Hij, de gezegende God in eeuwigheid!

Verklaring van Lofzang Magnificat.

Hoe luidt deze Lofzang?

Mijne ziel maakt groot den Heere, en verheugd heeft zich mijn geest in God, mijnen Zaligmaker! Omdat Hij nedtrzag op de geringheid zijner dienstmaagd; want zie. van nu af zullen alle geslachten mij zalig prijzeti: dewijl groote dingen aan mij gedaan heeft. Hij, die machtig is; en Heilig is zijn Naam! En zijne barmhartigheid is van geslachte tot geslachte over degenen, die Hem vreezen. Hij heeft kracht gedaan door zijnen arm; verstrooid heeft Hij die hoogmoedig zijn in den waan huns harten. Machtigen heeft Hij van den troon gestort, en geringen verheven. Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld, en rijken

758

ocr page 809

van maria hemelvaart.

ledig reeg gezongen. Hij heeft Israel, zijnen dienstknecht, aangenomen, indachtig zijner barmhartigheid; gelijk Hij aan onze vaderen heeft toegezegd, aan Abraham en aan zijn kroost in eeuwigheid.

Wat behelst deze Lofzang?

De Allerzaligste Maagd en Moodw Gods Maria prijst God en jubelt, omdat Hij op de nederigheid zijner dienstmaagd heeft neergezien en Haar tol Moeder van zijn eeniggeboren Zoon heeft uitgekozen, voor welke gunst Haar alle geslachten zullen zalig prijzen. Zij verklaart, dat Gods barmhartigheid zich van geslacht tot geslacht uitstrekt over hen, die Hem aldus vreezen. Hij vernietigt de plannen der hoovaardigen, en stort hen van hunnen troon, terwijl Hij daarentegen den ootmoedigen zijne genade schenkt en hen troost. Hen, die hongeren en verlangen naar deugd en naar hemelsche goederen, verzadigt Hij daarmede rijkelijk, terwijl Hij degenen, die zich daarin rijk wanen, met ledige handen heenzendt. Hij trekt zich alle ware Israeüeten, al zijn ware dienaars aan, en brengt hen lot heil, door de beloften, die Hij te allen tijde aan hunne voorvaderen gedaan had, te vervullen. — De Kerk herhaalt dezen lofzang iederen dag in de dagelijksche getijden harer priesters, en looft daardoor het werk der Verlossing, dat ter voltrekking in Maria een aanvang nam. Daar ieder Christen in de gedachten en de gevoelens des Zaligmakers moet treden, en, om zoo te spreken, den Verlosser in zich zeiven moet doen geboren worden, kan ook een ieder de gevoelens, die de H. Maagd en Moeder Gods in dezen lofzang heeft uitgedrukt, op zich zeiven toepassen.

Verzuchting. 0 Heer Jesus-Christus, Zoon van den levenden God, die van uit den hoogen Hemel in den schoot der H. Maagd Maria zijt nedergedaald, waarin Gij gedurende negen maanden gerust, en Ü gewaardigd hebt door Haar den H. Joannes te bezoeken en te heiligen, geef ons, dat wij, door de beoefening der goede werken en der ootmoedigheid voornamelijk, de gunst mogen verdienen, dat wij dooi- U met ware genade bezocht, en de vruchten uwer menschwording deelachtig worden! Amen.

Gebed tot de H. Maagd.

0 allerootmoedigste Maagd, die aan God alleen de eer gegeven, en Hem voor zijne genade luide geprezen hebt, verwerf

7 39

ocr page 810

onderricht over het feest

ons van Hem de genade naar uw voorbeeld ootmoedig van harte te zijn, en daardoor zijn welbehagen en zijne genade waardig te worden. Amen.

Onderricht over het feest der HH. Engel-Bewaarders.

(Eersten Zondag in September.)

Waarom heeft de Kerk dezen feestdag ingesteld?

1) Om God te bedanken voor de zorg, waardoor Hij een ieder van ons eenen Engel heeft toegevoegd, die ons, te midden der gevaren des levens, ten Hemel voert. 2) Om onze dankbaarheid aan de Engelen te betoenen, die ons zooveel goeds bewijzen.

Waarvan weten wy, dat ieder mensch zijnen Engel-Bewaarder heeft?

Uit verscheidene plaatsen der H. Schrift; zooals uit hel Boek der Schepping XLVIFI, i6; Job XXXIII, 23; Hand. der Apost. XII, 7 en voornamelijk uit de woorden des Zaligmakers zei ven: Ziet toe, zegt Hij. dat gij niet één van deze kleinen veracht; want Ik zeg u, dat hunne Engelen in den Hemel altoos aanschouwen het aanschijn mijns Vaders, die in de Hemelen is (Matth. XV1II, 10). Deze woorden werden steeds door de H. Kerk in dien zin begrepen, dat ieder mensch in het bijzonder eenen Engel-Bewaarder heeft.

Welk is het ambt der HH. Engel-Bewaarders?

De menschen tegen de gevaren naar ziel en lichaam te beschermen. Wij lezen dienaangaande in den negentigsten Psalm van David ; De Heer heeft zijnen Engelen over u bevel gegeven, dat zij u bewaren zouden in al uwe wegen. V 12. Op de handen zullen zij u dragen, opdat gij toevallig uwen voet niet stoot aan eenigen steen, dat wil zeggen, opdat gij niet in zonde of eenig ander ongeluk moogt vallen. »0 groote goedheid Gods,quot; roept de H. Bernardus uit, »0 wonderbare liefde! Wie heeft «bevolen?... God! Wien beval Hij?... Aan de Engelen, die «edele geesten, de huisgenooten des Scheppers. Wat heeft «Hij hun bevolen?... Ons armzalige menschen te behoeden en «te bewaren. 0 Heer, wat is dan de mensch, dat Gij U zijner «gedenkt? !quot; — Wilt gij verder weten, wat de Engel-Bewaarders voor ons zijn, raadpleeg dan den H. Paulus in zijnen Brief aan de

760

ocr page 811

oer hh. engel-bewaarders.

Hebreers (I, 14), waar hij de Engelen dienstbare geesten noemt, afgezonden ten dienste van hen, die de zaligheid zullen erven; raadpleegt Matth. XVIII, 10. Tob. V, 20. Judith X1IÏ, 20. Luc. XV, 10. Numeri XXII, 22. Psalm XXXIII, 8. XC, 12. Hand. der Apost. I, 10-11. Dan. VI, 22. Luc. XXII, 43, XVI, 22, enz., alwaar die zuivere geesten de vrienden der kinderen, de gidsen der jeugd, de bewaarders der onschuld, de opwekkers tot het goede, de beschutters tegen het kwaad, de behoeders der god-vruchtigen, de beschermers tegen het ongeluk, de troosters in noodwendigheden, de redders in gevaren, de helpers in den strijd, de geleiders der zielen in de eeuwige vreugde genoemd en als zoodanig geprezen worden. De HH. Engel-Bewaarders zijn dus groote weldoeners der menschen. Wie weet, in hoevele zonden ook wij reeds gevallen, hoevele ongelukken ons overkomen zouden zijn, indien zij ons niet tegengehouden en bewaard hadden.

Zyn wy onzen H. Engel-Bewaarder iets verschuldigd?

Wij zijn hem, volgens den H. Bernakdus, verschuldigd: 1) Eerbied voor zijne tegenwoordigheid, weshalve wij in zijne tegenwoordigheid niets moeten doen, waarover wij ons in het bijzijn van een rechtschapen man zouden schamen; 2) liefde en dankbaarheid voor de zorg, die hij voor ons draagt; 3) betrouwen op zijne bescherming, zoodat wij, in al onze noodwendigheden, aanvallen en bekoringen, ons, zonder uitstel, tot hem moeten wenden, en zijnen bijstand inroepen.

Verstrekt ons de tegenwoordigheid onzer Engel-Bewaarders tot eenigen troost?

Gewis; zij doen ons in alle gevaren naar ziel en lichaam kloekmoedigen onverschrokken zijn, en niets duchten. Wraarom, zoo vraagt de H. Bernardus, zouden wij vreezen, terwijl wij onder zulke machtige beschermers staan? Zij kunnen niet overwonnen, noch verleid worden, veel minder iemand verleiden, zij bewaren ons op al onze wegen. Zij zijn trouw, machtig en moedig, waarom zouden wij dan beven? Laten wij hen steeds volgen, ben aanhangen, en onder de hoede van God, den Heer des Hemels, verblijven. Zoo dikwijls dan een hevige bekoring u aanvalt of eenig groot ongeluk u bedreigt, roept uwen be-

761

ocr page 812

ONDERRICHT OVER HET FEEST

schermer, uwen bestierder, uwen helper in nood en lijden aan, roept tot hem, zeggende: Heer, help ons, anders vergaan wij.

Wat zullen wy op dezen feestdag doen?

Wij moeten dezen dag met groote godsvrucht doorbrengen, door onzen Heiligen Engel Bewaarder te vereeren, hem te bedanken voor alle weldaden, die hij ons gedurende onzen geheelen levensloop bewezen heelt, ons op nieuw in zijne bescherming aanbevelen, egt;i hem onwrikbare trouw en bestendige gehoorzaamheid beloven.

Hoe kunnen wy ons dagelijks aan onzen H. Engel-Bewaarder aanbevelen?

Door het volgende gebed. (1) 0 Engel Gods. mijn beschermer, ik bid u door uw verhevene goedheid, verlicht, bescherm, bestier, regeer mij, die aan ü ben toevertrouwd. Amen.

Gebed.

Almachtige, eeuwige God, die door uw eindelooze goedheid, aan alle menschen, van uit den schoof hunner moeder reeds, een Engel-Bewaarder hebt toegevoegd, verleen, dat ik mijnen Engel-bewaarder steeds eere, beminne en gehoorzame; opdat ik, door nwe genade en zijne bescherming bewaard, eenmaal in het Hemelsch Vaderland uw Goddelijk aanschijn, met hem en met alle Engelen, eeuwig moge aanschouwen.

0 HH. Engel-Bewaarders, verdedigt ons in den strijd, opdat wij in het verschrikkelijk oordeel niet verloren gaan.

Bij den Ingang der Mis. Psalm CII. Looft den Heer, Gij al zijne Engelen, Gij machtigen door kracht; die zijn woord volbrengt, om te hooreu naar de stem zijner woorden. Psalm;

762

1

4) Zij, die dit gclied minstens ceniriaal daags, gedurende eene maand, znllen gebeden hebben, kunnen op een dag naar verkiezing een vollen aflaat verdienen, toevoegclijk aan de zielen des vagevuurs, mits zij biechlcn, eommuniceeren en bidden lot inlentie van zijne Heiligheid (Pius VIII, 15 Mei 1821).

Sj Pins VI, 2 Oi l. 1795, verleent een aflaat van 100 dagen aan clle ge-loovigen, zoo dikwijls zij bovenstaand gebed in staat van gratie zullen slorlen.

3) De geloovigen, die dit gebed, gedurende een jaar eiken morgen en avond zullen gestort hebben, kunnen een vollen aflaat uM'dienen. den 2 October, mils zij biechten, eommuniceeren dien dag eene kerk bezoeken en bidden lot intenlie van zijne Heiligheid.

i) Volle aflaat in het uur des doods, voor allen, die gedurende hun leven dit gebed dikwijls zullen gedaan hebben. (Pius VI, 20 Sept. 1796.

ocr page 813

v

DER HH. ENGEL-BEWAAKDERS. 763 If1''

mi

Loof, mijne ziel, den Heer, eu al wat liinnen mij is, zijn Heiligen Naam. Eere zij den Vader, enz.

/quot;* A V. n rl ^3 nH TTquot; Anlr

'l

Gebed der Kerk. , *

ïi

1

ü God, die door uw onuitsprekelijke voorzienigheid, U gewaardigl uwe Engelen ter onzer bescherming te zenden, verleen ons, die U bidden, dat wij door hunne bescherming, allijd ver- , |

dedigd worden, en ons in hun gezelschap eeuwig mogen verheugen. Door onzen Heer Jesus-Chiustus, uwen Zoon, enz. ™|

EPISTEL: Les uit het Boek Exodi, XXIII, 20-23.

Dit zegt de Heere God: Zie, Ik zal mijnen Engel zenden,

om u voor te gaan, en u op den weg te bewaren, en u in de plaats binnen te leiden, die Ik bereid heb. Acht hem, en luister naar zijne stem, eu denk niet hem te versmaden; want hij zal u niet vergeven, als gij zondigt, en mijn Naam is in hem.

Zoo gij echter naar zijne stem luistert, eu alles doet wat Ik zeg,

zal Ik de vijand uwer vijanden zijn, en Ik zal hen bedroeven, die u bedroeven. Eu mijn Engel zal u voorgaan.

Evangelie \olgens den 11. Mattheus XV11I, 1-10.

In dien tijd kwamen de Discipelen tot Jfsus, en zeiden: Wie toch is de grootste in het Rijk der Hemelen? En Jesus riep een kind^ en stelde het in hun midden, en sprak: Voorwaar, Ik zeg n, tenzij gij u bekeert,

en wordt als de kinderen, zult gij niet ingaan in het Rijk der Hemelen. Al wie zich derhalve zal vernederen, gelijk dit kind. die is de grootste in het Rijk der Hemelen; en die zoodanig een kind in mijnen naam ontvangt, ontvangt Mij. Maar die een van deze kleinen, die in Mij gelooven. ergert, dien ware het heler, dat een molensteen aan zijnen hals gehangen, en hij in de diepte der zee verzonken wierd. Wee der wereld wegens de ergernissen! Het is wel noodig, dat de ergernissen komen;

maar toch wee dien mensch, door wien de ergernis komt!

Indien nu uwe hand, of nw voet u ergertquot;, houw ze af,

en werp ze van u; het is beter, verminkt of kreupel tot het leven in te gaan, dan twee handen of twee voeten te hebben, en in het eeuwig vuur geworpen te

3F

v

ocr page 814

onderricht over het feest

worden. En indien uw oog u ergert, ruk het uit, en werp het van u: het is beter, met één oog tot het leven in te gaan, dan twee oogen te hebben, en in het helsche vuur geworpen te worden. Zie toe, dat gij niet één van deze kleinen veracht; want Ik zeg u, dat hunne Engelen in den Hemel altoos aanschouwen het aanschijn mijns Vaders, die in de Hemelen is.

Onderricht over dit Evangelie.

1) I)e Zaiigmaker liad zich reeds vroeger verklnard over den voorrang van den H. Petrus boven de andere Apostelen; zoo even had Hij dienzelfden Apostel wederom eene onderscheiding gegeven, namelijk door voor Petrus alleen de schatting des tempels te betalen. De andere Apostelen werden deswege afgunstig. Zij hadden de woorden van Jesus wel gehoord, maar niet recht begrepen, — de H. Geest immers was nog niet over hen nedergedaald, — en zij dachten wellicht aan eenigen aardschen voorrang van den H. Petrus boven hen. Zij naderen dan tot den Zaligmaker, en vragen Hem : Wie toch is de grootste in het Rijk der Hemelen? Jesus ontwijkt de vraag, wie het grootste in de zichtbare Kerk zou zijn; Hij toont zijnen leerlingen, waarin de grootheid wezenlijk beslaat, en zegt: In het inwendige rijk van den christelijken godsdienst, is de ootmoedigste de grootste; en zoo gij uwe trotschheid en zucht naar grootheid niet ailegt, en niet ootmoedig en nederig, eenvoudig en ongedwongen, rondborstig en openhartig, geloovig en te goeder trouw wordt, gelijk de kinderen, kunt gij wel naar den uiterlijken schijn burgers van mijn rijk zijn, maar tot het onzichtbare Rijk, lot het getal der Heiligen, zult gij niet behooren, noch het Rijk des Hemels tot erfenis hebben, — Welke verhevene en noodzakelijke deugd is de ootmoedigheid!

2) Alwie echter, zoo gaat Jesus voort, een van deze kleinen, dia in Mij gelooven, ergert, dien ware het heter, dat een molensteen aan zijtien hals gehangen, en hij in de diepte der zee verzonken wierd; dat wil zeggen: het ware beter voor deze, dat hij gestorven ware zonder ergernis gegeven te hebben; immers dan zoude hij enkel naar het lichaam sterven; door de ergernis

764

ocr page 815

$1

der hh. engel-bewaarders.

evenwel doodt hij zijne ziel en ook de ziel der kleinen, die hij geërgerd heeft.

Wee der wereld wegens de ergernissen, want de kinderen worden daardoor tot zonde verleid. De bedorvene menschen, die hun ergernis geven, maken zich, buiten hun eigene misdaad, nog aan vreemde zonde schuldig.

Het is wel noodig, dat de ergernissen komen. Aangezien de wereld boos is en do mensch tot het kwade geneigd, kan het niet anders, of eenigen, ja velen spreken en doen kwaad, en worden daardoor den goeden een steen des aanstoots.

Maar toch wee den mensch, door wien de ergernis komt, hij zal streng gestraft worden; want met mijne genade had hij zijn kwade lusten kunnen wederstaan, zoo hij slechts had gewild.

Erken hieruit van welke hooge waarde een onschuldige ziel is, en aan welk een afschuwelijke zonde hij zich schuldig maakt, die zulke ziel door de ergernis tot kwaad verleidt.

3) Indien nu uwe hand of uw voet u ergert, houw ze af, enz. Hier spreekt Jesus over dingen, die ons zeiven tot ergernis strekken; dat is, ons tot zonden aanzetten of eene gelegenheid tot kwaad zijn, en zegt: Indien er iets is, het moge u zoo noodzakelijk zijn, als uw oog of uwe hand, het moge eene zaak zijn van nog zooveel waarde, een persoon u nog zoo dierbaar en nuttig, b. v. een knecht of eene meid, een aangenaam gezelschap, een voordeelige betrekking, dat u tot zonden verleidt, ruk het met geweld van u los; want beter is het, tijdelijke vermaken Ie ontberen, ja zelfs het grootste tijdelijk verlies te lijden, dan voor eeuwig verloren te gaan.

4) Een sterke beweegreden, die ons tegen moet honden anderen te ergeren, is deze, dat wij door de ergernis de Engelen, die verhevene geesten en vrienden van God in den Hemel, verachten en beleedigen. — Indien wij zoo roekeloos waren anderen ergernis te geven, o hoe diep zouden wij dan niet gevallen zijn. Daarom, ergert de kleinen niet, wier Engelen het aanschijn Gods aanschouwen.

t Ni

flit' !

!p(

HÉ#

:J

S£|»' quot;quot;li

„Jk

765

iir'ii

iquot;1-'• in!

■ quot;ii,! i

lil

'p

.i-rriii

gt;llf •irtlj

gt;r.

quot; I ■'

Will .ts'ljHljl1

quot;quot;quot;t:

Ijjll j

f.iÜ

h ifc quot;quot;Mllil. ;

P'*

«art li

«P

ocr page 816

onderricht over het feest

Onderriclit over tiet feest der Geboorte van

Maria.

fS September J

Welk feest vieren wij heden?

Den vreugdevollen dag, waarop de Allerzaligste Maagd en Moeder (Jods Maiiia het eerste levenslicht aanschouwde. Uwe geboorte, zoo zingt de Kerk heden, o Maagd en Moeder Gods, heeft aan de gansclie wereld vreugde verkondigd; uit U immers is opgerezen de Zon dor gerechtigheid, Christus onze God, die, aan den vloek een einde brengende, ons zegen gaf' en, den dood overwinnende, ons hot eeuwig loven schonk.

Hoe heeft de geboorte van Maria de geheele wereld verheugd?

