JEANNE D'ARC
© Maagd van Orleans.
Yamp;AdX
JEANNE D'ARC
De Maagd van Orleans
door
MATHILDE.
's-Hertogenbosch, P. STOKVIS-WATERREUS.
JEANNE D'ARC.
EERSTE GEDEELTE.
HERDERIN.
I.
âJeannette! Jeannette! Waar blijft ge nu? Kom! het weer is zoo mooi, wij zullen vóór dat de avond valt nog eens dansen onder den beuk!quot;
De zon verdween achter de zacht glooiende heuvels van het Maasdal, waarin het dorpje Domrémy zich kalm en vredig langs den oever der rivier uitstrekt. De Vespers waren geëindigd en onder het oog hunner ouders, wandelden de jongens en meisjes naar buiten het dorp, waar op de helling van een boschrijken heuvel een hooge beuk stond, de âboom der Feeënquot; genoemd, want â verhaalde men elkander â des nachts kwamen de oude toovergodinnen van het woud, door het Christendom verjaagd, daar terug en voerden er hun rondedansen uit. Maar nu was het nog litfcfc; heldere, zachte zondagavond; sabbathstilte rust te over de velden, over het water der rivier en haar met bloemen begroeide oevers; in een roodgouden glorie verdween de zon langzaam, statig, als kostte bet haar moeite afscheid te nemen van dat tooneel vol zoete rust, zij, die op haar dagelijkschen tocht zooveel ellenden, zooveel gruwelen moest aanschouwen in het door vreemden inval en burgerkrijg wreedgeteisterde Frankrijk.
âKom, Jeannette, breng uw bloemen hier, wij hangen ze aan den ouden Feeënboom, wij zullen hem mooi maken voor de elfen en toovergodinnen, als droeg hij werkelijk bloesem!quot;
En de meisjes hechtten haar guirlandes van viooltjes en madeliefjes aan de door ouderdom en bladeren diep gebogen takken en een der knapen haalde zijn instrument voor den dag en speelde een vroolijk wijsje.
t
6
De ouderen van dagen zaten in het gras en onwillekeurig spraken zij van de droeve dagen, die over het schoone koninkrijk waren aangebroken.
âHet einde van Frankrijk schijnt gekomen,quot; zeide een oude landman, âde edele Dauphin zal nooit meer koning worden. De Engelschmau regeert in zijn plaats!quot;
âSchande over de koningin, de Beiersche Isabeau, die en man en
7
zoon verried om den vreemdeling aan zich te hechten, en hem haar dochter te geven, de lieftallige Catharina!quot;
âHelaas! wee het land, waarvan de koning zijn verstand mist en welks schepter in handen van vrouwen en kinderen viel.quot;
âAlles valt den vijand ter prooi! De Dauphin moet zich steeds verder en verder terugtrekken, tot diep in Poitou; hij zal vluchten naar Dauphiné, van daar misschien naar Spanje of Sicilië en laat ons over aan den Brit!quot;
âVluchten als een lafaard ! V/aarom berust hij dan lijdelijk in zijn lot, waarom strijdt hij niet? De kroon van Frankrijk is toch schoon genoeg om voor haar leven en bloed te wagen !quot;
âWie vermag iets tegen de overmacht? â het was een nog jonge man met verminkt gelaat en slechts een arm, die sprak, â âgij hebt niet als ik de ellenden van den oorlog en de kuiperijen van het paleis van nabij gezien. Gij hebt niet als ik den overmoed ondervonden van de overwinnaars en de ontmoediging gedeeld der verslagenen !quot;
âMaar de koning van Engeland is een kind en onze Dauphin een man vol jeugd en kracht. Hoe durft hij den strijd niet aan ?quot;
âDe kleine koning heeft voogden, krachtige mannen vol dapperheid en list, Bedford en Glocester hebben, toen de dood koning Hendrik V, den Veroveraar, de wapens uit de hand rukte, met even sterken greep de teugels van het bewind overgenomen. De Bourgondiër heeft zijn partij gekozen en is zijn hechtsten steun; niemand meer kiest de zijde van den Franschman dan de Schotten, Italianen en Gascogners. Vreemdelingen allen ! Wie zal Frankrijk redden, als de Franschen zelf het ontrouw worden ?quot;
âEen meisje uit de vlakte van Lotharingen, zegt de oude profetie van Merlin !quot;
âJeanne d'Arc! Jeannette! Jeannette !quot; klonk het weer van onder den beuk, waar de jeugd lachte, en speelde, en danste.
Een der huisvaders fronste zijn wenkbrauwen; de woorden der profetie en het geroep der kinderen joegen tegelijkertijd een wolk over zijn voorhoofd.
âDwaas bijgeloof!quot; mompelde hij, âwaar zoovele mannen strijden, daar zal geen vrouw noodig zijn. Vrouwen behooren thuis achter 't spinnewiel en het vuur. Raymond,quot; en hij verhief
8
zijn stem, âwaar blijft Jeannette ? Vraag haar ten dans ! Zie, dat zij u lief krijgt en tegen St. Michaël geef ik haar u tot vrouw.quot;
âZij wordt groot, die kleine Jeannette! Een flinke boerin zal zij zijn. Gelukkig die haar wint. Zij kan goed naaien, spinnen, harken en wieden, niemand die de schapen zoo vlijtig hoedt, en ze nooit verlaat om met vriendinnen te lachen en te spelen.quot;
Nog bleef het voorhoofd van Jacques d'Arc bewolkt.
âBehalve als zij haar vlagen krijgt,quot; zeide hij ontevreden, âdan hoort zij niets en ziet niets meer, dan dwalen haar schapen af en haar spinrokken valt neer. Ik zag haar gaarne getrouwd met Raymond; de tijden zijn slecht en gevaarlijk. Gelukkig de vrouw, die een goeden man tot beschermer heeft.quot;
âUw Jeannette is vroom, veel te vroom! Zij zal niet willen trouwen.quot;
âTe vroom? Kan men te vroom zijn in deze dagen van goddeloosheid ? Zij bidt zooveel voor hen, die niet bidden. Maar ik wilde, dat zij zoo was als mijn andere dochter Catharina, zaliger gedachtenis,quot; zuchtte Jacques, âen toch zij is veel vlijtiger en gehoorzamer van kinds af geweest.quot;
âEn zijt ge nog niet tevreden?quot;
âOch wel, als zij Raymond trouwt en zich niet meer zonderling gedraagt, als ware zij een kloosterzuster en geen jong meisje.quot;
Raymond ging intusschen naar het vroolijke groepje.
âIs Jeannette nog niet onder u ?quot; vroeg hij.
âNeen, wij zien haar nergens. Wij zullen haar zoeken.quot; En eenige meisjes door haar broeders vergezeld, verlieten den beuk en haar heldere stemmen klonken vroolijk door de avondstilte.
âJeannette, Jeannette, Jeannette d'Arc!quot;
Zij gingen de weide over en plotseling stonden zij stil; verborgen door eenige doornstruiken, in het gras neergezonken, knielde een jong meisje van omstreeks zestien jaar, doof en blind voor alles rondom haar.
Een krachtige dochter des velds met regelmatige trekken, donker haar en oogen, door de zon verbrande, maar door en door gezonde gelaatskleur ; zij hield het hoofd ten hemel gericht, de oogen bleven strak gevestigd op iets, wat niemand zag, haar handen rustten gevouwen op haar borst.
9
âZij hoort weer haar stemmen,quot; zeide een vroolijk kind, nauwelijks haar spotlach verbergend.
Raymond zag haar aan met een gemengd gevoel van bewondering en ergenis; hij vond haar zoo schoon in die vervoering barer zinnen, maar ook zoo vreemd, zoo ver, zoo buiten zijn bereik en toch, haar vader had hem haar band beloofd ; hij was een welgestelde boerenzoon en ook de d'Arcs waren niet onbemiddeld. Jacques en zijn vrouw Isabel de la Romée hadden gezorgd
Onder den boom der Feëen.
10
voor een bescheiden maar voldoenden bruidschat voor hun dochter en Jacques had haast haar uit te huwelijken, want verzekerde hij :
âDe Engelschen en Bourgondiërs rukken nader; de andere provinciën rooken van bloed en vuur. Ook voor ons is de dag niet verre, dat de vreemdeling onze hutten verbrandt, ons koren vertrapt onder de hoeven zijner paarden ; mijn dochter kan ik niet meer alleen beschermen.quot;
âJeanne !quot; zeide Raymond haar naderend, âJeanne !quot;
Zij haalde diep adem, de blos, die haar wangen bedekte, zakte langzaam weg, uit haar oogen verdween de strakke uitdrukking, zij strekte de armen uit en streek toen langzaam als werktuigelijk over haar voorhoofd en toen keerde zij zich om en zag allen verwonderd aan, die half eerbiedig, half spottend haar omringden.
âGij hier! Gij allen! Waar ben ik dan! O ja, daar is de boom der Feeën en daar zingen en dansen zij !quot;
âMaar gij, Jeanne, waar zijt gij dan geweest? Waarom hebt gij ons verlaten ?
Aan haar voeten lag een half voltooide krans van veldbloemen aan haar vingers ontvallen; zij raapte dien op en zag nog half droomend rond.
âJa, Jeannette! Waarom zijt ge van ons heengegaan?quot;
âMen riep mij,quot; fluisterde zij en een glimlach vol geheimzinnige vreugde en stille blijdschap gleed over haar gelaat.
âWie riep u dan?quot; vroeg Raymond.
Zij stond op, de bloemen nog steeds in haar hand, maar antwoordde niet; ernstig met neergeslagen oogen deed zij eenige stappen.
Jacques en een paar andere mannen kwamen nader. Hij zag de jongelieden, die zijn dochter omringden.
âJeannette,quot; zeide hij barsch, wat is er nu? Waar hebben zij u gevonden ?quot;
âDaar ginds bij den hagedoorn,quot; antwoordden de meisjes.
âWat deedt ge daar?quot;
âIk luisterde.quot;
âNaar wie?quot;
Zij zweeg weer, en onbestemd dwaalden haar oogen rond.
11
âIk wilde, dat gij die dwaasheden liet,quot; sprak de vader steeds meer ontevreden, âwie van de andere meisjes ziet gij ooit zich zoo zonderling aanstellen ? Geen jonge flinke man zal u meer tot vrouw willen hebben, als gij zulk een ijdele droomster wordt.quot;
âJeanne zal geen onzer trouwen,quot; zei een der jongelieden scherp. âJeanne droomt van groote dingen. Zij wil ons verlaten, zij wil beroemd worden en groot; zij veracht ons eenvoudige boeren.quot;
Een blik vol onbeschrijfelijken weemoed trof hem.
âGij kent Jeanne niet!quot; sprak zij op droevigen toon. Zij zou niets liever willen dan hier met u leven en sterven, uw arbeid deelen en uw vermaken.quot;
âWelnu dan! Waarom talmt ge langer met Raymond uw jawoord te geven ? Hij heeft mijn toestemming reeds. Waarop wacht gij nog?quot;
âZij wacht op een ridder, op een prins,quot; sprak Raymond vol bitterheid.
Langzaam schudde Jeanne het hoofd.
âGods wil geschiede!quot; zeide zij plechtig.
âEn wat is Gods wil ?quot;
Zij huiverde en wendde den blik af.
âIk weet het nog niet. Ik .. . wacht... ik durf niet.quot;
âNaar huis,quot; beval Jacques, de avond valt. Genoeg van al die dwaze praatjes. De zondag is voorbij, morgen vroeg begint het werk weer.quot;
En in groepjes gingen zij heen, de meisjes arm in arm, de jongens achter haar, de ouderen in druk gesprek over den naderenden oorlog, die alle gemoederen vervulde of over hun kinderen, die allen zoo weinig geleken op Jeannette, dochter van Jacques d'Arc.
Achter hen allen ging Jeannette met gebogen hoofd en slepen-den gang; alle opgewondenheid was uit haar verdwenen, en maakte plaats voor diepe neerslachtigheid ; sombere gedachten drukten haar neer, soms wischte zij tranen uit haar oogen.
âJeannette,quot; sprak een stem naast haar, die van Mengette haar beste vriendin, âwat deert u ? Zeg het mij toch ? Gij zijt niet meer als vroeger. Gij waart de vroolijkste van ons allen,
12
geen zong zoo blijde en onbezorgd als gij. Geen vlocht zulke mooie kransen. Wij vertrouwden elkander alles toe, al mijn geheimen weet gij, en ik wist de uwe, maar thans ken ik u niet meer! Zeg toch Jeannette, wat is er gekomen tusschen ons ?quot;
âO Mengette! vraag het mij niet. Ik kan, ik mag het u niet zeggen, nu nog niet.quot;
âHebt gij Raymond nog lief? Is het een ander, dien gij liever tot echtgenoot wenscht ?quot;
âNoch Raymond, noch een ander ! Hebt gij ooit gezien, Mengette dat ik een der knapen anders beschouwde dan als de vrienden mijner broeders ?quot;
âJa, 't is waar, gij zijt altijd even zedig en bescheiden geweest. Onze moeder stelde u ons tot voorbeeld, maar nu zijt ge zoo stil, zoo ernstig, zoo treurig.quot;
âMag men dan lachen en zingen, terwijl het schoone Frankrijk in rouw is gedompeld ?quot;
Een hartelijke lach van Mengette beantwoordde haar.
âEn daarom zijt ge bedroefd en daarom zondert gij u af? De Engelschen zijn ver van ons ; het zal lang duren vóór zij ons naderen en al ware dit zoo, wat kunnen wij vrouwen er aan doen ?quot;
âHebt gij nooit gehoord,quot; vroeg Jeanne op zachten, haast on hoorbaren toon, dat ei tusschen Coussey en Vaucouleurs een meisje leeft, dat nog vóór het jaar om is, den koning zal doen kronen ?''
âEn dat meisje, wie is zij ? Gij toch niet, Jeannette?quot;
En Mengette's oogen schitterden van schalksche vroolijkheid, terwijl zij den arm om haar vriendin sloeg.
âVerbeeld u dat niet! Gij zijt een gewoon meisje, niets beter dan wij, niets meer en niets minder !quot;
âDat voel ik genoeg,quot; zuchtte het kind, maar al te wel! En toch. .
âWaarom dan langer geweifeld? Raymond en uw vader wen-schen, dat gij hem aanneemt als uw verloofde. Hij is braaf en goed; hij heeft een mooi stuk land. Wat verlangt gij meer?quot;
Een uitdrukking vol smart verwrong haar gelaat.
âIk kan niet â ik mag niet!quot; klaagde zij, de oogen ten hemel geslagen.
15
Zij waren aan het dorp gekomen ; vlak bij het beekje van Dora-rémy stond het eenvoudige huisje van Jacques d'Arc; hij nam afscheid van zijn vrienden en trad met zijn kinderen naar binnen.
II.
De nacht was gevallen, de maan hulde het uitgestrekte Maasdal in witzilveren glans; alles sliep, mensch, dier, boom en blad.
Alleen in het bovenkamertje, door Jeannette d'Arc bewoond, waakte het meisje nog. Zij lag geknield voor het kleine venster en staarde naar buiten in den helderen lentenacht. Onder haar strekte zich het kerkhof uit met het hooge gras, dat de zerken bedekte; in het midden stond het kruis, dat door de maan beschenen een lange schaduw wierp tot bijna onder den muur.
Hier in de eenzaamheid hadden zich Jeanne's trekken ontspannen ; hier, door niemand bespied, gaf zij zich over aan haar gevoel; smart en angst verwrongen haar gelaat; zuchtend, bijna kermend riep zij ten hemel, de handen opgeheven, de oogen overstroomend van tranen,
âO God, wat wilt gij van mij! Waarom roept gij mij telkens? Kunt gij het vaderland niet redden zonder mij? Er zijn zoovele dappere mannen; juist zooals Mengette zegt: ik ben een zwak meisje niet beter dan die anderen. Wat zal ik doen in het gewoel van den oorlog, in de verwarring der krijgsraden ? Is het niet vermetel van mij te denken, dat Gij mij roept? Maar vanwaar komen dan die stemmen? Is wat ik zie en hoor dan niets als een ijdel vizioen?quot;
âJeanne, Jeanne!quot; hoorde zij roepenen de maanstralen verbleekten, het kerkhof schitterde van een licht, meer verblindend dan dat der zon, maar zachter, teerder, minder brandend en verschroeiend.
âDe stemmen!quot; en vol eerbied zonk Jeanne neer. Daar in dat licht zag zij bovennatuurlijke wezens, den Engel Michaël in zijn schitterende wapenrusting, de heilige Catharina en de heilige Margaretha; zij zag hen even duidelijk als zij daar straks de muren der kerk, de kruisen op de graven, de schaduw van het groote kruisbeeld had onderscheiden.
16
Zij zag hun gestalten en hoorde hun stemmen, zooals zij sedert haar dertiende jaar hen herhaaldelijk had gezien en gehoord; op het veld, in het bosch, in de kerk en in huis, altijd verschenen zij haar, voor ieder ander onzichtbaar en onhoorbaar, behalve voor haar.
âJeanne, Jeanne!quot; riepen zij, âwat draalt gij? Het is tijd, hoog tijd! Haast u, sta op! Ga naar den koning en verdrijf den vijand!quot;
âO, groote Heilige Michaël, o zoete heilige Catharina en Mar-garetha,quot; snikte het meisje, âhoe kunt gij dat verlangen van mij? Ik ben een eenvoudige herderin! Ik kan niet paardrijden, ik kan niet strijden, ik kan niet spreken. Hoe zal ik mij wagen daarbuiten!quot;
âJeanne!quot; sprak de aartsengel op plechtigen toon ; ziet gij dan niet de groote ellende, waarin het koninkrijk verkeert ? Ga, verlos het land!quot;
Maar jammerend wrong zij de handen.
âHoe zal ik dat doen? Ik arm, ziwak meisje! Hoe zal ik mijn ouders kunnen verlaten en mijn land !quot; Hoe zal ik weerstaan aan al die vermoeienissen ?quot;
âGa, Jeanne ! God wil het!quot;
âGenade Heer, genade!quot; smeekte zij, âik kan niet.quot;
âGij moet! Ga Jeanne !quot;
En de heilige Catharina en Margaretha herhaalden op bevelenden stelligen toon:
Jeanne, ga!quot;
âJeanne, ga!quot;
âDe Engelschen belegeren Orleans, en is Orleans gevallen, dan staat niets den vijand meer in den weg. Geheel Frankrijk behoort hun toe. Verdrijf hen van onder de muren der Loirestad, breng den Dauphin naar Rheims, om de heilige zalving van het koningschap te ontvangen.quot;
âIk ken de taal der hoven niet, ik kan noch lezen, noch schrijven! Neen, neen, dat kan mijn taak niet zijn.quot;
âGod zal u sterken! Geef u over in Zijn Hand. Hij zal ugeleiden! Hij zal voor u spreken!quot;
âEn wat moet ik dan doen, o, Heilige Aartsengel?quot;
17
âGa naar Vaucouleurs ! Naar den bevelhebber, den Heer van Baudriconrt. Hij zal u naar den koning doen voeren 1quot;
âMaar hoe zal hij mij gelooven, mij, dom boerenmeisje ! Zulk een edele ridder, en ik â welk een afstand !quot;
âGehoorzaam ! En voor het overige zorgt God !quot;
âAch ! ik sidder, als ik denk aan die ruwe soldaten, in wier midden ik mij moet begeven ! Ik, een zwakke maagd !quot; âGod roept u, Jeanne ! Red Frankrijk ! Ga!quot;
Het licht verglom, de hemelsche gestalten losten zich op in de duisternis ; de maan was ondergegaan en de nacht hulde het kerkhof in zwarte donkerheid.
Jeanne lag nog op haar knieën, weenend en snikkend, rillend en huiverend van angst en vrees.
âO, zij worden hoe langer hoe dringender, mijne stemmen ! Zij vervolgen mij overal! De groote heilige Michaël, Sint Catha-
18
rina en Sint Margaretha en altijd zeggen zij mij hetzelfde : Jeanne, red Frankrijk! Ik Frankrijk redden, maar wie ben ik dan ! Ik, de dochter van Jacques d'Arc, ik de schapenhoedster. Zijn er dan geen prinsen en princessen, geen ridders en edele vrouwen genoeg? Waarom valt Gods oog op mij? Heer! Gij ziet, Gij hoort mij! Ik verlang geen ijdele eer! Ik wensch niet groot te worden in de oogen der wereld en beroemd voor de menschen. Ik wil niets liever dan hier blijven onder het eenvoudige dak mijner ouders. Ik wil slechts spinnen en naaien, wieden en harken, mijne schapen hoeden en tot eenige uitspanning bidden voor uw altaar. Ik ben tevreden, ik ben gelukkig, ik heb' mijn ouders lief, mijn broeders en vriendinnen! De gedachte van hen te moeten scheiden doet mij weenen, maar als Gij roept, dan moet ik gehoorzamen! Zeg mij, wat moet ik doen? Is dat uw stem, die tot mij spreekt?quot; Is het werkelijk uw wil, dat ik Frankrijk bevrijd? O, sterk mij dan! Verlaat mij niet!quot;
En kinderlijk gedwee vouwde izij nu haar handen, sloeg de oogen ten hemel en bracht het offer van alles, wat zij liefhad, van alles, wat zij hoopte en wenschte, het offer van zich zelf; zij bracht het uit plicht, onder tranen en zuchten, zonder ijdel verlangen, zonder eerzucht.
III.
Den volgenden morgen vroeg was het gezin der d'Arcs aan den arbeid; de moeder deed het huiswerk, Jeannette was met haar schapen naar de weide, de vader en zijn zonen werkten op het veld. De zon stond reeds vrij hoog aan den hemel, toen Jacques d'Arc thuis kwam; het was een ongewoon uur en zijn vrouw zag hem verbaasd aan.
âScheelt u iets?quot; vroeg zij.
âIk wilde u spreken, Isabel.quot;
En zwijgend zette hij zich neer aan de tafel, Isabelle bleef voor hem staan en wachtte af met een gelaat, waarop kommer en zorg te lezen stonden.
âHet is over Jeannette, dat ik mij ongerust maak!quot;
19
âJeaimette? Is zij niet het braafste, vroomste kind van ons dorp. Is zij niet de eerste altijd in de kerk, de laatste bij den dans? Is er een, die beter en vlugger het vlas kan spinnen, die vlijtiger de kleederen van ons gezin naait of verstelt ? Is er een beter voor de armen en zieken ? Waarom verontrust gij u over Jeannette ? Omdat zij soms afgetrokken is en in gedachten verzonken ? Dat gaat wel over, dat is beter dan al te luidruchtig.quot;
Jacques schudde het hoofd.
âReden tot klagen geeft mij, Goddank! geen mijner kinderen. Gij hebt ze goed opgevoed, Isabel, gij hebt ze van jongs af leeren bidden en werken, maar toch vrees ik, dat Jeannette ons zorg zal geven. Het is dwaas misschien, dat ik er waarde aanhecht, maar mijn gedachten kunnen heden bij niets anders toeven. Ik heb van nacht gedroomd ..
Jacques verwachtte een spotlach op de lippen zijner vrouw te zien, maar neen, Isabel zag hem met spanning aan ; het was zelfs of zij bleek werd en haar lippen trilden.
âGij hebt gedroomd Jacques, en wat ?quot;
âIk droomde, dat onze Jeanne van hier ging tusschen krijgsknechten, gekleed als man, in een harnas, een helm op het hoofd, een zwaard in de eene, een banier in de andere hand. Zij zeide ons vaarwel en vertrok om te strijden tegen de Engelschen.quot;
âO mijn God!quot; riep Isabel.
âIsabel! Wat scheelt u ? Doen mijn woorden u zoo schrikken?quot;
âJacques, mijn eigen droom komt mij weer in de herinnering. Weet ge nog, kort vóór Jeanne's geboorte ? Ik droomde, dat ik een krijgsheld het leven had gegeven en later lachten wij er om, toen God ons een dochter in plaats van een zoon schonk.quot;
âJa, ik herinner 't mij,quot; antwoordde Jacques dof, â't is zeventien jaar geleden, maar ik weet het nog als de dag van gisteren. En nu ik zelf.....quot;
âDroomen zijn bedrog Iquot; zeide Isabel zaoht eu wischte haar oogen af.
âJa, dat zijn ze en zij zullen het bliiven ook,quot; riep haar man heftig uit met de vuisten op tafel slaande, âwie hoorde het ooit ? Een meisje ten oorlog trekken ?quot;
âMaar wil Jeannette dat dan ? vroeg Isabel verschrikt.
20
âHet kind doet zoo vreemd, zoo dwaas! Alles is van haar te verwachten en ik verzeker het hier plechtig, nog liever dan haar met krijgslieden te zien vertrekken, zou ik haar met mijn eigen handen verdrinken.quot;
âO, Jacques !quot;
âIs het dan geen schande een dochter te hebben, die gekleed gaat als soldaat en leeft tusschen soldaten, zooals ik het zag in mijn droom? Jeanne moet trouwen met Raymond. Hoe eer, hoe beter !quot;
âZal zij het willen ?quot; vroeg Isabel aarzelend.
âEn waarom zou zij het niet willen ? Is er iets op Raymond te zeggen. Is hij geen brave, flinke jongen? Wat wil zij meer ?quot;
âJeanne wil niet trouwen ! Zij heeft gelofte van kuischheid voor God afgelegd.quot;
âDe geloften van een kind zijn niet geldig. Spreek er met den pastoor over, hij moet haar leeren verstandig worden. Neem haar eens onder handen en zeg haar, dat ik van haar verlang, dat zij spoedig een beslissing neemt.quot;
Een 'ongewoon gedruisch op straat deed man en vrouw naar de deur snellen. Zij zagen daar een troep menschen bij elkander geschoold, luid schreeuwend en scheldend, in hun midden eenige kinderen met bebloede hoofden en verbonden handen.
âZij zijn weer bezig geweest met die van den overkant,quot; zeide een oude vrouw, âoch! och! Is er nog geen verdeeldheid genoeg in het land van Frankrijk, dat ook de kinderen zich er in mengen.quot;
Een knaap, nog meer gekwetst dan de anderen, balde de vuisten en riep, de oogen schitterend van strijdlust:
âMaar wij hebben hun er op gegeven, die Bourgondiërs. Leve Armagnac! Leve de Dauphin!quot;
âZe moesten slagen hebben, die kinderen!quot; zei Jacques knorrig, âwaarom kunnen zij die van Merxey la Meuse niet met rust laten?quot; *
âZij hebben ons getart!quot; riep er één, âen wij hebben het hun betaald gezet. Nu weten zij, dat Armagnac overwint en den En-gelschman kan verslaan.quot;
âKinderwerk,quot; en Jacques ging naar binnen, âmijn kinderen
21
zouden het niet wagen, aan zulke straatgevechten deel te nemen. Wat baat het ons, of wij partij kiezen voor Armagnac of Bour-gondië? Een meester moeten wij hebben! Laat de grooten strijden om het bezit van den grond. Wij kunnen niets doen dan wachten!quot;
âMeester Jacques, schande dat gij zoo spreekt!quot; en een man met verhit gelaat, en bestoven kleederen trad binnen; ,de En-gelschman is bijna overal geheel en al meester. Hij houdt Orleans belegerd en is Orleans in zijn macht, dan behoort Frankrijk hem.quot;
âGilbert! Ge brengt booze tijding,quot; zeide Jacques, âmaar hebben wij in de laatste jaren wel ooit iets anders gehoord? Wellicht zal Frankrijks kroon moeten overgaan in het huis van Engeland. De koning, die in Rheims de heilige zalving ontvangt is onze wettige vorst en geen andere. Welnu, de tijd zal het leeren of hij Karei of Hendrik heet!quot;
âVader!quot; en in de deur stond doodsbleek, haar spinrokken in de eene, haar herdersstaf in de andere hand, Jeanne de herderin. âVader!quot; herhaalde zij, âde Dauphin is onze vorst. Het is Gods wil, dat hij in Rheims gezalfd wordt. De Engelschman zal verjaagd worden uit Frankrijk.quot;
âZwijg, kind! Sedert wanneer is het gewoonte, dat meisjes haar stem zoo luid verheflen in het bijzijn der ouderen?quot;
Maar Jeanne, geheel doorgloeid van geestdrift, luisterde niet en tot Gilbert gewend vroeg zij:
âWelke tijdingen brengt gij uit Vaucouleurs!quot;
âDe Engelschen en Bourgondiërs hebben het beleg geslagen rondom Orleans, den sleutel der Loirestreek.quot;
âO mijn God! Dan komen die stemmen van U, dan spraken zij de waarheid.quot;
âWat zeg je, wat?quot; en Jacques greep haar ruw bij den arm, maar Jeanne verroerde zich niet: zij zag weder het bovennatuurlijke licht, dat de hemelsche gestalten harer beschermheiligen omgaf.
âDroom niet, luister naar mij!quot;
âJeanne, ga!quot; herhaalden zij, âbevrijd Orleans, breng den koning naar Rheims!quot;
âMijn kind!quot; snikte Isabel âzij verstaat u niet!quot;
22
âWat spreek je voor dwaze taal! Luister naar hetgeen ik je te zeggen heb. Maak je niet tot spot van heel het dorp !quot;
Het meisje was weer tot zich zelf gekomen, de handen vouwend wierp zij. zich voor haar vader neder.
âVergeef mij, vader! vergeef mij, maar ik kan niet anders. God roept mij !quot;
âSta op en antwoord me liever! Wanneer geeft gij Raymond uwe toestemming ?quot;
âNooit,quot; fluisterde zii, ânooit! Dat is Gods wil niet!quot;
âHoe weetje dat ? Is het je plicht nietje vader te gehoorzamen ?quot;
âIn alles wat niet strijdig is met Gods bevel.quot;
âWat beveelt God dan?quot;
Met neergeslagen oogen bleef Jeanne zwijgend en ootmoedig voor haar vader staan.
Isabel kwam tussciionbeiden met haar zachte stem en vriendelijk gebaar.
âJacques, doe het kind geen geweld aan. Laat mij met haar alleen, misschien breng ik haar tot rede.quot;
Jacques liet zich overhalen en vertrok; moeder en dochter bleven alleen.
âJeannette,quot; begon Isabel vriendelijk, âzeg mij wat u scheelt. Gij zijt dezelfde niet meer van vroeger! Gij waart eens het vroolijkste en opgeruimdste mijner kinderen; uw stem klonk altijd door het huis en nu zijt ge zoo stil, altijd in gedachten, gij eet en drinkt nauwelijks meer, ge ziet bleek als een stadsche dame en gij maakt uw vader bedroefd door niet aan zijn wensch te willen gehoorzamen Zeg mij toch, wat uw gedachten vervult!quot;
âMoeder,quot; antwoordde Jeannette en wendde het hoofd snikkend af, âik kan het u niet zeggen, gij zoudt mij niet gelooven, want het is zoo wonderbaar, wat in mij omgaat. Ik moet eerst met mij zelf tot klaarheid komen, vóór ik een besluit neem.quot;
âMaar uw vader is zoo ongeduldig. Hij verlangt het huwelijk tusschen u en Raymond zoo vurig.quot;
âMijn vader is verbitterd tegen mij. Arme vader! Hij oefent druk op mij uit, en dat mag niet. Ik heb er behoefte aan alleen te zijn, te bidden, te denken en te overleggen.quot;
âKind, kind! Wat wilt ge toch! Ons verlaten?quot;
23
En vol schrik, als vreesde zij haar dochter te moeten verliezen, greep Isabel Jeanne's beide handen.
âMoeder! Zeg aan vader, dat ik zijn zorgvol gezicht niet langer zien kan. Ik moet in volle vrijheid een besluit nemen voor de toekomst en daarom moet ik van hier. Wat dunkt u er van, als ik naar mijn oom Durand Laxar in Burey le Petit ging?quot;
Isabel dacht even na.
âMisschien is het 't beste, kind! Ik zal er uw vader over spreken. Hij zal het zeker goedkeuren, vooral als hij hoop heeft, dat daardoor Raymonds kansen beter zullen staan.quot;
IV.
Durand Laxart woonde in een der grootste huizen van het naaste dorpje, dat er echter naar onze begrippen nog zeer klein en onaanzienlijk uitzag.
Durand en zijn vrouw waren ook verwonderd over het zoo geheel veranderde uitzicht van Jeannette.
âMaar kind!quot; zeiden zij haar, âwaarom zoudt ge u laten dwingen tot een huwelijk? Al is Raymond nog zoo goed en braaf, wanneer gij hem niet liefhebt, kan uw vader toch niet verlangen, dat gij hem trouwt.quot;
âO neen,quot; antwoordde het meisje, âik denk niet aan Raymond.quot;
âAan een ander wel?quot;
âNog veel minder! Het bedroeft mij zoo, dat ik mijn lieven vader moet teleurstellen. Hij meent het goed met mij, maar het is Gods wil niet, dat ik den weg volg van alle andere meisjes. Hij heeft mij tot geheel andere dingen bestemd.quot;
âKom! Dat is verbeelding! Waarom zijt gij anders dan uw vriendinnen? Waartoe zou God u anders roepen dan tot een christelijk huwelijk? Gij haalt u allerlei vreemde dingen in het hoofd.quot;
âIk wilde, dat het zoo was,quot; zuchtte Jeanne, âdat ik het mij verbeeldde, maar 't is zoo niet.quot;
24
âEn wilt gij ons niet zeggen, wat die groote dingen zijn, waartoe gij u geroepen acht?quot;
âLater, nu nog niet!quot;
De Durands schudden het hoofd, zulk een zonderling meisje als hun nichtje hadden zij nog niet gezien, noch gehoord. Isabel
had hun iets verhaald van de verandering, die met hun dochter had plaats gegrepen, maar evenmin als deze begrepen zij haar.
Eenige dagen later kwam Jeannette bij haar oom en vroeg hem zonder omwegen:
âZegt men niet, oom, dat Frankrijk gered moet worden door een maagd van Lotharingen ?quot;
25
âJa, ik heb wel eens zoo iets gehoord.quot;
âNu dan, oom! Die maagd ben ik!quot;
Ontzet zag Durand haar aan, toen begon hij te lachen.
âKind! hebt ge uw verstand verloren? Is dat het geheim van je zonderling gedrag? O, die arme ouders!quot;
âOom, u vergist zich! Ik heb mijne volle verstand! Ik weet, wat ik zeg! God roept mij om Frankrijk te verlossen van den Engelschman. En ik reken op u om mijn taak te volbrengen.quot;
Zij stond voor hem in volle kracht en schoonheid, jong, kalm, gezond; in haar oogen was niets, wat opgewondenheid of onnatuurlijke gemoedsbewegingen verried. Vastberadenheid lag op haar lippen en in haar stem.
âHet moet, oom, het moet! Ik kan niet langer dralen. Mijn plicht gebiedt! Help mij dien te vervullen.quot;
âMaar Jeannette! 't Is de booze geest, die je bezielt en je die dwaze plannen ingeeft. God beware er mij voor je in zoo iets behulpzaam te zijn. Je ouders zouden het mij nooit vergeven.quot;
âMen moet God meer gehoorzamen dan zijn ouders.quot;
âMaar wat verlang je van mij, wat wil je zelf?quot;
âWat ik wil, doet hier niets ter zake. Het is Gods wil, dien ik moet volgen; Gods wil, die tot mij spreekt door den mond zijner Heiligen.quot;
Durand werd hoe langer hoe verbaasder. Geen spoor van overspanning of dweperij in haar stem, niets dan de toon van kalm en ernstig overleg.
âNeen, de duivel kan hier niet in het spel zijn,quot; zoo bedacht hij zich. âJeanne is zoo vroom en goed, zoo nederig en gehoorzaam. Hoe zou Satan macht over haar hebben verkregen? Zij bidt uren lang, zij gaat veel te biecht en ter Communie. Misschien is zij krankzinnig en dat zou een groot ongeluk zijn, maar bezeten van den boozen geest, neen, dat kan niet!quot;
âOom, wil u mij dan helpen?quot; herhaalde Jeanne.
âMaar waarmede, meisje! Vertel mij alles, dan kan ik beter oordeel en.quot;
âNu dan, oom! Ik was omstreeks dertien jaar, toen ik eens in den tuin werkende mij hoorde roepen. âJeanne, Jeanne!quot; er was niemand in de nabijheid. Ik keek rond, maar zag niets.
26
De stem herhaalde telkens mijn naam en toen hoorde ik duidelijk
zeggen:
âJeanne, blijf braaf en goed! Bid veel en wees barmhartig jegens de armen. God heeft groote dingen met n vóór! Vertrouw op Hem!quot;
âEn ik meende, dat het een droom was; ik dacht er eenige dagen later nauwelijks meer aan, toen ik eensklaps opnieuw de stem hoorde;
âJeanne! Jeanne! Vertrouw op God! Hij zal u belasten met een groote zending.quot;
âEn ten derden male hoorde ik weer die stem, maar toen schitterde een groot licht voor mijn oogen en ik onderscheidde duidelijk den heiligen Michaël, zooals hij op het raam in onze kerk is afgebeeld en naast hem zweefden de heilige Catharina en Margaretha met gouden kronen op het hoofd, mij vriendelijk toelachend.
âVrees niet, Jeanne!quot; spraken zij, âblijf een goed kind ! God zal u bijstaan en als de tijd daartoe gekomen is, zal Hij u geleiden en u hulp doen brengen aan den koning van Frankrijk, want God heeft medelijden met dit land om de groote rampen, die 't hebben getroffen. En ik trachtte goed te zijn, vroom te bidden, mijn plicht te doen en de armen te verzorgen. De zwervers riep ik dikwijls in onze hut, liet hen slapen op mijn bed en deelde mijn brood met hen. De zieken verpleegde ik, en mijn ouders was ik gehoorzaam. Ik voelde mij gelukkig en tevreden, wanneer de heiligen mij weer verschenen en mij toeriepen : âJeanne, ga zoo voort en God zal u helpen !quot; De jaren vergingen en herhaaldelijk zag en hoorde ik hen, 's nachts op mijn kamer, over dag op het veld of in den tuin. Als ik onder den boom der Feeën zat, bij de bron der Druïden dan riepen zij mij en ik moest hen gehoorzamen, ik volgde hen naar buiten, ver van mijn vriendinnen, en ik luisterde naar hun stemmen, en als zij heengingen, dan weende ik van droefheid, zoo verheugde mij hun bijzijn, doch steeds dringender en gebiedender werden zij in hun bevelen.quot;
âEn wat bevelen zij u dan ?quot;
âMij naar Vaucouleurs te begeven naar Heer Robert dc
â6'temmenquot; tot Jeanne sprekend.
24
âEn wilt gij ons niet zeggen, wat die groote dingen zijn, waartoe gij u geroepen acht?quot;
âLater, nu nog niet!quot;
De Durands schudden het hoofd, zulk een zonderling meisje als hun nichtje hadden zij nog niet gezien, noch gehoord. Isabel
had hun iets verhaald van de verandering, die met hun dochter had plaats gegrepen, maar evenmin als deze begrepen zij haar.
Eenige dagen later kwam Jeannette bij haar oom en vroeg hem zonder omwegen:
âZegt men niet, oom, dat Frankrijk gered moet worden door een maagd van Lotharingen?quot;
25
âJa, ik heb wel eens zoo iets gehoord.quot;
âNu dan, oom! Die maagd ben ik!quot;
Ontzet zag Durand haar aan, toen begon hij te lachen.
âKind! hebt ge uw verstand verloren? Is dat het geheim van je zonderling gedrag? O, die arme ouders!quot;
âOom, u vergist zich! Ik heb mijne volle verstand! Ik weet, wat ik zeg! God roept mij om Frankrijk te verlossen van den Engelschman. En ik reken op u om mijn taak te volbrengen.quot;
Zij stond voor hem in volle kracht en schoonheid, jong, kalm, gezond; in haar oogen was niets, wat opgewondenheid of onnatuurlijke gemoedsbewegingen verried. Vastberadenheid lag op haar lippen en in haar stem.
âHet moet, oom, het moet! Ik kan niet langer dralen. Mijn plicht gebiedt! Help mij dien te vervullen.quot;
âMaar Jeannette! 't Is de booze geest, die je bezielt en je die dwaze plannen ingeeft. God beware er mij voor je in zoo iets behulpzaam te zijn. Je ouders zouden het mij nooit vergeven.quot;
âMen moet God meer gehoorzamen dan zijn ouders.quot;
âMaar wat verlang je van mij, wat wil je zelf?quot;
âWat ik wil, doet hier niets ter zake. Het is Gods wil, dien ik moet volgen; Gods wil, die tot mij spreekt door den mond zijner Heiligen.quot;
Durand werd hoe langer hoe verbaasder. Geen spoor van overspanning of dweperij in haar stem, niets dan de toon van kalm en ernstig overleg.
âNeen, de duivel kan hier niet in het spel zijn,quot; zoo bedacht hij zich. âJeanne is zoo vroom en goed, zoo nederig en gehoorzaam. Hoe zou Satan macht over haar hebben verkregen ? Zij bidt uren lang, zij gaat veel te biecht en ter Communie. Misschien is zij krankzinnig en dat zou een groot ongeluk zijn, maar bezeten van den boozen geest, neen, dat kan niet!quot;
âOom, wil u mij dan helpen?quot; herhaalde Jeanne.
âMaar waarmede, meisje! Vertel mij alles, dan kan ik beter oordeelen.quot;
âNu dan, oom! Ik was omstreeks dertien jaar, toen ik eens in den tuin werkende mij hoorde roepen. âJeanne, Jeanne!quot; er was niemand in de nabijheid. Ik keek rond, maar zag niets.
26
De stem herhaalde telkens mijn naam en toen hoorde ik duidelijk
zeggen;
âJeanne, blijf braaf en goed! Bid veel en wees barmhartig jegens de armen. God heeft groote dingen met u vóór! Vertrouw op Hem!quot;
âEn ik meende, dat het een droom was; ik dacht er eenige dagen later nauwelijks meer aan, toen ik eensklaps opnieuw de stem hoorde:
âJeanne! Jeanne! Vertrouw op God! Hij zal u belasten met een groote zending.quot;
âEn ten derden male hoorde ik weer die stem, maar toen schitterde een groot licht voor mijn oogen en ik onderscheidde duidelijk den heiligen Michaël, zooals hij op het raam in onze kerk is afgebeeld en naast hem zweefden de heilige Catharina en Margaretha met gouden kronen op het hoofd, mij vriendelijk toelachend.
âVrees niet, Jeanne!quot; spraken zij, âblijf een goed kind ! God zal u bijstaan en als de tijd daartoe gekomen is, zal Hij u geleiden en u hulp doen brengen aan den koning van Frankrijk, want God heeft medelijden met dit land om de groote rampen, die 't hebben getroffen. En ik trachtte goed te zijn, vroom te bidden, mijn plicht te doen en de armen te verzorgen. De zwervers riep ik dikwijls in onze hut, liet hen slapen op mijn bed en deelde mijn brood met hen. De zieken verpleegde ik, en mijn ouders was ik gehoorzaam. Ik voelde mij gelukkig en tevreden, wanneer de heiligen mij weer verschenen en mij toeriepen : âJeanne, ga zoo voort en God zal u helpen !quot; De jaren vergingen en herhaaldelijk zag en hoorde ik hen, 's nachts op mijn kamer, over dag op het veld of in den tuin. Als ik onder den boom der Feeën zat, bij de bron der Druïden dan riepen zij mij en ik moest hen gehoorzamen, ik volgde hen naar buiten, ver van mijn vriendinnen, en ik luisterde naar hun stemmen, en als zij heengingen, dan weende ik van droefheid, zoo verheugde mij hun bijzijn, doch steeds dringender en gebiedender werden zij in hun bevelen.quot;
âEn wat bevelen zij u dan ?quot;
âMij naar Vaucouleurs te begeven naar Heer Robert do
âStemmenquot; tot Jeanne sprekend.
29
Baudricourt den bevelhebber der vesting om hem te verzoeken mij te geleiden naar den Dauphin.quot;
âMaar kind! De Dauphin houdt hof in Chinon, ver van hier! Hoe wilt gij, een eenvoudige boerendochter, in zijn tegenwoor-digheid worden toegelaten ?quot;
âGod wil het! Hij zal er voor zorgen! zeggen mijn stemmen. Zij vervolgen mij thans overal! de tijd dringt, ik moet gaan en daarom heb ik mijn moeder verzocht mij hierheen te zenden Op u heb ik mijn hoop gevestigd ! Ik bid u, ga naar Vauco-leurs, spreek met Baudricourt en verzoek hem mij te doen brengen naar den koning!quot;
âIk mij bij den ridder vervoegen ! Hij zal me uitlachen.quot;
âAandringen wint! God zal alle hinderpalen uit den weg ruimen.
Durand Laxart zocht zijn vrouw op en verhaalde haar zijn gesprek met Jeanne.
âJeannette is een warhoofd,quot; zeide de tante knorrig, âzij verbeeldt zich die stemmen te hooren. Daar in Domrémy hebben zij het altijd zoo druk met de Armagnacs en Bourgondiërs; hun verstand is er geheel door van streek geraakt. Wees verstandig, Durand en bemoei er je niet mede ! Jacques en Isabel zouden het ons niet vergeven, als Jeanne een dwaasheid verrichtte. Ik zal het meisje goed aan het werk zetten en over een maand zult ge niets meer van haar denkbeelden merken.quot;
Maar Jeanne vergat niet; zij gehoorzaamde haar tante, zij deed al het werk, dat haar was opgelegd, en intusschen hoorde zij steeds haar stemmen, die haar drongen den koning ter hulp te komen.
Toen wendde zij zich weer tot Durand hem zeggend :
âOom, de tijd dringt! Als Orleans zich overgeeft is Frankrijk verloren. Ga met mij naar Vaucouleurs, ridder Baudricourt spreken !quot;
Haar ernst en bedaardheid overreden hem eenigszins.
âAls het eens waar was ! Als God werkelijk Jeanne heeft uitverkoren om Frankrijk te redden! Mag ik dan Zijn wil tegenstreven ? Er is toch niets aan verloren als ik Baudricourt Oj zoek lquot;
En tot Jeanne sprak hij :
I
30
'tis goed ! Ik zal op den eersten marktdag als ik naar Vaucouleurs ga met Baudricourt spreken ; 't is beter dat gij niet met mij medegaat; later kan hij u wel zien.quot;
Baudricourt ontving het bezoek van den landman met een verwonderd gelaat.
âWel, Durand, wat hebt ge op het hart ?quot; zeide de kommandant, een man van middelbaren leeftijd, een soldaat, die veel genoten had en weinig geloof hechtte aan wonderteekenen en vizioenen, misschien even weinig als aan deugd en godsvrucht.
âIk kom uit naam van mijn nichtje,quot; antwoordde Durand, âeen meisje uit Domrémy, die zich verbeeldt door God geroepen te zijn om Frankrijk te redden.quot;
âEen meisje om Frankrijk te redden. Durand, je schertst! en wat heb ik met haar te maken ?quot;
De stemmen van haar heiligen zeggen haar, dat zij u moet verzoeken haar naar den Dauphin te doen geleiden.quot;
Nu barstte Baudricourt in een luid gelach uit!
âWat! Die boerenmeid naar den koning gaan en zij verbeeld zich, dat ik daar de hand aan zal leenen ? Hoor eens, Durand! Ik heb je altijd voor een verstandig man gehouden. Je nicht raaskalt! Geef haar een paar flinke klappen en zend ze naar haar vader terug !quot;
Durand kwam ontmoedigd weer te huis, en vertelde Jeanne, wat de heer de Baudricourt gezegd had.
âKlappen zal ik je niet geven,quot; zeide hij, en je naar je vader terugbrengen, dat doe ik ook niet, alsje het niet verlangt, maar toch geloof ik, dat je heel wijs zou doen met je die zotheden uit het hoofd te zetten en Raymond te trouwen.quot;
âWel zeker!quot; viel haar tante in, âdat is verreweg het wijste. Daar kan niets dan ellende uit voortkomen. Wat wilt ge nu gaan vechten, gij, die nog geen achttien jaar zijt ? De koning en zijn generaals zullen het wel afkunnen.quot;
Maar Jeanne bleef onwrikbaar.
âWanneer gij mij niet brengen wilt naar Baudricourt, dan ga ik alleen !quot; verklaarde zij.
âAlleen tusschen die soldaten en ruwe mannen? O, Jeanne, hoe kunt gij toch het kind uwer moeder zijn ?quot;
SJ
âTante! Geloof mij, het is mijn wil niet, dat ik mij onder die krijgers begeef! Ik schrik van hen terug, maar God roept mij, ik moet!quot;
En ten einde raad, vergezelde Durand haar naar Vaucouleurs ; hij hield van zijn nichtje, hij kreeg zelfs vertrouwen in haar zekere, onveranderlijke houding. Zijn vrouw echter deelde zijn gevoelens niet.
Gij maakt u belachelijk, Durand ! Het zijn loszinnige mannen, die Baudricourt omringen; hij zelf leidt ook een allesbehalve onberispelijk leven. Jeanne behoort niet onder hen. 'tls onverantwoordelijk tegenover haar vader en moeder, als gij haar daar brengt.quot;
âAls zij er zelf geweest is en zelf ziet, wat soldaten zijn, hoe ruw en wild het bij hen toegaat, dan zal Jeanne vanzelf haar dwaze plannen opgeven en haar droomerijen vergeten. Ik blijf bij haar om haar te beschermen. Baudricourt zal haar beter de waarheid zeggen, dan wij het kunnen.quot;
En zoo vertrokken oom en nicht te zamen naar Vaucouleurs ; het kostte moeite het kind bij den commandant te doen toelaten.
âDie gekke meid,quot; zeide hij, âschijnt te meenen, dat ik niets beters te doen heb dan naar haar dwaze droomen te luisteren. Misschien ziet ze er goed uit en dan hebben ten minste mijn oogen er genot van. Laat ze binnen komen!quot;
Nieuwsgierig zag hij de jonge boerin met haar frisch hoewel door de zon verbruind gelaat binnentreden; haar vaste gangen opgeheven hoofd maakten indruk op hem. Hij voelde, dat hij hier geen half krankzinnige dweepster voor zich had, maar een meisje, dat wist, wat zij wilde en waarom zij het wilde.
Onwillekeurig liet hij den gewonen lichtzinnigen toon varen, waarmede hij vrouwen en meisjes aansprak en zeide alleen met een zweem van spot in de stem:
âDus zijt gij het meisje, dat zulke groote plannen heeft en de Engelschen uit Frankrijk wil verjagen?quot;
âJa, Heer! Mijn Meester heeft mij ook bevolen naar den Dauphin te gaan en hem ondanks zijne vijanden te laten kronen.quot;
âWie is uw meester?quot;
âDe koning des Hemels.quot;
32
En haar oogen zagen hem zonder eenige bescbroomheid aan. âHet is anders een werk, dat men nu juist niet aan jonge meisjes en kinderen toevertrouwt. Gij weet zeker wel, dat tallooze krachtige, flinke mannen onder die taak bezweken zijn.quot;
âJa, dat weet ik.quot;
âEn schrikt u dat niet af? Gevoelt gij u zooveel sterker en wijzer dan zij ?quot;
38
Ik gevoel^ mij Jalleen sterk, omdat God mij daartoe geroepen heeft, Hij zal mij ook de noodige kracht geven.quot;
âWelke bewijzen hebt gij voor de waarheid uwer woorden?quot;
âBreng mij voor den koning en ik zal mijn bewijzen geven.quot;
âDwaas kind! Denkt gij, dat het zoo gemakkelijk is den koning te naderen ?quot;
âHet zal u niet moeilijkvallen mij toegang tot hem te verschaffen.quot;
âAls ik het wilde, maar ik wil het niet. Denkt gij, dat het mij behaagt, elk jong meisje, dat zich door hoogmoed en bijgeloof laat meesleepen naar den koning te zenden ? Waarlijk, de koning heeft evenals ik wel iets anders te doen dan naar het dwaze gepraat te hooren van half wijze boerinnen.quot;
Hij wenkte haar met minachtend gebaar heen te gaan.
âDan blijft me niets anders over dan het uur van God af te wachten,quot; zeide zij en ging heen, teleurgesteld, maar niet uit het veld geslagen.
âGod heeft mij geroepen, Hij zal mij ook de middelen geven om Zijn oogmerken te vervullen, zeide zij tot haar oom.
âKind,quot; zeide Durand Laxart, âwas het niet verstandiger terug te keeren naar Domrémy, uw vader te zeggen, dat gij de hand van Raymond aanneemt en niet verder te denken aan die grootsche plannen, waarvan niemand gediend is? Geloof mij, laat die groote heeren het uitvechten. Wij arme boeren, moeten toch reeds genoeg het gelag betalen van hun twisten. En evenals de Heer Baudricourt zegt; â't is geen vrouwenwerk!quot;
âGod verlangt het!quot; antwoordde Jeanne, âik moet gehoorzamen.quot;
âMaar ziet gij er niet tegen op ? Bedenk, wat het is, het leven in een soldatenkamp voor een meisje zedig en vroom als gij ! Dood, verminking, gevangenschap kunnen uw lot zijn. Hebt gij dit alles wel overwogen, Jeannette ?quot;
Het meisje vouwde de handen en sloeg de oogen ten hemel, maar antwoordde niets; haar oom ging voort:
âEn dan uw ouders verlaten, uw broeders, uw vriendinnen om te leven onder vreemden, die u niet kennen, die u bespotten als daar straks Baudricourt. Misschien ziet gij ons nooit weder, hoogstwaarschijnlijk zult gij daar ginds een wreeden dood sterven,
3
34
met niemand naast u, die u troost of moed inspreekt, verlaten door allen, door niemand gesteund of gesterkt. Wij allen hebben u zoo lief, Jeanne I Blijf bij ons!quot;
Groote tranen rolden over hare wangen.
âAch!quot; klaagde zij, âmeent gij, dat ik dit alles niet heb overwogen en bedacht, dat het mij geen tranen, zuchten en slape-looze nachten heeft gekost ? Maar wat baat het mij, als het Gods wil is ? Moet ik niet alles wagen, alles verwachten ?quot;
Durand Laxart wischte zijn eigen oogen af.
âAls het zoo is, meisje! dan zal Gods wil ook geschieden, ondanks allen tegenstand der menschen !quot;
âIk moet volharden en men zal mij hooren.quot;
V.
Jeanne bleef in Vaucouleurs bij een arm dagloonersgezin, vrienden van haar oom, inwonen ; zij leefde daar stil en teruggetrokken in gebed en goede werken haar tijd doorbrengend ; haar vader wilde niets meer van haar weten.
âIk ken mijne dochter niet meer. Als zij mijn vergiffenis wil verwerven dan kome zij thuis en huwe Raymond,quot; sprak hij.
De moeder zond haar dikwijls een barer broeders of vrienden uit Domrémy, om haar over te halen terug te keeren en zich voor haar vader te vernederen.
Jeanne schreide hevig, maar onveranderlijk klonk haar antwoord op al die smeekbeden :
âZeg aan mijn moeder, dat al ware ik ook een koningsdochter, ik niet anders zou kunnen handelen. Mijn Heer en Meester spreekt te duidelijk. Ik zou mij liever laten verscheuren door vier paarden dan Zijn wil niet te doen. Ik moet dus hier blijven en wachten tot het oogenblik komt, waarop ik mijn taak kan beginnen te vervullen.quot;
Ondertusschen verspreidde zich het gerucht van Jeanne's geheimzinnige zending door den geheelen omtrek; de zedige houding van het meisje, als zij naar de kerk ging en op de
35
steenen geknield uren lang in gebed verzonken lag, trof allen, die haar zagen.
Men wees haar aan elkander:
âDat is de Lotharingsche maagd, die beweert door God gezonden te zijn om Frankrijk te redden.quot;
En ook Baudricourt hoorde steeds meer en meer over haar spreken en werd er ongeduldig van.
âHet is duivelswerk,quot; zeide hij en verzocht den pastoor van Vaucouleurs met hem naar Jeanne te gaan om te onderzoeken of zij van den duivel was bezeten.
Zij vonden het meisje rustig aan haar spinnewiel gezeten.
De priester omkleedde zich met zijn stola en plechtig het kruis-teeken makend sprak hij ;
âIn naam der Heilige Drieëenheid, als gij van den Booze zijt, verwijder u van ons. Zijt gij van God, kom dan nader!quot;
Jeanne knielde neder en sleepte zich al knielend voort tot voor de voeten des priesters.
Baudricourt schudde het hoofd, haalde de schouders op en niet meer wetend wat te denken, verwijderde hij zich met den pastoor.
Dit voorval verspreidde zich onder het volk en steeds grooter werd de belangstelling in het geheimzinnige meisje.
âGod ontfermt zich over Frankrijk, God wil het redden door haarl Waarom laat men haar niet vertrekken?quot; werd er gemompeld, eerst zacht, toen luider en luider; men vereerde haar als een hooger wezen, men vertelde elkander haar vizioenen, haar vastberadenheid en volharding.
Een krijgsman, Johan van Metz genaamd, hoorde van haar spreken en kwam haar bezoeken,
âWat doet ge hier, meisjelief?quot; vroeg hij.
âIk wilde beletten, dat men den koning verjaagt uit zijn rijk en van ons Engelschen maakt.quot;
âMaar wat zult gij kunnen doen ?quot;
âVeel met de hulp van God. Ik ben hier gekomen om den heer de Baudricourt te vragen mij naar den Dauphin te geleiden. Maar hij bekommert zich niet om mij, noch om mijn smeekingen. En toch, ik moet naar den Dauphin gaan, want noch koningen.
36
noch hertogen kunnen hem zijn koninkrijk teruggeven. Ik alleen kan hem helpen.quot;
âMaar, kind! De vrouwen zijn niet geschapen voor den oorlog.quot;
âIk weet wel, dat de oorlog onze staat niet is; en zeker zou ik liever bij mijn moeder blijven spinnen dan oorlog te voeren, maar ik kan hier niet blijven, ik moet vertrekken. Mijn Heer wil het!quot;
âWie is uw Heer?quot;
âGod !quot;
Haar stellige verzekering en haar plechtige toon troffen den krijgsman, hij nam haar handen in de zijne en sprak :
âIk zal u vergezellen naar den koning. Wanneer wilt ge vertrekken ?quot;
âLiever vandaag dan morgen, morgen liever dan later. In Orleans werpen de vrouwen kokend water op de belegeraars en anderen met lansen in de hand stooten hen in de grachten terug. Dat doen anderen en ik moet werkloos blijven. Ik wil naar den koning gaan en al moet ik mij op mijn knieën daarheen sleepen, ik zal hem bereiken.quot;
De toen nu ook zijn krijgslieden hem spraken over Jeanne, toen ook zij aan haar bovennatuurlijke zending begonnen te ge-looven, werd Baudricourt ongerust. Hij schreef naar het hof en men gaf hem bevel, het meisje naar Chinon op te zenden.
Eindelijk, eindelijk zou Jeanne dus haar doel bereiken. Haar hart klopte van vreugde, jubelde en juichte, omdat haar Heiligen eindelijk tevreden zouden zijn, en zij Gods wil ging volbrengen, maar toen dacht zij aan haar ouders en drcfefheid vervulde haar ziel. Zij durfde hen niet meer terugzien, daar zij het afscheid vreesde en zij liet hun dus een brief schrijven.
âVader, vergeef mij ! Het is met tegenzin en voor den eersten keer, dat ik u niet gehoorzaam. Gij verlangdet van mij, dar, ik bij u gebleven was om het lot te ondergaan van alle andere meisjes. Ik ook zou niets anders hebben gewenscht, maar God heeft mij gezegd : Ga !quot;
Johan van Melz en een andere krijgsman, Bertrand van Poulengy, verzochten om de eer Jeanne te mogen geleiden.