Maria heeft daardoor 1) hare vrome ouders Joachim en Anna verblijd, die na hun langdurige onvruchtbaarheid in de geboorte van dit gelukzalig kind een onuitsprekelijken troost vonden; 2) zij hooft verblijd de H. Oudvaders, die in do liefde Gods waren gestorven, en die bij de lijding, dat de Moeder van den Messias geboren was, hun naderende verlossing te gomoet zagen; 3) Zij heeft door hare geboorte het menschdom op aarde verheugd, waaraan Zij, gelijk de morgenster of de dageraad, de nabijzijnde opkomst van de Zon dor gerechtigheid verkondigde, en waarvoor Zij een gelukkige voorbode des eeuwigen heils was; 4) eindelijk verheugde Zij door hare geboorte de Engelen, die in Haar hunne Koningin en de Moeder begrootten van Hem, die hunne reien zou aanvullen en de openstaande plaatsen bezetten, die sedert den afval dor booze Engelen ledig stonden.

Hoe behooren wij dezen feestdag te vieren.

1) Met ons van ganscher harte te verheugen, dewijl ons in Maria eone koningin, eeno moeder, eeno voorspreekster geboren is. 2) Met Haar door eene kinderlijke lielde te vereeren, en ons voornamelijk le beijveren, om Haar onze hulde te botoonen door een getrouwe naleving harer deugden, en ons daardoor harer voorbede waardig en deelachtig te maken.

Verzuchtingen van den H. Anselmus tot Maria.

Uit teedere liefde en reine begeerte verzucht ik tot ü, o Maria, mijne Moeder. 0 mochten mijne krachten zich ver

766

ocr page 817

der geboorte van maria.

genoeg uitstrekken, om U op een waardige wijze te beminnen ! Leer mij, Onbevlekte Maagd, hoe eerbiedig mijne gedachten, die ik jegens U koester, zijn moeten, en hoe ik ü op een gepaste wijze kan vereeren, opdat geheel mijn leven aan de eer van God en uwen dienst zij toegewijd, o Maria !

De Ingang der Mis. Wees gegroet, Heilige Moeder, welke den Koning hebt gebaard, die Hemel en aarde van eeuwen regeert. Psalm XLIV. Mijn hart heeft een goed woord uiige-boezemd; ik zeg mijne werken den Koning. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Wij bidden U, o Heer, schenk aan uwe dienaren de gaven uwer Goddelijke genade, opdat zij, die door het moederschap der Allerzaligste Maagd het begin van hun heil verworven hebben, ook door de plechtigheid harer geboorte, de vermeerdering des vredes mogen bekomen. Door onzen Heer Jesis-Christüs, enz.

EPISTEL: Les uit het Boek der Spreuken VIII, 22 -35.

(Zie leest van 0. L. Vrouw Onbevlekte Ontvangenis, bladz. 690.

Evangelie volgens den 11. Maïtheus I, 1-16.

liet boek der geboorte van Jksus Christus, den Zoon van David, den Zoon van Abraham. Abraham gewon Izaac, en Izaac gewon Jacob, en Jacob gewon Judas en zijne broeders. En Judas gewon Phares en Zara bij Tha-mar, en Phares gewon Esron, en Esron gewon Aram. En Aram gewon Aminadab, en Aminadab gewon Naas-son, en IS'aasson gewon Salmon. En Salmon gewon Booz bij Rahab, en Booz gewon Obed bij Ruth, en Obed gewon Jesse, en Jesse gewon David, den koning. En de koning David gewon Salomon bij de gewezene vrouw van Urias. En Salomon gewon Roboam, en Roboam gewon Abias, en Abias gewon Asa. En Asa gewon Jo-saphat, en Josaphat gewon Joram, en Joram gewon Ozi-as. En Ozias gewon .loatham, en Joatham gewon Achaz, en Achaz gewon Ezechias. En Ezechias gewon Manas-

767

ocr page 818

onderricht over het feest

ses, en Manasses gewon Amon, en Amon gewon Josias. En Josias gewon Jechonias en zijne broeders omtrent den tijd van de wegvoering naar Babyion. En na de wegvoering naar Babyion gewon Jechonias Salathiel, en Salathiel gewon Zorobabel. En Zorobabel gewon Abiud, en Abiud gewon Eliakim, en Eliakim gewon A-zor. En Azor gewon Sadok, en Sadok gewon Achim, en Achim, gewon Elind. En Eliud gewon Eleazar, en Elea-zar gewon Mathan, en Mathan gewon Jacob. En Jacob gewon Jozeph, den man van Maria, uit welke geboren is Jesus, die genoemd wordt Christus.

De H. Joannes-Damascenus vergelijkt de H. Maagd Maria bij een boek, waarin de heerlijkste, zoo Goddelijke als zedelijke deugden, het geloof, de hoop, de liefde tot God en onzen naaste, enz. enz. staan opgeteekend. Haar geloof werd geprezen door de H. Elisareth, toen deze uitriep: Zalig zijt Gij, die geloofd hebt. Hare hoop, hare liefde, haar geduld heeft Zij geoefend in het lijden en de veelvuldige vervolgingen, die Haar en haren Goddelijken Zoon troffen te Bethlehem, in Egypte, in Judea en voornamelijk te Jerusalem, alwaar haar lieve Jesus den smadelijksten en bittersten dood onderging. Hare naastenliefde toonde Zij in het bezoek, dat zij aan hare nicht Elisabeth bracht; op de bruiloft van Kana in Galilea, en meer bijzonder in het vrijwillig offer, dat Zij van haren Goddelijken Zoon, tot heil der menschen. opdroeg. — Leer dus, o Christen, ijverig in dat boek, en leeken er vooral de volgende bemerking bij aan: Indien Jesus zijne eigene Moeder, die nooit met eenige zonde bevlekt is geweest, zooveel heeft laten lijden, hoe willen dan andere menschen verlangen, van kruis en leed verschoond te blijven en het Hemelrijk voor een geringeren prijs te verwerven, dan de Moeder des Heeren daarvoor betaald heeft. Overweeg deze gedaehte wel, en leer van Maria in alle rampspoeden geduldig en overgegeven te zijn aan den wil van God.

768

ocr page 819

der geboorte van ma uia.

Gebed tot de H. Maagd.

Gedenk, o goederlierenste Maagd Maria, dat hef nooit gehoord is, dat iemand, die onder uwe bescherming zijne toevlucht, nam, uwen bijstand inriep, uwe voorspraak vraagde, verlaten is geweest. Door dit vertrouwen bezield, spoed ik mij lot U, Maagd der maagden, kom ik tot U, Moeder, bied ik, rouwmoedige zondaar, mij bij U aan. 0 Moeder des Woords, versmaad mijne gebeden niet, maar luister genadig, en verhoor mij. Amen. (Â¥)

Onderricht op het feest van den H. Rozenkrans.

(Eersten Zondag in October.j De H. Dominicus had in het begin der twaalfde eeuw lan-tijd tegen de ketters, Albigenzen genaamd, gepredikt, en hen dikwijls van hunne dwaling overtuigd; maar ondanks zijn gods-diensfigen ijver, was het hem slechts gelukt enkelen hunner tol de katholieke Kerk terug te voeren, Hij verdubbelde nu zijne gebeden en boetplegingen en nam in het bijzonder zijne toevlucht tot Maria, Haar smeekende, dat Zij de harten dier verblinden zou treilen en door hare machtige voorspraak bij God hem in zijne pogingen zou ondersteunen. Op zekeren dag verscheen Maria hem vol glans en heerlijkheid en leerde hem het gehcd van den Rozenkrans. De Heilige, daardoor getroost en aangemoedigd, haastte zich de oefening van den Rozenkrans alom bekend te maken en aan te bevelen. Zijne onderneming was niet vruchteloos; binnen korten tijd voerde hij meer dan honderdduizend afvalligen tot den schoot van de eenige, ware Kerk terug en bekeerde een tallooze menigte groote zondaars. Weldra werden er Broederschappen onder den titel van den H. Rozenkrans opgericht, en de Kerk vergunde, dat de Orde der Predikheeren (Dominikanen) een bijzonder feest van den H. Rozenkrans mocht vieren. Later, namelijk ten jare 1o94, behaalden de Christenen te Lepanfo een schitterende overwinning op de Turken. Het was juist den 7 October, den dag waarop

(') Zoo dikwijls men dit gebed godvruchtig leesl, kan men 500 dagen aflaat verdienen. Den geloovigen, die dit gebed gedurende eene maand dagelijks storten, wordt een volle aflaat \erlecnd onder de gewone voorwaarden.

(Pius XI, t l Dcc. 1817.)

49

769

ocr page 820

ondeuiucht over het feest

de ledon der Broederschap van den H. Rozenkrans een plechtige bedevaart hielden en bijzondere gebeden stortten, opdat de Christenen, door de voorspraak der Allerzaligste Maagd, bevrijd mochten worden van den aanval der Turken. Natuurlijk schreef men de behaalde overwinning aan de voorspraak van Maria toe, en Paus Pics V stelde, uit dankbaarheid voor deze gnnst, den Feestdag in van O. L. Vrouw der Overwinning. Toen in het jaar 1716 op denzelfden dag wederom, waarop de ledon der Broederschap van den H. Rozenkrans te Rome tot een zelfde doel een plechtige bedevaart hielden. Karei. VI in Hongarije een groote overwinning op de Turken behaalde, verklaarde Paus Clemens XI, dal ook deze overwinning moest toegeschreven worden aan den bijstand der Moeder Gods, en gebood, dat het Feest van den H. Rozenkrans voortaan in alle kerken zou gevierd worden.

Wat is de Rozenkrans.

De Rozenkrans is samengesteld uit eene opeenvolging van gebeden, hoofdzakelijk bestaande in het Wees gegroet en het Onze Vader. Deze gebedsoefening vangt aan met de Geloofs belijdenis der Apostelen, dan wordt het Onze Vader gebeden met driemaal het Wees gegroet en verder telkens het Onze Vader gevolgd door 10 maal het Wees gegroet, dat men een tientje noemt. Aan het einde van het tientje wordt gezegd: Eere zij den Vader enz. Bij elk tientje wordt een geheim van het Werk onzer Verlossing door Christus overwogen. De overweging daarvan brengt er veel toe bij om den Rozenkrans met aandacht en veel vrucht te bidden. Men noemt dit gebed ook wel eens het psalmboek van Maria, wijl het uit 130 Wees gegroeten bestaat, gelijk het psalmboek van David 1o0 psalmen bevat. Rozenkrans heet het, omdat wij daarbij onze gebeden, overwegingen, lofspreuken, enz. als samenvlechten tot een krans, dien wij de H. Moeder Gods aanbieden. En even als eene roos uit groene bladeren, stekelige doornen eu een heerlijke bloem bestaat, zoo worden ook in den Rozenkrans de groene bladeren door de blijde, de doornen door de droevige, en de bloem door de glorierijke mysteriën aangeduid.

Hoe wordt de ïlozenkrans verdeeld?

In drie doelen, die wij Rozenhoedjes noemen: I. Het eerste Rozenhoedje, dat uit de eerste vijf tientjes bestaat, bevat de

770

ocr page 821

1, y

•f ju

771

van den h. rozenkrans.

vijf blijde geheimen. Hierin begroeten wij Maria in dezer voege: 1) Dien Gij, maagd blijvende, ontvangen hebt. 2) Dien Gij, Elisabeth bezoekende, gedragen hebt. 5) Dien Gij, maagd blijvende, gebaard hebt. 4) Dien Gij in den tempel hebt opgeofferd. S) Dien Gij in den tempel hebt wedergevonden. Dit Rozenhoedje wordt gewoonlijk van den Advent tot aan de Vasten gebeden, omdat gedurende dien tijd de vreugdevolle komst des Verlossers bijzonder herdacht wordt.

II. Het tweede Rozenhoedje bevat wederom 30 Wees ge-groeten of 5 tientjes, waarbij ons de droevige mysteriën ter overweging worden voorgesteld, en waardoor wij in het bijzonder den lijdenden Zaligmaker vereeren. De overwegingen luiden: als volgt: 1) Die voor ons water en bloed gezweet heeft. 2) Die voor ons gegeeseld is. 3) Die voor ons met doornen gekroond is. 4) Die voor ons zijn kruis gedragen heeft. 5^ Die voor ons gekruist is. Dit Rozenhoedje wordt meestal gedurende den Vastentijd gebeden, waarop de H. Kerk het lijden en den dood des Verlossers herdenkt.

III. Hot derde Rozenhoedje, dat insgelijks uit 50 Wees gegroeten of o tientjes bestaat, herinnert ons aan de glorie van Christus en van de H. Maagd Maria. De geheimen, die wij hierbij overwegen, worden dan ook de glorierijke, mysteriën genoemd en worden uitgedrukt door deze woorden: 1) Die van den dood verrezen is. 2) Die ten Hemel is opgeklommen. 3) Die den H. Geest gezonden heeft. 4) Die U ten Hemel heeft opgenomen. 5) Die U in den Hemel gekroond heeft. Dit Rozenhoedje wordt van Pasclien tot aan den Advent gebeden, gedurende welken tijd de H. Kerk meer bijzonder de geheimen viert, die op de verheerlijking van Jesus en zijne Moeder betrekking hebben. (*)

Om evenwel de aflaten aan de Broederschap van den H. Rozenkrans verleend, te verdienen, moet men wekelijks de drie Rozenhoedjes of den geheelen Rozenkrans bidden.

(') In vete kerkboeken slaan de overwegingen op andere wijze aangegeven dan hierboven: ieder geloovige kan voor zich kiezen, en mag de aangegeven orde in acht nemende, de overwegingen volgens eigen inzicht en niet eigen bewoordingen doen.

'

J

sr

'ifl

*.■ :• rflf

i '

ci

nfi

A

Pi ill!

P

:V.......

il

;lt;|r ilgit'

quot;f

€'

•Mill,..,

■■ ü' ;:t

if ........

..|3I

ocr page 822

ONDERRICHT OVER HET FEEST

Hoe moet men den Rozenkrans bidden?

Mei ijver en aandacht. Met ijver, dat wil zeggen dikwijls en op gepaste wijze. Dikwijls moeten zij voornamelijk den Rozenkrans bidden, die niet kunnen lezen, ol' geen gebedenboek hebben, waarin de geheimen onzer Verlossing verklaard worden. Op gepaste wijze, dat is, in do eerste plaats jnist zóó als hij boven omschreven is, verder langzaam en met bijvoeging der Mysteriën. Met aandacht bidden beteekent, dat niet alleen de mond de woorden moet uitspreken, maar dat ook het hart aan het gebed moet deelnemen; dat de mysteriën met zorg overwogen worden; dat wij bij de blijde mysteriën ons verheugen en den Heer voor zijne menschwording dankzeggen; bij de droevige mysteriën medelijden gevoelen met zijne smarten en treuren over onze zonden; bij de glorierijke mysteriën ons verheugen, Hem en zijne maagdelijke Moeder over hunne verheerlijking gelukwenschen, en het ernstig voornemen opvatten, om met Gods genade alles aan te wenden, ten einde ook eenmaal tot de glorie des Hemels te geraken.

Geen gebed is ongetwijfeld geschikter, om die gevoelens van dankbaarheid, berouw en begeerte naar den Hemel in ons op te wekken, dan dat van den Rozenkrans. Hij bevat de schoonste gebeden, die wij bezitten: liet Onze Vader, het Eere zij den Vader, het Wees gegroet, de Geloofsbelijdenis, en besluit daarenboven nog in de 15 mysteriën, den korten inhoud van geheel den christelijken godsdienst. Vervolgens herinnert het gebed van den Rozenkrans ons voortdurend aan de deugden der Allerzaligste Maagd, eu spoort ons dringend aan Haar na te volgen, opdat wij ook eenmaal in den Hemel mogen opgenomen worden. Derhalve moeten wij ons, door niets ter wereld laten terughouden van deze schoone gebedsoefening; wij moeien ons ook niet schamen den Rozenkrans bij ons te dragen. De Rozenkrans immers is het keuteeken van een Katholiek. Onderscheidene Pausen hebben deze oefening met veelvuldige aflaten begunstigd.

De Ingang der Mis.

fZic het feestdag van Maria-Geboorlc, 8 Seplcmbcr.j

772

ocr page 823

van den h. rozenkrans.

Gebed der Kerk.

0 God, wiens eeniggeboreu Zoon ons door zijn leven, dood en verrijzenis de goederen der eeuwige zaligheid verworven heeft, verleen ons, dat wij de geheimen van den Rozenkrans der II. Maagd Maria aandachtig overwegende, wat zij bevatten, navolgen, en wat zij ons beloven, mogen verwerven. Door Jesus Christus onzen Heer, enz.

EPISTEL: Les uit het Boek Ecclesiasticus XXIX, 11-13,

15-30.

(Zie hel feest van Maria Hemclvaarl, bladz. 755J.

Evangelie volgens den H. Lucas XI, 27-28.

(Zie den derden Zondag in de Vasten, bladz. 207, beginnende met de woorden: En hel geschiedde, vijfde regel van onder.

Onderriclit over het feest van alle Heilig-en.

(1 November.)

Tot wat einde heeft de Kerk dezen feestdag ingesteld?

1) Om ons levendig in het geheugen te prenten, dal wij medeleden zijn der Katholieke Kerk, die gelooft in de gemeenschap der Heiligen, dat is, in de gemeenschap van alle ware Christenen, om het even of z.ij tot de strijdende Kerk op deze aarde, tot de lijdende in het vagevuur, of tot de zegevierende in den Hemel behooren. Meer bijzonder echter wil de Kerk ons op het hart drukken, dat de Heiligen in den Hemel ons en de zielen in het vagevtuif, door hunne voorspraak te hulp komen, en dat wij hen dus behooren te vereeren en aan te roepen. 2) Om ons aan te sporen, dat ook wij naar de heiligheid moeten streven. Zulks is niet boven onze krachten; want wij vermogen alles in Hem, die ons versterkt. 3) Om ook die Heiligen, welke in den loop des jaars geen bijzonderen feestdag hebben, te vieren. 4) Opdat God, bij het zien van zoovele voorsprekers, ons deelachtig make aan hunne verdiensten, en de genade verleene eenmaal in den Hemel hunne vreugde te deelen.

Wie heeft dit feest ingesteld?

Paus Bonifaciüs IV'. Deze had in het jaar 610 het Pantheon (dat is: de tempel van alle afgoden) te Rome in een bedehuis voor de Christenen herschapen en dien afgodischen tempel van vroeger, ter eere van de H. Maagd en van alle Marte-

773

ocr page 824

onderricht over het feest

'aars ingewijd. Ook hij vierde het eerst het feest van alle Heiligen en beval, dat voortaan dit feest telken jare te Rome zon gevierd worden. Gregouius III stelde, ten jare 731, deze feestviering op den eersten November, en Gregoiuus IV voerde het Allerheiligen feest voor de gelieele Katholieke Kerk in.

Bij den Ingang der Mis. Verheugen wij ons allen in den Heer, terwijl wij den feesdag vieren ter eerp van alle Heiligen, om wier verhevenheid de Engelen zich verhengen en den Zoon Gods eenparig loven. Psalm XXXII. Verblijdt n in den Heer, gij rechtvaardigen; den oprechten betaamt de loftniging. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Almachtige, eeuwige God, die ons verleend hebt de verdiensten van al uwe Heiligen plechtig te vieren, wij bidden U, gewaardig U, ten aanzien van zoo vele voorsprekers, ons uwe erbarming, op welke wij hopen, milddadig te schenken. Door onzen Heer Jesus Christus, enz.

EPISTEL: Les uit het boek der Openbaring van den H. Joannes VII, 2-12.

In die dagen: Zie, ik Joannes zag een anderen Engel van den opgang der zon opdagen, hebbende het tecken van den levende God; en hij riep met luider stemme tot de vier Engelen, aan welke de macht gegeven is de aarde en de zee te beschadigen, zeggende; Beschadigt de aarde niet. noch de zee, noch de boomen, totdat wij de dienaars van onzen God op hunne voorhoofden geteekend hebben. En ik hoorde het getal dergenen, die geteekend waren: honderd vier cn veertig duizend waren geteekend uit alle stammen der kinderen van Israël. Er waren twaalf duizend geteekenden uit den stam van Juda, twaalf duizend geteekenden uit den stam van Ruben, twaalf duizend geteekenden uit den stam van Gad, twaalf duizend geteekenden uit den stam van Aser, twaalf duizend geteekenden uit den stam van Nephtali, twaalf duizend geteekenden uit den stam van Manasse; twaalfduizend geteekenden uit den stam van Simeon; twaalf duizend geteekenden uit den stam van Levi; twaalf duizend geteekenden uit den stam van Issachar; twaalf duizend geteekenden uit den slam van Zabulon; twaalf duizend geteekenden uit den stam van Joseph; twaalfduizend geteekenden uit

774

ocr page 825

van alle heiligen.

den stam van Benjamin. Na dezen zag ik een groote schaar, die niemand kon tellen, uit alle natiën en stammen en volkeren en talen, staande vóór den troon en vóór het Lam, met witte kleederen omhuld eu met palmtakken in hunne handen, en zij riepen met luider stemme, zeggende: Heil onzen God, die op den troon zit, en aan het Lam. En alle Engelen stonden rondom den troon, om de ouderlingen en de vier dieren, en vielen voor den troon op hunne aangezichten neder, en aanbaden God, zeggende: Amen. Lol' en heerlijkheid en wijsheid en dank, en oer en kracht, eu sterkte zij onzen God in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Verklaring. In deze Les is, volgens den letterlijken zin der woorden, sprake van de teekenen, waaronder de Goddelijke rechtvaardigheid hare straffen over Jerusalem eu het Joodsche volk zal uitoefenen; in hoogeren en volmaakteren zin is deze Epistel toepasselijk op het algemeen oordeel. Ook daar zullen uitverkorenen zijn uit alle stammen van Israel, behalve uit den stam van Dan. In dezen stam immers brak de afgoderij het eerst uit, derhalve zullen zij, die den alval van dezen stam volgen, en de wereld meer dan God liefhebben, geen aandeel in de zaligheid hebben. Opdat echter niemand zich verbeelde, dat uit het Jodendom alleen de uitverkoren Christenen getrokken zijn, wordt aan den Apostel eeue nog grootere schaar Christenen geloond, die uit het Heidendom verkoren zijn. Het getal der uitverkorenen uit het Jodendom wordt als bepaald aangegeven, terwijl de uitverkorenen uit het Heidendom een tal-looze schaar genoemd worden. Hun groot getal duidt aan, dat het hoofdzakelijk de Heidenen zijn, die, na hunne bekeering, de Kerk van Chuistus en deu Hemel bevolken zullen. Deze schaar staat voor den troon Gods en voor het Lam (Ciiiïistus), in sneeuwwitte kleederen getooid, met palmtakken in de hand, dat is, versierd met de eereteekeueu van onschuld, verheerlijking eu zegepraal over de bekoringen des duivels, der wereld en des vleesches. Die uitverkorenen bidden God, en zingen Hem in gemeenschap met alle Hemelsche geesten hunnen lof toe voor de gelukzaligheid, die Hij hun geschonken heeft. — Beijveren wij ons, om ook eenmaal onder hel getal der uitverkorenen te mogen opgenomen worden.

775

ocr page 826

onderricht over het feest

Evangelie volgens den H. Mattheus V, 1-12.

In dien tijd. Jesus de scharen ziende, klom op den berg, en als Hij gezeten was^ kwamen zijne Discipelen tot Hem. En Hij opende zijnen mond, leerde hen, en sprak; Zalig zijn de armen van geest: want hun is het Rijk der Hemelen. Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen de aarde bezitten. Zalig zijn zij,, die treuren; want zij zullen vertroost worden. Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de rechtvaardigheid; want zij zullen verzadigd worden. Zalig zijn de barmhartiger! ; want zij zullen barmhartigheid verwerven. Zalig zijn de zuiveren van harte; want zij zullen God zien. Zalig zijn de vreedzamen ; want zij zullen kinderen Gods genoemd worden. Zalig zijn zij, die vervolging lijden om de gerechtigheid; want hun is het Rijk der Hemelen. Zalig zijt gij, als men u zal schelden en vervolgen, en u lasterende, alle kwaad tegen u zal spreken^ om Mij. Verblijdt u en juicht; want uw loon is groot in den Hemel.

Verklaring van de aclit zaligheden.

I. Zalig zijn de armen van geest; want hun is het Rijk der Hemelen.

Wie zijn de armen van geest?

i) Degenen, die, even als de Apostelen, alle tijdelijke goederen vrijwillig verlaten en om Christus wille arm worden. 2) De Christenen, die zonder hunne schuld hun verinogen verloren hebben en dit verlies, met overgeving aan den wil van God, geduldig verdragen. Hem voor de in den nood ontvangen weldaden dankzeggen, die weldaden met matigheid en wijze spaarzaamheid genieten, en van hel weinige, dat zij bezitten, aan nog armeren volgaarne mededeelen. 3) L)e armen, die in hun behoeftigen, geriugen en nederigen stand tevreden zijn, die niet naar hoogere en winstgevende betrekkingen streven en liever gebrek lijden, dan zich door ongeoorloofde kunstgrepen, bedrog ol' onrechtvaardigheden, te verrijken. 4) Ook de rijken.

776

ocr page 827

van alle heiligen.

die hun hart niet aan het tijdelijke hechten, maar hunne rijkdommen liever ter ondersteuning van eliendigen en noodlijde-den aanwenden, en hunne tegemoetkoming zonder weerspraak schenken aan allen, die daarom smeeken (Mattu. V, -i2), ten einde, in de plaats der aardsche goederen, die zij wegschenken, den Hemel tot erfenis te verwerven. 5) Voornamelijk de ooimoedigen, die Van hunne zwakheid, van hun onvermogen en van hun ellende diep overtuigd, een gering denkbeeld van zich zeiven hebben en zich als bedelaars beschouwen, die onophoudelijk God om genade en bijstand moeten smeeken. Welnu, aan al deze Christenen is het Hemelrijk beloofd, ja het behoort hun reeds werkelijk in eigendom toe, mits zij het niet door hunne onstandvastigheid wederom verliezen.

II. Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen de aards

bezitten.

Wie is waarlijk zachtmoedig?

Hij, die noch tegen God mort, wanneer deze hem eenigen rampspoed overzendt, noch grammoedig wordt op de menschen, die hem allerlei leed aandoen; die alle ongeduld, grammoedigheid, afkeer en wraakzucht uit zijn hart verbannen houdt, en er naar tracht het kwaad, dat hem zijne medemenschen hebben toegebracht, met goed te vergelden. Zulk een Christen gelijkt op een rustige zee, of op een stillen waterplas, waarin het beeld der heldere zon zich lielelijk komt spiegelen. Hij is door de overwinning, welke hij over zich zeiven behaalt, sterker, dan wanneer hij eene vesting stormenderhand innam (Spreuk XVI, 32). Hij doet een liefdewerk, dat verdienstvoller en Gode aangenamer is, dan wanneer hij, uit eigen beweging, zijn lichaam tot bloedens toe geeselde, en te water en te brood vastte. Hij zal, tot belooning zijner deugd, overal in vrede en rust leven; hij zal niet zoo zeer de aarde, die een land der dooden is, als wel het Hemelrijk, het land der levenden, tot erlenis bekomen, en zich daar in den eeuwigen vrede verheugen, waarvan hij den voorsmaak reeds op aarde genoten heeft.

777

ocr page 828

ONDERIUCHT OVEK HET FEEST

III. Zalig zijn zij, die treuren; want zij zullen vertroost

worden.

Welke zijn hier de treurenden?

Niül degenen, die over den dood hunner bloedverwanten of vrienden treuren, noch zij, die over eenig ongeluk, het verlies van eenig tijdelijk goed, bittere tranen storten, maar zij, die treurig zijn, omdat God, door hen en door andere menschen, zoo dikwijls beleedigd, zoo weinig geeerd en bemind wordt, en dat, dien ten gevolge, zoo vele zielen, door het bloed des Zaligmakers vrijgekocht, eeuwig verloren gaan. De zonde immers is het eeuige kwaad, dat verdient beweend te worden, en daarom zijn enkel de tranen, welke om der zonde wille gestort worden, nuttige en vruchtbare tranen; die door eeuwige vertroosting en eeuwige vreugde zullen vergolden worden.

IV. Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de rechtvaardigheid;

want zij zullen verzadigd warden.

Wat is honger en dorst hebben naar de rechtvaardigheid?

Ten vurigste verlangen naar die deugden, welke de christelijke volmaaktheid uitmaken als zijnde de ootmoed, de zachtmoedigheid, de liefde tot God en den evennaaste, de zorg om aan een ieder te geven en te laten, wat hem toekomt, de boetvaardigheid, waardoor men voor zijne zonden voldoening aan God tracht te schenken, enz., enz. Alwie naar deze deugden even zoo vurig verlangt, als een hongerige en dorstige naar spijs en drank, en God daarom vurig en aanhoudend smeekt, zal verzadigd, dat is, door God niet deze deugden verrijkt, en aldus eeuwig zalig worden.

V. Zalig zijn de harmhartigen; want zij zullen barmhartigheid

verwerven.

Welke zijn die harmhartigen?

De Christen, die de hem toegebrachte beleedigingen volgaarne vergeeft; alsmede allen, die met hun armen evenmensch medelijden hebben, en hem met aalmoezen zoo goed mogelijk ondersteunen. Deze nu znlleu ook barmhartigheid verwerven; God zal hun hunne zonden vergeven en hen met tijdelijke en

778

ocr page 829

van alle heiligen.

eeuwige goederen rijkelijk bedeelen. Wie evenwel niet barmhartig is, zal ook geene barmhartigheid verwerven, en, gelijk de knecht van het Evangelie (Matth. XVIII), in de uiterste duisternis geworpen worden.

VI. Zalig zijn de zuiveren van harte; want zij zullen God zien.

Wie zijn ze, die zuiver van harte zijn?

Degenen, die de onschnld in het 11. Doopsel onlvangen, zorgvuldig bewaren, en verder allen, die hun hart en geweten van alle zondige, voornamelijk onkuische, woorden en daden en van alle kwade gedachten en begeerten zuiver trachten te houden, en in alle dingen God alleen zoeken. Deze zullen God zien, dal is. Hem erkennen gelijk Hij is; want even als het oog, om Ie kunnen zien, rein eu zuiver moet zijn, zoo kunnen ook slechls de onbevlekte en gezuiverde zielen God aanschouwen. Ja hier beneden reeds staat onze kennis in verhouding tot ons hart; hoe zuiverder ons hart is, des le reiner en grooter is de kennis van God. — Bevlijtig u derhalve zeer, om uw hart zuiver te bewaren, opdat gij hier beneden God steeds meer en meer moogt kennen, en daarboven in zijne aanschouwing eeuwig zalig moogt worden.

VII. Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.

Wie zyn de vreedzamen, en waarom worden zij kinderen Gods genoemd?

Vreedzaam zijn die Christenen, welke den vrede in hunne ziel dragen; dat is door geene zondige driften overmeesterd, en door geene kmtging van geweten gekweld worden; die, met God en de menschen verzoend, den vrede met zich zeiven, met God en den evenmensch steeds trachten te onderhouden. Zij worden kinderen Gods genoemd, omdat zij door hunne heiligheid het evenbeeld Gods zijn, en alzoo door hunne vredelievendheid God navolgen, die een God van vrede is (ad Rom. XV, 35), en daarom zijn ééniggeboren Zoon heeCt overgeleverd, om de wereld te verzoenen (ad Rom. V, 10) en den vrede, dien de wereld niet geven kan, op aarde te brengen (Luc. II, 14. Joann. XIV, 27).

iSl'J

li.1

[m

quot;l

F

Si

779

i.

u-

.*

f

uil» ül

'll

•li

t ip

'•■r-ii!]

Hiilpl

M

M

f

i: iiyfquot;*

I

■VMI»-

ocr page 830

onderricht over

VIII. Zalig zijn zij, die vervolging lijden om de gerechtigheid; want hun is het Rijk der Hemelen.

Wie z^n het; die hier zalig genoemd worden?

Zij allen, die om hun waar geloof, om hunne deugd^ godsvrucht, vroomheid, enz. vervolgd, veracht, bespot, gepijnigd, gedood worden, en dat alles ter liefde Gods met een Christelijk geduld, met standvastigheid en vreugde verdragen, naar het voorbeeld der Heiligen, die langs dezen weg de Hemelschö kroon verworven hebben. — Willen wij dus met hen gekroond worden, dan moeten wij ook met hen, en even zoo standvastig als zij, ter liefde Gods, het lijden doorstaan. Doen wij zulks, dan zal de gelegenheid daartoe niet uitblijven, want allen, die in Christus Jesus vroom willen leven, zullen vervolging lijden (II Tisioth. UI, 12).

Verzuchtingen. Hoe liefelijk, o Heer, ziju uwe woningen! Mijne ziel smacht naar uw voorhof. Mijn lichaam en mijn hart juichen in U, den levenden God, de kroon en het loon der Heiligen, wier tijdelijk lijden en smarten Gij met eeuwige vreugde vergeldt in den Hemel. O Hoe zalig zijn allen, die U op deze wereld trouw hebben gediend; thans aanschouwen zij U en het Lam Gods van aanschijn tot aanschijn; zij dragen uwen naam op hun voorhoofd geprent, en heerschen met U in alle eeuwigheid. Daarom bidden wij U, o God, verleen ons op hunne voorbede uwe genade, dat wij U, naar hun voorbeeld, iu heiligheid en gerechtigheid mogen dienen, uwe Heiligen in armoede, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, boetvaardigheid, door een vurig verlangen naar alle deugden, door barmhartigheid, zuiverheid des harten, vreedzaamheid en geduld mogen navolgen, en eenmaal, gelijk zij, de Hemelsche vreugde en eeuwige zaligheid mogen deelachtig worden. Amen.

Onderriolit over Allerzielendag-.

(2 November.)

Wat vieren wij op dezen dag?

De jaarlijksche gedachtenis der zielen, die in de genade en vriendschap Gods uit deze wereld gescheiden zijn, maar die hunne zonden nog niet genoeg hebben afgeboet en derhalve in den kerker des vagevuurs voor hun nog niet voldane schulden

780

ocr page 831

allerzielendag.

ihi

iii in»

miH

781

en geblevene slrafTen tot den laatsten penning toe moeten voldoen (Matth. V, 26).

Wat is het vagevuur?

Het vagevuur is, naast den Hemel en de hel, een derde plaats in het andere leven, waar de zielen der afgestorvenen tijdelijke straffen te verduren hebben voor de zonden, waarvoor zij in dit leven niet hebben voldaan. Deze derde plaats is een oord van zuivering, en wordt derhalve in onze taal niet ongepast vagevuur genoemd, omdat de ziel nog niet geheel en al zuiver is, daar, gelijk het goud in den smeltkroes, eerst gelouterd en gereinigd wordt. De H. Apostel Paulus schrijft betrekkelijk het vagevuur het volgende: Eens iegelijks werk zal openhaar worden;... en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven. Indien iemands werk, dat hij... gebouwd heeft, zal gebleven zijn, hij zal loon ontvangen; indien iemands werk zal branden, hij zal schade lijden; hij zelf echter zal behouden worden, zóó nochtans, als door vuur heen (I Cor. 111, 13 en volg.). Een vuur, waardoor men nog gered wordt, kan gewis bet vuur der hel niet zijn; uit de hel immers is geen redding, geen verlossing meer. De woorden van den H. Paulus kunnen alzoo enkel van het zuiverings- of vagevuur verstaan worden. En zóó heeft de onfeilbare Kerk van Christus ze steeds verklaard.

Welke zielen komen in het Vagevuur?

Alle zielen, die wel is waar in de liefde Gods uit deze wereld scheiden, maar nog iets hebben, dat afgeboet moet worden. Door de genade zijn deze zielen nog vrienden van God; en gewis. Hij zal die vrienden niet tot de hel verwijzen; maar, daar zij nog vlekken der zonden op zich dragen, kunnen zij vooralsnog ook niet tot het aanschouwen van Gods zuiver aanschijn worden toegelaten; want, zegt de H. Joannes (Openb. XXI, 27), niets wat bevlekt is, gaat den Hemel binnen. Er blijft dus voor zulke zielen niets anders over dan een derde oord, eene plaate van zuivering, hot vagevuur.

Waar zijn dan wel de menschen, die, sedert wij ons herinneren, uit deze wereld gescheiden zijn?

Zijn zij in de liefde Gods gestorven, dan zijn zij niet verdoemd. Doch wie is er, die in zijn sterfuur mot volle

il,

J

jLi

ji

il!,;,

■y

♦twiiji

kt4

• •wu,

it;::' ili

I

.«ni».

li;,ï «.d

(iP

ji' ?.| .ij,.if

«i^lj

li

Él s**

y

iiir:!'; lil

ocr page 832

onderricht ovkr

zekerheid zeggen kan: Mijn hart is rein. ik ben zuiver van (alle ook de kleinste) zonden (Spreuk XX, 9). Wie onzer bekenden stierf zóó zuiver, wie van ons zal zoo scluildeloos sterven, dat hij niet de minste zuivering meer noodig heeft, dat hij volstrekt niets meer heeft af te boeten, en den Hemel mag binnengaan, zonder door het vagevuur te komen?

Wat, hoe veei en hoe lang moeten de zielen in het vagevuur lijden?

Dit weet God alleen, die ook volgens zijne rechtvaardigheid de straffen regelt, welke ieder daar lijden moet. Het zij genoeg voor ons te weten, wat God zegt: Mij behoort de wraakneming, en ik zal ten bekwamen tijde vergelden (Deut. XXXII, 33) en verder: De Heer zal zijn volk oordeelen (ibid.) en wat er de H. Paulüs bijvoegt (ad Hebr. X, 33); Verschrikkelijk is het, te vallen in de handen van den levenden God. — Bewerken wij derhalve met vrees on angst ons eeuwig heil, en plegen wij met alle zorg boetvaardigheid over onze bedreven zonden, opdat ook op ons niet toepasselijk worde het woord van Christus: Voorwaar, Ik zeg u: Gij zult van daar niet uitgaan, tot dat gij den laatsten penning zult hebben betaald (Matth. V, 26).

Hoe kunnen wy de zielen in het vagevuur te hulp

komen?

Door onze goede werken en gebeden, maar vooral door het H. Misoffer. De H. Schrift zegt (II Mach. XII, 46): Het is een heilige en heilzame gedachte voor de overledenen te bidden, opdat zij van hunne zonden ontbonden worden. Daarom ook beeft de Katholieke Kerk te allen tijde geleerd, dat het gebed der geloovigen voor de afgestorvenen heilzaam en nuttig is, en daarom heeft zij ook steeds liet H. Misoffer voor hen opgeofferd.

Waarop grondt de H. Kerk deze leer?