37
âMaar wie moet de reis betalen ? vroeg Baudricourt, âals zij maar weet, dat ik het niet doen zal.quot;
âWij zullen het doen,quot; zeiden Johan en Bertrand.
Durand-Laxart kocht voor haar een paard van twintig francs, en het volk legde geld bij elkander om haar uitzet aan ie schaffen.
âIk leg mijn vrouwenkleederen af,quot; zeide Jeanne, ânu ik met krijgslieden reis, moet ik mij kleeden als zij.quot;
Het was het eerste offer, dat zij aan haar zedigheid bracht.
De groote dag van haar vertrek brak aan; voor het laatst had Jeanne in de kapel van Vaucouleurs geknield; daar hoorde zij nog eens haar stemmen.
âGa, Jeanne, ga! God is met u! Hij zal u geleiden en helpen in uw taak. Vraag niet, wat gij doen of spreken moet. Hij staat u ter zijde Iquot;
Zij wierp zich ter aarde en kuste de plek, waar zij hen het laatst had gezien.
âMijn Heer en mijn Meester! Zie mij hier voor u neergebogen ! Ik onderwerp mij aan uw wil, hoeveel het mij kost. Alles breng ik u ten offer, alles! Vaarwel mijn dorp, vaarwel mijn velden en weiden, vaarwel mijn hut en mijn spinnewiel, mijn schapen en mijn herdersstaf! Jeanne ziet u nooit weer! Vaarwel mijne arme ouders, mijn broeders, mijn vriendinnen! Vaarwel! vrede en rust, geluk van mijn leven! Jeanne zegt aan alles vaarwel! Zij gaat het verlaten voor eeuwig. En wat zal mij wachten? Strijd, verraad, spot, schande, wreede dood misschien! Mijn Heer en Koning, ik neem alles aan, daar Gij het mij bestemt. Ik ga, waar Gij mij roept!quot;
En het zwakke meisje boog zich nog eenmaal snikkend voor het altaar, toen richtte zij zich op, droogde haar tranen en gordde haar wapenrusting aan.
De herderin was verdwenen, de heldin stond gereed haar grootsche taak te vervullen.
Op de markt van het vlek verdrong zich het volk; ieder wilde de zieneres, de afgezant des hemels nog eenmaal zien, haar het laatste vaarwel toeroepen, haar uitgeleide doen bij het begin van haar zegetocht.
Ook Baudricourt wilde haar zien vertrekken; hij kon zijn
38
spotlust niet afleggen, hij vond het geheele voorval ongerijmd, belachelijk en begreep niet, hoe men in Chinon er anders over scheen te oordeelen.
âJeanne,quot; schertste hij, âverdrijf de Engelschen hoe spoediger, hoe liever! En zorg vooral dat gij een goeden man krijgt, een keizer of koning voor het minst en verzoek hem dan ook voor mij te zorgen: zoo is mijn fortuin gemaakt!quot;
âNeen edele Robert,quot; antwoordde Jeanne vroolijk, âlaat dat aan den Heiligen Geest over!quot;
Toch kon hij een gevoel van ontroering en medelijden niet onderdrukken, toen hij dit meisje zoo jong nog en zoo teer alleen zag vertrekken tusschen die ruwe krijgslieden, door onveilige streken, waar de vijand alles te vuur en te zwaard vernielde.
âWeest haar een veilig en goed geleide,' beval hij op ernstiger toon dan anders tot de soldaten en haar een zwaard gevend, dat er wel oud en verroest uitzag, zeide hij half lachend:
âGa meisje, er gebeure wat wil!quot;
Maar het volk lachte niet; het omringde haar met luide kreten van bewondering en medelijden.
âBeklaag mij niet!quot; zeide Jeanne hun, ik ga datgene doen, waarvoor ik geboren ben.quot;
âMaar,quot; sprak er een, âgij zult vele vijanden ontmoeten op uw weg.quot;
âAls er vijanden zijn, dan is God er ook,quot; antwoordde Jeanne.
Het was een moeilijke tocht door het verwoeste land, door streken geheel in het bezit van den vijand; slechts langs groote omwegen, over bergen en door ravijnen, door de bedding van rivieren, in koude en storm moesten zij hun weg vervolgen, maar Jeanne's moed verflauwde geen oogenblik.
Haar gezellen zagen haar met eerbied, ontzag en vertrouwen aan ; geen hunner, hoe ruw ook, waagde het in haar tegenwoordigheid een onvertogen woord te zeggen, noch minder haar anders dan met de grootste terughoudendheid te behandelen.
De reis duurde elf dagen en in die elf dagen werden honderd vijftig mijlen door hen afgelegd. Den elfden dag, 6 Maart 1429, deed de toekomstige redster van Frankrijk, het zeventienjarige boerenmeisje, haar intrede te Chinon.
Jeanne in de kapel van Vaucouleurs.
TWEEDE GEDEELTE. DE KONING.
I.
In het kasteel Chinon had Karei Vil, de rechtmatige maar nog niet gekroonde koning van Frankrijk, zich teruggetrokken.
Van hieruit zag hij het jammerlijke schouwspel van de langzame vernietiging van zijn schoon koninkrijk; ontmoedigd en moedeloos kruiste hij de handen, inplaats. van banier en zwaard daarmede op te heffen en aan het hoofd zijner getrouwen ten strijde te trekken.
Het kasteel zag er somber, verlaten en eenzaam uit, hoewel tal van krijgslieden de voorhoven vulden en trouwe edelen in de gangen en zalen de wacht hielden.
De soldaten morden.
âHoe lang is het geleden, sinds wij onze laatste soldij ontvingen,quot; spraken de Schotten, wat gaat ons de zaak aan van dezen schijnkoning ? Wij bestrijden den Engelschman alleen, omdat wij hem haten.quot;
âEn wij,quot; zeiden de Gascogners, âwij zullen hem den dienst opzeggen en naar den Bourgondiër gaan. Hij is rijk en al zullen wij daar niet zulk een rustig leven leiden als hier, hij brengt ons op het slagveld, geeft ons rijker buit en hooger loon.quot;
âWij moeten spoedig vertrekken anders ontslaat de koning van Bourges ons het eerst,quot; ried een der hoofdmannen, âmaar hier langer onzen kostbaren tijd verliezen, dat niet.quot;
âIk wilde,quot; meende een der Schotten, âtoch liever dat hij ons in het veld bracht, want ik strijd liever tegen dan naast den trouweloozen Brit.quot;
âDe koning heeft allen moed verloren: hij stelt geen prijs meer op de kroon zijner voorvaderen. Dwaas zouden wij zijn nog voor hem te strijden. Hoe spoediger wij hem verlaten, hoe beter.quot;
42
Waarom zendt hij ons niet naar Orleans om de bedreigde stad ter hulp te komen ? Aan deze zijde is de Loire nog vrij.quot;
âOch! alles wat hij onderneemt mislukt hem. Er rust een vloek op het ongelukkige vorstenhuis. De wolvin van Beieren, Isaheau, heeft alle deze rampen over Frankrijk gebracht. Wee Engeland ! Ook zij zal het vroeg of laat gevoelen, dat Gods vloek allen treft, die zich met de kraaienmoeder des Dauphins in verbond geven.
âMaar slechts geluk heeft de wapenen van Engeland gezegend, sedert Koning Hendrik V in Frankrijk landde, bij Azincourt zegevierde en zich in Saint Denis kronen liet.quot;
âVergeet niet, dat de grootste ramp, die Engeland treffen kon, over haar stortte, toen koning Hendrik plotseling in Vincennes stierf, nog slechts vijf-en-dertig jaar oud. Hij, de onoverwinbare held, de kloeke staatsman. Nauwelijks waren de bruidszangen verstomd, die weerklonken bij zijn huwelijk met prinses Catharina, de schoonste en lieftalligste der Fransche prinsessen, nauwelijks was zijn oudste zoon geboren of een geheimzinnige ziekte velde hem neer. Is dit ook het werk geweest der wolvin, die dood en krankzinnigheid op haar weg zaait ?quot;
âJa, ongehoorde rampen en onverklaarbare sterfgevallen hebben het Huis van Frankrijk aan den rand van den ondergang gebracht sedert het kwade uur, dat zij hier koningin werd. Karei VI, krankzinnig geworden, de hertog van Orleans vermoord, drie jonge Dauphins in den bloei hunner jaren gestorven, zoodat de kroon hun zwakken broeder ten deel viel, de vijand dringend in het land, alle steden en provinciën hem gehoorzamend, de vreemde koning gekroond en erkend, ja, met recht, God heeft het Rijk van Clovis verlaten. Wij kunnen niet langer een verloren zaak dienen.quot;
âNeen, bij mijn zwaard !quot; riep een trouwe fransche krijger, vergrijsd in het legerkamp. âGod verlaat Frankrijk niet. Als de nood op het hoogst is, dan is Zijn hulp aanstaande. Wij zullen overwinnen, vroeg of laat!quot;
âDe kansen schijnen bitter gering,quot; spotten de vreemde huurlingen. âOrleans zal vallen en de koning kan niets doen dan vluchten.quot;
43
âEr zal hulp dagen! Een oude profetie spreekt van een maagd, die uit de vlakten van Lotharingen zal komen om ons te redden.quot;
âDan eerst is een zaak voor goed verloren als vrouwen ze moeten doen zegevieren,quot; spotte er een.
âWij zullen den vorst laten aanzeggen, dat hij ons binnen drie dagen de achterstallige soldij betaalt of dat wij anders vertrekken,quot; verklaarden de Schotten.
âEn wij volgen,quot; beloofden de Gascogners.
In een der eenvoudige binnenvertrekken van het kasteel zat de koningin-weduwe van Napels, Yolande van Anjou, wier dochter Maria met Karei VII was getrouwd; zij was een vrouw van zeldzame geestkracht en groot verstand. Haar kleeding volgde de zonderlinge mode dier dagen trouw; de groote suikerbroodachtige hoed, waarvan een lange sluier afhing, bedekte haar hoofd. Haar gelaat, dat eens schoon was geweest, droeg nu een uitdrukking vol kommer en zorg; de diep ingezonken oogen verrieden nachten in waken en tranen doorgebracht, maar de scherp geteekende lippen en de krachtige vierkante kin getuigden van vastberadenheid en sterkte van wil.
Voor haar op een tafeltje lag een kaart, waarop zij aandachtig de bewegingen volgde, die een fransch krijgsoverste aangaf; deze, een man van ruw maar energiek voorkomen, Lahire genaamd, was een der dapperste hoofdofficieren van den koning, maar evenals zijn makkers tot werkloosheid veroordeeld door de onoverkomelijke besluiteloosheid des vorsten.
âIk zie het,quot; sprak de koningin, âduidelijker dan ooit, het land, dat Zijn Genade den koning overblijft, wordt hoe langer hoe kleiner.quot;
âHet zal geheel verdwijnen als Orleans valt.quot;
âMaar Orleans wil zich niet overgeven. Het verdedigt zich met den grootsten moed.quot;
âZoolang het nog kan, maar dezen morgen zond Dunois, die in de afwezigheid van zijn halfbroeder den gevangen hertog van Orleans in de stad beveelt, mij een bode om te melden, dat de raadslieden niet langer de burgerij aan de ellende eener belegering willen blootstellen. Aan den Engelschman willen zij zich niet overgeven, wel aan den hertog van Bourgondië.quot;
44
âMaar is dat niet hetzelfde,quot; zuchtte de koningin.
âZoolang de koning geen vrede met hem maakt, ja! maar ik hoor, dat de onderhandelingen weer zijn afgebroken.quot;
âDe voorwaarden, die hertog Philip stelt, zijn onaanneembaar ; hij verlangt uitlevering van de edelen, die hij te recht of te onrecht verdenkt zijn vader te hebben vermoord en tot zulk een verraad wil de koning niet afdalen.quot;
âO!quot; riep Lahire uit, behoorde ik tot die mannen, kon slechts tot dien prijs de vrede gekocht worden met Bourgondië, bij . . hij bedacht zich en hield den zwaren krijgsmansvloek, die hem op de lippen steeg, in, âik zou niet dralen en mij in zijn handen stellen.quot;
De koningin zag hem ontroerd aan.
âOok de anderen hebben dit aangeboden, Lahire, maar de koning heeft hun voorstel afgewezen, zooals hij ook stellig het uwe zou weigeren. Maar het doet goed te hooren, dat wij niet geheel verlaten zijn, dat er zich nog mannen in onze omgeving bevinden, die leven en bloed voor ons willen opofferen.quot;
âLiet men ons maar een gelegenheid ....!quot;
âAch ! alles ontvalt ons ook ! Een oogenblik scheen het, dat er een lichtstraal zou doorbreken ; men zeide, dat Philip van Bourgondië er aan dacht met den Engelschman te breken, toen een der voogden van den jongen koning Humphrej7 van Glocester een ongeoorloofd huwelijk aanging met Jacoba van Beieren, eens Dauphine van Frankrijk, later echtgenoot van Jan van Brabant, op wier goederen in Holland en Zeeland Philip recht meende te hebben.quot;
âDe Paus trof hem met den ban, daar Jacoba nog de rechtmatige vrouw was van den Brabanter, maar in dien tijd is hij gestorven en Glocester in plaats haar, nu zij vrij was, wettig te huwen en haar rechten te verdedigen, scheen haar reeds moede te zijn en trouwde een andere. Zoo verviel de twistappel tusschen Bourgondië en Engeland!quot;.
âEn zij zijn inniger dan ooit aan elkander verbonden! O, hadden wij slechts geld, misschien gelukte het ons tweedracht tusschen hen te zaaien en de hulp of ten minste de onzijdigheid van Philip te koopen.quot;
45
âGeld is een slecht middel, waar het zwaard dienst kan doen ! Waarom moeten wij geld gebruiken, daar waar het in 't belang is van het geheele volk dat onze wapenen zegevieren ? Laat den koning zich aan het hoofd stellen van zijn getrouwen, laat hij hen oproepen om met hem ten strijde te trekken en Orleans te verlossen ! En ik beloof u de overwinning !quot;
âJa kon ik hem bezielen! Maar niets wekt meer zijn moed op. Hij acht zich verlaten door God en de menschen ; hij buigt zich ter aarde onder den vloek, waarmede hij zich verbeeldt, dat het vorstenhuis van Frankrijk beladen is.quot;
Lahire zweeg met moeite uit eerbied voor 's konings schoonmoeder, maar aanzijn fonkelende oogen en krampachtig gesloten lippen zag men, dat hij zijn eigen meening had over de onverklaarbare weifelmoedigheid des konings.
âLafaard! Hij verdient niet, dat wij ons leven voor hem wagen, maar 't is ook niet voor hem, dat wij strijden. Het is voor de onafhankelijkheid en de vrijheid van ons land, waarvan hij de verpersoonlijking is, maar is 't wel waar ? Is hij wel onze wettige koning? Heeft God misschien hem vervallen verklaard van het koningschap zooals eenmaal Saul, om de kroon te schenken aan een anderen jongen David?quot;
Als had zij zijn gedachten geraden, sprak Yolande :
âKon hij zich maar in Rheims laten kronen ! Met de heilige zalving zou wellicht het bewustzijn zijner hooge bestemming, zou het gevoel van verantwoordelijkheid en plicht hem bezielen. Als dat gebeurde, dan zou God als het ware uitspraak hebben gedaan tusschen hem en zijn plichtvergeten moeder !quot;
âLaat hij zich dan een weg banen dwars door het vijandige kamp naar Rheims. Wij zullen hem vergezellen.quot;
Er werd aan de deur geklopt; de hoofdman der schotsche troepen vroeg toegang.
âGij brengt ons slechte tijding, Mylord,quot; zeide de koningin met eenigzins bevende stem.
âMevrouw !quot; sprak de Schot zich diep buigend, âik wilde U verzoeken Zijne Hoogheid mede te deelen, dat mijn manschappen aandringen op betaling der achterstallige soldij, als deze binnen
46
drie dagen niet betaald is, dan dreigen zij tot muiterij over te slaan en tot den vijand over te loopen.quot;
Met een instinctmatige beweging bracht Yolande de handen aan haar hals en haar ooren, als zocht zij daar eenige sieraden, maar er was niets meer.
âIk zal uw boodschap den koning overbrengen,quot; antwoordde zij op een toon, dien zij vergeefs krachtig wilde doen klinken, âhet is goed, Mylord !quot;
En toen hij vertrokken was, sprak zij als om van Lahire eenigen troost te vragen :
âMaar de Gascogners blijven nog over!quot;
âDe Gascogners,quot; en hij haalde de schouders op, wat houdt hen nog tegen ? Zij zijn onbetrouwbaar en veranderlijk als stroomend water. Wanneer zij niet plunderen kunnen, dan weerhoudt hen geen eed en trouw, geen beroep op hun plicht. Zoo de koning hen niet spoedig in het veld brengt, dan volgen zij de Schotten.quot;
âEn dan zijn wij geheel verlaten ? O Lahire! Is het dan niet om te schreien, dat mijn schoonzoon zulk een heerlijk koninkrijk verspeelt, dat hij mijn dochter en haar kinderen tot schande en verbanning doemt ?quot;
Lahire trilde van verontwaardiging en nu eindelijk stroomden woorden van minachting en ergernis vrij van zijne lippen.
âJa, bij den duivel,quot; riep hij uit, âdat is het, zonde is bet zeker voor het schoone, lieve Frankrijk, dat de ruwe Brit het vertrapt onder zijne zware hakken en waarom, omdat het een koning heeft, die geen koning verdiende te zijn, een minnezanger, een verkleede vrouw, anders is hij niets en wij hebben een krijgsman noodig, een held! Hij haat de wanorde der veldslagen, hij bemint niets zoo zeer als kalmte en rust. Het ras der rois-fainéants, luie koningen, schijnt opnieuw in hem opgestaan. Wat bekommert hij er zich om óf wij schreien om de rampen van zijn koninkrijk, óf wij strijden om zijn kroon, hij laat. ons aan ons lot over en brengt zijn dagen in ledigheid door. 't Is niet mogelijk op aangenamer en vroolijker wijze een troon te verliezen !quot;
âLahire, matig u, gij spreekt van uw koning,quot; zeide Yolande zich oprichtend en hem verwijtend aanziende.
47
âNog niet,quot; siste Lahire, ânog niet! Hij is nog niet gekroond. Wie weet...
âStil! Ik hoor hem komen.quot;
âEn ik wil hem niet zien. Mevrouw, u is de eenige man in zijne omgeving! Zorg dat hij zijn kroon en die zijner kinderen niet reddeloos verspeelt.quot;
âO God ! Wat kan ik doen ? Kon ik hem moed en geestdrift geven ?quot; zuchtte Yolande, toen de krijgsman zich door een zijdeur verwijderde, âzoo diep is hij gevallen, dat men hem durft honen in mijn bijzijn, en ik moet zwijgen, ik mag die getrouwen niet ontstemmen, want zij zijn onze eenige steun.quot;
n.
De koning trad binnen, geleund op den arm zijner vrouw Maria van Anjou, thans nog geheel in het bezit van de liefde en trouw van haar gemaal, die haar later zoo schandelijk zou verraden.
Karei VII was toen zes en twintig jaar oud; zijn gelaat tee-kende zwakheid van karakter, iets droomerigs lag in zijne oogen en zijn lange puntige neus, die dezelfde richting volgde als zijn spitste kin, gaf iets sluws aan de uitdrukking van zijn gelaat.
De koningin was vriendelijk maar niet schoon ; haar blonde haren verdwenen geheel onder den punthoed ; haar kleeding was opvallend eenvoudig en verried in niets de vorstin ; haar geheele houding teekende bedeesdheid.
Tusschen hen liep de kleine Dauphin, een mager, leelijk kind van nog geen zeven jaren, in de verbanning geboren en van wien niemand dacht, dat hij later eens den troon zijner voorvaderen zou beklimmen, nog minder dat hij eens als Lodewijk XI de listigste en meest gevreesde koning van Frankrijk zou worden.
Koningin Yolande stond op bij het binnenkomen harer kinderen ; haar gelaat droeg nog sporen van het weemoedige onderhoud, zoo pas door haar gevoerd; voor haar lag de kaart van Frankrijk steeds ontrold.
48
Na zijn schoonmoeder den gebmikelijken morgengroet te hebben gebracht, zeide Karei schertsend :
âIk zie dat onze lieve moeder zich reeds vroeger dan wij met de belangen van den staat heeft beziggehouden.quot;
Koningin Maria zag ongerust haar moeder en echtgenoot aan. Yolande's oogen fonkelden van drift, terwijl zij antwoordde :
âMoet ik dat niet? Als hij, wiens plicht het is voor zijn rijk
te waken, het niet doet ?quot;
Karei trachtte te glimlachen, hij zette zich op een zetel neer tegenover de koningin-moeder, terwijl Maria met haar zoon aan de hand verlegen voor een der ramen ging staan, die op een binnenplaats uitzicht gaf.
âLieve moeder,quot; antwoordde hij, verstrooid zich over de kaart buigende, âhoe jammer dat gij u niet aan het hoofd der troepen kunt plaatsen. Onze overwinning zou zeker zijn.quot;
Het prinsje keerde zicli om en sprak:
âVrouw grootmoeder! Neem mij dan mede, ik zou meevechten
en u beschermen !quot;
âJa waart gij maar groot, mijn kind! Dan hadden wij tenminste een legerhoofd.quot;
De jonge koningin zag met droefheid, dat er weder strijd ging ontstaan tusschen haar moeder en haar man ; zij durfde geen partij kiezen. Haar verstand gaf haar moeder gelijk, maar haar liefde voor den koning maakte, dat zij niet hooren kon, hoe verachtelijk hij door de oude koningin behandeld werd.
âMoeder,quot; sprak zij zacht, âgij weet, hoeveel er gelegen is aan het leven en welzijn van onzen Heer en Koning. Als hij zich in het veld begeeft en een pijl trof hem, dan ware ons land reddeloos verloren.quot;
âEn ik zou dan geen koning worden ?quot; vroeg de kleine prins.
âKinderen mogen niet in alles meespreken,quot; berispte zijn moeder streng.
âEn ik wil toch koning worden,quot; dwong hij voort, âhet is zoo mooi een kroon te dragen en alles te mogen zeggen, terwijl allen ons gehoorzamen.quot;
âStil, geen woord meer!quot; beval Karei, het kind toornig aanziende, maar Yolande hoorde den Dauphin met welgevallen aan.
-MSStf'-
49
âDat kind heeft tenminste besef van datgene, waartoe hij geboren is,quot; zeide zij in het Italiaansch.
En door de goedkeuring zijner grootmoeder gesteund, ging het prinsje voort:
âAls vader geen koning wil zijn, waarom laat hij dan mij niet kronen ? Hendrik van Engeland is niet ouder dan ik en is toch al koning.quot;
âWil je zwijgen, kleine slang!quot; riep de koning driftig uit en bief de hand op om het kind te slaan, maar de prins vluchtte naar zijn moeder en Maria van Anjou voerde hem bij de hand weg naar de vrouwen, die op eenigen afstand van het koninklijk gezin stonden.
âBreng hem weg!quot; beval zij, âkinderen behooren niet in het gezelschap der ouderen. Zij hooren daar dingen, niet voor hun ooren bestemd.quot;
En zij keerde weder naar haar moeder en gemaal terug. Mismoedig had de koning het hoofd in de handen laten vallen.
âHet goede bloed veodoochent zich niet,quot; zuchtte hij, âwat zijn grootmoeder deed, dat zal hij ook eens beproeven. Isabeau verloochende haar eigen kind, hij zal later tegen zijn vader opstaan !quot;
âO mijn koning !quot; riep Maria van Anjou, de oogen vol tranen, âspreek zoo niet, het kind is nog zoo jong. Hij weet niet, wat hij zegt.quot;
âHij is sluw en berekenend. Er zit een slechte aard in hem. Eens zal hij mij beoorlogen.quot;
âBekommer u niet om toekomstige, denkbeeldige rampen,quot; zoo onderbrak Yolande het gesprek, dat al te pijnlijk dreigde te worden, âwaar het tegenwoordige uw volle aandacht verlangt!quot;
âMoeder!quot; vroeg de koning, haar smeekend aanziende, âkunt gij mij niet een dag, een uur rust gunnen ? Koning Réné mijn goede broeder, zond mij gisteren ^ulke schoone provenpaalsche liederen. Ik wilde gaarne op de' luit beproeven ze te spelen. Morgen is het nog tijd aan den einst des levens te denken.quot;
âRéné heeft zijn koninkrijk verloren door zijn dwaze liederen,quot; sprak de koningin bitter, âwilt gij zijn voorbeeld volgen ? Ga naar hem en laat uw land over aan den vreemdeling !quot;
4
50
âHij noodigde mij uit bij hem te komen in zijn heerlijk Provence, daar schijnt de zon, daar is geen sneeuw en geen ijs. Daar hoort men van geen bloedvergieten en geen verraad, daar worden geen krijgsraden gehouden, waarin ruwe oversten hun vorsten durven bedreigen en vloeken. Daar zal hij zijn Cours d'Amour houden, waar reine liefde en riddertrouw worden verheerlijkt en die hij mij verzoekt bij te wonen. O, waarom moet ik hier langer toeven ? Niets kan toch mijn koninkrijk redden en mij
mijn kroon teruggeven.quot;
Groote tranen rolden langs zijn wangen en de koningin knielde
voor hem neer.
âMijn gemaal! Mijn liefste gemaal ! Laat ontmoediging niet in quot;uw hart sluipen. Bedenk, gij zijt koning van Frankrijk geboren. Het is uw plicht uw goed recht te verdedigen !
âBen ik dat waarlijk, Maria?quot; vroeg hij zacht. âHeb ik werkelijk recht op dien troon of verwerpt God mij,^ omdat ik niet anders ben dan een indringer, een vreemdeling ?quot;
Ook Yolande was bewogen ; medelijden meer dan ergernis vervulden haar ziel. .... i quot; âO God ! geef een teeken, waardoor hij zijn recht erkent,
bad zij, âen moed verkrijgt om er voor te strijden en te sterven
desnoods!quot; . i ui I
âArm volk!quot; ging de koning voort, âmag ik het langer blootstellen aan de ellenden van vreemden- en burgeikrijg . Heb ik het recht het te beletten vrede te maken met hem, die misschien zijn wettig vorst is ? Waarom meer bloed laten vloeien als toch de nederlaag zeker is ? Deed ik niet verstandig te vluchten en zelf den koning te erkennen, die door mijn eigen moeder is verkozen?quot;
âO zwijg, Sire! Die taal is niet die van den Dauphin bij Gods genade!quot;
âWaarom ben ik het ook geworden ? Drie broeders scheidden mij van den troon, alle drie zijn gestorven, jong en kinderloos. Mijn vader bezweek in de kracht van zijn leven, na jaren lang zijn verstand te hebben overleefd. Gods vloek rust op ons huis. Ik wil ze niet langer dragen en zal in de verbanning trekken ! De koningin snikte, het hoofd diep gebogen.
53
âEn onze kinderen dan, Karei ? Heeft God het trotsche koninkrijk dan niet eenmaal in leen gegeven aan koning Glovis en zijt gij zijn rechtmatige erfgenaam niet? Is ons kind niet. eens bestemd die kroon te dragen ?quot;
âWist ik dat zeker! zuchtte Karei, âo die twijfel verlamt mij, drukt mij neder!quot;
âOp het oogenblik zijt gij de koning van Frankrijk,' zeide Yolande beslist, âvan u alleen wacht het zijn heil, aan u is 't ook die hoop nier, te beschamen ; de toestand is hachelijk, de strijd bijna reddeloos verloren, er moet gehandeld worden.quot;
âDoor wien ?quot;
âDoor u en door niemand anders! In de eerste plaats moet gij u verzoenen met den hertog van Bourgogne.quot;
âEu hem mijn vrienden overleveren ? Dat nooit, zóó laag is de koning van Frankrijk nog niet gezonken, dat hij zich redden moet alleen ten koste van een laagheid.quot;
âVrijwillig wil Du Chatel zich in zijn macht begeven.quot;
âEn dat wil ik niet. Dit offer neem ik niet aan.quot;
âNog moeten de soldaten betaald worden. De Schotten dreigen met muiterij als binnen drie dagen hun achterstallige soldij niet voldaan wordt. De Gascogners vragen, buiten de raadsheeren van Orleans om, manschappen en levensbehoeften, anders kunnen zij niet langer hun verzet volhouden en moeten zich overgeven aan den vijand !quot;
rO God, o God !quot; riep de koning radeloos het hoofd in de handen gebogen door de kamer loopend, âgoud, goud, hoe kom ik aan goud 1 Alles is verpand, alles is verkocht. Hebt gij nog juweelen, Maria?quot;
âAlles is weg, mijn trouwring alleen,quot; snikte de koningin, âbezit ik nog !quot;
âRuk mij dan het hart uit het lijf! Hoe gaarne zou ik het tot munt laten slaan. Ziet gij dan niet moeder, hoe wanhopig alles staat. Is verdere tegenstand dan niet zondig ? Is het geen bloed verspillen voor een verloren zaak ? Laat ons een kort besluit nemen ! Morgen verlaten wij Chinon en vluchten naar het Zuiden. Als ik werkelijk koning van Frankrijk was, dan zon
54
God mij wel helpen, mijn rechten te handhaven, nu verwerpt
hij mij als een dorre tak.
âStil,quot; smeekte de koningin, âdat niemand hoore, welken
vreeselijken twijfel gij koestert in uw ziel.quot;
âNeen, niemand weet het dan gij beiden, en gij zijt trouw als goud ! O moeder, die op zoo waardige wijze haar vervangt, de bewerkster van al mijn ellende, vergeef mij en gij ook mijn zachte, arme vrouw ! Dat ik de kroon niet kan winnen, die mij bestemd scheen. Laat ons heen gaan ! Daar ginds in Provence of Spanje kunnen wij misschien nog gelukkige, kalme dagen slijten.
âO Heer, wat moet ik doen, wat moet ik zeggen om hem moed in te spreken en kracht te geven !quot; zuchtte Yolande.
De jonge koningin trok hem naar zich toe in de diepe nis van het raam.
âJa, laat ons vluchten!quot; fluisterde zij, âGod verlaat ons! De strijd is vruchteloos, redden wij tenminste ons leven en dat van
onze kinderen!quot;
Arme kinderen,quot; klaagde de oude koningin, âmoet ik hen beklagen of verwijten ? O Heer in den Hemel! Geef een teekeu,
wat üw wil is!quot;
Op elkander gesteund zagen de koning en koningin door het smalle raam neer op de smalle binnenplaats ; daar stonden groepjes soldaten eenige vreemd uitgedoste krijgslieden omringend, die zich bij het groote vuur, dat midden tusschen hen vroolijk opvlamde, â want het was een koude voorjaarsdag â schenen te warmen. Zij spraken druk en de anderen verdrongen zich om hen als geboeid door hetgeen zij hoorden.
De koning, dorstend naar een afleiding, wees het aan de
koningin en zeide spottend :
âZeker weer een nieuw fortuintje, dat die vreemde soldaten
de onzen komen mededeelen Iquot;
âWaarom?quot; vroeg Maria, âzij zien juist zoo opgewekt en vroolijk.
Wellicht is het een gelukkige tijding I
âZijn wij de goede tijdingen niet afgewend Iquot; zuchtte de koning, âvanwaar kan iets goeds komen ?quot;
âZij stonden zooeven daar nog lusteloos en mat eu nu spieekt er opgewektheid en hoop uit hun trekken. Is dat Lahire niet, die hen
55
nadert. Zij omringen hem, zij verhalen hem iets belangrijks.quot;
âEn hij lacht en haalt de schouders op.quot;
âMaar zij dringen zich om hem. Nu gaat hij heen. Zend hem een bode, Sire! Vraag hem wat er is
â Vrouwenuieuwsgierigheid,quot; en de koning glimlachte, âuw wil geschiedde, Maria! Ons leven is hier zoo somber, dat de minste afleiding ons nog aantrekkelijk voorkomt.quot;
Hij floot op het zilveren fluitje, dat om zijn hals hing, en aan den binnentredenden bediende gaf hij bevel Lahire te verzoeken bij hem te komen.
âDit kan ik nog verkoopen,quot; zeide hij met bitteren spot. 't Is het eenige voorwerp van edel metaal dat ik nog bezit.quot;
Lahire kwam binnen, en boog zich meer uit plicht dan uit eerbied voor den vorst.
âLahire,quot; sprak de koning, âik wilde u iets vragen.quot;
Nieuwsgierig zag de krijgsman hem aan ; zou eindelijk het vurig verlangde bevel komen om ten strijde te trekken ? Maar teleurstelling teekende zich op zijn trekken, toen de koning vervolgde :
âIk zag u daar zoo druk spreken met een paar vreemde krijgslieden. De koningin is nieuwsgierig om te weten, welke Jobstijding zij brengen.quot;
âO Sire, een bericht te dwaas voor ernstige mannen om aan te gelooven. Die mannen hebben uit Lotharingen hier een herderin vergezeld, die beweert door God en den H. Michaël gezonden te zijn om Orleans te bevrijden, u te Rheims te doen kronen en den Engelschman van ons grondgebied te verjagen. Ik heb er hartelijk om gelachen, maar die oude snorrebaarden schijnen de zaak ernstig op te nemen.quot;
âZou dat het meisje zijn, waarover de heer Van Baudricourt uit Vaucouleurs geschreven heeft?quot; vroeg koningin Yolande.
â't Kan zijn, ik weet het niet meer!quot; antwoordde de koning onverschillig.
âEen meisje zou ons moeten helpen ! Alsof er geen mannen genoeg zijn!quot; zeide Lahire.
âMaar als God haar zendt, zooals hij eens Judith en Debora zond,quot; waagde de jonge koningin half luid op te merken.
âNu alles mij verlaat, edelen, priesters, burgers, mag ik wel
56
juichen nu een herderin zich over mij ontfermt!quot; smaalde de koning.
âIk vertrouw ook niets op haar; 't zijn sprookjes voor de vaak !quot; verklaarde Lahire.quot;
âGij hebt het meisje laten komen uit Lotharingen,quot; sprak koningin Yolande âHet is nu ook uw plicht, Sire, haar in uw tegenwoordigheid toe te laten en aan te hooren.quot;
âIk wist niet, dat ik het bevolen had,quot; zeide de koning. âMaar ik wil u en Maria wel die afleiding gunnen.quot;
âOngelukkige drenkelingen grijpen zich aan elke stroohalm vast,quot; lispelde de koningin.
âSire!quot; riep Lahire uit, âgij zult toch niets besluiten, vóór dat uw raad gehoord is ?quot;
De koning fronste de wenkbrauwen en spotte:
âDus zelfs een zijner onderdanen te spreken, is den koning niet geoorloofd ?quot;
â't Is om u een vernedering te besparen, Sire,quot; sprak Lahire, ondanks zich zelf getroffen door den toon des konings, âdat ik u voorzichtigheid raad. Bij âquot; â hij bedacht zich weer en sprak den kernachtigen vloek niet uit, die hem telkens als van zelf op de lippen kwam, âhoe diep moet en Frankrijk en haar koning gevallen zijn, als zij de hulp aannemen van een overspannen vrouw en bijgeloovige herderin. Misschien wel een door de Engelschen omgekochte spion.quot;
âWij hebben om een teeken gevraagd, mijn zoon!quot; zeide koningin Yolande. âWie zegt ons dat God niet spreken zal door den mond van dit meisje ?quot;
Lahire haalde glimlachend de schouders op.
âDe soldaten opgewonden door allerlei volksverhalen, profetiën en legenden, de werkeloosheid moede, stellen reeds vertrouwen in dat kind. Zij gelooven in haar roeping en verlangen onder haar bevelen op te trekken. Het zijn groote kinderen, niets meer !quot;
âWelnu dan !quot; beval de koning, âdat dezen middag mijn Raad vergadere ; wij hebben veel te beraadslagen. Gij zijt mij trouw Lahire, al spreekt uw mond soms bittere, scherpe taal. Het eerst zult gij dan ook weten, welke plannen uw koning heeft......quot;
Lahire zag in angstige verwachting den monarch aan; zou hij eindelijk iets besluiten ?
57
âIk ben den nutteloozen tegenstand moede. God heeft ons verlaten, morgen verlaat ik met mijn gezin Chinon om mij naar Dauphiné en Provence te begeven.quot;
Doodsbleek, ontzet zag de krijgsman beurtelings den koning en de koninginnen aan. Maria van Anjou had het hoofd gebogen en snikte zacht. Yolande staarde strak en somber voor zich uit.
âEn ons verlaten, Sire, en uw schoon koninkrijk den vervloekten Brit overlaten als een gemakkelijk verworven buit! Het bloed van uw onderdanen kome over u ! Schande, eeuwige schande, het gevaar te ontvluchten. Roep dan liever de Lotharingsche, en laat haar voor u strijden ! Dat is minder oneer, zeker !quot;
âZiet gij dan nog ergens heil, Lahire ? Frankrijk vaneenge-scheurd, de vijand in het land, het leger oproerig, de schatkist
uitgeput en helaas ! 't ergste van alles, de moed is heen !.....
Is het dan niet dwaas, langer tegen te streven ? Wat blijft ons nog over te doen !quot;
âTe sterven als helden ! Doe wat u goeddunkt, Sire ! Ik geef den moed niet op. Nog zijn mijn soldaten mij trouw, zij zullen mij volgen naar Orleans en daar met Dunois, den eenige in wien het Fransche koningsbloed, hoe ook besmet, nog stroomt, zal ik, zoo niet overwinnen, dan toch sterven. Ga met mij mede, mijn Vorst!quot;
Moede schudde Karei het hoofd.
âIk ben nog geen koning; de kracht Gods is nog niet neergedaald over mij ; de heilige Olie heeft mijn hoofd nog niet gezalfd. Het is beter dat ik mij nu terugtrek.quot;
âGemakkelijker!quot; mompelde Lahire.
â't Is goed, Lahire! Verlaat ons!quot; sprak de koning, thans met echt koninklijk gebaar den vertrekkende de deur wijzend.
Nauwelijks was hij vertrokken, of in tranen uitbarstend, zonk de koning in zijn zetel neer.
Maria sloeg troostend den arm om hem heen en hij verborg zijn gelaat aan haar borst. Yolande zag het tooneel aan, en nu ontzonk ook haar den moed.
âHeilige geest, gij alleen kunt in den diep gezonkene kracht en moed brengen,quot; bad zij, âmenschenwoorden kunnen hier niet meer baten.quot;
En zij liet hen alleen.
58
âO, Karei!quot; bad de koningin, âwaarom u zoo te bedroeven? Alles is wellicht nog niet verloren.quot;
â'tls niet zoo hard te scheiden van een kroon. Zwaarder valt het, zich te laten beheerschen door iedereen. Al die edelen meenen het recht te hebben, mij te bevelen, te gispen. Van hun genade ben ik afhankelijk, en zij zijn toch niets anders dan mijn vazallen. Laten wij onze tranen drogen, Maria, ook daar ginds in het Zuiden schijnt de zon en blauwt de hemel, daar kunnen wij nog gelukkig zijn, daar nog vrede genieten. Daar zingt koning René uw broeder in zijn heerlijk hof, daar kent men geen trotsche generaals en geen veeleischende baronnen! Ik heb dorst naar Provence, naar uw Vaderland, lieve vrouw !quot;
âMaar Sire! Alles verlaten, het erfdeel onzer kinderen !quot;
Bijna ruw stiet de koning haar van zich af.
âLaat hen zelf dit koninkrijk besturen, als regeeren hun zoo begeerenswaardig toeschijnt. Ik haat de kroon ! Zij schonk mij niets dan doornen! Onherroepelijk is mijn besluit, morgen zullen wij vertrekken.quot;
âMaar hoor eerst die herderin ! Zie en spreek haar, vóór gij van hier gaat. Misschien â brengt zij redding !quot;
âEen stroohalm, hebt gij gezegd ! Welnu, wat baat een stroo-halm, als een troon instort ?quot;
Koningin Yolande trad weer binnen.
âHeer koning!quot; sprak zij, âvergun mij u slechts een vraag te doen, een gunst te verzoeken. Sta mij toe te waken over het lot der Lotharingsche herderin ! Op uw bevel is zij hier gekomen ! Men noemt haar een vrome jonkvrouw. Het betaamt niet, dat zij alleen tusschen mannen vertoeft. Ik zal haar een passend onderkomen bezorgen.quot;
De koning maakte een beweging van moedelooze toestemming en de koningin-moeder verwijderde zich.
Jeanne werd iu het kasteel Du Coudray geherbergd, en koningin Yolande zorgde, dat slechts vrouwen van onbesproken naam haar daar omringden, in afwachting dat het haar zou worden toegestaan, den koning haar hemelsche zending te openbaren.
59
III.
Twee dagen lang draalden de koning en zijn raadslieden ; de toestand werd steeds somberder, de behoefte aan hulp steeds dringender. De manschappen dreigden met muiterij en de koning sprak niets dan van zich terug te trekken en te vluchten naar het Zuiden.
Niets kon hem meer ontrukken aan zijn dofte lusteloosheid ; hij scheen zich niet meer te kunnen voorstellen, dat het zijn zaak vooral was, waarvoor hier gestreden werd, en dat alles voor hem van de overwinning zijner wapenen afhing. Een geheime vrees een doodende twijfel verlamde al zijn pogingen ; te zwak omzijn wil tegenover dien zijner vazallen door te drijven, verdroeg hij slechts met bitteren tegenzin hun aansporingen en verwijten. Evenals alle zwakke zielen, die niet durven handelen, kon hij de geestkracht van anderen niet begrijpen, zij ergerde en drukte hem als een ondragelijken last, waaraan hij ten koste van alles moest ontkomen.
Nu eens de gedachte aan vlucht zich in zijn geest had vastgezet, kon niets hem meer daarvan afbrengen. Tevergeefs drongen zijn raadslieden aan op nog een poging om Orléans te bevrijden, op een verzoening met den Hertog van Bourgondië ; hardnekkig bleef hij weigeren, en stond vast in zijn besluit de Loire over te trekken, en in de verbanning zijn heil te zoeken. De raadslieden wisten niet meer wat te besluiten ; hoe werkloos en onbeduidend ook, de koning was hun zichtbaar opperhoofd, hun aller troost en steun. Wanneer hij hun ontviel, dan begaf hun alles, het volk en het leger zouden het laatste sprankje moed, dat hen bezielde, verliezen, alles zou dan eindigen in de grootste verwarring, in een onherstelbare nederlaag. Den koning verliezen, stond gelijk met Frankrijk prijs geven aan den vijand, maar noch beden, noch smeekingen baatten. Karei bleef onverbiddelijk.
âAlles is verloren. Niets kan ons meer reddenwas zijn eenig antwoord.
De hertogen, graven en baronnen, die zijn Raad uitmaakten, zagen elkander treurig aan. Een enkele gedachte bezielde hen; zou den koning hetzelfde vreeselijke lot wachten, dat zijn vader
56
juichen nu een herderin zich over mij ontfermt!quot; smaalde de koning.
âIk vertrouw ook niets op haar; 't zijn sprookjes voor de vaak!quot; verklaarde Lahire.quot;
âGij hebt het meisje laten komen uit Lotharingen,quot; sprak koningin Yolande âHet is nu ook uw plicht, Sire, haar in uw tegenwoordigheid toe te laten en aan te hooren.quot;
âIk wist niet, dat ik het bevolen had,quot; zeide de koning. âMaar ik wil u en Maria wel die afleiding gunnen.quot;
âOngelukkige drenkelingen grijpen zich aan elke stroohalm vast,quot; lispelde de koningin.
âSire!quot; riep Lahire uit, âgij zult toch niets besluiten, vóór dat uw raad gehoord is ?quot;
De koning fronste de wenkbrauwen en spotte :
âDus zelfs een zijner onderdanen te spreken, is den koning niet geoorloofd ?quot;
â't Is om u een vernedering te besparen, Sire,quot; sprak Lahire, ondanks zich zelf getroffen door den toon des konings, âdat ik u voorzichtigheid raad. Bij âquot; â hij bedacht zich weer en sprak den kernachtigen vloek niet uit, die hem telkens als van zelf op de lippen kwam, âhoe diep moet en Frankrijk en haar koning gevallen zijn, als zij de hulp aannemen van een overspannen vrouw en bijgeloovige herderin. Misschien wel een door de Engelschen omgekochte spion.quot;
âWij hebben om een teeken gevraagd, mijn zoon!quot; zeide koningin Yolande. âWie zegt ons dat God niet spreken zal door den mond van dit meisje ?quot;
Lahire haalde glimlachend de schouders op.
â De soldaten opgewonden door allerlei volksverhalen, profetiën en legenden, de werkeloosheid moede, stellen reeds vertrouwen in dat kind. Zij gelooven in haar roeping en verlangen onder haar bevelen op te trekken. Het zijn groote kinderen, niets meer !quot;
âWelnu dan 1quot; beval de koning, âdat dezen middag mijn Raad vergadere; wij hebben veel te beraadslagen. Gij zijt mij trouw Lahire, al spreekt uw mond soms bittere, scherpe taal. Het eerst zult gij dan ook weten, welke plannen uw koning heeft......quot;
Lahire zag in angstige verwachting den monarch aan; zou hij eindelijk iets besluiten?
57
âIk ben den nutteloozen tegenstand moede. God heeft ons verlaten, morgen verlaat ik met mijn gezin Chinon om mij naar Dauphiné en Provence te begeven.quot;
Doodsbleek, ontzet zag de krijgsman beurtelings den koning en de koninginnen aan. Maria van Anjou had het hoofd gebogen en snikte zacht. Yolande staarde strak en somber voor zich uit.
âEn ons verlaten, Sire, en uw schoon koninkrijk den vervloekten Brit overlaten als een gemakkelijk verworven buit! Het bloed van uw onderdanen kome over u! Schande, eeuwige schande, het gevaar te ontvluchten. Roep dan liever de Lotharingsche, en laat haar voor u strijden ! Dat is minder oneer, zeker !quot;
âZiet gij dan nog ergens heil, Lahire ? Frankrijk vaneenge-scheurd, de vijand in het land, het leger oproerig, de schatkist
uitgeput en helaas ! 't ergste van alles, de moed is heen !.....
Is het dan niet dwaas, langer tegen te streven ? Wat blijft ons nog over te doen !quot;
âTe sterven als helden ! Doe wat u goeddunkt, Sire ! Ik geef den moed niet op. Nog zijn mijn soldaten mij trouw, zij zullen mij volgen naar Orleans en daar met Dunois, den eenige in wien het Fransche koningsbloed, hoe ook besmet, nog stroomt, zal ik, zoo niet overwinnen, dau toch sterven. Ga met mij mede, mijn Vorst!quot;
Moede schudde Karei het hoofd.
âIk ben nog geen koning; de kracht Gods is nog niet neergedaald over mij ; de heilige Olie heeft mijn hoofd nog niet gezalfd. Het is beter dat ik mij nu terugtrek.quot;
âGemakkelijker !quot; mompelde Lahire.
â't Is goed, Lahire! Verlaat ons!quot; sprak de koning, thans met echt koninklijk gebaar den vertrekkende de deur wijzend.
Nauwelijks was hij vertrokken, of in tranen uitbarstend, zonk de koning in zijn zetel neer.
Maria sloeg troostend den arm om hem heen en hij verborg zijn gelaat aan haar borst. Yolande zag het tooneel aan, en nu ontzonk ook haar den moed.
âHeilige geest, gij alleen kunt in den diep gezonkene kracht en moed brengen,quot; bad zij, âmensclienwoorden kunnen hier niet meer baten.quot;
En zij liet hen alleen.
58
âO, Karei!quot; bad de koningin, âwaarom u zoo te bedroeven? Alles is wellicht nog niet verloren.quot;
,'tls niet zoo hard te scheiden van een kroon. Zwaarder valt het, zich te laten beheerschen door iedereen. Al die edelen meenen het recht te hebben, mij te bevelen, te gispen. Van hun genade ben ik afhankelijk, en zij zijn toch niets anders dan mijn vazallen. Laten wij onze tranen drogen, Maria, ook daar ginds in het Zuiden schijnt de zon en blauwt de hemel, daar kunnen wij nog gelukkig zijn, daar nog vrede genieten. Daar zingt koning René uw broeder in zijn heerlijk hof, daar kent men geen trotsche generaals en geen veeleischende baronnen ! Ik heb dorst naar Provence, naar uw Vaderland, lieve vrouw!quot;
âMaar Sire! Alles verlaten, het erfdeel onzer kinderen !quot;
Bijna ruw stiet de koning haar van zich af.
âLaat hen zelf dit koninkrijk besturen, als regeeren hun zoo begeerenswaardig toeschijnt. Ik haat de kroon ! Zij schonk mij niets dan doornen ! Onherroepelijk is mijn besluit, morgen zullen wij vertrekken.quot;
âMaar hoor eerst die herderin ! Zie en spreek haar, vóór gij van hier gaat. Misschien â brengt zij redding !quot;
âEen stroohalm, hebt gij gezegd! Welnu, wat baat een stroo-halm, als een troon instort?quot;
Koningin Yolande trad weer binnen.
âHeer koning!quot; sprak zij, âvergun mij u slechts een vraag te doen, een gunst te verzoeken. Sta mij toe te waken over het lot der Lotharingsche herderin ! Op uw bevel is zij hier gekomen ! Men noemt haar een vrome jonkvrouw. Het betaamt niet, dat zij alleen tusschen mannen vertoeft. Ik zal haar een passend onderkomen bezorgen.quot;
De koning maakte een beweging van moedelooze toestemming en de koningin-moeder verwijderde zich.
Jeanne werd in het kasteel Du Coudray geherbergd, en koningin Yolande zorgde, dat slechts vrouwen van onbesproken naam haar daar omringden, in afwachting dat het haar zou worden toegestaan, den koning haar hemelsche zending te openbaren.
59
III.
Twee dagen lang draalden de koning en zijn raadslieden ; de toestand werd steeds somberder, de behoefte aan hulp steeds dringender. De manschappen dreigden met muiterij en de koning sprak niets dan van zich terug te trekken en te vluchten naar het Zuiden.
Niets kon hem meer ontrukken aan zijn doffe lusteloosheid ; hij scheen zich niet meer te kunnen voorstellen, dat het zijn zaak vooral was, waarvoor hier gestreden werd, en dat alles voor hem van de overwinning zijner wapenen afhing. Een geheime vrees een doodende twijfel verlamde al zijn pogingen ; te zwak om zijn wil tegenover dien zijner vazallen door te drijven, verdroeg hij slechts met bitteren tegenzin hun aansporingen en verwijten. Evenals alle zwakke zielen, die niet durven handelen, kon hij de geestkracht van anderen niet begrijpen, zij ergerde en drukte hem als een ondragelijken last, waaraan hij ten koste van alles moest ontkomen.
Nu eens de gedachte aan vlucht zich in zijn geest had vastgezet, kon niets hem meer daarvan afbrengen. Tevergeefs drongen zijn raadslieden aan op nog een poging om Orléans te bevrijden, op een verzoening met den Hertog van Bourgondië ; hardnekkig bleef hij weigeren, en stond vast in zijn besluit de Loire over te trekken, en in de verbanning zijn heil te zoeken. De raadslieden wisten niet meer wat te besluiten ; hoe werkloos en onbeduidend ook, de koning was hun zichtbaar opperhoofd, hun aller troost en steun. Wanneer hij hun ontviel, dan begaf hun alles, het volk en het leger zouden het laatste sprankje moed, dat hen bezielde, verliezen, alles zou dan eindigen in de grootste verwarring, in een onherstelbare nederlaag. Den koning verliezen, stond gelijk met Frankrijk prijs geven aan den vijand, maar noch beden, noch smeekingen baatten. Karei bleef onverbiddelijk.
âAlles is verloren. Niets kan ons meer redden !quot; was zijn eenig antwoord.
De hertogen, graven en baronnen, die zijn Raad uitmaakten, zagen elkander treurig aan. Een enkele gedachte bezielde hen; zou den koning hetzelfde vreeselijke lot wachten, dat zijn vader
60
getroffen had ? Zouden de smart, de angst, de aanhoudende teleurstelling zijn verstand hebben aangegrepen ? Zou ook hij in den nacht van den waanzin verzinken ? En zijn zoon was nog geen zeven jaar! Erger dan ooit zou het arme Frankrijk overgeleverd worden aan de woede der partijen, aan den blinden haat der hartstochten.
Toen begonnen eenigen weifelend en schoorvoetend het denkbeeld te opperen, dat de Maagd van Domremy wellicht door God gezonden was, om aan de groote ellende van het arme koninkrijk een einde te maken; de meesten lachten en spotten over het dwaze herderinnetje, zich verbeeldend tot groote dingen geroepen te zijn, eenigen, die de zaak ernstiger opnamen, noemden de zaak gevaarlijk; zij kon immers door de Engelschen betaald zijn om als spion in het vijandelijke leger te dringen.
Heviger werden de beraadslagingen, en schenen tot geen resultaat te voeren, totdat tegen het einde van den tweeden dag de koning sprak op beslister toon, dan men van hem gewoon was:
âNu alles verloren is, kunnen wij nog wel hooren naar hetgeen dat meisje ons te zeggen heeft. Ik zelf wil haar ondervragen. Dat zij morgen avond bij ons worde toegelaten!quot;
Men durfde den koning, nu hij eindelijk een wensch uitsprak, niet weerstreven, maar de meeningen bleven verdeeld, terwijl eenigen vol hoop zich richtten naar het lichtstraaltje, dat de geheimzinnige herderin voor hen liet flikkeren, spotten en lachten de anderen, en verzekerden op hoogen toon dat zij hun handen in onschuld wieschen, daar groote jammer nog uit deze nieuwe gril des koning kon voortkomen.
En toen des nachts alles in het kasteel van Chinon in duisternis gehuld was, toen niets in de zalen, gangen en binnenpleinen weerklonk dan de eentonige stappen der schildwachten op de tinnen der torens, sloop een gedaante de kapel in. Daar in het bijna geheel donkere heiligdom, slechts flauw door de Godslamp verlicht, knielde hij neer en boog diep het hoofd ter aarde ; hevige snikken schokten de jeugdige gestalte ; ongezien van de menschen, gaf zich de koning van Frankrijk hier over aan zijn bittere droefheid, die schier tot wanhoop steeg.
Radeloos wrong hij de handen en richtte toen de oogen ten
61
hemel, zijn lippen alleen bewogen zich en geheel onhoorbaar steeg een vurig gebed ten hemel.
Dat scheen hem kracht terug te geven en moed; de uitdrukking van zijn smart bedaarde, berusting en gelatenheid teekenden zich op zijn trekken, nogmaals boog hij het hoofd nu echter in eerbiedige onderwerping en langzaam sloop hij heen om in de koninklijke vertrekken terug te keeren en daar op zijn legerstede de slaap te zoeken, die hem maar al te dikwijls ontvluchtte. _
IV.
Van alle kanten uit den omtrek waren de edelen naar Chinon toegestroomd; de faam der herderin uit het Land van Lotharingen, die den Dauphin in naam van den koning des Hemels hulp en overwinning beloofde, was uren ver in den omtrek doorgedrongen.
Men wist dat de vorst eindelijk besloten had haar te ontvangen en nu snelde men toe om hun ontmoeting bij te wonen, het wonderbare meisje van nabij te aanschouwen, hoop of teleurstelling in haar tegenwoordigheid op te vatten.
De groote zaal van het kasteel was voor de ontvangst der jonkvrouw bereid; men wilde door den schijn van koninklijke macht en luister indruk op haar maken, misschien haar afschrikken van de zending, die zij op zich had genomen.
Meer dan driehonderd edelen vulden de zaal, die twintig meter in het vierkant groot was; een aantal fakkels door schildknapen gedragen wierpen hun rooden gloed over de wapenrustingen der edelen, over het verguldsel van den troon, en over de tapijten, die langs de muren hingen; verscheidene hooge geestelijken hadden zich bij de ridders gevoegd, allen in de grootste spanning over hetgeen er zou gebeuren.
De troon bleef nog ledig, de koning had besloten er geen plaats te nemen, maar een zijner baronnen, die in houding, leeftijd en voorkomen het meest met hem overeenkwam daar te laten zetelen. Naast den troon waren de koninginnen gezeten , nog op het laatste oogenblik trachtten de hooge waardigheids-bekleeders den vorst te bewegen van zijn plan af te zien, maar
62
Karei bleef, hardnekkig weigeren ; 't eenige waarin hij toestemde was, door zich te vermommen, een proef te nemen op de waarheid van Jeanne's zending.
Intusschen had de jonkvrouw de haar aangewezen woning verlaten ; zij had voor dezen keer haar vrouwelijke kleederen weer aangetrokken ; de laatste uren had zij in het gebed en in samenspraak met hare stemmen doorgebracht; nu volgde zij met vasten tred en opgeheven hoofd de wachten, die haar begeleidden naar het koninklijke kasteel.
Op het oogenblik dat zij door de poort schreed, begon een ruwe krijgsknecht op haar te schelden :
âNaar den duivel met de gekkin en haar God!quot; zeide hij grijnslachend.
Jeanne keerde zich naar hem om en zeide ernstig :
âFoei! Hoe kunt gij God verloochenen ? Gij, die toch zoo dicht bij den dood zijt!quot;
Nog geen uur later viel de man in het water en verdronk.
In de voorkamer der groote zaal moest Jeanne lang wachten ; tot het laatste wilde men den koning beletten haar te ontvangen.
Eindelijk gingen de deuren open en Jeanne verscheen in de tegenwoordigheid des konings.
Zij schreed voort recht op den troon ; haar gang was los en vrij, maar toch vol maagdelijke zedigheid, haar blikken dwaalden niet door de zaal; zoo scheen zij vervuld door haar gedachten en door den ernst van het oogenblik.
Ademloos staarden allen haar aan, een eenvoudig meisje, frisch en gezond van uiterlijk, met een vriendelijk open gelaat, en door de zon verbrande kleur. Alles in haar verried het eenvoudige landmeisje, niets de heldin of zieneres.
Zij ging langs die rijen van adelijken en krijgers zonder hun met een blik te verwaardigen ; op den troon alleen vestigde zij haar blikken, maar nauwelijks had zij het oog geslagen op hem, die daar zetelde in zijn koninklijk gewaad of zij wendde zich van hem af en richtte zich naar de dichte rijen der hovelingen, in wier midden, gekleed als zij. Karei VII zich had begeven ; zonder aarzeling vond zij hem, viel voor hem ter aarde, kuste zijn voeten en sprak :
63
âGod schenke u leven, edele Dauphin !quot;
âGij vergist u,quot; zeide de koning, âIk ben den koning niet. Daar zit hij ginds op den troon.quot;
âEdele vorst,quot; antwoordde zij met haar zachte stem, die echter helder als metaal door de zaal klonk, âgij zijt het en niemand anders.quot;
âWelnu, wat wilt ge van mij?quot;
âDoorluchtige Heer, mijn naam is Jeanne de Maagd, en ik kom op bevel van God U helpen oorlog te voeren tegen den Engelschman.quot;
De koning glimlachte en Jeanne ging voort:
âWaarom gelooft gij mij niet? Ik zeg u dat God medelijden heeft met u en met uw volk. De Heilige Lodewijk en Karei de Groote hebben voor hem neergeknield zooveel voor u gebeden, dat Hij hen verhoord heeft.
âWie zijt gij dan om zoo tot mij te spreken ?quot; vroeg de koning.
âIk ben niets dan een arme boerin, die noch lezen noch schrijven kan. Maar onder de wapenen zal ik u dienen, en God zal uw redding zijn!quot;
Een rilling ging door de vergadering; haar vaste stem en beslist optreden troffen minder nog dan de zedige gratie en bescheiden zachtheid, waarmede zij tot den koning sprak, ten aanhoore van het geheele hof.