Op het geloof in de gemeenschap deiquot; Heiligen, waardoor alle ware Christenen, hetzij zij reeds in den Hemel of in het vagevuur, of nog op aarde zijn, nauw aan elkander verbonden zijn, alle geestelijke goederen onder elkander gemeen hebben, en daardoor elkander le hulp komen.

Voor welke zielen behooren wij nog vooral te bidden?

Wij behooren gewis, en vooral op AUerzielen-dag, in het algemeen voor alle afgestorvenen te bidden; doch dewijl er

782

ocr page 833

ALLERZIELENDAG.

eenigen zijn, jegens welke wij meer verplichting hebben, anderen, die Gode aangenamer zijn, weder anderen, die ons gebed meer noodig hebben, en nog anderen eindelijk, die liet meer verdienen, zoo dienen wij ons te bevlijtigen, om dikwijls en met ijver te bidden: 1) Voor onze ouders, bloedverwanten, vrienden, weldoeners, oversten en voor hen, die ons onderwezen hebben; 2) voor hen, die het meest verdiend hebben, dat wij voor hen bidden; 3) voor de meest verlatene geloovige zielen; 4) voor de zielen, die het naaste bij hare verlossing zijn; o) voor die, welke om onzentwille lijden; 6) voor hen, wie wij in dit leven eenig kwaad hebben gedaan, ot die ons beleedigd hebben; 7) voor onze geestelijke broeders en zusters. Hierbij dient opgemerkt te worden, dat, wanneer men voor de zielen des vagevunrs een allaat wil verdienen, die door de II. Kerk op de zielen des vagevunrs toepasselijk is gemaakt, deze slechts aan ééne ziel kan toegevoegd worden.

Waartoe moet ons het geloof aan een vagevuur opwekken ?

1) Tot ijver en zorg, om de tijdelijke stralfen, die wij ons door de zonden (al zijn ze door het H. Sacrament der Biecht vergeven) en menschelijke zwakheid op den hals gehaald hebben, door goede werken, versterving, gebeden en aflaten hier in dit leven af te boeten, ten einde niet in het andere leven gedwongen le zijn een gestrenge boete te ondergaan. 2) Om de doodzonden niet alleen, maar ook de dagelijksche zonden steeds zorgvuldig te vermijden, wijl deze ons de straf des vagevunrs, berokkenen, en bijgevolg zoo gering niet zijn, als sommige menschen verkeerdelijk meenen.

Kunnen wij ons niet verlaten op de gebeden, enz., die men na onzen dood voor ons zal storten?

Geenszins, want volgens den H. Augüstinus (Enchirid 30) zullen die gebeden en oefeningen slechts hun baten, die zich in dit leven daaraan deelachtig gemaakt hebben.

Wanneer en hoe is de jaarlijksche Gedachtenis der geloovige zielen ingevoerd geworden?

De tijd der invoering van die jaarlijksche gedachtenis kan niet met juistheid opgegeven worden. Tertulianus reeds meldt

783

ocr page 834

onderricht over

ons, dat de Christenen van zijn tijd een jaarlijksche gedachtenis hielden voor de afgestorvenen. Omtrent het einde der zevende eeuw gebood de H. Odilo, abt van het Benedictijner-klooster te Clugni, dat die gedachtenis jaarlijksch den 2 November, in alle kloosters der Orde, zou gehouden worden; welk gebruik later, onder goedkeuring der Pausen, over de geheele Christenheid is uitgebreid. De reden, waarom wij juist dezen dag aan de gedachtenis der overledenen toewijden, is deze: Het is passend en billijk, dat wij, na ons over de verheerlijking der Heiligen in den Hemel verheugd te hebben, den dag daarna ook de afgestorvenen met liefde gedenken en bidden voor hen, die hunne zonden nog niet hebben afgeboet, en in het vagevuur naar verlossing haken.

H. Mis voor Overledenen.

Bij den Ingang der Mis. Heer, geef hun de eeuwige rust, en het eeuwig licht verschijne hun. (Psalm LXIV). U betaamt een loflied, o God in Sion; en U zal gelofte voldaan worden in Jerusalem; verhoor mijn gebed, alle vleesch zal tot U komen. — Heer, geef hun de eeuwige rust, en het eeuwig licht verschijne hun.

Gebed der Kerk.

(Voor de afgestorven geestelijken.)

0 God, die onder uwe apostolische Priesters, ook uwe dienaren met de Opperpriesterlijke of Priesterlijke macht hebt doen prijken, verleen, bidden wij U, dat zij ook eeuwig aan hun gezelschap mogen aangesloten worden. Door onzen Heer Jesus-Christus, enz.

(Voor afgestorven ouders.)

O God, die ons geboden hebt, vader en moeder te eeren, ontferm U goederlierend over de zielen van mijnen vader en mijne moeder, vergeef hun hunne zonden, en verleen dat ik hen in de vreugde des eeuwigen lichts mag aanschouwen. Door onzen Heer Jesus-Christus, enz.

(Voor een afgestorvene.)

Neig, o Heer, uw oor tot onze gebeden, waardoor wij uwe barmhartigheid ootmoedig inroepen; gewaardig U de ziel van uwen dienaar (uwe dienares), dien Gij uit de wereld hebt

784

ocr page 835

allerzielendag. quot;85

li

4 i

if* quot;I

doen vertrekken, in het zalig oord des vredes en des lichts te plaatsen, en gebied haar tot de gemeenschap uwer Heiligen over te gaan. Door onzen Heer Jesus-Chkistus, enz.

(Voor alle overledene geloovigen.)

0 God, Schepper en Verlosser van alle geloovigen, geef |j|i|

aan de zielen van uwe dienaars en dienaressen, vergiffenis van al hare zonden; opdat zij de kwijtschelding, waarnaar zij altijd verlangd hebben, door onze godvruchtige sineekingen iiiogen |

verwerven. Gij die leeft en heerscht, enz. ^

EPISTEL: Les uit den eersten Brief van den H. Apostel Paulus aan de Corinthiërs XV, 51-57.

Broeders, ziet, eene geheimenis zeg ik u; Allen zullen wij §1

wel verrijzen, maar niet allen zullen wij veranderd worden. W

In eene stip, in een oogwenk, bij de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken, en de dooden zullen onvergankelijk verrijzen; ï*|

en wij zullen veranderd worden. Want dit vergankelijke moeton-vergankelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. Wanneer dan dit sterfelijke onsterfelijkheid zal hebben aangedaan, dan zal geschieden het woord, dat geschreven staat:

Verslonden is de dood in overwinning! Waar is, o dood! uwe overwinning? Waar is, o dood! uw angel? De angel nu des doods is de zonde; rnaar de kracht der zonde de wet.

Doch Gode zij dank. Die ons de overwinning heeft gegeven door onzen Heer Jesus-Ciuustus !

Verklaring. Na de opwerpingen der wijsgeeren in de ver/.en, die dezen Epistel voorafgaan, wederlegd te hebben,

wendt de H. Apostel Paulcs zich tot de Corinthiërs, en leert hen, op welke wijze de verrijzenis der dooden zal plaats hebben. Ziet, zoo spreekt hij: wij zullen wd allen zoo goeden als kwaden verrijzen, maar wij zullen niet allen veranderd worden tot de verheerlijking, dat is: onze lichamen zullen niet allen verheerlijkt worden; dat voorrecht is alleen aan de rechtvaardigen voorbehouden. Eén oogenblik zal voldoende zijn, om alle menschen, die ooit geleefd hebben en nog zullen leven, uit het graf te doen verrijzen. Zóó machtig is God. De bazuin zal schallen, en de dooden, zoo zaligen als verworpenen,

zullen opstaan eu nimmermeer tot den staat van lichamelijk

50

ocr page 836

onderricht over

bederf terugkeeren. Wij, die vertrouwen tot het getal der gelukzaligen te zullen behooren, zullen van licliamelijk en stoffelijk geheel geestelijk worden. God heelt het zoo besloten, dat, wat nu vergankelijk is, zich met de onvergankelijkheid als met een kleed omhulle. Dan zal de voorzegging van den Profeet Isaias (XXV, 8) vervuld worden: De dood is verslonden tot overwinning, dat is: een volmaakte overwinning is over den dood behaald. Vervolgens verplaatst de Apostel zich in den geest op dat zalig en plechtig oogen-blijk van de algemeene verrijzenis en roept zegevierend met den Profeet Oseas (XIll, 14) uit: Waar is, o dood, uwe overwinning '! Zij is vernietigd, de overwinning, welke gij door de zonde op het menschelijk geslacht behaaldet. Waar is, o dood, uw angel, waardoor gij nw doodsteek toebracht? Hij bestaat niet meer die angel der zonde. Eindelijk bedankt hij God, die ons de overwinning gegeven heeft door den Verlosser van het menschelijk geslacht.

Graduale. Heer, geef hun de eeuwige rust, en het eeuwig licht verschijne hun (Psalm CXI). De rechtvaardige zal in eeuwige gedachtenis blijven; hij zal voor geen kwaad gerucht vreezen.

Tractus. Ontsla, o Heer, van alle banden der zonden, de zielen van alle overledene geloovigen, opdat zij, geholpen door uwe genade, waardig worden te ontkomen aan uw oordeel van wrake en de zaligheid des eeuwigen lichts genieten.

Dies Irae.

De loornedag, die dag snelt aan.

Als de aarde in vlammen op zal gaan.

Gelijk Sibyl en David spellen.

Wat angst treft dan niet ieders borst.

Wanneer Hij, de Opperhemelvorst,

Het vonnis over de aard komt vellen;

En 't graf, op schel bazuingeluid.

Van schrik verbleekt, zijn schoot ontsluit.

Om alle stof te zien ontwaken;

Terwijl natuur, verbaasd en stom.

Dien onafzienbren volkendrom

786

Des Rechters vierschaar ziet genaken.

Dan wordt het schuldboek aangebracht, Waarin heel 't menschelijk geslacht.

ocr page 837

ALLERZIELENDAG.

Zijn goed en kwaad zal zien geschreven; En heeft de Rechter 't pleit beslist.

Zoo is daarbij geen feit gemist,

Geheim of openbaar bedreven.

Ach mij, rampzalige, als ik ben,

Die hier in 't stof reeds schuld beken, Hoe zal ik 't vonnis daar ontvluchten? Wie keert dan 't vreeslijk oordeel af Der mij beschoren hellestraf.

Daar zelfs de Heiligen nog duchten?

Gij lieer, onlzagbre Majesteit,

Die. louler uit barmharlieheid.

Den uwen 't Rijk des Hemels opent,

o Red ook mij, door uw geni

En kom mij .lesus' bloed te sta.

Waarop ik, vol vertrouwen hopend.

Alleen mijn uitzicht heb gesteld.

Ach, Rechter, eer Gij 't oordeel volt.

Bedenk, dat Ge ook om mij kwaanit sterven.

Dat Gij ook mij kocht met uw Bloed;

Ach, zie mij kermend aan uw voet.

Ach, laat mij uwe gunst niet derven.

Gij hebt mij onvermoeid gezocht.

Aan 't folterhout mij vrijgekocht.

En is dat al voor mij verloren?

o Rechier, streng, maar liefderijk.

Geef mij van uwe ontferming blijk.

Voordat uw toorncdag zal gloren.

Ik zucht, met schaamte op 't aangezicht. Te pleiter liggend onder 't wicht Van tilloozc en afgrijsbre zonden;

En toch nog Mijft de hoop bij mij :

Want heeft de Moorder aan uw zij,

Maria zelfs geen heil gevonden ?

Wel is mijn bede uw oor niet waard.

Doch Gij, die liefst vergeeft en spaart,

Zult mij aan 't vuur der hel niet wijden. Maar eerder aan uw rechter zij Een plaats bestemmen ook voor mij.

Bij 't bokken en het lamren scheiden.

Wanneer Gij 't doemtal van U stoot En neerploft in der vlammen schoot,

o Zij mijn lot dan met de vromen!

In 't stof gebukt, voor L' geknield.

Roep ik, het hart met rouw bezield;

o. Laat me in 't einde tot U komen.

ocr page 838

onderricht ovee;

Ja wel vol jammer breekt hij aan De dag, als de aarde in vlam zal slaan.

Gelijk Sibyl en David spellen;

Dc stond, als 't schepsel in 't gericht Gedaagd wordt voor Gods aangezicht,

Om 't eeuwig vonnis te zien vellen.

o Rechter, vol lankmoedigheid Verhoor den zondaar, die hier schreit,

Bewust van 't kwaad, door hem bedreven;

Ach, geef, door 'l overkostbaar Bloed,

Waarmee Gij voor ons hebt geboet.

Die op Ü hopen, 't eeuwig leven.

Evangelie volgens den H. Joannes V, 23-29.

In dien tijd zeide Jesus tot de scharen der Joden: Voorwaar, voorwaar ik zeg u; De ure komt, en is nu, wanneer de dooden de stem van den Zoon Gods zullen hooren^ en die haar hooien, zullen leven. Want gelijk de Vader het leven in zich zeiven heeft, alzoo heeft Hij ook den Zoon gegeven, het leven in zich zei ven te hebben; en heeft Hem macht gegeven, oordeel te houden, omdat Hij de Zoon des rnenschen is. Verwondert u niel daarover; want de ure komt, waarin allen, die in de graven zijn, de slem van den Zoon Gods zullen hoo-ren. En zij, die het goede gedaan hebben, zullen uitgaan tot de opstanding van leven; maar die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding van oordeel.

Verklaring. De dooden, van welke Jesus in het begin van dit Evangelie spreekt, zijn de Joden en Heidenen, die tot hiertoe in den dood der zonde gedompeld lagen, maar die weldra, zijne stem, dat is, de leer van het H. Evangelie zullen hooren en indien zij daaraan gehoorzaam gelooven, uit hun geestelijken doodslaap tot het leven der genade, en mits zij daarin volharden, tot het eeuwig leven zullen opgewekt worden. God de Zoon kan die dooden tot het geestelijk leven opwekken, omdat Hij in zich zeiven het leven heeft, gelijk zijn Goddelijke Vader, met Wien Hij hetzelfde Goddelijk wezen en dezelfde Goddelijke natuur heeft. De Hemelsche Vader heeft ook aan zijnen Zoon macht gegeven oordeel te houden,

788

ocr page 839

ALLEliZIELENDAG.

daartoe heeft Jesus macht ontvangen, omdat Hij de Zoon des menschen is, dat wil zeggen, omdat Hij mensch is, want als God bezat Hij van eeuwigheid die macht.

Verwondert u niet, zoo gaat Jesus voort, over hetgeen Ik ii over den geestelijken dood en de geestelijke opwekking gezegd heb, want hetgeen Ik n mi van Mij ga zeggen, zal nog meer uwe verbazing wekken. Ééns zal de dag komen, waarop Ik door het woord mijner almacht al de afgestorvenen uit hunne graven zal opwekken, hen zal doen herleven en uit hel stof zal doen verrijzen, om vervolgens hen te oordeelen; hen te vergelden naar hunne werken en elks lot te beslissen. Die het goede gedaan hebben, zullen hunne graven uitgaan tot de opstanding van leven, tot de eeuwige gelukzaligheid; maar die het kwaad gedaan hebben, zullen uit hun graven komen tot de opstanding van oordeel, tot hun veroordeeling en verdoemenis. Ach! dachten de Christenen toch dikwijls aan dien grooten dag van algemeene vergelding, zij zouden zich ijveriger op het goede toeleggen en zorgvuldiger liet kwaad vermijden, ten einde op dien dag onder het getal der uitverkorenen te mogen behooren.

Offerande, lieer Jesus-Christüs, Koning der heerlijkheid, behoed de zielen van alle overledene geloovigen voor de stral-fen der hel en voor den diepen jammerpoel; bescherm haar tegen den muil des leeuws; dat de helsche afgrond haar niet inzwelge; dat zij niet in de duisternis vallen; maar dat de teekendrager, de H. Michael, haar lot het heilig licht voere, hetwelk Gij eertijds aan Abraham en zijn nazaat beloofd hebt. Wij dragen U olferanden en gebeden van lof op, o Heer; neem ze voor die zielen aan, voor welke wij heden do gedachtenis honden; doe haar, o Heer, van den dood tot het leven overgaan, hetwelk Gij eertijds aan Abraham en zijn nazaat beloofd hebt.

Seereta (voor afgestorven geestelijken).

Wij bidden U, o Heer, neem do offeranden aan, dio wij opdragen voor de zielen van uwe dienaren de ^Opperpriesters of Priesters; noem hen, die Gij in deze wereld de Opperpriesterlijke of Priesterlijke waardigheid geschonken hebt, in

789

ocr page 840

onderricht over

de gemeenschap uwer Heiligen op in den Hemel. Door onzen Heer Jesus-Christus, enz.

(Voor afgestorven ouders.)

Aanvaard, o Heer, hel ofTer, dat ik U voor de zielen van mijn vader en mijne moeder opdraag; verleen haar de eeuwige vreugde in het Rijk der levenden, en vereenig mij met haar in de gelukzaligheid der Heiligen. Door onzen Heer Jesus-Christüs, enz.

(Voor één overledene.)

Vergun ons, bidden wij U, o Heer, dat aan de ziel van uwen dienaar (uwe dienares) dit offer voordeelig zij, aan welks Offeraar Gij de macht geschonken hebt de zonden der geheele wereld uit te wisschen. Door onzen Heer Jesus-Christus, enz.

(Voor alle overledene geloovigen.)

Wij bidden U, o Heer, zie genadig neêr op dó offeranden, die wij U voor de zielen uwer dienaars en dienaressen aanbieden; Gij hebt haar de verdiensten van het Christen geloof gegeven, schenk haar ook de belooning daarvoor. Door onzen Heer Jesus-Christus, enz.

Communie. Het eeuwig licht verschijne hun, o Heer, met uwe Heiligen in eeuwigheid, want Gij zijt goedertieren. Geef hun, o Heer, de eeuwige rust, en het eeuwig licht verschijne hun, met uwe Heiligen in eeuwigheid, want Gij zijt goedertieren.

Postcornmunnie (voor afgestorven geestelyken).

Wij bidden ü, o Heei, dat uw edelmoedige barmhartigheid, die wij hebben ingeroepen, voordeelig zij aan de zielen uwer dienaars, de Opperpriesters of Priesters, opdat zij, door uwe genade, in de eeuwige vereeniging des Hemels, waarin zij altijd geloofd en waarop zij altijd gehoopt hebben, mogen opgenomen worden. Door onzen Heer Jesus-Christus, eiu.

(Voor afgestorven ouders.) lt;

Wij smeeken U, o Heer, dat onze deelneming aan dit Hemelsch Sacrament, de eeuwige rust en het eeuwig licht ver-werve voor de zielen mijns vaders en mijner moeder, en mij met haar bekrone met uw eeuwige genade. Door onzen Heer Jesus-Christls, enz.

790

ocr page 841

allerzielendag.

(Voor één overledene.)

Wij bidden U, o Heer, ontsla de ziel van uwen dienaar (uwe dienares) van alle banden der zonden; opdat zij, in de heerlijkheid der verrijzenis opgewekt, onder uwe Heiligen en uitverkorenen moge leven. Door omen Heer Jesus-Christus, enz.

(Voor alle geloovige overledenen.)

Wij bidden ü, o Heer, dat het gebed van hen, die tot U smeeken, aan de zielen van uwe dienaars en dienaressen voordeelig zij; vergeef haar al hare zonden en maak haar deelachtig aan uwe verlossing. Gij die leeft en heerscht, enz.

Onderricht over het feest van den H. Willehrordus,

Apostel der Nederlanden.

(7 November.)

De H. Willebrordüs werd in Nothumberland (Engeland) in 657 uit even vrome als aanzienlijke ouders geboren, en in het klooster van den H. Wilfridus opgevoed. Nederig, zachtzinnig en zedig, vaardig en nauwgezet in het vervullen zijner plichten, mocht hij welhaast zijne geloften afleggen. Met vergunning van zijn Abt, ging hij op twintig-jarigen leeftijd naar Ierland, om zich onder de leiding van den H. Egbertls te stellen. Na hier tien jaren verbleven en Priester gewijd te zijn, voelde hij zich gedreven, om den nog heidenschen Friezen, Saksen en naburigen volkeren het Evangelie te gaan verkondigen. Met elf ijverige kloosterlingen, onder welke Werenfridus, Adal-bertus en Slutbertus met zekerheid te noemen zijn, landde hij in 690 te Katwijk aau. l)e koning der Friezen, Hadbod, was te dien tijde schatplichtig gemaakt aau den opperhol-meester van Frankrijk, Pepinus van Herstal, en een groot gedeelte van Friesland met Wiltenbnrg (thans Utrecht) was in handen der Franken gekomen. Na de bescherming van Pepikus gevraagd en verkregen te hebben, begaf Willebrordüs zich naar Rome, om van Pans Sergius den zegen en zijne zending te verkrijgen. Teruggekeerd, bouwde hij te Utrecht eene bedeplaats om er het H. Misoffer op te dragen en de nieuwbekeerden te doopen. Duizenden bekeerden zich in weerwil der hevigste vervolging, welke hij en zijne geloovigeu van den kant der afgodische pries-

791

ocr page 842

onderricht over het feest

ters en heidensche volken te verdragen hadden. Om zijn be-keeringswerk meer kracht bij te zetten, werd de H. Wille-brordus, wellicht op aanbeveling van den Maastrichter Bisschop, de H. Luibertus, tot Aartsbisschop der Friezen verkozen. Daarop vertrok hij, 59 jaren oud, wederom naar Rome, werd daar in 696 door Paus Sergius I gewijd en voortaan om zijne zachtaardigheid of naar den feestdag zijner wijding Clemens (de zachtmoedige) genaamd. De nieuwe Aartsbisschop koos Utrecht tot zijn zetel en de kerk des H. Verlossers (St. Salvator) tot zijne hoofdkerk; hij richtte er ook een gesticht voor geestelijken op en scholen voor de jeugd. Van daar uit zette Willebrordus zijne prediking des Evangelies moedig voort, en verspreidde zich met zijne metgezellen door alle streken van ons vaderland. Zoo kwam hij in Zeeland op het eiland Walcheren, waar hij een afgod verbrijzelde, die men met menschenofFers vereerde, en door een Heiden met een zwaard aan het hoofd gewond werd; over de Schelde, in een gedeelte van Vlaanderen, te Antwerpen, in Luxemburg, in het Kempenland, te 's Hertogenbosch, enz., waar hij overal vele zielen voor den Hemel won; te Vlaardingen, Velsen, Heiloo en andere plaatsen, waar hij kerken stichtte en inwijdde. Inzonderheid was hij er op bedacht alom scholen, liefdegestichten en kloosters te vestigen, waarin hij vrome kloosterlingen plaatste, om door hun gebed, hun onderricht en hun voorbeeld zijn apostolischen arbeid (e ondersteunen en te bestendigen. Op 82jarigen leeftijd mocht de eerbiedwaardige grijsaard met voldoening, op zijn vijftigjarigen onvermoeiden arbeid onder de Friezen, onze vooronders, terugzien. Hij had Nederland voor Jesus gewonnen, en ging dan ook, vol van dagen en verdiensten, het eeuwig loon van zijnen arbeid ontvangen op den 6 November 759. Hij werd, volgens zijn uitersten wil, in het klooster van Echternach begraven, waar God zij na gralstede met vele wonderen verheerlijkt heeft.

De H. Willebrordus wordt door de geloovigen ingeroepen als patroon tegen koortsen en andere kwaadaardige ziekten. Zijne beeltenis stelt hem doorgaans voor als een Bisschop, die een jeugdigen knaap op den arm draagt. Ook vindt men hem wel eens afgebeeld met eene kerk op de hand,

792

ocr page 843

van den h. w1llebr0kdus.

De Ingang der Mis.

(Zie hel Bijvoegsel, letter F. op het feest eens lüsscliops en Belijders.)

Gebed der Kerk.

0 God, die ü gcwaardigd hebt uwen Belijder en Bisschop den H. Willebrordüs te zenden, om den volkeren uwe g'orie te verkondigen, verleen ons genadig, door zijne verdiensten en voorspraak, dat wij kunnen vervullen, hetgeen Gij ons geboden hebt te verrichten. l)jor onzen Heer Jesus Christus, en/,.

EPISTEL: Les uit het Boek Ecclesiasticus XLIV, 17,

XLV.

(Zie het BIJVOEGSEL, letter F.)

Evangelie volgens den II. Mattheus XXV, li-^S.

(Zie het BIJVOEGSEL, letter F.)

Overweging. Kenden wij Gods gaven, 'dachten wij aan den toestand, waarin onze voorouders leefden en die, zonder het Evangelie, ook nog de onze weien zou, met welke dankbaarheid zouden wij dan oiue stemmen bij die der Kerk voegen, ons hart bij haar hart en ons gebed bij haar gebed, om Hem te danken, die ons in het Christen 'om heeft doen geboren worden. Bedanken wij God vurig, dat Hij ons, door den H. Willebrordüs, de genade des geloofs geschonken heeft, en smeeken wij dikwijls dien heiligen Patroon, dat hij op deze landen, onder zijne bescherming gesteld, in liefde neder-zie en bidde, dat wij het ware geloof mogen behouden, en allen tot de kennis der ééne waarheid, door hem gepredikt, komen. Spreken wij te dien einde dagelijks een kort en vurig gebed, zoo als bijv.: H. Willebrordüs, Apostel van Nederland, bid voor ons en voor ons dierbaar vaderland.

Onderrioht over de voortplanting- des Geloofs.

Gaal heen in de gehede wereld, en verkondigt het Evangelie aan alle schepselen. Marcus XVI, lo.

Hel bevel van Jesus, de geheele wereld door te gaan en het Evangelie aan alle volkeren te prediken, hebben de Apostelen getrouw volbracht. Zij kenden geen grooter geluk dan hunnen medemenschen de blijde boodschap van het Rijk Gods te verkondigen, en hun den naam Jesus, in welken alleen wij kunnen zalig worden, bekend te maken. Daarom lieten zij zicl\

793

ocr page 844

onderricht over het feest

noch door vermoeienissen en gevaren der verschillende reizen, noch door den haat en de vervolgingen, die hen bedreigden» afschrikken, om de leer van hel kruis naar de verst afgelegen landen over te brengen. In ketenen en boeion, ja zelfs onder de smartelijkste martelingen, hielden zij vol het geloof in den Zoon Gods te prediken. Deze geloofsijver stierf met de Apostelen niet uit. Gelijk een H. Willebrordüs, een Franciscüs Xaverius, zoo waren er steeds in de Katholieke Kerk mannen vol ijver en moed, die hun leven veil hadden voor de bevorde-en uitbreiding van het Christendom onder do ongeloovige of afgedwaalde volkeren. Die mannen noemt men Zendelingen of Missionarissen. Hoe verdienstelijk hun ambt moet zijn, is ligt af te leiden uit het dool, dat zij zich voorstellen, namelijk: voor Jesus-Christus zielen te winnen, die misschien anders voor eeuwig verloren zouden gaan. Ieder Katholiek wenscht ongetwijfeld aan zulk een verdionstvol werk deelachtig te worden. Daar evenwel niet iedereen Missionaris kan worden, hebben eeni-ge vrome mannen te Lyon in Frankrijk, in 18quot;23 hot genool-schap Tot voortplanting des Geloofs gesticht, waarvan de leden zich verbinden, gezamenlijk voor het heil der ongeloovigen Ie bidden en de missiën door geldelijke bijdragen, naar hun best vermogen, te ondersteunen, ten einde althans daardoor aan de verdiensten van dat apostolisch werk deelachtig te worden. Paus Pics VII heeft dit genootschap goedgekeurd, en in eenc breve van don 13 Mei 1825 den medeleden van het Genootschap de volgende aflaten vergund:

I) Vollen aflaat op den 3 Mei (Kruisvinding), den dag der instelling van het Genootschap; vollen aflaat op den 3 iOecem-ber (feestdag van den Beschermheilige, den H. Franciscüs Xave-piüs); vollen aflaat éénmaal in de maand, mits de medeleden het voorgeschrevene dagelijksch gebed getrouw verrichten. — Om deze aflaten te verdienen, worden een goede biecht, een waardige communie, alsmede het bezoeken eencr kerk, waarin men tot voortplanting des geloofs bidt, als hoofdvoorwaarden vereischt. 2) Een aflaat van 100 dagen, zoo dikwijls men, met een rouwmoedig hart, de gebeden van het Genootschap stort, eone aalmoes geeft ter ondersteuning der missiën, of eenig ander werk van liefde en barmhartigheid uitoefent.

794

ocr page 845

van deh h. willebrordus.

Al die aflaten werden later door de Pausen Leo XII, Pius VIII en Gregorius XVI bevestigd, terwijl Pius IX nog meerdere aflaten verleend beeft. (Zie Bouvier Traité des Indulgences, blz. 332.)

Het dagelijksch gebed der medeleden van het genootschap tot Voortplanting des Geloofs onder de Heidenen, is: één Onze Vader, één Wees gegroet, gevolgd door dit schietgebed: H. Fran-ciscus Xaverius, bid voor ons. — De aalmoes is minstens twee-en een halve cent of een halve stuiver per week (Ibid.)

Mochten toch voortdurend meer Christenen zich in dit Genootschap doen opnemen, en daardoor krachtdadig medewerken aan de uitbreiding van den katholieken godsdienst onder de Heidenen. Gewis, grooter geluk kan den ongeloovigen niet tea deele vallen, dan de kennis en het bezit van het ware, alleen zaligmakende katholiek geloof, dat Christus heeft geleerd, dat de Apostelen verkondigd en alle uitverkorene kinderen Gods te hunner zaligheid steeds onderhouden hebben.

Kort Morgengebed.

In den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes. Amen.

Mijn Heer en mijn God, ik aanbid uwe opperste Majesteit en bedank U voor al uwe weldaden, in het bijzonder voor de gunst, dat Gij mij dezen nacht bewaard hebt. Ik otter U op mijne ziel, mijn lichaam, alles wat ik bezit en wat ik dezen dag denken, zeggen en doen zal, tot uwe meerdere eer en glorie en tott zaligheid mijner ziel. Ik maak het vast voornemen dezen dag heilig door te brengen. Heer laat niet toe, dat ik U vergramme. Barmhartige God, geef mij de genade, dat ik dit voornemen trouw moge uitvoeren.

Onze Vader, die in de Hemelen zijt, geheiligd zij uw naam. Ons toekome Uw rijk. Uw wil geschiede op de aarde als in den Hemel. Geef ons heden ons dagelijksch brood. En vergeef ons .onze schulden, gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren. En leid ons niet in bekoring: maar verlos ons van den kwade. Amen.

Weesquot;gegroet, Maria, vol van genade, de Heer is met u: gezegend zijt gij boven alle vrouwen, en gezegend is de vrucht

798

ocr page 846

kort morgengebed.

uws lichaams, Jesüs. Heilige Mauu, Moeder Gods, bid voor ons, zondaars, nn en in het uur van onzen dood. Amen.

Ik geloof in God, den Vader almachtig, Schepper van Hemel en aarde. En in Jesus-Christus, zijn écnigea Zoon, onzen Heer. Die ontvangen is van den H. Geest, geboren uit de Maagd Maria; Die geleden heeft onder Pontius Pilatcs, is gekruist, gestorven en begraven. Die nedergedaald is ter helle; ten derden dage verrezen van de dooden. Die opgeklommen is ten Hemel, zit aan de rechterhand Gods, des Vaders almachtig. Vandaar zal Hij komen oordeelen de levenden en de dooden. Ik geloof in den Heiligen Geest; eene Heilige Katholieke Kerk; gemeenschap der Heiligen; vergiffenis der zonden, verrijzenis des vleesches, het eeuwig leven. Amen.

Onder uwe bescherming nemen wij onze toevlucht, Heilige Moeder Gods, verstoot onze gebeden niet in onzen nood, maar verlos ons altijd van alle gevaren, o glorierijke en gezegende Maagd, onze Vrouw, onze Middelares, onze Voorspreekster: verzoen ons met uwen Zoon, vertoon ons aan uwen Zoon, beveel ons aan uwen Zoon. Bid voor ons. Heilige Moeder Gods, opdat wij der beloften van Christus waardig, worden.

Alle HH. Engelen. H. Jozef, al onze patronen en patronessen en alle Heiligen, bidt voor ons.

0 Engel Gods, mijn bewaarder, ik bid U, verlicht, bescherm, bestier mij tot mijne ziel het Rijk der zaligen is binnen gegaan. Amen.

De Heer gelieve ons te zegenen, tegen alle kwaad te behoeden en tot het eeuwig leven te brengen. Amen. Dat de geloovige zielen, door Gods barmhartigheid, in vrede rusten. Amen.

Kort Avondg-ebed.

In den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes. Amen.

Mijn Heer en mijn God, ik aanbid uwe opperste Maje-teit, en bedank ü voor alle weldaden, in het bijzonder voorde gunst, dat Gij mij dezen dag bewaard hebt.

Akte van geloof. Ik geloof in éénen God, één in wezen pn drievuldig in Personen, God den Vader, God den Zoon,

796

ocr page 847

KORT AVONDGEBED.

en God den Heiligen Geest, looner van liet goed en straffer van het kwaad; ik geloof dat God de Zoon, de tweede Persoon der allerheiligste Drievuldigheid, voor ons is mensch geworden, gekruist, gestorven en verrezen: deze mysteriën en al hetgeen de heilige Kerk mij voorstelt te gelooven, geloof ik vastelijk, omdat Gij, mijn God, de opperste waarheid zijt, die dit alles zelf geopenbaard hebt. In en voor dit geloof wil ik leven en sterven.

Akte van hoop. Mijn Heer en mijn God, ik hoop en vertrouw vastelijk, door het bitter lijden en de verdiensten van Jezus-Christus, te bekomen hier in dit leven Uwe genade en vergiffenis van mijne zonden; en hierna U eeuwig te aanschouwen, te beminnen en te bezitten in den hemel: dit hoop ik omdat Gij, mijn God, oneindig goed zijl tot ons, almachtig en getrouw in Uwe beloften. In deze hoop wil ik leven en sterven.

Akte van liefde. Mijn Heer en mijn God, ik bemin U boven al en uit geheel mijn hart, omdat Gij oneindig goed zijt, en alle liefde waardig; ik bemin mijnen evennaaste gelijk mij zeiven uit liefde tot U; dal U alle menschen beminnen en dienen, dat U alle schepsels loven in eeuwigheid. In deze liefde wil ik leven en sterven.

Onderzoek der gewetens. Kom H. Geest, verlicht mijn verstand, opdat ik wete, waarin ik gezondigd heb en geef mij de genade een oprecht berouw over mijne zonden te verwekken.

Hier onderzoekt men, in hoeverre men zich, hetzij door gedachten, woorden, werken of verzuim, aan zonden heeft plichtig gemaakt, en men overdenkt daarbij de geboden van God en der H. Kerk.

De tien geboden Gods. \. Ik beu de Heer uw God; gij zult geene vreemde goden voor mijne oogen hebben; gij zult u geen gesneden beeld, noch eenigo gelijkenis maken; gij zult die niet aanbidden, noch godsdienst aandoen. 2. Gij zult den Naam van den Heer uwen God niet ijdel gebruiken. 3. Wees gedachtig dat gij den Sabbatdag heiligt. 4. Eer uwen vader en uwe moeder, opdat gij lang moogt leven op aarde. 5. Gij zult niet doodslaan. 6. Gij] zult geen overspel doen. 7. Gij zult niet stelen. 8. Gij zult tegen uwen naaste geen valschè getuigenis geven. 9. Gij zult uw naaste huisvrouw niet begeeren. 10.

797

ocr page 848

kort avondgebed.

Gij zult zijn huis niet begeeren, noch zijn land, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets van alles wat hem toebehoort.

De vijf geboden der H. Kerk. \. De geboden Heiligdagen zult gij vieren. 2, Dan ook Mis hooren met goede manieren. 3. Geen geboden Vastendagen zult gij breken. 4. Gij zult, ten minste ééns 's jaars, aan den priester uwe biecht spreken. 5. En nuttigen omtrent Paschen het lichaam des Heeren.

Akte van berouw. Mijn Heer en mijn God, mijne zonden zijn mij leed uit den grond mijns harten, omdat ik daardoor Uwe rechtvaardige slralfen verdiend heb, en vooral omdat ik daardoor Uwe goddelijke Majesteit en goedheid, die ik boven al bemin, vergramd heb: ik haat en verzaak die zonden uit liefde tot U: en ik maak het vaste voornemen voortaan nooit meer le zondigen, alle gelegenheid van zonde te schuwen, een rechtzinnige biecht te spreken, en liever te sterven dan ö nog te vergrammen.

Onder uwe bescherming nemen wij onze toevlucht, H. Moeder Gods verstoot onze gebeden niet in onzen nood, maar verlos ons altijd van alle gevaren, o glorierijke en gezegende Maagd, onze Vrouw, onze Middelares, onze Voorspreekster, verzoen ons met uwen Zoon, vertoon ons aan uwen Zoon, beveel ons aan uwen Zoon. Bid voor ons, H. Moeder Gods, opdat wij der beloften van Christus waardig worden.

Alle HH. Engelen, H. Joseph, al onze patronen en patronessen en alle Heiligen, bidt voor ons.

0 Engel Gods, mijn bewaarder, ik bid u, verlicht, bescherm, bestier mij tot mijne ziel het Rijk der zaligen is binnengegaan. Amen.

Dat de Heer ons gelieve te zegenen, en voor alle kwaad te beschermen en tot het eenwig leven te geleiden, en dat de zielen der geloovigen door Gods barmhartigheid in vrede rusten. Amen.

798

ocr page 849

799

BIJVOEGSEL.

Bemerkinf/. Verkiest men, in den loop des jiiars, uil godsvrucht de H. Mis te lezen, bij voorbeeld van de H. Drievuldigheid, van de HH. Engelen, van den II. Geest, van het 11. Sacrament of van O. L. Vrouw, dan neme men die van hun respectieve feestdagen, van H. Drievuldighcids-Zoadag, bladz. 457, van de HH. Engelen-Bewaarders, bladz. 760, van Pinksteren, bladz. Ui, van H. Sacramentsdag, bladz. iiquot;, van Maria Geboorte, bladz. 760, Voor de afgestorvenen neme mei! de II. Mis van Allerzielen, blodz. 784. Betrekkelijk de martelvverktnigen onzes Heeren Jesus-Christus, die men op de Vrijdagen in de Vasten vereert, kan men gevoegelijk de volgende H. Mis lezen.