âEu wat is u dan opgedragen ?quot; vroeg Karei nogmaals.
âAls gij mij krijgslieden geeft, zal ik liet beleg van Orleans doen opbreken en u in Rheims laten kronen ten spijt van al uw vijanden. Het is de wil van mijn Heer, dat de Engelschen terugkeeren naar hun land en u in het rustig bezit laten van uw rijk, waarvan gij toch de eenige en wettige erfgenaam zijt; en indien gij het Gode ten offer brengt, zal hij het u grooter en bloeiender maken dan uw voorgangers het gekend hebben en slecht zal het den Engelschen vergaan, als zij zich niet verwijderen.quot;
Verbaasd, ja zelfs verschrikt zagen de hovelingen elkander aan; dat was niet de taal van een zwak meisje maar van een vrouw, die zich haar zending bewust is en vertrouwt op de hulp van Een, voor wien de machtigste volken en koningen niets zijn dan de treden der banken onder Zijn voeten.
64
De koning, 't diepst getroffen van allen, nam Jeanne bij de hand en geleidde haar naar een vensternis, die zich ten noordwesten der zaal bevond.
âJeanne,quot; sprak hij, âgeef mij een teeken, waaraan ik weten kan, dat gij werkelijk door God gezonden zijt.quot;
âEdele Vorst, herinner u, dat gij dezen nacht uw slaapzaal verlaten hebt, door niemand gezien dwaaldet gij door de gangen en in de kapel gekomen, zijt gij neergeknield voor het altaar en onder tranen en snikken hebt gij God een vurig gebed gedaan.quot;
âEn wat heb ik gebeden?quot;
âGij hebt God gevraagd u slechts te redden van dood en gevangenschap, als gij niet de wettige Dauphin van Frankrijk waart; maar u te handhaven in uw rijk als gij werkelijk op dien titel recht hadt. Welnu, ik kom u zeggen uit naam van mijn Heer, dat gij inderdaad de zoon zijt des koninga en de rechtmatige erfgenaam van het Fransche koninkrijk.quot;
Toen hief de koning blijde het hoofd op, glans en leven flikkerden weêr in zijn oogen, de wolk van zijn voorhoofd was weggevaagd en de handen gevouwen zag hij dankend op ten hemel.
âNiemand ter wereld wist mijn gebed! Het kan u alleen geopenbaard zijn door Hem, tot wien ik het richtte. Jeanne, ik geloof en vertrouw u!quot;
En hij keerde zich weder tot zijn hovelingen en sprak hen toe.
âDat meisje heeft mij dingen gezegd, alleen aan God en mij bekend! Wanneer gij nog meer bewijzen verlangt van haar zending dan is dat uw zaak. Ik voor mij ben overtuigd.quot;
En de hovelingen stonden nog meer verbaasd over de verandering, die in den koning had plaats gegrepen.
âZou men niet zeggen,quot; fluisterden zij, âdat de Heilige Geest zelf hem heeft bezocht?quot;
Koningin Yolande nam het meisje aan haar zijde.
âZij staat onder mijn bescherming,quot; sprak zij, âals zij onderzocht en ondervraagd moet worden dan zal het wezen onder mijn toezicht.quot;
Zoo eindigde de voor eeuwig gedenkwaardige ontmoeting tus-schen den koning van Frankrijk en de herderin van Domrémy.
DERDE GEDEELTE. DE MAAGD VAN ORLEANS.
I.
Nu braken er moeilijke dageu aan voor Jeanne; de koning had besloten in overleg met den Aartsbisschop van Rheims hatvr aan een grondig onderzoek te doen onderwerpen.
Koningin Yolamle en haar vrouwen ondervroegen haar eerst over haar vorig leven; zij wonnen inlichtingen in over haar familie, haar zedelijkheid, haar betrekkingen met de buitenwereld en deze eerste ondervragingen kwamen allen ten gunste van het meisje uit.
Alles bewees, dat zij waarheid had gesproken, dat zij niets anders was dan een eenvoudig herderinnetje van onberispelijk levensgedrag, die nooit iemand anders gesproken had dan de bewoners van haar dorp, wier godsvrucht en arbeidzaam leven onopgemerkt waren voorbijgegaan tot op den dag, toen zij verklaarde door hemelsche stemmen te zijn opgeroepen om haar dorp, haar ouders, haar spinnewiel en herdersstaf te verlaten, het krijgsmanskleed aan te gorden, den koning bij te staan, Orleans te verlossen, den vijand te verjagen en den Dauphin zelf in Rheims te laten kronen.
Toen dit eerste onderzoek afgeloopen was, werd Jeanne naar Poitiers opgeroepen, waar een geestelijke rechtbank vergaderd was om over de waarheid barer openbaringen te oordeelen en te beslissen of zij Gods dan wel des duivels werk waren.
âIk zal het hard te verantwoorden hebben,quot; zeide het meisje, âmaar God zal er voor zorgen.quot;
En zij verscheen voor de rechtbank, die samengesteld was uit bisschoppen, geleerde priesters en monniken. De stukken van dit onderzoek zijn helaas! niet bewaard gebleven, slechts enkele antwoorden door Jeanne gegeven zijn tot ons gekomen; het blijkt
5
66
echter uit alles, dat de ondervraging buitengewoon streng was en tot in de minste bijzonderheden afdalende.
Men trachtte op alle manieren, door spitsvondige strikvragen, door een kruisvuur van tegenstrijdige verklaringen, het meisje met zich zelf in tegenspraak te brengen, om haar op de een of andere onwaarheid te betrappen.
Zij had het zwaar te verantwoorden, het zeventienjarige ongeletterde kind, tegenover die mannen, vergrijsd in de studie en gewoon om de diepzinnigste, cheologische vraagstukken grondig te behandelen. Met een voorzichtigheid, die zeker ten hoogste prijzenswaardig was, trachtten zij het meisje, dat op zulk een geheimzinnige wijze tot hen gezonden werd, in verwarring en tot bekentenis te voeren zeker als zij zich achtten, dat, wanneer haar zending werkelijk uit God was, zij alle moeilijkheden, hoe groot en onoverkomelijk ook, zou kunnen overwinnen.
En dit geschiedde!
Jeanne bezat geen andere wapenen, geen andere geleerdheid om die tegenover de scboolsche wijsheid der doctoren te stellen, dan haar onschuld en de waarheid barer beweringen; op alle vragen antwoordde zij eenvoudig en oprecht, zooals zij later haar rechters zou te woord staan.
Nergens betrapte men haar op een aarzeling, een tegenstrijdigheid; de buitengewone gevatheid barer woorden werd slechts overtroffen door de goede trouw, die uit al haar verklaringen sprak en uit de zuivere godsvrucht en het onwankelbare geloof,
dat haar bezielde.
âJeanne,quot; sprak een der godgeleerden, âgij vraagt gewapende mannen, en gij verklaart, dat bet Gods wil is, dat de Engelschen heengaan. Maar als gij de waarheid spreekt, dan zijn er geen krijgslieden noodig. De wil Gods alleen is voldoende om de Engelschen uit het land te verjagen.quot;
âWel,quot; antwoordde Jeanne, âde krijgslieden zullen vechten, en God zal de overwinning geven.quot;
Een Dominicaner broeder uit Limoges, was er vooral op uit haar in verwarring te brengen, en vroeg haar onder anderen in het platte dialect van zijn vaderstad, welke taal haar stemmen spraken.
67
âEen betere taal dan de uwe,quot; antwoordde het meisje.
Onwillekeurig schoot de ernstige vergadering in een lach bij die gulle verklaring.
,;Maar Jeanne,quot; vroeg dezelfde broeder, gelooft gij niet aan God?quot;
âBeter dan gij!quot;
âMaar als God wildet, dat men u geloofde, zou Hij u de macht geven om door teekenen uw zending te openbaren.quot;
âBreng mij naar Orleans, en ik zal u teekenen geven met de wapens in de hand!
Het getalm door dit strenge onderzoek ontstaan, maakte Jeanne soms ongeduldig; terwijl men hier in het eindelooze redeneerde en woorden schifte, dreigde Orleans verloren te gaan.
Reeds drie weken duurde het onderzoek en nog scheen er geen einde aan te komen; tevergeefs drong Jeanne aan op meer haast. Eens een dapperen schildknaap in de zaal ontdekkend, klopte zij hem vriendelijk op de schouders en zeide:
âDat is nu een man van goeden wille, zooals ik ze noodig heb.quot;
âMaar arm meisje!quot; zei de aartsbisschop tot haar. âZiet gij dan niet, dat gij geheel en al onbekwaam zijt tot uw taak, gij die volstrekt niets geleerd hebt.quot;
âJa,quot; antwoordde Jeanne, âik ken noch a noch h, maar dit belet niet, dat ik Orleans moet verlossen en den Dauphin tot koning maken.quot;
âJeanne,quot; vermaande een der doctoren, âgij zijt veel te aanmatigend ; herinner u, dat gij tegenover godgeleerden staat, die alle boekeu bestudeerd hebben.quot;
En Jeanne hernam ;
âMessire! (Mijn Heer) God heeft een boek, waarin nooit een godgeleerde gelezen heeft, hoe goed geleerd hij ook mag zijn.quot;
De doctoren zagen elkander .stom van verbazing en overstelpt van eerbiedig ontzag aan; dit meisje beschaamde hun wijsheid; ongetwijfeld zij putte haar kennis uit een nog hoogere bron dan zij.
Haar gelaat schitterend van een bovenaardschen gloed, verried haar innerlijke gemoedsbeweging en als bezield door een hoogere macht, wendde zij zich tot Jean Erault, één der geleerdste doctoren, en beval hem :
68
âNeem papier en inkt, meester Jean Erault en schrijf wat ik u zeggen zal:
âAan de belegeraars van Orleans!
âSuffolk, Glasdale en Bedford! Ik beveel u in naam van den Koning des Hemels naar Engeland terug te keeren.quot;
En de mannen, die haar rechters meenden te zijn, bogen zich voor haar geheimzinnige macht en eindigden met te verklaren dat Jeanne een zeer braaf, eerlijk meisje was en dat, gezien den dringenden nood, waarin men zich bevond en het gevaar, dat de stad Orleans bedreigde, de koning haar hulp moest aannemen. In geen geval kon dus den koning of zijn raadslieden het verwijt treffen, dat men lichtzinnig aan de woorden der herderin had geloofd.
Met wantrouwen en zelfs vooringenomenheid hadden de godgeleerden van Poitiers het onderzoek begonnen ; in die dagen was het geloof aan tooverkunst en hekserij algemeen verspreid, men kon niet te voorzichtig zijn ten opzichte van hen, die verklaarden vizioenen te hebben en hemelsche stemmen te hooren, maar Jeanne dwong hen aan haar waarheidsliefde te gelooven.
Toen zij na den afloop van het onderzoek door de straten van Poitiers ging om naar Chinon terug te keeren, wierp het volk van alle kanten zich voor haar neder, men kuste al schreiend haar kleederen en riep haar hulp in.
Zij weerde hen vriendelijk en opgeruimd van zich af, en op het gezicht barer flinke jeugd, barer zedige houding en open blik steeg hun geestdrift; zij vroegen niets meer, zij twijfelden aan niets, zij geloofden vast aan haar goddelijke zending, aan de overwinning, die zij hun beloofde.
De koning benoemde nu Jeanne tot hoofd van het leger en gaf haar een schildknaap, twee pages, twee wapenherauten en een aalmoezenier tot gevolg.
Hij zelf wilde haar een zwaard geven, maar Jeanne verklaarde, dat God zelf hier voor zou zorgen. Haar stemmen hadden haar gezegd, dat er een zwaard verborgen was achter het hoofdaltaar der St. Gatharinakerk te Fierbois en dat zij zich hiermede moest omgorden.
Dadelijk werden eenige mannen naar Fierbois gezonden om
69
de opgravingen te doen en zij vonden inderdaad op de aangegeven plaats het oude wapen.
Dit nieuwe bewijs voor de waarheid harer woorden en den bovennatuurlijken oorsprong barer zending, versterkte het vertrouwen in baar hulp.
Nog verlangde Jeanne een banier, deze werd voor baar gemaakt, van witte zijde, bezaaid met leliën; aan de eene zijde stonden de woorden: B J e s u sâM aria, aan de andere was de Zaligmaker afgebeeld, in de eene band den wereldbol houdend, terwijl twee engelen aan weerszijden in aanbidding voor Hem verzonken lagen.
Nu was Jeanne gereed, zij bezat bet teeken waardoor zij overwinnen zou, de banier van den Koning des hemels, die baar gezonden had en door wiens macht zij zou zegepralen.
71
II.
Jeanne vertrok naar Blois om van daar met een nieuwen aanvoer van levensmiddelen Orleans van de landzijde binnen te trekken. In Blois was de stemming ten haren opzichte niet zoo gunstig als in Poitiers, de ruwe soldaten uit de laagste rangen der maatschappij bijeengegaard, lachten en spotten om het meisje, dat voortaan hun overste zou zijn, maar nauwelijks verscheen zij voor hen in haar blinkend harnas, de sporen aan de laarzen, een bruine wapenrok neervallend tot haar knieën, op haar hoofd een zwart vilten hoed, het geheimzinnige zwaard van Fierbois aan haar zijde en de banier in de hand, of spotlust en minachting maakten plaats voor eerbied en ontzag.
Er ging een onverklaarbare macht van haar uit, een reine veredelende invloed, die ieders mond toesnoerde als deze ruwe vloeken of oneerbare woorden wilde uitspreken.
Lahire, eerst haar verklaarde tegenstander, was langzamerhand ook gewonnen en aangetrokken door haar eigenaardige persoonlijkheid vol vrouwelijke lieftalligheid maar zelfs in haar bijzijn kon hij zich niet onthouden van zijn gewoonte om door vloeken aan zijn woorden kracht bij te zetten.
âHeer Lahire,quot; sprak zij, âweet gij wel, dat het groote zonde is telkens om elke kleinigheid Gods naam te lasteren ? Ik bid u, laat van deze zondige gewoonte af; God zal er u anders voor straffen !quot;
â't Helpt mij niets,quot; antwoordde Lahire lachend, âof ik u beloof niet meer te vloeken. Zoodra ik toornig word.. . quot;
âWat vrij dikwijls gebeurt,quot; viel Jeanne in.
âHelaas ja! ontvallen de vloeken en verwenschingen mijn mond en zelfs in tegenwoordigheid des konings kan ik ze niet terughouden.quot;
âMaar de tegenwoordigheid van den Koning des Hemels, die u altijd ziet en hoort, moet u toch beletten zulke schandelijke taal uit te spreken. Bedenk, welk voorbeeld gij daardoor aan uw soldaten geeft.quot;
En Lahire, die zelfs den koning en aan de koninginnen zonder omwegen de waarheid durfde zeggen, nam gedwee de vermaningen van het boerenmeisje aan.
72
âIk zou niets liever willen, Jeanne,quot; zeide hij onderworpen, âdan mij beteren van die slechte gewoonte, maar waarlijk ik kan niet, ik moet altijd iets tot getuige nemen van mijne woorden.quot;
âWelnu dan,quot; riep Jeanne vroolijk, âals gij toch bij iets moet zweren, zweer dan bij uw stok !quot;
âDat ware te beproeven,quot; antwoordde hij hartelijk lachend, âdat is nog eerst een flinke getuige.quot;
âEn dan heer Lahire,quot; ging Jeanne op haar gewonen naïeven* toon voort, âals wij overwinnen dan zal het zijn door en met God; Hij is onze opperste Koning, onze onzichtbare bevelhebber. Het is noodig, dat wij allen met Hem verzoend zijn en in staat van genade ons op weg begeven. Ik geloof, dat uw geweten in geen goeden staat verkeert en dat het zeer lang geleden is, sinds gij te biechten gingt of zelfs tot mijn Heer God badt!quot;
Lahire's verweerd krijgsmansgezicht werd rood van schaamte bij haar woorden;
âMisschien hebt gij wel gelijk, Jeanne,quot; antwoordde hij verlegen, âmaar wat het bidden betreft, nu en dan bid ik een kort en kernachtig gebed, niet alle dagen maar toch van tijd tot tijd!quot;
âNu laat eens hooren dat mooie gebed Iquot; vroeg Jeanne.
âHeer God !quot; zeg ik dan, âik bid U, doe voor Lahire, wat Lahire voor ü zou doen, indien gij in zijn plaats waart en hij in de Uwe !quot;
âNu dan heer Lahire ! als gij wilt dat God u en uw wapens genadig zal zijn, begeef u dan ter biecht; uw voorbeeld zal onze soldaten aansporen hetzelfde te doen en dan gaan wij met een licht en zuiver hart naar Orleans en verjagen den vijand ! Met God kunnen wij alles, zonder Hem niets.quot;
Valsche schaamte belette Lahire eerst haar de gevraagde belofte te geven, maar zij liet hem niet met rust, voordat hij eindelijk toegaf en zich met God verzoende; ook de andere krijgshoofden en soldaten keerden zich op zijn voorbeeld tot God. Het volk was evenals in Poitiers weldra vol geestdrift voor de maagd; het hief psalmen en lofzangen aan en bad God haar de overwinning te geven. Toen het oogenblik van vertrek gekomen was, liet Jeanne haar aalmoezenier met andere geestelijken den tocht
73
openen; zij hieven het Veni Creator aan, toen volgde zij aan het hoofd harer troepen. Het volk van Blois deed de strijdbare schaar uitgeleide tot ver voorbij de poorten, hun schitterende zegepralen toewenschend.
Jeanne, brandend van ongeduld, wil langs den kortsten weg Orleans bereiken, maar de generaals waren van een ander gevoelen.
âWij zouden dan komen langs den kant, waar de Engelschen het talrijkst en het best versterkt zijn,quot; verklaarden zij.
âDes te beter,quot; was haar antwoord, wij zullen er te meer verdienste en eer van hebben. Wij gaan er regelrecht heen ! Zoo bevelen het mijn stemmen !quot;
Het zal geschieden volgens uw wensch!quot;
Maar men durfde het niet wagen haar wil te doen ; zonder dat zij het wist, en vertrouwend op haar onbekendheid met de wegen bereikten zij Orleans langs een grooten omweg en het was eerst vóór de wallen der stad, dat Jeanne bemerkte, hoe men haar bedrogen had.
Zij was er verontwaardigd over en toen de bevelhebber der stad, de grootste veldheer der Franschen, de dappere Dunois, bastaard van Orleans, haar te gemoet kwam, ontving zij hem met een somber, ontevreden gelaat.
âZijt gij de bastaard van Orleans ?quot; vroeg zij hem kort en scherp.
âHij zelf, die zeer blijde is over uw komst,quot; antwoordde Dunois, zich hoffelijk voor haar buigend.
Maar zonder eenige plichtplegingen vervolgde zij :
âZijt gij het, die hun den raad gegeven hebt, langs een omweg hier aan te komen en niet dwars door de troepen der vijanden ?quot;
âDe verstandigste krijgsoversten waren voor dezen omweg,quot; verklaarde Dunois.
De meening van mijn Heer is meer waard dan de uwe en de hunne. Gij hebt mij willen bedriegen, nu zijt gij bedrogen!quot;
âBrengt gij ons goede hulp, Jeanne?quot;
âDe beste, die er ooit was, de hulp van God!quot;
âWij zullen u dan veel te danken hebben.quot;
âVolstrekt niet! Deze hulp wordt u niet geschonken ten wille van mij maar uit groot medelijden met het koninkrijk van Frankrijk,
74
op de voorbede van den Heiligen Karei den Grooten en den Heiligen Lodewijk.quot;
Zonder eenig bloedvergieten kwam haar krijgsmacht Orleans binnen ; het was den 29'u'quot; April om acht uur des avonds, dat Jeanne haar plechtigen intocht deed in de zwaar beproefde stad.
Zij was op een wit paard gezeten en zelf in het wit gekleed, voor haar uit ging de heraut, haar banier in de hand, naast haar reed Dunois, de bevelhebber der stad in zijn blinkende wapenrusting; achter hen volgden tal van dappere ridders, schildknapen en soldaten.
Inderdaad zooals, zij daar bij het vallen van den avond, sneeuwwit en schitterend als een door God gezonden engel haar intrede deed in de sombere stad, scheen het of er een bovennatuurlijke kracht van haar uitging, het volk kwam haar juichend en jubelend tegemoet.
Alle geleden ellende was vergeten, zij voelden zich reeds bevrijd en gered op het gezicht der maagd, die verscheen om hen te .verlossen uit den bitteren nood.
Mannen, vrouwen, kinderen omringden haar van alle kanten : ieder trachtte iets van haar of ten minste van haar paard aan te raken.
âJeanne,quot; vroegen zij haar, âgelooft gij, dat God zich over ons zal ontfermen?quot;
âJa, beste Franschen,quot; antwoordde zij. â't Is waarlijk al treurig genoeg, dat de Engelschen uw goeden hertog in gevangenschap houden. Zij zullen zijn stad niet hebben.quot;
Dunois en zijn dapperen wenschten niets liever dan reeds den volgenden dag te beginnen met den strijd; allen voelden zich door Jeanne's tegenwoordigheid op nieuw bezield door moed en oorlogslust, maar Jeanne wilde nog van geen begin der vijandelijkheden hooren.
âIk wil geen nutteloos bloedverlies, laat vooreerst zien wat wij door goede woorden en vredelievende aanbiedingen kunnen verkrijgen,quot; sprak zij.
De veldheeren haalden de schouders op en mompelden:
âZij wil strijd voeren als een meisje, daar zal zij veel mede winnen!quot;
77
Jeanne zond echter haar heraut naar de wallen en liet hem de volgende dagvaarding, die zij reeds in Poitiers had opgesteld en gedicteerd, voorlezen aan de Engelschen:
âKoning van Engeland, en gij Hertog van Bedford, die de Engelsche legers aanvoert, gij allen plaatsvervangers van den hertog, doet den wil van den Koning des Hemels!
Ik ben de Maagd gezonden door God! Geeft de sleutels terug der goede steden door u in Frankrijk genomen en verkracht.
âMij is de zending opgedragen recht te doen!
âIk ben bereid tot den vrede, als gij Frankrijk verlaat!
âIndien gij niet vertrekt, wacht dan de daden af van de Maagd, die tot uw schade zullen uitloopen. Gij allen zult verjaagd of gedood worden!
âKoning van Engeland, meen toch niet, dat gij het Fransche koninkrijk van God zult verkrijgen. Koning Karei, de rechtmatige erfgenaam zal het bezitten en hij zal in goed gezelschap Rheims binnen trekken, God wil het!
âWanneer gij niet naar rede luistert, zal er een groot bloedbad zijn, zoo groot als er in duizend jaren niet in Frankrijk is geweest.
âIn den strijd zal men zien, wie het beste recht heeft.quot;
Wie kan zulke woorden lezend, begrijpen, dat het ongeletterde, eenvoudige, zeventienjarige boerenkind ze in zich zelf vond ? Wie kon haar de taal geleerd hebben, die men spreekt tegen koningen en ridders? Zij zelf verklaart, dat het haar Heiligen waren, de afgezanten Gods, die spraken door haar mond.
De Engelschen lachten om die toespraak en beantwoordden ze met schimpredenen en smaadwoorden :
âGemeene meid !quot; riepen zij haar toe, âwij zullen je in het vuur werpen en roosteren. Ga naar je dorp terug en hoed je koeien. Je bent niets dan een veile deern !quot;
Deze uitdrukking bedroefde Jeanne bitter en kostte haar vele tranen.
âAch,quot; zuchtte zij, âdat is een leugen. God weet het wel Iquot;
Toen ging zij naar haar bidvertrek en zocht troost in het gebed.
78
III.
De vredelievende aanmaningen bleken vruchteloos en men moest nu wel overgaan tot den aanval. In den krijgsraad gaf zij als haar meening te kennen, dat men moest beginnen.
âWij moeten de belegeraars belegeren,quot; zeide zij.
âHet is nog te vroeg om zoo iets te ondernemen,quot; antwoordden de voornaamste bevelhebbers.
âEn ik zeg u, dat wij het doen moeten, hoe eer hoe beter,quot; verklaarde Jeanne op een toon zoo beslist, dat eenigen dei-oversten er door overtuigd raakten, maar een hunner riep toornig uit:
âOmdat men naar de meeniug van een meisje van lage afkomst meer luistert, dan naar die van een ridder zal ik mij er niet meer tegen verzetten. In het uur van den strijd zal mijn goed zwaard spreken en misschien zal ik er bij sterven, maar de koning en mijn eer verlangen het. In afwachting daarvan geef ik u mijn banier terug en wil niets meer zijn dan een gewoon schildknaap, want ik heb liever een adellijk heer tot meester, dan een meid, die voor dat zij hier kwam, ik weet niet wat geweest is..
En zijn banier oprollende stelde hij ze aan Dunois ter hand, maar Dunois herstelde den vrede; hij overtuigde Jeanne, dat men beter deed eenige dagen te wachten totdat de versterking zou zijn gekomen, die hun beloofd was en den ouden snorrebaard bracht hij tot bedaren door hem er op te wijzen, hoe Jeanne slechts handelde voor hun aller welzijn, waarom hij zelf, een prins van koninklijken bloede, zich uit vrijen wil aan haar onderwierp.
Den 4en Mei kwamen werkelijk de versterkingen zonder ongeval aan, maar op denzelfden dag hoorde men, hoe ook de Engel-schen hulp verkregen door de aankomst van Sir John Falstaff, een zeer gevreesde krijgsoverste.
In plaats van hierdoor ontmoedigd te worden, juichte Jeanne.
âBastaard, in naam van God,quot; zeide zij tot Dunois, âbeveel ik u mij te waarschuwen, zoodra gij de aankomst verneemt van Falstalf.
79
âEn als ik het niet doe?quot; vroeg Dunois schertsend.
âDan.quot; antwoordde Jeanne vroolijk, op den zelfden toon, âzal ik u het hoofd laten afslaan.quot;
âNu als het zoo ernstig gemeend is,quot; hernam Dunois, âbeloof ik u te doen waarschuwen.quot;
Gerustgesteld ging Jeanne slapen; zij was ingekwartierd bij een vrouw van goeden naam, die haar vol eerbied behandelde en haar haar eigen bed had afgestaan. Maar Joanne kon geen slaap vinden; de gedachte aan Falstaff liet haar geen rust. Eensklaps sprong zij op, riep haar schildknaap en zeide hem:
âVlug! Gij moet mij wapenen! Mijn stem zegt mij, dat ik tegen de Engelschen moet oprukken.quot;
De schildknaap begon haar te wapenen, â toen een groot ge-druisch zich deed hooren.
âNaar den vijand! Ten strijde, ten strijde, het gevecht begint!quot; riep men.
âAch Heer!quot; zuchtte Jeanne âhet bloed van onze mannen stroomt over de aarde en ik ben er niet! Waarom mij niet gewekt? Mijn wapenen, mijn paard!quot;
En zij berispte den page scherper dan zij gewoon was:
âOndeugende jongen, die mij niet kwam zeggen, dat Frank-rijks bloed vergoten werd! Spoedig! op marsch!quot; Zij sprong op haar paard, wuifde met haar vaandel, en reed heen, de vonken spattend onder de hoeven van haar strijdros.
Bij den ingang der stad ontdekte zij een gewonde, dien men op een draagbaar vervoerde; dit gezicht ontroerde haar nog meer. Een weinig verder ontmoette zij vluchtelingen, het waren Fransche soldaten, die onberaden en lichtzinnig een bastion van den vijand hadden aangevallen. Door de overmacht gedwongen moesten zij vluchten en den aanval opgeven.
âTerug, terug!quot; riep Jeanne, zich aan het hoofd stellend, âin naam van God!quot; Moed en gij zult overwinnen!quot;
Het volk stroomde toe en volgde haar, men zou zeggen dat heel Orleans zich op de wallen bevond; drie uren duurde de aanval. Jeanne haar banier zwaaiend, scheen op alle punten tegelijk te zijn, de Engelschen verdedigden zich dapper maar moesten eindelijk den strijd opgeven. Het bastion werd ingenomen en de verdedigers
80
allen gedood. Jeanne bedroefde zich echter, omdat zoovele dappere mannen stierven zonder voorbereiding en trachtte zooveel van hen te redden als zij kon. Onbeschrijfelijk was de geestdrift bij deze eerste overwinning. Juichend en jubelend omringde haar het volk; men verhaalde elkander, hoe zij geheimzinnig was gewaarschuwd over het begin van den strijd, anderen dat zij mannen in volle wapenrusting hadden gezien op witte paarden de lucht doorklievend, die onophoudelijk de Franschen toeriepen ; âVreest niet; vreest niet! De maagd is met u!quot;
Niemand twijfelde meer aan haar bovennatuurlijke zending, niemand vreesde meer de nederlaag. De Engelschen daarentegen verloren den moed, vroeger hadden zij slag op slag gewonnen. Tweehonderd hunner waren voldoende geweest om vijfhonderd Franschen te verslaan. En nu gebeurde het tegenovergestelde.
âVervloekt die tooverheks, die van den duivel bezeten deern !quot; riepen zij in hun bittere ergernis, maar Jeanne dankte God en tot het volk, dat, dronken van blijdschap en bezield door nieuwe hoop, haar kleeren en voeten kuste, sprak zij ;
âMij moet gij niet bedanken, maar Hem, die mij gezonden heeft. Ik wensch den Engelschen geen kwaad, maar alleen, dat zij terug-keeren naar hun land.quot;
Den volgenden dag liet Jeanne op nieuw den Engelschen aanzeggen, dat zij vrede moesten maken en het beleg opbreken ; zij zend hun een brief door middel van een pijl en riep hun toe:
âLeest, leest! Daar is iets nieuws, voor u ! Engelschen ! gaat heen, als gij schande en ongeluk wilt ontkomen!quot;
De Engelschen antwoordden alweder met bittere scheldwoorden en Jeanne, die nooit toornig werd dan als men haar deugd verdacht, daagde hen, die haar beleedigden uit, zich in tweegevecht met haar te meten.
Maar niemand waagde het te komen ; het zou te belachelijk zijn, als zij het veld moesten ruimen voor een meisje.
Jeanne wilde dadelijk de groote versterkingen der Engelschen, die zich op den linkeroever der Loire bevonden, aanvallen ; maaide Fransche veldheeren besloten in een krijgsraad, die zij zonder Jeanne hielden, dit slechts in schijn te doen om den vijand te verwijderen van de kleine forten; wanneer deze verlaten waren
81
82
door de verdedigers, meenden zij die zonder moeite te kunnen innemen. Toen dit besluit genomen was, riep men Jeanne en deelde haar het besluit mede, zonder haar echter de volle waarheid te zeggen, maar zij doorzag hen dadelijk.
âGij verbergt mij iets,quot; sprak zij, âzegt wat gij besloten hebt, ik kan dit geheim houden en grootere ook.quot;
De krijgsoversten zagen elkander aan, zij vonden het niet noodig het meisje op de hoogte te brengen van al hun plannen, maar Jeanne drong aan, zij werd zelfs boos en ging met groote stappen de zaal op en neer.
Dunois, de verstandigste van hen, stelde haar tevreden en vertelde haar alles.
âJeanne moet alles weten, zij heeft er recht op,quot; zeide hij. Jeanne, hoewel het plan niet goedkeurend, beloofde het te helpen uitvoeren, maar de eerste aanval liep niet goed af. De Engelschen verbrandden zelf het kleine fort, dat men wilde nemen en trokken al hun krachten samen in de groote versterkingen van de Augustijnen en de ïourelles. Reeds plantte de Maagd haar standaard op den oever der gracht van het eerste fort, toen een panische schrik haar soldaten aangreep, die haar meesleepten in hun vlucht.
Dronken van vreugd stortten de Engelschen in grooten getale uit hun forten.
âDe deern moeten wij hebben. Nu toont, zij wel wat zij kan, vluchten als een lafaard, wat zou een meisje beter doen,quot; zoo smaadden zij haar en onder luide gillen en vloeken snelden zij de vluchtelingen achterna.
Daar keerde Jeanne zich plotseling om.
âIn naam van God! Neer met de Engelschen!quot; riep zij uit, ontplooide haar banier en zwaaide die hoog boven haar hoofd.
Haar voorbeeld ontvonkte den neergeslagen moed barer land-genooten en Lahire, die haar zijde niet verliet, herhaalde het luide;
âNeer met de Engelschen!quot;
De vluchtelingen keerden zich om en vielen nu de Engelschen aan, die op hun beurt moesten terugwijken. Nieuwe krachten kwamen aan en men kon het groote fort bestormen.
Jeanne reed nu eens hier dan daar, altijd met haar banier
83
in de hand, riep zij haar mannen moed toe, bezielde hen met een onweerstaanbaar vuur; het gevecht was kort maar hevig, het bastion werd genomen en verbrand.
Maar Jeanne werd aan den voet gewond; reeds dagen tevoren had zij voorspeld, dat zij dezen dag gekwetst zou worden. En toch wilde zij niet terugkeeren in de stad.
âAls mijn mannen den nacht buiten de muren moeten doorbrengen, dan wil ik het ook doen,quot; verklaarde zij.
Dunois en Lahire deden wat zij konden om haar over te halen eenige rust te nemen. Eindelijk gaf zij toe, op hun verzekering, dat zij beter deed haar krachten zoo hoog noodig voor het leger te sparen.
âJeanne was onvermoeid, de schitterende uitslag der eerste gevechten bezielde haar met nieuwen ijver; reeds den volgenden dag wilde zij het andere Engelsche fort, de Tourelies, aanvallen.
Maar de meerderheid der veldheeren was van meening dat men dit nog moest uitstellen. Voorzichtig als altijd, wilden zij nog eerst de aankomst van nieuwe versterkingen afwachten en dit deelden zij Jeanne mede.
âGij zijt in uw raad geweest,quot; antwoordde zij, âen ik in den mijne. En de raad van mijn Heer God zal gevolgd worden, die der menschen zal vergaan.quot;
âTot de mannen, die haar omringden, zeide zij :
âZorg dat gij vroeg gereed zijt. Ik zal morgen hard werk hebben, en mijn bloed zal vloeien.quot;
Bij het eerste schijnsel van den dag besteeg Jeanne haar paard ; tevergeefs trachtten de oversten haar tegen te houden.
âHet is dwaasheid,quot; verzekerden zij, den aanval te wagen. Wij zijn met te weinigen en de overmacht der Engelschen is zoo groot.quot;
âEn als mijn Heer God medestrijdt ? Is Hij geen versterking hoe groot ook waard ?quot;
âKom Jeanne, wees verstandig; blijf van daag rustig in de
84
stad! Wij hebben heerlijke visch, en zullen u daarvan mede laten eten.quot;
âWacht tot van avond !quot; antwoordde zij lachend. Ik zal u wel een paar goddams (Engelschen) meebrengen, die er hun deel van willen hebben.quot;
En hun vroolijk een groet toewuivend reed zij snel weg, gevolgd door een groote schaar soldaten en burgers der stad.
Allen voelden zich door haar aangevuurd ; het was vereering, ja, bijna vergoding die hen vervulde voor de dappere jonkvrouw, die altijd even eenvoudig en vriendelijk bleef jegens ieder, die haar goddelijke roeping trouw vervulde en het onvrouwelijke werk, dat haar was opgedragen, verrichtte, zonder noodeloos bloedvergieten of ergerlijke ruwheid, die God vroom dankte voor elke overwinning, zooals zij vóór den slag nederig Zijn hulp en raad had ingeroepen. Niemand in Orleans twijfelde er aan, dat zij hun door God was toegezonden om hen te verlossen, juist toen de nood zoo dringend en nijpend werd.
De gouverneur der stad Gaucourt hield de wacht bij de poorten en weigerde Jeanne en de haren door te laten.
âGe zijt een boos mensch,quot; zeide zij, âen of het u behaagt of niet, maar de soldaten zullen er doorgaan en zij zullen overwinnen, zooals zij reeds overwonnen hebben.quot;
Bij deze woorden ontstond een groot tumult. De soldaten en het volk stroomden op de poorten aan en de Heer van Gaucourt moest toegeven en wijken, anders had het verwoede volk, dat blindelings zijn aanvoerster gehoorzaamde hem in stukken gescheurd.
Nu ging hij zijn beklag doen bij den militairen raad.
âDat meisje hoort naar niemand,quot; morde hij, âzij wil hier meer te zeggen hebben dan wij allen. Wat moeten wij doen?quot;
âHaar volgen,quot; antwoordde Dunois glimlachend en Lahire gaf hem gelijk en volgden spoedig de andere veldheeren en zelfs Gaucourt Jeanne.
Een ware reuzenstrijd ontbrandde thans ; de Engelschen hielden dapper stand en deden een regen van kogels en pijlen op de aanvallers neerkomen, maar de Franschen,} zonder zich om het vuur der
85
kanonnen, de steenen en pijlen te bekommeren, wierpen de borstweringen neder, daalden af in de grachten, beklommen de muren. Nauwelijks echter bereikten zij den top, of de vijand vloog verwoed op hen aan, de bijlen doorkliefden hun hoofden en handen, de zwaarden werden hun in de keel gestoken en zij vielen gewond of dood achterover, maar de anderen verloren den moed niet!
Jeanne wuifde haar banier en riep hun toe:
âHoudt vol en hebt goeden moed! Het uur nadert, waarop de Engelschen zullen verslagen worden. Alles loopt goed af!quot;
En als met nieuw vuur bezield, hervatten zij den aanval, daalden af in de grachten en klauterden op de wallen.
âVerbeelden die Fransche honden zich, dat zij onsterfelijk zijn?quot; vroegen de Engelschen aan zulk een tegenstand niet gewoon. Drie uren duurde het gevecht reeds en toen scheen er een oogenblik van matheid te komen in de aanvallen der Franschen.
Jeanne bemerkte het en snel daalde zij in de gracht af, zette een ladder tegen den wal en riep haar mannen toe:
âAarzelt niet!quot; De overwinning is ons!quot; Wie mij lief heeft, volge mij Iquot;
En moedig beklom zij den muur, maar een pijl trof haar tus-schen den schouder en den hals en zij viel achterover. Onmiddellijk snelden eenige mannen toe, en droegen haar weg; men maakte haar harnas los en toen zij haar bloed zag vloeien, verdween haar moed en zij begon te weenen.
Voor een oogenblik slechts bezweek haar heldenkracht en betaalde zij den tol aan haar oorspronkelijk teere vrouwennatuur; zij was ook nog zoo jong, nauwelijks achttien jaar.
âMijn stemmen hadden mij gezegd, dat ik van daag zou gewond worden. Het beteekent niets.quot; En zelf rukte zij het ijzer uit de wonde.
De soldaten vroegen haar of zij het bloed harer wond met tooverspreuk zouden stelpen, maar dit voorstel maakte haar toornig.
âIk zou liever sterven dan mij te bezondigen,quot; was haar antwoord, âzie maar eens of er geen ander middel is om mijn wond te genezen, zonder zoo zwaar te misdoen.quot;
Dit is een bewijs te meer hoe Jeanne alle tooverij en bijge-
86
loof verafschuwde; haar eenvoudige, reine godsvrucht schrikte daarvan terug als van een zonde.
Men verbond de kwetsuur met olijfolie en de pijn werd er door gelenigd.
De tijding echter van haar verwonding had ontmoediging gebracht in het leger en de veldheeren lieten den aftocht blazen, maar Jeanne had dit nauwelijks gehoord of zij snelde naar hen toe.
âIn naam van God,quot; zeide zij tot Dunois, âga niet heen. Laat onze mannen maar wat rusten. Laat ze eten en drinken en hernieuw dan den aanval. Er is geen twijfel aan, de Engelschen moeten toegeven, zij zullen met al hun torens en bolwerken bezwijken. Ik kan niet meer met u strijden, maar ik zal voor u bidden.quot;
En Dunois, zelf de dapperste en bekwaamste der Fransche veldheeren, gaf aan haar smeekingen toe en liet zijn manschappen rusten, maar bracht hen niet uit het veld.
Jeanne echter trok zich terug in een wijngaard niet ver van daar, knielde neer en bad, terwijl de Engelschen juichten en jubelden, omdat de door hen zoo gehate en gevreesde maagd gewond en naar zij meenden stervende was.
Na een korte rust werd de strijd hervat vuriger dan te voren. Jeanne's schildknaap mengde zich onder de strijders haar banier in de hand; uit de verte zag zij den strijd heet worden en haar vaandel hoog wapperen boven het gewoel; toen kon zij zich niet langer bedwingen en zonder te luisteren naar de beden van hen, die haar smeekten, zwak en gewond als zij was, zich niet meer in het gevecht te wagen, stortte zij zich tusschen de soldaten, zocht haar schildknaap en rukte hem het vaandel uit de hand. Zegepralend verhief zij haar standaard weer, de Engelschen, die haar reeds dood waanden, deinsden van schrik achteruit en de Franschen gloeiden van nieuwe geestdrift, werden met nieuw vertrouwen vervuld.
âZie of mijn vaandel den muur raakt,quot; vroeg zij aan eender ridders.
âZij raakt er aan.quot;
âWelnu dan is alles aan ons! Gaat binnen.quot;
En de Franschen met een heftigheid, waaraan niets weerstand
Bestorming van Tournelles.
89
bood, drongen zich tegen het fort, beklommen den muur zoo vlug of zij een trap bestegen.
En eenmaal op den platten wal gekomen, leverden zij verwoede gevechten man tegen man ; jvan beide kanten werden wonderen van dapperheid verricht.
Niemand echter, die met meer vuur en woede streed dan de Engelsche kapitein Glasdale; hij scheen de krijgsgod in persoon, zooals hij zijn mannen aanvuurde, zich zelf telkens in het heetst van het gevecht begaf, den dood ieder oogenblik trotseerde.
âHoudt u flink!quot; riep hij zijn gezellen, de bloem der Engelsche dapperen, toe. âWij zullen overwinnen ondanks die deern ! Wij zullen Orleans nemen en er geen mensch, man noch vrouw, in leven laten 1quot;
Maar de Engelschen verloren het hoofd bij den onvermoeiden aanval der Franschen en bij het terugzien der doodgewaande maagd.
âGod heeft ons verlaten!quot; riepen zij uit, â'tis de Hemel zelf, die met Jeanne tegen ons strijdt; de engelen zweven boven hun hoofden en de heilige Michael staat aan de spits hunner soldaten. Zie hoe de witte duiven fladderen om Jeanne's banier!quot;
âGlasdale,quot; riep Jeanne vol bewondering voor den onverschrokken held. Geef u over aan den Koning der Hemelen ! Gij hebt mij diep beleedigd en gehoond, maar ik heb groot medelijden met uw ziel en met die der anderen Iquot;
Glasdale trok zich met de zijnen terug op een brug, maar de vijanden staken die in brand en hij en zijn manschappen stortten in de wateren der Loire.
Toen Jeanne dit vreeselijk schouwspel zag, wendde zij het hoofd om en vergoot tranen van medelijden. De oorlog met al zijne gruwelen boezemde haar afschuw en angst in, maar gehoorzaam aan haar Goddelijken Meester, overwon zij dien natuurlijken afkeer en deed haar plicht, hoezeer deze ook streed tegen de neigingen van haar gemoed.
Het fort was [ingenomen, de Engelschen waren uit hun voornaamste versterkingen verjaagd, en de Engelsche veldheeren, die den rechteroever der Loire in bezit hadden, trokken zich terug om krijgsraad te houden; zij hadden Glasdale geen hulp kunnen
90
brengen en nog minder de stad van de landzijde aanvallen, zoo moedeloos waren hun troepen.
Nu zagen zij de belegerde stad haar overwinning vieren onder het blijde gelui der klokken, onder het gejubel der opgetogen inwoners; als een koningin was Jeanne de stad binnengetrokken, het geheele volk omringde haar met gejuich en haar in de kerk volgend, hieven zij met luide stemmen het âTe Deumquot; aan. De Engelschen hoorden die vreugdekreten en zij begrepen, dat hun niets anders meer overbleef dan het beleg op te breken.
In drie dagen had Jeanne hen overwonnen en verdreven, na een beleg, dat zeven maanden had gfeduurd.
Den volgenden dag, den 8en Mei, was een Zondag en reeds bij het krieken van den dag verlieten de Engelschen hun wachtposten en schikten zich in slagorde voor de stad, als wilden zij den Franschen nog een laatste kans op gevecht laten, vóór dat zij vertrokken.
De generaals wilden deze uitdaging aannemen, maar Jeanne, die te bed lag en zeer leed aan haar wonde, stond op en weerhield hen:
âUit liefde en ter eere van den Zondag,quot; bad zij, âvalt de Engelschen niet aan. Als zij willen vertrekken laat hen gaan. Maar als zij u aanvallen, verdedigt u dan dapper en gij zult overwinnen!quot;
Toen zij zagen, dat men hen met rust liet, trokken de Engelschen rustig heen met ontplooide banieren.
âZiet gij wel!quot; zeide Jeanne, âdat zij u den rug keeren in plaats van het gezicht! Laat hen gaan! Gij zult ze een volgenden keer nog wel eens terugzien!quot;
Orleans vierde feest; en het middelpunt van allen was Jeanne, de onvergetelijke heldin, de door God gezonden Maagd. Zij vielen haar te voet en overlaadden haar met dank en lof.
âMij moet gij niet danken maar God!quot; antwoordde zij. En zij verzocht hun een plechtige processie te houden rondom de poorten der stad en nu nog wordt telken jaren den Sen Mei deze processie gehouden, ter herdenking aan Orleans' wonderbare bevrijding.
VIERDE GEDEELTE. R H EIM S.
I.
Geheel Frankrijk was in verrukking, de hoop herleefde, de moed ontgloeide weder, nu Orleans gered was, meende men dat niets meer den Franschen onmogelijk zou zijn.
Jeanne, nederig gebogen voor God, gaf Hem dank en eer voor de groote dingen, die Hij door haar gewrocht had en vroeg haar stemmen om nieuwen raad en bijstand.
Te vergeefs verzochten haar de bevelhebbers van het leger, die niet langer meer haar wantrouwden en morden, omdat zij een vrouw moesten volgen en gehoorzamen â rust te nemen en haar wonde tijd te geven tot genezing.
âNeen, ik heb nog veel meer te doen,quot; sprak zij. âOrleans is bevrijd, maar mijn taak is nog niet geëindigd. Ik moet nu den koning naar Rheims voeren.quot;
Reeds daags na het ontzet der stad, verliet zij Orleans tot diepe droefheid der bewoners, die haar nog zoo gaarne langer in hun midden hadden gehouden.
âMijn plicht roept mij. Ik moet naar den koning !quot; verklaarde zij.
Karei VII werd in Tours verwacht; daarheen begaf zich Jeanne en kwam er aan vóór hem ; toen zijn stoet de stad naderde, reed zij hem te gemoed met haar banier in de hand.
Zoodra zij hem ontwaarde, steeg zij af en boog de knie.
De koning, diep bewogen nam den hoed af voor de arme herderin, zijn nederige onderdaan, thans zijn redster en zijn steun ; hij hief haar op, sloeg zijn arm om haar heen en bedankte haar voor de groote daden, die zij verricht had.
Maar Jeanne luisterde nauwelijks naar zijn lof, zij had andere dingen noodig dan deze ijdele dankbetuigingen. Zij moest wapenen hebben, geld en soldaten om den koning naar Rheims te kunnen voeren.
92
âSire Dauphin Iquot; zeide zij hem, âhet is tijd dat gij u op weg begeeft, om u in Rheims te laten kronen quot;
âMaar Jeanne,quot; antwoordde de prins, âde vijanden beschikken nog over zulk een groote overmacht. Al mijn raadsheeren zijn het er over eens, dat het nu nog te gevaarlijk is het te beproeven.quot;
De schitterende overwinning te Orleans had den koning nog geen zelfvertrouwen genoeg geschonken of hem van zijn besluiteloosheid genezen.
âEdele koning,quot; hernam Jeanne, âhoudt niet te lang en niet te dikwijls raad met uwe raadslieden. Ik beloof u, zeker en vast u naar Rheims te brengen en u daar waardig te laten kronen !quot;
De koning weifelde nog, toen wierp zich Jeanne voor hem op de knieën en smeekte :
â Ach Sire! ik zal niet lang meer leven. Zet mij dus aan het werk, zoolang ik nog kan.quot;
Eindelijk beloofde de koning naar Rheims toe te gaan, maar niet vóór dat alle sterke plaatsen, door de Engelschen op de oevers der Loire bezet, zouden zijn hernomen.
âNu dan moeten wij tegen die plaatsen oprukken,quot; zeide Jeanne vastberaden.
Men hief een nieuwe lichting van manschappen en de koning benoemde den hertog van Alengon, die pas zich vrijgekocht had uit de gevangenschap der Engelschen, tot aanvoerder van het nieuwe leger.
Jeanne heette hem hartelijk welkom; met de gepaste vrijmoedigheid, waarmede zij de grooten en machtigen der wereld durfde toespreken, zeide zij hem :
âWees welkom! edele Heer! Hoe meer het bloed van den koning van Frankrijk hier vereenigd is, hoe beter alles zal gaan !quot;
Maar de hertogin van Alenjon zag haar geniaal met weerzin vertrekken en zij zeide tot Jeanne :
âIk vrees zoo voor mijn man; het heeft ons schatten van geld gekost hem los te koopen uit de handen der Engelschen en als hij weder gevangen wordt genomen, dan zullen wij zijn losprijs niet kunnen betalen. Ik zou hem dus liever raden thuis te blijven.quot;
93
âMevrouw,quot; antwoordde Jeanne, âik breng hem u gezond en wel te huis en zelfs beter gestemd dan nu. Vrees dus niet 1quot;
En de hertogin gaf toe evenals allen, die met Jeanne in aanraking kwamen.
Bewonderenswaardig was het talent van Jeanne als krijgskundige; een der grootste bewijzen voor haar bovennatuurlijke roeping is ongetwijfeld die onverklaarbare begaafdheid voor een vak, waarin het ongeletterde meisje zich toch zeker nooit geoefend had en die nergens had kunnen aanleeren.
Zij bezat een echten veldheersblik, uit zichzelf wist zij het plan tot een veldtocht, een aanval te regelen, beter dan menig op het slagveld vergrijsd generaal. De mannen van het vak, die hun kennis aan jarenlange studie en ondervinding danken, staan nu nog verbaasd over het krijgskundige genie van het achttienjarige boerenmeisje.
Dunois, Lahire, Xaintrailles waren dappere veldheeren, kundige stategisten, maar hun kennis verzonk in het niet bij die van Jeanne. Met een enkele oogopslag wist zij den geheelen veldtocht te regelen, het plan op te maken; zelfs Napoleon, de grootste generaal en geniaalste krijgskundige, wordt door' haar overtroffen.
Bij instinct scheen zij alle kansen te raden, te weten en te berekenen ; hoe onwillig dikwijls ook, moesten de wetenschappe-lijkste en geleerdste bevelhebbers zich buigen voor haar meerderheid.
Hoe dit onverklaarbare feit te verklaren, als men Jeanne's goddelijke zending loochent?
Men kan nog een natuurlijke uitlegging geven aan vele bijzonderheden van haar leven, men kan de overwinning van Orleans toeschrijven aan het vuur, waardoor zij de moedelooze verdedigers der stad op nieuw wist te bezielen, aan het prestige dat haar omringde, aan de faam, die van haar uitging, aan de geestdrift, die zij mededeelde aan het leger, aan het vertrouwen, dat zij ieder, die haar zag en hoorde, inboezemde.
Maar hoe een verklaring te vinden voor die groote, wetenschappelijke kennis, welke zij bezat, een kennis door anderen slechts ten koste van de ernstigste studie en de grootste inspanning verworven?
94
Napoleon bezat zeker een groot, krijgskundig genie, andere veldheeren als Turenne, Moltke en zoovelen meer eveneens, maar zij allen hadden zware studiën gemaakt, hun leven in het kamp als het ware doorgebracht, sommigen waren reeds oud en vol ondervinding en toch staan zij op één lijn met de herderin van Domrémy, die noch lezen, noch schrijven kon en zonder de minste voorbereiding van haar spinnewiel en haar schapen aan het hoofd van welgeoefende legers en naast ervaren krijgshoofden werd geplaatst. Onder alle getuigenissen van bevoegde krijgsoversten over haar militaire talenten vermelden wij alleen het oordeel van den bekwamen russischen generaal Dragonnroff, die nog niet lang geleden stierf en in 1898 over Jeanne schreef:
âWat begreep zij ten volle militaire waarheden. Hoe duidelijk zag zij in, dat waar de jdappere zich waagt. God den minst dappere helpt (een russisch spreekwoord) en dat waar men begint te slaan, men voort moet gaan met slaan tot het einde, zonder den vijand tijd te geven om zich te herstellen, dat onstuimigheid goed is, bij het begin, maar dat volharding alleen tot het succes leidt, en dat tijdverlies maar al te dikwijls verlies van het spel beteekent.
Door deze schijnbaar eenvoudige beginselen in praktijk te brengen, hebben Napoleon, Wellington, Nelson hun grootste veldslagen gewonnen.
Geen der toenmalige legerhoofden in Frankrijk kwam op dit denkbeeld; aan het eenvoudige, onontwikkelde boerinnetje was het voorbehouden een veldplan op te maken, dat nu nog den militairen krijgskundigen met bewondering vervuld
In overleg met Jeanne werd dan besloten de versterkingen langs de Loire in te nemen en te beginnen met Jargeau, waarbinnen de hertog van Suffolk met zijn leger zich had teruggetrokken, nadat hij Orleans had moeten verlaten.
Het was dus een keurgarnizoen, dat met den beroemden Engelschen veldheer aan het hoofd, het plaatsje bezette.
De Engelschen deden, toen de Franschen naderden, een zoo plotselingen en onverwachten uitval, dat deze er van schrikten en terrein begonnen te verliezen, maar Jeanne was hun nabij.
Hoog hief zij weer haar banier op en riep hun toe :
95
âVooruit mannen ! Vooruit! Wij zullen het winnen.quot; En zelf wierp zij zich in 't heetst van het gevecht. Allen volgden haar en zoo goed hielden zij stand, dat de Franschen nog dienzelfden nacht zich konden vestigen in de voorsteden.
Den volgenden dag liet Jeanne, die het bloedvergieten haatte en niet dan bij hooge noodzakelijkheid strijd voerde, den Engel-schen aanzeggen, dat zij de stad moesten verlaten. De Engelschen weigerden echter; zij hoopten nog steeds op de beloofde verster-
96
king die Sir John Palstaff hun zou brengen en die steeds uitbleef.
âNu zij niet dadelijk gaan,quot; zeide Jeanne, moeten wij hen met geweld daartoe dwingen.quot;
En de kanonnen werden afgeschoten tegen de stad; er werd een bres in den muur gemaakt. Jeanne liet de trompetten blazen en riep den hertog van Alengon toe:
âKom, edele Hertog! Vooruit! Val aan!quot;
Maar noch de hertog, noch de andere krijgsoversten jhadden er veel moed op; de bezetting van Jargeau was zoo groot en sterk.
âVreest ;de overmacht niet!quot; drong Jeanne aan, âen rukt op tegen de Engelschen! God geleidt ons en beschermt ons werk! Als ik dit niet zeker wist, gelooft, dat ik dan liever mijn schapen hoedde dan mij bloot te stellen aan zooveel tegenspraak en zooveel gevaren!quot;
âMaar,quot; hervatte de hertog van Alengon, â't is te vroeg om den aanval^te beginnen.quot;
âAarzel ^niet 1 Het uur is daar ! Ik ben er'zeker van. Men moet werken als God het wil! Doe uw best en God zal u helpen!quot;
En altijd even opgeruimd voegde zij er bij:
âKom, hertog! zijtj ge bang? Ge weet toch wel, dat ik uw vrouw beloofd! heb[u heelhuids^terug te brengen?quot;
Vreeselijk was de 'aanval, die nu begon; de'Franschen wierpen de palissaden omver, vulden de grachten, beklommen de muren en de Engelschen stortten zich vol moed op hunne vijanden, bedolven hen onder hun kogels, steenen en pijlen, wierpen hen van de ladders af, zoodra zij den top van den muur bereikten.
De hertog van Alen§on stond in het heetste van het gevecht zijn bevelen te geven.
âHertog!quot; riep Jeanne hem plotseling toe, âga weg van daar! Want er is een vuurmond daar ginds, die u den dood zal zenden.quot;
De hertog week op zijde, een ander edelman nam zijn plaats in en werd een oogenblik later gedood.
Vier uren duurde reeds het gevecht, toen Jeanne zelf een ladder beklom ; reeds was zij bijna aan den top toen een zware steen op haar werd geworpen, die haar helm trof en haar achterover wierp van de ladder. Onbeschrijfelijke verwarring ontstond onder de Franschen, toen zij hun heldin zagen vallen.
97
âJeanne is dood ! De Maagd heeft ons verlaten !quot; gilden zij en weken achteruit, maar snel als de gedachte had het meisje zich weer opgericht, en haar banier omhoog wuifend, riep zij haar mannen toe :
âOp, op vrienden! Tegen de Engelschen ! Onze heer heef t hen veroordeeld. De plaats is ons!quot;
En opnieuw voelden zij hun krachten hernieuwen ; hun geestdrift sloeg ten top, niets weerstond hen meer en een oogenhlik later was Jargeau ingenomen ; maar de grootste overwinning door de Maagd behaald was de gevangenneming van Suffolk.
De beroemde veldheer had tot het laatste zich verweerd en weigerde zich gevangen te geven, zelfs toen de hertog van Alenijon en zijn ridders hem uitnoodigden zich aan hem te vertrouwen.
âAl moet ik sterven,quot; antwoordde hij, âdan geef ik mij nog niet aan u over !quot;
âGeef u over en wij schenken u het leven.quot;
âAls ik mij overwonnen verklaar, dan zal het wezen aan de Maagd; want zij is de dapperste vrouw der wereld en alles, dat zie ik, moet zich vroeg of laat aan haar onderwerpen.quot;
Zoo erkenden zelfs de Engelschen reeds Jeanne's geheimzinnige macht.
Zij naderde nu Suffolk en de groote Engelsche hertog schaamde zich niet zijn dapper zwaard over te reiken aan het meisje, dat nog geen jaar geleden in haar dorp de schapen hoedde.
II.
âEn nu Jargeau genomen is,quot; sprak Jeanne, âmoeten wij eens de Engelschen van Meung gaan zien.quot;
Men gehoorzaamde haar en na een krachtigen aanval nam het Fransche leger de brug van Meung in, die door de Engelschen versterkt was.
Na Meung begaf het leger zich naar Beaugency, waarvan het garnizoen de stad verliet om zich in het kasteel terug te trekken, nu werd dit kasteel belegerd en reeds den volgenden dag moest het zich overgeven.
7
98
Zoo ging Jeanne van overwinning tot overwinning; niets scheen bestand tegen haar. God zegende blijkbaar niet alleen haar wapenen, maar ook haar plannen ; wat zij ondernam, hoe onverstandig het ook oppervlakkig scheen, gelukte, wat zij raadde, bleek altijd het beste, en hierdoor won zij het onbepaalde vertrouwen van het leger en werd de schrik der Engelschen, die haar met bijgeloovigen angst en schrik beschouwden en op wie haar tegenwoordigheid alleen reeds verlammend en ontmoedigend werkte.
De roem barer wapenfeiten drong door tot den Connetable de Richemont, een der groote heeren van Karel's hof, dien de koning op zijn eigenaardig onverstandige manier van zich verwijderd had en in ongenade had laten vallen.
De dappere krijgsman had trillend van ongeduld in werkloosheid de groote rampen aangezien, die Frankrijk overstelpten ; vol ergernis was hij er getuige van, hoe de koning in zijn schuldige onverschilligheid de kroon zijner vaderen verspeelde; maar toen hij hoorde van de schitterende overwinningen door Jeanne behaald, kon hij niet langer met gekruiste armen den strijd uit de verte aanschouwen. Hij stelde zich aan het hoofd van een groot aantal krijgslieden en voegde zich bij het leger van den hertog van Alengon.
Karei, in zijn kinderachtigen wrok, dien hij zelfs op zulke beslissende oogenblikken niet tot zwijgen wist te brengen, gaf hem bevel terug te keeren en zich buiten het gevecht te houden, maar Richemont weigerde te gehoorzamen.
âWat ik doe is voor het welzijn van het koninkrijk,quot; sprak hij. âNiemand kan het mij beletten voor mijn vaderland te strijden.quot;
De hertog van Alengon weigerde hem een plaats te geven in zijn leger, maar Jeanne kwam tusschenbeide.
âMen moet elkander helpen,quot; zeide zij, âtegen den gemeenschap-pelijken vijand. Later kunt gij uw eigen grieven uitvechten. Kom, edele Hertog en gij Connetable, geeft elkander de hand en dan zullen wij samen oprukken tegen den Engelschman!quot;
En Alengon geheel onder den invloed van Jeanne, beloofde Richemont's hulp aan te nemen onder voorwaarde, dat deze den koning trouw zou zweren. De Connetable deed het en de vrede
99'
was hersteld, gelukkig ook, want de Engelscheu hadden nieuwe versterkingen gekregen door de aankomst van Falstaff, terwijl lord Talbot zelf, de dapperste veldheer van Engeland, hen vergezelde.
âO goede Connetable,quot; riep Jeanne uit de volheid van haar hart, âgij zijt hier niet gekomen door mij; maar nu gij eenmaal hier zijt, zijt gij ons zeer welkom!quot;
De beide legermachten stonden tegenover elkander, een groote slag kon niet uitblijven, maar van beide kanten aarzelde men. De Engelschen waren vol onrust over hun moedelooze troepen en Falstaff was van oordeel niets te wagen, maar zich in de forten terug te trekken, totdat de moed der soldaten een weinig zou zijn aangewakkerd.
âAls het geluk ons niet dient,quot; zeide hij, âzal alles, wat wij in Frankrijk met zoo groote moeite hebben veroverd, verloren gaan. Laat ons nieuwe versterkingen afwachten.quot;
Maar Talbot, nog woedend over de beleediging hem bij Orleans aangedaan, brandde van verlangen de Franschen in het open veld aan te vallen.
,'t Is schande genoeg,quot; zeide hij, âdat wij in Orleans hun den rug gekeerd hebben. Liever sterven dan nog eens zulk een oneer te beleven. Al heb ik alleen mijn eigen troepen om mij heen, zoo zal ik toch den strijd aandurven!quot;
âNu dan,quot; sprak Falstaff, âlaten wij 't wagen.quot;
Maar ook de Franschen schrikten terug voor zulk een geregelden slag; zij vreesden de krijgskunde der Engelschen, die bij Crécy, Poitiers en Agincourt steeds hun meerderheid hadden getoond. Deze bloedige, vernederende herinneringen maakten de Franschen huiverig voor een nieuwen veldslag.
âJeanne,quot; vroeg de hertog van Alengon, âmoeten wij nu gaan vechten ?quot;
âHebt gij goede sporen?quot; vroeg Jeanne.
âWat bedoelt ge? Zullen wij hun onzen rug vertoonen?quot;
âNeen,quot; antwoordde zij, âde Engelschen zullen vluchten en wij hebben goede sporen noodig om hen te vervolgen.quot;
En toen nog eenige bevelhebbers aarzelden, werd zij ongeduldig.
âIk naam van God! Rukt gerust op tegen de Engelschen, al
100
hingen zij ook aan de wolken, wij zullen hen toch krijgen.quot; Het leger zette zich nu in beweging; Jeanne wilde met haar vriend Laliire zich aan het hoofd stellen, maar de bedaarde Dunois en Alenyon dwongen haar bij hen te blijven in het eigenlijke leger.
Men reed gedurende eenige uren door de vlakte, toen men een bosch naderde; een hert door hen opgeschrikt, snelde het bosch in en werd met luide kreten begroet. De Engelschen, die daarin verscholen waren, hadden zich verraden; juist was tusschen Talbot en Falstaff besloten tot den veldslag over te gaan, toen Lahire onstuimig als altijd met zijn manschappen den aanval waagde.
De Engelschen hadden nog geen tijd gehad zich in slagorde te stellen, toen als een alles vernielende storm het leger der Fran-schen hen overviel.
Aan tegenstand viel niet te denken, zelfs de beide groote veldheeren moesten wijken ; Falstaff vluchtte en Talbot, die tevergeefs den dood zocht, werd door den Hertog van Alen§on gevangen genomen.
Doodsbleek en vol verbeten woede gaf hij hem zijn zwaard over.
âDat hadt gij van morgen niet gedacht,quot; sprak de Fransche generaal.
â't Is de kans van den oorlog,quot; antwoordde Talbot kortaf.
Ontzettend was het bloedbad door de Franschen op de vluchtende Engelschen aangericht; de officieren, van wie men een losprijs hoopte te verdienen, werden krijgsgevangen gemaakt, de eenvoudige soldaten onbarmhartig gedood.
Te vergeefs trachtte Jeanne de bloeddorstigheid barer manschappen te bedaren; zij kon haar tranen niet bedwingen op het gezicht van al die lijken en zij berispte de moordenaars streng.
Vlak naast haar sloeg een soldaat met geweld op het hoofd van een armen Engelschman, die vruchteloos om genade smeekte.
Jeanne snelde toe en wierp zich tusschen de strijdenden.
âLaffe Franschman !quot; riep zij vol verachting den geweldenaar toe en van het paard stijgend, knielde zij naast den gewonde neer, legde zijn hoofd op baar schoot, bad voor hem de gebeden der stervenden en verliet hem niet voor hij gestorven was.
Deze veldslag onder den naam van dien van Patay beroemd,
101
maakte een einde aan den veldtocht der Loire, die juist acht dagen had geduurd.
Niets aan de oevers der rivier bleef meer in de handen der vijanden.
III.
âEn nu naar Rheims,quot; juichte Jeanne nu zij den weg reeds voor zulk een groot gedeelte van de Engelschen had gezuiverd, â't is nu tijd den Dauphin tot koning te maken.quot;
Maar de koning en zijn raad voelden in hun hooge wijsheid hier weinig lust in; zij wilden zich naar Normandië begeven in plaats van naar Rheims; Jeanne was onverbiddelijk.
âNaar Rheims, naar Rheims!quot; herhaalde zij telkens. âGod wil het! En de stemmen hebben het bevolen.quot;
Het leger was geheel van haar meening en het was niet mogelijk weerstand te bieden aan den zoo duidelijk uitgesproken wil des volks.
Het volk en de adel, uit zijn loomheid wakker geschud door de schitterende overwinningen der laatste weken, stond als een man op om zich onder Jeanne's heilige banier te scharen. Wie onder haar streed, meende onder de bevelen van God zelf te staan.
Niemand vroeg meer naar soldij of buit, een grootsch, heilig verlangen bezielde hen slechts om het vaderland te redden, den vijand van den ontheiligden grond van Frankrijk te verjagen.
De edellieden, die geen geld genoeg hadden om zich als ridders uit te rusten, kwamen als gewone schildknapen zich aanmelden ; de mindere manschappen vroegen geen betaling meer, een glimlach, een aanmoedigend woord van Jeanne was hun belooning genoeg.
Van den koning had zij meer tegenwerking dan hulp. In plaats van in déze heilige ure, alle oude grieven en veeten te vergeten, wilde Karei den Connetable de Richemont maar niet in genade aannemen, niettegenstaande hij zich zoo dapper en trouw had geweerd in den Loire-veldtocht. Door zijn gunsteling, den onwaar-digen La Trémouille, die een persoonlijke vijandschap koesterde
103
tegen Richemont, geheel beheerscht, gaf hij hem zijn ontslag. De dappere Connetable was radeloos en in zijn wanhoop smeekte hij zelfs La Trémouille hem de genade te bezorgen den koning te mogen dienen. Hij was om deze gunst te verwerven, bereid alle vernederingen te ondergaan, het baatte niet, het bevel tot vertrek werd herhaald.
Met de stijfhoofdigheid, die wankelmoedige, besluitelooze karakters soms aan den dag kunnen leggen, zeide Karei vol kinder-achtigen wrok ;
quot;Liever nooit koning zijn, dan dien man toe te laten bij mijn kroning.quot;
Zelfs Jeanne bad en smeekte den Dauphin zich toegevend te toonen ; maar hij bleef weigeren en Richemont met zijn dappere soldaten moest heengaan. Men durfde hem aanraden zich bij de Engelschen te voegen, maar vol verontwaardiging wees hij dezen raad af.
âGod beware mij, mijn koning en mijn land te verraden,quot; sprak de edele ridder, âdaar men hier niets van mij wil weten, zal ik voor eigen rekening in het Westen tegen de Engelschen strijden.quot;
In zijn dwaasheid had zich dus de koning van een zijner machtigste helpers beroofd ; alles ontbi ak hem overigens, geld, levensvoorraad en zelfs kogels en kanonnen. Hoe zou men Rheims kunnen bereiken, dat zestig mijlen verderaf lag midden in een vijandelijke landstreek ?
De waanwijze koning, die zelfs Jeanne's bijstand soms ongeduldig aannam, beweerde dat het onmogelijk en dwaas was zulk een tocht te ondernemen.
Maar Jeanne bleef onverzettelijk haar eisch handhaven.
âWij zullen er komen, ik blijf er u borg voor, met mijn zwaard en mijn banier!quot;
Aan verschillende steden liet zij aanzeggen zich gereed te houden om bij de aanstaande kroning van den Dauphin zich te laten vertegen woordigen.
âTrouwe bewoners dezer goede stad,quot; zoo liet zij naar Doornik schrijven, âde Maagd laat u weten, dat zij de Engelschen heeft verjaagd van alle plaatsen, die zij innamen op de oevers der Loire.
104
âZij zijn verslagen in den strijd! Hun beste ridders zijn dood of gevangen!quot;
âBlijft goede Franschen en houdt u gereed te verschijnen bij de kroning van onzen edelen koning in Rheims, waar wij weldra zullen zijn.
âDat God u hoede!quot;
Den 29sten Juni begaf men zich op weg naar de aloude kro-ningsstad ; de Dauphin nam eindelijk zijn plaats in aan het hoofd der troepen, die 12000 man sterk waren, arm en beroofd van alles, behalve van hoop, vertrouwen en moed. Jeanne, vroolijk en opgeruimd, was hun aller troost en steun ; waar zij zich vertoonde, daar week alle onrust, angst en vrees voor de toekomst.
Zonder eenigen tegenstand opende de stad Saint Florentin haar poorten voor het Fransche leger ; van daar trok men naar Troyes de hoofdstad van Champagne, die zich geheel in de macht der Engelschen bevond.
Voor dat zij tot geweld overging, wilde Jeanne volgens haar gewoonte eerst langs vreedzamen weg de stad opeischen, en den 4den Juli richtte zij tot Troyes den volgenden brief, die evenals alle brieven welke zij dicteerde, een eigenaardigen stempel droeg van naïeveteit en bewonderenswaardig zelf- of liever Godsvertrouwen.
âZeer lieve en goede vrienden,quot; zoo stond er, âbewoners der stad Troyes, Jeanne de Maagd beveelt u uit naam van den Koning des Hemels, den edelen koning van Frankrijk te erkennen en gehoorzaamheid te zweren.
âHij zal weldra in Rheims en Parijs zijn, hoe groot ook de overmacht zal wezen, die 'them belet.
âTrouwe Franschen haast u, uw koning Karei te erkennen !
âAls gij dit doet, vreest dan niet noch voor uw lichaam noch voor uw goederen !
âAls gij het niet doet, dan verzeker ik het u op uw leven, dat wij met de hulp van God toch binnen zullen trekken in alle steden, die tot het heilig koninkrijk behooren, en wij zullen er meester zijn ondanks, en tegen u !quot;
Maar de bevelhebbers der stad wierpen spottend Jeanne's dagvaarding in het vuur, en hoonden haar.
Er was in Troyes een monnik, beroemd door zijn groote rede-
105
naarsgave, broeder Richard geheeten ; toen hij van de wonderen vernam, welke men van Jeanne verhaalde, wilde hij uit eigen aanschouwing weten, wat daarvan waar was en begaf zich in het Fransche kamp.
Reeds toen hij in de verte haar zag, beving hem groote vrees en verwarring; door de Engelschen opgeruid zag hij in haar slechts een werktuig des duivels, en besproeide haar met wijwater, de woorden der duivelsbanning uitsprekende.
âIn den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Gees-tes, verjaag ik u, onreine geest.quot;
Jeanne lachte en riep hem toe :
âKom gerust nader, goede Broeder ! Ik zal niet wegvliegen.quot;
Gerustgesteld naderde hij haar en zij wist zulk een goeden indruk op hem te maken, dat hij vertrouwen en eerbied voor haar opvatte en weldra een der ijverigste verdedigers van de rechten des konings werd.
Het beleg werd den oden Juli om Troyes geslagen en de bewoners waren vastbesloten zich tot het uiterste te verdedigen, maaibij de belegeraars heerschte oneenigheid, vrees en besluiteloosheid.
Men had geen levensmiddelen en ammunitie, hoe zou men dan een goed versterkte stad als Troyes met hongerige soldaten en zonder kruit en kogels tot gehoorzaamheid kunnen brengen ?
De Raad des konings vergaderde en de aartsbisschop van Rheims sprak :
âHoe zullen wij de stad innemen? De inwoners zijn vol moed en hebben volstrekt geen plan zich over te geven. Hoe zullen wij hen vrees aanjagen, wij die niets bezitten ? De stad is goed voorzien juist van datgene wat wij missen, bovendien zijn de muren sterk en het garnizoen is talrijk. Het is dwaasheid hier langer te blijven. Laten wij terugkeeren naar de Loire, waar alles ons toebehoort.quot;
De koning altijd tot halve maatregelen bereid, stemde toe en bijna al zijn raadslieden waren van zijn meening ; menschelijke wijsheid en voorzichtigheid rieden aan terug te keeren en het beleg niet te beginnen, daar het slechts schande, nederlaag en groot menschenverlies kon berokkenen.
Alleen één, een grijsaard, Robert le Masson, Heer van Trèves,
106
stond op en rondziende, merkte hij, dat Jeanne niet uitgeuoodigd was, deel te nemen aan de beraadslagingen.
âToen de koning deze veldtocht begon,quot; sprak hij, âdeed hij het, niet omdat hij zulk een groote krijgsmacht had, ook niet omdat hij over zooveel geld beschikte, ook niet omdat de overwinning hem zeker scheen, maar alleen omdat Jeanne, de Maagd van Orleans, hem daartoe aanspoorde, hem bevel gaf voort te rukken, daar God het wilde. Dus moet men het meisje laten roepen en hooreu, of zij iets anders te zeggen heeft, dan wat reeds in den raad is gezegd.quot;
De raadslieden wijfelden nog, want de groote heeren ondergingen niet anders dan met tegenzin den invloed van het nietige boerenkind.
Maar terwijl zij nog aarzelden of het wel gepast was haar in den Raad des Konings meede te doen aanzitten, werd aan de deur geklopt en Jeanne trad onbeschroomd binnen. Zij, die de raadgevingen ontving van de Heiligen des Hemels, voelde geen vrees of ontzag voor de tegenwoordigheid der menschen, hoe hoog geplaatst zij zich ook verbeeldden te zijn.
Men gaf haar nu een plaats onder de raadsheeren en verhaalde haar wat behandeld was ; zij vroeg koel:
âZal men gelooven wat ik zeg?quot;
âMen zal u gelooven, als gij verstandige en nuttige dingen zegt.quot;
âZal men mij gelooven?quot;
âJa, volgens hetgeen gij zeggen zult.quot;
âNu dan, edele Dauphin van Frankrijk, beveel aan uw manschappen de stad aan te vallen en houd niet zoo lang raad. Troyes zal in uw macht zijn, door geweld of door eigen wil, voordat drie dagen voorbij zijn.quot;
âWij willen wel zes dagen wachten, als gij waarheid spreekt,quot; zeide de Aartsbisschop.
âTwijfelt niet! Morgen zijt gij meesters!quot;
En Jeanne stralend van geestdrift, steeg te paard, ontrolde haar banier en stelde zich aan het hoofd der troepen, zoo vol ijver en vuur, dat men vol bewondering zeide :
âDe Maagd doet alleen het werk van twee of drie ervaren krijgsoversten.quot;
107
De belegerden zagen de toebereidselen tot den aanval en de schrik sloeg hun om het hart; toen de morgen daagde, snelde de geheele bevolking naar de wallen en zag de heldhaftige Maagd langs de koninklijke troepen rijdend, allen tot quot;strijd en moed bezielend, hoog wuivend haar reeds zoo beroemde banier.
En aangevuurd door haar voorbeeld stormden de mannen vooruit, dempten de grachten en beklommen de wallen.
De bewoners van Troyes werden beangst en bevreesd.
âZiet gij het,quot; riepen zij, âhoe witte vlinders rondom de Maagd fladderen ? Het zijn de geesten, die haar helpen. Zij strijden met haar ! Wij willen ons overgeven. Zij is onoverwinnelijk.quot;
En de bevelhebbers moesten aan den drang van het volk toegeven en onderhandelen ; men stond aan het garnizoen toe, vrij uit de stad te trekken met al hun bezittingen, maar onder deze bezittingen rekenden zij ook een aantal krijgsgevangenen. Toen Jeanne hen door den vijand zag meevoeren, steeg haar het schaamrood naar de wangen.
âIn 'naam van God ! zij zullen niet met hen meegaan,quot; riep zij uit en zich tot den koning wendend, bewerkte zij, dat hij ze vrijkocht.
Nu Troyes in hun bezit was, trok men op naar Chalons, dat zich onmiddellijk overgaf en voor het zegepralende leger zijn poorten opende.
Terwijl Jeanne daar vol blijden trots, fier over het geluk barer wapenen, haar intocht deed, ontdekte zij tusschen het volk eenige bekende gezichten ; het waren bewoners van Domrémy, die van meer nabij hun beroemde dorpsgenoote wilden zien.
Haar oogen fonkelden van blijdschap, toen zij hen ontwaarde, zij vergat haar plaats aan de zijde des konings, de algemeene aandacht, die zij trok, om zich alleen te herinneren, dat zij haar tijdingen brachten van haar nog steeds zoo dierbaar thuis.
âHoe gaat het allen?quot; vroeg zij, âmijn lieve ouders en mijn broeders en mijn vriendinnen ? Denken zij nog om mij ? Gaan zij nog naar den boom der Feeën? Wat zal het daar nu heerlijk zijn! En staat de oogst al goed!quot;
âO Jeanne! Wij zijn zoo trotsch op u !quot; hernamen de anderen, â wij hoeren van alle kanten, hoe gij den koning hebt geholpen
108
en de Engelschen verdreven uit Orleans en zoovele andere steden. Alle avonden bidden zij voor u en voor de zegepraal van 's konings leger !quot;
âAch,quot; zuchtte zij en wischte haar oogen af, âwat zijt gij gelukkig naar ons geliefd Domrémy terug te kunnen gaan. Zeg hun dat Jeanne dagelijks aan hen denkt en dikwijls terug verlangt, naar haar eenvoudige hut, naar haar spinnewiel en haar schapen.quot;
âMaar Jeanne, hoe is 't mogelijk, dat gij niet bang zijt in een dezer veldslagen te sneuvelen. Vreest Gij dan den dood niet!quot;
âNeen,quot; antwoordde Jeanne ernstig, âden dood vrees ik niet, alleen het verraad!quot;
Nu was den weg naar Rheims vrij en den 16den Juli kwam men onder de muren der Kroningsstad aan, die zich nog geheel in de macht der Engelschen bevond. De voornamen der stad dwongen de bevolking om tegenstand te bieden, maar de bewoners wilden liever het voorbeeld volgen van Troyes en Chalons en zich uit vrije beweging onderwerpen. Tegenstand baatte immers niet, alles boog zich voor de onweerstaanbare macht der door God gezonden Maagd. Zijn wil was het blijkbaar, dat de koning in Rheims gezalfd werd en zij zonden afgezanten om de sleutels der stad den Dauphin aan te bieden.
En zoo geschiedde het dat reeds op denzelfden dag de vorst, vergezeld door zijn legerhoofden en door zijn trouwe Jeanne plechtig zijn intocht deed binnen de oude stad.
IV.
Nu ging Jeanne's lievelingsdroom vervuld worden : de Dauphin werd tot koning gekroond. God zelf gaf aan Frankrijk weer een door hem gewijd opperhoofd. Als door een wonder waren alle hinderpalen, die zich zoo groot en onoverkomenlijk op zijn weg hadden geplaatst uit den weg geruimd; de belofte door Jeanne's mond den prins gegeven zou waarheid blijken. Maar nog vóór dat de heilige Olie op Kareis hoofd nederdaalde, wenschte Jeanne alle Franschen tot vrede en eendracht aan te sporen.
109
De Hertog van Bourgondië, die nog steeds de trouwe bondgenoot was van Frankrijk, wilde zij in de eerste plaats tot zijn plicht van onderwerping en trouw terugvoeren.
Zij liet dus den volgenden brief aan hem schrijven :
âMachtige en gevierde Prins! Jeanne de Maagd, verzoekt u, vanwege den Koning des Hemels, uw opperste en rechtmatige Heer, dat de Koning van Frankrijk en gij een duurzamen vrede sluit.
âVergeeft elkander van ganscher harte, oprecht en geheel en al zooals het brave Christenen past.
âVorst, ik smeek u met gevouwen handen, zoo nederig als ik u smeeken kan, uw troepen terug te trekken.
âWeet, van wege den Koning des Hemels, dat gij de dappere Franschen niet zult overwinnen.
âHoe groot ook het aantal manschappen is, die gij tegen ons opzendt, zij zullen er niets door winnen en er zal zooveel van hun bloed vergoten worden, dat er reden tot groote droefheid zal zijn.
âDaarom is de edele koning van Frankrijk, wiens kroning heden te Rheims plaats vindt, gereed met u vrede te sluiten nu zijn eer gered is.
âGeef hem dus de hand, en zoo het u behaagt oorlog te voeren, dat het dan zij tegen de Saracenen.
De vrede tusschen de christenvorsten was Jeanne's lievelings-wensch; niets verlangde zij meer dan hen allen in vrede en eendracht vereenigd op te zien trekken tegen de ongeloovigen. Ook den hertog van Bedford liet zij schrijven, om hem te verzoeken, toch zichzelf en de zijnen niet ongelukkig te maken door langer den strijd tegen de Franschen vol te houden.
De herauten met deze proclamaties vertrokken op den dag der kroning.
De schoonste dag van Jeanne's leven brak nu aan, de dag van triomf haar door de Heiligen des Hemels voorspeld, de dag, om welken mogelijk te maken, zij haar vaderland en haar geliefden, haar vrouwelijke bezigheden en haar maagdelijken schroom vaarwel gezegd had. Gehoorzaam was zij geweest aan de roepstem van God, zij had gestreden en bloed zien vergieten, zij had den wil van vorsten en edelen weerstaan, zij had haar eigen neigingen het zwijgen opgelegd, zij had Gods wil doen eerbiedigen en aan-
110
bidden en nu was haar doel bereikt, de Dauphin zou eindelijk de kroon zijner vaderen ontvangen.
De optocht stelde zich in beweging door de feestelijk getooide straten ; de koning in volle wapenrusting, door zijn rijksgrooten omringd, reed aan het hoofd van den stoet, maar voor hem uit, op haar wit paard, in haar glinsterend harnas, de banier in de hand, het zwaard der H. Catharina op zijde, ging de Maagd van Orleans en het juichende volk had nauwelijks oogen meer voor den koning, aller blikken wendden zich naar haar. Was zij niet nog meer dan hij de heldin van het feest, het middelpunt der vreugde, zij, die hem onttrokken had aan zijn moedeloosheid, die zijn weifelingen overwon en hem zegepralend volgens haar belofte tegen zijn wil als het ware voerde naar de treden van het altaar, waar hij gekroond moest worden ?
De aloude kathedraal schitterde van licht, de zonnestralen regenden hun stofgoud naar binnen en vermengden zich met de duizenden kaarsen, stralend om het hoogaltaar; groen en bloemen slingerden zich om de zuilen, de troon glansde in purper en goud. In plaats van de koningskleeren, die zich in Saint-Denis bevonden, dus in de macht van den vijand, maakten de dames van Rheims zoo snel als haar vingers het toelieten, de pronkgewaden en de kronijken van dien tijd verzekeren, dat de plechtigheid zoo schitterend was, als had men een jaar gebruikt voor de toebereidselen.
De Aartsbisschop van Rheims zou de heilige plechtigheid verrichten. De Pairs en de Aartsbisschop moesten eerst in de abdij van den H. Remigius de heilige olie halen â la sainte Ampoule â welke volgens de overlevering door een duif uit den hemel was gebracht, toen Remigius Clovis den eersten Christenkoning van Frankrijk moest kronen. De abt bracht de heilige olie, nadat de adellijken gezworen hadden de kostbare schat weer ongeschonden in de abdij terug te brengen, onder een baldakijn tot aan het portaal der kerk, waar de Aartsbisschop met den staf in de hand, bekleed met zijn bisschoppelijke gewaden en door zijn kanunniken vergezeld, haar in ontvangst nam en toen in processie bracht naar de kathedraal. De pairs|met de banieren in de hand geleidden haar te paard tot aan het koor, waar zij bewaard werd.
113
De twaalf pairs van Frankrijk waren niet voltallig. Helaas! verscheidene hunner waren of in gevangenschap of erger nog den vijand gevolgd; die aanwezig waren, droegen vóór den vorst den rijksappel, den scepter en het zwaard. Veel ontbrak aan den luister der plechtigheid, vroeger en later zag men veel schitterender kroningsfeesten, maar wat bij geen hunner ooit gezien werd, dat maakte de kroning van Karei VII tot een eenig historisch feit. Het was de tegenwoordigheid der Maagd van Orleans, de afgezant des Hemels, die ter rechterzijde des konings stond, haar roemrijke standaard in de hand.
âZij was in den strijd, zij moest ook bij de overwinning zijn,quot; had Jeanne gezegd van haar zoo dierbare banier.
Terwijl Jeanne daar reeds stond bij het altaar, fier en blijde over de zegepraal van God en van haar koning, trad Karei binnen, voorafgegaan door zijn edelen.
De Aartsbisschop ontving hem en sprak hem toe :
âWij verlangen van u, dat gij ons en de ons onderworpen kanonieke kerken en kanonieke voorrechten zult bezweren, zooals recht en wet het vereischen ; dat gij ons beschermt en verdedigt, zooals het den plicht des konings is jegens eiken bisschop en de hem toevertrouwde kerk.quot;
Karei zwoer den eed, dat hij den godsdienst zou beschermen, zijn volk bewaren, rechtvaardigheid en billijkheid doen heerschen, de ketterijen doen uitroeien.
Nauwelijks had hij dezen eed afgelegd, of de pairs, die de kroon droegen, wendden zich tot het volk en vroegen hun of zij er in toestemden, dat Karei tot koning werd gekroond en allen gaven luide hun goedkeuring te kennen.
Nu eerst ging de Aartsbisschop over tot de heilige zalving van 's konings hoofd, handen, voeten en schouders en plaatste vervolgens de koningskroon op zijn hoofd, gaf hem scepter en rijksappel ter hand en omgordde hem met zijn zwaard.
Nu stond de koning in vol ornaat, den koningsmantel over de schouders, de kroon op het hoofd, scepter en rijksappel in de handen, gezalfd als de stedehouder Gods in het rijk van Frankrijk, de opvolger van Clovis, Karei den Groote, den Heiligen
8
114
Lodewijk, de wettige nakomeling van een lange rij koningen. Oorverdoovende kreien van âNoel, Noël,quot; de oude juichkreet der Fransche monarchie, vervulden het gebouw en het eerst van allen wierp Jeanne D'Arc zich voor de voeten van den nieuwen koning en omhelsde zijn knieën.
De lofzangen weerklonken, het Te Deum ruischte in krachtig zwellende accoorden en de machtige klank der bazuinen verkondigde het volk, dat Karei, de zevende van dien naam, door Gods genadige goedheid gezalfd en gekroond was tot koning van Frankrijk. De oude muren der kathedraal daverden van het vreugdegejuich, van het bazuingeschal en de orgeltonen.
âEdele koning!quot; zeide Jeanne hem voor 't eerst dien titel gevend, ânu is de wil Gods volbracht, die verlangde, dat gij in Rheims zoudt komen om er waardig te worden gekroond, daardoor bewijzend dat gij de ware koning zijt en aan u het koninkrijk moet toebehooren.
En allen storten tranen en de koning zijn redster oprichtend gaf vol dankbaarheid haar den riddergroet.
V.
In de kathedraal onder het volk, dat de ruime beuken vulde, stonden twee mannen, verscholen onder den drom der ontelbare toeschouwers, zij waren eenvoudig gekleed en schenen van verre te komen. Niemand sloeg eenig acht op hen, allen waren vervuld van de plechtige ceremoniën, van de prachtige versiering, van de schitterende kleeding der bisschoppen en edelen, van het geluk des konings, maar vooral brandden zij van geestdrift voor de heldhaftige Maagd, die alleen had gewrocht, wat alle legers niet hadden kunnen bewerken.
âZie haar eens, wat is zij schoon en fier! Hoe edel draagt zij haar vaandel!quot;
âJa, maar nog meer behaagt het in haar dat zij ondanks haar grooten roem, ondanks den hoogen lof en eer, die allen liaar geven, zoo eenvoudig en goed blijft.quot;
âVoor de armen is zij zoo vriendelijk en zacht, verhaalt men.
115
Zij kan hun leed niet zien, zonder hen te troosten. Tegen de baronnen en zelfs tegen den koning verheft zij haar stem en zet haar wil door, voor den armen vasal heeft zij slechts woorden van liefde en hartelijkheid.quot;
âZij is ons door God gezonden, zij is een engel des hemels gelijk, zoo godvruchtig en zoo rein.quot;
âEn toch durven zij beweren, dat zij een werktuig des duivels is.quot;
âWie durven dat zeggen? De Engelschen, woedend en beschaamd, dat zij door een vrouw werden overwonnen!quot;
âMen ziet het haar immers aan, dat de Heiligen van het Paradijs haar bezoeken, dat zij haar liefhebben en raden. Zij spreekt met hen, zooals zij met ons zou spreken. Zij ziet hen zooals zij ons ziet, met kronen op het hoofd en rozen in de hand. Als zij hen ziet, vervult vreugde haar ziel en als zij verdwijnen, dan schreit zij en kust den grond door hun voeten aangeraakt.quot;
âWaar zij verschijnt onder de ruwste mannen daar zwijgen vloeken, godslasteringen en onzuivere woorden. Reinheid omhult haar als een vlekkeloos kleed; zelfs hun gedachten worden beter, verklaren de soldaten, als zij hen nadert. Zij verbiedt hun te plunderen en zonder noodzakelijkheid te moorden. Nooit zelfs in het heetste van het gevecht heeft zij iemand gedood, en is de strijd geëindigd, dan laat zij de dooden begraven en verbindt de gewonden, onverschillig of het vrienden of vijanden zijn.quot;
âZou men niet zeggen, dat zij altijd te paard heeft gereden, zoo handig weet zij haar ros te bedwingen.quot;
âZij schijnt de heilige Michaël zelf, als zij in haar witte wapenrusting, haar banier in de hand aan het hoofd barer troepen rijdt.quot;
âHoe kan zulk een zwak meisje, een kind nog haast, zulke ongehoorde vermoeienissen dragen? Dagen achtereen brengt zij te paard door zonder eten of drinken. En altijd is zij even vroolijk en aardig tegen de soldaten. Zij is geen kwezel of sombere bid-zuster, ondanks haar groote vroomheid.''
âJa, wij mogen God wel danken, dat Hij ons Jeanne zond. Zij is onze redster uit den diepsten nood, onze troost en hulpe, het bewijs dat God Frankrijk ondanks zijn vele zonden en afdwalingen nog bemint, anders had hij dit meisje niet geroepen en haar opgedragen ons te redden.quot;
116
De twee maunen hoorden deze gesprekken aan en de tranen rolden hun over de wangen en toen alles in oorverdoovend gejuich en gejubel en gezang en bazuingeschal losbarstte, omdat de Maagd van Orleans het eerst haar hulde bracht aan den nieuw gekroonden Koning van Frankrijk, konden zij het niet langer meer in de kerk uithouden. Met de grootste moeite baanden zij zich een weg naar buiten en in de vrije lucht gekomen gaven zij zich geheel aan hun aandoening over.
âO Jacques,quot; riep de een, âwie had zoo iets kunnen denken van dat meisje?quot;
âGij hebt haar altijd vertrouwd, Durand! maar ik haar eigen vader bespotte en beschimpte haar. âJa, heb ik niet gedreigd â ó schande â haar met eigen hand te verdrinken, liever dan haar ten strijde te laten trekken!quot;
âDat wij haar nu eens mochten zien en spreken! Maar zij is zoo groot en machtig geworden, zal zij ons nog willen kennen ?quot;
âDuraud! Hoe durft ge daaraan twijfelen ? Hebt gij dan niet gehoord, hoe eenvoudig en nederig zij gebleven is te midden van alle eerbewijzingen en huldebetoon! Ach! dat haar moeder, die zoovele tranen om haar schreit, haar eens mocht terugzien zooals wij !quot;
âStil, daar komt de stoet!quot;
Inderdaad werden de poorten der kathedraal geopend en voorafgegaan door fluitspelers en bazuinblazers, door in het wit gekleede kinderen met groene takken in de hand, door hellebardiers en raadsheeren, door rijksgrooten en priesters verscheen koning Karei VH in vol kroningsornaat, onder een troonhemel door vier der machtigste baronnen gedragen.
Aan zijn rechterzijde ging Jeanne, schooner en reiner dan ooit, met een uitdrukking op haar gelaat en in haar oogen, die niet meer van de aarde scheen â dronken van geestdrift stortte het volk zich aan haar voeten, trachtte haar kleederen aan te raken, bracht medailles en andere heilige voorwerpen om ze door haar te doen zegenen.
Maar zij drong hen met vriendelijk geweld terug.
âLieve menschen,quot; zeide zij, waarom roemt gij mij toch zoo? Prijst God, want Hij heeft de groote dingen, die gij ziet, gedaan en niet ik !quot;
117
En de medailles en kruisjes weigerde zij aan te raken en zeide schertsend:
âDoe het zelf, dat is even goed!quot;
Jacques D'Arc en zijn zwager gingen naar het koninklijk paleis en met veel moeite gelukte het hun iemand naar hun dochter en nicht te zenden, met het bericht, dat z'j haar wenschten te spreken.
Nauwelijks had Jeanne het gehoord, dat haar vader en oom haar kwamen bezoeken of zij verliet de feestzaal en haar plaats naast den koningsiroon om hen te omhelzen.
âO vader, vader 1quot; riep zij, zoodra zij, den ouden man zag, âVergeeft gij mij nu, dat ik u verlaten heb? Ik kon niet anders! God heeft mij geroepen en gij ziet, welke groote dingen het Hem behaagde, door mij zwak meisje tot stand te brengen.quot;
En de vader drukte haar weenend aan zijn hart.
âMij moet gij vergeven Jeanne, dat ik zoo lang u belette Gods stem te volgen. Hoe kleingeloovig en weinig vertrouwend was ik toen.quot;
Zij lachte door haar tranen heen:
âU was verstandig vader! Wie kon ook denken, dat zoo'n dom, eenvoudig meisje als ik tot zulke groote dingen bestemd was, maar daar blijkt Gods macht en grootheid dubbel door: wie anders dan Hij kon met zulk een onvolmaakt werktuig zulk een grootsch doel bereiken? Hoe zwakker de arm, hoe grooter Zijn kracht! En gij, beste oom! Komt gij ook eens zien, hoe het uw nichtje Jeannette gegaan is? Zonder u ware ik er zoo spoedig niet gekomen. U is zoo goed voor mij geweest.quot;
âJa, ja!quot; lachte Durand vol trots, âdat nichtje heeft mij wat een zorg gegeven, maar ik betreur de twintig franken niet, die haar oude knol van een paard gekost heeft en de vele vergeefsche reizen, die ik om haar naar Vaucouleurs maakte.quot;
âEn hoe maakt het mijn lieve moeder en tante, en mijn broers en mijn vriendinnen? Mijn jongste broeder moet gij mij zenden, vader. Dan blijft mij ten minste iets bekends nabij, iets van mijn dierbaar Domrémy. Als gij wist, hoe dikwijls ik droom van mijn kamertje en van het kerkhof en ons stil lief kerkje en van den Feeënboom en van mijn schapen. O, wat was ik toen tje-lukkig!quot;
118
âMaar gij zijt nu toch veel gelukkiger Jeanne, dan toen gij een eenvoudig herderinnetje waart?quot;
âGelukkiger? Ik weet het niet! Men is altijd gelukkig, als men Gods wil doet, maar als ik den mijne volgde, dan zou ik mijn wapens neerleggen en weer mijne ouders gaan dienen. Ach, wat zou moeder blijde zijn, als zij mij terugzag, wat zouden wij rustige dagen hebben, zoo ik, als vroeger, bij haar mocht zitten naaien en spinnen, maar mijn taak is nog niet ten einde.quot;
De uren vlogen voorbij in het spreken over het dierbare dorp en in het vragen naar alles, naar menschen en huizen, naar dieren en boomen. Jeanne was geheel de oude en toen haar vader en 'oom spraken van heen te gaan, barstte zij in tranen uit en klemde zich vast aan hun kleederen.
âVaarwel! vaarwel!quot; riep zij als door een treurig voorgevoel bevangen, âwaarom mag ik niet met u mede gaan? 't Ware zooveel beter voor mij, want mij wachten nog bitter leed en zware arbeid.quot;
âGod zegene u, God zegene u! Jeanne, wij zijn trotsch op ons kind!quot;
âGroet moeder voor mij en tante, mijn vriendin Mengette en mijn kamertje en de kerk en de schapen. Vaarwel, vaarwel!quot;
Nog een groote gunst schonk Jeanne haar dorpsgenooten en verzocht haar vader hun dat mede te deelen. Op haar verzoek had de koning Domrémy vrijgesteld van belastingen.
Het afscheid viel hen allen hard, al verlieten zij Jeanne op het hoogtepunt van haar kort en roemrijk bestaan, het scheen of de vreeselijke gebeurtenissen, die haar wachtten, reeds nu een schaduw wierpen op haar lichtgestalte.
VL
Jeanne mocht hoe gaarne ook nog niet rusten, haar stemmen bevalen haar begonnen werk voort te zetten, zij moest Parijs nog terugwinnen en den vreemdeling buiten Frankrijk verjagen. Na de groote gebeurtenissen der laatste maanden viel stad bij
119
stad, fort bij fort van de Engelschen af en zwoeren den koning van Frankrijk gehoorzaamheid.
âNaar Parijs,quot; riep Jeanne en de soldaten zeiden het haar vol geestdrift na: ânaar Parijs!quot; en de koning moest voor den algemeenen kreet zwichten en hen volgen.
Van alle kanten stroomde het volk bijeen om den koning te begroeten, meer nog om de Maagd van Orleans te zien, haar te danken en te eeren.
En Jeanne voelde tranen in haar oogen opkomen bij Let zien van die verheugde, dankbare gezichten.
âO die goede menschen,quot; zuchtte zij, mocht ik toch zoo gelukkig zijn om nu te sterven en in deze aarde te worden begraven.quot;
âJeanne,quot; vroeg haar de Aartsbisschop van Rheims, die naast haar reed, âwaar gelooft gij, dat gij sterven zult.quot;
âWaar het God behagen zal, antwoordde zij, âik weet noch de plaats, noch den tijd! Mocht het Gode behagen mij terug te doen keeren naar mijne ouders, naar mijne broeders en vrienden!quot;
En smeekend hief zij de oogen op ten hemel.
âJeanne!quot; zeide haar een monnik, âwees voorzichtig' Men vereert u zoo afgodisch, dat het niet anders kan, of gij moet hoogmoedig worden. Wacht u daarvoor!quot;
âIk kan er mij niet voor wachtsn, als God er mij niet voor bewaart.quot;
Parijs versterkte zich intusschen voor de nadering der koninklijke troepen. De hertog van Bedford, oom en voogd des konings, liet door vijfduizend gewapende mannen, de forten bezetten, om tevens de bewoners van Parijs, die in hun hart den koning van Frankrijk meer dan dien van Engeland aanhingen in bedwang te houden.
Karei VII talmde echter ouder gewoonte onder allerlei voorwendsels, hij had een wapenstilstand met den Hertog van Bour-gondië gesloten en de vijandelijkheden moesten wachten tot de onderhandelingen geëindigd waren.
Jeanne brandde van ongeduld bij dat herhaalde uitstel en had al haar eerbied voor den gezalfde des Heeren noodig om rustig en werkeloos te blijven, terwijl hij zooveel kostbaren tijd verloor.
De Engelschen hadden een vaandel laten maken van witte
120
stof geheel gelijk aan Jeanne's banier, maar in plaats van met leliën was zij bezaaid met garenklossen. In het midden was een opgerold spinnewiel, waarvan een kluwen afhing. In gouden letters stond er op. âOr vienne la helle.'' âLaat de meid maar komen.quot;
âJeanne is een spinster, en wij zullen haar garen te ontwarren geven,quot; zeiden zij spottend.
Den 15den Augustus stonden eindelijk bij Senlis de engelsche regent en de frausche koning tegenover elkander; beide legers verwachtten den aanval, geen van beiden durfde dien echter aan. De Engelschen hadden zich goed versterkt en niets kon hun er toe brengen de verschansing te verlaten; alles bleef bij schermutselingen en toen de Franschen veinsden zich terug te trekken, hopende dat de vijand hen zou vervolgen, maakte hij van deze beweging gebruik om naar Parijs terug te keeren. De wapenstilstand met den hertog van Bourgondië liep ten einde en van een duurzame verzoening scheen niets te komen.
âWij moeten tegen Parijs oprukken,quot; zeide Jeanne, en de hertog van Alen§on was van haar meening; de koning moest eindelijk toegeven en liet zich letterlijk medeslepen tot onder de muren van Parijs.
De voorhoede vestigde zich in Saint Denis; het overige leger verspreidde zich in de naburige dorpen. De Engelschen maakten alles gereed voor de verdediging en trachtten de Parijzenaars door angst rustig te houden.
âKarei heeft gezworen,quot; werd hun gezegd, âals hij meester wordt van Parijs alle bewoners groot en klein over de kling te jagen en de ploeg te laten gaan over de plaats, waar de stad eens stond.quot;
Eindelijk den 8 September, Maria Geboorte, was alles gereed voor het gevecht; men aarzelde wegens den feestdag den strijd te beginnen, maar Jeanne zeide:
âAlle dagen zijn goed om den vijand te overwinnen. Wij zullen van nacht in Parijs slapen!quot;
De aanval begon; Jeanne bevond zich in de voorste gelederen; de eerste gracht was men over, maar men moest nog over een tweede om de muren te bereiken; zij was diep en met water
123
gevuld, maar Jeanne verloor den moed niet; zij ging van de eene plaats naar de andere en peilde met een stok de diepte om een plek te vinden, die men doorwaden kon.
âBrengt takkebossen!quot; riep zij, âdempt de gracht! en begint dan de bestorming!quot;
Het regende kogels, pijlen en scheldwoorden op haar neder.
âDood aan de koehoedster! Dood aan de toovenares! Aan de gemeene deern!quot;
En zij antwoordde hun slechts:
âGeeft .de stad over aan den koning van Frankrijk!quot;
De schildknaap, die naast haar ging en voor haar de banier droeg, stortte doodelijk gewond ter aarde. Zij nam het vaandel op en gaf haar mannen het sein tot den aanval,
Een pijl trof haar in het been en zij viel in het gras neer tegen de glooiing der tweede gracht.
âValt aan!quot; riep zij, âvalt aan!quot;
De nacht viel in en de soldaten kregen bevel terug te keeren, maar Jeanne hief zich met moeite op en zich steunend op de eene hand, wenkte zij met de andere.
âKeert niet terug! Wijkt niet!quot; riep zij en toen allen heengingen, klemde zij zich wanhopend aan het gras vast en weigerde heen te gaan; met geweld moest men haar medenemen.
âAls wij hadden volgehouden, was Parijs aan ons geweest!quot; snikte zij.
Den volgenden morgen vroeg scheen zij haar wond vergeten te hebben en zeide den hertog van Alengon:
âLaat de trompetten schallen! Stijgt te paard! Wij moeten vandaag Parijs hebben!quot;
De hertog wilde niets liever dan haar gehoorzamen, maar de koning liet bevelen terug te keeren; zijn gunsteling La Trémouille had hem overgehaald geen geweld meer te gebruiken maar liever te trachten langs vreedzamen weg door onderhandelingen met den hertog van Bourgondië zijn doel te bereiken.
De legerhoofden gehoorzaamden en Jeanne moest het met bedrukt hart aanzien.
âWaarom ben ik niet gedood onder de muren van Parijs!quot; zuchtte zij.
124
Helaas! omdat haar kruisweg nog veel langer en moeilijker, haar marteldood nog veel pijnlijker moest worden. Karels's raadslieden benijdden haar en trachtten zooveel mogelijk haar bij den koning te belasteren en haar plannen te dwarsboomen.
âSire,quot; zeide La Trémouille tot Karei, laat n niet door dat meisje beheerschen! Gij ziet zelf, hoe het volk haar lief heeft en als een door God afgezonden engel vereert. Wel is hun liefde voor u daar koud en dor naast! Alles is haar mogelijk! Zelfs zich in Parijs als koningin te laten uitroepen en u te verjagen, zooals zij de Engelschen verjaagd heeft.quot;
âDat zal Jeanne niet doen!quot; antwoordde Karei, âwas zij het niet vooral, die mij aanzette in quot;Rheims de koningskroon te ontvangen? Wat zij doet, geschiedt alleen voor mij en om mij.quot;
âWeet ge dan niet genoeg Sire, hoe er niets verandelijker en grilliger is dan een vrouwenhart? Hoe niets vatbaarder is voor ijdelheid dan een vrouwenhoofd? Jeanne moest een engel en geen gewoon meisje zijn om niet bedwelmd te raken door zooveel geestdrift en zooveel lof. Zij is er overtuigd van dat een bovennatuurlijke macht in haar zetelt en dat alles voor haar moet buigen.quot;
âDat is ook gebleken!quot;
âDoor een samenloop van omstandigheden. Zeker, zij heeft u grooie en gewichtige diensten bewezen, maar het voornaamste is, dat zij uw moedelooze troepen opnieuw heeft aangevuurd en bezield. Zij gehoorzamen haar blindelings. Als zij hun beveelt zich tegen u te keeren, zullen zij zich ook niet verzetten. Bedenk dus Sire! wat een macht dat meisje verkrijgt. De Engelschen verjagen is voor haar slechts het begin van haar taak; zij droomt van een nieuwen kruistocht om het H. Graf te bevrijden, zoodra de vrede tusschen u en den koning van Engeland geteekend is. Als men haar niet tegenhoudt, dan is zij tot de onzinnigste daden in staat, die zelfs uw gezag in gevaar zullen brengen.quot;
Karei vreesde niets zoozeer dan het verlies van zijn gezag; zooals een natuur zwak als de zijne die koesteren kon, onbekwaam als hij zich achtte dat gezag te handhaven en te verdedigen.
âDat zou mij niet behagen!quot; antwoordde hij onaangenaam getroffen.
125
âWelnu, dan Sire! Laat u niet verder beheerschen door dat boerenmeisje. Gij hebt haar hulp aangenomen en dat is genoeg. Hoe meer gij u afhankelijk maakt van haar, hoe zwaarder haar juk u zal drukken. Het is van het hoogste belang, dat gij u andere machtige bondgenooten verzekert. Het oogenblik is nu gunstig. De roem der Engelschen taant, hun wapengeluk wordt bedreigd, de kansen staan dus goed om door schoone beloften den hertog van Bourgondië te winnen.quot;
Deze trouwelooze raadgevingen vonden maar al te spoedig weerklank bij den zwakken Karei: hij vond altijd verkieselijker langs omwegen dan rechtstreeks, des noods met geweld zijn doel te bereiken. Hij zelf was jaloersch op het schitterende succès van Jeanne, 't kostte hem in zijn bekrompen hoogmoed veel te bekennen dat hetgeen hem, den koning van Frankrijk onmogelijk was geweest slechts kinderspel had geschenen aan Jeanne het onervaren boerenmeisje en in plaats van te erkennen, dat zij slechts handelde om zijn bestwil, luisterde hij liever naar La Trémouille, die hem tegen haar opruide en het vuur van achterdocht en wantrouwen smeulend in zijn ziel feller deed opvlammen.
Hij weigerde dus een vast besluit te nemen en bevel te geven tot een hervatting der vijandelijkheden. Jeanne werd dan zelf ook trillend van ongeduld tot een haast ondragelijke werkeloosheid veroordeeld. Eindelijk in de maand November stond hij haar toe, het stadje Sint Pierre le Moustier te belegeren; hoewel de Engelschen zich dapper verdedigden en haar leger zeer klein was, nam zij toch na een verwoed gevecht de stad in.
Van daar ging men naar la Charité een zeer goed versterkte stad en sloeg er het beleg voor maar de belegeraars hadden gebrek aan alles, aan ammunitie zoowel als aan levensmiddelen en alle pogingen van Jeanne om hen hiervan te voorzien leden schipbreuk.
Hoe dapper men dan ook streed, het was niet mogelijk de sterkte in te nemen en na een maand moest men tot groot verdriet van Jeanne het beleg opbreken.
Zonderling! nu Jeanne voor het eerst een nederlaag had geleden werd zij aan het hof door den koning en de rijksgrooten
126
veel hartelijker ontvangen dan anders. De koning verhief haar en alle leden van haar familie, mannen en vrouwen tot den adel, maar Jeanne verlangde deze eerbewijzen niet, zij verzocht niets anders dan verlof om voort te blijven strijden, maar juist dit verlof wilde men haar niet geven; men trachtte door onderhandelingen den vrede te verkrijgen,
âGij zult hem nooit vinden als gij met de pen zoekt,quot; zeide Jeanne âwant de vrede bevindt zich slechts op de spitsen der lansen!quot;
Rheims maakte zich ongerust, dat de Engelschen haar weder zouden belegeren.
Jeanne liet hun den IGdeu Maart 1430 schrijven:
âVreest niet!
,,Gij zult niet belegerd worden, als ik den vijand ontmoet.
âAls ikj hun niet ontmoet, sluit dan uw poorten.
âWanneer de Engelschen komen, zal ik er spoedig zijn en ik zal hen hun sporen laten aandoen, zoo vlug dat zij niet zullen weten, waar ze te vinden.quot;
Tegen het einde der maand Maart kon Jeanne niet langer aan het hof blijven talmen en wachten op onderhandelingen, die nooit schenen te eindigen; zonder iets te zeggen vertrok zij naar Lagny aan de Marne, waar de Franschen tegen de Engelschen vochten; daar viel zij een Bourgondiër, zekeren Franquet d'Arras, de schrik der geheele streek, aan. Het gelukte haar het plaatsje in te nemen en den bevelhebber tot haar gevangene te maken. Zij wilde hem eerst niet 'dooden, maar uitleveren tegen gevangen Franschen, doch de rechters van Lagny drongen er op aan, dat zij niet al te genadig zoude zijn voor een man, die zooveel moorden en rooftochten op zijn geweten had en op hun aandringen gaf Jeanne toe en liet aan de gerechtigheid haar loop.
Franquet' werd gevonnisd, veroordeeld en onthoofd. Intusschen was de kans op een verzoening met den Hertog van Bourgondië verloren gegaan en deze bereidde zich Gompiègne, een stad des konings van Frankrijk, te belegeren.
Toen Jeanne dit hoorde, besloot zij dadelijk de bedreigde stad ter hulp te snellen.
âIk ben deze goede fransche stad hulp verschuldigd,quot; riep zij
129
uit en tot hen, die haar waarschuwden, dat het gevaarlijk was zich daar bloot te stellen, sprak zij:
âWaar het gevaar is, daar is mijn plaats ! Mannen, volgt mij!quot;
Zij had er tegen middernacht driehonderd om zich been verzameld en men verzekerde haar, dat zij met zulk een kleine macht nooit door het vijandelijke kamp zou kunnen dringen.
âWij zijn met genoeg,quot; hernam zij, âbij mijn stok, ik zal straks mijn goede vrienden van Compiègne zien.quot; En bij het opgaan der zon trad zij Compiègne binnen.
Dien avond echter ging Jeanne naar de kerk om er te bidden, zij knielde op de vloersteenen neder en boog diep het hoofd. Haar hart was van droefheid vervuld ; de schaduwen, die het gebouw vervulden, schenen ook neer te dalen in haar ziel en alles te omfloersen.
Tranen stroomden uit haar oogen en benauwdheid vervulde haar hart; zij wrong de handen en zag vergeefs op naar den hemel, die doof scheen te blijven op haar smeekingen.
âHeer,quot; bad zij, als eenmaal haar goddelijke Meester inGeth-semaneh, âals het Uw wil is laat dan dezen kelk van mij gaan !quot;
Zij doorleefde baar gelukkige kalme jeugd, zij hoorde de stemmen barer ouders, van haar lieve moeder vooral, zij zag haar dorpje terug, schitterend in de zonnestralen zich vleiend, tusschen de heuvelen en de breede rivier, zij verbeeldde zich weer in haar kerkje te zijn, haar eenvoudig, stil dorpskerkje, of op het kerkhof, waar zij 't eerst de stemmen had gehoord, die haar opriepen tot haar hooge zending.
Weer voerde zij den hangen strijd tusschen haar vrouwelijken schroom en de stemmen, die van God zelf schenen te komen, zij herdacht haar wanhopige pogingen om vertrouwen voor haar zending te winnen.
Vaucouleurs, Chinon, Portiers en toen de oorlog in Orleans, langs de Loire, de schitterende overwinning en eindelijk Rheims, de dag van glorie en daarna â tegenwerking, nederlaag en eindelijk .. .
Ja, de toekomst zag zij voor zich en zij rilde, het teedere meisje, alles werd haar duidelijk, wat zij geleden had en wat zij
9
130
nog moest lijden 'en haar zwakheid schrikte er voor terug, zij stak de handen uit om het afschuwelijke vizioen af te weren.
O, kon zij maar vluchten, verre van daar naar haar moeder, naar haar eenvoudig tehuis, maar neen ! de stemmen riepen haar duidelijk toe :
âSta op Jeanne, sta op! 't Is nu tijd om te strijden, wat ook de uitslag van den strijd moge zijn.quot;
Eu gehoorzaam als altijd stond het meisje op en zich omkeerend zag zij, dat arme lieden met haar kinderen haar omringden en vol geestdrift aanstaarden.
Nu stroomden haar tranen opnieuw.
âJeanne, waarom weent gij ?quot; vroeg men haar, âwelk verdriet kunt gij hebben, dochter van God ?quot;
En zij antwoordde snikkend:
âOch! goede vrienden en lieve kinderen! Men heeft mij verkocht en verraden. Spoedig zal ik ter dood worden gebracht. Bidt voor mij, want ik zal niet langer God en Frankrijk kunnen dienen.quot;
En snel verwijderde zij zich.
Den volgenden dag viel zij de Bourgondiërs aan, die den eersten schok niet weerstaan konden, maar spoedig versterking kregen; door de overmacht moesten de Franschen terugwijken, maar Jeanne wilde niet vluchten. Wat men haar ook zeide; hoe groot ook de overmacht der vijanden was, zij vreesde niets, maar zij kon haar dapper zelfvertrouwen niet aan haar manschappen mededeelen; door schrik gejaagd snelden zij naar Compiègne terug en luisterden niet naar haar kreten. Zij grepen de teugels van haar paard en sleepten haar aldus mede; toen trachtte zij ten minste nog den terugtocht te redden, maar de angst had haar soldaten zoodanig aangegrepen, dat er aan geen strijd meer te denken was; de Bourgondiërs bijgestaan door de Engelschen joegen de Franschen in de stad terug en hoopten dan met hen samen binnen te dringen.
Jeanne vooral trachtten zij te omsingelen en van haar krijgslieden af te snijden; het was een ontzettende verwarring.
De meeste voetknechten hadden zich in de booten geworpen, die langs de rivier waren geschaard om de vluchtelingen op te nemen; de brug was opgehaald en de booten staken van wal;
niemand was haar bijgebleven dan haar trouwe schildknaap d'Aulon en eenige ridders.
Zij wuifde haar banier en riep om bijstand, maar niemand durfde haar ter hulp komen, het was ook te laat, de Bourgondiërs wierpen zich op haar, grepen haar aan en trokken haar van het paard.
âGeef u over! Zweer ons trouw!quot; riepen de krijgslieden.
âIk heb mijn trouw gegeven aan een ander dan aan u, en ik zal mijn eed houden!quot; antwoordde Jeanne.
De klokken in de stad luidden alarm, omdat men bemerkt had.
Jeanne gevangen genomen vóór de wallen
van Compiègne.
133
dat de Maagd van Orleans het leger niet vergezelde, toen het binnen de muren terugkeerde, de manschappen snelden naar de poorten.
Helaas! Het was te laat! Jeanne was gevangen.
Een overwinning hoe schitterend ook zou den vijand zooveel vreugde niet veroorzaakt hebben als de gevangenneming van Jeanne.
De Bourgondiërs juichten als of zij het grootste wapenfeit hadden verricht alleen, omdat zij een vrouw, een meisje hadden gevangen genomen.
De Engelschen jubelden en de Hertog van Bedfort liet vreugdevuren ontsteken in Parijs en beval, dat men in de kerken het Te Deum zou zingen; men zond boden naar alle bourgondische en zelfs engelsche steden om de vreugdemare te verkondigen en aan de overzijde van het kanaal heerschte nog grootere blijdschap en opgewondenheid.
âVoor heel Londen zouden wij haar niet willen missen !quot; riep men uit.
âNu zullen wij weer overwinnenquot; riep Bedfort, ânu wij dat Satans kind in onze macht hebben.quot;
En de soldaten verzekerden, dat zij nu weder zouden durven vechten, want als zij haar in de verte zagen was het of alle moed hun begaf, of hun handen machteloos werden en 't hun onmogelijk was den boog te spannen en de zwaarden op te heffen.
â't Is duivelsch werk! Zij heeft ons allen betooverd! riepen zij uit, ,,haar bijzijn alleen geeft de overwinning en doet ons vluchten.quot;
Maar terwijl de vijanden juichten, vervulde bittere rouw de harten der Franschen.
Hun Jeanne gevangen, hun heldhaftige maagd in handen der Bourgondiërs, 't scheen hun toe of de ergste dagen van vroeger weer voor hen zouden aanbreken of de hulp en bijstand des hemels hen had verlaten, zij hadden haar zoo lief dat eenvoudige vriendelijke meisje, die onoverwinnelijke heldin, zij was voor hen het beeld van Frankrijk geworden, Frankrijk dat leed en streed, dat schreide en bloedde, maar den strijd niet opgaf en hoe groot ook de overmacht was van den vijand, toch ter overwinning schreed.
134
In Orleans en Blois werden openbar# gebeden uitgeschreven om van God de bevrijding der Maagd, die hen gered had te verkrijgen.