H. Mis van liet lijden onzes Heeren Jesus-Ohristus.

Bij den Ingang der Mis. Dc Heer Jesus-Christus heeft zich vernederd tot den dood toe, ja tot den dood des kruises; daarom heelt God Hora ook verheven en eenen naam gegeven, die boven allen naam is (Psalm LXXXVI1I), Ik zal de barm-harliglieid des Heeren in eeuwigheid zingen; van geslacht tot geslacht. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Heer Jesus-Christus, die uit den schoot uws Vaders, van den Hemel op de aarde zijt nedergedaald, en uw kostbaar Bloed tot vergiffenis onzer zonden vergoten hebt; wij smeeken U ootmoedig, dat wij, op den dag des oordeels aan uwe rechterhand geplaatst, mogen hooren; Komt gezegeuden. Die leeft cn heerscht met God den Vader, enz.

EPISTEL: Les uit den Profeet Zacharias XII, 10 -11, XIII, 6-7.

Dit zegt de Heer; Ik zal over het huis van David, en over de inwoners van Jerusalem eenen geest van genade en van gebeden uitstorten; en zij zullen tol Mij opzien, dien zij doorboord hebben. En zij zullen Hem beweenen, met een gezucht als over eenen ééuiggeborene; en zij zullen over Hem treuren, gelijk men pleegt te treuren over den dood van een eerstgeborene. Op dien dag zal er een groote rouw in Jerusalem zijn, en gezegd worden: Wat zijn die wonden, in het midden uwer handen. En Hij zal zeggen: Daarmede ben ik gewond in het huis van hen, die mij beminden. Zwaard! word gewekt tegen mijnen herder en tegen den man, die Mij aanhangt, zegt de Heer der heerscharen. Sla den herder en de schapen zullen verstrooid worden, zegt de almachtige Heer.

ocr page 850

bijvoegsel.

Evangelie volgens den U. Joa.mves XIX. 28-33.

In dien lijd, Jesus welende, dat alles volbracht was, opdat de Schrift vervuld wierd, sprak: Ik heb dorst. Er stond nu een vat vol edik. Zij dan eene spons, met edik gevuld, om eenen hijzopslengel gewonden hebbende, brachten die aan zijnen mond. Als Jesus dan den edik genomen had sprak Hij: Het is volbracht! En Hij boog het hoofd, en gaf den geest. De Joden dan, omdat het de dag der voorbereiding was, op !at de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op den sabbat, (want die sabbat was een groote dig), verzochten Pilatus, dat hunne beenen gebroken, en zij afgenomen wierden. De krijgsknechten kwamen alzoo, en braken de beenen des eersten, en des anderen, die met Hem gekruist waren. Doch als zij lot Jesus gekomen waren, ziende, dat Hij alreeds gestorven was, braken zij zijne beenen niet; maar een van de krijgsknechten doorstak zijne zijde met eene speer, en terstond kwam er bloed en water uit. En hij. die het gezien heeft, heeft daarvan getuigenis gegeven, en zijne getuigenis is waarachtig.

H. Missen, die voor verschillende feesten der Heiligen kunnen dienen.

Bemerking. Wil men de II. Mis lezen ter eerc van een Heilige, over wicn geen afzonderlijk onderricht in dit boek is aangegeven, dan zoekc men eerst in den kalender op, tot welke klassede Heilige behoort; of hij b. v. Martelaar, Bisschop, Belijder of een en ander te samen is, en men neme dan van de volgende Missen die, welke voor zoodanigen Heilige is gegeven, b. v. op den feestdag van den H. Christophorus leze men die, welke hieronder met de letter B geteekend is, enz. — Hel Gloria, Credo, de Prefatie, de Canon, enz. leze men in de gewone Mis bladz. 28.

A. Op het feest van één II. Martelaar en Bisschop.

Bij den Ingang dur Mis. Eccli. XLV. De Heer heelï een verbond van vrede mei liem gesloten en hem lol vorst verheven, opdat hem de waardigheid der priesterschap zoude bijblijven in eeuwigheid. Psalm CXXXl. Gedenk, Heer, üavid, en al zijne zachtmoedigheid. Eere zij den Vader, enz.

800

ocr page 851

BIJVOEGSEL.

Gebed der Kerk.

Almachtige God, werp eenen blik op onze zwakheid, en geef, dewijl de zwaarte onzer zonden ons ter nederdrukt, dat de roemrijke voorspraak van den Heiligen Martelaar en Bisschop N. ons beseherme. Door onzen Heer Jesus-Chiustus, enz.

EPISTEL.: Les uit den Brief van den H. Apostel Jacobus I, 12-18.

Allerlielsten! Zalig de man, die de verzoeking verdraagt! want daar hij een beproefde is geworden, zal hij de kroon des levens ontvangen, die God beloofd heeft aan die Hem liefhebben. Niemand zegge, als hij bekoord wordt, dat hij van God bekoord wordt; want God is geen bekoorder tot het kwade, en Hij zelf bekoort niemand; maar een iegelijk wordt bekoord, wanneer hij door zijn eigene begeerlijkheid afgetrokken en gelokt wordt; vervolgens, als de begeerlijkheid ontvangen heeft, baart zij zonde; en de zonde, als zij volkomen geworden is, brengt den dood voort. Dwaalt dan niet, mijn geliefde broeders! Alle goede gave en alle volmaakte gift is van boven, nederdalend van den Vader der lichten, bij wien geene verandering is, noch overschaduwing van terugkeer. Vrijwillig toch heeft Hij ons voortgebracht door het woord der waarheid, opdat wij zouden zijn als de eerstelingen van zijne schepselen.

Evangelie volgens den H. Lucas XIV, 26-33.

In dien tijd zeide Jesus tot de scharen: Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijnen vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders en zusters en ook nog zijn eigen leven, kan hij niet mijn discipel zijn. En die niet zijn kruis draagt, en Mij navolgt, kan niet mijn discipel zijn. Want wie van u, eenen toren willende bouwen, zet zich niet vooraf neder, en berekent de kosten, die noodig zijn, of hij heeft, om ie voleindigen? Opdat niet, als hij den grondslag gelegd heeft, en niet voleindigen kan, allen, die het zien, hem beginnen te bespotten, en te zeggen: Deze mensch begon te bouwen, maar heeft niet kunnen voleindigen! Of

51

801

ocr page 852

bijvoegsel.

welke koning, willende tegen een anderen koning optrekken, en oorlog voeren, zet zich niet vooraf neder, en beraadslaagt, of hij in staat is, met tien duizend te ontmoeten dengenen, die met twintig duizend op hem aanrukt? Anders zal hij, terwijl die nog verre af is^ gezanten zenden, en om vrede verzoeken. Aldus kan niemand van u, die niet alles verzaakt, wat hij bezit, mijn leerling zijn.

B. Op liet feest van één H. Martelaar, die geen Bisseliop is.

Bij dcu Ingang der Mis. Psalm XX. In uwe sterkte. Heer, zal de rechtvaardige zich verblijden, en over uw heil zal hij ten uiterste jubelen; Gij hebt hem den wensch zijner ziel gegeven. Psalm. Want Gij hebt hem voorkomen met de zegeningen van zoetigheid. Gij hebt hem eene kroon van kostbaar gesteente op zijn hoofd gezet. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Verleen, bidden wij U, almachtige God, dat wij, die den feestdag vieren van uwen Martelaar den Heiligen N., door zijne tusschenkomst, in de liefde tot uwen Naam versterkt worden. Dooi' onzen Heer Jesus-Ghkistus, enz.

EPISTEL: Les uit het Boek der Wysheid X, 10-14.

De lieer heeft den rechtvaardige langs de rechte wegen geleid, en hem het Rijk Gods getoond, en hem de kennis dei-Heiligen gegeven; Hij heeft hem in zijnen arbeid veredeld, en zijne inspanningen gezegend. Hij heeft hem bijgestaan tegen de listen van hen, die hem zochten, en hem tot eere gebracht. Hij heeft hem tegen zijne vijanden bewaard, en tegen zijne verleiders beschut. Hij heeft hem een sterken strijd gegeven, opdat hij zou overwinnen en weten, dat de wijsheid machtiger is dan alle dingen. Zij heeft den rechtvaardige, als hij verkocht was, niet verlaten, maar hem van de zondaren verlost, en zij is met hem in den kuil nedergedaald. En in boeien verliet zij hem niet, totdat zij hem bracht den scepter des rijks, en macht tegen hen, die hem verdrukten; zij heeft hen als leugenaars aangetoond, die hem bekladden, en hem een eeuwigen luister gegeven — de Heer onze God.

802

ocr page 853

BIJVOEGSEL.

Evangelie volgens den H. Mattheus X, 34-42.

In dien tijd zeide Jesus tot zijne Leerlingen: Meent niet, dat Ik gekomen ben, om vrede op aarde te brengen: Ik ben niet gekomen, om vrede, maar om het zwaard te brengen. Want Ik ben gekomen, om den mensch te scheiden van zijn vader, de dochter van hare moeder, en de schoondochter van hare schoonmoeder; en des menschen vijanden zullen zijne huisgenoo-ten zijn. Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijner niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijner niet waardig. En die zijn kruis niet opneemt, en Mij volgt, is Mijner niet waardig. Die zijn leven vindt^ zal het verliezen, en die zijn leven om Mij verloren heeft, zal het vinden. Die u ontvangt, ontvangt Mij; en die Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft. Die eenen Profeet ontvangt in den naam van eenen Profeet, zal het loon eens Profeten ontvangen; en die eenen rechtvaardige ontvangt in den naam van eenen rechtvaardige, zal het loon eens rechtvaardige ontvangen. En al wie slechts eenen beker koud water aan eenen van deze geringsten, in den naam eens Discipels, zal te drinken gegeven hebben^ voorwaar. Ik zeg u, hij zal zijn loon niet verliezen.

O. Op liet feest van één Martelaar g-edurende den Paasclitijd.

Bij den Ingang der Mis. Psalm LXIII. Gij hebt mij beschermd, o God, van de samenzwering der boosdoeners, alleluja, van de menigte dergenen, die ongerechtigheid plegen, alleluja, alleluja. Psalm. Verhoor, o God, mijn gebed, als ik U smeek; van de vrees des vijands verlos mijne ziel. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk ingeval de Heilige tevens Martelaar en Bisschop is.

O God, die ons door het jaarlijkse!) feest van uwen Martelaar en Bisschop den Heiligen N. verheugt, verleen ons genadig, dat

803

ocr page 854

lil j voegsel.

wij, wiens feestdag wij vieren, ons ook over zijne bescherming mogen verliengen. Door onzen Heer Jesus-Chkistus, enz.

Gebed der Kerk ingeval de Heilige alléén Martelaar is.

Almachtige God, wij bidden U, verleen, dal wij, door de voorspraak van uwen Martelaar den Heiligen N., én van allen tegenspoed naar liet lichaam, én van alle zondige gedachten naar den geest bevrijd worden. Door onzen Heer Jesus-Ciiristus, enz.

EPISTEL: Les uit het Boek der Wijsheid V, 1-5.

De rechtvaardigen zullen, met een groote standvastigheid, tegenover hen staan, die hen verdrukt, en hen van hunnen arbeid berooid hebben. Deze hen ziende, zullen met een ijselijke vreeze bevangen worden, en zich verwonderen over de onvoorziene en onverhoopte zaligheid; zij zullen berouw hebben en in de benauwdheid huns gemoeds zuchtende, bij zich zeiven zeggen: Deze zijn het, die wij, vóór dozen, uitlachten en met schimpredenen hoonden! Wij dwazen! wij hielden hun leven voor onzin, en hun uiteinde voor eerloos! Ziet, iioe zij onder de kinderen Gods gerekend zijn, en lioe hun lot onder de Heiligen is!

Evangelie volgens den H. Joannes XV, 1-7.

In dien tijd zeide Jesus tol zijne Leerlingen: Ik ben de ware wijnstok, en mijn Vader is de landman. Elke ranke, die in Mij geene vrucht draagt, zal Hij wegnemen: en elke. die vrucht draagt zal Hij zuiveren, opdat zij meer vrucht drage. Gij zijt nu rein, om het woord, hetwelk Ik tot u gesproken heb. Blijft in Mij^ en Ik in u. Gelijk de ranke uit zich zelve geene vrucht kan dragen^ tenzij zij in den^ wijnstok blijft: zoo ook gij niet, tenzij gij in Mij blijft. Ik ben de wijnslok, gij de ranken. Uie in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen. Zoo iemand in Mij niet blijft, zal hij buitengeworpen worden, als de ranke, en zal verdorren; en zij zullen haar verzamelen, en in het vuur werpen, en zij verbrandt. Indien gij in Mij blijft, en mijne woorden in

804

ocr page 855

bijvoegsel,

u blijven : al hetgeen gij wilt, zult gij vragen, en het zal u geworden.

D. Op liet feest van meerdere Martelaars gedurende den Paaselitijd.

Bij den Ingang der Mis. Psalm CXL1V. Uwe Heiligen, Heer, zullen U prijzen; zij zullen rle lieerlijkheid mvs Rijks verlialen. Alleluja, alleluja. Psalm. Ik zal U verhelFen, mijn God en Koning, en uwen Naam loven in eeuwigheid en voor altijd. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

O God, die ons toestaat, dat wij de feestdagen uwer Heilige Martelaren JN. en N. alsmede lumner gezellen vieren, verleen ons, dat wij in uwe eeuwige gelukzaligheid ons in han gezelschap mogen verheugen. Door onzen Heer Jesus-Christus, enz.

Aanmerkinfi. [n geval de li. Martelaars ook Bisschop zijn, leze men hel gebed der Kerk, hier volgend onder letter E.

EPISTEL: Les uit den eersten Brief van den H. Apostel Petrus I, 3-7

Gezegend zij God cn de Vader van onzen Heer Jesüs-Ghristus, die naar zijn groote barmharligheid ons heelt wedergeboren tot een levende hope door de verrijzenis van Jesus-Giiristus uit de dooden, tot een onverderfelijke en onbesmette en onverwelkbare erfenis, in den Hemel bewaard voor n, die in de kracht Gods behoed wordt, door het geloof, voor eene zaligheid, die gereed is om geopenbaard te worden in den laatsten tijd; waarin gij n verheugen zult, na Ihans een weinig tijds, als het zoo wezen moet, bedroefd te zijn geweest in velerlei bezoekingen, opdat de beproeving uws geloofs, veel kostbaarder dan goud, dat door het vuur beproefd wordt, bevonden worde tot lof en heerlijkheid en eer in do openbaring van Jesus-Christus onzen Heer.

Evangelie volgens den H. Joannes XVI, 20-22.

In dien tijd zeide Jesus tot zijne Leerlingen : Voorwaar, voorwaar, ik zeg n: Gij zult weeklagen cn wee-nen, doch de wereld zal zich verheugen; en gij znlt bedroefd zijn, maar uwe droefheid zal in vreugde ver-

805

ocr page 856

BIJVOEGSEL.

anderd worden. Eene vrouw, als zij baart, heeft droefheid, dewijl hare ure gekomen is; als zij echter het kind gebaard heeft, gedenkt zij niet meer de smart, om de vreugde, dat een menseh ter wereld geboren is. Ook gij dan hebt nu wel droefheid; maar ik zal u wederzien, en uw hart zal zich verheugen, en uwe vreugde zal u niemand ontnemen.

E. Op het feest vaii meerdere Martelaars quot;buiten den Paaselitijd.

Bij den Ingang der Mis. Psalm LXXI. Dat het gezucht der geboeiden lot voor uw aanschijn konio, o Heer; geef onzen gebnren zevendnbbel weder in hunnen schoot. Wreek het bloed uwer Heiligen, dat gestort is! Psalm. 0 God, de Heidenen zijn in uw erfdeel gekomen; zij hebben uwen heiligen tempel bezoedeld; zij hebben van Jerusalem gemaakt eene wachthut der boomvruchten. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk ingeval de Heiligen tevens Martelaar en Bisschop zijn.

Wij bidden U, Heer, dat de feesten uwer Heilige Martelaren en Bisschoppen N. en N. door ons steeds wel gevierd worden, en dat hun eerwaardig gebed ons aan U aanbevele. Door onzen Heer Jesus-Christus, enz.

Gebed der Kerk in geval de Heiligen alleen Martelaar zijn.

0 God, die ons door de jaarlijksche feestviering uwer Martelaren N. en N. verblijdt, verleen genadig, dat wij, die ons over hunne verdiensten verheugen, door hun voorbeeld mogen aangemoedigd worden. Door onzen Heer Jesus-Chiustus, enz.

EPISTEL: Les uit het Boek der Wijsheid III, 1—8.

De zielen der rechtvaardigen zijn in de hand van God, en de prikkel des doods zal hen niet raken. In de oogen der dwazen schenen zij te sterven; en hun uiteinde werd voor eene kwelling, en hun scheiden van ons voor eene vernietiging gehouden; zij echter zijn in vrede. Eu al hebben zij in het oog der menschen pijnen verduurd, hunne hoop Is door on-

806

ocr page 857

BIJVOEGSEL.

sterfelijkheid vervuld. In weinige dingen gekweld, zullen zij in vele goed beloond worden; want God heeft hon beproefd en hen Zijner waardig bevonden. Als goud in den oven heeft Hij hen beproefd, en als een brandoffer heeft Hij hen aangenomen, en Hij zal te zijner tijde voor hen zorgen. De rechtvaardigen zullen glinsteren, en als vonken in een rietbosch rondloopen. Zij zullen over de natiën recht spreken, en over de volkeren de heerschappij voeren, en hun Heer zal in eeuwigheid heerschen.

Evangelie volgens den H. Lucas XXI, 9-19.

In dien lijd zeide Jesus tot zijne Leerlingen: Wanneer gij van oorlogen en van oproeren hoort, wordt niet verschrikt; dit moet vooraf geschieden, maar nog is niet terstond het einde. Toen sprak Hij tot hen: Volk zal tegen volk, en rijk tegen rijk opstaan. En er zullen groote aardbevingen zijn op onderscheidene plaatsen, en pestziekten, en hongersnood; en er zullen verschrikkingen van den hemel en groote teekenen geschieden. Maar vóór dit alles zullen zij hunne handen aan u slaan, en u vervolgen, en u in synagogen en in gevangenissen overleveren, en n voeren tot koningen en landvoogden, om mijnen naam. Dit nu zal geschieden tot getuigenis. Stelt derhalve in uwe harten, dat gij niet te voren bedenkt, hoe gij u zult verantwoorden; want ik zal u mond en wijsheid geven, waaraan alle uwe tegenstanders niet zullen kunnen wederstaan. noch

O

wedersproken. En gij zult overgeleverd worden van ouders, en broeders, en bloedverwanten, en vrienden, en sommigen van u zullen zij dooden. En gij zult van allen gehaat worden, om mijnen Naam. En niet een haar van uw hoofd zal verloren gaan. Door uwe lijdzaamheid zult gij uwe zielen behouden.

F. Op het feest van een Bisschop en Belijder.

Dc Ingang der Mis.

Zie letter A. bladz. 800.

807

ocr page 858

bijvoegsel.

Gebed der Kerk.

Almachtige God, verleen ons, bidden wij U, dat de plechtige viering van uwen Belijder en Bissfchop den Heiligen N. én de godsvrucht én de zaligheid in ons verraeerdere. Door onzen Heer Jesus-Ciiristus, enz.

EPISTEL: Les uit het Boek der Wijsheid. Eccli XLIV, 17, 20, 22, 25 27. XLV, 3, 8, 20.