In Tours trokken de bewoners blootshoofds en blootsvoets in processie langs de muren en riepen uit:
âOntferm (J onzer Heer! Wij vergaan als Gij ons niet ter hulpe komt en ons onze redster teruggeeft.quot;
Men beschuldigde den bevelhebber van Compiègne niet alleen van verraad, maar durfde zelfs fluisteren, dat het de koning was, die haar in handen der vijanden had laten vallen.
Een lange jammerkreet weerklonk door geheel Frankrijk; schreiend hieven allen de handen ten hemel en riepen uit:
âHeer, hoe kunt Gij het gedoogen, dat zij voor ons verloren ging?quot;
En de Koning?
Hij zweeg; onder den invloed van La Trémouille liet hij haar, die hem ter plechtige kroning had gevoerd, rustig in de macht des vijands en verheugde zich misschien, dat hij nu ontheven was van den zwaren plicht der dankbaarheid.
VIJFDE HOOFDSTUK.
MARTELARES.
I.
Niet ver van Kamerrijk in het kasteel Beaurevoir vinden wij Jeanne terug; de Bourgondiërs hadden haar eerst naar Beaulieu bij Compiègne gebracht, maar zij vonden dat kasteel te dicht bij het tooneel van den strijd en nadat Jeanne eens, vol medelijden over het lot der arme belegerde burgers van Compiègne getracht had te ontvluchten, maar juist bijtijds ontdekt en teruggebracht werd, besloot de hertog van Luxemburg voor haar een veiliger verblijfplaats te vinden.
Daar zat zij in de maand Augustus droevig en eenzaam naar buiten te staren en dacht aan den feilen strijd, die er tusschen de Franschen en Engelschen gestreden werd, waaraan zij geen deel meer mocht nemen; met de handen in den schoot en de oogen vol tranen, verteerd van ongeduld bad zij God een einde te maken aan dien ondragelijken toestand.
Twee vrouwen kwamen haar soms troosten, het waren de slotvoogdessen van Beaurevoir, de jonge gade en de tante van den Heer van Luxemburg.
Zij ook hadden van Jeanne alleen hooren spreken als van een heks, een handlangster van Satan, een toovenares en wanneer men den angst kent, in die tijden ingeboezemd door zulke met de helsche machten vertrouwde wezens kan men zich voorstellen, hoe ongaarne de adellijke dames de tijding vernamen, dat Jeanne aan haar zorgen werd toevertrouwd.
Maar nauwelijks hadden zij het meisje gezien in haar eenvoudige lieftalligheid en kinderlijke vroomheid, zoo geheel anders als zij zich haar voorstelden of haar afkeer veranderde in oprechte vriendschap en hartelijk medelijden.
Zij deden, wat zij konden om Jeanne's gevangenschap te ver-
136
lichten; dagelijks bezochten zij haar in den kerker en werden niet moede met haar te spreken en haar te hooren verhalen van de wonderbare voorvallen, die zij had doorleefd.
Een zaak alleen hinderde beiden vrouwen, het was de gedurige weigering van Jeanne om vrouwenkleeren aan te trekken. Zij brachten haar herhaaldelijk een volledig stel met verzoek zich daarin te kleeden, maar Jeanne weigerde beslist.
âHet kost mij veel niet te gehoorzamenquot; antwoordde zij dan âwant gij zijt zoo goed voor mij en als ik het ooit doen mocht dan zou het wezen op uw verzoek eer dan op dat van alle vrouwen van Frankrijk, de koningin uitgezonderd.quot;-
Zij kon haar zending nog niet voor geëindigd beschouwen en 't scheen haar toe, dat zij met het afleggen der kleederen, waarmede zij zulke groote dingen had verricht, ook tevens afstand deed van het recht Frankrijk ter hulp te komen.
Wanneer de drie vrouwen bij elkander waren, dwaalde het gesprek onwillekeurig terug naar Compiègne; de edele dames waren vervuld van angst en vrees over het lot der belegeraars, maar vooral over den Heer van Luxemburg. Jeanne daarentegen sidderde voor de arme belegerden.
Wanneer de tijdingen wegbleven was er groote zorg en kommer in het slot.
âO mijn lieve Heer gemaal! Wat zal er nu gebeurd zijn met u! Zeker zijt gij gewond of dood, daar gij mij zoo lang van tijdingen berooftquot; riep de slotvrouw schreiend uit.
âO mijn goede, lieve stad Compiègnequot; zuchtte Jeanne, âgij die zoo trouw en gehoorzaam aan den koning zijt, zult gij nu door den vijand worden hernomen? Zal men u niet bijtijds ter hulp komen en goed bezetten?quot;
En daar kwam de tijding, die haar vriendinnen deed juichen van dankbaarheid, maar haar schier tot wanhoop bracht.
Uitgeput en machteloos stond Compiègne op het punt zich aan den vijand over te geven en deze verbitterd door den langen tegenstand had gezworen, dat alle inwoners, ouder dan zeven jaar zouden vermoord worden.
Niets evenaart Jeanne's droefheid, tevergeefs vermaanden haar stemmen haar tot geduld en berusting. Voor 't eerst vertrouwde
137
zij niet meer op haar beschermheiligen; de zucht tot handelen vervulde haar en zij riep wanhopend uit:
âNeen, God kan die goede trouwe burgers van Compiègne niet zonder mijn hulp laten sterven!quot;
âGod zal hen ter hulp komenquot; zeide de heilige Catharina.
jjOmdat God hen wil helpen, moet ik er zijnquot; antwoordcfe zij.
âGij moet u onderwerpen' ' hernam de stem âgij zult niet verlost worden, vóórdat gij den koning van Engeland hebt gezien.quot;
âO ik verlang hem niet te zienquot; verklaarde zij beslist âik wil liever sterven dan in handen der Engelschen vallen.quot;
En zonder aan de gevolgen van haar daad te denken, wierp zij zich na haar ziel aan God te hebben aanbevolen van boven den toren naar omlaag.
Men vond haar beneden half dood, nam haar op en bracht haar weer terug in het kasteel; de slotvrouwen verpleegden haar vol liefde en de Heilige Catharina kwam haar troosten en beval haar te biechten en God om vergiffenis te vragen haar belovende, dat de inwoners van Compiègne hulp zouden verkrijgen vóór dat het Sint Maarten was.
Later heeft men Jeanne dezen noodlottigen sprong als een poging tot zelfmoord willen ten laste leggen maar geheel ten onrechte. Uit alles blijkt, dat zij hem alleen waagde uit verlangen om Compiègne ter hulp te komen; haar eenige fout was, dat zij niet genoeg op haar stemmen vertrouwde.
Zij werd er dan ook streng voor berispt, beleed haar schuld in de biecht en ontving van God vergiffenis; natuurlijk werd haar gevangenschap na dit voorval nog strenger en waakte men er voor, dat zij niet ten derdemale ontsnappen zou.
Terwijl Jeanne zich dus met zooveel moeite aan haar gedwongen rust onderwierp, werden er drukke onderhandelingen gevoerd tusschen de Engelschen en Bourgondiërs om haar in de macht harer bitterste vijanden over te leveren.
Voor de Engelschen was het een zaak van het grootste gewicht het meisje, dat hun zooveel nadeel had'berokkend, in handen te krijgen. Het was hun niet genoeg haar voorbeeldeloos te straffen en een wreeden dood te doen sterven, maar zij moesten haar brandmerken en schandvlekken in de oogen van haar eigen
138
volk. Slechts dan wanneer de Engelsche soldaten niet meer geloofden aan Jeanne's goddelijke zending, wanneer zij zich vol afschuw van haar afwendden als van een door den duivel bezetene zou er kans bestaan, dat hun verflauwde moed weer verlevendigde en het vertrouwen in hun wapenen opnieuw ontwaakte.
Jeanne moest dus eerst onteerd en daarna veroordeeld worden, dan zou zelfs Frankrijk, dat zij gered had, geen poging meer kunnen doen om haar de verworpeling, de vijandin van God te redden.
Het was eene gedachte afschuwelijk, onridderlijk en onedel, het nobele Engelsche volk onwaardig, maar de onverwachte nederlagen hadden hen verbitterd en verblind; zij zagen niet in, hoe laag het was van zulke dappere mannen en wijze geleerden zich te verbinden tegen een weerlooze vrouw om op haar op ongehoorde wreede wijze hun wraakzucht en haat te koelen.
Zij moesten dus kost wat kost de buit aan Luxemburg onttrekken om haar naar hun inzicht en tot bereiking van hun schandelijk doel te beoordeelen. Voor den hertog van Luxemburg was Jeanne niets anders dan een kostbare krijgsgevangene, die hij zich slechts tot hoogen losprijs zou laten afkoopen, onverschillig door wien die som betaald werd.
Karei VII was te onverschillig, te koel, laten wij hopen ook te arm om haar, die hem tot koning had gemaakt, vrij te koopen; de Eagelschen daarentegen hadden er alles voor veil, om haar in hun macht te krijgen. Dan zou het hun wel gelukken een geestelijke rechtbank samen te stellen, die haar overtuigen moest van ketterij en toovernij, de vreeselijkste beschuldigingen, welke men in dien tijd tegen man of vrouw kon aanbrengen.
Het hoofd van die rechtbank was spoedig gevonden. Helaas! zooals zich onder de Joodsche Hoogpriesters een Caïphas en onder de Apostelen een Judas bevond, zoo leefde onder de Fransche bisschoppen een onwaardig personage, een man, die zijn heilig ambt onteerde door zijn lage hartstochten, geldzucht en eerzucht, die zijn hooge bediening misbruikte om zich zelf te verheffen en te verrijken en zich bereid verklaarde de Maagd van Orleans te doen schandvlekken en te onteeren.
Petrus Cauchon heette deze huichelaar, die den bisschoppe-
139
lijken zetel van Beauvais tot schande strekte en zich zelf voor eeuwig brandmerkte door het aandeel, dat hij had in de veroordeeling van Jeanne d'Arc.
Hij was een man van groote bekwaamheden maar grenzelooze eerzucht en geldzucht; onder een waardig voorkomen en plechtige manieren verborg hij de onedelste hartstochten; toen hij zag, dat de partij des Konings het onderspit ging delven, verbond hij zich aan de Bourgondiërs en werd aalmoezenier van hertog Jan zonder Vrees.
In die hoedanigheid mocht hij belastingen opleggen en innen en maakte een ruim gebruik van dit recht.
Nadat hertog Jan vermoord was, steeg hij bij diens zoon Philip nog meer in aanzien en deze bezorgde hem, zoodra hij vacant werd, den bischopszetel van Beauvais.
Cauchon was een vurig aanhanger der Engelschen, de bond-genooten der Bourgondiërs geworden en toen Beauvais zich aan den koning onderwierp op Jeanne's aanmaning verjoegen de inwoners hun bisschop, die nu verplicht was bij de Engelschen een toevlucht te zoeken.
Zijn hart vol verbittering en wraakzucht droomde van niets anders dan zijn verbanning op Jeanne te wreken.
Daar zij in zijn diocees was gevangen genomen, eischte hij als zijn recht haar te mogen oordeelen. De Engelschen wenschte niets liever dan hun rechtbank onder de bescherming te stellen van een prins der Kerk, hoe onwaardig ook; met hun goedkeuring begaf zich Cauchon den 16 Juli naar het kamp voor Compiègne, waar zich de Hertog van Bourgondië en Jan van Luxemburg bevonden en verzocht hun de gevangene over te geven aan de geestelijke rechtbank, door den koning van Engeland daartoe aangewezen.
âDe bisschop van Beauvaisquot; zoo liet hij beiden hertogen aanzeggen, âvraagt van Monseigneur den hertog van Bourgondië en van Monseigneur Jan van Luxemburg, uit naam van den Koning onzen Heer Hendrik VI en zijn eigen naam als Bisschop van Beauvais.
âDat deze vrouw, die men gewoonlijk Jeanne de Maagd noemt, hun gevangene, gezonden worde naar den koning om haar over
140
te geven aan de Kerk, die haar zal oordeelen, omdat zij beschuldigd en door de stem des volks verdacht wordt vele misdaden te hebben bedreven, als toovernarijen, afgoderij, oproeping van duivels en vele andere misdrijven tegen de wet, zoodat zij dus, ter oorzake dezer misdrijven, niet beschouwd moet worden als krijgsgevangene. Maar niettegenstaande dit alles wil de Koning ter vergoeding voor hen, die haar gevangen namen en hielden de mildheid hebben hun de som van zes en dertig duizend pond te geven en bovendien hun, die haar gevangen namen, eenjaar-lijksche rente van twee a drie honderd pond.quot;
Dit was den edelen man niet genoeg en de Bisschop moest den prijs verhoogen tot duizend pond.
De Heer van Luxemburg had geld noodig en hij liet zich overhalen; toen zijn tante de Beaurevoir het vernam, wierp zij zich voor de voeten van haar neef.
âIn naam van uwe eerquot; smeekte zij âsluit deze. schandelijken koop niet! Gij zult er u zelf en uw nakomelingen met schande door overladen.quot;
âIk zal het doen als de hertog van Bourgondië er zich niet tegen verzetquot; antwoordde Luxemburg en hoewel aarzelend gaf Philip zijn toestemming.
De Hertog van Bedfort hief om de zware som te betalen een belasting op de inwoners van Normandië en met dit Fransche geld, door tusschenkomst der Franschen kocht hij Jeanne, de redster van Frankrijk van een Franschen edelman.
Het Judasloon werd uitbetaald, nadat de schandelijke koop gesloten en het arme slachtoffer aan haar rechters of liever haar beulen overgeleverd was. Haar kruisweg was begonnen.
H.
Groote verwarring heerschte in die dagen in de Christenheid; de noodlottige scheuring van het Westen had de kerk in twee, en zelfs in drie kampen verdeeld. Het Concilie van Constanz had aan het schisma een einde gemaakt, maar nog waren er
141
velen, die zich slechts met tegenzin onderwierp aan het gezag van den wettigen Paus.
Zoo had de Universiteit van Parijs in deze dagen een treurige rol gespeeld; zij had zich ontrouw getoond aan den koning door den Engelschman als meester te erkennen; zij legde den Paus allerlei moeilijkheden in den weg, toonde zich weerspannig en onafhankelijk gezind tegenover den Heiligen Stoel. Een der steunpilaren der Parijzer Universiteit was bisschop Cauchon, die voor korten tijd haar hoofd was geweest en nog steeds de innigste betrekkingen met haar onderhield.
Op zijn verzoek waren de Engelsch- en anti-pausgezinde godgeleerden bereid hem bij te staan in het proces tegen Jeanne d'Arc en de rechtbank te vormen, wier taak het zou zijn haar te veroordeelen.
Zoodra dus het arme meisje zich in handen bevond van de Engelschen, haastte zich de Universiteit den koning van Engeland geluk te wenschen en verzocht hem:
âWij smeeken u het proces van deze vijandin van het geloof in Parijs te doen plaats hebben. Het zal daar met meer glans gevoerd kunnen worden dan in eenige andere stad tengevolge van het groot aantal godgeleerden, dat zich daar bevindt.quot;
Maar de Engelschen voelden zich niet krachtig genoeg om in Parijs dat gewichtige werk te verrichten en kozen dus Rouaan; daarheen werd dus Jeanne in de maand December onder sterk geleide gebracht.
De soldaten barmhartiger misschien dan de ridders en de doctoren wilden korte metten maken met haar, die hen zoo dikwijls had overwonnen.
âMen moet haar ineen zak binden en in de Seine werpen,quot; zeiden zij.
âNeenquot; antwoordden de anderen âeerst moeten wij haar schandvlekken en onteeren door een proces.quot;
Zij sloten haar op in een ijzeren kooi, waarin zij met den hals, de armen en beenen werd vastgesmeed.
In deze barbaarsche gevangenis bleef zij opgesloten van het einde van December 1430 tot den 24 Februari 1431.
Weerloos opgesloten als ware zij een gevangen roofdier en
142
geen teer meisje moest Jeanne dagelijks de beleedigingen en beschimpingen van haar lafhartige vijanden aanhooren. Vier of vijf soldaten hielden steeds de wacht voor de kooi en bespaarden haar hun grove, onreine scherts niet.
Bovendien schaamden groote heeren zich niet haar, die zij eens zoo gevreesd hadden op de laagste wijze te tergen en te beleedigen.
Op zekeren dag kwam Jan van Luxemburg, de Judas, die haar verkocht had, vergezeld door de twee engelsche Lords Warwick en Stafford haar zien en waagden het op onedele, laffe manier haar ongeluk te bespotten.
âJeanne,quot; zeide hij, âik heb u vrijgekocht onder voorwaarde, dat gij niet meer tegen de Engelschen zoudt vechten.quot;
âGij bedriegt mij,quot; antwoordde Jeanne, âwant ik weet zeer goed, dat gij er noch de macht, noch den wil toe hebt.quot;
Hij durfde het nogmaals verzekeren.
âWaarom gelooft gij mij niet? 'tls toch niet zoo onmogelijk, als gij die gelofte maar aflegt.quot;
âDat zou zijn een slechte zaak beloven.quot;
âNu pas dan op!quot;
âO ik weet het wel,quot; antwoordde zij vol fierheid, âdat de Engelschen mij willen doen sterven, denkende dat zij door mijn dood Frankrij k weer zullen terugwinnen, maar dat verzeker ik u, al waren zij ook met honderdduizend goddams meer dan zij nu zijn, zij zullen het rijk niet veroveren.quot;
Stafford ontstak bij deze bedreiging in woede en trok zijn zwaard tegen de weerlooze vrouw.
Warwick hield ongelukkig zijn hand van Jeanne terug.
âWij zullen haar op een andere manier krijgen!quot; verzekerde hij. En die onrechtvaardige manier was de onwaardige Cauchon druk bezig voor te bereiden; met onvergelijkelijke aanmatiging, sterk door de Engelsche hulp, wierp hij zich als haar rechter op en riep de rechtbank bijeen, wier taak het moest zijn haar te bran dinerken en daarna te vonnissen.
Er was geen enkele reden, waarom de bisschop van Beauvais geroepen zou zijn haar te oordeelen. Zij behoorde niet tot zijn diocees, en bevond zich dus niet onder zijn gezag en juridictie. Zij
Jeanne in de gevangenis.
145
had evenmin op zijn gebied een misdaad begaan; niemand had haar trouwens op heeterdaad op iets slechts betrapt.
Ten overvloede had Cauchon in Rouaan niets te maken; de bisschopszetel was er vacant, maar niemand had hem er benoemd. De kanunniken bevreesd, dat hij daarop rechten zou doen gelden, welke hem in geen geval toekwamen, lieten zich met moeite door de engelsche onderhandelaars overtuigen, dat zijn rechtersambt in volstrekt niet de minste betrekking stond tot de bisschoppelijke waardigheid hunner stad.
Cauchon liet zich in de eerste plaats bijstaan door zijn vicaris Jean d'Estivet, een vurig Engelschgezinde, zijn meester ten volle waardig. Cauchon verborg ten minste nog onder beschaafde vormen zijn inwendige verdorvenheid; d'Estivet was een ruw, onbeschaafd, harteloos man, die voor geen laagheid terugdeinsde, om zijn schandelijke doeleinden te bereiken.
Hij werd door den bisschop tot Jeanne's aanklager benoemd en zijn aanklacht was in zulke grove, zelfs gemeene termen vervat, dat zijn griffier Courcelies er veie uitdrukkingen van verzachten moest.
Verschillende godgeleerden waren door Cauchon uit Parijs ontboden om hem in dit werk der duisternis bij te staan ; hij had ze zorgvuldig uitgekozen met het oog op zijn doel.
De voornaamste hunner was Courcelles, die op het Concilie van Bazel een der heftigste tegenstanders geweest was van den wettig gekozen Paus, een vurig gallicaan, die de belangen van de Fransche geestelijkheid stelde boven die der Kerk, een huichelaar vol geveinsde zedigheid en kruiperige godsvrucht, een partijganger der Engelschen, die zich later, toen hij hun zaak verloren achtte, weer bij Karei VII aansloot.
Hem ter zijde stonden Pierre Maurice, Nicolaas Midy, Beaupère en nog eenige anderen van minderen rang en naam ; maar de trouwelooste en verraderlijkste onder hen was Nicolaas Loyseleur, die zelfs niet terugschrikte voor het laagste bedrog, daar hij zich als monnik verkleed in Jeanne's cel begaf en haar overreedde bij hem te biechten. Terwijl Cauchon zich in een aangrenzend vertrek alleen door een schot van haar gevangenis gescheiden verborgen hield en de bekentenissen van de gevangene aanhoorde. Loyseleur
10
146
gaf haar intusschen zoogenaamden goeden raad, die echter alleen ten doel had haar in verwarring en tegenspraak met zich zelf te brengen.
Dit ellendige wezen bevond zich reeds sedert langen tijd in oneenigheid met Rome; hij was zelfs in de uitoefening zijner bediening als beneficarius van Rouaan geschorst en ontving niet meer de opbrengst aan zijn prebenden verbonden.
Naar Bazel gezonden om bij de kerkvergadering het kapittel van Rouaan te vertegenwoordigen, verzette hij zich openlijk tegen den wettigen Paus, Eugenius IV.
Zoo bestond dan deze rechtbank, bestemd om de bevrijdster van het vaderland te oordeelen, voor het grootste gedeelte uit niets anders dan uit plichtvergeten priesters, opstandelingen tegen Paus en Koning, uit ontrouwe dienaren van God en Vaderland.
De Engelsche regeering had reeds bij voorbaat deze rechtbank doen aanzeggen, dat zij niet anders van haar verwachtte dan een onteerend doodvonnis.
âIndien het proces een andere uitkomst had,quot; werd er gedreigd, âzullen wij het hervatten.quot;
Hiervoor was echter geen gevaar, ook Cauchon had evenzeer als zijn meesters belang bij Jeanne's veroordeeling.
Een enkele had den edelen moed de treurige verantwoordelijkheid te weigeren, welke men hem op de schouders wilde laden.
Nicolaas de Houppeville, een godgeleerde, wilde in de rechtbank geen zitting nemen.
âDe bisschop van Beauvais is niet onpartijdig,quot; zeide hij. âwant hij is de vriend van Jeanne's vijanden en bovendien heeft hij het recht niet op een zaak, die reeds in Portiers onderzocht en geoordeeld is, terug te komen, want daar geschiedde het onder zijn Metropolitaan den Aartsbisschop van Rhehns.
âDit proces is dus onwettig.quot;
Woedend liet Cauchon dezen lastigen tegenspreker gevangen nemen en zou hem in de Seine hebben laten verdrinken, als zijn collega's hem niet gered hadden.
Een geneesheer Jean Tiphaine wilde zich ook verontschuldigen, maar men dwong hem plaats te nemen onder de rechters; een andere arts De la Chambre, trachtte te vergeefs te bewijzen
147
dat hij in godgeleerde vraagstukken niet bevoegd was een oordeel uit te brengen; men liet hem weten, dat zoo hij het proces niet teekende hem dit zeer zou berouwen.
Aldus werd de onrechtvaardige rechtbank samengesteld; de rechters deels door bedreigingen gedwongen, deels door schitterende beloften verleid, kwamen in Februari bijeen om tot de voorbereidende maatregelen van het proces over te gaan.
Geen opoffering was Engeland te groot om het vurig verlangde doel te bereiken en Frankrijk in haar schandelijke lijdzaamheid zag kalm toe, hoe haar redster gemarteld, geschandvlekt en geoordeeld ging worden.
III.
Een der eerste stappen door de rechtbank, waarvan Cauchon voorzitter was, gedaan, bestond hier in dat men te Domrémy inlichtingen inwon aangaande de afkomst, de jeugd en de meisjesjaren van Jeanne d'Arc.
Groot was de droefheid der familie en vrienden van de Maagd van Orleans, toen het bericht hun bereikte van haar gevangenneming en proces. Zij was hun aller trots geweest, met blijdschap hadden zij de verhalen gehoord der dorpelingen, die evenals Jeanne's vader en oom haar in volle glorie hadden beschouwd bij 's konings kroning; wonderbare verhalen gingen over haar bovenaardsche zending rond, waaraan niemand meer twijfelde en daar kwam eensklaps het bericht van haar nederlaag en gevangenneming bij Compiègne, later haar uitlevering aan de Engelschen, die zich zeker geen genadige rechters zouden toonen.
De getuigenissen, welke zij van haar aflegden, waren allen zonder uitzondering gunstig.
âIn het leven van dit jonge meisje,quot; zoo staat in een der afgezonden berichten, âheb ik niets gevonden, wat ik niet in het leven mijner eigen zuster zou willen vinden.quot;
Ook uit de nabijgelegen dorpen vernam men niets dan goeds van haar; over haar zedigheid, haar arbeidzaamheid; haar godsvrucht, haar eenvoud en rechtschapenheid was slechts één roep.
148
De processen-verbaal van Jeanne's ondervragingen zijn ons bewaard gebleven; op hun waarheidsliefde kan men natuurlijk niet als op een rots bouwen. De klerk, die ze schreef, de griffier die ze nazag, waren allen werktuigen in Cauclion s hand, die op zijn bevel veel konden inlasschen en achterhouden.
Jeanne schijnt het vermoed te hebben, want eens toch riep
zij verontwaardigd uit:
âGij schrijft wel op, wat tegen mij, maar niet wat voor mij is.quot;
Later echter, toen vele van de nog levende rechters en griffiers als getuigen opgeroepen werden, bij de herziening van Jeanne s proces, .'â telden zij vele punten in een ander licht, maar zelfs zooals nu de oorspronkelijke stukken vóór ons liggen, blijkt daaruit helder als de dag hoe Jeanne's verstandige, besliste antwoorden luide getuigenis gaven van haar onschuldige oprechtheid, tegenover de kwade trouw barer ondervragers.
Den 22steii Februari werd Jeanne uit haar ijzeren kooi gehaald en in een nauwe cel opgesloten, die zij alleen verlaten mocht om vóór haar rechters te verschijnen.
Men bracht haar in de kerk van het kasteel van Rouaan, die ontheiligd zou worden door dit schandelijk rechtsgeding.
Alleen, zonder raadsman, zonder verdediger werd bet negentienjarige meisje voor haar rechters gevoerd; zij zaten daar allen op hun hooge banken in het besef van hun geleerdheid, zich verre de meerdere voelend van het boerenmeisje, dat geboeid werd binnengeleid en op een laag bankje, diep onder hen als een verworpeling moest plaats nemen.
Eoven hen allen troonde de bisschop van Beauvais, een nieuwe Caïphas gelijk, vol geestelijken hoogmoed en laaghartige eerzucht; onder den troon zaten de drie secretarissen Mancbon, Taquel en Boisguillaume, die de vragen en antwoorden moesten opschrijven.
Verscheidene engelsche officieren waren gekomen om het proces bij te wonen en lieten luide hun haat en afkeer blijken tegei.. haar, die hen gedwongen had op het slagveld te vluchten en verschansingen prijs te geven.
Zoo zat zij dus alleen tegenover al die mannen, bleek, verzwakt door de lange, strenge gevangenschap, een schaduw van het flinke, krachtige landmeisje, dat zoo onverschrokken de grootste vermoei-
151
nissen getart, de legers aangevoerd had en ter overwinning geleid.
Haar verzoek om in de rechtbank ook Franschge/inde prie ters te doen plaats nemen, was verworpen.
Cauchon verwaardigde zich niet eens haar die verwerping mede te deelen ; op haar verzoek om vóór dat zij ter terechzitting verscheen de heilige Mis te mogen hooren, werd eveneens afwijzend beschikt.
âJeanne,quot; vroeg de bisschop, toen zij bleek en wankelend in de zaal trad, âhoe maakt gij het ?quot;
âZooals gij ziet,quot; antwoordde zij op haar kluisters wijzend.
âMijn dochter,quot; sprak Cauchon op fleemenden toon, âmen heeft u die kluisters alleen aangelegd, omdat gij vroeger getracht hebt te ontvluchten.quot;
âRedding zoeken is iederen gevangene geoorloofd!quot;
âDat is verkeerd gezegd, Jeanne! Indien gij niet overtuigd wilt worden, is het u verboden iets te beproeven om de gevangenis te verlaten, die u aangewezen werd.quot;
âIk neem dit verbod niet aan. ïk heb niemand mijn woord gegeven. Ik wil mij uit uw handen redden en zal 't ook altijd willen. En als gij goed aangaande mij onderricht waart, zoudt gij zelfs wenschen, dat ik uit uw handen ontkwam.quot;
âWaarom ?quot;
âOmdat ik in naam van God heb gehandeld. Ik heb hier niets te maken 1 Laat mij over aan God, van wien ik gekomen ben.quot;
âWij moeten over u uitspraak doen.quot;
âLet op hetgeen gij zeggen zult! Gij laadt een groote verantwoordelijkheid op u. De geheele geestelijkheid van liouaan en van Parijs kunnen mij niet veroordeelen.quot;
âJeanne, de geestelijkheid van Rouaan en van Parijs is gemachtigd mij bij te staan, en ik, de bisschop van Beauvais, ben van rechtswege uw rechter.quot;
âGij hebt u zelf tot mijn rechter gemaakt en gij zijt mijn vijand.quot;
âZwijg! De koning van Engeland heeft mij belast u te oor-deelen en ik zal u oordeelen!quot;
Na een poos, toen hij zijn toorn over Jeanne's gezegde een weinig meester was, ging hij weer vriendelijk voort:
âMijn dochter, bij het begin van dit onderzoek, moet ik u in
162
alle zachtzinnigheid en liefde waarschuwen de volle waarheid te zeggen, aangaande alles wat men u vragen zal. Anders belast gij uw geweten.quot;
Jeanne antwoordde;
,,Ik weet nog niet, wat. gij mij vragen zult; misschien zult gij mij dingen vragen, die ik niet zeggen mag.'
..Zult gij zweren, de waarheid te zeggen over zaken het geloof
betreffende en die gij weet?'
.,\Vat mijn vader en mijne moeder betreft en wat ik gedaan heb sedert ik in Frankrijk ben, hierover wil ik gaarne zweren, maar wat de openbaringen betreft, die ik van God heb ontvangen, daar heb ik nooit iets van gezegd dan aan koning Karei en ik zal er aan niemand anders iets van zeggen, al moest men mij ook liet hoofd afslaan, want mijn Raad heeft mij verboden er
iets van te openbaren.quot;
Een onbeschrijfelijk tumult ontstond in de zaal; zulk een tegenstand had men van het bleeke, zwakke kind niet verwacht; de rechters kookten van driftige opgewondenheid, zij spraken en ondervroegen haar allen door elkander.
Zij deed haar best hun te antwoorden, doch het was onmogelijk, toen zeide zij glimlachend:
âEdele heeren! Spreekt toch de een na den ander, opdcit ik ieder van u zal kunnen antwoorden.quot;
Zij bleef onverzettelijk, noch bedreigingen, noch geschreeuw maakten indruk op haar; eindelijk gelukte het den voorzitter de kalmte eenigszins te herstellen, hij liet Jeanne neerknielen en met beide handen op het Evangelie zweren de waarheid te zeggen
maar alleen over geloofszaken.
âIk zal niets zeggen, dan wat ik weet,quot; verklaarde Jeanne âmaar het kan zijn, dat ik niet alles zeg, wat ik weet.
âEn wilt gij dan de waarheid zeggen omtrent deze punten?
âJa alsof ik voor den Paus van Rome stond.quot;
Nu begon het onderzoek met de gebruikelijke vragen:
âHoe oud zijt gij?quot;
âBijna negentien jaar.quot;
âUw naam?quot;
âJeannette in mijn dorp en elders Jeanne.quot;
âUw bijnaam?quot;
,,Van een bijnaam weet ik niet.quot;
âUw godsdienst?quot;
âKatholiek.quot;
âVan wien hebt gij uw geloof geleerd?quot;
âVan mijn moeder, die mij het Onze Vader, het Wees gegroet en het Ik geloof in God den Vader heeft leeren opzeggen.quot;
âHeeft men u een handwerk geleerd?quot;
âMijn moeder heeft mij leeren spinnen en naaien en wat dit betreft, vrees ik niet achter te staan bij welke vrouw ook van Rouaan.quot;
âToen gij kind ws,art, hadt gij toen een afschuw van hen, die niet van de partij des konings waren.quot;
âIk verafschuwde de Engelschen en de Bourgondiërs, daar zij bondgenooten der Engelschen waren.quot;
âWaren er Bourgondiërs in uw dorp?quot;
âIk kende in Domrémy maar een Bourgondiër en als het God had behaagd, dat hij onthoofd werd, zou ik mij daarover getroost hebben.quot;
âWas er geen dorp in de buurt, dat voor de Bourgondiërs partij trok ?quot;
âJa het dorp Maxey aan de Maas. De bewoners stonden altijd klaar tegen die van Domrémy te vechten.quot;
âBehoordet gij onder de kinderen van Domrémy, die met die van Maxey soms slaags raakten ?quot;
âNeen, maar ik zag ze dikwijls gewond en bloedend terugkomen.quot;
âBevalen u uw stemmen de Bourgondiërs te haten?quot;
âIk heb ze minder liefgehad, toen ik begreep, welk kwaad zij den koning van Frankrijk aandeden.quot;
âHebt gij niet reeds van jongs af liet verlangen gehad hun schade te berokkenen?quot;
âIk koesterde altijd groot verlangen en hoop, dat de koning zijn rijk zou terug winnen.quot;
âZijt gij te Domrémy dikwijls naar den boom der Feeën geweest ?quot;
T'i quot;
âdj,.
âBewerkte die boom wonderen ?quot;
154
âIk weet, dat vele menschen die koorts hadden den boom der Peeën kwamen bezoeken en dronken van het water der naburige bron. Maar ik weet niet, of zij beter werden of niet.quot; âVerschijnen de feeën niet op die plek?'
âIk heb 't door oude menschen hooren vertellen. Zelfs heeft mijn peettante mij gezegd, dat zij ze daar heeft zien ronddansen, maar of dat alles waar is, weet ik niet.'quot;
âIs het niet onder den boom der Feeën, dat gij uw stemmen hebt gehoord?quot;
âMijn stemmen hebben mij op deze plaats bezocht zooals op
vele andere.quot;
âGelooft gij, dat de feeën booze geesten zijn?quot;
âIk weet het niet.quot;
âWelke verschijning hadt gij op den leeftijd van dertien jaar? âVan den heiligen Michaël en zijn engelen.quot;
âI-Iebt gij den heiligen Michaël en zijne engelen werkelijk en lichamelijk gezien?quot;
âIk zag hen, zooals ik u zie.quot;
âHoe zag de heilige Michaël er uit?quot;
âIk zou het u niet kunnen zeggen.quot;
âWas hij naakt?
âMeent gij misschien, dat God niet het noodige heeft om hem te kleeden ?quot;
âHad hij haren?quot;
â Waarom zou men ze geknipt hebben ?quot;
âWat hebt gij gevoeld bij het zien van den heiligen Michaël
en zïjn engelen?quot;
âToen ik hen zag weggaan, heb ik geschreid en wenschte, dat
zij mij zouden medenemen quot;
âEn als de heilige Michaël en zijn engelen verschenen, hoe
begroettet gij hen dan ?quot;
âIk knielde neer en kuste den grond, waarop zij stonden.quot; âVertel ons van hun lichaam.quot;
âIk kan er niets van zeggen. Wat ik weet is, dat hun woorden
goed en schoon zijn.quot;
âHoe konden zij die woorden uitspreken, daar zij geen ledematen hebben?quot;
âIk laat dat aan God over.quot;
âHoe onderscheidt gij, dat hetgeen u verschijnt een man of vrouw is?quot;
âAan de stem.quot;
âWelke heiligen hebben zich nog meer aan n vertoond?quot;
âDe heilige Margaretha en de heilige Oatharina.quot;
âHoe hebt gij ze herkend?quot;
âZij noemden hun namen, toen zij bij mij kwamen.quot;
âZijt gij zeker dat het de heilige Michaël met zijn engelen en de heilige Margaretha en de heilige Catharina waren die u verschenen ?quot;
âIk geloof het even vast, als ik aan God geloof!quot;
âHebt gij in de kerken geen offeranden gebracht aan de heiligen, die u verschenen?quot;
âIk heb dikwijls kransen en guirlandes neergelegd voor de beelden van de Heilige Catharina en Margaretha.quot;
âHebt gij deze oiferanden gebracht aan de heiligen, die in den hemel zijn, of aan haar, die u verschenen?quot;
âIk maak geen verschil tusschen haar, die zich aan mij ver-toonen en die in het Paradijs zijn.quot;
âVóór dat gij geloof hebt geschonken aan uw stemmen, hebt gij niemand geraadpleegd, geen bisschop, pastoor of andere kerkelijke personen?''
âNeen.quot;
âDat is ernstig, Jeanne! Wij hebben gegronde redenen uw visioenen te wantrouwen.quot;
âAls gij kwaad denkt, vraag dan een copie van het register dat in Poitiers ligt. Ik ben daar drie weken lang ondervraagd door geestelijken van mijn partij, die niets dan goeds in mijne zaak hebben gevonden.quot;
âHebben de stemmen u niet genoemd dochter van God, dochter van de Kerk, meisje van veel moed?quot;
âZij hebben mij steeds Jeanne de Maagd genoemd, dochter van God.quot;
âSpreken uw heiligen Engelsch ?quot;
âHoe zouden zij Engelsch spreken, daar zij niet van de engel-sche partij zijn?quot;
âHoort gij ben voortdurend sedert gij opgesloten zijt?quot; âJa, maar liet gedruisch in de gevangenis en de drukte van de wachten beletten mij somtijds hen te booren. Ook zou ik ze veel beter booren als ik in een bosch was.
âSpreken zij dikwijls?quot;
âZij spreken mij alle dagen en verscheidene malen per dag toe. Als zij mij niet troostten, zou ik gestorven zijn.
Hoevele malen hebben zij gisteren met u gesproken?
âDrie malen quot;
âWat hebben zij u gezegd ?quot;
âAntwoord onbeschroomd? Wees vol moed! God zalu helpen. âEn verder?quot;
âIk mag niet alles zeggen.quot;
,Wat vreest gij ?quot;
..Ik vrees niet u te mishagen! Maar ik vrees mijn stemmen te mishagen.quot;
âMishaagt men dan God door ware dingen te zeggen?' ,,Ja, als men ze zegt aan wie men ze niet moet zeggen.
âVoor wien hebben uw stemmen dan gesproken?'
âZij hebben mij eenige dingen gezegd niet voor u maar voor den Koning. O! als hij ze wist, zou hij veel smakelijker eten. Ik zou willen, dat hij ze wist en dan zou ik geen wijn drinken tot Paschen.
âHebben uw stemmen u nog van daag toegesproken?
âZij spreken mij zelfs bier toe.quot;
âWaar zijn ze dan, uw geesten ?quot;
âZij zijn hier zonder dat iemand ze ziet.
Eene rilling ging onwillekeurig door de vergadering en de
ondervrager hernam:
âGij spot met ons, Jeanne, als gij ons wilt doen gelooven, dat de
hemelsche geesten een meisje van zulke lage afkomst bezoeken.'
âDaar hebben ze niet naar gevraagd om zich met mij in betrekking te stellen.quot;
âAls de geesten met u spreken, moet men denken, dat het
de geesten zijn der feeën, booze geesten dus?quot;
âHoe zouden feeën mij kunnen verschijnen en geen heiligen? Gij vindt alles ongelooflijk, wat vóór mij is en geloofwaardig, wat tegen mij getuigt.quot;
157
âZeg dan eens het Onze Vader en het Wees Gegroet op.quot;
âIk zal ze gaarne opzeggen, als de bisschop van Beauvais mijn biecht wil hooren.quot;
Maar de bisschop wilde dit niet; hij moest haar voor een kettersche door laten gaan; misschien ook vreesde hij, hoe diep ook gevallen, zich met een nieuwe heiligschennis te bezoedelen door de biecht te hooren van iemand, die hij reeds bij voorbaat zonder onderzoek had veroordeeld.
IV.
Het volgende onderzoek had niet meer in de kerk plaats; het onstichtelijk tooneel van den vorigen dag had den rechters doen besluiten een andere zaal voor de terechtzitting te kiezen.
Eiken morgen werd Jeanne gedurende drie tot vier uur in de kleinste bijzonderheden ondervraagd.
De vragen waren zoo gesteld om haar te verwarren en van haar stuk te brengen; men ging van het eene onderwerp onverwachts naar het andere over; men haalde er allerlei kleinigheden bij, altijd hopend haar op tegenspraak of op een dubbelzinnig antwoord te betrappen.
Een man doorkneed in de rechtswetenschappen zou reeds moeite hebben gehad zich er uit te redden; het jonge meisje echter gaf slechts antwoorden vol wijze voorzichtigheid.
De rechters verlieten afgemat de zaal, en Jeanne werd naar haar gevangenis gebracht om kort daarop weer een bijzonder verhoor te ondergaan, dat eenige uren moest duren. Dit verhoor betrof dan gewoonlijk eenige zeer moeilijke en subtiele punten, die des morgens waren behandeld. Geen wonder dat zij bet arme kind op deze wijze afbeulden, maar toch konden zij haar vertrouwen op God eu haar geloof in haar geheimzinnige zending niet schokken.
Den volgenden dag wilde men haar opnieuw den eed laten afleggen; zij weigerde beslist.
âIk heb gisteren den eed afgelegd. Gij maakt het mij te moeilijk.quot;
En nu vroegen zij haar :
154
âIk weet, dat vele menschen die koorts hadden den boom der Feeën kwamen bezoeken en dronken van het water der naburige bron. Maar ik weet niet, of zij beter werden of niet.quot;
âVerschijnen de feeën niet op die plek?quot;
âIk heb 't door oude menschen hooren vertellen. Zelfs heeft mijn peettante mij gezegd, dat zij ze daar heeft zien ronddansen, maar óf dat alles waar is, weet ik niet.quot;
âIs het niet onder den boom der Feeën, dat gij uw stemmen hebt gehoord?quot;
âMijn stemmen hebben mij op deze plaats bezocht zooals op
vele andere.quot;
âGelooft gij, dat de feeën booze geesten zijn?quot;
âIk weet het niet.quot;
âWelke verschijning hadt gij op den leeftijd van dertien jaar ?quot;
âVan den heiligen Michaël en zijn engelen.quot;
âHebt gij den heiligen Michaël en zijne engelen werkelijk en lichamelijk gezien?quot;
âIk zag hen, zooals ik u zie.quot;
âHoe zag de heilige Michaël er uit?quot;
âIk zou het u niet kunnen zeggen.quot;
âWas hij naakt?
,,Meent gij misschien, dat God niet het noodige heeft om hem te kleeden ?quot;
âHad hij haren?quot;
,,Waarom zou men ze geknipt hebben ?quot;
âWat hebt gij gevoeld bij het zien van den heiligen Michaël en zïjn engelen?quot;
âToen ik hen zag weggaan, heb ik geschreid en wenschte, dat zij mij zouden medenemen quot;
âEn als de heilige Michaël en zijn engelen verschenen, hoe begroettet gij hen dan ?quot;
âIk knielde neer en kuste den grond, waarop zij stonden.quot;
âVertel ons van hun lichaam.quot;
âIk kan er niets van zeggen. Wat ik weet is, dat hun woorden goed en schoon zijn.quot;
âHoe konden zij die woorden uitspreken, daar zij geen ledematen hebben?quot;
155
âIk laat dat aan God over.quot;
âHoe onderscheidt gij, dat hetgeen u verschijnt een man of vrouw is?quot;
âAan de stem.quot;
âWelke heiligen hebben zich nog meer aan u vertoond?quot;
âDe heilige Margaretha en de heilige Catharina.quot;
âHoe hebt gij ze herkend?quot;
âZij noemden hun namen, toen zij bij mij kwamen.quot;
âZijt gij zeker dat het de heilige Michaël met zijn engelen en de heilige Margaretha en de heilige Catharina waren die u verschenen ?quot;
âIk geloof het even vast, als ik aan God geloof!quot;
âHebt gij in de kerken geen offeranden gebracht aan de heiligen, die u verschenen?quot;
âIk heb dikwijls kransen en guirlandes neergelegd voor de beelden van de Heilige Catharina en Margaretha.quot;
âHebt gij deze offeranden gebracht aan de heiligen, die in den hemel zijn, of aan haar, die u verschenen?quot;
âIk maak geen verschil tusschen haar, die zich aan mij ver-toonen en die in het Paradijs zijn.quot;
âVóór dat gij geloof hebt geschonken aan uw stemmen, hebt gij niemand geraadpleegd, geen bisschop, pastoor of andere kerkelijke personen?quot;
âNeen.quot;
âDat is ernstig, Jeanne! Wij hebben gegronde redenen uw visioenen te wantrouwen.quot;
âAls gij kwaad denkt, vraag dan een copie van het register dat in Poitiers ligt. Ik ben daar drie weken lang ondervraagd door geestelijken van mijn partij, die nieis dan goeds in mijne zaak hebben gevonden.quot;
âHebben de stemmen u niet genoemd dochter van God, dochter van de Kerk, meisje van veel moed?quot;
âZij hebben mij steeds Jeanne de Maagd genoemd, dochter van God.quot;
âSpreken uw heiligen Engelsch?quot;
âHoe zouden zij Engelsch spreken, daar zij niet van de engel-sche partij zijn?quot;
i5G
âHoort gij hen voortdurend sedert gij opgesloten zijt?quot;
maar het gedruisch in de gevangenis en de drukte van de wachten beletten mij somtijds hen te hoeren. Ook zou ik ze veel beter hooren als ik in een bosch was.quot;
âSpreken zij dikwijls?quot;
âZij spreken mij alle dagen en verscheidene malen per dag toe. Als zij mij niet troostten, zou ik gestorven zijn.quot;
Hoevele malen hebben zij gisteren met u gesproken ?
âDrie malen quot;
âWat hebben zij u gezegd ?quot;
âAntwoord onbeschroomd? Wees vol moedI God zal u helpen.
âEn verder?quot;
âIk mag niet alles zeggen.quot;
,Wat vreest gij ?quot;
âIk vrees niet u te mishagen! Maar ik vrees mijn stemmen te mishagen.quot;
âMishaagt men dan God door ware dingen te zeggen?quot;
,,Ja, als men ze zegt aan wie men ze niet moet zeggen.
âVoor wien hebben uw stemmen dan gesproken?quot;
âZij hebben mij eenige dingen gezegd niet voor u maar voor den Koning. O! als hij ze wist, zou hij veel smakelijker eten. Ik zou willen, dat hij ze wist en dan zou ik geen wijn drinken tot Paschen.
âHebben uw stemmen u nog van daag toegesproken ?
âZij spreken mij zelfs hier toe.''
âWaar zijn ze dan, uw geesten?quot;
âZij zijn hier zonder dat iemand ze ziet.'
Eene rilling ging onwillekeurig door de vergadering en de
ondervrager hernam;
âGij spot met ons, Jeanne, als gij ons wilt doen gelooven, dat de hemelsche geesten een meisje van zulke lage afkomst bezoeken.
âDaar hebben ze niet naar gevraagd om zich met mij in betrekking te stellen.quot;
âAls de geesten met u spreken, moet men denken, dat het de geesten zijn der feeën, booze geesten dus?quot;
âHoe zouden feeën mij kunnen verschijnen en geen heiligen ? Gij vindt alles ongelooflijk, wat vóór mij is en geloofwaardig, wat tegen mij getuigt.quot;
157
âZeg dan eens het Onze Vader en het Wees Gegroet op.quot;
âIk zal ze gaarne opzeggen, als de bisschop van Beauvais mijn biecht wil hooren.quot;
Maar de bisschop wilde dit niet; hij moest haar voor een kettersche door laten gaan; misschien ook vreesde hij, hoe diep ook gevallen, zich met een nieuwe heiligschennis te bezoedelen door de biecht te hooren van iemand, die hij reeds bij voorbaat zonder onderzoek had veroordeeld.
IV.
Het volgende onderzoek bad niet meer in de kerk plaats; het onstichtelijk tooneel van den vorigen dag had den rechters doen besluiten een andere zaal voor de terechtzitting te kiezen.
Eiken morgen werd Jeanne gedurende drie tot vier uur in de kleinste bijzonderheden ondervraagd.
De vragen waren zoo gesteld om haar te verwarren en van haar stuk te brengen; men ging van het eene onderwerp onverwachts naar het andere over; men haalde er allerlei kleinigheden bij, altijd hopend haar op tegenspraak of op een dubbelzinnig antwoord te betrappen.
Een man doorkneed in de rechtswetenschappen zou reeds moeite hebben gehad zich er uit te redden; het jonge meisje echter gaf slechts antwoorden vol wijze voorzichtigheid.
De rechters verlieten afgemat de zaal, en Jeanne werd naar haar gevangenis gebracht om kort daarop weer een bijzonder verhoor te ondergaan, dat eenige uren moest duren. Dit verhoor betrof dan gewoonlijk eenige zeer moeilijke en subtiele punten, die des morgens waren behandeld. Geen wonder dat zij het arme kind op deze wijze afbeulden, maar toch konden zij haar vertrouwen op God en haar geloof in haar geheimzinnige zending niet schokken.
Den volgenden dag wilde men haar opnieuw den eed laten afleggen; zij weigerde heslist.
âIk heb gisteren den eed afgelegd. Gij maakt het mij te moeilijk.quot;
En nu vroegen zij haar :
158
âIs het op bevel van God, dat gij uit uw dorp van Lotharingen naar het hartje van Frankrijk zijt gegaan?quot;
,,Ik was liever door vier paarden vaneengescheurd, dan heen te gaan zonder toestemming van God !quot;
âMeent gij goed gehandeld te hebben door buiten weten van uw vader en moeder vertrokken te zijn?quot;
âZij hebben mij vergeven.quot;
âMeendet gij daarin niet te zondigen?quot;
âOmdat God mij gebood, moest ik gehoorzamen. Al had ik ook honderd vaders en moeders gehad en al was ik de dochter des konings geweest, ik zou toch vertrokken zijn.quot;
âIs het waar, dat een engel boven het hoofd des konings zweefde, toen gij hem 't eerst zaagt ?''
âBij de heilige Maagd als er een was, dan weet ik het niet, ik heb hem niet gezien.quot;
âWas er een licht?quot;
âEr waren meer dan vijftig fakkels, behalve het licht dat mij verlichtte.quot;
âWat is dat voor een licht, dat u verlichtte.quot;
âEen licht, waarvan ik wensch, dat het ook u verlicht.
âHoe heeft de koning aan uw woorden geloof geslagen?quot;
âDoor de teekens die hij ontving en door de getuigenis van de godgeleerden in Poitiers vereenigd.quot;
âWaarom hebben de geestelijken te uwen gunste getuigd?quot;
,,Door hun wetenschap en godsvrucht.quot;
âHebt gij niet de goddelooze aanmatiging gekoesterd u over soldaten te stellen en u tot krijgsoverste te maken ?quot;
âAls ik krijgsoverste was, dan was het om de Engelschen te verslaan.quot;
,Jn geval dat God iemand wilde afzenden, waarom heeft hij
dan juist u gekozen?quot;
âGod verheerlijkt zichzelf als 't Hem behaagt in een zwak meisje. Hij is almachtig.quot;
âHoe kunt gij uw zending, die ten doel had bloed te storten,
goddelijk noemen?quot;
,,Ik begon altijd met te verzoeken de wapens neer te leggen. Ik heb den hertog van Bourgondië dringend gesmeekt vrede te
159
sluiten met den koning. Wat de Engelschen betreft, den eenigen vrede, dien wij noodig hebben, is, dat zij naar Engeland terugkeeren.quot;
âZiet gij niet in, hoe trotsch uw oproepingen waren?quot;
âIk heb ze niet uit trots gemaakt maar uit gehoorzaamheid aan Onzen Heer.quot;
Gij weet wel, dat uw koning vroeger het bloed van den hertog van Bourgondië heeft gestort. Gelooft gij, dat het goed is gedaan ?quot;
âNu is zij gevangen,quot; dachten de rechters. âZegt zij ja, dan vergoelijkt zij den moord, zegt zij neen, dan bekent zij, dat baai-koning een moordenaar is.quot;
Jeanne gaf echter een antwoord vol wijsheid:
âDe dood van den hertog van Bourgondië is groote schade geweest voor het koninkrijk. Maar wat óok tusschen de beide vorsten moge gebeurd zijn. God heeft mij gezonden om den koning van Frankrijk te helpen.
âHebt gij u veel geld door den koning laten geven?quot;
âIk heb den koning slechts goede wapenen en soldaten gevraagd.quot;
âVanwaar hebt gij het zwaard gekregen, dat gij te Orleans droegt.quot;
âUit de kerk der H. Catharina te Fierbois, van waar ik het liet halen.quot;
âHoe lang hebt gij dit zwaard gehanteerd ?quot;
âTotdat ik het kon neerleggen in Saint-Denis na den aanval op Parijs.quot;
âHebt gij uw zwaard op het altaar nedergelegd, opdat het fortuinlijker zou worden?quot;
âNeen, maar ik heb altijd gewenscht, dat mijne wapenen gezegend zouden zijn.quot;
âWelk zwaard hadt gij, toen men u gevangen nam?quot;
âEen zwaard, dat ik een Bourgondiër ontnomen had.quot;
âWaar hebt gij 't ander gelaten ?quot;
âDat behoort niet tot het proces.quot;
âBeken ons of ge nooit tooverkunsten hebt aangewend ?quot;
âMijn tooverkunst was de liefde tot Frankrijk en de verachting van den dood.quot;
âToen gij in Orleans kwaamt, hadt gij toen geen vaandel ?quot;
âJa, een vaandel omzet met gouden franje. De stof was van
160
witte ïijae, bezaaid met gouden leliën. Er stond een aardbol op met twee engelen aan weerskanten en 'tdroeg de woorden: Jesus
Maria.quot; , â
Waar hieldt gij meer van, van uw zwaard of van uw ^ ;
'âIk hield veel meer, wel veertig maal meer van mijn banier
dan van mijn zwaard.quot;
Wie droeg uw banier?quot;
Ik droeg haar zelf in plaats van een lans, om te voorkomen, dat ik iemand zou dooden. Ik heb nooit iemand gedood
âMaar gij zijt toch op verschillende plaatsen geweest, waar
men de Engelschen doodde.quot;
O ia! maar over deze moorden moet men op zachten to spreken. Waarom verlieten de Engelschen Frankrijk met en
gingen zij niet terug naar hun eigen land?quot;
âWas het wel goed voor een meisje tusschen de lichamen de
dooden te rijden?quot;
âIk heb nooit bloed zien vloeien, zonder dat mij de haren te
berge rezen.quot; â . , i
Een gemompel van goedkeuring verhief zich onder de aanwezige Engelschen en men hoorde hen zeggen;
âZij is toch een goede vrouw. Hoe jammer dat zij geen
Engelsche is.quot;
Men ging weer voort.
âHebben uwe kameraden geen vaandels gemaakt op het uwe gelijkend ?quot;
' âIk heb er hun niet toe aangemoedigd.quot;
, Hebt gij hun niet gezegd, dat zulke vaandels geluk aanbrachten .
,',Neen, ik zeide alleen: Gaat moedig op de Engelschen in, en
ik gaf het voorbeeld.quot;
âLiet gij hun niet gelooven, dat zij, die uw vaandel volgden,
zouden overwinnen?quot; â
âIk zeide wat er gebeurd is en nog zal gebeuren.
Wie hielp meer, gij het vaandel, of het vaandel u âDe overwinning, het vaandel en Jeanne, het was alles Gods
werk quot;
â Waarom werd uw vaandel in de kerk van Rheims gedragen bij de kroning?quot;
161
âHet was in den strijd geweest, 't was dus billijk, dat het ook bij de glorie was.quot;
âHebt gij den soldaten niet gezegd, dat gij de pijlen der Engelschen afweerdet ?quot;
âIk zeide hun zonder vrees te zijn. Velen zijn naast mij gewond. Tk ben zelf gewond geweest.quot;
âHebben de stemmen u bevolen Parijs aan te vallen ?'
â Toen ik Parijs aanviel was het noch vóór, noch tegen het bevel mijner stemmen.quot;
âWas het goed, dat gij Parijs hebt aangevallen op den dag van Maria Geboorte ?quot;
âHet is goed Onze Lieve Vrouw te vereeren. Het is geraden alle dagen te barer eer te vi ren.quot;
âDenkt gij niet, dat het een doodzonde was, Parijs dien dag aan te vallen?quot;
Neen, overigens als ik gezondigd heb, dan is het aan God het te weten en in de biecht aan God en den priester.quot;
âWaarom hebt gij la Charité niet genomen, daar God het u bevolen had?quot;
âWie heeft u gezegd, dat ik hierin handelde op bevel van God ?quot;
âGaven uw stemmen u dan geen raad?quot;
âIk wilde naar Parijs terugkeeren, maar de krijgsoversten zeiden mij dat het beter was eerst naar la Charité te gaan.quot;
âIs het geen zonde eerst een man gevangen te nemen tegen losprijs en hem dan te dooden.quot;
â't Is een zonde, maar ik heb ze nooit begaan.quot;
âIs Franquet d'Arras dan niet door u ter dood gebracht ?quot;
âIk heb er in toegestemd, dat hij geoordeeld werd, omdat ik hem niet kon uitleveren volgens mijn verlangen en omdat hij bekend had een roover en een verrader te zijn.quot;
âToen gij naar Compiègne gingt, wist gij, dat gij zoudt gevangen worden genomen?quot;
âIk wist, dat ik gevangen zou worden genomen, maar ik wist noch uur, noch plaats. Als ik geweten had, dat ik in Compiègne zou gevat worden, ware ik er niet heengegaan dan op een stellig bevel mijner stemmen.quot;
âHebben uw stemmen u den uitval bevolen, waarbij gij gevangen werdt ?quot; 11
162
Ãmdat het de wil Gods was, is het om mijn bestwil, dat
ik quot;gevangen werd. De heiligen hadden mij wel gezegd, dat ik vóór Sint Jan gevangen zou zijn, dat het zoo gebeuren moest en dat
God mij helpen zou.quot;
âHadden uw heiligen u niet gezegd, dat gij den hertog van
Orleans zoudt verlossen?quot;
âZij hebben het mij gezegd.quot;
âHoe waart gij van plan die bevrijding te bewerken.quot;
Door Engelschen genoeg te vangen om zijn losprijs bij elkander te quot;krijgen., of door de zee over te trekken en hem met geweld
uit Engeland te halen.quot;
Hebben uw stemmen u daarin niet bedrogen ?
âEr is een voorwaarde om te slagen, dat is te volharden. âHebt gij in Beaulieu niet getracht te ontvluchten?
.,Ik heb het beproefd en 't is niet gelukt. Het was niet de wil' Gods, dat ik dezen keer ontsnapte. Ik zal de koning van Engeland zien, hebben mijn stemmen mij gezegd.quot;
Dit is niet vervuld; maar tot Jeanne's beproevingen behoorde, dat zij haar stemmen, toen de tijd tot haar martelaarschap gekomen was, niet zoo goed meer kon verstaan; soms zwegen zij op haar herhaalde smeekingen en was het duister welken weg te kiezen, dan spraken zij weer in zulke beelden en bedekte uitdrukkingen,
dat zij hen niet goed begreep.
Deze verwarring en schijnbare verlatenheid van God is een beproeving, die alle heiligen gekend hebben. Jeanne moest door het lijden gelouterd worden en dit lijden was niet alleen uitwendig, ook haar ziel moest in den smeltkroes van twijfel en moedeloosheid worden beproefd en gereinigd.
V.
Een volgenden keer vroeg men haar:
âZijt ge niet gesprongen van den toren van Beaurevoir om
u zelf te dooden ?quot;
âIk wilde mij niet dooden, maar de mijnen opzoeken. Ik hoorde zeggen, dat in Gompiègne de arme burgers zouden vermoord
163
Worden. Bovendien wist ik, dat men mij aan de Engelschen wilde verkoopen.quot;
âMaar daar gij door God beschermd werdt, waarom niet gewacht tot God u verloste ?quot;
âHet spreekwoord zegt: âHelp u zelf en God zal u helpen!quot; Ik zou nu nog trachten de Engelschen te ontvluchten, als ik er maar een middel toe zag.quot;
âMen zal u met goede ketens vastleggen.quot;
âGij kunt mij ketenen. Maar het geluk van Frankrijk kunt gij niet vastketenen.quot;
Haten de heilige Catharina en de heilige Margaretha de Engelschen ?quot;
âZij hebben lief, wat de Heer liefheeft, en zij haten, wat hij haat.''
âHaat God de Engelschen ?quot;
âVan de liefde of de haat, die God den Engelschen toedraagt, daar weet ik niets van. Maar ik weet wel, dat zij eenmaal buiten Frankrijk zullen verdreven worden, allen behalve zij die er sneuvelden.quot;
âWelke belooning wacht gij voor alles, wat gij voor den koning en tegen de Engelschen hebt gedaan ?quot;
âIk heb nooit iets anders gevraagd dan de zaligheid mijner ziel.quot;
Zooals men uit al deze verhoeren bemerkt, trachtte men op alle wijzen het onervaren meisje in het nauw te brengen. Telkens sprong men overhoeds van het eene op het andere, maar bewonderenswaardig en vol gepaste gevatheid zijn Jeanne's antwoorden.
Dikwijls schijnt het of niet zij maar haar stemmen voor haar antwoorden ; ook aan haar schijnt de belofte van haar godde-lijken Meester vervuld, die tot zijn discipelen sprak:
âWanneer men u voor de rechters zal brengen, bekommert u er dan niet over hoe en wat gij hun dan antwoorden zult, want op het beslissende oogenblik zal u het antwoord worden ingegeven, dat gij zeggen moet.quot;
Inderdaad schijnt een geheimzinnige geest Jeanne ook bezield te hebben bij haar proces ; nergens eenige weifeling, eenige aarzeling, of vrees, nergens een tegenspraak met haarzelf, nergens een _ onwaarheid, nergens ook een woord van liefdeloosheid of wrok, niets wat een vlek op haar karakter kan werpen.
164
Neemt men nu in aanmerking, dat alles wat ons opgeteekend werd van Jeanne's proces, afkomstig is van het door haar vijanden opgemaakte rapport, door henzelf nagezien, goedgekeurd en volgens hun bedoelingen gewijzigd dan kan men niet dan met eerbied
naar haar opzien, die zich in de rechtszaal even bewonderenswaardig toonde als op het slagveld.
Die vijftig doctoren, allen door eigen eerzucht of door het geld der Engelschen opgehitst om in haar een fout of vlek te vinden, voelden zich beschaamd in tegenwoordigheid van dat negentienjarig kind.
Telkens moesten zij iets nieuws bedenken om de schaduw van een schuld in haar te vinden.
Een der onderwerpen, waarover de rechters nooit moede werden
Jeanne te ondervragen, betrof het teeken, dat haar door den
koning moest doen gelooven.
Hier weigerde zij de volle waarheid te zeggen en hulde haar
antwoorden in geheimzinnige termen.
âWelke openbaring deedt gij den koning?quot;
âGaat het hem zelf vragen !quot;
âHet is aan u het ons te zeggen.quot;
âGij zult het niet van mij hooren ! Weet alleen dat de koning een teeken heeft ontvangen van mijn zending, vóór dat hij er
aan gelooven wilde.quot; )
âGij moet ons noodzakelijk daarop antwoorden.quot;
^Zoudt gij willen, dat ik meineedig werd?quot;
âHebt gij uw heiligen dan beloofd over het teeken aan den
koning gegeven te zwijgen ?quot;
âIk heb beloofd.quot;
âWerd dat teeken den koning door God gegeven?quot;
quot;)Ja-quot;
âZal het lang duren?quot;
âHet kan duizend jaar en nog langer duren.
âIs het van goud, zilver, edelgesteenten, een kroon ?quot;
âDe rijkste kroon der wereld?quot;
âWat beteekende deze kroon ?quot;
âDat de koning zijn rijk zou herwinnen.quot;
âWie heeft ze gemaakt?quot;
165
âEr is geen goudsmid op de wereld, die zulk een rijke en schoone kroon maken kan.quot;
âWie bracht haar?quot;
âEen engel.quot;
âKwam de engel van boven?quot;
âHij kwam van boven; ik bedoel op bevel van Onzen Heer.quot;
âWas er een licht?quot;
âJa. Het licht komt volstrekt niet tot u, Heeren!quot;
âHoe vertoonde zich de engel aan den koning?quot;
âHij kwam de deur binnen eu maakte eene buiging voor den koning en verklaarde hem, dat hij met behulp van God en door mijn arbeid zijn rijk herwinnen zou.quot;
âGaf hij de kroon rechtstreeks aan den koning ?quot;
âHij gaf haar aan den Aartsbisschop van Rheims, die ze den koning ter hand stelde.quot;
âZult gij u over dat alles beroepen op den Aartsbisschop van Rheims?quot;
âLaat hem komen, opdat ik hem kunne spreken en ik zal u antwoorden. Hij zal het tegenovergestelde niet durven zeggen van hetgeen ik u zeg.quot;
âHebt gij den engel gegroet, toen hij bet teeken bracht?quot;
âIk nam mijn kapje van mijn hoofd, knielde neer en dankte God, dat hij mij verloste van de geleerde heeren, die tegen mij redetwistten.quot;
âSprak de engel, die het teeken bracht, met den koning?quot;
âHij zeide, dat men aan het werk moest gaan en Frankrijk dan spoedig verlost zou zijn.quot;
âIs het dezelfde, die u heeft bijgestaan?quot;
âDezelfde.quot;
âNu heeft hij u dus verlaten?quot;
âWaarom zou hij mij verlaten hebben, daar hij mij dagelijks in de gevangenis troost?quot;
âDe teekenen ontbreken, om u te gelooven.quot;
âIk zie het wel. Het teeken, dat gij hebben moet, het eenige dat u nog treffen zou, ware, dat God mij uit uwe handen verloste.quot;
Met deze kroon bedoelt Jeanne blijkbaar het geheim des konings, dat zij hem bij hun eerste samenkomst openbaarde; zooals men
166
zich herinnert, bestond de oorzaak van Karel's moedeloosheid en weifelingen in den twijfel of hij werkelijk Dauphin van Frankrijk was en als zoodanig recht had op den franschen troon.
In den nacht vóór dat Jeanne hem verscheen, bad hij God dezen twijfel weg te nemen, zoo hij ongegrond mocht zijn. En dit geheime gebed aan niemand dan aan God en hem bekend, werd den koning door Jeanne geopenbaard; deze openbaring gaf Karei den moed en het vertrouwen op zijn koninklijk recht terug en overtuigde hem tevens van -Jeanne's bovenaardsche zending.
Jeanne kon dus met recht zeggen, dat God den koning een
kroon toezond door haar.
De Engel had haar blijkbaar het geheim toevertrouwd.
Vooruit had Jeanne bij het afleggen van haar eed verklaard, dat zij de geheimen des konings niet verraden mocht; en nu men haar in het nauw bracht, hulde zij de waarheid in zinnebeeldige vormen, die haar rechters niet veel wijzer maakten.
Later heeft Karei VII zelf verhaald, wat er op dien gedenk-waardigen dag tusschen Jeanne en hem besproken was en op welke geheimzinnige wijze zij zijn vertrouwen had gewonnen.
Jeanne zelf heeft dit geheim des konings nooit verraden.
VL
Jeanne's opgeruimde stemming deed haar rechters vreezen, dat zij hoop had, op de een of andere manier hun te ontkomen; zy
vroegen haar dus:
Jeanne, is 't u geopenbaard, dat gij ontsnappen zult. ^Dat raakt mijn proces niet. Wilt gij, dat ik mijzelf tegenspreek?' quot;Hebben uw stemmen u niets hierover gezegd?quot;
quot;ik laat het God over, die naar Zijn Wil zal handelen.
âAntwoord duidelijker!quot; _ , ,
Nu- dan, zij, die mij uit deze wereld willen hebben, konden
wel eens vóór mij heengaan.quot; ^
Gij rekent er dus op verlost te worden!quot;
quot;,Op mijn woord ja! Ik weet echter niet, wanneer dat gebeuren
zal. De wil Gods geschiede!quot;
167
âZeg ons ten minste, wat uw stemmen u daarover in het algemeen hebben gezegd.quot;
âZij hebben mij gezegd, dat ik verlost zou worden en dat ik vroolijk en moedig moest zijn.quot;
âHebben uw Heiligen u dat waarlijk gezegd ?quot;
âZij zeggen, dat ik door een groote overwinning zal verlost worden. Zij zeggen mij ook: âDraag alles gelaten! Heb geen zorg over uw martelaarschap, gij zult eindelijk het Paradijs binnentreden.'
âIs uw verlossing nabij?quot;
âDrie maanden later zal ik u antwoorden.quot;
Drie maanden later triomfeerde Jeanne door haar dood en niet door de zegepraal over de menschen.
Men ondervroeg haar over het einde van den oorlog en zij verklaarde zonder aarzeling :
âHet geheele koninkrijk zal terugkeereu tot Karei, zoon van Karei, eenige en wettige koning!quot;
jiGij vergeet,quot; zeide men haar, âdat de Bourgondiërs voor Hendrik, koning van Engeland zijn.quot;
âDe Bourgondiërs zullen oorlog hebben, zoolang zij niet doen, wat zij moeten, en als de Engelschen zullen zij bezwijken.quot;
Men herinnert zich, hoe het hertogdom van Bourgondiö nog geen eeuw later treurig eindigde door het sneuvelen van Karei, Philip's zoon, nadat diens eerzuchtige droomen over een koninkrijk in rook waren opgegaan.
Maria, de laatste afstammeling der trotsche hertogen en gemalin van Aartshertog Maximiliaan, bracht na haar vroegen dood de hertogskroon van Bourgondië aan het reeds zoo machtige Oostenrijk.
âGij hebt aan beiden brieven gezonden, waarin gij hun bedreigingen deedt.quot;
âIk ontken het niet.quot;
âGij hoopt nog altijd voor uw koning.quot;
âIk hoop niet. Ik ben zeker. God zal den Franschen een groote overwinning schenken. Ik weet het, zoo goed als ik het weet, dat gij daar zit.quot;
âHoe weet gij het?quot;
168
âDoor een openbaring en ik ben zeer bedroefd dat het nog zoo lang duurt.quot;
âWanneer zal het gebeuren?quot;
âIk weet noch uur, noch dag.quot;
âIn welk jaar?quot;
âGij zult het nog niet weten. Maar ik zou wel willen dat het was vóór St. Jan.quot;
âHebt gij niet gezegd, dat het voor St. Maarten zou gebeuren?quot;
âVoor Sint Maarten zult gij vele dingen zien en het kon wezen dat dan de Engelschen geheel verslagen waren.quot;
Zij zweeg even als om haar gedachten te verzamelen; toen sprak zij met heldere stem en bezielden blik de volgende profetie uit:
âVóór dat zeven jaar voorbij zijn, zullen de Engelschen een grooter pand verliezen dan zij bij Orleans verloren. Zij zullen grooter verlies lijden dan zij nog in Frankrijk hebben geleden en het zal zijn door een groote victorie, die God den Franschen geven zal.quot;
Inderdaad verloren de Engelschen vijfjaar later Parijs en spoedig daarna al hun veroveringen in Frankrijk.
âEn waarom zegt gij ons dat alles?quot;
âIk zeg het, omdat als het gebeuren zal, gij u herinneren zult, wat ik heb gezegd.quot;
De geschiedschrijver Wallon zegt van het proces:
âAl deze verhooren hadden nog niets ernstigs tegen de Maagd aan het licht gebracht. Er waren onderwerpen, die zij zich had voorbehouden, en waarbij zij verklaard had, de waarheid niet te mogen zeggen, omdat deze het geheim was van een ander, het teeken des konings.
âOver deze zaak, had zij haar antwoorden geregeld naar de vragen, welke men haar deed en het grove denkbeeld dat de rechters er zich van maakten in allegorischen zin opgevat; en al kon men haar beschuldigen dat zij zich wat al te gaarne had geleend tot de ontwikkeling van haar allegorie, door te spotten met de nieuwsgierigheid, welke zij niet wilde bevredigen, dan was dit geen misdaad, die den dood verdiende.
âDe rechters hadden trouwens, als zij haar vizioenen aanvielen,
171
minder de bedoeling er verzinsels in te vinden (dit was een dagelijksche zonde) dan wel echte wezens, ware stemmen, door hun bedriegerijen hun oorsprong verradend.quot;
In het kort de bedoeling was Jeanne te doen bekennen, dat zij met den duivel in betrekking stond.
âMaar al hun pogingen om Jeanne er toe te brengen hun medeplichtige te worden, door aan haar stemmen de schuld te geven van haar nederlagen of fouten, waren mislukt.
âNoch aangaande het beleg van Parijs, of het gevecht van la Oharité, of den sprong van Beaurevoir had zij iets gezegd, wat tegen haar bedoeling was.
âHaar stemmen hadden haar niets dan het goede bevolen, niets dan het ware geopenbaard; zelfs haar gevangenschap hadden zij voorspeld.
âOp geen enkel punt had men haar dus kunnen betrappen; op geen enkel punt met zichzelf in tegenspraak kunnen brengen.
âEen poging tot ontvluchting, een roofridder aan de wettelijke straf overgeleverd, een paard van den bisschop van Senlis duur gekocht en dadelijk teruggezonden, nadat het opgevraagd was, dit kon haar niet wegens ketterij doen veroordeelen; het eenige was haar gewaad. Maar al kon men haar hierin van een misdrijf overtuigen, zoo was dit toch niet van dien aard, dat men haar daarvoor kon veroordeelen zonder er een andere reden bij te zoeken.
âMen begon er wanhopend onder te worden, toen men juist in het wantrouwen, dat Jeanne tegen haar rechters toonde, een strik vond, waaraan het scheen, dat zij niet kon ontkomen.
VIT.
Vóór dat men echter Jeanne's rechtzinnigheid van geloof en onderwerping aan het kerkelijk gezag op de proef stelde, wilde men eerst trachten haar op heiligschennis te betrappen. Men vroeg haar dus:
âJeanne, zijt gij profetes?quot;
âNeen. Ik weet slechts een ding van de toekomst, dat is dat
172
de Eiigelschen uit Frankrijk zullen worden verdreven; zonder deze openbaring, die mij sterkt, zou ik gestorven zijn.quot;
âHeeft men van u geen beeldjes gemaakt van papier, lood of metaal, die men om den hals hing?quot;
âAls men mij voor een heilige hield en beeldjes van mij maakte, heb ik er niets van geweten.quot;
âHoe kondet gij toestaan, dat men missen en gebeden opdroeg ter uwer eer?quot;
âAls zij, die van mijn partij zijn voor mij bidden, geloof ik dat zij er geen kwaad mede doen.quot;
âMeenen zij die van uw partij zijn dat gij door God gezonden zijt?quot;
âIk weet niet of zij denken, dat ik door God gezonden ben, om te doen hetgeen ik voor hen gedaan heb, en als zij dat denken, komt het mij voor, dat zij zich niet vergissen.quot;
âMen heeft verteld, dat gij in Lagny een dood kind hebt opgewekt. Is dat waar?quot;
â't Is waar dat de jonge meisjes der stad veveenigd waren in de kerk. God biddend het leven terug te geven aan een kind, opdat het nog gedoopt kon worden, 't Is ook waar, dat ik met haar begon te bidden. Het kind opende de oogen, geeuwde drie-of viermaal, ontving het Heilig Doopsel en stierf. Dit is alles wat ik weet.quot;
âZijt gij peet geweest over kinderen?quot;
âJa.quot;
âWelken naam gaaft gij hun?quot;
âAan de jongens den naam van Karei, aan de meisjes van Jeanne.quot;
âKwamen er geen menschen u de handen kussen?quot;
âZij kusten mij de hand, zoo weinig als ik 't kon toestaan.'
âWat was hun gedachte?quot;
âDe arme menschen kwamen gaarne tot mij, omdat ik hun geen verdriet deed, maar hen volgens mijn kracht toesprak en bijstond.quot;
Ook op deze wijze kon men Jeanne niet betrappen op een misdaad of zelfs een fout; al haar antwoorden gaf zij zoo oprecht en te goeder trouw, met zulk een heldere stem en vasten oogopslag,
173
dat er geen twijfel kon bestaan aangaande haar waarheidsliefde.
Nu besloten de rechters haar een valstrik te spannen zoo listig, alsof zij de kunst van trouwlooze vragen te doen van de Pharizeërs zelf hadden geleerd.
Jean Beaupere, die haar tot nu toe meestal had ondervraagd, vroeg zonder eenige voorbereiding, als om haar te verrassen geheel onverwachts;
âZijt gij in staat van genade ?quot;
Een der rechters, Lefèvre, was zoo verontwaardigd over deze vermetelheid, dat hij uitriep:
âDat is een ontzettende vraag. De beschuldigde is niet verplicht daarop te antwoorden.quot;
riep Cauchon woedend, vol vrees dat zijn prooi hein alweer zou ontsnappen.
Jeanne scheen verloren, antwoordde zij âNeenquot; dan bekende zij zich daardoor schuldig; zoo niet dan zou zij zich aan hoogmoed en aan ongehoorzaamheid tegen de H. Schrift bezondigen, waarin te lezen staat;
âNiemand weet of hij liefde of haat verdient.quot;
Maar ook thans weer zegepraalde Jeanne's kinderlijke onschuld over de duivelsche list harer vervolgers.
âJeanne, weet gij of gij in staat van genade zijt?quot; vroeg Beaupère opnieuw.
âAls ik er niet in ben, dat God er mij inbrenge, als ik er in ben, dat God er mij in behoudelquot;
Teleurgesteld door dat verheven antwoord, zagen de beulen elkander verbaasd aan en de ondervrager ging voort:
âVerlangt gij in de genade Gods te verblijven?quot;
âO! indien ik wist niet in Gods genade te zijn, zou niemand ter wereld zoo bedroefd zijn als ik. Maar indien ik in staat van zonde was, zouden mijne stemmen zeker niet meer tot mij komen. Ik wilde dat iedereen ze kon hooren, zooals ik ze op ditoogenblik hoor.quot;
âHebben uw stemmen u gezegd dat gij vrij van zonden zijt?quot;
âZij hebben mij het paradijs beloofd!quot;
âEn sedert dien tijd meent gij er zeker van te zijn niet naar de hel te gaan?quot;
174
j,lk geloof hetgeen zij mij zeggen, zoo vast of ik reeds zalig was.quot;
âDit antwoord is van zeer groot gewicht, weet gij dat wel Jeanne?quot;
âJa, 't is voor mij een groote schat.quot;
âDus gelooft gij vast, dat ge niet anders dan zalig kunt worden?quot;
âIk zal zalig worden, mits ik de reinheid van mijn lichaam en ziel bewaar.quot;
âIs het nog noodig te biechten, als men meerit zalig te zullen worden ?quot;
âMen kan zijn geweten niet te veel reinigen.'
âMaar meent gij, dat gij nooit eene doodzonde doet?quot;
âIk weet er niets van. Ik laat het geheel aan God over.quot;
De onwaardige Cauchon was echter niet tevreden vóór men het meisje van zonde had overtuigd en zelf het verhoor overnemend, vroeg hij:
âGij meent in staat van genade te zijn en gij verkeert voortdurend in doodzonde.quot;
âWaarom ?quot;
âOm uw mannenkleed. Hoor wat God u zegt door den mond van Mozes in het boek Deuteronomium: Een vrouw zal geen mannengewaad mogen aantrekken en een man geen vrouwenkleed. Wie dat doet is zondig tegenover God.quot;
âIk dacht altijd dat een kleed niet veel beteekende.quot;
âEen groote dwaling. Een mannenkleed te dragen is uw ziel besmeuren.quot;
âDe ziel hangt niet aan het kleed.quot;
âHebt gij mannenkleeren aangetrokken op verzoek van den Heer de Baudricourt ?quot;
âIk heb ze aangetrokken uit vrijen wil en niet op verzoek van iemand.quot;
âWaarom?quot;
â't Was immers natuurlijk dat ik mannenwerk verrichtend en onder de mannen oorlog voerend, ook mannenkleeren zou dragen.
âWaarom hebt gij mannenwerk gedaan in plaats van u te wijden aan vrouwenarbeid?quot;
âEr zijn altijd vrouwen genoeg om het werk, waarvan gij spreekt, te verrichten.quot;
175
âÃfeeft God gewild, dat gij mannenkleeren aantrokt/'
âIk heb niets gedaan dan op bevel van God. Ik wacht van Hem bescherming en goede hulp.quot;
âHebt gij ook de Heilige Sacramenten ontvangen in mannenkleederen ?quot;
âJa, maar ik zorgde er toch altijd voor eerst de wapens neer te leggen.quot;
âZult gij er spoedig toe besluiten de mannenkleeren uit te trekken ?quot;
â't Ligt niet in mijn macht te zeggen, wanneer ik mij weer als vrouw zal kunnen kleeden.quot;
,.Van nu af moet gij vrouwenkleeren aandoen.quot;
âWelnu, geef mij een vrouwengewaad. Ik zal het aantrekken en heengaan.quot;
âGij zult zoo niet de gevangenis verlaten.quot;
âAls ik in de handen der wachters moet blijven, zal ik mij houden aan het kleed, dat ik draag.quot;
âMaar wat zult gij doen, als men om die reden u verbiedt de H. Mis te hooren?quot;
âOnze Heer kan ze mij wel doen hooren zonder u.quot;
âJeanne, 't is nu weldra Paschen! Als gij niet van kleeding verandert, zult gij buiten de gemeenschap der geloovigen worden gesloten.quot;
Jeanne verbleekte.
âWat!quot; riep zij, âop dien grooten vreugdedag zal ik uitgesloten zijn! Nu, ik stem er in toe, als gij mij een kleed geeft, dat tot de aarde reikt, zooals de burgerdochters dragen.1'
âEn dan zult gij het mannenkleed niet meer aandoen ?quot;
âDaar ik den wil Gods doen wil, zal ik beloven, niet weer het kleed te dragen, dat ik gewoon was aan te hebben op het slagveld.quot;
âJeanne, dit alles zal verkeerd voor u afloopen.quot;
Zij schrikte.
âDan bid ik u heeren,quot; smeekte zij, âals ik sterven moet, mij een lang vrouwenkleed te geven.quot;
âDus in doodsgevaar wilt gij een vrouwenkleed hebben ?quot;
âAls het maar lang is.quot;
17G
âNog eens, Jeanne ! Besluit er toe dit mannenkleed af teleggen en uw zonde te verafschuwen.quot;
âIk wil liever dadelijk den marteldood sterven, dan herroepen wat ik gedaan heb op bevel des Heeren.quot;
Al deze nuttelooze, kinderachtige vragen matten de beschuldigde niet alleen, maar ook de rechters af.
Onwillekeurig maakte zij indruk op hen door haar beminlijke onschuld, door haar onwankelbaar vertrouwen in God, haar gevatte antwoorden, maar vooral door haar hulpeloosheid tegen zooveel geleerde mannen, die allen haar vijanden waren ; velen begonnen symphatie en medelijden voor haar te gevoelen.
Eenigen konden zelfs zich niet bedwingen, als zij weer znlk een gepast antwoord had gegeven uit te roepen :
âGoed geantwoord, Jeanne !quot;
Daar waren er, die zelfs bekenden, dat het scheen of zij bezield was door den H. Geest, zoo verstandig waren haar woorden; het volk vooral begon haar partij te kiezen en Cauchon, verbitterd door den tegenstand, dien hij ontmoette, zag in, dat hij zich op een verkeerden weg bevond en liet nu de verhooren in het geheim plaats hebben.
Het was niet mogelijk geweest een rede te vinden om Jeanne te schandvlekken : nergens had zij blijk gegeven van tooverij, bedrog of heiligschennis; in de geheime verhooren evenmin als in de openbare bewees iets haar schuld en nu zocht Cauchon een laatste middel, dat van Satanische list getuigde.
Jeanne geloofde vast aan haar vizioenen ; zij zou het zonde, hebben geacht aan de waarheid barer stemmen te twijfelen. Wanneer men haar nu er toe kon brengen dit punt te onderwerpen aan de beslissing der Kerk, dat beteekende hier den Bisschop zelf, zou men kans loopen een weigering van haar te ontvangen en hierin een voldoende reden vinden om haar ongehoorzaam te doen verklaren aan de kerkelijke overheid en dan als kettersche te doen veroordeelen. Cauchon rekende op Jeanne's onkunde in theologische zaken om haar tenminste op dit punt gemakkelijk in zijn macht te krijgen.
âWilt gij u onderwerpen,quot; vroeg men toen, âaan de beslissing der H. Kerk?quot;
177
,,A1 mijn werken,quot; antwoordde zij, âzijn in de hand Gods en ik laat ze Hem over en ik verklaar u dat ik niets wil doen of zeggen tegen het Christelijk geloof, en als ik iets heb gezegd of gedaan dat volgens het oordeel der geestelijken daartegen was, wil ik het niet staande houden, maar het dadelijk van mij afwerpen.quot;
Dit was niet hetgeen Cauchon bedoelde en zonder het te willen gaf hij in zijn al te grooten ijver het meisje een middel aan de hand om het heele proces nietig te doen verklaren.
âMeent gij verplicht te zijn de volle waarheid te zeggen aan den Paus, Stedehouder Gods over alles wat hij u vragen zal aangaande uw geloof en uw geweten ?quot;
Zonder aarzelen antwoordde Jeanne ;
âIk vraag voor den Paus gebracht te worden, ik zal hem antwoorden, alles wat ik antwoorden moet.quot;
Cauchon voelde dat hij te ver was gegaan; Jeanne's zaak door den Paus te laten beslissen lag volstrekt niet in zijn plan. Hij wilde voor haar de Kerk vertegenwoordigen; niemand dan hij alleen mocht het recht hebben Jeanne te oordeelen.
âGij spreekt van den Paus,quot; zoo trachtte men haar weer te vangen om haar een beslissing te doen nemen tusschen de beide Pausen, wier partijen den vrede der Christenheid toen ter tijd zoo jammerlijk verstoorden, âwien gelooft gij dat de ware Paus is?quot;
âZijn er dan twee?quot; was het antwoord, beschamend voor die mannen, wier hoogmoed hoofdzakelijk oorzaak was van het betreurenswaardige schisma.
âWilt gij u dus voor al uw woorden en werken beroepen op de beslissing der Kerk?quot;
âOver de daden door mij verricht moet ik mij beroepen op God, die mij gezonden heeft.quot;
âGij minacht dus de Kerk?quot;
âGod en de Kerk zijn één.quot;
Jeanne begreep, welke strik men haar spande; met de Kerk bedoelden haar rechters niets anders dan Cauchon den plichtver-geten aan de Engelschen verkochten bisschop en zijn handlangers. Zoodra zij zich aan hen onderwierp, zouden zij beslissen dat haar vizioenen bedriegelijk waren en haar op dien grond van toovenarij
12
178
beschuldigen, weigerde zij zich aau hen te onderwerpen, dan konden zij haar wegens ketterij veroordeelen.
âWaarom onderwerpt gij u niet aan de uitspraak der strijdende Kerk?quot;
âZij moet mij niet bevelen, wat onmogelijk is. Tegenover geen mensch ter wereld zal ik herroepen, wat ik uit naam van God heb gezegd en gedaan.quot;
âWilt gij u niet aan den heiligen Vader den Paus onderwerpen ?quot;
âBreng mij voor hem en ik zal hem antwoorden,quot; verklaarde zij, nogmaals haar beroep op de hoogste vierschaar ter aarde herhalend, tegenover de onrechtvaardige rechtbank door Cauchon gepresideerd.
âZult gij u beroepen op de Kerk van Politiers die u heeft onderzocht?quot;
âMeent gij mij op die manier te vangen en in uw net te lokken ?quot;
âMaar Jeanne, gelooft gij dan niet onderworpen te zijn aan de Kerk, die op aarde is, dat wil zeggen aan den Paus, de kardinalen, de aartsbisschoppen en bisschoppen?quot;
âJa, als zij onzen Heer God goed dienen.quot;
Hiermede bedoelde zij den bisschop Cauchon, die bewijzen genoeg had gegeven, dat hij de uitspraak der Kerk voor niets achtte,
âJeanne, gij toont u nu als een kettersche en gij loopt gevaar verbrand te worden.quot;
âAl zag, ik den brandstapel aangestoken en de beulen gereed mij in de vlammen te werpen, zoo zou ik nog niets anders kunnen zeggen.quot;
âWij herhalen u, dat gij in groot gevaar verkeert. Gij moet zoowel het eeuwige vuur vreezen, dat de zielen verteert, als het vuur der wereld, dat de lichamen verslindt.quot;
âGij zult uw bedreigingen niet vervullen, zonder dat het u slecht gaat naar ziel en lichaam.quot;
Een der rechters werd door medelijden bewogen en zijn rechtvaardigheidszin dwong hem haar te zeggen:
âJeanne, er wordt thans in Bazel een algemeen Concilie gehouden. Wilt gij u niet daaraan onderwerpen?quot;
âWat is dat een algemeen Concilie?quot; vroeg Jeanne,
179
âEen vereeniging der algemeene Kerk en er zijn evenveel godgeleerden in Vein uw partij als van die der Engelschen.quot;
âIn dit geval zal ik mij' onderwerpen,quot; verklaarde Jeanne.
Uit dit antwoord blijkt duidelijk, hoe Jeanne weigerde zich te onderwerpen aan hetgeen Cauchon in ha;ir oog voor de Kerk wilde doen doorgaan, de vergadering van partijdige Engelsch-gezinde, haar vijandige rechters.
V ol woede en al zijne aangeleerde waardigheid vergetend bulderde hij den godgeleerde toe:
âDocter bij den duivel zwijg!quot; en verbood het antwoord van Jeanne, dat zoo ten gunste van haar rechtzinnigheid sprak op te schrijven.
âHelaas!quot; zuchtte zij nog eens, gij schrijft wel op wat tegen mij, maar niet wat vóór mij pleit!quot;
VIII.
De onrechtvaardigheid van het proces werd hoe langer hoe duidelijker.
Cauchon zichzelf willende vrijpleiten, raadpleegde een beroemd rechtsgeleerde, meester Johannes Lohier. Hij liet hem alle stukken van het proces zien en vroeg zijn oordeel, maar groot was zijn teleurstelling, toen de advocaat hem verklaarde, dat de eerste voorschriften van het recht geschonden waren en het proces dus nietig was. Hij zeide het openlijk en bewees zijn woorden.
âHet schijnt, dat men alleen uit haat te werk gaat,quot; sprak hij, âen daarom wil ik er geen deel van uitmaken.quot;
Cauchon liet als gewoonlijk, wanneer men hem tegensprak, zijn lievelingsdreigement hooren, den weerbarstigen tegenstander in de Seine te doen werpen. Lohier bleef echter onverzettelijk in zijn oordeel.
âHet proces is nog niet openbaar genoeg,quot; verklaarde hij nog, ,men tast de eer van den koning van Frankrijk aan, zonder hem er bij te roepen en men laat de beschuldigde, die slechts een eenvoudig meisje is, zonder verdediger. Dus beteekent het geheele proces niets.quot;
180
Maar hij verliet voorzichtig Rouaan, om de wateren der Seine te ontkomen.
Canchon beschuldigde hem nu, van zich aan den vijand te hebben verkocht en zwoer, dat men het mooie proces, waarvan meester Lohier kwaad durfde spreken, zou voortzetten, zooals men het begonnen had. Jeanne's dood was dus besloten lang voor
haar veroordeeling.
Een deurwaarder, Massieu genaamd, die Jeanne naar haar gevangenis moest terugbrengen, werd door een Engelschen geestelijke ondervraagd, over hetgeen hij van de beschuldigde dacht.
âDunkt u dat zij goed antwoordt, of dat zij verbrand zal worden ?quot;
âTot nu toe,quot; antwoordde Massieu, âzie ik niets dan goeds en braafs in haar. Maar ik weet niet hoe het einde zal wezen. God weet het!quot;
Het antwoord kwam Cauchon ter oore; Massieu kreeg een flinke afstraffing met de gebruikelijke bedreiging, dat hij wel eens meer Seinewater zou kunnen drinken dan hem lief was.
Den 27sten Maart werd Jeanne voor haar rechters gebracht om de lezing aan te hooren van het proces-verbaal der zittingen.
D'Estivet de openbare aanklager â die kort na Jeanne's terechtstelling den dood vond op de plaats waar hij thuis hoorde in een goot â nam het woord en sprak:
âIk ben gereed de waarheid te bewijzen van alle grieven tegen het meisje verzameld en ik geef de lijst daarvan aan de rechtbank over, artikel voor artikel!
âDat de beschuldigde telkens antwoorde, zwijgen is zich overwonnen verklaren.
âMaar ik begin met te zweren, dat ik noch door wrok, noch door vrees handel, maar alleen bewogen wordt door ijver vooi het Heilige Katholieke geloof!quot;
Na deze huichelachtige verklaring ging Caiphas Cauchon op zoetsappigen, toemenden toon vol valsch medelijden voort, juist zooals de vraatzuchtige wolf in schaapsvacht spreken zou, sprak hij de taal der menschen:
âJeanne, verheug u dat de rechters voor wie gij verschijnt hooggeleerde heeren zijn, in het goddelijke en menschelijke recht
181
zeer ervaren, wier eenige bedoeling is jegens n met zachtheid en medelijden te handelen.quot;
Zijn oogen namen een uitdrukking vol zal venden weemoed aan en vestigden zich vol deelneming op het arme kind.
âWij zoeken geen wraak, wij| verlangen geen straf, wij trachten alleen u te onderrichten en u terug te brengen op den weg der waai-neid en der zaligheid. Daar gij ongeletterd zijt en in zulke moeilijke punten misschien niet weet, wat gij moet'doen en antwoorden, noodig ik u uit onder deze heeren een of meer doctoren te kiezen om uw antwoorden bij te staan,quot;
Welk een teedere. vaderlijke zorg!
âIndien gij niet weet, wien gij kiezen zult, bied ik u er een aan uit mijn hand, mits gij voornemens zijt in alles, wat u aangaat, de waarheid te zeggen. Ik eisch van u, dat gij in onze tegenwoordigheid zult zweren, de waarheid te zeggen op alle punten, die uw proces betreffen.quot;
Jeanne wist genoeg wat van die rechtvaardigheid te denken; en wat zij van een verdediger uit Cauchons handen te wachten had. Zij bezat immers betere raadgevers, die haar de antwoorden zouden ingeven, welke haar dit proces voor het nageslacht onherroepelijk zou doen winnen.
Onverschrokken en toch vol jonkvrouwelijke bescheidenheid gaf zij ten antwoord:
âTen eerste over hetgeen gij mij gezegd hebt over mijn welzijn en ons geloof, bedank ik u en ook de geheele vergadering. Wat den raadgever betreft, dien gij mij aanbiedt, bedank ik u ook, maar ik ben niet voornemens mij te scheiden van den raad van onzen Heer God. Wat den eed aangaat dien gij verlangt, ben ik bereid te zweren over alles, wat mijn proces betreft, de waarheid te zeggen.quot;
En neerknielende legde zij opnieuw den eed op het heilig Evangelie af.
Nu begon d'Estivet de lezing [der akte van beschuldiging, waarvan de aanhef alleen reeds voldoende is, om een denkbeeld te geven van den liefderijken, echt vaderlijken toon, waarin het gesteld was, en waaruit ten duidelijkste bleek met welke rechtvaardige, goedertieren gevoelens de rechtbank bezield was.
182
âIk verklaar,quot; las d'Estivet, dat deze slecht befaamde deern is toovenares, waarzegster, valsche profetes, aanroepster en bezweerster van kwade geesten, bijgeloovig, de tooverkunsten beoefenend, slecht denkend van het katholieke geloof, scheur-ster, twijfelend aan de bul Lnum sanctum en vele andere geloofsartikel! ; heiligschenster, afgodendienares, apostate, slecht sprekend en slecht handelend, lasteraar van God en de heiligen, ergernis gevend en oproermakend, den vrede verstorend en belettend, tot den oorlog ophitsend, wreedaardig dorstend naar raenschelijk bloed en het vergieten daarvan bevorderend, zonder schaamte de zedigheid van haar geslacht afzwerend en zonder schroom het onpassende kleed aantrekkend en het uiterlijk der krijgslieden aannemend, om deze en andere dingen afschuwwekkend in de oogen van God en de menschen, overtreedster der goddelijke, natuurlijke en geestelijke wetten, verleidster van koningen en volken, toestemmende dat men haar met verachting van God vereert en aanbidt; haar kleeren en handen te kussen gevend, den eeredienst, God toekomend, van Hem afwendend, kettersche of ten minste zeer verdacht van ketterij....quot;
Volgde nu de opsomming der zoogenaamde bewijzen van al deze punten van beschuldiging, ontleend aan de antwoorden van Jeanne, schandelijk verdraaid en verwrongen.
Zij protesteerde eenvoudig, kalm en waardig tegen deze woordverdraaiingen en herhaalde alle antwoorden, die zij reeds gegeven had.
Toen men echter van haar eischte, dat zij haar stemmen zou verloochenen, welke de beschuldiger verklaarde als komende van den duivel, sprak zij:
âIk zal hen te hulp roepen zoolang ik leef.quot;
âOp welke wijze doet gij dat ?quot;
âIk verzoek Onzen lieven Heer en Onze Lieve Vrouw mij raad en troost te geven.quot;
âIn welke termen vraagt gij dat?quot;
âZeer lieve God! ter eere van Uw heilig Lijden, smeek ik u, als Gij mij liefhebt, mij te openbaren, wat ik aan deze heeren antwoorden moet. Ik weet wel, wat het kleed betreft, hoe gij mij bevolen hebt het aan te trekken, maar ik weet niet op welke
183
manier ik het zal afleggen. Dat het. u dus behage het mij te leeren! En dan komen zij dadelijk!quot;
Het hemelsche vertrouwen, de treffende onschuld en de beminnelijke eenvoudigheid, waarmede zij deze woorden uitsprak, zouden op tijgers indruk hebben gemaakt maar Cauohon en zijn gezellen werden slechts bezield door lage wraakzucht en het verlangen huns meesters, den Engelschen, te believen.
Een rechtvaardig oordeel, dat Jeanne het leven zou redden, was hun op dood, verbanning en verbeurdverklaring hunner goederen te staan gekomen, terwijl, wanneer zij veroordeeld werd, zij zeker overladen zouden worden met eerbe wij zingen en geld.
Het proces van Jeanne d'Arc is dus een bewijs te meer van de waarheid der bewering, dat de Kerk in de uitoefening harer macht vrij en van geen menschelijk gezag en staatkundige dwang moet zijn.
De acte van beschuldiging bevatte twee-en-zeventig artikelen ; men trachtte ze tot twaalf te herleiden en Cauchon zond nu het stuk naar de Universiteit van Parijs, naar het kapittel van Rouaan, naar de bisschoppen van Lisieux, Avranches en Coutanges en een vijftigtal doctoren; hij wilde op deze wijze de verantwoordelijkheid van zich werpen van de schandelijke misdaad, die men op het punt was te begaan.
Maar om te beletten, dat men een ander oordeel uitsprak, dan dat wat hij wenschte, gaf Cauchon hun de volgende beminnelijke inlichtingen aangaande zijn arm slachtoffer.
âWij Petrus bisschop, enz.,
âVerzoeken en bidden u voor het welzijn van het geloof, om âop schrift en onder uw zegel ons wel een heilzamen raad te âwillen geven, aangaande de hieronder beschreven beschuldi-â gingen.
âGelieve ons te doen weten, na hen aandachtig gelezen en âonder elkander vergeleken te hebben, of zij niet in hun geheel âof gedeeltelijk voorkomen te zijn tegenstrijdig aan het rechtzinnige geloof, verdacht van dwaling tegen het gezag der âH. Schrift, tegen de besluiten der Heilige Roomsche Kerk, der âgodgeleerden door haar aangesteld en der kanonieke wetten, âergerlijk, vermetel gevaarlijk voor den openbare vrede, vol zonde
184
âin een woord, op de een of andere wijze schuldig, of gelieve ons âten minste te zeggen, wat men van de bovengenoemde verklaringen ten opzichte van den godsdienst denken moet.quot;
De twaalf artikelen werden nu opgenoemd, gevolgd door het oordeel van twee-en-twintig doctoren, die in Rouaan volgens den geest van Cauchon daarover uitspraak deden.
âGezien de hoedanigheid, de woorden en werken der beschuldigde, verklaren wij haar openbaringen leugenachtig en afkomstig van den duivel, haar voorspellingen bijgeloovig, haar woorden aanmatigend en vermetel, haar handelingen ergerniswekkend en goddeloos.
âZij heeft God en de Heiligen gelasterd, is oproerig geweest jegens haar ouders, heeft het gebod der naastenliefde overtreden en is in schisma tegenover de Kerk vervallen en zeer verdacht van ketterij.quot;
De verschillende theologen wilden of durfden niet van een ander gevoelen te zijn.
Zoo antwoordde Gilles, abt van Fécamp:
âWat vermag mijne onwetendheid, na zoovele geleerde namen, zooals men nergens ter wereld zou kunnen vinden! Zeer eerwaarde Vaders in den Heer, beveelt wat gij wilt, om u te gehoorzamen, zal mijn kracht kunnen versagen maar niet mijn wil.quot;
De bisschop van Coutanges verontschuldigde zich van zulk een ingewikkelde zaak te beoordeelen en trad geheel in Cauchon's bedoelingen.
De bisschop von Lisieux ging op dezelfde wijze te werk en gaf als bewijs tegen Jeanne's zending onder andere redenen aan, dat zij van nederige afkomst was.
De bisschop van Avranches alleen, een eerbiedwaardig grijsaard, wreekte hier het geschonden gevoel der menschelijkheid door zijn moedige verklaring:
âWat is de beslissing van den H. Thomas over de onderwerping die men in dit geval aan de Kerk verschuldigd is?quot; vroeg hij den afgezant van Cauchon.
Deze raadpleegde de Summa en antwoordde op het gezag van den Engel der School.
âIn alle twijfelachtige gevallen moet men zich altijd wenden tot den Paus of het Algemeen Concilie.quot;
187
Welnu!quot; antwoordde de âBisschop dat is ook mijn meening.''
Dit antwoord werd in het proces-verbaal opgenomen. Cauchon verbeet zich van woede, hij kon zijn medebroeder niet met de Seine dreigen, maar zorgde er voor dat hij kort daarna, onder voorwendsel van den Franschen welgezind te zijn, in Rouaan werd gevangen gezet.
Elf andere advocaten kwamen niet openlijk voor hun gevoelen uit, maar bewezen genoeg hoe zij over Jeanne dachten.
âWij houden dat meisje voor schiddig, zelfs voor zeer schuldig,quot; verklaarden zij voorzichtig, ,,ten minste als zij geen bevel van God ontvangen heeft.quot;
Het kapittel van Rouaan haastte zich ook niet zijn gevoelen uit te spreken; het leefde in gestadige vrees, dan men hun eenmaal den ex-bisschop van Beauvais zou opdringen, want Cauchon, sterk door de belofte van Engeland liet zich reeds als Aartsbisschop betitelen en Rouaan was op dezen kerkoverste volstrekt niet gesteld.
Zij verlangden dus eerst de beslissing van de Parijzer Universiteit te vernemen. Maar Cauchon liet hun geen rust voor zij de volgende verklaring teekenden:
âWij achten het oordeel der godgeleerden, die zich tegen Jeanne hebben verklaard rechtvaardig. Deze vrcuw moet als kettersche beschouwd worden.quot;
Eindelijk den 19cieu Mei verscheen de uitspraak der Parijsche üniver-iteit geheel in den geest der Engelschen. Elk der twaalf artikelen was nauwkeurig onderzocht en men kwam tot het volgend besluit:
1°. De verschijningen van Jeanne zijn denkbeeldig, leugenachtig, door lielsche geesten ingegeven. De Universiteit wist zelfs de namen dier geesten namelijk Balial, Satan, Behemoth.
2°. Het teeken den koning gegeven is een bedriegelijke aanslag op de waardigheid der Engelen.
3°. Het geloof van Jeanne in de bezoeken van den heiligen Michaël, de heilige Catharina en de heilige Margaretha, is een vermetel, den godsdienst beleedigend geloof.
4°. Haar voorspellingen zijn slechts snoeverij en bijgeloof.
5°. Het gebruik dat zij maakt van mannenkleeren, de toe-
188
stemming van God [daarvoor inroepend, is een lastering jegens God, een overtreding van de goddelijke wet en de kerkelijke' voorschriften, een bewijs van afgoderij.
6°. Haar brieven zijn het werk eener oproerige, verraderlijke, trouwelooze, wreede, bloeddorstige vrouw.
7°. Haar vertrek naar Chinon is een overtreding van het vierde gebod dat beveelt vader en moeder te eeren, een ergernis waaruit zich kinderlijke ongehoorzaamheid en dwaling in het geloof uitspreken.
8°. De sprong van Beaurevoir maakt Jeanne schuldig aan zelfmoord.
9°. Het vertrouwen van Jeanne in haar zaligheid is een heiligschennend e aanmatiging.
10J. De verklaring dat de heilige Catharina en de heilige Margaretha geen Engelsch spreken, is een lastering jegens deze twee heiligen een overtreding van het gebod der waarheidsliefde.
11°. De hulde, die Jeanne haar vizioenen bewijst, is slechts afgoderij en duivelsdienst.
12°. De weigering om deze feiten aan de Kerk te onderwerpen maakt van Jeanne een scheurmaakster en een apostate, halsstarrig in de dwaling.
De slotsom van dit alles was ;
âWanneer deze vrouw haar verstand niet verloren had toen zij de beweringen in de twaalf artikelen vervat, bevestigde, kan men, om zoo liefderijk (!) mogelijk te spreken, niets anders zeggen, dan dat zij is schismatiek, kettersch, afvallig, waarzegster halsstarrig in de goddeloosheid en boos in de heiligschennis.
âDaarom, indien zij goedertieren vermaand, niet wil terug-keeren tot het katholieke geloof moet zij overgeleverd worden aan het wereldlijke gerecht, om rechtvaardig te worden gestraft.quot;
Bij dezen briet voegde de Universiteit nog twee brieven, een aan den tienjarigen koning van Engeland en een aan den Bisschop Petrus Cauchon.
In den eerste werd de koning tot haast aangemaand.
âSire, wij prijzen u om uw ijver om het geloof te verdedigen en de dwaling uit te roeien.
189
âMaak haast opdat het proces der jonkvrouw spoedig teneinde worde gebracht.
âEen groot en opzienbarend eerherstel is zeer noodzakelijk, opdat het volk, dat zooveel ergernis heeft geleden, terugkeere tot de goede, heilige leer.quot;
En de huichelachtige bisschop werd ook even huichelachtig geprezen.
âUitmuntende herder, wij wenschen u geluk met den ijver door u betoond tegen deze vrouw, wier venijn de geheele kudde der geloovigen heeft besmet.
âHet strekt u tct ccr, het proces met zulk een heiligen ernst te hebben geleid en daarin bijgestaan te zijn door zoovele geleerde theologen, die noch zich zelf, noch moeite gespaard hebben.
âGa voort met niets te verzuimen, totdat de goddelijk Majesteit gewroken is.quot;
Inderdaad deze Pharizeërs waren hun voorgangers, die al huichelend Christus kruisigden, ten volle waardig.
IX.
Terwijl de onderhandelingen voortduurden, werd de arme Jeanne in haar gevangenis zeer ziek. De Engelschen schrikten er van en Warwick zond haar zijn geneesheeren, wien bij zeide:
âDraag goed zorg voor haar, de koning wil tot geen prijs, dat zij haar natuurlijken dood sterft. Hij heeft haar duur gekocht en betaald, hij wil niet dat zij op een andere wijze sterve, dan veroordeeld door de rechters op den brandstapel. Doe dus uw best, haar te genezen!quot;
Arm koninkje van Engeland!
Hoe duur moest hij misschien eenmaal die woorden boeten, welke hem in den mond zijn gelegd, want van alle Engelsche koningen was Hendrik VI zeker de ongelukkigste; vervolgd, verraden, vervallen van den troon, beroofd van al zijn bezittingen, gescheiden van vrouw en kind, stierf hij in de gevangenis een geheimzinnigen dood. Hij, de deugd en zachtheid en goedheid zelf, was van jongs af een speelbal in de handen der partijen een zoenoffer wellicht voor de ontzettende zonden van zijn voorgeslacht.
190
De geneesheeren vroegen Jeanne, waaraan zij zelf hare ziekte toeschreef.
,,De bisschop van Beauvais,quot; antwoordde Jeanne zonder bijbedoelingen, âheeft mij een karper gezonden, waarvan ik gegeten heb, dat is misschien de oorzaak mijner ziekte.quot;
D'Estivet, Cauchon's kwade geest, die bij het bezoek der geneesheeren tegenwoordig was, vloog op:
âLeugenares, zeg liever dat je haringen en allerlei tuig hebt gegeten, wat je niet dient!quot;
De geneesheeren verklaarden haar te moeten aderlaten. Warwick wilde er niet van hooren, hij vreesde dal zij daarvan gebruik zou maken, om zich te dooden, maar de geneesheeren deden het toch en zij voelde zich daarna beter.
Hoewel het arme schepsel nog verzwakt en bedlegerig was, of misschien juist daarom wilde Cauchon geen tijd verliezen en besloot dadelijk, den huichelachtigen raad der Parijzer afgevaardigden van de Universiteit opvolgende, de beschuldigde aan tc sporen, haar zoogenaamde dwalingen af te zweren.
Jeanne liet hem uitspreken en toen hij geëindigd had, zeide zij eenvoudig:
âIk vrees dat mijne ziekte mij in groot stervensgevaar brengt. Als het zoo is, dat Gods wil dan geschiede! maar ik verlang van u, dat gij mij het Sacrament van Boetvaardigheid laat ontvangen en het Lichaam des Heeren toedienen. Verder vraag ik in heilige aarde te worden begraven.quot;
âAls gij de Sacramenten der H. Kerk verlangt,quot; antwoordde de onverbiddelijke vervolger, dan moet gij u als goede katholieken aan haar onderwerpen.quot;
âIk zou u niets anders kunnen zeggen,quot; zuchtte Jeanne en viel afgemat op haar strooleger terug.
Cauchon bleef haar zonder medelijden tergen.
âHoe meer gij voor uw leven vreest, hoe eer gij u moet be-keeren. Gij moogt van uw rechten als katholiek geen gebruik maken, vóór gij u onderwerpt aan de Kerk.quot;
âAls ik in de gevangennis sterf, reken er op dat gij mij in gewijde aarde laat begraven. Anders beroep ik mij tegen U op God.quot;
Een der aanwezigen zeide, dat als zij voortging met te weigeren
191
zich aan de Kerk te onderwerpen men haar als een heidin zou behandelen.
Toen fonkelden Jeanne's oogen van verontwaardiging en zich oprichtend zeide zij met een kracht, die men in zulk een zwak, ziek meisje niet verwacht zou hebben :
âIk ben goed christen, ik ben goed gedoopt, en ik zal sterven als een goede christin ! Ik heb God lief, ik dien Hem en zou de Kerk willen dienen en helpen met al mijn krachten.quot;
Haar wangen gloeiden en er sprak zulk een heilige overtuiging uit haar woorden en blikken, dat de rechters zich beschaamd verwijderden.
Den 9den Mei kwamen zij nog eens op hetzelfde terug. Men liet haar de folter werktuigen zien en zeide toen ;
âAls gij niet gepijnigd wilt worden, verander dan toch :iw verklaringen.quot;
Maar Jeanne was vol moed :
âDe engel Gabriël heeft mij versterkt,quot; zeide zij. âHij was het wel. De Heiligen hebben het mij gezegd. Ik zal u dus zonder vrees antwoorden. God is altijd mijn Heer en Meester geweest, de duivel heeft nooit macht over mij gehad.quot;
âJeanne, bedenk aan welke martelingen gij u blootstelt, door zoo te spreken.quot;
âJeanne antwoordde onbevreesd :
âAl zoudt gij mij ook al mijn ledematen afrukken en mijn ziel van mijn lichaam scheiden, ik zou niets anders zeggen, en al zei ik het ook, later zou ik toch verklaren, dat gij het mij door geweld hebt laten zeggen.quot;
Eindelijk den 23sten Mei liet Cauchon, sterk door de goedkeuring der Universiteit van Parijs, het meisje weer voor hem verschijnen in een groote zaal, waar hij met de bisschoppen van Therouanne en Noyon naast hem, vol waardigheid zetelde en vermaande haar opnieuw haar woorden te herroepen, maar zij antwoordde altijd even beslist :
,,Ik blijf alles volhouden, wat ik in het proces' gezegd heb.quot;
Een vreemde geestelijke, Pierre Morice wiens welsprekendheid algemeen bekend was, moest Jeanne eens liefderijk toespreken :
âJeanne hoor wat gij gezegd hebt en wat de eerbiedwaardige Universiteit van Parijs heeft gezegd;
192
âOverdenk de dwalingen en misdaden, waaraan dit groote lichaam, dat het licht der wetenschap is, u schuldig heeft verklaard.
âMijn lieve vriendin, 't is nog tijd, nu wij het einde naderen, al uw woorden wel te wegen en ze te herroepen.
âGod heeft aan zijn Kerk gezegd ; Wie u hoort, hoort mij, wie u minacht, minacht mij! Luister dus naar de vermaningen van den Doorluchtigen Bisschop, die u smeekt op de wegen der waarheid terug te keeren.
âDoor aldus te handelen, redt gij uw ziel en naar ik hoop ook uw lichaam van den dood.
âAls gij halsstarrig blijft, dan wordt uw ziel door verdoemenis getroffen en ik vrees de vernietiging van uw lichaam voor welke dingen het God behage u te bewaren, Amen!quot;
Jeanne zag ten hemel, zij dacht zich weer terug in haar geliefd Domrêmy; zij hoorde de stemmen, die jaren lang haar hadden getroost, geraden, geleid, zij doorleefde opnieuw haar gloriedagen op het slagveld, zij stond weer in de kathedraal van Rheims, omringd door het volk jubelend haar en zijn nieuw gekroonden koning ter eere, op Gods bevel door haar, eenvoudig landmeisje naar het kroningsaltaar geleid, zij voelde in haar hand de geliefde banier, die in den druk was geweest en nu ook bij de zegepraal moest zijn en dat alles zou zij verloochenen, haar Heiligen afvallen, haar stemmen ontrouw worden, Gods zending ontkennen, haar roem vernietigen ?
Dat was te veel en met trillende stem verklaarde zij;
,,A1 zag ik de takkebossen opeengestapeld, den beul het vuur ontsteken en mijzelf op den brandstapel, dan nog zou ik niets anders zeggen en staande houden dan, wat ik in het proces heb gezegd, tot in den dood!quot;
De onwaardige bisschop voelde zich nog niet getroffen door deze verklaring vol heldenmoed.
âHebt gij niets meer te zeggen?quot;
âNeen.quot;
âDan is de zaak gehoord, het proces geëindigd en morgen valt het vonnis!quot;
En Jeanne werd weer naar de gevangenis teruggeleid.
VIJFDE GEDEELTE. DE BRANDSTAPEL.
I.
Maar, zoolang Jeanne zelf geen schuld bekend had, was het doel harer vijanden niet bereikt.
Jeanne moest eerst geschandvlekt worden als toovenares en godslasteraarster, vóór dat men haar ter dood veroordeelde.
Tot eiken prijs moest men haar tot een schuldbekentenis dwingen ; wanneer zij zichzelf niet verlaagde, bleef zij in de oogen van het volk en van het nageslacht nog steeds omgeven door den aureool der heiligen en martelaressen.
Cauchon verzon dus een walgelijke komedie, die indruk maken moest zoowel op Jeanne als op het volk.
In den morgen van den 24sten Mei liet hij de gevangene naar het kerkhof van Saint Ouen voeren, waar de geheele bevolking van Rouaan was samengestroomd, Engelschen, zoowel als Fran-schen; in het midden waren twee estrades opgericht.
Cauchon, Winchester en een menigte theologen hadden plaats genomen op eene daarvan, die rijk versierd was. Op de andere, ruw getimmerd en zonder eenig sieraad, moest Jeanne staan, beladen met ketenen, omringd door den secretaris Massieu, den griffier Manchon, haar biechtvader den eerloozen Loyseleur, en den redenaar Guillaume Erard, die haar vermanen moest.
De beul stond met zijn kar onder deze verhevenheid, in de verte zag men het oude marktplein, waarop de brandstapel was opgericht. Vóór Cauchon lagen op een tafel twee vonnissen geheel gereed; het eene de veroordeeling, versterkt door den beul, dien Jeanne van hare estrade kon onderscheiden met de brandende fakkel in de hand, onder den brandstapel staande naast
13
194
het karretje, dat haar daarheen moest geleiden, het andere de verwijzing naar kanonieke straffen.
Massieu hield in zijn hand een zeer kort afzweringsformulier van slechts weinige regels, waarin Jeanne verklaarde haar vrou-wenkleeren te zullen aantrekken en zich te onderwerpen aan de kerkelijke rechtbank.
Maar noch Jeanne, noch het publiek wisten dat een engelsche secretaris in zijn mouw een ander formulier verborg, waarin Jeanne verklaarde haar vizioenen af te zweren en alle verklaringen gedurende het proces gedaan te herroepen.
De schandelijkste rol in deze komedie was den verrader Loy-seleur toebedeeld! Caiphas Cauchon had dezen nieuwen Judas alles bevolen, wat hij moest zeggen en doen om zijn offer te bedriegen. Tot nu toe had hij zich altijd bij Jeanne voorgedaan als een geheime aanhanger van Karei VII en haar tegenstand aangeraden, nu veranderde hij eensklaps en vermaande haar tot onderwerping, al was deze maar schijnbaar.
Het arme meisje begreep niets van deze plotselinge verandering in zijn houding; 't is waar, haar stemmen hadden haar dezer dagen gezegd:
âWees.op uw hoede Jeanne, men tracht u te bedriegen!quot;
Maar zij wist niet van welken kant dit bedrog zou komen. Loyseleur deed haar gelooven, dat de bisschop van Beauvais en de andere fransche godgeleerden niets liever wenschten dan haar vrij te spreken, maar tegenover de Engelschen moesten zij een voorwendsel daartoe hebben en dit zou bestaan in Jeanne's voorgewende onderwerping.
Verward en onzeker over den weg dien zij moest inslaan â want haar stemmen zwegen hardnekkig â werd Jeanne op de estrade gebracht en meester Erard begon zijn boetpredikatie, tot welks text hij deze woorden uit het Evangelie van den H. Johannes had gekozen:
âEen wijnrank kan geen vruchten dragen, als zij niet verbonden is aan den wijnstok. De Kerk is die wijnstok en gij Jeanne hebt u van haar gescheiden door uw dwalingen en door uw misdaden.quot;
195
Later verklaarde Erard:
âTk was dien dag liever in Rijssel geweest dan in Rouaan.quot;
Men merkte er echter niets van in zijn redevoering, die hij zoo lang maakte en met zooveel vuur en valsch vernuft voordroeg.