Ziet, een groot Priester, die in zijne dagen Gode behaagd heeft, en rechtvaardig is bevonden; en ten tijde des toorns tot verzoening is geworden... Aan hem is niemand gelijk gevonden, die de wet des Allerhoogsten onderhouden heeft... Daarom heeft de Heer, volgens zijnen eed, hem in eer doen toenemen onder zijn volk... Hij heeft hem de zegening aller volkeren gegeven, en het verbond bevestigd op zijn hoofd... Hij heeft hem in zijne zegeningen erkend; Hij heeft hem zijne barmhartigheid bewaard; en hij heeft genade gevonden voor de oogen des Heeren... Hij heeft hem voor het aanschijn der koningen verheerlijkt... en hem de kroon der heerlijkheid gegeven... Hij heeft een eenwig verbond met hem gesloten, en hem het Hooge-Priesterschap gegeven, en hem zalig gemaakt in eere... Hij zal de Priesterschap uitoefenen en zijnen Naam lofprijzen... en Hem een waardig rookwerk van zoeten geur opdragen.

Evangelie volgens den H. Mattheus XXV, 14-25.

In dien tijd zeide Jesus aan zijne Leerlingen deze gelijkenis: Een man, naar buiten 's lands vertrekkende, riep zijne dienstknechten, en gaf hun zijne goederen over. En den eenen gaf hij vijf talenten^ en den anderen twee, en wederom den anderen één, een iegelijk naar elks eigene bekwaamheid, en terstond reisde hij heen. Dij nu, die de vijf talenten had ontvangen, ging henen, en handelde daarmede, en won er vijf bij. Desgelijks ook hij, die de twee had ontvangen, won daarbij twee andere. Maar die er één had ontvangen, ging henen, en begroef het in de aarde, en verborg het geld van zijnen heer. Na langen tijd nu kwam de heer van deze dienstknechten en hield afro-

808

ocr page 859

bijvoegsel.

kening met hen. En hij, die de vijf talenten had ontvangen, naderde, en bracht de andere vijf talenten, zeggende: Heer! vijf talenten hebt gij mij gegeven, zie,, andere vijf heb ik daarenboven gewonnen. Zijn heer zeide tot hem: Welaan, goede en getrouwe dienstknecht! omdat gij over weinig zijt getrouw geweest, zal ik u over veel stellen: treed binnen in de vreugde uws heeren! Toen naderde ook hij, die de twee talenten had ontvangen, en zeide: Heer! twee talenten hebt gij mij gegeven, zie, andere twee heb ik gewonnen. Zijn heer zeide tot hem: Welaan, goede en getrouwe dienstknecht! omdat gij over weinig zijt getrouw geweest, zal ik u over veel stellen; treed binnen in de vreugde uws heeren!

G. Op het feest van eenen KerMeeraar.

Bij den Ingang der Mis. Eccli XV. In het midden der vergadering heeft hij zijnen mond geopend, en de Heer heeft hem vervuld niet den geest van wijsheid en verstand; Hij heeft hem het kleed der heerlijkheid aangetrokken. Psalm XCI. 't Is goed den Heer te loven, en uwen Naam, Allerhoogste! te bezingen. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

0 God, die den Heiligen N. tot bedienaar des eeuwigen heils aan uw volk hebt gegeven, wij bidden U, verleen ons. dat wij, die hem op aarde als leeraar des levens gehad beb-hen, waardig worden hem in den Hemel als voorspreker te hebben. Door onzen Heer Jesus-Christus, enz.

EPISTEL: Les uit den tweeden Brief van den H. Apostel Paulus aan Timotheus IV, 1-8.

Allerliefsten! Ik betuig voor God en Jesus-Christus, die oordeelen zal levenden en dooden, bij zijne verschijning en zijn rijk: predik het woord, dring aan, tijdig of ontijdig; overtuig, vermaan, bestraf in alle lankmoedigheid en leering. Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar naar eigene begeerlijkheden zich overladen zullen met leeraars, dewijl zij kittelachtig geworden zijn van ge-

809

ocr page 860

bijvoegsel.

hoor; cn van de waarheid trouwens zullen zij het gehoor afwenden, tot fabelen echter zich keeren. Gij echter, waak, in alles lijd verdrukking, doe liet werk van een Evangelist, vervul ten volle uwe bediening. Wees matig ! want ik word alreeds geolferd, en de tijd van mijne ontbinding is voorhanden. Den goeden strijd heb ik gestreden, heb den loop volbracht, het geloof bewaard. Voortaan is mij weggelegd de kroon der gerechtigheid, welke de Heer, mij geven zal, in dien dag, de rechtvaardige Rechter, niet ecliter alleen mij, maar ook dengenen, die zijne verschijning liefhebben.

Evangelie volgens den Fl. Mattheüs V, i3-l9.

In dien tijd zeide Jesus tot zijne Leerlingen: Gij zijt het zout der aarde. Doch, indien het zout zijne kracht verliest, waarmede zal het gezouten worden? Het is tot niets meer goed, dan om weggeworpen en van de menschen vertreden te worden. Gij zijt het licht der wereld. Eene stad, die op eenen berg is gelegen, kan niet verborgen worden. Ook ontsteekt men geen licht, en plaatst hetzelve onder de korenmaat, maar op den kandelaar, opdat het voor allen schijne, die in huis zijn. Alzoo schijne uw licht voor de menschen, opdat zij uwe goede werken zien, en uwen Vader verheerlijken, die in den Hemel is. Vermeent niet, dat Ik gekomen ben, om de Wet of de Profeten te niet te doen. Ik ben niet gekomen, om dezelve te niet te doen, maar om ze te vervullen. Want voorwaar. Ik zeg u: Totdat hemel en aarde zullen voorbijgaan, zal er geen letter of stipje van de Wet vergaan, totdat alles zal geschied zijn. Die derhalve één van de kleinste geboden te niet doet, cn de menschen alzoo leert, zal de geringste in het Rijk der Hemelen genoemd worden; maar die dezelve doet en leert, die zal groot in het Rijk der hemelen genoemd worden.

810

ocr page 861

BIJVOEGSEL,

H. Op het feest van eenen Belijder, die geen Bisscliop is.

Bij don Ingang der Mis. Psalm XXXVI. De mond des rechtvaardigen zal wijsheid vermelden, en zijn tong zal spreken wat recht is; de wet van zijnen God is in zijn hart. Psalm. Wees niet ijverzuchtig jegens de kwaadwilligen, noch naijverig op de boosdoeners. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

0 God, die ons door de jaarlijksche feestviering van uwen Heiligen Belijder N. verblijdt, verleen genadig, dat wij de werken mogen navolgen van hem, wiens feest wij vieren. Ooor onzen Heer Ji.sus-Christls, enz.

EPISTEL: Les uit het Boek der Wijsheid. Eccli XXXI,

8-11.

Zalig de man, die zonder vlek bevonden wordt, on die niet naar goud gestremd, noch op geld cn schatten zijn betrouwen gesteld heeft. Wie is hij? En wij zullen hem prijzen; want hij heeft wondervolle dingen in zijn leven gedaan. Wie daarin beproefd werd, cn volmaakt is, ia! eeuwigen roem verwerven; die konde zondigen, en niet heeft gezondigd; kwaad doen, en het niet heeft gedaan: daarom zijn zijne goederen in den Heer gevestigd, en de gansche gemeente der Heiligen zal zijne aalmoezen verhalen.

Evangelie volgens den H. Lucas XII, 35-40.

In dien tijd zeide Jesus lot zijne Leerlingen: Laat uwe lenden omgord, en uwe lampen brandende in uwe handen zijn! En wecst gij gelijk aan menschcn, die hunnen heer verwachten^ wanneer hij van het bruiloftsmaal zal wederkeeren, opdat, als hij komt, en klopt, zij hem terstond opendoen. Zalig zijn die dienstknechten, welke de heer, als hij komt, zal wakende vinden! Voorwaar, Ik zeg u, hij zal zich aangorden, en hen doen aanzitten, en, heen en weder gaande, hen dienen. En of hij komt in de tweede nachtwake, en of hij komt in de derde nachtwake, en het alzoo vindt: zalig zijn

8H

ocr page 862

BIJVOEGSEL.

die dienstknechten! Weet echter dit: indien de vader des huisgezins wist, in welke ure de dief zoude komen, hij zoude zekerlijk waken, en niet toelaten, dat zijn huis wierd ondergraven. Zijl ook gij bereid! want in de ure, waarin gij hot niet vermoedt, zal de Zoon des menschen komen.

I. Op het feest van eenen Kluizenaar.

/)(' Ingang der Mis.

Zie den voorgaande onder letter H.

Gebed der Kerk.

Wij bidden U, o Heer, dat de voorspraak van uwen Heiligen Kluizenaar N. ons aan ü aanbevele; opdat wij door zijne bescherming verwerven, wat wij door onze verdiensten niet vermogen. Door onzen Heer Jesus-Christus, enz.

EPISTEL: Les uit het Boek der Wijsheid. Eccli XLV,

1-6.

Bemind door God en de menschen, is zijne nagedachtenis in zegening. Hij (God) heefl hein in luister gelijk gemaakt aan de Heiligen, en hen groot gemaakt lot vrees der vijanden, en op zijne woorden vreeslijke plagen doen ophouden. Hij heeft hem voor het aanschijn der koningen verheerlijkt, en hem bevelen gegeven, in het bijwezen zijns volks, en hem zijne heerlijkheid getoond. In zijn geloof en zijne zachtmoedigheid heefl Hij hem geheiligd, en hem onder alle vleesch uilverkoren; want Hij heeft hem gehoord en zijne slem vernomen en hem in de wolk gevoerd. En Hij heeft hem, openlijk, bevelen, en de wet des levens, en der tucht gegeven.

Zie de verklaring op het feest van den H. Jozef, bladz quot;11.

Evangelie volgens den H. Mattiieus XIX, 27-29.

In dien tijd zeide Petrus tot Jesus: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn ü gevolgd: wat zal ons dan geworden? Maar Jesus sprak tot hen : Voorwaar, Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des menschen op den zetel zijner heerlijkheid zal gezeten zijn, ook op twaalf zetels zult zit-

812

ocr page 863

BIJVOEGSEL.

ten, oordeelende de twaalf stammen van Israel. En al wie verlaat huis, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om mijnen naam, die zal het honderdvoud ontvangen, en bet eeuwig leven bezitten.

K. Op het feest van een of meer Maagden en Martelaressen.

Bij don Ingang der Mis. Psalm CXV11I. Ik sprak van uwe getuigenissen, voor liet aaiiicliijn der koningen, en werd niet beschaamd; lt; n ik overwoog uwe geboden, die Ik vurig bemin. Zalig zij, die onbevlekt zijn op den weg, die in de wet des Heeren wandelen. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk voor ééne Maagd en Martelares.

0 God, die ouder de overige wonderen uwer macht, ook aan het zwakke geslacht de overwinning der martelaarschap geschonken hebt, verleen ons genadig, dat wij, die den feestdag vieren van uwe Maagd en Martelares de Heilige N., door hare voorbeelden tot U mogen opklimmen. Door onzen Heer Jesus-Chkistus, enz.

Gebed der Kerk voor meer Maagden en Martelaressen

Heer onze God, verleen, bidden wij U, dat wij de zegepraal uwer Maagden en Martelaressen de Heilige NN. (alsmede hare gezellen) met voortdurende godsvrucht vieren, opdat wij, die haar niet kunnen vereeren met een waardig gemoed, haar althans met een ootmoedige genegenheid bejegenen. Door onzen Heer Jesls-Ciiuistus, enz.

EPISTEL: Les uit het Boek der Wijsheid Eeeli LI, 1 — 8,12.

Ik zal U prijzen, o Heer, Koning, U loven, God, mijn Verlosser. Ik zal uwen Naam prijzen; want Gij zijt mijn helper en beschermer geworden, en Gij hebt mijn lichaam bevrijd van het verderf, uit den slrik der booze tong, en van de lippen der leugenaars, en ten aanschonwe der omstanders zijt Gij mijn helper geworden. En Gij hebt mij, volgens de menigte der barmhartigheid van uw Naam, bevrijd van de brieschenden, die bereid waren, mij ten prooi te maken; uit de handen dergenen,

813

ocr page 864

BIJVOEGSEL.

die mijne ziel zoeken, en van de poorten dei' kwellingen, die mij omgaven; uit de benauwende vlam, die mij omsingelde, en temidden van het vuur ben ik niet verbrand; uit den diepen kolk dei' hel, en van de onreine tong, en van het woord dei-leugen, van den ongerechten koning, en van de onrechtvaardige tong. Mijne ziel zal den Heer loven tot den dood toe; want Gij redt die op U hopen, en Gij verlost hen uit de handen der heidenen. Heer, onze God.

Evangelie volgens den H. Mattheus XXV_, i-15.

In dien tijd zeide Jesus tot zijne Leerlingen deze gelijkenis: Het Rijk der Hemelen zal gelijk zijn aan tien maagden, welke hare lampen namen, en den bruidegom en der bruid te gemoet gingen. Vijf nu van haar waren dwazen, en vijf wijzen. Maar de vijf dwazen namen wel lampen^ doch namen geone olie mede. Maar de wijzen namen olie in hare vaten mede, hij hare lampen. Daar nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen slaperig, en sliepen in. Doch te middernacht werd er een geroep gehoord: Ziet, de bruidegom komt! gaat uit, hem te gemoet! Toen ontwaakten alle die maagden, en bereidden hare lampen. Maar de dwazen zeiden tot de wijzen; Geeft ons van uwe olie; want onze lampen gaan uit. De wijzen antwoordden, zeggende: Er mocht wellicht niet genoeg zijn voor ons en voor u; gaat liever tot de verkoopers,en koopt voor u zei ven. Terwijl zij nu heengingen, om te koopen, kwam de bruidegom: en die gereed waren, gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten. Ten laatste nu kwamen ook de andere maagden, en zeiden: Heer, Heer, doe ons open! Maar hij antwoordde, en sprak: Voorwaar, ik zeg u, ik ken u niet. Daarom waakt, want gij weet noch dag noch ure.

814

ocr page 865

bijvoegsel.

L. Op liet feest ééner Maagd, die geen Martelares is.

Bij den Ingang dar Mis. Psalm XLIV. Alle rijken des volks zullen uw gelaat sineeken; na hen zullen de maagden tot den Koning geleid worden; liare gezellinnen zullen tot U gebracht worden in blijdschap en gejuich. Mijn hart heeft een goed woord uitgeboezemd; ik wijd mijne werken den Koning toe. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Verhoor ons, o God, ons heil, opdat, gelijk wij ons verheugen op het feest van uwe H. Maagd N., wij ook zóó, door de genegenheid tot vurige godsvrucht, onderwezen worden. Door onzen Heer Jesüs-Christus, enz.

EPISTEL: Les uit den eersten brief van den H. Apostel Paulus aan de Corinthiërs VII, 25 — 34.

Broeders! Aangaande de maagden heb ik geen bevel des lleeren; maar ik geel' mijn raad, als een, die van den Heere de genade ontvangen heb van geloofwaardig te wezen. Ik houde dan, dat zulks goed is om den aanstaanden druk, dewijl het den mensch goed is, zóó te zijn. Zijt gij aan eene vrouw verbonden, zoek geene ontbinding; zijt gij aan geene vrouw verbonden, zoek geene vrouw. Maar hebt gij eene vrouw genomen, gij hebt niet gezondigd; en heeft eene maagd zich in den echt begeven, zij heeft niet gezondigd; doch zullen dezulken verdrukking des vleesches hebben; ik nu, ik spaar ulie-den. Dit dan zeg ik, broeders! de tijd is kort; derhalve, dat ook zij, die vrouwen hebben, zijn alsof zij ze niet hadden, en die weenen, als weenden zij niet; en die zich verheugen, als verheugden zij zich niet; en die koopen, als bezaten zij niet; en die deze wereld gebruiken, als gebruikten zij haar niet; want de gedaante dezer wereld vergaat. Ik nu wil, dat gij zonder bezorgdheid zijt. Die geene vrouw heeft, is bezorgd voor 't geen den Heer betreft, hoe hij Gode zal behagen; maar die eene vrouw heeft, is bezorgd voor 't geen de wereld betreft, hoe hij zijne vrouw zal behagen; en hij is verdeeld. En de ongetrouwde vrouw, en de maagd, denkt om

ocr page 866

bijvoegsel.

't geen den Heere betreft, om heilig te zijn naar lichaam en geest, in Christus Jesus onzen Heer.

Evangelie volgens den II. Mattheus XIII, 44-52.

Zie hel voorgaande oniler letter K.

M. Op laet feest eener Heilige, die noeli Maagd noeli Martelares is, b.v. eener H. quot;Weduwe.

Bij de-.i Ingang der Mis. Psalm CXVIII. Ik heb erkend, o Heer, dat uwe oordeelen gerechtigheid zijn, en Gij mij, volgens uwe waarheid, vernederd hebt; doordring mijn vleesch niet uwe vrceze; want ik vrees voor uwe oordeelen. Psalm. Zalig zij, die onbevlekt zijn op den weg, die in de wel des Heeren wandelen. Eere zij den Vader, enz.

Gebed der Kerk.

Zie het voorgaande onder letter L. met weglating van het woord Maayd.

EPISTEL; Les uit het Boek der Wysheid. Prov. XXXI,

10-31.

Wie zal een kloeke vrouw vinden? Hare waarde is als dingen, die van verre, van de uiterste grenzen komen. Het hart van haren man betrouwt op haar, en het zal hem niet aan buit ontbreken. Zij zal hem goed vergelden, en geen kwaad, alle dagen haars levens. Zij zoekt zich wol en vlas en arbeidt volgens hel beleid harer handen. Zij is gelijk een koopvaardijschip; van verre brengt zij haar brood aan. Eu als het nog nacht is, staat zij op, en geeft buit aan hare huisgenoo-ten, en spijzen aan hare dienstmaagden. Zij ziet naar eenen akker uit en koopt dien; van de vrucht harer handen plant zij eenen wijngaard. Zij omgordt hare lenden niet kracht en versterkt haren arm. Zij proeft en ziet dat haar koophandel goed is; haar licht wordt des 'nachts niet uitgedoofd. Zij slaat de hand aan groote dingen, en hare vingeren vatten de spillo aan. Zij opent hare hand voor den behoeftige, en strekt hare handen naar den arme uit. Zij vreest voor haar huis de koude der sneeuw niet, want al hare huisgenooten zijn dubbel gekleed. Zij maakt zich kunstig deksel, fijn lijnwaad en purper is hare kleeding. Edelaardig aan de poorten is haar man, als hij gezeten is met de raadsheeren des lands. Zij

816

ocr page 867

bijvoegsel.

maakt hemden en verkoopt ze, en levert gordels aan den Ka-naneër. Kracht en schoonheid zijn hare kleeding; en in den laatsten dag zal zij lachen. Haren mond opent zij voor do wijsheid, en de wet der goedertierenheid is op hare long. Zij geeft acht op de wegen haars huizes, en zij eet haar brood niet ledig. Hare kinderen slaan op en roemen haar overgelukkig, en haar man, hij prijst haar. Vele dochters hebben rijkdommen vergaderd; gij hebt ze allen overtroden Bedrie-gelijk is de bevalligheid en ijdel de schoonheid; eene vrouw, welke den Heer vreest, zal geprezen worden. Geeft haar van de vruchlen harer handen, en dal hare werken haar prijzen aan de poorten.

Zie de verklaring op het feest der H. Anna, bladz. 731.

Evangelie volgens den H. jVlATrnEus XIII, 44-32.