Jeanne liet zijn woordenstroom onverschillig over haar hoofd gaan, als werd de rede tot een ander als tot haar gericht, maar opeens fonkelden haar oogen en hoog richtte zij haar hoofd op; het was toen de redenaar uitriep:
âO, Frankrijk! Wat zijt gij bedrogen! Gij, die altijd de zeer christelijke natie zijt geweest, en Karei, die zich uw koning noemt, heeft als een ketter, en scheurmaker â want dat is hij__geluisterd naar de woorden eener lichtzinnige, slecht befaamde, eer-looze vrouw, en hij niet alleen, maar de geheele geestelijkheid en adel, die hem aanhangt, door wie zij ondervraagd en niet gestraft is volgens haar eigen bekentenis.quot;
Jeanne's lippen trilden, haar borst hijgde, maar zij zeide niets. Loyseleur had haar geraden te zwijgen en in alles te berusten, maar toen de boetprediker zich nogmaals tot haar keerde en herhaalde:
âIk spreek tot u, Jeanne, ik zeg tot n, dat uw koning een ketter en scheurmaker is.quot;
Toen kon zij zich niet meer inhouden en viel hem verontwaardigd in de rede:
âSpreek over mij, maar niet over den koning! Want met allen eerbied voor u. Heer, durf ik zeggen en zweren op gevaar van mijn leven, dat hij de edelste Christen van alle Christenen is en dat niemand meer dan hij Kerk en Godsdienst liefheeft.quot;
Allen zwegen, getroffen door den toon van vaste overtuiging, waarop Jeanne sprak.
Eiard was even uit het veld geslagen, maar verbitterd riep hij dadelijk daarop Massieu toe:
âLaat haar zwijgen!quot; En Cauchon herhaalde:
. âDat zij zwijge!quot;
Hij ging voort met zijn rede, die hij eindigde met het verzoek aan Jeanne, zich te onderwerpen aan de Kerk.
Tevreden over zijn eigen welsprekendheid, verwachtte Erard
196
niet anders, dan dat Jeanne schuld zou bekennen, maar neen Op bedaarden toon met sterke stem zeide zij:
âIk zal antwoorden, wat ik reeds geantwoord heb, aangaande, mijn onderwerping aan de Kerk. Wat mijn daden betreft, ik vraag, dat alles, wat ik gezegd of gedaan heb, opgezonden worde naar Rome, naar Onzen Heiligen Vader den Paus, aan wienik alles na God overlaat. Wat ik gedaan en gezegd heb, geschiedde op bevel van God!quot;
âHeeft niemand u laten handelen?quot;
âIk ben niemand verantwoordelijk over wat ik gedaan of gesproken heb; en als er iets verkeerds in is, dan is de fout aan mij alleen en niet aan den koning of aan anderen.quot;
âWilt gij uw woorden en daden, afgekeurd door de geestelijkheid, herroepen?quot;
âIk beroep mij op God en den Paus!quot;
Cauchon zag het gevaar en kwam tusschenbeide:
âDat is niet noodig, de Paus is te ver, ik ben zijn plaatsvervanger; iedere bisschop is rechter in zijn diocees, gij moet dus voor waar houden, wat deze eerwaarde geestelijken en godgeleerden, die het weten, hebben gezegd aangaande uw woorden en werken.quot;
Maar Jeanne bleef onwrikbaar en herhaalde ten derde male:
âIk beroep mij op God en den Paus! '
En na bijna vijf eeuwen, hoorde de groote Paus Leo XHI liet beroep van het arme, verlaten kind, haar proces is herzien en reeds erkend dat zij eerbiedwaardig is, zij en alles door haar gezegd en gedaan, terwijl het aan zijn opvolger onzen beminden Paus Pius X was voorbehouden haar zalig te verklaren en zoo wij hopen ook weldra op de altaren te verheffen.
Cauchon ten einde raad, gaf Erard een teeken en deze las haar een kort formulier van herroeping voor, waarin zij verklaarde het vrouwenkleed weer aan te zullen trekken en zich te onderwerpen aan de geestelijke rechtbank; daarna las Cauchon haar het doodvonnis voor, waarbij zij tot de vreeselijke straf van den brandstapel werd verwezen.
Loyseleur fluisterde haar met gehuicheld medelijden in hel oor:
Grafmonumeiit van Pierre Cauchon, Bisschop van Beauvais.
mÃmmÃÃmÃÃÃÃÃÃÃÃamp;m § mÃÃÃm
f Im'
ft?
v;.:-
:. ..
tt
-
-
199
âJeanne, mijn kind, red uw ziel!quot;
Erard zelfs liet zijn dreigementen varen en smeekte haar:
âWees verstandig, wij hebben medelijden met u, wij zullen u niet overleveren aan het wereldlijk gezag, maar als gij blijft weigeren, zijn wij er toe verplicht!quot;
En het volk tot tranen bewogen bad:
â.Jeanne, doe wat men u raadt; wilt gij dan sterven?quot;
âMaar wat wilt gij dan van mij?quot; vroeg Jeanne, âik heb niets kwaads gedaan. Ik geloof aan de Twaalf artikelen des Geloofs, aan de Tien geboden Gods. Mijn geloof is dat der Kerk en ik beroep mij verder op Rome.quot;
En toen Erard haar beloofde:
âAls gij herroept, Jeanne, dan verlossen wij u zeker uit de gevangenis.quot;
Door allen aangespoord en geraden, boog Jeanne het hoofd. Wie'n zou zij gelooven? Wat moest zij doen ? O, waarom spraken haar stemmen thans niet? Waarom bleven zij in dit beslissende oogenblik stom ?
âWat geeft ge u moeite mij te verleiden!quot; zuchtte zij.
Cauchon sprak haar toe:
âWanneer alle vermaningen niet helpen, dan moet ik het vonnis ten einde lezen ,en u afgescheiden verklaren van de gemeenschap der geloovigen.quot;
En met een huichelachtige beweging liet bij het papier zakken en staarde met een blik vol geveinsd medelijden en bittere droefheid zijn slachtoffer aan.
De Engelschen zelfs lieten zich door zijn tooneelspel bedriegen, het volk wierp hem met steenen; de kapelaan van den kardinaal van Winchester durfde hem toeroepen:
âGij zijt een verrader! een medeplichtige van Jeanne!quot;
Cauchon deed of hij driftig werd.
âDat liegt gij!quot; riep hij uit, âik wil in zulk een ernstige zaak niemand begunstigen, maar 't is mijn plicht lichaam en ziel van Jeanne te redden. Gij hebt mij beleedigd en ik ga niet voort, vóórdat ik voldoening heb ontvangen.quot;
En hij wierp het vonnis ter aarde ; de kardinaal berispte ziju
200
kapelaan. Erard en de andere zoogenaamde verdedigers van Jeanne zeiden:
âZiet ge nu wel, hoe gunstig de rechter u gezind is, dat zelfs uwe vijanden hem zijn goedertierenheid kwalijk nemen?quot;
Massieu, die in zijn hart Jeanne's partij trok, smeekte ter goeder trouw haar het stuk te teekenen.
Loyseleur werkte op haar geweten en het volk smeekte:
âHerroep toch, herroep! of wilt gij zoo gaarne sterven?quot;
Ten einde raad vroeg Jeanne eindelijk uitstel, maar de vurige Erard schreeuwde:
âGeen uitstel! Herroeping of brandstapel!quot;
âNu dan, als de geestelijken dat stuk gelezen hebben en zeggen dat ik het teekenen moet, zal ik teekenen.quot;
Men las haar nu nog eens het korte formulier voor en Jeanne glimlachte; zij meende niet anders of de Engelschen werden door haar landgenooten bedrogen.
Het beteekende niets dat stuk te teekenen, waarbij zij beloofde haar mannenkleederen af te leggen â men zou haar nu toch niet meer alleen onder de mannen laten â en zich aan de rechters te onderwerpen, die haar wilden verlossen.
Men gaf haar een pen in de hand.
âMaar ik kan niet lezen of schrijven,quot; zeide zij.
âDat doet er niet toe,quot; zeide Lambert Colet, de secretaris der engelsche partij, die in zijn mouw een andere verklaring verborgen had, welke hij handig het meisje voorlegde in plaats van de eene, door haar aangehoord en goedgekeurd.
Jeanne teekende een cirkel onder het blad, en toen Colet niet tevreden scheen, maakte zij er een kruisje naast, maar de secretaris nam haar vingers met de pen in de zijne en liet haar voluit haar naam schrijven.
Dit tweede stuk, het eenige, dat ter griffie werd gedeponeerd, deed Jeanne verklaren, dat zij God en zijn Heiligen gelasterd, een onteerend kleed gedragen, booze geesten aangeroepen had, bloed had laten vergieten, en verder dat zij zich geheel onderwierp aan den Bisschop van Beauvais.
Later bij het proces van Jeanne's eerherstel hebben de griffiers
201
Taquil en Massieu onder eede verklaard, dat men op deze schandelijke wijze de stukken listig verwisseld en Jeanne wreed bedrogen had.
Nu wendde Cauchon zich eerbiedig tot den kardinaal van Winchester, oom van den koning vau Engeland en vroeg wat men nu zou beginnen.
âHaar boete laten doen,quot; was liet antwoord, en nu las Cauchon het tweede stuk voor, waarbij Jeanne veroordeeld werd tot levenslange gevangenisschap, tot het brood der smarten en liet water van den doodsangst, opdat zij haar zouden zou beweenen en geen andere meer bedrijven.
âEn nu,quot; vroeg Jeanne aan hen, die haar omringden, âbreng mij in de kerkelijke gevangenis, opdat ik niet meer in handen blijve der Engelschen.quot;
Maar Cauchon, die zijn bedoelingen had, sprak fluisterend tot de wachten:
âBreng haar weer terug, daar waar gij haar vandaan hebt gehaald.quot;
De Engelschen morden.
Zij hadden gehoopt haar te zien verbranden en nu ontsnapte zij hen; het was een bedrog jegens hun koning gepleegd, zeiden zij.
Warwick zelf was ontevreden, maar de bisschop van Beauvais glimlachte, een duivelsche glimlach:
âStel u gerust, wij zullen haar wel terugkrijgen!quot;
II.
In de gevangenis teruggekeerd, kreeg Jeanne een lang vrouwenkleed aan; men ketende haar vast aan een balk gedurende den dag en des nachts werden haar beenen met ijzeren ringen aan het bed vastgehecht.
Vijf Engelsche soldaten, ruwe mannen, die haar haatten, kwelden en beleedigden, moesten haar bewaken, drie zaten in de cel en twee bewaakten de deur.
'202
In plaats van verzacht werd haar gevangenschap verscherpt en nu begreep zij, hoe onwaardig men haar bedrogen had; snikkend verborg zij haar gelaat in de handen en voelde zich verlaten van God en de menschen als nog nooit te voren.
Daar werd de donkere cel plotseling overstroomd door een zacht, hemelsch licht; zij hief het diep gezonken vernederde hoofd op en herkende haar heiligen.
âJeanne, Jeanne! wat hebt gij gedaan?quot; vroegen zij op medelijdenden, vermanenden toon.
âBen ik schuldig geweest?quot; vroeg zij verschrikt, âwathebben zij mij dan laten doen?quot;
En nu legden zij haar vol goedheid uit, hoe men haar lafhartig had bedrogen door haar een stuk te laten teekenen, waarbij zij haar vizioenen ontkende en haar goddelijke zending verloochende.
Deze openbaring maakte Jeanne radeloos; later verklaarde zij, dat zij van verdriet zou gestorven zijn, hadden de heiligen haar niet getroost en gesteund.
Zij bevalen haar echter, zoodra zij weer voor de rechters kwam, de waarheid barer vizioenen nog eens te bezweren en alles te herroepen, wat men haar zonder dat zij het wist had laten teekenen.
Getroost en gesterkt lieten zij Jeanne achter en zij had nu meer dan ooit bescherming en steun noodig, want de cipiers schenen, nu zij het beschermende mannengewaad had moeten afleggen, nog driester en stoutmoediger dan vroeger; weerloos aan die ellendelingen overgeleverd, is het haast alleen door een wonder, dat Jeanne haar eer behouden mocht.
Geen oogenblik hield men op haar te vervolgen en te beleedigen; zij bad en weende en verweerde zich, voor zoover haar geboeide ledematen het haar toestonden, tegen de dronken woestelingen, die vrij in en uit haar cel mochten loepen.
Aan onbeschaamde woorden en bitteren spot ontbrak liet haar niet; men wilde haar dwingen haar belofte te breken en haar mannenkleeren terug te vragen.
Midden in den nacht drong zelfs een hooggeplaatste engelsche Lord in hare gevangenis, en slechts door de bescherming van
203
God en haar Heiligen ontsnapte Jeanne aan zijne schandelijke bedoelingen.
De toestand werd voor haar onhoudbaar, maar zij hield het drie dagen vol en nu men haar niet er toe brengen kon haar vroegere kleeren uit eigen beweging terug te vragen, bedacht men weer een helsch middel; haar vrouwenkleederen werden weggenomen en de andere in de plaats daarvan gelegd.
Jeanne was dus gedwongen zich weer ondanks haar belofte als man te kleeden; onmiddellijk werd het groote nieuws door Rouaan bekend.
Jeanne was relaps, dat wil zeggen weder afvallig geworden, en maakte zich daardoor aan de volle strengheid der kerkelijke straffen schuldig; nu bleef er niets over, dan haar over te geven aan den arm der burgerlijke gerechtigheid.
De rechters met Cauchon aan het hoofd snelden toe om er zich van te overtuigen; zij zagen Jeanne geketend aan den balk, wanhopig schreiend, gekwetst en misvormd door de mishandelingen barer cipiers.
Toen men haar echter vroeg, waarom zij haar vrouwenkleeren weer had afgelegd, gaf zij de schuld niet aan de soldaten, die haar beleedigd, of aan de cipiers, die haar er toe gedwongen hadden, maar antwoordde, â ten minste volgens het officieele proces-verbaal ;
âIk heb ze uit eigen beweging, zonder dwang aangetrokken, omdat ik ze liever aan heb dan het vrouwenkleed.quot;
âHebt gij dan niet beloofd en gezworen ze nooit meer aan te trekken ?quot;
âIk heb nooit plan gehad zulk een eed te doen.quot;
âMaar waarom hebt gij ze weer aangetrokken?quot;
âOmdat het gepaster is als man gekleed te zijn, nu ik onder mannen leef en men de belofte niet gehouden heeft, die men mij deed, dat ik de Heilige Mis zou mogen hooren en mijn Zaligmaker ontvangen en men mij van mijn ketens zou bevrijden.quot;
âJa of neen, hebt gij gezworen dit kleed niet meer te dragen ?quot;
,,Ik wil liever sterven dan vastgeketend te blijven. Als men
204
mij een vrouw tot gezellin en beschermster wil geven, zal ik ulles doen wat de Kerk van mij verlangt.quot;
âHebt gij dezer dagen nog uw stemmen gehoord en wat hebben zij u gezegd?quot;
âGod heeft mij door de heilige Outharina en Margaretha doen weten, dat het zeer jammer was, dat ik mijn zending had verloochend om mijn leven te redden en dat ik mijn ziel zou verliezen door mijn leven te redden. Voor Donderdag hebben zij mij de zonde voorspeld, die ik zou begaan en op het schavot hebben zij ook tot mij gesproken en gezegd, dat ik dien prediker moest antwoorden, dien valschen prediker, die mij zaken verweten heeft, welke ik niet gedaan heb. Als ik zei, dat God mij niet gezonden heeft, zou ik mij zelf verdoemen, want waarheid is het dat God mij gezonden heeft en als ik dit ontkend heb, dan geschiedde het alleen uit vrees voor het vuur.quot;
âGelooft gij, dat uw stemmen die van de heilige Oatharina en Margaretha waren ?quot;
âJa en dat zij van God kwamen!
âEn de kroon wat zegt gij er nu van?quot;
âIk heb de waarheid daarover bij het proces gezegd; beter kan ik niet doen.quot;
âMaar op het schavot hebt gij uw leugens bekend.quot;
âDat was mijn bedoeling niet. Ik ben nooit voornemens geweest mijn verschijningen te herroepen, te ontkennen dat het de heilige Oatharina en Margaretha zijn geweest. Alles wat ik gedaan heb, geschiedde uit vrees voor het vuur. Als ik iets herroepen mocht hebben, dan heb ik gelogen. Ik Avil liever mijn straf in eens ondergaan, dat wil zeggen sterven, dan langer zulk lijden ondergaan in een gevangenis. Wat men mij ook heeft laten verzaken, ik heb nooit iets gedaan tegen God of tegen liet geloof. Wat stond in het formulier dezer afzwering, dat verstond ik niet. Maar op dit oogenblik verklaar ik uitdrukkelijk, niets te willen herroepen, dan wat Gode behagen zal. Wanneer echter de rechters het volstrekt willen, zal ik mijn vrouwenkleederen weer aantrekken. Wat het overige betreft daar blijf ik bij.quot;
Deze herroeping staat in het proces-verbaal en is blijkbaar
207
geheel opgesteld met het oog op het valsche, ondergeschoven stuk, dat Jeanne zonder het te weten geteekend had; het bewijst dus niets anders, dan dat Jeanne op de stelligste wijze alles wat zij gezegd of beloofd mocht hebben onder den dwang barer rechters ten stelligste heeft herroepen.
Uit het onderscheid door Jeanne gemaakt tusschen het aantrekken der mannenkleeren, die zij desnoods lioewel zij er zeer op gesteld was weer wilde aantrekken en de openbaringen, die zij tot geen prijs wilde verloochenen, blijkt voldoende hoe weinig-het in Jeanne's bedoeling heeft gelegen alles wat zij daaromtrent verklaarde te herroepen.
âEn zijt ge dan nu niet meer bevreesd voor den dood ?quot; vroeg men haar nog.
âIk wil liever sterven, dan levenslang gevangen te zijn.
Cauchon was meer dan tevreden over zijn list; de gevangenis verlatende, ontmoette hij Warwick en vele Engelsche adellijken, die hem vroegen;
âHoe staat er mede ?quot;
âWees tevreden, zij kan ons niet meer ontsnappen!quot;
Het was een dapperen ridder onwaardig schouwspel, al deze krachtige mannen verbonden te zien tegen een arm, zwak meisje, dat zich tegen hun wapenen van list en geweld niet meer verdedigen kon.
Weer werd de rechtbank samengeroepen en nadat het procesverbaal van het laatste verhoor was voorgelezen, vroeg Cauchon even zooals Caïphas eens aan het Sanhedrin had gevraagd, toen Christus voor hem stond :
âWat dunkt u van Jeanne?quot;
En allen antwoordden :
âZij is weder afvallig geworden!quot;
Dat beteekende :
âZij is des doods schuldig.quot;
Alleen de abt van Fécamp verhief zich tegen deze uitspraak, hij stelde voor, dat men nog eenmaal de akte van herroeping aan Jeanne zou voorlezen en uitleggen ; eerst wanneer zij nogmaals weigerde zich te onderwerpen, zou men haar aan do burgerlijke wet overleveren.
218
om de legers des kouings aan te voeren, wallen te bestormen, steden te veroveren, haar dwars door de vijanden voort te leiden naar de kroningsstad, maar ook om zich rein en onbesmet te bewaren in het gewoel van den strijd en in de verleiding van het legerkamp, om alle ellende der gevangenschap te doorstaan, om met schande en oneer beladen, den wreedsten dood te sterven, verlaten, vervloekt, verstooten als het uitvaagsel der menschheid.
Eindelijk! Daar verschenen zij haar weer, in hun hemelsche glorie en vervulden haar met blijdschap en hoop.
Nu begreep zij welke overwinning haar was beloofd, geen aardsche victorie, geen ijdele triomf door menschelijke wapens verkregen, maar de verlossing door den dood, de zegepraal van het Paradijs !
En juichend en jubelend, terwijl de vlammen hoog rondom haar opstegen, sissend en kronkelend, den zoom lekkend van haar kleed, riep zij uit, oogen en handen ten hemel geheven, het gelaat schitterend van reeds bovenaardsche schoonheid :
âNeen, neen! mijn Stemmen hebben mij niet bedrogen ! Zij komen werkelijk van God ! 't Is uit gehoorzaamheid aan mijn oppersten Meester, dat ik al mijn daden heb verricht!quot;
En toen haar oogen vol liefde vestigend op het kruis, herhaalde zij den naam, die haar leuze was geweest bij leven en .-terven: âJezus, Jezus!quot;
En de vlam warrelde omhoog, en de dikke zware, bedwelmende rook steeg naar haar op :
âWater!quot; smeekte zij, âwijwater!quot;
Hartverscheurend klonk haar stem boven het gesis van den rook, het knetteren van de vlammen en het kraken der droge takken :
âJezus, Jezus!quot;
De omstanders zagen dien goddelijken naam in gouden letters boven de vlammen schitteren. Een engelsch soldaat, die een takkenbos aandroeg om het vuur te voeden, viel als vernietigd ter aarde. Hij zag een witte duif uit de vlammen stijgen ten hemel, terwijl Jeanne's laatste ademtocht haar lippen ontvlood met den kreet barer liefde :
âJezus, Jezus !quot;
22i
ÃSTog eens hief zij het hoofd smeekend ten hemel, toen viel het machteloos neer op de borst â Jeanne d'Arc luid haar taak volbracht!
Diepe stilte heerschte op de strafplaats ! De ontzettende misdaad was gepleegd.
V.
Om het volk er van te overtuigen dat Jeanne werkelijk dood en niet op wonderbare wijze aan haar treurig lol ontsnapt was, lieten de Engelschen het vuur oprakelen, maar toen gebeurde er iets buitengewoons ; hoeveel olie, zwavel en kolen men ook stapelde op het hart der Maagd, het vuur wilde dit lichaamsdeel niet verteren. Winchester liet nu alles wat van Jeanne overbleef, haar asch en haar nog ongeschonden hart in de Seine werpen, opdat niets meer van haar ter vereering op aarde zou overblijven.
Cauchon zou zich belasten haar naam onder de schande te begraven. Zijn eenig streven was voortaan zijn handelwijze te rechtvaardigen voor tijdgenoot en nageslacht en om dit doel te bereiken, schrikte hij voor geen list of geweld terug.
Een arne Dominicaner monnik, die het waagde zijn meening vrij uit te spreken over Jeanne, werd veroordeeld tot openlijke herroeping zijner woorden en vervolgens tot een gevangenschap op brood en water, gedurende negen maanden.
Ook de Universiteit van Parijs toonde zich in haar hooge wijsheid onverbiddelijk tegen allen, die aan Jeanne's bovennatuurlijke zending geloofden.
Een vrouw, wier eenige schuld de verklaring was dat Jeanne goed en volgens Gods wil gehandeld had, werd door haar overgeleverd aan den arm der wereldlijke gerechtigheid, die haar ter dood veroordeelde; evenals Jeanne werd zij levend verbrand.
Hun eigen geweten moesten de rechters geruststellen en om zich zelf schoon te wasschen zond de rechtbank, waarvan Cauchon president was, brieven aan den keizer, de koningen, de hertogen en prinsen der geheele Christenheid.
In deze brieven werd het verhaal van haar marteldood en proces in valsche kleuren geschilderd.
â ' De misdaad werd voorgesteld als eene groote weldaad aan den godsdienst bewezen en als een rechtvaardige straf voor haar helsche misdrijven.
De Engelschen waren, zoo beweerde men, niet verslagen dooide Maagd van Orleans en ook niet door de Franschen maar door Belzebuth.
De koning van Frankrijk en de godgeleerden van Poitiers die Jeanne's rechtzinnigheid en goeie trouw eens na langdurig en ernstig onderzoek hadden vastgesteld, antwoordden niets op deze beschuldigingen.
Eenigen willen in deze schandelijke lijdzaamheid des konings het bewijs zien van zijn medeplichtigheid aanJeanne's gevangenneming.
Er zijn zelfs schrijvers geweest, die onomwonden verklaarden dat de koning, la Trémouille en de Aartsbisschop van Rheims zich tot een complot hadden vereenigd, om Jeanne aan de Engelschen over te leveren.
In Compiègne, zoo beweren zij, was de gouverneur Flavy omgekocht, om haar plotseling bij een uitval onder de muren der belegerde stad te verlaten en de poorten voor haar te sluiten ; maar niets staaft dit beweren en Jeanne zelf schijnt aan geen verraad van dezen kant gedacht te hebben, want in haar gevangenis te Beaurevoir vervulde haar niets anders dan het verlangen haar belegerde vrienden van Compiègne ter hulp te komen; zij waagde er zelfs eens haar leven aan.
Hoe vele fouten Karei VIT ook had, men kon zijn karakter zekere ridderlijkheid niet ontzeggen, evenmin als persoonlijke dapperheid ; niets in zijn leven en in zijn handelingen rechtvaardigt dus zulk een onderstelling; tot een verraad zoo zwart en een ondankbaarheid zoo laag, zou misschien zijn zoon Lode-wijk XI, die alles aan zijn staatkunde dienstbaar maakte, in staat geweest zijn, maar van Karei VII was zulk een daad, zelfs uit redenen van hoogere politiek, niet te verwachten; hij had er den treurigen moed stellig niet toe gehad.
Zijn zwijgen was toch al misdadig genoeg en werpt een onuit-wischbare smet op zijn nagedachtenis.
Toen Jeanne op het toppunt was van haar roem, wdst Karei
de stemmen van de geleerdsten zijner onderdanen wel tot haar lof te doen spreken.
In 1429 had hij door den Bisschop van Emburn Jacques Gelus een verhandeling laten-schrijven, ten gunste van Jeanne's goddelijke zending.
En toen de beroemde Gerson, dien men langen tijd gehouden heeft voor den schrijver van het boek der âNavolging van Christusquot;, een verdediging schreef van Jeanne, gaf de koning hem zijn goedkeuring te kennen.
âDe genade Gods,quot; zoo schreef Gerson onder meer, âheeft zich in dit meisjes vertoond, men voelt hier de hand Gods.quot;
Zijn secretaris Alain Chartier, riep bewonderend uit:
âDaar is nu de heldin, zooals de wereld baars gelijke niet heeft voortgebracht, ware dochter des Hemels, gezonden om Frankrijk te ondersteunen en op te richten van den rand des afgronds.quot;
Zelfs tot in den vreemde was Jeanne's roem doorgedrongen ; een duitsche godgeleerde van Spiers wijdde aan haar een zeer doorwrochte, mystieke verhandeling, die hij betitelde als de âSybille van Frankrijkquot;, en waarin hij hulde bracht aan Jeanne's rechtvaardigheidszin, haar hulpvaardigheid jegens de armen, haar verachting van rijkdommen en ijdelen roem.
Zelfs een Hollander treffen wij aan onder hen, die Jeanne kozen tot het ontwerp hunner studiën.
Mr. Hendrik van Gorkum, professor en vice-kanselier van de universiteit te Keulen, schreef ook een dissertatie over haar in het jaar 1429.
Dit stuk is in twee boeken verdeeld en somt uit het oogpunt der scholastiek alle redenen op, die vóór en tegen de Maagd moeten pleiten, zonder dat hij echter een gevolgtrekking in haar voor- of nadeel maakt.
Toen echter Jeanne veroordeeld en terechtgesteld was, zwegen alle stemmen te barer verheerlijking ; met geweld legde men hen het zwijgen op ; onder een berg van schande moest de herinnering der arme Jeanne begraven worden ; met schandelijke eenstemmigheid smoorden haar vijanden de stemmen van haar verdedigers en haar vrienden schenen door den schrik met stomheid geslagen.
ZEVENDE GEDEELTE. HET EERHERSTEL.
I.
Maar Gods reclitvaardigheid sliep niet.
âDe Engelschen zullen uit Frankrijk geworpen worden,quot; had Jeanne voorspeld.
En die voorspelling werd vervuld.
Vijf jaren na haar dood verloren de Engelschen Parijs en de Hertog van Orleans keerde in 1440 uit de verbanning terug; de koning had stuk voor stuk het erfdeel zijner voorvaderen terug gewonnen en toen hij in het rustige bezit van zijn koninkrijk was geraakt, herleefde de herinnering aan zijn redster in zijn. geeest.
Een zijner eerste werken, nadat hij in het bezit kwam van Parijs, was den trotsch der Universiteit een gevoeligen slag toe te brengen.
Hij ontnam haar vele van de voorrechten, waarvan zij zulk een schandelijk misbruik bad gemaakt en die haar zoo dikwijls tot openlijk verzet tegen den Paus hadden aangezet; vele van de rechters, die Jeanne hadden veroordeeld, werden later te Bazel in den ban gedaan.
Zelfs Cauchon beboerende onder dit getal; merkwaardig is het ook hoe velen der beulen van Jeanne een noodlottigen dood stierven en hoe zelfs op het nageslacht van allen, die rechtstreeks haar dood veroorzaakten of zelfs toelieten, een vloek scheen te rusten. Cauchon stierf plotseling onder de handen van zijn barbier; Jean le Maistre, verdween zonder dat men weet wat er van hem werd, Loyseleur stierf plotseling in Bazel. Nico-laas Midi, die gepreekt had vóór de terechtstelling, werd door melaatschheid aangetast; Bedford overleed van schaamte en ver-
«Iriet in hetzelfde kasteel van Orleans, waarin Jeanne had gevangen gezeten.
Nog geen eeuw later waren ook de geslachten der drie strijd-voerende vorsten uitgestorven.
Koning Hendrik VI werd door liet zwaard gedood. In zijn naam, hoewel hij pas elf jaren oud was, was de Maagd van Orleans verbrand; het leven van dezen goeden, maar al te zwakken koning was slechts een lang martelaarschap; hij werd vermoord in de gevangenis, nadat zijn veelbelovende eenige zoon, een knaap nog haast, onder zijn oogen was gevallen, zoodat in hem het heldengeslacht van Hendrik V reeds eindigde.
Zijn bloedverwanten verrieden en vermoordden elkander in den wreeden oorlog der Twee Rozen, waarvan de gruwelen, door Shakespeare in zijn beroemde historische drama's vereeuwigd, ons nog doen huiveren.
Jeanne, de onschuld zelf, was op bevel der Engelsche prinsen van den bloede vermoord; een hunner nakomelingen Richard III deed de onschuldige kinderen van zijn broeder koning Eduard in den slaap dooden.
Het machtige huis van Bourgondië, dat Jeanne aan de Engel-schen had verkocht, neigde ook ten val ; de zoon van Philip, Karei de Stoute, sneuvelde, slechts een dochter nalatend, Maria van Bourgondië, die den scepter haars vaders als huwelijksgift bracht aan den Oostenrijkschen keizerszoon Maximiliaan, waardoor het eens zoo uitgebreide rijk wegsmolt in de Oostenrijksche monarchie.
Koning Karei VII, die geen hand uitstak om zijn redster te verdedigen, in plaats van aan het hoofd zijner dapperen uit to trekken om Rouaan te belegeren en Jeanne's vrijheid te eischen, beleefde een droevigen ouderdom; zijn zoon de Dauphin, later Lodewijk XI, stond tegen hem op en verbitterde zijn laatste levensjaren.
Reeds in zijn kleinzoon Karei VHI, die kinderloos bleef, stierf het geslacht van Karei VII uit.
Het volk wachtte echter niet het officieel eerherstel af van zijn heldin, om Jeanne vrij te spreken en te verheerlijken.
15
'226
Hoe men ook trachtte haar naam te schandvlekken, het volk, waarmede Jeanne zooveel medelijden had gehad, welks kind zij was, daar zij uit zijn midden was voortgekomen, wilde in haar o-een toovenares en kettersche zien, maar vereerde haar als een
O '
Heilige.
Zelfs toen in 1436 een vrouw misbruik maakte van die alge-ineene vereering en zich uitgaf voor Jeanne d'Arc werd zij algemeen geloofd en met eerhew ij zingen overladen.
Deze avonturierster, die van de lichtgeloovigheid der menigte gebruik maakte, geleek uiterlijk een weinig op Jeanne en zij liet zich in Lotharingen, Jeanne's geboorteland, als de Maagd van Orleans erkennen.
Zij beweerde niet verbrand, maar uit de vlammen gered te zijn; zelfs twee broeders van Jeanne lieten zich door haar bedriegen; ter goeder of ter kwader trouw beweerden zij in haar hun zuster te herkennen.
De valsche Jeanne deed groote reizen, zij kwam zelfs in Keulen en maakte in Luxemburg kennis met zekeren Heer Robert des Armoises. met wien ze in het huwelijk trad.
Zij droeg den adellijken titel door Karei VH aan Jeanne en haar familiebetrekkingen geschonken.
In een koopcontract noemt zij zich Du Lis.
âJeanne du Lis, Maagd van Frankrijk, vrouwe van Tichemont, echtgenoot van ridder Robert des Armoises.quot;
Met ongeloofelij ke brutaliteit het de vrouwe van Tichemont munten slaan met de beeltenis van Jeanne d'Arc.
De Lotharingsche heeren overlaadden haar met geschenken, die vooral in paarden en wapenen bestonden en die zij zich genadig verwaardigde aan te nemen. Zelfs de inwoners van Orleans lieten zich door haar zand in de oogen strooien.
Zij zonden der vrouwe des Armoises een nederig smeekschrift, om haar te verzoeken hun stad, die haar redding aan haar dankte, met een bezoek te vereeren.
Zelfs gaf de stad geld aan een barer broeders om hem in staat te stellen haar in Luxemburg te bezoeken.
Dit alles vind men nog in de registers van Orleans vermeld.
'227
De bedriegster beloofde aan het verlangen van haar goede stad Orleans te voldoen, maar eerst had zij nog andere reizen te maken.
Zij zwierf door Italië van stad tot stad en liet zich de hulde welgevallen voor de ware Jeanne d'Arc bestemd.
Zij zond gezanten af naar den koning van Castilie, nam deel aan den oorlog van Poitou en trok in 1439 in zegepraal Orléans binnen.
De bewoners naalden haar met zeer veel eerbewijzen in en schonken haar een som van 200 pond, uit dankbaarheid voor de hun bewezen weldaden.
Eindelijk kwam de rol door Joanne des Armoises gespeeld ook den koning ter core, die den wenscli te kennen gaf een onderhoud met haar te hebben.
De avonturierster had de vermetelheid zich aan deze ontmoeting te wagen.
De koning echter zag onmiddellijk welk een verschil er bestond tusschen haar en de reine maagd, die hem eens in het donkerste oogenblik zijns levens in Chinon verschenen was en uit naam van God zoo plechtig de overwinning had beloofd, hem tevens zijn geheimste gedachten openbarend.
Hij bracht haar zoo in verlegenheid, dat zij zich voor hem op de knieën wierp en haar bedrog bekende.
De koning liet haar ongehinderd gaan en zij vertoonde zich nu in Parijs, maar zonder het brutale zelfvertrouwen dat haar verklaringen zoo geloofwaardig had gemaakt.
De Universiteit en het Parlement daagden haar nu uit in hun tegenwoordigheid te verschijnen en overtuigde haar weldra van leugen en bedrog.
In liet openbaar beschuldigde zij zich van al de misdrijven door haar verricht en, zeggen de kroniekschrijvers, sprak nog eens zooveel kwaad van zichzelf dan men van haar had gezegd.
Na deze strafoefening verdween de vrouwe van Tichemont voor goed van het tooneel; men hoorde niet meer van haar spreken.
I
/
226
Hoe men ook trachtte haar naam te schandvlekken, het volk, waarmede Jeanne zooveel medelijden had gehad, welks kind zij was, daar zij uit zijn midden was voortgekomen, wilde in haar geen toovenares en kettersche zien, maar vereerde haar als een Heilige.
Zelfs toen in 1436 een vrouw misbruik maakte van die alge-meene vereering en zich uitgaf voor Jeanne d'Arc werd zij algemeen geloofd en met eerhewijzingen overladen.
Deze avonturierster, die van de lichtgeloovigheid der menigte gebruik maakte, geleek uiterlijk een weinig op Jeanne en zij liet zich in Lotharingen, Jeanne's geboorteland, als de Maagd van Orleans erkennen.
Zij beweerde niet verbrand, maar uit de vlammen gered te zijn; zelfs twee broeders van Jeanne lieten zich door haar bedriegen; ter goeder of ter kwader trouw beweerden zij in haar hun zuster te herkennen.
De valsche Jeanne deed groote reizen, zij kwam zelfs in Keulen en maakte in Luxemburg kennis met zekeren Heer Robert des Armoises. met wien ze in het huwelijk trad.
Zij droeg den adellijken titel door Karei VII aan Jeanne en haar familiebetrekkingen geschonken.
In een koopcontract noemt zij zich Du Lis.
âJeanne du Lis, Maagd van Frankrijk, vrouwe van Tichemont, echtgenoot van ridder Robert des Armoises.quot;
Met ongeloofelij ke brutaliteit liet de vrouwe van Tichemont munten slaan met de beeltenis van Jeanne d'Arc.
De Lotharingsche heeren overlaadden haar met geschenken, die vooral in paarden en wapenen bestonden en die zij zich genadig verwaardigde aan te nemen. Zelfs de inwoners van Orleans lieten zich door haar zand in de oogen strooien.
Zij zonden der vrouwe des Armoises een nederig smeekschrjft, om haar te verzoeken hun stad, die haar redding aan haar dankte, met een bezoek te vereeren.
Zelfs gaf de stad geld aan een barer broeders om hem in staat te stellen haar in Luxemburg te bezoeken.
Dit alles vind men nog in de registers van Orleans vermeld.
227
De bedriegster beloofde aan het verlangen van haar goede stad Orleans te voldoen, maar eerst had zij nog andere reizen te maken.
Zij zwierf door Italië van stad tot stad en liet zich de hulde welgevallen voor de ware Jeanne d'Arc bestemd.
Zij zond gezanten af naar den koning van Castilie, nam deel aan den oorlog van Poitou en trok in 1439 in zegepraal Orléans binnen.
De bewoners baalden haar met zeer veel eerbewijzen in en schonken haar een som van 200 pond, uit dankbaarheid voor de hun bewezen weldaden.
Eindelijk kwam de rol door Jeanne des Annoises gespeeld ook den koning ter oore, die den wenscli te kennen gaf een onderhoud met haar te hebben.
De avonturierster had de vermetelheid zich aan deze ontmoeting te wagen.
De koning echter zag onmiddellijk welk een verschil er bestond tusschen haar en de reine maagd, die hem eens in het donkerste oogenblik zijns levens in Chinon verschenen was en uit naam van God zoo plechtig de overwinning had beloofd, hem tevens zijn geheimste gedachten openbarend.
Hij bracht haar zoo in verlegenheid, dat zij zich voor hem op de knieën wierp en haar bedrog bekende.
De koning liet haar ougehinderd gaan en zij vertoonde zich nu in Parijs, maar zonder het brutale zelfvertrouwen dat haar verklaringen zoo geloofwaardig had gemaakt.
De Universiteit en het Parlement daagden haar nu uit in hun tegenwoordigheid te verschijnen en overtuigde haar weldra van leugen en bedrog.
In het openbaar beschuldigde zij zich van al de misdrijven door haar verricht en, zeggen de kroniekschrijvers, sprak nog eens zooveel kwaad van zichzelf dan men van haar had gezegd.
Na deze strafoefening verdween de vrouwe van Tichemont voor goed van het tooneel; men hoorde niet meer van haar spreken.
228
II.
intusschen naderde het uur van het eerherstel.
De profetieën werden langzamerhand de een na de andere vervuld, de Engelschen waren uit Frankrijk verdreven.
Na Jeanne's dood scheen het eerst dat de gunst der wapenen zich weer tot hen keerde ; de voornaamste krijgsoversten Barhazon, Réné de Bar, Potin de Xaintrailles, Lahire zelfs waren verslagen en gevangen genomen; verscheidene steden keerden in de macht des vijands terug, maar spoedig herwonnen de Franschen het verlorene. Om hun getaand prestige eenigszins te verhoogen, lieten de Engelschen den kleinen koning Hendrik VI, de ledepop in handen zijner machtige eerzuchtige ooms met groote plechtigheid in Parijs kronen met de dubbele kroon van Engeland en Frankrijk.
Maar deze plechtigheid had een geheel tegenovergestelde uitwerking en ontstemde vele gemoederen. Normandië stond tegen de heerschappij der Engelschen op en ook Bourgondië verdroeg ongeduldig het juk. Bovendien waren de familiebanden tusschen den Hertog van Bourgondië en den regent Belford verbroken door den dood van diens gemalin, een zuster van Philips den Goede.
In 1435 begon Philips maatregelen te treffen tot verzoening met den Franschen koning; toen hij Parijs bezocht smeekten hem de Parijzenaars en zelfs de Universiteit den vrede met hem te sluiten.
Belford was de eenige hinderpaal, maar hij stierf den 14den September en reeds den 21sten werd te Atrecht de vrede geteekend tusschen den hertog van Bourgondië en den koning van Frankrijk.
De Engelschen, die nog steeds weigerden zich met Frankrijk te verzoenen en de onzijdigheid van Bourgondië te erkennen, werden door beide volken tegelijk aangevallen en den 13en April 1436 deden Dunois, Richemont en l'Isle Adam hun plechtigen intocht binnen Parijs.
Jeanne's woord had zich bewaarheid.
âVóór dat zeven jaar voorbij zijn,quot; had zij gezegd, âzullende Engelschen een grooter pand verliezen dan Orleans.
Nadat zij Parijs hadden verloren, volgden de andere steden binnen korter of langer tijdsverloop.
In 1449 werd Rouaan, en kort daarna geheel Normandië door de Franschen herwonnen; in 1452 en 1453 volgden Bordeaux en Guyenne; Galais alleen bleef nog een eeuw lang in hun bezit.
Niemand dan Jeanne was de eerste aanleiding geweest tot deze verdrijving; de anderen voltooiden slechts, wat zij begon; de gebeurtenissen gaven haar op schitterende wijze gelijk en bevestigden haar verklaring, dat haar zending van God was. Hij had haar geroepen, de eenvoudige herderin, om Zijn oogmerken te vervullen; en men had haar schandelijk laten sterven, in het uur des gevaars zonder verdediging gelaten.
Karei triomfeerde en de assche van haar, die hen uit de diepste ellende redde, die hem kroon en koninkrijk teruggaf was in den wind verstrooid, haar naam aan schande en eerloosheid prijs gegeven.
Zijn geweten was niet gerust meer en slechts zijn overgroote besluiteloosheid belette hem zonder dringenden dwang van buiten een begin te maken met haar eerherstel.
Maar de stemmen, die luide riepen om Jeanne voldoening te geven, deden zich steeds duidelijker hooren; haar persoon, verheerlijkt in de verbeelding des volks, bleef immers nog besmeurd door de schande barer veroordeeling, een schande die ook nog steeds op haar familie drukte.
Toen Karei VII zijn plechtigen intocht binnen Rouaan deed, sidderde hij blijkbaar, toen hij over de markt reed, waar zijn ridderlijke beschermster een schandelijken dood was gestorven en beval nog dienzelfden dag, dat men het proces zou herzien.
Dit gebeurde in 1450.
Aan Guillaume Boulée, een der voornaamste leden der Universiteit van Parijs en van den raad des konings, werd opgedragen alle stukken en documenten, op het proces betrekking hebbende, te verzamelen en daarover aan den raad des konings een rapport in te dienen.
Maar het proces was in den naam der Kerk gevoerd, aan de Kerk was het ook het te vernietigen.
Toen dus de legaat van den Heiligen Stoel, de kardinaal d'Es-
230
touteville, aartsbisschop van Rouaan in Frankrijk kwam, verzocht de koning hem een onderzoek in te stellen aangaande dit proces dat vroeger in zijn diocees had plaats gehad.
De kardinaal, bijgestaan door een der beide inquisiteurs van Frankrijk, Jean Brehal, opende de instructie en toen hij genoodzaakt was te vertrekken, gaf hij zijn volmacht over aan den thesaurier der kathedraal Philippe de la Rose en deze begon op nieuw het onderzoek op uitgebreider schaal (1452).
Intusschen ontstonden er nieuwe moeilijkheden.
De kardinaal was door den Paus als legaat gezonden, om de koningen van Engeland en Frankrijk te verzoenen en hen aan te zetten gezamenlijk tegen de Turken een kruistocht te ondernemen, om het door hen bedreigde Europa tegen hun aanvallen te verdedigen.
Het zou dus een groote onvoorzichtigheid zijn, om juist op dit oogenblik de Engelschen te ontstemmen door de herziening van het onrechtvaardige proces der Maagd van Orleans, aan wie zij hoofdzakelijk hun verdrijving uit Frankrijk te wijten hadden.
Men kon bovendien de sluiers, die deze treurige zaak bedekten, niet opheffen, zonder terzelfdertijd alle onrechtvaardigheden en misdadige kunstgrepen te onthullen van hen, die het proces ge-gevoerd hadden.
Het onderzoek werd dus gestaakt en het scheen dat de herziening niet zou plaats hebben, toen onverwacht het verzoek om vernietiging van het geding te verkrijgen van een anderen kant kwam.
Zooals wij zeiden, drukte de schande van Jeanne's veroordeeling als kettersche, heks, scheurmaakster, afvallige, duivel-bandster enz. nog steeds op haar naam niet alleen, maar ook op dien harer familie. Van al haar leden waren nog slechts de moeder en twee broeders in het leven.
Jacques d'Arc, die zijn dochter bij de kroning in Rheims het laatst gezien had, in haar grootste glorie, kon de smart niet overleven van haar wreeden dood en stierf nog in hetzelfde jaar als zij.
Ook haar oudste broeder was uyerleden. Isabella Romee echter.
231
hoewel gebroken door ouderdom en verdriet, bijgestaan door haar zonen, rustte niet vóór dat de goede naam van haar dochter in eer was hersteld.
Zij wendde zich met hen tot den Paus om van hem de herziening van het proces te Rouaan te vragen.
âJeanne d'Arc/' zoo verzochtten zij. âzuster van Pierre en Jean, dochter van Isabella, de moeder van alle drie, heeft zoolang zij leefde elke ketterij verafschuwd; zij heeft nooit iets geloofd of uitgesproken, wat er naar zweemde, of hetgeen in strijd was met het Katholieke geloof en de overleveringen der Roomsche Kerk. Echter heeft zekere Guillaume d'Estivet of een ander, toen promotor van het Bisschoppelijk hof van Beauvais, zooals men denkt niet zonder reden door de vijanden van Jeanne omgekocht, een valscii rapport ingeleverd aan Petrus, bisschop van Beauvais, zaliger, gedachtenis en aan Jean le Maitre, professor van de orde der Predikheeren, zich als afgevaardigde uitgevende om de ketterij te vervolgen in deze streken.quot;
Na alle onrechtvaardigheden tegen Jeanne bedreven, opgesomd te hebben, gaan zij voort :
.,Om deze redenen smeeken de broeders, de moeder en de bloedverwanten hierboven vermeld, verlangend hun eer en die van Jeanne te herstellen, en de smet van eerloosheid onrechtvaardig op hun naam drukkend te doen verwijderen, nederig onzen Heer Paus, mannen in hun streken gekozen te willen belasten, de redenen tot nietigverklaring van dit jiroces te onderzoeken en Jeanne te rechtvaardigen van de misdaden haar valschelijk aangewreven, aan hun onderzoekingen de door de rechtvaardigheid verlangde beslissing te geven en hun zelf toe te staan de vernietiging der zaak en hun rechtvaardiging te bepleiten, zonder dat men hun door het gevallen vonnis zal kunnen weerhouden.quot;
Calixtus III, den Sen April 1455 tot Paus gekozen, hoorde genadig het smeekschrift van Jeanne's familie aan en richtte tot den aartsbisschop van Rheims en de bisschoppen van Parijs en Coutance een decreet, waarin onder anderen het volgende werd gezegd :
232
âDeze smeekingen gunstig aanhoorende, bevelen wij uw Broe-derschap, door dit Apostolisch schrijven, dat gij, of twee of een uwer, na u een inquisiteur afgevaardigde voor het koninkrijk Frankrijk te hebben toegevoegd en den tegenwoordigen vice-inquisiteur van het diocees Beauvais en den tegenwoordigen promotor der rechtszaken in dit diocees te hebben gedaagd met al degenen, die er toe geroepen zijn, na van beide kanten alles gehoord te hebben wat over deze zaak verklaard wordt, gij in hoogste instantie een rechtvaardig vonnis velt, en uw beslissing door middel van geestelijke censuren doet kennen.quot;
III.
Dit pauselijk bevelschrift was gericht aan den Aartsbisschop van Rheims, thans Johannes Juvenalis des Ursins, een zeer geleerd, hoogst achtenswaardig en rechtvaardig man.
Hij was (Jauchon opgevolgd in Beauvais en wist dus door eigen ondervinding op welke wijze zijn onwaardige voorganger dit diocees had bestuurd.
Na eerst bisschop van Laon geweest te zijn, werd hij aartsbisschop van Rheims, welks kathedraal hij voltooide. De Paus stelde hem den bisschop van Parijs ter zijde, Guilaume Chartier, een der geleerdste prelaten van zijn tijd en bovendien een zachtzinnig, weldadig man.
De bisschop van Coutance, algemeen bekend om zijn hoogen ernst, godsvrucht en geleerdheid, was de derde rechter.
Zij kozen om hun ter zijde te staan in dit belangrijke proces den inquisiteur Jean Breal, die reeds sedert vele jaren het eerherstel der Maagd van Orleans door woord en daad met ijver had voorbereid. Alle vier mannen dus uitstekend van gedrag, wijsheid en rechtzinnigheid.
Den 7en November 1455 vergaderden de afgevaardigden van den Heiligen Stoel in de Notre Dame van Parijs. Een ontzaglijke menigte vulde het gebouw en allen hadden het oog gevestigd op het indrukwekkend tooneel, dat daar plaats had.
233
Isabella Romée, de door smart en jaren gebogen moeder van Jeanne d'Arc, ondersteund door haar beide zonen, wierp zich voor de voeten der mannen,, door den Paus belust opnieuw recht te spreken over haar dochter.
Haar verzoek werd voorgelezen en toen smeekte zij hun luid weenend, zoo spoedig mogelijk hun door den Paus opgedragen zending te vervullen en recht te doen wedervaren aan haar en haar gezin.
Vele god- en rechtsgeleerden, die haar vergezelden, verhieven de stem ten gunste van Jeanne, prezen haar onschuld en klaagden over de onrechtvaardigheden en wreedheden, waarvan zij het offer was geweest.
Het volk schreide en zuchtte met de bedroefde moeder en drong aan op eerherstel en herziening van het proces.
De rechters, bevreesd dat deze algemeene ontroering op hun besluit van invloed kon zijn, stonden op en trokken zich terug in de sacristie, waarheen Isabella hen volgde.
Daar sprak de de aartsbisschop van üheitns haar ernstig maar vriendelijk toe.
âHet is onmogelijk U voldoening te geven ten koste der gerechtigheid.
âDe zaak, die gij wilt ondernemen, is vol moeilijkheden, langdurig en gevaarlijk.
âAls uw stappen een bevestiging uitlokken van het vonnis der rechters van Rouaan, zou uw ongeluk daardoor aanmerkelijk vergroot worden.
âDe rechters, die het eerste vonnis uitspraken, waren mannen van hooge waardigheid ; men moet hen niet lichtvaardig van dwaling en onrechtvaardigheid beschuldigen.
âHet is de gewoonte der veroordeelden hun rechters te beschuldigen en hen onrechtvaardig te noemen; toch zijn wij niet voornemens de zending ons door den Opperpriester toevertrouwd te weigeren.
âWij ontvangen haar integendeel met groote eerbied en hetgeen ik u zeg, dient alleen om u te waarschuwen u niet op een weg te brengen, die na groote moeilij kheden u slechts een overmaat van smart zou kunnen opleveren.
234
âNeem dus goeden raad aan en omring u van de mannen der wet noodig om u bij te staan in zulk een kiesche, moeilijke zaak.quot;
âWij zijn zeker van Jeanne's onschuld,quot; antwoordden de moeder en haar zonen, âwij vragen niets dan de onschuldigverklaring van Jeanne en niemands veroordeeling.quot;
âWelnu dan,quot; zeide de Aartsbisschop, do zitting opheffend, âwij dagen u den 17en November in de groote zaal van het bisschoppelijk paleis om, indien gij in uw voornemen volhardt, de Apostolische brieven to ontvangen en het proces te beginnen.''
Op deze plaats en op dien dag begon officieel het proces. De advocaat der eischende partij, meester Mougin, begon te pleiten, hetgeen tegenstand verwekte, omdat de andere partij nog niet verschenen was; maar de vergadering koos de partij van den advocaat en hem werd toegestaan een eerste pleitrede te houden onder voorwaarde, dat hij het kort zou maken.
Toen hij geëindigd had, besloten de rechters, dat het proces plaats zou hebben in Rouaan en dat de getuigen in die stad zouden opkomen.
Isabella Romée liet zich wegens haar hoogen ouderdom verontschuldigen, en ook haar zonen deden zich vertegenwoordigen, een maatregel, die zeer gewenscht werd om ieder het voorwendsel te ontnemen als zou het gerechtshof zich laten beïnvloeden door de tranen en smeekbeden der klagers.
De procureurs der eischers formuleerden in honderd en een beweringen, de redenen, welke zij aanvoerden om de nietigheid te bewijzen van het proces, en welke zij verzochten te mogen staven door het groote onderzoek, dat zij wenschten in te stellen.
Den 17en Februari 1456 kwam de procureur, die den gewezen bisschop van Beauvais voorstelde, aan het woord en de prior der Dominicanen van Evreux: daarop begon het onderzoek.
Het licht schitterde eindelijk in vollen glans over Jeanne en haar rechters. Van allo kanten verhieven zich stemmen om getuigenis af te leggen over de Maagd van Orleans. De ouden van dagen uit haar land, de gezellen van haar kindsheid, haar wapenbroeders uit den strijd Dunois, d'Alen5on,Raoulde Gaucourt, Louis de Contis haar page, d'Aulon haar schildknaap, Pasquerel
235
haar biechtvader en zij, die haar hadden bijgestaan in de gevangenis en op den brandstapel, Isambard de la Pierre, Martin Ladvenu, de officieren en rechters, de griffier Manchon, de deurwaarder Maissieu, kwamen allen voor haar getuigen.
En zij allen verklaarden, dat Jeanne d'Arc een maagd was geweest van vlekkeloos levensgedrag, van vast geloof en innige vroomheid, door tooverij noch ketterij besmet, ter goeder trouw meeuend, dat zij door den hemel belast was de Engelschon he beoorlogen, Orleans te bevrijden en den koning te doen kronen.
Ook de wijze waarop het eerste proces gevoerd was, kwam hier in het volle licht: het gebrek aan vrijheid en onpartijdigheid bij de leden der rechtbank, het gemis aan waarborgen voor de beschuldigde en het voorbedachte plan misbruik te maken van haar onwetendheid en haar overtuiging, om haar te bedriegen en in haar eigen woorden te verstrikken.
Deze beide documenten, het proces van Rouaan en het proces van eerherstel vullen elkander aan ; uit beide echter blijken de engelachtige reinheid en oprechte waarheidsliefde van Jeanne, haar standvastigheid tegenover de rechters en haar vastberadenheid in de gevangenis, haar onwankelbare trouw aan de eens gegeven verklaringen, die haar slechts eens verliet, toen zij voor den duivelachtigen list barer rechters bezweek en in een herroeping toestemde, waarvan zij den inhoud niet eens kende, een zwakheid, weldra door haar overwonnen en spoedig daarna geboet door een dood vol moed en heilige overgeving aan Gods wil.
De zittingen van het proces schenen geen einde te nemen, eindelijk werd den 7en Juli 1456 in de groote zaal van het Aartsbisschoppelijk paleis van Rouaan de uitspraak gedaan in den naam der Heilige en Ondeelbare Drieëenheid, Vader, Zoon en Heiligen Geest.
De rechters, door den Paus in het bijzonder gemachtigd, vatten in lange en door onweerlegbare bewijsstukken gestaafde artikelen hun oordeel samen, dat zij aldus uitspraken :
âIn de eerste plaats zeggen wij en verklaren wij, daar de rechtvaardigheid het eischt, dat de artikelen beginnende met deze woorden ; ,,Zrkere vrouw,quot; opgenomen in het zoogenaamde proces
236
en in het vonnis uitgesproken tegen genoemde overledene, geweest zijn, zijn en blijven een bedorven, bedriegelijk, lasterlijk, leugenachtig en onrechtvaardig uittreksel van het zoogenaamde proces en de bekentenissen der bovengenoemde overledene ;
dat de waarheid achtergehouden en de leugen in zekere hoofdpunten is toegelaten, waardoor de geest van hen, die hierin hebben beraadslaagd en wier raad is ingeroepen om een tegenoverge-gestelde meening uit te spreken, op het dwaalspoor kon gebracht worden ;
dat men onwettig vele verzwarende omstandigheden in dit proces heeft gevoegd, niet vervat in genoemde verhooren en bekentenissen ;
dat men er vele gunstige omstandigheden in heeft verzwegen, die de beschuldigde konden rechtvaardigen en dat men den vorm der uitdrukkingen heeft verwrongen, waardoor de inhoud zelf der bekentenissen is veranderd.
âBij gevolg vernietigen wij genoemde artikelen als valsche, lasterlijke en bedriegelijke uittreksels en niet overeenkomstig met de bekentenissen zelf, en wij verklaren dat deze artikelen door ons uit liet proces gelicht, gerechtelijk zullen worden gebrandmerkt.
âBovendien na met groote zorg de andere gedeelten van bovengenoemd proces te hebben onderzocht, en in het bijzonder de twee zoogenaamde vonnissen, daarin vervat en door de rechters vonnissen van afvallige en her afvallige genoemd, na ook rijpelijk te hebben overwogen de hoedanigheid van genoemde rechters en van hen in wier macht en onder wier berusting genoemde Jeanne was gehouden ...
âNa zorgvuldig al onze aandacht te hebben gewijd aan alle omstandigheden, die in deze zaak moeten worden overwogen, beschouwd en onderzocht, verklaren wij, zetelend op onze rechtbank, God alleen voor oogen hebbende, door deze eindbeslissing, die wij van onzen rechterstoel geven en in dat geschrift is vervat:
âZeggen, spreken, vaardigen wij uit en verklaren dat genoemde processen en vonnissen besmet zijn door bedrog, laster, onrechtvaardigheid, tegenspraak, dwalingen, feitelijk en rechtelijk, even-
237
als genoemde afzwering, de terechtstellingen en alles wat daarop gevolgd is, zijn geweest, zijn en blijven nietig, van geen waarde en geen gezag.
âEn daarom, voor zoover het noodig is en de rede het beveelt, breken, vernietigen wij ze en ontdoen ze van alle kracht. Verklarende dat genoemde Jeanne, evenals haar bloedverwanten, de eischers, tengevolge van deze vonnissen geen oneer hebben opgedaan, noch schandvlek, dat zij (Jeanne) van genoemde vonnissen is gezuiverd en gereinigd en voor zoover het noodig is, bevrijden wij haar daarvan.
âWij bevelen dat de plechtige uitvaardiging en uitvoering van dit ons vonnis onmiddellijk in deze stad en op twee plaatsen geschiede.
âTe weten, heden nog op het plein van Saint-Ouen, na een algemeene processie en plechtige predikatie.
âMorgen op de oude Markt, dat wil zeggen op de plaats zelf, waar genoemde Jeanne is verstikt te midden van de afschuwelijke en wreede strafte des vuurs, door een plechtige predikatie, die op deze plaats zal gehouden worden, waar men een kruis zal planten om de herinnering te vereeuwigen aan dit brave meisje en haar zaligheid en die der andere overledenen te verkrijgen.
âVerder behouden wij ons voor, wanneer het ons passend voorkomt, de verdere uitvoering en uitvaardiging, en om er de herinnering van in de toekomst te bewaren, de plechtige openbaarmaking van ons bovengenoemd vonnis, in de andere steden en voorname plaatsen van dit koninkrijk te doen plaats hebben, volgens ons eigen inzicht alle andere maatregelen te nemen door ons als noodzakelijk geoordeeld.quot;
Zoo was dan Jeanne's eer in het openbaar hersteld; het onrechtvaardige vonnis van Cauchon en zijn handlangers door een ander vervangen, dat van het nageslacht zijn bekrachtiging zou verkrijgen.
238
IV.
Nu kon Isabella Romée in vrede van deze aarde gaan; de eer harer dochter was schitterend gewroken. En de geschiedenis bevestigde dit tweede rechtvaardiger oordeel. Jeanne d'Arc is de beschermster van Frankrijk geworden, weldra naar wij hopen haar beschermheilige!
Aan onze eeuw van materialisme en ongeloof was het voorbehouden aan de herderin van Domrémy, de Maagd van Orleans, een hulde te brengen, zoo algemeen, als zij nog aan niemand ooit werd bewezen.
Vorsten en volken, geloovigen en vrijdenkers, dichters en kunstenaars voelden zich door haar rein beeld aangetrokken. Engeland heeft sedert lang de misdaad jegens haar bedreven, betreurd. Een engelsch bisschop vroeg in de kathedraal van Orleans Jeanne openlijk vergiffenis uit naam van zijn volk, dat haar den marteldood had bezorgd en verklaarde, dat de bladzijde, door haar brandstapel verlicht, die was, welke zijn landgenooten het liefst uit Engelands geschiedboeken willen scheuren.
O
DE ZALIGVERKLARING.
En toen brak eindelijk aan de dag der glorie, der verheerlijking voor de Maagd van Orleans, de Martelares van Rouaan.
Den 18 April 1909, gedenkwaardige datum! werd Jeanne door de Kerk op haar altaar verheven ; de Paus had haar beroep op zijn rechtvaardigheid gehoord door de eeuwen heen en na het eene proces te hebben vernietigd, schonk de H. Stoel haar nu het grootste eerherstel. Hij verklaarde het slachtoffer van Cauchon en Loyseleur, de door hen als kettersche en toovenares gebrandmerkte en verbrande gelukzalig en Frankrijk, het arme, het ongelukkige, het zondige Frankrijk, juichte, omdat zijn zalige redster en bevrijdster, hem tot verdedigster en voorspraak was gegeven.
Sinds menschengeheugenis had er in Rome geen plechtigheid van zaligverklaring plaats met zooveel luister en glans. Meer dan 50000 Franschen waren samen gekomen in de machtige basiliek van St. Pieter.
Reeds in den vroegen morgen waren zij daarheen gestroomd ; heerlijk schittert de ontzagwekkende tempel, stralend in licht en in goud. Rood fluweelen draperiën met goud geborduurd vallen van de gewelven en dragen twee banieren, waarop de wonderen door Jeanne d'Arcs voorbede verkregen, zijn afgebeeld.
Op het hoogaltaar door duizenden electrische lampen omgeven troont het gesluierde beeld der Gelukzalige. Twee banieren aan weerszijden vertoonen haar twee zegedagen : de blijde intocht in het bevrijde Orleans, de kroning van Karei VII in den Dom van Rheims.
De plechtigheid begint en de fransche pelgrims heften allen tegelijk het Credo aan.
In de tribunes zijn fransche prinsen en princessen gezeten, de bloedverwanten van den Paus, de nakomelingen van Jeanne's
240
familieleden. Een talrijke schare van fransche en italiaansche kardinalen, bisschoppen en andere hoogwaardigheidbekleeders omringen het Hoogaltaar. De Engelschen vooral stellen er prijs op tegenwoordig te zijn bij deze ceremonie, die het onrechtvaardig vonnis door hun vooronders geveld zoo schitterend vernietigt. Zij komen er om eereherstel te geven aan de Maagd, die hen uit Frankrijk verdreef en die zij den wreedsten dood lieten sterven.
Mgr. Touchet, de bisschop van Orleans, die het werk door zijn grooten voorganger Mgr. Dupanloup begonnen tot een goed einde mocht brengen, draagt de Hoogmis op.
Nu wordt het Pauselijke decreet voorgelezen dat Jeanne d'Arc onder de rij der gelukzaligen verheft, dan valt de sluier en daar verschijnt Jeanne, de nederige, bescheiden, arme Herderin in het midden van het lichtgeschitter en kaarsgefonkel, fier en rein als toen zij over de aarde ging, om haar geheimzinnige zending te vervullen.
Met moeite weerhoudt de menigte haar gejuich en gejubel, dat in de heilige plaats dreigt te weergalmen.
Des middags komen de scharen in nog grooter getal terug, want dan zal de Paus zelf de plechtigheid bijwonen ; de reuzen basiliek is stampvol door een afwachtende menigte van alle natiën, van alle rangen, bezield door slechts ééne gedachte : hulde te brengen aan de Herderin van Domrémy, aan de goede Lorraine, aan Jeanne, de Gelukzalige.
Tegen vier uur gaat een rilling door het volk. â De Paus! de Paus komt â en daar wordt hij binnen gedragen de groote, de goede Pius X, hij die oneindig veel lijden moest door en om Frankrijk en die nu wil neerknielen vóór het beeld der Fransche Heilige. De liturgische zangen haar ter eere weerklinken en de gebruikelijke geschenken der aanvragers van de Zaligverklaring worden den Paus aangeboden. Zij bestaan in een groote mand met bloemen en een rijk gebonden levensbeschrijving van Jeanne d'Arc.
Dan bestijgt Pius X opnieuw de Sedia-Gestatoria en al zegenend trekt hij door de kerk ; allen knielen neder op zijn weg. Des avonds is St. Pieter schitterend verlicht en de gloed van het vuur verkondigt in de verte den on vergankelij ken roem en de blanke glorie van Jeanne.
241
Daags daarna knielden haar landgenooten neder voor de voeten van den Paus en Mgr. Touchet bedankte uit naam van Frankrijk voor de groote eer zijn edelste dochter bewezen. Nu nam ook de Paus het woord, hij vermaande zijne trouwe kinderen in deze moeilijke dagen trouw te blijven aan God en Zijn Kerk, hierdoor toch zouden zij ook werken voor het welzijn van hun vaderland, want de godsdienst waarborgt burgerlijke orde en geluk.
âWij verheugen ons met u, welbeminde katholieken van Frankrijk, indien gij strijdt onder de banier der ware patriote Jeanne d'Arc, waarop ik deze woorden geschreven zie : Godsdienst en Vaderland. Met U die met al het vuur uwer ziel deze heldin toejuicht, slachtoffer der lage huichelarij en de wreedheid van een renegaat, aan den vreemde verkocht, altijd echter vertrouwend op den Stedehouder van Jesus Christus op wien zij zich in haar ellende beriep als op haar laatste toevlucht.quot;
En de Fransche vlag, die zich voor den Vader der geloovigen eerbiedig boog, met snel gebaar naar zich toe trekkend, drukte hij haar aan de lippen.
Nu kende de geestdrift der pelgrims geen grenzen meer, alles was vergeten, hun zware offers, hun bitter leed, hun aarzelingen en hun grieven wellicht. Nieuw vuur bezielde hen om onder Jeanne d'Arc, sterk door haar voorspraak en bescherming moedig te strijden, de overwinning te bevechten en den vijand, sluwer en wreeder wellicht dan de Engelschman van voorheen, uit hun land te verdrijven en daar weer te doen heerschen godsdienst, liefde, eendracht, geloof, het Kruis, dat Jeanne aan haar stervende lippen had gedrukt en dat nu hier triomfeerde bij haar groote, heilige overwinning.
Men kon hun geestdrift niet meer beteugelen, de basiliek daverde van hun blijde kreten, tranen rolden en niet alleen uit vrouwen-oogen. De Paus had hun vlag gekust, geheiligd, gewijd, zij werd nu een nieuwe Orifiamme, een nieuwe standaard, waaronder de trouw gebleven zonen der Kerk zich zouden vereenigen sterk door 's Pausen woord en vertrouwend op de nieuwe Beschermster hun gegeven :
JEANNE D'ARC, DE GELUKZALIGE !
16
HANDTEEKENINGEN
van de vrienden en vijanden van Jeanne d'Arc, aan de authentieke acten ontleend.
Philippua de Goede, Hertog van Bourgondië.
r-â'____
CT-----
|
Poten de Xaintrailles, maarschalk van Frankrijk. |
Arthur van Bretagne, graaf van Riehemont, connétable van Frankrijk. |
Karei VII, koning van Frankrijk.
Jean van Valeis, hertog van Alen^on.
HANDTEEKENINGEN
van de vrienden en vijanden van Jeanne d'Arc, aan de authentieke acten ontleend.
Karei, hertog van Orleans.
Philippus de Goede, Hertog van Bourgojidië.
^ Sc-
' ^«^rVW ^ CY---u»
X
|
Poton de Xaintrailles, maarschalk van Prankrijk. |
Arthur van Bretagne, graaf van Riehemont, connétable van Frankrijk. |
jlquot;U
Karei VII, koning van Frankrijk.
Jean van Valeis, hertog van Alen9on.
Regnault de Chartres, aartsbisschop van Rheims.
Pierre Cauchon, bisschop van Beauvais.
\-f
Louis de Culais, admiraal vau Frankrijk.
Charles d'Albret.
Cr
Jeun, bastaard van Orleans, graaf van Dunois.
Etienne de Vignoles, genaamd la Hire.
lâ¬gt;c
liaoul de Graucourt, gouverneur van Orleans.
Ambroise de Loré.
Georges de la Tremouilles, minister van Karei VII.
AANHANGSEL.
JEANNE IN DE GESCHIEDENIS.
I.
Zonderling mag het heeten, dat na Jeanne's eerherstel de Franschen zich zoo weinig met haar geschiedenis bezighielden ; het was of door de schitterende vernietiging van haar onteerend doodvonnis de zielen van hare vereerders tot rust waren gekomen en zij geen behoefte meer gevoelden, steeds meer licht te werpen op haar gestalte.
Nog vóór het tweede proces waren er stemmen opgegaan om te protesteeren tegen haar veroordeeling; de kroniekschrijvers, die de feiten van den oorlog tusschen Frankrijk en Engeland opteekenden, vreezen niet haar dood aan den haat der Engelschen toe te schrijven, maar op enkele uitzonderingen na, dacht niemand er aan een karakterschets te ontwerpen van de heldhaftige Maagd, waarvan de trekken zouden ontleend zijn aan beide processen.
Thomas Basin, bisschop van Lisieux, alleen sprak zijn oordeel over haar uit op grond der authentieke stukken en zijn meening is geheel dezelfde als die, welke ieder onbevooroordeelde geest zich van haar vormen moet na lezing der beide stukken. Hij wijst op de kwade trouw der verhooren, op het verstand, uit haar antwoorden sprekend, op haar gezonde godsvrucht, haar reinheid en de wettige redenen, die haar dwongen de mannenkleederen te dragen, hetgeen haar als een misdaad werd aangewreven, en den blijkbaren opzet der Engelschen om haar te schandvlekken en daarna ter dood te veroordeelen.
Haar herroeping wordt ook door hem grondig onderzocht en verklaard door de wreede strengheid der gevangenis en door de valsche belofte van haar vrijheid, welke men haar voorspiegelde, en die zij later herriep om trouw aan haar eenmaal gegeven verklaringeri een heiligen dood te sterven.
250
Over den oorsprong harer vizioenen laat hij zich niet uit; maar verzekert dat er niets in het proces voorkomt, wat haar veroordeeling als kettersche en toovenares kan verontschuldigen; met veel kracht spreekt hij dan ook hen tegen, die om haar schandelijken dood haar goddelijke zending zouden willen ontkennen, want, zegt hij, ook Christus, en op Zijn voorbeeld de apostelen hebben hun goddelijke zending bekroond door den marteldood.
Ook Martial van Auvergue en Jean Chartier, schrijvers van berij mde kronieken, schandvlekken het onrechtvaardig vonnis en verheerlijken haar deugden.
Maar de overlevering bekreunde zich weinig om de historische feiten; in de verbeelding des volks leefde Jeanne op fantastische wijze als een theaterheldin, een soort van Amazone.
Men schreef haar allerlei fabelachtige daden toe ; zij sprong te paard zonder den stijgbeugel ooit aan te raken, zij stortte zich met de lans hoog opgeheven in het gewoel van den strijd, doodde ieder, die haar tegenkwam, reed al vechtende geheel Frankrijk door, nam Bordeaux en Bayonne in, verdreef de Engelschen uit Parijs. Den koning geleidde zij naar Rheims om er gezalfd en toen naar Parijs om er gekroond te worden; zij viel Normandië aan en rukte van de eene overwinning na de andere op tot Rouaan, waar zij verdween.
Men weet niet, zegt de naïeve kroniekschrijver, wat er daarna van haar werd ; eenigen zeggen dat de Engelschen haar gevangen namen en verbrandden, anderen dat haar wapenmakkers haar uit jaloezie deden sterven.
Nog erger maakt het een andere kroniek, die van Philips van Bergamo; door een Italiaansch ridder had hij het een en ander van Jeanne gehoord en liet verder zijn verbeelding over haar vrij spel.
Als jonge herderin oefende Jeanne zich volgens hem reeds tot haar aanstaande heldenrol; als een man sprong zij te paard, leerde de lans hanteeren en beproefde de kracht harer armen door tegen de boomstammen te slaan.
Door Karei VII in dienst genomen, laat zij de belegering van
251
Orleans, aan de Rhone, (sic!) opbreken, neemt in drie uren drie forten in, beoorloogt de Engelschen gedurende acht jaren in dertig veldtochten.
Geheel anders bespreekt haar Paus Pius II, die, toen hij nog Aeneas, Sylvius Piccolomini heette, in zijn gedenkschriften verscheidene bladzijden aan haar wijdde; hij noemt Jeanne een bewonderenswaardige jonkvrouw, die Frankrijk van den ondergang redde en als krijgsoverste te midden van het wilde leven der losbandige soldaten rein en onbesproken bleef, zoodat de laster nooit vat op haar kreeg. Alleen vermeldt hij zonder er bij stil te staan, dat men z e i d e, hoe bekwame staatkundigen haar op den voorgrond hadden geschoven, maar hoe het ook zij, belangrijke diensten bewees Jeanne aan het vaderland.
âZoo stierf Jeanne, de verbazing- en bewonderingwekkende maagd, die het bijna geheel vernietigde en verslagen Frankrijk ophief en den Engelschen groote nederlagen deed lijden, die, overste der krijgslieden geworden, haar reinheid zonder vlek bewaarde en nooit van onteerende oordeelvellingen het offer is geworden.
Js dit het werk van God of een uitvinding der menschen ? Ik zou het niet kunnen zeggen.
âMaar een ding is zeker, dat zij het beleg van Orleans heeft doen opbreken, door de wapenen het land tusschen Bourges en Parijs heeft veroverd en door haar raad Rheims heeft doen onderwerpen en den koning kronen; haar dapperheid heeft Talbot en zijn leger op de vlucht gedreven, haar moed een poort van Parijs verbrand, haar bekwaamheid en beleid de zaken van Frankrijk in goeden staat hersteld.
âDeze daden verdienen herdacht te worden, en zij zullen bij het nageslacht meer bewondering dan geloof vinden.quot;
Ten minste waren al deze uitspraken ten gunste van Jeanne, maar in de XVIde eeuw ontstond er in Frankrijk een andere strooming ; men begon toen meer geloof te slaan aan de Engelsche en Bourgondische meeningen over haar.
Men beschouwde haar optreden als een staatkundige kunstgreep, door den koning en zijn raadslieden aangewend, om den
252
uitgedoofden moed der Franschen weer op te wekken; zelfs schrikten de ondankbaren er niet voor terug de lasterlijke geruchten, door de Engelscheu aangaande hun vijandin uitgestrooid, op te rakelen en te'verspreiden.
Zelfs een verdienstelijke schrijver als Du Halion ging zoo ver, te verzekeren dat Jeanne een bekwame bedriegster was niet alleen, maar ook dat zij zich aan ergerlijke feiten schuldig had gemaakt met Baudricourt, Dunois en anderen.
Du Halion werd echter tegengesproken door mannen van gezag en studie.
Guillaume Postel roept vol geestdrift en niet zonder óver-drijving uit:
âHet is het vaderland aanvallen door Jeanne d'Arc te verdenken. Haar daden en woorden moeten even hoog worden gehouden als het Evangelie.quot;
De beroemde rechtsgeleerde Etienne Pasquier noemt Jeanne's zending een wonder van God, hij prijst de zuiverheid barer zeden, de dapperheid barer daden, het verhevene van baar antwoorden, den heldenmoed van haar dood en roept uit:
âO jammer! Niemand kwam Frankrijk ooit zoo gelukkig en wel te pas ter hulp als deze maagd en nooit werd de gedachtenis eener vrouw meer verafschuwd!quot;
Maar de schoonste verdediging van Jeanne's deugd en onschuld is te danken aan de magistraten der stad Orleans, die in 1576 de geschiedenis van het beleg hunner stad deden schrijven. Op kosten der stad werd daarin gedrukt het verhaal van Jeanne's optreden, eenige jaren na baar dood opgesteld, en waarin men een schat van bijzonderheden over baar persoon en werkkring vindt.
In de voorrede van dit stuk zeggen zij:
â't Is een treurig feit dat de Maagd, geëerbiedigd door de vreemdelingen â de Engelschen uitgezonderd â door velen onzer werd belasterd, die daardoor toonen meer vijandig te zijn aan Frankrijk dan zij, die niet tot Frankrijk behooren.quot;
Inderdaad werd in Italië, Duitschland en België aan Jeanne recht gedaan. Een Vlaamsch kroniekschrijver. Jacobus Meijer, is vol van haar lof en verdedigt haar tegen het oordeel der Bour-gondiërs.
253
In de 16de eeuw traden verscheidene nakomelingen harer broeders als Jeanne's lofredenaars op; die verheerlijking had echter vooral hun zelfverheffing ten doel.
Het eerste ernstige werk over Jeanne verschenen, is een âGeschiedenis der Maagd van Orleansquot;, door Eduard Richer geschreven maar niet gedrukt, en als handschrift in de Nationale bibliotheek van Parijs bewaard; na haar leven en dood beschreven te hebben, geeft hij een duidelijk overzicht van de beida processen en pleit op werkelijk afdoende wijze de onomstootelijke authenticiteit van Jeanne's geschiedenis.
Merkwaardig is vooral zijn beschrijving van de rampen, waaruit Jeanne haar vaderland redde:
âMen kan gerust zeggen dat Jeanne een engel des vredes geweest is, om de Engelschen geheel en al te verdelgen, want zoolang zij Guyenne en Normandië bezaten, was het den Franschen onmogelijk vrede te genieten, en men kon zich niets ellendigers voorstellen dan het arme Fransche volk. Alle jaren tegen oogsttijd landden zij in Calais of in een andere zeehaven, verwoestten van daar het land tot in Auvergne en keerden terug langs Guyenne. Er waren geen groote steden en sterke kasteelen, die bevrijd bleven van deze plaag en deze verwoesting, zoodat men den grond niet kon bebouwen, of zelfs het weinige, dat men gezaaid had, kon inoogsten. En indien iemand in Frankrijk tweedracht wilde zaaien, kon hij er zeker van zijn de Engelschen tot hulp te krijgen.
âDeze rampen hebben meer dan zestig jaren geduurd en van daar is ook het spreekwoord afkomstig: âDe Engelschen hebben door hun macht de bosschen in Frankrijk doen ontstaan,quot; zooals ik mij herinner menigmaal in mijn jeugd door oude menschen te hebben hooren zeggen, die Frankrijk geheel verlaten en bedekt met wouden hadden gekend : dat hun voorouders de verwoestingen der Engelschen hadden beleefd en dat men onder de regeeringen van Karei VII en Lodewijk XI begonnen was de bosschen weg te kappen, de velden te ontginnen en de dorpen te herbouwen.
âDit is dus in 't kort de groote weldaad, die het God behaagd heeft ons door de Maagd te schenken, die even zooveel standbeel-
254
den van brons verdiende te hebben als men Demetrius PhalinUS ter eere in Griekenland oprichtte; hetgeen zij veel meer verdiende.quot;
Nog krachtiger is de wijze waarop de geschiedschrijver Meizerai in zijn âGeschiedenis van Frankrijkquot; den handschoen voor Jeanne opneemt; jammer dat hij echter de fabels, die over haar in omloop waren, zonder eenige schifting opneemt en haar beschuldigt na Kareis kroning Gods zending te hebben miskend, door niet naar haar dorp terug te keeren, maar voort te gaan met haar strijd tegen de Engelschen, tot straf waarvan zij een wreeden dood moest sterven.
In de XVIIIde eeuw, de eeuw van twijfel en ongeloof, trachtte men het bovennatuurlijke uit Jeanne's leven weg te cijferen en begon aan de authentieke stukken, die over haar bestonden, meer aandacht te wijden.
Lenget Dufresnoy gaf een zeer middelmatige geschiedenis van haar uit; hij scheen begonnen te zijn met vele vooroordeelen tegen Jeanne, maar de lezing der beide processen bracht hem tot geheel andere gedachten en het is merkwaardig die langzame verandering van zijne meening na te gaan.
Eindelijk werden echter de stukken der beide processen zelf aan het licht gebracht'. De eerste, die het ondernam, was Clement de l'Averdy, die in zijn Notices aanteekeningen gaf op het proces der veroordeeling en op dat van het eerherstel en ze met veel nauwgezetheid analyseerde.
Na l'Averdy verschenen er verscheidene historische werken over Jeanne d'Arc, maar de bron, waaruit ieder, die haar kennen wil, zooals zij zich zelf heeft vertoond, moet putten, is de groote uitgave der beide procestexten door Jules Quicherat.
Hier vindt men geen Jeanne d'Arc meer, misvormd door de hartstochten der partijen, maar haarzelf sprekend en handelend optredend; het eenige document dat, jammer genoeg, nog niet werd teruggevonden, is het verslag der verhooren van Jeanne in Poitiers door de godgeleerden van haar eigen partij.
Natuurlijk werpen de gunstige getuigenissen omtrent Jeanne afgelegd in een tweede proces, het meeste licht op haar onschuld en godsvrucht; maar toch verschijnt zij ons veel levendiger of
255
liever meer levend in het proces der veroordeeling, hetgeen niet te verwonderen is, omdat zij zelf daarin sprekend optreedt.
Ondanks de pogingen harer vijanden om alles ten haren nadeele te doen uitkomen, of liever juist door die pogingen komt haar onschuld heerlijk uit; men ziet klaar als de dag hoe weinig ernstig de grieven waren tegen haar uitgebracht en hoe duidelijk zichtbaar de toeleg was om haar te veroordeelen.
JEANNE IN POÃZIE EN KÃNST.
I.
Maar nog vóór de geschiedenis haar laatste woord omtrent Jeanne gezegd had, maakte zich de poëzie van haar geheimzinnige, aantrekkelijke figuur meester en zonderling! hoe meer Jeanne wint door het onpartijdige oordeel van den geschiedvorscher, hoe meer zij verliest door de behandeling van de dichters.
Geen enkele dichter is er geweest, die haar waardig bezongen heeft en hoe zonderling dit ook schijnen moge, zoo is dit toch eigenlijk niet te verwonderen.
Haar leven is een legende te midden der geschiedenis, een mirakel geplaatst op den drempel der moderne tijden, een wonder door gezaghebbende documenten duidelijk gestaafd. De poëzie echter leeft van verdichting en haar lichtgestalte heeft geen vreemde sieraden noodig; de waarheid alleen is haar voldoende. Zij is nergens grooter dan in haar verheven eenvoud; zij staat te hoog boven het menschelijk verbeelden en evenmin als het mogelijk is het Evangelieverhaal te verfraaien door bloemen van verdichting, evenmin kan men aan Jeanne's levensgeschiedenis door sieraden van poëzie nieuwen glans bijzetten.
Toch hebben verscheidene dichters hun krachten beproefd aan het schilderen van haar wonderbaar werken en strijden.
Reeds in 1440 gaf een goedhartig rijmelaar. Martin le Franc, proost der kathedraal van Lausanne, haar een plaats in zijn
256
gedicht Lc Champion des Dames'. Hij noemt haar door God gezonden, niet door de duivels maar door de engelen bezield; hij verdedigt haar tegen haar vijanden, vergoelijkt zelfs haar dragen van inannenkleederen en verheerlijkt haar marteldood.
In 1484 verhaalt de rijmkroniek van Martialis van Parijs haar heldendaden; naïef klinkt de beschrijving aan haar persoon:
Elle était trés douce, amiable,
Moutonne sans orgeuil, n'envie.
Gracieuse moult serviable
Et qui menait belle vie.
[Zij was zeer zacht, beminnelijk, een schaap zonder haat noch nijd, bevallig, zeer gedienstig, een schoon leven leidend.]
Bovenaan staat tchter onder de dichters, die het zich tot een plicht rekenden Jeanne en hare zending te verheerlijken, eene vrouw, de vrome en geleerde dichteres Christine de Pisan; haar verzen zijn weinig meer dan berijmd proza, maar er spreekt zooveel vaderlandsliefde uit met oprechte bewondering voor de heldin en bovendien zekere naïeve trots, omdat zulke groote dingen door een jong meisje, de eer van haar geslacht, verricht zijn, dat men ze nu nog met genoegen leest.
Merkwaardig is het ook, dat zij door Christine tijdens het leven van Jeanne geschreven werden en dus geheel en al de gevoelens weergeven, welke de Franschen bezielden bij het aanschouwen der wonderbare heldendaden van de Maagd.
Duidelijk blijkt uit de volgende oud-fransche verzen hoe men toen reeds in Jeanne de afgezante des hemels algemeen erkende en vereerde.
Tu Johanne, de bonne heure née.
Benoist soit cil qui te créa!
Pucelle de Dieu ordonnée.
En qui le Saint Esprit réa
257
Sa grant grjlcc; et qui ot et a Toute largesse de hoult don N'one requeste ne te véa Que te rendra assez guerdon.
[Gij Jeanne te goeder ure geboren! Gezegend zij hij, die u schiep! Maagd door God gezonden. In wie de Heilige Geest zijn groote genade deed uitschitteren; en die hadt en hebt zulk een rijkdom van groote gaven; nooit weigerde Hij uw verzoek en zal u groote belooning geven.]
En verder:
Par miracle fut envoiée Et divine admonition De l'ange de Dieu convoiée.
Au roy, pour sa provision.
Son fait n'est pas illusion Car bi en a esté esprouvéc Par conseil, en conclusion A l'effect la chose est prouvée
[Door een wonder en op Goddelijk bevel werd zij gezonden en door den Engel Gods geleid vóór den quot;'oning om zijn rijk te redden. Haar komst was geen bedrog, v/ant zij is goed beproefd in den raad en zie hier mijn besluit: door de uitkomst is de zaak bewezen].
Een zeer verstandig woord, dat velen, die op hoogwijzen toon over Jeanne en haar roeping redeneeren, wel mogen ter harte nemen.
Maar hoe meer eeuwen er verliepen, hoe langer het tijdperk werd dat de dichters van Jeanne's tijdgenooten scheidde, hoe meer haar eigenlijk beeld uitgewischt werd.
Een soort van conventioneele poëzie begon haar grootschen
17
4
258
eenvoud en verheven naïveteit met haar platte versierselen te misvormen; men begon Jeanne het harnas der nieuwe klassieken aan te doen en zij werd een soort van grieksche heldin, een kostuum dat het eenvoudige herderinnetje volstrekt niet stond. De ware Jeanne d'Arc raakte hoe langer hoe meer op den achtergrond, zelfs nam de avonturierster de Vrouwe des Armoises haar plaats in en in plaats van het vroolijke, levendige, geestige meisje, de nederige, zachte jonkvrouw, zooals Jeanne in werkelijkheid was, die slechts met tegenzin de wapenen opnam en alleen uit gehoorzaamheid aan Gods bevelen ten strijde toog, ontwikkelde zich een strijdlustige man-vrouw.
In den tijd van Lodelijk XIV leefde Jeanne nog slechts voort als een soort van Clorinde, een heldin uit de gedichten van Tasso of Ariosto, en 't is deze opvatting die Chapelain bezielde in zijn mislukt gedicht rLa Fucelle,'' dat ieders lachlust en spot opwekte. Dertig jaren lang was hij aan dit werk bezig en hoog was de verwachting daaromtrent gespannen, maar nog grooter de teleurstelling. Chapelain was een knap taalkundige maar geen dichter en zijn gedicht bleek eenvoudig onleesbaar. Hij gaf dan ook niet meer dan de twaalf eerste zangen daarvan uit; het werk was opgedragen aan den hertog de Longueville, nakomeling van den dapperen Dunois, Jeannes wapenvriend en deze beloonde den dichter vorstelijk, door hem een jaargeld van 12000 francs toe te staan. Niemand was naar de laatste twaalf zangen nieuwsgierig ; zij bleven dus onuitgegeven, tot geluk van den hertog die anders wellicht zijn jaargeld aan Chapelain had moeten verdubbelen.
Toch is niet alles in dit gedicht â waarvan het grootste gebrek wetenschappelijke vervelendheid is â af te keuren ; er zijn zeer mooie stukken en zelfs goede schilderijen in, maar het groote nadeel van dit werk was voorzeker dat het zijn belachelijkheid mededeelde aan de heldin zelf.
Men lachte zooveel om Chapelain's Pucelle, dat men eindigde met niet te weten of men met dit product zijner dorre fantasie den spot dreef óf wel met de echte Jeanne, en zonder het eenigs-zins te bedoelen, effende hij de baan voor Jeanne's grootsten lasteraar en bespotter: Voltaire.
259
Hoe minder wij over zijn schandelijk pamflet zeggen hoe beter ; schuldiger wellicht was hij, die zijn talent misbruikte om de bevrijdster van zijn vaderland met slijk te werpen, dan Cauchon en diens handlangers, toen zij haar martelden en doodden.
Geen schande is Jeanne bespaard gebleven; haar naam werd aan de verachting prijs gegeven, haar lichaam verbrand, haar assclie verstrooid en â Voltaire heeft haar bezongen.
Delavigne, Soumet, Barbier, de Banville, Deroulêde hebben haar allen met meer of minder geluk bezongen; de grootste fout van allen is, dat zij in plaats van trouw de geschiedenis te volgen hui me fantasie vrij spel lieten en alle smakelooze sieraden aanwendden, om hun werk mooier dan de waarheid te maken.
II.
Ook in het buitenland trok Jeanne's verschijning de aandacht; natuurlijk duurde het zeer lang, vóór dat de nationale haat tegen de vijandin van hun land de onpartijdigheid overwon, maar het nobele engelsche volk moest toch eenmaal haar recht laten wedervaren en toen de Britten hiermede'begonnen waren, bleven zij niet halverwege staan.
Nu staat de nagedachtenis van Jeanne misschien nergens in hooger aanzien dan juist bij hen, die zij zoo dapper beoorloogde.
âWij hebben aan Jeanne het behoud onzer nationaliteit te danken,quot; zegt een hedendaagsch engelsch schrijver, ,,hadden wij vasten voet in Frankrijk behouden, dan zouden wij als natie geheel versmolten zijn met de Franschen; wij zouden geen En-gelschen gebleven maar Franschen geworden zijn, en zoo hebben ook wij aan de Maagd van Orleans veel te danken.quot;
De Engelsche geschiedschrijver David Hume is een der eersten die met waardeering over Jeanne d'Arc sprak: vergetend dat hij Engelschman was, toont hij voor alles een mensch te zijn vol gezond verstand en hart.
Toch laat hij zich vele fouten ontsnappen; zoo vertelt hij onder meer, dat Jeanne zeven en twintig jaar was, toen zij voor den
260^
koning verscheen ; verder verspreidt hij het fabeltje als zou Jeanne meid in een herberg zijn geweest; dit vermeldt hij echter niet om een smet op haar goeden naam te werpen, maar eenvoudig om haar handigheid in het omgaan met paarden te verklaren.
Ook ontkent hij den bovennatuurlijken oorsprong van haar vizioenen, maar oppert toch geen twijfel aan haar oprechtheid.
De Engelschman, die het meest haar nagedachtenis met slijk besmeurde is helaas! de grootste der dichters, niet alleen van Engeland maar van de geheele wereld.
In Shakespeare's trilogie Hendrik IV treedt de Maagd van Orleans op hoogst zonderlinge wijze op; in de eerste akten verschijnt zij geheel zooals geschiedenis en overlevering haar voorstellen.
Men hoore slechts hoe zij in tegenwoordigheids des konings te Chinon verschijnt en door hem op de proef wordt gesteld:
Renier. {Koning van Anjou).
Zijt gij 't, die wondren doen wilt, schoone maagd ? ')
Jeanne.
Renier, zijt gij 't die mij bedriegen wilt?
Spreek, waar is de Dauphin ? â O, treed naar voren,
Ik ken u wel, ofschoon ik u nooit zag.
Sta niet verbaasd, voor mij blijft niets verborgen.
'k Wil u alleen en in vertrouwen spreken,
Terug gij heeren, laat hiertoe ons vrij.
Renier.
De eerste storm gaat haar voortreff'lijk af.
') Vertaling van Dr. Burgersdijk.
Marmeren beeld vau Jeanne d'Arc, staande in liet museum te Versailles, door prinses Maria van Orleans,
263
Jeanne.
Dauphin, 'k ben van geboorte een schepersdochter,
Mijn geest is vreemd aan kunst en wetenschap.
't Heeft Gode en onze lieve Vrouwe behaagd
Op mij in lagen staat hun licht te stralen.
Zie, toen ik mijn teedre lamineren weidde.
Mijn wangen door de zon verschroeien liet,
Verscheen genadig mij de Moeder Gods
En gaf in een visioen vol majesteit
Mij last, mijn laag beroep vaarwel te zeggen,
Mijn vaderland te redden uit den nood.
Zij zeide mij hulp toe en wisse zege.
En toonde zich in al haar Hemelglans.
Vraag mij naar alles, wat gij vragen kunt.
Onvoorbereid zal ik u antwoord geven;
Toets in den strijd, indien gij durft, mijn moed,
Bevinden zult gij, meer ben ik dan vrouw.
Neem uw besluit â gij hebt geluk op aard
Wanneer gij als strijdgenoot mij aanvaardt.
Karel.
Ik sta verbaasd van uwe fiere taal;
En deze proef slechts wensch ik van uw moed, Gij zult in 't tweegevecht u met mij meten.
Zoo ge overwint dan zijn uw woorden waar. Zoo niet dan weiger ik u 't minst vertrouwen.
Jeanne.
Ik ben bereid; hier is mijn snijdend zwaard, Gesierd aan weerszijden met vijf leliën, dat ik Mij in Touraine op Sint Kathrine's kerkhof Uit veel oud ijzer uitgekozen heb.
264
Kakel.
In Gods naam, kom ! geen vrouw verwekt mij angst. Jeanne.
En heel mijn leven vlucht ik voor geen man.
{Zij vechtcH en Jeanne cl'Arc heeft de overhaml)
Kakel.
Weerhoud uw hand, gij £ijt een amazone,
En met Debora's zwaard is 't dat gij strijdt.
Jeanne.
Gods Moeder helpt mij, anders ware ik zwak.
Kakel.
Wie u ook helpe, gij moet mij nu helpen,
Onstuimig brandt reeds mijn verlangst naar u. Gij overwont mij tevens hart eu hand Eed'le Pucelle, indien gij dus u noemt,
Laat mij uw diensknecht zijn en niet uw heer. Ffankrijks dauphin is 't, die aldus u smeekt.
Jeanne.
Geen liefde, hoe ook, mag mij welkom zijn,
Een heilig ambt, van ginds omhoog, is 't mijn,
Maar heb ik al uw vijanden verdreven,
En wensch ik eenig loon, wil 't mij dan geven.
Eu later:
265
Ik ben tot Engelands geesel uitverkoren, Nog dezen nacht ontzet ik wis do stad; Verwacht, nu ik den strijd aanvaard. Een schoonen Sint Maarteuszomer.
De roem is als een cirkel in het water, Die immer meer en verder zich verbreidt. Totdat hij wijder steeds tot niets vervloeit. Nu Hendrik stierf ging Englands kring te niet, Vervloeid is al de roem, dien hij omsloot.
Alencon.
Geen dralen meer! laat ons de stad ontzetten!
Renter.
Doe vrouwe, wat gij kunt en red onze eer!
Bevrijd ons Orleans en word onsterflijk.
Kakel.
Het zij terstond beproefd! â Aan 't werk, 'k vertrouw
Niet een profeet, als zij mij leugens spelt.
In het derde bedrijf treedt zij weer op en met veel dichterlijke vrijheid laat Shakespeare haar de volgende fraaie tweespraak houden met den Hertog van Bourgondië, dien Jeanne in werkelijkheid nooit heeft ontmoet.
Jeanne.
Dapper Bourgondië, vaste hoop van Frankrijk,
Sta toe dat uw dienstmaagd met u spreek'!
266
Bourgondië.
Spreek op maar wees niet overmatig lang.
Jeanne.
Blik op uw vaderland, uw vruchtbaar Frankrijk, En zie in 't rond èn stad èn dorp vernield Door 't fel verkeeren van een bitt'ren vijand.
Blik als de moeder 't doet op 't bleeke wicht, Wanneer de dood zijn lieflijke oogjes sluit, Op 't loopend kwijnen van uw Frankrijk; zie Die wonden, de onnatuurlijk booze wonden.
Die gij, gij zelf haar hangen boezem sloegt.
O, keer uw snijdend zwaard naar and're zijden;
Tref hem, die slaat, en sla niet die hem helpt. Een droppel bloeds uit uws lands borst getapt,
Moet meer dan stroomen vreemdlingsbloed u rouwen. Daarom, keer tot ons met een vloed van tranen, En maak uws lands roodkleurige vlekken weg.
Bourgondië.
Zij ⢠heeft mij met haar woorden heel behekst,
Of wel, natuur heeft plots'ling mij verweekt.
Jeanne.
Om u schreit Frankrijk en heel 't fransche volk ; Zij twijf'len aan uw echt en edel bloed.
Met wien verhoudt ge u ? Met een heerschziek volk, Dat u vertrouwt, slechts wijl 't er winst in ziet.
Heeft Talbot eens in Frankrijk vasten voet,
267
U tot zijn werktuig makend van verderf,
Wie wordt dan meester hier, dan Englands Hendrik ?
U stoot men als een overlooper uit,
Herdenk, dit eene, roep 't u voor den geest:
Was Orleans, de hertog, niet uw vijand,
En was hij niet in Engeland krijgsgevangen ?
Nauw was hij als uw vijand hun bekend,
Of zonder losgeld lieten zij hem vrij,
Bourgondië tarten en zijn vriendenschaar.
Zie toe, gij moordt aldus uw landgenooten;
Hen steunt gij, die uw moord'naars zullen zijn.
Kom, kom terug! Keer om, verdwaalde vorst!
Als Karei spreiden allen de armen open.
Bourgondië.
'k Geef mij gewonnen, hare hooge taal Heeft mij verplet, als schroot van grof geschut,
En bijna knielde ik neer tot overgaaf.
Vergeeft mij laud en lieve landgenooten;
En gunt mij heeren, hart'lijk u te omarmen.
Mijn leger, al mijn kracht behoort aan u.
Talbot vaarwel! 'k vertrouw u thans niet meer.
En deze Jeanne, die zulk een edele rol speelt vol vaderlandsliefde, godsvrucht en geest van verzoening, valt in het laatste bedrijf van haar voetstuk, verloochent haar vader, roept de helsche geesten aan, beschuldigt zich zelf van de grootste gruweldaden ; het is haast niet te gelooven, dat dezelfde, die haar in de eerste bedrijven zulke edele taal laat spreken, in het laatste haar aldus belastert; velen meenen dan ook, dat Hendrik VI ten onrechte aan Shakespeare wordt toegeschreven en dat hij het drama van zekeren Green slechts bewerkte. In dien tijd was de
268
haat jegens Jeanne algemeen in Engeland en dus kon Shakespeare ook moeilijk een billijker oordeel over haar uitspreken ; toch schijnt zijne bewondering voor haar vaderlandsliefde hem ertoe gebracht te hebben in de eerste bedrijven en in de volgende regels haar een waardiger rol te doen vervullen.
Tegen de Engelschen, die haar gevangen hebben genomen, verklaart zij fier en onverschrokken, zooals de echte Jeanne het zou gedaan hebben:
Met booze geesten had ik nooit te doen;
Doch gij, die met uw lusten zijt bevlekt,
Bespat door 't reine bloed van schuldeloozen, Met duizenden van ondeugden besmet, â
Dewijl gij Gods genade, die aan andren Ten deel viel, mist, zoo acht gij 't voor onmooglijk, Wondren te werken zonder 's duivels hulp.
Neen, neen, verdwaasden, Jeanne d'Arc was steeds, En van haar prille jeugd, een reine maagd.
Kuisch, onbesmet zelfs in haar zielsgedachten;
Luid zal haar heilig, wreed vergoten bloed.
Om wrake schreien aan des hemels poorten!
En onmiddellijk daarop bekent Jeanne, om haar leven te redden, zich schuldig aan de schandelijke misdrijven en sterft al vloekend en godlasterend.
Het is echter Jeanne niet meer die men thans verdedigt tegenover Shakespeare, maar Engelands grooten dichter voor wien men verontschuldigingen zoekt om zijn verkeerd begrip van Jeanne's zending te verklaren.
209 111.
In 1795 koos een iindere Engelschman, Southey, Jeanne tot onderwerp van een heldendicht.
Het werk is vol geestdrift en gloeiende bewondering voor Jeanne geschreven; maar het heeft te veel romantisch bijwerk. Jeanne wordt er voorgesteld als een vrijdenkster, een revolution-naire, een tweede Madame Roland; een liefdeshistorie loopt door het geheel en vermindert daardoor de waardigheid van haar karakter. Bij de kroning voorspelt zij de toekomst, ziet de afkondiging van de rechten van den mensch, de heldenfeiten der Fransche Revolutie, het aanbreken van het tijdvak van vrijheid, gelijkheid en broederschap en meer van die holle declamaties, welke Southey, ouder en wijzer geworden, zich zelf later als dwaze anachronismen verweet.
Een Spanjaard, leerling van de groote dichters Calderon en Lope de Vega, zekere Antonia de Zamora, liet in Madrid ook een drama opvoeren, in drie dagen, zooals toen de gewoonte was. Het is zeer onhistorisch en vol onwaarschijnlijkheden, maaide dichter is vol bewondering voor Jeanne en er komen eenige tooneelen voor, vol kraciit en poëzie.
Het beroemdste echter van alle dichtwerken aan Jeanne gewijd en dat op zich zelf hooge kunstwaarde beeft, is Schiller's Jungfrau von Orleans.
Men ziet uit alles dat Schiller betere historische bronnen ten dienste stonden dan zijne voorgangers; bet werk van l'Averdy, dat de authentieke bescheiden der processen bevatte, was toen reeds uitgekomen.
Des te meer is het te betreuren, dat Schiller zoo vrij en willekeurig met de geschiedenis omsprong; hij laat Jeanne d'Arc voor een aardsche liefde bezwijken, anderen haar het hof maken, hij brengt haar in aanraking met Agnès Sorel de latere minnares van Karei VII en laat haar, de reine, zich buigen voor de schuldige vrouw, in een tooneel vol duitsche dweperij, maar het ergste is dat' hij haar een anderen dood durft laten sterven; niet op
270
den brandstapel na een vernederend vonnis, maar op het slagveld tusschen haar wapenmakkers, die haar beweenen en verheerlijken te midden eener schitterende apothéose.
De meeste dichters schijnen Jeanne niet te durven volgen tot den brandstapel; zij vinden zeker dezen onteerenden dood niet goed vereenigbaar met haar heldengestalte, en vergeten dat juist door haar marteldood hare geheimzinnige zending waardig bekroond wordt, dat haar zegepraal geen aardsche mocht zijn, maar evenals die van haar Goddelijk Voorbeeld de triomf was des Doods.
De andere dichters, die Jeanne tot heldin hunner heldenzangen of dramatische gedichten kozen, verdienen geen vermelding meer.
IV.
Jeanne's authentiek portret is niet bekend ; toch hebben de beeldende kunsten zich meermalen door haar laten bezielen.
Van Jeanne's uiterlijk weet men weinig meer dan de volgende verklaringen der getuigen bij het tweede proces.
De ridder d'Aulon, haar schildknaap, zegt dat Jeanne schoon was en welgevormd ; de hertog d'Alencon, dat zij een goed figuur had; in oude kronieken noemt men haar krachtig maar goed evenredig gebouwd, van groote gestalte.
Philippus van Bergamo zegt van haar in zijn âFemmes illustresquot; op gezag van een Italiaan, die haar in mannenkleeding zag aan Kareis hof: âKlein van figuur met een boerinnengezicht en zwarte haren; zij was zeer krachtig van lichaam en haar spraak was zacht en aangenaam.quot;
Dat hij haar klein noemt is slechts in schijnbare tegenspraak met de andere verklaringen, want zooals men weet maken vroa-wenkleederen langer en moet een vrouw al bijzonder groot zijn om als man gekleed middelmatig van lengte te schijnen.
Dat heur haar zwart was wordt bevestigd door het aanwezig zijn van een zwart haar in de overblijfselen van haar wassen stempel gevonden, en daarin geplaatst zeker om er de authentici-
â
.
'
^mm
273
teit van te bewijzen. Dit haar, in het stadhuis van Riom bewaard, is de eenige reliquie van Jeanne d'Arc bestaande.
Alle afbeeldingen er; portretten van haar vervaardigd zijn dus geheel en al het werk der verbeelding.
Elke eeuw stelde haar voor volgens de mode van dien tijd ; vandaar dat men portretten heeft, zoogenaamd Jeanne d'Arc voorstellende als amazone, als hofdame uit don tijd van Lode-wijk XIV, als Minerva of Clorinde, nadat men afgedaan had met de stijve ledepoppen uit de Middeleeuwen.
Ook de standbeelden en monumenten ter harer eere opgericht, zijn even phantastisch. Op de plaats, waar zij ter dood werd gebracht, bouwde men een fontein, versierd met haar standbeeld in het kostuum der krijgsgodin Bellona.
Op de plaats Pyramides te Parijs staat een ruiterstandbeeld van haar, dat ook in lang geen meesterstuk is, maar dagelijks de hulde ontvangt van het Fransche volk; op bet feest van Jeanne d'Arc worden daar bloemen gebracht uit alle oorden vijn Frankrijk, prachtige reusachtige kransen, maar ook ruikertjes, treffend in hun eenvoud; een tuiltje viooltjes door een arme arbeidster neergeworpen voor haar paard ; vlaggen van de verloren steden Metz en Straatsburg; een eenvoudige ruiker van vergeet-mij-nietjes, neergelegd als een stille bede :
âO Jeanne! Vergeet uw vaderland niet!quot;
Dit standbeeld werd geplaatst aa den oorlog van :870, dicht bij de verbrande Tuileriën als een hulde aan haar, die toen niet als bijna vijf eeuwen geleden Frankrijk kwam redden van den ondergang.
Verscheidene andere Fransche steden hebben standbeelden van Jeanne; Orleans natuurlijk in de eerste plaats.
Het gelukkigst door de bevrijdster van Orleans werd een dochter van Frankrijk, prinses Maria van Orleans, bezield tot twee kunstwerken, het eerste, een ruiterstandbeeld, Jeanne voorstellend als zij vol ontzetting terugdeinst voor de lijken, die het slagveld bedekken, en een ander marmeren beeld in het museum van Versailles bewaard, dat haar weergeeft in vrome gedachten verzonken, het zwaard van Fierbois aan haar hart drukkend.
18
274
Een mooi gmonument, waarvan wij een afbeelding geven, versiert sedert eenige jaren de geboorteplaats der heldin^ Domrémy. Wij zien er Jeanne in volvoering luisterende naar de heiligen, die haar riepen tot haar verheven taak.
Vele andere groote schilders als Ary Scheffer, Ingres, Delacroix, Bastien Lépage, hebben zich verschillende oogenblikken uit Jeanne's leven tot onderwerp hunner schilderwerken gekozen.
Merkwaardig zijn vooral de muurschilderingen in het Pantheon te Parijs, waarvan wij eenige afbeeldingen hebben gegeven.
Ook de muziek hield zich met Jeanne djArc bezig; er zijn vele liederen aan haar gewijd, waarvan de populairste misschien die was van Concone, thans geheel uit de mode, waarin Jeanne d'Arc in eindelooze trillers haar gevoelens van schrik, geestdrift, smart en hoop uitgalmt. Dan heeft men nog verscheidene opera's van niet veel hooger gehalte, waaronder wij die noemen van Andreozzi, Weber, Carafa en zelfs van Verdi; geen echter word nog opgevoerd. Jeanne, als operafiguur is nog ongepaster en tegenstrijdiger dan als treurspelheldin.
Verscheidene cantatus hadden meer of minder succes, die van Gaston Serpette werd door de Parijzer Akademie van Schoone Kunsten bekroond en vond tamelijk veel bijval; het meest bekend en beroemd zijn de lyrische opera van Jules Barbier en Charles üounod, en die van Mennet, beide tamelijk historisch, en waarin Sarah Bernhardt de hoofdrol vervulde.
Doch uit alle pogingen der kunst en der poëzie blijkt, dat niets ons Jeanne d'Arc geven kan, schooner dan het beeld ons door de strenge geschiedenis, dat wil zeggen de waarheid, van haar geteekend.
D O M R £ M Y.
Nergens leeft de herinnering aan Jeanne d'Arc krachtiger voort dan in haar geboortedorp, het stille Domrémy; daar vindt men nog haar nederige woning, die zij verliet om haar grootsche zending te vervullen; alle jaren trekken er pelgrims in grooten getale heen om haar hun hulde te bewijzen en haar gedachtenis te vereeren.
Reeds in 1580 bezocht de Fransche schrijver Michel Montaigue Domrémy en teekende aan, dat de voorgevel van Jeanne's woning geheel beschilderd was met voorvallen uit haar leven, die echter door den ouderdom veel hadden geleden,
In 1815 bezochten de Duitschers, die toen Frankrijk binnentrokken, Domrémy en het huis der Maagd van Orleans, die door Schiller's drama een groote populariteit bij hen bezat.
Zij sneden zich met hun sabels relieken uit de balken en meubels en zelfs Oostenrijksche prinsen namen splinters, stukken hout en grashalmen als herinneringen aan haar met zich mede.
Een pruisisch edelman vroeg den toenmaligen eigenaar en afstammeling van Jeanne's broeders, Nicolaas Gerardin, om het heele huisje van hem te koopen, maar hoewel Gerardin arm was en belast met een groot gezin weigerde het aanbod.
Drie jaar later wer'd het huisje echter door den staat gekocht en tot een nationaal gedenkteeken verheven en gerestaureerd.
Van buiten is de gevel versierd met de wapenen van Jeanne's familie, het schild door Karei VII aan haar verleend : twee gouden leliën op blauwen grond met een gouden zwaard, dat'een kroon draagt en het wapenbord der met hen verbonden Thiesselin, verder de zinnebeelden van Jeanne's landelijken arbeid : een schoof koorn en wijnranken met de opschriften: âVive le lioij Loi/s' en Vive labeur en het jaartal 1481.
276
Op het gelijkvloers bestaat het huisje uit vier kamers; door de ingangsdeur komt men dadelijk in de kamer, waar Jeanne geboren en opgevoed werd; een ijzeren plaat met de wapens van Frankrijk en Lotharingen wijst de plek aan van den vroe-geren haard, waaromheen de familie d'Arc zich verzamelde en elkander verhalen deed van den ontzettendeu strijd, die Frankrijk verscheurde, en waar Jeanne haar nachten doorbracht, als zij haar eigen bed had afgestaan aan den een of anderen armen zwerver. Een stuk hout aan den muur diende vroeger om het lampje aan te hangen, dat gedurende de lange avonden het vertrek flauw verlichtte. Deze kamer gebruikte men tegelijk voor eet-, werk-, slaapkamer en keuken.
In het midden der kamer staat op een voetstuk van zwart marmer een fraai standbeeld van Jeanne, bedekt met kransen en bloemen, door dankbare harten en handen daar neergelegd.
Vlak tegenover den ingang komt men in de kleine slaapkamer van Jeanne, een donker vertrek, want het licht dringt er slechts in door een raampje van 40 cM. oppervlakte; daar rustte het heldhaftige kind gedurende haar korte jeugd,' daar hoorde zij haar stemmen, daar zag zij haar Heiligen, daar streed zij haar hangen strijd tegen haar vrouwelijken angst en de roepstem van God, hier bereidde zij zich voor tot haar grootsche taak, de verlossing van Frankrijk. In een hoek vindt men nog de kast, waarin zij haar eenvoudige kleeren bergde.
Uit deze nederige cel komt men in den kelder en in de kamer van Jeanne's broeders, thans een soort van ovenkamer voor de zusters, die een school en pensionnaat houden in Domrémy.
Het huisje staat in een fraaien tuin, gevuld met verschillende soorten van boomeu en bloemen; de beek stroomt er door en vormt hier en daar watervallen. Rechts van de hut bevindt zich het museum vol herinneringen aan Jeanne d'Arc.
In de grootste zaal bevindt zich een schilderij, haar voorstellend op den brandstapel en andere, waarop men haar op verschillende tijdstippen van haar leven ziet afgebeeld; ook hangt er een prachtig vaandel, nauwkeurige copie van Jeaimes standaard en door de dames van Orleans aangeboden aan het huis van Jeanne d'Arc,
.277
In de tweede zaal ziet men een standbeeld Jeanne d'Arc haar eerste visioen aanschouwende, en een kleiner beeldje waarop zij als kind staat met nog eenige schilderijen.
II.
Vlak naast haar huisje, alleen door een tuintje en het kerkhof daarvan gescheiden, verheft zich de kerk van Domrémy, een eenvoudig heiligdom Daar aan den voet van het altaar kwam Jeanne haar onschuldige ziel uitstorten in vurig gebed. De getuigen verhalen, dat zij er dikwijls gedurende den dag kwam, maar vooral des morgens om de H. Mis te hooren, en's avonds om de Completen te bidden met de geestelijken en de geloovigen, zooals het toenmalige schoone gebruik het wilde.
Dikwijls vergat de klokkenluider â zooals hij later bij het proces van eerherstel zelf verklaarde â het uur te luiden en Jeanne berispte hem dan en beloofde hem als hij nauwlettender zou zijn kleine koekjes door haar zelf gebakken.
Een diepe ontroering maakt zich van den pelgrim meester, als hij de plaats ziet, waar Jeanne vóór het Heilige Sacrament neerknielde, oogeu en lianden ten hemel heffend en de liefde, die haar hart vervulde, ontboezemend in het gebed.
Weinig is meer overgebleven van de oorspronkelijke kerk, die later door Bourgondische troepen verbrand werd, maar de doopvont is hoogst waarschijnlijk dezelfde, waarbij Jeanne gedoopt werd door Jean Minet, pastoor van Dreux en Domrémy.
Twee geschilderde ramen stellen het eene de verschijning voor van den Heiligen Aartsengel Michaël aan Jeanne, het andere Jeanne neergeknield voor een beeld der Heilige Maagd.
Hier vlak bij wordt de nationale basiliek gebouwd, die naar men hoopt eens zal toegewijd worden aan de Heilige Jeanne d'Arc.
Nog tw^ee plaatsen in den omtrek oefenen reeds sedert langen tijd hun aantrekkingskracht uit op Jeanne's vereerders : Notre Dame de Bermont, waar volgens de overlevering Jeanne het eerst hare vizioenen aanschouwde en waarheen zij dikwijls ter bede-
278
vaart trok en kaarsen liet branden op het altaar der H. Maagd, om daardoor de bevrijding van Frankrijk te verkrijgen.
Het andere heiligdom, de Hermitage Sainte Marie, bestaat sedert lang niet meer; men ziet er nog slechts de bouwvallen van gelegen in de nabijheid van den Boom der Feeën, die zulk een rol speelde in Jeanne's kinderjaren en later zelfs in haar proces vermeld werd.
Deze boom bestond nog in de 17de eeuw en toen kwamen de jongelui van Domréruy evenals ten tijde van Jeanne onder zijn schaduw dansen en zingen, bloemenslingers aan zijn takken hangen, hetgeen den rechters van Rouaan aanleiding gaf tot de beschuldiging van tooverij.
âSedert ik de jaren van verstand heb, ' antwoordde Jeanne, ,,herinner ik mij niet daar gedanst te hebben. Ik heb er kunnen dansen met de andere kinderen, ik heb er meer gezongen dan gedanst. Maar sedert ik wist, dat ik naar Frankrijk moest gaan, hield ik mij zoo weinig mogelijk met deze spelen en uitspanningen bezig. â Ik heb ouden van dagen hooren zeggen â zij waren niet van mijn familie â dat de Feeën dezen boom bezoeken. â Wat mij betreft, ik heb ze nooit gezien!quot;
Ook in Vaucouleurs, vanwaar Jeanne haar heldentocht begon, zal een trotsch monument ter barer eere worden opgericht.
Maar onder alle steden heeft Orleans het beste de herinnering aan haar weldoenster en redster bewaard ; de bewoners smeekten Jeanne's moeder zich in hun midden te vestigen en onderhielden haar gedurende haar nog overige levensdagen, totdat zij in hoogen ouderdom in hun midden ptierf.
Later werd op hun kosten in plaats van het kruis, dat de plek aanwees, waar haar eerherstel werd afgekondigd, een monument opgericht, dat, na in de godsdienstoorlogen zwaar beschadigd en onder de omwenteling vernield te zijn, thans in vollen luister is hersteld.
Alle jaren wordt nog door een plechtige processie het ontzet van Orleans gevierd en het is de groote bisschop van Orleans, Monseigneur Dupanloup, die het zich tot levensdoel stelde, Jeanne's canonisatie van den Paus te verkrijgen.
In het jaar, dat Jeanne zag eerbiedwaardig verklaren door
270
Paus Leo XIII, moest men ook het merkwaardige feit opteekenen, dat Jeanne's feestdag door de ongeloovige Regeering van Frankrijk tot een nalionalen gedenkdag werd verheven voor het geheele land. . Geloovigen en ongeloovigen vereenigen zich om haar te ver-,heerlijken als de Afgezante van God of ten minste als de Maagd, 'bezield door een gloeiende liefde voor haar vaderland, maar zooals Mgr. Dupanloup schreef in zijn eerste adres, dat hij aan den Paus richtte, om haar heiligverklaring te verzoeken :
â'tls niet alleen Orleans en Frankrijk, het is de geheele wereld, die getuigenis aflegt van de godsvrucht en ijver van deze jonge Maagd, van haar reinheid en de onvermoeide zelfverloocheninsr,
07
waarmede zij altijd Gods wil vervulde!quot;
En zoo is het, Jeanne d'Arc behoort niet alleen aan haar land, maar aan de geheele wereld, haar deugden en haar hooge zending maken haar tot ons aller voorbeeld en roem.
INHOUD.
Bladz.
EERSTE G E D E E L T E.
De Herderin.........
*
TWEEDE GEI) E E L T E.
De Koning .........41
DERDE G E D E E L T E.
De Maagd van Orleans . . . . . . .65
VIERDE GEDEELTE.
Rhkims..............91
VU EDE GEDEELTE.
De Martelares. . .......
ZESDE GEDEELTE.
De Brandstapel....... â¢
ZEVENDE GEDEELTE. Het Eerherstel ....â¢â¢â¢â¢ 224
De Zaligverklaring........239
AANHANGSEL.
Jeanne in de Geschiedenis. Jeanne in Poëzie en Kunst. Domrkmy.