In dien tijd zeide Jesus tot zijne Leerlingen deze gelijkenis: Het Rijk der Hemelen is gelijk aan eenen schat, in eenen akker verborgen, welken een menscli, die hem vindt, verbergt; en van blijdschap daarover gaat hij heen, en verkoopt al hetgeen hij heeft, en koopt dien akker. Nog is het Rijk der Hemelen gelijk aan eenen koopman, die schoone paarlen zocht; en die. hebbende ééne kostbare paarl gevonden, ging henen, en verkocht al heigeen hij had, en kocht haar. Wederom is het Rijk der Hemelen gelijk aan eene zegen, geworpen in de zee, en met welke men alle soorten van visschen verzamelde; wanneer zij vol geworden was trok men dezelve op, en aan den oever nedergezeten, vergaderde men de goede visschen in de vaten, maar de kwade wierp men weg. Alzoo zal het zijn in de voleinding der wereld; de Engelen zullen uitgaan, en de boozen afscheiden uit het midden der rechtvaardigen, en hen werpen in den oven des vuurs; aldaar zal zijn geween en knarsing tier tanden. Hebt gij dit alles

817

32

ocr page 868

BIJVOEGSEL.

818

verstaan? Zij zeiden tot Hem: Ja! En Hij sprak tot hen; Derhalve is ieder leeraar, die onderwezen is in het Rijk der Hemelen, gelijk aan eenen vader des huis-gezins, die uit zijnen schat nieuwe en oude dingen te voorschijn brengt.

ocr page 869

jfatniïtelrDniEït.

KC TJ w e r, u K.

De man is hei hoofd van de vrouw gelijk Christus het hoofd is van de II. Kerk, mannen bemint uwe vrouwen, (/elijk Christus zijne Kerk heeft lief gehad.

Eph. V.

ocr page 870

---------^3gSgt;lt;Sggt;- I - ---gt;-B-

lt;3-BBOOR.TE 3Sr.

Gaat, sprak Jezus tot zijne leerlingen, leert alle volken, en doopt hen in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes.

Mattiieus XXVIII, 19.

* »

rf-*

ocr page 871

EEUSTE H. C03VIlwffXTlvriE.

Jezus zelf heeft beloofd: ,,Die Mijn vleesch eet Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem.quot;

Joan. VI, 57.

ocr page 872

O V E It x. ij;id E 1SX.

Hebt medelijden met mij, gij ten minste mijne vrien den, want de hand des Heeren heeft mij getroffen.

Job XIX, 8.

ocr page 873

INHOUD.

A.

Aanbidding van den wil Gods (aflaat) 163.

Aartsbisschoppen ? Wat zijn 750.

Achterklap. Zedeles over den 339. Troost der slachtoft'ers van den 542.

Acht zaligheden. Verklaring der 776.

Advent. Onderricht 54.

Afbeelding van de HH. Anna 750. — Jozef 709. — Moeder Gods 689. — Paulus en Petrus 739. — Stophanus 693. — Willebrordus 791.

Aflaat. Onderricht 618. — Gebeden waaraan aflaten gehecht zijn 45, 120, 163, 487, 693r 720, 724, 732, 760, 762, 769, 794. Akte van Geloof, Hoop, Liefde en Berouw 797.

Alleluja beteekent 11. — Waarom niet in de Vaste? 192. —

Waarom in den Paaschtijd ? 380.

Allerheiligen-dag 773.

Allerzielen-dag 780.

Angelus of De Engel des Heeren 719.

Anna (H.) Feestdag 750.

Aschwoensdag. Onderricht 209.

Avondgebed 796.

Avondmaal. Laatste 355.

B.

Bedevaarten. Onderricht over de 687.

Beelden der Heiligen. Onderricht 683.

Begrafenisplechtigheden 598.

Bekeering. Uitstel der 548. — Noodzakelijkheid der 623. Bekoring. Onderricht over de 226.

Belijdenis of Biecht 84.

Berisping. Over de broederlijke. Evangelie 276.

Berouw over de Biecht 88.

Beschimping en spotternij. Over de 657.

Besnijdenis des Heeren 116.

Bidden. Onderricht over het 427. — Voor den evenmensch 659.

ocr page 874

INHOUD.

Biecht. Onderricht nopens de 84. — Hare instelling. Evangelie 397.

Bisschoppen en Paus. Onderricht over de 748.

Blinde. Jezus geneest ecnen. Evangelie 206—349.

Boodschap. Feestdag van Maria 714.

Boetvaardigheid. Vruchten van 73. — Wat en hoevelerei is do 84. — Wanneer moet men ze doen ? 549.

Bruiloft te Kana. Evangelie 141.

Bijvoegsel 799.

C.

Canon in de H. Mis 13—36.

Ceremoniën der H. 3Iis 10. — Op Aschwoensdag 209. — Op Palmzondag 344. — Op Goeden Donderdag 3o9. — Op Goeden Vrijdag 364. — Op Goeden Zaterdag 371. — Betrekkelijk het H. Doopsel 461. — Vormsel 453. — Sakrament des Altaars 486. — Oliesel 569. — Suhdiakonaat en Diakonaat 581 — Priesterschap 580. — Onderricht over de ceremoniën en kerkplechtigheden 560. — Bij de zout- en waterwijding 525. — Klokkenwijding 527. — Kerkwijding 665. — Bij de begrafenissen 598.

Collecta in de H. Mis 11.

Communie in de H. 31is 14—47.

Consecratie in de H. Mis 13—37.

Credo of Geloofsbelijdenis 12—32.

Cijnspenning. Evangelie 649. — Plicht dien te betalen 413—651.

D.

Dankbaarheid. God vordert van ons 577.

Deugd. Middelen tot de 189.

Diaken 579.

Dienstboden en huisvaders. Over de 163.

Dies iroi. Treurzang 786.

Donderdag. Witten 355.

Dood. Zedeles over don 596.

Doopsel. Onderricht over het 11. 461.

Doopwater 376.

Driekoningen-feest 121.

Drievuldigheid-Zondag 457. — Geloofsleer over de H. 468.

824

ocr page 875

INHOUD.

Droefheid. Troost in 416. — Gebed in 416.

Dronkenschap. Zedeles over de 499—631.

Duivel. Jesus wordt bekoord. Evangelie 224. — De duivel bekoort ons 226. — Wordt door Jesus uitgedreven. Evangelie 239—266.

E.

Engel-Bewaarders (HH.) Feestdag 760. — Hun ambt 760.

Engel des Heeren of Angelus. Onderricht 719.

Epistel. Wat hij is 11.

Ergernis. Onderricht over de 438. — Evangelie 763.

Evennaaste. Onderricht over de liefde tot den 565.

F.

Feestdagen ? Wat zijn 48. — Viering der 607.

G.

Gebed. Jesus vermaant tot het. Evangelie 422. — Voorwaarden

van het 424. — Verschillende manieren van bidden 427. Gebed na de II. Mis 44. — Der kraamvrouwen 707. — Eens gevormden 436.

Gebed in nood 68. — In allerlei aangelegenheden 119. — In droefheid 416. — In ziekten 634. — Om geduld 646. — Om de zuiverheid te bekomen 497.

Gebed in den Advent 53. — Op Nieuwjaarsdag 120. — Op

HH. Driekoningen-dag 122. — Op Paaschdag 381.

Gebed tot het H. Hart van Jesus 723. — Den Zoeten Naam 700. — Den gekruisten Zaligmaker 732. — Tot de H. Moeder Gods op den feestdag barer Onbevlekte Ontvangenis 690.

— Geboorte 767. — Boodschap 714. — Hemelvaart 734. — Maria Lichtmis 707. — O. L. Vrouw van den H. Rozenkrans 773. — Tot de HH. Anna 733. — Engel-bewaarder 762.

— Jozef 715—723. — Stephanus 694. — lederen Heilige 799. Geboorte van Maria. Feestdag 766.

Geboden Gods. Evangelie 610.

Gedaanteverandering van Jesus. Evangelie 243.

Gedachten der Heiligen 36. — Der levenden 36. — Der overledenen 39.

825

ocr page 876

INHOUD.

Gedachten. Over de slechte 617.

Geduld. Over het 646.

Geloof aan onze verrijzenis 383. — Hoedanigheden der 399. —

Verloochening der 434. — Zwakheid in het 633.

Geloof zij Jesus Christus. (Aflaat) 487.

Geloofsbelijdenis 32—796.

Gelijkenissen ? Waarom sprak Jesus in 182.

Gemengde huwelijken. Onderricht over de 149.

Genade. Hoevelerlei 447.

Geneigdheid tot het kwaad 177.

Genezingen door Jesus. Evangeliën 138, 206, 217, 221, 239,

241, 266, 281, 303, 317, 338, 374, 603, 618, 631, 633. Geweten. Onderzoek van het 80.

Gewoonten. Over de kwade 189.

Gierigheid. Onderricht over de 604.

Godsvrucht. Over de ware 136.

Goede meening. Onderricht 310.

Goede Vrijdag 363. — Zaterdag 371.

Goede werken. Onderricht over de 333.

Gramschap. Onderricht 314.

Groet aan Maria 720.

Gulzigheid. Onderricht over de 641.

H.

Hart (H.) van Jesus. Feestdag 734.

Heilige Drievuldigheid. Feestdag 437. — Geloofsleer 468.

Heilige Geest. Leert alle waarheid 420. — Vertrooster 438. — Kom H. Geest, gezang 444. — Gaven van den 446. — Vruchten van den 447. — Zonden tegen den 348.

Heilig Sakrament. Feestdag 474. — Instelling. Evangelie 357.

— Instelling van het feest 474. — Processie 476. — Geloofsleer over het 477. — Onderricht over het 483.

Heiligen. Vereering en aanroeping der 677. — Voorspraak 679.

— Gemeenschap 681. — Volgorde 682. — Noodhelpers 083.

— Relikwieën 683. — Heelden 084. — Gebed tot eenen 680. Hemel. Streven naar den 184. Vreugde des. Onderricht 027. Hemelvaart. Ons Heeren. Feestdag 431. — Van Maria. Feestdag 733.

Herodes. Huichelarij van 126.

826

ocr page 877

INHOUD.

Hoogmoed en ijdele glorie. Zedeles over den 554—558.

Hoop. Onderricht over de 410.

Huisvaders en dienstboden. Onderricht voor 163.

Huwelijk. Over het 144. — Gemengde 149.

I.

Ingang der H. Mis 27.

Intocht van Jesus in Jerusalem. Evangelie 343.

J.

Jaar. Onderricht over het kerkelijk 45. — Nieuwjaar 115. Jerusalem. Jesus weent over. Evangelie 547. — Beeld des zondaars 547. — Verwoesting G60. — Door Jesus voorzegd. Evangelie 696.

Jesus. Beteekenis 119. — Kracht van den Naam 119. — Zoete

Naam. Feestdag 699.

Joannes (H.) Evangelie volgens den H. 45.

Jozef (H.) Feestdag 709. — Patroonfeest van den H. 713.

K.

Kerk. Hare instelling van feesten en vastendagen 48. — Hare uitbreiding 181. — Hare tucht 619. — Kenteekenen 400. — Onfeilbaarheid 406.

Kerkwijdingsfeest 664.

Kerkzang. Onderricht over den 173.

Kermis. Oorsprong der 674.

Kerstmis Feestdag. Onderricht 97.

Kleeding der Priesters in de Mis 8.

Kleur der Miskleederen 9.

Kom H. Geest. Gezang 444.

Kraamvrouwen. Onderricht en gebed der 707.

Kracht van Gods woord 199.

Kranken. Zorg voor de 616.

Kruis. Onderricht over het H. 729. — Kruisteeken 730. Kruisdagen. Processie op de 428—430.

Kruisvinding (H.) Feestdag 725.

Kruisweg. Onderricht over den 732.

Kwaad Geneigdheid tot het 177.

827

ocr page 878

INHOUD.

L.

Latijnsche taal. Waarom in dc H. Mis gebruikt 7.

Lauda Sion. Lofzang 30.

Lazarus en de rijke man. Evangelie 2ö5. — Opwekking van Evangelie 311.

Leedwezen of berouw 84.

Lichtmis 702.

Liefde. Band der volmaaktheid 172. — Noodzakelijkheid en kracht der 205. — Tot de vijanden. Evangelie 218.

Liefde. Beweeggronden om God te beminnen 431—610. — Tot den naaste. Onderricht 348.

Lijden van Jesus. Manier om het.... te overwegen 353. — H. Mis van het lijden 799. — Waarom wilde Jezus lijden? 306 — Troost in. Onderricht 68.

Lijdensgeschiedenis volgens Mattheus 347.

M.

Magdalena. (H.) Bekeering van. Evangelie 332.

Marcus. Processie 428—430.

Maria. (H.) Maagd en Moeder Gods. Feestdag harer Onbevlekte Ontvangenis 688. — Geboorte 766. — Boodschap 714. — Bezoeking 959. — Zuivering of Lichtmis 702. — Hemelvaart 753.

3Iis. Onderricht over de H. 3. — Manier om goed Mis te hoo-ren 21.

Mis zoo als zij door den Priester gelezen wordt 25. — Voor de overledenen 784. — Ter eere van het Lijden van Jezus 799.

Misoffer. Hoevelerlei 6.

Misbruik der tong. Onderricht 561.

3Iorgengebed 795.

N.

Naam. Zoete Naam Jezus. Feestdag 699.

Naastenliefde. Over de. — Evangelie 610. — Onderricht over de 566.

Nieuwsjaars-dag. Onderricht 115. — Gebed op 120.

Nood. Gebed in 69.

Noodhelpers. Heilige 683.

Nut der H. Mis 1.

828

ocr page 879

INHOUD.

O.

Offerande. Onderricht 319. — Die wij moeten opdragen 130. Olie (H.) wijding 361. — In het Doopsel 465. — In het Vormsel 449.

Oliesel. H. Sakrament. Onderricht 569.

Onderdanigheid 133.

Onderwerping aan Gods wil. Zedeleer 162.

Onderzoek van geweten. Onderricht 86.

Ondeugden. Hoe ze uitroeien 189.

Ongehoorzaamheid. Straffen 13o.

Ongelijk vergeven 644.

Ontucht. Onderricht nopens de 493.

Onze Vader 39—793. — Verklaring 423.

Oordeel. Evangelie 38, 231—660. — Over het laatste 38—661.

Ootmoed. Onderricht over den 273—334—338.

Opvoeding. Over de protestantsche 133.

Opwekking van Lazarus 311. — Zoon te Naïm 310. — Dochter van Jaïrus 636. — Beeld des zondaars 798.

Opzicht. Menschelijk. Onderricht 798.

Overlevering. Onderricht 402.

Oversten. Zedeleer 140. — Goed voorbeeld der 632.

P.

I'aaschlbest. Voorbereiding tot het 298. — Onderricht voor hel 380. Paaschvuur 371. — Kaars 373. — Water 373. — Eieren 380. Palmzondag. Wijding der palmen 341.

Passie-Zondag. Onderricht 318.

Paulus. (H.) Zijn lijden en arbeid. Epistel 193. — Ootmoed

338. — Feestdag 741.

Paus en Bisschoppen. Onderricht nopens den 748.

Patriarch. Wat is een 730.

Petrus (H.) Feestdag 739. — In de gevangenis. Epistel 743.

Pinksterfeest 441.

Plkhten der getrouwden 144.

Predikatie. Wat doen vóór 200. — Onder 201. — Na de 202. Priesterschap. Onderricht over het H. Sakrament des 377. Primaat? Wat is een 730.

Processiën. Onderricht over de 428. — Op Palmzondag 344. — H. Sakramentsdag 476.

829

ocr page 880

INHOUD

Q.

Quadragesima-Zondag 213.

Quatertemperdagen? Wat zijn SI.

Quinquagesima-Zondag 203.

R.

Relikwieën der Heiligen. Onderricht over 683.

Rozekrans (H.) Feestdag. — Onderricht over den 770.

S.

Sakrament. (H.) Feestdag 474. — Instelling. Evangelie 357. —

Processie 428. — Geloofsleer 477. — Onderricht 474.

Schrift. (H.) Waartoe dient zij ? 64.

Schijnheiligen ? Wat zijn 6o0.

Septuagesima-Zondag 182.

Sequentia? Wat heteekont 12. — Van Paschen 381. — Pinksteren 444. — H. Sakramentsdag 30. — O. L. Vrouw der zeven smarten 721. — Allerzielen 780.

Sexagesima-Zondag 192.

Smarten (Zeven) van Maria 721.

Spotternij en beschimping. Onderricht over de 037.

Stahat Mater, treurzang 722.

Stephanus (H.) feestdag 693.

Strijd tegen de geestelijke vijanden 638.

Subdiaken. Bediening van den S79.

T.

Tafel der veranderlijke feesten VII. — Der onveranderlijke feesten IX.

Tempel. De mensch is een geestelijke. Onderricht 674.

Tong. Misbruik der S61.

Traagheid. Onderricht 643.

Troost in lijden 68. — Voor de armen 587. — In beschimping 321. — In droefheid en wederwaardigheden 416. — Der slachtoffers van den achterklap 342. — In armoede 387. — In ziekte 634.

Troostleer uit het lijden des Zaligmakers 297.

Tijd. Goed gebruik van den 630.

830

ocr page 881

INHOUD.

V.

Vagevuur. Onderricht over het 781.

Valsche profeten. Evangelie 530. — Wie zijn 531—001.

Veni Sancte, gezang 444.

Vermenigvuldiging der brooden. Evangelie 294—522. Verzoening. Hoedanig zij zijn moet 517.

Voorzienigheid Gods. Onderricht over de '109.

Vreugde des hemels. Onderricht 027.

Vrijdag Goede 304.

W.

Wederwaardigheden. Troost in 08.

Wees gegroet 795. — Verklaring 717.

Werken. Goede. Onderricht 533. — Van barmhartigheid 533. Wierook herinnert ons 10.

Wil Gods. Onderwerping aan den 162. — Aanbidding van den 103.

Willebrordus (H.) feestdag 791.

Witten-Donderdag 353. — Zondag 394

Woekerij. Zedeles over de 589.

Wonderen. Geschieden zij nog in de Kerk ? 434.

Woord Gods. Kracht 199. — Zalig die het bewaren 271. —

Hoe het aanhooren 422.

Wijden en zegenen. Onderricht 523.

Wijding der ascb 209. — Der H. Oliën 301. — Van het vuur 371. — Der paaschkaars 374. — Des vontwaters 375. —Van zout en water 525. — Der klokken 527. — Der kerk 004. — Der kaarsen 702. — Der kruiden en vruchten 754. Wijzen. Aanbidding der. Evangelie 123. — Wat otterden zij ? 127.

Z.

Zalig, die gelooven 434. — Zullen de onkatliolieken... worden? 009.

Zaterdag. Goede 371.

Zegen 43. — Gods 115.

Zegenen en wijden. Onderricht 523.

Zeven smarten van Maria feestdag 721.

Ziel 593. — Waarde 053.

831

ocr page 882

INHOUD.

Ziekte. Middel ter bekeering 632. — Troost in. Onderricht S96.

Zinnebeeldige opvatting der ceremoniën in de H. Mis 16.

Zondag ? Wat is de 46. — Gebed op alle 48. — Viering. Onderricht 60S.

Zonde tegen God morren 345. — Hem tergen 543. — Tegen den H. Geest 549. — Door gedachten 617. — Hoofdzonden 641. — Wraakroepende 643. — Vreemde 644.

Zoon. Verloren. Evangelie 262.

Zorg voor het tijdelijke. Evangelie 583. — Overdreven 585. — Voor de geestelijke kranken 616. — Zedeles over de zorg voor de kranken 636.

Zweren. Onderricht over het 663.

832

ocr page 883
ocr page 884
ocr page 885
ocr page 886
ocr page 887
ocr page 888